Chapter 6

461Terwijl hem*dit gebeurt met wonder groot vernougen,Soo koomt de nachtegael sigh by de vrijster vougen,En queelt daer uyte borst met soo een bly geschal,Dat haer*vermenghde stem verheught het gansche dal.465De ridder onderdies gevoelt syn geest beroeren,Terwijl hy op de maeght alleen heeft sitten loeren*.Wel of dit heydens*kint (seyt hy met vollen mont)Eens op syn hoofs gekleet voor ons ten toone stont,Waer*sou haer schoonheyt gaen? van soo een aerdigh wesen*470En is (gelijck ick meyn) in geenen tijt gelesen.Hier op soo treet hy toe, en geeft*hem by de maeght,Die hy na syn gevolgh en na de jagers vraeght.Sy, met een heus gelaet, seyt geensins yet te wetenWaer syn geselschap is; maer daer te zijn geseten475Ten eynde sy een krans van groene kruyden vlocht,Die haer dan op het feest tot çiersel dienen mocht.Maiombe die alreeds den ridder had vernomen,Begon van stonden aen voor hare nicht te schromen,En maeckt*haer daer ontrent, op datse mocht verstaen480Wat haer de ridder seyt, en hoe de saken gaen.Constançe was begaeft met soo een aerdigh wesenDat niemant haer gelaet genough en heeft gepresen,Daer vloeyt uyt haren mont soo aengenamen lagh,Dat sy de gunste won van die haer maer en sagh.485Haer zeden zijn beleeft, haer reden wel gebonden*,Haer spraeck is enckel geest en niet als soete vonden;*In ’t korte, watse doet en watse neemt ter hant,Dat toont een goeden aert en ongemeen verstant.De ridder onderdies ontstelt*door heete voncken,490Heeft op dien eygen stont het soet vergif gedroncken;En daerom als hy wist wie dat Maiombe was,Soo is hy nevens haer gesegen*in het gras:Soo is hy met het wijf in veelderhande reden,En met Constançe selfs in langh gespreck getreden;495Ten lesten berst hy uyt: V schoonheyt, geestigh dier,Verweckt in mijn gemoet een wonder selsaem vier.Ick wou, indien ick mocht, u trouwe dienaer wesen,En soo u dat beviel, soo waer ick haest*genesen,Soo waer ick metter daet een gansch geluckigh mensch,500En had door uwe gunst mijn vollen herten-wensch.Het woort is nau geseyt, de soete PretioseDie kreegh hier op een blos gelijck een versche rose,Haer gramschap en met een haer schaemte zijn vermenght,Als haer beroert gemoet hem dus syn antwoort brenght:505Heer ridder (naer ick hoor) ghy zijt vol hoofsche*treken,En hebt (naer ick vermoe) meer vrijsters uyt-gestreken*;Ick weet (als ghy een maeght om hare schoonheyt vleyt)Ick wetet, lieve vrient, al wattet is°geseyt.Ick weet dat eens de vos bedroogh den slechten*raven,510Als hy na spijse socht om hem te mogen laven*;De raef had lecker aes en drough het in den beck,Dit sagh de loose vos, en speeld’ hem desen treck:Hy seyt hem, Aerdigh dier dat geestigh weet te singen,En zijt van outs geleert*in alle soete dingen,515Ey schenckt ons nu een reys een deuntjen na de kunst,Dat sal ons heden zijn een teycken uwer gunst.De raef, eylaes verlockt met dese troutel-reden*,Die vought sigh om te doen gelijck hy was gebeden;En mits*dat hy den beek tot singen open stelt,520Soo viel het lecker aes te midden op het velt.Dat greep de slimme vos, en sonder langh te beydenBegaf hy metten roof sigh midden opder heyden,Daer at en lough het dier, en al met vollen mont,Terwijl de malle*raef bedrouft en eensaem*stont.525Ick ken (al ben ick jongh) den aert van ’t listigh prijsen,En weet wat ongemack hier uyt sou mogen rijsen,Ick weet het watje soeckt, als ghy my gunste biet;Maer schoon ghy zijt de vos, ick ben de rave niet.Ick ben een heydens kint veracht van alle menschen,530Hoe kan u hoogh gemoet om mijn geselschap wenschen,Als slechts op desen gront, ten eynd’ u geyle lustTot oneer mijner jeught eens mochte zijn geblust?Maer neen, gelooftet vry, geen man sal my belesen,Dat ick in geyle lust hem sal ten dienste wesen.535Acht my voor die ghy wilt, en dat ick wesen magh,Ick ben een vyandin van alle vuyl bejagh.*Dat sal ick eeuwigh zijn. wel gaet dan elders jagen,Voor u en is geen kans mijn eere wech te dragen;Weet datter onder ’t volck dat ghy voor heydens groet*540Noch is een reyne ziel en onbevleckt gemoet.Ghy dan, nadien ghy zijt genegen om te jocken*,Gaet naer het dertel hof, en streelt de sijde rocken*,Soeckt daer bequame*stof voor u ongure*vreught,En laet my ’t edel pant van mijne reyne jeught.*545Als ’t wijf op desen toon de vrijster hoorde spreken,Heeft sy haer peck-swart hair een weynigh op-gestreken,Als bly van dit gespreck. Ey, seytse, lieve vrient,Hier is geen lichte koy die hoofsche linckers*dient.De joncker als verbaest*van soo gestrenge woorden,550Die hem als door het oir tot in het herte boorden,Sagh op het fier gelaet van soo een jeughdigh dier,En voelt te meer de kracht van syn inwendigh vier.En naer hy sonder spraeck een weynigh heeft geseten,Soo laet hij syn besluyt de strenge vrijster weten,555En dat op desen voet; hy treckt van syner hantEen ringh, een rijck juweel, een hellen diamant.En seyt haer: Schoone maeght, ick sweere by mijn leven,En by het ridderschap my van den prins gegeven,Ick sweere by het pant dat ghy voor oogen siet,560Dat u mijn trouwe ziel oprechte liefde biet.’K en wil u, schoone blom, niet als een by-sit houwen,Ick wil u na den aert*van onse wetten trouwen,En tot een vast gemerck*, siet daer één eeuwigh pant,Draeght dat tot mijnder eer aen uwe rechterhant.565Te midden in het woort soo biet hy PretioseEen schoonen diamant. Sy, na een lange poseHet stuck in haer gemoet te hebben overdacht,Heeft dus, met heus gelaet*, haer antwoort ingebracht:Wel joncker, na my dunckt, ghy schijnt het stuck te meenen,570Maer ghy sult uwen staet*in my te seer verkleenen;Ghy daerom letter op, eer dat ghy vorder gaet,Hier dient niet in*gegaen als met besetten*raet.Maer noch al boven dat, soo magh ick niet vergetenDat u in dit geval is dienstigh om te weten,575En dat ick noodigh acht voor al te zijn gedaen,Eer dat wy tot besluyt in desen handel*gaen*.Ghy moest twee jaren langh in ons geselschap leven,En u aen onse wet ten vollen over-geven:Ghy moest benevens*ons gaen dolen achter*lant,580By wijlen sonder gelt en sonder eenigh pant*:Ghy moest u machtigh goet en uwe groote staten,Ghy moest u prachtigh kleet geheelick achter laten,Ghy moest in volle daet, en niet in loosen schijn,Een spot, gelijck als wy, van al de werelt zijn;585En dit al, goede vrient, om wel te mogen*letten,Of nut en dienstigh is u sin op my te setten,En med’ aen d’ander zy, of my oock dienen souMet u dit vry gemoet*te binden aen de trou.Siet dit is ons gebruyck, ick spreke sonder veysen*,590Ghy, soo het u belieft, gaet op de sake peysen;Dit moet de preuve*°zijn van uwe liefde, vrient,Of anders stelt het vast, dat ghy my niet en dient*.Soo haest de ridder hoort het slot van dese reden,Hem rilt een koude schrick door al de gansche leden.595Dies seyt hy: Dit ontwerp dat ghy hebt voort-gebracht,Gaet verde*, soete maeght, en dient te zijn bedacht.Ick wil met rijp beraet het stuck gaen overleggen,En u in ronde tael mijn antwoort komen seggen,En dat te deser plaets, en in dit eygen