XXXI.

XXXI.ZEER BESLISSEND.De onvermoeibare mevrouw Sparsit, die nu eene geweldige verkoudheid in het hoofd had, zoodat zij niet harder dan fluisterend kon spreken, en haar onophoudelijk niezen hare deftige gestalte in gevaar scheen te brengen van in stukken uiteen te vallen, joeg haar patroon zoolang na, tot zij hem in de hoofdstad gevonden had; en daar trad zij hem toen in zijn logement inSt. James’ Streetmet dreigende statigheid onder de oogen, legde de lont aan de brandstof, waarmede zij geladen was, en liet hare mijn springen. Aldus hare taak met onbeschrijfelijke zelfvoldoening volbracht hebbende, liet de edelaardige vrouw haar hoofd op mijnheer Bounderby’s schouder zinken en viel in zwijm.Het eerste wat mijnheer Bounderby deed, was mevrouw Sparsit van zich af te schudden, en haar op den grond, zoo goed zij dit alleen kon, de verschillende trappen van een zenuwtoeval te laten doorgaan. Vervolgens begon hij eenige krachtige opwekkende middelen aan te wenden, wrong de lijderes de duimen open, sloeg haar in de handen, goot haar een overvloed van water in het gezicht en stak haar zout in den mond. Toen deze hulpmiddelen haar hadden doen bekomen (hetgeen zij trouwens spoedig deden), pakte hij haar, zonder haar eenige andere verkwikking aan te bieden, in eene koets en bracht haar met den eersten spoortrein, meer dood dan levend, naarCoketownterug.Op het eind harer reis bood mevrouw Sparsit, als eene klassieke ruïne beschouwd, een belangwekkend schouwspel aan; maar uit elk ander oogpunt bezien, was zij sterk beschadigd geworden en hare aanspraak op bewondering zeer verminderd. Zonder zich om de slijtage harer kleederen en van haar gestel te bekommeren, en zoo gevoelloos als een keisteen voor haar zielroerend niezen, pakte Bounderby haar terstond weder in eene koets en voerde haar verder naarStone Lodge.„Tom Gradgrind,” zeide Bounderby, laat in den avond de kamer van zijn schoonvader binnenstuivende, „hier is eene dame—mevrouw Sparsit—gij kent mevrouw Sparsit wel—die u iets te zeggen heeft, dat zal u doen verstomd staan.”„Gij hebt dan mijn brief niet ontvangen!” riep mijnheer Gradgrind uit, verrast door deze verschijning.„Een brief van u ontvangen!” grauwde Bounderby hem toe. „Het is nu geen tijd van brieven. Als Josiah Bounderby vanCoketownin zulk een humeur is als nu, moet niemand hem van brieven spreken.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind op een misnoegden maar gematigden toon, „ik spreek over een zeer gewichtigen brief, dien ik u geschreven heb en die Louisa betrof.”„Tom Gradgrind,” antwoordde Bounderby, verscheidene malen met de vlakke hand op de tafel slaande, „ik spreek van eene zeer gewichtige boodschap, die mij iemand van Louisa is komen brengen. Mevrouw Sparsit, spreek op, juffrouw!”De ongelukkige dame poogde nu hare getuigenis af te leggen, maar daar het haar geheel aan stem ontbrak, en hare keel van binnen rauw scheen te zijn, kon zij weinig anders doen dan pijnlijke gebaren maken en leelijke gezichten trekken, waarover Bounderby zoo driftig werd, dat hij niet kon nalaten haar bij den arm te vatten en te schudden.„Als gij het niet kunt uitbrengen, juffrouw,” zeide hij, „laat mij het dan uitbrengen. Het is nu geen tijd voor eene dame, al is zij van nog zoo voorname afkomst, om onverstaanbaar te fluisteren en te doen alsof zij knikkers slikte. Tom Gradgrind, mevrouw Sparsit heeft toevallig gelegenheid gehad om een gesprek in de opene lucht tusschen uwe dochter en uw kostbaren voornamen vriend, mijnheer James Harthouse, te beluisteren.”„Inderdaad!” zeide mijnheer Gradgrind.„Ja inderdaad,” beet Bounderby hem toe. „En in dat gesprek...”„Het is niet noodig mij den inhoud er van te zeggen, Bounderby. Ik weet wat er is voorgevallen.”„Doet ge?” zeide Bounderby, zijn zoo bijzonder stillen en zoetsappigen schoonvader met groote oogen aanstarende. „Misschien weet gij dan ook waar uwe dochter tegenwoordig is?”„Zonder twijfel. Zij is hier.”„Hier?”„Mijn beste Bounderby, laat ik u toch mogen bidden om die luidruchtige uitbarstingen te bedwingen. Louisa is hier. Zoodra zij zich van dat gesprek met den persoon, van wien gij spreekt, en wien het mij zeer spijt dat ik bij u geïntroduceerd heb, kon afmaken, is Louisa met allen spoed hierheen gekomen om bescherming te zoeken. Ik was zelf nog maar weinige uren thuis geweest, toen ik haar hier zag komen—hier in deze kamer. Zij was met den spoortrein naar de stad gekomen, door den woedenden storm van de stad hier naar huis geloopen, en toen zij hier kwam, was zij buiten zich zelve van ontsteltenis en angst. Natuurlijk is zij sedert hier gebleven. Laat ik u, om uw eigen en om harentwil, mogen bidden meer bedaard te zijn.”Mijnheer Bounderby zag eene poos naar alle kanten om zich heen, behalve naar den kant van mevrouw Sparsit, en zich toen eensklaps naar de nicht van Lady Scadgers keerende, zeide hij tot die rampzalige vrouw:„Nu, juffrouw, zullen wij gaarne hooren wat gij tot uwe verschooning moogt goedvinden te zeggen, dat gij zoo met de vaart van een koerier door het land vliegt, zonder andere bagage dan een zot vertelseltje.”„Mijnheer,” fluisterde mevrouw Sparsit, „mijne zenuwen zijn op het oogenblik al te zeer geschokt en mijne gezondheid heeft in uw dienst al te veel geleden, om mij toe te laten iets anders te doen dan mijne toevlucht tot tranen te nemen.”En dit deed zij ook.„Wel, juffrouw,” zeide Bounderby, „zonder u iets te zeggen wat men niet met voegzaamheid tegen eene vrouw van goede afkomst zou mogen zeggen, wil ik er alleen maar bijvoegen, dat er, naar het mij voorkomt, nog iets anders is, waarin gij toevlucht kunt nemen, namelijk in eene koets. En daar de koets, waarin gij gekomen zijt, nog voor de deur staat, zult gij mij wel vergunnen om u daarin te zetten en naar het kantoor te laten brengen; en daar gekomen, zult ge niet beter kunnen doen, dan uwe voeten in het heetste water te steken dat ge verdragen kunt, en als ge in het bed zijt een glas kokend heete rum met eene kluit boter er in te drinken.”Met deze woorden reikte Bounderby de schreiende dame zijne rechterhand toe, en bracht haar, onder een jammerlijk niezen, naar het bedoelde rijtuig. Spoedig kwam hij alleen terug.„Daar ik aan uw gezicht kan zien, Tom Gradgrind,” hervatte hij, „dat ge mij woudt spreken, ben ik hier teruggekomen. Maar ik ben in geen pleizierig humeur, dat zeg ik ronduit; want de zaak, zooals ze nu is, bevalt mij nog maar volstrekt niet, en ik vind niet, dat ik ooit door uwe dochter met zooveel gehoorzaamheid en onderdanigheid behandeld ben, als Josiah Bounderby vanCoketowndoor zijne vrouw behandeld moest worden. Gij hebt uwe eigene meeningen, kan ik wel denken; ik heb de mijne, dat weet ik. Als gij mij van avond iets zoudt willen zeggen, dat met deze oprechte verklaring in strijd is, zoudt ge beter doen het maar te zwijgen.”Daar Gradgrind, gelijk men zal hebben opgemerkt, veel zachter was dan gewoonlijk, gaf Bounderby zich bijzondere moeite om zich zooveel mogelijk te verharden. Dat lag zoo in zijn beminnelijk karakter.„Mijn lieve Bounderby,” begon mijnheer Gradgrind tot antwoord.„Neem mij niet kwalijk,” zeide Bounderby, „maar ik wil niet al te lief zijn. Dat om te beginnen. Als ik voor iemand lief begin te worden, vind ik doorgaans dat hij voornemens is mij te bedotten. Ik spreek niet beleefd tegen u; maar, gelijk ge wel weet, ik ben ook niet beleefd. Als ge veel van beleefdheid houdt, weet ge waar gij ze krijgen kunt. Gij hebt fatsoenlijke en voorname vrienden genoeg, en zij zullen u van dat artikel zooveel leveren als ge maar hebben wilt. Ik houd het er niet op na.”„Bounderby,” hervatte mijnheer Gradgrind dringend; „alle menschen kunnen dwalen.”„Ik dacht, dat gij het niet kondt,” viel Bounderby hem in de rede.„Misschien dacht ik ook zoo. Maar ik zeg nu, alle menschen kunnen dwalen; en ik zou gevoelig en dankbaar voor uwe kieschheid zijn, als gij mij die toespelingen op Harthouse woudt besparen. Ik zal in ons gesprek geene melding van hem maken, alsof ik hem voor uw vriend en vertrouwde hield, en ik verzoek u niet voort te gaan met te spreken alsof hij de mijne was.”„Ik heb zijn naam niet eens genoemd,” zeide Bounderby.„Goed, goed!” antwoordde mijnheer Gradgrind op een toon van geduld, zelfs van onderwerping, en bleef toen eene korte poos peinzen. „Bounderby, ik heb reden om er aan te twijfelen of wij Louisa wel ooit recht begrepen hebben.”„Wie meent ge met datwij?”„Laat mij dan ik zeggen,” antwoordde hij op die smalend uitgestootene vraag. „Ik twijfel er aan, of ik Louisa wel ooit begrepen heb.Ik twijfel er aan, of ik de rechte manier van opvoeding wel voor haar heb gekozen.”„Daar hebt gij het aan ’t rechte eind,” antwoordde Bounderby. „Dat geef ik u toe. Dat hebt gij nu eindelijk ontdekt, niet waar? Opvoeding!—Ik zal u eens zeggen wat opvoeding is—dat is, hals over kop de deur te worden uitgesmeten, en op kort rantsoen te worden gesteld van alles behalve klappen. Dat noem ik opvoeding.”„Ik geloof, dat uw gezond verstand wel zal zien,” bracht mijnheer Gradgrind met alle nederigheid hiertegen in, „dat, welke verdiensten zulk een stelsel ook hebben mag, het bij meisjes bezwaarlijk van algemeene toepassing zou kunnen zijn.”„Dat zie ik geheel niet in,” antwoordde de stijfkoppige Bounderby.„Wel,” hervatte mijnheer Gradgrind met een zucht, „wij zullen die vraag maar niet onderzoeken. Ik verzeker u, dat ik niet naar een woordenstrijd verlang. Ik zoek alleen maar te herstellen wat er bedorven is, als ik dat met mogelijkheid kan doen; en ik hoop, dat ge mij in dat goede voornemen zult bijstaan, Bounderby, want ik heb groote droefheid gehad.”„Ik versta u nog niet,” antwoordde Bounderby, met onverzettelijke koppigheid, „en daarom wil ik niets beloven.”