XXXVI.

XXXVI.PHILOSOPHISCH.Zij gingen terug in de tent, en Sleary sloot de deur om indringers buiten te houden. Bitzer, die den van schrik verstijfden misdadiger nog bij den kraag hield, stond in de manege zijn ouden patroon in de schemering met knippende oogen aan te gluren.„Bitzer,” zeide mijnheer Gradgrind, geheel verslagen en met jammerlijke onderdanigheid voor den kantoorknecht, „hebt gij een hart?”„De bloedsomloop, mijnheer,” antwoordde Bitzer, glimlachende over het zonderlinge dier vraag, „zou zonder hart niet kunnen voortgaan. Niemand, mijnheer, die bekend is met de feiten aangaande den omloop van het bloed, welke Harvey heeft ontdekt, kan twijfelen of ik een hart heb.”„Is het toegankelijk,” riep mijnheer Gradgrind uit, „voor den invloed van het medelijden?”„Het is toegankelijk voor de rede, mijnheer,” antwoordde de uitmuntende jonkman, „en voor niets anders.”Zij stonden elkander aan te zien, mijnheer Gradgrind met een gezicht zoo wit als dat van zijn vervolger.„Welke reden kunt gij hebben om de vlucht van dezen rampzaligen jonkman te verhinderen,” zeide hij, „en zijn ongelukkigen vader nog ongelukkiger te maken? Zie zijne zuster hier. Heb medelijden met ons!”„Mijnheer,” antwoordde Bitzer op een droog redeneerenden toon, „daar gij mij vraagt, welke reden ik heb om den jongenheer Tom naarCoketownterug te brengen, is het niet meer dan redelijk, dat ik u die laat weten. Ik heb den jongenheer Tom van den beginne af van dien diefstal verdacht. Ik had hem al vóór dien tijd in het oog gehouden, want ik kende zijne manieren. Ik heb mijne waarnemingen voor mij zelven gehouden, maar ik heb ze toch gedaan; en ik heb nu overvloedige bewijzen tegen hem, behalve zijn wegloopen en behalve zijne eigene bekentenis, die ik juist bijtijds heb kunnen beluisteren. Ik heb het genoegen gehad van gisterochtend op uw huis te passen en u hierheen te volgen. Ik zal den jongenheer Tom nu naarCoketownterugbrengen, ten einde hem aan mijnheer Bounderby over te leveren; en ik twijfel niet, mijnheer, of mijnheer Bounderby zal mij dan tot de plaats van jongenheer Tom bevorderen; en ik verlang zijne plaats te hebben, mijnheer, omdat zij mij meer inkomen zal geven en mij dus voordeelig zal zijn.”„Indien het alleen eene quaestie van eigenbelang bij u is,” begon mijnheer Gradgrind.„Ik verzoek u verschooning, dat ik u in de rede val, mijnheer,” liet Bitzer hierop volgen; „maar gij weet zeker wel, dat het geheele maatschappelijke systeem eene quaestie van eigenbelang is. Iemands eigenbelang is datgene, waarop men altijd moet neerkomen. Dat is het eenige, waardoor men vat op hem heeft. Zoo zijn de menschen. Ik ben in dien catechismus onderwezen toen ik nog heel jong was, mijnheer, gelijk gij wel weet.”„Welke som gelds,” zeide mijnheer Gradgrind, „wilt gij tegen uwe verwachte bevordering stellen?”„Ik dank u wel, mijnheer,” antwoordde Bitzer, „dat gij hiervan spreekt; maar ik wil ergeheel geene som tegen stellen. Wel wetende, dat uw helder hoofd deze keus zou voorstellen, heb ik bij mij zelven de berekening gemaakt; en ik vind, dat over eene misdaad te accordeeren, zelfs voor eene zeer hooge som, niet zoo veilig en goed voor mij zou zijn als mijne verbeterde vooruitzichten aan het kantoor.”„Bitzer,” zeide mijnheer Gradgrind, zijne handen uitstrekkende, alsof hij wilde zeggen: zie, hoe ellendig ik ben! „Bitzer, ik heb nog maar ééne kans over om u te vermurwen. Gij zijt vele jaren op mijne school geweest. Indien de herinnering aan de zorg, die daar aan u besteed is, u eenigermate kan bewegen om uw tegenwoordig belang achter te stellen en mijn zoon los te laten, bid en smeek ik u om die herinnering voor hem te laten spreken.”„Ik verwonder mij waarlijk, mijnheer,” antwoordde de leerling op een stijven redeneertrant, „dat gij zulk eene onhoudbare positie aanneemt. Mijn schoolgaan werd betaald; het was een koop of accoord; en toen ik heenging, was het accoord uit.”Het was een grondregel der Gradgrindsche philosophie, dat alles betaald moest worden. Niemand mocht ooit om de eene of andere reden iemand iets geven of eenige hulp bewijzen, zonder dat er voor betaald werd. Dankbaarheid moest afgeschaft worden, en alle deugden, die daaruit voortsproten, behoorden niet te bestaan. Elke duim lengte van het geheele aanzijn des menschdoms, van de geboorte tot aan den dood, moest een koop over eene toonbank zijn. En indien wij zóó niet in den hemel kwamen, dan wist men daar niets van de staathuishoudkunde, en hadden wij daar niets te maken.„Ik ontken niet, dat mijn schoolgaan goedkoop was,” vervolgde Bitzer. „Maar dat doet aan de zaak niet af, mijnheer. Ik werd op de goedkoopste markt gevormd en moet mij zelven op de duurste verkoopen.”Hij werd hier een weinig gehinderd door het schreien van Louisa en Sissy.„Och, doe dat niet,” zeide hij; „het baat tot niets; het verveelt iemand maar. Gij schijnt te denken, dat ik vijandschap tegen den jongenheer Tom voed; maar dat is in ’t geheel het geval niet. Ik ga hem maar, om de gegronde redenen die ik vermeld heb, naarCoketownterugbrengen. Als hij tegenstand mocht bieden, zou ik roepen: Houd den dief! Maar hij zal geen tegenstand bieden; daar kunt gij op aan.”Mijnheer Sleary had met open mond naar deze wijsheid staan luisteren, zoo aandachtig, dat zijn rollend oog even onbeweeglijk vast in zijn hoofd stond als het strakke; nu echter trad hij voorwaarts.„Jonker,” zeide hij, „gij weet heel wel, en uwe dochter weet ook heel wel (beter nog dan gij, omdat ik het haar gezegd heb), dat ik niet wist wat uw zoon gedaan had, en dat ik het niet wilde weten—ik zeide dat het beter was van neen, hoewel ik toen dacht, dat het maar een beetje rinkelrooien was. Maar nu die jonkman heeft bekend gemaakt dat het een diefstal in een kantoor is geweest, nu is het eene ernstige zaak, eene veel te ernstige zaak voor mij om te accordeeren, zooals die jonkman het heel mooi gezegd heeft. Bijgevolg, jonker, moet gij het niet kwalijk nemen als ik den kant van dien jonkman kies, en zeg dat hij gelijk heeft en dat er niet aan te doen is. Maar ik zal u zeggen wat ik doen wil, jonker; ik zal uw zoon en dezen jonkman zelf naar den spoorweg rijden, en zoo maken dat hier geen schandaal komt. Meer kan ik niet beloven, maar dat wil ik voor u doen.”Louisa hief nieuwe jammerklachten aan en mijnheer Gradgrind verzonk nog dieper in zijn leed bij deze afvalligheid van hun laatsten vriend. Maar Sissy zag hem oplettend aan, en haar hart verstond hem niet verkeerd. Toen zij allen weder naar buiten gingen, begunstigde hij haar met een lonkje uit zijn beweeglijk oog, dat haar duidelijk verzocht wat achter te blijven, en toen hij de deur sloot, zeide hij met groote opgewondenheid:„De jonker heeft u bijgestaan,Cecilia, en ik zal den jonker bijstaan. Bovendien, die knaap is een verduivelde schelm, en hij behoort aan dien gemeenen blaaskaak, dien mijn volkje eens haast uit het venster had gesmeten. Het zal een donkere avond zijn. Ik heb een paard, dat alles geleerd heeft behalve spreken; ik heb een hit, die vijftien mijlen in het uur loopt, als Childers hem rijdt; en ik heb een hond, die iemand vier en twintig uren lang op de plek kan vasthouden. Maak dat gij een woordje met den jongen jonker spreekt. Zeg hem, als hij ziet dat ons paard begint te dansen, dat hij