XXXIV.HET STERRENLICHT.Do zondag was een heldere herfstdag, frisch en koel, toen Sissy en Rachel in den vroegen morgen, bij elkander kwamen om eene wandeling over het veld te doen.DaarCoketownstof en asch strooide, niet alleen op zijn eigen hoofd, maar ook op den geheelen omtrek—op de manier van die vrome lieden, die voor hunne eigene zonden boete doen door anderen in zakken te kleeden—waren zij, die nu en dan naar een teugje zuivere lucht dorstten (hetgeen niet volstrekt onder de goddelooze ijdelheden des levens behoort), op dien dag gewoon zich eenige mijlen ver over den spoorweg te laten brengen en dan hunne wandeling door het veld te beginnen. Sissy en Rachel hielpen zich op de gebruikelijke manier uit den rook, en werden bij een station omtrent halverwege tusschen de stad en het buiten van mijnheer Bounderby afgezet.Hoewel het groene landschap hier en daar met hoopen steenkool was bevlekt, was het elders toch groen, en waren er boomen te zien, en hoorde men leeuweriken zingen (hoewel het zondag was) en waren er aangename geuren in de lucht, en werd alles overwelfd door eene heldere blauwe lucht. Aan den eenen kant vertoonde zichCoketownin het verschiet gelijk een zwarte damp; in een ander verschiet begonnen er heuvelen op te rijzen; in een derde was er eene flauwe verandering in het licht langs den gezichteinder, waar het de afgelegene zee bescheen. Onder de voeten der wandelaarsters was het gras frisch; sierlijke schaduwen van takken speelden flikkerend daaroverheen; de heggen stonden weelderig; alles was vrede.De machines boven de monden vanmijnschachten, en de oude magere paarden, die door hun dagelijkschen arbeid een kring in den grond hadden getrapt, waren beiden in rust; de raderen hadden voor eene korte poos opgehouden te draaien; en het groote rad der aarde scheen zonder de schokken en het gerucht van een anderen tijd om te wentelen.Zij wandelden voort, over velden en door beschaduwde lanen, somtijds over een stuk van een hek stappende, zoo verrot dat het brak als de voet er tegen aanstiet, somtijds een hoop met gras begroeide steenen en balken voorbijgaande, die de plaats van een verlaten werk kenmerkten. Zij volgden paden en sporen, hoe gering zij ook waren. Kleine hoogten, waarop het gras welig groeide en distels, netelen en dergelijke planten waren opgeschoten, vermeden zij steeds; want akelige histories werden in die streek verteld van oude mijnputten, die onder zulke kenteekenen verborgen waren.De zon was hoog geklommen, toen zij gingen zitten om te rusten. Zij hadden in langen tijd geen mensch van nabij of van verre gezien, en de eenzaamheid bleef nog ongestoord. „Het is hier zoo stil, Rachel, en het pad schijnt zoo weinig begaan, dat ik geloof dat wij de eersten zijn, die den geheelen zomer hier zijn gekomen.”Toen Sissy dit zeide, viel haar weder een stuk van een verrot hek in het oog, dat op den grond lag. Zij stond op om er naar te kijken.„En toch weet ik het niet,” zeide zij. „Dit is nog niet heel lang geleden afgebroken. Het hout is nog versch gesplinterd. En hier zijn ook voetstappen.—O, Rachel!”Zij kwam terugloopen en greep haar om den hals. Rachel was reeds opgesprongen.„Wat is er?”„Ik weet het niet. Daar ligt een hoed in het gras.”Zij gingen te zamen vooruit, Rachel die van het hoofd tot de voeten beefde, nam den hoed op. Zij barstte in tranen en jammerklachten uit. Stephen Blackpool had met zijne eigene hand zijn naam in den hoed geschreven.„O, de arme man, de arme man! Men heeft hem van kant geholpen. Hij ligt hier vermoord.”„Is er—is er bloed aan?” bracht Sissy stamelend uit.Zij waren bang om er naar te zien, maar bezichtigden den hoed toch en vonden geen spoor van geweld. De hoed had daar eenige dagen gelegen, want hij was door den regen en den dauw verkleurd en had een indruk van zijn vorm op het gras gelaten. Zij zagen vreesachtig rond, zonder zich te bewegen, maar konden niets meer ontdekken.„Rachel,” fluisterde Sissy, „ik zal alleen wat verder gaan.”Zij had hare hand losgelaten en wilde juist een stap voorwaarts doen, toen Rachel haar met een gil in beide armen greep. Vóór haar, vlak voor hare voeten, was de afgebrokkelde kant eener zwarte diepte, door het dichte gras verborgen. Zij deinsden terug, vielen op de knieën en verborgen beiden haar gezicht aan elkanders hals.„O goede God! Hij is daar beneden! Daar beneden!” In het eerst was dit akelig gegil alles, wat men door tranen, gebeden, vermaningen, door welke poging ook, van Rachel kon bekomen. Het was onmogelijk haar tot bedaren te brengen; en het was toch noodzakelijk dit te doen; het was noodzakelijk haar vast te houden of zij zou zich in de diepte hebben geworpen.„Rachel, lieve Rachel, goede Rachel, om ’s Hemels wil, houd op met dat schrikkelijke geschreeuw! Denk aan Stephen, denk aan Stephen, denk aan Stephen!”Door eene ernstige herhaling dezer bede, met al den angst van zulk een oogenblik ontboezemd, bracht Sissy haar eindelijk tot stilte, en nu zag de ongelukkige haar aan zonder tranen en met een gezicht, dat in steen scheen veranderd te zijn.„Rachel, Stephen kan nog leven. Gij wilt hemtoch geen oogenblik langer hulpeloos op den grond van dien akeligen put laten liggen, als gij hem hulp kunt bezorgen!”„Neen, neen, neen!”„Ga dan om zijnentwil niet hier vandaan. Laat ik gaan luisteren.”Zij huiverde om den put te naderen, maar zij kroop er op handen en knieën naar toe en riep hem zoo hard zij roepen kon. Zij luisterde, maar geen geluid gaf haar antwoord. Wederom riep en luisterde zij; nog geen geluid. Zij deed dit twintig-, dertigmaal. Zij nam eene kluit aarde van den afgebrokkelden grond, waar hij gestruikeld was, en wierp dien in de opening. Zij kon niets hooren vallen.Het ruime uitzicht, waarvan de stilte weinige minuten geleden zoo bekoorlijk was, vervulde haar moedig hart bijna met wanhoop, toen zij opstond, overal rondkeek en geene hulp zag.„Rachel, wij moeten geen oogenblik verliezen. Wij moeten in verschillende richtingen hulp gaan zoeken. Neem gij den weg dien wij gekomen zijn; ik zal langs dit pad verder gaan. Zeg iedereen, wien gij ontmoet, wat er gebeurd is. Denk aan Stephen, denk aan Stephen!”Zij zag aan Rachel’s gezicht, dat zij haar nu kon vertrouwen. Nadat zij eene poos was blijven staan om haar na te zien, terwijl zij haastig voortstapte en al voortstappende hare handen wrong, keerde zij zich om en begon zelve haar tocht om hulp te zoeken. Bij de heg bleef zij even staan en bond haar doek daaraan vast, om de plek te herkennen; toen wierp zij haar hoed op zijde en liep gelijk zij nog nooit had geloopen.Loop, Sissy, loop, in ’s Hemels naam! Sta niet stil om adem te halen! Loop, loop voort! Zich zelve aansporende, door zulk een biddend roepen in hare gedachten te houden, liep zij van veld tot veld, en van laan tot laan, en van plek tot plek, gelijk zij nog nooit geloopen had, tot zij bij een afdakje aan een machinengebouw kwam, waar twee mannen in de schaduw lagen te slapen.Hen eerst te wekken, en daarna te zeggen, overspannen en ademloos als zij was, wat haar daar gebracht had, had vrij wat moeielijkheden in; maar niet zoodra begrepen zij haar, of zij waren even vol ijver als zij. Een van die mannen lag in den doffen slaap der dronkenschap, maar toen zijn makker hem toeschreeuwde, dat er iemand in de Oude Helschacht was gevallen, snelde hij heen naar een plas vuil water, dompelde zijn hoofd daarin en kwam nuchter terug.Met deze twee mannen liep zij naar een ander, een halve mijl verder, en met dezen weder naar een ander, terwijl de eerste twee elders heen liepen. Toen werd er een paard gevonden, en kreeg zij een ander man, om op leven of dood naar den spoorweg te rijden, en zond zij eene boodschap aan Louisa, die zij opschreef en hem medegaf. Tegen dien tijd was er een geheel dorp op de been; en windassen, touwen, staken, emmers, kaarsen, lantarens en alle benoodigdheden werden snel bijeengehaald om naar de Oude Helschacht gebracht te worden.Het scheen nu uren geleden sedert zij den verlorene verlaten had in het graf, waar hij levend begraven lag. Zij kon niet langer van hem vandaan blijven—het was alsof zij hem aan zijn lot overliet—en zij haastte zich terug, vergezeld door een zestal arbeiders, waaronder de dronken man, die door het nieuws nuchter was geworden en die de knapste en ijverigste van allen was. Toen zij aan de Oude Helschacht kwamen, vonden zij die zoo eenzaam als zij haar gelaten had. De arbeiders riepen en luisterden, gelijk zij gedaan had, en bezichtigden den rand van den afgrond, en beredeneerden hoe het gebeurd was, en gingen toen zitten wachten, tot de gereedschappen, die zij noodig hadden, gebracht werden.Elk geluid van insekten in de lucht, elk geritsel der bladeren, elk gefluister onder die mannen deed Sissy beven, want dan dacht zij eene stem te vernemen uit den put. Maar de wind woei ledig daarover heen, en geen geluid kwam naar omhoog, en zij zaten te wachten en te wachten. Nadat dit eenigen tijd had geduurd, begonnen er enkele menschen te komen, die van het ongeluk hadden gehoord, en weldra begon men ook de wezenlijke hulp van gereedschappen aan te brengen. Onder dat alles kwam Rachel terug, en in haar gezelschap was een chirurgijn, die wijn en eenige medicijnen medebracht. Doch de verwachting onder de aanwezigen, dat de man nog levend zou gevonden worden, was waarlijk al zeer gering.Dewijl er nu menschen genoeg bijeen waren om het werk te belemmeren, plaatste de nuchter geworden man zich aan het hoofd der anderen, of werd met algemeene bewilliging daaraan geplaatst, en maakte een grooten kring om de Oude Helschacht en stelde eenigen aan om die ruimte vrij te houden. Behalve de vrijwilligers, die voor het werk werden aangenomen, mochten in het eerst alleen Rachel en Sissy binnen den kring komen; maar later op den dag, toen de boodschap van Sissy een expressetrein vanCoketownhad doen afrijden, kwamen mijnheer Gradgrind en Louisa, en mijnheer Bounderby en de hondsvot insgelijks daarbinnen.De zon was vier uren lager gedaald dan toen Sissy en Rachel zich het eerst op het gras neerzetten, voordat men van palen en touwen een toestel had vervaardigd, waarmede twee mannen veilig konden afdalen. Men had bezwaren gehad om dit werktuig samen te stellen, zoo eenvoudig als het was; men had bevonden, dat het aan sommige benoodigdheden ontbrak, enboodschappen hadden heen en weder moeten gaan. Het was vijf ure in den namiddag van een helderen zondag in den herfst, voordat er eenebrandendekaars werd afgelaten om de lucht te beproeven, terwijl drie of vier grove gezichten zich bij elkander drongen om het licht na te zien, en de mannen aan het windas het touw lieten schieten. De kaars werd flauw brandende weder opgehaald en toen wierp men wat water in de diepte. Daarna werd de emmer aangehaakt; en de nuchter geworden man en een ander stapten met licht daarin, en gaven het woord:„Laat zakken!”IN DEN AVOND VAN DENZELFDEN DAG ZAT LOUISA, GELIJK IN VROEGERE DAGEN...... IN HET VUUR TE STAREN. (Blz. 142).IN DEN AVOND VAN DENZELFDEN DAG ZATLOUISA, GELIJK IN VROEGERE DAGEN...... IN HET VUUR TE STAREN. (Blz. 142).Terwijl het touw, stijf gespannen, afdaalde, en het windas kraakte, was er onder die honderd of tweehonderd mannen en vrouwen niemand, wiens adem ging gelijk die gewoon was te gaan. Het sein werd gegeven, en het windas stond stil, terwijl men nog touw genoeg overhad. Schijnbaar zulk een lange tijd verliep er, terwijl de mannen aan het windas ledig stonden, dat sommige vrouwen begonnen te gillen dat er een nieuw ongeluk gebeurd was. Maar de chirurgijn, die zijn horloge in de hand hield, zeide, dat er nog geen vijf minuten verloopen waren, en vermaande haar op barschen toon zich stil te houden. Hij had nauwelijks uitgesproken, toen het windas weder in beweginggebracht en het touw opgehaald werd. Geoefende oogen zagen, dat het niet zoo zwaar ging alsof beide werklieden werden opgeheschen, en dat er maar één terugkwam.Het touw kwam strak gespannen naar boven; ring op ring wond zich om het windas; en aller oogen waren op den put gevestigd. De nuchter geworden man werd opgehaald en sprong vlug op het gras. Er was een algemeene kreet van „Levend of dood?” en daarop volgde eene diepe stilte.Toen hij „levend!” zeide, ging er een groot gejuich op, en velen kwamen de tranen in de oogen.„Maar hij is heel erg bezeerd,” voegde hij er bij, zoodra hij zich weder kon doen hooren. „Waar is de dokter? Hij is zoo erg bezeerd, mijnheer, dat ik niet weet hoe wij hem zullen ophalen.”Allen hielden te zamen raad en zagen den chirurgijn bekommerd aan, toen hij eenige vragen deed en na het hooren der antwoorden zijn hoofd schudde. De zon ging nu onder, en het roode licht in de avondlucht bescheen alle gezichten, zoodat men hen in al hunne angstige spanning kon onderscheiden.Het beraad eindigde daarmede, dat de lieden naar het windas terugkeerden en de mijnwerker nogmaals afdaalde, thans wat wijn en eenige andere kleinigheden medenemende. Toen kwam de andere man naar boven. Ondertusschen hadden eenige lieden, op last van den chirurgijn, eene horde gehaald, waarop anderen van hunne opperkleederen, met los stroo bedekt, een dik bed maakten, terwijl hij zelf eenige verbanden en windsels van omslagdoeken en zakdoeken vervaardigde. Toen deze gereed waren, werden zij den mijnwerker, die het laatst was bovengekomen, over den arm gehangen, met onderrichtingen hoe ze te gebruiken; en terwijl hij daar stond, in het schijnsel van het licht, dat hij droeg, met zijne forsche ledige hand op een der palen leunende, en nu in den put neerziende, dan in het rond naar de menschen kijkende, was hij vooral niet de minst in het oog loopende gedaante van dit tooneel. Het was nu donker geworden en er werden flambouwen aangestoken.Uit het weinige, dat deze man tot de naaste omstanders zeide en dat spoedig door den geheelen kring verspreid werd, bleek het, dat de verlorene op een hoop aarde was gevallen, die den put half verstopt had, en dat zijn verdere val gebroken was door eenige aan de kanten uitstekende aardkluiten. Hij lag op den rug, met den eenen arm samengevouwen onder zich, en had zich, naar hij zelf geloofde, sedert zijn val nauwelijks bewogen, behalve dat hij zijne vrije hand naar zijn zijzak had gebracht, waarin hij zich herinnerde wat brood en vleesch te hebben (waarvan hij een weinig had gebruikt), en ook met die hand nu en dan wat water had opgeschept. Hij was terstond van zijn werk gekomen, zoodra er om hem geschreven was, en had de geheele reis te voet gedaan; en hij was na den donker op weg naar het buiten van mijnheer Bounderby, toen hij in den put viel. Hij was op dien gevaarlijken tijd deze gevaarlijke streek doorgegaan, omdat hij, in het gevoel zijner onschuld aan hetgeen hem te last werd gelegd, niet rusten kon, of hij moest den naasten weg komen om zich te rechtvaardigen. De Oude Helschacht, zeide de mijnwerker, met een vloek op dien moorddadigen put, was tot het laatste toe haar slechten naam waardig gebleven; want hoewel Stephen nu nog spreken kon. geloofde hij toch dat hij het niet lang meer zou maken.Toen alles gereed was, verdween de man weder in de diepte, nog onder het afdalen de laatste haastige aanwijzingen van den chirurgijn en zijne makkers aannemende. Het touw werd gevierd gelijk te voren, het sein werd weder gegeven, en het windas stond stil. Niemand trok er nu de hand van af. Ieder wachtte met vastgeklemde vuist en reeds naar het werk gebogen lichaam om weder op te winden. Eindelijk werd het sein gegeven, en de geheele kring van omstanders boog zich voorover.Want nu kwam het touw, ten uiterste gespannen, naar het scheen, naar boven; het werk ging zwaar, en het windas piepte en kraakte. Het was bijna onuitstaanbaar naar het touw te zien en te denken, dat het zou kunnen breken. Maar ring op ring werd veilig om het windas gewonden, en de kettingen kwamen te voorschijn, en eindelijk de emmer met de twee mijnwerkers, die zich aan de kanten vasthielden—een gezicht om het hart te beklemmen en het hoofd te doen duizelen—en tusschen hen in, behoedzaam vastgehouden en vastgebonden, de gedaante van een mensch—bijna verbrijzeld.Een zacht gemompel van medelijden liep door de menigte heen, en de vrouwen schreiden hardop, toen deze gedaante, bijna zonder vorm, zeer langzaam uit den ijzeren verlosser werd getild en op het bed van stroo nedergelegd. In het eerst ging niemand dan de chirurgijn er dicht bij. Hij deed wat hij kon om het lichaam in gemakkelijker houding te schikken, maar het beste, wat hij doen kon, was het te bedekken. Toen hij dit met eene zachte hand gedaan had, riep hij Rachel en Sissy. En toen zag men het bleeke, uitgeteerde, geduldige gezicht naar den hemel opzien, terwijl de gekneusde rechterhand bloot op het dek van kleederen lag, als wachtende om door eene andere hand gevat te worden.Zij gaven hem te drinken, bevochtigden zijn gezicht met water, en dienden hem eenige droppels van een opwekkend middel met wijntoe. Hoewel hij geheel roerloos naar de lucht lag te staren, glimlachte hij en zeide: „Rachel!”Zij knielde bij hem op het gras en boog zich over hem heen, tot hare oogen tusschen de zijne en de lucht waren, want hij kon ze zelfs niet verdraaien om naar haar te zien.