„In weinige uren tijds, mijn beste Bounderby,” vervolgde mijnheer Gradgrind, op denzelfden treurigen en verzoenenden toon, „schijn ik beter met Louisa’s karakter bekend te zijn geworden dan in al de vorige jaren. Die inlichting is mij smartelijk opgedwongen, en de ontdekking is mijn bedrijf niet. Ik geloof, dat er—Bounderby, ge zult wel verwonderd zijn mij dit te hooren zeggen—ik geloof, dat er eigenschappen in Louisa schuilen, die—die op eene harde manier verwaarloosd zijn en—zóó eenigszins eene verkeerde richting hebben genomen. En—en ik wilde u doen opmerken, dat het—dat het, als gij mij vriendelijk helpen woudt in de nu nog tijdige proefneming om haar een tijdlang aan haar beteren geest over te laten—en dien door zachtheid en inschikkelijkheid aan te moedigen en te ontwikkelen—het—het voor ons aller geluk beter zou zijn. Louisa,” vervolgde hij, zijne hand voor zijn gezicht houdende, „is altijd mijn geliefkoosd kind geweest.”Bij het hooren dezer woorden werd de driftige Bounderby zoo rood en zwol zoo geweldig op, dat hij op het punt scheen, en waarschijnlijk ook was, om eene beroerte te krijgen. Maar hoewel zelfs zijne ooren eene donkere purperkleur aannamen, bedwong hij toch zijne verontwaardiging en zeide slechts:„Gij zoudt haar dan wel een tijdlang hier willen houden?”„Ik—ik had u willen aanraden, mijn beste Bounderby, dat ge Louisa zoudt vergunnen om hier wat te blijven logeeren en zich door Sissy te laten oppassen (ik meen natuurlijk Cecilia Jupe), die haar begrijpt en in wie zij vertrouwen stelt.”„Tom Gradgrind,” antwoordde Bounderby, met het hoofd in den nek en de handen in de zakken, „ik maak uit dit alles op, dat gij van meening zijt, dat er zoo iets is wat de menschen incompatibiliteit noemen tusschen Louisa Bounderby en mij.”„Ik vrees, dat er vooralsnog eene algemeene incompatibiliteit bestaat tusschen Louisa en—en bijna alle omstandigheden waarin ik haar geplaatst heb,” gaf de vader treurig ten antwoord.„Luister nu eens, Tom Gradgrind,” zeide de bloedroode Bounderby, zich vlak tegenover hem plaatsende, met de beenen wijd van elkander, de handen nog dieper in de zakken en een hoofd met haar, dat naar een hooiveld in een onstuimigen wind geleek. „Gij hebt uitgesproken, en nu zal ik spreken. Ik ben eenCoketowner. Ik ben Josiah Bounderby vanCoketown. Ik ken de steenen van de stad, ik ken de machines van de stad, ik ken de schoorsteenen van de stad, ik ken den rook van de stad, en ik ken de werklieden van de stad. Ik ken ze allen tamelijk wel. Zij zijn geene ingebeelde dingen, en als iemand mij van ingebeelde hoedanigheden vertelt, zeg ik dien man altijd, wie hij ook wezen mag, dat ik wel weet wat hij meent. Hij meent schildpadsoep en wildbraad, met een gouden lepel, en dat hij eene koets met zes paarden wil houden. Dat is het wat uwe dochter zou willen; en daar gij van meening zijt, dat zij zou moeten hebben wat zij wil, raad ik u het haar te bezorgen, want van mij zal zij het nooit krijgen, Tom Gradgrind.”„Bounderby,”antwoorddemijnheer Gradgrind, „ik had na mijn dringend verzoek gehoopt, dat gij een anderen toon zoudt hebben aangeslagen.”„Wacht nog eens even,” hervatte Bounderby; „ik heb u laten uitspreken, geloof ik. Hoor mij nu ook ten einde, als het u belieft. Maak u zelven niet tot een voorbeeld van onbillijkheid, zoowel als van inconsequentie, want hoewel het mij spijt, Tom Gradgrind zoo laag gezonken te zien als hij nu al is, zou het mij dubbel spijten hem zóó laag te zien dalen. Er is, geeft ge mij te verstaan, eene incompatibiliteit van eene of andere soort tusschen uwe dochter en mij. Ik zal u tot antwoord daarop te verstaan geven, dat er ontwijfelbaar eene incompatibiliteit van de eerste grootte bestaat, die met deze enkele woorden kan worden verklaard: dat uwe dochter de verdiensten van haar man niet behoorlijk kent, en niet zooveel gevoel heeft als wel passen zou, waarachtig, voor de eer der verbintenis met hem. Dat isrond en duidelijk gesproken, zou ik hopen.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind dringend; „dat is onredelijk.”„Is het?” zeide Bounderby. „Ik ben blij u dat te hooren zeggen; want als Tom Gradgrind met zijn nieuw licht mij zegt, dat, wat ik zeg onredelijk is, ben ik terstond overtuigd, dat het duivelsch verstandig moet wezen. Met uw verlof zal ik nu voortgaan. Gij kent mijne afkomst; en gij weet, dat ik een goed getal jaren van mijn leven geene laarzentrekkers noodig had, omdat ik geene laarzen had en schoenen evenmin. En toch moogt gij het gelooven of niet, zooals het u goeddunkt, dat er dames zijn—geborene dames—die tot familiën behooren—familiën!—die den grond haast aanbidden, waarover ik ga.”Hij wierp dit gezegde als een vuurpijl zijn schoonvader naar het hoofd.„Terwijl uwe dochter,” vervolgde Bounderby, „lang geene geborene dame is—dat weet gij zelf wel. Niet dat ik het minste om zulke dingen geef, dat weet gij heel goed; maar het is zoo, en gij, Tom Gradgrind, kunt dat niet veranderen. Waarom zeg ik dit nu?”„Niet om mij te sparen, vrees ik,” merkte mijnheer Gradgrind zachtjes aan.„Hoor mij ten einde,” zeide Bounderby, „en neem mij het woord niet uit den mond eer gij weer aan de beurt komt. Ik zeg dit omdat vrouwen van voorname familie zich verbaasd hebben over de manier, waarop uwe dochter zich gedragen heeft, en verstomd hebben gestaan over hare gevoelloosheid. Zij hebben zich verwonderd hoe ik dat verdroeg; en ik zelf verwonder er mij nu over en wil het niet langer verdragen.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind, nu opstaande, „hoe minder wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik.”„Integendeel, Tom Gradgrind, hoe meer wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik. Dat is”—deze bedenking stuitte hem—„totdat ik alles gezegd heb wat ik op mijn hart heb, en dan kan het mij niet schelen hoe gauw wij ophouden. Ik kom tot eene vraag, die de zaak zal bekorten. Wat meent gij met het voorstel, dat gij zoo even gedaan hebt?”„Wat ik meen, Bounderby?”„Met dat logeer-voorstel,” zeide Bounderby, het hoofd in den nek werpende.„Ik voedde de hoop, dat gij u op eene vriendelijke manier zoudt laten bewegen om Louisa hier een tijd van rust en nadenken te vergunnen, die in vele opzichten tot eene trapsgewijze verandering en verbetering der omstandigheden zal kunnen strekken.”„Die de incompatibiliteit, zooals gij ze opvat, wat zal moeten verhelpen?” zeide Bounderby.„Als gij het zoo wilt uitdrukken.”„Wat heeft u daaraan doen denken?” zeide Bounderby.„Ik heb reeds gezegd, ik vrees dat Louisa niet begrepen is geworden. Is het te veel gevergd, Bounderby, dat gij, die zooveel ouder zijt, behulpzaam zoudt wezen tot eene poging om haar terecht te brengen. Gij hebt met haar eene groote verantwoordelijkheid op u genomen. Gij hebt haar genomenof zij mee- of tegenviel...”Misschien klonk deze herhaling der woorden, die hij Stephen Blackpool had toegevoegd, Bounderby onaangenaam in de ooren; hij viel er ten minste met eene beweging van schrik en gramschap op in:„Daarover behoeft mij niets gezegd te worden. Ik weet waarvoor ik haar genomen heb, evengoed als gij. Waarvoor ik haar genomen heb, gaat u niet aan, dat is mijne zaak.”„Ik wilde alleen maar aanmerken, Bounderby, dat wij mogelijk allen meer of minder verkeerd gedaan hebben, gij niet uitgezonderd; en dat eenige inschikkelijkheid van uw kant, als gij bedenkt welk eene verantwoordelijkheid gij aanvaard hebt, misschien niet alleen een bewijs van ware genegenheid zou zijn, maar mogelijk ook een plicht, dien gij Louisa verschuldigd zijt.”„Ik denk er anders over,” zeide Bounderby, op zijne winderigste manier; „en ik zal de zaak afdoen zooals ik ze begrijp. Ik wil er geene ruzie met u over maken, Tom Gradgrind. Om u de waarheid te zeggen, ik geloof niet dat het bij mijne reputatie zou passen, over zulk een geval ruzie te maken. Wat uw fatsoenlijken en voornamen vriend betreft, hij mag heenloopen waar hij maar wil. Als hij mij in den weg komt, zal ik hem zeggen hoe ik over hem denk; als hij mij niet in den weg komt, zal ik het niet doen, want dan zou het niet de moeite waard zijn. Wat uwe dochter aangaat, die ik tot Louisa Bounderby gemaakt heb, en misschien liever maar Louisa Gradgrind had moeten laten blijven, als zij morgenmiddag om twaalf uur niet thuis is, zal ik het er voor houden, dat zij liever wegblijft, en zal ik hare kleeren en andere dingen hier aan huis zenden, en dan kunt gij voortaan op haar passen. Wat ik de menschen over het algemeen zal zeggen over de incompatibiliteit, die mij haar zoo de wet heeft doen stellen, zal dit wezen: Ik ben Josiah Bounderby, en ik hebmijneopvoeding gehad; zij is de dochter van Tom Gradgrind, en zij heefthareopvoeding gehad; en die twee paarden willen niet samen trekken. Ik ben hier tamelijk wel bekend als een man, die buitengemeen is, geloof ik; en de meeste menschen zullen gauw genoeg begrijpen, dat eene vrouw ook eenigszins van eene buitengemeene soort moet wezen, om het mij op den duur naar mijn zin te maken.”„Laat ik u ernstig mogen verzoeken, Bounderby, om dit nog eens te overwegen,” zeidemijnheer Gradgrind, „eer gij tot zulk eene beslissing overgaat.”„Ik beslis altijd dadelijk,” antwoordde Bounderby, zijn hoed op het hoofd smijtende, „en wat ik doe, doe ik terstond. Het zou mij verwonderen, Tom Gradgrind zoo iets tegen Josiah Bounderby vanCoketownte hooren zeggen, daar ik toch weet, dat hij hem wel kent, als ik mij nog kon verwonderen over iets, dat Tom Gradgrind doet, nadat hij zich met sentimenteele lorrendraaierij begint op te houden. Ik heb u mijn besluit gemeld en heb niets meer te zeggen. Goedenavond!”Aldus ging Bounderby naar zijn huis in de stad en naar bed. Des anderen daags vijf minuten over twaalven gaf hij last om het goed van mevrouw Bounderby zorgvuldig op te pakken en naar Tom Gradgrind te zenden, adverteerde in de couranten dat zijn buitengoed uit de hand te koop was, en hervatte zijne levenswijs als vrijgezel.

