XXXV.DE HONDSVOT-JACHT.Eer nog de kring, die zich om de Oude Helschacht gevormd had, gebroken werd, was een dergenen, die binnen dezen kring waren toegelaten, verdwenen. Bounderby en Tom, die zijn patroon thans als zijne schaduw vergezelde, hadden niet bij Louisa gestaan, terwijl zij haar vader bij den arm vasthield, maar op een afstand ver van de anderen. Toen mijnheer Gradgrind naar den lijder werd geroepen, sloop Sissy, oplettend op al wat er gebeurde, achter Tom—wiens gezicht, waarop een angstig afgrijzen geteekend stond, een belangwekkend schouwspel zou geweest zijn, indien men oogen had gehad voor eenig ander schouwspel behalve dat eene—en fluisterde hem iets in het oor. Zonder zijn hoofd om te draaien, sprakhijeenige oogenblikken met haar en verdween toen. Aldus was de hondsvot reeds buiten den kring, eer deze zich begon te verspreiden.Toen de vader thuis kwam, zond hij eene boodschap naar Bounderby, om te verzoeken, dat zijn zoon terstond bij hem zou komen. Het antwoord was, dat Bounderby, daar hij Tom in het gedrang gemist en sedert niet weder gezien had, gemeend had dat hij zich opStone Lodgebevond.„Ik geloof, vader,” zeide Louisa, „dat hij van avond niet weder in de stad zal komen.”Mijnheer Gradgrind keerde zich om en sprak geen woord meer.Des morgens ging hij zelf naar het kantoor, zoodra dit open was, en toen hij de plaats van zijn zoon ledig zag (hij had eerst haast den moed niet om binnen te kijken) ging hij de straat langs terug, om Bounderby op zijn weg daarheen te ontmoeten, en gaf dezen te kennen, dat hij het om redenen, die hij spoedig zou openbaren, maar dringend verzocht hem nu niet af te vragen, noodig had geacht zijn zoon voor korten tijd elders te plaatsen; en dat hij voorts belast was met de verplichting om de nagedachtenis van Stephen Blackpool te zuiveren en den dief bekend te maken. Mijnheer Bounderby, geheel verstomd, bleef, nadat zijn schoonvader hem verlaten had, stokstijf op de straat staan, zwellende als eene reusachtige zeepbel, maar lang zoo fraai niet.Mijnheer Gradgrind ging naar huis, sloot zich in zijne kamer op en bleef daar den geheelen dag. Toen Sissy en Louisa aan zijne deur klopten, zeide hij, zonder die te openen: „Nu niet, lieve kinderen, van avond.” Toen zij des avonds terugkwamen, zeide hij: „Ik ben er nog niet toe in staat—morgen.” Hij at den geheelen dag niets, en liet, toen het donker werd, geen licht komen; en zij hoorden hem tot laat in den nacht heen en weder stappen.In den ochtend kwam hij echter op het gewone uur aan het ontbijt en zette zich aan de tafel op zijne gewone plaats. Hij zag er verouderd en vervallen uit, en was geheel terneergebogen; en toch zag men het hem aan, dat hij een wijzer en beter man was, dan in de dagen toen hij in dit leven niets anders noodig had dan feiten. Eer hij de kamer verliet, bepaalde hij een tijd dat zij bij hem zouden komen; en zoo ging hij heen, met het grijze hoofd op de borst gezonken.„Lieve vader,” zeide Louisa, toen zij bij hem waren gekomen, „gij hebt nog drie jonge kinderen over. Zij zullen anders worden, enikzal met ’s Hemels hulp ook nog anders worden.”Zij reikte Sissy hare hand toe, alsof zij toonen wilde, dat zij daarbij ook op hare hulp rekende.„Uw rampzalige broeder!” zeide mijnheer Gradgrind. „Denkt gij, dat hij den diefstal reeds voorhad toen hij met u naar dat huis ging?”„Ik vrees van ja, vader. Ik weet, dat hij zeer om geld verlegen was en veel verteerd had.”„En daar die arme man de stad zou verlaten, kwam het in zijne booze gedachten op, om de verdenking op hem te doen vallen?”„Ik geloof, dat het hem moet ingevallen zijn terwijl hij daar zat, vader; want ik had hem gevraagd om met mij daarheen te gaan. Dat bezoek was geen verzinsel van hem.”„Hij had ook een gesprek met dien armen man. Nam hij hem ter zijde?”„Hij nam hem buiten de kamer. Ik vroeghem naderhand waarom hij dat gedaan had, en hij gaf eene aannemelijke reden op; maar sedert gisteravond, vader, en als ik mij nu de omstandigheden herinner, vrees ik, dat ik mij maar al te goed kan verbeelden wat er tusschen hen is omgegaan.”„Laat mij eens hooren,” zeide haar vader, „of uwe gedachten uw schuldigen broeder in hetzelfde ongunstige licht plaatsen als de mijne.”„Ik vrees, vader,” antwoordde Louisa aarzelend, „dat hij Stephen Blackpool iets moet hebben wijs gemaakt, misschien in mijn naam iets beloofd, of in zijn eigen naam—dat den man bewoog om zonder eenig kwaad opzet en ter goeder trouw, te doen wat hij voorheen nog nooit gedaan had, en die twee of drie avonden, voordat hij de stad verliet, voor het kantoor te blijven heen en weer dwalen.”„Maar al te duidelijk!” zeide haar vader. „Maar al te duidelijk!”Hij hield zijne hand voor zijn gezicht en zweeg eene poos. Zich toen herstellende, zeide hij:„En hoe is hij nu te vinden? Hoe is hij uit de handen van het gerecht te houden? Hoe zullen wij hem vinden, in de weinige uren, die ik met mogelijkheid kan laten verloopen eer ik de waarheid openbaar maak, en hoe zullen wij tegelijk zorgen, dat niemand anders hem vindt? Met geene tienduizend pond zou dat te doen zijn.”„Sissy heeft het reeds gedaan, vader.”Hij sloeg de oogen op naar de plek waar zij stond, als ware zij de goede fee in zijn huis, en zeide op een toon van weemoedige teederheid en dankbaarheid: „Altijd zijt gij het, mijn kind!”„Wij waren er al vroeger dan gisteren voor bevreesd,” zeide Sissy, met een blik naar Louisa; „en toen ik u gisteravond bij de draagbaar zag komen en hoorde wat er gezegd werd (want ik bleef steeds dicht bij Rachel), ging ik naar hem toe, terwijl niemand het zag, en zeide: „Kijk niet naar mij om. Zie met wien uw vader spreekt. Neem terstond de vlucht, om zijn en uw eigen wil.” Hij stond al te beven eer ik hem dit toefluisterde, en toen schrikte en beefde hij nog meer, en zeide: „Waar kan ik naar toe gaan? Ik heb maar heel weinig geld, en ik weet niet wie mij zal verbergen.” Toen dacht ik aan het paardenspel, waar mijn vader in geweest is. Ik heb niet vergeten waar mijnheer Sleary in dezen tijd van het jaar heen gaat, en ik las pas voor kort van hem in eene courant. Ik zeide hem dus, spoedig daarheen te gaan, zijn naam te zeggen, en mijnheer Sleary te vragen om hem te verbergen totdat ik kwam. „Ik zal nog vóór den ochtend bij hem zijn,” zeide hij; en ik zag hem tusschen de menschen heensluipen.”„De Hemel zij gedankt!” riep zijn vader uit. „Hij kan dan nog het land uitgeholpen worden.”Dit was te meer waarschijnlijk, omdat de stad, waarheen Sissy hem verwezen had, binnen de drie uren reizens vanLiverpoolwas gelegen, van waar hij met allen spoed naar ieder gedeelte der wereld kon worden overgebracht. Maar dewijl men nu voorzichtig moest wezen in het houden van gemeenschap met hem—want met ieder uur steeg het gevaar, dat hij verdacht zou worden, en niemand kon weten of Bounderby zelf niet, in zijn bluffenden ijver voor het algemeene welzijn, eene Romeinsche rol zou willen spelen—werd er afgesproken, dat Sissy en Louisa zich langs een omweg alleen naar de bedoelde plaats zouden begeven, en dat de ongelukkige vader, eene geheel tegenovergestelde richting inslaande, zich langs een nog grooter omweg bij haarzoukomen voegen. Verder werd er bepaald, dat mijnheer Gradgrind zich niet zelf aan Sleary zou vertoonen, uit vrees dat zijne oogmerken verkeerd begrepen zouden worden, of dat de tijding zijner komst zijn zoon opnieuw de vlucht zou doen nemen; maar dat het openen der onderhandeling aan Sissy en Louisa zou worden overgelaten, en dat deze den rampzalige, die de oorzaak van zooveel ellende en schande was, zouden onderrichten, dat zijn vader in de nabijheid was en met welk oogmerk zij gekomen waren. Toen deze beschikkingen wel overwogen en door alle drie ten volle begrepen waren, was het ook tijd om een begin met de uitvoering te gaan maken. Vroeg in den namiddag ging mijnheer Gradgrind van zijn huis af recht het land door naar een spoorwegstation, van waar hij verder zou reizen; en in den avond begaven de twee anderen zich naar een geheel anderen kant op weg, bemoedigd door de gedachte, dat zij geen gezicht gezien hadden, hetwelk haar bekend was.Zij reisden den geheelen nacht door, behalve wanneer zij voor zeker oneffen getal minuten op tusschenstations aan zijwegen werden gelaten, die boven aan eene eindelooze trap of beneden in een diepte waren gelegen—het eenige verschil tusschen die stations;—en vroeg in den morgen werden zij afgezet op een stuk drasland, een paar mijlen van de stad, die zij zochten. Van deze akelige plek werden zij verlost door een ruwen ouden postiljon, die toevallig vroeg op was, en met een paard en sjees aankwam; en zoo werden zij de stad binnengesmokkeld door al de achterstraatjes waar varkens woonden; een toegang die, hoewel niet zeer prachtig of welriekend, toch de gewone weg van een tusschenstation naar een landstadje is.Het eerste, wat zij bij het inkomen der stad zagen, was het geraamte van Sleary’s paardenspel. De troep was naar eene andere stad, meer dan twintig mijlen ver, vertrokken, en had daar den vorigen avond reeds gespeeld.Het middel van gemeenschap tusschen de twee plaatsen bestond in een heuvelachtigen grindweg, en het bereizen van dien weg ging zeer langzaam. Schoon zij maar een haastig ontbijt gebruikten en geene rust namen (welke zij onder zulke beangstigende omstandigheden toch vruchteloos zouden gezocht hebben), was het middag eer zij de biljetten van Sleary’s paardenspel op schuttingen en schuren aangeplakt vonden, en één uur voordat zij op de markt stilhielden.Eene groote ochtend-voorstelling der kunstrijders, die op dat uur zou beginnen, werd juist toen zij den eersten voetstap op de straatsteenen deden, door den stadsomroeper aangekondigd. Sissy gaf den raad, ten einde in de stad geene aandacht te trekken, om naar de deur van het spel te gaan en plaatsen te nemen. Indien Sleary daar zat om geld aan te nemen, zou hij haar zeker herkennen en met voorzichtigheid te werk gaan. Als hij daar niet was, zou hij haar zeker in het spel zien; en wetende, wat hij met den vluchteling gedaan had, zou hij ook dan met voorzichtigheid handelen.Zij begaven zich dus met angstig kloppende harten naar de nog welbekende tent. De vlag was er, en de gothieke nis was er; maar mijnheer Sleary was er niet. De jongeheer Kidderminster, die eigenlijk al te veel van den stal had overgenomen om door de welwillendste lichtgeloovigheid nog langer voor Cupido te worden aangezien, had zich naar de onweerstaanbare macht der omstandigheden (waaronder ook zijn baard) gevoegd, en als een man, die zich overal bruikbaar wist te maken, had hij bij deze gelegenheid het beheer over de schatkist—en ook nog eene trom bij de hand, waaraan hij zijne ledige oogenblikken en zijne overtollige kracht kon besteden. Door de nauwlettendheid, waarmede mijnheer Kidderminster, als hij deze betrekking waarnam, op de valsche munt toezag, die men hem somtijds in de handen wilde stoppen, had hij voor niets anders oogen dan voor het geld; aldus ging Sissy hem onopgemerkt voorbij en kwamen zij binnen.De keizer vanJapan, op een oud en mak wit paard, met zwarte vlekken beschilderd, rondrijdende, liet vijf waschkommen tegelijk door de lucht draaien,—de geliefkoosde uitspanning van dien monarch. Sissy, schoon welbekend met zijn vorstelijk geslacht, had geene persoonlijke kennis aan den tegenwoordigen keizer, en zijne regeering bleef ongestoord. Miss Josephine Sleary, die haar vermaarden Tiroler Bloemendans zou uitvoeren, werd daarop door een nieuwenclownaangekondigd (die met schertsende geestigheid Bloemkooldans zeide) en door mijnheer Sleary binnengeleid.Nog pas één slag had mijnheer Sleary met zijne lange zweep naar denclowngedaan, en pas had declowngezegd: „Als ge dat weer doet, zal ik je het paard naar den kop smijten!” toen Sissy door vader en dochter beiden herkend werd. Beiden bleven echter met de grootste zelfbeheersching in hunne rol; en behalve in het eerste oogenblik, was er in het beweeglijke oog van mijnheer Sleary niet meer uitdrukking te bespeuren dan in het daarop volgende. De voorstelling kwam Sissy en Louisa wel wat lang voor, inzonderheid toen zij gestaakt werd om denclowngelegenheid te geven aan mijnheer Sleary (die ieder gezegde op den bedaardst mogelijken toon met een: „Ei zoo, mijnheer!” beantwoordde, en gestadig het publiek in het oog hield) eene vertelling te doen van tweebeen, die op driebeen naar eenbeen zat te kijken, toen vierbeen aankwam en eenbeen pakte, en tweebeen opstond en driebeen opnam en hem naar vierbeen gooide, die met eenbeen weg liep. Want hoewel deze geestige allegorie betrekking had op een slager, een driestal, een hond en een schapebout, kostte dit verhaal wel wat veel tijd voor hun ongeduld. Eindelijk echter maakte de blonde Josephine onder een algemeen gejuich haar compliment; en declown, alleen in de manege gebleven, had zich juist in de handen gewreven en gezegd: „Nu is het mijne beurt!” toen Sissy op haar schouder werd getikt en gewenkt om buiten te komen.Zij nam Louisa mede; en zij werden door mijnheer Sleary ontvangen in een zeer klein afzonderlijk vertrekje met een vloer van gras, wanden van zeildoek, en eene hellende zoldering, waarop een gedeelte van het publiek zijne goedkeuring stampte alsof het er doorheen zou komen.„Cecilia!” zeide mijnheer Sleary, die een glas brandewijn met water bij de hand had, „het doet mij goed, dat ik u zie. Gij zijt altijd een lieveling van ons geweest, en gij hebt ons sedert dien ouden tijd eer aangedaan, dat geloof ik zeker. Gij moet onze lieden zien, liefje, eer wij over zaken spreken, of het zal hun het hart breken, vooral de vrouwen. Daar is Josephine, die is nu met E. W. B. Childers getrouwd, en zij heeft een kleinen jongen, die pas drie jaar oud is, maar toch op elken hit blijft zitten dien men maar bij hem brengen kan. Hij heet het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, en als gij bij Astley niet van dien jongen hoort, zult ge teParijsvan hem hooren. En gij zult Kidderminster nog wel kennen, die men dacht dat een oogje op u had? Wel, hij is ook getrouwd. Hij heeft eene weduwe genomen, oud genoeg om zijne moeder te zijn. Zij was op de stijve koord, maar nu kan ze niets meer, omdat ze te dik is. Zij hebben twee kinderen, en dus zijn wij goed voorzien van toovergodinnetjes en kleine wichtjes. Als ge onze Kinderen in het Bosch eens kondt zien, met hun vader en moeder, die allebei te paard sterven—hun oom, die ze als voogd onder zijnebescherming neemt, ook te paard—zij zelven, die braambessen gaan zoeken, ook te paard—en de roodborstjes, die hen met bladeren komen bedekken, ook te paard—dan zoudt ge zeggen, dat het ding zoo compleet was als ge ooit iets gezien had. Gij herinnert u Emma Gordon nog wel, liefje, die haast zoo goed als eene moeder voor u was? Natuurlijk doet gij het, dat behoef ik niet te vragen. Wel, Emma heeft haar man verloren. Hij deed een zwaren val van een olifant in eene soort van pagode als de Sultan vanIndië, en dat is hij nooit te boven gekomen; zij is toen voor de tweede maal getrouwd—zij heeft een kaaskooper gekregen, die van de voorste bank af zin in haar kreeg—en die nu opzichter is van een werkhuis en fortuin maakt.”Deze verschillende veranderingen verhaalde Sleary, die nu zeer kortademig was, met groote hartelijkheid en eene verwonderlijke soort van naïveteit, als men bedacht welk een veteraan in het brandewijn-drinken hij was. Naderhand bracht hij Josephine en E. W. B. Childers binnen (wiens wangen bij daglicht al vrij diepe plooien hadden) en ook het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, kortom den geheelen troep. Vreemd zagen de vrouwen er in Louisa’s oogen uit, zoo wit en rood van kleur, zoo karig gekleed en zoo gul met het vertoonen harer beenen; maar het was iets streelends te zien, hoe zij elkander om Sissy verdrongen, en zeer natuurlijk dat Sissy zich niet van tranen kon onthouden.„Komaan! Nu heeft Cecilia al de kinderen gezoend, en al de vrouwen omhelsd, en al de mannen de hand gegeven; maakt nu allen dat ge wegkomt, en laat de muziek beginnen voor de tweede afdeeling,” zeide Sleary.Zoodra de anderen weg waren, vervolgde hij zacht: „Nu, Cecilia, ik vraag naar geen geheim, maar ik geloof, dat ik deze dame toch voor de jongejuffrouw van den jonker mag houden?”„Dit is zijne zuster. Ja.”„En de dochter van den anderen? Dat is wat ik meen. Ik hoop, dat ik u wél zie, juffrouw. En ik hoop, dat de jonker ook wel is?”„Mijn vader zal spoedig hier zijn,” antwoordde Louisa, zeer verlangend om ter zake te komen. „Is mijn broeder veilig?”„Gezond en frisch,” antwoordde hij. „Ik wilde u eens even naar de manege laten kijken, hier door de reet. Cecilia, gij kent het kunstje; zoek maar een kijkgaatje voor u zelf.”Beiden tuurden door eene reet in de planken.„Dat is Jack de Reuzendooder—een comisch kinderstukje,” zeide Sleary.„Dat is een huisje voor Jack, om in te kruipen, en dat is mijnclownmet een potdeksel en een spit, als de knecht van Jack; en daar is kleine Jack zelf in eene prachtige wapenrusting; en daar zijn twee comische zwarte knechts, tweemaal zoo groot als het huisje, om er bij te staan en het binnen te brengen en weer weg te dragen; en de reus (van mandewerk, die mij veel geld gekost heeft) is er nog niet. Ziet gij ze allemaal?”„Ja,” zeiden beiden.„Kijk nu nog eens,” hervatte Sleary, „en kijk goed. Ziet gij ze allemaal? Heel goed! Nu, juffrouw,” hij zette een bank voor haar om op te zitten, „ik heb mijne begrippen, en de jonker uw vader heeft de zijne. Ik behoef niet te weten wat uw broeder heeft uitgevoerd; het is beter zelfs, dat ik het niet weet. Al wat ik zeg is: de jonker heeft Cecilia bijgestaan, en ik sta den jonker bij. Uw broeder is een van die zwarte knechts.”Louisa liet een uitroep hooren, half van schrik, half van blijdschap.