dan niet bang moet wezen voor omslaan, maar uitkijken of er geen sjees met een hit aankomt. Zeg hem, als hij die sjees dichtbij ziet, dat hij dan moet afspringen, en hij zal er mee wegrijden als de wind. Als mijn hond dien jonkman een voet laat verzetten, geef ik hem verlof om te gaan. En als mijn paard een duimbreed verder komt dan de plek waar het begint te dansen, al duurde het tot morgenochtend, dan ken ik het niet. Nu voortgemaakt!”Er werd zoo goed voortgemaakt, dat binnen tien minuten Childers, die op zijne pantoffels over de markt kuierde, wist wat hij te doen had, en Sleary’s equipage gereed was. Het was een fraai gezicht, den hond blaffend om het rijtuig te zien springen, terwijl Sleary hem met zijn eenig daartoe bruikbaar oog onderrichtte, dat Bitzer het voorwerp zijner bijzondere oplettendheid moest wezen. Kort na het vallen van den donker stapten de drie in en reden voort, terwijl de geleerde hond (een geducht beest) Bitzer reeds met zijne oogen vasthield en dicht bij het wiel aan zijn kant bleef, om voor hemgereed te zijn indien hij de minste geneigdheid toonde om af te stappen.De andere drie bleven in de herberg den geheelen nacht in angstige spanning opzitten. Tegen acht uur in den ochtend kwamen Sleary en de hond de kamer in, beiden zeer vroolijk.„Alles klaar, jonker,” zeide Sleary. „Uw zoon kan nu al aan boord van een schip wezen. Childers heeft hem gisteravond meegenomen, anderhalf uur nadat wij hier vandaan reden. Het paard danste de polka tot het dood af was (het zou gewalst hebben, als het niet ingespannen was geweest) en toen gaf ik het sein en ging het gerust slapen. Toen die verduivelde bleeke schelm zeide, dat hij te voet verder wilde gaan, hing de hond in eens aan zijne das met alle vier de pooten in de lucht, trok hem neer en rolde hem om en om. Hij kwam dus maar weer in het wagentje, en daar bleef hij zitten, tot ik van morgen half zeven het paard liet omkeeren.”Mijnheer Gradgrind overstelpte hem natuurlijk met dankbetuigingen, en sprak ook met zooveel kieschheid als hem maar mogelijk was van eene ruime belooning in geld.„Ik zelf heb geen geld noodig, jonker,” antwoordde Sleary, „maar Childers is een man met een huishouden, en als gij hem eene banknoot van vijf pond woudt presenteeren, zou dat misschien niet onaannemelijk zijn. Ook als gij een halsband voor den hond en een tuig met bellen voor het paard overhad, zou het mij groot pleizier doen. Brandewijn met water neem ik altijd aan.”—Hij had reeds een glas genomen en bestelde er nu nog een.—„Als ge dacht dat het niet te veel was, jonker, een vroolijken maaltijd aan den geheelen troep te geven, tegen zoo wat drie en een halven schelling de persoon, behalve den drank, zouden zij er heel blij mee zijn.”Al deze kleine bewijzen van dankbaarheid beloofde mijnheer Gradgrind zeer gewillig te zullen geven, hoewel hij ze veel te gering achtte, zeide hij, voor zulk een dienst.„Welnu, jonker, als ge dan soms eens een paardenspel eene besprokene representatie laat geven, wanneer ge kunt, zult ge de rekening meer dan effen maken. En nu, jonker, als uwe dochter het niet kwalijk neemt, zou ik tot afscheid gaarne een woordje met u alleen spreken.”Louisa en Sissy gingen naar eene andere kamer; en mijnheer Sleary vervolgde, toen hij staande zijn glas omroerde en uitdronk:„Jonker, ik behoef u niet te zeggen, dat honden verwonderlijke beesten zijn.”„Hun instinct is zeker verbazend,” zeide mijnheer Gradgrind hierop.„Hoe gij het ook noemen wilt—en ik mag zalig wezen als ik weet hoe ik het moet noemen—het is verwonderlijk, hoe ver een hond u zal komen opzoeken en vinden.”„Omdat zijn reuk zoo fijn is,” zeide mijnheer Gradgrind.„Ik weet waarachtig niet hoe ik het noemen moet,” hervatte Sleary; „maar eens is een hond mij komen opzoeken, jonker, op eene manier, die mij deed denken of die hond ook naar een anderen hond was gegaan en gezegd had: „Gij kent bijgeval niet een man die Sleary heet? Een man die Sleary heet en een paardenspel heeft—een dik man, met een raar oog?” En of die andere hond toen gezegd had: „Sleary, Sleary! O ja, wel zeker, een vriend van mij heeft mij eens van hem gesproken. Ik kan u terstond zijn adres bezorgen.” Omdat ik zooveel voor het publiek kom en zooveel uitga, ziet ge, moeten er machtig veel honden zijn die mij kennen, jonker, dat weet ik.”Mijnheer Gradgrind scheen door deze bespiegeling geheel van zijn stuk gebracht.„In allen gevalle,” hervatte Sleary, nadat hij zijne lippen nog eens had bevochtigd, „het is nu veertien maanden geleden, jonker, dat we teChesterwaren. Wij gaven op een ochtend juist onze Kinderen in het Bosch, toen er door de tooneeldeur een hond de manege kwam inloopen. Hij had ver geloopen, en was in heel slechten staat—kreupel en welhaast blind. Hij liep rond bij onze kinderen, de een na den ander, alsof hij naar een kind zocht dat hij kende; en toen kwam hij naar mij toe, gooide zich van achteren op en bleef op zijne voorpooten staan, zoo zwak als hij was; en toen kwispelde hij met zijn staart en stierf. Nu, jonker, die hond was Merrylegs.”„De hond van Sissy’s vader.”„De oude hond van Cecilia’s vader. Nu, jonker, kan ik er op zweren, want zoo ken ik dien hond, dat de man dood en begraven was, eer de hond naar mij ging zoeken. Josephine, Childers en ik hebben er lang over gepraat, of ik het schrijven zou of niet; maar wij dachten: „Neen! Er is niets pleizierigs te zeggen; waarom zouden wij haar onrustig en bedroefd maken?” Hoewel, of haar vader haar laaghartig verlaten heeft, of dat hij maar alleen van verdriet wilde sterven, liever dan haar mee in het graf te trekken, dat zal nooit bekend worden, jonker, voordat—neen, niet voordat wij weten hoe de honden ons opzoeken.”„Zij bewaart tot nog toe het fleschje, waarom hij haar had uitgezonden; en zij zal tot het laatste oogenblik van haar leven aan zijne liefde gelooven,” zeide mijnheer Gradgrind.„Dit schijnt iemand twee dingen in de gedachten te brengen, niet waar, jonker?” hervatte Sleary, peinzende, terwijl hij in de diepte van zijn glas keek; „vooreerst dat er toch liefde in de wereld is, niet alles eigenbelang, maar iets geheel anders; en ten tweede dat die liefde hare eigene manier van rekenen heeft, waaraan het, hoe het dan ook komen mag, tenminste even moeielijk is een naam te geven als aan die manier van denken.”Mijnheer Gradgrind keek het venster uit en gaf geen antwoord. Sleary ledigde zijn glas en riep de dames weder binnen.„Cecilia, mijn liefje, geef mij nu een kus en vaarwel dan! Mevrouwtje, dat ik u haar zoo als eene zuster zie behandelen, en eene zuster, die gij met al uw hart vertrouwt en hoogacht, is een heel pleizierig gezicht voor mij. Ook hoop ik, dat uw broeder nog lang genoeg mag leven om u beter waardig te zijn en u tot meer blijdschap te wezen. Jonker, geef mij de hand, voor het eerst en het laatst! Wees niet kwaad op ons, arme landloopers. De menschen moeten geamuseerd worden. Zij kunnen niet altijd aan het leeren of aan het werken zijn; daarvoor zijn zij niet gemaakt. Gijmoetons hebben, jonker. Als ge dus doen wilt wat wijs en goed is tegelijk, denk dan het beste van ons en niet altijd het slechtste.”„En ik had nooit gedacht,” vervolgde Sleary, zijn hoofd weder binnenstekende om dit nog te zeggen, „dat ik zoo zou kunnen babbelen.”