XXXI.ZEER BESLISSEND.De onvermoeibare mevrouw Sparsit, die nu eene geweldige verkoudheid in het hoofd had, zoodat zij niet harder dan fluisterend kon spreken, en haar onophoudelijk niezen hare deftige gestalte in gevaar scheen te brengen van in stukken uiteen te vallen, joeg haar patroon zoolang na, tot zij hem in de hoofdstad gevonden had; en daar trad zij hem toen in zijn logement inSt. James’ Streetmet dreigende statigheid onder de oogen, legde de lont aan de brandstof, waarmede zij geladen was, en liet hare mijn springen. Aldus hare taak met onbeschrijfelijke zelfvoldoening volbracht hebbende, liet de edelaardige vrouw haar hoofd op mijnheer Bounderby’s schouder zinken en viel in zwijm.Het eerste wat mijnheer Bounderby deed, was mevrouw Sparsit van zich af te schudden, en haar op den grond, zoo goed zij dit alleen kon, de verschillende trappen van een zenuwtoeval te laten doorgaan. Vervolgens begon hij eenige krachtige opwekkende middelen aan te wenden, wrong de lijderes de duimen open, sloeg haar in de handen, goot haar een overvloed van water in het gezicht en stak haar zout in den mond. Toen deze hulpmiddelen haar hadden doen bekomen (hetgeen zij trouwens spoedig deden), pakte hij haar, zonder haar eenige andere verkwikking aan te bieden, in eene koets en bracht haar met den eersten spoortrein, meer dood dan levend, naarCoketownterug.Op het eind harer reis bood mevrouw Sparsit, als eene klassieke ruïne beschouwd, een belangwekkend schouwspel aan; maar uit elk ander oogpunt bezien, was zij sterk beschadigd geworden en hare aanspraak op bewondering zeer verminderd. Zonder zich om de slijtage harer kleederen en van haar gestel te bekommeren, en zoo gevoelloos als een keisteen voor haar zielroerend niezen, pakte Bounderby haar terstond weder in eene koets en voerde haar verder naarStone Lodge.„Tom Gradgrind,” zeide Bounderby, laat in den avond de kamer van zijn schoonvader binnenstuivende, „hier is eene dame—mevrouw Sparsit—gij kent mevrouw Sparsit wel—die u iets te zeggen heeft, dat zal u doen verstomd staan.”„Gij hebt dan mijn brief niet ontvangen!” riep mijnheer Gradgrind uit, verrast door deze verschijning.„Een brief van u ontvangen!” grauwde Bounderby hem toe. „Het is nu geen tijd van brieven. Als Josiah Bounderby vanCoketownin zulk een humeur is als nu, moet niemand hem van brieven spreken.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind op een misnoegden maar gematigden toon, „ik spreek over een zeer gewichtigen brief, dien ik u geschreven heb en die Louisa betrof.”„Tom Gradgrind,” antwoordde Bounderby, verscheidene malen met de vlakke hand op de tafel slaande, „ik spreek van eene zeer gewichtige boodschap, die mij iemand van Louisa is komen brengen. Mevrouw Sparsit, spreek op, juffrouw!”De ongelukkige dame poogde nu hare getuigenis af te leggen, maar daar het haar geheel aan stem ontbrak, en hare keel van binnen rauw scheen te zijn, kon zij weinig anders doen dan pijnlijke gebaren maken en leelijke gezichten trekken, waarover Bounderby zoo driftig werd, dat hij niet kon nalaten haar bij den arm te vatten en te schudden.„Als gij het niet kunt uitbrengen, juffrouw,” zeide hij, „laat mij het dan uitbrengen. Het is nu geen tijd voor eene dame, al is zij van nog zoo voorname afkomst, om onverstaanbaar te fluisteren en te doen alsof zij knikkers slikte. Tom Gradgrind, mevrouw Sparsit heeft toevallig gelegenheid gehad om een gesprek in de opene lucht tusschen uwe dochter en uw kostbaren voornamen vriend, mijnheer James Harthouse, te beluisteren.”„Inderdaad!” zeide mijnheer Gradgrind.„Ja inderdaad,” beet Bounderby hem toe. „En in dat gesprek...”„Het is niet noodig mij den inhoud er van te zeggen, Bounderby. Ik weet wat er is voorgevallen.”„Doet ge?” zeide Bounderby, zijn zoo bijzonder stillen en zoetsappigen schoonvader met groote oogen aanstarende. „Misschien weet gij dan ook waar uwe dochter tegenwoordig is?”„Zonder twijfel. Zij is hier.”„Hier?”„Mijn beste Bounderby, laat ik u toch mogen bidden om die luidruchtige uitbarstingen te bedwingen. Louisa is hier. Zoodra zij zich van dat gesprek met den persoon, van wien gij spreekt, en wien het mij zeer spijt dat ik bij u geïntroduceerd heb, kon afmaken, is Louisa met allen spoed hierheen gekomen om bescherming te zoeken. Ik was zelf nog maar weinige uren thuis geweest, toen ik haar hier zag komen—hier in deze kamer. Zij was met den spoortrein naar de stad gekomen, door den woedenden storm van de stad hier naar huis geloopen, en toen zij hier kwam, was zij buiten zich zelve van ontsteltenis en angst. Natuurlijk is zij sedert hier gebleven. Laat ik u, om uw eigen en om harentwil, mogen bidden meer bedaard te zijn.”Mijnheer Bounderby zag eene poos naar alle kanten om zich heen, behalve naar den kant van mevrouw Sparsit, en zich toen eensklaps naar de nicht van Lady Scadgers keerende, zeide hij tot die rampzalige vrouw:„Nu, juffrouw, zullen wij gaarne hooren wat gij tot uwe verschooning moogt goedvinden te zeggen, dat gij zoo met de vaart van een koerier door het land vliegt, zonder andere bagage dan een zot vertelseltje.”„Mijnheer,” fluisterde mevrouw Sparsit, „mijne zenuwen zijn op het oogenblik al te zeer geschokt en mijne gezondheid heeft in uw dienst al te veel geleden, om mij toe te laten iets anders te doen dan mijne toevlucht tot tranen te nemen.”En dit deed zij ook.„Wel, juffrouw,” zeide Bounderby, „zonder u iets te zeggen wat men niet met voegzaamheid tegen eene vrouw van goede afkomst zou mogen zeggen, wil ik er alleen maar bijvoegen, dat er, naar het mij voorkomt, nog iets anders is, waarin gij toevlucht kunt nemen, namelijk in eene koets. En daar de koets, waarin gij gekomen zijt, nog voor de deur staat, zult gij mij wel vergunnen om u daarin te zetten en naar het kantoor te laten brengen; en daar gekomen, zult ge niet beter kunnen doen, dan uwe voeten in het heetste water te steken dat ge verdragen kunt, en als ge in het bed zijt een glas kokend heete rum met eene kluit boter er in te drinken.”Met deze woorden reikte Bounderby de schreiende dame zijne rechterhand toe, en bracht haar, onder een jammerlijk niezen, naar het bedoelde rijtuig. Spoedig kwam hij alleen terug.„Daar ik aan uw gezicht kan zien, Tom Gradgrind,” hervatte hij, „dat ge mij woudt spreken, ben ik hier teruggekomen. Maar ik ben in geen pleizierig humeur, dat zeg ik ronduit; want de zaak, zooals ze nu is, bevalt mij nog maar volstrekt niet, en ik vind niet, dat ik ooit door uwe dochter met zooveel gehoorzaamheid en onderdanigheid behandeld ben, als Josiah Bounderby vanCoketowndoor zijne vrouw behandeld moest worden. Gij hebt uwe eigene meeningen, kan ik wel denken; ik heb de mijne, dat weet ik. Als gij mij van avond iets zoudt willen zeggen, dat met deze oprechte verklaring in strijd is, zoudt ge beter doen het maar te zwijgen.”Daar Gradgrind, gelijk men zal hebben opgemerkt, veel zachter was dan gewoonlijk, gaf Bounderby zich bijzondere moeite om zich zooveel mogelijk te verharden. Dat lag zoo in zijn beminnelijk karakter.„Mijn lieve Bounderby,” begon mijnheer Gradgrind tot antwoord.„Neem mij niet kwalijk,” zeide Bounderby, „maar ik wil niet al te lief zijn. Dat om te beginnen. Als ik voor iemand lief begin te worden, vind ik doorgaans dat hij voornemens is mij te bedotten. Ik spreek niet beleefd tegen u; maar, gelijk ge wel weet, ik ben ook niet beleefd. Als ge veel van beleefdheid houdt, weet ge waar gij ze krijgen kunt. Gij hebt fatsoenlijke en voorname vrienden genoeg, en zij zullen u van dat artikel zooveel leveren als ge maar hebben wilt. Ik houd het er niet op na.”„Bounderby,” hervatte mijnheer Gradgrind dringend; „alle menschen kunnen dwalen.”„Ik dacht, dat gij het niet kondt,” viel Bounderby hem in de rede.„Misschien dacht ik ook zoo. Maar ik zeg nu, alle menschen kunnen dwalen; en ik zou gevoelig en dankbaar voor uwe kieschheid zijn, als gij mij die toespelingen op Harthouse woudt besparen. Ik zal in ons gesprek geene melding van hem maken, alsof ik hem voor uw vriend en vertrouwde hield, en ik verzoek u niet voort te gaan met te spreken alsof hij de mijne was.”„Ik heb zijn naam niet eens genoemd,” zeide Bounderby.„Goed, goed!” antwoordde mijnheer Gradgrind op een toon van geduld, zelfs van onderwerping, en bleef toen eene korte poos peinzen. „Bounderby, ik heb reden om er aan te twijfelen of wij Louisa wel ooit recht begrepen hebben.”„Wie meent ge met datwij?”„Laat mij dan ik zeggen,” antwoordde hij op die smalend uitgestootene vraag. „Ik twijfel er aan, of ik Louisa wel ooit begrepen heb.Ik twijfel er aan, of ik de rechte manier van opvoeding wel voor haar heb gekozen.”„Daar hebt gij het aan ’t rechte eind,” antwoordde Bounderby. „Dat geef ik u toe. Dat hebt gij nu eindelijk ontdekt, niet waar? Opvoeding!—Ik zal u eens zeggen wat opvoeding is—dat is, hals over kop de deur te worden uitgesmeten, en op kort rantsoen te worden gesteld van alles behalve klappen. Dat noem ik opvoeding.”„Ik geloof, dat uw gezond verstand wel zal zien,” bracht mijnheer Gradgrind met alle nederigheid hiertegen in, „dat, welke verdiensten zulk een stelsel ook hebben mag, het bij meisjes bezwaarlijk van algemeene toepassing zou kunnen zijn.”„Dat zie ik geheel niet in,” antwoordde de stijfkoppige Bounderby.„Wel,” hervatte mijnheer Gradgrind met een zucht, „wij zullen die vraag maar niet onderzoeken. Ik verzeker u, dat ik niet naar een woordenstrijd verlang. Ik zoek alleen maar te herstellen wat er bedorven is, als ik dat met mogelijkheid kan doen; en ik hoop, dat ge mij in dat goede voornemen zult bijstaan, Bounderby, want ik heb groote droefheid gehad.”„Ik versta u nog niet,” antwoordde Bounderby, met onverzettelijke koppigheid, „en daarom wil ik niets beloven.”„In weinige uren tijds, mijn beste Bounderby,” vervolgde mijnheer Gradgrind, op denzelfden treurigen en verzoenenden toon, „schijn ik beter met Louisa’s karakter bekend te zijn geworden dan in al de vorige jaren. Die inlichting is mij smartelijk opgedwongen, en de ontdekking is mijn bedrijf niet. Ik geloof, dat er—Bounderby, ge zult wel verwonderd zijn mij dit te hooren zeggen—ik geloof, dat er eigenschappen in Louisa schuilen, die—die op eene harde manier verwaarloosd zijn en—zóó eenigszins eene verkeerde richting hebben genomen. En—en ik wilde u doen opmerken, dat het—dat het, als gij mij vriendelijk helpen woudt in de nu nog tijdige proefneming om haar een tijdlang aan haar beteren geest over te laten—en dien door zachtheid en inschikkelijkheid aan te moedigen en te ontwikkelen—het—het voor ons aller geluk beter zou zijn. Louisa,” vervolgde hij, zijne hand voor zijn gezicht houdende, „is altijd mijn geliefkoosd kind geweest.”Bij het hooren dezer woorden werd de driftige Bounderby zoo rood en zwol zoo geweldig op, dat hij op het punt scheen, en waarschijnlijk ook was, om eene beroerte te krijgen. Maar hoewel zelfs zijne ooren eene donkere purperkleur aannamen, bedwong hij toch zijne verontwaardiging en zeide slechts:„Gij zoudt haar dan wel een tijdlang hier willen houden?”„Ik—ik had u willen aanraden, mijn beste Bounderby, dat ge Louisa zoudt vergunnen om hier wat te blijven logeeren en zich door Sissy te laten oppassen (ik meen natuurlijk Cecilia Jupe), die haar begrijpt en in wie zij vertrouwen stelt.”„Tom Gradgrind,” antwoordde Bounderby, met het hoofd in den nek en de handen in de zakken, „ik maak uit dit alles op, dat gij van meening zijt, dat er zoo iets is wat de menschen incompatibiliteit noemen tusschen Louisa Bounderby en mij.”„Ik vrees, dat er vooralsnog eene algemeene incompatibiliteit bestaat tusschen Louisa en—en bijna alle omstandigheden waarin ik haar geplaatst heb,” gaf de vader treurig ten antwoord.„Luister nu eens, Tom Gradgrind,” zeide de bloedroode Bounderby, zich vlak tegenover hem plaatsende, met de beenen wijd van elkander, de handen nog dieper in de zakken en een hoofd met haar, dat naar een hooiveld in een onstuimigen wind geleek. „Gij hebt uitgesproken, en nu zal ik spreken. Ik ben eenCoketowner. Ik ben Josiah Bounderby vanCoketown. Ik ken de steenen van de stad, ik ken de machines van de stad, ik ken de schoorsteenen van de stad, ik ken den rook van de stad, en ik ken de werklieden van de stad. Ik ken ze allen tamelijk wel. Zij zijn geene ingebeelde dingen, en als iemand mij van ingebeelde hoedanigheden vertelt, zeg ik dien man altijd, wie hij ook wezen mag, dat ik wel weet wat hij meent. Hij meent schildpadsoep en wildbraad, met een gouden lepel, en dat hij eene koets met zes paarden wil houden. Dat is het wat uwe dochter zou willen; en daar gij van meening zijt, dat zij zou moeten hebben wat zij wil, raad ik u het haar te bezorgen, want van mij zal zij het nooit krijgen, Tom Gradgrind.”„Bounderby,”antwoorddemijnheer Gradgrind, „ik had na mijn dringend verzoek gehoopt, dat gij een anderen toon zoudt hebben aangeslagen.”„Wacht nog eens even,” hervatte Bounderby; „ik heb u laten uitspreken, geloof ik. Hoor mij nu ook ten einde, als het u belieft. Maak u zelven niet tot een voorbeeld van onbillijkheid, zoowel als van inconsequentie, want hoewel het mij spijt, Tom Gradgrind zoo laag gezonken te zien als hij nu al is, zou het mij dubbel spijten hem zóó laag te zien dalen. Er is, geeft ge mij te verstaan, eene incompatibiliteit van eene of andere soort tusschen uwe dochter en mij. Ik zal u tot antwoord daarop te verstaan geven, dat er ontwijfelbaar eene incompatibiliteit van de eerste grootte bestaat, die met deze enkele woorden kan worden verklaard: dat uwe dochter de verdiensten van haar man niet behoorlijk kent, en niet zooveel gevoel heeft als wel passen zou, waarachtig, voor de eer der verbintenis met hem. Dat isrond en duidelijk gesproken, zou ik hopen.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind dringend; „dat is onredelijk.”„Is het?” zeide Bounderby. „Ik ben blij u dat te hooren zeggen; want als Tom Gradgrind met zijn nieuw licht mij zegt, dat, wat ik zeg onredelijk is, ben ik terstond overtuigd, dat het duivelsch verstandig moet wezen. Met uw verlof zal ik nu voortgaan. Gij kent mijne afkomst; en gij weet, dat ik een goed getal jaren van mijn leven geene laarzentrekkers noodig had, omdat ik geene laarzen had en schoenen evenmin. En toch moogt gij het gelooven of niet, zooals het u goeddunkt, dat er dames zijn—geborene dames—die tot familiën behooren—familiën!—die den grond haast aanbidden, waarover ik ga.”Hij wierp dit gezegde als een vuurpijl zijn schoonvader naar het hoofd.„Terwijl uwe dochter,” vervolgde Bounderby, „lang geene geborene dame is—dat weet gij zelf wel. Niet dat ik het minste om zulke dingen geef, dat weet gij heel goed; maar het is zoo, en gij, Tom Gradgrind, kunt dat niet veranderen. Waarom zeg ik dit nu?”„Niet om mij te sparen, vrees ik,” merkte mijnheer Gradgrind zachtjes aan.„Hoor mij ten einde,” zeide Bounderby, „en neem mij het woord niet uit den mond eer gij weer aan de beurt komt. Ik zeg dit omdat vrouwen van voorname familie zich verbaasd hebben over de manier, waarop uwe dochter zich gedragen heeft, en verstomd hebben gestaan over hare gevoelloosheid. Zij hebben zich verwonderd hoe ik dat verdroeg; en ik zelf verwonder er mij nu over en wil het niet langer verdragen.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind, nu opstaande, „hoe minder wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik.”„Integendeel, Tom Gradgrind, hoe meer wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik. Dat is”—deze bedenking stuitte hem—„totdat ik alles gezegd heb wat ik op mijn hart heb, en dan kan het mij niet schelen hoe gauw wij ophouden. Ik kom tot eene vraag, die de zaak zal bekorten. Wat meent gij met het voorstel, dat gij zoo even gedaan hebt?”„Wat ik meen, Bounderby?”„Met dat logeer-voorstel,” zeide Bounderby, het hoofd in den nek werpende.„Ik voedde de hoop, dat gij u op eene vriendelijke manier zoudt laten bewegen om Louisa hier een tijd van rust en nadenken te vergunnen, die in vele opzichten tot eene trapsgewijze verandering en verbetering der omstandigheden zal kunnen strekken.”„Die de incompatibiliteit, zooals gij ze opvat, wat zal moeten verhelpen?” zeide Bounderby.„Als gij het zoo wilt uitdrukken.”„Wat heeft u daaraan doen denken?” zeide Bounderby.„Ik heb reeds gezegd, ik vrees dat Louisa niet begrepen is geworden. Is het te veel gevergd, Bounderby, dat gij, die zooveel ouder zijt, behulpzaam zoudt wezen tot eene poging om haar terecht te brengen. Gij hebt met haar eene groote verantwoordelijkheid op u genomen. Gij hebt haar genomenof zij mee- of tegenviel...”Misschien klonk deze herhaling der woorden, die hij Stephen Blackpool had toegevoegd, Bounderby onaangenaam in de ooren; hij viel er ten minste met eene beweging van schrik en gramschap op in:„Daarover behoeft mij niets gezegd te worden. Ik weet waarvoor ik haar genomen heb, evengoed als gij. Waarvoor ik haar genomen heb, gaat u niet aan, dat is mijne zaak.”„Ik wilde alleen maar aanmerken, Bounderby, dat wij mogelijk allen meer of minder verkeerd gedaan hebben, gij niet uitgezonderd; en dat eenige inschikkelijkheid van uw kant, als gij bedenkt welk eene verantwoordelijkheid gij aanvaard hebt, misschien niet alleen een bewijs van ware genegenheid zou zijn, maar mogelijk ook een plicht, dien gij Louisa verschuldigd zijt.”„Ik denk er anders over,” zeide Bounderby, op zijne winderigste manier; „en ik zal de zaak afdoen zooals ik ze begrijp. Ik wil er geene ruzie met u over maken, Tom Gradgrind. Om u de waarheid te zeggen, ik geloof niet dat het bij mijne reputatie zou passen, over zulk een geval ruzie te maken. Wat uw fatsoenlijken en voornamen vriend betreft, hij mag heenloopen waar hij maar wil. Als hij mij in den weg komt, zal ik hem zeggen hoe ik over hem denk; als hij mij niet in den weg komt, zal ik het niet doen, want dan zou het niet de moeite waard zijn. Wat uwe dochter aangaat, die ik tot Louisa Bounderby gemaakt heb, en misschien liever maar Louisa Gradgrind had moeten laten blijven, als zij morgenmiddag om twaalf uur niet thuis is, zal ik het er voor houden, dat zij liever wegblijft, en zal ik hare kleeren en andere dingen hier aan huis zenden, en dan kunt gij voortaan op haar passen. Wat ik de menschen over het algemeen zal zeggen over de incompatibiliteit, die mij haar zoo de wet heeft doen stellen, zal dit wezen: Ik ben Josiah Bounderby, en ik hebmijneopvoeding gehad; zij is de dochter van Tom Gradgrind, en zij heefthareopvoeding gehad; en die twee paarden willen niet samen trekken. Ik ben hier tamelijk wel bekend als een man, die buitengemeen is, geloof ik; en de meeste menschen zullen gauw genoeg begrijpen, dat eene vrouw ook eenigszins van eene buitengemeene soort moet wezen, om het mij op den duur naar mijn zin te maken.”„Laat ik u ernstig mogen verzoeken, Bounderby, om dit nog eens te overwegen,” zeidemijnheer Gradgrind, „eer gij tot zulk eene beslissing overgaat.”„Ik beslis altijd dadelijk,” antwoordde Bounderby, zijn hoed op het hoofd smijtende, „en wat ik doe, doe ik terstond. Het zou mij verwonderen, Tom Gradgrind zoo iets tegen Josiah Bounderby vanCoketownte hooren zeggen, daar ik toch weet, dat hij hem wel kent, als ik mij nog kon verwonderen over iets, dat Tom Gradgrind doet, nadat hij zich met sentimenteele lorrendraaierij begint op te houden. Ik heb u mijn besluit gemeld en heb niets meer te zeggen. Goedenavond!”Aldus ging Bounderby naar zijn huis in de stad en naar bed. Des anderen daags vijf minuten over twaalven gaf hij last om het goed van mevrouw Bounderby zorgvuldig op te pakken en naar Tom Gradgrind te zenden, adverteerde in de couranten dat zijn buitengoed uit de hand te koop was, en hervatte zijne levenswijs als vrijgezel.

