XXXVII.BESLUIT.Het is gevaarlijk binnen den kring van een opgeblazen bluffer iets te zien, voordat die opgeblazene bluffer het zelf ziet. Mijnheer Bounderby begreep, dat mevrouw Sparsit zeer vermetel was geweest met hem voor te komen en wijzer te willen zijn dan hij. Ten uiterste op haar verontwaardigd over hare zegepralende ontdekking van juffrouw Pegler, keerde hij deze verwatenheid van eene vrouw in hare afhankelijke betrekking zoo lang in zijne gedachten om en om, tot zij gelijk een sneeuwbal door dit omwentelen hoe langer hoe grooter was geworden. Eindelijk kwam hij tot de ontdekking, dat hij, als hij deze aanzienlijk geparenteerde dame haar afscheid gaf—als hij het in zijn macht had om te zeggen: „Zij was eene vrouw van familie en wilde zich aan mij opdringen, maar dat wilde ik niet hebben en ik maakte mij van haar af”—de grootst mogelijke mate van glans uit die betrekking zou halen, en mevrouw Sparsit tegelijk de straf geven, die zij verdiend had.Voller dan ooit van dit groote denkbeeld, kwam mijnheer Bounderby binnen om zijn twaalfuurtje te gebruiken, en zette zich in de eetzaal van vroeger tijd, waar zijn portret hing. Mevrouw Sparsit zat bij het vuur, met den voet in haar katoenen stijgbeugel, weinig denkende waar zij heen reed.Sedert het gebeurde met juffrouw Pegler had de goede vrouw haar medelijden voor mijnheer Bounderby met een sluier van stille berouwvolle treurigheid bedekt. Om die reden had zij zich een jammervollen blik aangewend; en met dezen jammervollen blik zag zij nu haar beschermer aan.„Wat scheelt er nu aan, juffrouw?” zeide Bounderby, op een zeer korten en barschen toon.„Wat ik u bidden mag, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „bijt mijn neus niet af.”„Uw neus afbijten, juffrouw?” herhaalde Bounderby. „Uw neus!” daarmede meenende, gelijk mevrouw Sparsit begreep, dat haar neus daartoe veel te groot was. En na dezen hatelijken schimpscheut sneed hij een stuk brood voor zich af en smeet het mes met een slag op de tafel.Mevrouw Sparsit haalde haar voet uit den stijgbeugel en zeide: „Mijnheer Bounderby!”„Wel, juffrouw?” antwoordde Bounderby. „Waar kijkt ge zoo verbaasd van op?”„Mag ik vragen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit: „heeft iets u van morgen verstoord?”„Ja, juffrouw.”„Mag ik weten, mijnheer,” hernam de verongelijkte dame, „of ik de ongelukkige oorzaak ben, dat gij uit uw humeur zijt geraakt?”„Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw,” antwoordde Bounderby. „Ik ben niet hier gekomen om mij te laten overbluffen. Eene dame mag van aanzienlijke familie zijn, maar het past haar toch niet een man als ik ben te sarren en te plagen en ik wil dat niet velen.” Bounderby gevoelde, dat het noodig was ter zake te komen, daar hij voorzag, dat hij uit het veld geslagen zou worden als hij in voorloopige bijzonderheden trad.Mevrouw Sparsit trok hare donkere wenkbrauwen eerst naar omhoog en toen naar omlaag, pakte haar werk in haar mandje en stond op.„Mijnheer,” zeide zij statig, „het komt mij voor, dat ik u op het oogenblik in den weg ben. Ik zal mij naar mijn eigen vertrek begeven.”„Laat ik de deur voor u opendoen, juffrouw.”„Verplicht, mijnheer, dat kan ik zelf wel.”„Laat het mij liever doen, juffrouw,” zeide Bounderby, haar voorbijstappende en zijne hand aan de kruk slaande, „omdat ik dan de gelegenheid kan waarnemen om u nog een woordje te zeggen, eer gij heengaat. Mevrouw Sparsit, ik geloof eenigszins, dat het u te bekrompen is, weet ge dat wel? Het komt mij voor, dat er onder mijn nederig dak bezwaarlijk ruimte genoeg is voor eene dame van uwe talenten voor de zaken van anderen.”Mevrouw Sparsit wierp hem een blik van de diepste verachting toe, en zeide met groote beleefdheid: „Inderdaad, mijnheer?”„Ik heb er over gedacht, ziet ge, sedert die laatste zaken gebeurd zijn, juffrouw,” zeide Bounderby, „en het komt mij voor, zoover mijn gering oordeel reikt...”„O, mijnheer!” viel mevrouw Sparsit er met schertsende vroolijkheid op in, „verklein uw oordeel niet. Iedereen weet hoe onbedrieglijk mijnheer Bounderby’s oordeel is. Iedereen heeft bewijzen daarvan gehad. Het moet een algemeen onderwerp van gesprek zijn. Verklein alles van u zelven, behalve uw oordeel, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit lachende.Mijnheer Bounderby hervatte, zeer rood en ongemakkelijk: „Het komt mij voor, juffrouw, zeg ik, dat het een geheel ander soort van huishouden zou moeten zijn, waarin eene dame vanuwevermogens zou kunnen uitblinken. Zulk een huishouden als dat van uw tante, Lady Scadgers, bij voorbeeld. Denkt gij niet, juffrouw, dat gij daar meer zaken zoudt vinden om u mede te bemoeien?”„Het is mij nog nooit ingevallen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „maar nu gij er van spreekt, zou ik het zeer waarschijnlijk achten.”„Als gij het dan eens gingt probeeren, juffrouw,” zeide Bounderby terwijl hij een papiertje met een kassiersbriefje er in op haar werkmandje legde. „Gij hebt den tijd aan u zelve om heen te gaan, juffrouw; maar misschien zal het intusschen eene dame van uwe geestvermogens aangenamer zijn alleen te eten, zonder door iemand gehinderd te worden. Ik moest u waarlijk verschooning verzoeken, dat ik, die niets meer dan Josiah Bounderby vanCoketownben, u zoo lang in het licht heb gestaan.”„O, gij behoeft u daarover niet te verschoonen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „Als dat portret spreken kon, mijnheer—maar het heeft dàt voorrecht boven het origineel, dat het niet in staat is zich zelven ten toon te stellen en anderen te doen walgen—zou het getuigen, dat het reeds lang geleden is sedert ik het eerst gewoon werd het aan te spreken als het portret van een domkop. Niets, dat een domkop doet, kan iemands verwondering of verontwaardiging opwekken; de bedrijven van een domkop kunnen alleen verachting inboezemen.”Zoo sprekende, bekeek mevrouw Sparsit, welker Romeinsche trekken nu naar een medaille geleken, geslagen ter vereeuwiging harer minachting voor mijnheer Bounderby, hem met een strakken blik van het hoofd tot de voeten, streek hem toen met afgewende oogen voorbij, en ging naar boven. Mijnheer Bounderby sloot de deur en bleef voor het vuur staan. Zoo staande, verplaatste hij zich met zijne gewone onstuimigheid in het karakter van zijn portret—en in de toekomst.Hoeveel zag hij van de toekomst? Hij zag mevrouw Sparsit een dagelijksch kampgevecht houden, waarbij al de scherpste wapenen van het vrouwelijk arsenaal gebruikt werden tegen de gemelijke, wangunstige, plaagzieke Lady Scadgers, altijd bedlegerig met haar geheimzinnig been, steeds aan het einde van haar ontoereikend inkomen in het midden van ieder vierendeeljaars, in een armoedig, benauwd kamertje, dat voor één persoon een hokje, voor twee nog minder was. Maar zag hij meer? Zag hij ook een zweem van zich zelven, gelijk hij voor vreemdelingen met Bitzer praalde, als de veelbelovende jonkman, zoo vol eerbied voor de groote verdiensten van zijn meester, die de plaats van den jongen Tom had gekregen, en bijna den jongen Tom zelven had gepakt, indien hij niet door een troep schelmen was voortgeholpen? Zag hij een flauwen weerschijn van zijn eigen beeld gelijk hij een pronkend testament maakte, volgens hetwelk vijf en twintig snoevers boven de vijf en vijftig jaren, die ieder den naam van Josiah Bounderby vanCoketownzouden aannemen, ten eeuwigen dage in het Bounderby-gesticht zouden wonen en eten, ten eeuwigen dage onder het gehoor van den vasten kapelaan in slaap vallen, ten eeuwigen dage uit de stichting van Bounderby zouden onderhouden worden, en ten eeuwigen dage alle gezonde magen door een Bounderby-achtig bluffen en bulderen zouden doen walgen? Had hij eenige voorwetenschap van den dag, vijf jaren later, waarop Josiah Bounderby vanCoketown, teCoketownop straat aan een beroerte zou sterven, en dat heerlijke testament zijne lange loopbaan van haarklooverij, valschheid, inhaligheid, slechte voorbeelden, weinig nut en veel geprocedeer, zou beginnen? Waarschijnlijk niet. Het portret zou het evenwel alles aanzien.Mijnheer Gradgrind zat op denzelfden dag en hetzelfde uur peinzend in zijne kamer. Hoeveel van de toekomst zaghij? Zag hij zich zelven, als een zwakkelijk grijsaard, terwijl hij zijne tot nog toe onbuigzame theorieën naar de omstandigheden leerde voegen; zijne feiten en cijfers aan geloof, hoop en liefde dienstbaar maakte, en niet langer beproefde dat hemelsche drietal in zijne stofferige molentjes te vermalen? Zag hij zich zelven om die reden in diepe minachting bij zijne vroegere politieke medebroeders vervallen? Zag hij deze heeren in den tijd toen het volkomen was vastgesteld, dat de nationale aschlieden alleen met elkander te doen hadden, en niets verschuldigd waren aan dat afgetrokkene denkbeeld, dat men het volk noemt, vijf nachten in de week, tot laat na middernacht, hun voormaligen medewerker dit en dat en allerlei voor de voeten werpen? Waarschijnlijk zag hij dit wel vooruit, daar hij zijne menschen kende.In den avond van denzelfden dag zat Louisa, gelijk in vroegere dagen, hoewel met een gezicht dat meer zachtheid en nederigheid teekende, in het vuur te staren. Hoeveel van de toekomst kon er voor hare verbeelding oprijzen? Aanplakbiljetten op de straat, met haar vaders naam onderteekend, waardoor de nu overleden Stephen Blackpool van ongegronde verdenkingen werd ontheven, en de schuld van zijn eigen zoon werd bekend gemaakt, met al de verschooningen, die zijne jaren en de verzoeking (hij kon er niet toe komen om er bij te voegen, zijne opvoeding) voor hem konden aanvoeren?