„Rachel, melieve!”Zij nam zijne hand. Hij glimlachte wederom en zeide: „Laat ze niet los.”„Hebt ge veel pijn, lieve Stephen?”„Die heb ik gehad, maar nu niet meer. Ik heb schrikkelijk erg en lang pijn gehad, lieve—maar het is nu over. Och, Rachel, ’t is alles een warboel! Van het begin tot het einde een warboel!”Eene schim van zijn vroeger uitzicht scheen voorbij te zweven toen hij dit zeide.„Ik ben in den put gevallen, lieve, die, gelijk oude lieden nog heugt, honderden en honderden menschenlevens gekost heeft—vaders, zonen en broeders, dierbaar aan duizenden en duizenden, en die ze voor honger en gebrek bewaarden. Ik ben in den put gevallen, die met zijn vuurdamp wreeder dan een oorlog geweest is. Ik heb er van gelezen in de petitie van de lieden, die in de putten werken, gelijk iedereen ze lezen kan, waarin zij de wettenmakers om Christus’ wil bidden om te maken dat hun werk hen toch niet vermoorden zal, maar hen te sparen voor de vrouwen en kinderen, die zij even liefhebben als voorname lieden de hunne hebben. Toen die put bewerkt werd, bracht hij buiten noodzaak vele menschen om het leven, en nu hij verlaten is, doet hij dat nog. Zie hoe wij altijd buiten noodzaak sterven, op de eene of de andere manier—altijd in een warboel.”Hij zeide dit met eene flauwe stem, zonder eenige gramschap tegen iemand—alleen als eene waarheid.„Uw zusje, Rachel—gij hebt haar niet vergeten. Het is niet denkelijk, dat gij haar nu vergeten zult, nu ik zoo dicht bij haar ben. Gij weet—dat arme, geduldige, lieve kind—hoe gij voor haar gewerkt hebt, toen zij den geheelen dag op haar stoeltje voor het venster zat, en hoe zij stierf, jong en mismaakt, ondermijnd door die ongezonde lucht, die er niet behoefde te zijn, en de ellendige woningen, die de werklieden hebben. Een warboel! Alles een warboel!”Louisa naderde hem, maar hij kon haar niet zien, daar zijn gezicht naar de donkere nachtlucht omhoog gekeerd was.„Als alle dingen, die ons aangaan, lieve, niet zoo in de war lagen, had ik niet hier behoeven te komen. Als wij onder ons zelven niet in een warboel zaten, zouden mijne eigene makkers mij niet zoo verkeerd beoordeeld hebben. Als mijnheer Bounderby mij ooit recht gekend had—als hij mij ooit eenigszins gekend had—zou hij zich niet boos op mij gemaakt hebben. Dan zou hij mij niet verdacht hebben. Maar zie daar omhoog, Rachel! Zie daar boven!”Zijne oogen volgende, zag zij, dat hij naar eene ster tuurde.„Die heeft mij beschenen,” zeide hij eerbiedig, „in mijne pijn en mijn nood daar beneden. Zij heeft in mijn gemoed geschenen. Ik heb naar haar opgezien en aan u gedacht, Rachel, tot de warboel in mijn geest is opgeruimd, meer dan een weinigje, hoop ik. Als sommigen gedwaald hebben door mij niet beter te verstaan, heb ik ook gedwaald door hen niet beter te verstaan. Toen ik uw brief kreeg, geloofde ik terstond, dat wat de jonge mevrouw tegen mij gezegd en gedaan had, eenerlei was, en dat er een goddeloos komplot tusschen hen bestond. Toen ik viel, was ik kwaad op haar, en haastte ik mij voort, om zoo onbillijk voor haar te zijn als anderen voor mij geweest waren. Maar in ons oordeel, evenals in ons doen, moeten wij dragen en verdragen. In mijne pijn en mijn nood daarheen opziende—terwijl zij mij bescheen—heb ik alles duidelijker ingezien, en heb het tot mijn stervend gebed gemaakt, dat de geheele wereld dichter tot elkander mocht komen en elkander beter mocht leeren verstaan, dan toen ik zwakke man er nog in was.”Toen Louisa hoorde wat hij zeide, boog zij zich over hem heen, aan den kant tegenover Rachel, zoodat hij haar kon zien.„Gij hebt het gehoord?” zeide hij na eene korte poos van stilte. „Ik heb u niet vergeten, mevrouw.”„Ja, Stephen, ik heb u gehoord, en uw gebed is het mijne.”„Gij hebt een vader. Wilt gij een paar woorden van mij aan hem overbrengen?”„Hij is hier,” zeide Louisa met angst. „Zal ik hem bij u brengen?”„Als het u belieft.”Louisa kwam met haar vader terug. Hand in hand zagen beiden neer op het ernstige gelaat des lijders.„Mijnheer, gij zult mij zuiveren en mijn naam weder goed maken bij alle menschen. Dit laat ik aan u over.”Mijnheer Gradgrind ontstelde en vroeg hoe.„Mijnheer,” was het antwoord, „uw zoon zal u zeggen hoe. Vraag het hem. Ik beschuldig niemand; ik zeg er niets bij, geen enkel woord. Ik heb uw zoon op zekeren avond gezien en gesproken. Ik vraag niet meer dan dit: zuiver gij mij van de beschuldiging—en ik vertrouw, dat gij het doen zult.”Daar de dragers nu gereed waren om hem op te nemen en de chirurgijn verlangde, dat hij zoo spoedig mogelijk vervoerd werd, plaatsten zij, die flambouwen of lantarens hadden, zich voor de draagbaar. Eer die werd opgenomen, en terwijl men schikkingen maakte hoe men gaan zou, zeide hij tot Rachel, terwijl hij naar de ster omhoog zag:„Dikwijls, als ik bij mij zelven kwam en haar mij zag beschijnen in mijn nood, dacht ik dat zij de ster was, die den weg wees naar het huis van onzen Zaligmaker. Ik denk haast, dat het dezelfde ster moet wezen.”Zij namen hem nu op en hij verheugde zich dat men hem wegdroeg in de richting welke die ster scheen aan te wijzen.„Rachel, bemind meisje! Laat mijne hand niet los. Dezen avond mogen wij wel samen gaan, lieve!”„Ik zal uwe hand vasthouden en naast u blijven, Stephen, den geheelen weg.”„God zegene u! Wil iemand zoo goed zijn om mijn gezicht toe te dekken?”Zij droegen hem zeer behoedzaam de velden door en de lanen langs, door de uitgestrekte vlakte; en Rachel hield steeds die hand in de hare. Zeer weinige gefluisterde woorden stoorden de treurige stilte. Spoedig was het een lijkstoet. De ster had hem gewezen waar den God der armen te vinden; en door nederigheid, droefheid en vergevensgezindheid was hij ingegaan tot de rust van zijn Verlosser.
XXXIV.HET STERRENLICHT.Do zondag was een heldere herfstdag, frisch en koel, toen Sissy en Rachel in den vroegen morgen, bij elkander kwamen om eene wandeling over het veld te doen.DaarCoketownstof en asch strooide, niet alleen op zijn eigen hoofd, maar ook op den geheelen omtrek—op de manier van die vrome lieden, die voor hunne eigene zonden boete doen door anderen in zakken te kleeden—waren zij, die nu en dan naar een teugje zuivere lucht dorstten (hetgeen niet volstrekt onder de goddelooze ijdelheden des levens behoort), op dien dag gewoon zich eenige mijlen ver over den spoorweg te laten brengen en dan hunne wandeling door het veld te beginnen. Sissy en Rachel hielpen zich op de gebruikelijke manier uit den rook, en werden bij een station omtrent halverwege tusschen de stad en het buiten van mijnheer Bounderby afgezet.Hoewel het groene landschap hier en daar met hoopen steenkool was bevlekt, was het elders toch groen, en waren er boomen te zien, en hoorde men leeuweriken zingen (hoewel het zondag was) en waren er aangename geuren in de lucht, en werd alles overwelfd door eene heldere blauwe lucht. Aan den eenen kant vertoonde zichCoketownin het verschiet gelijk een zwarte damp; in een ander verschiet begonnen er heuvelen op te rijzen; in een derde was er eene flauwe verandering in het licht langs den gezichteinder, waar het de afgelegene zee bescheen. Onder de voeten der wandelaarsters was het gras frisch; sierlijke schaduwen van takken speelden flikkerend daaroverheen; de heggen stonden weelderig; alles was vrede.De machines boven de monden vanmijnschachten, en de oude magere paarden, die door hun dagelijkschen arbeid een kring in den grond hadden getrapt, waren beiden in rust; de raderen hadden voor eene korte poos opgehouden te draaien; en het groote rad der aarde scheen zonder de schokken en het gerucht van een anderen tijd om te wentelen.Zij wandelden voort, over velden en door beschaduwde lanen, somtijds over een stuk van een hek stappende, zoo verrot dat het brak als de voet er tegen aanstiet, somtijds een hoop met gras begroeide steenen en balken voorbijgaande, die de plaats van een verlaten werk kenmerkten. Zij volgden paden en sporen, hoe gering zij ook waren. Kleine hoogten, waarop het gras welig groeide en distels, netelen en dergelijke planten waren opgeschoten, vermeden zij steeds; want akelige histories werden in die streek verteld van oude mijnputten, die onder zulke kenteekenen verborgen waren.De zon was hoog geklommen, toen zij gingen zitten om te rusten. Zij hadden in langen tijd geen mensch van nabij of van verre gezien, en de eenzaamheid bleef nog ongestoord. „Het is hier zoo stil, Rachel, en het pad schijnt zoo weinig begaan, dat ik geloof dat wij de eersten zijn, die den geheelen zomer hier zijn gekomen.”Toen Sissy dit zeide, viel haar weder een stuk van een verrot hek in het oog, dat op den grond lag. Zij stond op om er naar te kijken.„En toch weet ik het niet,” zeide zij. „Dit is nog niet heel lang geleden afgebroken. Het hout is nog versch gesplinterd. En hier zijn ook voetstappen.—O, Rachel!”Zij kwam terugloopen en greep haar om den hals. Rachel was reeds opgesprongen.„Wat is er?”„Ik weet het niet. Daar ligt een hoed in het gras.”Zij gingen te zamen vooruit, Rachel die van het hoofd tot de voeten beefde, nam den hoed op. Zij barstte in tranen en jammerklachten uit. Stephen Blackpool had met zijne eigene hand zijn naam in den hoed geschreven.„O, de arme man, de arme man! Men heeft hem van kant geholpen. Hij ligt hier vermoord.”„Is er—is er bloed aan?” bracht Sissy stamelend uit.Zij waren bang om er naar te zien, maar bezichtigden den hoed toch en vonden geen spoor van geweld. De hoed had daar eenige dagen gelegen, want hij was door den regen en den dauw verkleurd en had een indruk van zijn vorm op het gras gelaten. Zij zagen vreesachtig rond, zonder zich te bewegen, maar konden niets meer ontdekken.„Rachel,” fluisterde Sissy, „ik zal alleen wat verder gaan.”Zij had hare hand losgelaten en wilde juist een stap voorwaarts doen, toen Rachel haar met een gil in beide armen greep. Vóór haar, vlak voor hare voeten, was de afgebrokkelde kant eener zwarte diepte, door het dichte gras verborgen. Zij deinsden terug, vielen op de knieën en verborgen beiden haar gezicht aan elkanders hals.„O goede God! Hij is daar beneden! Daar beneden!” In het eerst was dit akelig gegil alles, wat men door tranen, gebeden, vermaningen, door welke poging ook, van Rachel kon bekomen. Het was onmogelijk haar tot bedaren te brengen; en het was toch noodzakelijk dit te doen; het was noodzakelijk haar vast te houden of zij zou zich in de diepte hebben geworpen.„Rachel, lieve Rachel, goede Rachel, om ’s Hemels wil, houd op met dat schrikkelijke geschreeuw! Denk aan Stephen, denk aan Stephen, denk aan Stephen!”Door eene ernstige herhaling dezer bede, met al den angst van zulk een oogenblik ontboezemd, bracht Sissy haar eindelijk tot stilte, en nu zag de ongelukkige haar aan zonder tranen en met een gezicht, dat in steen scheen veranderd te zijn.„Rachel, Stephen kan nog leven. Gij wilt hemtoch geen oogenblik langer hulpeloos op den grond van dien akeligen put laten liggen, als gij hem hulp kunt bezorgen!”„Neen, neen, neen!”„Ga dan om zijnentwil niet hier vandaan. Laat ik gaan luisteren.”Zij huiverde om den put te naderen, maar zij kroop er op handen en knieën naar toe en riep hem zoo hard zij roepen kon. Zij luisterde, maar geen geluid gaf haar antwoord. Wederom riep en luisterde zij; nog geen geluid. Zij deed dit twintig-, dertigmaal. Zij nam eene kluit aarde van den afgebrokkelden grond, waar hij gestruikeld was, en wierp dien in de opening. Zij kon niets hooren vallen.Het ruime uitzicht, waarvan de stilte weinige minuten geleden zoo bekoorlijk was, vervulde haar moedig hart bijna met wanhoop, toen zij opstond, overal rondkeek en geene hulp zag.