XXXII.

XXXII.VERLOREN.De zaak van den diefstal in het kantoor was intusschen niet uit het oog verloren en hield ook nu niet op eene eerste plaats in de aandacht van den voornaamsten deelhebber aan dat etablissement te beslaan. Om als een uitstekend man, die zich zelven tot een man gemaakt had, als een commercieel wonder, meer bewonderenswaardig dan Venus, daar hij uit het slijk in plaats van uit de zee was opgerezen, een brallend bewijs van zijne voortvarendheid en werkzaamheid te geven, wilde hij toonen hoe weinig zijne huiselijke aangelegenheden zijn ijver voor zijne beroepszaken konden verzwakken. In de eerste weken na de scheiding van zijne vrouw was hij dus nog woeliger, luidruchtiger en ongeduldiger dan gewoonlijk, en dagelijks maakte hij zooveel beweging over het onderzoek naar den diefstal, dat de politiebeambten, wien hij de zaak in handen had gegeven, bijna wenschten, dat zij maar nooit gepleegd was.Bovendien waren zij geheel van het spoor en wisten niet wat te doen. Hoewel zij zich sedert lang zoo stil hadden gehouden, dat de meeste menschen dachten dat zij de zaak als hopeloos hadden laten varen, was er niets nieuws voorgevallen. Niemand, die in het geval betrokken was, vatte ontijdig moed tot een stap, waardoor hij zich zelven verried, en wat nog opmerkelijker was, men kon niets van Stephen Blackpool vernemen, en de geheimzinnige oude vrouw bleef een raadsel.Nu de zaken zoover waren gekomen en het scheen, dat men op deze manier niet verder zou vorderen, kwam Bounderby tot het besluit om een stouten maatregel te wagen. Hij liet een aanplakbiljet drukken, om eene belooning van twintig pond uit te loven voor den aanbrenger van Stephen Blackpool, verdacht van medeplichtigheid aan den diefstal, die in het kantoor was gepleegd. Hij beschreef den genoemden Stephen Blackpool—zijne kleeding, kleur, lengte (naar gissing) en voorkomen—zoo nauwkeurig mogelijk, vermeldde wanneer hij de stad had verlaten en waar men hem het laatst had gezien en liet het reusachtige, met groote zwarte letters bedrukte blad in het holle van den nacht overal aanplakken, zoodat het de geheele bevolking op eens onder de oogen moest komen en met verbazing vervullen.De werkklokken der fabrieken moesten dien ochtend veel harder luiden dan anders, om de groepen werklieden te verstrooien, die bij deze plakkaten bleven staan en ze met gretige oogen verslonden. Niet de minst gretigen van die vergaderde oogen waren de oogen van hen, die niet konden lezen. Terwijl deze lieden naar de vriendschappelijke stem luisterden, die hardop voorlas—en zulk eene hulp was overal gereed—staarden zij de letters, die zooveel te beduiden hadden, met zekere vreesachtige verwondering en eerbied aan, die bijna comisch zouden zijn geweest, indien eenig blijk van zulke algemeene onkunde ooit anders dan dreigend en onheilspellend kon wezen. Uren later, onder het draaien van spillen, het kletteren van weefgetouwen en het snorren van raderen, hadden zij die plakkaten nog voor de oogen en klonken de woorden hun nog in de ooren; en toen de arbeiders des middags naar huis gingen, waren er wederom evenveel lezers als in den ochtend.Slackbridge, de afgevaardigde, moest dien avond in eene vergadering het woord voeren, en verschafte zich bij den drukker een overgeschoten biljet, dat hij in zijn zak medebracht. O, mijne vrienden en landgenooten, in het stof vertredene werklieden vanCoketown, o mijne medebroeders, medearbeiders, medeburgers en medemenschen, welke oogen zette men op, toen Slackbridge dat „doemvonnis”, gelijk hij het noemde, openvouwde, en ter verfoeiing der vergadering omhoog hield.„O, mijne medemenschen, ziet waartoe een verrader in het leger dier edele geesten, die hunne namen op de heilige rol der vereeniging hebben laten inschrijven, in staat is! O, mijne bejammerenswaardige vrienden, die het knellend juk van dwingelanden op den hals voelt, die door den ijzeren voet der tirannie in het stof der aarde wordt vertreden, waarin uwe onderdrukkers u gaarne al de dagen van uw leven op den buik zien kruipen gelijk de slang in den hof—o mijne broeders, en zal ik als een man ook niet zeggen, o mijne zusters,wat zegt gij nu van Stephen Blackpool, een weinig rond van schouders en ongeveer vijf voet zeven duim lang, gelijk in dit vernederende, dit walgelijke, dit schandvlekkende, dit verfoeielijke papier te lezen staat; en met welk eene majesteit van ontwaardiging zult gij de adder verpletteren, die zulk eene schande zou willen brengen over het naar Gods beeld geschapene geslacht, dat hem gelukkig voor eeuwig heeft uitgebannen! Ja, mijne lotgenooten, gelukkig hebt gij hem van u afgezonderd en uitgebannen! Want gij herinnert u wel, hoe hij hier op dit spreekgestoelte voor u stond; gij herinnert u, hoe ik hem toen, van aangezicht tot aangezicht en voet voor voet, door al zijne ingewikkelde kronkelpaden volgde; gij herinnert u, hoe hij zich wond en wrong, hoe hij woordenziftteen haarkloofde, tot hij geen duim breed gronds meer had om zich aan vast te klampen, en ik hem uitdreef van onder ons, als een voorwerp van eeuwigdurenden smaad, van wrekend verdelgende, zengende en brandende verfoeiing voor ieder vrij gemoed en elken denkenden geest! En nu, mijne vrienden—mijne arbeidende vrienden—want ik verheug en beroem mij in dien scheldnaam van werkman—mijne vrienden, wier hard, maar eerlijk bed door noesten arbeid wordt gespreid, wier schrale, maar vrije pot in diepen druk wordt gekookt; en nu, zeg ik, mijne vrienden, welken naam heeft die lafhartige verrader zich zelven gegeven, nu hij, met het masker van het aangezicht gerukt, in al zijne aangeborene wanstaltigheid voor ons staat—wat is hij nu? Een dief! Een roover! Vogelvrij verklaarde vluchteling, op wiens hoofd een prijs gezet is; een vuile kanker voor den edelen naam der werklieden vanCoketown! Daarom, mijn kring van broederen in een heilig verbond, waaronder uwe kinderen en uwe nog ongeborene kindskinderen reeds hand en zegel hebben gezet, doe ik u, uit last van het vereenigd gemeenschappelijk Tribunaal, altijd waakzaam en ijverig voor uw welzijn, het voorstel, dat deze vergadering zal besluiten: Dat, dewijl de wever Stephen Blackpool, in dit plakkaat bedoeld, alreeds door de vereeniging der fabriekarbeiders vanCoketownplechtig is uitgebannen, deze arbeiders vrij zijn van de schande zijner wanbedrijven en hunne klasse de schuld niet kan dragen van zijne oneerlijke handelingen.”Slackbridge zweeg nu, nadat hij zich buiten adem en in het zweet had geschreeuwd. Eenige weinige ernstige stemmen riepen: „Neen!” en toen een man zeide: „Slackbridge, ge zijt al te overijld daarin; ge haast u veel te veel!” riepen eenige anderen goedkeurend: „Hoor, hoor!” Maar dit waren slechts enkelen tegen een geheel leger; de vergadering bleekdewoorden van Slackbridge algemeen voor een evangelie te houden, en beantwoordde hem met een driewerf herhaald gejuich, hetwelk hij met hijgend welgevallen aanhoorde.Deze lieden waren nog op straat en gingen stil naar huis, toen Sissy, die eenige minuten vroeger van Louisa was weggeroepen, weder bij haar kwam.„Wie is er?” vroeg Louisa.„Het is mijnheer Bounderby,” antwoordde Sissy, beschroomd om dien naam uit te spreken,„en mijnheer Tom, en eene jonge vrouw, die zegt dat zij Rachel heet, en dat gij haar kent.”„Wat willen ze hebben, lieve Sissy?”„Zij willen u spreken; Rachel heeft geschreid en schijnt boos te zijn.”„Vader,” zeide Louisa, want hij was in de kamer, „ik kan niet weigeren hen te zien, om eene reden die ik zelf verklaren zal. Mogen zij hier binnenkomen?”Toen hij toestemmend antwoordde, ging Sissy hen halen en kwam terstond met hen terug. Tom was de laatste en bleef in het donkerste gedeelte van het vertrek, vlak bij de deur staan.„Mevrouw Bounderby,” zeide haar echtgenoot, met een koel knikje binnenkomende, „ik stoor u niet, hoop ik. Het is een onbehoorlijk uur, maar hier is eene jonge vrouw, die verklaringen heeft gedaan, welke mijn bezoek noodzakelijk maken. Tom Gradgrind, daar uw zoon, de jonge Tom, om eene of andere reden hardnekkig weigert om iets hoegenaamd, goed of kwaad, over die verklaringen te zeggen, ben ik genoodzaakt haar met uw dochter te confronteeren.”„Gij hebt mij vroeger nog eens gezien, mevrouw,” zeide Rachel, zich vlak voor Louisa plaatsende.Tom kuchte.„Gij hebt mij vroeger nog eens gezien,” herhaalde Rachel, toen Louisa geen antwoord gaf.Tom kuchte nog eens.„Ja, dat heb ik,” zeide Louisa nu.Rachel sloeg met fierheid hare oogen naar Bounderby op en zeide toen: „Wilt gij nu ook bekend maken, mevrouw, waar dat was en wie daar waren?”„Ik ging naar het huis, waar Stephen Blackpool op een bovenkamer woonde, op den avond toen hij was afgedankt, en zag u daar. Hij was daar ook; en eene oude vrouw, die niet sprak, en die ik ternauwernood kon zien, stond in een hoek. Mijn broeder was bij mij.”„Waarom kondt gij dat niet zeggen, Tom?” vroeg Bounderby.„Ik had mijne zuster beloofd, dat ik het niet zou doen.” En toen Louisa dit haastig bevestigd had, vervolgde de hondsvot met bitterheid: „En bovendien, als zij hare eigene historie zoo goed—en zoo volledig—vertelt, wat had ik haar die dan uit den mond te nemen?”„Zeg nu, mevrouw, als het u belieft,” hervatte Rachel, „waarom gij tot zijn ongeluk dien avond bij Stephen zijt gekomen?”„Ik had medelijden met hem,” antwoordde Louisa met verhoogde kleur, „en ik wenschte te weten wat hij zou gaan doen en hem mijne hulp aan te bieden.”„Dank je wel, mevrouw,” viel Bounderby hierop in. „Zeer vereerd en verplicht.”„Hebt gij hem toen eene banknoot aangeboden?” hervatte Rachel.„Ja, maar hij weigerde die en wilde niet meer dan twee pond in goud aannemen.”Rachel sloeg hare oogen weder naar mijnheer Bounderby op.„O ja wel,” zeide Bounderby. „Als gij vragen wilt of uw belachelijk en onwaarschijnlijk bericht waar was of niet, moet ik zeggen, dat het nu bevestigd is.”„Mevrouw,” hervatte Rachel, „Stephen Blackpool wordt nu in een gedrukt papier door de geheele stad, en waar niet al meer, openlijk een dief genoemd. Er is van avond eene vergadering geweest, waar men op dezelfde schandelijke manier over hem gesproken heeft. Stephen—de eerlijkste, de trouwste, de beste man van de wereld!” Hier werd hare verontwaardiging door droefheid overmeesterd, en zij brak snikkend af.„Het spijt mij, het spijt mij zeer,” zeide Louisa.„O mevrouw, mevrouw,” antwoordde Rachel, „ik hoop, dat het u spijt, maar ik weet het niet! Ik kan niet zeggen wat gij misschien gedaan hebt! Menschen als gij kennen ons niet, geven niet om ons, behooren niet tot ons. Ik weet niet waarom gij dien avond misschien gekomen zijt. Ik kan niet anders zeggen, of gij zult misschien uwe eigene oogmerken daarmede gehad hebben, zonder u te bekommeren om de ongelegenheid, waarin gij zoo iemand als dien armen man zoudt brengen. Ik zeide toen: God zegene u, dat gij gekomen zijt; en dat zeide ik met al mijn hart, omdat gij zooveel medelijden met hem scheent te hebben; maar nu weet ik het niet, nu weet ik het niet.”Louisa was niet in staat om haar over haar onbillijk vermoeden te misprijzen; haar vast vertrouwen op haar vriend en hare innige droefheid strekten haar tot voldoende verontschuldiging.