dal,600Soo haest de gulde son hier weder schijnen sal.Daer mede breeckt hy af; vermits hy had vernomen,Dat boven van den bergh syn jagers neder komen;Die wenckt hy metter hant; soo dat het gansche rotMet hem koomt af-gedaelt tot aen syn vaders slot.605Hier treet de ridder in, en, schoon dat al de knechtenZijn besigh op een ry de schotels aen te rechten,Hy des al niet-te-min onthout hem van den dis,Vermits hy, soo het schijnt, geheel onlustigh is.Hy sluyt syn kamer toe, en gaet een wijle treden,610Hy spreekt tot syn gemoet, en al in losse*reden,En dus, en weder soo, al sonder vast besluyt,En berst noch op het lest in dese woorden uyt:Eylaes! wat gaet my aen*aldus te liggen mallen*,En op soo lagen plaets mijn oogh te laten vallen,615Mijn oogh, mijn dertel oogh, mijn ongetoomde lust,Die niet aen dese kant en dient te zijn geblust?Sal ick mijn edel huys, mijn staet, en eere laten,En met soo vuylen hoop gaen loopen achter straten*,Gaen loopen door het rijck, en menigh ander lant,620Alleen maer uyt een tocht van geyle minne-brant?Sal ick, een Christen mensch, tot heydens my begeven,En leyden nevens haer een rou en beestigh leven?Sal ick een macker zijn van desen vuylen hoop,Een smaet van onsen God, en van den reynen doop?625Sal ick mijn naeste bloet tot mijnen*haet verwecken,En door het gansche rijck mijn voorstel*doen begecken?Sal ick de schande doen aen mijn vermaerde stam,Dat ick een heydens wijf in mijn geselschap*nam?Dat ick, als tot een spijt*van alle Christen-vrouwen,630Met soo een vuyl gebroet genegen ben te trouwen?Neen neen, ô hoogh gemoet, en doetet nimmermeer,Let op uws vaders huys en op u eygen eer.Ghy houft voor u geen wijf by dit gespuys te soecken,En maken dat het volck u trouwen sal vervloecken.635Hier in dees rijcke stadt en in dit machtigh hof,Daer is tot u gerief al vry bequamer stof.Indien ghy zijt gepast*met wel-gemaeckte leden,Koomt, als het u bevalt, maer uyt u huys getreden,Daer woont de schoonheyt selfs, en dat in groot getal,640Daer u naeu-keurigh*hert vernougen vinden sal.Indien ghy zijt vermaeckt*met wel en net te spreken,En dat oock evenselfs en sal u niet ontbreken.Indien ghy gelt begeert, of anders machtigh goet,Ghy vindt het even daer, en dan oock edel bloet;645Ghy vintet altemael, en watter is te wenschen,Treckt maer u grilligh*oogh van dees ongure menschen,Gaet kiest dat u betaemt, en trout met uws gelijck;Ghy vint tot u gerief het gansche koninghrijck.Maer wat magh ick, och arm! mijn jonge sinnen quellen,650En mijn ellendigh hert in dese prangen*stellen?Ick sie het klaer genough wat dienstigh is gedaen,Maer wie kan in de jeught syn tochten wederstaen?Ick prijse reyne tucht en alle goede zeden,Maer ick en kan de lust niet buygen na de reden:655Al ben ick met de jeught gedurigh in geschil,Ick worde wech-geruckt oock daer ick niet en wil.*Ick word’, eylaes! vervoert*, en schoon ick wil het weren,Ick rake buyten spoor oock tegen mijn begeren.Het vleesch is wonder sterck, en ’t is een deftigh*man,660Die hier het velt behout en meester blijven kan.Ick gae dan wederom, ô schoone Pretiose,Mijn hert vermagh het niet dat ick een ander kose;Ick ben in dat gepeys te verre wech geleyt,Ick hael het weder in*al wat ick heb geseyt.665Soo haest u geestigh oogh, u soet en aardigh wesenKoomt als een helle son in mijnen geest geresen,En dat ick sie den glans van u beleeft*gelaet,Dan isset sonder kracht al wat u tegen gaet.Geen mensch kan immermeer in desen my beschamen,670Als of soo slechten maeght my niet en sou betamen,En dat mijn grilligh hert hier sonder reden malt,Vermits mijn rouwe*jeught hier in te lage valt.*Ey draeyt doch eens het oogh, en siet na d’oude jaren,*Het stuck dat sal gewis sigh anders openbaren;675Wat isser doen ter tijt, wat isser al bedocht,Om by een geestigh dier te vinden dat men socht?Iupijn, wel eer geseyt de grootste van de goden,Is uyt syn hoogen troon tot in het wout gevloden,En heeft daer aen-gedaen het wesen van een stier,680Of van een wilde swaen, of ander selsaem dier.Heeft niet Alcmenaes soon,*die monsters had verwonnen,Den spin-rock aen-geveert, en als een wijf gesponnen,En vry al meer gedaen dat noyt een deftigh man,Bezijden dit geval, ter eeren duyden*kan?685Hoe menigh edel vorst, een kroon gewoon te dragen,Is inder haest verruckt*door heete minne-vlagen,Niet door een hoofsche maeght, of groote koningin,Maer, ick en weet niet hoe, een sloir*een harderin?Daer is, men weet niet wat, in onsen geest verholen,690En doet al menighmael de wijste lieden dolen,Het brenght hen in den geest een aengename pijn,En seyt: Dat Gode vought*wien kan het schande zijn?Soo haest het groote licht de sterren heeft verdreven,Soo gaet de jongelingh sigh op den wegh begeven,695Hy vint het oude wijf, hy vint de jonge meytTer plaetse daerse bleef en daer het was geseyt.Hy viel, terwijl hy gaet, in veelderley gedachten,Die hem syns vaders huys vry hooger deden achten,Die hem van nieuwen aen gaen brengen in den sin,700Syn vremde dweepery en noyt bekende*min.Dies valt hy in beraet, of hy sal weder keeren,Dan of hy syn gemoet sal laten overheeren;En, siet, de reden wan, de vremde liefde weeck,En, soo het schijnen mocht, syn eerste lust besweeck.705Maer juyst in dit gepeys doen sagh hy Pretiose,En*scheen in haer gelaet gelijck de versche rose,Oock*schoonder alsse plagh. Dies als hy nader quam,Soo wert van desen roock terstont een helle vlam.*Iuyst soo gelijck een keers te voren eens ontsteken,710Waer van dien eygen stont het leven is geweken,Indiense maer een reys genaeckt een hellen brant,Is op den staenden voet in haren eersten stant:Soo vaert de jongelingh. Hy koomt tot haer getreden,Hy seyt haer: Weerde maeght, ick schenck u dese leden,715Ick ben bereyt te doen wat ghy bevelen sult,En watter komen magh te dragen met gedult.Ick ben van nu bereyt u wijsen*aen te vangen,Laet my terstont een kleet van u geselschap langen*;Ick sal om uwen t’wil°met blijdschap onderstaen720Dat nimmer edelman of ridder heeft gedaen.Dit seyt hy, en terstont began hy uyt te treckenAl wat syn edel lijf voor desen plagh te decken;Soo dat hy eer*een uyr daer op den velde stateIn als*soo toe-gerust gelijck een heyden gaet.725Stracx koomt het gansche rot den man bewellekomen,En hy wort onder hen als broeder aen-genomen;Daer wort syn hooft gewiet*te midden in de schaer,Maer al met naer*geheym en wonder vremt gebaer.De naem die hem wel eer was in den doop gegeven,730Om als een Christen-mensch voortaen te mogen leven,Wort by*hem voor het volck ten vollen af-geleyt,Soo dat hy nu voortaen Andreas wort geseyt.