Chapter 5

389Ick sie mijn beelt in uwe jeught,Dat my eerst heden blijckt.Ick schep mijn lust uyt uwe vreught,Vermits ghy my gelijckt.V schoone verw en frissche glansVerçiert het gansche velt.En, naar het seggen van de mans,Ben ick oock soo gestelt.397Maer daer is noch een ander stuck,Dat med’ ons beyde raeckt;Dat is dat ramp en ongeluckGansch licht tot ons genaeckt.Besiet hoe ras een bloemtje sterft,En plat ter aerden sijght:Besiet hoe licht syn glans verderft,En dorre plecken krijght.405Besiet hoe dat een frissche roos,(Ick meyn een jonge maeght)Een die men onder duysent koos,En al de jeught behaeght,Besiet hoe licht een schoone blomVerliest haer eersten glans;Schoon sy was lief en wellekomBy alle jonge mans.413Wel roosjens, çiersels van het velt,Kan dit alsoo geschien?En ist met u alsoo gestelt,Soo dienter in versien.Maer segh wat kan u beter zijn,Als datje wort gepluckt?Niet door een bock of gortigh*swijn,Om soo te zijn verdruckt.*421Maer om te zijn een hupsche*kroon,Ter eeren van de jeught.Vw plucker tot een soete loon,En tot een stage vreught.En of u tijt is wonder kort,Maeckt daerom geen getreur;Want schoon een frissche roos verdort,Sy hout een soeten geur.429Wel nu wy staen in eenen graet*,O çiersel van het wout,Koom geef my doch van uwen raetDie ghy voor sekerst’ hout.Moet oock mijn bloemtje t’syner tijtVan yemant zijn gepluckt ?Pan.Iae, vryster, soojet weerdigh zijt,En soo het u geluckt.*437Daer zijnder niet dan al te veelDie staegh ten toone staen,Sy bieden ons een groene steel,Maer niemant wilder aen.Daer sweeft haer blat dan met den wint,Als stof gemeenlick doet.*Ach ’t bloemtje dat geen plucker vint,Dat treet men met den voet.445Pretoise.Wel hoe! wat koomt hier voor geluytGeresen uit het wout?My dunckt hier sit een slimme*guytGedoken in het hout.Het mocht wel zijn de bocx-voet Pan,*Die woont hier in het groen.Dat is van outs de rechte manOm vrijsters leet te doen.453Wel lincker*wie ghy wesen meught,Ick bid u weest gerust.Mijn bloem, mijn roem, mijn teere jeughtIs niet voor uwen lust.Ick wachte voor mijn beste pant,Tot troost van mijn verdriet,Ick wachte vry een weerder hant;Maer u en wacht ick niet.

389Ick sie mijn beelt in uwe jeught,Dat my eerst heden blijckt.Ick schep mijn lust uyt uwe vreught,Vermits ghy my gelijckt.V schoone verw en frissche glansVerçiert het gansche velt.En, naar het seggen van de mans,Ben ick oock soo gestelt.397Maer daer is noch een ander stuck,Dat med’ ons beyde raeckt;Dat is dat ramp en ongeluckGansch licht tot ons genaeckt.Besiet hoe ras een bloemtje sterft,En plat ter aerden sijght:Besiet hoe licht syn glans verderft,En dorre plecken krijght.405Besiet hoe dat een frissche roos,(Ick meyn een jonge maeght)Een die men onder duysent koos,En al de jeught behaeght,Besiet hoe licht een schoone blomVerliest haer eersten glans;Schoon sy was lief en wellekomBy alle jonge mans.413Wel roosjens, çiersels van het velt,Kan dit alsoo geschien?En ist met u alsoo gestelt,Soo dienter in versien.Maer segh wat kan u beter zijn,Als datje wort gepluckt?Niet door een bock of gortigh*swijn,Om soo te zijn verdruckt.*421Maer om te zijn een hupsche*kroon,Ter eeren van de jeught.Vw plucker tot een soete loon,En tot een stage vreught.En of u tijt is wonder kort,Maeckt daerom geen getreur;Want schoon een frissche roos verdort,Sy hout een soeten geur.429Wel nu wy staen in eenen graet*,O çiersel van het wout,Koom geef my doch van uwen raetDie ghy voor sekerst’ hout.Moet oock mijn bloemtje t’syner tijtVan yemant zijn gepluckt ?Pan.Iae, vryster, soojet weerdigh zijt,En soo het u geluckt.*437Daer zijnder niet dan al te veelDie staegh ten toone staen,Sy bieden ons een groene steel,Maer niemant wilder aen.Daer sweeft haer blat dan met den wint,Als stof gemeenlick doet.*Ach ’t bloemtje dat geen plucker vint,Dat treet men met den voet.445Pretoise.Wel hoe! wat koomt hier voor geluytGeresen uit het wout?My dunckt hier sit een slimme*guytGedoken in het hout.Het mocht wel zijn de bocx-voet Pan,*Die woont hier in het groen.Dat is van outs de rechte manOm vrijsters leet te doen.453Wel lincker*wie ghy wesen meught,Ick bid u weest gerust.Mijn bloem, mijn roem, mijn teere jeughtIs niet voor uwen lust.Ick wachte voor mijn beste pant,Tot troost van mijn verdriet,Ick wachte vry een weerder hant;Maer u en wacht ick niet.