„En als ik bedenk,” zeide Rachel tusschen haar snikken door, „dat de arme man zoo dankbaar was en dacht, dat gij zoo goed voor hem waart—als ik bedenk, dat hij zijne hand voor zijn gezicht hield om de tranen te verbergen, die gij hem in de oogen hadt gebracht—o, dan hoop ik dat het u spijten mag, en dat gij geene grootere reden tot spijt moogt hebben; maar ik weet het niet, ik weet het niet.”„Het staat u mooi,” bromde de hondsvot, in zijn donkeren hoek onrustig heen en weer schuivende, „om met zulke lasterlijke praatjes aan te komen. Gij moest terstond de deur worden uitgesmeten; dat zou niet meer zijn dan gij verdient.”Zij gaf geen antwoord hierop, en haar zacht schreien was het eenige geluid dat men hoorde, totdat mijnheer Bounderby het woord nam.„Komaan,” zeide hij, „gij weet waartoe gij u verbonden hebt. Denk liever daarom en niet om wat anders.”„Het spijt mij waarlijk,” antwoordde Rachel, hare oogen afdrogende, „dat iemand mij zoo gezien heeft, maar men zal mij niet weder zoo zien. Mevrouw, toen ik gelezen had wat er van Stephen gedrukt is—en dat evenveel waarheid bevat alsof het van u gezegd was—ben ik rechtstreeks naar het kantoor gegaan, om te zeggen dat ik wist waar Stephen was, en voor vast en zeker te beloven, dat hij over twee dagen hier zou zijn. Ik kon mijnheer Bounderby toen niet spreken en uw broeder zond mij weg; en toen zocht ik u op, maar gij waart niet te vinden, en zoo ging ik weder naar mijn werk. Zoodra ik van avond uit de fabriek kwam, haastte ik mij om te hooren wat er van Stephen gezegd werd—want ik weet, dat hij met glans zal terugkomen om dat gerucht te schande te maken—en toen ging ik weer om mijnheer Bounderby op te zoeken, en ik vond hem en zeide hem al wat ik wist; en hij geloofde niets van wat ik zeide en bracht mij hier.”„Zoo ver is alles waar,” zeide Bounderby, met de handen in de zakken en den hoed op het hoofd. „Maar ik ken ulieden langer dan vandaag, moet ge weten, en ik weet, dat gij uit gebrek aan praatjes nooit sterven zult. Maar nu raad ik u niet zooveel aan praten te denken als aan handelen. Gij hebt op u genomen iets te doen, en al wat ik voor het oogenblik te zeggen heb, is—doe het.”„Ik heb dezen namiddag met de post aan Stephen geschreven, gelijk ik vroeger nog eens aan hem geschreven heb,” antwoordde Rachel, „en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn.”„Dan zal ik u eens wat zeggen,” liet Bounderby hierop volgen. „Gij weet misschien niet, dat men nu en dan ook op u gepast heeft, daar men u niet vrij van verdenking hield, omdat de menschen meestal beoordeeld worden naar het gezelschap waarin zij verkeeren. Het postkantoor is ook niet vergeten geworden. Wat ik u nu zeg, is, dat er nooit een brief aan Stephen Blackpool door u verzonden is. Waar dus uw brief gebleven is, moet gij zelf maar raden. Misschien vergist gij u en hebt gij er nooit een geschreven.”„Hij was nog geene week hier vandaan geweest, mevrouw,” zeide Rachel, zich naar Louisa keerende, alsof zij zich op deze wilde beroepen, „of hij zond den eenigen brief, dien ik ooit van hem gehad heb, om mij te zeggen, dat hij genoodzaaktwas onder een anderen naam werk te zoeken.”„Zoo waarachtig!” riep Bounderby uit, nadat hij fluitende zijn hoofd had geschud, „heeft hij zijn naam veranderd! Dat is eenigszins ongelukkig voor zulk een onberispelijk persoon. Het wordt in ons gerechtshof een weinigje verdacht gehouden, geloof ik, als een onschuldig man toevallig verscheidene namen heeft.”„NU, CECILIA, IK VRAAG NAAR GEEN GEHEIM, MAAR IK GELOOF, DAT IK DEZE DAME TOCH VOOR DE JONGE JUFFROUW VAN DEN JONKER MAG HOUDEN.” (Blz. 135).„NU, CECILIA, IK VRAAG NAAR GEEN GEHEIM, MAAR IK GELOOF, DAT IK DEZE DAME TOCH VOOR DE JONGE JUFFROUW VAN DEN JONKER MAG HOUDEN.”(Blz. 135).„In naam der barmhartigheid, mevrouw,” zeide Rachel, wederom met tranen in de oogen, „wat zou de arme man doen? De meesters tegen hem aan den eenen kant, de werklieden aan den anderen, terwijl hij niets anders verlangde dan in vrede te werken en te mogen doen wat hij voor recht hield. Kan iemand dan geene eigene ziel, geen eigen geweten hebben? Moet hij het, door goed en kwaad heen, geheel met den eenen of met den anderen kant houden, of anders gejaagd worden als een haas?”„Waarlijk, ik beklaag hem met al mijn hart,” zeide Louisa, „en ik hoop, dat hij zich zal kunnen zuiveren.”„Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn, mevrouw. Hij is veilig.”„Des te veiliger zou ik denken,” zeide Bounderby, „omdat gij niet wilt zeggen waar hij is, niet waar?”„Hij zal door mijn bedrijf niet terugkomen met de onverdiende schande van teruggebracht te worden. Hij zal vrijwillig terugkomen om zich te zuiveren, en om allen, die zijn goeden naam beklad hebben, terwijl hij er niet was om zich te verdedigen, te schande te maken. Ik heb hem gezegd wat er tegen hem gedaan is,” zeide Rachel, op wier gemoed alle vertrouwen afstuitte, gelijk de golven der zee op eene rots, „en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn.”„Evenwel,” liet Bounderby hierop volgen, „als hij vroeger gepakt kan worden, zal hij ook vroeger gelegenheid hebben om zich te zuiveren. Wat u betreft, ik heb niets tegen u; wat gij mij zijt komen zeggen, blijkt de waarheid te zijn, en ik heb u gelegenheid gegeven om te bewijzen, dat het de waarheid was, en daar mede is het afgedaan. Ik wensch u allen goedenavond. Ik moet weg om dit wat nader te onderzoeken.”Zoodra mijnheer Bounderby zich omkeerde, kwam Tom uit zijn hoek, bleef dicht bij hem en ging met hem heen. De eenige afscheidsgroet, dien hij voor iemand over had, was een stuursch: „Goedenavond, vader!” Met dat korte gezegde en een donkeren blik naar zijne zuster, verliet hij het huis.Sedert zijn plechtanker hem begeven had, wasmijnheer Gradgrind zeer karig met woorden geweest. Hij bleef nog stil zitten, toen Louisa vriendelijk zeide:„Rachel, gij zult mij eens niet meer wantrouwen, als gij mij beter kent.”„Het stuit mij tegen de borst,” antwoordde Rachel op zachter toon dan vroeger, „iemand te moeten wantrouwen; maar als ik zoo gewantrouwd werd—als wij het allen worden—kan ik zulke dingen niet geheel uit het hoofd zetten. Ik vraag u verschooning, dat ik u beleedigd heb. Ik geloof nu niet meer wat ik zoo even zeide. Maar ik zou wel weder zoo kunnen gaan gelooven, als die arme man zoo verongelijkt wordt.”„Hebt gij hem in uw brief gezegd,” vroeg Sissy, „dat men vermoeden op hem heeft gekregen, omdat men hem des avonds bij het kantoor had gezien? Hij zou dan weten wat hij zou moeten ophelderen als hij terugkwam, en daarop voorbereid zijn.”„Ja, lieve juffrouw,” antwoordde zij, „maar ik kan niet raden wat hem daar heeft doen komen. Hij placht nooit daarheen te gaan. Het was geheel niet in zijn weg. Zijn weg was dezelfde als de mijne, en niet daar voorbij.”Sissy was reeds naar haar toegekomen, om haar te vragen waar zij woonde, en of zij morgenavond mocht komen vernemen of er tijding van hem was.„Ik twijfel,” antwoordde Rachel, „of hij vóór overmorgen wel hier kan zijn.”„Dan zal ik ook overmorgenavond komen,” zeide Sissy.Toen Rachel hierin had toegestemd en vertrokken was, hief mijnheer Gradgrind zijn hoofd op en zeide tot zijne dochter:„Louisa, kindlief, ik heb nooit, zooveel ik weet, dien man gezien. Gelooft gij, dat hij er in betrokken is?”„Ik heb er, meen ik, vroeger wel aan geloofd, vader, hoewel met veel moeite. Maar nu geloof ik het niet meer.”„Dat wil zeggen, dat gij u zelve eens overreed hebt om het te gelooven, omdat gij wist dat hij verdacht werd. Zijn voorkomen en manier van doen—zijn die zoo eerlijk?”„Bijzonder eerlijk.”„En haar vertrouwen op hem was zoo ongeschokt! Ik denk bij mij zelven,” zeide mijnheer Gradgrind peinzende, „zou de werkelijke misdadiger van die beschuldigingen weten? Waar is hij? Wie is hij?”Zijn haar was sedert kort begonnen van kleur te veranderen; en toen hij weder met het hoofd in de hand bleef zitten, zoo verouderd en vergrijsd, kwam Louisa, met een blik vol vrees en medelijden, haastig naar hem toe en zette zich dicht naast hem. Bij toeval ontmoetten hare oogen juist die van Sissy. Het goede meisje werd rood van schrik, en Louisa legde haar voorvinger op hare lippen.Toen Sissy den volgenden avond weder thuis kwam en Louisa berichtte, dat Stephen nog niet gekomen was, deed zij dit fluisterend. Den avond daarna, toen zij met dezelfde tijding thuis kwam, en er bijvoegde dat men niet van hem gehoord had, deed zij dit even zacht en angstig. Van het oogenblik af, dat zij dien blik hadden gewisseld, noemden zij nooit weder overluid zijn naam, en spraken zij nooit verder over den diefstal, wanneer mijnheer Gradgrind daarvan begon melding te maken.De twee bepaalde dagen verliepen; drie dagen en nachten verliepen, en Stephen Blackpool kwam niet en liet niets van zich hooren. Op den vierden dag ging Rachel, wier vertrouwen ongeschokt bleef, maar die begreep dat haar brief niet terecht was gekomen, naar het kantoor en liet daar den brief zien, dien zij vroeger van hem had ontvangen en waarin zijn adres was opgegeven in een fabriekplaatsje, dat zestig mijlen ver en niet aan den grooten weg lag. Er werden lieden naar die plaats gezonden, en de geheele stad verwachtte, dat Stephen den volgenden dag opgebracht zou worden.Gedurende dien geheelen tijd had de hondsvot mijnheer Bounderby als zijne schaduw vergezeld en in alles wat hij deed geholpen. Hij was in eene geweldige spanning, zeer koortsig, beet zijne nagels tot op het vleesch toe weg, en sprak met eene harde, ratelende stem en met droge, als het ware verschroeide lippen. Op het uur, dat de verdachte verwacht werd, was de hondsvot aan het station, en wilde wedden dat hij zich uit de voeten had gemaakt vóór de komst van hen, die hem waren gaan zoeken, en dat hij dus niet zou verschijnen.De hondsvot had gelijk. De afgezondenen kwamen alleen terug. Rachel’s brief was verzonden en bezorgd; maar Stephen Blackpool had zich op hetzelfde uur te zoek gemaakt en niemand wist iets meer van hem. De eenige twijfel, dien men teCoketownkoesterde, was, of Rachel wel te goeder trouw geschreven had om er op aan te dringen dat hij zou terugkomen, of dat zij hem had gewaarschuwd de vlucht te nemen. Daaromtrent waren de gevoelens verdeeld.Zes dagen, zeven dagen, ver in eene volgende week. De rampzalige hondsvot vatte moed—een akeligen moed—en begon brutaal te worden. „Wasde verdachte kerel de dief? Mooie vraag! Zoo niet, waar was de man dan en waarom kwam hij niet terug?”Waar was de man en waarom kwam hij niet terug? In het holste van den nacht kwam de weerklank van deze zijne woorden, die over dag de Hemel weet hoe ver weggevlogen waren, in plaats van den man terug, en hield hem gezelschap tot aan den ochtend.