*Een met een grijsen kop die quam tot hem getreden,En biet hem veel gelucx, en seyt hem dese reden:735Ghy, die als nieuwelingh in ons geselschap treet,’T is nut dat ghy den gront*van onse rechten weet.Ick dan, een opper-hooft van onse med’gesellen,Wil voor u klouck verstant ons wetten open stellen.Voor eerst en heeft ons volck geendingh voor hun alleen,740Wat yder wint of vint dat is voor ons gemeen.De vrouwen neem ick uyt*; die mogen na de wettenHaer bedde nimmermeer in eenigh deel besmetten.Want als haer eenigh wijf hier in te buyten gaet,Dat wort van stonden aen gelevert aan den Raet,745En die laet overluyt terstont het vonnis lesen,Dat sy onweerdigh is op aerden meer te wesen.Dies houft men beul, noch galgh, noch sweert, noch engen strop,De jonghste van den hoop die breeckt*haer flucx den kop.Men tijght ons dieften op*, en wonder slimme*streken,750Maer ’t is niet wel geseyt, men moeste sachter spreken;Wy stellen overal gemeenschap in het goet,En nemen ons behouf van rijcken overvloet.*Wy zijn gelijck een spoor*van haveloose*menschen,En krijgen even soo*al wat wy konnen wenschen.755Want die op syn bedrijf*niet vlijtigh toe en siet,Wanneer hy weder koomt, soo vint hy dickmael niet.Ons tuygh wort noyt gerooft. ’t is qualick yet te stelen,Wanneer den huys-weert selfs die rolle weet te spelen;Al knaeght de grage*slangh al vry een lange wijl760Voor haer en is geen aes te krijgen van de vijl.Wy leeren alle daegh de gront om wel te leven,En wat men aen den buyck of rugh behoort te geven,*Wy hebben inder daet nu menighmael beprouft,*Hoe weynigh dat het lijf tot noodigh voedsel houft.765Het is een groot gemack, bekent aen weynigh menschen,Niet*in dit aerdsche dal te vreesen of te wenschen:Wy vinden dat men eerst dan onbekommert leeft,Wanneer men niet en soeckt, oock als men niet en heeft.Dies zijn wy niet besorght*om goet by een te rapen,770Maer konnen onverlet en sonder vreese slapen.Wy spitten nimmermeer, wy kennen geenen plough,En des al niet-te-min wy vinden broots genough.Wy preesen noyt een mensch die na den rijckdom snelde,Wy leven van den dau, als bloemen op den velde.775Ons ziel is niet beducht om geit of machtigh goet,Wy rapen onsen kost gelijck een vogel doet.Wy plucken sonder gelt de vruchten van de boomen,Wy trecken sonder kost*de vissen uyt de stroomen,Wy krijgen wilts genough en vogels uyt het wout,780De keyen geven vier, en al de bossen hout.Ons huysraet meestendeel bestaet in snelle bogen.Wy koken daer het valt*, wy slapen daer wy mogen*;En schoon het niet en gaet gelijck het yder lust,Wy des al niet-te-min wy stellen ons gerust.785Wy konnen noorden wint, en alle sure*vlagen,Wy konnen harden vorst, oock sonder hinder dragen;Soo dat ons gansche lijf geen koud’ of hit en kent.Soo veel vermagh de tijt en daer men toe gewent.Schoon dat het gansche rijck wou krijgh en oorloogh°voeren,790’T en sal ons even-wel de sinnen niet beroeren.Want schoon of dese wint, en die verliest den slagh,Het gaet ons even-wel gelijck het eertijts plagh.Wy staen noyt vrouger op om eenigh heer te groeten,*Of dat*wy door de stadt een prins geleyden moeten,795Wy streelen*niet een mensch, oock niet den grootsten vorst,Dat is maer voor het volck dat na den eer-sucht dorst.Ons geest is nimmermeer gequelt met hooge saken,Om ons door al het lant een grooten naem te maken,Of ons de werelt prijst, of ons de werelt laeckt,800Wy zyn als buyten schoots en werden niet geraeckt.Al is de gansche kust van roovers in-genomen,Noch zijn wy niet beschroomt om daer ontrent te komen;Wy singen menighmael oock in het dichste wout,Daer sigh een vinnigh*heir van felle moorders hout.805Wy zijn niet eens beducht, schoon al de winden blasen,Wy leven onbeschroomt hoe seer de baren rasen:Wy vreesen geenen brant of hoogen water-vloet.Die niet verliesen kan wat schaet hem tegenspoet?Schoon dat het gansche rijck moet tol*of schattingh geven,810Wy lyden even-wel een onbekommert*leven,Geen hooft-gelt op het volck, geen lasten op het lantEn worden oyt geverght aen onsen vrijen stant.Wat dienter meer geseyt? wy zijn geduchte*lieden,Die geen verheven vorst, geen prins en kan gebieden.815Al waer de gulde son de werelt open*doetDaer gaen wy sonder schroom, als op ons eygen goet.Wy leven over-al als prinçen van den lande;Niet hebben even-wel en is hier niemant schande.Wy trecken t’ onsen dienst geheel het aertsche dal,820Wy hebben niet een sier, en wy besitten ’t al.Ick heb u, edel helt, ons wijse nu beschreven,Ghy let of ghy begeert met ons daer in te leven,Dan of ons strengh gebruyck is tegen uwen aert;Want siet het staetje vry te blijven dat je waert.825De grijse kop die sweegh. Andreas gaet beginnen,Spits-broeders, seyt de man, met al de gansche sinnenWord’ ick u bont-genoot, en tot een vaste peyl*,Hier is een volle beurs die ick u mede deyl.Siet, als ick uytte stadt tot u ben af-gekomen,830Soo heb ick desen bucht*in voorraet met-genomen:Ontfanght dit kleyn geschenck, en weester vrolick van,En hout my voor u vrient en voor een rustigh*man.Een dingh wil ick alleen hier in bedencken*brengen,En bidden, wat ick magh*, dat ghy het wilt gehengen*;835Ick treed’ in dit verbont, alleen om dese maeght,Laet die voor my alleen indien het u behaeght.Ick sal tot aller tijt, waer dat wy henen trecken,Haer voor een trouwen vrient, en voor een hoeder strecken,Ick sal haer leyder zijn en hier en over-al,840Soo dat haer teere jeught geen hinder lijden sal.Een van den swarten hoop begon hier op te wrocken*,En seyde: Lieve vrient, soo ghy begeert te jockenIn eere sonder hoin,*°het wert u toe-gestaen;Maer, wat ick bidden magh, en wilt niet hooger gaen.845Weest heus in u gebaer*, en wilter in volherden;Of anders, houtet vast, het sal u beurte werden;Wy lijden onder ons by wijlen soet gelach,Maer ontucht nimmermeer, en geensins vuyl bejach.Dies soo de jonge maeght van u wert uyt-gestreken*,850Wy sullen u gewis den kop aen stucken breken;Maer sooje trouwe*meent, en niet als eerbaer zijt,De maeght sal uwe*zijn, en dat te rechter tijt.Dit nam Andreas aen ten vollen na te komen,En heeft op dit bespreek*de vrijster aen-genomen*;855Een yder riep geluck en maeckte groot gebaer*,En wederom geluck, geluck, geluckigh paer.Maer hy versoeckt terstont, dat haer de gansche bendeVertreckt*uyt dat gewest en elders henen wende,Wt°vreese soo hy bleef of woonde daer ontrent,860Dat hy van eenigh mensch eens mochte zijn bekent*.Daer gaet hy metten hoop in vreemde landen dwalen,En hy en mist niet eens syns vaders hooge zalen,Hy acht geen ongemack, geen schande, geen verdriet,Wanneer hy maer een reys syn Pretiose siet.865Hy voelt syn ingewant, hy voelt syn herte springen,Al sy maer uyt de borst een deuntjen plagh te singen,Het bitter even-selfs dat is hem suycker soet.Ey siet eens wat de jeught, en wat de liefde doet!Don Ian noch even-wel, oock in dit woeste leven,870En wil hem tot bedrogh of diefte niet begeven;Maer wat dit selsaem volck of hier of elders haelt,Dat wort al menighmael by hem alleen betaelt.Hy wil geen vuylen jock in haren praet gehengen,Maer pooghtse met beleyt op beter wegh te brengen;875Soo dat hy metter tijt haer rouwe sinnen wint,En sigh by al den hoop in grooten aensien vint.Maer t’wijl dit selsaem volck op hare wijse leefde,En sonder vaste plaets in alle landen sweefde,Een maeght van Murçia die sagh den edelman,880En hoe hy al de jeught in schoonheyt overwan.En hoe syn heus