—Dit behoorde tot het tegenwoordige. Zóó bijkans ook Stephen Blackpool’s grafzerk, met een door haar vader gesteld opschrift, want zij wist, dat die steen daar geplaatst zou worden. Deze dingen kon zij duidelijk zien. Maar hoeveel van de toekomst?Eene vrouw uit de arbeidende klasse, Rachel gedoopt, die na eene lange ziekte op het luiden der werkklok te voorschijn kwam en op vaste uren onder de werkers en werksters heen en weder ging; eene vrouw van ernstige schoonheid, altijd in het zwart gekleed, maar zachtzinnig en opgeruimd, blijmoedig zelfs, die, onder de geheele bevolking der stad, alleen medelijden scheen te hebben met een diepgezonken wezen van hare eigene sekse, dat men somtijds heimelijk bij haar zag komen bedelen en jammeren; eene vrouw die werkte, altijd werkte, maar daarmede tevreden was en het boven ledigheid verkoos, als hare natuurlijke bestemming, totdat zij te oud zou worden om te werken? Zag Louisa dit? Zulke dingen waren zeker aanstaande.Een eenzame broeder, vele duizend mijlen ver, die op een met tranen gevlekt papier schreef, dat hare woorden maar al te spoedig bewaarheid waren geworden, en dat al de schatten der wereld een geringe prijs zouden zijn om haar dierbaar gelaat nog eens te zien? Eindelijk, die broeder, in de hoop van haar weder te zien, nader bij huis komende en door ziekte onderweg opgehouden; en dan een brief van eene vreemde hand, met de tijding: „Hij stierf in het hospitaal aan de koorts, en hij stierf vol berouw en liefde voor u; want zijn laatste woord was uw naam.” Zag Louisa deze dingen? Zulke dingen waren ook aanstaande.Zich zelve weder als vrouw—als moeder—liefderijk wakende over hare kinderen, altijd zorgvuldig dat zij niet minder eene kindsheid van gemoed dan eene kindsheid van het lichaam zouden hebben, daar zij wist dat de eerste zelfs iets nog schooners was dan de tweede,—eene bezitting, waarvan een opgespaard overblijfseltje zelfs voor den wijzen, bejaarden man een zegen en een geluk is. Zag Louisa dit? Zoo iets was nimmer te wachten.Maar die gelukkige kinderen der gelukkige Sissy, die haar liefhadden, gelijk alle kinderen haar liefhadden; zij zelve, geleerd geworden in kinderlijke wetenschap; geen onschuldig spel der verbeelding verachtelijk noemende; steeds haar best doende om hare medemenschen van nederiger stand te leeren kennen en hun leven van machinerie en prozaïsche werkelijkheid te vervroolijken met die genietingen en sieraden van geest en gemoed, zonder welke het hart der kindsheid verwelken moet, de krachtigste mannelijke leeftijd in een zedelijk opzicht een machtelooze dood is, en de nationale welvaart, die door cijfers wordt aangetoond, slechts het geschrift aan den muur zal wezen;—zij zelve aan zulk een leven gewijd, niet gebonden door eene grillige gelofte, door een broeder- of zusterschap, of door een maskeradekleed of een theatralen toestel; maar het eenvoudig de vervulling achtende van een plicht, waaraan zij zich niet onttrekken mocht—zag Louisa deze dingen van zich zelve? Zulke dingen waren zeker aanstaande.Waarde lezer, het zal van u en mij afhangen, of in onzen verschillenden werkkring dergelijke dingen aanstaande zijn of niet! Mochten zij het zijn! Wij zullen dan met ruimere borst bij den haard zitten, om de vonken van ons vuur in grauwe, koude asch te zien veranderen.
XXXVII.BESLUIT.Het is gevaarlijk binnen den kring van een opgeblazen bluffer iets te zien, voordat die opgeblazene bluffer het zelf ziet. Mijnheer Bounderby begreep, dat mevrouw Sparsit zeer vermetel was geweest met hem voor te komen en wijzer te willen zijn dan hij. Ten uiterste op haar verontwaardigd over hare zegepralende ontdekking van juffrouw Pegler, keerde hij deze verwatenheid van eene vrouw in hare afhankelijke betrekking zoo lang in zijne gedachten om en om, tot zij gelijk een sneeuwbal door dit omwentelen hoe langer hoe grooter was geworden. Eindelijk kwam hij tot de ontdekking, dat hij, als hij deze aanzienlijk geparenteerde dame haar afscheid gaf—als hij het in zijn macht had om te zeggen: „Zij was eene vrouw van familie en wilde zich aan mij opdringen, maar dat wilde ik niet hebben en ik maakte mij van haar af”—de grootst mogelijke mate van glans uit die betrekking zou halen, en mevrouw Sparsit tegelijk de straf geven, die zij verdiend had.Voller dan ooit van dit groote denkbeeld, kwam mijnheer Bounderby binnen om zijn twaalfuurtje te gebruiken, en zette zich in de eetzaal van vroeger tijd, waar zijn portret hing. Mevrouw Sparsit zat bij het vuur, met den voet in haar katoenen stijgbeugel, weinig denkende waar zij heen reed.Sedert het gebeurde met juffrouw Pegler had de goede vrouw haar medelijden voor mijnheer Bounderby met een sluier van stille berouwvolle treurigheid bedekt. Om die reden had zij zich een jammervollen blik aangewend; en met dezen jammervollen blik zag zij nu haar beschermer aan.„Wat scheelt er nu aan, juffrouw?” zeide Bounderby, op een zeer korten en barschen toon.„Wat ik u bidden mag, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „bijt mijn neus niet af.”„Uw neus afbijten, juffrouw?” herhaalde Bounderby. „Uw neus!” daarmede meenende, gelijk mevrouw Sparsit begreep, dat haar neus daartoe veel te groot was. En na dezen hatelijken schimpscheut sneed hij een stuk brood voor zich af en smeet het mes met een slag op de tafel.Mevrouw Sparsit haalde haar voet uit den stijgbeugel en zeide: „Mijnheer Bounderby!”„Wel, juffrouw?” antwoordde Bounderby. „Waar kijkt ge zoo verbaasd van op?”„Mag ik vragen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit: „heeft iets u van morgen verstoord?”„Ja, juffrouw.”„Mag ik weten, mijnheer,” hernam de verongelijkte dame, „of ik de ongelukkige oorzaak ben, dat gij uit uw humeur zijt geraakt?”„Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw,” antwoordde Bounderby. „Ik ben niet hier gekomen om mij te laten overbluffen. Eene dame mag van aanzienlijke familie zijn, maar het past haar toch niet een man als ik ben te sarren en te plagen en ik wil dat niet velen.” Bounderby gevoelde, dat het noodig was ter zake te komen, daar hij voorzag, dat hij uit het veld geslagen zou worden als hij in voorloopige bijzonderheden trad.Mevrouw Sparsit trok hare donkere wenkbrauwen eerst naar omhoog en toen naar omlaag, pakte haar werk in haar mandje en stond op.„Mijnheer,” zeide zij statig, „het komt mij voor, dat ik u op het oogenblik in den weg ben. Ik zal mij naar mijn eigen vertrek begeven.”„Laat ik de deur voor u opendoen, juffrouw.”„Verplicht, mijnheer, dat kan ik zelf wel.”„Laat het mij liever doen, juffrouw,” zeide Bounderby, haar voorbijstappende en zijne hand aan de kruk slaande, „omdat ik dan de gelegenheid kan waarnemen om u nog een woordje te zeggen, eer gij heengaat. Mevrouw Sparsit, ik geloof eenigszins, dat het u te bekrompen is, weet ge dat wel? Het komt mij voor, dat er onder mijn nederig dak bezwaarlijk ruimte genoeg is voor eene dame van uwe talenten voor de zaken van anderen.”Mevrouw Sparsit wierp hem een blik van de diepste verachting toe, en zeide met groote beleefdheid: „Inderdaad, mijnheer?”„Ik heb er over gedacht, ziet ge, sedert die laatste zaken gebeurd zijn, juffrouw,” zeide Bounderby, „en het komt mij voor, zoover mijn gering oordeel reikt...”„O, mijnheer!” viel mevrouw Sparsit er met schertsende vroolijkheid op in, „verklein uw oordeel niet. Iedereen weet hoe onbedrieglijk mijnheer Bounderby’s oordeel is. Iedereen heeft bewijzen daarvan gehad. Het moet een algemeen onderwerp van gesprek zijn. Verklein alles van u zelven, behalve uw oordeel, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit lachende.Mijnheer Bounderby hervatte, zeer rood en ongemakkelijk: „Het komt mij voor, juffrouw, zeg ik, dat het een geheel ander soort van huishouden zou moeten zijn, waarin eene dame vanuwevermogens zou kunnen uitblinken. Zulk een huishouden als dat van uw tante, Lady Scadgers, bij voorbeeld. Denkt gij niet, juffrouw, dat gij daar meer zaken zoudt vinden om u mede te bemoeien?”