„Zoo is het,” zeide Sleary, „en zelfs nu gij het weet, zoudt ge hem niet kunnen aanwijzen. Laat de jonker maar komen. Ik zal uw broeder na de voorstelling hier houden. Ik zal hem zich niet laten verkleeden of de verf afwasschen. Laat de jonker dan na de voorstelling hier komen, of kom zelf hier; gij zult uw broeder hier vinden en de geheele tent hebben om hem te spreken. Gij moet er u niet aan storen hoe hij er uitziet, als hij maar goed verscholen is.”Louisa bedankte mijnheer Sleary met een verruimd hart, en hield hem toen niet langer op. Zij gaf haar groet aan haar broeder, met oogen vol tranen, en ging toen met Sissy heen tot later in den namiddag.Mijnheer Gradgrind kwam een uur later aan. Ook hij had niemand ontmoet die hij kende, en hoopte nu zeker, dat hij zijn geschandvlekten zoon, met hulp van Sleary, in den nacht naarLiverpoolzou kunnen krijgen. Daar geen van drieën hem kon vergezellen, zonder aanleiding te geven dat hij, hoezeer ook vermomd, ontdekt werd, schreef hij een brief aan een correspondent, wien hij vertrouwen kon, waarin hij verzocht om den brenger, wat het ook kosten mocht, naarNoord- ofZuid-Amerika, of eenig ander afgelegen werelddeel te zenden, waarheen hij maar op de spoedigste en heimelijkste manier kon verzonden worden. Nadat dit gedaan was, gingen zij rondwandelen om te wachten dat het paardenspel geheel ledig was; namelijk tot niet alleen de toeschouwers, maar ook de rijders en de paarden het ontruimd hadden. Eindelijk zag hij Sleary een stoel buiten brengen en bij de zijdeur gaan zitten rooken, als een teeken dat zij konden naderen.„Uw dienaar, jonker,” was zijn voorzichtige groet toen zij binnengingen. „Als ge mij noodig hebt, zult ge mij hier vinden. Gij moet er u niet aan storen dat uw zoon eene comische livrei draagt.”Zij gingen alle drie naar binnen; en mijnheer Gradgrind zette zich neerslachtig neer op het bankje van denclownin het midden der manege. Op een der achterste banken, veraf in het schemerende licht van die vreemde plaats, zat de ellendige hondsvot, ook nu nog stug en wrevelig, wien hij het verdriet had zijn zoon te moeten noemen.Daar zat hij, in een allerzotsten rok, naar dien van een kerkeknecht in groot kostuum gelijkende, met onbeschrijfelijk overdrevene panden en opslagen; met een vervaarlijk vest, korte broek, schoenen met gespen en een razenden steekhoed; met niets dat hem paste, en alles van grove stof, door de motten afgeknaagd en vol gaten; met strepen over zijn zwart gezicht, waar angst en warmte het vettige mengsel, waarmede het besmeerd was, had doen smelten. Iets zoo akeligs, verfoeielijks, belachelijks en schandelijks, als de hondsvot in zijne comische livrei, had mijnheer Gradgrind nooit mogelijk kunnen achten, indien hij het niet als een tastbaar feit voor zich had gezien. En een van zijne model-kinderen was zoover gekomen!In het eerst wilde de hondsvot niet naderbij komen, maar bleef hardnekkig daar omhoog zitten. Eindelijk toegevende, indien zulk een wrevelig gehoorzamen toegeven kon genoemd worden, aan de vriendelijke beden van Sissy—want Louisa wilde hij niet zien of hooren—kwam hij bank voor bank naar beneden, tot hij aan den uitersten rand der manege in het mulle zand stond, zoo ver mogelijk van de plek waar zijn vader zat.„Hoe is het er mee toegegaan?” vroeg zijn vader.„Waarmee toegegaan?” antwoordde de zoon met norsche neerslachtigheid.„Met dien diefstal,” zeide de vader, bij dat woord zijn stem verheffende.„Ik opende de kist zelf in den avond en liet haar op eene reet staan toen ik heenging. Ik had den sleutel, die gevonden is, lang te voren laten maken. Ik liet hem dien ochtend daar vallen, om te doen denken, dat hij er voor gebruikt was. Ik nam het geld niet op eens. Ik hield mij elken avond alsof ik mijn overschot wegsloot, maar deed het niet. Nu weet gij alles.”„Als een donderslag mij getroffen had,” zeide de vader, „zou het mij minder ontzet hebben dan dit.”„Ik zie niet in waarom,” bromde de zoon. „Zooveel menschen worden in vertrouwde betrekkingen gebruikt; en zooveel van de zooveel zullen oneerlijk zijn. Ik heb er u honderdmaal van hooren praten, dat dit een regel was. Hoe kan ik tegen regels aan? Gij hebt anderen met zulke dingen getroost, vader. Troost u zelven nu.”De vader verborg zijn gezicht in zijne handen, en de zoon stond in zijn schandelijk hansworstenpak op een strootje te bijten: zijne handen, waarvan het zwart aan den binnenkant half afgewreven was, geleken naar de handen van een aap. De avond naderde snel; en van tijd tot tijd keerde hij het wit zijner oogen met rusteloos ongeduld naar zijn vader. Die oogen waren het eenige van zijn gezicht, dat leven of uitdrukking vertoonde, zoo dik was de verf daarop gesmeerd.„Gij moet naarLiverpoolworden geholpen en het land uitgezonden.”„Dat zal wel moeten. Ik kan toch ergens anders niet ongelukkiger zijn dan ik hier geweest ben zoolang mij heugt,” jankte de hondsvot. „Dat is één geluk.”Mijnheer Gradgrind ging naar de deur en kwam met Sleary terug, aan wien hij de vraag voorstelde, hoe dat jammerlijke voorwerp uit den weg te helpen?„Wel, daarover heb ik al gedacht, jonker. Er is niet veel tijd te verliezen, maar gij moet toch ja of neen zeggen. Het is over de twintig mijlen naar den spoorweg. Over een half uur rijdt er een diligence, die de passagiers op den posttrein moet brengen. Die trein rijdt rechtdoor naarLiverpool.”„Maar zie hem eens aan,” zuchtte mijnheer Gradgrind. „Hoe...”„Ik meen niet dat hij met de comische livrei moet gaan,” zeide Sleary. „Zeg het maar, en ik zal hem binnen vijf minuten uit onze garderobe tot eenjoskinmaken.”„Ik begrijp u niet,” zeide mijnheer Gradgrind hierop.„Eenjoskin—een karreman. Neem spoedig uw besluit, jonker. Er moet nog bier gehaald worden. Ik heb nooit iets gevonden zoo goed als bier, om een geschilderden moor schoon te wasschen.”Mijnheer Gradgrind gaf snel zijne toestemming; Sleary haalde even snel een linnen kiel, een vilten hoed en andere benoodigdheden uit eene kist; de hondsvot ging achter een scherm en verwisselde snel van kleederen; en Sleary haalde bier en wiesch hem snel weder blank.„Komaan,” zeide Sleary, „ga nu maar mee naar de diligence, en spring achterop. Ik zal u brengen, en zij zullen denken dat gij een van mijn volk zijt. Zeg uwe familie nu vaarwel, en maak wat voort!” En daarmede was hij kiesch genoeg om zich te verwijderen.„Hier is uw brief,” zeide mijnheer Gradgrind. „Alle noodige middelen zullen u verschaft worden. Vergoed door berouw en een beter gedrag het kwaad dat gij bedreven hebt en de schrikkelijke gevolgen waartoe het geleid heeft. Geef mij de hand, mijn arme jongen, en moge God u vergeven gelijk ik doe.”De schuldige werd door deze woorden en hunhartroerenden toon tot eenige lafhartige tranen bewogen. Maar toen Louisa hare armen opende, stiet hij haar opnieuw terug.„Gij niet. Ik wil niets met u te maken hebben.”„O, Tom, Tom, moet het zoo tusschen ons eindigen, na al mijne liefde?”„Na al uwe liefde?” herhaalde hij met onverzettelijke hardnekkigheid. „Mooie liefde! Ouden Bounderby los te laten, en mijn besten vriend, mijnheer Harthouse, van de hand te zenden, en naar huis te loopen, juist op den tijd dat ik in het grootste gevaar was. Mooie liefde! Alles uit te babbelen, ook dat wij te zamen daarnaar toe waren geweest, toen gij zaagt, dat ik hoe langer hoe meer in het net geraakte. Mooie liefde! Gij hebt mij zoo goed als overgeleverd. Gij hebt nooit om mij gegeven.”„Maak wat voort!” riep Sleary bij de deur.Allen gingen verward naar buiten. Louisa zeide schreiende, dat zij hem vergaf en hem nog liefhad, en dat het hem eens spijten zou, dat hij haar zoo verlaten had, en dan blij zou zijn te kunnen denken, dat dit hare laatste woorden waren; toen er iemand hen tegenkwam. Mijnheer Gradgrind en Sissy, die beiden voor hen uit waren, terwijl zijne zuster hem nog bij den arm hield, bleven staan en deinsden terug.Want daar was Bitzer, geheel buiten adem, zijne dunne lippen opengesperd, zijne dunne neusgaten uitgezet, zijne witgehaarde oogleden trillende, zijn kleurloos gezicht nog kleurloozer dan ooit, alsof hij zich wit-gloeiend had geloopen, terwijl anderen zich rood-gloeiend loopen. Daar stond hij te hijgen, alsof hij nooit had stilgestaan sedert dien avond toen hij vroeger eens tegen hen was aangeloopen.„Het spijt mij dat ik verhindering in uw plan moet brengen,” zeide Bitzer, zijn hoofd schuddende, „maar ik kan mij toch door geene paardrijders laten foppen. Ik moet den jongenheer Tom hebben; en geene paardrijders zullen hem weghelpen. Hier is hij in dien linnen kiel, en ik moet hem hebben.”Hij greep hem bij den kraag en nam hem aldus in bezit.
XXXV.DE HONDSVOT-JACHT.Eer nog de kring, die zich om de Oude Helschacht gevormd had, gebroken werd, was een dergenen, die binnen dezen kring waren toegelaten, verdwenen. Bounderby en Tom, die zijn patroon thans als zijne schaduw vergezelde, hadden niet bij Louisa gestaan, terwijl zij haar vader bij den arm vasthield, maar op een afstand ver van de anderen. Toen mijnheer Gradgrind naar den lijder werd geroepen, sloop Sissy, oplettend op al wat er gebeurde, achter Tom—wiens gezicht, waarop een angstig afgrijzen geteekend stond, een belangwekkend schouwspel zou geweest zijn, indien men oogen had gehad voor eenig ander schouwspel behalve dat eene—en fluisterde hem iets in het oor. Zonder zijn hoofd om te draaien, sprakhijeenige oogenblikken met haar en verdween toen. Aldus was de hondsvot reeds buiten den kring, eer deze zich begon te verspreiden.Toen de vader thuis kwam, zond hij eene boodschap naar Bounderby, om te verzoeken, dat zijn zoon terstond bij hem zou komen. Het antwoord was, dat Bounderby, daar hij Tom in het gedrang gemist en sedert niet weder gezien had, gemeend had dat hij zich opStone Lodgebevond.„Ik geloof, vader,” zeide Louisa, „dat hij van avond niet weder in de stad zal komen.”Mijnheer Gradgrind keerde zich om en sprak geen woord meer.Des morgens ging hij zelf naar het kantoor, zoodra dit open was, en toen hij de plaats van zijn zoon ledig zag (hij had eerst haast den moed niet om binnen te kijken) ging hij de straat langs terug, om Bounderby op zijn weg daarheen te ontmoeten, en gaf dezen te kennen, dat hij het om redenen, die hij spoedig zou openbaren, maar dringend verzocht hem nu niet af te vragen, noodig had geacht zijn zoon voor korten tijd elders te plaatsen; en dat hij voorts belast was met de verplichting om de nagedachtenis van Stephen Blackpool te zuiveren en den dief bekend te maken. Mijnheer Bounderby, geheel verstomd, bleef, nadat zijn schoonvader hem verlaten had, stokstijf op de straat staan, zwellende als eene reusachtige zeepbel, maar lang zoo fraai niet.Mijnheer Gradgrind ging naar huis, sloot zich in zijne kamer op en bleef daar den geheelen dag. Toen Sissy en Louisa aan zijne deur klopten, zeide hij, zonder die te openen: „Nu niet, lieve kinderen, van avond.” Toen zij des avonds terugkwamen, zeide hij: „Ik ben er nog niet toe in staat—morgen.” Hij at den geheelen dag niets, en liet, toen het donker werd, geen licht komen; en zij hoorden hem tot laat in den nacht heen en weder stappen.In den ochtend kwam hij echter op het gewone uur aan het ontbijt en zette zich aan de tafel op zijne gewone plaats. Hij zag er verouderd en vervallen uit, en was geheel terneergebogen; en toch zag men het hem aan, dat hij een wijzer en beter man was, dan in de dagen toen hij in dit leven niets anders noodig had dan feiten. Eer hij de kamer verliet, bepaalde hij een tijd dat zij bij hem zouden komen; en zoo ging hij heen, met het grijze hoofd op de borst gezonken.„Lieve vader,” zeide Louisa, toen zij bij hem waren gekomen, „gij hebt nog drie jonge kinderen over. Zij zullen anders worden, enikzal met ’s Hemels hulp ook nog anders worden.”Zij reikte Sissy hare hand toe, alsof zij toonen wilde, dat zij daarbij ook op hare hulp rekende.„Uw rampzalige broeder!” zeide mijnheer Gradgrind. „Denkt gij, dat hij den diefstal reeds voorhad toen hij met u naar dat huis ging?”„Ik vrees van ja, vader. Ik weet, dat hij zeer om geld verlegen was en veel verteerd had.”„En daar die arme man de stad zou verlaten, kwam het in zijne booze gedachten op, om de verdenking op hem te doen vallen?”„Ik geloof, dat het hem moet ingevallen zijn terwijl hij daar zat, vader; want ik had hem gevraagd om met mij daarheen te gaan. Dat bezoek was geen verzinsel van hem.”„Hij had ook een gesprek met dien armen man. Nam hij hem ter zijde?”„Hij nam hem buiten de kamer. Ik vroeghem naderhand waarom hij dat gedaan had, en hij gaf eene aannemelijke reden op; maar sedert gisteravond, vader, en als ik mij nu de omstandigheden herinner, vrees ik, dat ik mij maar al te goed kan verbeelden wat er tusschen hen is omgegaan.”„Laat mij eens hooren,” zeide haar vader, „of uwe gedachten uw schuldigen broeder in hetzelfde ongunstige licht plaatsen als de mijne.”„Ik vrees, vader,” antwoordde Louisa aarzelend, „dat hij Stephen Blackpool iets moet hebben wijs gemaakt, misschien in mijn naam iets beloofd, of in zijn eigen naam—dat den man bewoog om zonder eenig kwaad opzet en ter goeder trouw, te doen wat hij voorheen nog nooit gedaan had, en die twee of drie avonden, voordat hij de stad verliet, voor het kantoor te blijven heen en weer dwalen.”„Maar al te duidelijk!” zeide haar vader. „Maar al te duidelijk!”Hij hield zijne hand voor zijn gezicht en zweeg eene poos. Zich toen herstellende, zeide hij:„En hoe is hij nu te vinden? Hoe is hij uit de handen van het gerecht te houden? Hoe zullen wij hem vinden, in de weinige uren, die ik met mogelijkheid kan laten verloopen eer ik de waarheid openbaar maak, en hoe zullen wij tegelijk zorgen, dat niemand anders hem vindt? Met geene tienduizend pond zou dat te doen zijn.”„Sissy heeft het reeds gedaan, vader.”Hij sloeg de oogen op naar de plek waar zij stond, als ware zij de goede fee in zijn huis, en zeide op een toon van weemoedige teederheid en dankbaarheid: „Altijd zijt gij het, mijn kind!”„Wij waren er al vroeger dan gisteren voor bevreesd,” zeide Sissy, met een blik naar Louisa; „en toen ik u gisteravond bij de draagbaar zag komen en hoorde wat er gezegd werd (want ik bleef steeds dicht bij Rachel), ging ik naar hem toe, terwijl niemand het zag, en zeide: „Kijk niet naar mij om. Zie met wien uw vader spreekt. Neem terstond de vlucht, om zijn en uw eigen wil.” Hij stond al te beven eer ik hem dit toefluisterde, en toen schrikte en beefde hij nog meer, en zeide: „Waar kan ik naar toe gaan? Ik heb maar heel weinig geld, en ik weet niet wie mij zal verbergen.” Toen dacht ik aan het paardenspel, waar mijn vader in geweest is. Ik heb niet vergeten waar mijnheer Sleary in dezen tijd van het jaar heen gaat, en ik las pas voor kort van hem in eene courant. Ik zeide hem dus, spoedig daarheen te gaan, zijn naam te zeggen, en mijnheer Sleary te vragen om hem te verbergen totdat ik kwam. „Ik zal nog vóór den ochtend bij hem zijn,” zeide hij; en ik zag hem tusschen de menschen heensluipen.”