gelaet en syn beleefde zeden,Syn oogh, syn hoofsche tael, syn wel-gemaeckte ledenZijn anders in gestel*als oyt een heyden plagh,Of alsse daer ontrent een heer of ridder sagh.885Haer geest die wort beroert, haer sinnen om-getogen*,De loop van haer gepeys is buyten haer vermogen,Sy voelt ’k en weet niet wat ontrent haer grilligh hert,Sy voelt hoe dit gewoel*allencxen grooter wert.Wat sal de juffer doen? Sy weet niet wat te maken,890Sy voelt een selsaem vier door al de leden blaken;Dies als sy op een tijt den ridder eensaem vont,Soo opent sy aldus tot hem een heuschen mont:Bevallick jongelingh, wat magh u doch bewegen,Dat ghy tot desen hoop soo bijster zijt genegen?895Dat ghy by dit gespuys u soete jeught verslijt,Ey geeft eens beter vreught aen uwen jongen tijt.Gebruykt u geestigh lijf en dese schoone leden,Daer ghy, tot uwer eer, die nutter sult besteden,En soo ghy zijt geneyght te gaen met goet beleyt,*900Ick weet een beter staet voor u alleen bereyt.Hier zijn veel edel-lien die my tot trouwen vergen*,Want ick heb over-al veel wijngaerts aen de bergen,En bossen in het wout, en boomgaerts in het dal,En ossen op het velt, en peerden in den stal,905En schapen op het schor*, en geyten aender heyden,En hinden in het perck, en koeyen in de weyden,En knechten tot de jacht, en honden in het kot,En voor mijn eygen huys een schoon en lustigh slot.In ’t korte machtigh goet. magh ick u maer genieten*,910Ick sal in uwen schoot geheele schatten gieten,Dit wout, dit vruchtbaer lant, soo ver u oogen sien,Dat sal u eygen zijn, en ick noch boven dien.Ick die een dochter ben van edel bloet geboren,Heb u, door enckel gunst, voor alle mans verkoren.915Siet, dat de beste jeught voor desen heeft gesocht,Wort u alleen gejont, en in den schoot gebrocht.Ontfanght mijn rechter-hant, ontfanght mijn frissche*leden,Die ick in u vermaeck na desen wil besteden,Ontfanght mijn herte selfs, en stelt my buyten pijn,920En spreeckt een eenigh woort, en ick sal uwe zijn.Andreas hoordet aen, maer kon het geensins prijsen,Dat uyt haer teeren mont soo vrije woorden rijsen.O vrijsters, watje doet, siet datjet niet en vraeght;Want als een vrijster vrijt dat is te veel gewaeght.925Me-juffrou, seyt de man, ick danck u duysent werven,Mijn liefd’ is eens geset, en daer in wil ick sterven;Weet oock dat onder ons geen mensch en wert gepaert,Als met ons eygen volck of een van onsen aert.V°gunste, niet-te-min, die ghy my komt betoonen,930Die wensch ick dat u God ten vollen wil beloonen;Doch, wat my raken*magh, set elders uwen sin,Mijn hert is u ontseyt, daer woont een ander in.Gohanna met den slagh van soo een drouve reden,Gevoelt een koude schrick haer rillen door de leden,935Gevoelt een diep verdriet; sy gaet ter zijden af,Daer sy haer drouf gemoet in dese klachten gaf.*Wat ben ick voor een sloir*? wat heb ick gaen beginnen?Kan ick geen heyden selfs bewegen om te minnen?Och! God, wat hanght my uyt*, dat ick geen schamel man940Met al dat ick besit tot mywaerts trecken kan?Ben ick dan soo mismaeckt, soo leelick aan te schouwen,Dat my een slecht*gesel ontseyt een wettigh trouwen?Ben ick soo vuyle slons, of wel een oude queen*,Dat ick verstooten word’ en loop een blauwe scheen?945Neen seker; ’k heb terstont*mijn lijf en gansche wesen,Mijn oogh, en rooden mont, mijn geestigh*hair gepresen,Als ick ontrent den noen en midden op den dagh*Mijn leden overslough*, en in den spiegel sagh.Voorwaer een eerlick*man die sou hem des vernougen,950Indien ick maer en wou tot hem mijn leden vougen:*Ick ben wel kussens weert, en soo ick maer en wou,Ick waer oock heden selfs versegelt*in de trou.Daer zijnder vry genough die my des komen vragen,En die noch boven dat mijn vrienden*wel behagen:955Ick ben voor rijck, en schoon, en eerbaer*hier bekent,En heb soo veel versoucx*als yemant hier ontrent.Maer dat is niet genough. Men kan geen liefde setten,Ter plaetsen daer men wil; want die is buyten wetten,En gaet daer ’t haer bevalt. De sin die isset al;960En gansch de werelt dwaelt in dit ellendigh mal*.Ick ben soo dwaes geweest dat ick heb uyt-verkorenEen die my niet en acht. ach! waer ick noyt geboren.O! ’t is een hart gelagh, wanneer een jonge maeght,Haer wil niet hebben magh, schoon sy ’t haer minder vraeght.965Ach! dat’s een wrange spijt, ach mocht ick heden sterven!Want ick en sal geen troost mijn leven oyt verwerven.Hy is een selsaem hooft, hy is een rouwe gast,Die op geen schoone verw en op geen rijckdom past.*Maer waerom dus ontset om niet te willen leven?970En waerom doch den moet soo veerdigh op-gegeven?Het gaet noch als men vrijt gelijck het eertijts plagh,Daer wort noyt eycken boom gevelt met eenen slagh.Ick wil eens wederom ick wil de saeck beprouven,Hy sal niet andermael mijn teere ziel bedrouven;975Ick sal hem mijn çieraet, mijn schatten boven dien,Ick sal hem diamant en peerels laten sien.Ick sal gelijck een klis hem aen de leden hangen,En met een soet gevley hem streelen aen de wangen,Ick sal hem. Maer, eylaes! hoe meer een vrijster vleyt,980Hoe datse meer verveelt, en lichter wert ontseyt*.Syn hert is niet aen haer;*het wert, eylaes! beseten,Van eene die ick merck hy noyt en sal vergeten.’T is dan om niet gepooght, al woel ik bijster seer;Want voor mijn treurigh hert en is geen hope meer.985Het lieven is een dingh van wonder groot vermaken,’K en weet op aerden niet dat beter plagh te smaken;Maer liefde sonder hoop van oyt gelieft te zijn,Dat is een boose plaegh, en meer als helsche pijn.Dan ick ben niet gesint dit quaet in my te voeden,990Het geesselt mijn gemoet als met gestage roeden.Gewis dit moeter uyt; en om hier wel te gaen,Soo moeter in de plaets en haet, en wraeck-lust staen.Wel, haet, ontsteeckt mijn hert, en stelt u om te wreken,Dat zijn van overlangh dat zijn de rechte streken995Van een die qualick mint, of ongeluckigh vrijt,Ontseyde gunst ontbrant in gal en enckel spijt.En dat knaeght aldermeest de sinnen van de vrouwen,Die zijn hier als verwoet, en konnen wonder*brouwen.Een wijf is bijster ergh*; en waer men lagen smeet,1000Daer is geen nicker*selfs die slimmer gangen weet.Dit moet ick heden selfs dit moet ick gaen beprouven,Ick wil hem metter daet, ick sal hem gaen bedrouvenDie my de vreught ontseyt. Stae by nu, vrouwen-list,En stort in mijnen geest dat noyt verrader wist.1005Dat noyt een spoker*dacht, of boose geesten vonden,Mijn breyn is op den loop, mijn sinnen ongebonden,Mijn kop die suysebolt, daer is geen houwen aen,Daer moet oock*desen dagh wat selsaems omme-gaen.Ick, ick, moet wrake doen, en hy syn straffe dragen,1010Al sou het gansche rijck van desen handel wagen,Al soud’ ick heden selfs my brengen in den noot;Stil*leven kan ick niet, ick ware liever doot.Hoort wat de juffer doet. Sy laet haer jongen letten,Waer dat Don Ian syn mael*gewoon is in te setten,1015Een mael die niet en sluyt, en slechts van ossen leir;Want koffers vindt men noyt ontrent dit selsaem heir.Hier van wel onderricht, soo laetse moye dingen,Gout, peerels, hals-çieraet, daer