XXXII.VERLOREN.De zaak van den diefstal in het kantoor was intusschen niet uit het oog verloren en hield ook nu niet op eene eerste plaats in de aandacht van den voornaamsten deelhebber aan dat etablissement te beslaan. Om als een uitstekend man, die zich zelven tot een man gemaakt had, als een commercieel wonder, meer bewonderenswaardig dan Venus, daar hij uit het slijk in plaats van uit de zee was opgerezen, een brallend bewijs van zijne voortvarendheid en werkzaamheid te geven, wilde hij toonen hoe weinig zijne huiselijke aangelegenheden zijn ijver voor zijne beroepszaken konden verzwakken. In de eerste weken na de scheiding van zijne vrouw was hij dus nog woeliger, luidruchtiger en ongeduldiger dan gewoonlijk, en dagelijks maakte hij zooveel beweging over het onderzoek naar den diefstal, dat de politiebeambten, wien hij de zaak in handen had gegeven, bijna wenschten, dat zij maar nooit gepleegd was.Bovendien waren zij geheel van het spoor en wisten niet wat te doen. Hoewel zij zich sedert lang zoo stil hadden gehouden, dat de meeste menschen dachten dat zij de zaak als hopeloos hadden laten varen, was er niets nieuws voorgevallen. Niemand, die in het geval betrokken was, vatte ontijdig moed tot een stap, waardoor hij zich zelven verried, en wat nog opmerkelijker was, men kon niets van Stephen Blackpool vernemen, en de geheimzinnige oude vrouw bleef een raadsel.Nu de zaken zoover waren gekomen en het scheen, dat men op deze manier niet verder zou vorderen, kwam Bounderby tot het besluit om een stouten maatregel te wagen. Hij liet een aanplakbiljet drukken, om eene belooning van twintig pond uit te loven voor den aanbrenger van Stephen Blackpool, verdacht van medeplichtigheid aan den diefstal, die in het kantoor was gepleegd. Hij beschreef den genoemden Stephen Blackpool—zijne kleeding, kleur, lengte (naar gissing) en voorkomen—zoo nauwkeurig mogelijk, vermeldde wanneer hij de stad had verlaten en waar men hem het laatst had gezien en liet het reusachtige, met groote zwarte letters bedrukte blad in het holle van den nacht overal aanplakken, zoodat het de geheele bevolking op eens onder de oogen moest komen en met verbazing vervullen.De werkklokken der fabrieken moesten dien ochtend veel harder luiden dan anders, om de groepen werklieden te verstrooien, die bij deze plakkaten bleven staan en ze met gretige oogen verslonden. Niet de minst gretigen van die vergaderde oogen waren de oogen van hen, die niet konden lezen. Terwijl deze lieden naar de vriendschappelijke stem luisterden, die hardop voorlas—en zulk eene hulp was overal gereed—staarden zij de letters, die zooveel te beduiden hadden, met zekere vreesachtige verwondering en eerbied aan, die bijna comisch zouden zijn geweest, indien eenig blijk van zulke algemeene onkunde ooit anders dan dreigend en onheilspellend kon wezen. Uren later, onder het draaien van spillen, het kletteren van weefgetouwen en het snorren van raderen, hadden zij die plakkaten nog voor de oogen en klonken de woorden hun nog in de ooren; en toen de arbeiders des middags naar huis gingen, waren er wederom evenveel lezers als in den ochtend.Slackbridge, de afgevaardigde, moest dien avond in eene vergadering het woord voeren, en verschafte zich bij den drukker een overgeschoten biljet, dat hij in zijn zak medebracht. O, mijne vrienden en landgenooten, in het stof vertredene werklieden vanCoketown, o mijne medebroeders, medearbeiders, medeburgers en medemenschen, welke oogen zette men op, toen Slackbridge dat „doemvonnis”, gelijk hij het noemde, openvouwde, en ter verfoeiing der vergadering omhoog hield.„O, mijne medemenschen, ziet waartoe een verrader in het leger dier edele geesten, die hunne namen op de heilige rol der vereeniging hebben laten inschrijven, in staat is! O, mijne bejammerenswaardige vrienden, die het knellend juk van dwingelanden op den hals voelt, die door den ijzeren voet der tirannie in het stof der aarde wordt vertreden, waarin uwe onderdrukkers u gaarne al de dagen van uw leven op den buik zien kruipen gelijk de slang in den hof—o mijne broeders, en zal ik als een man ook niet zeggen, o mijne zusters,wat zegt gij nu van Stephen Blackpool, een weinig rond van schouders en ongeveer vijf voet zeven duim lang, gelijk in dit vernederende, dit walgelijke, dit schandvlekkende, dit verfoeielijke papier te lezen staat; en met welk eene majesteit van ontwaardiging zult gij de adder verpletteren, die zulk eene schande zou willen brengen over het naar Gods beeld geschapene geslacht, dat hem gelukkig voor eeuwig heeft uitgebannen! Ja, mijne lotgenooten, gelukkig hebt gij hem van u afgezonderd en uitgebannen! Want gij herinnert u wel, hoe hij hier op dit spreekgestoelte voor u stond; gij herinnert u, hoe ik hem toen, van aangezicht tot aangezicht en voet voor voet, door al zijne ingewikkelde kronkelpaden volgde; gij herinnert u, hoe hij zich wond en wrong, hoe hij woordenziftteen haarkloofde, tot hij geen duim breed gronds meer had om zich aan vast te klampen, en ik hem uitdreef van onder ons, als een voorwerp van eeuwigdurenden smaad, van wrekend verdelgende, zengende en brandende verfoeiing voor ieder vrij gemoed en elken denkenden geest! En nu, mijne vrienden—mijne arbeidende vrienden—want ik verheug en beroem mij in dien scheldnaam van werkman—mijne vrienden, wier hard, maar eerlijk bed door noesten arbeid wordt gespreid, wier schrale, maar vrije pot in diepen druk wordt gekookt; en nu, zeg ik, mijne vrienden, welken naam heeft die lafhartige verrader zich zelven gegeven, nu hij, met het masker van het aangezicht gerukt, in al zijne aangeborene wanstaltigheid voor ons staat—wat is hij nu? Een dief! Een roover! Vogelvrij verklaarde vluchteling, op wiens hoofd een prijs gezet is; een vuile kanker voor den edelen naam der werklieden vanCoketown! Daarom, mijn kring van broederen in een heilig verbond, waaronder uwe kinderen en uwe nog ongeborene kindskinderen reeds hand en zegel hebben gezet, doe ik u, uit last van het vereenigd gemeenschappelijk Tribunaal, altijd waakzaam en ijverig voor uw welzijn, het voorstel, dat deze vergadering zal besluiten: Dat, dewijl de wever Stephen Blackpool, in dit plakkaat bedoeld, alreeds door de vereeniging der fabriekarbeiders vanCoketownplechtig is uitgebannen, deze arbeiders vrij zijn van de schande zijner wanbedrijven en hunne klasse de schuld niet kan dragen van zijne oneerlijke handelingen.”Slackbridge zweeg nu, nadat hij zich buiten adem en in het zweet had geschreeuwd. Eenige weinige ernstige stemmen riepen: „Neen!” en toen een man zeide: „Slackbridge, ge zijt al te overijld daarin; ge haast u veel te veel!” riepen eenige anderen goedkeurend: „Hoor, hoor!” Maar dit waren slechts enkelen tegen een geheel leger; de vergadering bleekdewoorden van Slackbridge algemeen voor een evangelie te houden, en beantwoordde hem met een driewerf herhaald gejuich, hetwelk hij met hijgend welgevallen aanhoorde.Deze lieden waren nog op straat en gingen stil naar huis, toen Sissy, die eenige minuten vroeger van Louisa was weggeroepen, weder bij haar kwam.„Wie is er?” vroeg Louisa.„Het is mijnheer Bounderby,” antwoordde Sissy, beschroomd om dien naam uit te spreken,„en mijnheer Tom, en eene jonge vrouw, die zegt dat zij Rachel heet, en dat gij haar kent.”„Wat willen ze hebben, lieve Sissy?”„Zij willen u spreken; Rachel heeft geschreid en schijnt boos te zijn.”„Vader,” zeide Louisa, want hij was in de kamer, „ik kan niet weigeren hen te zien, om eene reden die ik zelf verklaren zal. Mogen zij hier binnenkomen?”Toen hij toestemmend antwoordde, ging Sissy hen halen en kwam terstond met hen terug. Tom was de laatste en bleef in het donkerste gedeelte van het vertrek, vlak bij de deur staan.„Mevrouw Bounderby,” zeide haar echtgenoot, met een koel knikje binnenkomende, „ik stoor u niet, hoop ik. Het is een onbehoorlijk uur, maar hier is eene jonge vrouw, die verklaringen heeft gedaan, welke mijn bezoek noodzakelijk maken. Tom Gradgrind, daar uw zoon, de jonge Tom, om eene of andere reden hardnekkig weigert om iets hoegenaamd, goed of kwaad, over die verklaringen te zeggen, ben ik genoodzaakt haar met uw dochter te confronteeren.”„Gij hebt mij vroeger nog eens gezien, mevrouw,” zeide Rachel, zich vlak voor Louisa plaatsende.Tom kuchte.„Gij hebt mij vroeger nog eens gezien,” herhaalde Rachel, toen Louisa geen antwoord gaf.Tom kuchte nog eens.„Ja, dat heb ik,” zeide Louisa nu.Rachel sloeg met fierheid hare oogen naar Bounderby op en zeide toen: „Wilt gij nu ook bekend maken, mevrouw, waar dat was en wie daar waren?”„Ik ging naar het huis, waar Stephen Blackpool op een bovenkamer woonde, op den avond toen hij was afgedankt, en zag u daar. Hij was daar ook; en eene oude vrouw, die niet sprak, en die ik ternauwernood kon zien, stond in een hoek. Mijn broeder was bij mij.”„Waarom kondt gij dat niet zeggen, Tom?” vroeg Bounderby.„Ik had mijne zuster beloofd, dat ik het niet zou doen.” En toen Louisa dit haastig bevestigd had, vervolgde de hondsvot met bitterheid: „En bovendien, als zij hare eigene historie zoo goed—en zoo volledig—vertelt, wat had ik haar die dan uit den mond te nemen?”„Zeg nu, mevrouw, als het u belieft,” hervatte Rachel, „waarom gij tot zijn ongeluk dien avond bij Stephen zijt gekomen?”„Ik had medelijden met hem,” antwoordde Louisa met verhoogde kleur, „en ik wenschte te weten wat hij zou gaan doen en hem mijne hulp aan te bieden.”„Dank je wel, mevrouw,” viel Bounderby hierop in. „Zeer vereerd en verplicht.”„Hebt gij hem toen eene banknoot aangeboden?” hervatte Rachel.„Ja, maar hij weigerde die en wilde niet meer dan twee pond in goud aannemen.”Rachel sloeg hare oogen weder naar mijnheer Bounderby op.„O ja wel,” zeide Bounderby. „Als gij vragen wilt of uw belachelijk en onwaarschijnlijk bericht waar was of niet, moet ik zeggen, dat het nu bevestigd is.”„Mevrouw,” hervatte Rachel, „Stephen Blackpool wordt nu in een gedrukt papier door de geheele stad, en waar niet al meer, openlijk een dief genoemd. Er is van avond eene vergadering geweest, waar men op dezelfde schandelijke manier over hem gesproken heeft. Stephen—de eerlijkste, de trouwste, de beste man van de wereld!” Hier werd hare verontwaardiging door droefheid overmeesterd, en zij brak snikkend af.„Het spijt mij, het spijt mij zeer,” zeide Louisa.„O mevrouw, mevrouw,” antwoordde Rachel, „ik hoop, dat het u spijt, maar ik weet het niet! Ik kan niet zeggen wat gij misschien gedaan hebt! Menschen als gij kennen ons niet, geven niet om ons, behooren niet tot ons. Ik weet niet waarom gij dien avond misschien gekomen zijt. Ik kan niet anders zeggen, of gij zult misschien uwe eigene oogmerken daarmede gehad hebben, zonder u te bekommeren om de ongelegenheid, waarin gij zoo iemand als dien armen man zoudt brengen. Ik zeide toen: God zegene u, dat gij gekomen zijt; en dat zeide ik met al mijn hart, omdat gij zooveel medelijden met hem scheent te hebben; maar nu weet ik het niet, nu weet ik het niet.”Louisa was niet in staat om haar over haar onbillijk vermoeden te misprijzen; haar vast vertrouwen op haar vriend en hare innige droefheid strekten haar tot voldoende verontschuldiging.„En als ik bedenk,” zeide Rachel tusschen haar snikken door, „dat de arme man zoo dankbaar was en dacht, dat gij zoo goed voor hem waart—als ik bedenk, dat hij zijne hand voor zijn gezicht hield om de tranen te verbergen, die gij hem in de oogen hadt gebracht—o, dan hoop ik dat het u spijten mag, en dat gij geene grootere reden tot spijt moogt hebben; maar ik weet het niet, ik weet het niet.”„Het staat u mooi,” bromde de hondsvot, in zijn donkeren hoek onrustig heen en weer schuivende, „om met zulke lasterlijke praatjes aan te komen. Gij moest terstond de deur worden uitgesmeten; dat zou niet meer zijn dan gij verdient.”Zij gaf geen antwoord hierop, en haar zacht schreien was het eenige geluid dat men hoorde, totdat mijnheer Bounderby het woord nam.„Komaan,” zeide hij, „gij weet waartoe gij u verbonden hebt. Denk liever daarom en niet om wat anders.”„Het spijt mij waarlijk,” antwoordde Rachel, hare oogen afdrogende, „dat iemand mij zoo gezien heeft, maar men zal mij niet weder zoo zien. Mevrouw, toen ik gelezen had wat er van Stephen gedrukt is—en dat evenveel waarheid bevat alsof het van u gezegd was—ben ik rechtstreeks naar het kantoor gegaan, om te zeggen dat ik wist waar Stephen was, en voor vast en zeker te beloven, dat hij over twee dagen hier zou zijn. Ik kon mijnheer Bounderby toen niet spreken en uw broeder zond mij weg; en toen zocht ik u op, maar gij waart niet te vinden, en zoo ging ik weder naar mijn werk. Zoodra ik van avond uit de fabriek kwam, haastte ik mij om te hooren wat er van Stephen gezegd werd—want ik weet, dat hij met glans zal terugkomen om dat gerucht te schande te maken—en toen ging ik weer om mijnheer Bounderby op te zoeken, en ik vond hem en zeide hem al wat ik wist; en hij geloofde niets van wat ik zeide en bracht mij hier.”„Zoo ver is alles waar,” zeide Bounderby, met de handen in de zakken en den hoed op het hoofd. „Maar ik ken ulieden langer dan vandaag, moet ge weten, en ik weet, dat gij uit gebrek aan praatjes nooit sterven zult. Maar nu raad ik u niet zooveel aan praten te denken als aan handelen. Gij hebt op u genomen iets te doen, en al wat ik voor het oogenblik te zeggen heb, is—doe het.”„Ik heb dezen namiddag met de post aan Stephen geschreven, gelijk ik vroeger nog eens aan hem geschreven heb,” antwoordde Rachel, „en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn.”„Dan zal ik u eens wat zeggen,” liet Bounderby hierop volgen. „Gij weet misschien niet, dat men nu en dan ook op u gepast heeft, daar men u niet vrij van verdenking hield, omdat de menschen meestal beoordeeld worden naar het gezelschap waarin zij verkeeren. Het postkantoor is ook niet vergeten geworden. Wat ik u nu zeg, is, dat er nooit een brief aan Stephen Blackpool door u verzonden is. Waar dus uw brief gebleven is, moet gij zelf maar raden. Misschien vergist gij u en hebt gij er nooit een geschreven.”„Hij was nog geene week hier vandaan geweest, mevrouw,” zeide Rachel, zich naar Louisa keerende, alsof zij zich op deze wilde beroepen, „of hij zond den eenigen brief, dien ik ooit van hem gehad heb, om mij te zeggen, dat hij genoodzaaktwas onder een anderen naam werk te zoeken.”„Zoo waarachtig!” riep Bounderby uit, nadat hij fluitende zijn hoofd had geschud, „heeft hij zijn naam veranderd! Dat is eenigszins ongelukkig voor zulk een onberispelijk persoon. Het wordt in ons gerechtshof een weinigje verdacht gehouden, geloof ik, als een onschuldig man toevallig verscheidene namen heeft.”„NU, CECILIA, IK VRAAG NAAR GEEN GEHEIM, MAAR IK GELOOF, DAT IK DEZE DAME TOCH VOOR DE JONGE JUFFROUW VAN DEN JONKER MAG HOUDEN.” (Blz. 135).„NU, CECILIA, IK VRAAG NAAR GEEN GEHEIM, MAAR IK GELOOF, DAT IK DEZE DAME TOCH VOOR DE JONGE JUFFROUW VAN DEN JONKER MAG HOUDEN.”(Blz. 135).„In naam der barmhartigheid, mevrouw,” zeide Rachel, wederom met tranen in de oogen, „wat zou de arme man doen? De meesters tegen hem aan den eenen kant, de werklieden aan den anderen, terwijl hij niets anders verlangde dan in vrede te werken en te mogen doen wat hij voor recht hield. Kan iemand dan geene eigene ziel, geen eigen geweten hebben? Moet hij het, door goed en kwaad heen, geheel met den eenen of met den anderen kant houden, of anders gejaagd worden als een haas?”„Waarlijk, ik beklaag hem met al mijn hart,” zeide Louisa, „en ik hoop, dat hij zich zal kunnen zuiveren.”„Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn, mevrouw. Hij is veilig.”„Des te veiliger zou ik denken,” zeide Bounderby, „omdat gij niet wilt zeggen waar hij is, niet waar?”„Hij zal door mijn bedrijf niet terugkomen met de onverdiende schande van teruggebracht te worden. Hij zal vrijwillig terugkomen om zich te zuiveren, en om allen, die zijn goeden naam beklad hebben, terwijl hij er niet was om zich te verdedigen, te schande te maken. Ik heb hem gezegd wat er tegen hem gedaan is,” zeide Rachel, op wier gemoed alle vertrouwen afstuitte, gelijk de golven der zee op eene rots, „en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn.”„Evenwel,” liet Bounderby hierop volgen, „als hij vroeger gepakt kan worden, zal hij ook vroeger gelegenheid hebben om zich te zuiveren. Wat u betreft, ik heb niets tegen u; wat gij mij zijt komen zeggen, blijkt de waarheid te zijn, en ik heb u gelegenheid gegeven om te bewijzen, dat het de waarheid was, en daar mede is het afgedaan. Ik wensch u allen goedenavond. Ik moet weg om dit wat nader te onderzoeken.”Zoodra mijnheer Bounderby zich omkeerde, kwam Tom uit zijn hoek, bleef dicht bij hem en ging met hem heen. De eenige afscheidsgroet, dien hij voor iemand over had, was een stuursch: „Goedenavond, vader!” Met dat korte gezegde en een donkeren blik naar zijne zuster, verliet hij het huis.Sedert zijn plechtanker hem begeven had, wasmijnheer Gradgrind zeer karig met woorden geweest. Hij bleef nog stil zitten, toen Louisa vriendelijk zeide:„Rachel, gij zult mij eens niet meer wantrouwen, als gij mij beter kent.”„Het stuit mij tegen de borst,” antwoordde Rachel op zachter toon dan vroeger, „iemand te moeten wantrouwen; maar als ik zoo gewantrouwd werd—als wij het allen worden—kan ik zulke dingen niet geheel uit het hoofd zetten. Ik vraag u verschooning, dat ik u beleedigd heb. Ik geloof nu niet meer wat ik zoo even zeide. Maar ik zou wel weder zoo kunnen gaan gelooven, als die arme man zoo verongelijkt wordt.”„Hebt gij hem in uw brief gezegd,” vroeg Sissy, „dat men vermoeden op hem heeft gekregen, omdat men hem des avonds bij het kantoor had gezien? Hij zou dan weten wat hij zou moeten ophelderen als hij terugkwam, en daarop voorbereid zijn.”„Ja, lieve juffrouw,” antwoordde zij, „maar ik kan niet raden wat hem daar heeft doen komen. Hij placht nooit daarheen te gaan. Het was geheel niet in zijn weg. Zijn weg was dezelfde als de mijne, en niet daar voorbij.”Sissy was reeds naar haar toegekomen, om haar te vragen waar zij woonde, en of zij morgenavond mocht komen vernemen of er tijding van hem was.„Ik twijfel,” antwoordde Rachel, „of hij vóór overmorgen wel hier kan zijn.”„Dan zal ik ook overmorgenavond komen,” zeide Sissy.Toen Rachel hierin had toegestemd en vertrokken was, hief mijnheer Gradgrind zijn hoofd op en zeide tot zijne dochter:„Louisa, kindlief, ik heb nooit, zooveel ik weet, dien man gezien. Gelooft gij, dat hij er in betrokken is?”„Ik heb er, meen ik, vroeger wel aan geloofd, vader, hoewel met veel moeite. Maar nu geloof ik het niet meer.”„Dat wil zeggen, dat gij u zelve eens overreed hebt om het te gelooven, omdat gij wist dat hij verdacht werd. Zijn voorkomen en manier van doen—zijn die zoo eerlijk?”„Bijzonder eerlijk.”„En haar vertrouwen op hem was zoo ongeschokt! Ik denk bij mij zelven,” zeide mijnheer Gradgrind peinzende, „zou de werkelijke misdadiger van die beschuldigingen weten? Waar is hij? Wie is hij?”Zijn haar was sedert kort begonnen van kleur te veranderen; en toen hij weder met het hoofd in de hand bleef zitten, zoo verouderd en vergrijsd, kwam Louisa, met een blik vol vrees en medelijden, haastig naar hem toe en zette zich dicht naast hem. Bij toeval ontmoetten hare oogen juist die van Sissy. Het goede meisje werd rood van schrik, en Louisa legde haar voorvinger op hare lippen.Toen Sissy den volgenden avond weder thuis kwam en Louisa berichtte, dat Stephen nog niet gekomen was, deed zij dit fluisterend. Den avond daarna, toen zij met dezelfde tijding thuis kwam, en er bijvoegde dat men niet van hem gehoord had, deed zij dit even zacht en angstig. Van het oogenblik af, dat zij dien blik hadden gewisseld, noemden zij nooit weder overluid zijn naam, en spraken zij nooit verder over den diefstal, wanneer mijnheer Gradgrind daarvan begon melding te maken.De twee bepaalde dagen verliepen; drie dagen en nachten verliepen, en Stephen Blackpool kwam niet en liet niets van zich hooren. Op den vierden dag ging Rachel, wier vertrouwen ongeschokt bleef, maar die begreep dat haar brief niet terecht was gekomen, naar het kantoor en liet daar den brief zien, dien zij vroeger van hem had ontvangen en waarin zijn adres was opgegeven in een fabriekplaatsje, dat zestig mijlen ver en niet aan den grooten weg lag. Er werden lieden naar die plaats gezonden, en de geheele stad verwachtte, dat Stephen den volgenden dag opgebracht zou worden.Gedurende dien geheelen tijd had de hondsvot mijnheer Bounderby als zijne schaduw vergezeld en in alles wat hij deed geholpen. Hij was in eene geweldige spanning, zeer koortsig, beet zijne nagels tot op het vleesch toe weg, en sprak met eene harde, ratelende stem en met droge, als het ware verschroeide lippen. Op het uur, dat de verdachte verwacht werd, was de hondsvot aan het station, en wilde wedden dat hij zich uit de voeten had gemaakt vóór de komst van hen, die hem waren gaan zoeken, en dat hij dus niet zou verschijnen.De hondsvot had gelijk. De afgezondenen kwamen alleen terug. Rachel’s brief was verzonden en bezorgd; maar Stephen Blackpool had zich op hetzelfde uur te zoek gemaakt en niemand wist iets meer van hem. De eenige twijfel, dien men teCoketownkoesterde, was, of Rachel wel te goeder trouw geschreven had om er op aan te dringen dat hij zou terugkomen, of dat zij hem had gewaarschuwd de vlucht te nemen. Daaromtrent waren de gevoelens verdeeld.Zes dagen, zeven dagen, ver in eene volgende week. De rampzalige hondsvot vatte moed—een akeligen moed—en begon brutaal te worden. „Wasde verdachte kerel de dief? Mooie vraag! Zoo niet, waar was de man dan en waarom kwam hij niet terug?”Waar was de man en waarom kwam hij niet terug? In het holste van den nacht kwam de weerklank van deze zijne woorden, die over dag de Hemel weet hoe ver weggevlogen waren, in plaats van den man terug, en hield hem gezelschap tot aan den ochtend.