XXXVI.PHILOSOPHISCH.Zij gingen terug in de tent, en Sleary sloot de deur om indringers buiten te houden. Bitzer, die den van schrik verstijfden misdadiger nog bij den kraag hield, stond in de manege zijn ouden patroon in de schemering met knippende oogen aan te gluren.„Bitzer,” zeide mijnheer Gradgrind, geheel verslagen en met jammerlijke onderdanigheid voor den kantoorknecht, „hebt gij een hart?”„De bloedsomloop, mijnheer,” antwoordde Bitzer, glimlachende over het zonderlinge dier vraag, „zou zonder hart niet kunnen voortgaan. Niemand, mijnheer, die bekend is met de feiten aangaande den omloop van het bloed, welke Harvey heeft ontdekt, kan twijfelen of ik een hart heb.”„Is het toegankelijk,” riep mijnheer Gradgrind uit, „voor den invloed van het medelijden?”„Het is toegankelijk voor de rede, mijnheer,” antwoordde de uitmuntende jonkman, „en voor niets anders.”Zij stonden elkander aan te zien, mijnheer Gradgrind met een gezicht zoo wit als dat van zijn vervolger.„Welke reden kunt gij hebben om de vlucht van dezen rampzaligen jonkman te verhinderen,” zeide hij, „en zijn ongelukkigen vader nog ongelukkiger te maken? Zie zijne zuster hier. Heb medelijden met ons!”„Mijnheer,” antwoordde Bitzer op een droog redeneerenden toon, „daar gij mij vraagt, welke reden ik heb om den jongenheer Tom naarCoketownterug te brengen, is het niet meer dan redelijk, dat ik u die laat weten. Ik heb den jongenheer Tom van den beginne af van dien diefstal verdacht. Ik had hem al vóór dien tijd in het oog gehouden, want ik kende zijne manieren. Ik heb mijne waarnemingen voor mij zelven gehouden, maar ik heb ze toch gedaan; en ik heb nu overvloedige bewijzen tegen hem, behalve zijn wegloopen en behalve zijne eigene bekentenis, die ik juist bijtijds heb kunnen beluisteren. Ik heb het genoegen gehad van gisterochtend op uw huis te passen en u hierheen te volgen. Ik zal den jongenheer Tom nu naarCoketownterugbrengen, ten einde hem aan mijnheer Bounderby over te leveren; en ik twijfel niet, mijnheer, of mijnheer Bounderby zal mij dan tot de plaats van jongenheer Tom bevorderen; en ik verlang zijne plaats te hebben, mijnheer, omdat zij mij meer inkomen zal geven en mij dus voordeelig zal zijn.”„Indien het alleen eene quaestie van eigenbelang bij u is,” begon mijnheer Gradgrind.„Ik verzoek u verschooning, dat ik u in de rede val, mijnheer,” liet Bitzer hierop volgen; „maar gij weet zeker wel, dat het geheele maatschappelijke systeem eene quaestie van eigenbelang is. Iemands eigenbelang is datgene, waarop men altijd moet neerkomen. Dat is het eenige, waardoor men vat op hem heeft. Zoo zijn de menschen. Ik ben in dien catechismus onderwezen toen ik nog heel jong was, mijnheer, gelijk gij wel weet.”„Welke som gelds,” zeide mijnheer Gradgrind, „wilt gij tegen uwe verwachte bevordering stellen?”„Ik dank u wel, mijnheer,” antwoordde Bitzer, „dat gij hiervan spreekt; maar ik wil ergeheel geene som tegen stellen. Wel wetende, dat uw helder hoofd deze keus zou voorstellen, heb ik bij mij zelven de berekening gemaakt; en ik vind, dat over eene misdaad te accordeeren, zelfs voor eene zeer hooge som, niet zoo veilig en goed voor mij zou zijn als mijne verbeterde vooruitzichten aan het kantoor.”„Bitzer,” zeide mijnheer Gradgrind, zijne handen uitstrekkende, alsof hij wilde zeggen: zie, hoe ellendig ik ben! „Bitzer, ik heb nog maar ééne kans over om u te vermurwen. Gij zijt vele jaren op mijne school geweest. Indien de herinnering aan de zorg, die daar aan u besteed is, u eenigermate kan bewegen om uw tegenwoordig belang achter te stellen en mijn zoon los te laten, bid en smeek ik u om die herinnering voor hem te laten spreken.”„Ik verwonder mij waarlijk, mijnheer,” antwoordde de leerling op een stijven redeneertrant, „dat gij zulk eene onhoudbare positie aanneemt. Mijn schoolgaan werd betaald; het was een koop of accoord; en toen ik heenging, was het accoord uit.”Het was een grondregel der Gradgrindsche philosophie, dat alles betaald moest worden. Niemand mocht ooit om de eene of andere reden iemand iets geven of eenige hulp bewijzen, zonder dat er voor betaald werd. Dankbaarheid moest afgeschaft worden, en alle deugden, die daaruit voortsproten, behoorden niet te bestaan. Elke duim lengte van het geheele aanzijn des menschdoms, van de geboorte tot aan den dood, moest een koop over eene toonbank zijn. En indien wij zóó niet in den hemel kwamen, dan wist men daar niets van de staathuishoudkunde, en hadden wij daar niets te maken.„Ik ontken niet, dat mijn schoolgaan goedkoop was,” vervolgde Bitzer. „Maar dat doet aan de zaak niet af, mijnheer. Ik werd op de goedkoopste markt gevormd en moet mij zelven op de duurste verkoopen.”Hij werd hier een weinig gehinderd door het schreien van Louisa en Sissy.„Och, doe dat niet,” zeide hij; „het baat tot niets; het verveelt iemand maar. Gij schijnt te denken, dat ik vijandschap tegen den jongenheer Tom voed; maar dat is in ’t geheel het geval niet. Ik ga hem maar, om de gegronde redenen die ik vermeld heb, naarCoketownterugbrengen. Als hij tegenstand mocht bieden, zou ik roepen: Houd den dief! Maar hij zal geen tegenstand bieden; daar kunt gij op aan.”Mijnheer Sleary had met open mond naar deze wijsheid staan luisteren, zoo aandachtig, dat zijn rollend oog even onbeweeglijk vast in zijn hoofd stond als het strakke; nu echter trad hij voorwaarts.„Jonker,” zeide hij, „gij weet heel wel, en uwe dochter weet ook heel wel (beter nog dan gij, omdat ik het haar gezegd heb), dat ik niet wist wat uw zoon gedaan had, en dat ik het niet wilde weten—ik zeide dat het beter was van neen, hoewel ik toen dacht, dat het maar een beetje rinkelrooien was. Maar nu die jonkman heeft bekend gemaakt dat het een diefstal in een kantoor is geweest, nu is het eene ernstige zaak, eene veel te ernstige zaak voor mij om te accordeeren, zooals die jonkman het heel mooi gezegd heeft. Bijgevolg, jonker, moet gij het niet kwalijk nemen als ik den kant van dien jonkman kies, en zeg dat hij gelijk heeft en dat er niet aan te doen is. Maar ik zal u zeggen wat ik doen wil, jonker; ik zal uw zoon en dezen jonkman zelf naar den spoorweg rijden, en zoo maken dat hier geen schandaal komt. Meer kan ik niet beloven, maar dat wil ik voor u doen.”Louisa hief nieuwe jammerklachten aan en mijnheer Gradgrind verzonk nog dieper in zijn leed bij deze afvalligheid van hun laatsten vriend. Maar Sissy zag hem oplettend aan, en haar hart verstond hem niet verkeerd. Toen zij allen weder naar buiten gingen, begunstigde hij haar met een lonkje uit zijn beweeglijk oog, dat haar duidelijk verzocht wat achter te blijven, en toen hij de deur sloot, zeide hij met groote opgewondenheid:„De jonker heeft u bijgestaan,Cecilia, en ik zal den jonker bijstaan. Bovendien, die knaap is een verduivelde schelm, en hij behoort aan dien gemeenen blaaskaak, dien mijn volkje eens haast uit het venster had gesmeten. Het zal een donkere avond zijn. Ik heb een paard, dat alles geleerd heeft behalve spreken; ik heb een hit, die vijftien mijlen in het uur loopt, als Childers hem rijdt; en ik heb een hond, die iemand vier en twintig uren lang op de plek kan vasthouden. Maak dat gij een woordje met den jongen jonker spreekt. Zeg hem, als hij ziet dat ons paard begint te dansen, dat hij dan niet bang moet wezen voor omslaan, maar uitkijken of er geen sjees met een hit aankomt. Zeg hem, als hij die sjees dichtbij ziet, dat hij dan moet afspringen, en hij zal er mee wegrijden als de wind. Als mijn hond dien jonkman een voet laat verzetten, geef ik hem verlof om te gaan. En als mijn paard een duimbreed verder komt dan de plek waar het begint te dansen, al duurde het tot morgenochtend, dan ken ik het niet. Nu voortgemaakt!”Er werd zoo goed voortgemaakt, dat binnen tien minuten Childers, die op zijne pantoffels over de markt kuierde, wist wat hij te doen had, en Sleary’s equipage gereed was. Het was een fraai gezicht, den hond blaffend om het rijtuig te zien springen, terwijl Sleary hem met zijn eenig daartoe bruikbaar oog onderrichtte, dat Bitzer het voorwerp zijner bijzondere oplettendheid moest wezen. Kort na het vallen van den donker stapten de drie in en reden voort, terwijl de geleerde hond (een geducht beest) Bitzer reeds met zijne oogen vasthield en dicht bij het wiel aan zijn kant bleef, om voor hemgereed te zijn indien hij de minste geneigdheid toonde om af te stappen.De andere drie bleven in de herberg den geheelen nacht in angstige spanning opzitten. Tegen acht uur in den ochtend kwamen Sleary en de hond de kamer in, beiden zeer vroolijk.„Alles klaar, jonker,” zeide Sleary. „Uw zoon kan nu al aan boord van een schip wezen. Childers heeft hem gisteravond meegenomen, anderhalf uur nadat wij hier vandaan reden. Het paard danste de polka tot het dood af was (het zou gewalst hebben, als het niet ingespannen was geweest) en toen gaf ik het sein en ging het gerust slapen. Toen die verduivelde bleeke schelm zeide, dat hij te voet verder wilde gaan, hing de hond in eens aan zijne das met alle vier de pooten in de lucht, trok hem neer en rolde hem om en om. Hij kwam dus maar weer in het wagentje, en daar bleef hij zitten, tot ik van morgen half zeven het paard liet omkeeren.”Mijnheer Gradgrind overstelpte hem natuurlijk met dankbetuigingen, en sprak ook met zooveel kieschheid als hem maar mogelijk was van eene ruime belooning in geld.„Ik zelf heb geen geld noodig, jonker,” antwoordde Sleary, „maar Childers is een man met een huishouden, en als gij hem eene banknoot van vijf pond woudt presenteeren, zou dat misschien niet onaannemelijk zijn. Ook als gij een halsband voor den hond en een tuig met bellen voor het paard overhad, zou het mij groot pleizier doen. Brandewijn met water neem ik altijd aan.”—Hij had reeds een glas genomen en bestelde er nu nog een.—„Als ge dacht dat het niet te veel was, jonker, een vroolijken maaltijd aan den geheelen troep te geven, tegen zoo wat drie en een halven schelling de persoon, behalve den drank, zouden zij er heel blij mee zijn.”Al deze kleine bewijzen van dankbaarheid beloofde mijnheer Gradgrind zeer gewillig te zullen geven, hoewel hij ze veel te gering achtte, zeide hij, voor zulk een dienst.„Welnu, jonker, als ge dan soms eens een paardenspel eene besprokene representatie laat geven, wanneer ge kunt, zult ge de rekening meer dan effen maken. En nu, jonker, als uwe dochter het niet kwalijk neemt, zou ik tot afscheid gaarne een woordje met u alleen spreken.”Louisa en Sissy gingen naar eene andere kamer; en mijnheer Sleary vervolgde, toen hij staande zijn glas omroerde en uitdronk:„Jonker, ik behoef u niet te zeggen, dat honden verwonderlijke beesten zijn.”„Hun instinct is zeker verbazend,” zeide mijnheer Gradgrind hierop.„Hoe gij het ook noemen wilt—en ik mag zalig wezen als ik weet hoe ik het moet noemen—het is verwonderlijk, hoe ver een hond u zal komen opzoeken en vinden.”„Omdat zijn reuk zoo fijn is,” zeide mijnheer Gradgrind.„Ik weet waarachtig niet hoe ik het noemen moet,” hervatte Sleary; „maar eens is een hond mij komen opzoeken, jonker, op eene manier, die mij deed denken of die hond ook naar een anderen hond was gegaan en gezegd had: „Gij kent bijgeval niet een man die Sleary heet? Een man die Sleary heet en een paardenspel heeft—een dik man, met een raar oog?” En of die andere hond toen gezegd had: „Sleary, Sleary! O ja, wel zeker, een vriend van mij heeft mij eens van hem gesproken. Ik kan u terstond zijn adres bezorgen.” Omdat ik zooveel voor het publiek kom en zooveel uitga, ziet ge, moeten er machtig veel honden zijn die mij kennen, jonker, dat weet ik.”Mijnheer Gradgrind scheen door deze bespiegeling geheel van zijn stuk gebracht.„In allen gevalle,” hervatte Sleary, nadat hij zijne lippen nog eens had bevochtigd, „het is nu veertien maanden geleden, jonker, dat we teChesterwaren. Wij gaven op een ochtend juist onze Kinderen in het Bosch, toen er door de tooneeldeur een hond de manege kwam inloopen. Hij had ver geloopen, en was in heel slechten staat—kreupel en welhaast blind. Hij liep rond bij onze kinderen, de een na den ander, alsof hij naar een kind zocht dat hij kende; en toen kwam hij naar mij toe, gooide zich van achteren op en bleef op zijne voorpooten staan, zoo zwak als hij was; en toen kwispelde hij met zijn staart en stierf. Nu, jonker, die hond was Merrylegs.”„De hond van Sissy’s vader.”„De oude hond van Cecilia’s vader. Nu, jonker, kan ik er op zweren, want zoo ken ik dien hond, dat de man dood en begraven was, eer de hond naar mij ging zoeken. Josephine, Childers en ik hebben er lang over gepraat, of ik het schrijven zou of niet; maar wij dachten: „Neen! Er is niets pleizierigs te zeggen; waarom zouden wij haar onrustig en bedroefd maken?” Hoewel, of haar vader haar laaghartig verlaten heeft, of dat hij maar alleen van verdriet wilde sterven, liever dan haar mee in het graf te trekken, dat zal nooit bekend worden, jonker, voordat—neen, niet voordat wij weten hoe de honden ons opzoeken.”„Zij bewaart tot nog toe het fleschje, waarom hij haar had uitgezonden; en zij zal tot het laatste oogenblik van haar leven aan zijne liefde gelooven,” zeide mijnheer Gradgrind.„Dit schijnt iemand twee dingen in de gedachten te brengen, niet waar, jonker?” hervatte Sleary, peinzende, terwijl hij in de diepte van zijn glas keek; „vooreerst dat er toch liefde in de wereld is, niet alles eigenbelang, maar iets geheel anders; en ten tweede dat die liefde hare eigene manier van rekenen heeft, waaraan het, hoe het dan ook komen mag, tenminste even moeielijk is een naam te geven als aan die manier van denken.”Mijnheer Gradgrind keek het venster uit en gaf geen antwoord. Sleary ledigde zijn glas en riep de dames weder binnen.„Cecilia, mijn liefje, geef mij nu een kus en vaarwel dan! Mevrouwtje, dat ik u haar zoo als eene zuster zie behandelen, en eene zuster, die gij met al uw hart vertrouwt en hoogacht, is een heel pleizierig gezicht voor mij. Ook hoop ik, dat uw broeder nog lang genoeg mag leven om u beter waardig te zijn en u tot meer blijdschap te wezen. Jonker, geef mij de hand, voor het eerst en het laatst! Wees niet kwaad op ons, arme landloopers. De menschen moeten geamuseerd worden. Zij kunnen niet altijd aan het leeren of aan het werken zijn; daarvoor zijn zij niet gemaakt. Gijmoetons hebben, jonker. Als ge dus doen wilt wat wijs en goed is tegelijk, denk dan het beste van ons en niet altijd het slechtste.”„En ik had nooit gedacht,” vervolgde Sleary, zijn hoofd weder binnenstekende om dit nog te zeggen, „dat ik zoo zou kunnen babbelen.”