in den huyse bringen,En binden in het kleet van onsen jongelingh,1020Terwijl hy in het dorp of op den velde gingh.Andreas wel bewust hoe dat de vrouwen woeden,Wanneer men haer ontseyt haer lusten aen te voeden,*Gebiet*dat al het volck terstont in rassen spoet,Oock op dien eygen dagh, van daer vertrecken moet.1025Dit nam de juffer waer, en als hy meynt te reysen,Begon sy met beleyt op haer bedrogh te peysen;Sy stroyt door al het dorp dat sy uyt hare kist,Gout, peerels, eenigh gelt, en veel juweelen mist.Stracx zijn op haer geklagh de boeren aen-gekomen,1030Die eyschen wederom al watter is genomen:De rackers*van de schout zijn mede daer ontrent,Die na den vreemden roep*de strenge rechters sent.Daer gaet men ’t heydens rot ten nausten ondersoecken,De vrouwen in haer keurs*, de mannen in de broecken.1035Maer, siet, de loose maeght die wees den ridder aen,En seyt het slim bejagh*by hem te zijn begaen.Als dit Andreas hoort soo komt hy toe-getreden,Hy lough de jufler toe, en seyd’ haer dese reden:Komt souckt, vriendinne, souckt al wat gy soucken meught;1040By my is anders niet als trou en ware deught.Indien ick van bedrogh hier schuldigh wort bevonden,Soo ben ick wel getroost om vast te zijn gebonden,En soo te zijn gestraft gelijck men guyten*doet,Die soecken haer bejagh op ander luyden goet.1045Ick sal nogh boven dat u seven-mael betalen,Wat ghy van u çieraet hier uyt sult konnen halen:Doorsoukt vry dese mael, en watje vorder siet,Een peert dat niet en let*en vreest den ros-kam niet.*Hier op soo gaet de schout, en syne rappe gasten*,1050De male van den vrient wel happigh*ondertasten*,En, siet, van stonden aen soo komt het aen den dagh,Al wat voor aerdigh tuygh daer in verholen lagh.Don Ian op dit gesicht is wonderlick verslagen,Noyt was hy soo verbaest*van al syn leven-dagen;1055Hy staet gelijck een steen met droufheyt overstort,Eylaes! de jongelingh en weet niet waer het schort.Stracx*riep de jufier uyt: Koomt vanght ons dese bouven,Die met haer vuyl bejagh het gansche lant bedrouven.Maer grijpt eerst desen gast, die eerst soo moedigh*sprack,1060Hy is de rechte gront van al het ongemack.Hier vanght den rechter aen den ridder seer te schelden,Hy noemt het heydens volck een plage van de velden,Een peste van de stadt, een schroom*van yder huys,Een schuym van bouve-jacht*en alle vuyl gespuys.1065Daer stont een krijghs-man by die sigh des gingh bemoeyen,Wech (seyt hij) met den bouf, hy dient te leeren roeyen.*En even met het woort soo geeft hy hem een slagh,Soo dapper*als hy kan, soo vinnigh als hy magh.Andreas suysebolt, syn hersens zijn bewogen,1070Syn geesten al gelijck door gramschap op-getogen,Hy denckt niet waer hy is, hy weet niet wat hy doet,Syn geest die speelt alleen ontrent syn edel bloet.*Hy stelt hem dan te weer, en gaet den krijghs-man tegen,Hy valt hem op het lijf, en vat syn eygen degen,1075Hy treft hem in het hert met soo een diepen steeck,Dat hem de leven-kracht van stonden aen besweeck.Daer schreeut men overhoop*. Andreas wort gebonden,En al het heydens rot na Murçia gesonden;Daer is het hals-gerecht van dat geheele lant,1080Soo dat men daer ontrent geen hooger rechter vant.Terwijlen dit gebeurt, Constançe, gansch verslagen,Is van den bleycken angst als buyten haer gedragen,Daer is een killigh sweet dat uyt haer aders schiet,Vermits sy haren vrient aldus gebonden siet.1085Maer desen onverlet*soo wortse mé genomen,En is met al het rot tot in de stadt gekomen;Daer krielt men overhoop al waer de vrijster quam.Vermits een yder lust in haer gesichte nam.De fame van de maeght aen alle kant gevlogen,1090Heeft oock de lant-vooghdin tot in het hert bewogen,Sy maeckt haer veerdigh op, sy gaet tot haren man,Daer seytse voor de maeght al watse seggen kan;Al met soo grooten ernst*dat haer wort toe-gelaten,Het jongh, het geestigh dier te nemen van der straten,1095Te brengen op het slot. Maiombe wasser by,En was om dit geval van ganscher herten bly.Sy meynt, soo maer de vrou hoort Pretiose spreken.Dat haer noch goet onthael noch gunste sal ombreken°.En soo als sy het gist soo wasset dattet viel,1100Me-vrou ontfingh de maeght als met een open ziel.Sy blijft gelijck verdwelmt*in hare soete wangen,Sy blijft aen haer gelaet met al de sinnen hangen,Sy neemtse byder hant, sy leytse door de zael,Sy valt haer om den hals en kustse menighmael.1105Sy spreeckt Maiombe toe, sy vraeght verscheyde saken,Maer verre boven al die Pretiose raken,Sy vraeght hoe out sy was. Het wijf dat antwoort haer,Dat nu haer nichte quam ontrent de vijftien jaer.Hier op is in de vrou een drouve luym*geresen;1110Dus oudt soud’ even nu mijn weerde dochter wesen,Indien de goede God dien uytgelesen schat(Dit sprack vrou Giomaer) aen ons gelaten had.Maer, laes! nu is het kint in syne jonge dagenMet listen wech-geruckt, en uytet lant gedragen.1115Constançe waerje zijt, of immer komen meught,God zy door synen geest ontrent u teere jeught.De maeght gingh onderdies me-vrou de handen kussen,En bid haer evenstaegh haer druck te willen blussen*;En t’wijl vrou Giomaer vast sit op haer en sagh*1120Ontsluyt*het aerdigh dier aldus syn drouf geklagh.Indien ghy, weerde vrou, hebt eenigh welbehagenIn mijne teere jeught, soo hoort mijn angstigh klagen,En mijn bedroufde stem. De goede jongelingh,Dien in het naeste dorp de lant-drost*heden vingh,1125Dat is mijn weerde vrient, in trou aen my gebonden,Daer wort geen beter mensch in al het lant gevonden;Al*is de krijghsman doot het is syn eygen schult,Hy bracht den vromen*helt tot enckel onverdult*°.Hy slough hem met een vuyst dat hem de tanden bloeden,1130Soo dat syn edel hert hierom begon te woeden.Hy is geen rouwe gast die oyt syn leven stal,*Gelijck men metter tijt wel ondervinden sal.Hy is een edelman. laet alles overwegen,En ondersoeckt het stuck gelijck het is gelegen,1135Ghy sult met oogen sien, en tasten metter hant,Dat niemant oyt bedrogh in al syn handel vant.Soo dese jongelingh gedwongen is te sterven,Soo moet ick van gelijck mijn jonge leven derven,Mijn hert is al te weeck, mijn wesen al te teer,1140Als hy syn leven laet, wil ick geen leven meer.Ick bid u, weerde vrou, met al de gansche leden,Om u verheven stam, om u beleefde zeden,Indien oyt soete min, indien oyt reyne vlamIn uwen geest ontstack, in uwen boesem quam;1145Soo slaet een gunstigh oogh op twee soo jonge menschen,Die geensins hoogen staet of machtigh gelt en wenschen,Maer poogen een te zijn in vreught en ongeval,Tot dat de bleecke doot haer eenmael scheyden sal.Met dat de jonge maeght haer reden heeft gesproken,1150Zijn haer met groot verdriet veel tranen uyt-gebroken,Soo dat het siltigh nat een stroom, een gansche beeck,En aen vrou Giomaer een stage vloet geleeck.Sy dan, mits*dit geklagh, gevoelt haer gansch bewogen,Gevoelt haer innigh hert als uyt het lijf getogen;1155Daer is, ’k en weet niet wat, dat haer de sinnen roert,En dat haer angstigh hert geweldigh omme-voert.Men siet in dit gepeys men siet haer oogen vlieten,Soo dat haer in den schoot de druppels henen schieten.De lant-vooght onderdies koomt treden in de zael,1160Verwondert dat hy sagh den druck van syn gemael.En hier op koomt de maeght hem vallen aen de voeten,En gaet hem insgelijcx met drouve woorden groeten;Sy weent, en bid, en smeeckt, met soo een heuschen mont,Dat hem de goede man al med’ ontsteken vont.1165Hy kan, met alle kracht, syn tranen niet bedwingen,Die hem, als tegen danck*, op mont en wangen springen;Hy staet geheel verbaest, hy staet een wijle stil,Onseker wat hy doen, of wat hy laten wil.Maiomb’ hout onderdies haer sinnen op-getogen*,1170En wough haer drouven stant met al haer gansch vermogen.