XXXII.VERLOREN.De zaak van den diefstal in het kantoor was intusschen niet uit het oog verloren en hield ook nu niet op eene eerste plaats in de aandacht van den voornaamsten deelhebber aan dat etablissement te beslaan. Om als een uitstekend man, die zich zelven tot een man gemaakt had, als een commercieel wonder, meer bewonderenswaardig dan Venus, daar hij uit het slijk in plaats van uit de zee was opgerezen, een brallend bewijs van zijne voortvarendheid en werkzaamheid te geven, wilde hij toonen hoe weinig zijne huiselijke aangelegenheden zijn ijver voor zijne beroepszaken konden verzwakken. In de eerste weken na de scheiding van zijne vrouw was hij dus nog woeliger, luidruchtiger en ongeduldiger dan gewoonlijk, en dagelijks maakte hij zooveel beweging over het onderzoek naar den diefstal, dat de politiebeambten, wien hij de zaak in handen had gegeven, bijna wenschten, dat zij maar nooit gepleegd was.Bovendien waren zij geheel van het spoor en wisten niet wat te doen. Hoewel zij zich sedert lang zoo stil hadden gehouden, dat de meeste menschen dachten dat zij de zaak als hopeloos hadden laten varen, was er niets nieuws voorgevallen. Niemand, die in het geval betrokken was, vatte ontijdig moed tot een stap, waardoor hij zich zelven verried, en wat nog opmerkelijker was, men kon niets van Stephen Blackpool vernemen, en de geheimzinnige oude vrouw bleef een raadsel.Nu de zaken zoover waren gekomen en het scheen, dat men op deze manier niet verder zou vorderen, kwam Bounderby tot het besluit om een stouten maatregel te wagen. Hij liet een aanplakbiljet drukken, om eene belooning van twintig pond uit te loven voor den aanbrenger van Stephen Blackpool, verdacht van medeplichtigheid aan den diefstal, die in het kantoor was gepleegd. Hij beschreef den genoemden Stephen Blackpool—zijne kleeding, kleur, lengte (naar gissing) en voorkomen—zoo nauwkeurig mogelijk, vermeldde wanneer hij de stad had verlaten en waar men hem het laatst had gezien en liet het reusachtige, met groote zwarte letters bedrukte blad in het holle van den nacht overal aanplakken, zoodat het de geheele bevolking op eens onder de oogen moest komen en met verbazing vervullen.De werkklokken der fabrieken moesten dien ochtend veel harder luiden dan anders, om de groepen werklieden te verstrooien, die bij deze plakkaten bleven staan en ze met gretige oogen verslonden. Niet de minst gretigen van die vergaderde oogen waren de oogen van hen, die niet konden lezen. Terwijl deze lieden naar de vriendschappelijke stem luisterden, die hardop voorlas—en zulk eene hulp was overal gereed—staarden zij de letters, die zooveel te beduiden hadden, met zekere vreesachtige verwondering en eerbied aan, die bijna comisch zouden zijn geweest, indien eenig blijk van zulke algemeene onkunde ooit anders dan dreigend en onheilspellend kon wezen. Uren later, onder het draaien van spillen, het kletteren van weefgetouwen en het snorren van raderen, hadden zij die plakkaten nog voor de oogen en klonken de woorden hun nog in de ooren; en toen de arbeiders des middags naar huis gingen, waren er wederom evenveel lezers als in den ochtend.Slackbridge, de afgevaardigde, moest dien avond in eene vergadering het woord voeren, en verschafte zich bij den drukker een overgeschoten biljet, dat hij in zijn zak medebracht. O, mijne vrienden en landgenooten, in het stof vertredene werklieden vanCoketown, o mijne medebroeders, medearbeiders, medeburgers en medemenschen, welke oogen zette men op, toen Slackbridge dat „doemvonnis”, gelijk hij het noemde, openvouwde, en ter verfoeiing der vergadering omhoog hield.„O, mijne medemenschen, ziet waartoe een verrader in het leger dier edele geesten, die hunne namen op de heilige rol der vereeniging hebben laten inschrijven, in staat is! O, mijne bejammerenswaardige vrienden, die het knellend juk van dwingelanden op den hals voelt, die door den ijzeren voet der tirannie in het stof der aarde wordt vertreden, waarin uwe onderdrukkers u gaarne al de dagen van uw leven op den buik zien kruipen gelijk de slang in den hof—o mijne broeders, en zal ik als een man ook niet zeggen, o mijne zusters,wat zegt gij nu van Stephen Blackpool, een weinig rond van schouders en ongeveer vijf voet zeven duim lang, gelijk in dit vernederende, dit walgelijke, dit schandvlekkende, dit verfoeielijke papier te lezen staat; en met welk eene majesteit van ontwaardiging zult gij de adder verpletteren, die zulk eene schande zou willen brengen over het naar Gods beeld geschapene geslacht, dat hem gelukkig voor eeuwig heeft uitgebannen! Ja, mijne lotgenooten, gelukkig hebt gij hem van u afgezonderd en uitgebannen! Want gij herinnert u wel, hoe hij hier op dit spreekgestoelte voor u stond; gij herinnert u, hoe ik hem toen, van aangezicht tot aangezicht en voet voor voet, door al zijne ingewikkelde kronkelpaden volgde; gij herinnert u, hoe hij zich wond en wrong, hoe hij woordenziftteen haarkloofde, tot hij geen duim breed gronds meer had om zich aan vast te klampen, en ik hem uitdreef van onder ons, als een voorwerp van eeuwigdurenden smaad, van wrekend verdelgende, zengende en brandende verfoeiing voor ieder vrij gemoed en elken denkenden geest! En nu, mijne vrienden—mijne arbeidende vrienden—want ik verheug en beroem mij in dien scheldnaam van werkman—mijne vrienden, wier hard, maar eerlijk bed door noesten arbeid wordt gespreid, wier schrale, maar vrije pot in diepen druk wordt gekookt; en nu, zeg ik, mijne vrienden, welken naam heeft die lafhartige verrader zich zelven gegeven, nu hij, met het masker van het aangezicht gerukt, in al zijne aangeborene wanstaltigheid voor ons staat—wat is hij nu? Een dief! Een roover! Vogelvrij verklaarde vluchteling, op wiens hoofd een prijs gezet is; een vuile kanker voor den edelen naam der werklieden vanCoketown! Daarom, mijn kring van broederen in een heilig verbond, waaronder uwe kinderen en uwe nog ongeborene kindskinderen reeds hand en zegel hebben gezet, doe ik u, uit last van het vereenigd gemeenschappelijk Tribunaal, altijd waakzaam en ijverig voor uw welzijn, het voorstel, dat deze vergadering zal besluiten: Dat, dewijl de wever Stephen Blackpool, in dit plakkaat bedoeld, alreeds door de vereeniging der fabriekarbeiders vanCoketownplechtig is uitgebannen, deze arbeiders vrij zijn van de schande zijner wanbedrijven en hunne klasse de schuld niet kan dragen van zijne oneerlijke handelingen.”Slackbridge zweeg nu, nadat hij zich buiten adem en in het zweet had geschreeuwd. Eenige weinige ernstige stemmen riepen: „Neen!” en toen een man zeide: „Slackbridge, ge zijt al te overijld daarin; ge haast u veel te veel!” riepen eenige anderen goedkeurend: „Hoor, hoor!” Maar dit waren slechts enkelen tegen een geheel leger; de vergadering bleekdewoorden van Slackbridge algemeen voor een evangelie te houden, en beantwoordde hem met een driewerf herhaald gejuich, hetwelk hij met hijgend welgevallen aanhoorde.Deze lieden waren nog op straat en gingen stil naar huis, toen Sissy, die eenige minuten vroeger van Louisa was weggeroepen, weder bij haar kwam.„Wie is er?” vroeg Louisa.„Het is mijnheer Bounderby,” antwoordde Sissy, beschroomd om dien naam uit te spreken,„en mijnheer Tom, en eene jonge vrouw, die zegt dat zij Rachel heet, en dat gij haar kent.”„Wat willen ze hebben, lieve Sissy?”„Zij willen u spreken; Rachel heeft geschreid en schijnt boos te zijn.”„Vader,” zeide Louisa, want hij was in de kamer, „ik kan niet weigeren hen te zien, om eene reden die ik zelf verklaren zal. Mogen zij hier binnenkomen?”Toen hij toestemmend antwoordde, ging Sissy hen halen en kwam terstond met hen terug. Tom was de laatste en bleef in het donkerste gedeelte van het vertrek, vlak bij de deur staan.„Mevrouw Bounderby,” zeide haar echtgenoot, met een koel knikje binnenkomende, „ik stoor u niet, hoop ik. Het is een onbehoorlijk uur, maar hier is eene jonge vrouw, die verklaringen heeft gedaan, welke mijn bezoek noodzakelijk maken. Tom Gradgrind, daar uw zoon, de jonge Tom, om eene of andere reden hardnekkig weigert om iets hoegenaamd, goed of kwaad, over die verklaringen te zeggen, ben ik genoodzaakt haar met uw dochter te confronteeren.”„Gij hebt mij vroeger nog eens gezien, mevrouw,” zeide Rachel, zich vlak voor Louisa plaatsende.Tom kuchte.„Gij hebt mij vroeger nog eens gezien,” herhaalde Rachel, toen Louisa geen antwoord gaf.Tom kuchte nog eens.„Ja, dat heb ik,” zeide Louisa nu.Rachel sloeg met fierheid hare oogen naar Bounderby op en zeide toen: „Wilt gij nu ook bekend maken, mevrouw, waar dat was en wie daar waren?”„Ik ging naar het huis, waar Stephen Blackpool op een bovenkamer woonde, op den avond toen hij was afgedankt, en zag u daar. Hij was daar ook; en eene oude vrouw, die niet sprak, en die ik ternauwernood kon zien, stond in een hoek. Mijn broeder was bij mij.”„Waarom kondt gij dat niet zeggen, Tom?” vroeg Bounderby.„Ik had mijne zuster beloofd, dat ik het niet zou doen.” En toen Louisa dit haastig bevestigd had, vervolgde de hondsvot met bitterheid: „En bovendien, als zij hare eigene historie zoo goed—en zoo volledig—vertelt, wat had ik haar die dan uit den mond te nemen?”„Zeg nu, mevrouw, als het u belieft,” hervatte Rachel, „waarom gij tot zijn ongeluk dien avond bij Stephen zijt gekomen?”„Ik had medelijden met hem,” antwoordde Louisa met verhoogde kleur, „en ik wenschte te weten wat hij zou gaan doen en hem mijne hulp aan te bieden.”„Dank je wel, mevrouw,” viel Bounderby hierop in. „Zeer vereerd en verplicht.”„Hebt gij hem toen eene banknoot aangeboden?” hervatte Rachel.„Ja, maar hij weigerde die en wilde niet meer dan twee pond in goud aannemen.”Rachel sloeg hare oogen weder naar mijnheer Bounderby op.„O ja wel,” zeide Bounderby. „Als gij vragen wilt of uw belachelijk en onwaarschijnlijk bericht waar was of niet, moet ik zeggen, dat het nu bevestigd is.”„Mevrouw,” hervatte Rachel, „Stephen Blackpool wordt nu in een gedrukt papier door de geheele stad, en waar niet al meer, openlijk een dief genoemd. Er is van avond eene vergadering geweest, waar men op dezelfde schandelijke manier over hem gesproken heeft. Stephen—de eerlijkste, de trouwste, de beste man van de wereld!” Hier werd hare verontwaardiging door droefheid overmeesterd, en zij brak snikkend af.„Het spijt mij, het spijt mij zeer,” zeide Louisa.„O mevrouw, mevrouw,” antwoordde Rachel, „ik hoop, dat het u spijt, maar ik weet het niet! Ik kan niet zeggen wat gij misschien gedaan hebt! Menschen als gij kennen ons niet, geven niet om ons, behooren niet tot ons. Ik weet niet waarom gij dien avond misschien gekomen zijt. Ik kan niet anders zeggen, of gij zult misschien uwe eigene oogmerken daarmede gehad hebben, zonder u te bekommeren om de ongelegenheid, waarin gij zoo iemand als dien armen man zoudt brengen. Ik zeide toen: God zegene u, dat gij gekomen zijt; en dat zeide ik met al mijn hart, omdat gij zooveel medelijden met hem scheent te hebben; maar nu weet ik het niet, nu weet ik het niet.”Louisa was niet in staat om haar over haar onbillijk vermoeden te misprijzen; haar vast vertrouwen op haar vriend en hare innige droefheid strekten haar tot voldoende verontschuldiging.„En als ik bedenk,” zeide Rachel tusschen haar snikken door, „dat de arme man zoo dankbaar was en dacht, dat gij zoo goed voor hem waart—als ik bedenk, dat hij zijne hand voor zijn gezicht hield om de tranen te verbergen, die gij hem in de oogen hadt gebracht—o, dan hoop ik dat het u spijten mag, en dat gij geene grootere reden tot spijt moogt hebben; maar ik weet het niet, ik weet het niet.”„Het staat u mooi,” bromde de hondsvot, in zijn donkeren hoek onrustig heen en weer schuivende, „om met zulke lasterlijke praatjes aan te komen. Gij moest terstond de deur worden uitgesmeten; dat zou niet meer zijn dan gij verdient.”Zij gaf geen antwoord hierop, en haar zacht schreien was het eenige geluid dat men hoorde, totdat mijnheer Bounderby het woord nam.„Komaan,” zeide hij, „gij weet waartoe gij u verbonden hebt. Denk liever daarom en niet om wat anders.”„Het spijt mij waarlijk,” antwoordde Rachel, hare oogen afdrogende, „dat iemand mij zoo gezien heeft, maar men zal mij niet weder zoo zien. Mevrouw, toen ik gelezen had wat er van Stephen gedrukt is—en dat evenveel waarheid bevat alsof het van u gezegd was—ben ik rechtstreeks naar het kantoor gegaan, om te zeggen dat ik wist waar Stephen was, en voor vast en zeker te beloven, dat hij over twee dagen hier zou zijn. Ik kon mijnheer Bounderby toen niet spreken en uw broeder zond mij weg; en toen zocht ik u op, maar gij waart niet te vinden, en zoo ging ik weder naar mijn werk. Zoodra ik van avond uit de fabriek kwam, haastte ik mij om te hooren wat er van Stephen gezegd werd—want ik weet, dat hij met glans zal terugkomen om dat gerucht te schande te maken—en toen ging ik weer om mijnheer Bounderby op te zoeken, en ik vond hem en zeide hem al wat ik wist; en hij geloofde niets van wat ik zeide en bracht mij hier.”„Zoo ver is alles waar,” zeide Bounderby, met de handen in de zakken en den hoed op het hoofd. „Maar ik ken ulieden langer dan vandaag, moet ge weten, en ik weet, dat gij uit gebrek aan praatjes nooit sterven zult. Maar nu raad ik u niet zooveel aan praten te denken als aan handelen. Gij hebt op u genomen iets te doen, en al wat ik voor het oogenblik te zeggen heb, is—doe het.”„Ik heb dezen namiddag met de post aan Stephen geschreven, gelijk ik vroeger nog eens aan hem geschreven heb,” antwoordde Rachel, „en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn.”„Dan zal ik u eens wat zeggen,” liet Bounderby hierop volgen. „Gij weet misschien niet, dat men nu en dan ook op u gepast heeft, daar men u niet vrij van verdenking hield, omdat de menschen meestal beoordeeld worden naar het gezelschap waarin zij verkeeren. Het postkantoor is ook niet vergeten geworden. Wat ik u nu zeg, is, dat er nooit een brief aan Stephen Blackpool door u verzonden is. Waar dus uw brief gebleven is, moet gij zelf maar raden. Misschien vergist gij u en hebt gij er nooit een geschreven.”„Hij was nog geene week hier vandaan geweest, mevrouw,” zeide Rachel, zich naar Louisa keerende, alsof zij zich op deze wilde beroepen, „of hij zond den eenigen brief, dien ik ooit van hem gehad heb, om mij te zeggen, dat hij genoodzaaktwas onder een anderen naam werk te zoeken.”„Zoo waarachtig!” riep Bounderby uit, nadat hij fluitende zijn hoofd had geschud, „heeft hij zijn naam veranderd! Dat is eenigszins ongelukkig voor zulk een onberispelijk persoon. Het wordt in ons gerechtshof een weinigje verdacht gehouden, geloof ik, als een onschuldig man toevallig verscheidene namen heeft.”„NU, CECILIA, IK VRAAG NAAR GEEN GEHEIM, MAAR IK GELOOF, DAT IK DEZE DAME TOCH VOOR DE JONGE JUFFROUW VAN DEN JONKER MAG HOUDEN.” (Blz. 135).„NU, CECILIA, IK VRAAG NAAR GEEN GEHEIM, MAAR IK GELOOF, DAT IK DEZE DAME TOCH VOOR DE JONGE JUFFROUW VAN DEN JONKER MAG HOUDEN.”(Blz. 135).„In naam der barmhartigheid, mevrouw,” zeide Rachel, wederom met tranen in de oogen, „wat zou de arme man doen? De meesters tegen hem aan den eenen kant, de werklieden aan den anderen, terwijl hij niets anders verlangde dan in vrede te werken en te mogen doen wat hij voor recht hield. Kan iemand dan geene eigene ziel, geen eigen geweten hebben? Moet hij het, door goed en kwaad heen, geheel met den eenen of met den anderen kant houden, of anders gejaagd worden als een haas?”„Waarlijk, ik beklaag hem met al mijn hart,” zeide Louisa, „en ik hoop, dat hij zich zal kunnen zuiveren.”„Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn, mevrouw. Hij is veilig.”„Des te veiliger zou ik denken,” zeide Bounderby, „omdat gij niet wilt zeggen waar hij is, niet waar?”„Hij zal door mijn bedrijf niet terugkomen met de onverdiende schande van teruggebracht te worden. Hij zal vrijwillig terugkomen om zich te zuiveren, en om allen, die zijn goeden naam beklad hebben, terwijl hij er niet was om zich te verdedigen, te schande te maken. Ik heb hem gezegd wat er tegen hem gedaan is,” zeide Rachel, op wier gemoed alle vertrouwen afstuitte, gelijk de golven der zee op eene rots, „en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn.”„Evenwel,” liet Bounderby hierop volgen, „als hij vroeger gepakt kan worden, zal hij ook vroeger gelegenheid hebben om zich te zuiveren. Wat u betreft, ik heb niets tegen u; wat gij mij zijt komen zeggen, blijkt de waarheid te zijn, en ik heb u gelegenheid gegeven om te bewijzen, dat het de waarheid was, en daar mede is het afgedaan. Ik wensch u allen goedenavond. Ik moet weg om dit wat nader te onderzoeken.”Zoodra mijnheer Bounderby zich omkeerde, kwam Tom uit zijn hoek, bleef dicht bij hem en ging met hem heen. De eenige afscheidsgroet, dien hij voor iemand over had, was een stuursch: „Goedenavond, vader!” Met dat korte gezegde en een donkeren blik naar zijne zuster, verliet hij het huis.Sedert zijn plechtanker hem begeven had, wasmijnheer Gradgrind zeer karig met woorden geweest. Hij bleef nog stil zitten, toen Louisa vriendelijk zeide:„Rachel, gij zult mij eens niet meer wantrouwen, als gij mij beter kent.”„Het stuit mij tegen de borst,” antwoordde Rachel op zachter toon dan vroeger, „iemand te moeten wantrouwen; maar als ik zoo gewantrouwd werd—als wij het allen worden—kan ik zulke dingen niet geheel uit het hoofd zetten. Ik vraag u verschooning, dat ik u beleedigd heb. Ik geloof nu niet meer wat ik zoo even zeide. Maar ik zou wel weder zoo kunnen gaan gelooven, als die arme man zoo verongelijkt wordt.”„Hebt gij hem in uw brief gezegd,” vroeg Sissy, „dat men vermoeden op hem heeft gekregen, omdat men hem des avonds bij het kantoor had gezien? Hij zou dan weten wat hij zou moeten ophelderen als hij terugkwam, en daarop voorbereid zijn.”„Ja, lieve juffrouw,” antwoordde zij, „maar ik kan niet raden wat hem daar heeft doen komen. Hij placht nooit daarheen te gaan. Het was geheel niet in zijn weg. Zijn weg was dezelfde als de mijne, en niet daar voorbij.”Sissy was reeds naar haar toegekomen, om haar te vragen waar zij woonde, en of zij morgenavond mocht komen vernemen of er tijding van hem was.„Ik twijfel,” antwoordde Rachel, „of hij vóór overmorgen wel hier kan zijn.”„Dan zal ik ook overmorgenavond komen,” zeide Sissy.Toen Rachel hierin had toegestemd en vertrokken was, hief mijnheer Gradgrind zijn hoofd op en zeide tot zijne dochter:„Louisa, kindlief, ik heb nooit, zooveel ik weet, dien man gezien. Gelooft gij, dat hij er in betrokken is?”„Ik heb er, meen ik, vroeger wel aan geloofd, vader, hoewel met veel moeite. Maar nu geloof ik het niet meer.”„Dat wil zeggen, dat gij u zelve eens overreed hebt om het te gelooven, omdat gij wist dat hij verdacht werd. Zijn voorkomen en manier van doen—zijn die zoo eerlijk?”„Bijzonder eerlijk.”„En haar vertrouwen op hem was zoo ongeschokt! Ik denk bij mij zelven,” zeide mijnheer Gradgrind peinzende, „zou de werkelijke misdadiger van die beschuldigingen weten? Waar is hij? Wie is hij?”Zijn haar was sedert kort begonnen van kleur te veranderen; en toen hij weder met het hoofd in de hand bleef zitten, zoo verouderd en vergrijsd, kwam Louisa, met een blik vol vrees en medelijden, haastig naar hem toe en zette zich dicht naast hem. Bij toeval ontmoetten hare oogen juist die van Sissy. Het goede meisje werd rood van schrik, en Louisa legde haar voorvinger op hare lippen.Toen Sissy den volgenden avond weder thuis kwam en Louisa berichtte, dat Stephen nog niet gekomen was, deed zij dit fluisterend. Den avond daarna, toen zij met dezelfde tijding thuis kwam, en er bijvoegde dat men niet van hem gehoord had, deed zij dit even zacht en angstig. Van het oogenblik af, dat zij dien blik hadden gewisseld, noemden zij nooit weder overluid zijn naam, en spraken zij nooit verder over den diefstal, wanneer mijnheer Gradgrind daarvan begon melding te maken.De twee bepaalde dagen verliepen; drie dagen en nachten verliepen, en Stephen Blackpool kwam niet en liet niets van zich hooren. Op den vierden dag ging Rachel, wier vertrouwen ongeschokt bleef, maar die begreep dat haar brief niet terecht was gekomen, naar het kantoor en liet daar den brief zien, dien zij vroeger van hem had ontvangen en waarin zijn adres was opgegeven in een fabriekplaatsje, dat zestig mijlen ver en niet aan den grooten weg lag. Er werden lieden naar die plaats gezonden, en de geheele stad verwachtte, dat Stephen den volgenden dag opgebracht zou worden.Gedurende dien geheelen tijd had de hondsvot mijnheer Bounderby als zijne schaduw vergezeld en in alles wat hij deed geholpen. Hij was in eene geweldige spanning, zeer koortsig, beet zijne nagels tot op het vleesch toe weg, en sprak met eene harde, ratelende stem en met droge, als het ware verschroeide lippen. Op het uur, dat de verdachte verwacht werd, was de hondsvot aan het station, en wilde wedden dat hij zich uit de voeten had gemaakt vóór de komst van hen, die hem waren gaan zoeken, en dat hij dus niet zou verschijnen.De hondsvot had gelijk. De afgezondenen kwamen alleen terug. Rachel’s brief was verzonden en bezorgd; maar Stephen Blackpool had zich op hetzelfde uur te zoek gemaakt en niemand wist iets meer van hem. De eenige twijfel, dien men teCoketownkoesterde, was, of Rachel wel te goeder trouw geschreven had om er op aan te dringen dat hij zou terugkomen, of dat zij hem had gewaarschuwd de vlucht te nemen. Daaromtrent waren de gevoelens verdeeld.Zes dagen, zeven dagen, ver in eene volgende week. De rampzalige hondsvot vatte moed—een akeligen moed—en begon brutaal te worden. „Wasde verdachte kerel de dief? Mooie vraag! Zoo niet, waar was de man dan en waarom kwam hij niet terug?”Waar was de man en waarom kwam hij niet terug? In het holste van den nacht kwam de weerklank van deze zijne woorden, die over dag de Hemel weet hoe ver weggevlogen waren, in plaats van den man terug, en hield hem gezelschap tot aan den ochtend.