„Het is mij nog nooit ingevallen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „maar nu gij er van spreekt, zou ik het zeer waarschijnlijk achten.”„Als gij het dan eens gingt probeeren, juffrouw,” zeide Bounderby terwijl hij een papiertje met een kassiersbriefje er in op haar werkmandje legde. „Gij hebt den tijd aan u zelve om heen te gaan, juffrouw; maar misschien zal het intusschen eene dame van uwe geestvermogens aangenamer zijn alleen te eten, zonder door iemand gehinderd te worden. Ik moest u waarlijk verschooning verzoeken, dat ik, die niets meer dan Josiah Bounderby vanCoketownben, u zoo lang in het licht heb gestaan.”„O, gij behoeft u daarover niet te verschoonen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „Als dat portret spreken kon, mijnheer—maar het heeft dàt voorrecht boven het origineel, dat het niet in staat is zich zelven ten toon te stellen en anderen te doen walgen—zou het getuigen, dat het reeds lang geleden is sedert ik het eerst gewoon werd het aan te spreken als het portret van een domkop. Niets, dat een domkop doet, kan iemands verwondering of verontwaardiging opwekken; de bedrijven van een domkop kunnen alleen verachting inboezemen.”Zoo sprekende, bekeek mevrouw Sparsit, welker Romeinsche trekken nu naar een medaille geleken, geslagen ter vereeuwiging harer minachting voor mijnheer Bounderby, hem met een strakken blik van het hoofd tot de voeten, streek hem toen met afgewende oogen voorbij, en ging naar boven. Mijnheer Bounderby sloot de deur en bleef voor het vuur staan. Zoo staande, verplaatste hij zich met zijne gewone onstuimigheid in het karakter van zijn portret—en in de toekomst.Hoeveel zag hij van de toekomst? Hij zag mevrouw Sparsit een dagelijksch kampgevecht houden, waarbij al de scherpste wapenen van het vrouwelijk arsenaal gebruikt werden tegen de gemelijke, wangunstige, plaagzieke Lady Scadgers, altijd bedlegerig met haar geheimzinnig been, steeds aan het einde van haar ontoereikend inkomen in het midden van ieder vierendeeljaars, in een armoedig, benauwd kamertje, dat voor één persoon een hokje, voor twee nog minder was. Maar zag hij meer? Zag hij ook een zweem van zich zelven, gelijk hij voor vreemdelingen met Bitzer praalde, als de veelbelovende jonkman, zoo vol eerbied voor de groote verdiensten van zijn meester, die de plaats van den jongen Tom had gekregen, en bijna den jongen Tom zelven had gepakt, indien hij niet door een troep schelmen was voortgeholpen? Zag hij een flauwen weerschijn van zijn eigen beeld gelijk hij een pronkend testament maakte, volgens hetwelk vijf en twintig snoevers boven de vijf en vijftig jaren, die ieder den naam van Josiah Bounderby vanCoketownzouden aannemen, ten eeuwigen dage in het Bounderby-gesticht zouden wonen en eten, ten eeuwigen dage onder het gehoor van den vasten kapelaan in slaap vallen, ten eeuwigen dage uit de stichting van Bounderby zouden onderhouden worden, en ten eeuwigen dage alle gezonde magen door een Bounderby-achtig bluffen en bulderen zouden doen walgen? Had hij eenige voorwetenschap van den dag, vijf jaren later, waarop Josiah Bounderby vanCoketown, teCoketownop straat aan een beroerte zou sterven, en dat heerlijke testament zijne lange loopbaan van haarklooverij, valschheid, inhaligheid, slechte voorbeelden, weinig nut en veel geprocedeer, zou beginnen? Waarschijnlijk niet. Het portret zou het evenwel alles aanzien.Mijnheer Gradgrind zat op denzelfden dag en hetzelfde uur peinzend in zijne kamer. Hoeveel van de toekomst zaghij? Zag hij zich zelven, als een zwakkelijk grijsaard, terwijl hij zijne tot nog toe onbuigzame theorieën naar de omstandigheden leerde voegen; zijne feiten en cijfers aan geloof, hoop en liefde dienstbaar maakte, en niet langer beproefde dat hemelsche drietal in zijne stofferige molentjes te vermalen? Zag hij zich zelven om die reden in diepe minachting bij zijne vroegere politieke medebroeders vervallen? Zag hij deze heeren in den tijd toen het volkomen was vastgesteld, dat de nationale aschlieden alleen met elkander te doen hadden, en niets verschuldigd waren aan dat afgetrokkene denkbeeld, dat men het volk noemt, vijf nachten in de week, tot laat na middernacht, hun voormaligen medewerker dit en dat en allerlei voor de voeten werpen? Waarschijnlijk zag hij dit wel vooruit, daar hij zijne menschen kende.In den avond van denzelfden dag zat Louisa, gelijk in vroegere dagen, hoewel met een gezicht dat meer zachtheid en nederigheid teekende, in het vuur te staren. Hoeveel van de toekomst kon er voor hare verbeelding oprijzen? Aanplakbiljetten op de straat, met haar vaders naam onderteekend, waardoor de nu overleden Stephen Blackpool van ongegronde verdenkingen werd ontheven, en de schuld van zijn eigen zoon werd bekend gemaakt, met al de verschooningen, die zijne jaren en de verzoeking (hij kon er niet toe komen om er bij te voegen, zijne opvoeding) voor hem konden aanvoeren?—Dit behoorde tot het tegenwoordige. Zóó bijkans ook Stephen Blackpool’s grafzerk, met een door haar vader gesteld opschrift, want zij wist, dat die steen daar geplaatst zou worden. Deze dingen kon zij duidelijk zien. Maar hoeveel van de toekomst?Eene vrouw uit de arbeidende klasse, Rachel gedoopt, die na eene lange ziekte op het luiden der werkklok te voorschijn kwam en op vaste uren onder de werkers en werksters heen en weder ging; eene vrouw van ernstige schoonheid, altijd in het zwart gekleed, maar zachtzinnig en opgeruimd, blijmoedig zelfs, die, onder de geheele bevolking der stad, alleen medelijden scheen te hebben met een diepgezonken wezen van hare eigene sekse, dat men somtijds heimelijk bij haar zag komen bedelen en jammeren; eene vrouw die werkte, altijd werkte, maar daarmede tevreden was en het boven ledigheid verkoos, als hare natuurlijke bestemming, totdat zij te oud zou worden om te werken? Zag Louisa dit? Zulke dingen waren zeker aanstaande.Een eenzame broeder, vele duizend mijlen ver, die op een met tranen gevlekt papier schreef, dat hare woorden maar al te spoedig bewaarheid waren geworden, en dat al de schatten der wereld een geringe prijs zouden zijn om haar dierbaar gelaat nog eens te zien? Eindelijk, die broeder, in de hoop van haar weder te zien, nader bij huis komende en door ziekte onderweg opgehouden; en dan een brief van eene vreemde hand, met de tijding: „Hij stierf in het hospitaal aan de koorts, en hij stierf vol berouw en liefde voor u; want zijn laatste woord was uw naam.” Zag Louisa deze dingen? Zulke dingen waren ook aanstaande.Zich zelve weder als vrouw—als moeder—liefderijk wakende over hare kinderen, altijd zorgvuldig dat zij niet minder eene kindsheid van gemoed dan eene kindsheid van het lichaam zouden hebben, daar zij wist dat de eerste zelfs iets nog schooners was dan de tweede,—eene bezitting, waarvan een opgespaard overblijfseltje zelfs voor den wijzen, bejaarden man een zegen en een geluk is. Zag Louisa dit? Zoo iets was nimmer te wachten.Maar die gelukkige kinderen der gelukkige Sissy, die haar liefhadden, gelijk alle kinderen haar liefhadden; zij zelve, geleerd geworden in kinderlijke wetenschap; geen onschuldig spel der verbeelding verachtelijk noemende; steeds haar best doende om hare medemenschen van nederiger stand te leeren kennen en hun leven van machinerie en prozaïsche werkelijkheid te vervroolijken met die genietingen en sieraden van geest en gemoed, zonder welke het hart der kindsheid verwelken moet, de krachtigste mannelijke leeftijd in een zedelijk opzicht een machtelooze dood is, en de nationale welvaart, die door cijfers wordt aangetoond, slechts het geschrift aan den muur zal wezen;—zij zelve aan zulk een leven gewijd, niet gebonden door eene grillige gelofte, door een broeder- of zusterschap, of door een maskeradekleed of een theatralen toestel; maar het eenvoudig de vervulling achtende van een plicht, waaraan zij zich niet onttrekken mocht—zag Louisa deze dingen van zich zelve? Zulke dingen waren zeker aanstaande.Waarde lezer, het zal van u en mij afhangen, of in onzen verschillenden werkkring dergelijke dingen aanstaande zijn of niet! Mochten zij het zijn! Wij zullen dan met ruimere borst bij den haard zitten, om de vonken van ons vuur in grauwe, koude asch te zien veranderen.
