XXXIII.GEVONDEN.Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man en waarom kwam hij niet terug?Elken avond ging Sissy naar de woning van Rachel en zat bij haar in haar klein, net kamertje. Den geheelen dag werkte Rachel, gelijk zulke lieden moeten werken, welken angst zij ook mogen verduren. Voor de rookslangen was het onverschillig wie verloren of gevonden werd, met wien het goed of slecht afliep; de zwaarmoedige olifanten weken evenmin als de mannen van feiten van hun vasten gang af, wat er ook mocht gebeuren. Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. De eentonigheid was onafgebroken. Zelfs het verdwijnen van Stephen Blackpool viel in de gewone sleur, en werd een even eentonig wonder als ieder stuk machinerie teCoketown.„Ik twijfel,” zeide Rachel, „of er twintig in de geheele stad over zijn, die nu nog eenig vertrouwen op den lieven, goeden man hebben.”Zij zeide dit tegen Sissy, terwijl zij in haar kamertje zaten, alleen door de lantaren op den hoek der straat verlicht. Sissy was daar gekomen toen het reeds donker was, om naar Rachel’s terugkomst van haar werk te wachten; en sedert hadden zij aan het venster gezeten, waar Rachel haar gevonden had, zonder helderder licht noodig te hebben om hare treurige taak te beschijnen.„Als het niet zoo genadig beschikt was, dat ik u had om mede te spreken,” vervolgde Rachel, „zouden er, denk ik, tijden zijn dat ik niet bij mijn verstand zou zijn gebleven. Maar ik krijg hoop en kracht door u; en ik geloof, hoewel de schijn tegen hem mag wezen, dat hij toch nog onschuldig zal blijken.”„Dat geloof ik ook met al mijn hart,” antwoordde Sissy. „Ik ben bij mij zelve zoo verzekerd, Rachel, dat het vertrouwen, dat gij tegen alle bezwaren in blijft koesteren, niet verkeerd kan wezen, dat ik evenmin aan hem twijfel alsof ik hem gedurende juist zooveel jaren van beproeving had gekend als gij gedaan hebt.”„En ik, lieve,” zeide Rachel met eene beving in hare stem, „heb door al die jaren heen ondervonden, dat hij, op zijne stille manier, zoo getrouw was aan al wat eerlijk en goed is, dat ik, al moest men nooit iets meer van hem hooren, en al moest ik honderd jaren oud worden, toch met mijn laatsten adem zou kunnen zeggen: God kent mijn hart, ik heb nooit opgehouden Stephen Blackpool te vertrouwen.”„Wij opStone Lodge, Rachel, gelooven allen, dat hij vroeger of later van alle verdenking zal bevrijd worden.”„Hoe meer ik weet dat men daar zoo gelooft,” zeide Rachel, „en hoe vriendelijker ik het vind, dat gij opzettelijk daar vandaan komt om mij te troosten en gezelschap te houden, en u bij mij laat zien terwijl ik zelve nog niet vrij van alle verdenking ben, des te meer spijt het mij, dat ik ooit die woorden van achterdocht tegen de jonge mevrouw heb gesproken. En toch....”„Gij wantrouwt haar toch nu niet meer, Rachel?”„Nu gij ons weder bij elkander hebt gebracht—neen. Maar ik kan het niet altijd uit mijne gedachten zetten....”Hare stem daalde tot eene zachte en langzame alleenspraak, zoodat Sissy, die naast haar zat, met oplettendheid moest luisteren.„Ik kan het niet altijd laten den een of ander te verdenken. Ik kan niet raden wie het is; ik kan niet raden hoe of waarom; maar ik heb een vermoeden, dat iemand Stephen uit den weg heeft geholpen. Ik heb een vermoeden, dat hij, door vrijwillig terug te komen, en zich voor iedereen onschuldig te toonen, iemand anders beschamen zou, die—om dit te voorkomen—hem opgehouden en uit den weg geholpen heeft.”„Dat is eene schrikkelijke gedachte,” zeide Sissy, verbleekende.„Ja, het is schrikkelijk, te denken dat hij vermoord zou zijn.”Sissy huiverde en werd nog bleeker.„Als dat mij in het hoofd komt, lieve,” vervolgde Rachel, „en dat wil het somtijds, hoezeer ik ook mijn best doe om het er uit te houden, door tot hooge getallen toe te tellen als ik werk, of stukken op te zeggen, die ik van buiten leerde toen ik een kind was—dan word ik zoo schrikkelijk gejaagd en ongeduldig, dat ik, hoe moede ik ook ben, wel mijlen en mijlen ver zou willen loopen. Ik moet dit te boven komen eer ik naar bed ga. Ik zal met u naar huis gaan.”„Hij kan op reis hierheen ziek zijn geworden,” zeide Sissy, met eene flauwe stem een versleten stukje hoop aanbiedende; „en in dat geval, zijn er onderweg vele plaatsen waar hij zich kon ophouden.”„Maar hij is daar nergens. Men heeft overal naar hem gezocht, en hij is er niet.”„’t Is waar,” luidde Sissy’s onwillige toestemming.„Hij kon de reis te voet in twee dagen doen; en als hij niet te voet kon gaan, heb ik hem in den brief, dien hij kreeg, geld gezonden om te kunnen rijden, uit vrees, dat hij zelf geen geld te missen zou hebben.”„Laten wij hopen, dat morgen iets beters zal aanbrengen, Rachel. Kom mede in de lucht.”Hare zachte hand hing Rachel’s doek over hare glanzig zwarte haren op de gewone manier waarop zij dien droeg, en zij gingen naar buiten. Daar het een fraaie avond was, stonden hier en daar troepjes werklieden op de hoeken der straten te drentelen; maar voor de meesten was het etenstijd, en er waren maar weinig menschen op straat.„Ge zijt nu zoo gejaagd niet meer, Rachel, en uwe hand is koeler.”„Ik word altijd beter, lieve, als ik maar kan loopen en wat frissche lucht inademen; maar als ik dat niet kan, word ik flauw en duizelig.”„Maar gij moet niet beginnen te bezwijken, Rachel, want gij zult misschien op een of anderen tijd noodig zijn om Stephen bij te staan. Morgen is het zaterdag. Als er morgen geen nieuws komt, laten wij dan zondagochtend eene verre wandeling door het veld doen, opdat gij kracht verzamelt voor de volgende week. Wilt gij dat?”„Ja, lieve.”Zij waren nu in de straat gekomen waar het huis van Bounderby stond. Sissy’s weg liep de deur voorbij, en zij waren niet ver meer daar vandaan. Er was pas een spoortrein aangekomen, die een aantal rijtuigen in beweging bracht en een aanmerkelijk gewoel door de stad verspreidde. Verscheidene koetsen ratelden voor en achter de twee wandelaarsters, toen zij het huis van Bounderby naderden, en juist toen zij het voorbijgingen, hield eene koets zoo plotseling op, dat zij onwillekeurig omkeken. Het heldere gaslicht boven de stoep van mijnheer Bounderby deed haar mevrouw Sparsit herkennen, die in de koets zat en driftige pogingen aanwendde om het portier te openen. Mevrouw Sparsit zag beiden op hetzelfde oogenblik en riep ze om te blijven wachten.„Dat is eene beschikking der Voorzienigheid,” riep mevrouw Sparsit uit, toen de koetsier haar uit hare gevangenis had verlost. „Kom er uit, juffrouw,” vervolgde zij tegen iemand, die nog in de koets zat; „kom er uit, of wij zullen er u uit laten slepen.”De persoon, die hierop te voorschijn kwam, was niemand anders dan de geheimzinnige oude vrouw, en mevrouw Sparsit greep haar dadelijk bij haar kleed vast.„Blijft van haar af, allemaal!” riep mevrouw Sparsit met grooten ijver. „Laat niemand haar aanraken. Zij behoort mij. Kom binnen, juffrouw,” vervolgde zij daarop, haar vorig commando omkeerende; „kom binnen, of wij zullen u laten binnenslepen.”Het schouwspel van klassieke deftigheid, die eene oude vrouw bij de keel greep en een huis binnensleepte, zou altijd voor alle echt Engelsche nieuwsgierigen, gelukkig genoeg om daarvan getuigen te zijn, eene groote verzoeking zijn geweest om dat huis mede binnen te dringen en te zien hoe de zaak afliep. Maar nu het merkwaardige van dit verschijnsel nog vergroot werd door de ruchtbaarheid van den bekenden diefstal in het kantoor, moest het alle toevallige voorbijgangers met onweerstaanbare kracht in huis lokken, al had men ook kunnen verwachten, dat het dak hun op het hoofd zou vallen. Alle toevallig aanwezige getuigen, die uit de nieuwsgierigsten der buren ten getale van omtrent vijf en twintig bestonden, sloten zich dus achter den trein aan, toen mevrouw Sparsit en hare gevangene, door Sissy en Rachel gevolgd, het huis binnengingen, en de geheele troep drong in een verwarden drom de eetzaal van mijnheer Bounderby in, terwijl de achtersten niet draalden met op de stoelen te klimmen, om zoo over de voorsten te kunnen heenzien.„Roep mijnheer Bounderby beneden!” riep mevrouw Sparsit. „Gij, Rachel, weet gij wie dit is?”„Dit is juffrouw Pegler,” antwoordde Rachel.„Dat zou ik ook denken!” riep mevrouw Sparsit zegevierend uit. „Roep mijnheer Bounderby. Gaat uit den weg, allemaal.” Hier poogde de oude juffrouw Pegler, die zich dicht had ingemoffeld en zooveel mogelijk wegkroop, fluisterend en smeekend iets te zeggen. „Praat mij van niets,”, zeide mevrouw Sparsit hardop. „Ik heb u onderweg al twintigmaal gezegd, dat ik u niet loslaat eer ik u aan hem in eigen persoon heb overgegeven.”Nu verscheen mijnheer Bounderby, vergezeld door mijnheer Gradgrind en den hondsvot, met welke twee hij boven had gesproken. Bounderby’s gezicht gaf meer verbazing dan gastvrijheid te kennen, toen hij het ongenoodigde gezelschap in zijne eetzaal ontwaarde.„Wat is er nu aan de hand, mevrouw Sparsit?” zeide hij.„Mijnheer,” zoo begon die brave vrouw hare opheldering, „ik vertrouw dat ik het geluk heb u iemand voor oogen te plaatsen, die gij zeer gewenscht hebt te vinden. Geprikkeld door mijn verlangen om uw gemoed gerust te stellen, mijnheer, en afgaande op die onvolkomene aanwijzingen van de plaats, waar die persoon zou kunnen wonen, door dat meisje, Rachel, gegeven, die gelukkig juist hier is, om te zeggen of zij haar herkent, is het mij gelukt haar te vinden en hier te brengen—ik behoef niet te zeggen zeer tegen haar wil. Het is niet zonder moeite geweest dat ik dit gedaan heb, mijnheer; maar moeite in uw dienst is mij een vermaak, en honger, dorst en koude een wezenlijk genot.”Hier bleef mevrouw Sparsit steken; want niet zoodra kreeg mijnheer Bounderby de oude juffrouw Pegler te zien of zijn gezicht nam eene tegenstrijdige mengeling van kleuren en uitdrukkingen aan, waaronder echter verslagenheid de overhand had.„Wat heeft dat te beduiden?” was de hoogst onverwachte vraag, die hij haar gramstorig toebulderde. „Ik vraag wat dat te beduiden heeft, juffrouw?”„Mijnheer!” zeide mevrouw Sparsit flauw.„Waarom houdt gij u op met dingen, die u niet raken, juffrouw?” viel Bounderby uit. „Hoe durft gij hier komen en uw bemoeizieken neus in mijne familiezaken steken?”Deze toespeling op het lichaamsdeel, waaraan zij zooveel waarde hechtte, overweldigde mevrouw Sparsit geheel en al. Zij zette zich stijf op een stoel, alsof zij bevroren was; en mijnheer Bounderby strak aanstarende, liet zij langzaam hare mofjes over elkander krassen, alsof zij ook bevroren waren.„Mijn lieve Josiah!” riep juffrouw Pegler bevend uit. „Mijn beste jongen! Ik kan het niet helpen. Het is mijne schuld niet, Josiah. Ik heb die juffrouw dikwijls genoeg gezegd, dat ik wel wist, dat het u niet aangenaam zou zijn wat zij deed, maar zij wilde er niet van afzien.”„Waarom hebt gij u laten brengen? Kondt gij hare muts niet aftrekken, of haar een tand uitslaan, of haar op eene andere wijze van u afmaken?” zeide Bounderby.„Maar, mijn jongen, zij dreigde mij, als ik mij te weer stelde, zou ik doorconstableshier gebracht worden, en het was beter stilletjes te komen dan tumult te maken in zulk”—hier zag juffrouw Pegler beschroomd en toch trotsch in het rond—„in zulk een mooi huis als dit is. Waarlijk, waarlijk, het is mijne schuld niet. Mijn beste, brave, deftige zoon! Ik heb altijd stil en verscholen geleefd, lieve jongen. Ik heb geen enkelen keer de conditie gebroken. Ik heb nooit gezegd, dat ik uwe moeder was. Ik heb u maar in de verte bewonderd; en als ik somtijds naar de stad ben gekomen, met lange tusschenpoozen, om eens met verrukking naar u te kijken, heb ik het onbekend gedaan, lieve jongen, en ben dan stil weer heengegaan.”Mijnheer Bounderby stapte met de handen in de zakken en een gezicht vol verdriet en ongeduld langs de lange eettafel op en neer, terwijl de toeschouwers ieder woord van juffrouw Pegler gretig opvingen en hunne oogen hoe langer hoe wijder opensperden. Daar Bounderby nog bleef op en neer stappen toen juffrouw Pegler geëindigd had, sprak mijnheer Gradgrind de zwaar belasterde vrouw aldus aan:„Het verwondert mij, juffrouw,” zeide hij met strengheid, „dat gij op uwe jaren nog het hart hebt, mijnheer Bounderby hier uw zoon te komen noemen, nadat gij zoo onnatuurlijk en onmenschelijk met hem hebt gehandeld.”„Ik onnatuurlijk!” riep de arme juffrouw Pegler uit. „Ik onmenschelijk! Voor mijn dierbaren zoon!”„Dierbaar!” herhaalde mijnheer Gradgrind. „Ja, dierbaar, nu hij door eigen arbeid tot fortuin gekomen is, juffrouw, dat geloof ik wel. Maar toch niet heel dierbaar, toen gij in zijne kindsheid van hem zijt weggeloopen en hem aan de mishandelingen eener dronken grootmoeder hebt overgelaten.”„Ik mijn Josiah verlaten!” riep juffrouw Pegler uit, hare handen ineenslaande. „Nu, God vergeve u uwe slechte gedachten, mijnheer, en uw laster tegen de nagedachtenis van mijne goede moeder, die in mijne armen gestorven is eer Josiah geboren was. Ik hoop dat gij er berouw van zult hebben, mijnheer, en beter leeren.”Zij zeide dit zoo ernstig en op zulk een smartelijken toon, dat mijnheer Gradgrind, schrikkende van de mogelijkheid, die hij begon te begrijpen, met eene veel zachtere stem zeide:„Ontkent gij dan, juffrouw, dat gij uw zoon in—in de goot hebt laten liggen?”