XXXII.VERLOREN.

De zaak van den diefstal in het kantoor was intusschen niet uit het oog verloren en hield ook nu niet op eene eerste plaats in de aandacht van den voornaamsten deelhebber aan dat etablissement te beslaan. Om als een uitstekend man, die zich zelven tot een man gemaakt had, als een commercieel wonder, meer bewonderenswaardig dan Venus, daar hij uit het slijk in plaats van uit de zee was opgerezen, een brallend bewijs van zijne voortvarendheid en werkzaamheid te geven, wilde hij toonen hoe weinig zijne huiselijke aangelegenheden zijn ijver voor zijne beroepszaken konden verzwakken. In de eerste weken na de scheiding van zijne vrouw was hij dus nog woeliger, luidruchtiger en ongeduldiger dan gewoonlijk, en dagelijks maakte hij zooveel beweging over het onderzoek naar den diefstal, dat de politiebeambten, wien hij de zaak in handen had gegeven, bijna wenschten, dat zij maar nooit gepleegd was.Bovendien waren zij geheel van het spoor en wisten niet wat te doen. Hoewel zij zich sedert lang zoo stil hadden gehouden, dat de meeste menschen dachten dat zij de zaak als hopeloos hadden laten varen, was er niets nieuws voorgevallen. Niemand, die in het geval betrokken was, vatte ontijdig moed tot een stap, waardoor hij zich zelven verried, en wat nog opmerkelijker was, men kon niets van Stephen Blackpool vernemen, en de geheimzinnige oude vrouw bleef een raadsel.Nu de zaken zoover waren gekomen en het scheen, dat men op deze manier niet verder zou vorderen, kwam Bounderby tot het besluit om een stouten maatregel te wagen. Hij liet een aanplakbiljet drukken, om eene belooning van twintig pond uit te loven voor den aanbrenger van Stephen Blackpool, verdacht van medeplichtigheid aan den diefstal, die in het kantoor was gepleegd. Hij beschreef den genoemden Stephen Blackpool—zijne kleeding, kleur, lengte (naar gissing) en voorkomen—zoo nauwkeurig mogelijk, vermeldde wanneer hij de stad had verlaten en waar men hem het laatst had gezien en liet het reusachtige, met groote zwarte letters bedrukte blad in het holle van den nacht overal aanplakken, zoodat het de geheele bevolking op eens onder de oogen moest komen en met verbazing vervullen.De werkklokken der fabrieken moesten dien ochtend veel harder luiden dan anders, om de groepen werklieden te verstrooien, die bij deze plakkaten bleven staan en ze met gretige oogen verslonden. Niet de minst gretigen van die vergaderde oogen waren de oogen van hen, die niet konden lezen. Terwijl deze lieden naar de vriendschappelijke stem luisterden, die hardop voorlas—en zulk eene hulp was overal gereed—staarden zij de letters, die zooveel te beduiden hadden, met zekere vreesachtige verwondering en eerbied aan, die bijna comisch zouden zijn geweest, indien eenig blijk van zulke algemeene onkunde ooit anders dan dreigend en onheilspellend kon wezen. Uren later, onder het draaien van spillen, het kletteren van weefgetouwen en het snorren van raderen, hadden zij die plakkaten nog voor de oogen en klonken de woorden hun nog in de ooren; en toen de arbeiders des middags naar huis gingen, waren er wederom evenveel lezers als in den ochtend.Slackbridge, de afgevaardigde, moest dien avond in eene vergadering het woord voeren, en verschafte zich bij den drukker een overgeschoten biljet, dat hij in zijn zak medebracht. O, mijne vrienden en landgenooten, in het stof vertredene werklieden vanCoketown, o mijne medebroeders, medearbeiders, medeburgers en medemenschen, welke oogen zette men op, toen Slackbridge dat „doemvonnis”, gelijk hij het noemde, openvouwde, en ter verfoeiing der vergadering omhoog hield.„O, mijne medemenschen, ziet waartoe een verrader in het leger dier edele geesten, die hunne namen op de heilige rol der vereeniging hebben laten inschrijven, in staat is! O, mijne bejammerenswaardige vrienden, die het knellend juk van dwingelanden op den hals voelt, die door den ijzeren voet der tirannie in het stof der aarde wordt vertreden, waarin uwe onderdrukkers u gaarne al de dagen van uw leven op den buik zien kruipen gelijk de slang in den hof—o mijne broeders, en zal ik als een man ook niet zeggen, o mijne zusters,wat zegt gij nu van Stephen Blackpool, een weinig rond van schouders en ongeveer vijf voet zeven duim lang, gelijk in dit vernederende, dit walgelijke, dit schandvlekkende, dit verfoeielijke papier te lezen staat; en met welk eene majesteit van ontwaardiging zult gij de adder verpletteren, die zulk eene schande zou willen brengen over het naar Gods beeld geschapene geslacht, dat hem gelukkig voor eeuwig heeft uitgebannen! Ja, mijne lotgenooten, gelukkig hebt gij hem van u afgezonderd en uitgebannen! Want gij herinnert u wel, hoe hij hier op dit spreekgestoelte voor u stond; gij herinnert u, hoe ik hem toen, van aangezicht tot aangezicht en voet voor voet, door al zijne ingewikkelde kronkelpaden volgde; gij herinnert u, hoe hij zich wond en wrong, hoe hij woordenziftteen haarkloofde, tot hij geen duim breed gronds meer had om zich aan vast te klampen, en ik hem uitdreef van onder ons, als een voorwerp van eeuwigdurenden smaad, van wrekend verdelgende, zengende en brandende verfoeiing voor ieder vrij gemoed en elken denkenden geest! En nu, mijne vrienden—mijne arbeidende vrienden—want ik verheug en beroem mij in dien scheldnaam van werkman—mijne vrienden, wier hard, maar eerlijk bed door noesten arbeid wordt gespreid, wier schrale, maar vrije pot in diepen druk wordt gekookt; en nu, zeg ik, mijne vrienden, welken naam heeft die lafhartige verrader zich zelven gegeven, nu hij, met het masker van het aangezicht gerukt, in al zijne aangeborene wanstaltigheid voor ons staat—wat is hij nu? Een dief! Een roover! Vogelvrij verklaarde vluchteling, op wiens hoofd een prijs gezet is; een vuile kanker voor den edelen naam der werklieden vanCoketown! Daarom, mijn kring van broederen in een heilig verbond, waaronder uwe kinderen en uwe nog ongeborene kindskinderen reeds hand en zegel hebben gezet, doe ik u, uit last van het vereenigd gemeenschappelijk Tribunaal, altijd waakzaam en ijverig voor uw welzijn, het voorstel, dat deze vergadering zal besluiten: Dat, dewijl de wever Stephen Blackpool, in dit plakkaat bedoeld, alreeds door de vereeniging der fabriekarbeiders vanCoketownplechtig is uitgebannen, deze arbeiders vrij zijn van de schande zijner wanbedrijven en hunne klasse de schuld niet kan dragen van zijne oneerlijke handelingen.”Slackbridge zweeg nu, nadat hij zich buiten adem en in het zweet had geschreeuwd. Eenige weinige ernstige stemmen riepen: „Neen!” en toen een man zeide: „Slackbridge, ge zijt al te overijld daarin; ge haast u veel te veel!” riepen eenige anderen goedkeurend: „Hoor, hoor!” Maar dit waren slechts enkelen tegen een geheel leger; de vergadering bleekdewoorden van Slackbridge algemeen voor een evangelie te houden, en beantwoordde hem met een driewerf herhaald gejuich, hetwelk hij met hijgend welgevallen aanhoorde.Deze lieden waren nog op straat en gingen stil naar huis, toen Sissy, die eenige minuten vroeger van Louisa was weggeroepen, weder bij haar kwam.„Wie is er?” vroeg Louisa.„Het is mijnheer Bounderby,” antwoordde Sissy, beschroomd om dien naam uit te spreken,„en mijnheer Tom, en eene jonge vrouw, die zegt dat zij Rachel heet, en dat gij haar kent.”„Wat willen ze hebben, lieve Sissy?”„Zij willen u spreken; Rachel heeft geschreid en schijnt boos te zijn.”„Vader,” zeide Louisa, want hij was in de kamer, „ik kan niet weigeren hen te zien, om eene reden die ik zelf verklaren zal. Mogen zij hier binnenkomen?”Toen hij toestemmend antwoordde, ging Sissy hen halen en kwam terstond met hen terug. Tom was de laatste en bleef in het donkerste gedeelte van het vertrek, vlak bij de deur staan.„Mevrouw Bounderby,” zeide haar echtgenoot, met een koel knikje binnenkomende, „ik stoor u niet, hoop ik. Het is een onbehoorlijk uur, maar hier is eene jonge vrouw, die verklaringen heeft gedaan, welke mijn bezoek noodzakelijk maken. Tom Gradgrind, daar uw zoon, de jonge Tom, om eene of andere reden hardnekkig weigert om iets hoegenaamd, goed of kwaad, over die verklaringen te zeggen, ben ik genoodzaakt haar met uw dochter te confronteeren.”„Gij hebt mij vroeger nog eens gezien, mevrouw,” zeide Rachel, zich vlak voor Louisa plaatsende.Tom kuchte.„Gij hebt mij vroeger nog eens gezien,” herhaalde Rachel, toen Louisa geen antwoord gaf.Tom kuchte nog eens.„Ja, dat heb ik,” zeide Louisa nu.Rachel sloeg met fierheid hare oogen naar Bounderby op en zeide toen: „Wilt gij nu ook bekend maken, mevrouw, waar dat was en wie daar waren?”„Ik ging naar het huis, waar Stephen Blackpool op een bovenkamer woonde, op den avond toen hij was afgedankt, en zag u daar. Hij was daar ook; en eene oude vrouw, die niet sprak, en die ik ternauwernood kon zien, stond in een hoek. Mijn broeder was bij mij.”„Waarom kondt gij dat niet zeggen, Tom?” vroeg Bounderby.„Ik had mijne zuster beloofd, dat ik het niet zou doen.” En toen Louisa dit haastig bevestigd had, vervolgde de hondsvot met bitterheid: „En bovendien, als zij hare eigene historie zoo goed—en zoo volledig—vertelt, wat had ik haar die dan uit den mond te nemen?”„Zeg nu, mevrouw, als het u belieft,” hervatte Rachel, „waarom gij tot zijn ongeluk dien avond bij Stephen zijt gekomen?”„Ik had medelijden met hem,” antwoordde Louisa met verhoogde kleur, „en ik wenschte te weten wat hij zou gaan doen en hem mijne hulp aan te bieden.”„Dank je wel, mevrouw,” viel Bounderby hierop in. „Zeer vereerd en verplicht.”„Hebt gij hem toen eene banknoot aangeboden?” hervatte Rachel.„Ja, maar hij weigerde die en wilde niet meer dan twee pond in goud aannemen.”Rachel sloeg hare oogen weder naar mijnheer Bounderby op.„O ja wel,” zeide Bounderby. „Als gij vragen wilt of uw belachelijk en onwaarschijnlijk bericht waar was of niet, moet ik zeggen, dat het nu bevestigd is.”„Mevrouw,” hervatte Rachel, „Stephen Blackpool wordt nu in een gedrukt papier door de geheele stad, en waar niet al meer, openlijk een dief genoemd. Er is van avond eene vergadering geweest, waar men op dezelfde schandelijke manier over hem gesproken heeft. Stephen—de eerlijkste, de trouwste, de beste man van de wereld!” Hier werd hare verontwaardiging door droefheid overmeesterd, en zij brak snikkend af.„Het spijt mij, het spijt mij zeer,” zeide Louisa.„O mevrouw, mevrouw,” antwoordde Rachel, „ik hoop, dat het u spijt, maar ik weet het niet! Ik kan niet zeggen wat gij misschien gedaan hebt! Menschen als gij kennen ons niet, geven niet om ons, behooren niet tot ons. Ik weet niet waarom gij dien avond misschien gekomen zijt. Ik kan niet anders zeggen, of gij zult misschien uwe eigene oogmerken daarmede gehad hebben, zonder u te bekommeren om de ongelegenheid, waarin gij zoo iemand als dien armen man zoudt brengen. Ik zeide toen: God zegene u, dat gij gekomen zijt; en dat zeide ik met al mijn hart, omdat gij zooveel medelijden met hem scheent te hebben; maar nu weet ik het niet, nu weet ik het niet.”Louisa was niet in staat om haar over haar onbillijk vermoeden te misprijzen; haar vast vertrouwen op haar vriend en hare innige droefheid strekten haar tot voldoende verontschuldiging.