„De Hemel zij gedankt!” riep zijn vader uit. „Hij kan dan nog het land uitgeholpen worden.”Dit was te meer waarschijnlijk, omdat de stad, waarheen Sissy hem verwezen had, binnen de drie uren reizens vanLiverpoolwas gelegen, van waar hij met allen spoed naar ieder gedeelte der wereld kon worden overgebracht. Maar dewijl men nu voorzichtig moest wezen in het houden van gemeenschap met hem—want met ieder uur steeg het gevaar, dat hij verdacht zou worden, en niemand kon weten of Bounderby zelf niet, in zijn bluffenden ijver voor het algemeene welzijn, eene Romeinsche rol zou willen spelen—werd er afgesproken, dat Sissy en Louisa zich langs een omweg alleen naar de bedoelde plaats zouden begeven, en dat de ongelukkige vader, eene geheel tegenovergestelde richting inslaande, zich langs een nog grooter omweg bij haarzoukomen voegen. Verder werd er bepaald, dat mijnheer Gradgrind zich niet zelf aan Sleary zou vertoonen, uit vrees dat zijne oogmerken verkeerd begrepen zouden worden, of dat de tijding zijner komst zijn zoon opnieuw de vlucht zou doen nemen; maar dat het openen der onderhandeling aan Sissy en Louisa zou worden overgelaten, en dat deze den rampzalige, die de oorzaak van zooveel ellende en schande was, zouden onderrichten, dat zijn vader in de nabijheid was en met welk oogmerk zij gekomen waren. Toen deze beschikkingen wel overwogen en door alle drie ten volle begrepen waren, was het ook tijd om een begin met de uitvoering te gaan maken. Vroeg in den namiddag ging mijnheer Gradgrind van zijn huis af recht het land door naar een spoorwegstation, van waar hij verder zou reizen; en in den avond begaven de twee anderen zich naar een geheel anderen kant op weg, bemoedigd door de gedachte, dat zij geen gezicht gezien hadden, hetwelk haar bekend was.Zij reisden den geheelen nacht door, behalve wanneer zij voor zeker oneffen getal minuten op tusschenstations aan zijwegen werden gelaten, die boven aan eene eindelooze trap of beneden in een diepte waren gelegen—het eenige verschil tusschen die stations;—en vroeg in den morgen werden zij afgezet op een stuk drasland, een paar mijlen van de stad, die zij zochten. Van deze akelige plek werden zij verlost door een ruwen ouden postiljon, die toevallig vroeg op was, en met een paard en sjees aankwam; en zoo werden zij de stad binnengesmokkeld door al de achterstraatjes waar varkens woonden; een toegang die, hoewel niet zeer prachtig of welriekend, toch de gewone weg van een tusschenstation naar een landstadje is.Het eerste, wat zij bij het inkomen der stad zagen, was het geraamte van Sleary’s paardenspel. De troep was naar eene andere stad, meer dan twintig mijlen ver, vertrokken, en had daar den vorigen avond reeds gespeeld.Het middel van gemeenschap tusschen de twee plaatsen bestond in een heuvelachtigen grindweg, en het bereizen van dien weg ging zeer langzaam. Schoon zij maar een haastig ontbijt gebruikten en geene rust namen (welke zij onder zulke beangstigende omstandigheden toch vruchteloos zouden gezocht hebben), was het middag eer zij de biljetten van Sleary’s paardenspel op schuttingen en schuren aangeplakt vonden, en één uur voordat zij op de markt stilhielden.Eene groote ochtend-voorstelling der kunstrijders, die op dat uur zou beginnen, werd juist toen zij den eersten voetstap op de straatsteenen deden, door den stadsomroeper aangekondigd. Sissy gaf den raad, ten einde in de stad geene aandacht te trekken, om naar de deur van het spel te gaan en plaatsen te nemen. Indien Sleary daar zat om geld aan te nemen, zou hij haar zeker herkennen en met voorzichtigheid te werk gaan. Als hij daar niet was, zou hij haar zeker in het spel zien; en wetende, wat hij met den vluchteling gedaan had, zou hij ook dan met voorzichtigheid handelen.Zij begaven zich dus met angstig kloppende harten naar de nog welbekende tent. De vlag was er, en de gothieke nis was er; maar mijnheer Sleary was er niet. De jongeheer Kidderminster, die eigenlijk al te veel van den stal had overgenomen om door de welwillendste lichtgeloovigheid nog langer voor Cupido te worden aangezien, had zich naar de onweerstaanbare macht der omstandigheden (waaronder ook zijn baard) gevoegd, en als een man, die zich overal bruikbaar wist te maken, had hij bij deze gelegenheid het beheer over de schatkist—en ook nog eene trom bij de hand, waaraan hij zijne ledige oogenblikken en zijne overtollige kracht kon besteden. Door de nauwlettendheid, waarmede mijnheer Kidderminster, als hij deze betrekking waarnam, op de valsche munt toezag, die men hem somtijds in de handen wilde stoppen, had hij voor niets anders oogen dan voor het geld; aldus ging Sissy hem onopgemerkt voorbij en kwamen zij binnen.De keizer vanJapan, op een oud en mak wit paard, met zwarte vlekken beschilderd, rondrijdende, liet vijf waschkommen tegelijk door de lucht draaien,—de geliefkoosde uitspanning van dien monarch. Sissy, schoon welbekend met zijn vorstelijk geslacht, had geene persoonlijke kennis aan den tegenwoordigen keizer, en zijne regeering bleef ongestoord. Miss Josephine Sleary, die haar vermaarden Tiroler Bloemendans zou uitvoeren, werd daarop door een nieuwenclownaangekondigd (die met schertsende geestigheid Bloemkooldans zeide) en door mijnheer Sleary binnengeleid.Nog pas één slag had mijnheer Sleary met zijne lange zweep naar denclowngedaan, en pas had declowngezegd: „Als ge dat weer doet, zal ik je het paard naar den kop smijten!” toen Sissy door vader en dochter beiden herkend werd. Beiden bleven echter met de grootste zelfbeheersching in hunne rol; en behalve in het eerste oogenblik, was er in het beweeglijke oog van mijnheer Sleary niet meer uitdrukking te bespeuren dan in het daarop volgende. De voorstelling kwam Sissy en Louisa wel wat lang voor, inzonderheid toen zij gestaakt werd om denclowngelegenheid te geven aan mijnheer Sleary (die ieder gezegde op den bedaardst mogelijken toon met een: „Ei zoo, mijnheer!” beantwoordde, en gestadig het publiek in het oog hield) eene vertelling te doen van tweebeen, die op driebeen naar eenbeen zat te kijken, toen vierbeen aankwam en eenbeen pakte, en tweebeen opstond en driebeen opnam en hem naar vierbeen gooide, die met eenbeen weg liep. Want hoewel deze geestige allegorie betrekking had op een slager, een driestal, een hond en een schapebout, kostte dit verhaal wel wat veel tijd voor hun ongeduld. Eindelijk echter maakte de blonde Josephine onder een algemeen gejuich haar compliment; en declown, alleen in de manege gebleven, had zich juist in de handen gewreven en gezegd: „Nu is het mijne beurt!” toen Sissy op haar schouder werd getikt en gewenkt om buiten te komen.Zij nam Louisa mede; en zij werden door mijnheer Sleary ontvangen in een zeer klein afzonderlijk vertrekje met een vloer van gras, wanden van zeildoek, en eene hellende zoldering, waarop een gedeelte van het publiek zijne goedkeuring stampte alsof het er doorheen zou komen.„Cecilia!” zeide mijnheer Sleary, die een glas brandewijn met water bij de hand had, „het doet mij goed, dat ik u zie. Gij zijt altijd een lieveling van ons geweest, en gij hebt ons sedert dien ouden tijd eer aangedaan, dat geloof ik zeker. Gij moet onze lieden zien, liefje, eer wij over zaken spreken, of het zal hun het hart breken, vooral de vrouwen. Daar is Josephine, die is nu met E. W. B. Childers getrouwd, en zij heeft een kleinen jongen, die pas drie jaar oud is, maar toch op elken hit blijft zitten dien men maar bij hem brengen kan. Hij heet het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, en als gij bij Astley niet van dien jongen hoort, zult ge teParijsvan hem hooren. En gij zult Kidderminster nog wel kennen, die men dacht dat een oogje op u had? Wel, hij is ook getrouwd. Hij heeft eene weduwe genomen, oud genoeg om zijne moeder te zijn. Zij was op de stijve koord, maar nu kan ze niets meer, omdat ze te dik is. Zij hebben twee kinderen, en dus zijn wij goed voorzien van toovergodinnetjes en kleine wichtjes. Als ge onze Kinderen in het Bosch eens kondt zien, met hun vader en moeder, die allebei te paard sterven—hun oom, die ze als voogd onder zijnebescherming neemt, ook te paard—zij zelven, die braambessen gaan zoeken, ook te paard—en de roodborstjes, die hen met bladeren komen bedekken, ook te paard—dan zoudt ge zeggen, dat het ding zoo compleet was als ge ooit iets gezien had. Gij herinnert u Emma Gordon nog wel, liefje, die haast zoo goed als eene moeder voor u was? Natuurlijk doet gij het, dat behoef ik niet te vragen. Wel, Emma heeft haar man verloren. Hij deed een zwaren val van een olifant in eene soort van pagode als de Sultan vanIndië, en dat is hij nooit te boven gekomen; zij is toen voor de tweede maal getrouwd—zij heeft een kaaskooper gekregen, die van de voorste bank af zin in haar kreeg—en die nu opzichter is van een werkhuis en fortuin maakt.”Deze verschillende veranderingen verhaalde Sleary, die nu zeer kortademig was, met groote hartelijkheid en eene verwonderlijke soort van naïveteit, als men bedacht welk een veteraan in het brandewijn-drinken hij was. Naderhand bracht hij Josephine en E. W. B. Childers binnen (wiens wangen bij daglicht al vrij diepe plooien hadden) en ook het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, kortom den geheelen troep. Vreemd zagen de vrouwen er in Louisa’s oogen uit, zoo wit en rood van kleur, zoo karig gekleed en zoo gul met het vertoonen harer beenen; maar het was iets streelends te zien, hoe zij elkander om Sissy verdrongen, en zeer natuurlijk dat Sissy zich niet van tranen kon onthouden.„Komaan! Nu heeft Cecilia al de kinderen gezoend, en al de vrouwen omhelsd, en al de mannen de hand gegeven; maakt nu allen dat ge wegkomt, en laat de muziek beginnen voor de tweede afdeeling,” zeide Sleary.Zoodra de anderen weg waren, vervolgde hij zacht: „Nu, Cecilia, ik vraag naar geen geheim, maar ik geloof, dat ik deze dame toch voor de jongejuffrouw van den jonker mag houden?”„Dit is zijne zuster. Ja.”„En de dochter van den anderen? Dat is wat ik meen. Ik hoop, dat ik u wél zie, juffrouw. En ik hoop, dat de jonker ook wel is?”„Mijn vader zal spoedig hier zijn,” antwoordde Louisa, zeer verlangend om ter zake te komen. „Is mijn broeder veilig?”„Gezond en frisch,” antwoordde hij. „Ik wilde u eens even naar de manege laten kijken, hier door de reet. Cecilia, gij kent het kunstje; zoek maar een kijkgaatje voor u zelf.”Beiden tuurden door eene reet in de planken.„Dat is Jack de Reuzendooder—een comisch kinderstukje,” zeide Sleary.„Dat is een huisje voor Jack, om in te kruipen, en dat is mijnclownmet een potdeksel en een spit, als de knecht van Jack; en daar is kleine Jack zelf in eene prachtige wapenrusting; en daar zijn twee comische zwarte knechts, tweemaal zoo groot als het huisje, om er bij te staan en het binnen te brengen en weer weg te dragen; en de reus (van mandewerk, die mij veel geld gekost heeft) is er nog niet. Ziet gij ze allemaal?”„Ja,” zeiden beiden.„Kijk nu nog eens,” hervatte Sleary, „en kijk goed. Ziet gij ze allemaal? Heel goed! Nu, juffrouw,” hij zette een bank voor haar om op te zitten, „ik heb mijne begrippen, en de jonker uw vader heeft de zijne. Ik behoef niet te weten wat uw broeder heeft uitgevoerd; het is beter zelfs, dat ik het niet weet. Al wat ik zeg is: de jonker heeft Cecilia bijgestaan, en ik sta den jonker bij. Uw broeder is een van die zwarte knechts.”Louisa liet een uitroep hooren, half van schrik, half van blijdschap.„Zoo is het,” zeide Sleary, „en zelfs nu gij het weet, zoudt ge hem niet kunnen aanwijzen. Laat de jonker maar komen. Ik zal uw broeder na de voorstelling hier houden. Ik zal hem zich niet laten verkleeden of de verf afwasschen. Laat de jonker dan na de voorstelling hier komen, of kom zelf hier; gij zult uw broeder hier vinden en de geheele tent hebben om hem te spreken. Gij moet er u niet aan storen hoe hij er uitziet, als hij maar goed verscholen is.”Louisa bedankte mijnheer Sleary met een verruimd hart, en hield hem toen niet langer op. Zij gaf haar groet aan haar broeder, met oogen vol tranen, en ging toen met Sissy heen tot later in den namiddag.Mijnheer Gradgrind kwam een uur later aan. Ook hij had niemand ontmoet die hij kende, en hoopte nu zeker, dat hij zijn geschandvlekten zoon, met hulp van Sleary, in den nacht naarLiverpoolzou kunnen krijgen. Daar geen van drieën hem kon vergezellen, zonder aanleiding te geven dat hij, hoezeer ook vermomd, ontdekt werd, schreef hij een brief aan een correspondent, wien hij vertrouwen kon, waarin hij verzocht om den brenger, wat het ook kosten mocht, naarNoord- ofZuid-Amerika, of eenig ander afgelegen werelddeel te zenden, waarheen hij maar op de spoedigste en heimelijkste manier kon verzonden worden. Nadat dit gedaan was, gingen zij rondwandelen om te wachten dat het paardenspel geheel ledig was; namelijk tot niet alleen de toeschouwers, maar ook de rijders en de paarden het ontruimd hadden. Eindelijk zag hij Sleary een stoel buiten brengen en bij de zijdeur gaan zitten rooken, als een teeken dat zij konden naderen.„Uw dienaar, jonker,” was zijn voorzichtige groet toen zij binnengingen. „Als ge mij noodig hebt, zult ge mij hier vinden. Gij moet er u niet aan storen dat uw zoon eene comische livrei draagt.”Zij gingen alle drie naar binnen; en mijnheer Gradgrind zette zich neerslachtig neer op het bankje van denclownin het midden der manege. Op een der achterste banken, veraf in het schemerende licht van die vreemde plaats, zat de ellendige hondsvot, ook nu nog stug en wrevelig, wien hij het verdriet had zijn zoon te moeten noemen.Daar zat hij, in een allerzotsten rok, naar dien van een kerkeknecht in groot kostuum gelijkende, met onbeschrijfelijk overdrevene panden en opslagen; met een vervaarlijk vest, korte broek, schoenen met gespen en een razenden steekhoed; met niets dat hem paste, en alles van grove stof, door de motten afgeknaagd en vol gaten; met strepen over zijn zwart gezicht, waar angst en warmte het vettige mengsel, waarmede het besmeerd was, had doen smelten. Iets zoo akeligs, verfoeielijks, belachelijks en schandelijks, als de hondsvot in zijne comische livrei, had mijnheer Gradgrind nooit mogelijk kunnen achten, indien hij het niet als een tastbaar feit voor zich had gezien. En een van zijne model-kinderen was zoover gekomen!In het eerst wilde de hondsvot niet naderbij komen, maar bleef hardnekkig daar omhoog zitten. Eindelijk toegevende, indien zulk een wrevelig gehoorzamen toegeven kon genoemd worden, aan de vriendelijke beden van Sissy—want Louisa wilde hij niet zien of hooren—kwam hij bank voor bank naar beneden, tot hij aan den uitersten rand der manege in het mulle zand stond, zoo ver mogelijk van de plek waar zijn vader zat.„Hoe is het er mee toegegaan?” vroeg zijn vader.„Waarmee toegegaan?” antwoordde de zoon met norsche neerslachtigheid.„Met dien diefstal,” zeide de vader, bij dat woord zijn stem verheffende.„Ik opende de kist zelf in den avond en liet haar op eene reet staan toen ik heenging. Ik had den sleutel, die gevonden is, lang te voren laten maken. Ik liet hem dien ochtend daar vallen, om te doen denken, dat hij er voor gebruikt was. Ik nam het geld niet op eens. Ik hield mij elken avond alsof ik mijn overschot wegsloot, maar deed het niet. Nu weet gij alles.”„Als een donderslag mij getroffen had,” zeide de vader, „zou het mij minder ontzet hebben dan dit.”„Ik zie niet in waarom,” bromde de zoon. „Zooveel menschen worden in vertrouwde betrekkingen gebruikt; en zooveel van de zooveel zullen oneerlijk zijn. Ik heb er u honderdmaal van hooren praten, dat dit een regel was. Hoe kan ik tegen regels aan? Gij hebt anderen met zulke dingen getroost, vader. Troost u zelven nu.”De vader verborg zijn gezicht in zijne handen, en de zoon stond in zijn schandelijk hansworstenpak op een strootje te bijten: zijne handen, waarvan het zwart aan den binnenkant half afgewreven was, geleken naar de handen van een aap. De avond naderde snel; en van tijd tot tijd keerde hij het wit zijner oogen met rusteloos ongeduld naar zijn vader. Die oogen waren het eenige van zijn gezicht, dat leven of uitdrukking vertoonde, zoo dik was de verf daarop gesmeerd.„Gij moet naarLiverpoolworden geholpen en het land uitgezonden.”„Dat zal wel moeten. Ik kan toch ergens anders niet ongelukkiger zijn dan ik hier geweest ben zoolang mij heugt,” jankte de hondsvot. „Dat is één geluk.”Mijnheer Gradgrind ging naar de deur en kwam met Sleary terug, aan wien hij de vraag voorstelde, hoe dat jammerlijke voorwerp uit den weg te helpen?„Wel, daarover heb ik al gedacht, jonker. Er is niet veel tijd te verliezen, maar gij moet toch ja of neen zeggen. Het is over de twintig mijlen naar den spoorweg. Over een half uur rijdt er een diligence, die de passagiers op den posttrein moet brengen. Die trein rijdt rechtdoor naarLiverpool.”„Maar zie hem eens aan,” zuchtte mijnheer Gradgrind. „Hoe...”„Ik meen niet dat hij met de comische livrei moet gaan,” zeide Sleary. „Zeg het maar, en ik zal hem binnen vijf minuten uit onze garderobe tot eenjoskinmaken.”„Ik begrijp u niet,” zeide mijnheer Gradgrind hierop.„Eenjoskin—een karreman. Neem spoedig uw besluit, jonker. Er moet nog bier gehaald worden. Ik heb nooit iets gevonden zoo goed als bier, om een geschilderden moor schoon te wasschen.”Mijnheer Gradgrind gaf snel zijne toestemming; Sleary haalde even snel een linnen kiel, een vilten hoed en andere benoodigdheden uit eene kist; de hondsvot ging achter een scherm en verwisselde snel van kleederen; en Sleary haalde bier en wiesch hem snel weder blank.„Komaan,” zeide Sleary, „ga nu maar mee naar de diligence, en spring achterop. Ik zal u brengen, en zij zullen denken dat gij een van mijn volk zijt. Zeg uwe familie nu vaarwel, en maak wat voort!” En daarmede was hij kiesch genoeg om zich te verwijderen.„Hier is uw brief,” zeide mijnheer Gradgrind. „Alle noodige middelen zullen u verschaft worden. Vergoed door berouw en een beter gedrag het kwaad dat gij bedreven hebt en de schrikkelijke gevolgen waartoe het geleid heeft. Geef mij de hand, mijn arme jongen, en moge God u vergeven gelijk ik doe.”De schuldige werd door deze woorden en hunhartroerenden toon tot eenige lafhartige tranen bewogen. Maar toen Louisa hare armen opende, stiet hij haar opnieuw terug.„Gij niet. Ik wil niets met u te maken hebben.”„O, Tom, Tom, moet het zoo tusschen ons eindigen, na al mijne liefde?”„Na al uwe liefde?” herhaalde hij met onverzettelijke hardnekkigheid. „Mooie liefde! Ouden Bounderby los te laten, en mijn besten vriend, mijnheer Harthouse, van de hand te zenden, en naar huis te loopen, juist op den tijd dat ik in het grootste gevaar was. Mooie liefde! Alles uit te babbelen, ook dat wij te zamen daarnaar toe waren geweest, toen gij zaagt, dat ik hoe langer hoe meer in het net geraakte. Mooie liefde! Gij hebt mij zoo goed als overgeleverd. Gij hebt nooit om mij gegeven.”„Maak wat voort!” riep Sleary bij de deur.Allen gingen verward naar buiten. Louisa zeide schreiende, dat zij hem vergaf en hem nog liefhad, en dat het hem eens spijten zou, dat hij haar zoo verlaten had, en dan blij zou zijn te kunnen denken, dat dit hare laatste woorden waren; toen er iemand hen tegenkwam. Mijnheer Gradgrind en Sissy, die beiden voor hen uit waren, terwijl zijne zuster hem nog bij den arm hield, bleven staan en deinsden terug.Want daar was Bitzer, geheel buiten adem, zijne dunne lippen opengesperd, zijne dunne neusgaten uitgezet, zijne witgehaarde oogleden trillende, zijn kleurloos gezicht nog kleurloozer dan ooit, alsof hij zich wit-gloeiend had geloopen, terwijl anderen zich rood-gloeiend loopen. Daar stond hij te hijgen, alsof hij nooit had stilgestaan sedert dien avond toen hij vroeger eens tegen hen was aangeloopen.„Het spijt mij dat ik verhindering in uw plan moet brengen,” zeide Bitzer, zijn hoofd schuddende, „maar ik kan mij toch door geene paardrijders laten foppen. Ik moet den jongenheer Tom hebben; en geene paardrijders zullen hem weghelpen. Hier is hij in dien linnen kiel, en ik moet hem hebben.”Hij greep hem bij den kraag en nam hem aldus in bezit.