„Josiah in de goot!” riep juffrouw Pegler uit. „Wel zeker ontken ik dat, mijnheer. Foei, gij moest u schamen zoo iets te zeggen. Mijn lieve jongen weet, en hij zal het u zeggen ook, dat hij wel van nederige ouders, maar toch van ouders is gekomen, die hem zoo lief hadden als de beste maar konden doen, en wie het nooit zuur viel zich zelven wat te bekrimpen, om hem zoo heerlijk te laten schrijven en cijferen leeren; ik heb zijne boeken nog thuis, waarin gij dat zien kunt. Ja, dat heb ik!” zeide zij met trotsche verontwaardiging. „En mijn lieve jongen weet, en zal het u ook wel zeggen, mijnheer, dat, toen zijn lieve vader gestorven was, toen hij acht jaren oud was, zijne moeder zich ook wel wat kon bekrimpen, gelijk het haar plicht, haar vermaak en haar trots was te doen, om hem in de wereld voort te helpen en hem in de leer te bestellen. En een oppassende jongen was hij, en een goed meester had hij om hem een handje te helpen, en braaf heeft hij gewerkt om een rijk en gezeten man te worden. En ik zal u zeggen, mijnheer—want mijn lieve jongen zal dat niet willen doen—dat, hoewel zijne moeder maar een klein dorpswinkeltje hield, hij haar toch nooit vergat, maar haar een pensioen gaf van dertig pond ’s jaars—meer dan ik noodig heb, want ik houd er nog van over—alleen het beding makende, dat ik zou blijven waar ik woonde, en niet op hem roemen en hem niet lastig vallen. En dat heb ik ook nooit gedaan, behalve dat ik eens in het jaar naar hem kwam kijken, zonder dat hij het ooit geweten heeft. En het is goed, dat ik moet blijven wonen waar ik woon,” vervolgde de goede oude vrouw, haar zoon met hartelijken ijver voorsprekende, „want ik twijfel er niet aan, of ik zou, als ik hier was, maar vele ongemanierde dingen doen, en ik ben nu weltevreden, en kan mijn hoogmoed op mijn Josiah voor mij zelve houden en hem lief hebben, alleen omdat ik hem liefheb. En ik schaam mij vooru, mijnheer,” zoo besloot zij, „over uwe kwaadsprekendheid en ergdenkendheid. Ik ben hier nog nooit geweest, en heb hier nooit willen wezen, als mijn lieve zoon neen zeide. En ik zou hier ook nu niet wezen, als ik niet gebracht was. Gij moest u schamen, ja, dat moest gij, om mij te betichten eene slechte moeder voor mijn zoon geweest te zijn, terwijl mijn zoon daar staat om geheel iets anders te zeggen.”De omstanders op den grond en op de stoelen gaven door hun gemompel hunne sympathie met juffrouw Pegler te kennen, en mijnheer Gradgrind gevoelde zich op eene onschuldige manier in een zeer onaangenamen toestand geplaatst, toen mijnheer Bounderby, die zonder ophouden op en neer was blijven stappen en met ieder oogenblik rooder en meer opgezwollen was, op eens pal bleef staan.„Ik weet niet recht,” zeide hij, „hoe ik aan de eer van het aanwezige gezelschap kom, maar daarnaar vraag ik ook niet. Als zij nu voldaan zijn, zullen zij misschien zoo goed wezen van heen te gaan; en al mochten zij niet voldaan zijn, dan zullen zij misschien toch zoo goed wezen van heen te gaan. Ik ben niet verplicht eene voorlezing over mijne familiezaken te houden; dat heb ik niet aangenomen te doen, en dat zal ik ook niet doen. Zij, die eenige opheldering over dat gedeelte van het geval verwachten, zullen teleurgesteld worden—vooral Tom Gradgrind, en dat kan hij niet te spoedig weten. Wat den diefstal in het kantoor betreft, heeft er ten aanzien van mijne moeder eene vergissing plaats gehad. Zonder iemands overgroote gedienstigheid zou dat niet gebeurd zijn, en ik heb altijd een hekel aan overgroote gedienstigheid. Goedenavond!”Hoewel mijnheer Bounderby zich aldus van de zaak afhielp en de deur openhield om het gezelschap uit te laten, had hij toch eene bluffende schaapachtigheid over zich, die tegelijk zeer jammerlijk en uiterst belachelijk was. Tentoongesteld in zijn snoevende nederigheid, als een man die zijne winderige reputatie op logens had gebouwd, en met zijn pochen de waarheid even ver van zich had weggejaagd alsof hij de lage eerzucht had gehad (en lager is er niet) om zich een adellijken stamboom te verdichten, maakte hij eene allerzotste vertooning. Terwijl hij aan de deur stond om de lieden uit te laten, die hij wist dat het gebeurde door de geheele stad zouden verspreiden, om het aan de vier winden prijs te geven, had men geen armzaliger voorbeeld van een tentoongestelden snoever kunnen zien. Zelfs met de ongelukkige mevrouw Sparsit, die van het toppunt harer zegepraal in een poel van verslagenheid was gevallen, was het niet zoo ellendig gesteld als met dien buitengemeenen man, die zich zelven tot een dommen bedrieger gemaakt had, Josiah Bounderby vanCoketown.Rachel en Sissy lieten juffrouw Pegler voor dien nacht een nachtverblijf bij haar zoon vinden, en wandelden te zamen naar het hek vanStone Lodge, waar zij afscheid namen. Mijnheer Gradgrind kwam haar achterop eer zij nog ver op weg waren, en sprak met veel belangstelling over Stephen Blackpool, voor wien hij dacht, dat dit openlijke bewijs, hoe ongegrond de vermoedens tegen juffrouw Pegler geweest waren, waarschijnlijk gunstige gevolgen zou hebben.Wat den hondsvot betreft, onder dit geheele tooneel, gelijk sedert kort bij alle gelegenheden, was hij dicht bij mijnheer Bounderby gebleven. Hij scheen te denken, dat hij, zoolang Bounderby geene ontdekking kon doen zonder dat hij er van wist, in zooverre veilig was. Hij had nooit zijne zuster bezocht, en haar sedert hare thuiskomst maar eens gezien, namelijk op dien avond, toen hij, gelijk verhaald is, insgelijks dicht bij Bounderby bleef.In het gemoed zijner zuster woonde eene duistere, vormlooze vrees, waaraan zij nooit woorden gaf, en die haar slechten, ondankbaren broeder met eene akelige geheimzinnigheid omhulde. Dezelfde donkere mogelijkheid had zich juist dezen dag in dezelfde vormelooze gedaante aan Sissy vertoond, toen Rachel er van sprak, dat iemand, die door Stephen’s terugkomst beschaamd zou worden, hem uit den weg zou hebben geholpen. Louisa had nooit gezegd, dat zij haar broeder van eenige medeplichtigheid aan den diefstal verdacht hield; zij en Sissy hadden in dit opzicht geene uitwisseling van vertrouwen gehad, behalve dien enkelen blik, toen de niets vermoedende vader zijn grijs hoofd op zijne hand liet rusten; maar zij hadden elkander verstaan. Deze andere vrees was zoo geducht, dat zij als eene spookachtige schim boven haar bleef zweven, zonder dat een van beiden er aan durfde denken dat die schrikgedaante haar nabij, veel minder dat zij ook nabij de andere was.En nog gelukte het den hondsvot zich goed te houden. Als Stephen Blackpool de dief niet was, moest hij maar voor den dag komen. Waarom deed hij dat niet?Nog een nacht. Nog een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man, en waarom kwam hij niet terug?
XXXIII.GEVONDEN.Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man en waarom kwam hij niet terug?Elken avond ging Sissy naar de woning van Rachel en zat bij haar in haar klein, net kamertje. Den geheelen dag werkte Rachel, gelijk zulke lieden moeten werken, welken angst zij ook mogen verduren. Voor de rookslangen was het onverschillig wie verloren of gevonden werd, met wien het goed of slecht afliep; de zwaarmoedige olifanten weken evenmin als de mannen van feiten van hun vasten gang af, wat er ook mocht gebeuren. Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. De eentonigheid was onafgebroken. Zelfs het verdwijnen van Stephen Blackpool viel in de gewone sleur, en werd een even eentonig wonder als ieder stuk machinerie teCoketown.„Ik twijfel,” zeide Rachel, „of er twintig in de geheele stad over zijn, die nu nog eenig vertrouwen op den lieven, goeden man hebben.”Zij zeide dit tegen Sissy, terwijl zij in haar kamertje zaten, alleen door de lantaren op den hoek der straat verlicht. Sissy was daar gekomen toen het reeds donker was, om naar Rachel’s terugkomst van haar werk te wachten; en sedert hadden zij aan het venster gezeten, waar Rachel haar gevonden had, zonder helderder licht noodig te hebben om hare treurige taak te beschijnen.„Als het niet zoo genadig beschikt was, dat ik u had om mede te spreken,” vervolgde Rachel, „zouden er, denk ik, tijden zijn dat ik niet bij mijn verstand zou zijn gebleven. Maar ik krijg hoop en kracht door u; en ik geloof, hoewel de schijn tegen hem mag wezen, dat hij toch nog onschuldig zal blijken.”„Dat geloof ik ook met al mijn hart,” antwoordde Sissy. „Ik ben bij mij zelve zoo verzekerd, Rachel, dat het vertrouwen, dat gij tegen alle bezwaren in blijft koesteren, niet verkeerd kan wezen, dat ik evenmin aan hem twijfel alsof ik hem gedurende juist zooveel jaren van beproeving had gekend als gij gedaan hebt.”„En ik, lieve,” zeide Rachel met eene beving in hare stem, „heb door al die jaren heen ondervonden, dat hij, op zijne stille manier, zoo getrouw was aan al wat eerlijk en goed is, dat ik, al moest men nooit iets meer van hem hooren, en al moest ik honderd jaren oud worden, toch met mijn laatsten adem zou kunnen zeggen: God kent mijn hart, ik heb nooit opgehouden Stephen Blackpool te vertrouwen.”„Wij opStone Lodge, Rachel, gelooven allen, dat hij vroeger of later van alle verdenking zal bevrijd worden.”„Hoe meer ik weet dat men daar zoo gelooft,” zeide Rachel, „en hoe vriendelijker ik het vind, dat gij opzettelijk daar vandaan komt om mij te troosten en gezelschap te houden, en u bij mij laat zien terwijl ik zelve nog niet vrij van alle verdenking ben, des te meer spijt het mij, dat ik ooit die woorden van achterdocht tegen de jonge mevrouw heb gesproken. En toch....”„Gij wantrouwt haar toch nu niet meer, Rachel?”„Nu gij ons weder bij elkander hebt gebracht—neen. Maar ik kan het niet altijd uit mijne gedachten zetten....”Hare stem daalde tot eene zachte en langzame alleenspraak, zoodat Sissy, die naast haar zat, met oplettendheid moest luisteren.„Ik kan het niet altijd laten den een of ander te verdenken. Ik kan niet raden wie het is; ik kan niet raden hoe of waarom; maar ik heb een vermoeden, dat iemand Stephen uit den weg heeft geholpen. Ik heb een vermoeden, dat hij, door vrijwillig terug te komen, en zich voor iedereen onschuldig te toonen, iemand anders beschamen zou, die—om dit te voorkomen—hem opgehouden en uit den weg geholpen heeft.”„Dat is eene schrikkelijke gedachte,” zeide Sissy, verbleekende.„Ja, het is schrikkelijk, te denken dat hij vermoord zou zijn.”Sissy huiverde en werd nog bleeker.„Als dat mij in het hoofd komt, lieve,” vervolgde Rachel, „en dat wil het somtijds, hoezeer ik ook mijn best doe om het er uit te houden, door tot hooge getallen toe te tellen als ik werk, of stukken op te zeggen, die ik van buiten leerde toen ik een kind was—dan word ik zoo schrikkelijk gejaagd en ongeduldig, dat ik, hoe moede ik ook ben, wel mijlen en mijlen ver zou willen loopen. Ik moet dit te boven komen eer ik naar bed ga. Ik zal met u naar huis gaan.”„Hij kan op reis hierheen ziek zijn geworden,” zeide Sissy, met eene flauwe stem een versleten stukje hoop aanbiedende; „en in dat geval, zijn er onderweg vele plaatsen waar hij zich kon ophouden.”„Maar hij is daar nergens. Men heeft overal naar hem gezocht, en hij is er niet.”„’t Is waar,” luidde Sissy’s onwillige toestemming.„Hij kon de reis te voet in twee dagen doen; en als hij niet te voet kon gaan, heb ik hem in den brief, dien hij kreeg, geld gezonden om te kunnen rijden, uit vrees, dat hij zelf geen geld te missen zou hebben.”„Laten wij hopen, dat morgen iets beters zal aanbrengen, Rachel. Kom mede in de lucht.”Hare zachte hand hing Rachel’s doek over hare glanzig zwarte haren op de gewone manier waarop zij dien droeg, en zij gingen naar buiten. Daar het een fraaie avond was, stonden hier en daar troepjes werklieden op de hoeken der straten te drentelen; maar voor de meesten was het etenstijd, en er waren maar weinig menschen op straat.„Ge zijt nu zoo gejaagd niet meer, Rachel, en uwe hand is koeler.”„Ik word altijd beter, lieve, als ik maar kan loopen en wat frissche lucht inademen; maar als ik dat niet kan, word ik flauw en duizelig.”„Maar gij moet niet beginnen te bezwijken, Rachel, want gij zult misschien op een of anderen tijd noodig zijn om Stephen bij te staan. Morgen is het zaterdag. Als er morgen geen nieuws komt, laten wij dan zondagochtend eene verre wandeling door het veld doen, opdat gij kracht verzamelt voor de volgende week. Wilt gij dat?”„Ja, lieve.”Zij waren nu in de straat gekomen waar het huis van Bounderby stond. Sissy’s weg liep de deur voorbij, en zij waren niet ver meer daar vandaan. Er was pas een spoortrein aangekomen, die een aantal rijtuigen in beweging bracht en een aanmerkelijk gewoel door de stad verspreidde. Verscheidene koetsen ratelden voor en achter de twee wandelaarsters, toen zij het huis van Bounderby naderden, en juist toen zij het voorbijgingen, hield eene koets zoo plotseling op, dat zij onwillekeurig omkeken. Het heldere gaslicht boven de stoep van mijnheer Bounderby deed haar mevrouw Sparsit herkennen, die in de koets zat en driftige pogingen aanwendde om het portier te openen. Mevrouw Sparsit zag beiden op hetzelfde oogenblik en riep ze om te blijven wachten.„Dat is eene beschikking der Voorzienigheid,” riep mevrouw Sparsit uit, toen de koetsier haar uit hare gevangenis had verlost. „Kom er uit, juffrouw,” vervolgde zij tegen iemand, die nog in de koets zat; „kom er uit, of wij zullen er u uit laten slepen.”De persoon, die hierop te voorschijn kwam, was niemand anders dan de geheimzinnige oude vrouw, en mevrouw Sparsit greep haar dadelijk bij haar kleed vast.