XXXVI.PHILOSOPHISCH.Zij gingen terug in de tent, en Sleary sloot de deur om indringers buiten te houden. Bitzer, die den van schrik verstijfden misdadiger nog bij den kraag hield, stond in de manege zijn ouden patroon in de schemering met knippende oogen aan te gluren.„Bitzer,” zeide mijnheer Gradgrind, geheel verslagen en met jammerlijke onderdanigheid voor den kantoorknecht, „hebt gij een hart?”„De bloedsomloop, mijnheer,” antwoordde Bitzer, glimlachende over het zonderlinge dier vraag, „zou zonder hart niet kunnen voortgaan. Niemand, mijnheer, die bekend is met de feiten aangaande den omloop van het bloed, welke Harvey heeft ontdekt, kan twijfelen of ik een hart heb.”„Is het toegankelijk,” riep mijnheer Gradgrind uit, „voor den invloed van het medelijden?”„Het is toegankelijk voor de rede, mijnheer,” antwoordde de uitmuntende jonkman, „en voor niets anders.”Zij stonden elkander aan te zien, mijnheer Gradgrind met een gezicht zoo wit als dat van zijn vervolger.„Welke reden kunt gij hebben om de vlucht van dezen rampzaligen jonkman te verhinderen,” zeide hij, „en zijn ongelukkigen vader nog ongelukkiger te maken? Zie zijne zuster hier. Heb medelijden met ons!”„Mijnheer,” antwoordde Bitzer op een droog redeneerenden toon, „daar gij mij vraagt, welke reden ik heb om den jongenheer Tom naarCoketownterug te brengen, is het niet meer dan redelijk, dat ik u die laat weten. Ik heb den jongenheer Tom van den beginne af van dien diefstal verdacht. Ik had hem al vóór dien tijd in het oog gehouden, want ik kende zijne manieren. Ik heb mijne waarnemingen voor mij zelven gehouden, maar ik heb ze toch gedaan; en ik heb nu overvloedige bewijzen tegen hem, behalve zijn wegloopen en behalve zijne eigene bekentenis, die ik juist bijtijds heb kunnen beluisteren. Ik heb het genoegen gehad van gisterochtend op uw huis te passen en u hierheen te volgen. Ik zal den jongenheer Tom nu naarCoketownterugbrengen, ten einde hem aan mijnheer Bounderby over te leveren; en ik twijfel niet, mijnheer, of mijnheer Bounderby zal mij dan tot de plaats van jongenheer Tom bevorderen; en ik verlang zijne plaats te hebben, mijnheer, omdat zij mij meer inkomen zal geven en mij dus voordeelig zal zijn.”„Indien het alleen eene quaestie van eigenbelang bij u is,” begon mijnheer Gradgrind.„Ik verzoek u verschooning, dat ik u in de rede val, mijnheer,” liet Bitzer hierop volgen; „maar gij weet zeker wel, dat het geheele maatschappelijke systeem eene quaestie van eigenbelang is. Iemands eigenbelang is datgene, waarop men altijd moet neerkomen. Dat is het eenige, waardoor men vat op hem heeft. Zoo zijn de menschen. Ik ben in dien catechismus onderwezen toen ik nog heel jong was, mijnheer, gelijk gij wel weet.”„Welke som gelds,” zeide mijnheer Gradgrind, „wilt gij tegen uwe verwachte bevordering stellen?”„Ik dank u wel, mijnheer,” antwoordde Bitzer, „dat gij hiervan spreekt; maar ik wil ergeheel geene som tegen stellen. Wel wetende, dat uw helder hoofd deze keus zou voorstellen, heb ik bij mij zelven de berekening gemaakt; en ik vind, dat over eene misdaad te accordeeren, zelfs voor eene zeer hooge som, niet zoo veilig en goed voor mij zou zijn als mijne verbeterde vooruitzichten aan het kantoor.”„Bitzer,” zeide mijnheer Gradgrind, zijne handen uitstrekkende, alsof hij wilde zeggen: zie, hoe ellendig ik ben! „Bitzer, ik heb nog maar ééne kans over om u te vermurwen. Gij zijt vele jaren op mijne school geweest. Indien de herinnering aan de zorg, die daar aan u besteed is, u eenigermate kan bewegen om uw tegenwoordig belang achter te stellen en mijn zoon los te laten, bid en smeek ik u om die herinnering voor hem te laten spreken.”„Ik verwonder mij waarlijk, mijnheer,” antwoordde de leerling op een stijven redeneertrant, „dat gij zulk eene onhoudbare positie aanneemt. Mijn schoolgaan werd betaald; het was een koop of accoord; en toen ik heenging, was het accoord uit.”Het was een grondregel der Gradgrindsche philosophie, dat alles betaald moest worden. Niemand mocht ooit om de eene of andere reden iemand iets geven of eenige hulp bewijzen, zonder dat er voor betaald werd. Dankbaarheid moest afgeschaft worden, en alle deugden, die daaruit voortsproten, behoorden niet te bestaan. Elke duim lengte van het geheele aanzijn des menschdoms, van de geboorte tot aan den dood, moest een koop over eene toonbank zijn. En indien wij zóó niet in den hemel kwamen, dan wist men daar niets van de staathuishoudkunde, en hadden wij daar niets te maken.„Ik ontken niet, dat mijn schoolgaan goedkoop was,” vervolgde Bitzer. „Maar dat doet aan de zaak niet af, mijnheer. Ik werd op de goedkoopste markt gevormd en moet mij zelven op de duurste verkoopen.”Hij werd hier een weinig gehinderd door het schreien van Louisa en Sissy.„Och, doe dat niet,” zeide hij; „het baat tot niets; het verveelt iemand maar. Gij schijnt te denken, dat ik vijandschap tegen den jongenheer Tom voed; maar dat is in ’t geheel het geval niet. Ik ga hem maar, om de gegronde redenen die ik vermeld heb, naarCoketownterugbrengen. Als hij tegenstand mocht bieden, zou ik roepen: Houd den dief! Maar hij zal geen tegenstand bieden; daar kunt gij op aan.”Mijnheer Sleary had met open mond naar deze wijsheid staan luisteren, zoo aandachtig, dat zijn rollend oog even onbeweeglijk vast in zijn hoofd stond als het strakke; nu echter trad hij voorwaarts.„Jonker,” zeide hij, „gij weet heel wel, en uwe dochter weet ook heel wel (beter nog dan gij, omdat ik het haar gezegd heb), dat ik niet wist wat uw zoon gedaan had, en dat ik het niet wilde weten—ik zeide dat het beter was van neen, hoewel ik toen dacht, dat het maar een beetje rinkelrooien was. Maar nu die jonkman heeft bekend gemaakt dat het een diefstal in een kantoor is geweest, nu is het eene ernstige zaak, eene veel te ernstige zaak voor mij om te accordeeren, zooals die jonkman het heel mooi gezegd heeft. Bijgevolg, jonker, moet gij het niet kwalijk nemen als ik den kant van dien jonkman kies, en zeg dat hij gelijk heeft en dat er niet aan te doen is. Maar ik zal u zeggen wat ik doen wil, jonker; ik zal uw zoon en dezen jonkman zelf naar den spoorweg rijden, en zoo maken dat hier geen schandaal komt. Meer kan ik niet beloven, maar dat wil ik voor u doen.”Louisa hief nieuwe jammerklachten aan en mijnheer Gradgrind verzonk nog dieper in zijn leed bij deze afvalligheid van hun laatsten vriend. Maar Sissy zag hem oplettend aan, en haar hart verstond hem niet verkeerd. Toen zij allen weder naar buiten gingen, begunstigde hij haar met een lonkje uit zijn beweeglijk oog, dat haar duidelijk verzocht wat achter te blijven, en toen hij de deur sloot, zeide hij met groote opgewondenheid:„De jonker heeft u bijgestaan,Cecilia, en ik zal den jonker bijstaan. Bovendien, die knaap is een verduivelde schelm, en hij behoort aan dien gemeenen blaaskaak, dien mijn volkje eens haast uit het venster had gesmeten. Het zal een donkere avond zijn. Ik heb een paard, dat alles geleerd heeft behalve spreken; ik heb een hit, die vijftien mijlen in het uur loopt, als Childers hem rijdt; en ik heb een hond, die iemand vier en twintig uren lang op de plek kan vasthouden. Maak dat gij een woordje met den jongen jonker spreekt. Zeg hem, als hij ziet dat ons paard begint te dansen, dat hij dan niet bang moet wezen voor omslaan, maar uitkijken of er geen sjees met een hit aankomt. Zeg hem, als hij die sjees dichtbij ziet, dat hij dan moet afspringen, en hij zal er mee wegrijden als de wind. Als mijn hond dien jonkman een voet laat verzetten, geef ik hem verlof om te gaan. En als mijn paard een duimbreed verder komt dan de plek waar het begint te dansen, al duurde het tot morgenochtend, dan ken ik het niet. Nu voortgemaakt!”Er werd zoo goed voortgemaakt, dat binnen tien minuten Childers, die op zijne pantoffels over de markt kuierde, wist wat hij te doen had, en Sleary’s equipage gereed was. Het was een fraai gezicht, den hond blaffend om het rijtuig te zien springen, terwijl Sleary hem met zijn eenig daartoe bruikbaar oog onderrichtte, dat Bitzer het voorwerp zijner bijzondere oplettendheid moest wezen. Kort na het vallen van den donker stapten de drie in en reden voort, terwijl de geleerde hond (een geducht beest) Bitzer reeds met zijne oogen vasthield en dicht bij het wiel aan zijn kant bleef, om voor hemgereed te zijn indien hij de minste geneigdheid toonde om af te stappen.De andere drie bleven in de herberg den geheelen nacht in angstige spanning opzitten. Tegen acht uur in den ochtend kwamen Sleary en de hond de kamer in, beiden zeer vroolijk.„Alles klaar, jonker,” zeide Sleary. „Uw zoon kan nu al aan boord van een schip wezen. Childers heeft hem gisteravond meegenomen, anderhalf uur nadat wij hier vandaan reden. Het paard danste de polka tot het dood af was (het zou gewalst hebben, als het niet ingespannen was geweest) en toen gaf ik het sein en ging het gerust slapen. Toen die verduivelde bleeke schelm zeide, dat hij te voet verder wilde gaan, hing de hond in eens aan zijne das met alle vier de pooten in de lucht, trok hem neer en rolde hem om en om. Hij kwam dus maar weer in het wagentje, en daar bleef hij zitten, tot ik van morgen half zeven het paard liet omkeeren.”Mijnheer Gradgrind overstelpte hem natuurlijk met dankbetuigingen, en sprak ook met zooveel kieschheid als hem maar mogelijk was van eene ruime belooning in geld.„Ik zelf heb geen geld noodig, jonker,” antwoordde Sleary, „maar Childers is een man met een huishouden, en als gij hem eene banknoot van vijf pond woudt presenteeren, zou dat misschien niet onaannemelijk zijn. Ook als gij een halsband voor den hond en een tuig met bellen voor het paard overhad, zou het mij groot pleizier doen. Brandewijn met water neem ik altijd aan.”—Hij had reeds een glas genomen en bestelde er nu nog een.—„Als ge dacht dat het niet te veel was, jonker, een vroolijken maaltijd aan den geheelen troep te geven, tegen zoo wat drie en een halven schelling de persoon, behalve den drank, zouden zij er heel blij mee zijn.”Al deze kleine bewijzen van dankbaarheid beloofde mijnheer Gradgrind zeer gewillig te zullen geven, hoewel hij ze veel te gering achtte, zeide hij, voor zulk een dienst.„Welnu, jonker, als ge dan soms eens een paardenspel eene besprokene representatie laat geven, wanneer ge kunt, zult ge de rekening meer dan effen maken. En nu, jonker, als uwe dochter het niet kwalijk neemt, zou ik tot afscheid gaarne een woordje met u alleen spreken.”Louisa en Sissy gingen naar eene andere kamer; en mijnheer Sleary vervolgde, toen hij staande zijn glas omroerde en uitdronk:„Jonker, ik behoef u niet te zeggen, dat honden verwonderlijke beesten zijn.”„Hun instinct is zeker verbazend,” zeide mijnheer Gradgrind hierop.„Hoe gij het ook noemen wilt—en ik mag zalig wezen als ik weet hoe ik het moet noemen—het is verwonderlijk, hoe ver een hond u zal komen opzoeken en vinden.”„Omdat zijn reuk zoo fijn is,” zeide mijnheer Gradgrind.„Ik weet waarachtig niet hoe ik het noemen moet,” hervatte Sleary; „maar eens is een hond mij komen opzoeken, jonker, op eene manier, die mij deed denken of die hond ook naar een anderen hond was gegaan en gezegd had: „Gij kent bijgeval niet een man die Sleary heet? Een man die Sleary heet en een paardenspel heeft—een dik man, met een raar oog?” En of die andere hond toen gezegd had: „Sleary, Sleary! O ja, wel zeker, een vriend van mij heeft mij eens van hem gesproken. Ik kan u terstond zijn adres bezorgen.” Omdat ik zooveel voor het publiek kom en zooveel uitga, ziet ge, moeten er machtig veel honden zijn die mij kennen, jonker, dat weet ik.”Mijnheer Gradgrind scheen door deze bespiegeling geheel van zijn stuk gebracht.„In allen gevalle,” hervatte Sleary, nadat hij zijne lippen nog eens had bevochtigd, „het is nu veertien maanden geleden, jonker, dat we teChesterwaren. Wij gaven op een ochtend juist onze Kinderen in het Bosch, toen er door de tooneeldeur een hond de manege kwam inloopen. Hij had ver geloopen, en was in heel slechten staat—kreupel en welhaast blind. Hij liep rond bij onze kinderen, de een na den ander, alsof hij naar een kind zocht dat hij kende; en toen kwam hij naar mij toe, gooide zich van achteren op en bleef op zijne voorpooten staan, zoo zwak als hij was; en toen kwispelde hij met zijn staart en stierf. Nu, jonker, die hond was Merrylegs.”„De hond van Sissy’s vader.”„De oude hond van Cecilia’s vader. Nu, jonker, kan ik er op zweren, want zoo ken ik dien hond, dat de man dood en begraven was, eer de hond naar mij ging zoeken. Josephine, Childers en ik hebben er lang over gepraat, of ik het schrijven zou of niet; maar wij dachten: „Neen! Er is niets pleizierigs te zeggen; waarom zouden wij haar onrustig en bedroefd maken?” Hoewel, of haar vader haar laaghartig verlaten heeft, of dat hij maar alleen van verdriet wilde sterven, liever dan haar mee in het graf te trekken, dat zal nooit bekend worden, jonker, voordat—neen, niet voordat wij weten hoe de honden ons opzoeken.”„Zij bewaart tot nog toe het fleschje, waarom hij haar had uitgezonden; en zij zal tot het laatste oogenblik van haar leven aan zijne liefde gelooven,” zeide mijnheer Gradgrind.„Dit schijnt iemand twee dingen in de gedachten te brengen, niet waar, jonker?” hervatte Sleary, peinzende, terwijl hij in de diepte van zijn glas keek; „vooreerst dat er toch liefde in de wereld is, niet alles eigenbelang, maar iets geheel anders; en ten tweede dat die liefde hare eigene manier van rekenen heeft, waaraan het, hoe het dan ook komen mag, tenminste even moeielijk is een naam te geven als aan die manier van denken.”Mijnheer Gradgrind keek het venster uit en gaf geen antwoord. Sleary ledigde zijn glas en riep de dames weder binnen.„Cecilia, mijn liefje, geef mij nu een kus en vaarwel dan! Mevrouwtje, dat ik u haar zoo als eene zuster zie behandelen, en eene zuster, die gij met al uw hart vertrouwt en hoogacht, is een heel pleizierig gezicht voor mij. Ook hoop ik, dat uw broeder nog lang genoeg mag leven om u beter waardig te zijn en u tot meer blijdschap te wezen. Jonker, geef mij de hand, voor het eerst en het laatst! Wees niet kwaad op ons, arme landloopers. De menschen moeten geamuseerd worden. Zij kunnen niet altijd aan het leeren of aan het werken zijn; daarvoor zijn zij niet gemaakt. Gijmoetons hebben, jonker. Als ge dus doen wilt wat wijs en goed is tegelijk, denk dan het beste van ons en niet altijd het slechtste.”„En ik had nooit gedacht,” vervolgde Sleary, zijn hoofd weder binnenstekende om dit nog te zeggen, „dat ik zoo zou kunnen babbelen.”