XXXV.DE HONDSVOT-JACHT.Eer nog de kring, die zich om de Oude Helschacht gevormd had, gebroken werd, was een dergenen, die binnen dezen kring waren toegelaten, verdwenen. Bounderby en Tom, die zijn patroon thans als zijne schaduw vergezelde, hadden niet bij Louisa gestaan, terwijl zij haar vader bij den arm vasthield, maar op een afstand ver van de anderen. Toen mijnheer Gradgrind naar den lijder werd geroepen, sloop Sissy, oplettend op al wat er gebeurde, achter Tom—wiens gezicht, waarop een angstig afgrijzen geteekend stond, een belangwekkend schouwspel zou geweest zijn, indien men oogen had gehad voor eenig ander schouwspel behalve dat eene—en fluisterde hem iets in het oor. Zonder zijn hoofd om te draaien, sprakhijeenige oogenblikken met haar en verdween toen. Aldus was de hondsvot reeds buiten den kring, eer deze zich begon te verspreiden.Toen de vader thuis kwam, zond hij eene boodschap naar Bounderby, om te verzoeken, dat zijn zoon terstond bij hem zou komen. Het antwoord was, dat Bounderby, daar hij Tom in het gedrang gemist en sedert niet weder gezien had, gemeend had dat hij zich opStone Lodgebevond.„Ik geloof, vader,” zeide Louisa, „dat hij van avond niet weder in de stad zal komen.”Mijnheer Gradgrind keerde zich om en sprak geen woord meer.Des morgens ging hij zelf naar het kantoor, zoodra dit open was, en toen hij de plaats van zijn zoon ledig zag (hij had eerst haast den moed niet om binnen te kijken) ging hij de straat langs terug, om Bounderby op zijn weg daarheen te ontmoeten, en gaf dezen te kennen, dat hij het om redenen, die hij spoedig zou openbaren, maar dringend verzocht hem nu niet af te vragen, noodig had geacht zijn zoon voor korten tijd elders te plaatsen; en dat hij voorts belast was met de verplichting om de nagedachtenis van Stephen Blackpool te zuiveren en den dief bekend te maken. Mijnheer Bounderby, geheel verstomd, bleef, nadat zijn schoonvader hem verlaten had, stokstijf op de straat staan, zwellende als eene reusachtige zeepbel, maar lang zoo fraai niet.Mijnheer Gradgrind ging naar huis, sloot zich in zijne kamer op en bleef daar den geheelen dag. Toen Sissy en Louisa aan zijne deur klopten, zeide hij, zonder die te openen: „Nu niet, lieve kinderen, van avond.” Toen zij des avonds terugkwamen, zeide hij: „Ik ben er nog niet toe in staat—morgen.” Hij at den geheelen dag niets, en liet, toen het donker werd, geen licht komen; en zij hoorden hem tot laat in den nacht heen en weder stappen.In den ochtend kwam hij echter op het gewone uur aan het ontbijt en zette zich aan de tafel op zijne gewone plaats. Hij zag er verouderd en vervallen uit, en was geheel terneergebogen; en toch zag men het hem aan, dat hij een wijzer en beter man was, dan in de dagen toen hij in dit leven niets anders noodig had dan feiten. Eer hij de kamer verliet, bepaalde hij een tijd dat zij bij hem zouden komen; en zoo ging hij heen, met het grijze hoofd op de borst gezonken.„Lieve vader,” zeide Louisa, toen zij bij hem waren gekomen, „gij hebt nog drie jonge kinderen over. Zij zullen anders worden, enikzal met ’s Hemels hulp ook nog anders worden.”Zij reikte Sissy hare hand toe, alsof zij toonen wilde, dat zij daarbij ook op hare hulp rekende.„Uw rampzalige broeder!” zeide mijnheer Gradgrind. „Denkt gij, dat hij den diefstal reeds voorhad toen hij met u naar dat huis ging?”„Ik vrees van ja, vader. Ik weet, dat hij zeer om geld verlegen was en veel verteerd had.”„En daar die arme man de stad zou verlaten, kwam het in zijne booze gedachten op, om de verdenking op hem te doen vallen?”„Ik geloof, dat het hem moet ingevallen zijn terwijl hij daar zat, vader; want ik had hem gevraagd om met mij daarheen te gaan. Dat bezoek was geen verzinsel van hem.”„Hij had ook een gesprek met dien armen man. Nam hij hem ter zijde?”„Hij nam hem buiten de kamer. Ik vroeghem naderhand waarom hij dat gedaan had, en hij gaf eene aannemelijke reden op; maar sedert gisteravond, vader, en als ik mij nu de omstandigheden herinner, vrees ik, dat ik mij maar al te goed kan verbeelden wat er tusschen hen is omgegaan.”„Laat mij eens hooren,” zeide haar vader, „of uwe gedachten uw schuldigen broeder in hetzelfde ongunstige licht plaatsen als de mijne.”„Ik vrees, vader,” antwoordde Louisa aarzelend, „dat hij Stephen Blackpool iets moet hebben wijs gemaakt, misschien in mijn naam iets beloofd, of in zijn eigen naam—dat den man bewoog om zonder eenig kwaad opzet en ter goeder trouw, te doen wat hij voorheen nog nooit gedaan had, en die twee of drie avonden, voordat hij de stad verliet, voor het kantoor te blijven heen en weer dwalen.”„Maar al te duidelijk!” zeide haar vader. „Maar al te duidelijk!”Hij hield zijne hand voor zijn gezicht en zweeg eene poos. Zich toen herstellende, zeide hij:„En hoe is hij nu te vinden? Hoe is hij uit de handen van het gerecht te houden? Hoe zullen wij hem vinden, in de weinige uren, die ik met mogelijkheid kan laten verloopen eer ik de waarheid openbaar maak, en hoe zullen wij tegelijk zorgen, dat niemand anders hem vindt? Met geene tienduizend pond zou dat te doen zijn.”„Sissy heeft het reeds gedaan, vader.”Hij sloeg de oogen op naar de plek waar zij stond, als ware zij de goede fee in zijn huis, en zeide op een toon van weemoedige teederheid en dankbaarheid: „Altijd zijt gij het, mijn kind!”„Wij waren er al vroeger dan gisteren voor bevreesd,” zeide Sissy, met een blik naar Louisa; „en toen ik u gisteravond bij de draagbaar zag komen en hoorde wat er gezegd werd (want ik bleef steeds dicht bij Rachel), ging ik naar hem toe, terwijl niemand het zag, en zeide: „Kijk niet naar mij om. Zie met wien uw vader spreekt. Neem terstond de vlucht, om zijn en uw eigen wil.” Hij stond al te beven eer ik hem dit toefluisterde, en toen schrikte en beefde hij nog meer, en zeide: „Waar kan ik naar toe gaan? Ik heb maar heel weinig geld, en ik weet niet wie mij zal verbergen.” Toen dacht ik aan het paardenspel, waar mijn vader in geweest is. Ik heb niet vergeten waar mijnheer Sleary in dezen tijd van het jaar heen gaat, en ik las pas voor kort van hem in eene courant. Ik zeide hem dus, spoedig daarheen te gaan, zijn naam te zeggen, en mijnheer Sleary te vragen om hem te verbergen totdat ik kwam. „Ik zal nog vóór den ochtend bij hem zijn,” zeide hij; en ik zag hem tusschen de menschen heensluipen.”„De Hemel zij gedankt!” riep zijn vader uit. „Hij kan dan nog het land uitgeholpen worden.”Dit was te meer waarschijnlijk, omdat de stad, waarheen Sissy hem verwezen had, binnen de drie uren reizens vanLiverpoolwas gelegen, van waar hij met allen spoed naar ieder gedeelte der wereld kon worden overgebracht. Maar dewijl men nu voorzichtig moest wezen in het houden van gemeenschap met hem—want met ieder uur steeg het gevaar, dat hij verdacht zou worden, en niemand kon weten of Bounderby zelf niet, in zijn bluffenden ijver voor het algemeene welzijn, eene Romeinsche rol zou willen spelen—werd er afgesproken, dat Sissy en Louisa zich langs een omweg alleen naar de bedoelde plaats zouden begeven, en dat de ongelukkige vader, eene geheel tegenovergestelde richting inslaande, zich langs een nog grooter omweg bij haarzoukomen voegen. Verder werd er bepaald, dat mijnheer Gradgrind zich niet zelf aan Sleary zou vertoonen, uit vrees dat zijne oogmerken verkeerd begrepen zouden worden, of dat de tijding zijner komst zijn zoon opnieuw de vlucht zou doen nemen; maar dat het openen der onderhandeling aan Sissy en Louisa zou worden overgelaten, en dat deze den rampzalige, die de oorzaak van zooveel ellende en schande was, zouden onderrichten, dat zijn vader in de nabijheid was en met welk oogmerk zij gekomen waren. Toen deze beschikkingen wel overwogen en door alle drie ten volle begrepen waren, was het ook tijd om een begin met de uitvoering te gaan maken. Vroeg in den namiddag ging mijnheer Gradgrind van zijn huis af recht het land door naar een spoorwegstation, van waar hij verder zou reizen; en in den avond begaven de twee anderen zich naar een geheel anderen kant op weg, bemoedigd door de gedachte, dat zij geen gezicht gezien hadden, hetwelk haar bekend was.Zij reisden den geheelen nacht door, behalve wanneer zij voor zeker oneffen getal minuten op tusschenstations aan zijwegen werden gelaten, die boven aan eene eindelooze trap of beneden in een diepte waren gelegen—het eenige verschil tusschen die stations;—en vroeg in den morgen werden zij afgezet op een stuk drasland, een paar mijlen van de stad, die zij zochten. Van deze akelige plek werden zij verlost door een ruwen ouden postiljon, die toevallig vroeg op was, en met een paard en sjees aankwam; en zoo werden zij de stad binnengesmokkeld door al de achterstraatjes waar varkens woonden; een toegang die, hoewel niet zeer prachtig of welriekend, toch de gewone weg van een tusschenstation naar een landstadje is.Het eerste, wat zij bij het inkomen der stad zagen, was het geraamte van Sleary’s paardenspel. De troep was naar eene andere stad, meer dan twintig mijlen ver, vertrokken, en had daar den vorigen avond reeds gespeeld.Het middel van gemeenschap tusschen de twee plaatsen bestond in een heuvelachtigen grindweg, en het bereizen van dien weg ging zeer langzaam. Schoon zij maar een haastig ontbijt gebruikten en geene rust namen (welke zij onder zulke beangstigende omstandigheden toch vruchteloos zouden gezocht hebben), was het middag eer zij de biljetten van Sleary’s paardenspel op schuttingen en schuren aangeplakt vonden, en één uur voordat zij op de markt stilhielden.Eene groote ochtend-voorstelling der kunstrijders, die op dat uur zou beginnen, werd juist toen zij den eersten voetstap op de straatsteenen deden, door den stadsomroeper aangekondigd. Sissy gaf den raad, ten einde in de stad geene aandacht te trekken, om naar de deur van het spel te gaan en plaatsen te nemen. Indien Sleary daar zat om geld aan te nemen, zou hij haar zeker herkennen en met voorzichtigheid te werk gaan. Als hij daar niet was, zou hij haar zeker in het spel zien; en wetende, wat hij met den vluchteling gedaan had, zou hij ook dan met voorzichtigheid handelen.Zij begaven zich dus met angstig kloppende harten naar de nog welbekende tent. De vlag was er, en de gothieke nis was er; maar mijnheer Sleary was er niet. De jongeheer Kidderminster, die eigenlijk al te veel van den stal had overgenomen om door de welwillendste lichtgeloovigheid nog langer voor Cupido te worden aangezien, had zich naar de onweerstaanbare macht der omstandigheden (waaronder ook zijn baard) gevoegd, en als een man, die zich overal bruikbaar wist te maken, had hij bij deze gelegenheid het beheer over de schatkist—en ook nog eene trom bij de hand, waaraan hij zijne ledige oogenblikken en zijne overtollige kracht kon besteden. Door de nauwlettendheid, waarmede mijnheer Kidderminster, als hij deze betrekking waarnam, op de valsche munt toezag, die men hem somtijds in de handen wilde stoppen, had hij voor niets anders oogen dan voor het geld; aldus ging Sissy hem onopgemerkt voorbij en kwamen zij binnen.De keizer vanJapan, op een oud en mak wit paard, met zwarte vlekken beschilderd, rondrijdende, liet vijf waschkommen tegelijk door de lucht draaien,—de geliefkoosde uitspanning van dien monarch. Sissy, schoon welbekend met zijn vorstelijk geslacht, had geene persoonlijke kennis aan den tegenwoordigen keizer, en zijne regeering bleef ongestoord. Miss Josephine Sleary, die haar vermaarden Tiroler Bloemendans zou uitvoeren, werd daarop door een nieuwenclownaangekondigd (die met schertsende geestigheid Bloemkooldans zeide) en door mijnheer Sleary binnengeleid.Nog pas één slag had mijnheer Sleary met zijne lange zweep naar denclowngedaan, en pas had declowngezegd: „Als ge dat weer doet, zal ik je het paard naar den kop smijten!” toen Sissy door vader en dochter beiden herkend werd. Beiden bleven echter met de grootste zelfbeheersching in hunne rol; en behalve in het eerste oogenblik, was er in het beweeglijke oog van mijnheer Sleary niet meer uitdrukking te bespeuren dan in het daarop volgende. De voorstelling kwam Sissy en Louisa wel wat lang voor, inzonderheid toen zij gestaakt werd om denclowngelegenheid te geven aan mijnheer Sleary (die ieder gezegde op den bedaardst mogelijken toon met een: „Ei zoo, mijnheer!” beantwoordde, en gestadig het publiek in het oog hield) eene vertelling te doen van tweebeen, die op driebeen naar eenbeen zat te kijken, toen vierbeen aankwam en eenbeen pakte, en tweebeen opstond en driebeen opnam en hem naar vierbeen gooide, die met eenbeen weg liep. Want hoewel deze geestige allegorie betrekking had op een slager, een driestal, een hond en een schapebout, kostte dit verhaal wel wat veel tijd voor hun ongeduld. Eindelijk echter maakte de blonde Josephine onder een algemeen gejuich haar compliment; en declown, alleen in de manege gebleven, had zich juist in de handen gewreven en gezegd: „Nu is het mijne beurt!” toen Sissy op haar schouder werd getikt en gewenkt om buiten te komen.Zij nam Louisa mede; en zij werden door mijnheer Sleary ontvangen in een zeer klein afzonderlijk vertrekje met een vloer van gras, wanden van zeildoek, en eene hellende zoldering, waarop een gedeelte van het publiek zijne goedkeuring stampte alsof het er doorheen zou komen.