„Blijft van haar af, allemaal!” riep mevrouw Sparsit met grooten ijver. „Laat niemand haar aanraken. Zij behoort mij. Kom binnen, juffrouw,” vervolgde zij daarop, haar vorig commando omkeerende; „kom binnen, of wij zullen u laten binnenslepen.”Het schouwspel van klassieke deftigheid, die eene oude vrouw bij de keel greep en een huis binnensleepte, zou altijd voor alle echt Engelsche nieuwsgierigen, gelukkig genoeg om daarvan getuigen te zijn, eene groote verzoeking zijn geweest om dat huis mede binnen te dringen en te zien hoe de zaak afliep. Maar nu het merkwaardige van dit verschijnsel nog vergroot werd door de ruchtbaarheid van den bekenden diefstal in het kantoor, moest het alle toevallige voorbijgangers met onweerstaanbare kracht in huis lokken, al had men ook kunnen verwachten, dat het dak hun op het hoofd zou vallen. Alle toevallig aanwezige getuigen, die uit de nieuwsgierigsten der buren ten getale van omtrent vijf en twintig bestonden, sloten zich dus achter den trein aan, toen mevrouw Sparsit en hare gevangene, door Sissy en Rachel gevolgd, het huis binnengingen, en de geheele troep drong in een verwarden drom de eetzaal van mijnheer Bounderby in, terwijl de achtersten niet draalden met op de stoelen te klimmen, om zoo over de voorsten te kunnen heenzien.„Roep mijnheer Bounderby beneden!” riep mevrouw Sparsit. „Gij, Rachel, weet gij wie dit is?”„Dit is juffrouw Pegler,” antwoordde Rachel.„Dat zou ik ook denken!” riep mevrouw Sparsit zegevierend uit. „Roep mijnheer Bounderby. Gaat uit den weg, allemaal.” Hier poogde de oude juffrouw Pegler, die zich dicht had ingemoffeld en zooveel mogelijk wegkroop, fluisterend en smeekend iets te zeggen. „Praat mij van niets,”, zeide mevrouw Sparsit hardop. „Ik heb u onderweg al twintigmaal gezegd, dat ik u niet loslaat eer ik u aan hem in eigen persoon heb overgegeven.”Nu verscheen mijnheer Bounderby, vergezeld door mijnheer Gradgrind en den hondsvot, met welke twee hij boven had gesproken. Bounderby’s gezicht gaf meer verbazing dan gastvrijheid te kennen, toen hij het ongenoodigde gezelschap in zijne eetzaal ontwaarde.„Wat is er nu aan de hand, mevrouw Sparsit?” zeide hij.„Mijnheer,” zoo begon die brave vrouw hare opheldering, „ik vertrouw dat ik het geluk heb u iemand voor oogen te plaatsen, die gij zeer gewenscht hebt te vinden. Geprikkeld door mijn verlangen om uw gemoed gerust te stellen, mijnheer, en afgaande op die onvolkomene aanwijzingen van de plaats, waar die persoon zou kunnen wonen, door dat meisje, Rachel, gegeven, die gelukkig juist hier is, om te zeggen of zij haar herkent, is het mij gelukt haar te vinden en hier te brengen—ik behoef niet te zeggen zeer tegen haar wil. Het is niet zonder moeite geweest dat ik dit gedaan heb, mijnheer; maar moeite in uw dienst is mij een vermaak, en honger, dorst en koude een wezenlijk genot.”Hier bleef mevrouw Sparsit steken; want niet zoodra kreeg mijnheer Bounderby de oude juffrouw Pegler te zien of zijn gezicht nam eene tegenstrijdige mengeling van kleuren en uitdrukkingen aan, waaronder echter verslagenheid de overhand had.„Wat heeft dat te beduiden?” was de hoogst onverwachte vraag, die hij haar gramstorig toebulderde. „Ik vraag wat dat te beduiden heeft, juffrouw?”„Mijnheer!” zeide mevrouw Sparsit flauw.„Waarom houdt gij u op met dingen, die u niet raken, juffrouw?” viel Bounderby uit. „Hoe durft gij hier komen en uw bemoeizieken neus in mijne familiezaken steken?”Deze toespeling op het lichaamsdeel, waaraan zij zooveel waarde hechtte, overweldigde mevrouw Sparsit geheel en al. Zij zette zich stijf op een stoel, alsof zij bevroren was; en mijnheer Bounderby strak aanstarende, liet zij langzaam hare mofjes over elkander krassen, alsof zij ook bevroren waren.„Mijn lieve Josiah!” riep juffrouw Pegler bevend uit. „Mijn beste jongen! Ik kan het niet helpen. Het is mijne schuld niet, Josiah. Ik heb die juffrouw dikwijls genoeg gezegd, dat ik wel wist, dat het u niet aangenaam zou zijn wat zij deed, maar zij wilde er niet van afzien.”„Waarom hebt gij u laten brengen? Kondt gij hare muts niet aftrekken, of haar een tand uitslaan, of haar op eene andere wijze van u afmaken?” zeide Bounderby.„Maar, mijn jongen, zij dreigde mij, als ik mij te weer stelde, zou ik doorconstableshier gebracht worden, en het was beter stilletjes te komen dan tumult te maken in zulk”—hier zag juffrouw Pegler beschroomd en toch trotsch in het rond—„in zulk een mooi huis als dit is. Waarlijk, waarlijk, het is mijne schuld niet. Mijn beste, brave, deftige zoon! Ik heb altijd stil en verscholen geleefd, lieve jongen. Ik heb geen enkelen keer de conditie gebroken. Ik heb nooit gezegd, dat ik uwe moeder was. Ik heb u maar in de verte bewonderd; en als ik somtijds naar de stad ben gekomen, met lange tusschenpoozen, om eens met verrukking naar u te kijken, heb ik het onbekend gedaan, lieve jongen, en ben dan stil weer heengegaan.”Mijnheer Bounderby stapte met de handen in de zakken en een gezicht vol verdriet en ongeduld langs de lange eettafel op en neer, terwijl de toeschouwers ieder woord van juffrouw Pegler gretig opvingen en hunne oogen hoe langer hoe wijder opensperden. Daar Bounderby nog bleef op en neer stappen toen juffrouw Pegler geëindigd had, sprak mijnheer Gradgrind de zwaar belasterde vrouw aldus aan:„Het verwondert mij, juffrouw,” zeide hij met strengheid, „dat gij op uwe jaren nog het hart hebt, mijnheer Bounderby hier uw zoon te komen noemen, nadat gij zoo onnatuurlijk en onmenschelijk met hem hebt gehandeld.”„Ik onnatuurlijk!” riep de arme juffrouw Pegler uit. „Ik onmenschelijk! Voor mijn dierbaren zoon!”„Dierbaar!” herhaalde mijnheer Gradgrind. „Ja, dierbaar, nu hij door eigen arbeid tot fortuin gekomen is, juffrouw, dat geloof ik wel. Maar toch niet heel dierbaar, toen gij in zijne kindsheid van hem zijt weggeloopen en hem aan de mishandelingen eener dronken grootmoeder hebt overgelaten.”„Ik mijn Josiah verlaten!” riep juffrouw Pegler uit, hare handen ineenslaande. „Nu, God vergeve u uwe slechte gedachten, mijnheer, en uw laster tegen de nagedachtenis van mijne goede moeder, die in mijne armen gestorven is eer Josiah geboren was. Ik hoop dat gij er berouw van zult hebben, mijnheer, en beter leeren.”Zij zeide dit zoo ernstig en op zulk een smartelijken toon, dat mijnheer Gradgrind, schrikkende van de mogelijkheid, die hij begon te begrijpen, met eene veel zachtere stem zeide:„Ontkent gij dan, juffrouw, dat gij uw zoon in—in de goot hebt laten liggen?”„Josiah in de goot!” riep juffrouw Pegler uit. „Wel zeker ontken ik dat, mijnheer. Foei, gij moest u schamen zoo iets te zeggen. Mijn lieve jongen weet, en hij zal het u zeggen ook, dat hij wel van nederige ouders, maar toch van ouders is gekomen, die hem zoo lief hadden als de beste maar konden doen, en wie het nooit zuur viel zich zelven wat te bekrimpen, om hem zoo heerlijk te laten schrijven en cijferen leeren; ik heb zijne boeken nog thuis, waarin gij dat zien kunt. Ja, dat heb ik!” zeide zij met trotsche verontwaardiging. „En mijn lieve jongen weet, en zal het u ook wel zeggen, mijnheer, dat, toen zijn lieve vader gestorven was, toen hij acht jaren oud was, zijne moeder zich ook wel wat kon bekrimpen, gelijk het haar plicht, haar vermaak en haar trots was te doen, om hem in de wereld voort te helpen en hem in de leer te bestellen. En een oppassende jongen was hij, en een goed meester had hij om hem een handje te helpen, en braaf heeft hij gewerkt om een rijk en gezeten man te worden. En ik zal u zeggen, mijnheer—want mijn lieve jongen zal dat niet willen doen—dat, hoewel zijne moeder maar een klein dorpswinkeltje hield, hij haar toch nooit vergat, maar haar een pensioen gaf van dertig pond ’s jaars—meer dan ik noodig heb, want ik houd er nog van over—alleen het beding makende, dat ik zou blijven waar ik woonde, en niet op hem roemen en hem niet lastig vallen. En dat heb ik ook nooit gedaan, behalve dat ik eens in het jaar naar hem kwam kijken, zonder dat hij het ooit geweten heeft. En het is goed, dat ik moet blijven wonen waar ik woon,” vervolgde de goede oude vrouw, haar zoon met hartelijken ijver voorsprekende, „want ik twijfel er niet aan, of ik zou, als ik hier was, maar vele ongemanierde dingen doen, en ik ben nu weltevreden, en kan mijn hoogmoed op mijn Josiah voor mij zelve houden en hem lief hebben, alleen omdat ik hem liefheb. En ik schaam mij vooru, mijnheer,” zoo besloot zij, „over uwe kwaadsprekendheid en ergdenkendheid. Ik ben hier nog nooit geweest, en heb hier nooit willen wezen, als mijn lieve zoon neen zeide. En ik zou hier ook nu niet wezen, als ik niet gebracht was. Gij moest u schamen, ja, dat moest gij, om mij te betichten eene slechte moeder voor mijn zoon geweest te zijn, terwijl mijn zoon daar staat om geheel iets anders te zeggen.”De omstanders op den grond en op de stoelen gaven door hun gemompel hunne sympathie met juffrouw Pegler te kennen, en mijnheer Gradgrind gevoelde zich op eene onschuldige manier in een zeer onaangenamen toestand geplaatst, toen mijnheer Bounderby, die zonder ophouden op en neer was blijven stappen en met ieder oogenblik rooder en meer opgezwollen was, op eens pal bleef staan.„Ik weet niet recht,” zeide hij, „hoe ik aan de eer van het aanwezige gezelschap kom, maar daarnaar vraag ik ook niet. Als zij nu voldaan zijn, zullen zij misschien zoo goed wezen van heen te gaan; en al mochten zij niet voldaan zijn, dan zullen zij misschien toch zoo goed wezen van heen te gaan. Ik ben niet verplicht eene voorlezing over mijne familiezaken te houden; dat heb ik niet aangenomen te doen, en dat zal ik ook niet doen. Zij, die eenige opheldering over dat gedeelte van het geval verwachten, zullen teleurgesteld worden—vooral Tom Gradgrind, en dat kan hij niet te spoedig weten. Wat den diefstal in het kantoor betreft, heeft er ten aanzien van mijne moeder eene vergissing plaats gehad. Zonder iemands overgroote gedienstigheid zou dat niet gebeurd zijn, en ik heb altijd een hekel aan overgroote gedienstigheid. Goedenavond!”Hoewel mijnheer Bounderby zich aldus van de zaak afhielp en de deur openhield om het gezelschap uit te laten, had hij toch eene bluffende schaapachtigheid over zich, die tegelijk zeer jammerlijk en uiterst belachelijk was. Tentoongesteld in zijn snoevende nederigheid, als een man die zijne winderige reputatie op logens had gebouwd, en met zijn pochen de waarheid even ver van zich had weggejaagd alsof hij de lage eerzucht had gehad (en lager is er niet) om zich een adellijken stamboom te verdichten, maakte hij eene allerzotste vertooning. Terwijl hij aan de deur stond om de lieden uit te laten, die hij wist dat het gebeurde door de geheele stad zouden verspreiden, om het aan de vier winden prijs te geven, had men geen armzaliger voorbeeld van een tentoongestelden snoever kunnen zien. Zelfs met de ongelukkige mevrouw Sparsit, die van het toppunt harer zegepraal in een poel van verslagenheid was gevallen, was het niet zoo ellendig gesteld als met dien buitengemeenen man, die zich zelven tot een dommen bedrieger gemaakt had, Josiah Bounderby vanCoketown.Rachel en Sissy lieten juffrouw Pegler voor dien nacht een nachtverblijf bij haar zoon vinden, en wandelden te zamen naar het hek vanStone Lodge, waar zij afscheid namen. Mijnheer Gradgrind kwam haar achterop eer zij nog ver op weg waren, en sprak met veel belangstelling over Stephen Blackpool, voor wien hij dacht, dat dit openlijke bewijs, hoe ongegrond de vermoedens tegen juffrouw Pegler geweest waren, waarschijnlijk gunstige gevolgen zou hebben.Wat den hondsvot betreft, onder dit geheele tooneel, gelijk sedert kort bij alle gelegenheden, was hij dicht bij mijnheer Bounderby gebleven. Hij scheen te denken, dat hij, zoolang Bounderby geene ontdekking kon doen zonder dat hij er van wist, in zooverre veilig was. Hij had nooit zijne zuster bezocht, en haar sedert hare thuiskomst maar eens gezien, namelijk op dien avond, toen hij, gelijk verhaald is, insgelijks dicht bij Bounderby bleef.In het gemoed zijner zuster woonde eene duistere, vormlooze vrees, waaraan zij nooit woorden gaf, en die haar slechten, ondankbaren broeder met eene akelige geheimzinnigheid omhulde. Dezelfde donkere mogelijkheid had zich juist dezen dag in dezelfde vormelooze gedaante aan Sissy vertoond, toen Rachel er van sprak, dat iemand, die door Stephen’s terugkomst beschaamd zou worden, hem uit den weg zou hebben geholpen. Louisa had nooit gezegd, dat zij haar broeder van eenige medeplichtigheid aan den diefstal verdacht hield; zij en Sissy hadden in dit opzicht geene uitwisseling van vertrouwen gehad, behalve dien enkelen blik, toen de niets vermoedende vader zijn grijs hoofd op zijne hand liet rusten; maar zij hadden elkander verstaan. Deze andere vrees was zoo geducht, dat zij als eene spookachtige schim boven haar bleef zweven, zonder dat een van beiden er aan durfde denken dat die schrikgedaante haar nabij, veel minder dat zij ook nabij de andere was.En nog gelukte het den hondsvot zich goed te houden. Als Stephen Blackpool de dief niet was, moest hij maar voor den dag komen. Waarom deed hij dat niet?Nog een nacht. Nog een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man, en waarom kwam hij niet terug?