XXXVI.PHILOSOPHISCH.

Zij gingen terug in de tent, en Sleary sloot de deur om indringers buiten te houden. Bitzer, die den van schrik verstijfden misdadiger nog bij den kraag hield, stond in de manege zijn ouden patroon in de schemering met knippende oogen aan te gluren.„Bitzer,” zeide mijnheer Gradgrind, geheel verslagen en met jammerlijke onderdanigheid voor den kantoorknecht, „hebt gij een hart?”„De bloedsomloop, mijnheer,” antwoordde Bitzer, glimlachende over het zonderlinge dier vraag, „zou zonder hart niet kunnen voortgaan. Niemand, mijnheer, die bekend is met de feiten aangaande den omloop van het bloed, welke Harvey heeft ontdekt, kan twijfelen of ik een hart heb.”„Is het toegankelijk,” riep mijnheer Gradgrind uit, „voor den invloed van het medelijden?”„Het is toegankelijk voor de rede, mijnheer,” antwoordde de uitmuntende jonkman, „en voor niets anders.”Zij stonden elkander aan te zien, mijnheer Gradgrind met een gezicht zoo wit als dat van zijn vervolger.„Welke reden kunt gij hebben om de vlucht van dezen rampzaligen jonkman te verhinderen,” zeide hij, „en zijn ongelukkigen vader nog ongelukkiger te maken? Zie zijne zuster hier. Heb medelijden met ons!”„Mijnheer,” antwoordde Bitzer op een droog redeneerenden toon, „daar gij mij vraagt, welke reden ik heb om den jongenheer Tom naarCoketownterug te brengen, is het niet meer dan redelijk, dat ik u die laat weten. Ik heb den jongenheer Tom van den beginne af van dien diefstal verdacht. Ik had hem al vóór dien tijd in het oog gehouden, want ik kende zijne manieren. Ik heb mijne waarnemingen voor mij zelven gehouden, maar ik heb ze toch gedaan; en ik heb nu overvloedige bewijzen tegen hem, behalve zijn wegloopen en behalve zijne eigene bekentenis, die ik juist bijtijds heb kunnen beluisteren. Ik heb het genoegen gehad van gisterochtend op uw huis te passen en u hierheen te volgen. Ik zal den jongenheer Tom nu naarCoketownterugbrengen, ten einde hem aan mijnheer Bounderby over te leveren; en ik twijfel niet, mijnheer, of mijnheer Bounderby zal mij dan tot de plaats van jongenheer Tom bevorderen; en ik verlang zijne plaats te hebben, mijnheer, omdat zij mij meer inkomen zal geven en mij dus voordeelig zal zijn.”„Indien het alleen eene quaestie van eigenbelang bij u is,” begon mijnheer Gradgrind.„Ik verzoek u verschooning, dat ik u in de rede val, mijnheer,” liet Bitzer hierop volgen; „maar gij weet zeker wel, dat het geheele maatschappelijke systeem eene quaestie van eigenbelang is. Iemands eigenbelang is datgene, waarop men altijd moet neerkomen. Dat is het eenige, waardoor men vat op hem heeft. Zoo zijn de menschen. Ik ben in dien catechismus onderwezen toen ik nog heel jong was, mijnheer, gelijk gij wel weet.”„Welke som gelds,” zeide mijnheer Gradgrind, „wilt gij tegen uwe verwachte bevordering stellen?”„Ik dank u wel, mijnheer,” antwoordde Bitzer, „dat gij hiervan spreekt; maar ik wil ergeheel geene som tegen stellen. Wel wetende, dat uw helder hoofd deze keus zou voorstellen, heb ik bij mij zelven de berekening gemaakt; en ik vind, dat over eene misdaad te accordeeren, zelfs voor eene zeer hooge som, niet zoo veilig en goed voor mij zou zijn als mijne verbeterde vooruitzichten aan het kantoor.”„Bitzer,” zeide mijnheer Gradgrind, zijne handen uitstrekkende, alsof hij wilde zeggen: zie, hoe ellendig ik ben! „Bitzer, ik heb nog maar ééne kans over om u te vermurwen. Gij zijt vele jaren op mijne school geweest. Indien de herinnering aan de zorg, die daar aan u besteed is, u eenigermate kan bewegen om uw tegenwoordig belang achter te stellen en mijn zoon los te laten, bid en smeek ik u om die herinnering voor hem te laten spreken.”„Ik verwonder mij waarlijk, mijnheer,” antwoordde de leerling op een stijven redeneertrant, „dat gij zulk eene onhoudbare positie aanneemt. Mijn schoolgaan werd betaald; het was een koop of accoord; en toen ik heenging, was het accoord uit.”Het was een grondregel der Gradgrindsche philosophie, dat alles betaald moest worden. Niemand mocht ooit om de eene of andere reden iemand iets geven of eenige hulp bewijzen, zonder dat er voor betaald werd. Dankbaarheid moest afgeschaft worden, en alle deugden, die daaruit voortsproten, behoorden niet te bestaan. Elke duim lengte van het geheele aanzijn des menschdoms, van de geboorte tot aan den dood, moest een koop over eene toonbank zijn. En indien wij zóó niet in den hemel kwamen, dan wist men daar niets van de staathuishoudkunde, en hadden wij daar niets te maken.„Ik ontken niet, dat mijn schoolgaan goedkoop was,” vervolgde Bitzer. „Maar dat doet aan de zaak niet af, mijnheer. Ik werd op de goedkoopste markt gevormd en moet mij zelven op de duurste verkoopen.”Hij werd hier een weinig gehinderd door het schreien van Louisa en Sissy.„Och, doe dat niet,” zeide hij; „het baat tot niets; het verveelt iemand maar. Gij schijnt te denken, dat ik vijandschap tegen den jongenheer Tom voed; maar dat is in ’t geheel het geval niet. Ik ga hem maar, om de gegronde redenen die ik vermeld heb, naarCoketownterugbrengen. Als hij tegenstand mocht bieden, zou ik roepen: Houd den dief! Maar hij zal geen tegenstand bieden; daar kunt gij op aan.”Mijnheer Sleary had met open mond naar deze wijsheid staan luisteren, zoo aandachtig, dat zijn rollend oog even onbeweeglijk vast in zijn hoofd stond als het strakke; nu echter trad hij voorwaarts.„Jonker,” zeide hij, „gij weet heel wel, en uwe dochter weet ook heel wel (beter nog dan gij, omdat ik het haar gezegd heb), dat ik niet wist wat uw zoon gedaan had, en dat ik het niet wilde weten—ik zeide dat het beter was van neen, hoewel ik toen dacht, dat het maar een beetje rinkelrooien was. Maar nu die jonkman heeft bekend gemaakt dat het een diefstal in een kantoor is geweest, nu is het eene ernstige zaak, eene veel te ernstige zaak voor mij om te accordeeren, zooals die jonkman het heel mooi gezegd heeft. Bijgevolg, jonker, moet gij het niet kwalijk nemen als ik den kant van dien jonkman kies, en zeg dat hij gelijk heeft en dat er niet aan te doen is. Maar ik zal u zeggen wat ik doen wil, jonker; ik zal uw zoon en dezen jonkman zelf naar den spoorweg rijden, en zoo maken dat hier geen schandaal komt. Meer kan ik niet beloven, maar dat wil ik voor u doen.”Louisa hief nieuwe jammerklachten aan en mijnheer Gradgrind verzonk nog dieper in zijn leed bij deze afvalligheid van hun laatsten vriend. Maar Sissy zag hem oplettend aan, en haar hart verstond hem niet verkeerd. Toen zij allen weder naar buiten gingen, begunstigde hij haar met een lonkje uit zijn beweeglijk oog, dat haar duidelijk verzocht wat achter te blijven, en toen hij de deur sloot, zeide hij met groote opgewondenheid:„De jonker heeft u bijgestaan,Cecilia, en ik zal den jonker bijstaan. Bovendien, die knaap is een verduivelde schelm, en hij behoort aan dien gemeenen blaaskaak, dien mijn volkje eens haast uit het venster had gesmeten. Het zal een donkere avond zijn. Ik heb een paard, dat alles geleerd heeft behalve spreken; ik heb een hit, die vijftien mijlen in het uur loopt, als Childers hem rijdt; en ik heb een hond, die iemand vier en twintig uren lang op de plek kan vasthouden. Maak dat gij een woordje met den jongen jonker spreekt. Zeg hem, als hij ziet dat ons paard begint te dansen, dat hij dan