„Cecilia!” zeide mijnheer Sleary, die een glas brandewijn met water bij de hand had, „het doet mij goed, dat ik u zie. Gij zijt altijd een lieveling van ons geweest, en gij hebt ons sedert dien ouden tijd eer aangedaan, dat geloof ik zeker. Gij moet onze lieden zien, liefje, eer wij over zaken spreken, of het zal hun het hart breken, vooral de vrouwen. Daar is Josephine, die is nu met E. W. B. Childers getrouwd, en zij heeft een kleinen jongen, die pas drie jaar oud is, maar toch op elken hit blijft zitten dien men maar bij hem brengen kan. Hij heet het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, en als gij bij Astley niet van dien jongen hoort, zult ge teParijsvan hem hooren. En gij zult Kidderminster nog wel kennen, die men dacht dat een oogje op u had? Wel, hij is ook getrouwd. Hij heeft eene weduwe genomen, oud genoeg om zijne moeder te zijn. Zij was op de stijve koord, maar nu kan ze niets meer, omdat ze te dik is. Zij hebben twee kinderen, en dus zijn wij goed voorzien van toovergodinnetjes en kleine wichtjes. Als ge onze Kinderen in het Bosch eens kondt zien, met hun vader en moeder, die allebei te paard sterven—hun oom, die ze als voogd onder zijnebescherming neemt, ook te paard—zij zelven, die braambessen gaan zoeken, ook te paard—en de roodborstjes, die hen met bladeren komen bedekken, ook te paard—dan zoudt ge zeggen, dat het ding zoo compleet was als ge ooit iets gezien had. Gij herinnert u Emma Gordon nog wel, liefje, die haast zoo goed als eene moeder voor u was? Natuurlijk doet gij het, dat behoef ik niet te vragen. Wel, Emma heeft haar man verloren. Hij deed een zwaren val van een olifant in eene soort van pagode als de Sultan vanIndië, en dat is hij nooit te boven gekomen; zij is toen voor de tweede maal getrouwd—zij heeft een kaaskooper gekregen, die van de voorste bank af zin in haar kreeg—en die nu opzichter is van een werkhuis en fortuin maakt.”Deze verschillende veranderingen verhaalde Sleary, die nu zeer kortademig was, met groote hartelijkheid en eene verwonderlijke soort van naïveteit, als men bedacht welk een veteraan in het brandewijn-drinken hij was. Naderhand bracht hij Josephine en E. W. B. Childers binnen (wiens wangen bij daglicht al vrij diepe plooien hadden) en ook het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, kortom den geheelen troep. Vreemd zagen de vrouwen er in Louisa’s oogen uit, zoo wit en rood van kleur, zoo karig gekleed en zoo gul met het vertoonen harer beenen; maar het was iets streelends te zien, hoe zij elkander om Sissy verdrongen, en zeer natuurlijk dat Sissy zich niet van tranen kon onthouden.„Komaan! Nu heeft Cecilia al de kinderen gezoend, en al de vrouwen omhelsd, en al de mannen de hand gegeven; maakt nu allen dat ge wegkomt, en laat de muziek beginnen voor de tweede afdeeling,” zeide Sleary.Zoodra de anderen weg waren, vervolgde hij zacht: „Nu, Cecilia, ik vraag naar geen geheim, maar ik geloof, dat ik deze dame toch voor de jongejuffrouw van den jonker mag houden?”„Dit is zijne zuster. Ja.”„En de dochter van den anderen? Dat is wat ik meen. Ik hoop, dat ik u wél zie, juffrouw. En ik hoop, dat de jonker ook wel is?”„Mijn vader zal spoedig hier zijn,” antwoordde Louisa, zeer verlangend om ter zake te komen. „Is mijn broeder veilig?”„Gezond en frisch,” antwoordde hij. „Ik wilde u eens even naar de manege laten kijken, hier door de reet. Cecilia, gij kent het kunstje; zoek maar een kijkgaatje voor u zelf.”Beiden tuurden door eene reet in de planken.„Dat is Jack de Reuzendooder—een comisch kinderstukje,” zeide Sleary.„Dat is een huisje voor Jack, om in te kruipen, en dat is mijnclownmet een potdeksel en een spit, als de knecht van Jack; en daar is kleine Jack zelf in eene prachtige wapenrusting; en daar zijn twee comische zwarte knechts, tweemaal zoo groot als het huisje, om er bij te staan en het binnen te brengen en weer weg te dragen; en de reus (van mandewerk, die mij veel geld gekost heeft) is er nog niet. Ziet gij ze allemaal?”„Ja,” zeiden beiden.„Kijk nu nog eens,” hervatte Sleary, „en kijk goed. Ziet gij ze allemaal? Heel goed! Nu, juffrouw,” hij zette een bank voor haar om op te zitten, „ik heb mijne begrippen, en de jonker uw vader heeft de zijne. Ik behoef niet te weten wat uw broeder heeft uitgevoerd; het is beter zelfs, dat ik het niet weet. Al wat ik zeg is: de jonker heeft Cecilia bijgestaan, en ik sta den jonker bij. Uw broeder is een van die zwarte knechts.”Louisa liet een uitroep hooren, half van schrik, half van blijdschap.„Zoo is het,” zeide Sleary, „en zelfs nu gij het weet, zoudt ge hem niet kunnen aanwijzen. Laat de jonker maar komen. Ik zal uw broeder na de voorstelling hier houden. Ik zal hem zich niet laten verkleeden of de verf afwasschen. Laat de jonker dan na de voorstelling hier komen, of kom zelf hier; gij zult uw broeder hier vinden en de geheele tent hebben om hem te spreken. Gij moet er u niet aan storen hoe hij er uitziet, als hij maar goed verscholen is.”Louisa bedankte mijnheer Sleary met een verruimd hart, en hield hem toen niet langer op. Zij gaf haar groet aan haar broeder, met oogen vol tranen, en ging toen met Sissy heen tot later in den namiddag.Mijnheer Gradgrind kwam een uur later aan. Ook hij had niemand ontmoet die hij kende, en hoopte nu zeker, dat hij zijn geschandvlekten zoon, met hulp van Sleary, in den nacht naarLiverpoolzou kunnen krijgen. Daar geen van drieën hem kon vergezellen, zonder aanleiding te geven dat hij, hoezeer ook vermomd, ontdekt werd, schreef hij een brief aan een correspondent, wien hij vertrouwen kon, waarin hij verzocht om den brenger, wat het ook kosten mocht, naarNoord- ofZuid-Amerika, of eenig ander afgelegen werelddeel te zenden, waarheen hij maar op de spoedigste en heimelijkste manier kon verzonden worden. Nadat dit gedaan was, gingen zij rondwandelen om te wachten dat het paardenspel geheel ledig was; namelijk tot niet alleen de toeschouwers, maar ook de rijders en de paarden het ontruimd hadden. Eindelijk zag hij Sleary een stoel buiten brengen en bij de zijdeur gaan zitten rooken, als een teeken dat zij konden naderen.„Uw dienaar, jonker,” was zijn voorzichtige groet toen zij binnengingen. „Als ge mij noodig hebt, zult ge mij hier vinden. Gij moet er u niet aan storen dat uw zoon eene comische livrei draagt.”Zij gingen alle drie naar binnen; en mijnheer Gradgrind zette zich neerslachtig neer op het bankje van denclownin het midden der manege. Op een der achterste banken, veraf in het schemerende licht van die vreemde plaats, zat de ellendige hondsvot, ook nu nog stug en wrevelig, wien hij het verdriet had zijn zoon te moeten noemen.Daar zat hij, in een allerzotsten rok, naar dien van een kerkeknecht in groot kostuum gelijkende, met onbeschrijfelijk overdrevene panden en opslagen; met een vervaarlijk vest, korte broek, schoenen met gespen en een razenden steekhoed; met niets dat hem paste, en alles van grove stof, door de motten afgeknaagd en vol gaten; met strepen over zijn zwart gezicht, waar angst en warmte het vettige mengsel, waarmede het besmeerd was, had doen smelten. Iets zoo akeligs, verfoeielijks, belachelijks en schandelijks, als de hondsvot in zijne comische livrei, had mijnheer Gradgrind nooit mogelijk kunnen achten, indien hij het niet als een tastbaar feit voor zich had gezien. En een van zijne model-kinderen was zoover gekomen!In het eerst wilde de hondsvot niet naderbij komen, maar bleef hardnekkig daar omhoog zitten. Eindelijk toegevende, indien zulk een wrevelig gehoorzamen toegeven kon genoemd worden, aan de vriendelijke beden van Sissy—want Louisa wilde hij niet zien of hooren—kwam hij bank voor bank naar beneden, tot hij aan den uitersten rand der manege in het mulle zand stond, zoo ver mogelijk van de plek waar zijn vader zat.„Hoe is het er mee toegegaan?” vroeg zijn vader.„Waarmee toegegaan?” antwoordde de zoon met norsche neerslachtigheid.„Met dien diefstal,” zeide de vader, bij dat woord zijn stem verheffende.„Ik opende de kist zelf in den avond en liet haar op eene reet staan toen ik heenging. Ik had den sleutel, die gevonden is, lang te voren laten maken. Ik liet hem dien ochtend daar vallen, om te doen denken, dat hij er voor gebruikt was. Ik nam het geld niet op eens. Ik hield mij elken avond alsof ik mijn overschot wegsloot, maar deed het niet. Nu weet gij alles.”„Als een donderslag mij getroffen had,” zeide de vader, „zou het mij minder ontzet hebben dan dit.”„Ik zie niet in waarom,” bromde de zoon. „Zooveel menschen worden in vertrouwde betrekkingen gebruikt; en zooveel van de zooveel zullen oneerlijk zijn. Ik heb er u honderdmaal van hooren praten, dat dit een regel was. Hoe kan ik tegen regels aan? Gij hebt anderen met zulke dingen getroost, vader. Troost u zelven nu.”De vader verborg zijn gezicht in zijne handen, en de zoon stond in zijn schandelijk hansworstenpak op een strootje te bijten: zijne handen, waarvan het zwart aan den binnenkant half afgewreven was, geleken naar de handen van een aap. De avond naderde snel; en van tijd tot tijd keerde hij het wit zijner oogen met rusteloos ongeduld naar zijn vader. Die oogen waren het eenige van zijn gezicht, dat leven of uitdrukking vertoonde, zoo dik was de verf daarop gesmeerd.„Gij moet naarLiverpoolworden geholpen en het land uitgezonden.”„Dat zal wel moeten. Ik kan toch ergens anders niet ongelukkiger zijn dan ik hier geweest ben zoolang mij heugt,” jankte de hondsvot. „Dat is één geluk.”Mijnheer Gradgrind ging naar de deur en kwam met Sleary terug, aan wien hij de vraag voorstelde, hoe dat jammerlijke voorwerp uit den weg te helpen?„Wel, daarover heb ik al gedacht, jonker. Er is niet veel tijd te verliezen, maar gij moet toch ja of neen zeggen. Het is over de twintig mijlen naar den spoorweg. Over een half uur rijdt er een diligence, die de passagiers op den posttrein moet brengen. Die trein rijdt rechtdoor naarLiverpool.”„Maar zie hem eens aan,” zuchtte mijnheer Gradgrind. „Hoe...”„Ik meen niet dat hij met de comische livrei moet gaan,” zeide Sleary. „Zeg het maar, en ik zal hem binnen vijf minuten uit onze garderobe tot eenjoskinmaken.”„Ik begrijp u niet,” zeide mijnheer Gradgrind hierop.„Eenjoskin—een karreman. Neem spoedig uw besluit, jonker. Er moet nog bier gehaald worden. Ik heb nooit iets gevonden zoo goed als bier, om een geschilderden moor schoon te wasschen.”Mijnheer Gradgrind gaf snel zijne toestemming; Sleary haalde even snel een linnen kiel, een vilten hoed en andere benoodigdheden uit eene kist; de hondsvot ging achter een scherm en verwisselde snel van kleederen; en Sleary haalde bier en wiesch hem snel weder blank.„Komaan,” zeide Sleary, „ga nu maar mee naar de diligence, en spring achterop. Ik zal u brengen, en zij zullen denken dat gij een van mijn volk zijt. Zeg uwe familie nu vaarwel, en maak wat voort!” En daarmede was hij kiesch genoeg om zich te verwijderen.„Hier is uw brief,” zeide mijnheer Gradgrind. „Alle noodige middelen zullen u verschaft worden. Vergoed door berouw en een beter gedrag het kwaad dat gij bedreven hebt en de schrikkelijke gevolgen waartoe het geleid heeft. Geef mij de hand, mijn arme jongen, en moge God u vergeven gelijk ik doe.”De schuldige werd door deze woorden en hunhartroerenden toon tot eenige lafhartige tranen bewogen. Maar toen Louisa hare armen opende, stiet hij haar opnieuw terug.„Gij niet. Ik wil niets met u te maken hebben.”„O, Tom, Tom, moet het zoo tusschen ons eindigen, na al mijne liefde?”„Na al uwe liefde?” herhaalde hij met onverzettelijke hardnekkigheid. „Mooie liefde! Ouden Bounderby los te laten, en mijn besten vriend, mijnheer Harthouse, van de hand te zenden, en naar huis te loopen, juist op den tijd dat ik in het grootste gevaar was. Mooie liefde! Alles uit te babbelen, ook dat wij te zamen daarnaar toe waren geweest, toen gij zaagt, dat ik hoe langer hoe meer in het net geraakte. Mooie liefde! Gij hebt mij zoo goed als overgeleverd. Gij hebt nooit om mij gegeven.”„Maak wat voort!” riep Sleary bij de deur.Allen gingen verward naar buiten. Louisa zeide schreiende, dat zij hem vergaf en hem nog liefhad, en dat het hem eens spijten zou, dat hij haar zoo verlaten had, en dan blij zou zijn te kunnen denken, dat dit hare laatste woorden waren; toen er iemand hen tegenkwam. Mijnheer Gradgrind en Sissy, die beiden voor hen uit waren, terwijl zijne zuster hem nog bij den arm hield, bleven staan en deinsden terug.Want daar was Bitzer, geheel buiten adem, zijne dunne lippen opengesperd, zijne dunne neusgaten uitgezet, zijne witgehaarde oogleden trillende, zijn kleurloos gezicht nog kleurloozer dan ooit, alsof hij zich wit-gloeiend had geloopen, terwijl anderen zich rood-gloeiend loopen. Daar stond hij te hijgen, alsof hij nooit had stilgestaan sedert dien avond toen hij vroeger eens tegen hen was aangeloopen.„Het spijt mij dat ik verhindering in uw plan moet brengen,” zeide Bitzer, zijn hoofd schuddende, „maar ik kan mij toch door geene paardrijders laten foppen. Ik moet den jongenheer Tom hebben; en geene paardrijders zullen hem weghelpen. Hier is hij in dien linnen kiel, en ik moet hem hebben.”Hij greep hem bij den kraag en nam hem aldus in bezit.
XXXV.DE HONDSVOT-JACHT.