*Sy rijst ten lesten op, en seyt: Eerweerde*vrou,My dunckt ick weet behulp voor desen swaren rou.Wilt ghy een kleynen tijt hier uyte zael vertrecken.Ick sal u metter daet een wonder stuck ontdecken,1175Hoort my een woort alleen, hoort wat ick seggen sal,Ghy sult een eynde sien van dit bedrouft geval.Maiombe sonder meer begaf haer uyter zalen,En gingh van stonden aen een aerdigh*doosjen halen;En alsse weder quam daer Giomara stont,1180Soo knieltse veerdigh neer, en opent haren mont.Vergeeft my, seyt het wijf, dat ick eens heb bedreven,En dat ick nu ter tijt u wil te kennen geven,Of soo ick na de wet ben weerdigh harde straf,Soo geeft my aen den beul, en sent my naer het graf.1185Ick sal (hoe dattet gaet) de rechte waerheyt spreken,Ghy mooght aen desen romp*u leet en droufheyt wreken;Ick sal tot aller stont verdragen met gedultWat ghy my voor verdriet hierom doen lijden sult.Het is nu derthien jaer, of luttel min geleden,1190Dat ick mijn reyse nam door al de Spaensche steden,En door het platte lant, ick sochte mijn bejagh,Tot dat ick in Madril een aerdigh meysjen sagh,Een kint nau twee jaer out behangen met juweelen,Daer ick, na mijn verstant, behoorde van te deelen,*1195De voester, soo ick sagh, die stont daer op de straet,Met seker kamer-maeght verwerret*in de praet.Ick greep het jonge schaep, en sonder lange dralenSoo reysd’ ick inder haest in onbekende palen:En als ick was ter plaets daer ick my seker vont,1200Doen leyd’ ick in beraet, wat my te plegen stont.Ick had eens*vast gestelt (ick wil de waerheyt seggen)Het kint, van als ontbloot, tot vondelingh te leggen,Om al syn rijck çieraet, en wattet vorder had,Te houden voor een roof, en als mijn eygen schat.1205Maer als ick recht doorsagh syn geest en frissche leden,Doen vond’ ick mijn gepeys te strijden met de reden;En daer op nam ick voor het meysjen op te voen,Op hope dattet ons eens voordeel mochte doen.Ick hebbet dan besorght*, ick hebbet laten leeren,1210Al wat te rechter tijt haer jonckheyt mocht vereeren*,Soo dat het geestigh dier veel schoone dingen kan,En is (mijns oordeels) weert den besten edelman.Maer wat is quaet te doen! wat heb ick drouve slagenOm dit ondeugend’*werck in mijne ziel gedragen*!1215Hoe was ick evenstaegh gepijnight in den geest!Wat heb ick niet gesorght*! wat heb ick niet gevreest!Wat heb ick menighmael mijn herte voelen beven,En drillen*als een riet van harden wint gedreven!Ick schroomd’ (oock in den slaep) van haest te zijn beklapt*,1220Of door een snegen schout alree te zijn betrapt.Wel, ick ben des geleert*, en hebbe voor-genomen,Noyt*in soo bangen praem*mijn ziel te laten komen;Ick wil aen al ons volck en wie my raken*magh,Ontraden dit bedrijf en alle vuyl bejagh.1225Wel doen is rechte vreught; maer alle slimme*gangenZijn doodelick vergif die ons de ziele prangen.Hier is dan nu de tijt dat ick mijn schult beken,Vermits ick op den wegh van beter leven ben.Mijn heer, siet dit juweel, en dese goude keten,1230Ghy sult van stonden aen den ganschen handel weten:Of wijst dit niet genough den gront van dit geval,Soo leest eens desen brief dien ick u geven sal.Soo haest als sy het schrift den lant-vooght had gegeven,Hy siet van stonden aen al datter is geschreven;1235Hy lasset overluyt en met een open mont,En dit was inder daet dat hyder in bevont.

461Terwijl hem*dit gebeurt met wonder groot vernougen,Soo koomt de nachtegael sigh by de vrijster vougen,En queelt daer uyte borst met soo een bly geschal,Dat haer*vermenghde stem verheught het gansche dal.465De ridder onderdies gevoelt syn geest beroeren,Terwijl hy op de maeght alleen heeft sitten loeren*.Wel of dit heydens*kint (seyt hy met vollen mont)Eens op syn hoofs gekleet voor ons ten toone stont,Waer*sou haer schoonheyt gaen? van soo een aerdigh wesen*470En is (gelijck ick meyn) in geenen tijt gelesen.Hier op soo treet hy toe, en geeft*hem by de maeght,Die hy na syn gevolgh en na de jagers vraeght.Sy, met een heus gelaet, seyt geensins yet te wetenWaer syn geselschap is; maer daer te zijn geseten475Ten eynde sy een krans van groene kruyden vlocht,Die haer dan op het feest tot çiersel dienen mocht.Maiombe die alreeds den ridder had vernomen,Begon van stonden aen voor hare nicht te schromen,En maeckt*haer daer ontrent, op datse mocht verstaen480Wat haer de ridder seyt, en hoe de saken gaen.Constançe was begaeft met soo een aerdigh wesenDat niemant haer gelaet genough en heeft gepresen,Daer vloeyt uyt haren mont soo aengenamen lagh,Dat sy de gunste won van die haer maer en sagh.485Haer zeden zijn beleeft, haer reden wel gebonden*,Haer spraeck is enckel geest en niet als soete vonden;*In ’t korte, watse doet en watse neemt ter hant,Dat toont een goeden aert en ongemeen verstant.De ridder onderdies ontstelt*door heete voncken,490Heeft op dien eygen stont het soet vergif gedroncken;En daerom als hy wist wie dat Maiombe was,Soo is hy nevens haer gesegen*in het gras:Soo is hy met het wijf in veelderhande reden,En met Constançe selfs in langh gespreck getreden;495Ten lesten berst hy uyt: V schoonheyt, geestigh dier,Verweckt in mijn gemoet een wonder selsaem vier.Ick wou, indien ick mocht, u trouwe dienaer wesen,En soo u dat beviel, soo waer ick haest*genesen,Soo waer ick metter daet een gansch geluckigh mensch,500En had door uwe gunst mijn vollen herten-wensch.Het woort is nau geseyt, de soete PretioseDie kreegh hier op een blos gelijck een versche rose,Haer gramschap en met een haer schaemte zijn vermenght,Als haer beroert gemoet hem dus syn antwoort brenght:505Heer ridder (naer ick hoor) ghy zijt vol hoofsche*treken,En hebt (naer ick vermoe) meer vrijsters uyt-gestreken*;Ick weet (als ghy een maeght om hare schoonheyt vleyt)Ick wetet, lieve vrient, al wattet is°geseyt.Ick weet dat eens de vos bedroogh den slechten*raven,510Als hy na spijse socht om hem te mogen laven*;De raef had lecker aes en drough het in den beck,Dit sagh de loose vos, en speeld’ hem desen treck:Hy seyt hem, Aerdigh dier dat geestigh weet te singen,En zijt van outs geleert*in alle soete dingen,515Ey schenckt ons nu een reys een deuntjen na de kunst,Dat sal ons heden zijn een teycken uwer gunst.De raef, eylaes verlockt met dese troutel-reden*,Die vought sigh om te doen gelijck hy was gebeden;En mits*dat hy den beek tot singen open stelt,520Soo viel het lecker aes te midden op het velt.Dat greep de slimme vos, en sonder langh te beydenBegaf hy metten roof sigh midden opder heyden,Daer at en lough het dier, en al met vollen mont,Terwijl de malle*raef bedrouft en eensaem*stont.525Ick ken (al ben ick jongh) den aert van ’t listigh prijsen,En weet wat ongemack hier uyt sou mogen rijsen,Ick weet het watje soeckt, als ghy my gunste biet;Maer schoon ghy zijt de vos, ick ben de rave niet.Ick ben een heydens kint veracht van alle menschen,530Hoe kan u hoogh gemoet om mijn geselschap wenschen,Als slechts op desen gront, ten eynd’ u geyle lustTot oneer mijner jeught eens mochte zijn geblust?Maer neen, gelooftet vry, geen man sal my belesen,Dat ick in geyle lust hem sal ten dienste wesen.535Acht my voor die ghy wilt, en dat ick wesen magh,Ick ben een vyandin van alle vuyl bejagh.