XXXVII.BESLUIT.Het is gevaarlijk binnen den kring van een opgeblazen bluffer iets te zien, voordat die opgeblazene bluffer het zelf ziet. Mijnheer Bounderby begreep, dat mevrouw Sparsit zeer vermetel was geweest met hem voor te komen en wijzer te willen zijn dan hij. Ten uiterste op haar verontwaardigd over hare zegepralende ontdekking van juffrouw Pegler, keerde hij deze verwatenheid van eene vrouw in hare afhankelijke betrekking zoo lang in zijne gedachten om en om, tot zij gelijk een sneeuwbal door dit omwentelen hoe langer hoe grooter was geworden. Eindelijk kwam hij tot de ontdekking, dat hij, als hij deze aanzienlijk geparenteerde dame haar afscheid gaf—als hij het in zijn macht had om te zeggen: „Zij was eene vrouw van familie en wilde zich aan mij opdringen, maar dat wilde ik niet hebben en ik maakte mij van haar af”—de grootst mogelijke mate van glans uit die betrekking zou halen, en mevrouw Sparsit tegelijk de straf geven, die zij verdiend had.Voller dan ooit van dit groote denkbeeld, kwam mijnheer Bounderby binnen om zijn twaalfuurtje te gebruiken, en zette zich in de eetzaal van vroeger tijd, waar zijn portret hing. Mevrouw Sparsit zat bij het vuur, met den voet in haar katoenen stijgbeugel, weinig denkende waar zij heen reed.Sedert het gebeurde met juffrouw Pegler had de goede vrouw haar medelijden voor mijnheer Bounderby met een sluier van stille berouwvolle treurigheid bedekt. Om die reden had zij zich een jammervollen blik aangewend; en met dezen jammervollen blik zag zij nu haar beschermer aan.„Wat scheelt er nu aan, juffrouw?” zeide Bounderby, op een zeer korten en barschen toon.„Wat ik u bidden mag, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „bijt mijn neus niet af.”„Uw neus afbijten, juffrouw?” herhaalde Bounderby. „Uw neus!” daarmede meenende, gelijk mevrouw Sparsit begreep, dat haar neus daartoe veel te groot was. En na dezen hatelijken schimpscheut sneed hij een stuk brood voor zich af en smeet het mes met een slag op de tafel.Mevrouw Sparsit haalde haar voet uit den stijgbeugel en zeide: „Mijnheer Bounderby!”„Wel, juffrouw?” antwoordde Bounderby. „Waar kijkt ge zoo verbaasd van op?”„Mag ik vragen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit: „heeft iets u van morgen verstoord?”„Ja, juffrouw.”„Mag ik weten, mijnheer,” hernam de verongelijkte dame, „of ik de ongelukkige oorzaak ben, dat gij uit uw humeur zijt geraakt?”„Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw,” antwoordde Bounderby. „Ik ben niet hier gekomen om mij te laten overbluffen. Eene dame mag van aanzienlijke familie zijn, maar het past haar toch niet een man als ik ben te sarren en te plagen en ik wil dat niet velen.” Bounderby gevoelde, dat het noodig was ter zake te komen, daar hij voorzag, dat hij uit het veld geslagen zou worden als hij in voorloopige bijzonderheden trad.Mevrouw Sparsit trok hare donkere wenkbrauwen eerst naar omhoog en toen naar omlaag, pakte haar werk in haar mandje en stond op.„Mijnheer,” zeide zij statig, „het komt mij voor, dat ik u op het oogenblik in den weg ben. Ik zal mij naar mijn eigen vertrek begeven.”„Laat ik de deur voor u opendoen, juffrouw.”„Verplicht, mijnheer, dat kan ik zelf wel.”„Laat het mij liever doen, juffrouw,” zeide Bounderby, haar voorbijstappende en zijne hand aan de kruk slaande, „omdat ik dan de gelegenheid kan waarnemen om u nog een woordje te zeggen, eer gij heengaat. Mevrouw Sparsit, ik geloof eenigszins, dat het u te bekrompen is, weet ge dat wel? Het komt mij voor, dat er onder mijn nederig dak bezwaarlijk ruimte genoeg is voor eene dame van uwe talenten voor de zaken van anderen.”Mevrouw Sparsit wierp hem een blik van de diepste verachting toe, en zeide met groote beleefdheid: „Inderdaad, mijnheer?”„Ik heb er over gedacht, ziet ge, sedert die laatste zaken gebeurd zijn, juffrouw,” zeide Bounderby, „en het komt mij voor, zoover mijn gering oordeel reikt...”„O, mijnheer!” viel mevrouw Sparsit er met schertsende vroolijkheid op in, „verklein uw oordeel niet. Iedereen weet hoe onbedrieglijk mijnheer Bounderby’s oordeel is. Iedereen heeft bewijzen daarvan gehad. Het moet een algemeen onderwerp van gesprek zijn. Verklein alles van u zelven, behalve uw oordeel, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit lachende.Mijnheer Bounderby hervatte, zeer rood en ongemakkelijk: „Het komt mij voor, juffrouw, zeg ik, dat het een geheel ander soort van huishouden zou moeten zijn, waarin eene dame vanuwevermogens zou kunnen uitblinken. Zulk een huishouden als dat van uw tante, Lady Scadgers, bij voorbeeld. Denkt gij niet, juffrouw, dat gij daar meer zaken zoudt vinden om u mede te bemoeien?”„Het is mij nog nooit ingevallen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „maar nu gij er van spreekt, zou ik het zeer waarschijnlijk achten.”„Als gij het dan eens gingt probeeren, juffrouw,” zeide Bounderby terwijl hij een papiertje met een kassiersbriefje er in op haar werkmandje legde. „Gij hebt den tijd aan u zelve om heen te gaan, juffrouw; maar misschien zal het intusschen eene dame van uwe geestvermogens aangenamer zijn alleen te eten, zonder door iemand gehinderd te worden. Ik moest u waarlijk verschooning verzoeken, dat ik, die niets meer dan Josiah Bounderby vanCoketownben, u zoo lang in het licht heb gestaan.”„O, gij behoeft u daarover niet te verschoonen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „Als dat portret spreken kon, mijnheer—maar het heeft dàt voorrecht boven het origineel, dat het niet in staat is zich zelven ten toon te stellen en anderen te doen walgen—zou het getuigen, dat het reeds lang geleden is sedert ik het eerst gewoon werd het aan te spreken als het portret van een domkop. Niets, dat een domkop doet, kan iemands verwondering of verontwaardiging opwekken; de bedrijven van een domkop kunnen alleen verachting inboezemen.”Zoo sprekende, bekeek mevrouw Sparsit, welker Romeinsche trekken nu naar een medaille geleken, geslagen ter vereeuwiging harer minachting voor mijnheer Bounderby, hem met een strakken blik van het hoofd tot de voeten, streek hem toen met afgewende oogen voorbij, en ging naar boven. Mijnheer Bounderby sloot de deur en bleef voor het vuur staan. Zoo staande, verplaatste hij zich met zijne gewone onstuimigheid in het karakter van zijn portret—en in de toekomst.Hoeveel zag hij van de toekomst? Hij zag mevrouw Sparsit een dagelijksch kampgevecht houden, waarbij al de scherpste wapenen van het