Eer nog de kring, die zich om de Oude Helschacht gevormd had, gebroken werd, was een dergenen, die binnen dezen kring waren toegelaten, verdwenen. Bounderby en Tom, die zijn patroon thans als zijne schaduw vergezelde, hadden niet bij Louisa gestaan, terwijl zij haar vader bij den arm vasthield, maar op een afstand ver van de anderen. Toen mijnheer Gradgrind naar den lijder werd geroepen, sloop Sissy, oplettend op al wat er gebeurde, achter Tom—wiens gezicht, waarop een angstig afgrijzen geteekend stond, een belangwekkend schouwspel zou geweest zijn, indien men oogen had gehad voor eenig ander schouwspel behalve dat eene—en fluisterde hem iets in het oor. Zonder zijn hoofd om te draaien, sprakhijeenige oogenblikken met haar en verdween toen. Aldus was de hondsvot reeds buiten den kring, eer deze zich begon te verspreiden.Toen de vader thuis kwam, zond hij eene boodschap naar Bounderby, om te verzoeken, dat zijn zoon terstond bij hem zou komen. Het antwoord was, dat Bounderby, daar hij Tom in het gedrang gemist en sedert niet weder gezien had, gemeend had dat hij zich opStone Lodgebevond.„Ik geloof, vader,” zeide Louisa, „dat hij van avond niet weder in de stad zal komen.”Mijnheer Gradgrind keerde zich om en sprak geen woord meer.Des morgens ging hij zelf naar het kantoor, zoodra dit open was, en toen hij de plaats van zijn zoon ledig zag (hij had eerst haast den moed niet om binnen te kijken) ging hij de straat langs terug, om Bounderby op zijn weg daarheen te ontmoeten, en gaf dezen te kennen, dat hij het om redenen, die hij spoedig zou openbaren, maar dringend verzocht hem nu niet af te vragen, noodig had geacht zijn zoon voor korten tijd elders te plaatsen; en dat hij voorts belast was met de verplichting om de nagedachtenis van Stephen Blackpool te zuiveren en den dief bekend te maken. Mijnheer Bounderby, geheel verstomd, bleef, nadat zijn schoonvader hem verlaten had, stokstijf op de straat staan, zwellende als eene reusachtige zeepbel, maar lang zoo fraai niet.Mijnheer Gradgrind ging naar huis, sloot zich in zijne kamer op en bleef daar den geheelen dag. Toen Sissy en Louisa aan zijne deur klopten, zeide hij, zonder die te openen: „Nu niet, lieve kinderen, van avond.” Toen zij des avonds terugkwamen, zeide hij: „Ik ben er nog niet toe in staat—morgen.” Hij at den geheelen dag niets, en liet, toen het donker werd, geen licht komen; en zij hoorden hem tot laat in den nacht heen en weder stappen.In den ochtend kwam hij echter op het gewone uur aan het ontbijt en zette zich aan de tafel op zijne gewone plaats. Hij zag er verouderd en vervallen uit, en was geheel terneergebogen; en toch zag men het hem aan, dat hij een wijzer en beter man was, dan in de dagen toen hij in dit leven niets anders noodig had dan feiten. Eer hij de kamer verliet, bepaalde hij een tijd dat zij bij hem zouden komen; en zoo ging hij heen, met het grijze hoofd op de borst gezonken.„Lieve vader,” zeide Louisa, toen zij bij hem waren gekomen, „gij hebt nog drie jonge kinderen over. Zij zullen anders worden, enikzal met ’s Hemels hulp ook nog anders worden.”Zij reikte Sissy hare hand toe, alsof zij toonen wilde, dat zij daarbij ook op hare hulp rekende.„Uw rampzalige broeder!” zeide mijnheer Gradgrind. „Denkt gij, dat hij den diefstal reeds voorhad toen hij met u naar dat huis ging?”„Ik vrees van ja, vader. Ik weet, dat hij zeer om geld verlegen was en veel verteerd had.”„En daar die arme man de stad zou verlaten, kwam het in zijne booze gedachten op, om de verdenking op hem te doen vallen?”„Ik geloof, dat het hem moet ingevallen zijn terwijl hij daar zat, vader; want ik had hem gevraagd om met mij daarheen te gaan. Dat bezoek was geen verzinsel van hem.”„Hij had ook een gesprek met dien armen man. Nam hij hem ter zijde?”„Hij nam hem buiten de kamer. Ik vroeghem naderhand waarom hij dat gedaan had, en hij gaf eene aannemelijke reden op; maar sedert gisteravond, vader, en als ik mij nu de omstandigheden herinner, vrees ik, dat ik mij maar al te goed kan verbeelden wat er tusschen hen is omgegaan.”„Laat mij eens hooren,” zeide haar vader, „of uwe gedachten uw schuldigen broeder in hetzelfde ongunstige licht plaatsen als de mijne.”„Ik vrees, vader,” antwoordde Louisa aarzelend, „dat hij Stephen Blackpool iets moet hebben wijs gemaakt, misschien in mijn naam iets beloofd, of in zijn eigen naam—dat den man bewoog om zonder eenig kwaad opzet en ter goeder trouw, te doen wat hij voorheen nog nooit gedaan had, en die twee of drie avonden, voordat hij de stad verliet, voor het kantoor te blijven heen en weer dwalen.”„Maar al te duidelijk!” zeide haar vader. „Maar al te duidelijk!”Hij hield zijne hand voor zijn gezicht en zweeg eene poos. Zich toen herstellende, zeide hij:„En hoe is hij nu te vinden? Hoe is hij uit de handen van het gerecht te houden? Hoe zullen wij hem vinden, in de weinige uren, die ik met mogelijkheid kan laten verloopen eer ik de waarheid openbaar maak, en hoe zullen wij tegelijk zorgen, dat niemand anders hem vindt? Met geene tienduizend pond zou dat te doen zijn.”„Sissy heeft het reeds gedaan, vader.”Hij sloeg de oogen op naar de plek waar zij stond, als ware zij de goede fee in zijn huis, en zeide op een toon van weemoedige teederheid en dankbaarheid: „Altijd zijt gij het, mijn kind!”„Wij waren er al vroeger dan gisteren voor bevreesd,” zeide Sissy, met een blik naar Louisa; „en toen ik u gisteravond bij de draagbaar zag komen en hoorde wat er gezegd werd (want ik bleef steeds dicht bij Rachel), ging ik naar hem toe, terwijl niemand het zag, en zeide: „Kijk niet naar mij om. Zie met wien uw vader spreekt. Neem terstond de vlucht, om zijn en uw eigen wil.” Hij stond al te beven eer ik hem dit toefluisterde, en toen schrikte en beefde hij nog meer, en zeide: „Waar kan ik naar toe gaan? Ik heb maar heel weinig geld, en ik weet niet wie mij zal verbergen.” Toen dacht ik aan het paardenspel, waar mijn vader in geweest is. Ik heb niet vergeten waar mijnheer Sleary in dezen tijd van het jaar heen gaat, en ik las pas voor kort van hem in eene courant. Ik zeide hem dus, spoedig daarheen te gaan, zijn naam te zeggen, en mijnheer Sleary te vragen om hem te verbergen totdat ik kwam. „Ik zal nog vóór den ochtend bij hem zijn,” zeide hij; en ik zag hem tusschen de menschen heensluipen.”„De Hemel zij gedankt!” riep zijn vader uit. „Hij kan dan nog het land uitgeholpen worden.”Dit was te meer waarschijnlijk, omdat de stad, waarheen Sissy hem verwezen had, binnen de drie uren reizens vanLiverpoolwas gelegen, van waar hij met allen spoed naar ieder gedeelte der wereld kon worden overgebracht. Maar dewijl men nu voorzichtig moest wezen in het houden van gemeenschap met hem—want met ieder uur steeg het gevaar, dat hij verdacht zou worden, en niemand kon weten of Bounderby zelf niet, in zijn bluffenden ijver voor het algemeene welzijn, eene Romeinsche rol zou willen spelen—werd er afgesproken, dat Sissy en Louisa zich langs een omweg alleen naar de bedoelde plaats zouden begeven, en dat de ongelukkige vader, eene geheel tegenovergestelde richting inslaande, zich langs een nog grooter omweg bij haarzoukomen voegen. Verder werd er bepaald, dat mijnheer Gradgrind zich niet zelf aan Sleary zou vertoonen, uit vrees dat zijne oogmerken verkeerd begrepen zouden worden, of dat de tijding zijner komst zijn zoon opnieuw de vlucht zou doen nemen; maar dat het openen der onderhandeling aan Sissy en Louisa zou worden overgelaten, en dat deze den rampzalige, die de oorzaak van zooveel ellende en schande was, zouden onderrichten, dat zijn vader in de nabijheid was en met welk oogmerk zij gekomen waren. Toen deze beschikkingen wel overwogen en door alle drie ten volle begrepen waren, was het ook tijd om een begin met de uitvoering te gaan maken. Vroeg in den namiddag ging mijnheer Gradgrind van zijn huis af recht het land door naar een spoorwegstation, van waar hij verder zou reizen; en in den avond begaven de twee anderen zich naar een geheel anderen kant op weg, bemoedigd door de gedachte, dat zij geen gezicht gezien hadden, hetwelk haar bekend was.Zij reisden den geheelen nacht door, behalve wanneer zij voor zeker oneffen getal minuten op tusschenstations aan zijwegen werden gelaten, die boven aan eene eindelooze trap of beneden in een diepte waren gelegen—het eenige verschil tusschen die stations;—en vroeg in den morgen werden zij afgezet op een stuk drasland, een paar mijlen van de stad, die zij zochten. Van deze akelige plek werden zij verlost door een ruwen ouden postiljon, die toevallig vroeg op was, en met een paard en sjees aankwam; en zoo werden zij de stad binnengesmokkeld door al de achterstraatjes waar varkens woonden; een toegang die, hoewel niet zeer prachtig of welriekend, toch de gewone weg van een tusschenstation naar een landstadje is.Het eerste, wat zij bij het inkomen der stad zagen, was het geraamte van Sleary’s paardenspel. De troep was naar eene andere stad, meer dan twintig mijlen ver, vertrokken, en had daar den vorigen avond reeds gespeeld.Het middel van gemeenschap tusschen de twee plaatsen bestond in een heuvelachtigen grindweg, en het bereizen van dien weg ging zeer langzaam. Schoon zij maar een haastig ontbijt gebruikten en geene rust namen (welke zij onder zulke beangstigende omstandigheden toch vruchteloos zouden gezocht hebben), was het middag eer zij de biljetten van Sleary’s paardenspel op schuttingen en schuren aangeplakt vonden, en één uur voordat zij op de markt stilhielden.Eene groote ochtend-voorstelling der kunstrijders, die op dat uur zou beginnen, werd juist toen zij den eersten voetstap op de straatsteenen deden, door den stadsomroeper aangekondigd. Sissy gaf den raad, ten einde in de stad geene aandacht te trekken, om naar de deur van het spel te gaan en plaatsen te nemen. Indien Sleary daar zat om geld aan te nemen, zou hij haar zeker herkennen en met voorzichtigheid te werk gaan. Als hij daar niet was, zou hij haar zeker in het spel zien; en wetende, wat hij met den vluchteling gedaan had, zou hij ook dan met voorzichtigheid handelen.Zij begaven zich dus met angstig kloppende harten naar de nog welbekende tent. De vlag was er, en de gothieke nis was er; maar mijnheer Sleary was er niet. De jongeheer Kidderminster, die eigenlijk al te veel van den stal had overgenomen om door de welwillendste lichtgeloovigheid nog langer voor Cupido te worden aangezien, had zich naar de onweerstaanbare macht der omstandigheden (waaronder ook zijn baard) gevoegd, en als een man, die zich overal bruikbaar wist te maken, had hij bij deze gelegenheid het beheer over de schatkist—en ook nog eene trom bij de hand, waaraan hij zijne ledige oogenblikken en zijne overtollige kracht kon besteden. Door de nauwlettendheid, waarmede mijnheer Kidderminster, als hij deze betrekking waarnam, op de valsche munt toezag, die men hem somtijds in de handen wilde stoppen, had hij voor niets anders oogen dan voor het geld; aldus ging Sissy hem onopgemerkt voorbij en kwamen zij binnen.De keizer vanJapan, op een oud en mak wit paard, met zwarte vlekken beschilderd, rondrijdende, liet vijf waschkommen tegelijk door de lucht draaien,—de geliefkoosde uitspanning van dien monarch. Sissy, schoon welbekend met zijn vorstelijk geslacht, had geene persoonlijke kennis aan den tegenwoordigen keizer, en zijne regeering bleef ongestoord. Miss Josephine Sleary, die haar vermaarden Tiroler Bloemendans zou uitvoeren, werd daarop door een nieuwenclownaangekondigd (die met schertsende geestigheid Bloemkooldans zeide) en door mijnheer Sleary binnengeleid.Nog pas één slag had mijnheer Sleary met zijne lange zweep naar denclowngedaan, en pas had declowngezegd: „Als ge dat weer doet, zal ik je het paard naar den kop smijten!” toen Sissy door vader en dochter beiden herkend werd. Beiden bleven echter met de grootste zelfbeheersching in hunne rol; en behalve in het eerste oogenblik, was er in het beweeglijke oog van mijnheer Sleary niet meer uitdrukking te bespeuren dan in het daarop volgende. De voorstelling kwam Sissy en Louisa wel wat lang voor, inzonderheid toen zij gestaakt werd om denclowngelegenheid te geven aan mijnheer Sleary (die ieder gezegde op den bedaardst mogelijken toon met een: „Ei zoo, mijnheer!” beantwoordde, en gestadig het publiek in het oog hield) eene vertelling te doen van tweebeen, die op driebeen naar eenbeen zat te kijken, toen vierbeen aankwam en eenbeen pakte, en tweebeen opstond en driebeen opnam en hem naar vierbeen gooide, die met eenbeen weg liep. Want hoewel deze geestige allegorie betrekking had op een slager, een driestal, een hond en een schapebout, kostte dit verhaal wel wat veel tijd voor hun ongeduld. Eindelijk echter maakte de blonde Josephine onder een algemeen gejuich haar compliment; en declown, alleen in de manege gebleven, had zich juist in de handen gewreven en gezegd: „Nu is het mijne beurt!” toen Sissy op haar schouder werd getikt en gewenkt om buiten te komen.Zij nam Louisa mede; en zij werden door mijnheer Sleary ontvangen in een zeer klein afzonderlijk vertrekje met een vloer van gras, wanden van zeildoek, en eene hellende zoldering, waarop een gedeelte van het publiek zijne goedkeuring stampte alsof het er doorheen zou komen.„Cecilia!” zeide mijnheer Sleary, die een glas brandewijn met water bij de hand had, „het doet mij goed, dat ik u zie. Gij zijt altijd een lieveling van ons geweest, en gij hebt ons sedert dien ouden tijd eer aangedaan, dat geloof ik zeker. Gij moet onze lieden zien, liefje, eer wij over zaken spreken, of het zal hun het hart breken, vooral de vrouwen. Daar is Josephine, die is nu met E. W. B. Childers getrouwd, en zij heeft een kleinen jongen, die pas drie jaar oud is, maar toch op elken hit blijft zitten dien men maar bij hem brengen kan. Hij heet het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, en als gij bij Astley niet van dien jongen hoort, zult ge teParijsvan hem hooren. En gij zult Kidderminster nog wel kennen, die men dacht dat een oogje op u had? Wel, hij is ook getrouwd. Hij heeft eene weduwe genomen, oud genoeg om zijne moeder te zijn. Zij was op de stijve koord, maar nu kan ze niets meer, omdat ze te dik is. Zij hebben twee kinderen, en dus zijn wij goed voorzien van toovergodinnetjes en kleine wichtjes. Als ge onze Kinderen in het Bosch eens kondt zien, met hun vader en moeder, die allebei te paard sterven—hun oom, die ze als voogd onder zijnebescherming neemt, ook te paard—zij zelven, die braambessen gaan zoeken, ook te paard—en de roodborstjes, die hen met bladeren komen bedekken, ook te paard—dan zoudt ge zeggen, dat het ding zoo compleet was als ge ooit iets gezien had. Gij herinnert u Emma Gordon nog wel, liefje, die haast zoo goed als eene moeder voor u was? Natuurlijk doet gij het, dat behoef ik niet te vragen. Wel, Emma heeft haar man verloren. Hij deed een zwaren val van een olifant in eene soort van pagode als de Sultan vanIndië, en dat is hij nooit te boven gekomen; zij is toen voor de tweede maal getrouwd—zij heeft een kaaskooper gekregen, die van de voorste bank af zin in haar kreeg—en die nu opzichter is van een werkhuis en fortuin maakt.”Deze verschillende veranderingen verhaalde Sleary, die nu zeer kortademig was, met groote hartelijkheid en eene verwonderlijke soort van naïveteit, als men bedacht welk een veteraan in het brandewijn-drinken hij was. Naderhand bracht hij Josephine en E. W. B. Childers binnen (wiens wangen bij daglicht al vrij diepe plooien hadden) en ook het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, kortom den geheelen troep. Vreemd zagen de vrouwen er in Louisa’s oogen uit, zoo wit en rood van kleur, zoo karig gekleed en zoo gul met het vertoonen harer beenen; maar het was iets streelends te zien, hoe zij elkander om Sissy verdrongen, en zeer natuurlijk dat Sissy zich niet van tranen kon onthouden.„Komaan! Nu heeft Cecilia al de kinderen gezoend, en al de vrouwen omhelsd, en al de mannen de hand gegeven; maakt nu allen dat ge wegkomt, en laat de muziek beginnen voor de tweede afdeeling,” zeide Sleary.Zoodra de anderen weg waren, vervolgde hij zacht: „Nu, Cecilia, ik vraag naar geen geheim, maar ik geloof, dat ik deze dame toch voor de jongejuffrouw van den jonker mag houden?”„Dit is zijne zuster. Ja.”„En de dochter van den anderen? Dat is wat ik meen. Ik hoop, dat ik u wél zie, juffrouw. En ik hoop, dat de jonker ook wel is?”„Mijn vader zal spoedig hier zijn,” antwoordde Louisa, zeer verlangend om ter zake te komen. „Is mijn broeder veilig?”„Gezond en frisch,” antwoordde hij. „Ik wilde u eens even naar de manege laten kijken, hier door de reet. Cecilia, gij kent het kunstje; zoek maar een kijkgaatje voor u zelf.”Beiden tuurden door eene reet in de planken.„Dat is Jack de Reuzendooder—een comisch kinderstukje,” zeide Sleary.„Dat is een huisje voor Jack, om in te kruipen, en dat is mijnclownmet een potdeksel en een spit, als de knecht van Jack; en daar is kleine Jack zelf in eene prachtige wapenrusting; en daar zijn twee comische zwarte knechts, tweemaal zoo groot als het huisje, om er bij te staan en het binnen te brengen en weer weg te dragen; en de reus (van mandewerk, die mij veel geld gekost heeft) is er nog niet. Ziet gij ze allemaal?”„Ja,” zeiden beiden.„Kijk nu nog eens,” hervatte Sleary, „en kijk goed. Ziet gij ze allemaal? Heel goed! Nu, juffrouw,” hij zette een bank voor haar om op te zitten, „ik heb mijne begrippen, en de jonker uw vader heeft de zijne. Ik behoef niet te weten wat uw broeder heeft uitgevoerd; het is beter zelfs, dat ik het niet weet. Al wat ik zeg is: de jonker heeft Cecilia bijgestaan, en ik sta den jonker bij. Uw broeder is een van die zwarte knechts.”Louisa liet een uitroep hooren, half van schrik, half van blijdschap.