XXXIII.GEVONDEN.Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man en waarom kwam hij niet terug?Elken avond ging Sissy naar de woning van Rachel en zat bij haar in haar klein, net kamertje. Den geheelen dag werkte Rachel, gelijk zulke lieden moeten werken, welken angst zij ook mogen verduren. Voor de rookslangen was het onverschillig wie verloren of gevonden werd, met wien het goed of slecht afliep; de zwaarmoedige olifanten weken evenmin als de mannen van feiten van hun vasten gang af, wat er ook mocht gebeuren. Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. De eentonigheid was onafgebroken. Zelfs het verdwijnen van Stephen Blackpool viel in de gewone sleur, en werd een even eentonig wonder als ieder stuk machinerie teCoketown.„Ik twijfel,” zeide Rachel, „of er twintig in de geheele stad over zijn, die nu nog eenig vertrouwen op den lieven, goeden man hebben.”Zij zeide dit tegen Sissy, terwijl zij in haar kamertje zaten, alleen door de lantaren op den hoek der straat verlicht. Sissy was daar gekomen toen het reeds donker was, om naar Rachel’s terugkomst van haar werk te wachten; en sedert hadden zij aan het venster gezeten, waar Rachel haar gevonden had, zonder helderder licht noodig te hebben om hare treurige taak te beschijnen.„Als het niet zoo genadig beschikt was, dat ik u had om mede te spreken,” vervolgde Rachel, „zouden er, denk ik, tijden zijn dat ik niet bij mijn verstand zou zijn gebleven. Maar ik krijg hoop en kracht door u; en ik geloof, hoewel de schijn tegen hem mag wezen, dat hij toch nog onschuldig zal blijken.”„Dat geloof ik ook met al mijn hart,” antwoordde Sissy. „Ik ben bij mij zelve zoo verzekerd, Rachel, dat het vertrouwen, dat gij tegen alle bezwaren in blijft koesteren, niet verkeerd kan wezen, dat ik evenmin aan hem twijfel alsof ik hem gedurende juist zooveel jaren van beproeving had gekend als gij gedaan hebt.”„En ik, lieve,” zeide Rachel met eene beving in hare stem, „heb door al die jaren heen ondervonden, dat hij, op zijne stille manier, zoo getrouw was aan al wat eerlijk en goed is, dat ik, al moest men nooit iets meer van hem hooren, en al moest ik honderd jaren oud worden, toch met mijn laatsten adem zou kunnen zeggen: God kent mijn hart, ik heb nooit opgehouden Stephen Blackpool te vertrouwen.”„Wij opStone Lodge, Rachel, gelooven allen, dat hij vroeger of later van alle verdenking zal bevrijd worden.”„Hoe meer ik weet dat men daar zoo gelooft,” zeide Rachel, „en hoe vriendelijker ik het vind, dat gij opzettelijk daar vandaan komt om mij te troosten en gezelschap te houden, en u bij mij laat zien terwijl ik zelve nog niet vrij van alle verdenking ben, des te meer spijt het mij, dat ik ooit die woorden van achterdocht tegen de jonge mevrouw heb gesproken. En toch....”„Gij wantrouwt haar toch nu niet meer, Rachel?”„Nu gij ons weder bij elkander hebt gebracht—neen. Maar ik kan het niet altijd uit mijne gedachten zetten....”Hare stem daalde tot eene zachte en langzame alleenspraak, zoodat Sissy, die naast haar zat, met oplettendheid moest luisteren.„Ik kan het niet altijd laten den een of ander te verdenken. Ik kan niet raden wie het is; ik kan niet raden hoe of waarom; maar ik heb een vermoeden, dat iemand Stephen uit den weg heeft geholpen. Ik heb een vermoeden, dat hij, door vrijwillig terug te komen, en zich voor iedereen onschuldig te toonen, iemand anders beschamen zou, die—om dit te voorkomen—hem opgehouden en uit den weg geholpen heeft.”„Dat is eene schrikkelijke gedachte,” zeide Sissy, verbleekende.„Ja, het is schrikkelijk, te denken dat hij vermoord zou zijn.”Sissy huiverde en werd nog bleeker.„Als dat mij in het hoofd komt, lieve,” vervolgde Rachel, „en dat wil het somtijds, hoezeer ik ook mijn best doe om het er uit te houden, door tot hooge getallen toe te tellen als ik werk, of stukken op te zeggen, die ik van buiten leerde toen ik een kind was—dan word ik zoo schrikkelijk gejaagd en ongeduldig, dat ik, hoe moede ik ook ben, wel mijlen en mijlen ver zou willen loopen. Ik moet dit te boven komen eer ik naar bed ga. Ik zal met u naar huis gaan.”„Hij kan op reis hierheen ziek zijn geworden,” zeide Sissy, met eene flauwe stem een versleten stukje hoop aanbiedende; „en in dat geval, zijn er onderweg vele plaatsen waar hij zich kon ophouden.”„Maar hij is daar nergens. Men heeft overal naar hem gezocht, en hij is er niet.”„’t Is waar,” luidde Sissy’s onwillige toestemming.„Hij kon de reis te voet in twee dagen doen; en als hij niet te voet kon gaan, heb ik hem in den brief, dien hij kreeg, geld gezonden om te kunnen rijden, uit vrees, dat hij zelf geen geld te missen zou hebben.”„Laten wij hopen, dat morgen iets beters zal aanbrengen, Rachel. Kom mede in de lucht.”Hare zachte hand hing Rachel’s doek over hare glanzig zwarte haren op de gewone manier waarop zij dien droeg, en zij gingen naar buiten. Daar het een fraaie avond was, stonden hier en daar troepjes werklieden op de hoeken der straten te drentelen; maar voor de meesten was het etenstijd, en er waren maar weinig menschen op straat.„Ge zijt nu zoo gejaagd niet meer, Rachel, en uwe hand is koeler.”„Ik word altijd beter, lieve, als ik maar kan loopen en wat frissche lucht inademen; maar als ik dat niet kan, word ik flauw en duizelig.”„Maar gij moet niet beginnen te bezwijken, Rachel, want gij zult misschien op een of anderen tijd noodig zijn om Stephen bij te staan. Morgen is het zaterdag. Als er morgen geen nieuws komt, laten wij dan zondagochtend eene verre wandeling door het veld doen, opdat gij kracht verzamelt voor de volgende week. Wilt gij dat?”„Ja, lieve.”Zij waren nu in de straat gekomen waar het huis van Bounderby stond. Sissy’s weg liep de deur voorbij, en zij waren niet ver meer daar vandaan. Er was pas een spoortrein aangekomen, die een aantal rijtuigen in beweging bracht en een aanmerkelijk gewoel door de stad verspreidde. Verscheidene koetsen ratelden voor en achter de twee wandelaarsters, toen zij het huis van Bounderby naderden, en juist toen zij het voorbijgingen, hield eene koets zoo plotseling op, dat zij onwillekeurig omkeken. Het heldere gaslicht boven de stoep van mijnheer Bounderby deed haar mevrouw Sparsit herkennen, die in de koets zat en driftige pogingen aanwendde om het portier te openen. Mevrouw Sparsit zag beiden op hetzelfde oogenblik en riep ze om te blijven wachten.„Dat is eene beschikking der Voorzienigheid,” riep mevrouw Sparsit uit, toen de koetsier haar uit hare gevangenis had verlost. „Kom er uit, juffrouw,” vervolgde zij tegen iemand, die nog in de koets zat; „kom er uit, of wij zullen er u uit laten slepen.”De persoon, die hierop te voorschijn kwam, was niemand anders dan de geheimzinnige oude vrouw, en mevrouw Sparsit greep haar dadelijk bij haar kleed vast.„Blijft van haar af, allemaal!” riep mevrouw Sparsit met grooten ijver. „Laat niemand haar aanraken. Zij behoort mij. Kom binnen, juffrouw,” vervolgde zij daarop, haar vorig commando omkeerende; „kom binnen, of wij zullen u laten binnenslepen.”Het schouwspel van klassieke deftigheid, die eene oude vrouw bij de keel greep en een huis binnensleepte, zou altijd voor alle echt Engelsche nieuwsgierigen, gelukkig genoeg om daarvan getuigen te zijn, eene groote verzoeking zijn geweest om dat huis mede binnen te dringen en te zien hoe de zaak afliep. Maar nu het merkwaardige van dit verschijnsel nog vergroot werd door de ruchtbaarheid van den bekenden diefstal in het kantoor, moest het alle toevallige voorbijgangers met onweerstaanbare kracht in huis lokken, al had men ook kunnen verwachten, dat het dak hun op het hoofd zou vallen. Alle toevallig aanwezige getuigen, die uit de nieuwsgierigsten der buren ten getale van omtrent vijf en twintig bestonden, sloten zich dus achter den trein aan, toen mevrouw Sparsit en hare gevangene, door Sissy en Rachel gevolgd, het huis binnengingen, en de geheele troep drong in een verwarden drom de eetzaal van mijnheer Bounderby in, terwijl de achtersten niet draalden met op de stoelen te klimmen, om zoo over de voorsten te kunnen heenzien.„Roep mijnheer Bounderby beneden!” riep mevrouw Sparsit. „Gij, Rachel, weet gij wie dit is?”„Dit is juffrouw Pegler,” antwoordde Rachel.„Dat zou ik ook denken!” riep mevrouw Sparsit zegevierend uit. „Roep mijnheer Bounderby. Gaat uit den weg, allemaal.” Hier poogde de oude juffrouw Pegler, die zich dicht had ingemoffeld en zooveel mogelijk wegkroop, fluisterend en smeekend iets te zeggen. „Praat mij van niets,”, zeide mevrouw Sparsit hardop. „Ik heb u onderweg al twintigmaal gezegd, dat ik u niet loslaat eer ik u aan hem in eigen persoon heb overgegeven.”Nu verscheen mijnheer Bounderby, vergezeld door mijnheer Gradgrind en den hondsvot, met welke twee hij boven had gesproken. Bounderby’s gezicht gaf meer verbazing dan gastvrijheid te kennen, toen hij het ongenoodigde gezelschap in zijne eetzaal ontwaarde.„Wat is er nu aan de hand, mevrouw Sparsit?” zeide hij.„Mijnheer,” zoo begon die brave vrouw hare opheldering, „ik vertrouw dat ik het geluk heb u iemand voor oogen te plaatsen, die gij zeer gewenscht hebt te vinden. Geprikkeld door mijn verlangen om uw gemoed gerust te stellen, mijnheer, en afgaande op die onvolkomene aanwijzingen van de plaats, waar die persoon zou kunnen wonen, door dat meisje, Rachel, gegeven, die gelukkig juist hier is, om te zeggen of zij haar herkent, is het mij gelukt haar te vinden en hier te brengen—ik behoef niet te zeggen zeer tegen haar wil. Het is niet zonder moeite geweest dat ik dit gedaan heb, mijnheer; maar moeite in uw dienst is mij een vermaak, en honger, dorst en koude een wezenlijk genot.”Hier bleef mevrouw Sparsit steken; want niet zoodra kreeg mijnheer Bounderby de oude juffrouw Pegler te zien of zijn gezicht nam eene tegenstrijdige mengeling van kleuren en uitdrukkingen aan, waaronder echter verslagenheid de overhand had.„Wat heeft dat te beduiden?” was de hoogst onverwachte vraag, die hij haar gramstorig toebulderde. „Ik vraag wat dat te beduiden heeft, juffrouw?”