vrouwelijk arsenaal gebruikt werden tegen de gemelijke, wangunstige, plaagzieke Lady Scadgers, altijd bedlegerig met haar geheimzinnig been, steeds aan het einde van haar ontoereikend inkomen in het midden van ieder vierendeeljaars, in een armoedig, benauwd kamertje, dat voor één persoon een hokje, voor twee nog minder was. Maar zag hij meer? Zag hij ook een zweem van zich zelven, gelijk hij voor vreemdelingen met Bitzer praalde, als de veelbelovende jonkman, zoo vol eerbied voor de groote verdiensten van zijn meester, die de plaats van den jongen Tom had gekregen, en bijna den jongen Tom zelven had gepakt, indien hij niet door een troep schelmen was voortgeholpen? Zag hij een flauwen weerschijn van zijn eigen beeld gelijk hij een pronkend testament maakte, volgens hetwelk vijf en twintig snoevers boven de vijf en vijftig jaren, die ieder den naam van Josiah Bounderby vanCoketownzouden aannemen, ten eeuwigen dage in het Bounderby-gesticht zouden wonen en eten, ten eeuwigen dage onder het gehoor van den vasten kapelaan in slaap vallen, ten eeuwigen dage uit de stichting van Bounderby zouden onderhouden worden, en ten eeuwigen dage alle gezonde magen door een Bounderby-achtig bluffen en bulderen zouden doen walgen? Had hij eenige voorwetenschap van den dag, vijf jaren later, waarop Josiah Bounderby vanCoketown, teCoketownop straat aan een beroerte zou sterven, en dat heerlijke testament zijne lange loopbaan van haarklooverij, valschheid, inhaligheid, slechte voorbeelden, weinig nut en veel geprocedeer, zou beginnen? Waarschijnlijk niet. Het portret zou het evenwel alles aanzien.Mijnheer Gradgrind zat op denzelfden dag en hetzelfde uur peinzend in zijne kamer. Hoeveel van de toekomst zaghij? Zag hij zich zelven, als een zwakkelijk grijsaard, terwijl hij zijne tot nog toe onbuigzame theorieën naar de omstandigheden leerde voegen; zijne feiten en cijfers aan geloof, hoop en liefde dienstbaar maakte, en niet langer beproefde dat hemelsche drietal in zijne stofferige molentjes te vermalen? Zag hij zich zelven om die reden in diepe minachting bij zijne vroegere politieke medebroeders vervallen? Zag hij deze heeren in den tijd toen het volkomen was vastgesteld, dat de nationale aschlieden alleen met elkander te doen hadden, en niets verschuldigd waren aan dat afgetrokkene denkbeeld, dat men het volk noemt, vijf nachten in de week, tot laat na middernacht, hun voormaligen medewerker dit en dat en allerlei voor de voeten werpen? Waarschijnlijk zag hij dit wel vooruit, daar hij zijne menschen kende.In den avond van denzelfden dag zat Louisa, gelijk in vroegere dagen, hoewel met een gezicht dat meer zachtheid en nederigheid teekende, in het vuur te staren. Hoeveel van de toekomst kon er voor hare verbeelding oprijzen? Aanplakbiljetten op de straat, met haar vaders naam onderteekend, waardoor de nu overleden Stephen Blackpool van ongegronde verdenkingen werd ontheven, en de schuld van zijn eigen zoon werd bekend gemaakt, met al de verschooningen, die zijne jaren en de verzoeking (hij kon er niet toe komen om er bij te voegen, zijne opvoeding) voor hem konden aanvoeren?—Dit behoorde tot het tegenwoordige. Zóó bijkans ook Stephen Blackpool’s grafzerk, met een door haar vader gesteld opschrift, want zij wist, dat die steen daar geplaatst zou worden. Deze dingen kon zij duidelijk zien. Maar hoeveel van de toekomst?Eene vrouw uit de arbeidende klasse, Rachel gedoopt, die na eene lange ziekte op het luiden der werkklok te voorschijn kwam en op vaste uren onder de werkers en werksters heen en weder ging; eene vrouw van ernstige schoonheid, altijd in het zwart gekleed, maar zachtzinnig en opgeruimd, blijmoedig zelfs, die, onder de geheele bevolking der stad, alleen medelijden scheen te hebben met een diepgezonken wezen van hare eigene sekse, dat men somtijds heimelijk bij haar zag komen bedelen en jammeren; eene vrouw die werkte, altijd werkte, maar daarmede tevreden was en het boven ledigheid verkoos, als hare natuurlijke bestemming, totdat zij te oud zou worden om te werken? Zag Louisa dit? Zulke dingen waren zeker aanstaande.Een eenzame broeder, vele duizend mijlen ver, die op een met tranen gevlekt papier schreef, dat hare woorden maar al te spoedig bewaarheid waren geworden, en dat al de schatten der wereld een geringe prijs zouden zijn om haar dierbaar gelaat nog eens te zien? Eindelijk, die broeder, in de hoop van haar weder te zien, nader bij huis komende en door ziekte onderweg opgehouden; en dan een brief van eene vreemde hand, met de tijding: „Hij stierf in het hospitaal aan de koorts, en hij stierf vol berouw en liefde voor u; want zijn laatste woord was uw naam.” Zag Louisa deze dingen? Zulke dingen waren ook aanstaande.Zich zelve weder als vrouw—als moeder—liefderijk wakende over hare kinderen, altijd zorgvuldig dat zij niet minder eene kindsheid van gemoed dan eene kindsheid van het lichaam zouden hebben, daar zij wist dat de eerste zelfs iets nog schooners was dan de tweede,—eene bezitting, waarvan een opgespaard overblijfseltje zelfs voor den wijzen, bejaarden man een zegen en een geluk is. Zag Louisa dit? Zoo iets was nimmer te wachten.Maar die gelukkige kinderen der gelukkige Sissy, die haar liefhadden, gelijk alle kinderen haar liefhadden; zij zelve, geleerd geworden in kinderlijke wetenschap; geen onschuldig spel der verbeelding verachtelijk noemende; steeds haar best doende om hare medemenschen van nederiger stand te leeren kennen en hun leven van machinerie en prozaïsche werkelijkheid te vervroolijken met die genietingen en sieraden van geest en gemoed, zonder welke het hart der kindsheid verwelken moet, de krachtigste mannelijke leeftijd in een zedelijk opzicht een machtelooze dood is, en de nationale welvaart, die door cijfers wordt aangetoond, slechts het geschrift aan den muur zal wezen;—zij zelve aan zulk een leven gewijd, niet gebonden door eene grillige gelofte, door een broeder- of zusterschap, of door een maskeradekleed of een theatralen toestel; maar het eenvoudig de vervulling achtende van een plicht, waaraan zij zich niet onttrekken mocht—zag Louisa deze dingen van zich zelve? Zulke dingen waren zeker aanstaande.Waarde lezer, het zal van u en mij afhangen, of in onzen verschillenden werkkring dergelijke dingen aanstaande zijn of niet! Mochten zij het zijn! Wij zullen dan met ruimere borst bij den haard zitten, om de vonken van ons vuur in grauwe, koude asch te zien veranderen.
XXXVII.BESLUIT.