„En als ik bedenk,” zeide Rachel tusschen haar snikken door, „dat de arme man zoo dankbaar was en dacht, dat gij zoo goed voor hem waart—als ik bedenk, dat hij zijne hand voor zijn gezicht hield om de tranen te verbergen, die gij hem in de oogen hadt gebracht—o, dan hoop ik dat het u spijten mag, en dat gij geene grootere reden tot spijt moogt hebben; maar ik weet het niet, ik weet het niet.”„Het staat u mooi,” bromde de hondsvot, in zijn donkeren hoek onrustig heen en weer schuivende, „om met zulke lasterlijke praatjes aan te komen. Gij moest terstond de deur worden uitgesmeten; dat zou niet meer zijn dan gij verdient.”Zij gaf geen antwoord hierop, en haar zacht schreien was het eenige geluid dat men hoorde, totdat mijnheer Bounderby het woord nam.„Komaan,” zeide hij, „gij weet waartoe gij u verbonden hebt. Denk liever daarom en niet om wat anders.”„Het spijt mij waarlijk,” antwoordde Rachel, hare oogen afdrogende, „dat iemand mij zoo gezien heeft, maar men zal mij niet weder zoo zien. Mevrouw, toen ik gelezen had wat er van Stephen gedrukt is—en dat evenveel waarheid bevat alsof het van u gezegd was—ben ik rechtstreeks naar het kantoor gegaan, om te zeggen dat ik wist waar Stephen was, en voor vast en zeker te beloven, dat hij over twee dagen hier zou zijn. Ik kon mijnheer Bounderby toen niet spreken en uw broeder zond mij weg; en toen zocht ik u op, maar gij waart niet te vinden, en zoo ging ik weder naar mijn werk. Zoodra ik van avond uit de fabriek kwam, haastte ik mij om te hooren wat er van Stephen gezegd werd—want ik weet, dat hij met glans zal terugkomen om dat gerucht te schande te maken—en toen ging ik weer om mijnheer Bounderby op te zoeken, en ik vond hem en zeide hem al wat ik wist; en hij geloofde niets van wat ik zeide en bracht mij hier.”„Zoo ver is alles waar,” zeide Bounderby, met de handen in de zakken en den hoed op het hoofd. „Maar ik ken ulieden langer dan vandaag, moet ge weten, en ik weet, dat gij uit gebrek aan praatjes nooit sterven zult. Maar nu raad ik u niet zooveel aan praten te denken als aan handelen. Gij hebt op u genomen iets te doen, en al wat ik voor het oogenblik te zeggen heb, is—doe het.”„Ik heb dezen namiddag met de post aan Stephen geschreven, gelijk ik vroeger nog eens aan hem geschreven heb,” antwoordde Rachel, „en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn.”„Dan zal ik u eens wat zeggen,” liet Bounderby hierop volgen. „Gij weet misschien niet, dat men nu en dan ook op u gepast heeft, daar men u niet vrij van verdenking hield, omdat de menschen meestal beoordeeld worden naar het gezelschap waarin zij verkeeren. Het postkantoor is ook niet vergeten geworden. Wat ik u nu zeg, is, dat er nooit een brief aan Stephen Blackpool door u verzonden is. Waar dus uw brief gebleven is, moet gij zelf maar raden. Misschien vergist gij u en hebt gij er nooit een geschreven.”„Hij was nog geene week hier vandaan geweest, mevrouw,” zeide Rachel, zich naar Louisa keerende, alsof zij zich op deze wilde beroepen, „of hij zond den eenigen brief, dien ik ooit van hem gehad heb, om mij te zeggen, dat hij genoodzaaktwas onder een anderen naam werk te zoeken.”„Zoo waarachtig!” riep Bounderby uit, nadat hij fluitende zijn hoofd had geschud, „heeft hij zijn naam veranderd! Dat is eenigszins ongelukkig voor zulk een onberispelijk persoon. Het wordt in ons gerechtshof een weinigje verdacht gehouden, geloof ik, als een onschuldig man toevallig verscheidene namen heeft.”„NU, CECILIA, IK VRAAG NAAR GEEN GEHEIM, MAAR IK GELOOF, DAT IK DEZE DAME TOCH VOOR DE JONGE JUFFROUW VAN DEN JONKER MAG HOUDEN.” (Blz. 135).„NU, CECILIA, IK VRAAG NAAR GEEN GEHEIM, MAAR IK GELOOF, DAT IK DEZE DAME TOCH VOOR DE JONGE JUFFROUW VAN DEN JONKER MAG HOUDEN.”(Blz. 135).„In naam der barmhartigheid, mevrouw,” zeide Rachel, wederom met tranen in de oogen, „wat zou de arme man doen? De meesters tegen hem aan den eenen kant, de werklieden aan den anderen, terwijl hij niets anders verlangde dan in vrede te werken en te mogen doen wat hij voor recht hield. Kan iemand dan geene eigene ziel, geen eigen geweten hebben? Moet hij het, door goed en kwaad heen, geheel met den eenen of met den anderen kant houden, of anders gejaagd worden als een haas?”„Waarlijk, ik beklaag hem met al mijn hart,” zeide Louisa, „en ik hoop, dat hij zich zal kunnen zuiveren.”„Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn, mevrouw. Hij is veilig.”„Des te veiliger zou ik denken,” zeide Bounderby, „omdat gij niet wilt zeggen waar hij is, niet waar?”„Hij zal door mijn bedrijf niet terugkomen met de onverdiende schande van teruggebracht te worden. Hij zal vrijwillig terugkomen om zich te zuiveren, en om allen, die zijn goeden naam beklad hebben, terwijl hij er niet was om zich te verdedigen, te schande te maken. Ik heb hem gezegd wat er tegen hem gedaan is,” zeide Rachel, op wier gemoed alle vertrouwen afstuitte, gelijk de golven der zee op eene rots, „en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn.”„Evenwel,” liet Bounderby hierop volgen, „als hij vroeger gepakt kan worden, zal hij ook vroeger gelegenheid hebben om zich te zuiveren. Wat u betreft, ik heb niets tegen u; wat gij mij zijt komen zeggen, blijkt de waarheid te zijn, en ik heb u gelegenheid gegeven om te bewijzen, dat het de waarheid was, en daar mede is het afgedaan. Ik wensch u allen goedenavond. Ik moet weg om dit wat nader te onderzoeken.”Zoodra mijnheer Bounderby zich omkeerde, kwam Tom uit zijn hoek, bleef dicht bij hem en ging met hem heen. De eenige afscheidsgroet, dien hij voor iemand over had, was een stuursch: „Goedenavond, vader!” Met dat korte gezegde en een donkeren blik naar zijne zuster, verliet hij het huis.Sedert zijn plechtanker hem begeven had, wasmijnheer Gradgrind zeer karig met woorden geweest. Hij bleef nog stil zitten, toen Louisa vriendelijk zeide:„Rachel, gij zult mij eens niet meer wantrouwen, als gij mij beter kent.”„Het stuit mij tegen de borst,” antwoordde Rachel op zachter toon dan vroeger, „iemand te moeten wantrouwen; maar als ik zoo gewantrouwd werd—als wij het allen worden—kan ik zulke dingen niet geheel uit het hoofd zetten. Ik vraag u verschooning, dat ik u beleedigd heb. Ik geloof nu niet meer wat ik zoo even zeide. Maar ik zou wel weder zoo kunnen gaan gelooven, als die arme man zoo verongelijkt wordt.”„Hebt gij hem in uw brief gezegd,” vroeg Sissy, „dat men vermoeden op hem heeft gekregen, omdat men hem des avonds bij het kantoor had gezien? Hij zou dan weten wat hij zou moeten ophelderen als hij terugkwam, en daarop voorbereid zijn.”„Ja, lieve juffrouw,” antwoordde zij, „maar ik kan niet raden wat hem daar heeft doen komen. Hij placht nooit daarheen te gaan. Het was geheel niet in zijn weg. Zijn weg was dezelfde als de mijne, en niet daar voorbij.”Sissy was reeds naar haar toegekomen, om haar te vragen waar zij woonde, en of zij morgenavond mocht komen vernemen of er tijding van hem was.„Ik twijfel,” antwoordde Rachel, „of hij vóór overmorgen wel hier kan zijn.”„Dan zal ik ook overmorgenavond komen,” zeide Sissy.Toen Rachel hierin had toegestemd en vertrokken was, hief mijnheer Gradgrind zijn hoofd op en zeide tot zijne dochter:„Louisa, kindlief, ik heb nooit, zooveel ik weet, dien man gezien. Gelooft gij, dat hij er in betrokken is?”„Ik heb er, meen ik, vroeger wel aan geloofd, vader, hoewel met veel moeite. Maar nu geloof ik het niet meer.”„Dat wil zeggen, dat gij u zelve eens overreed hebt om het te gelooven, omdat gij wist dat hij verdacht werd. Zijn voorkomen en manier van doen—zijn die zoo eerlijk?”„Bijzonder eerlijk.”„En haar vertrouwen op hem was zoo ongeschokt! Ik denk bij mij zelven,” zeide mijnheer Gradgrind peinzende, „zou de werkelijke misdadiger van die beschuldigingen weten? Waar is hij? Wie is hij?”Zijn haar was sedert kort begonnen van kleur te veranderen; en toen hij weder met het hoofd in de hand bleef zitten, zoo verouderd en vergrijsd, kwam Louisa, met een blik vol vrees en medelijden, haastig naar hem toe en zette zich dicht naast hem. Bij toeval ontmoetten hare oogen juist die van Sissy. Het goede meisje werd rood van schrik, en Louisa legde haar voorvinger op hare lippen.Toen Sissy den volgenden avond weder thuis kwam en Louisa berichtte, dat Stephen nog niet gekomen was, deed zij dit fluisterend. Den avond daarna, toen zij met dezelfde tijding thuis kwam, en er bijvoegde dat men niet van hem gehoord had, deed zij dit even zacht en angstig. Van het oogenblik af, dat zij dien blik hadden gewisseld, noemden zij nooit weder overluid zijn naam, en spraken zij nooit verder over den diefstal, wanneer mijnheer Gradgrind daarvan begon melding te maken.De twee bepaalde dagen verliepen; drie dagen en nachten verliepen, en Stephen Blackpool kwam niet en liet niets van zich hooren. Op den vierden dag ging Rachel, wier vertrouwen ongeschokt bleef, maar die begreep dat haar brief niet terecht was gekomen, naar het kantoor en liet daar den brief zien, dien zij vroeger van hem had ontvangen en waarin zijn adres was opgegeven in een fabriekplaatsje, dat zestig mijlen ver en niet aan den grooten weg lag. Er werden lieden naar die plaats gezonden, en de geheele stad verwachtte, dat Stephen den volgenden dag opgebracht zou worden.Gedurende dien geheelen tijd had de hondsvot mijnheer Bounderby als zijne schaduw vergezeld en in alles wat hij deed geholpen. Hij was in eene geweldige spanning, zeer koortsig, beet zijne nagels tot op het vleesch toe weg, en sprak met eene harde, ratelende stem en met droge, als het ware verschroeide lippen. Op het uur, dat de verdachte verwacht werd, was de hondsvot aan het station, en wilde wedden dat hij zich uit de voeten had gemaakt vóór de komst van hen, die hem waren gaan zoeken, en dat hij dus niet zou verschijnen.De hondsvot had gelijk. De afgezondenen kwamen alleen terug. Rachel’s brief was verzonden en bezorgd; maar Stephen Blackpool had zich op hetzelfde uur te zoek gemaakt en niemand wist iets meer van hem. De eenige twijfel, dien men teCoketownkoesterde, was, of Rachel wel te goeder trouw geschreven had om er op aan te dringen dat hij zou terugkomen, of dat zij hem had gewaarschuwd de vlucht te nemen. Daaromtrent waren de gevoelens verdeeld.Zes dagen, zeven dagen, ver in eene volgende week. De rampzalige hondsvot vatte moed—een akeligen moed—en begon brutaal te worden. „Wasde verdachte kerel de dief? Mooie vraag! Zoo niet, waar was de man dan en waarom kwam hij niet terug?”Waar was de man en waarom kwam hij niet terug? In het holste van den nacht kwam de weerklank van deze zijne woorden, die over dag de Hemel weet hoe ver weggevlogen waren, in plaats van den man terug, en hield hem gezelschap tot aan den ochtend.