„Rachel, wij moeten geen oogenblik verliezen. Wij moeten in verschillende richtingen hulp gaan zoeken. Neem gij den weg dien wij gekomen zijn; ik zal langs dit pad verder gaan. Zeg iedereen, wien gij ontmoet, wat er gebeurd is. Denk aan Stephen, denk aan Stephen!”Zij zag aan Rachel’s gezicht, dat zij haar nu kon vertrouwen. Nadat zij eene poos was blijven staan om haar na te zien, terwijl zij haastig voortstapte en al voortstappende hare handen wrong, keerde zij zich om en begon zelve haar tocht om hulp te zoeken. Bij de heg bleef zij even staan en bond haar doek daaraan vast, om de plek te herkennen; toen wierp zij haar hoed op zijde en liep gelijk zij nog nooit had geloopen.Loop, Sissy, loop, in ’s Hemels naam! Sta niet stil om adem te halen! Loop, loop voort! Zich zelve aansporende, door zulk een biddend roepen in hare gedachten te houden, liep zij van veld tot veld, en van laan tot laan, en van plek tot plek, gelijk zij nog nooit geloopen had, tot zij bij een afdakje aan een machinengebouw kwam, waar twee mannen in de schaduw lagen te slapen.Hen eerst te wekken, en daarna te zeggen, overspannen en ademloos als zij was, wat haar daar gebracht had, had vrij wat moeielijkheden in; maar niet zoodra begrepen zij haar, of zij waren even vol ijver als zij. Een van die mannen lag in den doffen slaap der dronkenschap, maar toen zijn makker hem toeschreeuwde, dat er iemand in de Oude Helschacht was gevallen, snelde hij heen naar een plas vuil water, dompelde zijn hoofd daarin en kwam nuchter terug.Met deze twee mannen liep zij naar een ander, een halve mijl verder, en met dezen weder naar een ander, terwijl de eerste twee elders heen liepen. Toen werd er een paard gevonden, en kreeg zij een ander man, om op leven of dood naar den spoorweg te rijden, en zond zij eene boodschap aan Louisa, die zij opschreef en hem medegaf. Tegen dien tijd was er een geheel dorp op de been; en windassen, touwen, staken, emmers, kaarsen, lantarens en alle benoodigdheden werden snel bijeengehaald om naar de Oude Helschacht gebracht te worden.Het scheen nu uren geleden sedert zij den verlorene verlaten had in het graf, waar hij levend begraven lag. Zij kon niet langer van hem vandaan blijven—het was alsof zij hem aan zijn lot overliet—en zij haastte zich terug, vergezeld door een zestal arbeiders, waaronder de dronken man, die door het nieuws nuchter was geworden en die de knapste en ijverigste van allen was. Toen zij aan de Oude Helschacht kwamen, vonden zij die zoo eenzaam als zij haar gelaten had. De arbeiders riepen en luisterden, gelijk zij gedaan had, en bezichtigden den rand van den afgrond, en beredeneerden hoe het gebeurd was, en gingen toen zitten wachten, tot de gereedschappen, die zij noodig hadden, gebracht werden.Elk geluid van insekten in de lucht, elk geritsel der bladeren, elk gefluister onder die mannen deed Sissy beven, want dan dacht zij eene stem te vernemen uit den put. Maar de wind woei ledig daarover heen, en geen geluid kwam naar omhoog, en zij zaten te wachten en te wachten. Nadat dit eenigen tijd had geduurd, begonnen er enkele menschen te komen, die van het ongeluk hadden gehoord, en weldra begon men ook de wezenlijke hulp van gereedschappen aan te brengen. Onder dat alles kwam Rachel terug, en in haar gezelschap was een chirurgijn, die wijn en eenige medicijnen medebracht. Doch de verwachting onder de aanwezigen, dat de man nog levend zou gevonden worden, was waarlijk al zeer gering.Dewijl er nu menschen genoeg bijeen waren om het werk te belemmeren, plaatste de nuchter geworden man zich aan het hoofd der anderen, of werd met algemeene bewilliging daaraan geplaatst, en maakte een grooten kring om de Oude Helschacht en stelde eenigen aan om die ruimte vrij te houden. Behalve de vrijwilligers, die voor het werk werden aangenomen, mochten in het eerst alleen Rachel en Sissy binnen den kring komen; maar later op den dag, toen de boodschap van Sissy een expressetrein vanCoketownhad doen afrijden, kwamen mijnheer Gradgrind en Louisa, en mijnheer Bounderby en de hondsvot insgelijks daarbinnen.De zon was vier uren lager gedaald dan toen Sissy en Rachel zich het eerst op het gras neerzetten, voordat men van palen en touwen een toestel had vervaardigd, waarmede twee mannen veilig konden afdalen. Men had bezwaren gehad om dit werktuig samen te stellen, zoo eenvoudig als het was; men had bevonden, dat het aan sommige benoodigdheden ontbrak, enboodschappen hadden heen en weder moeten gaan. Het was vijf ure in den namiddag van een helderen zondag in den herfst, voordat er eenebrandendekaars werd afgelaten om de lucht te beproeven, terwijl drie of vier grove gezichten zich bij elkander drongen om het licht na te zien, en de mannen aan het windas het touw lieten schieten. De kaars werd flauw brandende weder opgehaald en toen wierp men wat water in de diepte. Daarna werd de emmer aangehaakt; en de nuchter geworden man en een ander stapten met licht daarin, en gaven het woord:„Laat zakken!”IN DEN AVOND VAN DENZELFDEN DAG ZAT LOUISA, GELIJK IN VROEGERE DAGEN...... IN HET VUUR TE STAREN. (Blz. 142).IN DEN AVOND VAN DENZELFDEN DAG ZATLOUISA, GELIJK IN VROEGERE DAGEN...... IN HET VUUR TE STAREN. (Blz. 142).Terwijl het touw, stijf gespannen, afdaalde, en het windas kraakte, was er onder die honderd of tweehonderd mannen en vrouwen niemand, wiens adem ging gelijk die gewoon was te gaan. Het sein werd gegeven, en het windas stond stil, terwijl men nog touw genoeg overhad. Schijnbaar zulk een lange tijd verliep er, terwijl de mannen aan het windas ledig stonden, dat sommige vrouwen begonnen te gillen dat er een nieuw ongeluk gebeurd was. Maar de chirurgijn, die zijn horloge in de hand hield, zeide, dat er nog geen vijf minuten verloopen waren, en vermaande haar op barschen toon zich stil te houden. Hij had nauwelijks uitgesproken, toen het windas weder in beweginggebracht en het touw opgehaald werd. Geoefende oogen zagen, dat het niet zoo zwaar ging alsof beide werklieden werden opgeheschen, en dat er maar één terugkwam.Het touw kwam strak gespannen naar boven; ring op ring wond zich om het windas; en aller oogen waren op den put gevestigd. De nuchter geworden man werd opgehaald en sprong vlug op het gras. Er was een algemeene kreet van „Levend of dood?” en daarop volgde eene diepe stilte.Toen hij „levend!” zeide, ging er een groot gejuich op, en velen kwamen de tranen in de oogen.„Maar hij is heel erg bezeerd,” voegde hij er bij, zoodra hij zich weder kon doen hooren. „Waar is de dokter? Hij is zoo erg bezeerd, mijnheer, dat ik niet weet hoe wij hem zullen ophalen.”Allen hielden te zamen raad en zagen den chirurgijn bekommerd aan, toen hij eenige vragen deed en na het hooren der antwoorden zijn hoofd schudde. De zon ging nu onder, en het roode licht in de avondlucht bescheen alle gezichten, zoodat men hen in al hunne angstige spanning kon onderscheiden.Het beraad eindigde daarmede, dat de lieden naar het windas terugkeerden en de mijnwerker nogmaals afdaalde, thans wat wijn en eenige andere kleinigheden medenemende. Toen kwam de andere man naar boven. Ondertusschen hadden eenige lieden, op last van den chirurgijn, eene horde gehaald, waarop anderen van hunne opperkleederen, met los stroo bedekt, een dik bed maakten, terwijl hij zelf eenige verbanden en windsels van omslagdoeken en zakdoeken vervaardigde. Toen deze gereed waren, werden zij den mijnwerker, die het laatst was bovengekomen, over den arm gehangen, met onderrichtingen hoe ze te gebruiken; en terwijl hij daar stond, in het schijnsel van het licht, dat hij droeg, met zijne forsche ledige hand op een der palen leunende, en nu in den put neerziende, dan in het rond naar de menschen kijkende, was hij vooral niet de minst in het oog loopende gedaante van dit tooneel. Het was nu donker geworden en er werden flambouwen aangestoken.Uit het weinige, dat deze man tot de naaste omstanders zeide en dat spoedig door den geheelen kring verspreid werd, bleek het, dat de verlorene op een hoop aarde was gevallen, die den put half verstopt had, en dat zijn verdere val gebroken was door eenige aan de kanten uitstekende aardkluiten. Hij lag op den rug, met den eenen arm samengevouwen onder zich, en had zich, naar hij zelf geloofde, sedert zijn val nauwelijks bewogen, behalve dat hij zijne vrije hand naar zijn zijzak had gebracht, waarin hij zich herinnerde wat brood en vleesch te hebben (waarvan hij een weinig had gebruikt), en ook met die hand nu en dan wat water had opgeschept. Hij was terstond van zijn werk gekomen, zoodra er om hem geschreven was, en had de geheele reis te voet gedaan; en hij was na den donker op weg naar het buiten van mijnheer Bounderby, toen hij in den put viel. Hij was op dien gevaarlijken tijd deze gevaarlijke streek doorgegaan, omdat hij, in het gevoel zijner onschuld aan hetgeen hem te last werd gelegd, niet rusten kon, of hij moest den naasten weg komen om zich te rechtvaardigen. De Oude Helschacht, zeide de mijnwerker, met een vloek op dien moorddadigen put, was tot het laatste toe haar slechten naam waardig gebleven; want hoewel Stephen nu nog spreken kon. geloofde hij toch dat hij het niet lang meer zou maken.Toen alles gereed was, verdween de man weder in de diepte, nog onder het afdalen de laatste haastige aanwijzingen van den chirurgijn en zijne makkers aannemende. Het touw werd gevierd gelijk te voren, het sein werd weder gegeven, en het windas stond stil. Niemand trok er nu de hand van af. Ieder wachtte met vastgeklemde vuist en reeds naar het werk gebogen lichaam om weder op te winden. Eindelijk werd het sein gegeven, en de geheele kring van omstanders boog zich voorover.Want nu kwam het touw, ten uiterste gespannen, naar het scheen, naar boven; het werk ging zwaar, en het windas piepte en kraakte. Het was bijna onuitstaanbaar naar het touw te zien en te denken, dat het zou kunnen breken. Maar ring op ring werd veilig om het windas gewonden, en de kettingen kwamen te voorschijn, en eindelijk de emmer met de twee mijnwerkers, die zich aan de kanten vasthielden—een gezicht om het hart te beklemmen en het hoofd te doen duizelen—en tusschen hen in, behoedzaam vastgehouden en vastgebonden, de gedaante van een mensch—bijna verbrijzeld.Een zacht gemompel van medelijden liep door de menigte heen, en de vrouwen schreiden hardop, toen deze gedaante, bijna zonder vorm, zeer langzaam uit den ijzeren verlosser werd getild en op het bed van stroo nedergelegd. In het eerst ging niemand dan de chirurgijn er dicht bij. Hij deed wat hij kon om het lichaam in gemakkelijker houding te schikken, maar het beste, wat hij doen kon, was het te bedekken. Toen hij dit met eene zachte hand gedaan had, riep hij Rachel en Sissy. En toen zag men het bleeke, uitgeteerde, geduldige gezicht naar den hemel opzien, terwijl de gekneusde rechterhand bloot op het dek van kleederen lag, als wachtende om door eene andere hand gevat te worden.Zij gaven hem te drinken, bevochtigden zijn gezicht met water, en dienden hem eenige droppels van een opwekkend middel met wijntoe. Hoewel hij geheel roerloos naar de lucht lag te staren, glimlachte hij en zeide: „Rachel!”Zij knielde bij hem op het gras en boog zich over hem heen, tot hare oogen tusschen de zijne en de lucht waren, want hij kon ze zelfs niet verdraaien om naar haar te zien.„Rachel, melieve!”Zij nam zijne hand. Hij glimlachte wederom en zeide: „Laat ze niet los.”„Hebt ge veel pijn, lieve Stephen?”„Die heb ik gehad, maar nu niet meer. Ik heb schrikkelijk erg en lang pijn gehad, lieve—maar het is nu over. Och, Rachel, ’t is alles een warboel! Van het begin tot het einde een warboel!”Eene schim van zijn vroeger uitzicht scheen voorbij te zweven toen hij dit zeide.„Ik ben in den put gevallen, lieve, die, gelijk oude lieden nog heugt, honderden en honderden menschenlevens gekost heeft—vaders, zonen en broeders, dierbaar aan duizenden en duizenden, en die ze voor honger en gebrek bewaarden. Ik ben in den put gevallen, die met zijn vuurdamp wreeder dan een oorlog geweest is. Ik heb er van gelezen in de petitie van de lieden, die in de putten werken, gelijk iedereen ze lezen kan, waarin zij de wettenmakers om Christus’ wil bidden om te maken dat hun werk hen toch niet vermoorden zal, maar hen te sparen voor de vrouwen en kinderen, die zij even liefhebben als voorname lieden de hunne hebben. Toen die put bewerkt werd, bracht hij buiten noodzaak vele menschen om het leven, en nu hij verlaten is, doet hij dat nog. Zie hoe wij altijd buiten noodzaak sterven, op de eene of de andere manier—altijd in een warboel.”Hij zeide dit met eene flauwe stem, zonder eenige gramschap tegen iemand—alleen als eene waarheid.„Uw zusje, Rachel—gij hebt haar niet vergeten. Het is niet denkelijk, dat gij haar nu vergeten zult, nu ik zoo dicht bij haar ben. Gij weet—dat arme, geduldige, lieve kind—hoe gij voor haar gewerkt hebt, toen zij den geheelen dag op haar stoeltje voor het venster zat, en hoe zij stierf, jong en mismaakt, ondermijnd door die ongezonde lucht, die er niet behoefde te zijn, en de ellendige woningen, die de werklieden hebben. Een warboel! Alles een warboel!”Louisa naderde hem, maar hij kon haar niet zien, daar zijn gezicht naar de donkere nachtlucht omhoog gekeerd was.„Als alle dingen, die ons aangaan, lieve, niet zoo in de war lagen, had ik niet hier behoeven te komen. Als wij onder ons zelven niet in een warboel zaten, zouden mijne eigene makkers mij niet zoo verkeerd beoordeeld hebben. Als mijnheer Bounderby mij ooit recht gekend had—als hij mij ooit eenigszins gekend had—zou hij zich niet boos op mij gemaakt hebben. Dan zou hij mij niet verdacht hebben. Maar zie daar omhoog, Rachel! Zie daar boven!”Zijne oogen volgende, zag zij, dat hij naar eene ster tuurde.„Die heeft mij beschenen,” zeide hij eerbiedig, „in mijne pijn en mijn nood daar beneden. Zij heeft in mijn gemoed geschenen. Ik heb naar haar opgezien en aan u gedacht, Rachel, tot de warboel in mijn geest is opgeruimd, meer dan een weinigje, hoop ik. Als sommigen gedwaald hebben door mij niet beter te verstaan, heb ik ook gedwaald door hen niet beter te verstaan. Toen ik uw brief kreeg, geloofde ik terstond, dat wat de jonge mevrouw tegen mij gezegd en gedaan had, eenerlei was, en dat er een goddeloos komplot tusschen hen bestond. Toen ik viel, was ik kwaad op haar, en haastte ik mij voort, om zoo onbillijk voor haar te zijn als anderen voor mij geweest waren. Maar in ons oordeel, evenals in ons doen, moeten wij dragen en verdragen. In mijne pijn en mijn nood daarheen opziende—terwijl zij mij bescheen—heb ik alles duidelijker ingezien, en heb het tot mijn stervend gebed gemaakt, dat de geheele wereld dichter tot elkander mocht komen en elkander beter mocht leeren verstaan, dan toen ik zwakke man er nog in was.”Toen Louisa hoorde wat hij zeide, boog zij zich over hem heen, aan den kant tegenover Rachel, zoodat hij haar kon zien.„Gij hebt het gehoord?” zeide hij na eene korte poos van stilte. „Ik heb u niet vergeten, mevrouw.”„Ja, Stephen, ik heb u gehoord, en uw gebed is het mijne.”„Gij hebt een vader. Wilt gij een paar woorden van mij aan hem overbrengen?”„Hij is hier,” zeide Louisa met angst. „Zal ik hem bij u brengen?”„Als het u belieft.”Louisa kwam met haar vader terug. Hand in hand zagen beiden neer op het ernstige gelaat des lijders.„Mijnheer, gij zult mij zuiveren en mijn naam weder goed maken bij alle menschen. Dit laat ik aan u over.”Mijnheer Gradgrind ontstelde en vroeg hoe.„Mijnheer,” was het antwoord, „uw zoon zal u zeggen hoe. Vraag het hem. Ik beschuldig niemand; ik zeg er niets bij, geen enkel woord. Ik heb uw zoon op zekeren avond gezien en gesproken. Ik vraag niet meer dan dit: zuiver gij mij van de beschuldiging—en ik vertrouw, dat gij het doen zult.”Daar de dragers nu gereed waren om hem op te nemen en de chirurgijn verlangde, dat hij zoo spoedig mogelijk vervoerd werd, plaatsten zij, die flambouwen of lantarens hadden, zich voor de draagbaar. Eer die werd opgenomen, en terwijl men schikkingen maakte hoe men gaan zou, zeide hij tot Rachel, terwijl hij naar de ster omhoog zag:„Dikwijls, als ik bij mij zelven kwam en haar mij zag beschijnen in mijn nood, dacht ik dat zij de ster was, die den weg wees naar het huis van onzen Zaligmaker. Ik denk haast, dat het dezelfde ster moet wezen.”Zij namen hem nu op en hij verheugde zich dat men hem wegdroeg in de richting welke die ster scheen aan te wijzen.„Rachel, bemind meisje! Laat mijne hand niet los. Dezen avond mogen wij wel samen gaan, lieve!”„Ik zal uwe hand vasthouden en naast u blijven, Stephen, den geheelen weg.”„God zegene u! Wil iemand zoo goed zijn om mijn gezicht toe te dekken?”Zij droegen hem zeer behoedzaam de velden door en de lanen langs, door de uitgestrekte vlakte; en Rachel hield steeds die hand in de hare. Zeer weinige gefluisterde woorden stoorden de treurige stilte. Spoedig was het een lijkstoet. De ster had hem gewezen waar den God der armen te vinden; en door nederigheid, droefheid en vergevensgezindheid was hij ingegaan tot de rust van zijn Verlosser.
