XXVIII.ONDERAAN.De nationale aschlieden waren, na zich met een groot aantal luidruchtige maar weinig beduidende vechtpartijtjes onder elkander te hebben vermaakt, voorloopig uiteengegaan, en mijnheer Gradgrind was voor de vacantie naar huis gekomen.Hij zat in de kamer met de statistieke klok te schrijven, zonder twijfel om het een of ander te bewijzen—waarschijnlijk dat de barmhartige Samaritaan een slecht staathuishoudkundige was. Het gerucht van den regen stoorde hem niet veel; maar het trok toch genoeg zijne aandacht om hem tusschenbeide zijn hoofd te doen opheffen, alsof hij de elementen eenigszins wilde berispen. Bij een zeer zwaren donderslag keek hij eens naarCoketown, dewijl het hem in de gedachten kwam, dat wel eens een van de hooge schoorsteenen door den bliksem kon worden getroffen.De donder rolde nog in de verte, en de regen stortte als een zondvloed neer, toen de deur zijner kamer geopend werd. Hij keek om de lamp heen, die op de tafel stond, en zag met verbazing zijne oudste dochter.„Louisa!”„Vader, ik moet u spreken.”„Wat is er gebeurd? Hoe vreemd ziet gij er uit! En goede Hemel,” zeide mijnheer Gradgrind, zich al meer en meer verwonderende, „zijt ge door dat noodweer te voet hier naar toe gekomen?”Zij sloeg hare handen aan hare kleeren, alsof zij het bijna zelve niet wist, en antwoordde: „Ja!” Daarna ontdekte zij haar hoofd, liet mantel en kap maar vallen waar zij wilden, en bleef hem staan aanzien, zoo kleurloos, met zoo verward hangende haren, zoo trotsch en wanhopig, dat hij bang voor haar werd.„Wat is het? Ik bezweer u, Louisa, zeg mij wat is er gebeurd?”Zij liet zich op een stoel vallen, die bij hem stond, en legde hare koude hand op zijn arm.„Vader, gij hebt mij van mijne wieg af opgebracht en onderwezen.”„Ja, Louisa.”„Ik vloek het uur, waarin ik tot zulk eene bestemming geboren werd.”Hij zag haar vol angst en twijfel aan en herhaalde verbijsterd: „Vloek het uur? Vloek het uur?”„Hoe waart gij in staat mij het leven te geven, en mij te berooven van al die onschatbare gaven, die het leven boven een toestand van zelfbewusten dood verheffen? Waar is al het edele mijner ziel? Waar is het gevoel van mijn hart? Wat hebt gij gedaan, vader, wat hebt gij gedaan met den tuin, die eens in deze groote woestijn hier had moeten bloeien?”Zij sloeg zich zelve met beide handen op de borst.„Als die hier maar eens bestaan had, zou zelfs zijne asch alleen mij bewaren voor de ledigheid, waarin geheel mijn leven verzinkt. Ik had dit niet willen zeggen, vader; maar gij herinnert u wel de laatste maal toen wij in deze kamer met elkander spraken?”Hij was zoo geheel onvoorbereid op hetgeen hij nu hoorde, dat hij slechts met moeite kon antwoorden: „Ja, Louisa.”„Wat mij nu op de lippen is gekomen, zou mij toen op de lippen gekomen zijn, als gij mij maar even hadt geholpen. Ik doe u geen verwijt, vader. Wat gij nooit bij mij hebt aangekweekt, hebt gij nooit bij u zelven aangekweekt; maar o, als gij dit lang geleden hadt gedaan, of als ge mij maar hadt verwaarloosd, hoeveel beter en gelukkiger zou ik dan nu zijn geweest!”Toen hij dit hoorde, na al zijne zorg, liet hij zijn hoofd op zijne hand zinken en slaakte een kermenden zucht.„Vader, als gij, toen wij hier de laatste maal bij elkander waren, datgene geweten hadt, wat zelfs ik vreesde terwijl ik er tegen worstelde—gelijk ik van mijne kindsheid af heb moeten worstelen tegen elke natuurlijke neiging, die in mijn hart opkwam; als gij geweten hadt, dat er nog aandoeningen en verlangens in mijne borst woonden, zwakheden, die tot kracht konden worden opgekweekt, die alle berekeningen moesten tarten, welke de mensch ooit gemaakt heeft, en waarvan zijne rekenkunst even weinig weet als zij van zijn Schepper weet—zoudt ge mij dan aan den man hebben gegeven, dien ik nu zeker weet dat ik haat?”„Neen, neen, mijn ongelukkig kind,” antwoordde hij.„Zoudt ge mij dan ooit gedoemd hebben tot de ijskoude en de verveling, die mij verhard en bedorven hebben? Zoudt ge mij beroofd hebben—om er niemand mede te verrijken—alleen om deze wereld des te armer te maken—van het onstoffelijke deel van mijn leven, de lente en den zomer van mijn geloof, mijne toevlucht voor al wat laag en slecht was in de werkelijkheid die mij omringde, mijne school waarin ik zou geleerd hebben nederiger te zijn en anderen meer te vertrouwen, en in mijn kleinen kring de hoop te koesteren, dat ik hen beter kon maken?”„O neen, neen, Louisa.”„En toch, vader, indien ik stekeblind ware geweest; indien ik op den tast naar mijn weg had moeten zoeken, en mij maar vrijheid was gelaten; wanneer ik de oppervlakkige gedaante der dingen kende, om mijne verbeelding eenigszins met hen bezig te houden, zou ik millioenen malen wijzer, gelukkiger, liefderijker, tevredener, onschuldiger en in een goeden zin menschelijker zijn geweest, dan ik nu ben met de oogen die ik heb. Hoor nu wat ik ben komen zeggen.”Hij maakte eene beweging om haar met zijn arm te ondersteunen. Zij rees op toen hij dit deed, en zoo bleven zij dicht bij elkander staan, zij met hare hand op zijn schouder en hem strak in de oogen ziende.„Door een honger en dorst gekweld, vader, die nooit voor een oogenblik bevredigd zijn; door een vurig verlangen gejaagd naar een of ander gewest, waar regels, cijfers en definitiën geene volstrekte heerschappij voerden, ben ik opgegroeid onder gedurigen zelfstrijd en onrust.”„Ik heb nooit geweten dat gij ontevreden waart, kind.”„Ik heb altijd geweten dat ik ongelukkig was, vader. In dien zelfstrijd heb ik mijn goeden engel bijna van mij verdreven en in een boozen geest doen veranderen. Wat ik geleerd heb, heeft mij met ongeloovige minachting, en toch met spijt over mijn geest, doen twijfelen aan wat ik niet geleerd heb; en mijn ellendig redmiddel is geweest te denken, dat het leven spoedig voorbij zou zijn, en dat niets daarin de smart en de moeite van een strijd waardig kon wezen.”„En dat zoo jong, Louisa!” zeide hij met medelijden.„Ja, zoo jong als ik was. In dien toestand was ik, vader—want ik toon u nu, zonder vrees of verschooning, den gewonen toestand van mijn gemoed: een levende dood—toen ge mij het voorstel van dat huwelijk deedt. Ik trouwde dien man, maar ik veinsde nooit voor u of voor hem, dat ik hem liefhad. Ik wist, en gij wist, vader, en ook hij wist, dat ik het niet deed. Ik was niet geheel onverschillig, want ik hoopte, dat ik Tom nuttig zou kunnen zijn en hem het leven aangenaam zou maken. Ik deed zulk eene ijdele poging om mijn hart en mijne verbeelding met iets te vervullen, en ik heb langzamerhand bevonden hoe ijdel dit was. Maar Tom was het eenige voorwerp geweest van zooveel liefde en teederheid als ik had; en misschien werd hij dat omdat ik maar al te wel wist, hoeveel medelijden hij verdiende. Dit is nu van weinig belang, behalve dat het u misschien kan overhalen om zachter over zijne misstappen te denken.”Terwijl haar vader haar in zijn arm hield, legde zij hare hand op zijn anderen schouder, en zoo, hem steeds strak aanziende, ging zij voort:„Toen ik onherroepelijk getrouwd was, kwam de oude zelfstrijd weder bij mij op en dreef mij tot weerspannigheid tegen dien band, nog drukkender gemaakt door al die oorzaken van oneenigheid, die uit onze twee verschillende karakters ontstaan, en die geene algemeene regelen ooit zullen bepalen of beheerschen, vader, voordat zij een ontleedkundige kunnen leeren om met zijn mes de geheimen mijner ziel te treffen.”