Het is gevaarlijk binnen den kring van een opgeblazen bluffer iets te zien, voordat die opgeblazene bluffer het zelf ziet. Mijnheer Bounderby begreep, dat mevrouw Sparsit zeer vermetel was geweest met hem voor te komen en wijzer te willen zijn dan hij. Ten uiterste op haar verontwaardigd over hare zegepralende ontdekking van juffrouw Pegler, keerde hij deze verwatenheid van eene vrouw in hare afhankelijke betrekking zoo lang in zijne gedachten om en om, tot zij gelijk een sneeuwbal door dit omwentelen hoe langer hoe grooter was geworden. Eindelijk kwam hij tot de ontdekking, dat hij, als hij deze aanzienlijk geparenteerde dame haar afscheid gaf—als hij het in zijn macht had om te zeggen: „Zij was eene vrouw van familie en wilde zich aan mij opdringen, maar dat wilde ik niet hebben en ik maakte mij van haar af”—de grootst mogelijke mate van glans uit die betrekking zou halen, en mevrouw Sparsit tegelijk de straf geven, die zij verdiend had.Voller dan ooit van dit groote denkbeeld, kwam mijnheer Bounderby binnen om zijn twaalfuurtje te gebruiken, en zette zich in de eetzaal van vroeger tijd, waar zijn portret hing. Mevrouw Sparsit zat bij het vuur, met den voet in haar katoenen stijgbeugel, weinig denkende waar zij heen reed.Sedert het gebeurde met juffrouw Pegler had de goede vrouw haar medelijden voor mijnheer Bounderby met een sluier van stille berouwvolle treurigheid bedekt. Om die reden had zij zich een jammervollen blik aangewend; en met dezen jammervollen blik zag zij nu haar beschermer aan.„Wat scheelt er nu aan, juffrouw?” zeide Bounderby, op een zeer korten en barschen toon.„Wat ik u bidden mag, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „bijt mijn neus niet af.”„Uw neus afbijten, juffrouw?” herhaalde Bounderby. „Uw neus!” daarmede meenende, gelijk mevrouw Sparsit begreep, dat haar neus daartoe veel te groot was. En na dezen hatelijken schimpscheut sneed hij een stuk brood voor zich af en smeet het mes met een slag op de tafel.Mevrouw Sparsit haalde haar voet uit den stijgbeugel en zeide: „Mijnheer Bounderby!”„Wel, juffrouw?” antwoordde Bounderby. „Waar kijkt ge zoo verbaasd van op?”„Mag ik vragen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit: „heeft iets u van morgen verstoord?”„Ja, juffrouw.”„Mag ik weten, mijnheer,” hernam de verongelijkte dame, „of ik de ongelukkige oorzaak ben, dat gij uit uw humeur zijt geraakt?”„Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw,” antwoordde Bounderby. „Ik ben niet hier gekomen om mij te laten overbluffen. Eene dame mag van aanzienlijke familie zijn, maar het past haar toch niet een man als ik ben te sarren en te plagen en ik wil dat niet velen.” Bounderby gevoelde, dat het noodig was ter zake te komen, daar hij voorzag, dat hij uit het veld geslagen zou worden als hij in voorloopige bijzonderheden trad.Mevrouw Sparsit trok hare donkere wenkbrauwen eerst naar omhoog en toen naar omlaag, pakte haar werk in haar mandje en stond op.„Mijnheer,” zeide zij statig, „het komt mij voor, dat ik u op het oogenblik in den weg ben. Ik zal mij naar mijn eigen vertrek begeven.”„Laat ik de deur voor u opendoen, juffrouw.”„Verplicht, mijnheer, dat kan ik zelf wel.”„Laat het mij liever doen, juffrouw,” zeide Bounderby, haar voorbijstappende en zijne hand aan de kruk slaande, „omdat ik dan de gelegenheid kan waarnemen om u nog een woordje te zeggen, eer gij heengaat. Mevrouw Sparsit, ik geloof eenigszins, dat het u te bekrompen is, weet ge dat wel? Het komt mij voor, dat er onder mijn nederig dak bezwaarlijk ruimte genoeg is voor eene dame van uwe talenten voor de zaken van anderen.”Mevrouw Sparsit wierp hem een blik van de diepste verachting toe, en zeide met groote beleefdheid: „Inderdaad, mijnheer?”„Ik heb er over gedacht, ziet ge, sedert die laatste zaken gebeurd zijn, juffrouw,” zeide Bounderby, „en het komt mij voor, zoover mijn gering oordeel reikt...”„O, mijnheer!” viel mevrouw Sparsit er met schertsende vroolijkheid op in, „verklein uw oordeel niet. Iedereen weet hoe onbedrieglijk mijnheer Bounderby’s oordeel is. Iedereen heeft bewijzen daarvan gehad. Het moet een algemeen onderwerp van gesprek zijn. Verklein alles van u zelven, behalve uw oordeel, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit lachende.Mijnheer Bounderby hervatte, zeer rood en ongemakkelijk: „Het komt mij voor, juffrouw, zeg ik, dat het een geheel ander soort van huishouden zou moeten zijn, waarin eene dame vanuwevermogens zou kunnen uitblinken. Zulk een huishouden als dat van uw tante, Lady Scadgers, bij voorbeeld. Denkt gij niet, juffrouw, dat gij daar meer zaken zoudt vinden om u mede te bemoeien?”„Het is mij nog nooit ingevallen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „maar nu gij er van spreekt, zou ik het zeer waarschijnlijk achten.”„Als gij het dan eens gingt probeeren, juffrouw,” zeide Bounderby terwijl hij een papiertje met een kassiersbriefje er in op haar werkmandje legde. „Gij hebt den tijd aan u zelve om heen te gaan, juffrouw; maar misschien zal het intusschen eene dame van uwe geestvermogens aangenamer zijn alleen te eten, zonder door iemand gehinderd te worden. Ik moest u waarlijk verschooning verzoeken, dat ik, die niets meer dan Josiah Bounderby vanCoketownben, u zoo lang in het licht heb gestaan.”„O, gij behoeft u daarover niet te verschoonen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „Als dat portret spreken kon, mijnheer—maar het heeft dàt voorrecht boven het origineel, dat het niet in staat is zich zelven ten toon te stellen en anderen te doen walgen—zou het getuigen, dat het reeds lang geleden is sedert ik het eerst gewoon werd het aan te spreken als het portret van een domkop. Niets, dat een domkop doet, kan iemands verwondering of verontwaardiging opwekken; de bedrijven van een domkop kunnen alleen verachting inboezemen.”Zoo sprekende, bekeek mevrouw Sparsit, welker Romeinsche trekken nu naar een medaille geleken, geslagen ter vereeuwiging harer minachting voor mijnheer Bounderby, hem met een strakken blik van het hoofd tot de voeten, streek hem toen met afgewende oogen voorbij, en ging naar boven. Mijnheer Bounderby sloot de deur en bleef voor het vuur staan. Zoo staande, verplaatste hij zich met zijne gewone onstuimigheid in het karakter van zijn portret—en in de toekomst.Hoeveel zag hij van de toekomst? Hij zag mevrouw Sparsit een dagelijksch kampgevecht houden, waarbij al de scherpste wapenen van het vrouwelijk arsenaal gebruikt werden tegen de gemelijke, wangunstige, plaagzieke Lady Scadgers, altijd bedlegerig met haar geheimzinnig been, steeds aan het einde van haar ontoereikend inkomen in het midden van ieder vierendeeljaars, in een armoedig, benauwd kamertje, dat voor één persoon een hokje, voor twee nog minder was. Maar zag hij meer? Zag hij ook een zweem van zich zelven, gelijk hij voor vreemdelingen met Bitzer praalde, als de veelbelovende jonkman, zoo vol eerbied voor de groote verdiensten van zijn meester, die de plaats van den jongen Tom had gekregen, en bijna den jongen Tom zelven had gepakt, indien hij niet door een troep schelmen was voortgeholpen? Zag hij een flauwen weerschijn van zijn eigen beeld gelijk hij een pronkend testament maakte, volgens hetwelk vijf en twintig snoevers boven de vijf en vijftig jaren, die ieder den naam van Josiah Bounderby vanCoketownzouden aannemen, ten eeuwigen dage in het Bounderby-gesticht zouden wonen en eten, ten eeuwigen dage onder het gehoor van den vasten kapelaan in slaap vallen, ten eeuwigen dage uit de stichting van Bounderby zouden onderhouden worden, en ten eeuwigen dage alle gezonde magen door een Bounderby-achtig bluffen en bulderen zouden doen walgen? Had hij eenige voorwetenschap van den dag, vijf jaren later, waarop Josiah Bounderby vanCoketown, teCoketownop straat aan een beroerte zou sterven, en dat heerlijke testament zijne lange loopbaan van haarklooverij, valschheid, inhaligheid, slechte voorbeelden, weinig nut en veel geprocedeer, zou beginnen? Waarschijnlijk niet. Het portret zou het evenwel alles aanzien.Mijnheer Gradgrind zat op denzelfden dag en hetzelfde uur peinzend in zijne kamer. Hoeveel van de toekomst zaghij? Zag hij zich zelven, als een zwakkelijk grijsaard, terwijl hij zijne tot nog toe onbuigzame theorieën naar de omstandigheden leerde voegen; zijne feiten en cijfers aan geloof, hoop en liefde dienstbaar maakte, en niet langer beproefde dat hemelsche drietal in zijne stofferige molentjes te vermalen? Zag hij zich zelven om die reden in diepe minachting bij zijne vroegere politieke medebroeders vervallen? Zag hij deze heeren in den tijd toen het volkomen was vastgesteld, dat de nationale aschlieden alleen met elkander te doen hadden, en niets verschuldigd waren aan dat afgetrokkene denkbeeld, dat men het volk noemt, vijf nachten in de week, tot laat na middernacht, hun voormaligen medewerker dit en dat en allerlei voor de voeten werpen? Waarschijnlijk zag hij dit wel vooruit, daar hij zijne menschen kende.In den avond van denzelfden dag zat Louisa, gelijk in vroegere dagen, hoewel met een gezicht dat meer zachtheid en nederigheid teekende, in het vuur te staren. Hoeveel van de toekomst kon er voor hare verbeelding oprijzen? Aanplakbiljetten op de straat, met haar vaders naam onderteekend, waardoor de nu overleden Stephen Blackpool van ongegronde verdenkingen werd ontheven, en de schuld van zijn eigen zoon werd bekend gemaakt, met al de verschooningen, die zijne jaren en de verzoeking (hij kon er niet toe komen om er bij te voegen, zijne opvoeding) voor hem konden aanvoeren?