XXXIV.HET STERRENLICHT.Do zondag was een heldere herfstdag, frisch en koel, toen Sissy en Rachel in den vroegen morgen, bij elkander kwamen om eene wandeling over het veld te doen.DaarCoketownstof en asch strooide, niet alleen op zijn eigen hoofd, maar ook op den geheelen omtrek—op de manier van die vrome lieden, die voor hunne eigene zonden boete doen door anderen in zakken te kleeden—waren zij, die nu en dan naar een teugje zuivere lucht dorstten (hetgeen niet volstrekt onder de goddelooze ijdelheden des levens behoort), op dien dag gewoon zich eenige mijlen ver over den spoorweg te laten brengen en dan hunne wandeling door het veld te beginnen. Sissy en Rachel hielpen zich op de gebruikelijke manier uit den rook, en werden bij een station omtrent halverwege tusschen de stad en het buiten van mijnheer Bounderby afgezet.Hoewel het groene landschap hier en daar met hoopen steenkool was bevlekt, was het elders toch groen, en waren er boomen te zien, en hoorde men leeuweriken zingen (hoewel het zondag was) en waren er aangename geuren in de lucht, en werd alles overwelfd door eene heldere blauwe lucht. Aan den eenen kant vertoonde zichCoketownin het verschiet gelijk een zwarte damp; in een ander verschiet begonnen er heuvelen op te rijzen; in een derde was er eene flauwe verandering in het licht langs den gezichteinder, waar het de afgelegene zee bescheen. Onder de voeten der wandelaarsters was het gras frisch; sierlijke schaduwen van takken speelden flikkerend daaroverheen; de heggen stonden weelderig; alles was vrede.De machines boven de monden vanmijnschachten, en de oude magere paarden, die door hun dagelijkschen arbeid een kring in den grond hadden getrapt, waren beiden in rust; de raderen hadden voor eene korte poos opgehouden te draaien; en het groote rad der aarde scheen zonder de schokken en het gerucht van een anderen tijd om te wentelen.Zij wandelden voort, over velden en door beschaduwde lanen, somtijds over een stuk van een hek stappende, zoo verrot dat het brak als de voet er tegen aanstiet, somtijds een hoop met gras begroeide steenen en balken voorbijgaande, die de plaats van een verlaten werk kenmerkten. Zij volgden paden en sporen, hoe gering zij ook waren. Kleine hoogten, waarop het gras welig groeide en distels, netelen en dergelijke planten waren opgeschoten, vermeden zij steeds; want akelige histories werden in die streek verteld van oude mijnputten, die onder zulke kenteekenen verborgen waren.De zon was hoog geklommen, toen zij gingen zitten om te rusten. Zij hadden in langen tijd geen mensch van nabij of van verre gezien, en de eenzaamheid bleef nog ongestoord. „Het is hier zoo stil, Rachel, en het pad schijnt zoo weinig begaan, dat ik geloof dat wij de eersten zijn, die den geheelen zomer hier zijn gekomen.”Toen Sissy dit zeide, viel haar weder een stuk van een verrot hek in het oog, dat op den grond lag. Zij stond op om er naar te kijken.„En toch weet ik het niet,” zeide zij. „Dit is nog niet heel lang geleden afgebroken. Het hout is nog versch gesplinterd. En hier zijn ook voetstappen.—O, Rachel!”Zij kwam terugloopen en greep haar om den hals. Rachel was reeds opgesprongen.„Wat is er?”„Ik weet het niet. Daar ligt een hoed in het gras.”Zij gingen te zamen vooruit, Rachel die van het hoofd tot de voeten beefde, nam den hoed op. Zij barstte in tranen en jammerklachten uit. Stephen Blackpool had met zijne eigene hand zijn naam in den hoed geschreven.„O, de arme man, de arme man! Men heeft hem van kant geholpen. Hij ligt hier vermoord.”„Is er—is er bloed aan?” bracht Sissy stamelend uit.Zij waren bang om er naar te zien, maar bezichtigden den hoed toch en vonden geen spoor van geweld. De hoed had daar eenige dagen gelegen, want hij was door den regen en den dauw verkleurd en had een indruk van zijn vorm op het gras gelaten. Zij zagen vreesachtig rond, zonder zich te bewegen, maar konden niets meer ontdekken.„Rachel,” fluisterde Sissy, „ik zal alleen wat verder gaan.”Zij had hare hand losgelaten en wilde juist een stap voorwaarts doen, toen Rachel haar met een gil in beide armen greep. Vóór haar, vlak voor hare voeten, was de afgebrokkelde kant eener zwarte diepte, door het dichte gras verborgen. Zij deinsden terug, vielen op de knieën en verborgen beiden haar gezicht aan elkanders hals.„O goede God! Hij is daar beneden! Daar beneden!” In het eerst was dit akelig gegil alles, wat men door tranen, gebeden, vermaningen, door welke poging ook, van Rachel kon bekomen. Het was onmogelijk haar tot bedaren te brengen; en het was toch noodzakelijk dit te doen; het was noodzakelijk haar vast te houden of zij zou zich in de diepte hebben geworpen.„Rachel, lieve Rachel, goede Rachel, om ’s Hemels wil, houd op met dat schrikkelijke geschreeuw! Denk aan Stephen, denk aan Stephen, denk aan Stephen!”Door eene ernstige herhaling dezer bede, met al den angst van zulk een oogenblik ontboezemd, bracht Sissy haar eindelijk tot stilte, en nu zag de ongelukkige haar aan zonder tranen en met een gezicht, dat in steen scheen veranderd te zijn.„Rachel, Stephen kan nog leven. Gij wilt hemtoch geen oogenblik langer hulpeloos op den grond van dien akeligen put laten liggen, als gij hem hulp kunt bezorgen!”„Neen, neen, neen!”„Ga dan om zijnentwil niet hier vandaan. Laat ik gaan luisteren.”Zij huiverde om den put te naderen, maar zij kroop er op handen en knieën naar toe en riep hem zoo hard zij roepen kon. Zij luisterde, maar geen geluid gaf haar antwoord. Wederom riep en luisterde zij; nog geen geluid. Zij deed dit twintig-, dertigmaal. Zij nam eene kluit aarde van den afgebrokkelden grond, waar hij gestruikeld was, en wierp dien in de opening. Zij kon niets hooren vallen.Het ruime uitzicht, waarvan de stilte weinige minuten geleden zoo bekoorlijk was, vervulde haar moedig hart bijna met wanhoop, toen zij opstond, overal rondkeek en geene hulp zag.„Rachel, wij moeten geen oogenblik verliezen. Wij moeten in verschillende richtingen hulp gaan zoeken. Neem gij den weg dien wij gekomen zijn; ik zal langs dit pad verder gaan. Zeg iedereen, wien gij ontmoet, wat er gebeurd is. Denk aan Stephen, denk aan Stephen!”Zij zag aan Rachel’s gezicht, dat zij haar nu kon vertrouwen. Nadat zij eene poos was blijven staan om haar na te zien, terwijl zij haastig voortstapte en al voortstappende hare handen wrong, keerde zij zich om en begon zelve haar tocht om hulp te zoeken. Bij de heg bleef zij even staan en bond haar doek daaraan vast, om de plek te herkennen; toen wierp zij haar hoed op zijde en liep gelijk zij nog nooit had geloopen.Loop, Sissy, loop, in ’s Hemels naam! Sta niet stil om adem te halen! Loop, loop voort! Zich zelve aansporende, door zulk een biddend roepen in hare gedachten te houden, liep zij van veld tot veld, en van laan tot laan, en van plek tot plek, gelijk zij nog nooit geloopen had, tot zij bij een afdakje aan een machinengebouw kwam, waar twee mannen in de schaduw lagen te slapen.Hen eerst te wekken, en daarna te zeggen, overspannen en ademloos als zij was, wat haar daar gebracht had, had vrij wat moeielijkheden in; maar niet zoodra begrepen zij haar, of zij waren even vol ijver als zij. Een van die mannen lag in den doffen slaap der dronkenschap, maar toen zijn makker hem toeschreeuwde, dat er iemand in de Oude Helschacht was gevallen, snelde hij heen naar een plas vuil water, dompelde zijn hoofd daarin en kwam nuchter terug.Met deze twee mannen liep zij naar een ander, een halve mijl verder, en met dezen weder naar een ander, terwijl de eerste twee elders heen liepen. Toen werd er een paard gevonden, en kreeg zij een ander man, om op leven of dood naar den spoorweg te rijden, en zond zij eene boodschap aan Louisa, die zij opschreef en hem medegaf. Tegen dien tijd was er een geheel dorp op de been; en windassen, touwen, staken, emmers, kaarsen, lantarens en alle benoodigdheden werden snel bijeengehaald om naar de Oude Helschacht gebracht te worden.Het scheen nu uren geleden sedert zij den verlorene verlaten had in het graf, waar hij levend begraven lag. Zij kon niet langer van hem vandaan blijven—het was alsof zij hem aan zijn lot overliet—en zij haastte zich terug, vergezeld door een zestal arbeiders, waaronder de dronken man, die door het nieuws nuchter was geworden en die de knapste en ijverigste van allen was. Toen zij aan de Oude Helschacht kwamen, vonden zij die zoo eenzaam als zij haar gelaten had. De arbeiders riepen en luisterden, gelijk zij gedaan had, en bezichtigden den rand van den afgrond, en beredeneerden hoe het gebeurd was, en gingen toen zitten wachten, tot de gereedschappen, die zij noodig hadden, gebracht werden.Elk geluid van insekten in de lucht, elk geritsel der bladeren, elk gefluister onder die mannen deed Sissy beven, want dan dacht zij eene stem te vernemen uit den put. Maar de wind woei ledig daarover heen, en geen geluid kwam naar omhoog, en zij zaten te wachten en te wachten. Nadat dit eenigen tijd had geduurd, begonnen er enkele menschen te komen, die van het ongeluk hadden gehoord, en weldra begon men ook de wezenlijke hulp van gereedschappen aan te brengen. Onder dat alles kwam Rachel terug, en in haar gezelschap was een chirurgijn, die wijn en eenige medicijnen medebracht. Doch de verwachting onder de aanwezigen, dat de man nog levend zou gevonden worden, was waarlijk al zeer gering.Dewijl er nu menschen genoeg bijeen waren om het werk te belemmeren, plaatste de nuchter geworden man zich aan het hoofd der anderen, of werd met algemeene bewilliging daaraan geplaatst, en maakte een grooten kring om de Oude Helschacht en stelde eenigen aan om die ruimte vrij te houden. Behalve de vrijwilligers, die voor het werk werden aangenomen, mochten in het eerst alleen Rachel en Sissy binnen den kring komen; maar later op den dag, toen de boodschap van Sissy een expressetrein vanCoketownhad doen afrijden, kwamen mijnheer Gradgrind en Louisa, en mijnheer Bounderby en de hondsvot insgelijks daarbinnen.De zon was vier uren lager gedaald dan toen Sissy en Rachel zich het eerst op het gras neerzetten, voordat men van palen en touwen een toestel had vervaardigd, waarmede twee mannen veilig konden afdalen. Men had bezwaren gehad om dit werktuig samen te stellen, zoo eenvoudig als het was; men had bevonden, dat het aan sommige benoodigdheden ontbrak, enboodschappen hadden heen en weder moeten gaan. Het was vijf ure in den namiddag van een helderen zondag in den herfst, voordat er eenebrandendekaars werd afgelaten om de lucht te beproeven, terwijl drie of vier grove gezichten zich bij elkander drongen om het licht na te zien, en de mannen aan het windas het touw lieten schieten. De kaars werd flauw brandende weder opgehaald en toen wierp men wat water in de diepte. Daarna werd de emmer aangehaakt; en de nuchter geworden man en een ander stapten met licht daarin, en gaven het woord:„Laat zakken!”IN DEN AVOND VAN DENZELFDEN DAG ZAT LOUISA, GELIJK IN VROEGERE DAGEN...... IN HET VUUR TE STAREN. (Blz. 142).IN DEN AVOND VAN DENZELFDEN DAG ZATLOUISA, GELIJK IN VROEGERE DAGEN...... IN HET VUUR TE STAREN. (Blz. 142).Terwijl het touw, stijf gespannen, afdaalde, en het windas kraakte, was er onder die honderd of tweehonderd mannen en vrouwen niemand, wiens adem ging gelijk die gewoon was te gaan. Het sein werd gegeven, en het windas stond stil, terwijl men nog touw genoeg overhad. Schijnbaar zulk een lange tijd verliep er, terwijl de mannen aan het windas ledig stonden, dat sommige vrouwen begonnen te gillen dat er een nieuw ongeluk gebeurd was. Maar de chirurgijn, die zijn horloge in de hand hield, zeide, dat er nog geen vijf minuten verloopen waren, en vermaande haar op barschen toon zich stil te houden. Hij had nauwelijks uitgesproken, toen het windas weder in beweginggebracht en het touw opgehaald werd. Geoefende oogen zagen, dat het niet zoo zwaar ging alsof beide werklieden werden opgeheschen, en dat er maar één terugkwam.Het touw kwam strak gespannen naar boven; ring op ring wond zich om het windas; en aller oogen waren op den put gevestigd. De nuchter geworden man werd opgehaald en sprong vlug op het gras. Er was een algemeene kreet van „Levend of dood?” en daarop volgde eene diepe stilte.Toen hij „levend!” zeide, ging er een groot gejuich op, en velen kwamen de tranen in de oogen.