„Mijnheer!” zeide mevrouw Sparsit flauw.„Waarom houdt gij u op met dingen, die u niet raken, juffrouw?” viel Bounderby uit. „Hoe durft gij hier komen en uw bemoeizieken neus in mijne familiezaken steken?”Deze toespeling op het lichaamsdeel, waaraan zij zooveel waarde hechtte, overweldigde mevrouw Sparsit geheel en al. Zij zette zich stijf op een stoel, alsof zij bevroren was; en mijnheer Bounderby strak aanstarende, liet zij langzaam hare mofjes over elkander krassen, alsof zij ook bevroren waren.„Mijn lieve Josiah!” riep juffrouw Pegler bevend uit. „Mijn beste jongen! Ik kan het niet helpen. Het is mijne schuld niet, Josiah. Ik heb die juffrouw dikwijls genoeg gezegd, dat ik wel wist, dat het u niet aangenaam zou zijn wat zij deed, maar zij wilde er niet van afzien.”„Waarom hebt gij u laten brengen? Kondt gij hare muts niet aftrekken, of haar een tand uitslaan, of haar op eene andere wijze van u afmaken?” zeide Bounderby.„Maar, mijn jongen, zij dreigde mij, als ik mij te weer stelde, zou ik doorconstableshier gebracht worden, en het was beter stilletjes te komen dan tumult te maken in zulk”—hier zag juffrouw Pegler beschroomd en toch trotsch in het rond—„in zulk een mooi huis als dit is. Waarlijk, waarlijk, het is mijne schuld niet. Mijn beste, brave, deftige zoon! Ik heb altijd stil en verscholen geleefd, lieve jongen. Ik heb geen enkelen keer de conditie gebroken. Ik heb nooit gezegd, dat ik uwe moeder was. Ik heb u maar in de verte bewonderd; en als ik somtijds naar de stad ben gekomen, met lange tusschenpoozen, om eens met verrukking naar u te kijken, heb ik het onbekend gedaan, lieve jongen, en ben dan stil weer heengegaan.”Mijnheer Bounderby stapte met de handen in de zakken en een gezicht vol verdriet en ongeduld langs de lange eettafel op en neer, terwijl de toeschouwers ieder woord van juffrouw Pegler gretig opvingen en hunne oogen hoe langer hoe wijder opensperden. Daar Bounderby nog bleef op en neer stappen toen juffrouw Pegler geëindigd had, sprak mijnheer Gradgrind de zwaar belasterde vrouw aldus aan:„Het verwondert mij, juffrouw,” zeide hij met strengheid, „dat gij op uwe jaren nog het hart hebt, mijnheer Bounderby hier uw zoon te komen noemen, nadat gij zoo onnatuurlijk en onmenschelijk met hem hebt gehandeld.”„Ik onnatuurlijk!” riep de arme juffrouw Pegler uit. „Ik onmenschelijk! Voor mijn dierbaren zoon!”„Dierbaar!” herhaalde mijnheer Gradgrind. „Ja, dierbaar, nu hij door eigen arbeid tot fortuin gekomen is, juffrouw, dat geloof ik wel. Maar toch niet heel dierbaar, toen gij in zijne kindsheid van hem zijt weggeloopen en hem aan de mishandelingen eener dronken grootmoeder hebt overgelaten.”„Ik mijn Josiah verlaten!” riep juffrouw Pegler uit, hare handen ineenslaande. „Nu, God vergeve u uwe slechte gedachten, mijnheer, en uw laster tegen de nagedachtenis van mijne goede moeder, die in mijne armen gestorven is eer Josiah geboren was. Ik hoop dat gij er berouw van zult hebben, mijnheer, en beter leeren.”Zij zeide dit zoo ernstig en op zulk een smartelijken toon, dat mijnheer Gradgrind, schrikkende van de mogelijkheid, die hij begon te begrijpen, met eene veel zachtere stem zeide:„Ontkent gij dan, juffrouw, dat gij uw zoon in—in de goot hebt laten liggen?”„Josiah in de goot!” riep juffrouw Pegler uit. „Wel zeker ontken ik dat, mijnheer. Foei, gij moest u schamen zoo iets te zeggen. Mijn lieve jongen weet, en hij zal het u zeggen ook, dat hij wel van nederige ouders, maar toch van ouders is gekomen, die hem zoo lief hadden als de beste maar konden doen, en wie het nooit zuur viel zich zelven wat te bekrimpen, om hem zoo heerlijk te laten schrijven en cijferen leeren; ik heb zijne boeken nog thuis, waarin gij dat zien kunt. Ja, dat heb ik!” zeide zij met trotsche verontwaardiging. „En mijn lieve jongen weet, en zal het u ook wel zeggen, mijnheer, dat, toen zijn lieve vader gestorven was, toen hij acht jaren oud was, zijne moeder zich ook wel wat kon bekrimpen, gelijk het haar plicht, haar vermaak en haar trots was te doen, om hem in de wereld voort te helpen en hem in de leer te bestellen. En een oppassende jongen was hij, en een goed meester had hij om hem een handje te helpen, en braaf heeft hij gewerkt om een rijk en gezeten man te worden. En ik zal u zeggen, mijnheer—want mijn lieve jongen zal dat niet willen doen—dat, hoewel zijne moeder maar een klein dorpswinkeltje hield, hij haar toch nooit vergat, maar haar een pensioen gaf van dertig pond ’s jaars—meer dan ik noodig heb, want ik houd er nog van over—alleen het beding makende, dat ik zou blijven waar ik woonde, en niet op hem roemen en hem niet lastig vallen. En dat heb ik ook nooit gedaan, behalve dat ik eens in het jaar naar hem kwam kijken, zonder dat hij het ooit geweten heeft. En het is goed, dat ik moet blijven wonen waar ik woon,” vervolgde de goede oude vrouw, haar zoon met hartelijken ijver voorsprekende, „want ik twijfel er niet aan, of ik zou, als ik hier was, maar vele ongemanierde dingen doen, en ik ben nu weltevreden, en kan mijn hoogmoed op mijn Josiah voor mij zelve houden en hem lief hebben, alleen omdat ik hem liefheb. En ik schaam mij vooru, mijnheer,” zoo besloot zij, „over uwe kwaadsprekendheid en ergdenkendheid. Ik ben hier nog nooit geweest, en heb hier nooit willen wezen, als mijn lieve zoon neen zeide. En ik zou hier ook nu niet wezen, als ik niet gebracht was. Gij moest u schamen, ja, dat moest gij, om mij te betichten eene slechte moeder voor mijn zoon geweest te zijn, terwijl mijn zoon daar staat om geheel iets anders te zeggen.”De omstanders op den grond en op de stoelen gaven door hun gemompel hunne sympathie met juffrouw Pegler te kennen, en mijnheer Gradgrind gevoelde zich op eene onschuldige manier in een zeer onaangenamen toestand geplaatst, toen mijnheer Bounderby, die zonder ophouden op en neer was blijven stappen en met ieder oogenblik rooder en meer opgezwollen was, op eens pal bleef staan.„Ik weet niet recht,” zeide hij, „hoe ik aan de eer van het aanwezige gezelschap kom, maar daarnaar vraag ik ook niet. Als zij nu voldaan zijn, zullen zij misschien zoo goed wezen van heen te gaan; en al mochten zij niet voldaan zijn, dan zullen zij misschien toch zoo goed wezen van heen te gaan. Ik ben niet verplicht eene voorlezing over mijne familiezaken te houden; dat heb ik niet aangenomen te doen, en dat zal ik ook niet doen. Zij, die eenige opheldering over dat gedeelte van het geval verwachten, zullen teleurgesteld worden—vooral Tom Gradgrind, en dat kan hij niet te spoedig weten. Wat den diefstal in het kantoor betreft, heeft er ten aanzien van mijne moeder eene vergissing plaats gehad. Zonder iemands overgroote gedienstigheid zou dat niet gebeurd zijn, en ik heb altijd een hekel aan overgroote gedienstigheid. Goedenavond!”Hoewel mijnheer Bounderby zich aldus van de zaak afhielp en de deur openhield om het gezelschap uit te laten, had hij toch eene bluffende schaapachtigheid over zich, die tegelijk zeer jammerlijk en uiterst belachelijk was. Tentoongesteld in zijn snoevende nederigheid, als een man die zijne winderige reputatie op logens had gebouwd, en met zijn pochen de waarheid even ver van zich had weggejaagd alsof hij de lage eerzucht had gehad (en lager is er niet) om zich een adellijken stamboom te verdichten, maakte hij eene allerzotste vertooning. Terwijl hij aan de deur stond om de lieden uit te laten, die hij wist dat het gebeurde door de geheele stad zouden verspreiden, om het aan de vier winden prijs te geven, had men geen armzaliger voorbeeld van een tentoongestelden snoever kunnen zien. Zelfs met de ongelukkige mevrouw Sparsit, die van het toppunt harer zegepraal in een poel van verslagenheid was gevallen, was het niet zoo ellendig gesteld als met dien buitengemeenen man, die zich zelven tot een dommen bedrieger gemaakt had, Josiah Bounderby vanCoketown.Rachel en Sissy lieten juffrouw Pegler voor dien nacht een nachtverblijf bij haar zoon vinden, en wandelden te zamen naar het hek vanStone Lodge, waar zij afscheid namen. Mijnheer Gradgrind kwam haar achterop eer zij nog ver op weg waren, en sprak met veel belangstelling over Stephen Blackpool, voor wien hij dacht, dat dit openlijke bewijs, hoe ongegrond de vermoedens tegen juffrouw Pegler geweest waren, waarschijnlijk gunstige gevolgen zou hebben.Wat den hondsvot betreft, onder dit geheele tooneel, gelijk sedert kort bij alle gelegenheden, was hij dicht bij mijnheer Bounderby gebleven. Hij scheen te denken, dat hij, zoolang Bounderby geene ontdekking kon doen zonder dat hij er van wist, in zooverre veilig was. Hij had nooit zijne zuster bezocht, en haar sedert hare thuiskomst maar eens gezien, namelijk op dien avond, toen hij, gelijk verhaald is, insgelijks dicht bij Bounderby bleef.In het gemoed zijner zuster woonde eene duistere, vormlooze vrees, waaraan zij nooit woorden gaf, en die haar slechten, ondankbaren broeder met eene akelige geheimzinnigheid omhulde. Dezelfde donkere mogelijkheid had zich juist dezen dag in dezelfde vormelooze gedaante aan Sissy vertoond, toen Rachel er van sprak, dat iemand, die door Stephen’s terugkomst beschaamd zou worden, hem uit den weg zou hebben geholpen. Louisa had nooit gezegd, dat zij haar broeder van eenige medeplichtigheid aan den diefstal verdacht hield; zij en Sissy hadden in dit opzicht geene uitwisseling van vertrouwen gehad, behalve dien enkelen blik, toen de niets vermoedende vader zijn grijs hoofd op zijne hand liet rusten; maar zij hadden elkander verstaan. Deze andere vrees was zoo geducht, dat zij als eene spookachtige schim boven haar bleef zweven, zonder dat een van beiden er aan durfde denken dat die schrikgedaante haar nabij, veel minder dat zij ook nabij de andere was.En nog gelukte het den hondsvot zich goed te houden. Als Stephen Blackpool de dief niet was, moest hij maar voor den dag komen. Waarom deed hij dat niet?Nog een nacht. Nog een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man, en waarom kwam hij niet terug?
XXXIII.GEVONDEN.
Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man en waarom kwam hij niet terug?Elken avond ging Sissy naar de woning van Rachel en zat bij haar in haar klein, net kamertje. Den geheelen dag werkte Rachel, gelijk zulke lieden moeten werken, welken angst zij ook mogen verduren. Voor de rookslangen was het onverschillig wie verloren of gevonden werd, met wien het goed of slecht afliep; de zwaarmoedige olifanten weken evenmin als de mannen van feiten van hun vasten gang af, wat er ook mocht gebeuren. Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. De eentonigheid was onafgebroken. Zelfs het verdwijnen van Stephen Blackpool viel in de gewone sleur, en werd een even eentonig wonder als ieder stuk machinerie teCoketown.„Ik twijfel,” zeide Rachel, „of er twintig in de geheele stad over zijn, die nu nog eenig vertrouwen op den lieven, goeden man hebben.”Zij zeide dit tegen Sissy, terwijl zij in haar kamertje zaten, alleen door de lantaren op den hoek der straat verlicht. Sissy was daar gekomen toen het reeds donker was, om naar Rachel’s terugkomst van haar werk te wachten; en sedert hadden zij aan het venster gezeten, waar Rachel haar gevonden had, zonder helderder licht noodig te hebben om hare treurige taak te beschijnen.„Als het niet zoo genadig beschikt was, dat ik u had om mede te spreken,” vervolgde Rachel, „zouden er, denk ik, tijden zijn dat ik niet bij mijn verstand zou zijn gebleven. Maar ik krijg hoop en kracht door u; en ik geloof, hoewel de schijn tegen hem mag wezen, dat hij toch nog onschuldig zal blijken.”„Dat geloof ik ook met al mijn hart,” antwoordde Sissy. „Ik ben bij mij zelve zoo verzekerd, Rachel, dat het vertrouwen, dat gij tegen alle bezwaren in blijft koesteren, niet verkeerd kan wezen, dat ik evenmin aan hem twijfel alsof ik hem gedurende juist zooveel jaren van beproeving had gekend als gij gedaan hebt.”„En ik, lieve,” zeide Rachel met eene beving in hare stem, „heb door al die jaren heen ondervonden, dat hij, op zijne stille manier, zoo getrouw was aan al wat eerlijk en goed is, dat ik, al moest men nooit iets meer van hem hooren, en al moest ik honderd jaren oud worden, toch met mijn laatsten adem zou kunnen zeggen: God kent mijn hart, ik heb nooit opgehouden Stephen Blackpool te vertrouwen.”„Wij opStone Lodge, Rachel, gelooven allen, dat hij vroeger of later van alle verdenking zal bevrijd worden.”„Hoe meer ik weet dat men daar zoo gelooft,” zeide Rachel, „en hoe vriendelijker ik het vind, dat gij opzettelijk daar vandaan komt om mij te troosten en gezelschap te houden, en u bij mij laat zien terwijl ik zelve nog niet vrij van alle verdenking ben, des te meer spijt het mij, dat ik ooit die woorden van achterdocht tegen de jonge mevrouw heb gesproken. En toch....”„Gij wantrouwt haar toch nu niet meer, Rachel?”„Nu gij ons weder bij elkander hebt gebracht—neen. Maar ik kan het niet altijd uit mijne gedachten zetten....”Hare stem daalde tot eene zachte en langzame alleenspraak, zoodat Sissy, die naast haar zat, met oplettendheid moest luisteren.„Ik kan het niet altijd laten den een of ander te verdenken. Ik kan niet raden wie het is; ik kan niet raden hoe of waarom; maar ik heb een vermoeden, dat iemand Stephen uit den weg heeft geholpen. Ik heb een vermoeden, dat hij, door vrijwillig terug te komen, en zich voor iedereen onschuldig te toonen, iemand anders beschamen zou, die—om dit te voorkomen—hem opgehouden en uit den weg geholpen heeft.”„Dat is eene schrikkelijke gedachte,” zeide Sissy, verbleekende.„Ja, het is schrikkelijk, te denken dat hij vermoord zou zijn.”Sissy huiverde en werd nog bleeker.„Als dat mij in het hoofd komt, lieve,” vervolgde Rachel, „en dat wil het somtijds, hoezeer ik ook mijn best doe om het er uit te houden, door tot hooge getallen toe te tellen als ik werk, of stukken op te zeggen, die ik van buiten leerde toen ik een kind was—dan word ik zoo schrikkelijk gejaagd en ongeduldig, dat ik, hoe moede ik ook ben, wel mijlen en mijlen ver zou willen loopen. Ik moet dit te boven komen eer ik naar bed ga. Ik zal met u naar huis gaan.”„Hij kan op reis hierheen ziek zijn geworden,” zeide Sissy, met eene flauwe stem een versleten stukje hoop aanbiedende; „en in dat geval, zijn er onderweg vele plaatsen waar hij zich kon ophouden.”„Maar hij is daar nergens. Men heeft overal naar hem gezocht, en hij is er niet.”„’t Is waar,” luidde Sissy’s onwillige toestemming.„Hij kon de reis te voet in twee dagen doen; en als hij niet te voet kon gaan, heb ik hem in den brief, dien hij kreeg, geld gezonden om te kunnen rijden, uit vrees, dat hij zelf geen geld te missen zou hebben.”„Laten wij hopen, dat morgen iets beters zal aanbrengen, Rachel. Kom mede in de lucht.”Hare zachte hand hing Rachel’s doek over hare glanzig zwarte haren op de gewone manier waarop zij dien droeg, en zij gingen naar buiten. Daar het een fraaie avond was, stonden hier en daar troepjes werklieden op de hoeken der straten te drentelen; maar voor de meesten was het etenstijd, en er waren maar weinig menschen op straat.„Ge zijt nu zoo gejaagd niet meer, Rachel, en uwe hand is koeler.”„Ik word altijd beter, lieve, als ik maar kan loopen en wat frissche lucht inademen; maar als ik dat niet kan, word ik flauw en duizelig.”„Maar gij moet niet beginnen te bezwijken, Rachel, want gij zult misschien op een of anderen tijd noodig zijn om Stephen bij te staan. Morgen is het zaterdag. Als er morgen geen nieuws komt, laten wij dan zondagochtend eene verre wandeling door het veld doen, opdat gij kracht verzamelt voor de volgende week. Wilt gij dat?”„Ja, lieve.”Zij waren nu in de straat gekomen waar het huis van Bounderby stond. Sissy’s weg liep de deur voorbij, en zij waren niet ver meer daar vandaan. Er was pas een spoortrein aangekomen, die een aantal rijtuigen in beweging bracht en een aanmerkelijk gewoel door de stad verspreidde. Verscheidene koetsen ratelden voor en achter de twee wandelaarsters, toen zij het huis van Bounderby naderden, en juist toen zij het voorbijgingen, hield eene koets zoo plotseling op, dat zij onwillekeurig omkeken. Het heldere gaslicht boven de stoep van mijnheer Bounderby deed haar mevrouw Sparsit herkennen, die in de koets zat en driftige pogingen aanwendde om het portier te openen. Mevrouw Sparsit zag beiden op hetzelfde oogenblik en riep ze om te blijven wachten.„Dat is eene beschikking der Voorzienigheid,” riep mevrouw Sparsit uit, toen de koetsier haar uit hare gevangenis had verlost. „Kom er uit, juffrouw,” vervolgde zij tegen iemand, die nog in de koets zat; „kom er uit, of wij zullen er u uit laten slepen.”De persoon, die hierop te voorschijn kwam, was niemand anders dan de geheimzinnige oude vrouw, en mevrouw Sparsit greep haar dadelijk bij haar kleed vast.„Blijft van haar af, allemaal!” riep mevrouw Sparsit met grooten ijver. „Laat niemand haar aanraken. Zij behoort mij. Kom binnen, juffrouw,” vervolgde zij daarop, haar vorig commando omkeerende; „kom binnen, of wij zullen u laten binnenslepen.”Het schouwspel van klassieke deftigheid, die eene oude vrouw bij de keel greep en een huis binnensleepte, zou altijd voor alle echt Engelsche nieuwsgierigen, gelukkig genoeg om daarvan getuigen te zijn, eene groote verzoeking zijn geweest om dat huis mede binnen te dringen en te zien hoe de zaak afliep. Maar nu het merkwaardige van dit verschijnsel nog vergroot werd door de ruchtbaarheid van den bekenden diefstal in het kantoor, moest het alle toevallige voorbijgangers met onweerstaanbare kracht in huis lokken, al had men ook kunnen verwachten, dat het dak hun op het hoofd zou vallen. Alle toevallig aanwezige getuigen, die uit de nieuwsgierigsten der buren ten getale van omtrent vijf en twintig bestonden, sloten zich dus achter den trein aan, toen mevrouw Sparsit en hare gevangene, door Sissy en Rachel gevolgd, het huis binnengingen, en de geheele troep drong in een verwarden drom de eetzaal van mijnheer Bounderby in, terwijl de achtersten niet draalden met op de stoelen te klimmen, om zoo over de voorsten te kunnen heenzien.„Roep mijnheer Bounderby beneden!” riep mevrouw Sparsit. „Gij, Rachel, weet gij wie dit is?”„Dit is juffrouw Pegler,” antwoordde Rachel.„Dat zou ik ook denken!” riep mevrouw Sparsit zegevierend uit. „Roep mijnheer Bounderby. Gaat uit den weg, allemaal.” Hier poogde de oude juffrouw Pegler, die zich dicht had ingemoffeld en zooveel mogelijk wegkroop, fluisterend en smeekend iets te zeggen. „Praat mij van niets,”, zeide mevrouw Sparsit hardop. „Ik heb u onderweg al twintigmaal gezegd, dat ik u niet loslaat eer ik u aan hem in eigen persoon heb overgegeven.”Nu verscheen mijnheer Bounderby, vergezeld door mijnheer Gradgrind en den hondsvot, met welke twee hij boven had gesproken. Bounderby’s gezicht gaf meer verbazing dan gastvrijheid te kennen, toen hij het ongenoodigde gezelschap in zijne eetzaal ontwaarde.„Wat is er nu aan de hand, mevrouw Sparsit?” zeide hij.„Mijnheer,” zoo begon die brave vrouw hare opheldering, „ik vertrouw dat ik het geluk heb u iemand voor oogen te plaatsen, die gij zeer gewenscht hebt te vinden. Geprikkeld door mijn verlangen om uw gemoed gerust te stellen, mijnheer, en afgaande op die onvolkomene aanwijzingen van de plaats, waar die persoon zou kunnen wonen, door dat meisje, Rachel, gegeven, die gelukkig juist hier is, om te zeggen of zij haar herkent, is het mij gelukt haar te vinden en hier te brengen—ik behoef niet te zeggen zeer tegen haar wil. Het is niet zonder moeite geweest dat ik dit gedaan heb, mijnheer; maar moeite in uw dienst is mij een vermaak, en honger, dorst en koude een wezenlijk genot.”Hier bleef mevrouw Sparsit steken; want niet zoodra kreeg mijnheer Bounderby de oude juffrouw Pegler te zien of zijn gezicht nam eene tegenstrijdige mengeling van kleuren en uitdrukkingen aan, waaronder echter verslagenheid de overhand had.„Wat heeft dat te beduiden?” was de hoogst onverwachte vraag, die hij haar gramstorig toebulderde. „Ik vraag wat dat te beduiden heeft, juffrouw?”„Mijnheer!” zeide mevrouw Sparsit flauw.„Waarom houdt gij u op met dingen, die u niet raken, juffrouw?” viel Bounderby uit. „Hoe durft gij hier komen en uw bemoeizieken neus in mijne familiezaken steken?”Deze toespeling op het lichaamsdeel, waaraan zij zooveel waarde hechtte, overweldigde mevrouw Sparsit geheel en al. Zij zette zich stijf op een stoel, alsof zij bevroren was; en mijnheer Bounderby strak aanstarende, liet zij langzaam hare mofjes over elkander krassen, alsof zij ook bevroren waren.„Mijn lieve Josiah!” riep juffrouw Pegler bevend uit. „Mijn beste jongen! Ik kan het niet helpen. Het is mijne schuld niet, Josiah. Ik heb die juffrouw dikwijls genoeg gezegd, dat ik wel wist, dat het u niet aangenaam zou zijn wat zij deed, maar zij wilde er niet van afzien.”„Waarom hebt gij u laten brengen? Kondt gij hare muts niet aftrekken, of haar een tand uitslaan, of haar op eene andere wijze van u afmaken?” zeide Bounderby.„Maar, mijn jongen, zij dreigde mij, als ik mij te weer stelde, zou ik doorconstableshier gebracht worden, en het was beter stilletjes te komen dan tumult te maken in zulk”—hier zag juffrouw Pegler beschroomd en toch trotsch in het rond—„in zulk een mooi huis als dit is. Waarlijk, waarlijk, het is mijne schuld niet. Mijn beste, brave, deftige zoon! Ik heb altijd stil en verscholen geleefd, lieve jongen. Ik heb geen enkelen keer de conditie gebroken. Ik heb nooit gezegd, dat ik uwe moeder was. Ik heb u maar in de verte bewonderd; en als ik somtijds naar de stad ben gekomen, met lange tusschenpoozen, om eens met verrukking naar u te kijken, heb ik het onbekend gedaan, lieve jongen, en ben dan stil weer heengegaan.”Mijnheer Bounderby stapte met de handen in de zakken en een gezicht vol verdriet en ongeduld langs de lange eettafel op en neer, terwijl de toeschouwers ieder woord van juffrouw Pegler gretig opvingen en hunne oogen hoe langer hoe wijder opensperden. Daar Bounderby nog bleef op en neer stappen toen juffrouw Pegler geëindigd had, sprak mijnheer Gradgrind de zwaar belasterde vrouw aldus aan:„Het verwondert mij, juffrouw,” zeide hij met strengheid, „dat gij op uwe jaren nog het hart hebt, mijnheer Bounderby hier uw zoon te komen noemen, nadat gij zoo onnatuurlijk en onmenschelijk met hem hebt gehandeld.”„Ik onnatuurlijk!” riep de arme juffrouw Pegler uit. „Ik onmenschelijk! Voor mijn dierbaren zoon!”„Dierbaar!” herhaalde mijnheer Gradgrind. „Ja, dierbaar, nu hij door eigen arbeid tot fortuin gekomen is, juffrouw, dat geloof ik wel. Maar toch niet heel dierbaar, toen gij in zijne kindsheid van hem zijt weggeloopen en hem aan de mishandelingen eener dronken grootmoeder hebt overgelaten.”„Ik mijn Josiah verlaten!” riep juffrouw Pegler uit, hare handen ineenslaande. „Nu, God vergeve u uwe slechte gedachten, mijnheer, en uw laster tegen de nagedachtenis van mijne goede moeder, die in mijne armen gestorven is eer Josiah geboren was. Ik hoop dat gij er berouw van zult hebben, mijnheer, en beter leeren.”Zij zeide dit zoo ernstig en op zulk een smartelijken toon, dat mijnheer Gradgrind, schrikkende van de mogelijkheid, die hij begon te begrijpen, met eene veel zachtere stem zeide:„Ontkent gij dan, juffrouw, dat gij uw zoon in—in de goot hebt laten liggen?”