„Zoo is het,” zeide Sleary, „en zelfs nu gij het weet, zoudt ge hem niet kunnen aanwijzen. Laat de jonker maar komen. Ik zal uw broeder na de voorstelling hier houden. Ik zal hem zich niet laten verkleeden of de verf afwasschen. Laat de jonker dan na de voorstelling hier komen, of kom zelf hier; gij zult uw broeder hier vinden en de geheele tent hebben om hem te spreken. Gij moet er u niet aan storen hoe hij er uitziet, als hij maar goed verscholen is.”Louisa bedankte mijnheer Sleary met een verruimd hart, en hield hem toen niet langer op. Zij gaf haar groet aan haar broeder, met oogen vol tranen, en ging toen met Sissy heen tot later in den namiddag.Mijnheer Gradgrind kwam een uur later aan. Ook hij had niemand ontmoet die hij kende, en hoopte nu zeker, dat hij zijn geschandvlekten zoon, met hulp van Sleary, in den nacht naarLiverpoolzou kunnen krijgen. Daar geen van drieën hem kon vergezellen, zonder aanleiding te geven dat hij, hoezeer ook vermomd, ontdekt werd, schreef hij een brief aan een correspondent, wien hij vertrouwen kon, waarin hij verzocht om den brenger, wat het ook kosten mocht, naarNoord- ofZuid-Amerika, of eenig ander afgelegen werelddeel te zenden, waarheen hij maar op de spoedigste en heimelijkste manier kon verzonden worden. Nadat dit gedaan was, gingen zij rondwandelen om te wachten dat het paardenspel geheel ledig was; namelijk tot niet alleen de toeschouwers, maar ook de rijders en de paarden het ontruimd hadden. Eindelijk zag hij Sleary een stoel buiten brengen en bij de zijdeur gaan zitten rooken, als een teeken dat zij konden naderen.„Uw dienaar, jonker,” was zijn voorzichtige groet toen zij binnengingen. „Als ge mij noodig hebt, zult ge mij hier vinden. Gij moet er u niet aan storen dat uw zoon eene comische livrei draagt.”Zij gingen alle drie naar binnen; en mijnheer Gradgrind zette zich neerslachtig neer op het bankje van denclownin het midden der manege. Op een der achterste banken, veraf in het schemerende licht van die vreemde plaats, zat de ellendige hondsvot, ook nu nog stug en wrevelig, wien hij het verdriet had zijn zoon te moeten noemen.Daar zat hij, in een allerzotsten rok, naar dien van een kerkeknecht in groot kostuum gelijkende, met onbeschrijfelijk overdrevene panden en opslagen; met een vervaarlijk vest, korte broek, schoenen met gespen en een razenden steekhoed; met niets dat hem paste, en alles van grove stof, door de motten afgeknaagd en vol gaten; met strepen over zijn zwart gezicht, waar angst en warmte het vettige mengsel, waarmede het besmeerd was, had doen smelten. Iets zoo akeligs, verfoeielijks, belachelijks en schandelijks, als de hondsvot in zijne comische livrei, had mijnheer Gradgrind nooit mogelijk kunnen achten, indien hij het niet als een tastbaar feit voor zich had gezien. En een van zijne model-kinderen was zoover gekomen!In het eerst wilde de hondsvot niet naderbij komen, maar bleef hardnekkig daar omhoog zitten. Eindelijk toegevende, indien zulk een wrevelig gehoorzamen toegeven kon genoemd worden, aan de vriendelijke beden van Sissy—want Louisa wilde hij niet zien of hooren—kwam hij bank voor bank naar beneden, tot hij aan den uitersten rand der manege in het mulle zand stond, zoo ver mogelijk van de plek waar zijn vader zat.„Hoe is het er mee toegegaan?” vroeg zijn vader.„Waarmee toegegaan?” antwoordde de zoon met norsche neerslachtigheid.„Met dien diefstal,” zeide de vader, bij dat woord zijn stem verheffende.„Ik opende de kist zelf in den avond en liet haar op eene reet staan toen ik heenging. Ik had den sleutel, die gevonden is, lang te voren laten maken. Ik liet hem dien ochtend daar vallen, om te doen denken, dat hij er voor gebruikt was. Ik nam het geld niet op eens. Ik hield mij elken avond alsof ik mijn overschot wegsloot, maar deed het niet. Nu weet gij alles.”„Als een donderslag mij getroffen had,” zeide de vader, „zou het mij minder ontzet hebben dan dit.”„Ik zie niet in waarom,” bromde de zoon. „Zooveel menschen worden in vertrouwde betrekkingen gebruikt; en zooveel van de zooveel zullen oneerlijk zijn. Ik heb er u honderdmaal van hooren praten, dat dit een regel was. Hoe kan ik tegen regels aan? Gij hebt anderen met zulke dingen getroost, vader. Troost u zelven nu.”De vader verborg zijn gezicht in zijne handen, en de zoon stond in zijn schandelijk hansworstenpak op een strootje te bijten: zijne handen, waarvan het zwart aan den binnenkant half afgewreven was, geleken naar de handen van een aap. De avond naderde snel; en van tijd tot tijd keerde hij het wit zijner oogen met rusteloos ongeduld naar zijn vader. Die oogen waren het eenige van zijn gezicht, dat leven of uitdrukking vertoonde, zoo dik was de verf daarop gesmeerd.„Gij moet naarLiverpoolworden geholpen en het land uitgezonden.”„Dat zal wel moeten. Ik kan toch ergens anders niet ongelukkiger zijn dan ik hier geweest ben zoolang mij heugt,” jankte de hondsvot. „Dat is één geluk.”Mijnheer Gradgrind ging naar de deur en kwam met Sleary terug, aan wien hij de vraag voorstelde, hoe dat jammerlijke voorwerp uit den weg te helpen?„Wel, daarover heb ik al gedacht, jonker. Er is niet veel tijd te verliezen, maar gij moet toch ja of neen zeggen. Het is over de twintig mijlen naar den spoorweg. Over een half uur rijdt er een diligence, die de passagiers op den posttrein moet brengen. Die trein rijdt rechtdoor naarLiverpool.”„Maar zie hem eens aan,” zuchtte mijnheer Gradgrind. „Hoe...”„Ik meen niet dat hij met de comische livrei moet gaan,” zeide Sleary. „Zeg het maar, en ik zal hem binnen vijf minuten uit onze garderobe tot eenjoskinmaken.”„Ik begrijp u niet,” zeide mijnheer Gradgrind hierop.„Eenjoskin—een karreman. Neem spoedig uw besluit, jonker. Er moet nog bier gehaald worden. Ik heb nooit iets gevonden zoo goed als bier, om een geschilderden moor schoon te wasschen.”Mijnheer Gradgrind gaf snel zijne toestemming; Sleary haalde even snel een linnen kiel, een vilten hoed en andere benoodigdheden uit eene kist; de hondsvot ging achter een scherm en verwisselde snel van kleederen; en Sleary haalde bier en wiesch hem snel weder blank.„Komaan,” zeide Sleary, „ga nu maar mee naar de diligence, en spring achterop. Ik zal u brengen, en zij zullen denken dat gij een van mijn volk zijt. Zeg uwe familie nu vaarwel, en maak wat voort!” En daarmede was hij kiesch genoeg om zich te verwijderen.„Hier is uw brief,” zeide mijnheer Gradgrind. „Alle noodige middelen zullen u verschaft worden. Vergoed door berouw en een beter gedrag het kwaad dat gij bedreven hebt en de schrikkelijke gevolgen waartoe het geleid heeft. Geef mij de hand, mijn arme jongen, en moge God u vergeven gelijk ik doe.”De schuldige werd door deze woorden en hunhartroerenden toon tot eenige lafhartige tranen bewogen. Maar toen Louisa hare armen opende, stiet hij haar opnieuw terug.„Gij niet. Ik wil niets met u te maken hebben.”„O, Tom, Tom, moet het zoo tusschen ons eindigen, na al mijne liefde?”„Na al uwe liefde?” herhaalde hij met onverzettelijke hardnekkigheid. „Mooie liefde! Ouden Bounderby los te laten, en mijn besten vriend, mijnheer Harthouse, van de hand te zenden, en naar huis te loopen, juist op den tijd dat ik in het grootste gevaar was. Mooie liefde! Alles uit te babbelen, ook dat wij te zamen daarnaar toe waren geweest, toen gij zaagt, dat ik hoe langer hoe meer in het net geraakte. Mooie liefde! Gij hebt mij zoo goed als overgeleverd. Gij hebt nooit om mij gegeven.”„Maak wat voort!” riep Sleary bij de deur.Allen gingen verward naar buiten. Louisa zeide schreiende, dat zij hem vergaf en hem nog liefhad, en dat het hem eens spijten zou, dat hij haar zoo verlaten had, en dan blij zou zijn te kunnen denken, dat dit hare laatste woorden waren; toen er iemand hen tegenkwam. Mijnheer Gradgrind en Sissy, die beiden voor hen uit waren, terwijl zijne zuster hem nog bij den arm hield, bleven staan en deinsden terug.Want daar was Bitzer, geheel buiten adem, zijne dunne lippen opengesperd, zijne dunne neusgaten uitgezet, zijne witgehaarde oogleden trillende, zijn kleurloos gezicht nog kleurloozer dan ooit, alsof hij zich wit-gloeiend had geloopen, terwijl anderen zich rood-gloeiend loopen. Daar stond hij te hijgen, alsof hij nooit had stilgestaan sedert dien avond toen hij vroeger eens tegen hen was aangeloopen.„Het spijt mij dat ik verhindering in uw plan moet brengen,” zeide Bitzer, zijn hoofd schuddende, „maar ik kan mij toch door geene paardrijders laten foppen. Ik moet den jongenheer Tom hebben; en geene paardrijders zullen hem weghelpen. Hier is hij in dien linnen kiel, en ik moet hem hebben.”Hij greep hem bij den kraag en nam hem aldus in bezit.
Eer nog de kring, die zich om de Oude Helschacht gevormd had, gebroken werd, was een dergenen, die binnen dezen kring waren toegelaten, verdwenen. Bounderby en Tom, die zijn patroon thans als zijne schaduw vergezelde, hadden niet bij Louisa gestaan, terwijl zij haar vader bij den arm vasthield, maar op een afstand ver van de anderen. Toen mijnheer Gradgrind naar den lijder werd geroepen, sloop Sissy, oplettend op al wat er gebeurde, achter Tom—wiens gezicht, waarop een angstig afgrijzen geteekend stond, een belangwekkend schouwspel zou geweest zijn, indien men oogen had gehad voor eenig ander schouwspel behalve dat eene—en fluisterde hem iets in het oor. Zonder zijn hoofd om te draaien, sprakhijeenige oogenblikken met haar en verdween toen. Aldus was de hondsvot reeds buiten den kring, eer deze zich begon te verspreiden.
Toen de vader thuis kwam, zond hij eene boodschap naar Bounderby, om te verzoeken, dat zijn zoon terstond bij hem zou komen. Het antwoord was, dat Bounderby, daar hij Tom in het gedrang gemist en sedert niet weder gezien had, gemeend had dat hij zich opStone Lodgebevond.
„Ik geloof, vader,” zeide Louisa, „dat hij van avond niet weder in de stad zal komen.”
Mijnheer Gradgrind keerde zich om en sprak geen woord meer.
Des morgens ging hij zelf naar het kantoor, zoodra dit open was, en toen hij de plaats van zijn zoon ledig zag (hij had eerst haast den moed niet om binnen te kijken) ging hij de straat langs terug, om Bounderby op zijn weg daarheen te ontmoeten, en gaf dezen te kennen, dat hij het om redenen, die hij spoedig zou openbaren, maar dringend verzocht hem nu niet af te vragen, noodig had geacht zijn zoon voor korten tijd elders te plaatsen; en dat hij voorts belast was met de verplichting om de nagedachtenis van Stephen Blackpool te zuiveren en den dief bekend te maken. Mijnheer Bounderby, geheel verstomd, bleef, nadat zijn schoonvader hem verlaten had, stokstijf op de straat staan, zwellende als eene reusachtige zeepbel, maar lang zoo fraai niet.
Mijnheer Gradgrind ging naar huis, sloot zich in zijne kamer op en bleef daar den geheelen dag. Toen Sissy en Louisa aan zijne deur klopten, zeide hij, zonder die te openen: „Nu niet, lieve kinderen, van avond.” Toen zij des avonds terugkwamen, zeide hij: „Ik ben er nog niet toe in staat—morgen.” Hij at den geheelen dag niets, en liet, toen het donker werd, geen licht komen; en zij hoorden hem tot laat in den nacht heen en weder stappen.
In den ochtend kwam hij echter op het gewone uur aan het ontbijt en zette zich aan de tafel op zijne gewone plaats. Hij zag er verouderd en vervallen uit, en was geheel terneergebogen; en toch zag men het hem aan, dat hij een wijzer en beter man was, dan in de dagen toen hij in dit leven niets anders noodig had dan feiten. Eer hij de kamer verliet, bepaalde hij een tijd dat zij bij hem zouden komen; en zoo ging hij heen, met het grijze hoofd op de borst gezonken.
„Lieve vader,” zeide Louisa, toen zij bij hem waren gekomen, „gij hebt nog drie jonge kinderen over. Zij zullen anders worden, enikzal met ’s Hemels hulp ook nog anders worden.”
Zij reikte Sissy hare hand toe, alsof zij toonen wilde, dat zij daarbij ook op hare hulp rekende.
„Uw rampzalige broeder!” zeide mijnheer Gradgrind. „Denkt gij, dat hij den diefstal reeds voorhad toen hij met u naar dat huis ging?”
„Ik vrees van ja, vader. Ik weet, dat hij zeer om geld verlegen was en veel verteerd had.”
„En daar die arme man de stad zou verlaten, kwam het in zijne booze gedachten op, om de verdenking op hem te doen vallen?”
„Ik geloof, dat het hem moet ingevallen zijn terwijl hij daar zat, vader; want ik had hem gevraagd om met mij daarheen te gaan. Dat bezoek was geen verzinsel van hem.”
„Hij had ook een gesprek met dien armen man. Nam hij hem ter zijde?”
„Hij nam hem buiten de kamer. Ik vroeghem naderhand waarom hij dat gedaan had, en hij gaf eene aannemelijke reden op; maar sedert gisteravond, vader, en als ik mij nu de omstandigheden herinner, vrees ik, dat ik mij maar al te goed kan verbeelden wat er tusschen hen is omgegaan.”
„Laat mij eens hooren,” zeide haar vader, „of uwe gedachten uw schuldigen broeder in hetzelfde ongunstige licht plaatsen als de mijne.”
„Ik vrees, vader,” antwoordde Louisa aarzelend, „dat hij Stephen Blackpool iets moet hebben wijs gemaakt, misschien in mijn naam iets beloofd, of in zijn eigen naam—dat den man bewoog om zonder eenig kwaad opzet en ter goeder trouw, te doen wat hij voorheen nog nooit gedaan had, en die twee of drie avonden, voordat hij de stad verliet, voor het kantoor te blijven heen en weer dwalen.”
„Maar al te duidelijk!” zeide haar vader. „Maar al te duidelijk!”
Hij hield zijne hand voor zijn gezicht en zweeg eene poos. Zich toen herstellende, zeide hij:
„En hoe is hij nu te vinden? Hoe is hij uit de handen van het gerecht te houden? Hoe zullen wij hem vinden, in de weinige uren, die ik met mogelijkheid kan laten verloopen eer ik de waarheid openbaar maak, en hoe zullen wij tegelijk zorgen, dat niemand anders hem vindt? Met geene tienduizend pond zou dat te doen zijn.”
„Sissy heeft het reeds gedaan, vader.”
Hij sloeg de oogen op naar de plek waar zij stond, als ware zij de goede fee in zijn huis, en zeide op een toon van weemoedige teederheid en dankbaarheid: „Altijd zijt gij het, mijn kind!”
„Wij waren er al vroeger dan gisteren voor bevreesd,” zeide Sissy, met een blik naar Louisa; „en toen ik u gisteravond bij de draagbaar zag komen en hoorde wat er gezegd werd (want ik bleef steeds dicht bij Rachel), ging ik naar hem toe, terwijl niemand het zag, en zeide: „Kijk niet naar mij om. Zie met wien uw vader spreekt. Neem terstond de vlucht, om zijn en uw eigen wil.” Hij stond al te beven eer ik hem dit toefluisterde, en toen schrikte en beefde hij nog meer, en zeide: „Waar kan ik naar toe gaan? Ik heb maar heel weinig geld, en ik weet niet wie mij zal verbergen.” Toen dacht ik aan het paardenspel, waar mijn vader in geweest is. Ik heb niet vergeten waar mijnheer Sleary in dezen tijd van het jaar heen gaat, en ik las pas voor kort van hem in eene courant. Ik zeide hem dus, spoedig daarheen te gaan, zijn naam te zeggen, en mijnheer Sleary te vragen om hem te verbergen totdat ik kwam. „Ik zal nog vóór den ochtend bij hem zijn,” zeide hij; en ik zag hem tusschen de menschen heensluipen.”
„De Hemel zij gedankt!” riep zijn vader uit. „Hij kan dan nog het land uitgeholpen worden.”
Dit was te meer waarschijnlijk, omdat de stad, waarheen Sissy hem verwezen had, binnen de drie uren reizens vanLiverpoolwas gelegen, van waar hij met allen spoed naar ieder gedeelte der wereld kon worden overgebracht. Maar dewijl men nu voorzichtig moest wezen in het houden van gemeenschap met hem—want met ieder uur steeg het gevaar, dat hij verdacht zou worden, en niemand kon weten of Bounderby zelf niet, in zijn bluffenden ijver voor het algemeene welzijn, eene Romeinsche rol zou willen spelen—werd er afgesproken, dat Sissy en Louisa zich langs een omweg alleen naar de bedoelde plaats zouden begeven, en dat de ongelukkige vader, eene geheel tegenovergestelde richting inslaande, zich langs een nog grooter omweg bij haarzoukomen voegen. Verder werd er bepaald, dat mijnheer Gradgrind zich niet zelf aan Sleary zou vertoonen, uit vrees dat zijne oogmerken verkeerd begrepen zouden worden, of dat de tijding zijner komst zijn zoon opnieuw de vlucht zou doen nemen; maar dat het openen der onderhandeling aan Sissy en Louisa zou worden overgelaten, en dat deze den rampzalige, die de oorzaak van zooveel ellende en schande was, zouden onderrichten, dat zijn vader in de nabijheid was en met welk oogmerk zij gekomen waren. Toen deze beschikkingen wel overwogen en door alle drie ten volle begrepen waren, was het ook tijd om een begin met de uitvoering te gaan maken. Vroeg in den namiddag ging mijnheer Gradgrind van zijn huis af recht het land door naar een spoorwegstation, van waar hij verder zou reizen; en in den avond begaven de twee anderen zich naar een geheel anderen kant op weg, bemoedigd door de gedachte, dat zij geen gezicht gezien hadden, hetwelk haar bekend was.
Zij reisden den geheelen nacht door, behalve wanneer zij voor zeker oneffen getal minuten op tusschenstations aan zijwegen werden gelaten, die boven aan eene eindelooze trap of beneden in een diepte waren gelegen—het eenige verschil tusschen die stations;—en vroeg in den morgen werden zij afgezet op een stuk drasland, een paar mijlen van de stad, die zij zochten. Van deze akelige plek werden zij verlost door een ruwen ouden postiljon, die toevallig vroeg op was, en met een paard en sjees aankwam; en zoo werden zij de stad binnengesmokkeld door al de achterstraatjes waar varkens woonden; een toegang die, hoewel niet zeer prachtig of welriekend, toch de gewone weg van een tusschenstation naar een landstadje is.
Het eerste, wat zij bij het inkomen der stad zagen, was het geraamte van Sleary’s paardenspel. De troep was naar eene andere stad, meer dan twintig mijlen ver, vertrokken, en had daar den vorigen avond reeds gespeeld.Het middel van gemeenschap tusschen de twee plaatsen bestond in een heuvelachtigen grindweg, en het bereizen van dien weg ging zeer langzaam. Schoon zij maar een haastig ontbijt gebruikten en geene rust namen (welke zij onder zulke beangstigende omstandigheden toch vruchteloos zouden gezocht hebben), was het middag eer zij de biljetten van Sleary’s paardenspel op schuttingen en schuren aangeplakt vonden, en één uur voordat zij op de markt stilhielden.
Eene groote ochtend-voorstelling der kunstrijders, die op dat uur zou beginnen, werd juist toen zij den eersten voetstap op de straatsteenen deden, door den stadsomroeper aangekondigd. Sissy gaf den raad, ten einde in de stad geene aandacht te trekken, om naar de deur van het spel te gaan en plaatsen te nemen. Indien Sleary daar zat om geld aan te nemen, zou hij haar zeker herkennen en met voorzichtigheid te werk gaan. Als hij daar niet was, zou hij haar zeker in het spel zien; en wetende, wat hij met den vluchteling gedaan had, zou hij ook dan met voorzichtigheid handelen.