„Maar hij is heel erg bezeerd,” voegde hij er bij, zoodra hij zich weder kon doen hooren. „Waar is de dokter? Hij is zoo erg bezeerd, mijnheer, dat ik niet weet hoe wij hem zullen ophalen.”Allen hielden te zamen raad en zagen den chirurgijn bekommerd aan, toen hij eenige vragen deed en na het hooren der antwoorden zijn hoofd schudde. De zon ging nu onder, en het roode licht in de avondlucht bescheen alle gezichten, zoodat men hen in al hunne angstige spanning kon onderscheiden.Het beraad eindigde daarmede, dat de lieden naar het windas terugkeerden en de mijnwerker nogmaals afdaalde, thans wat wijn en eenige andere kleinigheden medenemende. Toen kwam de andere man naar boven. Ondertusschen hadden eenige lieden, op last van den chirurgijn, eene horde gehaald, waarop anderen van hunne opperkleederen, met los stroo bedekt, een dik bed maakten, terwijl hij zelf eenige verbanden en windsels van omslagdoeken en zakdoeken vervaardigde. Toen deze gereed waren, werden zij den mijnwerker, die het laatst was bovengekomen, over den arm gehangen, met onderrichtingen hoe ze te gebruiken; en terwijl hij daar stond, in het schijnsel van het licht, dat hij droeg, met zijne forsche ledige hand op een der palen leunende, en nu in den put neerziende, dan in het rond naar de menschen kijkende, was hij vooral niet de minst in het oog loopende gedaante van dit tooneel. Het was nu donker geworden en er werden flambouwen aangestoken.Uit het weinige, dat deze man tot de naaste omstanders zeide en dat spoedig door den geheelen kring verspreid werd, bleek het, dat de verlorene op een hoop aarde was gevallen, die den put half verstopt had, en dat zijn verdere val gebroken was door eenige aan de kanten uitstekende aardkluiten. Hij lag op den rug, met den eenen arm samengevouwen onder zich, en had zich, naar hij zelf geloofde, sedert zijn val nauwelijks bewogen, behalve dat hij zijne vrije hand naar zijn zijzak had gebracht, waarin hij zich herinnerde wat brood en vleesch te hebben (waarvan hij een weinig had gebruikt), en ook met die hand nu en dan wat water had opgeschept. Hij was terstond van zijn werk gekomen, zoodra er om hem geschreven was, en had de geheele reis te voet gedaan; en hij was na den donker op weg naar het buiten van mijnheer Bounderby, toen hij in den put viel. Hij was op dien gevaarlijken tijd deze gevaarlijke streek doorgegaan, omdat hij, in het gevoel zijner onschuld aan hetgeen hem te last werd gelegd, niet rusten kon, of hij moest den naasten weg komen om zich te rechtvaardigen. De Oude Helschacht, zeide de mijnwerker, met een vloek op dien moorddadigen put, was tot het laatste toe haar slechten naam waardig gebleven; want hoewel Stephen nu nog spreken kon. geloofde hij toch dat hij het niet lang meer zou maken.Toen alles gereed was, verdween de man weder in de diepte, nog onder het afdalen de laatste haastige aanwijzingen van den chirurgijn en zijne makkers aannemende. Het touw werd gevierd gelijk te voren, het sein werd weder gegeven, en het windas stond stil. Niemand trok er nu de hand van af. Ieder wachtte met vastgeklemde vuist en reeds naar het werk gebogen lichaam om weder op te winden. Eindelijk werd het sein gegeven, en de geheele kring van omstanders boog zich voorover.Want nu kwam het touw, ten uiterste gespannen, naar het scheen, naar boven; het werk ging zwaar, en het windas piepte en kraakte. Het was bijna onuitstaanbaar naar het touw te zien en te denken, dat het zou kunnen breken. Maar ring op ring werd veilig om het windas gewonden, en de kettingen kwamen te voorschijn, en eindelijk de emmer met de twee mijnwerkers, die zich aan de kanten vasthielden—een gezicht om het hart te beklemmen en het hoofd te doen duizelen—en tusschen hen in, behoedzaam vastgehouden en vastgebonden, de gedaante van een mensch—bijna verbrijzeld.Een zacht gemompel van medelijden liep door de menigte heen, en de vrouwen schreiden hardop, toen deze gedaante, bijna zonder vorm, zeer langzaam uit den ijzeren verlosser werd getild en op het bed van stroo nedergelegd. In het eerst ging niemand dan de chirurgijn er dicht bij. Hij deed wat hij kon om het lichaam in gemakkelijker houding te schikken, maar het beste, wat hij doen kon, was het te bedekken. Toen hij dit met eene zachte hand gedaan had, riep hij Rachel en Sissy. En toen zag men het bleeke, uitgeteerde, geduldige gezicht naar den hemel opzien, terwijl de gekneusde rechterhand bloot op het dek van kleederen lag, als wachtende om door eene andere hand gevat te worden.Zij gaven hem te drinken, bevochtigden zijn gezicht met water, en dienden hem eenige droppels van een opwekkend middel met wijntoe. Hoewel hij geheel roerloos naar de lucht lag te staren, glimlachte hij en zeide: „Rachel!”Zij knielde bij hem op het gras en boog zich over hem heen, tot hare oogen tusschen de zijne en de lucht waren, want hij kon ze zelfs niet verdraaien om naar haar te zien.„Rachel, melieve!”Zij nam zijne hand. Hij glimlachte wederom en zeide: „Laat ze niet los.”„Hebt ge veel pijn, lieve Stephen?”„Die heb ik gehad, maar nu niet meer. Ik heb schrikkelijk erg en lang pijn gehad, lieve—maar het is nu over. Och, Rachel, ’t is alles een warboel! Van het begin tot het einde een warboel!”Eene schim van zijn vroeger uitzicht scheen voorbij te zweven toen hij dit zeide.„Ik ben in den put gevallen, lieve, die, gelijk oude lieden nog heugt, honderden en honderden menschenlevens gekost heeft—vaders, zonen en broeders, dierbaar aan duizenden en duizenden, en die ze voor honger en gebrek bewaarden. Ik ben in den put gevallen, die met zijn vuurdamp wreeder dan een oorlog geweest is. Ik heb er van gelezen in de petitie van de lieden, die in de putten werken, gelijk iedereen ze lezen kan, waarin zij de wettenmakers om Christus’ wil bidden om te maken dat hun werk hen toch niet vermoorden zal, maar hen te sparen voor de vrouwen en kinderen, die zij even liefhebben als voorname lieden de hunne hebben. Toen die put bewerkt werd, bracht hij buiten noodzaak vele menschen om het leven, en nu hij verlaten is, doet hij dat nog. Zie hoe wij altijd buiten noodzaak sterven, op de eene of de andere manier—altijd in een warboel.”Hij zeide dit met eene flauwe stem, zonder eenige gramschap tegen iemand—alleen als eene waarheid.„Uw zusje, Rachel—gij hebt haar niet vergeten. Het is niet denkelijk, dat gij haar nu vergeten zult, nu ik zoo dicht bij haar ben. Gij weet—dat arme, geduldige, lieve kind—hoe gij voor haar gewerkt hebt, toen zij den geheelen dag op haar stoeltje voor het venster zat, en hoe zij stierf, jong en mismaakt, ondermijnd door die ongezonde lucht, die er niet behoefde te zijn, en de ellendige woningen, die de werklieden hebben. Een warboel! Alles een warboel!”Louisa naderde hem, maar hij kon haar niet zien, daar zijn gezicht naar de donkere nachtlucht omhoog gekeerd was.„Als alle dingen, die ons aangaan, lieve, niet zoo in de war lagen, had ik niet hier behoeven te komen. Als wij onder ons zelven niet in een warboel zaten, zouden mijne eigene makkers mij niet zoo verkeerd beoordeeld hebben. Als mijnheer Bounderby mij ooit recht gekend had—als hij mij ooit eenigszins gekend had—zou hij zich niet boos op mij gemaakt hebben. Dan zou hij mij niet verdacht hebben. Maar zie daar omhoog, Rachel! Zie daar boven!”Zijne oogen volgende, zag zij, dat hij naar eene ster tuurde.„Die heeft mij beschenen,” zeide hij eerbiedig, „in mijne pijn en mijn nood daar beneden. Zij heeft in mijn gemoed geschenen. Ik heb naar haar opgezien en aan u gedacht, Rachel, tot de warboel in mijn geest is opgeruimd, meer dan een weinigje, hoop ik. Als sommigen gedwaald hebben door mij niet beter te verstaan, heb ik ook gedwaald door hen niet beter te verstaan. Toen ik uw brief kreeg, geloofde ik terstond, dat wat de jonge mevrouw tegen mij gezegd en gedaan had, eenerlei was, en dat er een goddeloos komplot tusschen hen bestond. Toen ik viel, was ik kwaad op haar, en haastte ik mij voort, om zoo onbillijk voor haar te zijn als anderen voor mij geweest waren. Maar in ons oordeel, evenals in ons doen, moeten wij dragen en verdragen. In mijne pijn en mijn nood daarheen opziende—terwijl zij mij bescheen—heb ik alles duidelijker ingezien, en heb het tot mijn stervend gebed gemaakt, dat de geheele wereld dichter tot elkander mocht komen en elkander beter mocht leeren verstaan, dan toen ik zwakke man er nog in was.”Toen Louisa hoorde wat hij zeide, boog zij zich over hem heen, aan den kant tegenover Rachel, zoodat hij haar kon zien.„Gij hebt het gehoord?” zeide hij na eene korte poos van stilte. „Ik heb u niet vergeten, mevrouw.”„Ja, Stephen, ik heb u gehoord, en uw gebed is het mijne.”„Gij hebt een vader. Wilt gij een paar woorden van mij aan hem overbrengen?”„Hij is hier,” zeide Louisa met angst. „Zal ik hem bij u brengen?”„Als het u belieft.”Louisa kwam met haar vader terug. Hand in hand zagen beiden neer op het ernstige gelaat des lijders.„Mijnheer, gij zult mij zuiveren en mijn naam weder goed maken bij alle menschen. Dit laat ik aan u over.”Mijnheer Gradgrind ontstelde en vroeg hoe.„Mijnheer,” was het antwoord, „uw zoon zal u zeggen hoe. Vraag het hem. Ik beschuldig niemand; ik zeg er niets bij, geen enkel woord. Ik heb uw zoon op zekeren avond gezien en gesproken. Ik vraag niet meer dan dit: zuiver gij mij van de beschuldiging—en ik vertrouw, dat gij het doen zult.”Daar de dragers nu gereed waren om hem op te nemen en de chirurgijn verlangde, dat hij zoo spoedig mogelijk vervoerd werd, plaatsten zij, die flambouwen of lantarens hadden, zich voor de draagbaar. Eer die werd opgenomen, en terwijl men schikkingen maakte hoe men gaan zou, zeide hij tot Rachel, terwijl hij naar de ster omhoog zag:„Dikwijls, als ik bij mij zelven kwam en haar mij zag beschijnen in mijn nood, dacht ik dat zij de ster was, die den weg wees naar het huis van onzen Zaligmaker. Ik denk haast, dat het dezelfde ster moet wezen.”Zij namen hem nu op en hij verheugde zich dat men hem wegdroeg in de richting welke die ster scheen aan te wijzen.„Rachel, bemind meisje! Laat mijne hand niet los. Dezen avond mogen wij wel samen gaan, lieve!”„Ik zal uwe hand vasthouden en naast u blijven, Stephen, den geheelen weg.”„God zegene u! Wil iemand zoo goed zijn om mijn gezicht toe te dekken?”Zij droegen hem zeer behoedzaam de velden door en de lanen langs, door de uitgestrekte vlakte; en Rachel hield steeds die hand in de hare. Zeer weinige gefluisterde woorden stoorden de treurige stilte. Spoedig was het een lijkstoet. De ster had hem gewezen waar den God der armen te vinden; en door nederigheid, droefheid en vergevensgezindheid was hij ingegaan tot de rust van zijn Verlosser.
XXXIV.HET STERRENLICHT.