„Josiah in de goot!” riep juffrouw Pegler uit. „Wel zeker ontken ik dat, mijnheer. Foei, gij moest u schamen zoo iets te zeggen. Mijn lieve jongen weet, en hij zal het u zeggen ook, dat hij wel van nederige ouders, maar toch van ouders is gekomen, die hem zoo lief hadden als de beste maar konden doen, en wie het nooit zuur viel zich zelven wat te bekrimpen, om hem zoo heerlijk te laten schrijven en cijferen leeren; ik heb zijne boeken nog thuis, waarin gij dat zien kunt. Ja, dat heb ik!” zeide zij met trotsche verontwaardiging. „En mijn lieve jongen weet, en zal het u ook wel zeggen, mijnheer, dat, toen zijn lieve vader gestorven was, toen hij acht jaren oud was, zijne moeder zich ook wel wat kon bekrimpen, gelijk het haar plicht, haar vermaak en haar trots was te doen, om hem in de wereld voort te helpen en hem in de leer te bestellen. En een oppassende jongen was hij, en een goed meester had hij om hem een handje te helpen, en braaf heeft hij gewerkt om een rijk en gezeten man te worden. En ik zal u zeggen, mijnheer—want mijn lieve jongen zal dat niet willen doen—dat, hoewel zijne moeder maar een klein dorpswinkeltje hield, hij haar toch nooit vergat, maar haar een pensioen gaf van dertig pond ’s jaars—meer dan ik noodig heb, want ik houd er nog van over—alleen het beding makende, dat ik zou blijven waar ik woonde, en niet op hem roemen en hem niet lastig vallen. En dat heb ik ook nooit gedaan, behalve dat ik eens in het jaar naar hem kwam kijken, zonder dat hij het ooit geweten heeft. En het is goed, dat ik moet blijven wonen waar ik woon,” vervolgde de goede oude vrouw, haar zoon met hartelijken ijver voorsprekende, „want ik twijfel er niet aan, of ik zou, als ik hier was, maar vele ongemanierde dingen doen, en ik ben nu weltevreden, en kan mijn hoogmoed op mijn Josiah voor mij zelve houden en hem lief hebben, alleen omdat ik hem liefheb. En ik schaam mij vooru, mijnheer,” zoo besloot zij, „over uwe kwaadsprekendheid en ergdenkendheid. Ik ben hier nog nooit geweest, en heb hier nooit willen wezen, als mijn lieve zoon neen zeide. En ik zou hier ook nu niet wezen, als ik niet gebracht was. Gij moest u schamen, ja, dat moest gij, om mij te betichten eene slechte moeder voor mijn zoon geweest te zijn, terwijl mijn zoon daar staat om geheel iets anders te zeggen.”De omstanders op den grond en op de stoelen gaven door hun gemompel hunne sympathie met juffrouw Pegler te kennen, en mijnheer Gradgrind gevoelde zich op eene onschuldige manier in een zeer onaangenamen toestand geplaatst, toen mijnheer Bounderby, die zonder ophouden op en neer was blijven stappen en met ieder oogenblik rooder en meer opgezwollen was, op eens pal bleef staan.„Ik weet niet recht,” zeide hij, „hoe ik aan de eer van het aanwezige gezelschap kom, maar daarnaar vraag ik ook niet. Als zij nu voldaan zijn, zullen zij misschien zoo goed wezen van heen te gaan; en al mochten zij niet voldaan zijn, dan zullen zij misschien toch zoo goed wezen van heen te gaan. Ik ben niet verplicht eene voorlezing over mijne familiezaken te houden; dat heb ik niet aangenomen te doen, en dat zal ik ook niet doen. Zij, die eenige opheldering over dat gedeelte van het geval verwachten, zullen teleurgesteld worden—vooral Tom Gradgrind, en dat kan hij niet te spoedig weten. Wat den diefstal in het kantoor betreft, heeft er ten aanzien van mijne moeder eene vergissing plaats gehad. Zonder iemands overgroote gedienstigheid zou dat niet gebeurd zijn, en ik heb altijd een hekel aan overgroote gedienstigheid. Goedenavond!”Hoewel mijnheer Bounderby zich aldus van de zaak afhielp en de deur openhield om het gezelschap uit te laten, had hij toch eene bluffende schaapachtigheid over zich, die tegelijk zeer jammerlijk en uiterst belachelijk was. Tentoongesteld in zijn snoevende nederigheid, als een man die zijne winderige reputatie op logens had gebouwd, en met zijn pochen de waarheid even ver van zich had weggejaagd alsof hij de lage eerzucht had gehad (en lager is er niet) om zich een adellijken stamboom te verdichten, maakte hij eene allerzotste vertooning. Terwijl hij aan de deur stond om de lieden uit te laten, die hij wist dat het gebeurde door de geheele stad zouden verspreiden, om het aan de vier winden prijs te geven, had men geen armzaliger voorbeeld van een tentoongestelden snoever kunnen zien. Zelfs met de ongelukkige mevrouw Sparsit, die van het toppunt harer zegepraal in een poel van verslagenheid was gevallen, was het niet zoo ellendig gesteld als met dien buitengemeenen man, die zich zelven tot een dommen bedrieger gemaakt had, Josiah Bounderby vanCoketown.Rachel en Sissy lieten juffrouw Pegler voor dien nacht een nachtverblijf bij haar zoon vinden, en wandelden te zamen naar het hek vanStone Lodge, waar zij afscheid namen. Mijnheer Gradgrind kwam haar achterop eer zij nog ver op weg waren, en sprak met veel belangstelling over Stephen Blackpool, voor wien hij dacht, dat dit openlijke bewijs, hoe ongegrond de vermoedens tegen juffrouw Pegler geweest waren, waarschijnlijk gunstige gevolgen zou hebben.Wat den hondsvot betreft, onder dit geheele tooneel, gelijk sedert kort bij alle gelegenheden, was hij dicht bij mijnheer Bounderby gebleven. Hij scheen te denken, dat hij, zoolang Bounderby geene ontdekking kon doen zonder dat hij er van wist, in zooverre veilig was. Hij had nooit zijne zuster bezocht, en haar sedert hare thuiskomst maar eens gezien, namelijk op dien avond, toen hij, gelijk verhaald is, insgelijks dicht bij Bounderby bleef.In het gemoed zijner zuster woonde eene duistere, vormlooze vrees, waaraan zij nooit woorden gaf, en die haar slechten, ondankbaren broeder met eene akelige geheimzinnigheid omhulde. Dezelfde donkere mogelijkheid had zich juist dezen dag in dezelfde vormelooze gedaante aan Sissy vertoond, toen Rachel er van sprak, dat iemand, die door Stephen’s terugkomst beschaamd zou worden, hem uit den weg zou hebben geholpen. Louisa had nooit gezegd, dat zij haar broeder van eenige medeplichtigheid aan den diefstal verdacht hield; zij en Sissy hadden in dit opzicht geene uitwisseling van vertrouwen gehad, behalve dien enkelen blik, toen de niets vermoedende vader zijn grijs hoofd op zijne hand liet rusten; maar zij hadden elkander verstaan. Deze andere vrees was zoo geducht, dat zij als eene spookachtige schim boven haar bleef zweven, zonder dat een van beiden er aan durfde denken dat die schrikgedaante haar nabij, veel minder dat zij ook nabij de andere was.En nog gelukte het den hondsvot zich goed te houden. Als Stephen Blackpool de dief niet was, moest hij maar voor den dag komen. Waarom deed hij dat niet?Nog een nacht. Nog een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man, en waarom kwam hij niet terug?
Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man en waarom kwam hij niet terug?
Elken avond ging Sissy naar de woning van Rachel en zat bij haar in haar klein, net kamertje. Den geheelen dag werkte Rachel, gelijk zulke lieden moeten werken, welken angst zij ook mogen verduren. Voor de rookslangen was het onverschillig wie verloren of gevonden werd, met wien het goed of slecht afliep; de zwaarmoedige olifanten weken evenmin als de mannen van feiten van hun vasten gang af, wat er ook mocht gebeuren. Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. De eentonigheid was onafgebroken. Zelfs het verdwijnen van Stephen Blackpool viel in de gewone sleur, en werd een even eentonig wonder als ieder stuk machinerie teCoketown.
„Ik twijfel,” zeide Rachel, „of er twintig in de geheele stad over zijn, die nu nog eenig vertrouwen op den lieven, goeden man hebben.”
Zij zeide dit tegen Sissy, terwijl zij in haar kamertje zaten, alleen door de lantaren op den hoek der straat verlicht. Sissy was daar gekomen toen het reeds donker was, om naar Rachel’s terugkomst van haar werk te wachten; en sedert hadden zij aan het venster gezeten, waar Rachel haar gevonden had, zonder helderder licht noodig te hebben om hare treurige taak te beschijnen.
„Als het niet zoo genadig beschikt was, dat ik u had om mede te spreken,” vervolgde Rachel, „zouden er, denk ik, tijden zijn dat ik niet bij mijn verstand zou zijn gebleven. Maar ik krijg hoop en kracht door u; en ik geloof, hoewel de schijn tegen hem mag wezen, dat hij toch nog onschuldig zal blijken.”
„Dat geloof ik ook met al mijn hart,” antwoordde Sissy. „Ik ben bij mij zelve zoo verzekerd, Rachel, dat het vertrouwen, dat gij tegen alle bezwaren in blijft koesteren, niet verkeerd kan wezen, dat ik evenmin aan hem twijfel alsof ik hem gedurende juist zooveel jaren van beproeving had gekend als gij gedaan hebt.”
„En ik, lieve,” zeide Rachel met eene beving in hare stem, „heb door al die jaren heen ondervonden, dat hij, op zijne stille manier, zoo getrouw was aan al wat eerlijk en goed is, dat ik, al moest men nooit iets meer van hem hooren, en al moest ik honderd jaren oud worden, toch met mijn laatsten adem zou kunnen zeggen: God kent mijn hart, ik heb nooit opgehouden Stephen Blackpool te vertrouwen.”
„Wij opStone Lodge, Rachel, gelooven allen, dat hij vroeger of later van alle verdenking zal bevrijd worden.”
„Hoe meer ik weet dat men daar zoo gelooft,” zeide Rachel, „en hoe vriendelijker ik het vind, dat gij opzettelijk daar vandaan komt om mij te troosten en gezelschap te houden, en u bij mij laat zien terwijl ik zelve nog niet vrij van alle verdenking ben, des te meer spijt het mij, dat ik ooit die woorden van achterdocht tegen de jonge mevrouw heb gesproken. En toch....”
„Gij wantrouwt haar toch nu niet meer, Rachel?”
„Nu gij ons weder bij elkander hebt gebracht—neen. Maar ik kan het niet altijd uit mijne gedachten zetten....”
Hare stem daalde tot eene zachte en langzame alleenspraak, zoodat Sissy, die naast haar zat, met oplettendheid moest luisteren.
„Ik kan het niet altijd laten den een of ander te verdenken. Ik kan niet raden wie het is; ik kan niet raden hoe of waarom; maar ik heb een vermoeden, dat iemand Stephen uit den weg heeft geholpen. Ik heb een vermoeden, dat hij, door vrijwillig terug te komen, en zich voor iedereen onschuldig te toonen, iemand anders beschamen zou, die—om dit te voorkomen—hem opgehouden en uit den weg geholpen heeft.”
„Dat is eene schrikkelijke gedachte,” zeide Sissy, verbleekende.
„Ja, het is schrikkelijk, te denken dat hij vermoord zou zijn.”
Sissy huiverde en werd nog bleeker.
„Als dat mij in het hoofd komt, lieve,” vervolgde Rachel, „en dat wil het somtijds, hoezeer ik ook mijn best doe om het er uit te houden, door tot hooge getallen toe te tellen als ik werk, of stukken op te zeggen, die ik van buiten leerde toen ik een kind was—dan word ik zoo schrikkelijk gejaagd en ongeduldig, dat ik, hoe moede ik ook ben, wel mijlen en mijlen ver zou willen loopen. Ik moet dit te boven komen eer ik naar bed ga. Ik zal met u naar huis gaan.”
„Hij kan op reis hierheen ziek zijn geworden,” zeide Sissy, met eene flauwe stem een versleten stukje hoop aanbiedende; „en in dat geval, zijn er onderweg vele plaatsen waar hij zich kon ophouden.”
„Maar hij is daar nergens. Men heeft overal naar hem gezocht, en hij is er niet.”
„’t Is waar,” luidde Sissy’s onwillige toestemming.
„Hij kon de reis te voet in twee dagen doen; en als hij niet te voet kon gaan, heb ik hem in den brief, dien hij kreeg, geld gezonden om te kunnen rijden, uit vrees, dat hij zelf geen geld te missen zou hebben.”
„Laten wij hopen, dat morgen iets beters zal aanbrengen, Rachel. Kom mede in de lucht.”
Hare zachte hand hing Rachel’s doek over hare glanzig zwarte haren op de gewone manier waarop zij dien droeg, en zij gingen naar buiten. Daar het een fraaie avond was, stonden hier en daar troepjes werklieden op de hoeken der straten te drentelen; maar voor de meesten was het etenstijd, en er waren maar weinig menschen op straat.
„Ge zijt nu zoo gejaagd niet meer, Rachel, en uwe hand is koeler.”
„Ik word altijd beter, lieve, als ik maar kan loopen en wat frissche lucht inademen; maar als ik dat niet kan, word ik flauw en duizelig.”
„Maar gij moet niet beginnen te bezwijken, Rachel, want gij zult misschien op een of anderen tijd noodig zijn om Stephen bij te staan. Morgen is het zaterdag. Als er morgen geen nieuws komt, laten wij dan zondagochtend eene verre wandeling door het veld doen, opdat gij kracht verzamelt voor de volgende week. Wilt gij dat?”
„Ja, lieve.”
Zij waren nu in de straat gekomen waar het huis van Bounderby stond. Sissy’s weg liep de deur voorbij, en zij waren niet ver meer daar vandaan. Er was pas een spoortrein aangekomen, die een aantal rijtuigen in beweging bracht en een aanmerkelijk gewoel door de stad verspreidde. Verscheidene koetsen ratelden voor en achter de twee wandelaarsters, toen zij het huis van Bounderby naderden, en juist toen zij het voorbijgingen, hield eene koets zoo plotseling op, dat zij onwillekeurig omkeken. Het heldere gaslicht boven de stoep van mijnheer Bounderby deed haar mevrouw Sparsit herkennen, die in de koets zat en driftige pogingen aanwendde om het portier te openen. Mevrouw Sparsit zag beiden op hetzelfde oogenblik en riep ze om te blijven wachten.
„Dat is eene beschikking der Voorzienigheid,” riep mevrouw Sparsit uit, toen de koetsier haar uit hare gevangenis had verlost. „Kom er uit, juffrouw,” vervolgde zij tegen iemand, die nog in de koets zat; „kom er uit, of wij zullen er u uit laten slepen.”
De persoon, die hierop te voorschijn kwam, was niemand anders dan de geheimzinnige oude vrouw, en mevrouw Sparsit greep haar dadelijk bij haar kleed vast.
„Blijft van haar af, allemaal!” riep mevrouw Sparsit met grooten ijver. „Laat niemand haar aanraken. Zij behoort mij. Kom binnen, juffrouw,” vervolgde zij daarop, haar vorig commando omkeerende; „kom binnen, of wij zullen u laten binnenslepen.”
Het schouwspel van klassieke deftigheid, die eene oude vrouw bij de keel greep en een huis binnensleepte, zou altijd voor alle echt Engelsche nieuwsgierigen, gelukkig genoeg om daarvan getuigen te zijn, eene groote verzoeking zijn geweest om dat huis mede binnen te dringen en te zien hoe de zaak afliep. Maar nu het merkwaardige van dit verschijnsel nog vergroot werd door de ruchtbaarheid van den bekenden diefstal in het kantoor, moest het alle toevallige voorbijgangers met onweerstaanbare kracht in huis lokken, al had men ook kunnen verwachten, dat het dak hun op het hoofd zou vallen. Alle toevallig aanwezige getuigen, die uit de nieuwsgierigsten der buren ten getale van omtrent vijf en twintig bestonden, sloten zich dus achter den trein aan, toen mevrouw Sparsit en hare gevangene, door Sissy en Rachel gevolgd, het huis binnengingen, en de geheele troep drong in een verwarden drom de eetzaal van mijnheer Bounderby in, terwijl de achtersten niet draalden met op de stoelen te klimmen, om zoo over de voorsten te kunnen heenzien.