—Dit behoorde tot het tegenwoordige. Zóó bijkans ook Stephen Blackpool’s grafzerk, met een door haar vader gesteld opschrift, want zij wist, dat die steen daar geplaatst zou worden. Deze dingen kon zij duidelijk zien. Maar hoeveel van de toekomst?Eene vrouw uit de arbeidende klasse, Rachel gedoopt, die na eene lange ziekte op het luiden der werkklok te voorschijn kwam en op vaste uren onder de werkers en werksters heen en weder ging; eene vrouw van ernstige schoonheid, altijd in het zwart gekleed, maar zachtzinnig en opgeruimd, blijmoedig zelfs, die, onder de geheele bevolking der stad, alleen medelijden scheen te hebben met een diepgezonken wezen van hare eigene sekse, dat men somtijds heimelijk bij haar zag komen bedelen en jammeren; eene vrouw die werkte, altijd werkte, maar daarmede tevreden was en het boven ledigheid verkoos, als hare natuurlijke bestemming, totdat zij te oud zou worden om te werken? Zag Louisa dit? Zulke dingen waren zeker aanstaande.Een eenzame broeder, vele duizend mijlen ver, die op een met tranen gevlekt papier schreef, dat hare woorden maar al te spoedig bewaarheid waren geworden, en dat al de schatten der wereld een geringe prijs zouden zijn om haar dierbaar gelaat nog eens te zien? Eindelijk, die broeder, in de hoop van haar weder te zien, nader bij huis komende en door ziekte onderweg opgehouden; en dan een brief van eene vreemde hand, met de tijding: „Hij stierf in het hospitaal aan de koorts, en hij stierf vol berouw en liefde voor u; want zijn laatste woord was uw naam.” Zag Louisa deze dingen? Zulke dingen waren ook aanstaande.Zich zelve weder als vrouw—als moeder—liefderijk wakende over hare kinderen, altijd zorgvuldig dat zij niet minder eene kindsheid van gemoed dan eene kindsheid van het lichaam zouden hebben, daar zij wist dat de eerste zelfs iets nog schooners was dan de tweede,—eene bezitting, waarvan een opgespaard overblijfseltje zelfs voor den wijzen, bejaarden man een zegen en een geluk is. Zag Louisa dit? Zoo iets was nimmer te wachten.Maar die gelukkige kinderen der gelukkige Sissy, die haar liefhadden, gelijk alle kinderen haar liefhadden; zij zelve, geleerd geworden in kinderlijke wetenschap; geen onschuldig spel der verbeelding verachtelijk noemende; steeds haar best doende om hare medemenschen van nederiger stand te leeren kennen en hun leven van machinerie en prozaïsche werkelijkheid te vervroolijken met die genietingen en sieraden van geest en gemoed, zonder welke het hart der kindsheid verwelken moet, de krachtigste mannelijke leeftijd in een zedelijk opzicht een machtelooze dood is, en de nationale welvaart, die door cijfers wordt aangetoond, slechts het geschrift aan den muur zal wezen;—zij zelve aan zulk een leven gewijd, niet gebonden door eene grillige gelofte, door een broeder- of zusterschap, of door een maskeradekleed of een theatralen toestel; maar het eenvoudig de vervulling achtende van een plicht, waaraan zij zich niet onttrekken mocht—zag Louisa deze dingen van zich zelve? Zulke dingen waren zeker aanstaande.Waarde lezer, het zal van u en mij afhangen, of in onzen verschillenden werkkring dergelijke dingen aanstaande zijn of niet! Mochten zij het zijn! Wij zullen dan met ruimere borst bij den haard zitten, om de vonken van ons vuur in grauwe, koude asch te zien veranderen.
Het is gevaarlijk binnen den kring van een opgeblazen bluffer iets te zien, voordat die opgeblazene bluffer het zelf ziet. Mijnheer Bounderby begreep, dat mevrouw Sparsit zeer vermetel was geweest met hem voor te komen en wijzer te willen zijn dan hij. Ten uiterste op haar verontwaardigd over hare zegepralende ontdekking van juffrouw Pegler, keerde hij deze verwatenheid van eene vrouw in hare afhankelijke betrekking zoo lang in zijne gedachten om en om, tot zij gelijk een sneeuwbal door dit omwentelen hoe langer hoe grooter was geworden. Eindelijk kwam hij tot de ontdekking, dat hij, als hij deze aanzienlijk geparenteerde dame haar afscheid gaf—als hij het in zijn macht had om te zeggen: „Zij was eene vrouw van familie en wilde zich aan mij opdringen, maar dat wilde ik niet hebben en ik maakte mij van haar af”—de grootst mogelijke mate van glans uit die betrekking zou halen, en mevrouw Sparsit tegelijk de straf geven, die zij verdiend had.
Voller dan ooit van dit groote denkbeeld, kwam mijnheer Bounderby binnen om zijn twaalfuurtje te gebruiken, en zette zich in de eetzaal van vroeger tijd, waar zijn portret hing. Mevrouw Sparsit zat bij het vuur, met den voet in haar katoenen stijgbeugel, weinig denkende waar zij heen reed.
Sedert het gebeurde met juffrouw Pegler had de goede vrouw haar medelijden voor mijnheer Bounderby met een sluier van stille berouwvolle treurigheid bedekt. Om die reden had zij zich een jammervollen blik aangewend; en met dezen jammervollen blik zag zij nu haar beschermer aan.
„Wat scheelt er nu aan, juffrouw?” zeide Bounderby, op een zeer korten en barschen toon.
„Wat ik u bidden mag, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „bijt mijn neus niet af.”
„Uw neus afbijten, juffrouw?” herhaalde Bounderby. „Uw neus!” daarmede meenende, gelijk mevrouw Sparsit begreep, dat haar neus daartoe veel te groot was. En na dezen hatelijken schimpscheut sneed hij een stuk brood voor zich af en smeet het mes met een slag op de tafel.
Mevrouw Sparsit haalde haar voet uit den stijgbeugel en zeide: „Mijnheer Bounderby!”
„Wel, juffrouw?” antwoordde Bounderby. „Waar kijkt ge zoo verbaasd van op?”
„Mag ik vragen, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit: „heeft iets u van morgen verstoord?”
„Ja, juffrouw.”
„Mag ik weten, mijnheer,” hernam de verongelijkte dame, „of ik de ongelukkige oorzaak ben, dat gij uit uw humeur zijt geraakt?”
„Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw,” antwoordde Bounderby. „Ik ben niet hier gekomen om mij te laten overbluffen. Eene dame mag van aanzienlijke familie zijn, maar het past haar toch niet een man als ik ben te sarren en te plagen en ik wil dat niet velen.” Bounderby gevoelde, dat het noodig was ter zake te komen, daar hij voorzag, dat hij uit het veld geslagen zou worden als hij in voorloopige bijzonderheden trad.
Mevrouw Sparsit trok hare donkere wenkbrauwen eerst naar omhoog en toen naar omlaag, pakte haar werk in haar mandje en stond op.
„Mijnheer,” zeide zij statig, „het komt mij voor, dat ik u op het oogenblik in den weg ben. Ik zal mij naar mijn eigen vertrek begeven.”
„Laat ik de deur voor u opendoen, juffrouw.”
„Verplicht, mijnheer, dat kan ik zelf wel.”
„Laat het mij liever doen, juffrouw,” zeide Bounderby, haar voorbijstappende en zijne hand aan de kruk slaande, „omdat ik dan de gelegenheid kan waarnemen om u nog een woordje te zeggen, eer gij heengaat. Mevrouw Sparsit, ik geloof eenigszins, dat het u te bekrompen is, weet ge dat wel? Het komt mij voor, dat er onder mijn nederig dak bezwaarlijk ruimte genoeg is voor eene dame van uwe talenten voor de zaken van anderen.”
Mevrouw Sparsit wierp hem een blik van de diepste verachting toe, en zeide met groote beleefdheid: „Inderdaad, mijnheer?”
„Ik heb er over gedacht, ziet ge, sedert die laatste zaken gebeurd zijn, juffrouw,” zeide Bounderby, „en het komt mij voor, zoover mijn gering oordeel reikt...”
„O, mijnheer!” viel mevrouw Sparsit er met schertsende vroolijkheid op in, „verklein uw oordeel niet. Iedereen weet hoe onbedrieglijk mijnheer Bounderby’s oordeel is. Iedereen heeft bewijzen daarvan gehad. Het moet een algemeen onderwerp van gesprek zijn. Verklein alles van u zelven, behalve uw oordeel, mijnheer,” zeide mevrouw Sparsit lachende.
Mijnheer Bounderby hervatte, zeer rood en ongemakkelijk: „Het komt mij voor, juffrouw, zeg ik, dat het een geheel ander soort van huishouden zou moeten zijn, waarin eene dame vanuwevermogens zou kunnen uitblinken. Zulk een huishouden als dat van uw tante, Lady Scadgers, bij voorbeeld. Denkt gij niet, juffrouw, dat gij daar meer zaken zoudt vinden om u mede te bemoeien?”
„Het is mij nog nooit ingevallen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit, „maar nu gij er van spreekt, zou ik het zeer waarschijnlijk achten.”