XXXI.ZEER BESLISSEND.De onvermoeibare mevrouw Sparsit, die nu eene geweldige verkoudheid in het hoofd had, zoodat zij niet harder dan fluisterend kon spreken, en haar onophoudelijk niezen hare deftige gestalte in gevaar scheen te brengen van in stukken uiteen te vallen, joeg haar patroon zoolang na, tot zij hem in de hoofdstad gevonden had; en daar trad zij hem toen in zijn logement inSt. James’ Streetmet dreigende statigheid onder de oogen, legde de lont aan de brandstof, waarmede zij geladen was, en liet hare mijn springen. Aldus hare taak met onbeschrijfelijke zelfvoldoening volbracht hebbende, liet de edelaardige vrouw haar hoofd op mijnheer Bounderby’s schouder zinken en viel in zwijm.Het eerste wat mijnheer Bounderby deed, was mevrouw Sparsit van zich af te schudden, en haar op den grond, zoo goed zij dit alleen kon, de verschillende trappen van een zenuwtoeval te laten doorgaan. Vervolgens begon hij eenige krachtige opwekkende middelen aan te wenden, wrong de lijderes de duimen open, sloeg haar in de handen, goot haar een overvloed van water in het gezicht en stak haar zout in den mond. Toen deze hulpmiddelen haar hadden doen bekomen (hetgeen zij trouwens spoedig deden), pakte hij haar, zonder haar eenige andere verkwikking aan te bieden, in eene koets en bracht haar met den eersten spoortrein, meer dood dan levend, naarCoketownterug.Op het eind harer reis bood mevrouw Sparsit, als eene klassieke ruïne beschouwd, een belangwekkend schouwspel aan; maar uit elk ander oogpunt bezien, was zij sterk beschadigd geworden en hare aanspraak op bewondering zeer verminderd. Zonder zich om de slijtage harer kleederen en van haar gestel te bekommeren, en zoo gevoelloos als een keisteen voor haar zielroerend niezen, pakte Bounderby haar terstond weder in eene koets en voerde haar verder naarStone Lodge.„Tom Gradgrind,” zeide Bounderby, laat in den avond de kamer van zijn schoonvader binnenstuivende, „hier is eene dame—mevrouw Sparsit—gij kent mevrouw Sparsit wel—die u iets te zeggen heeft, dat zal u doen verstomd staan.”„Gij hebt dan mijn brief niet ontvangen!” riep mijnheer Gradgrind uit, verrast door deze verschijning.„Een brief van u ontvangen!” grauwde Bounderby hem toe. „Het is nu geen tijd van brieven. Als Josiah Bounderby vanCoketownin zulk een humeur is als nu, moet niemand hem van brieven spreken.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind op een misnoegden maar gematigden toon, „ik spreek over een zeer gewichtigen brief, dien ik u geschreven heb en die Louisa betrof.”„Tom Gradgrind,” antwoordde Bounderby, verscheidene malen met de vlakke hand op de tafel slaande, „ik spreek van eene zeer gewichtige boodschap, die mij iemand van Louisa is komen brengen. Mevrouw Sparsit, spreek op, juffrouw!”De ongelukkige dame poogde nu hare getuigenis af te leggen, maar daar het haar geheel aan stem ontbrak, en hare keel van binnen rauw scheen te zijn, kon zij weinig anders doen dan pijnlijke gebaren maken en leelijke gezichten trekken, waarover Bounderby zoo driftig werd, dat hij niet kon nalaten haar bij den arm te vatten en te schudden.„Als gij het niet kunt uitbrengen, juffrouw,” zeide hij, „laat mij het dan uitbrengen. Het is nu geen tijd voor eene dame, al is zij van nog zoo voorname afkomst, om onverstaanbaar te fluisteren en te doen alsof zij knikkers slikte. Tom Gradgrind, mevrouw Sparsit heeft toevallig gelegenheid gehad om een gesprek in de opene lucht tusschen uwe dochter en uw kostbaren voornamen vriend, mijnheer James Harthouse, te beluisteren.”„Inderdaad!” zeide mijnheer Gradgrind.„Ja inderdaad,” beet Bounderby hem toe. „En in dat gesprek...”„Het is niet noodig mij den inhoud er van te zeggen, Bounderby. Ik weet wat er is voorgevallen.”„Doet ge?” zeide Bounderby, zijn zoo bijzonder stillen en zoetsappigen schoonvader met groote oogen aanstarende. „Misschien weet gij dan ook waar uwe dochter tegenwoordig is?”„Zonder twijfel. Zij is hier.”„Hier?”„Mijn beste Bounderby, laat ik u toch mogen bidden om die luidruchtige uitbarstingen te bedwingen. Louisa is hier. Zoodra zij zich van dat gesprek met den persoon, van wien gij spreekt, en wien het mij zeer spijt dat ik bij u geïntroduceerd heb, kon afmaken, is Louisa met allen spoed hierheen gekomen om bescherming te zoeken. Ik was zelf nog maar weinige uren thuis geweest, toen ik haar hier zag komen—hier in deze kamer. Zij was met den spoortrein naar de stad gekomen, door den woedenden storm van de stad hier naar huis geloopen, en toen zij hier kwam, was zij buiten zich zelve van ontsteltenis en angst. Natuurlijk is zij sedert hier gebleven. Laat ik u, om uw eigen en om harentwil, mogen bidden meer bedaard te zijn.”Mijnheer Bounderby zag eene poos naar alle kanten om zich heen, behalve naar den kant van mevrouw Sparsit, en zich toen eensklaps naar de nicht van Lady Scadgers keerende, zeide hij tot die rampzalige vrouw:„Nu, juffrouw, zullen wij gaarne hooren wat gij tot uwe verschooning moogt goedvinden te zeggen, dat gij zoo met de vaart van een koerier door het land vliegt, zonder andere bagage dan een zot vertelseltje.”„Mijnheer,” fluisterde mevrouw Sparsit, „mijne zenuwen zijn op het oogenblik al te zeer geschokt en mijne gezondheid heeft in uw dienst al te veel geleden, om mij toe te laten iets anders te doen dan mijne toevlucht tot tranen te nemen.”En dit deed zij ook.„Wel, juffrouw,” zeide Bounderby, „zonder u iets te zeggen wat men niet met voegzaamheid tegen eene vrouw van goede afkomst zou mogen zeggen, wil ik er alleen maar bijvoegen, dat er, naar het mij voorkomt, nog iets anders is, waarin gij toevlucht kunt nemen, namelijk in eene koets. En daar de koets, waarin gij gekomen zijt, nog voor de deur staat, zult gij mij wel vergunnen om u daarin te zetten en naar het kantoor te laten brengen; en daar gekomen, zult ge niet beter kunnen doen, dan uwe voeten in het heetste water te steken dat ge verdragen kunt, en als ge in het bed zijt een glas kokend heete rum met eene kluit boter er in te drinken.”Met deze woorden reikte Bounderby de schreiende dame zijne rechterhand toe, en bracht haar, onder een jammerlijk niezen, naar het bedoelde rijtuig. Spoedig kwam hij alleen terug.„Daar ik aan uw gezicht kan zien, Tom Gradgrind,” hervatte hij, „dat ge mij woudt spreken, ben ik hier teruggekomen. Maar ik ben in geen pleizierig humeur, dat zeg ik ronduit; want de zaak, zooals ze nu is, bevalt mij nog maar volstrekt niet, en ik vind niet, dat ik ooit door uwe dochter met zooveel gehoorzaamheid en onderdanigheid behandeld ben, als Josiah Bounderby vanCoketowndoor zijne vrouw behandeld moest worden. Gij hebt uwe eigene meeningen, kan ik wel denken; ik heb de mijne, dat weet ik. Als gij mij van avond iets zoudt willen zeggen, dat met deze oprechte verklaring in strijd is, zoudt ge beter doen het maar te zwijgen.”Daar Gradgrind, gelijk men zal hebben opgemerkt, veel zachter was dan gewoonlijk, gaf Bounderby zich bijzondere moeite om zich zooveel mogelijk te verharden. Dat lag zoo in zijn beminnelijk karakter.„Mijn lieve Bounderby,” begon mijnheer Gradgrind tot antwoord.„Neem mij niet kwalijk,” zeide Bounderby, „maar ik wil niet al te lief zijn. Dat om te beginnen. Als ik voor iemand lief begin te worden, vind ik doorgaans dat hij voornemens is mij te bedotten. Ik spreek niet beleefd tegen u; maar, gelijk ge wel weet, ik ben ook niet beleefd. Als ge veel van beleefdheid houdt, weet ge waar gij ze krijgen kunt. Gij hebt fatsoenlijke en voorname vrienden genoeg, en zij zullen u van dat artikel zooveel leveren als ge maar hebben wilt. Ik houd het er niet op na.”„Bounderby,” hervatte mijnheer Gradgrind dringend; „alle menschen kunnen dwalen.”„Ik dacht, dat gij het niet kondt,” viel Bounderby hem in de rede.„Misschien dacht ik ook zoo. Maar ik zeg nu, alle menschen kunnen dwalen; en ik zou gevoelig en dankbaar voor uwe kieschheid zijn, als gij mij die toespelingen op Harthouse woudt besparen. Ik zal in ons gesprek geene melding van hem maken, alsof ik hem voor uw vriend en vertrouwde hield, en ik verzoek u niet voort te gaan met te spreken alsof hij de mijne was.”„Ik heb zijn naam niet eens genoemd,” zeide Bounderby.„Goed, goed!” antwoordde mijnheer Gradgrind op een toon van geduld, zelfs van onderwerping, en bleef toen eene korte poos peinzen. „Bounderby, ik heb reden om er aan te twijfelen of wij Louisa wel ooit recht begrepen hebben.”„Wie meent ge met datwij?”„Laat mij dan ik zeggen,” antwoordde hij op die smalend uitgestootene vraag. „Ik twijfel er aan, of ik Louisa wel ooit begrepen heb.Ik twijfel er aan, of ik de rechte manier van opvoeding wel voor haar heb gekozen.”„Daar hebt gij het aan ’t rechte eind,” antwoordde Bounderby. „Dat geef ik u toe. Dat hebt gij nu eindelijk ontdekt, niet waar? Opvoeding!—Ik zal u eens zeggen wat opvoeding is—dat is, hals over kop de deur te worden uitgesmeten, en op kort rantsoen te worden gesteld van alles behalve klappen. Dat noem ik opvoeding.”„Ik geloof, dat uw gezond verstand wel zal zien,” bracht mijnheer Gradgrind met alle nederigheid hiertegen in, „dat, welke verdiensten zulk een stelsel ook hebben mag, het bij meisjes bezwaarlijk van algemeene toepassing zou kunnen zijn.”„Dat zie ik geheel niet in,” antwoordde de stijfkoppige Bounderby.„Wel,” hervatte mijnheer Gradgrind met een zucht, „wij zullen die vraag maar niet onderzoeken. Ik verzeker u, dat ik niet naar een woordenstrijd verlang. Ik zoek alleen maar te herstellen wat er bedorven is, als ik dat met mogelijkheid kan doen; en ik hoop, dat ge mij in dat goede voornemen zult bijstaan, Bounderby, want ik heb groote droefheid gehad.”„Ik versta u nog niet,” antwoordde Bounderby, met onverzettelijke koppigheid, „en daarom wil ik niets beloven.”„In weinige uren tijds, mijn beste Bounderby,” vervolgde mijnheer Gradgrind, op denzelfden treurigen en verzoenenden toon, „schijn ik beter met Louisa’s karakter bekend te zijn geworden dan in al de vorige jaren. Die inlichting is mij smartelijk opgedwongen, en de ontdekking is mijn bedrijf niet. Ik geloof, dat er—Bounderby, ge zult wel verwonderd zijn mij dit te hooren zeggen—ik geloof, dat er eigenschappen in Louisa schuilen, die—die op eene harde manier verwaarloosd zijn en—zóó eenigszins eene verkeerde richting hebben genomen. En—en ik wilde u doen opmerken, dat het—dat het, als gij mij vriendelijk helpen woudt in de nu nog tijdige proefneming om haar een tijdlang aan haar beteren geest over te laten—en dien door zachtheid en inschikkelijkheid aan te moedigen en te ontwikkelen—het—het voor ons aller geluk beter zou zijn. Louisa,” vervolgde hij, zijne hand voor zijn gezicht houdende, „is altijd mijn geliefkoosd kind geweest.”Bij het hooren dezer woorden werd de driftige Bounderby zoo rood en zwol zoo geweldig op, dat hij op het punt scheen, en waarschijnlijk ook was, om eene beroerte te krijgen. Maar hoewel zelfs zijne ooren eene donkere purperkleur aannamen, bedwong hij toch zijne verontwaardiging en zeide slechts:„Gij zoudt haar dan wel een tijdlang hier willen houden?”„Ik—ik had u willen aanraden, mijn beste Bounderby, dat ge Louisa zoudt vergunnen om hier wat te blijven logeeren en zich door Sissy te laten oppassen (ik meen natuurlijk Cecilia Jupe), die haar begrijpt en in wie zij vertrouwen stelt.”„Tom Gradgrind,” antwoordde Bounderby, met het hoofd in den nek en de handen in de zakken, „ik maak uit dit alles op, dat gij van meening zijt, dat er zoo iets is wat de menschen incompatibiliteit noemen tusschen Louisa Bounderby en mij.”„Ik vrees, dat er vooralsnog eene algemeene incompatibiliteit bestaat tusschen Louisa en—en bijna alle omstandigheden waarin ik haar geplaatst heb,” gaf de vader treurig ten antwoord.„Luister nu eens, Tom Gradgrind,” zeide de bloedroode Bounderby, zich vlak tegenover hem plaatsende, met de beenen wijd van elkander, de handen nog dieper in de zakken en een hoofd met haar, dat naar een hooiveld in een onstuimigen wind geleek. „Gij hebt uitgesproken, en nu zal ik spreken. Ik ben eenCoketowner. Ik ben Josiah Bounderby vanCoketown. Ik ken de steenen van de stad, ik ken de machines van de stad, ik ken de schoorsteenen van de stad, ik ken den rook van de stad, en ik ken de werklieden van de stad. Ik ken ze allen tamelijk wel. Zij zijn geene ingebeelde dingen, en als iemand mij van ingebeelde hoedanigheden vertelt, zeg ik dien man altijd, wie hij ook wezen mag, dat ik wel weet wat hij meent. Hij meent schildpadsoep en wildbraad, met een gouden lepel, en dat hij eene koets met zes paarden wil houden. Dat is het wat uwe dochter zou willen; en daar gij van meening zijt, dat zij zou moeten hebben wat zij wil, raad ik u het haar te bezorgen, want van mij zal zij het nooit krijgen, Tom Gradgrind.”„Bounderby,”antwoorddemijnheer Gradgrind, „ik had na mijn dringend verzoek gehoopt, dat gij een anderen toon zoudt hebben aangeslagen.”„Wacht nog eens even,” hervatte Bounderby; „ik heb u laten uitspreken, geloof ik. Hoor mij nu ook ten einde, als het u belieft. Maak u zelven niet tot een voorbeeld van onbillijkheid, zoowel als van inconsequentie, want hoewel het mij spijt, Tom Gradgrind zoo laag gezonken te zien als hij nu al is, zou het mij dubbel spijten hem zóó laag te zien dalen. Er is, geeft ge mij te verstaan, eene incompatibiliteit van eene of andere soort tusschen uwe dochter en mij. Ik zal u tot antwoord daarop te verstaan geven, dat er ontwijfelbaar eene incompatibiliteit van de eerste grootte bestaat, die met deze enkele woorden kan worden verklaard: dat uwe dochter de verdiensten van haar man niet behoorlijk kent, en niet zooveel gevoel heeft als wel passen zou, waarachtig, voor de eer der verbintenis met hem. Dat isrond en duidelijk gesproken, zou ik hopen.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind dringend; „dat is onredelijk.”„Is het?” zeide Bounderby. „Ik ben blij u dat te hooren zeggen; want als Tom Gradgrind met zijn nieuw licht mij zegt, dat, wat ik zeg onredelijk is, ben ik terstond overtuigd, dat het duivelsch verstandig moet wezen. Met uw verlof zal ik nu voortgaan. Gij kent mijne afkomst; en gij weet, dat ik een goed getal jaren van mijn leven geene laarzentrekkers noodig had, omdat ik geene laarzen had en schoenen evenmin. En toch moogt gij het gelooven of niet, zooals het u goeddunkt, dat er dames zijn—geborene dames—die tot familiën behooren—familiën!—die den grond haast aanbidden, waarover ik ga.”Hij wierp dit gezegde als een vuurpijl zijn schoonvader naar het hoofd.„Terwijl uwe dochter,” vervolgde Bounderby, „lang geene geborene dame is—dat weet gij zelf wel. Niet dat ik het minste om zulke dingen geef, dat weet gij heel goed; maar het is zoo, en gij, Tom Gradgrind, kunt dat niet veranderen. Waarom zeg ik dit nu?”„Niet om mij te sparen, vrees ik,” merkte mijnheer Gradgrind zachtjes aan.„Hoor mij ten einde,” zeide Bounderby, „en neem mij het woord niet uit den mond eer gij weer aan de beurt komt. Ik zeg dit omdat vrouwen van voorname familie zich verbaasd hebben over de manier, waarop uwe dochter zich gedragen heeft, en verstomd hebben gestaan over hare gevoelloosheid. Zij hebben zich verwonderd hoe ik dat verdroeg; en ik zelf verwonder er mij nu over en wil het niet langer verdragen.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind, nu opstaande, „hoe minder wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik.”„Integendeel, Tom Gradgrind, hoe meer wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik. Dat is”—deze bedenking stuitte hem—„totdat ik alles gezegd heb wat ik op mijn hart heb, en dan kan het mij niet schelen hoe gauw wij ophouden. Ik kom tot eene vraag, die de zaak zal bekorten. Wat meent gij met het voorstel, dat gij zoo even gedaan hebt?”„Wat ik meen, Bounderby?”„Met dat logeer-voorstel,” zeide Bounderby, het hoofd in den nek werpende.„Ik voedde de hoop, dat gij u op eene vriendelijke manier zoudt laten bewegen om Louisa hier een tijd van rust en nadenken te vergunnen, die in vele opzichten tot eene trapsgewijze verandering en verbetering der omstandigheden zal kunnen strekken.”„Die de incompatibiliteit, zooals gij ze opvat, wat zal moeten verhelpen?” zeide Bounderby.„Als gij het zoo wilt uitdrukken.”„Wat heeft u daaraan doen denken?” zeide Bounderby.„Ik heb reeds gezegd, ik vrees dat Louisa niet begrepen is geworden. Is het te veel gevergd, Bounderby, dat gij, die zooveel ouder zijt, behulpzaam zoudt wezen tot eene poging om haar terecht te brengen. Gij hebt met haar eene groote verantwoordelijkheid op u genomen. Gij hebt haar genomenof zij mee- of tegenviel...”Misschien klonk deze herhaling der woorden, die hij Stephen Blackpool had toegevoegd, Bounderby onaangenaam in de ooren; hij viel er ten minste met eene beweging van schrik en gramschap op in:„Daarover behoeft mij niets gezegd te worden. Ik weet waarvoor ik haar genomen heb, evengoed als gij. Waarvoor ik haar genomen heb, gaat u niet aan, dat is mijne zaak.”„Ik wilde alleen maar aanmerken, Bounderby, dat wij mogelijk allen meer of minder verkeerd gedaan hebben, gij niet uitgezonderd; en dat eenige inschikkelijkheid van uw kant, als gij bedenkt welk eene verantwoordelijkheid gij aanvaard hebt, misschien niet alleen een bewijs van ware genegenheid zou zijn, maar mogelijk ook een plicht, dien gij Louisa verschuldigd zijt.”„Ik denk er anders over,” zeide Bounderby, op zijne winderigste manier; „en ik zal de zaak afdoen zooals ik ze begrijp. Ik wil er geene ruzie met u over maken, Tom Gradgrind. Om u de waarheid te zeggen, ik geloof niet dat het bij mijne reputatie zou passen, over zulk een geval ruzie te maken. Wat uw fatsoenlijken en voornamen vriend betreft, hij mag heenloopen waar hij maar wil. Als hij mij in den weg komt, zal ik hem zeggen hoe ik over hem denk; als hij mij niet in den weg komt, zal ik het niet doen, want dan zou het niet de moeite waard zijn. Wat uwe dochter aangaat, die ik tot Louisa Bounderby gemaakt heb, en misschien liever maar Louisa Gradgrind had moeten laten blijven, als zij morgenmiddag om twaalf uur niet thuis is, zal ik het er voor houden, dat zij liever wegblijft, en zal ik hare kleeren en andere dingen hier aan huis zenden, en dan kunt gij voortaan op haar passen. Wat ik de menschen over het algemeen zal zeggen over de incompatibiliteit, die mij haar zoo de wet heeft doen stellen, zal dit wezen: Ik ben Josiah Bounderby, en ik hebmijneopvoeding gehad; zij is de dochter van Tom Gradgrind, en zij heefthareopvoeding gehad; en die twee paarden willen niet samen trekken. Ik ben hier tamelijk wel bekend als een man, die buitengemeen is, geloof ik; en de meeste menschen zullen gauw genoeg begrijpen, dat eene vrouw ook eenigszins van eene buitengemeene soort moet wezen, om het mij op den duur naar mijn zin te maken.”„Laat ik u ernstig mogen verzoeken, Bounderby, om dit nog eens te overwegen,” zeidemijnheer Gradgrind, „eer gij tot zulk eene beslissing overgaat.”„Ik beslis altijd dadelijk,” antwoordde Bounderby, zijn hoed op het hoofd smijtende, „en wat ik doe, doe ik terstond. Het zou mij verwonderen, Tom Gradgrind zoo iets tegen Josiah Bounderby vanCoketownte hooren zeggen, daar ik toch weet, dat hij hem wel kent, als ik mij nog kon verwonderen over iets, dat Tom Gradgrind doet, nadat hij zich met sentimenteele lorrendraaierij begint op te houden. Ik heb u mijn besluit gemeld en heb niets meer te zeggen. Goedenavond!”Aldus ging Bounderby naar zijn huis in de stad en naar bed. Des anderen daags vijf minuten over twaalven gaf hij last om het goed van mevrouw Bounderby zorgvuldig op te pakken en naar Tom Gradgrind te zenden, adverteerde in de couranten dat zijn buitengoed uit de hand te koop was, en hervatte zijne levenswijs als vrijgezel.