De zaak van den diefstal in het kantoor was intusschen niet uit het oog verloren en hield ook nu niet op eene eerste plaats in de aandacht van den voornaamsten deelhebber aan dat etablissement te beslaan. Om als een uitstekend man, die zich zelven tot een man gemaakt had, als een commercieel wonder, meer bewonderenswaardig dan Venus, daar hij uit het slijk in plaats van uit de zee was opgerezen, een brallend bewijs van zijne voortvarendheid en werkzaamheid te geven, wilde hij toonen hoe weinig zijne huiselijke aangelegenheden zijn ijver voor zijne beroepszaken konden verzwakken. In de eerste weken na de scheiding van zijne vrouw was hij dus nog woeliger, luidruchtiger en ongeduldiger dan gewoonlijk, en dagelijks maakte hij zooveel beweging over het onderzoek naar den diefstal, dat de politiebeambten, wien hij de zaak in handen had gegeven, bijna wenschten, dat zij maar nooit gepleegd was.

Bovendien waren zij geheel van het spoor en wisten niet wat te doen. Hoewel zij zich sedert lang zoo stil hadden gehouden, dat de meeste menschen dachten dat zij de zaak als hopeloos hadden laten varen, was er niets nieuws voorgevallen. Niemand, die in het geval betrokken was, vatte ontijdig moed tot een stap, waardoor hij zich zelven verried, en wat nog opmerkelijker was, men kon niets van Stephen Blackpool vernemen, en de geheimzinnige oude vrouw bleef een raadsel.

Nu de zaken zoover waren gekomen en het scheen, dat men op deze manier niet verder zou vorderen, kwam Bounderby tot het besluit om een stouten maatregel te wagen. Hij liet een aanplakbiljet drukken, om eene belooning van twintig pond uit te loven voor den aanbrenger van Stephen Blackpool, verdacht van medeplichtigheid aan den diefstal, die in het kantoor was gepleegd. Hij beschreef den genoemden Stephen Blackpool—zijne kleeding, kleur, lengte (naar gissing) en voorkomen—zoo nauwkeurig mogelijk, vermeldde wanneer hij de stad had verlaten en waar men hem het laatst had gezien en liet het reusachtige, met groote zwarte letters bedrukte blad in het holle van den nacht overal aanplakken, zoodat het de geheele bevolking op eens onder de oogen moest komen en met verbazing vervullen.

De werkklokken der fabrieken moesten dien ochtend veel harder luiden dan anders, om de groepen werklieden te verstrooien, die bij deze plakkaten bleven staan en ze met gretige oogen verslonden. Niet de minst gretigen van die vergaderde oogen waren de oogen van hen, die niet konden lezen. Terwijl deze lieden naar de vriendschappelijke stem luisterden, die hardop voorlas—en zulk eene hulp was overal gereed—staarden zij de letters, die zooveel te beduiden hadden, met zekere vreesachtige verwondering en eerbied aan, die bijna comisch zouden zijn geweest, indien eenig blijk van zulke algemeene onkunde ooit anders dan dreigend en onheilspellend kon wezen. Uren later, onder het draaien van spillen, het kletteren van weefgetouwen en het snorren van raderen, hadden zij die plakkaten nog voor de oogen en klonken de woorden hun nog in de ooren; en toen de arbeiders des middags naar huis gingen, waren er wederom evenveel lezers als in den ochtend.

Slackbridge, de afgevaardigde, moest dien avond in eene vergadering het woord voeren, en verschafte zich bij den drukker een overgeschoten biljet, dat hij in zijn zak medebracht. O, mijne vrienden en landgenooten, in het stof vertredene werklieden vanCoketown, o mijne medebroeders, medearbeiders, medeburgers en medemenschen, welke oogen zette men op, toen Slackbridge dat „doemvonnis”, gelijk hij het noemde, openvouwde, en ter verfoeiing der vergadering omhoog hield.

„O, mijne medemenschen, ziet waartoe een verrader in het leger dier edele geesten, die hunne namen op de heilige rol der vereeniging hebben laten inschrijven, in staat is! O, mijne bejammerenswaardige vrienden, die het knellend juk van dwingelanden op den hals voelt, die door den ijzeren voet der tirannie in het stof der aarde wordt vertreden, waarin uwe onderdrukkers u gaarne al de dagen van uw leven op den buik zien kruipen gelijk de slang in den hof—o mijne broeders, en zal ik als een man ook niet zeggen, o mijne zusters,wat zegt gij nu van Stephen Blackpool, een weinig rond van schouders en ongeveer vijf voet zeven duim lang, gelijk in dit vernederende, dit walgelijke, dit schandvlekkende, dit verfoeielijke papier te lezen staat; en met welk eene majesteit van ontwaardiging zult gij de adder verpletteren, die zulk eene schande zou willen brengen over het naar Gods beeld geschapene geslacht, dat hem gelukkig voor eeuwig heeft uitgebannen! Ja, mijne lotgenooten, gelukkig hebt gij hem van u afgezonderd en uitgebannen! Want gij herinnert u wel, hoe hij hier op dit spreekgestoelte voor u stond; gij herinnert u, hoe ik hem toen, van aangezicht tot aangezicht en voet voor voet, door al zijne ingewikkelde kronkelpaden volgde; gij herinnert u, hoe hij zich wond en wrong, hoe hij woordenziftteen haarkloofde, tot hij geen duim breed gronds meer had om zich aan vast te klampen, en ik hem uitdreef van onder ons, als een voorwerp van eeuwigdurenden smaad, van wrekend verdelgende, zengende en brandende verfoeiing voor ieder vrij gemoed en elken denkenden geest! En nu, mijne vrienden—mijne arbeidende vrienden—want ik verheug en beroem mij in dien scheldnaam van werkman—mijne vrienden, wier hard, maar eerlijk bed door noesten arbeid wordt gespreid, wier schrale, maar vrije pot in diepen druk wordt gekookt; en nu, zeg ik, mijne vrienden, welken naam heeft die lafhartige verrader zich zelven gegeven, nu hij, met het masker van het aangezicht gerukt, in al zijne aangeborene wanstaltigheid voor ons staat—wat is hij nu? Een dief! Een roover! Vogelvrij verklaarde vluchteling, op wiens hoofd een prijs gezet is; een vuile kanker voor den edelen naam der werklieden vanCoketown! Daarom, mijn kring van broederen in een heilig verbond, waaronder uwe kinderen en uwe nog ongeborene kindskinderen reeds hand en zegel hebben gezet, doe ik u, uit last van het vereenigd gemeenschappelijk Tribunaal, altijd waakzaam en ijverig voor uw welzijn, het voorstel, dat deze vergadering zal besluiten: Dat, dewijl de wever Stephen Blackpool, in dit plakkaat bedoeld, alreeds door de vereeniging der fabriekarbeiders vanCoketownplechtig is uitgebannen, deze arbeiders vrij zijn van de schande zijner wanbedrijven en hunne klasse de schuld niet kan dragen van zijne oneerlijke handelingen.”

Slackbridge zweeg nu, nadat hij zich buiten adem en in het zweet had geschreeuwd. Eenige weinige ernstige stemmen riepen: „Neen!” en toen een man zeide: „Slackbridge, ge zijt al te overijld daarin; ge haast u veel te veel!” riepen eenige anderen goedkeurend: „Hoor, hoor!” Maar dit waren slechts enkelen tegen een geheel leger; de vergadering bleekdewoorden van Slackbridge algemeen voor een evangelie te houden, en beantwoordde hem met een driewerf herhaald gejuich, hetwelk hij met hijgend welgevallen aanhoorde.

Deze lieden waren nog op straat en gingen stil naar huis, toen Sissy, die eenige minuten vroeger van Louisa was weggeroepen, weder bij haar kwam.

„Wie is er?” vroeg Louisa.

„Het is mijnheer Bounderby,” antwoordde Sissy, beschroomd om dien naam uit te spreken,„en mijnheer Tom, en eene jonge vrouw, die zegt dat zij Rachel heet, en dat gij haar kent.”

„Wat willen ze hebben, lieve Sissy?”

„Zij willen u spreken; Rachel heeft geschreid en schijnt boos te zijn.”

„Vader,” zeide Louisa, want hij was in de kamer, „ik kan niet weigeren hen te zien, om eene reden die ik zelf verklaren zal. Mogen zij hier binnenkomen?”

Toen hij toestemmend antwoordde, ging Sissy hen halen en kwam terstond met hen terug. Tom was de laatste en bleef in het donkerste gedeelte van het vertrek, vlak bij de deur staan.

„Mevrouw Bounderby,” zeide haar echtgenoot, met een koel knikje binnenkomende, „ik stoor u niet, hoop ik. Het is een onbehoorlijk uur, maar hier is eene jonge vrouw, die verklaringen heeft gedaan, welke mijn bezoek noodzakelijk maken. Tom Gradgrind, daar uw zoon, de jonge Tom, om eene of andere reden hardnekkig weigert om iets hoegenaamd, goed of kwaad, over die verklaringen te zeggen, ben ik genoodzaakt haar met uw dochter te confronteeren.”

„Gij hebt mij vroeger nog eens gezien, mevrouw,” zeide Rachel, zich vlak voor Louisa plaatsende.

Tom kuchte.

„Gij hebt mij vroeger nog eens gezien,” herhaalde Rachel, toen Louisa geen antwoord gaf.

Tom kuchte nog eens.

„Ja, dat heb ik,” zeide Louisa nu.

Rachel sloeg met fierheid hare oogen naar Bounderby op en zeide toen: „Wilt gij nu ook bekend maken, mevrouw, waar dat was en wie daar waren?”

„Ik ging naar het huis, waar Stephen Blackpool op een bovenkamer woonde, op den avond toen hij was afgedankt, en zag u daar. Hij was daar ook; en eene oude vrouw, die niet sprak, en die ik ternauwernood kon zien, stond in een hoek. Mijn broeder was bij mij.”