„Roep mijnheer Bounderby beneden!” riep mevrouw Sparsit. „Gij, Rachel, weet gij wie dit is?”
„Dit is juffrouw Pegler,” antwoordde Rachel.
„Dat zou ik ook denken!” riep mevrouw Sparsit zegevierend uit. „Roep mijnheer Bounderby. Gaat uit den weg, allemaal.” Hier poogde de oude juffrouw Pegler, die zich dicht had ingemoffeld en zooveel mogelijk wegkroop, fluisterend en smeekend iets te zeggen. „Praat mij van niets,”, zeide mevrouw Sparsit hardop. „Ik heb u onderweg al twintigmaal gezegd, dat ik u niet loslaat eer ik u aan hem in eigen persoon heb overgegeven.”
Nu verscheen mijnheer Bounderby, vergezeld door mijnheer Gradgrind en den hondsvot, met welke twee hij boven had gesproken. Bounderby’s gezicht gaf meer verbazing dan gastvrijheid te kennen, toen hij het ongenoodigde gezelschap in zijne eetzaal ontwaarde.
„Wat is er nu aan de hand, mevrouw Sparsit?” zeide hij.
„Mijnheer,” zoo begon die brave vrouw hare opheldering, „ik vertrouw dat ik het geluk heb u iemand voor oogen te plaatsen, die gij zeer gewenscht hebt te vinden. Geprikkeld door mijn verlangen om uw gemoed gerust te stellen, mijnheer, en afgaande op die onvolkomene aanwijzingen van de plaats, waar die persoon zou kunnen wonen, door dat meisje, Rachel, gegeven, die gelukkig juist hier is, om te zeggen of zij haar herkent, is het mij gelukt haar te vinden en hier te brengen—ik behoef niet te zeggen zeer tegen haar wil. Het is niet zonder moeite geweest dat ik dit gedaan heb, mijnheer; maar moeite in uw dienst is mij een vermaak, en honger, dorst en koude een wezenlijk genot.”
Hier bleef mevrouw Sparsit steken; want niet zoodra kreeg mijnheer Bounderby de oude juffrouw Pegler te zien of zijn gezicht nam eene tegenstrijdige mengeling van kleuren en uitdrukkingen aan, waaronder echter verslagenheid de overhand had.
„Wat heeft dat te beduiden?” was de hoogst onverwachte vraag, die hij haar gramstorig toebulderde. „Ik vraag wat dat te beduiden heeft, juffrouw?”
„Mijnheer!” zeide mevrouw Sparsit flauw.
„Waarom houdt gij u op met dingen, die u niet raken, juffrouw?” viel Bounderby uit. „Hoe durft gij hier komen en uw bemoeizieken neus in mijne familiezaken steken?”
Deze toespeling op het lichaamsdeel, waaraan zij zooveel waarde hechtte, overweldigde mevrouw Sparsit geheel en al. Zij zette zich stijf op een stoel, alsof zij bevroren was; en mijnheer Bounderby strak aanstarende, liet zij langzaam hare mofjes over elkander krassen, alsof zij ook bevroren waren.
„Mijn lieve Josiah!” riep juffrouw Pegler bevend uit. „Mijn beste jongen! Ik kan het niet helpen. Het is mijne schuld niet, Josiah. Ik heb die juffrouw dikwijls genoeg gezegd, dat ik wel wist, dat het u niet aangenaam zou zijn wat zij deed, maar zij wilde er niet van afzien.”
„Waarom hebt gij u laten brengen? Kondt gij hare muts niet aftrekken, of haar een tand uitslaan, of haar op eene andere wijze van u afmaken?” zeide Bounderby.
„Maar, mijn jongen, zij dreigde mij, als ik mij te weer stelde, zou ik doorconstableshier gebracht worden, en het was beter stilletjes te komen dan tumult te maken in zulk”—hier zag juffrouw Pegler beschroomd en toch trotsch in het rond—„in zulk een mooi huis als dit is. Waarlijk, waarlijk, het is mijne schuld niet. Mijn beste, brave, deftige zoon! Ik heb altijd stil en verscholen geleefd, lieve jongen. Ik heb geen enkelen keer de conditie gebroken. Ik heb nooit gezegd, dat ik uwe moeder was. Ik heb u maar in de verte bewonderd; en als ik somtijds naar de stad ben gekomen, met lange tusschenpoozen, om eens met verrukking naar u te kijken, heb ik het onbekend gedaan, lieve jongen, en ben dan stil weer heengegaan.”
Mijnheer Bounderby stapte met de handen in de zakken en een gezicht vol verdriet en ongeduld langs de lange eettafel op en neer, terwijl de toeschouwers ieder woord van juffrouw Pegler gretig opvingen en hunne oogen hoe langer hoe wijder opensperden. Daar Bounderby nog bleef op en neer stappen toen juffrouw Pegler geëindigd had, sprak mijnheer Gradgrind de zwaar belasterde vrouw aldus aan:
„Het verwondert mij, juffrouw,” zeide hij met strengheid, „dat gij op uwe jaren nog het hart hebt, mijnheer Bounderby hier uw zoon te komen noemen, nadat gij zoo onnatuurlijk en onmenschelijk met hem hebt gehandeld.”
„Ik onnatuurlijk!” riep de arme juffrouw Pegler uit. „Ik onmenschelijk! Voor mijn dierbaren zoon!”
„Dierbaar!” herhaalde mijnheer Gradgrind. „Ja, dierbaar, nu hij door eigen arbeid tot fortuin gekomen is, juffrouw, dat geloof ik wel. Maar toch niet heel dierbaar, toen gij in zijne kindsheid van hem zijt weggeloopen en hem aan de mishandelingen eener dronken grootmoeder hebt overgelaten.”
„Ik mijn Josiah verlaten!” riep juffrouw Pegler uit, hare handen ineenslaande. „Nu, God vergeve u uwe slechte gedachten, mijnheer, en uw laster tegen de nagedachtenis van mijne goede moeder, die in mijne armen gestorven is eer Josiah geboren was. Ik hoop dat gij er berouw van zult hebben, mijnheer, en beter leeren.”
Zij zeide dit zoo ernstig en op zulk een smartelijken toon, dat mijnheer Gradgrind, schrikkende van de mogelijkheid, die hij begon te begrijpen, met eene veel zachtere stem zeide:
„Ontkent gij dan, juffrouw, dat gij uw zoon in—in de goot hebt laten liggen?”
„Josiah in de goot!” riep juffrouw Pegler uit. „Wel zeker ontken ik dat, mijnheer. Foei, gij moest u schamen zoo iets te zeggen. Mijn lieve jongen weet, en hij zal het u zeggen ook, dat hij wel van nederige ouders, maar toch van ouders is gekomen, die hem zoo lief hadden als de beste maar konden doen, en wie het nooit zuur viel zich zelven wat te bekrimpen, om hem zoo heerlijk te laten schrijven en cijferen leeren; ik heb zijne boeken nog thuis, waarin gij dat zien kunt. Ja, dat heb ik!” zeide zij met trotsche verontwaardiging. „En mijn lieve jongen weet, en zal het u ook wel zeggen, mijnheer, dat, toen zijn lieve vader gestorven was, toen hij acht jaren oud was, zijne moeder zich ook wel wat kon bekrimpen, gelijk het haar plicht, haar vermaak en haar trots was te doen, om hem in de wereld voort te helpen en hem in de leer te bestellen. En een oppassende jongen was hij, en een goed meester had hij om hem een handje te helpen, en braaf heeft hij gewerkt om een rijk en gezeten man te worden. En ik zal u zeggen, mijnheer—want mijn lieve jongen zal dat niet willen doen—dat, hoewel zijne moeder maar een klein dorpswinkeltje hield, hij haar toch nooit vergat, maar haar een pensioen gaf van dertig pond ’s jaars—meer dan ik noodig heb, want ik houd er nog van over—alleen het beding makende, dat ik zou blijven waar ik woonde, en niet op hem roemen en hem niet lastig vallen. En dat heb ik ook nooit gedaan, behalve dat ik eens in het jaar naar hem kwam kijken, zonder dat hij het ooit geweten heeft. En het is goed, dat ik moet blijven wonen waar ik woon,” vervolgde de goede oude vrouw, haar zoon met hartelijken ijver voorsprekende, „want ik twijfel er niet aan, of ik zou, als ik hier was, maar vele ongemanierde dingen doen, en ik ben nu weltevreden, en kan mijn hoogmoed op mijn Josiah voor mij zelve houden en hem lief hebben, alleen omdat ik hem liefheb. En ik schaam mij vooru, mijnheer,” zoo besloot zij, „over uwe kwaadsprekendheid en ergdenkendheid. Ik ben hier nog nooit geweest, en heb hier nooit willen wezen, als mijn lieve zoon neen zeide. En ik zou hier ook nu niet wezen, als ik niet gebracht was. Gij moest u schamen, ja, dat moest gij, om mij te betichten eene slechte moeder voor mijn zoon geweest te zijn, terwijl mijn zoon daar staat om geheel iets anders te zeggen.”
De omstanders op den grond en op de stoelen gaven door hun gemompel hunne sympathie met juffrouw Pegler te kennen, en mijnheer Gradgrind gevoelde zich op eene onschuldige manier in een zeer onaangenamen toestand geplaatst, toen mijnheer Bounderby, die zonder ophouden op en neer was blijven stappen en met ieder oogenblik rooder en meer opgezwollen was, op eens pal bleef staan.
„Ik weet niet recht,” zeide hij, „hoe ik aan de eer van het aanwezige gezelschap kom, maar daarnaar vraag ik ook niet. Als zij nu voldaan zijn, zullen zij misschien zoo goed wezen van heen te gaan; en al mochten zij niet voldaan zijn, dan zullen zij misschien toch zoo goed wezen van heen te gaan. Ik ben niet verplicht eene voorlezing over mijne familiezaken te houden; dat heb ik niet aangenomen te doen, en dat zal ik ook niet doen. Zij, die eenige opheldering over dat gedeelte van het geval verwachten, zullen teleurgesteld worden—vooral Tom Gradgrind, en dat kan hij niet te spoedig weten. Wat den diefstal in het kantoor betreft, heeft er ten aanzien van mijne moeder eene vergissing plaats gehad. Zonder iemands overgroote gedienstigheid zou dat niet gebeurd zijn, en ik heb altijd een hekel aan overgroote gedienstigheid. Goedenavond!”
Hoewel mijnheer Bounderby zich aldus van de zaak afhielp en de deur openhield om het gezelschap uit te laten, had hij toch eene bluffende schaapachtigheid over zich, die tegelijk zeer jammerlijk en uiterst belachelijk was. Tentoongesteld in zijn snoevende nederigheid, als een man die zijne winderige reputatie op logens had gebouwd, en met zijn pochen de waarheid even ver van zich had weggejaagd alsof hij de lage eerzucht had gehad (en lager is er niet) om zich een adellijken stamboom te verdichten, maakte hij eene allerzotste vertooning. Terwijl hij aan de deur stond om de lieden uit te laten, die hij wist dat het gebeurde door de geheele stad zouden verspreiden, om het aan de vier winden prijs te geven, had men geen armzaliger voorbeeld van een tentoongestelden snoever kunnen zien. Zelfs met de ongelukkige mevrouw Sparsit, die van het toppunt harer zegepraal in een poel van verslagenheid was gevallen, was het niet zoo ellendig gesteld als met dien buitengemeenen man, die zich zelven tot een dommen bedrieger gemaakt had, Josiah Bounderby vanCoketown.
Rachel en Sissy lieten juffrouw Pegler voor dien nacht een nachtverblijf bij haar zoon vinden, en wandelden te zamen naar het hek vanStone Lodge, waar zij afscheid namen. Mijnheer Gradgrind kwam haar achterop eer zij nog ver op weg waren, en sprak met veel belangstelling over Stephen Blackpool, voor wien hij dacht, dat dit openlijke bewijs, hoe ongegrond de vermoedens tegen juffrouw Pegler geweest waren, waarschijnlijk gunstige gevolgen zou hebben.
Wat den hondsvot betreft, onder dit geheele tooneel, gelijk sedert kort bij alle gelegenheden, was hij dicht bij mijnheer Bounderby gebleven. Hij scheen te denken, dat hij, zoolang Bounderby geene ontdekking kon doen zonder dat hij er van wist, in zooverre veilig was. Hij had nooit zijne zuster bezocht, en haar sedert hare thuiskomst maar eens gezien, namelijk op dien avond, toen hij, gelijk verhaald is, insgelijks dicht bij Bounderby bleef.
In het gemoed zijner zuster woonde eene duistere, vormlooze vrees, waaraan zij nooit woorden gaf, en die haar slechten, ondankbaren broeder met eene akelige geheimzinnigheid omhulde. Dezelfde donkere mogelijkheid had zich juist dezen dag in dezelfde vormelooze gedaante aan Sissy vertoond, toen Rachel er van sprak, dat iemand, die door Stephen’s terugkomst beschaamd zou worden, hem uit den weg zou hebben geholpen. Louisa had nooit gezegd, dat zij haar broeder van eenige medeplichtigheid aan den diefstal verdacht hield; zij en Sissy hadden in dit opzicht geene uitwisseling van vertrouwen gehad, behalve dien enkelen blik, toen de niets vermoedende vader zijn grijs hoofd op zijne hand liet rusten; maar zij hadden elkander verstaan. Deze andere vrees was zoo geducht, dat zij als eene spookachtige schim boven haar bleef zweven, zonder dat een van beiden er aan durfde denken dat die schrikgedaante haar nabij, veel minder dat zij ook nabij de andere was.
En nog gelukte het den hondsvot zich goed te houden. Als Stephen Blackpool de dief niet was, moest hij maar voor den dag komen. Waarom deed hij dat niet?
Nog een nacht. Nog een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar was de man, en waarom kwam hij niet terug?