„Louisa!” zeide hij, en zijn toon was smeekend, want maar al te wel herinnerde hij zich wat er bij hun vorig gesprek tusschen hen was omgegaan.„Ik doe u geen verwijt, vader, en ik klaag niet. Ik ben met een ander doel hier gekomen.”„Wat kan ik doen, kind? Vraag mij wat gij maar wilt.”„Daar zal ik terstond toe komen. Vader, het toeval plaatste toen een nieuwe bekende in mijn weg; een man, gelijk ik nog nooit had gezien; een man van de wereld, luchtig, gepolijst en ongedwongen, die niet wilde veinzen, die openlijk bekende dat hij alle dingen zoo gering schatte, als ik dat nauwelijks heimelijk durfde doen; die mij bijna oogenblikkelijk, hoewel ik niet weet hoe of waardoor, te kennen gaf, dat hij mij begreep en mijne gedachten las. Ik kon niet vinden, dat hij erger was dan ik. Er scheen eene nauwe verwantschap tusschen ons te bestaan. Het verwonderde mij alleen, dat het hem, die zich anders om niets bekommerde, de moeite waardig was zich zooveel om mij te bekommeren.”„Om u, Louisa!”Misschien zou haar vader haar onwillekeurig hebben losgelaten, indien hij niet gevoeld had, dat hare krachten haar begaven, en een woest vuur had gezien in de wijd geopende oogen, die hem aanstaarden.„GIJ HEBT MIJ VROEGER NOG EENS GEZIEN, MEVROUW,” ZEIDE RACHEL. (Blz. 119).„GIJ HEBT MIJ VROEGER NOG EENS GEZIEN, MEVROUW,” ZEIDE RACHEL. (Blz. 119).„Ik zeg niets van de reden waarom hij op mijn vertrouwen aanspraak maakte. Het is van weinig belang hoe hij het won. Hij won het, vader. Wat gij van de geschiedenis van mijn huwelijk weet, wist hij spoedig evengoed.”Haar vaders gezicht was vaalbleek geworden, en hij hield haar met beide armen vast.„Ik heb niets ergers gedaan; ik heb u niet onteerd. Maar als gij mij vraagt of ik hem heb liefgehad, of ik hem nog liefheb, zeg ik u ronduit, vader, dat het wel zoo kan zijn. Ik weet het niet.”Zij nam hare handen eensklaps van zijne schouders en drukte ze beide tegen hare zijde; terwijl in hare trekken (zij geleek zich zelve niet meer), in hare houding, terwijl zij zich oprichtte,met het besluit om met eene laatste poging nog alles te zeggen wat zij te zeggen had, hare lang gesmoorde aandoeningen losbarstten.„Dezen avond, terwijl mijn echtgenoot afwezig was, is hij bij mij geweest en heeft zich als mijn minnaar verklaard. Op dit oogenblik verwacht hij mij bij zich, want ik kon mij op geene andere wijs van zijn bijzijn ontslaan. Ik weet niet of het mij berouwt, ik weet niet of ik mij schaam, ik weet niet of ik in mijne eigene achting gedaald ben. Al wat ik weet is, dat uwe geleerdheid en uwe lessen mij niet zullen redden. Gij, vader, hebt mij hiertoe gebracht. Red mij nu door andere middelen.”Hij klemde haar nog tijdig vast om te verhinderen, dat zij op den grond neerzonk; maar zij riep met eene schrikkelijke stem: „Ik zal sterven als ge mij zoo vasthoudt. Laat mij op den grond vallen!” En hij liet haar zinken, en zag den trots van zijn hart en den triomf van zijn stelsel als een bewusteloozen hoop stof voor zijne voeten liggen.
XXVIII.ONDERAAN.De nationale aschlieden waren, na zich met een groot aantal luidruchtige maar weinig beduidende vechtpartijtjes onder elkander te hebben vermaakt, voorloopig uiteengegaan, en mijnheer Gradgrind was voor de vacantie naar huis gekomen.Hij zat in de kamer met de statistieke klok te schrijven, zonder twijfel om het een of ander te bewijzen—waarschijnlijk dat de barmhartige Samaritaan een slecht staathuishoudkundige was. Het gerucht van den regen stoorde hem niet veel; maar het trok toch genoeg zijne aandacht om hem tusschenbeide zijn hoofd te doen opheffen, alsof hij de elementen eenigszins wilde berispen. Bij een zeer zwaren donderslag keek hij eens naarCoketown, dewijl het hem in de gedachten kwam, dat wel eens een van de hooge schoorsteenen door den bliksem kon worden getroffen.De donder rolde nog in de verte, en de regen stortte als een zondvloed neer, toen de deur zijner kamer geopend werd. Hij keek om de lamp heen, die op de tafel stond, en zag met verbazing zijne oudste dochter.„Louisa!”„Vader, ik moet u spreken.”„Wat is er gebeurd? Hoe vreemd ziet gij er uit! En goede Hemel,” zeide mijnheer Gradgrind, zich al meer en meer verwonderende, „zijt ge door dat noodweer te voet hier naar toe gekomen?”Zij sloeg hare handen aan hare kleeren, alsof zij het bijna zelve niet wist, en antwoordde: „Ja!” Daarna ontdekte zij haar hoofd, liet mantel en kap maar vallen waar zij wilden, en bleef hem staan aanzien, zoo kleurloos, met zoo verward hangende haren, zoo trotsch en wanhopig, dat hij bang voor haar werd.„Wat is het? Ik bezweer u, Louisa, zeg mij wat is er gebeurd?”Zij liet zich op een stoel vallen, die bij hem stond, en legde hare koude hand op zijn arm.„Vader, gij hebt mij van mijne wieg af opgebracht en onderwezen.”„Ja, Louisa.”„Ik vloek het uur, waarin ik tot zulk eene bestemming geboren werd.”Hij zag haar vol angst en twijfel aan en herhaalde verbijsterd: „Vloek het uur? Vloek het uur?”„Hoe waart gij in staat mij het leven te geven, en mij te berooven van al die onschatbare gaven, die het leven boven een toestand van zelfbewusten dood verheffen? Waar is al het edele mijner ziel? Waar is het gevoel van mijn hart? Wat hebt gij gedaan, vader, wat hebt gij gedaan met den tuin, die eens in deze groote woestijn hier had moeten bloeien?”Zij sloeg zich zelve met beide handen op de borst.„Als die hier maar eens bestaan had, zou zelfs zijne asch alleen mij bewaren voor de ledigheid, waarin geheel mijn leven verzinkt. Ik had dit niet willen zeggen, vader; maar gij herinnert u wel de laatste maal toen wij in deze kamer met elkander spraken?”Hij was zoo geheel onvoorbereid op hetgeen hij nu hoorde, dat hij slechts met moeite kon antwoorden: „Ja, Louisa.”„Wat mij nu op de lippen is gekomen, zou mij toen op de lippen gekomen zijn, als gij mij maar even hadt geholpen. Ik doe u geen verwijt, vader. Wat gij nooit bij mij hebt aangekweekt, hebt gij nooit bij u zelven aangekweekt; maar o, als gij dit lang geleden hadt gedaan, of als ge mij maar hadt verwaarloosd, hoeveel beter en gelukkiger zou ik dan nu zijn geweest!”Toen hij dit hoorde, na al zijne zorg, liet hij zijn hoofd op zijne hand zinken en slaakte een kermenden zucht.