„Waarom kondt gij dat niet zeggen, Tom?” vroeg Bounderby.

„Ik had mijne zuster beloofd, dat ik het niet zou doen.” En toen Louisa dit haastig bevestigd had, vervolgde de hondsvot met bitterheid: „En bovendien, als zij hare eigene historie zoo goed—en zoo volledig—vertelt, wat had ik haar die dan uit den mond te nemen?”

„Zeg nu, mevrouw, als het u belieft,” hervatte Rachel, „waarom gij tot zijn ongeluk dien avond bij Stephen zijt gekomen?”

„Ik had medelijden met hem,” antwoordde Louisa met verhoogde kleur, „en ik wenschte te weten wat hij zou gaan doen en hem mijne hulp aan te bieden.”

„Dank je wel, mevrouw,” viel Bounderby hierop in. „Zeer vereerd en verplicht.”

„Hebt gij hem toen eene banknoot aangeboden?” hervatte Rachel.

„Ja, maar hij weigerde die en wilde niet meer dan twee pond in goud aannemen.”

Rachel sloeg hare oogen weder naar mijnheer Bounderby op.

„O ja wel,” zeide Bounderby. „Als gij vragen wilt of uw belachelijk en onwaarschijnlijk bericht waar was of niet, moet ik zeggen, dat het nu bevestigd is.”

„Mevrouw,” hervatte Rachel, „Stephen Blackpool wordt nu in een gedrukt papier door de geheele stad, en waar niet al meer, openlijk een dief genoemd. Er is van avond eene vergadering geweest, waar men op dezelfde schandelijke manier over hem gesproken heeft. Stephen—de eerlijkste, de trouwste, de beste man van de wereld!” Hier werd hare verontwaardiging door droefheid overmeesterd, en zij brak snikkend af.

„Het spijt mij, het spijt mij zeer,” zeide Louisa.

„O mevrouw, mevrouw,” antwoordde Rachel, „ik hoop, dat het u spijt, maar ik weet het niet! Ik kan niet zeggen wat gij misschien gedaan hebt! Menschen als gij kennen ons niet, geven niet om ons, behooren niet tot ons. Ik weet niet waarom gij dien avond misschien gekomen zijt. Ik kan niet anders zeggen, of gij zult misschien uwe eigene oogmerken daarmede gehad hebben, zonder u te bekommeren om de ongelegenheid, waarin gij zoo iemand als dien armen man zoudt brengen. Ik zeide toen: God zegene u, dat gij gekomen zijt; en dat zeide ik met al mijn hart, omdat gij zooveel medelijden met hem scheent te hebben; maar nu weet ik het niet, nu weet ik het niet.”

Louisa was niet in staat om haar over haar onbillijk vermoeden te misprijzen; haar vast vertrouwen op haar vriend en hare innige droefheid strekten haar tot voldoende verontschuldiging.

„En als ik bedenk,” zeide Rachel tusschen haar snikken door, „dat de arme man zoo dankbaar was en dacht, dat gij zoo goed voor hem waart—als ik bedenk, dat hij zijne hand voor zijn gezicht hield om de tranen te verbergen, die gij hem in de oogen hadt gebracht—o, dan hoop ik dat het u spijten mag, en dat gij geene grootere reden tot spijt moogt hebben; maar ik weet het niet, ik weet het niet.”

„Het staat u mooi,” bromde de hondsvot, in zijn donkeren hoek onrustig heen en weer schuivende, „om met zulke lasterlijke praatjes aan te komen. Gij moest terstond de deur worden uitgesmeten; dat zou niet meer zijn dan gij verdient.”

Zij gaf geen antwoord hierop, en haar zacht schreien was het eenige geluid dat men hoorde, totdat mijnheer Bounderby het woord nam.

„Komaan,” zeide hij, „gij weet waartoe gij u verbonden hebt. Denk liever daarom en niet om wat anders.”

„Het spijt mij waarlijk,” antwoordde Rachel, hare oogen afdrogende, „dat iemand mij zoo gezien heeft, maar men zal mij niet weder zoo zien. Mevrouw, toen ik gelezen had wat er van Stephen gedrukt is—en dat evenveel waarheid bevat alsof het van u gezegd was—ben ik rechtstreeks naar het kantoor gegaan, om te zeggen dat ik wist waar Stephen was, en voor vast en zeker te beloven, dat hij over twee dagen hier zou zijn. Ik kon mijnheer Bounderby toen niet spreken en uw broeder zond mij weg; en toen zocht ik u op, maar gij waart niet te vinden, en zoo ging ik weder naar mijn werk. Zoodra ik van avond uit de fabriek kwam, haastte ik mij om te hooren wat er van Stephen gezegd werd—want ik weet, dat hij met glans zal terugkomen om dat gerucht te schande te maken—en toen ging ik weer om mijnheer Bounderby op te zoeken, en ik vond hem en zeide hem al wat ik wist; en hij geloofde niets van wat ik zeide en bracht mij hier.”

„Zoo ver is alles waar,” zeide Bounderby, met de handen in de zakken en den hoed op het hoofd. „Maar ik ken ulieden langer dan vandaag, moet ge weten, en ik weet, dat gij uit gebrek aan praatjes nooit sterven zult. Maar nu raad ik u niet zooveel aan praten te denken als aan handelen. Gij hebt op u genomen iets te doen, en al wat ik voor het oogenblik te zeggen heb, is—doe het.”

„Ik heb dezen namiddag met de post aan Stephen geschreven, gelijk ik vroeger nog eens aan hem geschreven heb,” antwoordde Rachel, „en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn.”

„Dan zal ik u eens wat zeggen,” liet Bounderby hierop volgen. „Gij weet misschien niet, dat men nu en dan ook op u gepast heeft, daar men u niet vrij van verdenking hield, omdat de menschen meestal beoordeeld worden naar het gezelschap waarin zij verkeeren. Het postkantoor is ook niet vergeten geworden. Wat ik u nu zeg, is, dat er nooit een brief aan Stephen Blackpool door u verzonden is. Waar dus uw brief gebleven is, moet gij zelf maar raden. Misschien vergist gij u en hebt gij er nooit een geschreven.”

„Hij was nog geene week hier vandaan geweest, mevrouw,” zeide Rachel, zich naar Louisa keerende, alsof zij zich op deze wilde beroepen, „of hij zond den eenigen brief, dien ik ooit van hem gehad heb, om mij te zeggen, dat hij genoodzaaktwas onder een anderen naam werk te zoeken.”

„Zoo waarachtig!” riep Bounderby uit, nadat hij fluitende zijn hoofd had geschud, „heeft hij zijn naam veranderd! Dat is eenigszins ongelukkig voor zulk een onberispelijk persoon. Het wordt in ons gerechtshof een weinigje verdacht gehouden, geloof ik, als een onschuldig man toevallig verscheidene namen heeft.”

„NU, CECILIA, IK VRAAG NAAR GEEN GEHEIM, MAAR IK GELOOF, DAT IK DEZE DAME TOCH VOOR DE JONGE JUFFROUW VAN DEN JONKER MAG HOUDEN.” (Blz. 135).„NU, CECILIA, IK VRAAG NAAR GEEN GEHEIM, MAAR IK GELOOF, DAT IK DEZE DAME TOCH VOOR DE JONGE JUFFROUW VAN DEN JONKER MAG HOUDEN.”(Blz. 135).

„NU, CECILIA, IK VRAAG NAAR GEEN GEHEIM, MAAR IK GELOOF, DAT IK DEZE DAME TOCH VOOR DE JONGE JUFFROUW VAN DEN JONKER MAG HOUDEN.”(Blz. 135).

„In naam der barmhartigheid, mevrouw,” zeide Rachel, wederom met tranen in de oogen, „wat zou de arme man doen? De meesters tegen hem aan den eenen kant, de werklieden aan den anderen, terwijl hij niets anders verlangde dan in vrede te werken en te mogen doen wat hij voor recht hield. Kan iemand dan geene eigene ziel, geen eigen geweten hebben? Moet hij het, door goed en kwaad heen, geheel met den eenen of met den anderen kant houden, of anders gejaagd worden als een haas?”

„Waarlijk, ik beklaag hem met al mijn hart,” zeide Louisa, „en ik hoop, dat hij zich zal kunnen zuiveren.”

„Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn, mevrouw. Hij is veilig.”

„Des te veiliger zou ik denken,” zeide Bounderby, „omdat gij niet wilt zeggen waar hij is, niet waar?”

„Hij zal door mijn bedrijf niet terugkomen met de onverdiende schande van teruggebracht te worden. Hij zal vrijwillig terugkomen om zich te zuiveren, en om allen, die zijn goeden naam beklad hebben, terwijl hij er niet was om zich te verdedigen, te schande te maken. Ik heb hem gezegd wat er tegen hem gedaan is,” zeide Rachel, op wier gemoed alle vertrouwen afstuitte, gelijk de golven der zee op eene rots, „en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn.”

„Evenwel,” liet Bounderby hierop volgen, „als hij vroeger gepakt kan worden, zal hij ook vroeger gelegenheid hebben om zich te zuiveren. Wat u betreft, ik heb niets tegen u; wat gij mij zijt komen zeggen, blijkt de waarheid te zijn, en ik heb u gelegenheid gegeven om te bewijzen, dat het de waarheid was, en daar mede is het afgedaan. Ik wensch u allen goedenavond. Ik moet weg om dit wat nader te onderzoeken.”

Zoodra mijnheer Bounderby zich omkeerde, kwam Tom uit zijn hoek, bleef dicht bij hem en ging met hem heen. De eenige afscheidsgroet, dien hij voor iemand over had, was een stuursch: „Goedenavond, vader!” Met dat korte gezegde en een donkeren blik naar zijne zuster, verliet hij het huis.

Sedert zijn plechtanker hem begeven had, wasmijnheer Gradgrind zeer karig met woorden geweest. Hij bleef nog stil zitten, toen Louisa vriendelijk zeide:

„Rachel, gij zult mij eens niet meer wantrouwen, als gij mij beter kent.”

„Het stuit mij tegen de borst,” antwoordde Rachel op zachter toon dan vroeger, „iemand te moeten wantrouwen; maar als ik zoo gewantrouwd werd—als wij het allen worden—kan ik zulke dingen niet geheel uit het hoofd zetten. Ik vraag u verschooning, dat ik u beleedigd heb. Ik geloof nu niet meer wat ik zoo even zeide. Maar ik zou wel weder zoo kunnen gaan gelooven, als die arme man zoo verongelijkt wordt.”

„Hebt gij hem in uw brief gezegd,” vroeg Sissy, „dat men vermoeden op hem heeft gekregen, omdat men hem des avonds bij het kantoor had gezien? Hij zou dan weten wat hij zou moeten ophelderen als hij terugkwam, en daarop voorbereid zijn.”

„Ja, lieve juffrouw,” antwoordde zij, „maar ik kan niet raden wat hem daar heeft doen komen. Hij placht nooit daarheen te gaan. Het was geheel niet in zijn weg. Zijn weg was dezelfde als de mijne, en niet daar voorbij.”

Sissy was reeds naar haar toegekomen, om haar te vragen waar zij woonde, en of zij morgenavond mocht komen vernemen of er tijding van hem was.

„Ik twijfel,” antwoordde Rachel, „of hij vóór overmorgen wel hier kan zijn.”

„Dan zal ik ook overmorgenavond komen,” zeide Sissy.

Toen Rachel hierin had toegestemd en vertrokken was, hief mijnheer Gradgrind zijn hoofd op en zeide tot zijne dochter:

„Louisa, kindlief, ik heb nooit, zooveel ik weet, dien man gezien. Gelooft gij, dat hij er in betrokken is?”

„Ik heb er, meen ik, vroeger wel aan geloofd, vader, hoewel met veel moeite. Maar nu geloof ik het niet meer.”

„Dat wil zeggen, dat gij u zelve eens overreed hebt om het te gelooven, omdat gij wist dat hij verdacht werd. Zijn voorkomen en manier van doen—zijn die zoo eerlijk?”

„Bijzonder eerlijk.”

„En haar vertrouwen op hem was zoo ongeschokt! Ik denk bij mij zelven,” zeide mijnheer Gradgrind peinzende, „zou de werkelijke misdadiger van die beschuldigingen weten? Waar is hij? Wie is hij?”

Zijn haar was sedert kort begonnen van kleur te veranderen; en toen hij weder met het hoofd in de hand bleef zitten, zoo verouderd en vergrijsd, kwam Louisa, met een blik vol vrees en medelijden, haastig naar hem toe en zette zich dicht naast hem. Bij toeval ontmoetten hare oogen juist die van Sissy. Het goede meisje werd rood van schrik, en Louisa legde haar voorvinger op hare lippen.

Toen Sissy den volgenden avond weder thuis kwam en Louisa berichtte, dat Stephen nog niet gekomen was, deed zij dit fluisterend. Den avond daarna, toen zij met dezelfde tijding thuis kwam, en er bijvoegde dat men niet van hem gehoord had, deed zij dit even zacht en angstig. Van het oogenblik af, dat zij dien blik hadden gewisseld, noemden zij nooit weder overluid zijn naam, en spraken zij nooit verder over den diefstal, wanneer mijnheer Gradgrind daarvan begon melding te maken.

De twee bepaalde dagen verliepen; drie dagen en nachten verliepen, en Stephen Blackpool kwam niet en liet niets van zich hooren. Op den vierden dag ging Rachel, wier vertrouwen ongeschokt bleef, maar die begreep dat haar brief niet terecht was gekomen, naar het kantoor en liet daar den brief zien, dien zij vroeger van hem had ontvangen en waarin zijn adres was opgegeven in een fabriekplaatsje, dat zestig mijlen ver en niet aan den grooten weg lag. Er werden lieden naar die plaats gezonden, en de geheele stad verwachtte, dat Stephen den volgenden dag opgebracht zou worden.

Gedurende dien geheelen tijd had de hondsvot mijnheer Bounderby als zijne schaduw vergezeld en in alles wat hij deed geholpen. Hij was in eene geweldige spanning, zeer koortsig, beet zijne nagels tot op het vleesch toe weg, en sprak met eene harde, ratelende stem en met droge, als het ware verschroeide lippen. Op het uur, dat de verdachte verwacht werd, was de hondsvot aan het station, en wilde wedden dat hij zich uit de voeten had gemaakt vóór de komst van hen, die hem waren gaan zoeken, en dat hij dus niet zou verschijnen.

De hondsvot had gelijk. De afgezondenen kwamen alleen terug. Rachel’s brief was verzonden en bezorgd; maar Stephen Blackpool had zich op hetzelfde uur te zoek gemaakt en niemand wist iets meer van hem. De eenige twijfel, dien men teCoketownkoesterde, was, of Rachel wel te goeder trouw geschreven had om er op aan te dringen dat hij zou terugkomen, of dat zij hem had gewaarschuwd de vlucht te nemen. Daaromtrent waren de gevoelens verdeeld.

Zes dagen, zeven dagen, ver in eene volgende week. De rampzalige hondsvot vatte moed—een akeligen moed—en begon brutaal te worden. „Wasde verdachte kerel de dief? Mooie vraag! Zoo niet, waar was de man dan en waarom kwam hij niet terug?”

Waar was de man en waarom kwam hij niet terug? In het holste van den nacht kwam de weerklank van deze zijne woorden, die over dag de Hemel weet hoe ver weggevlogen waren, in plaats van den man terug, en hield hem gezelschap tot aan den ochtend.


Back to IndexNext