XXXI.ZEER BESLISSEND.

De onvermoeibare mevrouw Sparsit, die nu eene geweldige verkoudheid in het hoofd had, zoodat zij niet harder dan fluisterend kon spreken, en haar onophoudelijk niezen hare deftige gestalte in gevaar scheen te brengen van in stukken uiteen te vallen, joeg haar patroon zoolang na, tot zij hem in de hoofdstad gevonden had; en daar trad zij hem toen in zijn logement inSt. James’ Streetmet dreigende statigheid onder de oogen, legde de lont aan de brandstof, waarmede zij geladen was, en liet hare mijn springen. Aldus hare taak met onbeschrijfelijke zelfvoldoening volbracht hebbende, liet de edelaardige vrouw haar hoofd op mijnheer Bounderby’s schouder zinken en viel in zwijm.Het eerste wat mijnheer Bounderby deed, was mevrouw Sparsit van zich af te schudden, en haar op den grond, zoo goed zij dit alleen kon, de verschillende trappen van een zenuwtoeval te laten doorgaan. Vervolgens begon hij eenige krachtige opwekkende middelen aan te wenden, wrong de lijderes de duimen open, sloeg haar in de handen, goot haar een overvloed van water in het gezicht en stak haar zout in den mond. Toen deze hulpmiddelen haar hadden doen bekomen (hetgeen zij trouwens spoedig deden), pakte hij haar, zonder haar eenige andere verkwikking aan te bieden, in eene koets en bracht haar met den eersten spoortrein, meer dood dan levend, naarCoketownterug.Op het eind harer reis bood mevrouw Sparsit, als eene klassieke ruïne beschouwd, een belangwekkend schouwspel aan; maar uit elk ander oogpunt bezien, was zij sterk beschadigd geworden en hare aanspraak op bewondering zeer verminderd. Zonder zich om de slijtage harer kleederen en van haar gestel te bekommeren, en zoo gevoelloos als een keisteen voor haar zielroerend niezen, pakte Bounderby haar terstond weder in eene koets en voerde haar verder naarStone Lodge.„Tom Gradgrind,” zeide Bounderby, laat in den avond de kamer van zijn schoonvader binnenstuivende, „hier is eene dame—mevrouw Sparsit—gij kent mevrouw Sparsit wel—die u iets te zeggen heeft, dat zal u doen verstomd staan.”„Gij hebt dan mijn brief niet ontvangen!” riep mijnheer Gradgrind uit, verrast door deze verschijning.„Een brief van u ontvangen!” grauwde Bounderby hem toe. „Het is nu geen tijd van brieven. Als Josiah Bounderby vanCoketownin zulk een humeur is als nu, moet niemand hem van brieven spreken.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind op een misnoegden maar gematigden toon, „ik spreek over een zeer gewichtigen brief, dien ik u geschreven heb en die Louisa betrof.”„Tom Gradgrind,” antwoordde Bounderby, verscheidene malen met de vlakke hand op de tafel slaande, „ik spreek van eene zeer gewichtige boodschap, die mij iemand van Louisa is komen brengen. Mevrouw Sparsit, spreek op, juffrouw!”De ongelukkige dame poogde nu hare getuigenis af te leggen, maar daar het haar geheel aan stem ontbrak, en hare keel van binnen rauw scheen te zijn, kon zij weinig anders doen dan pijnlijke gebaren maken en leelijke gezichten trekken, waarover Bounderby zoo driftig werd, dat hij niet kon nalaten haar bij den arm te vatten en te schudden.„Als gij het niet kunt uitbrengen, juffrouw,” zeide hij, „laat mij het dan uitbrengen. Het is nu geen tijd voor eene dame, al is zij van nog zoo voorname afkomst, om onverstaanbaar te fluisteren en te doen alsof zij knikkers slikte. Tom Gradgrind, mevrouw Sparsit heeft toevallig gelegenheid gehad om een gesprek in de opene lucht tusschen uwe dochter en uw kostbaren voornamen vriend, mijnheer James Harthouse, te beluisteren.”„Inderdaad!” zeide mijnheer Gradgrind.„Ja inderdaad,” beet Bounderby hem toe. „En in dat gesprek...”„Het is niet noodig mij den inhoud er van te zeggen, Bounderby. Ik weet wat er is voorgevallen.”„Doet ge?” zeide Bounderby, zijn zoo bijzonder stillen en zoetsappigen schoonvader met groote oogen aanstarende. „Misschien weet gij dan ook waar uwe dochter tegenwoordig is?”„Zonder twijfel. Zij is hier.”„Hier?”„Mijn beste Bounderby, laat ik u toch mogen bidden om die luidruchtige uitbarstingen te bedwingen. Louisa is hier. Zoodra zij zich van dat gesprek met den persoon, van wien gij spreekt, en wien het mij zeer spijt dat ik bij u geïntroduceerd heb, kon afmaken, is Louisa met allen spoed hierheen gekomen om bescherming te zoeken. Ik was zelf nog maar weinige uren thuis geweest, toen ik haar hier zag komen—hier in deze kamer. Zij was met den spoortrein naar de stad gekomen, door den woedenden storm van de stad hier naar huis geloopen, en toen zij hier kwam, was zij buiten zich zelve van ontsteltenis en angst. Natuurlijk is zij sedert hier gebleven. Laat ik u, om uw eigen en om harentwil, mogen bidden meer bedaard te zijn.”Mijnheer Bounderby zag eene poos naar alle kanten om zich heen, behalve naar den kant van mevrouw Sparsit, en zich toen eensklaps naar de nicht van Lady Scadgers keerende, zeide hij tot die rampzalige vrouw:„Nu, juffrouw, zullen wij gaarne hooren wat gij tot uwe verschooning moogt goedvinden te zeggen, dat gij zoo met de vaart van een koerier door het land vliegt, zonder andere bagage dan een zot vertelseltje.”„Mijnheer,” fluisterde mevrouw Sparsit, „mijne zenuwen zijn op het oogenblik al te zeer geschokt en mijne gezondheid heeft in uw dienst al te veel geleden, om mij toe te laten iets anders te doen dan mijne toevlucht tot tranen te nemen.”En dit deed zij ook.„Wel, juffrouw,” zeide Bounderby, „zonder u iets te zeggen wat men niet met voegzaamheid tegen eene vrouw van goede afkomst zou mogen zeggen, wil ik er alleen maar bijvoegen, dat er, naar het mij voorkomt, nog iets anders is, waarin gij toevlucht kunt nemen, namelijk in eene koets. En daar de koets, waarin gij gekomen zijt, nog voor de deur staat, zult gij mij wel vergunnen om u daarin te zetten en naar het kantoor te laten brengen; en daar gekomen, zult ge niet beter kunnen doen, dan uwe voeten in het heetste water te steken dat ge verdragen kunt, en als ge in het bed zijt een glas kokend heete rum met eene kluit boter er in te drinken.”Met deze woorden reikte Bounderby de schreiende dame zijne rechterhand toe, en bracht haar, onder een jammerlijk niezen, naar het bedoelde rijtuig. Spoedig kwam hij alleen terug.„Daar ik aan uw gezicht kan zien, Tom Gradgrind,” hervatte hij, „dat ge mij woudt spreken, ben ik hier teruggekomen. Maar ik ben in geen pleizierig humeur, dat zeg ik ronduit; want de zaak, zooals ze nu is, bevalt mij nog maar volstrekt niet, en ik vind niet, dat ik ooit door uwe dochter met zooveel gehoorzaamheid en onderdanigheid behandeld ben, als Josiah Bounderby vanCoketowndoor zijne vrouw behandeld moest worden. Gij hebt uwe eigene meeningen, kan ik wel denken; ik heb de mijne, dat weet ik. Als gij mij van avond iets zoudt willen zeggen, dat met deze oprechte verklaring in strijd is, zoudt ge beter doen het maar te zwijgen.”Daar Gradgrind, gelijk men zal hebben opgemerkt, veel zachter was dan gewoonlijk, gaf Bounderby zich bijzondere moeite om zich zooveel mogelijk te verharden. Dat lag zoo in zijn beminnelijk karakter.„Mijn lieve Bounderby,” begon mijnheer Gradgrind tot antwoord.„Neem mij niet kwalijk,” zeide Bounderby, „maar ik wil niet al te lief zijn. Dat om te beginnen. Als ik voor iemand lief begin te worden, vind ik doorgaans dat hij voornemens is mij te bedotten. Ik spreek niet beleefd tegen u; maar, gelijk ge wel weet, ik ben ook niet beleefd. Als ge veel van beleefdheid houdt, weet ge waar gij ze krijgen kunt. Gij hebt fatsoenlijke en voorname vrienden genoeg, en zij zullen u van dat artikel zooveel leveren als ge maar hebben wilt. Ik houd het er niet op na.”„Bounderby,” hervatte mijnheer Gradgrind dringend; „alle menschen kunnen dwalen.”„Ik dacht, dat gij het niet kondt,” viel Bounderby hem in de rede.„Misschien dacht ik ook zoo. Maar ik zeg nu, alle menschen kunnen dwalen; en ik zou gevoelig en dankbaar voor uwe kieschheid zijn, als gij mij die toespelingen op Harthouse woudt besparen. Ik zal in ons gesprek geene melding van hem maken, alsof ik hem voor uw vriend en vertrouwde hield, en ik verzoek u niet voort te gaan met te spreken alsof hij de mijne was.”„Ik heb zijn naam niet eens genoemd,” zeide Bounderby.„Goed, goed!” antwoordde mijnheer Gradgrind op een toon van geduld, zelfs van onderwerping, en bleef toen eene korte poos peinzen. „Bounderby, ik heb reden om er aan te twijfelen of wij Louisa wel ooit recht begrepen hebben.”„Wie meent ge met datwij?”„Laat mij dan ik zeggen,” antwoordde hij op die smalend uitgestootene vraag. „Ik twijfel er aan, of ik Louisa wel ooit begrepen heb.Ik twijfel er aan, of ik de rechte manier van opvoeding wel voor haar heb gekozen.”„Daar hebt gij het aan ’t rechte eind,” antwoordde Bounderby. „Dat geef ik u toe. Dat hebt gij nu eindelijk ontdekt, niet waar? Opvoeding!—Ik zal u eens zeggen wat opvoeding is—dat is, hals over kop de deur te worden uitgesmeten, en op kort rantsoen te worden gesteld van alles behalve klappen. Dat noem ik opvoeding.”„Ik geloof, dat uw gezond verstand wel zal zien,” bracht mijnheer Gradgrind met alle nederigheid hiertegen in, „dat, welke verdiensten zulk een stelsel ook hebben mag, het bij meisjes bezwaarlijk van algemeene toepassing zou kunnen zijn.”„Dat zie ik geheel niet in,” antwoordde de stijfkoppige Bounderby.„Wel,” hervatte mijnheer Gradgrind met een zucht, „wij zullen die vraag maar niet onderzoeken. Ik verzeker u, dat ik niet naar een woordenstrijd verlang. Ik zoek alleen maar te herstellen wat er bedorven is, als ik dat met mogelijkheid kan doen; en ik hoop, dat ge mij in dat goede voornemen zult bijstaan, Bounderby, want ik heb groote droefheid gehad.”„Ik versta u nog niet,” antwoordde Bounderby, met onverzettelijke koppigheid, „en daarom wil ik niets beloven.”