„Vader, als gij, toen wij hier de laatste maal bij elkander waren, datgene geweten hadt, wat zelfs ik vreesde terwijl ik er tegen worstelde—gelijk ik van mijne kindsheid af heb moeten worstelen tegen elke natuurlijke neiging, die in mijn hart opkwam; als gij geweten hadt, dat er nog aandoeningen en verlangens in mijne borst woonden, zwakheden, die tot kracht konden worden opgekweekt, die alle berekeningen moesten tarten, welke de mensch ooit gemaakt heeft, en waarvan zijne rekenkunst even weinig weet als zij van zijn Schepper weet—zoudt ge mij dan aan den man hebben gegeven, dien ik nu zeker weet dat ik haat?”„Neen, neen, mijn ongelukkig kind,” antwoordde hij.„Zoudt ge mij dan ooit gedoemd hebben tot de ijskoude en de verveling, die mij verhard en bedorven hebben? Zoudt ge mij beroofd hebben—om er niemand mede te verrijken—alleen om deze wereld des te armer te maken—van het onstoffelijke deel van mijn leven, de lente en den zomer van mijn geloof, mijne toevlucht voor al wat laag en slecht was in de werkelijkheid die mij omringde, mijne school waarin ik zou geleerd hebben nederiger te zijn en anderen meer te vertrouwen, en in mijn kleinen kring de hoop te koesteren, dat ik hen beter kon maken?”„O neen, neen, Louisa.”„En toch, vader, indien ik stekeblind ware geweest; indien ik op den tast naar mijn weg had moeten zoeken, en mij maar vrijheid was gelaten; wanneer ik de oppervlakkige gedaante der dingen kende, om mijne verbeelding eenigszins met hen bezig te houden, zou ik millioenen malen wijzer, gelukkiger, liefderijker, tevredener, onschuldiger en in een goeden zin menschelijker zijn geweest, dan ik nu ben met de oogen die ik heb. Hoor nu wat ik ben komen zeggen.”Hij maakte eene beweging om haar met zijn arm te ondersteunen. Zij rees op toen hij dit deed, en zoo bleven zij dicht bij elkander staan, zij met hare hand op zijn schouder en hem strak in de oogen ziende.„Door een honger en dorst gekweld, vader, die nooit voor een oogenblik bevredigd zijn; door een vurig verlangen gejaagd naar een of ander gewest, waar regels, cijfers en definitiën geene volstrekte heerschappij voerden, ben ik opgegroeid onder gedurigen zelfstrijd en onrust.”„Ik heb nooit geweten dat gij ontevreden waart, kind.”„Ik heb altijd geweten dat ik ongelukkig was, vader. In dien zelfstrijd heb ik mijn goeden engel bijna van mij verdreven en in een boozen geest doen veranderen. Wat ik geleerd heb, heeft mij met ongeloovige minachting, en toch met spijt over mijn geest, doen twijfelen aan wat ik niet geleerd heb; en mijn ellendig redmiddel is geweest te denken, dat het leven spoedig voorbij zou zijn, en dat niets daarin de smart en de moeite van een strijd waardig kon wezen.”„En dat zoo jong, Louisa!” zeide hij met medelijden.„Ja, zoo jong als ik was. In dien toestand was ik, vader—want ik toon u nu, zonder vrees of verschooning, den gewonen toestand van mijn gemoed: een levende dood—toen ge mij het voorstel van dat huwelijk deedt. Ik trouwde dien man, maar ik veinsde nooit voor u of voor hem, dat ik hem liefhad. Ik wist, en gij wist, vader, en ook hij wist, dat ik het niet deed. Ik was niet geheel onverschillig, want ik hoopte, dat ik Tom nuttig zou kunnen zijn en hem het leven aangenaam zou maken. Ik deed zulk eene ijdele poging om mijn hart en mijne verbeelding met iets te vervullen, en ik heb langzamerhand bevonden hoe ijdel dit was. Maar Tom was het eenige voorwerp geweest van zooveel liefde en teederheid als ik had; en misschien werd hij dat omdat ik maar al te wel wist, hoeveel medelijden hij verdiende. Dit is nu van weinig belang, behalve dat het u misschien kan overhalen om zachter over zijne misstappen te denken.”Terwijl haar vader haar in zijn arm hield, legde zij hare hand op zijn anderen schouder, en zoo, hem steeds strak aanziende, ging zij voort:„Toen ik onherroepelijk getrouwd was, kwam de oude zelfstrijd weder bij mij op en dreef mij tot weerspannigheid tegen dien band, nog drukkender gemaakt door al die oorzaken van oneenigheid, die uit onze twee verschillende karakters ontstaan, en die geene algemeene regelen ooit zullen bepalen of beheerschen, vader, voordat zij een ontleedkundige kunnen leeren om met zijn mes de geheimen mijner ziel te treffen.”„Louisa!” zeide hij, en zijn toon was smeekend, want maar al te wel herinnerde hij zich wat er bij hun vorig gesprek tusschen hen was omgegaan.„Ik doe u geen verwijt, vader, en ik klaag niet. Ik ben met een ander doel hier gekomen.”„Wat kan ik doen, kind? Vraag mij wat gij maar wilt.”„Daar zal ik terstond toe komen. Vader, het toeval plaatste toen een nieuwe bekende in mijn weg; een man, gelijk ik nog nooit had gezien; een man van de wereld, luchtig, gepolijst en ongedwongen, die niet wilde veinzen, die openlijk bekende dat hij alle dingen zoo gering schatte, als ik dat nauwelijks heimelijk durfde doen; die mij bijna oogenblikkelijk, hoewel ik niet weet hoe of waardoor, te kennen gaf, dat hij mij begreep en mijne gedachten las. Ik kon niet vinden, dat hij erger was dan ik. Er scheen eene nauwe verwantschap tusschen ons te bestaan. Het verwonderde mij alleen, dat het hem, die zich anders om niets bekommerde, de moeite waardig was zich zooveel om mij te bekommeren.”„Om u, Louisa!”Misschien zou haar vader haar onwillekeurig hebben losgelaten, indien hij niet gevoeld had, dat hare krachten haar begaven, en een woest vuur had gezien in de wijd geopende oogen, die hem aanstaarden.„GIJ HEBT MIJ VROEGER NOG EENS GEZIEN, MEVROUW,” ZEIDE RACHEL. (Blz. 119).„GIJ HEBT MIJ VROEGER NOG EENS GEZIEN, MEVROUW,” ZEIDE RACHEL. (Blz. 119).„Ik zeg niets van de reden waarom hij op mijn vertrouwen aanspraak maakte. Het is van weinig belang hoe hij het won. Hij won het, vader. Wat gij van de geschiedenis van mijn huwelijk weet, wist hij spoedig evengoed.”Haar vaders gezicht was vaalbleek geworden, en hij hield haar met beide armen vast.„Ik heb niets ergers gedaan; ik heb u niet onteerd. Maar als gij mij vraagt of ik hem heb liefgehad, of ik hem nog liefheb, zeg ik u ronduit, vader, dat het wel zoo kan zijn. Ik weet het niet.”Zij nam hare handen eensklaps van zijne schouders en drukte ze beide tegen hare zijde; terwijl in hare trekken (zij geleek zich zelve niet meer), in hare houding, terwijl zij zich oprichtte,met het besluit om met eene laatste poging nog alles te zeggen wat zij te zeggen had, hare lang gesmoorde aandoeningen losbarstten.„Dezen avond, terwijl mijn echtgenoot afwezig was, is hij bij mij geweest en heeft zich als mijn minnaar verklaard. Op dit oogenblik verwacht hij mij bij zich, want ik kon mij op geene andere wijs van zijn bijzijn ontslaan. Ik weet niet of het mij berouwt, ik weet niet of ik mij schaam, ik weet niet of ik in mijne eigene achting gedaald ben. Al wat ik weet is, dat uwe geleerdheid en uwe lessen mij niet zullen redden. Gij, vader, hebt mij hiertoe gebracht. Red mij nu door andere middelen.”Hij klemde haar nog tijdig vast om te verhinderen, dat zij op den grond neerzonk; maar zij riep met eene schrikkelijke stem: „Ik zal sterven als ge mij zoo vasthoudt. Laat mij op den grond vallen!” En hij liet haar zinken, en zag den trots van zijn hart en den triomf van zijn stelsel als een bewusteloozen hoop stof voor zijne voeten liggen.