Do zondag was een heldere herfstdag, frisch en koel, toen Sissy en Rachel in den vroegen morgen, bij elkander kwamen om eene wandeling over het veld te doen.DaarCoketownstof en asch strooide, niet alleen op zijn eigen hoofd, maar ook op den geheelen omtrek—op de manier van die vrome lieden, die voor hunne eigene zonden boete doen door anderen in zakken te kleeden—waren zij, die nu en dan naar een teugje zuivere lucht dorstten (hetgeen niet volstrekt onder de goddelooze ijdelheden des levens behoort), op dien dag gewoon zich eenige mijlen ver over den spoorweg te laten brengen en dan hunne wandeling door het veld te beginnen. Sissy en Rachel hielpen zich op de gebruikelijke manier uit den rook, en werden bij een station omtrent halverwege tusschen de stad en het buiten van mijnheer Bounderby afgezet.Hoewel het groene landschap hier en daar met hoopen steenkool was bevlekt, was het elders toch groen, en waren er boomen te zien, en hoorde men leeuweriken zingen (hoewel het zondag was) en waren er aangename geuren in de lucht, en werd alles overwelfd door eene heldere blauwe lucht. Aan den eenen kant vertoonde zichCoketownin het verschiet gelijk een zwarte damp; in een ander verschiet begonnen er heuvelen op te rijzen; in een derde was er eene flauwe verandering in het licht langs den gezichteinder, waar het de afgelegene zee bescheen. Onder de voeten der wandelaarsters was het gras frisch; sierlijke schaduwen van takken speelden flikkerend daaroverheen; de heggen stonden weelderig; alles was vrede.De machines boven de monden vanmijnschachten, en de oude magere paarden, die door hun dagelijkschen arbeid een kring in den grond hadden getrapt, waren beiden in rust; de raderen hadden voor eene korte poos opgehouden te draaien; en het groote rad der aarde scheen zonder de schokken en het gerucht van een anderen tijd om te wentelen.Zij wandelden voort, over velden en door beschaduwde lanen, somtijds over een stuk van een hek stappende, zoo verrot dat het brak als de voet er tegen aanstiet, somtijds een hoop met gras begroeide steenen en balken voorbijgaande, die de plaats van een verlaten werk kenmerkten. Zij volgden paden en sporen, hoe gering zij ook waren. Kleine hoogten, waarop het gras welig groeide en distels, netelen en dergelijke planten waren opgeschoten, vermeden zij steeds; want akelige histories werden in die streek verteld van oude mijnputten, die onder zulke kenteekenen verborgen waren.De zon was hoog geklommen, toen zij gingen zitten om te rusten. Zij hadden in langen tijd geen mensch van nabij of van verre gezien, en de eenzaamheid bleef nog ongestoord. „Het is hier zoo stil, Rachel, en het pad schijnt zoo weinig begaan, dat ik geloof dat wij de eersten zijn, die den geheelen zomer hier zijn gekomen.”Toen Sissy dit zeide, viel haar weder een stuk van een verrot hek in het oog, dat op den grond lag. Zij stond op om er naar te kijken.„En toch weet ik het niet,” zeide zij. „Dit is nog niet heel lang geleden afgebroken. Het hout is nog versch gesplinterd. En hier zijn ook voetstappen.—O, Rachel!”Zij kwam terugloopen en greep haar om den hals. Rachel was reeds opgesprongen.„Wat is er?”„Ik weet het niet. Daar ligt een hoed in het gras.”Zij gingen te zamen vooruit, Rachel die van het hoofd tot de voeten beefde, nam den hoed op. Zij barstte in tranen en jammerklachten uit. Stephen Blackpool had met zijne eigene hand zijn naam in den hoed geschreven.„O, de arme man, de arme man! Men heeft hem van kant geholpen. Hij ligt hier vermoord.”„Is er—is er bloed aan?” bracht Sissy stamelend uit.Zij waren bang om er naar te zien, maar bezichtigden den hoed toch en vonden geen spoor van geweld. De hoed had daar eenige dagen gelegen, want hij was door den regen en den dauw verkleurd en had een indruk van zijn vorm op het gras gelaten. Zij zagen vreesachtig rond, zonder zich te bewegen, maar konden niets meer ontdekken.„Rachel,” fluisterde Sissy, „ik zal alleen wat verder gaan.”Zij had hare hand losgelaten en wilde juist een stap voorwaarts doen, toen Rachel haar met een gil in beide armen greep. Vóór haar, vlak voor hare voeten, was de afgebrokkelde kant eener zwarte diepte, door het dichte gras verborgen. Zij deinsden terug, vielen op de knieën en verborgen beiden haar gezicht aan elkanders hals.„O goede God! Hij is daar beneden! Daar beneden!” In het eerst was dit akelig gegil alles, wat men door tranen, gebeden, vermaningen, door welke poging ook, van Rachel kon bekomen. Het was onmogelijk haar tot bedaren te brengen; en het was toch noodzakelijk dit te doen; het was noodzakelijk haar vast te houden of zij zou zich in de diepte hebben geworpen.„Rachel, lieve Rachel, goede Rachel, om ’s Hemels wil, houd op met dat schrikkelijke geschreeuw! Denk aan Stephen, denk aan Stephen, denk aan Stephen!”Door eene ernstige herhaling dezer bede, met al den angst van zulk een oogenblik ontboezemd, bracht Sissy haar eindelijk tot stilte, en nu zag de ongelukkige haar aan zonder tranen en met een gezicht, dat in steen scheen veranderd te zijn.„Rachel, Stephen kan nog leven. Gij wilt hemtoch geen oogenblik langer hulpeloos op den grond van dien akeligen put laten liggen, als gij hem hulp kunt bezorgen!”„Neen, neen, neen!”„Ga dan om zijnentwil niet hier vandaan. Laat ik gaan luisteren.”Zij huiverde om den put te naderen, maar zij kroop er op handen en knieën naar toe en riep hem zoo hard zij roepen kon. Zij luisterde, maar geen geluid gaf haar antwoord. Wederom riep en luisterde zij; nog geen geluid. Zij deed dit twintig-, dertigmaal. Zij nam eene kluit aarde van den afgebrokkelden grond, waar hij gestruikeld was, en wierp dien in de opening. Zij kon niets hooren vallen.Het ruime uitzicht, waarvan de stilte weinige minuten geleden zoo bekoorlijk was, vervulde haar moedig hart bijna met wanhoop, toen zij opstond, overal rondkeek en geene hulp zag.„Rachel, wij moeten geen oogenblik verliezen. Wij moeten in verschillende richtingen hulp gaan zoeken. Neem gij den weg dien wij gekomen zijn; ik zal langs dit pad verder gaan. Zeg iedereen, wien gij ontmoet, wat er gebeurd is. Denk aan Stephen, denk aan Stephen!”Zij zag aan Rachel’s gezicht, dat zij haar nu kon vertrouwen. Nadat zij eene poos was blijven staan om haar na te zien, terwijl zij haastig voortstapte en al voortstappende hare handen wrong, keerde zij zich om en begon zelve haar tocht om hulp te zoeken. Bij de heg bleef zij even staan en bond haar doek daaraan vast, om de plek te herkennen; toen wierp zij haar hoed op zijde en liep gelijk zij nog nooit had geloopen.Loop, Sissy, loop, in ’s Hemels naam! Sta niet stil om adem te halen! Loop, loop voort! Zich zelve aansporende, door zulk een biddend roepen in hare gedachten te houden, liep zij van veld tot veld, en van laan tot laan, en van plek tot plek, gelijk zij nog nooit geloopen had, tot zij bij een afdakje aan een machinengebouw kwam, waar twee mannen in de schaduw lagen te slapen.Hen eerst te wekken, en daarna te zeggen, overspannen en ademloos als zij was, wat haar daar gebracht had, had vrij wat moeielijkheden in; maar niet zoodra begrepen zij haar, of zij waren even vol ijver als zij. Een van die mannen lag in den doffen slaap der dronkenschap, maar toen zijn makker hem toeschreeuwde, dat er iemand in de Oude Helschacht was gevallen, snelde hij heen naar een plas vuil water, dompelde zijn hoofd daarin en kwam nuchter terug.Met deze twee mannen liep zij naar een ander, een halve mijl verder, en met dezen weder naar een ander, terwijl de eerste twee elders heen liepen. Toen werd er een paard gevonden, en kreeg zij een ander man, om op leven of dood naar den spoorweg te rijden, en zond zij eene boodschap aan Louisa, die zij opschreef en hem medegaf. Tegen dien tijd was er een geheel dorp op de been; en windassen, touwen, staken, emmers, kaarsen, lantarens en alle benoodigdheden werden snel bijeengehaald om naar de Oude Helschacht gebracht te worden.Het scheen nu uren geleden sedert zij den verlorene verlaten had in het graf, waar hij levend begraven lag. Zij kon niet langer van hem vandaan blijven—het was alsof zij hem aan zijn lot overliet—en zij haastte zich terug, vergezeld door een zestal arbeiders, waaronder de dronken man, die door het nieuws nuchter was geworden en die de knapste en ijverigste van allen was. Toen zij aan de Oude Helschacht kwamen, vonden zij die zoo eenzaam als zij haar gelaten had. De arbeiders riepen en luisterden, gelijk zij gedaan had, en bezichtigden den rand van den afgrond, en beredeneerden hoe het gebeurd was, en gingen toen zitten wachten, tot de gereedschappen, die zij noodig hadden, gebracht werden.Elk geluid van insekten in de lucht, elk geritsel der bladeren, elk gefluister onder die mannen deed Sissy beven, want dan dacht zij eene stem te vernemen uit den put. Maar de wind woei ledig daarover heen, en geen geluid kwam naar omhoog, en zij zaten te wachten en te wachten. Nadat dit eenigen tijd had geduurd, begonnen er enkele menschen te komen, die van het ongeluk hadden gehoord, en weldra begon men ook de wezenlijke hulp van gereedschappen aan te brengen. Onder dat alles kwam Rachel terug, en in haar gezelschap was een chirurgijn, die wijn en eenige medicijnen medebracht. Doch de verwachting onder de aanwezigen, dat de man nog levend zou gevonden worden, was waarlijk al zeer gering.Dewijl er nu menschen genoeg bijeen waren om het werk te belemmeren, plaatste de nuchter geworden man zich aan het hoofd der anderen, of werd met algemeene bewilliging daaraan geplaatst, en maakte een grooten kring om de Oude Helschacht en stelde eenigen aan om die ruimte vrij te houden. Behalve de vrijwilligers, die voor het werk werden aangenomen, mochten in het eerst alleen Rachel en Sissy binnen den kring komen; maar later op den dag, toen de boodschap van Sissy een expressetrein vanCoketownhad doen afrijden, kwamen mijnheer Gradgrind en Louisa, en mijnheer Bounderby en de hondsvot insgelijks daarbinnen.De zon was vier uren lager gedaald dan toen Sissy en Rachel zich het eerst op het gras neerzetten, voordat men van palen en touwen een toestel had vervaardigd, waarmede twee mannen veilig konden afdalen. Men had bezwaren gehad om dit werktuig samen te stellen, zoo eenvoudig als het was; men had bevonden, dat het aan sommige benoodigdheden ontbrak, enboodschappen hadden heen en weder moeten gaan. Het was vijf ure in den namiddag van een helderen zondag in den herfst, voordat er eenebrandendekaars werd afgelaten om de lucht te beproeven, terwijl drie of vier grove gezichten zich bij elkander drongen om het licht na te zien, en de mannen aan het windas het touw lieten schieten. De kaars werd flauw brandende weder opgehaald en toen wierp men wat water in de diepte. Daarna werd de emmer aangehaakt; en de nuchter geworden man en een ander stapten met licht daarin, en gaven het woord:„Laat zakken!”IN DEN AVOND VAN DENZELFDEN DAG ZAT LOUISA, GELIJK IN VROEGERE DAGEN...... IN HET VUUR TE STAREN. (Blz. 142).IN DEN AVOND VAN DENZELFDEN DAG ZATLOUISA, GELIJK IN VROEGERE DAGEN...... IN HET VUUR TE STAREN. (Blz. 142).Terwijl het touw, stijf gespannen, afdaalde, en het windas kraakte, was er onder die honderd of tweehonderd mannen en vrouwen niemand, wiens adem ging gelijk die gewoon was te gaan. Het sein werd gegeven, en het windas stond stil, terwijl men nog touw genoeg overhad. Schijnbaar zulk een lange tijd verliep er, terwijl de mannen aan het windas ledig stonden, dat sommige vrouwen begonnen te gillen dat er een nieuw ongeluk gebeurd was. Maar de chirurgijn, die zijn horloge in de hand hield, zeide, dat er nog geen vijf minuten verloopen waren, en vermaande haar op barschen toon zich stil te houden. Hij had nauwelijks uitgesproken, toen het windas weder in beweginggebracht en het touw opgehaald werd. Geoefende oogen zagen, dat het niet zoo zwaar ging alsof beide werklieden werden opgeheschen, en dat er maar één terugkwam.Het touw kwam strak gespannen naar boven; ring op ring wond zich om het windas; en aller oogen waren op den put gevestigd. De nuchter geworden man werd opgehaald en sprong vlug op het gras. Er was een algemeene kreet van „Levend of dood?” en daarop volgde eene diepe stilte.Toen hij „levend!” zeide, ging er een groot gejuich op, en velen kwamen de tranen in de oogen.„Maar hij is heel erg bezeerd,” voegde hij er bij, zoodra hij zich weder kon doen hooren. „Waar is de dokter? Hij is zoo erg bezeerd, mijnheer, dat ik niet weet hoe wij hem zullen ophalen.”Allen hielden te zamen raad en zagen den chirurgijn bekommerd aan, toen hij eenige vragen deed en na het hooren der antwoorden zijn hoofd schudde. De zon ging nu onder, en het roode licht in de avondlucht bescheen alle gezichten, zoodat men hen in al hunne angstige spanning kon onderscheiden.Het beraad eindigde daarmede, dat de lieden naar het windas terugkeerden en de mijnwerker nogmaals afdaalde, thans wat wijn en eenige andere kleinigheden medenemende. Toen kwam de andere man naar boven. Ondertusschen hadden eenige lieden, op last van den chirurgijn, eene horde gehaald, waarop anderen van hunne opperkleederen, met los stroo bedekt, een dik bed maakten, terwijl hij zelf eenige verbanden en windsels van omslagdoeken en zakdoeken vervaardigde. Toen deze gereed waren, werden zij den mijnwerker, die het laatst was bovengekomen, over den arm gehangen, met onderrichtingen hoe ze te gebruiken; en terwijl hij daar stond, in het schijnsel van het licht, dat hij droeg, met zijne forsche ledige hand op een der palen leunende, en nu in den put neerziende, dan in het rond naar de menschen kijkende, was hij vooral niet de minst in het oog loopende gedaante van dit tooneel. Het was nu donker geworden en er werden flambouwen aangestoken.Uit het weinige, dat deze man tot de naaste omstanders zeide en dat spoedig door den geheelen kring verspreid werd, bleek het, dat de verlorene op een hoop aarde was gevallen, die den put half verstopt had, en dat zijn verdere val gebroken was door eenige aan de kanten uitstekende aardkluiten. Hij lag op den rug, met den eenen arm samengevouwen onder zich, en had zich, naar hij zelf geloofde, sedert zijn val nauwelijks bewogen, behalve dat hij zijne vrije hand naar zijn zijzak had gebracht, waarin hij zich herinnerde wat brood en vleesch te hebben (waarvan hij een weinig had gebruikt), en ook met die hand nu en dan wat water had opgeschept. Hij was terstond van zijn werk gekomen, zoodra er om hem geschreven was, en had de geheele reis te voet gedaan; en hij was na den donker op weg naar het buiten van mijnheer Bounderby, toen hij in den put viel. Hij was op dien gevaarlijken tijd deze gevaarlijke streek doorgegaan, omdat hij, in het gevoel zijner onschuld aan hetgeen hem te last werd gelegd, niet rusten kon, of hij moest den naasten weg komen om zich te rechtvaardigen. De Oude Helschacht, zeide de mijnwerker, met een vloek op dien moorddadigen put, was tot het laatste toe haar slechten naam waardig gebleven; want hoewel Stephen nu nog spreken kon. geloofde hij toch dat hij het niet lang meer zou maken.Toen alles gereed was, verdween de man weder in de diepte, nog onder het afdalen de laatste haastige aanwijzingen van den chirurgijn en zijne makkers aannemende. Het touw werd gevierd gelijk te voren, het sein werd weder gegeven, en het windas stond stil. Niemand trok er nu de hand van af. Ieder wachtte met vastgeklemde vuist en reeds naar het werk gebogen lichaam om weder op te winden. Eindelijk werd het sein gegeven, en de geheele kring van omstanders boog zich voorover.Want nu kwam het touw, ten uiterste gespannen, naar het scheen, naar boven; het werk ging zwaar, en het windas piepte en kraakte. Het was bijna onuitstaanbaar naar het touw te zien en te denken, dat het zou kunnen breken. Maar ring op ring werd veilig om het windas gewonden, en de kettingen kwamen te voorschijn, en eindelijk de emmer met de twee mijnwerkers, die zich aan de kanten vasthielden—een gezicht om het hart te beklemmen en het hoofd te doen duizelen—en tusschen hen in, behoedzaam vastgehouden en vastgebonden, de gedaante van een mensch—bijna verbrijzeld.Een zacht gemompel van medelijden liep door de menigte heen, en de vrouwen schreiden hardop, toen deze gedaante, bijna zonder vorm, zeer langzaam uit den ijzeren verlosser werd getild en op het bed van stroo nedergelegd. In het eerst ging niemand dan de chirurgijn er dicht bij. Hij deed wat hij kon om het lichaam in gemakkelijker houding te schikken, maar het beste, wat hij doen kon, was het te bedekken. Toen hij dit met eene zachte hand gedaan had, riep hij Rachel en Sissy. En toen zag men het bleeke, uitgeteerde, geduldige gezicht naar den hemel opzien, terwijl de gekneusde rechterhand bloot op het dek van kleederen lag, als wachtende om door eene andere hand gevat te worden.Zij gaven hem te drinken, bevochtigden zijn gezicht met water, en dienden hem eenige droppels van een opwekkend middel met wijntoe. Hoewel hij geheel roerloos naar de lucht lag te staren, glimlachte hij en zeide: „Rachel!”Zij knielde bij hem op het gras en boog zich over hem heen, tot hare oogen tusschen de zijne en de lucht waren, want hij kon ze zelfs niet verdraaien om naar haar te zien.