niet bang moet wezen voor omslaan, maar uitkijken of er geen sjees met een hit aankomt. Zeg hem, als hij die sjees dichtbij ziet, dat hij dan moet afspringen, en hij zal er mee wegrijden als de wind. Als mijn hond dien jonkman een voet laat verzetten, geef ik hem verlof om te gaan. En als mijn paard een duimbreed verder komt dan de plek waar het begint te dansen, al duurde het tot morgenochtend, dan ken ik het niet. Nu voortgemaakt!”Er werd zoo goed voortgemaakt, dat binnen tien minuten Childers, die op zijne pantoffels over de markt kuierde, wist wat hij te doen had, en Sleary’s equipage gereed was. Het was een fraai gezicht, den hond blaffend om het rijtuig te zien springen, terwijl Sleary hem met zijn eenig daartoe bruikbaar oog onderrichtte, dat Bitzer het voorwerp zijner bijzondere oplettendheid moest wezen. Kort na het vallen van den donker stapten de drie in en reden voort, terwijl de geleerde hond (een geducht beest) Bitzer reeds met zijne oogen vasthield en dicht bij het wiel aan zijn kant bleef, om voor hemgereed te zijn indien hij de minste geneigdheid toonde om af te stappen.De andere drie bleven in de herberg den geheelen nacht in angstige spanning opzitten. Tegen acht uur in den ochtend kwamen Sleary en de hond de kamer in, beiden zeer vroolijk.„Alles klaar, jonker,” zeide Sleary. „Uw zoon kan nu al aan boord van een schip wezen. Childers heeft hem gisteravond meegenomen, anderhalf uur nadat wij hier vandaan reden. Het paard danste de polka tot het dood af was (het zou gewalst hebben, als het niet ingespannen was geweest) en toen gaf ik het sein en ging het gerust slapen. Toen die verduivelde bleeke schelm zeide, dat hij te voet verder wilde gaan, hing de hond in eens aan zijne das met alle vier de pooten in de lucht, trok hem neer en rolde hem om en om. Hij kwam dus maar weer in het wagentje, en daar bleef hij zitten, tot ik van morgen half zeven het paard liet omkeeren.”Mijnheer Gradgrind overstelpte hem natuurlijk met dankbetuigingen, en sprak ook met zooveel kieschheid als hem maar mogelijk was van eene ruime belooning in geld.„Ik zelf heb geen geld noodig, jonker,” antwoordde Sleary, „maar Childers is een man met een huishouden, en als gij hem eene banknoot van vijf pond woudt presenteeren, zou dat misschien niet onaannemelijk zijn. Ook als gij een halsband voor den hond en een tuig met bellen voor het paard overhad, zou het mij groot pleizier doen. Brandewijn met water neem ik altijd aan.”—Hij had reeds een glas genomen en bestelde er nu nog een.—„Als ge dacht dat het niet te veel was, jonker, een vroolijken maaltijd aan den geheelen troep te geven, tegen zoo wat drie en een halven schelling de persoon, behalve den drank, zouden zij er heel blij mee zijn.”Al deze kleine bewijzen van dankbaarheid beloofde mijnheer Gradgrind zeer gewillig te zullen geven, hoewel hij ze veel te gering achtte, zeide hij, voor zulk een dienst.„Welnu, jonker, als ge dan soms eens een paardenspel eene besprokene representatie laat geven, wanneer ge kunt, zult ge de rekening meer dan effen maken. En nu, jonker, als uwe dochter het niet kwalijk neemt, zou ik tot afscheid gaarne een woordje met u alleen spreken.”Louisa en Sissy gingen naar eene andere kamer; en mijnheer Sleary vervolgde, toen hij staande zijn glas omroerde en uitdronk:„Jonker, ik behoef u niet te zeggen, dat honden verwonderlijke beesten zijn.”„Hun instinct is zeker verbazend,” zeide mijnheer Gradgrind hierop.„Hoe gij het ook noemen wilt—en ik mag zalig wezen als ik weet hoe ik het moet noemen—het is verwonderlijk, hoe ver een hond u zal komen opzoeken en vinden.”„Omdat zijn reuk zoo fijn is,” zeide mijnheer Gradgrind.„Ik weet waarachtig niet hoe ik het noemen moet,” hervatte Sleary; „maar eens is een hond mij komen opzoeken, jonker, op eene manier, die mij deed denken of die hond ook naar een anderen hond was gegaan en gezegd had: „Gij kent bijgeval niet een man die Sleary heet? Een man die Sleary heet en een paardenspel heeft—een dik man, met een raar oog?” En of die andere hond toen gezegd had: „Sleary, Sleary! O ja, wel zeker, een vriend van mij heeft mij eens van hem gesproken. Ik kan u terstond zijn adres bezorgen.” Omdat ik zooveel voor het publiek kom en zooveel uitga, ziet ge, moeten er machtig veel honden zijn die mij kennen, jonker, dat weet ik.”Mijnheer Gradgrind scheen door deze bespiegeling geheel van zijn stuk gebracht.„In allen gevalle,” hervatte Sleary, nadat hij zijne lippen nog eens had bevochtigd, „het is nu veertien maanden geleden, jonker, dat we teChesterwaren. Wij gaven op een ochtend juist onze Kinderen in het Bosch, toen er door de tooneeldeur een hond de manege kwam inloopen. Hij had ver geloopen, en was in heel slechten staat—kreupel en welhaast blind. Hij liep rond bij onze kinderen, de een na den ander, alsof hij naar een kind zocht dat hij kende; en toen kwam hij naar mij toe, gooide zich van achteren op en bleef op zijne voorpooten staan, zoo zwak als hij was; en toen kwispelde hij met zijn staart en stierf. Nu, jonker, die hond was Merrylegs.”„De hond van Sissy’s vader.”„De oude hond van Cecilia’s vader. Nu, jonker, kan ik er op zweren, want zoo ken ik dien hond, dat de man dood en begraven was, eer de hond naar mij ging zoeken. Josephine, Childers en ik hebben er lang over gepraat, of ik het schrijven zou of niet; maar wij dachten: „Neen! Er is niets pleizierigs te zeggen; waarom zouden wij haar onrustig en bedroefd maken?” Hoewel, of haar vader haar laaghartig verlaten heeft, of dat hij maar alleen van verdriet wilde sterven, liever dan haar mee in het graf te trekken, dat zal nooit bekend worden, jonker, voordat—neen, niet voordat wij weten hoe de honden ons opzoeken.”„Zij bewaart tot nog toe het fleschje, waarom hij haar had uitgezonden; en zij zal tot het laatste oogenblik van haar leven aan zijne liefde gelooven,” zeide mijnheer Gradgrind.„Dit schijnt iemand twee dingen in de gedachten te brengen, niet waar, jonker?” hervatte Sleary, peinzende, terwijl hij in de diepte van zijn glas keek; „vooreerst dat er toch liefde in de wereld is, niet alles eigenbelang, maar iets geheel anders; en ten tweede dat die liefde hare eigene manier van rekenen heeft, waaraan het, hoe het dan ook komen mag, tenminste even moeielijk is een naam te geven als aan die manier van denken.”Mijnheer Gradgrind keek het venster uit en gaf geen antwoord. Sleary ledigde zijn glas en riep de dames weder binnen.„Cecilia, mijn liefje, geef mij nu een kus en vaarwel dan! Mevrouwtje, dat ik u haar zoo als eene zuster zie behandelen, en eene zuster, die gij met al uw hart vertrouwt en hoogacht, is een heel pleizierig gezicht voor mij. Ook hoop ik, dat uw broeder nog lang genoeg mag leven om u beter waardig te zijn en u tot meer blijdschap te wezen. Jonker, geef mij de hand, voor het eerst en het laatst! Wees niet kwaad op ons, arme landloopers. De menschen moeten geamuseerd worden. Zij kunnen niet altijd aan het leeren of aan het werken zijn; daarvoor zijn zij niet gemaakt. Gijmoetons hebben, jonker. Als ge dus doen wilt wat wijs en goed is tegelijk, denk dan het beste van ons en niet altijd het slechtste.”„En ik had nooit gedacht,” vervolgde Sleary, zijn hoofd weder binnenstekende om dit nog te zeggen, „dat ik zoo zou kunnen babbelen.”