Zij begaven zich dus met angstig kloppende harten naar de nog welbekende tent. De vlag was er, en de gothieke nis was er; maar mijnheer Sleary was er niet. De jongeheer Kidderminster, die eigenlijk al te veel van den stal had overgenomen om door de welwillendste lichtgeloovigheid nog langer voor Cupido te worden aangezien, had zich naar de onweerstaanbare macht der omstandigheden (waaronder ook zijn baard) gevoegd, en als een man, die zich overal bruikbaar wist te maken, had hij bij deze gelegenheid het beheer over de schatkist—en ook nog eene trom bij de hand, waaraan hij zijne ledige oogenblikken en zijne overtollige kracht kon besteden. Door de nauwlettendheid, waarmede mijnheer Kidderminster, als hij deze betrekking waarnam, op de valsche munt toezag, die men hem somtijds in de handen wilde stoppen, had hij voor niets anders oogen dan voor het geld; aldus ging Sissy hem onopgemerkt voorbij en kwamen zij binnen.
De keizer vanJapan, op een oud en mak wit paard, met zwarte vlekken beschilderd, rondrijdende, liet vijf waschkommen tegelijk door de lucht draaien,—de geliefkoosde uitspanning van dien monarch. Sissy, schoon welbekend met zijn vorstelijk geslacht, had geene persoonlijke kennis aan den tegenwoordigen keizer, en zijne regeering bleef ongestoord. Miss Josephine Sleary, die haar vermaarden Tiroler Bloemendans zou uitvoeren, werd daarop door een nieuwenclownaangekondigd (die met schertsende geestigheid Bloemkooldans zeide) en door mijnheer Sleary binnengeleid.
Nog pas één slag had mijnheer Sleary met zijne lange zweep naar denclowngedaan, en pas had declowngezegd: „Als ge dat weer doet, zal ik je het paard naar den kop smijten!” toen Sissy door vader en dochter beiden herkend werd. Beiden bleven echter met de grootste zelfbeheersching in hunne rol; en behalve in het eerste oogenblik, was er in het beweeglijke oog van mijnheer Sleary niet meer uitdrukking te bespeuren dan in het daarop volgende. De voorstelling kwam Sissy en Louisa wel wat lang voor, inzonderheid toen zij gestaakt werd om denclowngelegenheid te geven aan mijnheer Sleary (die ieder gezegde op den bedaardst mogelijken toon met een: „Ei zoo, mijnheer!” beantwoordde, en gestadig het publiek in het oog hield) eene vertelling te doen van tweebeen, die op driebeen naar eenbeen zat te kijken, toen vierbeen aankwam en eenbeen pakte, en tweebeen opstond en driebeen opnam en hem naar vierbeen gooide, die met eenbeen weg liep. Want hoewel deze geestige allegorie betrekking had op een slager, een driestal, een hond en een schapebout, kostte dit verhaal wel wat veel tijd voor hun ongeduld. Eindelijk echter maakte de blonde Josephine onder een algemeen gejuich haar compliment; en declown, alleen in de manege gebleven, had zich juist in de handen gewreven en gezegd: „Nu is het mijne beurt!” toen Sissy op haar schouder werd getikt en gewenkt om buiten te komen.
Zij nam Louisa mede; en zij werden door mijnheer Sleary ontvangen in een zeer klein afzonderlijk vertrekje met een vloer van gras, wanden van zeildoek, en eene hellende zoldering, waarop een gedeelte van het publiek zijne goedkeuring stampte alsof het er doorheen zou komen.
„Cecilia!” zeide mijnheer Sleary, die een glas brandewijn met water bij de hand had, „het doet mij goed, dat ik u zie. Gij zijt altijd een lieveling van ons geweest, en gij hebt ons sedert dien ouden tijd eer aangedaan, dat geloof ik zeker. Gij moet onze lieden zien, liefje, eer wij over zaken spreken, of het zal hun het hart breken, vooral de vrouwen. Daar is Josephine, die is nu met E. W. B. Childers getrouwd, en zij heeft een kleinen jongen, die pas drie jaar oud is, maar toch op elken hit blijft zitten dien men maar bij hem brengen kan. Hij heet het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, en als gij bij Astley niet van dien jongen hoort, zult ge teParijsvan hem hooren. En gij zult Kidderminster nog wel kennen, die men dacht dat een oogje op u had? Wel, hij is ook getrouwd. Hij heeft eene weduwe genomen, oud genoeg om zijne moeder te zijn. Zij was op de stijve koord, maar nu kan ze niets meer, omdat ze te dik is. Zij hebben twee kinderen, en dus zijn wij goed voorzien van toovergodinnetjes en kleine wichtjes. Als ge onze Kinderen in het Bosch eens kondt zien, met hun vader en moeder, die allebei te paard sterven—hun oom, die ze als voogd onder zijnebescherming neemt, ook te paard—zij zelven, die braambessen gaan zoeken, ook te paard—en de roodborstjes, die hen met bladeren komen bedekken, ook te paard—dan zoudt ge zeggen, dat het ding zoo compleet was als ge ooit iets gezien had. Gij herinnert u Emma Gordon nog wel, liefje, die haast zoo goed als eene moeder voor u was? Natuurlijk doet gij het, dat behoef ik niet te vragen. Wel, Emma heeft haar man verloren. Hij deed een zwaren val van een olifant in eene soort van pagode als de Sultan vanIndië, en dat is hij nooit te boven gekomen; zij is toen voor de tweede maal getrouwd—zij heeft een kaaskooper gekregen, die van de voorste bank af zin in haar kreeg—en die nu opzichter is van een werkhuis en fortuin maakt.”
Deze verschillende veranderingen verhaalde Sleary, die nu zeer kortademig was, met groote hartelijkheid en eene verwonderlijke soort van naïveteit, als men bedacht welk een veteraan in het brandewijn-drinken hij was. Naderhand bracht hij Josephine en E. W. B. Childers binnen (wiens wangen bij daglicht al vrij diepe plooien hadden) en ook het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, kortom den geheelen troep. Vreemd zagen de vrouwen er in Louisa’s oogen uit, zoo wit en rood van kleur, zoo karig gekleed en zoo gul met het vertoonen harer beenen; maar het was iets streelends te zien, hoe zij elkander om Sissy verdrongen, en zeer natuurlijk dat Sissy zich niet van tranen kon onthouden.
„Komaan! Nu heeft Cecilia al de kinderen gezoend, en al de vrouwen omhelsd, en al de mannen de hand gegeven; maakt nu allen dat ge wegkomt, en laat de muziek beginnen voor de tweede afdeeling,” zeide Sleary.
Zoodra de anderen weg waren, vervolgde hij zacht: „Nu, Cecilia, ik vraag naar geen geheim, maar ik geloof, dat ik deze dame toch voor de jongejuffrouw van den jonker mag houden?”
„Dit is zijne zuster. Ja.”
„En de dochter van den anderen? Dat is wat ik meen. Ik hoop, dat ik u wél zie, juffrouw. En ik hoop, dat de jonker ook wel is?”
„Mijn vader zal spoedig hier zijn,” antwoordde Louisa, zeer verlangend om ter zake te komen. „Is mijn broeder veilig?”
„Gezond en frisch,” antwoordde hij. „Ik wilde u eens even naar de manege laten kijken, hier door de reet. Cecilia, gij kent het kunstje; zoek maar een kijkgaatje voor u zelf.”
Beiden tuurden door eene reet in de planken.
„Dat is Jack de Reuzendooder—een comisch kinderstukje,” zeide Sleary.
„Dat is een huisje voor Jack, om in te kruipen, en dat is mijnclownmet een potdeksel en een spit, als de knecht van Jack; en daar is kleine Jack zelf in eene prachtige wapenrusting; en daar zijn twee comische zwarte knechts, tweemaal zoo groot als het huisje, om er bij te staan en het binnen te brengen en weer weg te dragen; en de reus (van mandewerk, die mij veel geld gekost heeft) is er nog niet. Ziet gij ze allemaal?”
„Ja,” zeiden beiden.
„Kijk nu nog eens,” hervatte Sleary, „en kijk goed. Ziet gij ze allemaal? Heel goed! Nu, juffrouw,” hij zette een bank voor haar om op te zitten, „ik heb mijne begrippen, en de jonker uw vader heeft de zijne. Ik behoef niet te weten wat uw broeder heeft uitgevoerd; het is beter zelfs, dat ik het niet weet. Al wat ik zeg is: de jonker heeft Cecilia bijgestaan, en ik sta den jonker bij. Uw broeder is een van die zwarte knechts.”
Louisa liet een uitroep hooren, half van schrik, half van blijdschap.
„Zoo is het,” zeide Sleary, „en zelfs nu gij het weet, zoudt ge hem niet kunnen aanwijzen. Laat de jonker maar komen. Ik zal uw broeder na de voorstelling hier houden. Ik zal hem zich niet laten verkleeden of de verf afwasschen. Laat de jonker dan na de voorstelling hier komen, of kom zelf hier; gij zult uw broeder hier vinden en de geheele tent hebben om hem te spreken. Gij moet er u niet aan storen hoe hij er uitziet, als hij maar goed verscholen is.”
Louisa bedankte mijnheer Sleary met een verruimd hart, en hield hem toen niet langer op. Zij gaf haar groet aan haar broeder, met oogen vol tranen, en ging toen met Sissy heen tot later in den namiddag.
Mijnheer Gradgrind kwam een uur later aan. Ook hij had niemand ontmoet die hij kende, en hoopte nu zeker, dat hij zijn geschandvlekten zoon, met hulp van Sleary, in den nacht naarLiverpoolzou kunnen krijgen. Daar geen van drieën hem kon vergezellen, zonder aanleiding te geven dat hij, hoezeer ook vermomd, ontdekt werd, schreef hij een brief aan een correspondent, wien hij vertrouwen kon, waarin hij verzocht om den brenger, wat het ook kosten mocht, naarNoord- ofZuid-Amerika, of eenig ander afgelegen werelddeel te zenden, waarheen hij maar op de spoedigste en heimelijkste manier kon verzonden worden. Nadat dit gedaan was, gingen zij rondwandelen om te wachten dat het paardenspel geheel ledig was; namelijk tot niet alleen de toeschouwers, maar ook de rijders en de paarden het ontruimd hadden. Eindelijk zag hij Sleary een stoel buiten brengen en bij de zijdeur gaan zitten rooken, als een teeken dat zij konden naderen.
„Uw dienaar, jonker,” was zijn voorzichtige groet toen zij binnengingen. „Als ge mij noodig hebt, zult ge mij hier vinden. Gij moet er u niet aan storen dat uw zoon eene comische livrei draagt.”
Zij gingen alle drie naar binnen; en mijnheer Gradgrind zette zich neerslachtig neer op het bankje van denclownin het midden der manege. Op een der achterste banken, veraf in het schemerende licht van die vreemde plaats, zat de ellendige hondsvot, ook nu nog stug en wrevelig, wien hij het verdriet had zijn zoon te moeten noemen.
Daar zat hij, in een allerzotsten rok, naar dien van een kerkeknecht in groot kostuum gelijkende, met onbeschrijfelijk overdrevene panden en opslagen; met een vervaarlijk vest, korte broek, schoenen met gespen en een razenden steekhoed; met niets dat hem paste, en alles van grove stof, door de motten afgeknaagd en vol gaten; met strepen over zijn zwart gezicht, waar angst en warmte het vettige mengsel, waarmede het besmeerd was, had doen smelten. Iets zoo akeligs, verfoeielijks, belachelijks en schandelijks, als de hondsvot in zijne comische livrei, had mijnheer Gradgrind nooit mogelijk kunnen achten, indien hij het niet als een tastbaar feit voor zich had gezien. En een van zijne model-kinderen was zoover gekomen!
In het eerst wilde de hondsvot niet naderbij komen, maar bleef hardnekkig daar omhoog zitten. Eindelijk toegevende, indien zulk een wrevelig gehoorzamen toegeven kon genoemd worden, aan de vriendelijke beden van Sissy—want Louisa wilde hij niet zien of hooren—kwam hij bank voor bank naar beneden, tot hij aan den uitersten rand der manege in het mulle zand stond, zoo ver mogelijk van de plek waar zijn vader zat.
„Hoe is het er mee toegegaan?” vroeg zijn vader.
„Waarmee toegegaan?” antwoordde de zoon met norsche neerslachtigheid.
„Met dien diefstal,” zeide de vader, bij dat woord zijn stem verheffende.
„Ik opende de kist zelf in den avond en liet haar op eene reet staan toen ik heenging. Ik had den sleutel, die gevonden is, lang te voren laten maken. Ik liet hem dien ochtend daar vallen, om te doen denken, dat hij er voor gebruikt was. Ik nam het geld niet op eens. Ik hield mij elken avond alsof ik mijn overschot wegsloot, maar deed het niet. Nu weet gij alles.”
„Als een donderslag mij getroffen had,” zeide de vader, „zou het mij minder ontzet hebben dan dit.”
„Ik zie niet in waarom,” bromde de zoon. „Zooveel menschen worden in vertrouwde betrekkingen gebruikt; en zooveel van de zooveel zullen oneerlijk zijn. Ik heb er u honderdmaal van hooren praten, dat dit een regel was. Hoe kan ik tegen regels aan? Gij hebt anderen met zulke dingen getroost, vader. Troost u zelven nu.”
De vader verborg zijn gezicht in zijne handen, en de zoon stond in zijn schandelijk hansworstenpak op een strootje te bijten: zijne handen, waarvan het zwart aan den binnenkant half afgewreven was, geleken naar de handen van een aap. De avond naderde snel; en van tijd tot tijd keerde hij het wit zijner oogen met rusteloos ongeduld naar zijn vader. Die oogen waren het eenige van zijn gezicht, dat leven of uitdrukking vertoonde, zoo dik was de verf daarop gesmeerd.
„Gij moet naarLiverpoolworden geholpen en het land uitgezonden.”
„Dat zal wel moeten. Ik kan toch ergens anders niet ongelukkiger zijn dan ik hier geweest ben zoolang mij heugt,” jankte de hondsvot. „Dat is één geluk.”
Mijnheer Gradgrind ging naar de deur en kwam met Sleary terug, aan wien hij de vraag voorstelde, hoe dat jammerlijke voorwerp uit den weg te helpen?
„Wel, daarover heb ik al gedacht, jonker. Er is niet veel tijd te verliezen, maar gij moet toch ja of neen zeggen. Het is over de twintig mijlen naar den spoorweg. Over een half uur rijdt er een diligence, die de passagiers op den posttrein moet brengen. Die trein rijdt rechtdoor naarLiverpool.”
„Maar zie hem eens aan,” zuchtte mijnheer Gradgrind. „Hoe...”
„Ik meen niet dat hij met de comische livrei moet gaan,” zeide Sleary. „Zeg het maar, en ik zal hem binnen vijf minuten uit onze garderobe tot eenjoskinmaken.”
„Ik begrijp u niet,” zeide mijnheer Gradgrind hierop.
„Eenjoskin—een karreman. Neem spoedig uw besluit, jonker. Er moet nog bier gehaald worden. Ik heb nooit iets gevonden zoo goed als bier, om een geschilderden moor schoon te wasschen.”
Mijnheer Gradgrind gaf snel zijne toestemming; Sleary haalde even snel een linnen kiel, een vilten hoed en andere benoodigdheden uit eene kist; de hondsvot ging achter een scherm en verwisselde snel van kleederen; en Sleary haalde bier en wiesch hem snel weder blank.
„Komaan,” zeide Sleary, „ga nu maar mee naar de diligence, en spring achterop. Ik zal u brengen, en zij zullen denken dat gij een van mijn volk zijt. Zeg uwe familie nu vaarwel, en maak wat voort!” En daarmede was hij kiesch genoeg om zich te verwijderen.
„Hier is uw brief,” zeide mijnheer Gradgrind. „Alle noodige middelen zullen u verschaft worden. Vergoed door berouw en een beter gedrag het kwaad dat gij bedreven hebt en de schrikkelijke gevolgen waartoe het geleid heeft. Geef mij de hand, mijn arme jongen, en moge God u vergeven gelijk ik doe.”
De schuldige werd door deze woorden en hunhartroerenden toon tot eenige lafhartige tranen bewogen. Maar toen Louisa hare armen opende, stiet hij haar opnieuw terug.
„Gij niet. Ik wil niets met u te maken hebben.”
„O, Tom, Tom, moet het zoo tusschen ons eindigen, na al mijne liefde?”
„Na al uwe liefde?” herhaalde hij met onverzettelijke hardnekkigheid. „Mooie liefde! Ouden Bounderby los te laten, en mijn besten vriend, mijnheer Harthouse, van de hand te zenden, en naar huis te loopen, juist op den tijd dat ik in het grootste gevaar was. Mooie liefde! Alles uit te babbelen, ook dat wij te zamen daarnaar toe waren geweest, toen gij zaagt, dat ik hoe langer hoe meer in het net geraakte. Mooie liefde! Gij hebt mij zoo goed als overgeleverd. Gij hebt nooit om mij gegeven.”
„Maak wat voort!” riep Sleary bij de deur.
Allen gingen verward naar buiten. Louisa zeide schreiende, dat zij hem vergaf en hem nog liefhad, en dat het hem eens spijten zou, dat hij haar zoo verlaten had, en dan blij zou zijn te kunnen denken, dat dit hare laatste woorden waren; toen er iemand hen tegenkwam. Mijnheer Gradgrind en Sissy, die beiden voor hen uit waren, terwijl zijne zuster hem nog bij den arm hield, bleven staan en deinsden terug.
Want daar was Bitzer, geheel buiten adem, zijne dunne lippen opengesperd, zijne dunne neusgaten uitgezet, zijne witgehaarde oogleden trillende, zijn kleurloos gezicht nog kleurloozer dan ooit, alsof hij zich wit-gloeiend had geloopen, terwijl anderen zich rood-gloeiend loopen. Daar stond hij te hijgen, alsof hij nooit had stilgestaan sedert dien avond toen hij vroeger eens tegen hen was aangeloopen.
„Het spijt mij dat ik verhindering in uw plan moet brengen,” zeide Bitzer, zijn hoofd schuddende, „maar ik kan mij toch door geene paardrijders laten foppen. Ik moet den jongenheer Tom hebben; en geene paardrijders zullen hem weghelpen. Hier is hij in dien linnen kiel, en ik moet hem hebben.”
Hij greep hem bij den kraag en nam hem aldus in bezit.