„Als gij het dan eens gingt probeeren, juffrouw,” zeide Bounderby terwijl hij een papiertje met een kassiersbriefje er in op haar werkmandje legde. „Gij hebt den tijd aan u zelve om heen te gaan, juffrouw; maar misschien zal het intusschen eene dame van uwe geestvermogens aangenamer zijn alleen te eten, zonder door iemand gehinderd te worden. Ik moest u waarlijk verschooning verzoeken, dat ik, die niets meer dan Josiah Bounderby vanCoketownben, u zoo lang in het licht heb gestaan.”
„O, gij behoeft u daarover niet te verschoonen, mijnheer,” antwoordde mevrouw Sparsit. „Als dat portret spreken kon, mijnheer—maar het heeft dàt voorrecht boven het origineel, dat het niet in staat is zich zelven ten toon te stellen en anderen te doen walgen—zou het getuigen, dat het reeds lang geleden is sedert ik het eerst gewoon werd het aan te spreken als het portret van een domkop. Niets, dat een domkop doet, kan iemands verwondering of verontwaardiging opwekken; de bedrijven van een domkop kunnen alleen verachting inboezemen.”
Zoo sprekende, bekeek mevrouw Sparsit, welker Romeinsche trekken nu naar een medaille geleken, geslagen ter vereeuwiging harer minachting voor mijnheer Bounderby, hem met een strakken blik van het hoofd tot de voeten, streek hem toen met afgewende oogen voorbij, en ging naar boven. Mijnheer Bounderby sloot de deur en bleef voor het vuur staan. Zoo staande, verplaatste hij zich met zijne gewone onstuimigheid in het karakter van zijn portret—en in de toekomst.
Hoeveel zag hij van de toekomst? Hij zag mevrouw Sparsit een dagelijksch kampgevecht houden, waarbij al de scherpste wapenen van het vrouwelijk arsenaal gebruikt werden tegen de gemelijke, wangunstige, plaagzieke Lady Scadgers, altijd bedlegerig met haar geheimzinnig been, steeds aan het einde van haar ontoereikend inkomen in het midden van ieder vierendeeljaars, in een armoedig, benauwd kamertje, dat voor één persoon een hokje, voor twee nog minder was. Maar zag hij meer? Zag hij ook een zweem van zich zelven, gelijk hij voor vreemdelingen met Bitzer praalde, als de veelbelovende jonkman, zoo vol eerbied voor de groote verdiensten van zijn meester, die de plaats van den jongen Tom had gekregen, en bijna den jongen Tom zelven had gepakt, indien hij niet door een troep schelmen was voortgeholpen? Zag hij een flauwen weerschijn van zijn eigen beeld gelijk hij een pronkend testament maakte, volgens hetwelk vijf en twintig snoevers boven de vijf en vijftig jaren, die ieder den naam van Josiah Bounderby vanCoketownzouden aannemen, ten eeuwigen dage in het Bounderby-gesticht zouden wonen en eten, ten eeuwigen dage onder het gehoor van den vasten kapelaan in slaap vallen, ten eeuwigen dage uit de stichting van Bounderby zouden onderhouden worden, en ten eeuwigen dage alle gezonde magen door een Bounderby-achtig bluffen en bulderen zouden doen walgen? Had hij eenige voorwetenschap van den dag, vijf jaren later, waarop Josiah Bounderby vanCoketown, teCoketownop straat aan een beroerte zou sterven, en dat heerlijke testament zijne lange loopbaan van haarklooverij, valschheid, inhaligheid, slechte voorbeelden, weinig nut en veel geprocedeer, zou beginnen? Waarschijnlijk niet. Het portret zou het evenwel alles aanzien.
Mijnheer Gradgrind zat op denzelfden dag en hetzelfde uur peinzend in zijne kamer. Hoeveel van de toekomst zaghij? Zag hij zich zelven, als een zwakkelijk grijsaard, terwijl hij zijne tot nog toe onbuigzame theorieën naar de omstandigheden leerde voegen; zijne feiten en cijfers aan geloof, hoop en liefde dienstbaar maakte, en niet langer beproefde dat hemelsche drietal in zijne stofferige molentjes te vermalen? Zag hij zich zelven om die reden in diepe minachting bij zijne vroegere politieke medebroeders vervallen? Zag hij deze heeren in den tijd toen het volkomen was vastgesteld, dat de nationale aschlieden alleen met elkander te doen hadden, en niets verschuldigd waren aan dat afgetrokkene denkbeeld, dat men het volk noemt, vijf nachten in de week, tot laat na middernacht, hun voormaligen medewerker dit en dat en allerlei voor de voeten werpen? Waarschijnlijk zag hij dit wel vooruit, daar hij zijne menschen kende.
In den avond van denzelfden dag zat Louisa, gelijk in vroegere dagen, hoewel met een gezicht dat meer zachtheid en nederigheid teekende, in het vuur te staren. Hoeveel van de toekomst kon er voor hare verbeelding oprijzen? Aanplakbiljetten op de straat, met haar vaders naam onderteekend, waardoor de nu overleden Stephen Blackpool van ongegronde verdenkingen werd ontheven, en de schuld van zijn eigen zoon werd bekend gemaakt, met al de verschooningen, die zijne jaren en de verzoeking (hij kon er niet toe komen om er bij te voegen, zijne opvoeding) voor hem konden aanvoeren?—Dit behoorde tot het tegenwoordige. Zóó bijkans ook Stephen Blackpool’s grafzerk, met een door haar vader gesteld opschrift, want zij wist, dat die steen daar geplaatst zou worden. Deze dingen kon zij duidelijk zien. Maar hoeveel van de toekomst?
Eene vrouw uit de arbeidende klasse, Rachel gedoopt, die na eene lange ziekte op het luiden der werkklok te voorschijn kwam en op vaste uren onder de werkers en werksters heen en weder ging; eene vrouw van ernstige schoonheid, altijd in het zwart gekleed, maar zachtzinnig en opgeruimd, blijmoedig zelfs, die, onder de geheele bevolking der stad, alleen medelijden scheen te hebben met een diepgezonken wezen van hare eigene sekse, dat men somtijds heimelijk bij haar zag komen bedelen en jammeren; eene vrouw die werkte, altijd werkte, maar daarmede tevreden was en het boven ledigheid verkoos, als hare natuurlijke bestemming, totdat zij te oud zou worden om te werken? Zag Louisa dit? Zulke dingen waren zeker aanstaande.
Een eenzame broeder, vele duizend mijlen ver, die op een met tranen gevlekt papier schreef, dat hare woorden maar al te spoedig bewaarheid waren geworden, en dat al de schatten der wereld een geringe prijs zouden zijn om haar dierbaar gelaat nog eens te zien? Eindelijk, die broeder, in de hoop van haar weder te zien, nader bij huis komende en door ziekte onderweg opgehouden; en dan een brief van eene vreemde hand, met de tijding: „Hij stierf in het hospitaal aan de koorts, en hij stierf vol berouw en liefde voor u; want zijn laatste woord was uw naam.” Zag Louisa deze dingen? Zulke dingen waren ook aanstaande.
Zich zelve weder als vrouw—als moeder—liefderijk wakende over hare kinderen, altijd zorgvuldig dat zij niet minder eene kindsheid van gemoed dan eene kindsheid van het lichaam zouden hebben, daar zij wist dat de eerste zelfs iets nog schooners was dan de tweede,—eene bezitting, waarvan een opgespaard overblijfseltje zelfs voor den wijzen, bejaarden man een zegen en een geluk is. Zag Louisa dit? Zoo iets was nimmer te wachten.
Maar die gelukkige kinderen der gelukkige Sissy, die haar liefhadden, gelijk alle kinderen haar liefhadden; zij zelve, geleerd geworden in kinderlijke wetenschap; geen onschuldig spel der verbeelding verachtelijk noemende; steeds haar best doende om hare medemenschen van nederiger stand te leeren kennen en hun leven van machinerie en prozaïsche werkelijkheid te vervroolijken met die genietingen en sieraden van geest en gemoed, zonder welke het hart der kindsheid verwelken moet, de krachtigste mannelijke leeftijd in een zedelijk opzicht een machtelooze dood is, en de nationale welvaart, die door cijfers wordt aangetoond, slechts het geschrift aan den muur zal wezen;—zij zelve aan zulk een leven gewijd, niet gebonden door eene grillige gelofte, door een broeder- of zusterschap, of door een maskeradekleed of een theatralen toestel; maar het eenvoudig de vervulling achtende van een plicht, waaraan zij zich niet onttrekken mocht—zag Louisa deze dingen van zich zelve? Zulke dingen waren zeker aanstaande.
Waarde lezer, het zal van u en mij afhangen, of in onzen verschillenden werkkring dergelijke dingen aanstaande zijn of niet! Mochten zij het zijn! Wij zullen dan met ruimere borst bij den haard zitten, om de vonken van ons vuur in grauwe, koude asch te zien veranderen.