389Ick sie mijn beelt in uwe jeught,Dat my eerst heden blijckt.Ick schep mijn lust uyt uwe vreught,Vermits ghy my gelijckt.V schoone verw en frissche glansVerçiert het gansche velt.En, naar het seggen van de mans,Ben ick oock soo gestelt.

389Ick sie mijn beelt in uwe jeught,

Dat my eerst heden blijckt.

Ick schep mijn lust uyt uwe vreught,

Vermits ghy my gelijckt.

V schoone verw en frissche glans

Verçiert het gansche velt.

En, naar het seggen van de mans,

Ben ick oock soo gestelt.

397Maer daer is noch een ander stuck,Dat med’ ons beyde raeckt;Dat is dat ramp en ongeluckGansch licht tot ons genaeckt.Besiet hoe ras een bloemtje sterft,En plat ter aerden sijght:Besiet hoe licht syn glans verderft,En dorre plecken krijght.

397Maer daer is noch een ander stuck,

Dat med’ ons beyde raeckt;

Dat is dat ramp en ongeluck

Gansch licht tot ons genaeckt.

Besiet hoe ras een bloemtje sterft,

En plat ter aerden sijght:

Besiet hoe licht syn glans verderft,

En dorre plecken krijght.

405Besiet hoe dat een frissche roos,(Ick meyn een jonge maeght)Een die men onder duysent koos,En al de jeught behaeght,Besiet hoe licht een schoone blomVerliest haer eersten glans;Schoon sy was lief en wellekomBy alle jonge mans.

405Besiet hoe dat een frissche roos,

(Ick meyn een jonge maeght)

Een die men onder duysent koos,

En al de jeught behaeght,

Besiet hoe licht een schoone blom

Verliest haer eersten glans;

Schoon sy was lief en wellekom

By alle jonge mans.

413Wel roosjens, çiersels van het velt,Kan dit alsoo geschien?En ist met u alsoo gestelt,Soo dienter in versien.Maer segh wat kan u beter zijn,Als datje wort gepluckt?Niet door een bock of gortigh*swijn,Om soo te zijn verdruckt.*

413Wel roosjens, çiersels van het velt,

Kan dit alsoo geschien?

En ist met u alsoo gestelt,

Soo dienter in versien.

Maer segh wat kan u beter zijn,

Als datje wort gepluckt?

Niet door een bock of gortigh*swijn,

Om soo te zijn verdruckt.*

421Maer om te zijn een hupsche*kroon,Ter eeren van de jeught.Vw plucker tot een soete loon,En tot een stage vreught.En of u tijt is wonder kort,Maeckt daerom geen getreur;Want schoon een frissche roos verdort,Sy hout een soeten geur.

421Maer om te zijn een hupsche*kroon,

Ter eeren van de jeught.

Vw plucker tot een soete loon,

En tot een stage vreught.

En of u tijt is wonder kort,

Maeckt daerom geen getreur;

Want schoon een frissche roos verdort,

Sy hout een soeten geur.

429Wel nu wy staen in eenen graet*,O çiersel van het wout,Koom geef my doch van uwen raetDie ghy voor sekerst’ hout.Moet oock mijn bloemtje t’syner tijtVan yemant zijn gepluckt ?Pan.Iae, vryster, soojet weerdigh zijt,En soo het u geluckt.*

429Wel nu wy staen in eenen graet*,

O çiersel van het wout,

Koom geef my doch van uwen raet

Die ghy voor sekerst’ hout.

Moet oock mijn bloemtje t’syner tijt

Van yemant zijn gepluckt ?

Pan.Iae, vryster, soojet weerdigh zijt,

En soo het u geluckt.*

437Daer zijnder niet dan al te veelDie staegh ten toone staen,Sy bieden ons een groene steel,Maer niemant wilder aen.Daer sweeft haer blat dan met den wint,Als stof gemeenlick doet.*Ach ’t bloemtje dat geen plucker vint,Dat treet men met den voet.

437Daer zijnder niet dan al te veel

Die staegh ten toone staen,

Sy bieden ons een groene steel,

Maer niemant wilder aen.

Daer sweeft haer blat dan met den wint,

Als stof gemeenlick doet.*

Ach ’t bloemtje dat geen plucker vint,

Dat treet men met den voet.

445Pretoise.Wel hoe! wat koomt hier voor geluytGeresen uit het wout?My dunckt hier sit een slimme*guytGedoken in het hout.Het mocht wel zijn de bocx-voet Pan,*Die woont hier in het groen.Dat is van outs de rechte manOm vrijsters leet te doen.

445Pretoise.Wel hoe! wat koomt hier voor geluyt

Geresen uit het wout?

My dunckt hier sit een slimme*guyt

Gedoken in het hout.

Het mocht wel zijn de bocx-voet Pan,*

Die woont hier in het groen.

Dat is van outs de rechte man

Om vrijsters leet te doen.

453Wel lincker*wie ghy wesen meught,Ick bid u weest gerust.Mijn bloem, mijn roem, mijn teere jeughtIs niet voor uwen lust.Ick wachte voor mijn beste pant,Tot troost van mijn verdriet,Ick wachte vry een weerder hant;Maer u en wacht ick niet.

453Wel lincker*wie ghy wesen meught,

Ick bid u weest gerust.

Mijn bloem, mijn roem, mijn teere jeught

Is niet voor uwen lust.

Ick wachte voor mijn beste pant,

Tot troost van mijn verdriet,

Ick wachte vry een weerder hant;

Maer u en wacht ick niet.


Back to IndexNext