XXVIII.ONDERAAN.De nationale aschlieden waren, na zich met een groot aantal luidruchtige maar weinig beduidende vechtpartijtjes onder elkander te hebben vermaakt, voorloopig uiteengegaan, en mijnheer Gradgrind was voor de vacantie naar huis gekomen.Hij zat in de kamer met de statistieke klok te schrijven, zonder twijfel om het een of ander te bewijzen—waarschijnlijk dat de barmhartige Samaritaan een slecht staathuishoudkundige was. Het gerucht van den regen stoorde hem niet veel; maar het trok toch genoeg zijne aandacht om hem tusschenbeide zijn hoofd te doen opheffen, alsof hij de elementen eenigszins wilde berispen. Bij een zeer zwaren donderslag keek hij eens naarCoketown, dewijl het hem in de gedachten kwam, dat wel eens een van de hooge schoorsteenen door den bliksem kon worden getroffen.De donder rolde nog in de verte, en de regen stortte als een zondvloed neer, toen de deur zijner kamer geopend werd. Hij keek om de lamp heen, die op de tafel stond, en zag met verbazing zijne oudste dochter.„Louisa!”„Vader, ik moet u spreken.”„Wat is er gebeurd? Hoe vreemd ziet gij er uit! En goede Hemel,” zeide mijnheer Gradgrind, zich al meer en meer verwonderende, „zijt ge door dat noodweer te voet hier naar toe gekomen?”Zij sloeg hare handen aan hare kleeren, alsof zij het bijna zelve niet wist, en antwoordde: „Ja!” Daarna ontdekte zij haar hoofd, liet mantel en kap maar vallen waar zij wilden, en bleef hem staan aanzien, zoo kleurloos, met zoo verward hangende haren, zoo trotsch en wanhopig, dat hij bang voor haar werd.„Wat is het? Ik bezweer u, Louisa, zeg mij wat is er gebeurd?”Zij liet zich op een stoel vallen, die bij hem stond, en legde hare koude hand op zijn arm.„Vader, gij hebt mij van mijne wieg af opgebracht en onderwezen.”„Ja, Louisa.”„Ik vloek het uur, waarin ik tot zulk eene bestemming geboren werd.”Hij zag haar vol angst en twijfel aan en herhaalde verbijsterd: „Vloek het uur? Vloek het uur?”„Hoe waart gij in staat mij het leven te geven, en mij te berooven van al die onschatbare gaven, die het leven boven een toestand van zelfbewusten dood verheffen? Waar is al het edele mijner ziel? Waar is het gevoel van mijn hart? Wat hebt gij gedaan, vader, wat hebt gij gedaan met den tuin, die eens in deze groote woestijn hier had moeten bloeien?”Zij sloeg zich zelve met beide handen op de borst.„Als die hier maar eens bestaan had, zou zelfs zijne asch alleen mij bewaren voor de ledigheid, waarin geheel mijn leven verzinkt. Ik had dit niet willen zeggen, vader; maar gij herinnert u wel de laatste maal toen wij in deze kamer met elkander spraken?”Hij was zoo geheel onvoorbereid op hetgeen hij nu hoorde, dat hij slechts met moeite kon antwoorden: „Ja, Louisa.”„Wat mij nu op de lippen is gekomen, zou mij toen op de lippen gekomen zijn, als gij mij maar even hadt geholpen. Ik doe u geen verwijt, vader. Wat gij nooit bij mij hebt aangekweekt, hebt gij nooit bij u zelven aangekweekt; maar o, als gij dit lang geleden hadt gedaan, of als ge mij maar hadt verwaarloosd, hoeveel beter en gelukkiger zou ik dan nu zijn geweest!”Toen hij dit hoorde, na al zijne zorg, liet hij zijn hoofd op zijne hand zinken en slaakte een kermenden zucht.„Vader, als gij, toen wij hier de laatste maal bij elkander waren, datgene geweten hadt, wat zelfs ik vreesde terwijl ik er tegen worstelde—gelijk ik van mijne kindsheid af heb moeten worstelen tegen elke natuurlijke neiging, die in mijn hart opkwam; als gij geweten hadt, dat er nog aandoeningen en verlangens in mijne borst woonden, zwakheden, die tot kracht konden worden opgekweekt, die alle berekeningen moesten tarten, welke de mensch ooit gemaakt heeft, en waarvan zijne rekenkunst even weinig weet als zij van zijn Schepper weet—zoudt ge mij dan aan den man hebben gegeven, dien ik nu zeker weet dat ik haat?”„Neen, neen, mijn ongelukkig kind,” antwoordde hij.„Zoudt ge mij dan ooit gedoemd hebben tot de ijskoude en de verveling, die mij verhard en bedorven hebben? Zoudt ge mij beroofd hebben—om er niemand mede te verrijken—alleen om deze wereld des te armer te maken—van het onstoffelijke deel van mijn leven, de lente en den zomer van mijn geloof, mijne toevlucht voor al wat laag en slecht was in de werkelijkheid die mij omringde, mijne school waarin ik zou geleerd hebben nederiger te zijn en anderen meer te vertrouwen, en in mijn kleinen kring de hoop te koesteren, dat ik hen beter kon maken?”„O neen, neen, Louisa.”„En toch, vader, indien ik stekeblind ware geweest; indien ik op den tast naar mijn weg had moeten zoeken, en mij maar vrijheid was gelaten; wanneer ik de oppervlakkige gedaante der dingen kende, om mijne verbeelding eenigszins met hen bezig te houden, zou ik millioenen malen wijzer, gelukkiger, liefderijker, tevredener, onschuldiger en in een goeden zin menschelijker zijn geweest, dan ik nu ben met de oogen die ik heb. Hoor nu wat ik ben komen zeggen.”Hij maakte eene beweging om haar met zijn arm te ondersteunen. Zij rees op toen hij dit deed, en zoo bleven zij dicht bij elkander staan, zij met hare hand op zijn schouder en hem strak in de oogen ziende.