„In weinige uren tijds, mijn beste Bounderby,” vervolgde mijnheer Gradgrind, op denzelfden treurigen en verzoenenden toon, „schijn ik beter met Louisa’s karakter bekend te zijn geworden dan in al de vorige jaren. Die inlichting is mij smartelijk opgedwongen, en de ontdekking is mijn bedrijf niet. Ik geloof, dat er—Bounderby, ge zult wel verwonderd zijn mij dit te hooren zeggen—ik geloof, dat er eigenschappen in Louisa schuilen, die—die op eene harde manier verwaarloosd zijn en—zóó eenigszins eene verkeerde richting hebben genomen. En—en ik wilde u doen opmerken, dat het—dat het, als gij mij vriendelijk helpen woudt in de nu nog tijdige proefneming om haar een tijdlang aan haar beteren geest over te laten—en dien door zachtheid en inschikkelijkheid aan te moedigen en te ontwikkelen—het—het voor ons aller geluk beter zou zijn. Louisa,” vervolgde hij, zijne hand voor zijn gezicht houdende, „is altijd mijn geliefkoosd kind geweest.”Bij het hooren dezer woorden werd de driftige Bounderby zoo rood en zwol zoo geweldig op, dat hij op het punt scheen, en waarschijnlijk ook was, om eene beroerte te krijgen. Maar hoewel zelfs zijne ooren eene donkere purperkleur aannamen, bedwong hij toch zijne verontwaardiging en zeide slechts:„Gij zoudt haar dan wel een tijdlang hier willen houden?”„Ik—ik had u willen aanraden, mijn beste Bounderby, dat ge Louisa zoudt vergunnen om hier wat te blijven logeeren en zich door Sissy te laten oppassen (ik meen natuurlijk Cecilia Jupe), die haar begrijpt en in wie zij vertrouwen stelt.”„Tom Gradgrind,” antwoordde Bounderby, met het hoofd in den nek en de handen in de zakken, „ik maak uit dit alles op, dat gij van meening zijt, dat er zoo iets is wat de menschen incompatibiliteit noemen tusschen Louisa Bounderby en mij.”„Ik vrees, dat er vooralsnog eene algemeene incompatibiliteit bestaat tusschen Louisa en—en bijna alle omstandigheden waarin ik haar geplaatst heb,” gaf de vader treurig ten antwoord.„Luister nu eens, Tom Gradgrind,” zeide de bloedroode Bounderby, zich vlak tegenover hem plaatsende, met de beenen wijd van elkander, de handen nog dieper in de zakken en een hoofd met haar, dat naar een hooiveld in een onstuimigen wind geleek. „Gij hebt uitgesproken, en nu zal ik spreken. Ik ben eenCoketowner. Ik ben Josiah Bounderby vanCoketown. Ik ken de steenen van de stad, ik ken de machines van de stad, ik ken de schoorsteenen van de stad, ik ken den rook van de stad, en ik ken de werklieden van de stad. Ik ken ze allen tamelijk wel. Zij zijn geene ingebeelde dingen, en als iemand mij van ingebeelde hoedanigheden vertelt, zeg ik dien man altijd, wie hij ook wezen mag, dat ik wel weet wat hij meent. Hij meent schildpadsoep en wildbraad, met een gouden lepel, en dat hij eene koets met zes paarden wil houden. Dat is het wat uwe dochter zou willen; en daar gij van meening zijt, dat zij zou moeten hebben wat zij wil, raad ik u het haar te bezorgen, want van mij zal zij het nooit krijgen, Tom Gradgrind.”„Bounderby,”antwoorddemijnheer Gradgrind, „ik had na mijn dringend verzoek gehoopt, dat gij een anderen toon zoudt hebben aangeslagen.”„Wacht nog eens even,” hervatte Bounderby; „ik heb u laten uitspreken, geloof ik. Hoor mij nu ook ten einde, als het u belieft. Maak u zelven niet tot een voorbeeld van onbillijkheid, zoowel als van inconsequentie, want hoewel het mij spijt, Tom Gradgrind zoo laag gezonken te zien als hij nu al is, zou het mij dubbel spijten hem zóó laag te zien dalen. Er is, geeft ge mij te verstaan, eene incompatibiliteit van eene of andere soort tusschen uwe dochter en mij. Ik zal u tot antwoord daarop te verstaan geven, dat er ontwijfelbaar eene incompatibiliteit van de eerste grootte bestaat, die met deze enkele woorden kan worden verklaard: dat uwe dochter de verdiensten van haar man niet behoorlijk kent, en niet zooveel gevoel heeft als wel passen zou, waarachtig, voor de eer der verbintenis met hem. Dat isrond en duidelijk gesproken, zou ik hopen.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind dringend; „dat is onredelijk.”„Is het?” zeide Bounderby. „Ik ben blij u dat te hooren zeggen; want als Tom Gradgrind met zijn nieuw licht mij zegt, dat, wat ik zeg onredelijk is, ben ik terstond overtuigd, dat het duivelsch verstandig moet wezen. Met uw verlof zal ik nu voortgaan. Gij kent mijne afkomst; en gij weet, dat ik een goed getal jaren van mijn leven geene laarzentrekkers noodig had, omdat ik geene laarzen had en schoenen evenmin. En toch moogt gij het gelooven of niet, zooals het u goeddunkt, dat er dames zijn—geborene dames—die tot familiën behooren—familiën!—die den grond haast aanbidden, waarover ik ga.”Hij wierp dit gezegde als een vuurpijl zijn schoonvader naar het hoofd.„Terwijl uwe dochter,” vervolgde Bounderby, „lang geene geborene dame is—dat weet gij zelf wel. Niet dat ik het minste om zulke dingen geef, dat weet gij heel goed; maar het is zoo, en gij, Tom Gradgrind, kunt dat niet veranderen. Waarom zeg ik dit nu?”„Niet om mij te sparen, vrees ik,” merkte mijnheer Gradgrind zachtjes aan.„Hoor mij ten einde,” zeide Bounderby, „en neem mij het woord niet uit den mond eer gij weer aan de beurt komt. Ik zeg dit omdat vrouwen van voorname familie zich verbaasd hebben over de manier, waarop uwe dochter zich gedragen heeft, en verstomd hebben gestaan over hare gevoelloosheid. Zij hebben zich verwonderd hoe ik dat verdroeg; en ik zelf verwonder er mij nu over en wil het niet langer verdragen.”„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind, nu opstaande, „hoe minder wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik.”„Integendeel, Tom Gradgrind, hoe meer wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik. Dat is”—deze bedenking stuitte hem—„totdat ik alles gezegd heb wat ik op mijn hart heb, en dan kan het mij niet schelen hoe gauw wij ophouden. Ik kom tot eene vraag, die de zaak zal bekorten. Wat meent gij met het voorstel, dat gij zoo even gedaan hebt?”„Wat ik meen, Bounderby?”„Met dat logeer-voorstel,” zeide Bounderby, het hoofd in den nek werpende.„Ik voedde de hoop, dat gij u op eene vriendelijke manier zoudt laten bewegen om Louisa hier een tijd van rust en nadenken te vergunnen, die in vele opzichten tot eene trapsgewijze verandering en verbetering der omstandigheden zal kunnen strekken.”„Die de incompatibiliteit, zooals gij ze opvat, wat zal moeten verhelpen?” zeide Bounderby.„Als gij het zoo wilt uitdrukken.”„Wat heeft u daaraan doen denken?” zeide Bounderby.„Ik heb reeds gezegd, ik vrees dat Louisa niet begrepen is geworden. Is het te veel gevergd, Bounderby, dat gij, die zooveel ouder zijt, behulpzaam zoudt wezen tot eene poging om haar terecht te brengen. Gij hebt met haar eene groote verantwoordelijkheid op u genomen. Gij hebt haar genomenof zij mee- of tegenviel...”Misschien klonk deze herhaling der woorden, die hij Stephen Blackpool had toegevoegd, Bounderby onaangenaam in de ooren; hij viel er ten minste met eene beweging van schrik en gramschap op in:„Daarover behoeft mij niets gezegd te worden. Ik weet waarvoor ik haar genomen heb, evengoed als gij. Waarvoor ik haar genomen heb, gaat u niet aan, dat is mijne zaak.”„Ik wilde alleen maar aanmerken, Bounderby, dat wij mogelijk allen meer of minder verkeerd gedaan hebben, gij niet uitgezonderd; en dat eenige inschikkelijkheid van uw kant, als gij bedenkt welk eene verantwoordelijkheid gij aanvaard hebt, misschien niet alleen een bewijs van ware genegenheid zou zijn, maar mogelijk ook een plicht, dien gij Louisa verschuldigd zijt.”„Ik denk er anders over,” zeide Bounderby, op zijne winderigste manier; „en ik zal de zaak afdoen zooals ik ze begrijp. Ik wil er geene ruzie met u over maken, Tom Gradgrind. Om u de waarheid te zeggen, ik geloof niet dat het bij mijne reputatie zou passen, over zulk een geval ruzie te maken. Wat uw fatsoenlijken en voornamen vriend betreft, hij mag heenloopen waar hij maar wil. Als hij mij in den weg komt, zal ik hem zeggen hoe ik over hem denk; als hij mij niet in den weg komt, zal ik het niet doen, want dan zou het niet de moeite waard zijn. Wat uwe dochter aangaat, die ik tot Louisa Bounderby gemaakt heb, en misschien liever maar Louisa Gradgrind had moeten laten blijven, als zij morgenmiddag om twaalf uur niet thuis is, zal ik het er voor houden, dat zij liever wegblijft, en zal ik hare kleeren en andere dingen hier aan huis zenden, en dan kunt gij voortaan op haar passen. Wat ik de menschen over het algemeen zal zeggen over de incompatibiliteit, die mij haar zoo de wet heeft doen stellen, zal dit wezen: Ik ben Josiah Bounderby, en ik hebmijneopvoeding gehad; zij is de dochter van Tom Gradgrind, en zij heefthareopvoeding gehad; en die twee paarden willen niet samen trekken. Ik ben hier tamelijk wel bekend als een man, die buitengemeen is, geloof ik; en de meeste menschen zullen gauw genoeg begrijpen, dat eene vrouw ook eenigszins van eene buitengemeene soort moet wezen, om het mij op den duur naar mijn zin te maken.”„Laat ik u ernstig mogen verzoeken, Bounderby, om dit nog eens te overwegen,” zeidemijnheer Gradgrind, „eer gij tot zulk eene beslissing overgaat.”„Ik beslis altijd dadelijk,” antwoordde Bounderby, zijn hoed op het hoofd smijtende, „en wat ik doe, doe ik terstond. Het zou mij verwonderen, Tom Gradgrind zoo iets tegen Josiah Bounderby vanCoketownte hooren zeggen, daar ik toch weet, dat hij hem wel kent, als ik mij nog kon verwonderen over iets, dat Tom Gradgrind doet, nadat hij zich met sentimenteele lorrendraaierij begint op te houden. Ik heb u mijn besluit gemeld en heb niets meer te zeggen. Goedenavond!”Aldus ging Bounderby naar zijn huis in de stad en naar bed. Des anderen daags vijf minuten over twaalven gaf hij last om het goed van mevrouw Bounderby zorgvuldig op te pakken en naar Tom Gradgrind te zenden, adverteerde in de couranten dat zijn buitengoed uit de hand te koop was, en hervatte zijne levenswijs als vrijgezel.