„Rachel, melieve!”Zij nam zijne hand. Hij glimlachte wederom en zeide: „Laat ze niet los.”„Hebt ge veel pijn, lieve Stephen?”„Die heb ik gehad, maar nu niet meer. Ik heb schrikkelijk erg en lang pijn gehad, lieve—maar het is nu over. Och, Rachel, ’t is alles een warboel! Van het begin tot het einde een warboel!”Eene schim van zijn vroeger uitzicht scheen voorbij te zweven toen hij dit zeide.„Ik ben in den put gevallen, lieve, die, gelijk oude lieden nog heugt, honderden en honderden menschenlevens gekost heeft—vaders, zonen en broeders, dierbaar aan duizenden en duizenden, en die ze voor honger en gebrek bewaarden. Ik ben in den put gevallen, die met zijn vuurdamp wreeder dan een oorlog geweest is. Ik heb er van gelezen in de petitie van de lieden, die in de putten werken, gelijk iedereen ze lezen kan, waarin zij de wettenmakers om Christus’ wil bidden om te maken dat hun werk hen toch niet vermoorden zal, maar hen te sparen voor de vrouwen en kinderen, die zij even liefhebben als voorname lieden de hunne hebben. Toen die put bewerkt werd, bracht hij buiten noodzaak vele menschen om het leven, en nu hij verlaten is, doet hij dat nog. Zie hoe wij altijd buiten noodzaak sterven, op de eene of de andere manier—altijd in een warboel.”Hij zeide dit met eene flauwe stem, zonder eenige gramschap tegen iemand—alleen als eene waarheid.„Uw zusje, Rachel—gij hebt haar niet vergeten. Het is niet denkelijk, dat gij haar nu vergeten zult, nu ik zoo dicht bij haar ben. Gij weet—dat arme, geduldige, lieve kind—hoe gij voor haar gewerkt hebt, toen zij den geheelen dag op haar stoeltje voor het venster zat, en hoe zij stierf, jong en mismaakt, ondermijnd door die ongezonde lucht, die er niet behoefde te zijn, en de ellendige woningen, die de werklieden hebben. Een warboel! Alles een warboel!”Louisa naderde hem, maar hij kon haar niet zien, daar zijn gezicht naar de donkere nachtlucht omhoog gekeerd was.„Als alle dingen, die ons aangaan, lieve, niet zoo in de war lagen, had ik niet hier behoeven te komen. Als wij onder ons zelven niet in een warboel zaten, zouden mijne eigene makkers mij niet zoo verkeerd beoordeeld hebben. Als mijnheer Bounderby mij ooit recht gekend had—als hij mij ooit eenigszins gekend had—zou hij zich niet boos op mij gemaakt hebben. Dan zou hij mij niet verdacht hebben. Maar zie daar omhoog, Rachel! Zie daar boven!”Zijne oogen volgende, zag zij, dat hij naar eene ster tuurde.„Die heeft mij beschenen,” zeide hij eerbiedig, „in mijne pijn en mijn nood daar beneden. Zij heeft in mijn gemoed geschenen. Ik heb naar haar opgezien en aan u gedacht, Rachel, tot de warboel in mijn geest is opgeruimd, meer dan een weinigje, hoop ik. Als sommigen gedwaald hebben door mij niet beter te verstaan, heb ik ook gedwaald door hen niet beter te verstaan. Toen ik uw brief kreeg, geloofde ik terstond, dat wat de jonge mevrouw tegen mij gezegd en gedaan had, eenerlei was, en dat er een goddeloos komplot tusschen hen bestond. Toen ik viel, was ik kwaad op haar, en haastte ik mij voort, om zoo onbillijk voor haar te zijn als anderen voor mij geweest waren. Maar in ons oordeel, evenals in ons doen, moeten wij dragen en verdragen. In mijne pijn en mijn nood daarheen opziende—terwijl zij mij bescheen—heb ik alles duidelijker ingezien, en heb het tot mijn stervend gebed gemaakt, dat de geheele wereld dichter tot elkander mocht komen en elkander beter mocht leeren verstaan, dan toen ik zwakke man er nog in was.”Toen Louisa hoorde wat hij zeide, boog zij zich over hem heen, aan den kant tegenover Rachel, zoodat hij haar kon zien.„Gij hebt het gehoord?” zeide hij na eene korte poos van stilte. „Ik heb u niet vergeten, mevrouw.”„Ja, Stephen, ik heb u gehoord, en uw gebed is het mijne.”„Gij hebt een vader. Wilt gij een paar woorden van mij aan hem overbrengen?”„Hij is hier,” zeide Louisa met angst. „Zal ik hem bij u brengen?”„Als het u belieft.”Louisa kwam met haar vader terug. Hand in hand zagen beiden neer op het ernstige gelaat des lijders.„Mijnheer, gij zult mij zuiveren en mijn naam weder goed maken bij alle menschen. Dit laat ik aan u over.”Mijnheer Gradgrind ontstelde en vroeg hoe.„Mijnheer,” was het antwoord, „uw zoon zal u zeggen hoe. Vraag het hem. Ik beschuldig niemand; ik zeg er niets bij, geen enkel woord. Ik heb uw zoon op zekeren avond gezien en gesproken. Ik vraag niet meer dan dit: zuiver gij mij van de beschuldiging—en ik vertrouw, dat gij het doen zult.”Daar de dragers nu gereed waren om hem op te nemen en de chirurgijn verlangde, dat hij zoo spoedig mogelijk vervoerd werd, plaatsten zij, die flambouwen of lantarens hadden, zich voor de draagbaar. Eer die werd opgenomen, en terwijl men schikkingen maakte hoe men gaan zou, zeide hij tot Rachel, terwijl hij naar de ster omhoog zag:„Dikwijls, als ik bij mij zelven kwam en haar mij zag beschijnen in mijn nood, dacht ik dat zij de ster was, die den weg wees naar het huis van onzen Zaligmaker. Ik denk haast, dat het dezelfde ster moet wezen.”Zij namen hem nu op en hij verheugde zich dat men hem wegdroeg in de richting welke die ster scheen aan te wijzen.„Rachel, bemind meisje! Laat mijne hand niet los. Dezen avond mogen wij wel samen gaan, lieve!”„Ik zal uwe hand vasthouden en naast u blijven, Stephen, den geheelen weg.”„God zegene u! Wil iemand zoo goed zijn om mijn gezicht toe te dekken?”Zij droegen hem zeer behoedzaam de velden door en de lanen langs, door de uitgestrekte vlakte; en Rachel hield steeds die hand in de hare. Zeer weinige gefluisterde woorden stoorden de treurige stilte. Spoedig was het een lijkstoet. De ster had hem gewezen waar den God der armen te vinden; en door nederigheid, droefheid en vergevensgezindheid was hij ingegaan tot de rust van zijn Verlosser.
Do zondag was een heldere herfstdag, frisch en koel, toen Sissy en Rachel in den vroegen morgen, bij elkander kwamen om eene wandeling over het veld te doen.
DaarCoketownstof en asch strooide, niet alleen op zijn eigen hoofd, maar ook op den geheelen omtrek—op de manier van die vrome lieden, die voor hunne eigene zonden boete doen door anderen in zakken te kleeden—waren zij, die nu en dan naar een teugje zuivere lucht dorstten (hetgeen niet volstrekt onder de goddelooze ijdelheden des levens behoort), op dien dag gewoon zich eenige mijlen ver over den spoorweg te laten brengen en dan hunne wandeling door het veld te beginnen. Sissy en Rachel hielpen zich op de gebruikelijke manier uit den rook, en werden bij een station omtrent halverwege tusschen de stad en het buiten van mijnheer Bounderby afgezet.
Hoewel het groene landschap hier en daar met hoopen steenkool was bevlekt, was het elders toch groen, en waren er boomen te zien, en hoorde men leeuweriken zingen (hoewel het zondag was) en waren er aangename geuren in de lucht, en werd alles overwelfd door eene heldere blauwe lucht. Aan den eenen kant vertoonde zichCoketownin het verschiet gelijk een zwarte damp; in een ander verschiet begonnen er heuvelen op te rijzen; in een derde was er eene flauwe verandering in het licht langs den gezichteinder, waar het de afgelegene zee bescheen. Onder de voeten der wandelaarsters was het gras frisch; sierlijke schaduwen van takken speelden flikkerend daaroverheen; de heggen stonden weelderig; alles was vrede.
De machines boven de monden vanmijnschachten, en de oude magere paarden, die door hun dagelijkschen arbeid een kring in den grond hadden getrapt, waren beiden in rust; de raderen hadden voor eene korte poos opgehouden te draaien; en het groote rad der aarde scheen zonder de schokken en het gerucht van een anderen tijd om te wentelen.
Zij wandelden voort, over velden en door beschaduwde lanen, somtijds over een stuk van een hek stappende, zoo verrot dat het brak als de voet er tegen aanstiet, somtijds een hoop met gras begroeide steenen en balken voorbijgaande, die de plaats van een verlaten werk kenmerkten. Zij volgden paden en sporen, hoe gering zij ook waren. Kleine hoogten, waarop het gras welig groeide en distels, netelen en dergelijke planten waren opgeschoten, vermeden zij steeds; want akelige histories werden in die streek verteld van oude mijnputten, die onder zulke kenteekenen verborgen waren.
De zon was hoog geklommen, toen zij gingen zitten om te rusten. Zij hadden in langen tijd geen mensch van nabij of van verre gezien, en de eenzaamheid bleef nog ongestoord. „Het is hier zoo stil, Rachel, en het pad schijnt zoo weinig begaan, dat ik geloof dat wij de eersten zijn, die den geheelen zomer hier zijn gekomen.”
Toen Sissy dit zeide, viel haar weder een stuk van een verrot hek in het oog, dat op den grond lag. Zij stond op om er naar te kijken.
„En toch weet ik het niet,” zeide zij. „Dit is nog niet heel lang geleden afgebroken. Het hout is nog versch gesplinterd. En hier zijn ook voetstappen.—O, Rachel!”
Zij kwam terugloopen en greep haar om den hals. Rachel was reeds opgesprongen.
„Wat is er?”
„Ik weet het niet. Daar ligt een hoed in het gras.”
Zij gingen te zamen vooruit, Rachel die van het hoofd tot de voeten beefde, nam den hoed op. Zij barstte in tranen en jammerklachten uit. Stephen Blackpool had met zijne eigene hand zijn naam in den hoed geschreven.
„O, de arme man, de arme man! Men heeft hem van kant geholpen. Hij ligt hier vermoord.”
„Is er—is er bloed aan?” bracht Sissy stamelend uit.
Zij waren bang om er naar te zien, maar bezichtigden den hoed toch en vonden geen spoor van geweld. De hoed had daar eenige dagen gelegen, want hij was door den regen en den dauw verkleurd en had een indruk van zijn vorm op het gras gelaten. Zij zagen vreesachtig rond, zonder zich te bewegen, maar konden niets meer ontdekken.
„Rachel,” fluisterde Sissy, „ik zal alleen wat verder gaan.”
Zij had hare hand losgelaten en wilde juist een stap voorwaarts doen, toen Rachel haar met een gil in beide armen greep. Vóór haar, vlak voor hare voeten, was de afgebrokkelde kant eener zwarte diepte, door het dichte gras verborgen. Zij deinsden terug, vielen op de knieën en verborgen beiden haar gezicht aan elkanders hals.
„O goede God! Hij is daar beneden! Daar beneden!” In het eerst was dit akelig gegil alles, wat men door tranen, gebeden, vermaningen, door welke poging ook, van Rachel kon bekomen. Het was onmogelijk haar tot bedaren te brengen; en het was toch noodzakelijk dit te doen; het was noodzakelijk haar vast te houden of zij zou zich in de diepte hebben geworpen.
„Rachel, lieve Rachel, goede Rachel, om ’s Hemels wil, houd op met dat schrikkelijke geschreeuw! Denk aan Stephen, denk aan Stephen, denk aan Stephen!”
Door eene ernstige herhaling dezer bede, met al den angst van zulk een oogenblik ontboezemd, bracht Sissy haar eindelijk tot stilte, en nu zag de ongelukkige haar aan zonder tranen en met een gezicht, dat in steen scheen veranderd te zijn.
„Rachel, Stephen kan nog leven. Gij wilt hemtoch geen oogenblik langer hulpeloos op den grond van dien akeligen put laten liggen, als gij hem hulp kunt bezorgen!”
„Neen, neen, neen!”
„Ga dan om zijnentwil niet hier vandaan. Laat ik gaan luisteren.”
Zij huiverde om den put te naderen, maar zij kroop er op handen en knieën naar toe en riep hem zoo hard zij roepen kon. Zij luisterde, maar geen geluid gaf haar antwoord. Wederom riep en luisterde zij; nog geen geluid. Zij deed dit twintig-, dertigmaal. Zij nam eene kluit aarde van den afgebrokkelden grond, waar hij gestruikeld was, en wierp dien in de opening. Zij kon niets hooren vallen.
Het ruime uitzicht, waarvan de stilte weinige minuten geleden zoo bekoorlijk was, vervulde haar moedig hart bijna met wanhoop, toen zij opstond, overal rondkeek en geene hulp zag.
„Rachel, wij moeten geen oogenblik verliezen. Wij moeten in verschillende richtingen hulp gaan zoeken. Neem gij den weg dien wij gekomen zijn; ik zal langs dit pad verder gaan. Zeg iedereen, wien gij ontmoet, wat er gebeurd is. Denk aan Stephen, denk aan Stephen!”
Zij zag aan Rachel’s gezicht, dat zij haar nu kon vertrouwen. Nadat zij eene poos was blijven staan om haar na te zien, terwijl zij haastig voortstapte en al voortstappende hare handen wrong, keerde zij zich om en begon zelve haar tocht om hulp te zoeken. Bij de heg bleef zij even staan en bond haar doek daaraan vast, om de plek te herkennen; toen wierp zij haar hoed op zijde en liep gelijk zij nog nooit had geloopen.
Loop, Sissy, loop, in ’s Hemels naam! Sta niet stil om adem te halen! Loop, loop voort! Zich zelve aansporende, door zulk een biddend roepen in hare gedachten te houden, liep zij van veld tot veld, en van laan tot laan, en van plek tot plek, gelijk zij nog nooit geloopen had, tot zij bij een afdakje aan een machinengebouw kwam, waar twee mannen in de schaduw lagen te slapen.
Hen eerst te wekken, en daarna te zeggen, overspannen en ademloos als zij was, wat haar daar gebracht had, had vrij wat moeielijkheden in; maar niet zoodra begrepen zij haar, of zij waren even vol ijver als zij. Een van die mannen lag in den doffen slaap der dronkenschap, maar toen zijn makker hem toeschreeuwde, dat er iemand in de Oude Helschacht was gevallen, snelde hij heen naar een plas vuil water, dompelde zijn hoofd daarin en kwam nuchter terug.
Met deze twee mannen liep zij naar een ander, een halve mijl verder, en met dezen weder naar een ander, terwijl de eerste twee elders heen liepen. Toen werd er een paard gevonden, en kreeg zij een ander man, om op leven of dood naar den spoorweg te rijden, en zond zij eene boodschap aan Louisa, die zij opschreef en hem medegaf. Tegen dien tijd was er een geheel dorp op de been; en windassen, touwen, staken, emmers, kaarsen, lantarens en alle benoodigdheden werden snel bijeengehaald om naar de Oude Helschacht gebracht te worden.
Het scheen nu uren geleden sedert zij den verlorene verlaten had in het graf, waar hij levend begraven lag. Zij kon niet langer van hem vandaan blijven—het was alsof zij hem aan zijn lot overliet—en zij haastte zich terug, vergezeld door een zestal arbeiders, waaronder de dronken man, die door het nieuws nuchter was geworden en die de knapste en ijverigste van allen was. Toen zij aan de Oude Helschacht kwamen, vonden zij die zoo eenzaam als zij haar gelaten had. De arbeiders riepen en luisterden, gelijk zij gedaan had, en bezichtigden den rand van den afgrond, en beredeneerden hoe het gebeurd was, en gingen toen zitten wachten, tot de gereedschappen, die zij noodig hadden, gebracht werden.