*Dat sal ick eeuwigh zijn. wel gaet dan elders jagen,Voor u en is geen kans mijn eere wech te dragen;Weet datter onder ’t volck dat ghy voor heydens groet*540Noch is een reyne ziel en onbevleckt gemoet.Ghy dan, nadien ghy zijt genegen om te jocken*,Gaet naer het dertel hof, en streelt de sijde rocken*,Soeckt daer bequame*stof voor u ongure*vreught,En laet my ’t edel pant van mijne reyne jeught.*545Als ’t wijf op desen toon de vrijster hoorde spreken,Heeft sy haer peck-swart hair een weynigh op-gestreken,Als bly van dit gespreck. Ey, seytse, lieve vrient,Hier is geen lichte koy die hoofsche linckers*dient.De joncker als verbaest*van soo gestrenge woorden,550Die hem als door het oir tot in het herte boorden,Sagh op het fier gelaet van soo een jeughdigh dier,En voelt te meer de kracht van syn inwendigh vier.En naer hy sonder spraeck een weynigh heeft geseten,Soo laet hij syn besluyt de strenge vrijster weten,555En dat op desen voet; hy treckt van syner hantEen ringh, een rijck juweel, een hellen diamant.En seyt haer: Schoone maeght, ick sweere by mijn leven,En by het ridderschap my van den prins gegeven,Ick sweere by het pant dat ghy voor oogen siet,560Dat u mijn trouwe ziel oprechte liefde biet.’K en wil u, schoone blom, niet als een by-sit houwen,Ick wil u na den aert*van onse wetten trouwen,En tot een vast gemerck*, siet daer één eeuwigh pant,Draeght dat tot mijnder eer aen uwe rechterhant.565Te midden in het woort soo biet hy PretioseEen schoonen diamant. Sy, na een lange poseHet stuck in haer gemoet te hebben overdacht,Heeft dus, met heus gelaet*, haer antwoort ingebracht:Wel joncker, na my dunckt, ghy schijnt het stuck te meenen,570Maer ghy sult uwen staet*in my te seer verkleenen;Ghy daerom letter op, eer dat ghy vorder gaet,Hier dient niet in*gegaen als met besetten*raet.Maer noch al boven dat, soo magh ick niet vergetenDat u in dit geval is dienstigh om te weten,575En dat ick noodigh acht voor al te zijn gedaen,Eer dat wy tot besluyt in desen handel*gaen*.Ghy moest twee jaren langh in ons geselschap leven,En u aen onse wet ten vollen over-geven:Ghy moest benevens*ons gaen dolen achter*lant,580By wijlen sonder gelt en sonder eenigh pant*:Ghy moest u machtigh goet en uwe groote staten,Ghy moest u prachtigh kleet geheelick achter laten,Ghy moest in volle daet, en niet in loosen schijn,Een spot, gelijck als wy, van al de werelt zijn;585En dit al, goede vrient, om wel te mogen*letten,Of nut en dienstigh is u sin op my te setten,En med’ aen d’ander zy, of my oock dienen souMet u dit vry gemoet*te binden aen de trou.Siet dit is ons gebruyck, ick spreke sonder veysen*,590Ghy, soo het u belieft, gaet op de sake peysen;Dit moet de preuve*°zijn van uwe liefde, vrient,Of anders stelt het vast, dat ghy my niet en dient*.Soo haest de ridder hoort het slot van dese reden,Hem rilt een koude schrick door al de gansche leden.595Dies seyt hy: Dit ontwerp dat ghy hebt voort-gebracht,Gaet verde*, soete maeght, en dient te zijn bedacht.Ick wil met rijp beraet het stuck gaen overleggen,En u in ronde tael mijn antwoort komen seggen,En dat te deser plaets, en in dit eygen dal,600Soo haest de gulde son hier weder schijnen sal.Daer mede breeckt hy af; vermits hy had vernomen,Dat boven van den bergh syn jagers neder komen;Die wenckt hy metter hant; soo dat het gansche rotMet hem koomt af-gedaelt tot aen syn vaders slot.605Hier treet de ridder in, en, schoon dat al de knechtenZijn besigh op een ry de schotels aen te rechten,Hy des al niet-te-min onthout hem van den dis,Vermits hy, soo het schijnt, geheel onlustigh is.Hy sluyt syn kamer toe, en gaet een wijle treden,610Hy spreekt tot syn gemoet, en al in losse*reden,En dus, en weder soo, al sonder vast besluyt,En berst noch op het lest in dese woorden uyt:Eylaes! wat gaet my aen*aldus te liggen mallen*,En op soo lagen plaets mijn oogh te laten vallen,615Mijn oogh, mijn dertel oogh, mijn ongetoomde lust,Die niet aen dese kant en dient te zijn geblust?Sal ick mijn edel huys, mijn staet, en eere laten,En met soo vuylen hoop gaen loopen achter straten*,Gaen loopen door het rijck, en menigh ander lant,620Alleen maer uyt een tocht van geyle minne-brant?Sal ick, een Christen mensch, tot heydens my begeven,En leyden nevens haer een rou en beestigh leven?Sal ick een macker zijn van desen vuylen hoop,Een smaet van onsen God, en van den reynen doop?625Sal ick mijn naeste bloet tot mijnen*haet verwecken,En door het gansche rijck mijn voorstel*doen begecken?Sal ick de schande doen aen mijn vermaerde stam,Dat ick een heydens wijf in mijn geselschap*nam?Dat ick, als tot een spijt*van alle Christen-vrouwen,630Met soo een vuyl gebroet genegen ben te trouwen?Neen neen, ô hoogh gemoet, en doetet nimmermeer,Let op uws vaders huys en op u eygen eer.Ghy houft voor u geen wijf by dit gespuys te soecken,En maken dat het volck u trouwen sal vervloecken.635Hier in dees rijcke stadt en in dit machtigh hof,Daer is tot u gerief al vry bequamer stof.Indien ghy zijt gepast*met wel-gemaeckte leden,Koomt, als het u bevalt, maer uyt u huys getreden,Daer woont de schoonheyt selfs, en dat in groot getal,640Daer u naeu-keurigh*hert vernougen vinden sal.Indien ghy zijt vermaeckt*met wel en net te spreken,En dat oock evenselfs en sal u niet ontbreken.Indien ghy gelt begeert, of anders machtigh goet,Ghy vindt het even daer, en dan oock edel bloet;645Ghy vintet altemael, en watter is te wenschen,Treckt maer u grilligh*oogh van dees ongure menschen,Gaet kiest dat u betaemt, en trout met uws gelijck;Ghy vint tot u gerief het gansche koninghrijck.Maer wat magh ick, och arm! mijn jonge sinnen quellen,650En mijn ellendigh hert in dese prangen*stellen?Ick sie het klaer genough wat dienstigh is gedaen,Maer wie kan in de jeught syn tochten wederstaen?Ick prijse reyne tucht en alle goede zeden,Maer ick en kan de lust niet buygen na de reden:655Al ben ick met de jeught gedurigh in geschil,Ick worde wech-geruckt oock daer ick niet en wil.