Zij gingen terug in de tent, en Sleary sloot de deur om indringers buiten te houden. Bitzer, die den van schrik verstijfden misdadiger nog bij den kraag hield, stond in de manege zijn ouden patroon in de schemering met knippende oogen aan te gluren.

„Bitzer,” zeide mijnheer Gradgrind, geheel verslagen en met jammerlijke onderdanigheid voor den kantoorknecht, „hebt gij een hart?”

„De bloedsomloop, mijnheer,” antwoordde Bitzer, glimlachende over het zonderlinge dier vraag, „zou zonder hart niet kunnen voortgaan. Niemand, mijnheer, die bekend is met de feiten aangaande den omloop van het bloed, welke Harvey heeft ontdekt, kan twijfelen of ik een hart heb.”

„Is het toegankelijk,” riep mijnheer Gradgrind uit, „voor den invloed van het medelijden?”

„Het is toegankelijk voor de rede, mijnheer,” antwoordde de uitmuntende jonkman, „en voor niets anders.”

Zij stonden elkander aan te zien, mijnheer Gradgrind met een gezicht zoo wit als dat van zijn vervolger.

„Welke reden kunt gij hebben om de vlucht van dezen rampzaligen jonkman te verhinderen,” zeide hij, „en zijn ongelukkigen vader nog ongelukkiger te maken? Zie zijne zuster hier. Heb medelijden met ons!”

„Mijnheer,” antwoordde Bitzer op een droog redeneerenden toon, „daar gij mij vraagt, welke reden ik heb om den jongenheer Tom naarCoketownterug te brengen, is het niet meer dan redelijk, dat ik u die laat weten. Ik heb den jongenheer Tom van den beginne af van dien diefstal verdacht. Ik had hem al vóór dien tijd in het oog gehouden, want ik kende zijne manieren. Ik heb mijne waarnemingen voor mij zelven gehouden, maar ik heb ze toch gedaan; en ik heb nu overvloedige bewijzen tegen hem, behalve zijn wegloopen en behalve zijne eigene bekentenis, die ik juist bijtijds heb kunnen beluisteren. Ik heb het genoegen gehad van gisterochtend op uw huis te passen en u hierheen te volgen. Ik zal den jongenheer Tom nu naarCoketownterugbrengen, ten einde hem aan mijnheer Bounderby over te leveren; en ik twijfel niet, mijnheer, of mijnheer Bounderby zal mij dan tot de plaats van jongenheer Tom bevorderen; en ik verlang zijne plaats te hebben, mijnheer, omdat zij mij meer inkomen zal geven en mij dus voordeelig zal zijn.”

„Indien het alleen eene quaestie van eigenbelang bij u is,” begon mijnheer Gradgrind.

„Ik verzoek u verschooning, dat ik u in de rede val, mijnheer,” liet Bitzer hierop volgen; „maar gij weet zeker wel, dat het geheele maatschappelijke systeem eene quaestie van eigenbelang is. Iemands eigenbelang is datgene, waarop men altijd moet neerkomen. Dat is het eenige, waardoor men vat op hem heeft. Zoo zijn de menschen. Ik ben in dien catechismus onderwezen toen ik nog heel jong was, mijnheer, gelijk gij wel weet.”

„Welke som gelds,” zeide mijnheer Gradgrind, „wilt gij tegen uwe verwachte bevordering stellen?”

„Ik dank u wel, mijnheer,” antwoordde Bitzer, „dat gij hiervan spreekt; maar ik wil ergeheel geene som tegen stellen. Wel wetende, dat uw helder hoofd deze keus zou voorstellen, heb ik bij mij zelven de berekening gemaakt; en ik vind, dat over eene misdaad te accordeeren, zelfs voor eene zeer hooge som, niet zoo veilig en goed voor mij zou zijn als mijne verbeterde vooruitzichten aan het kantoor.”

„Bitzer,” zeide mijnheer Gradgrind, zijne handen uitstrekkende, alsof hij wilde zeggen: zie, hoe ellendig ik ben! „Bitzer, ik heb nog maar ééne kans over om u te vermurwen. Gij zijt vele jaren op mijne school geweest. Indien de herinnering aan de zorg, die daar aan u besteed is, u eenigermate kan bewegen om uw tegenwoordig belang achter te stellen en mijn zoon los te laten, bid en smeek ik u om die herinnering voor hem te laten spreken.”

„Ik verwonder mij waarlijk, mijnheer,” antwoordde de leerling op een stijven redeneertrant, „dat gij zulk eene onhoudbare positie aanneemt. Mijn schoolgaan werd betaald; het was een koop of accoord; en toen ik heenging, was het accoord uit.”

Het was een grondregel der Gradgrindsche philosophie, dat alles betaald moest worden. Niemand mocht ooit om de eene of andere reden iemand iets geven of eenige hulp bewijzen, zonder dat er voor betaald werd. Dankbaarheid moest afgeschaft worden, en alle deugden, die daaruit voortsproten, behoorden niet te bestaan. Elke duim lengte van het geheele aanzijn des menschdoms, van de geboorte tot aan den dood, moest een koop over eene toonbank zijn. En indien wij zóó niet in den hemel kwamen, dan wist men daar niets van de staathuishoudkunde, en hadden wij daar niets te maken.

„Ik ontken niet, dat mijn schoolgaan goedkoop was,” vervolgde Bitzer. „Maar dat doet aan de zaak niet af, mijnheer. Ik werd op de goedkoopste markt gevormd en moet mij zelven op de duurste verkoopen.”

Hij werd hier een weinig gehinderd door het schreien van Louisa en Sissy.

„Och, doe dat niet,” zeide hij; „het baat tot niets; het verveelt iemand maar. Gij schijnt te denken, dat ik vijandschap tegen den jongenheer Tom voed; maar dat is in ’t geheel het geval niet. Ik ga hem maar, om de gegronde redenen die ik vermeld heb, naarCoketownterugbrengen. Als hij tegenstand mocht bieden, zou ik roepen: Houd den dief! Maar hij zal geen tegenstand bieden; daar kunt gij op aan.”

Mijnheer Sleary had met open mond naar deze wijsheid staan luisteren, zoo aandachtig, dat zijn rollend oog even onbeweeglijk vast in zijn hoofd stond als het strakke; nu echter trad hij voorwaarts.