De onvermoeibare mevrouw Sparsit, die nu eene geweldige verkoudheid in het hoofd had, zoodat zij niet harder dan fluisterend kon spreken, en haar onophoudelijk niezen hare deftige gestalte in gevaar scheen te brengen van in stukken uiteen te vallen, joeg haar patroon zoolang na, tot zij hem in de hoofdstad gevonden had; en daar trad zij hem toen in zijn logement inSt. James’ Streetmet dreigende statigheid onder de oogen, legde de lont aan de brandstof, waarmede zij geladen was, en liet hare mijn springen. Aldus hare taak met onbeschrijfelijke zelfvoldoening volbracht hebbende, liet de edelaardige vrouw haar hoofd op mijnheer Bounderby’s schouder zinken en viel in zwijm.

Het eerste wat mijnheer Bounderby deed, was mevrouw Sparsit van zich af te schudden, en haar op den grond, zoo goed zij dit alleen kon, de verschillende trappen van een zenuwtoeval te laten doorgaan. Vervolgens begon hij eenige krachtige opwekkende middelen aan te wenden, wrong de lijderes de duimen open, sloeg haar in de handen, goot haar een overvloed van water in het gezicht en stak haar zout in den mond. Toen deze hulpmiddelen haar hadden doen bekomen (hetgeen zij trouwens spoedig deden), pakte hij haar, zonder haar eenige andere verkwikking aan te bieden, in eene koets en bracht haar met den eersten spoortrein, meer dood dan levend, naarCoketownterug.

Op het eind harer reis bood mevrouw Sparsit, als eene klassieke ruïne beschouwd, een belangwekkend schouwspel aan; maar uit elk ander oogpunt bezien, was zij sterk beschadigd geworden en hare aanspraak op bewondering zeer verminderd. Zonder zich om de slijtage harer kleederen en van haar gestel te bekommeren, en zoo gevoelloos als een keisteen voor haar zielroerend niezen, pakte Bounderby haar terstond weder in eene koets en voerde haar verder naarStone Lodge.

„Tom Gradgrind,” zeide Bounderby, laat in den avond de kamer van zijn schoonvader binnenstuivende, „hier is eene dame—mevrouw Sparsit—gij kent mevrouw Sparsit wel—die u iets te zeggen heeft, dat zal u doen verstomd staan.”

„Gij hebt dan mijn brief niet ontvangen!” riep mijnheer Gradgrind uit, verrast door deze verschijning.

„Een brief van u ontvangen!” grauwde Bounderby hem toe. „Het is nu geen tijd van brieven. Als Josiah Bounderby vanCoketownin zulk een humeur is als nu, moet niemand hem van brieven spreken.”

„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind op een misnoegden maar gematigden toon, „ik spreek over een zeer gewichtigen brief, dien ik u geschreven heb en die Louisa betrof.”

„Tom Gradgrind,” antwoordde Bounderby, verscheidene malen met de vlakke hand op de tafel slaande, „ik spreek van eene zeer gewichtige boodschap, die mij iemand van Louisa is komen brengen. Mevrouw Sparsit, spreek op, juffrouw!”

De ongelukkige dame poogde nu hare getuigenis af te leggen, maar daar het haar geheel aan stem ontbrak, en hare keel van binnen rauw scheen te zijn, kon zij weinig anders doen dan pijnlijke gebaren maken en leelijke gezichten trekken, waarover Bounderby zoo driftig werd, dat hij niet kon nalaten haar bij den arm te vatten en te schudden.

„Als gij het niet kunt uitbrengen, juffrouw,” zeide hij, „laat mij het dan uitbrengen. Het is nu geen tijd voor eene dame, al is zij van nog zoo voorname afkomst, om onverstaanbaar te fluisteren en te doen alsof zij knikkers slikte. Tom Gradgrind, mevrouw Sparsit heeft toevallig gelegenheid gehad om een gesprek in de opene lucht tusschen uwe dochter en uw kostbaren voornamen vriend, mijnheer James Harthouse, te beluisteren.”

„Inderdaad!” zeide mijnheer Gradgrind.

„Ja inderdaad,” beet Bounderby hem toe. „En in dat gesprek...”

„Het is niet noodig mij den inhoud er van te zeggen, Bounderby. Ik weet wat er is voorgevallen.”

„Doet ge?” zeide Bounderby, zijn zoo bijzonder stillen en zoetsappigen schoonvader met groote oogen aanstarende. „Misschien weet gij dan ook waar uwe dochter tegenwoordig is?”

„Zonder twijfel. Zij is hier.”

„Hier?”

„Mijn beste Bounderby, laat ik u toch mogen bidden om die luidruchtige uitbarstingen te bedwingen. Louisa is hier. Zoodra zij zich van dat gesprek met den persoon, van wien gij spreekt, en wien het mij zeer spijt dat ik bij u geïntroduceerd heb, kon afmaken, is Louisa met allen spoed hierheen gekomen om bescherming te zoeken. Ik was zelf nog maar weinige uren thuis geweest, toen ik haar hier zag komen—hier in deze kamer. Zij was met den spoortrein naar de stad gekomen, door den woedenden storm van de stad hier naar huis geloopen, en toen zij hier kwam, was zij buiten zich zelve van ontsteltenis en angst. Natuurlijk is zij sedert hier gebleven. Laat ik u, om uw eigen en om harentwil, mogen bidden meer bedaard te zijn.”

Mijnheer Bounderby zag eene poos naar alle kanten om zich heen, behalve naar den kant van mevrouw Sparsit, en zich toen eensklaps naar de nicht van Lady Scadgers keerende, zeide hij tot die rampzalige vrouw:

„Nu, juffrouw, zullen wij gaarne hooren wat gij tot uwe verschooning moogt goedvinden te zeggen, dat gij zoo met de vaart van een koerier door het land vliegt, zonder andere bagage dan een zot vertelseltje.”

„Mijnheer,” fluisterde mevrouw Sparsit, „mijne zenuwen zijn op het oogenblik al te zeer geschokt en mijne gezondheid heeft in uw dienst al te veel geleden, om mij toe te laten iets anders te doen dan mijne toevlucht tot tranen te nemen.”

En dit deed zij ook.

„Wel, juffrouw,” zeide Bounderby, „zonder u iets te zeggen wat men niet met voegzaamheid tegen eene vrouw van goede afkomst zou mogen zeggen, wil ik er alleen maar bijvoegen, dat er, naar het mij voorkomt, nog iets anders is, waarin gij toevlucht kunt nemen, namelijk in eene koets. En daar de koets, waarin gij gekomen zijt, nog voor de deur staat, zult gij mij wel vergunnen om u daarin te zetten en naar het kantoor te laten brengen; en daar gekomen, zult ge niet beter kunnen doen, dan uwe voeten in het heetste water te steken dat ge verdragen kunt, en als ge in het bed zijt een glas kokend heete rum met eene kluit boter er in te drinken.”

Met deze woorden reikte Bounderby de schreiende dame zijne rechterhand toe, en bracht haar, onder een jammerlijk niezen, naar het bedoelde rijtuig. Spoedig kwam hij alleen terug.

„Daar ik aan uw gezicht kan zien, Tom Gradgrind,” hervatte hij, „dat ge mij woudt spreken, ben ik hier teruggekomen. Maar ik ben in geen pleizierig humeur, dat zeg ik ronduit; want de zaak, zooals ze nu is, bevalt mij nog maar volstrekt niet, en ik vind niet, dat ik ooit door uwe dochter met zooveel gehoorzaamheid en onderdanigheid behandeld ben, als Josiah Bounderby vanCoketowndoor zijne vrouw behandeld moest worden. Gij hebt uwe eigene meeningen, kan ik wel denken; ik heb de mijne, dat weet ik. Als gij mij van avond iets zoudt willen zeggen, dat met deze oprechte verklaring in strijd is, zoudt ge beter doen het maar te zwijgen.”

Daar Gradgrind, gelijk men zal hebben opgemerkt, veel zachter was dan gewoonlijk, gaf Bounderby zich bijzondere moeite om zich zooveel mogelijk te verharden. Dat lag zoo in zijn beminnelijk karakter.

„Mijn lieve Bounderby,” begon mijnheer Gradgrind tot antwoord.

„Neem mij niet kwalijk,” zeide Bounderby, „maar ik wil niet al te lief zijn. Dat om te beginnen. Als ik voor iemand lief begin te worden, vind ik doorgaans dat hij voornemens is mij te bedotten. Ik spreek niet beleefd tegen u; maar, gelijk ge wel weet, ik ben ook niet beleefd. Als ge veel van beleefdheid houdt, weet ge waar gij ze krijgen kunt. Gij hebt fatsoenlijke en voorname vrienden genoeg, en zij zullen u van dat artikel zooveel leveren als ge maar hebben wilt. Ik houd het er niet op na.”