„Door een honger en dorst gekweld, vader, die nooit voor een oogenblik bevredigd zijn; door een vurig verlangen gejaagd naar een of ander gewest, waar regels, cijfers en definitiën geene volstrekte heerschappij voerden, ben ik opgegroeid onder gedurigen zelfstrijd en onrust.”„Ik heb nooit geweten dat gij ontevreden waart, kind.”„Ik heb altijd geweten dat ik ongelukkig was, vader. In dien zelfstrijd heb ik mijn goeden engel bijna van mij verdreven en in een boozen geest doen veranderen. Wat ik geleerd heb, heeft mij met ongeloovige minachting, en toch met spijt over mijn geest, doen twijfelen aan wat ik niet geleerd heb; en mijn ellendig redmiddel is geweest te denken, dat het leven spoedig voorbij zou zijn, en dat niets daarin de smart en de moeite van een strijd waardig kon wezen.”„En dat zoo jong, Louisa!” zeide hij met medelijden.„Ja, zoo jong als ik was. In dien toestand was ik, vader—want ik toon u nu, zonder vrees of verschooning, den gewonen toestand van mijn gemoed: een levende dood—toen ge mij het voorstel van dat huwelijk deedt. Ik trouwde dien man, maar ik veinsde nooit voor u of voor hem, dat ik hem liefhad. Ik wist, en gij wist, vader, en ook hij wist, dat ik het niet deed. Ik was niet geheel onverschillig, want ik hoopte, dat ik Tom nuttig zou kunnen zijn en hem het leven aangenaam zou maken. Ik deed zulk eene ijdele poging om mijn hart en mijne verbeelding met iets te vervullen, en ik heb langzamerhand bevonden hoe ijdel dit was. Maar Tom was het eenige voorwerp geweest van zooveel liefde en teederheid als ik had; en misschien werd hij dat omdat ik maar al te wel wist, hoeveel medelijden hij verdiende. Dit is nu van weinig belang, behalve dat het u misschien kan overhalen om zachter over zijne misstappen te denken.”Terwijl haar vader haar in zijn arm hield, legde zij hare hand op zijn anderen schouder, en zoo, hem steeds strak aanziende, ging zij voort:„Toen ik onherroepelijk getrouwd was, kwam de oude zelfstrijd weder bij mij op en dreef mij tot weerspannigheid tegen dien band, nog drukkender gemaakt door al die oorzaken van oneenigheid, die uit onze twee verschillende karakters ontstaan, en die geene algemeene regelen ooit zullen bepalen of beheerschen, vader, voordat zij een ontleedkundige kunnen leeren om met zijn mes de geheimen mijner ziel te treffen.”„Louisa!” zeide hij, en zijn toon was smeekend, want maar al te wel herinnerde hij zich wat er bij hun vorig gesprek tusschen hen was omgegaan.„Ik doe u geen verwijt, vader, en ik klaag niet. Ik ben met een ander doel hier gekomen.”„Wat kan ik doen, kind? Vraag mij wat gij maar wilt.”„Daar zal ik terstond toe komen. Vader, het toeval plaatste toen een nieuwe bekende in mijn weg; een man, gelijk ik nog nooit had gezien; een man van de wereld, luchtig, gepolijst en ongedwongen, die niet wilde veinzen, die openlijk bekende dat hij alle dingen zoo gering schatte, als ik dat nauwelijks heimelijk durfde doen; die mij bijna oogenblikkelijk, hoewel ik niet weet hoe of waardoor, te kennen gaf, dat hij mij begreep en mijne gedachten las. Ik kon niet vinden, dat hij erger was dan ik. Er scheen eene nauwe verwantschap tusschen ons te bestaan. Het verwonderde mij alleen, dat het hem, die zich anders om niets bekommerde, de moeite waardig was zich zooveel om mij te bekommeren.”„Om u, Louisa!”Misschien zou haar vader haar onwillekeurig hebben losgelaten, indien hij niet gevoeld had, dat hare krachten haar begaven, en een woest vuur had gezien in de wijd geopende oogen, die hem aanstaarden.„GIJ HEBT MIJ VROEGER NOG EENS GEZIEN, MEVROUW,” ZEIDE RACHEL. (Blz. 119).„GIJ HEBT MIJ VROEGER NOG EENS GEZIEN, MEVROUW,” ZEIDE RACHEL. (Blz. 119).„Ik zeg niets van de reden waarom hij op mijn vertrouwen aanspraak maakte. Het is van weinig belang hoe hij het won. Hij won het, vader. Wat gij van de geschiedenis van mijn huwelijk weet, wist hij spoedig evengoed.”Haar vaders gezicht was vaalbleek geworden, en hij hield haar met beide armen vast.„Ik heb niets ergers gedaan; ik heb u niet onteerd. Maar als gij mij vraagt of ik hem heb liefgehad, of ik hem nog liefheb, zeg ik u ronduit, vader, dat het wel zoo kan zijn. Ik weet het niet.”Zij nam hare handen eensklaps van zijne schouders en drukte ze beide tegen hare zijde; terwijl in hare trekken (zij geleek zich zelve niet meer), in hare houding, terwijl zij zich oprichtte,met het besluit om met eene laatste poging nog alles te zeggen wat zij te zeggen had, hare lang gesmoorde aandoeningen losbarstten.„Dezen avond, terwijl mijn echtgenoot afwezig was, is hij bij mij geweest en heeft zich als mijn minnaar verklaard. Op dit oogenblik verwacht hij mij bij zich, want ik kon mij op geene andere wijs van zijn bijzijn ontslaan. Ik weet niet of het mij berouwt, ik weet niet of ik mij schaam, ik weet niet of ik in mijne eigene achting gedaald ben. Al wat ik weet is, dat uwe geleerdheid en uwe lessen mij niet zullen redden. Gij, vader, hebt mij hiertoe gebracht. Red mij nu door andere middelen.”Hij klemde haar nog tijdig vast om te verhinderen, dat zij op den grond neerzonk; maar zij riep met eene schrikkelijke stem: „Ik zal sterven als ge mij zoo vasthoudt. Laat mij op den grond vallen!” En hij liet haar zinken, en zag den trots van zijn hart en den triomf van zijn stelsel als een bewusteloozen hoop stof voor zijne voeten liggen.
XXVIII.ONDERAAN.