„Jonker,” zeide hij, „gij weet heel wel, en uwe dochter weet ook heel wel (beter nog dan gij, omdat ik het haar gezegd heb), dat ik niet wist wat uw zoon gedaan had, en dat ik het niet wilde weten—ik zeide dat het beter was van neen, hoewel ik toen dacht, dat het maar een beetje rinkelrooien was. Maar nu die jonkman heeft bekend gemaakt dat het een diefstal in een kantoor is geweest, nu is het eene ernstige zaak, eene veel te ernstige zaak voor mij om te accordeeren, zooals die jonkman het heel mooi gezegd heeft. Bijgevolg, jonker, moet gij het niet kwalijk nemen als ik den kant van dien jonkman kies, en zeg dat hij gelijk heeft en dat er niet aan te doen is. Maar ik zal u zeggen wat ik doen wil, jonker; ik zal uw zoon en dezen jonkman zelf naar den spoorweg rijden, en zoo maken dat hier geen schandaal komt. Meer kan ik niet beloven, maar dat wil ik voor u doen.”

Louisa hief nieuwe jammerklachten aan en mijnheer Gradgrind verzonk nog dieper in zijn leed bij deze afvalligheid van hun laatsten vriend. Maar Sissy zag hem oplettend aan, en haar hart verstond hem niet verkeerd. Toen zij allen weder naar buiten gingen, begunstigde hij haar met een lonkje uit zijn beweeglijk oog, dat haar duidelijk verzocht wat achter te blijven, en toen hij de deur sloot, zeide hij met groote opgewondenheid:

„De jonker heeft u bijgestaan,Cecilia, en ik zal den jonker bijstaan. Bovendien, die knaap is een verduivelde schelm, en hij behoort aan dien gemeenen blaaskaak, dien mijn volkje eens haast uit het venster had gesmeten. Het zal een donkere avond zijn. Ik heb een paard, dat alles geleerd heeft behalve spreken; ik heb een hit, die vijftien mijlen in het uur loopt, als Childers hem rijdt; en ik heb een hond, die iemand vier en twintig uren lang op de plek kan vasthouden. Maak dat gij een woordje met den jongen jonker spreekt. Zeg hem, als hij ziet dat ons paard begint te dansen, dat hij dan niet bang moet wezen voor omslaan, maar uitkijken of er geen sjees met een hit aankomt. Zeg hem, als hij die sjees dichtbij ziet, dat hij dan moet afspringen, en hij zal er mee wegrijden als de wind. Als mijn hond dien jonkman een voet laat verzetten, geef ik hem verlof om te gaan. En als mijn paard een duimbreed verder komt dan de plek waar het begint te dansen, al duurde het tot morgenochtend, dan ken ik het niet. Nu voortgemaakt!”

Er werd zoo goed voortgemaakt, dat binnen tien minuten Childers, die op zijne pantoffels over de markt kuierde, wist wat hij te doen had, en Sleary’s equipage gereed was. Het was een fraai gezicht, den hond blaffend om het rijtuig te zien springen, terwijl Sleary hem met zijn eenig daartoe bruikbaar oog onderrichtte, dat Bitzer het voorwerp zijner bijzondere oplettendheid moest wezen. Kort na het vallen van den donker stapten de drie in en reden voort, terwijl de geleerde hond (een geducht beest) Bitzer reeds met zijne oogen vasthield en dicht bij het wiel aan zijn kant bleef, om voor hemgereed te zijn indien hij de minste geneigdheid toonde om af te stappen.

De andere drie bleven in de herberg den geheelen nacht in angstige spanning opzitten. Tegen acht uur in den ochtend kwamen Sleary en de hond de kamer in, beiden zeer vroolijk.

„Alles klaar, jonker,” zeide Sleary. „Uw zoon kan nu al aan boord van een schip wezen. Childers heeft hem gisteravond meegenomen, anderhalf uur nadat wij hier vandaan reden. Het paard danste de polka tot het dood af was (het zou gewalst hebben, als het niet ingespannen was geweest) en toen gaf ik het sein en ging het gerust slapen. Toen die verduivelde bleeke schelm zeide, dat hij te voet verder wilde gaan, hing de hond in eens aan zijne das met alle vier de pooten in de lucht, trok hem neer en rolde hem om en om. Hij kwam dus maar weer in het wagentje, en daar bleef hij zitten, tot ik van morgen half zeven het paard liet omkeeren.”

Mijnheer Gradgrind overstelpte hem natuurlijk met dankbetuigingen, en sprak ook met zooveel kieschheid als hem maar mogelijk was van eene ruime belooning in geld.

„Ik zelf heb geen geld noodig, jonker,” antwoordde Sleary, „maar Childers is een man met een huishouden, en als gij hem eene banknoot van vijf pond woudt presenteeren, zou dat misschien niet onaannemelijk zijn. Ook als gij een halsband voor den hond en een tuig met bellen voor het paard overhad, zou het mij groot pleizier doen. Brandewijn met water neem ik altijd aan.”—Hij had reeds een glas genomen en bestelde er nu nog een.—„Als ge dacht dat het niet te veel was, jonker, een vroolijken maaltijd aan den geheelen troep te geven, tegen zoo wat drie en een halven schelling de persoon, behalve den drank, zouden zij er heel blij mee zijn.”

Al deze kleine bewijzen van dankbaarheid beloofde mijnheer Gradgrind zeer gewillig te zullen geven, hoewel hij ze veel te gering achtte, zeide hij, voor zulk een dienst.

„Welnu, jonker, als ge dan soms eens een paardenspel eene besprokene representatie laat geven, wanneer ge kunt, zult ge de rekening meer dan effen maken. En nu, jonker, als uwe dochter het niet kwalijk neemt, zou ik tot afscheid gaarne een woordje met u alleen spreken.”

Louisa en Sissy gingen naar eene andere kamer; en mijnheer Sleary vervolgde, toen hij staande zijn glas omroerde en uitdronk:

„Jonker, ik behoef u niet te zeggen, dat honden verwonderlijke beesten zijn.”

„Hun instinct is zeker verbazend,” zeide mijnheer Gradgrind hierop.

„Hoe gij het ook noemen wilt—en ik mag zalig wezen als ik weet hoe ik het moet noemen—het is verwonderlijk, hoe ver een hond u zal komen opzoeken en vinden.”

„Omdat zijn reuk zoo fijn is,” zeide mijnheer Gradgrind.

„Ik weet waarachtig niet hoe ik het noemen moet,” hervatte Sleary; „maar eens is een hond mij komen opzoeken, jonker, op eene manier, die mij deed denken of die hond ook naar een anderen hond was gegaan en gezegd had: „Gij kent bijgeval niet een man die Sleary heet? Een man die Sleary heet en een paardenspel heeft—een dik man, met een raar oog?” En of die andere hond toen gezegd had: „Sleary, Sleary! O ja, wel zeker, een vriend van mij heeft mij eens van hem gesproken. Ik kan u terstond zijn adres bezorgen.” Omdat ik zooveel voor het publiek kom en zooveel uitga, ziet ge, moeten er machtig veel honden zijn die mij kennen, jonker, dat weet ik.”

Mijnheer Gradgrind scheen door deze bespiegeling geheel van zijn stuk gebracht.

„In allen gevalle,” hervatte Sleary, nadat hij zijne lippen nog eens had bevochtigd, „het is nu veertien maanden geleden, jonker, dat we teChesterwaren. Wij gaven op een ochtend juist onze Kinderen in het Bosch, toen er door de tooneeldeur een hond de manege kwam inloopen. Hij had ver geloopen, en was in heel slechten staat—kreupel en welhaast blind. Hij liep rond bij onze kinderen, de een na den ander, alsof hij naar een kind zocht dat hij kende; en toen kwam hij naar mij toe, gooide zich van achteren op en bleef op zijne voorpooten staan, zoo zwak als hij was; en toen kwispelde hij met zijn staart en stierf. Nu, jonker, die hond was Merrylegs.”

„De hond van Sissy’s vader.”

„De oude hond van Cecilia’s vader. Nu, jonker, kan ik er op zweren, want zoo ken ik dien hond, dat de man dood en begraven was, eer de hond naar mij ging zoeken. Josephine, Childers en ik hebben er lang over gepraat, of ik het schrijven zou of niet; maar wij dachten: „Neen! Er is niets pleizierigs te zeggen; waarom zouden wij haar onrustig en bedroefd maken?” Hoewel, of haar vader haar laaghartig verlaten heeft, of dat hij maar alleen van verdriet wilde sterven, liever dan haar mee in het graf te trekken, dat zal nooit bekend worden, jonker, voordat—neen, niet voordat wij weten hoe de honden ons opzoeken.”

„Zij bewaart tot nog toe het fleschje, waarom hij haar had uitgezonden; en zij zal tot het laatste oogenblik van haar leven aan zijne liefde gelooven,” zeide mijnheer Gradgrind.

„Dit schijnt iemand twee dingen in de gedachten te brengen, niet waar, jonker?” hervatte Sleary, peinzende, terwijl hij in de diepte van zijn glas keek; „vooreerst dat er toch liefde in de wereld is, niet alles eigenbelang, maar iets geheel anders; en ten tweede dat die liefde hare eigene manier van rekenen heeft, waaraan het, hoe het dan ook komen mag, tenminste even moeielijk is een naam te geven als aan die manier van denken.”

Mijnheer Gradgrind keek het venster uit en gaf geen antwoord. Sleary ledigde zijn glas en riep de dames weder binnen.

„Cecilia, mijn liefje, geef mij nu een kus en vaarwel dan! Mevrouwtje, dat ik u haar zoo als eene zuster zie behandelen, en eene zuster, die gij met al uw hart vertrouwt en hoogacht, is een heel pleizierig gezicht voor mij. Ook hoop ik, dat uw broeder nog lang genoeg mag leven om u beter waardig te zijn en u tot meer blijdschap te wezen. Jonker, geef mij de hand, voor het eerst en het laatst! Wees niet kwaad op ons, arme landloopers. De menschen moeten geamuseerd worden. Zij kunnen niet altijd aan het leeren of aan het werken zijn; daarvoor zijn zij niet gemaakt. Gijmoetons hebben, jonker. Als ge dus doen wilt wat wijs en goed is tegelijk, denk dan het beste van ons en niet altijd het slechtste.”

„En ik had nooit gedacht,” vervolgde Sleary, zijn hoofd weder binnenstekende om dit nog te zeggen, „dat ik zoo zou kunnen babbelen.”


Back to IndexNext