„Bounderby,” hervatte mijnheer Gradgrind dringend; „alle menschen kunnen dwalen.”

„Ik dacht, dat gij het niet kondt,” viel Bounderby hem in de rede.

„Misschien dacht ik ook zoo. Maar ik zeg nu, alle menschen kunnen dwalen; en ik zou gevoelig en dankbaar voor uwe kieschheid zijn, als gij mij die toespelingen op Harthouse woudt besparen. Ik zal in ons gesprek geene melding van hem maken, alsof ik hem voor uw vriend en vertrouwde hield, en ik verzoek u niet voort te gaan met te spreken alsof hij de mijne was.”

„Ik heb zijn naam niet eens genoemd,” zeide Bounderby.

„Goed, goed!” antwoordde mijnheer Gradgrind op een toon van geduld, zelfs van onderwerping, en bleef toen eene korte poos peinzen. „Bounderby, ik heb reden om er aan te twijfelen of wij Louisa wel ooit recht begrepen hebben.”

„Wie meent ge met datwij?”

„Laat mij dan ik zeggen,” antwoordde hij op die smalend uitgestootene vraag. „Ik twijfel er aan, of ik Louisa wel ooit begrepen heb.Ik twijfel er aan, of ik de rechte manier van opvoeding wel voor haar heb gekozen.”

„Daar hebt gij het aan ’t rechte eind,” antwoordde Bounderby. „Dat geef ik u toe. Dat hebt gij nu eindelijk ontdekt, niet waar? Opvoeding!—Ik zal u eens zeggen wat opvoeding is—dat is, hals over kop de deur te worden uitgesmeten, en op kort rantsoen te worden gesteld van alles behalve klappen. Dat noem ik opvoeding.”

„Ik geloof, dat uw gezond verstand wel zal zien,” bracht mijnheer Gradgrind met alle nederigheid hiertegen in, „dat, welke verdiensten zulk een stelsel ook hebben mag, het bij meisjes bezwaarlijk van algemeene toepassing zou kunnen zijn.”

„Dat zie ik geheel niet in,” antwoordde de stijfkoppige Bounderby.

„Wel,” hervatte mijnheer Gradgrind met een zucht, „wij zullen die vraag maar niet onderzoeken. Ik verzeker u, dat ik niet naar een woordenstrijd verlang. Ik zoek alleen maar te herstellen wat er bedorven is, als ik dat met mogelijkheid kan doen; en ik hoop, dat ge mij in dat goede voornemen zult bijstaan, Bounderby, want ik heb groote droefheid gehad.”

„Ik versta u nog niet,” antwoordde Bounderby, met onverzettelijke koppigheid, „en daarom wil ik niets beloven.”

„In weinige uren tijds, mijn beste Bounderby,” vervolgde mijnheer Gradgrind, op denzelfden treurigen en verzoenenden toon, „schijn ik beter met Louisa’s karakter bekend te zijn geworden dan in al de vorige jaren. Die inlichting is mij smartelijk opgedwongen, en de ontdekking is mijn bedrijf niet. Ik geloof, dat er—Bounderby, ge zult wel verwonderd zijn mij dit te hooren zeggen—ik geloof, dat er eigenschappen in Louisa schuilen, die—die op eene harde manier verwaarloosd zijn en—zóó eenigszins eene verkeerde richting hebben genomen. En—en ik wilde u doen opmerken, dat het—dat het, als gij mij vriendelijk helpen woudt in de nu nog tijdige proefneming om haar een tijdlang aan haar beteren geest over te laten—en dien door zachtheid en inschikkelijkheid aan te moedigen en te ontwikkelen—het—het voor ons aller geluk beter zou zijn. Louisa,” vervolgde hij, zijne hand voor zijn gezicht houdende, „is altijd mijn geliefkoosd kind geweest.”

Bij het hooren dezer woorden werd de driftige Bounderby zoo rood en zwol zoo geweldig op, dat hij op het punt scheen, en waarschijnlijk ook was, om eene beroerte te krijgen. Maar hoewel zelfs zijne ooren eene donkere purperkleur aannamen, bedwong hij toch zijne verontwaardiging en zeide slechts:

„Gij zoudt haar dan wel een tijdlang hier willen houden?”

„Ik—ik had u willen aanraden, mijn beste Bounderby, dat ge Louisa zoudt vergunnen om hier wat te blijven logeeren en zich door Sissy te laten oppassen (ik meen natuurlijk Cecilia Jupe), die haar begrijpt en in wie zij vertrouwen stelt.”

„Tom Gradgrind,” antwoordde Bounderby, met het hoofd in den nek en de handen in de zakken, „ik maak uit dit alles op, dat gij van meening zijt, dat er zoo iets is wat de menschen incompatibiliteit noemen tusschen Louisa Bounderby en mij.”

„Ik vrees, dat er vooralsnog eene algemeene incompatibiliteit bestaat tusschen Louisa en—en bijna alle omstandigheden waarin ik haar geplaatst heb,” gaf de vader treurig ten antwoord.

„Luister nu eens, Tom Gradgrind,” zeide de bloedroode Bounderby, zich vlak tegenover hem plaatsende, met de beenen wijd van elkander, de handen nog dieper in de zakken en een hoofd met haar, dat naar een hooiveld in een onstuimigen wind geleek. „Gij hebt uitgesproken, en nu zal ik spreken. Ik ben eenCoketowner. Ik ben Josiah Bounderby vanCoketown. Ik ken de steenen van de stad, ik ken de machines van de stad, ik ken de schoorsteenen van de stad, ik ken den rook van de stad, en ik ken de werklieden van de stad. Ik ken ze allen tamelijk wel. Zij zijn geene ingebeelde dingen, en als iemand mij van ingebeelde hoedanigheden vertelt, zeg ik dien man altijd, wie hij ook wezen mag, dat ik wel weet wat hij meent. Hij meent schildpadsoep en wildbraad, met een gouden lepel, en dat hij eene koets met zes paarden wil houden. Dat is het wat uwe dochter zou willen; en daar gij van meening zijt, dat zij zou moeten hebben wat zij wil, raad ik u het haar te bezorgen, want van mij zal zij het nooit krijgen, Tom Gradgrind.”

„Bounderby,”antwoorddemijnheer Gradgrind, „ik had na mijn dringend verzoek gehoopt, dat gij een anderen toon zoudt hebben aangeslagen.”

„Wacht nog eens even,” hervatte Bounderby; „ik heb u laten uitspreken, geloof ik. Hoor mij nu ook ten einde, als het u belieft. Maak u zelven niet tot een voorbeeld van onbillijkheid, zoowel als van inconsequentie, want hoewel het mij spijt, Tom Gradgrind zoo laag gezonken te zien als hij nu al is, zou het mij dubbel spijten hem zóó laag te zien dalen. Er is, geeft ge mij te verstaan, eene incompatibiliteit van eene of andere soort tusschen uwe dochter en mij. Ik zal u tot antwoord daarop te verstaan geven, dat er ontwijfelbaar eene incompatibiliteit van de eerste grootte bestaat, die met deze enkele woorden kan worden verklaard: dat uwe dochter de verdiensten van haar man niet behoorlijk kent, en niet zooveel gevoel heeft als wel passen zou, waarachtig, voor de eer der verbintenis met hem. Dat isrond en duidelijk gesproken, zou ik hopen.”

„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind dringend; „dat is onredelijk.”

„Is het?” zeide Bounderby. „Ik ben blij u dat te hooren zeggen; want als Tom Gradgrind met zijn nieuw licht mij zegt, dat, wat ik zeg onredelijk is, ben ik terstond overtuigd, dat het duivelsch verstandig moet wezen. Met uw verlof zal ik nu voortgaan. Gij kent mijne afkomst; en gij weet, dat ik een goed getal jaren van mijn leven geene laarzentrekkers noodig had, omdat ik geene laarzen had en schoenen evenmin. En toch moogt gij het gelooven of niet, zooals het u goeddunkt, dat er dames zijn—geborene dames—die tot familiën behooren—familiën!—die den grond haast aanbidden, waarover ik ga.”

Hij wierp dit gezegde als een vuurpijl zijn schoonvader naar het hoofd.

„Terwijl uwe dochter,” vervolgde Bounderby, „lang geene geborene dame is—dat weet gij zelf wel. Niet dat ik het minste om zulke dingen geef, dat weet gij heel goed; maar het is zoo, en gij, Tom Gradgrind, kunt dat niet veranderen. Waarom zeg ik dit nu?”

„Niet om mij te sparen, vrees ik,” merkte mijnheer Gradgrind zachtjes aan.

„Hoor mij ten einde,” zeide Bounderby, „en neem mij het woord niet uit den mond eer gij weer aan de beurt komt. Ik zeg dit omdat vrouwen van voorname familie zich verbaasd hebben over de manier, waarop uwe dochter zich gedragen heeft, en verstomd hebben gestaan over hare gevoelloosheid. Zij hebben zich verwonderd hoe ik dat verdroeg; en ik zelf verwonder er mij nu over en wil het niet langer verdragen.”

„Bounderby,” zeide mijnheer Gradgrind, nu opstaande, „hoe minder wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik.”

„Integendeel, Tom Gradgrind, hoe meer wij van avond zeggen, des te beter, geloof ik. Dat is”—deze bedenking stuitte hem—„totdat ik alles gezegd heb wat ik op mijn hart heb, en dan kan het mij niet schelen hoe gauw wij ophouden. Ik kom tot eene vraag, die de zaak zal bekorten. Wat meent gij met het voorstel, dat gij zoo even gedaan hebt?”

„Wat ik meen, Bounderby?”

„Met dat logeer-voorstel,” zeide Bounderby, het hoofd in den nek werpende.

„Ik voedde de hoop, dat gij u op eene vriendelijke manier zoudt laten bewegen om Louisa hier een tijd van rust en nadenken te vergunnen, die in vele opzichten tot eene trapsgewijze verandering en verbetering der omstandigheden zal kunnen strekken.”

„Die de incompatibiliteit, zooals gij ze opvat, wat zal moeten verhelpen?” zeide Bounderby.

„Als gij het zoo wilt uitdrukken.”

„Wat heeft u daaraan doen denken?” zeide Bounderby.

„Ik heb reeds gezegd, ik vrees dat Louisa niet begrepen is geworden. Is het te veel gevergd, Bounderby, dat gij, die zooveel ouder zijt, behulpzaam zoudt wezen tot eene poging om haar terecht te brengen. Gij hebt met haar eene groote verantwoordelijkheid op u genomen. Gij hebt haar genomenof zij mee- of tegenviel...”

Misschien klonk deze herhaling der woorden, die hij Stephen Blackpool had toegevoegd, Bounderby onaangenaam in de ooren; hij viel er ten minste met eene beweging van schrik en gramschap op in:

„Daarover behoeft mij niets gezegd te worden. Ik weet waarvoor ik haar genomen heb, evengoed als gij. Waarvoor ik haar genomen heb, gaat u niet aan, dat is mijne zaak.”

„Ik wilde alleen maar aanmerken, Bounderby, dat wij mogelijk allen meer of minder verkeerd gedaan hebben, gij niet uitgezonderd; en dat eenige inschikkelijkheid van uw kant, als gij bedenkt welk eene verantwoordelijkheid gij aanvaard hebt, misschien niet alleen een bewijs van ware genegenheid zou zijn, maar mogelijk ook een plicht, dien gij Louisa verschuldigd zijt.”

„Ik denk er anders over,” zeide Bounderby, op zijne winderigste manier; „en ik zal de zaak afdoen zooals ik ze begrijp. Ik wil er geene ruzie met u over maken, Tom Gradgrind. Om u de waarheid te zeggen, ik geloof niet dat het bij mijne reputatie zou passen, over zulk een geval ruzie te maken. Wat uw fatsoenlijken en voornamen vriend betreft, hij mag heenloopen waar hij maar wil. Als hij mij in den weg komt, zal ik hem zeggen hoe ik over hem denk; als hij mij niet in den weg komt, zal ik het niet doen, want dan zou het niet de moeite waard zijn. Wat uwe dochter aangaat, die ik tot Louisa Bounderby gemaakt heb, en misschien liever maar Louisa Gradgrind had moeten laten blijven, als zij morgenmiddag om twaalf uur niet thuis is, zal ik het er voor houden, dat zij liever wegblijft, en zal ik hare kleeren en andere dingen hier aan huis zenden, en dan kunt gij voortaan op haar passen. Wat ik de menschen over het algemeen zal zeggen over de incompatibiliteit, die mij haar zoo de wet heeft doen stellen, zal dit wezen: Ik ben Josiah Bounderby, en ik hebmijneopvoeding gehad; zij is de dochter van Tom Gradgrind, en zij heefthareopvoeding gehad; en die twee paarden willen niet samen trekken. Ik ben hier tamelijk wel bekend als een man, die buitengemeen is, geloof ik; en de meeste menschen zullen gauw genoeg begrijpen, dat eene vrouw ook eenigszins van eene buitengemeene soort moet wezen, om het mij op den duur naar mijn zin te maken.”

„Laat ik u ernstig mogen verzoeken, Bounderby, om dit nog eens te overwegen,” zeidemijnheer Gradgrind, „eer gij tot zulk eene beslissing overgaat.”

„Ik beslis altijd dadelijk,” antwoordde Bounderby, zijn hoed op het hoofd smijtende, „en wat ik doe, doe ik terstond. Het zou mij verwonderen, Tom Gradgrind zoo iets tegen Josiah Bounderby vanCoketownte hooren zeggen, daar ik toch weet, dat hij hem wel kent, als ik mij nog kon verwonderen over iets, dat Tom Gradgrind doet, nadat hij zich met sentimenteele lorrendraaierij begint op te houden. Ik heb u mijn besluit gemeld en heb niets meer te zeggen. Goedenavond!”

Aldus ging Bounderby naar zijn huis in de stad en naar bed. Des anderen daags vijf minuten over twaalven gaf hij last om het goed van mevrouw Bounderby zorgvuldig op te pakken en naar Tom Gradgrind te zenden, adverteerde in de couranten dat zijn buitengoed uit de hand te koop was, en hervatte zijne levenswijs als vrijgezel.


Back to IndexNext