De nationale aschlieden waren, na zich met een groot aantal luidruchtige maar weinig beduidende vechtpartijtjes onder elkander te hebben vermaakt, voorloopig uiteengegaan, en mijnheer Gradgrind was voor de vacantie naar huis gekomen.Hij zat in de kamer met de statistieke klok te schrijven, zonder twijfel om het een of ander te bewijzen—waarschijnlijk dat de barmhartige Samaritaan een slecht staathuishoudkundige was. Het gerucht van den regen stoorde hem niet veel; maar het trok toch genoeg zijne aandacht om hem tusschenbeide zijn hoofd te doen opheffen, alsof hij de elementen eenigszins wilde berispen. Bij een zeer zwaren donderslag keek hij eens naarCoketown, dewijl het hem in de gedachten kwam, dat wel eens een van de hooge schoorsteenen door den bliksem kon worden getroffen.De donder rolde nog in de verte, en de regen stortte als een zondvloed neer, toen de deur zijner kamer geopend werd. Hij keek om de lamp heen, die op de tafel stond, en zag met verbazing zijne oudste dochter.„Louisa!”„Vader, ik moet u spreken.”„Wat is er gebeurd? Hoe vreemd ziet gij er uit! En goede Hemel,” zeide mijnheer Gradgrind, zich al meer en meer verwonderende, „zijt ge door dat noodweer te voet hier naar toe gekomen?”Zij sloeg hare handen aan hare kleeren, alsof zij het bijna zelve niet wist, en antwoordde: „Ja!” Daarna ontdekte zij haar hoofd, liet mantel en kap maar vallen waar zij wilden, en bleef hem staan aanzien, zoo kleurloos, met zoo verward hangende haren, zoo trotsch en wanhopig, dat hij bang voor haar werd.„Wat is het? Ik bezweer u, Louisa, zeg mij wat is er gebeurd?”Zij liet zich op een stoel vallen, die bij hem stond, en legde hare koude hand op zijn arm.„Vader, gij hebt mij van mijne wieg af opgebracht en onderwezen.”„Ja, Louisa.”„Ik vloek het uur, waarin ik tot zulk eene bestemming geboren werd.”Hij zag haar vol angst en twijfel aan en herhaalde verbijsterd: „Vloek het uur? Vloek het uur?”„Hoe waart gij in staat mij het leven te geven, en mij te berooven van al die onschatbare gaven, die het leven boven een toestand van zelfbewusten dood verheffen? Waar is al het edele mijner ziel? Waar is het gevoel van mijn hart? Wat hebt gij gedaan, vader, wat hebt gij gedaan met den tuin, die eens in deze groote woestijn hier had moeten bloeien?”Zij sloeg zich zelve met beide handen op de borst.„Als die hier maar eens bestaan had, zou zelfs zijne asch alleen mij bewaren voor de ledigheid, waarin geheel mijn leven verzinkt. Ik had dit niet willen zeggen, vader; maar gij herinnert u wel de laatste maal toen wij in deze kamer met elkander spraken?”Hij was zoo geheel onvoorbereid op hetgeen hij nu hoorde, dat hij slechts met moeite kon antwoorden: „Ja, Louisa.”„Wat mij nu op de lippen is gekomen, zou mij toen op de lippen gekomen zijn, als gij mij maar even hadt geholpen. Ik doe u geen verwijt, vader. Wat gij nooit bij mij hebt aangekweekt, hebt gij nooit bij u zelven aangekweekt; maar o, als gij dit lang geleden hadt gedaan, of als ge mij maar hadt verwaarloosd, hoeveel beter en gelukkiger zou ik dan nu zijn geweest!”Toen hij dit hoorde, na al zijne zorg, liet hij zijn hoofd op zijne hand zinken en slaakte een kermenden zucht.„Vader, als gij, toen wij hier de laatste maal bij elkander waren, datgene geweten hadt, wat zelfs ik vreesde terwijl ik er tegen worstelde—gelijk ik van mijne kindsheid af heb moeten worstelen tegen elke natuurlijke neiging, die in mijn hart opkwam; als gij geweten hadt, dat er nog aandoeningen en verlangens in mijne borst woonden, zwakheden, die tot kracht konden worden opgekweekt, die alle berekeningen moesten tarten, welke de mensch ooit gemaakt heeft, en waarvan zijne rekenkunst even weinig weet als zij van zijn Schepper weet—zoudt ge mij dan aan den man hebben gegeven, dien ik nu zeker weet dat ik haat?”„Neen, neen, mijn ongelukkig kind,” antwoordde hij.„Zoudt ge mij dan ooit gedoemd hebben tot de ijskoude en de verveling, die mij verhard en bedorven hebben? Zoudt ge mij beroofd hebben—om er niemand mede te verrijken—alleen om deze wereld des te armer te maken—van het onstoffelijke deel van mijn leven, de lente en den zomer van mijn geloof, mijne toevlucht voor al wat laag en slecht was in de werkelijkheid die mij omringde, mijne school waarin ik zou geleerd hebben nederiger te zijn en anderen meer te vertrouwen, en in mijn kleinen kring de hoop te koesteren, dat ik hen beter kon maken?”„O neen, neen, Louisa.”„En toch, vader, indien ik stekeblind ware geweest; indien ik op den tast naar mijn weg had moeten zoeken, en mij maar vrijheid was gelaten; wanneer ik de oppervlakkige gedaante der dingen kende, om mijne verbeelding eenigszins met hen bezig te houden, zou ik millioenen malen wijzer, gelukkiger, liefderijker, tevredener, onschuldiger en in een goeden zin menschelijker zijn geweest, dan ik nu ben met de oogen die ik heb. Hoor nu wat ik ben komen zeggen.”Hij maakte eene beweging om haar met zijn arm te ondersteunen. Zij rees op toen hij dit deed, en zoo bleven zij dicht bij elkander staan, zij met hare hand op zijn schouder en hem strak in de oogen ziende.„Door een honger en dorst gekweld, vader, die nooit voor een oogenblik bevredigd zijn; door een vurig verlangen gejaagd naar een of ander gewest, waar regels, cijfers en definitiën geene volstrekte heerschappij voerden, ben ik opgegroeid onder gedurigen zelfstrijd en onrust.”„Ik heb nooit geweten dat gij ontevreden waart, kind.”„Ik heb altijd geweten dat ik ongelukkig was, vader. In dien zelfstrijd heb ik mijn goeden engel bijna van mij verdreven en in een boozen geest doen veranderen. Wat ik geleerd heb, heeft mij met ongeloovige minachting, en toch met spijt over mijn geest, doen twijfelen aan wat ik niet geleerd heb; en mijn ellendig redmiddel is geweest te denken, dat het leven spoedig voorbij zou zijn, en dat niets daarin de smart en de moeite van een strijd waardig kon wezen.”„En dat zoo jong, Louisa!” zeide hij met medelijden.„Ja, zoo jong als ik was. In dien toestand was ik, vader—want ik toon u nu, zonder vrees of verschooning, den gewonen toestand van mijn gemoed: een levende dood—toen ge mij het voorstel van dat huwelijk deedt. Ik trouwde dien man, maar ik veinsde nooit voor u of voor hem, dat ik hem liefhad. Ik wist, en gij wist, vader, en ook hij wist, dat ik het niet deed. Ik was niet geheel onverschillig, want ik hoopte, dat ik Tom nuttig zou kunnen zijn en hem het leven aangenaam zou maken. Ik deed zulk eene ijdele poging om mijn hart en mijne verbeelding met iets te vervullen, en ik heb langzamerhand bevonden hoe ijdel dit was. Maar Tom was het eenige voorwerp geweest van zooveel liefde en teederheid als ik had; en misschien werd hij dat omdat ik maar al te wel wist, hoeveel medelijden hij verdiende. Dit is nu van weinig belang, behalve dat het u misschien kan overhalen om zachter over zijne misstappen te denken.”Terwijl haar vader haar in zijn arm hield, legde zij hare hand op zijn anderen schouder, en zoo, hem steeds strak aanziende, ging zij voort:„Toen ik onherroepelijk getrouwd was, kwam de oude zelfstrijd weder bij mij op en dreef mij tot weerspannigheid tegen dien band, nog drukkender gemaakt door al die oorzaken van oneenigheid, die uit onze twee verschillende karakters ontstaan, en die geene algemeene regelen ooit zullen bepalen of beheerschen, vader, voordat zij een ontleedkundige kunnen leeren om met zijn mes de geheimen mijner ziel te treffen.”