Elk geluid van insekten in de lucht, elk geritsel der bladeren, elk gefluister onder die mannen deed Sissy beven, want dan dacht zij eene stem te vernemen uit den put. Maar de wind woei ledig daarover heen, en geen geluid kwam naar omhoog, en zij zaten te wachten en te wachten. Nadat dit eenigen tijd had geduurd, begonnen er enkele menschen te komen, die van het ongeluk hadden gehoord, en weldra begon men ook de wezenlijke hulp van gereedschappen aan te brengen. Onder dat alles kwam Rachel terug, en in haar gezelschap was een chirurgijn, die wijn en eenige medicijnen medebracht. Doch de verwachting onder de aanwezigen, dat de man nog levend zou gevonden worden, was waarlijk al zeer gering.
Dewijl er nu menschen genoeg bijeen waren om het werk te belemmeren, plaatste de nuchter geworden man zich aan het hoofd der anderen, of werd met algemeene bewilliging daaraan geplaatst, en maakte een grooten kring om de Oude Helschacht en stelde eenigen aan om die ruimte vrij te houden. Behalve de vrijwilligers, die voor het werk werden aangenomen, mochten in het eerst alleen Rachel en Sissy binnen den kring komen; maar later op den dag, toen de boodschap van Sissy een expressetrein vanCoketownhad doen afrijden, kwamen mijnheer Gradgrind en Louisa, en mijnheer Bounderby en de hondsvot insgelijks daarbinnen.
De zon was vier uren lager gedaald dan toen Sissy en Rachel zich het eerst op het gras neerzetten, voordat men van palen en touwen een toestel had vervaardigd, waarmede twee mannen veilig konden afdalen. Men had bezwaren gehad om dit werktuig samen te stellen, zoo eenvoudig als het was; men had bevonden, dat het aan sommige benoodigdheden ontbrak, enboodschappen hadden heen en weder moeten gaan. Het was vijf ure in den namiddag van een helderen zondag in den herfst, voordat er eenebrandendekaars werd afgelaten om de lucht te beproeven, terwijl drie of vier grove gezichten zich bij elkander drongen om het licht na te zien, en de mannen aan het windas het touw lieten schieten. De kaars werd flauw brandende weder opgehaald en toen wierp men wat water in de diepte. Daarna werd de emmer aangehaakt; en de nuchter geworden man en een ander stapten met licht daarin, en gaven het woord:„Laat zakken!”
IN DEN AVOND VAN DENZELFDEN DAG ZAT LOUISA, GELIJK IN VROEGERE DAGEN...... IN HET VUUR TE STAREN. (Blz. 142).IN DEN AVOND VAN DENZELFDEN DAG ZATLOUISA, GELIJK IN VROEGERE DAGEN...... IN HET VUUR TE STAREN. (Blz. 142).
IN DEN AVOND VAN DENZELFDEN DAG ZATLOUISA, GELIJK IN VROEGERE DAGEN...... IN HET VUUR TE STAREN. (Blz. 142).
Terwijl het touw, stijf gespannen, afdaalde, en het windas kraakte, was er onder die honderd of tweehonderd mannen en vrouwen niemand, wiens adem ging gelijk die gewoon was te gaan. Het sein werd gegeven, en het windas stond stil, terwijl men nog touw genoeg overhad. Schijnbaar zulk een lange tijd verliep er, terwijl de mannen aan het windas ledig stonden, dat sommige vrouwen begonnen te gillen dat er een nieuw ongeluk gebeurd was. Maar de chirurgijn, die zijn horloge in de hand hield, zeide, dat er nog geen vijf minuten verloopen waren, en vermaande haar op barschen toon zich stil te houden. Hij had nauwelijks uitgesproken, toen het windas weder in beweginggebracht en het touw opgehaald werd. Geoefende oogen zagen, dat het niet zoo zwaar ging alsof beide werklieden werden opgeheschen, en dat er maar één terugkwam.
Het touw kwam strak gespannen naar boven; ring op ring wond zich om het windas; en aller oogen waren op den put gevestigd. De nuchter geworden man werd opgehaald en sprong vlug op het gras. Er was een algemeene kreet van „Levend of dood?” en daarop volgde eene diepe stilte.
Toen hij „levend!” zeide, ging er een groot gejuich op, en velen kwamen de tranen in de oogen.
„Maar hij is heel erg bezeerd,” voegde hij er bij, zoodra hij zich weder kon doen hooren. „Waar is de dokter? Hij is zoo erg bezeerd, mijnheer, dat ik niet weet hoe wij hem zullen ophalen.”
Allen hielden te zamen raad en zagen den chirurgijn bekommerd aan, toen hij eenige vragen deed en na het hooren der antwoorden zijn hoofd schudde. De zon ging nu onder, en het roode licht in de avondlucht bescheen alle gezichten, zoodat men hen in al hunne angstige spanning kon onderscheiden.
Het beraad eindigde daarmede, dat de lieden naar het windas terugkeerden en de mijnwerker nogmaals afdaalde, thans wat wijn en eenige andere kleinigheden medenemende. Toen kwam de andere man naar boven. Ondertusschen hadden eenige lieden, op last van den chirurgijn, eene horde gehaald, waarop anderen van hunne opperkleederen, met los stroo bedekt, een dik bed maakten, terwijl hij zelf eenige verbanden en windsels van omslagdoeken en zakdoeken vervaardigde. Toen deze gereed waren, werden zij den mijnwerker, die het laatst was bovengekomen, over den arm gehangen, met onderrichtingen hoe ze te gebruiken; en terwijl hij daar stond, in het schijnsel van het licht, dat hij droeg, met zijne forsche ledige hand op een der palen leunende, en nu in den put neerziende, dan in het rond naar de menschen kijkende, was hij vooral niet de minst in het oog loopende gedaante van dit tooneel. Het was nu donker geworden en er werden flambouwen aangestoken.
Uit het weinige, dat deze man tot de naaste omstanders zeide en dat spoedig door den geheelen kring verspreid werd, bleek het, dat de verlorene op een hoop aarde was gevallen, die den put half verstopt had, en dat zijn verdere val gebroken was door eenige aan de kanten uitstekende aardkluiten. Hij lag op den rug, met den eenen arm samengevouwen onder zich, en had zich, naar hij zelf geloofde, sedert zijn val nauwelijks bewogen, behalve dat hij zijne vrije hand naar zijn zijzak had gebracht, waarin hij zich herinnerde wat brood en vleesch te hebben (waarvan hij een weinig had gebruikt), en ook met die hand nu en dan wat water had opgeschept. Hij was terstond van zijn werk gekomen, zoodra er om hem geschreven was, en had de geheele reis te voet gedaan; en hij was na den donker op weg naar het buiten van mijnheer Bounderby, toen hij in den put viel. Hij was op dien gevaarlijken tijd deze gevaarlijke streek doorgegaan, omdat hij, in het gevoel zijner onschuld aan hetgeen hem te last werd gelegd, niet rusten kon, of hij moest den naasten weg komen om zich te rechtvaardigen. De Oude Helschacht, zeide de mijnwerker, met een vloek op dien moorddadigen put, was tot het laatste toe haar slechten naam waardig gebleven; want hoewel Stephen nu nog spreken kon. geloofde hij toch dat hij het niet lang meer zou maken.
Toen alles gereed was, verdween de man weder in de diepte, nog onder het afdalen de laatste haastige aanwijzingen van den chirurgijn en zijne makkers aannemende. Het touw werd gevierd gelijk te voren, het sein werd weder gegeven, en het windas stond stil. Niemand trok er nu de hand van af. Ieder wachtte met vastgeklemde vuist en reeds naar het werk gebogen lichaam om weder op te winden. Eindelijk werd het sein gegeven, en de geheele kring van omstanders boog zich voorover.
Want nu kwam het touw, ten uiterste gespannen, naar het scheen, naar boven; het werk ging zwaar, en het windas piepte en kraakte. Het was bijna onuitstaanbaar naar het touw te zien en te denken, dat het zou kunnen breken. Maar ring op ring werd veilig om het windas gewonden, en de kettingen kwamen te voorschijn, en eindelijk de emmer met de twee mijnwerkers, die zich aan de kanten vasthielden—een gezicht om het hart te beklemmen en het hoofd te doen duizelen—en tusschen hen in, behoedzaam vastgehouden en vastgebonden, de gedaante van een mensch—bijna verbrijzeld.
Een zacht gemompel van medelijden liep door de menigte heen, en de vrouwen schreiden hardop, toen deze gedaante, bijna zonder vorm, zeer langzaam uit den ijzeren verlosser werd getild en op het bed van stroo nedergelegd. In het eerst ging niemand dan de chirurgijn er dicht bij. Hij deed wat hij kon om het lichaam in gemakkelijker houding te schikken, maar het beste, wat hij doen kon, was het te bedekken. Toen hij dit met eene zachte hand gedaan had, riep hij Rachel en Sissy. En toen zag men het bleeke, uitgeteerde, geduldige gezicht naar den hemel opzien, terwijl de gekneusde rechterhand bloot op het dek van kleederen lag, als wachtende om door eene andere hand gevat te worden.
Zij gaven hem te drinken, bevochtigden zijn gezicht met water, en dienden hem eenige droppels van een opwekkend middel met wijntoe. Hoewel hij geheel roerloos naar de lucht lag te staren, glimlachte hij en zeide: „Rachel!”
Zij knielde bij hem op het gras en boog zich over hem heen, tot hare oogen tusschen de zijne en de lucht waren, want hij kon ze zelfs niet verdraaien om naar haar te zien.
„Rachel, melieve!”
Zij nam zijne hand. Hij glimlachte wederom en zeide: „Laat ze niet los.”
„Hebt ge veel pijn, lieve Stephen?”
„Die heb ik gehad, maar nu niet meer. Ik heb schrikkelijk erg en lang pijn gehad, lieve—maar het is nu over. Och, Rachel, ’t is alles een warboel! Van het begin tot het einde een warboel!”
Eene schim van zijn vroeger uitzicht scheen voorbij te zweven toen hij dit zeide.
„Ik ben in den put gevallen, lieve, die, gelijk oude lieden nog heugt, honderden en honderden menschenlevens gekost heeft—vaders, zonen en broeders, dierbaar aan duizenden en duizenden, en die ze voor honger en gebrek bewaarden. Ik ben in den put gevallen, die met zijn vuurdamp wreeder dan een oorlog geweest is. Ik heb er van gelezen in de petitie van de lieden, die in de putten werken, gelijk iedereen ze lezen kan, waarin zij de wettenmakers om Christus’ wil bidden om te maken dat hun werk hen toch niet vermoorden zal, maar hen te sparen voor de vrouwen en kinderen, die zij even liefhebben als voorname lieden de hunne hebben. Toen die put bewerkt werd, bracht hij buiten noodzaak vele menschen om het leven, en nu hij verlaten is, doet hij dat nog. Zie hoe wij altijd buiten noodzaak sterven, op de eene of de andere manier—altijd in een warboel.”
Hij zeide dit met eene flauwe stem, zonder eenige gramschap tegen iemand—alleen als eene waarheid.
„Uw zusje, Rachel—gij hebt haar niet vergeten. Het is niet denkelijk, dat gij haar nu vergeten zult, nu ik zoo dicht bij haar ben. Gij weet—dat arme, geduldige, lieve kind—hoe gij voor haar gewerkt hebt, toen zij den geheelen dag op haar stoeltje voor het venster zat, en hoe zij stierf, jong en mismaakt, ondermijnd door die ongezonde lucht, die er niet behoefde te zijn, en de ellendige woningen, die de werklieden hebben. Een warboel! Alles een warboel!”
Louisa naderde hem, maar hij kon haar niet zien, daar zijn gezicht naar de donkere nachtlucht omhoog gekeerd was.
„Als alle dingen, die ons aangaan, lieve, niet zoo in de war lagen, had ik niet hier behoeven te komen. Als wij onder ons zelven niet in een warboel zaten, zouden mijne eigene makkers mij niet zoo verkeerd beoordeeld hebben. Als mijnheer Bounderby mij ooit recht gekend had—als hij mij ooit eenigszins gekend had—zou hij zich niet boos op mij gemaakt hebben. Dan zou hij mij niet verdacht hebben. Maar zie daar omhoog, Rachel! Zie daar boven!”
Zijne oogen volgende, zag zij, dat hij naar eene ster tuurde.
„Die heeft mij beschenen,” zeide hij eerbiedig, „in mijne pijn en mijn nood daar beneden. Zij heeft in mijn gemoed geschenen. Ik heb naar haar opgezien en aan u gedacht, Rachel, tot de warboel in mijn geest is opgeruimd, meer dan een weinigje, hoop ik. Als sommigen gedwaald hebben door mij niet beter te verstaan, heb ik ook gedwaald door hen niet beter te verstaan. Toen ik uw brief kreeg, geloofde ik terstond, dat wat de jonge mevrouw tegen mij gezegd en gedaan had, eenerlei was, en dat er een goddeloos komplot tusschen hen bestond. Toen ik viel, was ik kwaad op haar, en haastte ik mij voort, om zoo onbillijk voor haar te zijn als anderen voor mij geweest waren. Maar in ons oordeel, evenals in ons doen, moeten wij dragen en verdragen. In mijne pijn en mijn nood daarheen opziende—terwijl zij mij bescheen—heb ik alles duidelijker ingezien, en heb het tot mijn stervend gebed gemaakt, dat de geheele wereld dichter tot elkander mocht komen en elkander beter mocht leeren verstaan, dan toen ik zwakke man er nog in was.”
Toen Louisa hoorde wat hij zeide, boog zij zich over hem heen, aan den kant tegenover Rachel, zoodat hij haar kon zien.
„Gij hebt het gehoord?” zeide hij na eene korte poos van stilte. „Ik heb u niet vergeten, mevrouw.”
„Ja, Stephen, ik heb u gehoord, en uw gebed is het mijne.”
„Gij hebt een vader. Wilt gij een paar woorden van mij aan hem overbrengen?”
„Hij is hier,” zeide Louisa met angst. „Zal ik hem bij u brengen?”
„Als het u belieft.”
Louisa kwam met haar vader terug. Hand in hand zagen beiden neer op het ernstige gelaat des lijders.
„Mijnheer, gij zult mij zuiveren en mijn naam weder goed maken bij alle menschen. Dit laat ik aan u over.”
Mijnheer Gradgrind ontstelde en vroeg hoe.
„Mijnheer,” was het antwoord, „uw zoon zal u zeggen hoe. Vraag het hem. Ik beschuldig niemand; ik zeg er niets bij, geen enkel woord. Ik heb uw zoon op zekeren avond gezien en gesproken. Ik vraag niet meer dan dit: zuiver gij mij van de beschuldiging—en ik vertrouw, dat gij het doen zult.”
Daar de dragers nu gereed waren om hem op te nemen en de chirurgijn verlangde, dat hij zoo spoedig mogelijk vervoerd werd, plaatsten zij, die flambouwen of lantarens hadden, zich voor de draagbaar. Eer die werd opgenomen, en terwijl men schikkingen maakte hoe men gaan zou, zeide hij tot Rachel, terwijl hij naar de ster omhoog zag:
„Dikwijls, als ik bij mij zelven kwam en haar mij zag beschijnen in mijn nood, dacht ik dat zij de ster was, die den weg wees naar het huis van onzen Zaligmaker. Ik denk haast, dat het dezelfde ster moet wezen.”
Zij namen hem nu op en hij verheugde zich dat men hem wegdroeg in de richting welke die ster scheen aan te wijzen.
„Rachel, bemind meisje! Laat mijne hand niet los. Dezen avond mogen wij wel samen gaan, lieve!”
„Ik zal uwe hand vasthouden en naast u blijven, Stephen, den geheelen weg.”
„God zegene u! Wil iemand zoo goed zijn om mijn gezicht toe te dekken?”
Zij droegen hem zeer behoedzaam de velden door en de lanen langs, door de uitgestrekte vlakte; en Rachel hield steeds die hand in de hare. Zeer weinige gefluisterde woorden stoorden de treurige stilte. Spoedig was het een lijkstoet. De ster had hem gewezen waar den God der armen te vinden; en door nederigheid, droefheid en vergevensgezindheid was hij ingegaan tot de rust van zijn Verlosser.