„Louisa!” zeide hij, en zijn toon was smeekend, want maar al te wel herinnerde hij zich wat er bij hun vorig gesprek tusschen hen was omgegaan.„Ik doe u geen verwijt, vader, en ik klaag niet. Ik ben met een ander doel hier gekomen.”„Wat kan ik doen, kind? Vraag mij wat gij maar wilt.”„Daar zal ik terstond toe komen. Vader, het toeval plaatste toen een nieuwe bekende in mijn weg; een man, gelijk ik nog nooit had gezien; een man van de wereld, luchtig, gepolijst en ongedwongen, die niet wilde veinzen, die openlijk bekende dat hij alle dingen zoo gering schatte, als ik dat nauwelijks heimelijk durfde doen; die mij bijna oogenblikkelijk, hoewel ik niet weet hoe of waardoor, te kennen gaf, dat hij mij begreep en mijne gedachten las. Ik kon niet vinden, dat hij erger was dan ik. Er scheen eene nauwe verwantschap tusschen ons te bestaan. Het verwonderde mij alleen, dat het hem, die zich anders om niets bekommerde, de moeite waardig was zich zooveel om mij te bekommeren.”„Om u, Louisa!”Misschien zou haar vader haar onwillekeurig hebben losgelaten, indien hij niet gevoeld had, dat hare krachten haar begaven, en een woest vuur had gezien in de wijd geopende oogen, die hem aanstaarden.„GIJ HEBT MIJ VROEGER NOG EENS GEZIEN, MEVROUW,” ZEIDE RACHEL. (Blz. 119).„GIJ HEBT MIJ VROEGER NOG EENS GEZIEN, MEVROUW,” ZEIDE RACHEL. (Blz. 119).„Ik zeg niets van de reden waarom hij op mijn vertrouwen aanspraak maakte. Het is van weinig belang hoe hij het won. Hij won het, vader. Wat gij van de geschiedenis van mijn huwelijk weet, wist hij spoedig evengoed.”Haar vaders gezicht was vaalbleek geworden, en hij hield haar met beide armen vast.„Ik heb niets ergers gedaan; ik heb u niet onteerd. Maar als gij mij vraagt of ik hem heb liefgehad, of ik hem nog liefheb, zeg ik u ronduit, vader, dat het wel zoo kan zijn. Ik weet het niet.”Zij nam hare handen eensklaps van zijne schouders en drukte ze beide tegen hare zijde; terwijl in hare trekken (zij geleek zich zelve niet meer), in hare houding, terwijl zij zich oprichtte,met het besluit om met eene laatste poging nog alles te zeggen wat zij te zeggen had, hare lang gesmoorde aandoeningen losbarstten.„Dezen avond, terwijl mijn echtgenoot afwezig was, is hij bij mij geweest en heeft zich als mijn minnaar verklaard. Op dit oogenblik verwacht hij mij bij zich, want ik kon mij op geene andere wijs van zijn bijzijn ontslaan. Ik weet niet of het mij berouwt, ik weet niet of ik mij schaam, ik weet niet of ik in mijne eigene achting gedaald ben. Al wat ik weet is, dat uwe geleerdheid en uwe lessen mij niet zullen redden. Gij, vader, hebt mij hiertoe gebracht. Red mij nu door andere middelen.”Hij klemde haar nog tijdig vast om te verhinderen, dat zij op den grond neerzonk; maar zij riep met eene schrikkelijke stem: „Ik zal sterven als ge mij zoo vasthoudt. Laat mij op den grond vallen!” En hij liet haar zinken, en zag den trots van zijn hart en den triomf van zijn stelsel als een bewusteloozen hoop stof voor zijne voeten liggen.
De nationale aschlieden waren, na zich met een groot aantal luidruchtige maar weinig beduidende vechtpartijtjes onder elkander te hebben vermaakt, voorloopig uiteengegaan, en mijnheer Gradgrind was voor de vacantie naar huis gekomen.
Hij zat in de kamer met de statistieke klok te schrijven, zonder twijfel om het een of ander te bewijzen—waarschijnlijk dat de barmhartige Samaritaan een slecht staathuishoudkundige was. Het gerucht van den regen stoorde hem niet veel; maar het trok toch genoeg zijne aandacht om hem tusschenbeide zijn hoofd te doen opheffen, alsof hij de elementen eenigszins wilde berispen. Bij een zeer zwaren donderslag keek hij eens naarCoketown, dewijl het hem in de gedachten kwam, dat wel eens een van de hooge schoorsteenen door den bliksem kon worden getroffen.
De donder rolde nog in de verte, en de regen stortte als een zondvloed neer, toen de deur zijner kamer geopend werd. Hij keek om de lamp heen, die op de tafel stond, en zag met verbazing zijne oudste dochter.
„Louisa!”
„Vader, ik moet u spreken.”
„Wat is er gebeurd? Hoe vreemd ziet gij er uit! En goede Hemel,” zeide mijnheer Gradgrind, zich al meer en meer verwonderende, „zijt ge door dat noodweer te voet hier naar toe gekomen?”
Zij sloeg hare handen aan hare kleeren, alsof zij het bijna zelve niet wist, en antwoordde: „Ja!” Daarna ontdekte zij haar hoofd, liet mantel en kap maar vallen waar zij wilden, en bleef hem staan aanzien, zoo kleurloos, met zoo verward hangende haren, zoo trotsch en wanhopig, dat hij bang voor haar werd.
„Wat is het? Ik bezweer u, Louisa, zeg mij wat is er gebeurd?”
Zij liet zich op een stoel vallen, die bij hem stond, en legde hare koude hand op zijn arm.
„Vader, gij hebt mij van mijne wieg af opgebracht en onderwezen.”
„Ja, Louisa.”
„Ik vloek het uur, waarin ik tot zulk eene bestemming geboren werd.”
Hij zag haar vol angst en twijfel aan en herhaalde verbijsterd: „Vloek het uur? Vloek het uur?”
„Hoe waart gij in staat mij het leven te geven, en mij te berooven van al die onschatbare gaven, die het leven boven een toestand van zelfbewusten dood verheffen? Waar is al het edele mijner ziel? Waar is het gevoel van mijn hart? Wat hebt gij gedaan, vader, wat hebt gij gedaan met den tuin, die eens in deze groote woestijn hier had moeten bloeien?”
Zij sloeg zich zelve met beide handen op de borst.
„Als die hier maar eens bestaan had, zou zelfs zijne asch alleen mij bewaren voor de ledigheid, waarin geheel mijn leven verzinkt. Ik had dit niet willen zeggen, vader; maar gij herinnert u wel de laatste maal toen wij in deze kamer met elkander spraken?”
Hij was zoo geheel onvoorbereid op hetgeen hij nu hoorde, dat hij slechts met moeite kon antwoorden: „Ja, Louisa.”
„Wat mij nu op de lippen is gekomen, zou mij toen op de lippen gekomen zijn, als gij mij maar even hadt geholpen. Ik doe u geen verwijt, vader. Wat gij nooit bij mij hebt aangekweekt, hebt gij nooit bij u zelven aangekweekt; maar o, als gij dit lang geleden hadt gedaan, of als ge mij maar hadt verwaarloosd, hoeveel beter en gelukkiger zou ik dan nu zijn geweest!”
Toen hij dit hoorde, na al zijne zorg, liet hij zijn hoofd op zijne hand zinken en slaakte een kermenden zucht.
„Vader, als gij, toen wij hier de laatste maal bij elkander waren, datgene geweten hadt, wat zelfs ik vreesde terwijl ik er tegen worstelde—gelijk ik van mijne kindsheid af heb moeten worstelen tegen elke natuurlijke neiging, die in mijn hart opkwam; als gij geweten hadt, dat er nog aandoeningen en verlangens in mijne borst woonden, zwakheden, die tot kracht konden worden opgekweekt, die alle berekeningen moesten tarten, welke de mensch ooit gemaakt heeft, en waarvan zijne rekenkunst even weinig weet als zij van zijn Schepper weet—zoudt ge mij dan aan den man hebben gegeven, dien ik nu zeker weet dat ik haat?”
„Neen, neen, mijn ongelukkig kind,” antwoordde hij.
„Zoudt ge mij dan ooit gedoemd hebben tot de ijskoude en de verveling, die mij verhard en bedorven hebben? Zoudt ge mij beroofd hebben—om er niemand mede te verrijken—alleen om deze wereld des te armer te maken—van het onstoffelijke deel van mijn leven, de lente en den zomer van mijn geloof, mijne toevlucht voor al wat laag en slecht was in de werkelijkheid die mij omringde, mijne school waarin ik zou geleerd hebben nederiger te zijn en anderen meer te vertrouwen, en in mijn kleinen kring de hoop te koesteren, dat ik hen beter kon maken?”
„O neen, neen, Louisa.”
„En toch, vader, indien ik stekeblind ware geweest; indien ik op den tast naar mijn weg had moeten zoeken, en mij maar vrijheid was gelaten; wanneer ik de oppervlakkige gedaante der dingen kende, om mijne verbeelding eenigszins met hen bezig te houden, zou ik millioenen malen wijzer, gelukkiger, liefderijker, tevredener, onschuldiger en in een goeden zin menschelijker zijn geweest, dan ik nu ben met de oogen die ik heb. Hoor nu wat ik ben komen zeggen.”
Hij maakte eene beweging om haar met zijn arm te ondersteunen. Zij rees op toen hij dit deed, en zoo bleven zij dicht bij elkander staan, zij met hare hand op zijn schouder en hem strak in de oogen ziende.
„Door een honger en dorst gekweld, vader, die nooit voor een oogenblik bevredigd zijn; door een vurig verlangen gejaagd naar een of ander gewest, waar regels, cijfers en definitiën geene volstrekte heerschappij voerden, ben ik opgegroeid onder gedurigen zelfstrijd en onrust.”
„Ik heb nooit geweten dat gij ontevreden waart, kind.”
„Ik heb altijd geweten dat ik ongelukkig was, vader. In dien zelfstrijd heb ik mijn goeden engel bijna van mij verdreven en in een boozen geest doen veranderen. Wat ik geleerd heb, heeft mij met ongeloovige minachting, en toch met spijt over mijn geest, doen twijfelen aan wat ik niet geleerd heb; en mijn ellendig redmiddel is geweest te denken, dat het leven spoedig voorbij zou zijn, en dat niets daarin de smart en de moeite van een strijd waardig kon wezen.”
„En dat zoo jong, Louisa!” zeide hij met medelijden.
„Ja, zoo jong als ik was. In dien toestand was ik, vader—want ik toon u nu, zonder vrees of verschooning, den gewonen toestand van mijn gemoed: een levende dood—toen ge mij het voorstel van dat huwelijk deedt. Ik trouwde dien man, maar ik veinsde nooit voor u of voor hem, dat ik hem liefhad. Ik wist, en gij wist, vader, en ook hij wist, dat ik het niet deed. Ik was niet geheel onverschillig, want ik hoopte, dat ik Tom nuttig zou kunnen zijn en hem het leven aangenaam zou maken. Ik deed zulk eene ijdele poging om mijn hart en mijne verbeelding met iets te vervullen, en ik heb langzamerhand bevonden hoe ijdel dit was. Maar Tom was het eenige voorwerp geweest van zooveel liefde en teederheid als ik had; en misschien werd hij dat omdat ik maar al te wel wist, hoeveel medelijden hij verdiende. Dit is nu van weinig belang, behalve dat het u misschien kan overhalen om zachter over zijne misstappen te denken.”
Terwijl haar vader haar in zijn arm hield, legde zij hare hand op zijn anderen schouder, en zoo, hem steeds strak aanziende, ging zij voort:
„Toen ik onherroepelijk getrouwd was, kwam de oude zelfstrijd weder bij mij op en dreef mij tot weerspannigheid tegen dien band, nog drukkender gemaakt door al die oorzaken van oneenigheid, die uit onze twee verschillende karakters ontstaan, en die geene algemeene regelen ooit zullen bepalen of beheerschen, vader, voordat zij een ontleedkundige kunnen leeren om met zijn mes de geheimen mijner ziel te treffen.”
„Louisa!” zeide hij, en zijn toon was smeekend, want maar al te wel herinnerde hij zich wat er bij hun vorig gesprek tusschen hen was omgegaan.
„Ik doe u geen verwijt, vader, en ik klaag niet. Ik ben met een ander doel hier gekomen.”
„Wat kan ik doen, kind? Vraag mij wat gij maar wilt.”
„Daar zal ik terstond toe komen. Vader, het toeval plaatste toen een nieuwe bekende in mijn weg; een man, gelijk ik nog nooit had gezien; een man van de wereld, luchtig, gepolijst en ongedwongen, die niet wilde veinzen, die openlijk bekende dat hij alle dingen zoo gering schatte, als ik dat nauwelijks heimelijk durfde doen; die mij bijna oogenblikkelijk, hoewel ik niet weet hoe of waardoor, te kennen gaf, dat hij mij begreep en mijne gedachten las. Ik kon niet vinden, dat hij erger was dan ik. Er scheen eene nauwe verwantschap tusschen ons te bestaan. Het verwonderde mij alleen, dat het hem, die zich anders om niets bekommerde, de moeite waardig was zich zooveel om mij te bekommeren.”
„Om u, Louisa!”
Misschien zou haar vader haar onwillekeurig hebben losgelaten, indien hij niet gevoeld had, dat hare krachten haar begaven, en een woest vuur had gezien in de wijd geopende oogen, die hem aanstaarden.
„GIJ HEBT MIJ VROEGER NOG EENS GEZIEN, MEVROUW,” ZEIDE RACHEL. (Blz. 119).„GIJ HEBT MIJ VROEGER NOG EENS GEZIEN, MEVROUW,” ZEIDE RACHEL. (Blz. 119).
„GIJ HEBT MIJ VROEGER NOG EENS GEZIEN, MEVROUW,” ZEIDE RACHEL. (Blz. 119).
„Ik zeg niets van de reden waarom hij op mijn vertrouwen aanspraak maakte. Het is van weinig belang hoe hij het won. Hij won het, vader. Wat gij van de geschiedenis van mijn huwelijk weet, wist hij spoedig evengoed.”
Haar vaders gezicht was vaalbleek geworden, en hij hield haar met beide armen vast.
„Ik heb niets ergers gedaan; ik heb u niet onteerd. Maar als gij mij vraagt of ik hem heb liefgehad, of ik hem nog liefheb, zeg ik u ronduit, vader, dat het wel zoo kan zijn. Ik weet het niet.”
Zij nam hare handen eensklaps van zijne schouders en drukte ze beide tegen hare zijde; terwijl in hare trekken (zij geleek zich zelve niet meer), in hare houding, terwijl zij zich oprichtte,met het besluit om met eene laatste poging nog alles te zeggen wat zij te zeggen had, hare lang gesmoorde aandoeningen losbarstten.
„Dezen avond, terwijl mijn echtgenoot afwezig was, is hij bij mij geweest en heeft zich als mijn minnaar verklaard. Op dit oogenblik verwacht hij mij bij zich, want ik kon mij op geene andere wijs van zijn bijzijn ontslaan. Ik weet niet of het mij berouwt, ik weet niet of ik mij schaam, ik weet niet of ik in mijne eigene achting gedaald ben. Al wat ik weet is, dat uwe geleerdheid en uwe lessen mij niet zullen redden. Gij, vader, hebt mij hiertoe gebracht. Red mij nu door andere middelen.”
Hij klemde haar nog tijdig vast om te verhinderen, dat zij op den grond neerzonk; maar zij riep met eene schrikkelijke stem: „Ik zal sterven als ge mij zoo vasthoudt. Laat mij op den grond vallen!” En hij liet haar zinken, en zag den trots van zijn hart en den triomf van zijn stelsel als een bewusteloozen hoop stof voor zijne voeten liggen.