*Ick word’, eylaes! vervoert*, en schoon ick wil het weren,Ick rake buyten spoor oock tegen mijn begeren.Het vleesch is wonder sterck, en ’t is een deftigh*man,660Die hier het velt behout en meester blijven kan.Ick gae dan wederom, ô schoone Pretiose,Mijn hert vermagh het niet dat ick een ander kose;Ick ben in dat gepeys te verre wech geleyt,Ick hael het weder in*al wat ick heb geseyt.665Soo haest u geestigh oogh, u soet en aardigh wesenKoomt als een helle son in mijnen geest geresen,En dat ick sie den glans van u beleeft*gelaet,Dan isset sonder kracht al wat u tegen gaet.Geen mensch kan immermeer in desen my beschamen,670Als of soo slechten maeght my niet en sou betamen,En dat mijn grilligh hert hier sonder reden malt,Vermits mijn rouwe*jeught hier in te lage valt.*Ey draeyt doch eens het oogh, en siet na d’oude jaren,*Het stuck dat sal gewis sigh anders openbaren;675Wat isser doen ter tijt, wat isser al bedocht,Om by een geestigh dier te vinden dat men socht?Iupijn, wel eer geseyt de grootste van de goden,Is uyt syn hoogen troon tot in het wout gevloden,En heeft daer aen-gedaen het wesen van een stier,680Of van een wilde swaen, of ander selsaem dier.Heeft niet Alcmenaes soon,*die monsters had verwonnen,Den spin-rock aen-geveert, en als een wijf gesponnen,En vry al meer gedaen dat noyt een deftigh man,Bezijden dit geval, ter eeren duyden*kan?685Hoe menigh edel vorst, een kroon gewoon te dragen,Is inder haest verruckt*door heete minne-vlagen,Niet door een hoofsche maeght, of groote koningin,Maer, ick en weet niet hoe, een sloir*een harderin?Daer is, men weet niet wat, in onsen geest verholen,690En doet al menighmael de wijste lieden dolen,Het brenght hen in den geest een aengename pijn,En seyt: Dat Gode vought*wien kan het schande zijn?Soo haest het groote licht de sterren heeft verdreven,Soo gaet de jongelingh sigh op den wegh begeven,695Hy vint het oude wijf, hy vint de jonge meytTer plaetse daerse bleef en daer het was geseyt.Hy viel, terwijl hy gaet, in veelderley gedachten,Die hem syns vaders huys vry hooger deden achten,Die hem van nieuwen aen gaen brengen in den sin,700Syn vremde dweepery en noyt bekende*min.Dies valt hy in beraet, of hy sal weder keeren,Dan of hy syn gemoet sal laten overheeren;En, siet, de reden wan, de vremde liefde weeck,En, soo het schijnen mocht, syn eerste lust besweeck.705Maer juyst in dit gepeys doen sagh hy Pretiose,En*scheen in haer gelaet gelijck de versche rose,Oock*schoonder alsse plagh. Dies als hy nader quam,Soo wert van desen roock terstont een helle vlam.*Iuyst soo gelijck een keers te voren eens ontsteken,710Waer van dien eygen stont het leven is geweken,Indiense maer een reys genaeckt een hellen brant,Is op den staenden voet in haren eersten stant:Soo vaert de jongelingh. Hy koomt tot haer getreden,Hy seyt haer: Weerde maeght, ick schenck u dese leden,715Ick ben bereyt te doen wat ghy bevelen sult,En watter komen magh te dragen met gedult.Ick ben van nu bereyt u wijsen*aen te vangen,Laet my terstont een kleet van u geselschap langen*;Ick sal om uwen t’wil°met blijdschap onderstaen720Dat nimmer edelman of ridder heeft gedaen.Dit seyt hy, en terstont began hy uyt te treckenAl wat syn edel lijf voor desen plagh te decken;Soo dat hy eer*een uyr daer op den velde stateIn als*soo toe-gerust gelijck een heyden gaet.725Stracx koomt het gansche rot den man bewellekomen,En hy wort onder hen als broeder aen-genomen;Daer wort syn hooft gewiet*te midden in de schaer,Maer al met naer*geheym en wonder vremt gebaer.De naem die hem wel eer was in den doop gegeven,730Om als een Christen-mensch voortaen te mogen leven,Wort by*hem voor het volck ten vollen af-geleyt,Soo dat hy nu voortaen Andreas wort geseyt.*Een met een grijsen kop die quam tot hem getreden,En biet hem veel gelucx, en seyt hem dese reden:735Ghy, die als nieuwelingh in ons geselschap treet,’T is nut dat ghy den gront*van onse rechten weet.Ick dan, een opper-hooft van onse med’gesellen,Wil voor u klouck verstant ons wetten open stellen.Voor eerst en heeft ons volck geendingh voor hun alleen,740Wat yder wint of vint dat is voor ons gemeen.De vrouwen neem ick uyt*; die mogen na de wettenHaer bedde nimmermeer in eenigh deel besmetten.Want als haer eenigh wijf hier in te buyten gaet,Dat wort van stonden aen gelevert aan den Raet,745En die laet overluyt terstont het vonnis lesen,Dat sy onweerdigh is op aerden meer te wesen.Dies houft men beul, noch galgh, noch sweert, noch engen strop,De jonghste van den hoop die breeckt*haer flucx den kop.Men tijght ons dieften op*, en wonder slimme*streken,750Maer ’t is niet wel geseyt, men moeste sachter spreken;Wy stellen overal gemeenschap in het goet,En nemen ons behouf van rijcken overvloet.*Wy zijn gelijck een spoor*van haveloose*menschen,En krijgen even soo*al wat wy konnen wenschen.755Want die op syn bedrijf*niet vlijtigh toe en siet,Wanneer hy weder koomt, soo vint hy dickmael niet.Ons tuygh wort noyt gerooft. ’t is qualick yet te stelen,Wanneer den huys-weert selfs die rolle weet te spelen;Al knaeght de grage*slangh al vry een lange wijl760Voor haer en is geen aes te krijgen van de vijl.Wy leeren alle daegh de gront om wel te leven,En wat men aen den buyck of rugh behoort te geven,*Wy hebben inder daet nu menighmael beprouft,*Hoe weynigh dat het lijf tot noodigh voedsel houft.765Het is een groot gemack, bekent aen weynigh menschen,Niet*in dit aerdsche dal te vreesen of te wenschen:Wy vinden dat men eerst dan onbekommert leeft,Wanneer men niet en soeckt, oock als men niet en heeft.Dies zijn wy niet besorght*om goet by een te rapen,770Maer konnen onverlet en sonder vreese slapen.Wy spitten nimmermeer, wy kennen geenen plough,En des al niet-te-min wy vinden broots genough.Wy preesen noyt een mensch die na den rijckdom snelde,Wy leven van den dau, als bloemen op den velde.775Ons ziel is niet beducht om geit of machtigh goet,Wy rapen onsen kost gelijck een vogel doet.Wy plucken sonder gelt de vruchten van de boomen,Wy trecken sonder kost*de vissen uyt de stroomen,Wy krijgen wilts genough en vogels uyt het wout,780De keyen geven vier, en al de bossen hout.Ons huysraet meestendeel bestaet in snelle bogen.Wy koken daer het valt*, wy slapen daer wy mogen*;En schoon het niet en gaet gelijck het yder lust,Wy des al niet-te-min wy stellen ons gerust.785Wy konnen noorden wint, en alle sure*vlagen,Wy konnen harden vorst, oock sonder hinder dragen;Soo dat ons gansche lijf geen koud’ of hit en kent.Soo veel vermagh de tijt en daer men toe gewent.Schoon dat het gansche rijck wou krijgh en oorloogh°voeren,790’T en sal ons even-wel de sinnen niet beroeren.Want schoon of dese wint, en die verliest den slagh,Het gaet ons even-wel gelijck het eertijts plagh.Wy staen noyt vrouger op om eenigh heer te groeten,*Of dat*wy door de stadt een prins geleyden moeten,795Wy streelen*niet een mensch, oock niet den grootsten vorst,Dat is maer voor het volck dat na den eer-sucht dorst.Ons geest is nimmermeer gequelt met hooge saken,Om ons door al het lant een grooten naem te maken,Of ons de werelt prijst, of ons de werelt laeckt,800Wy zyn als buyten schoots en werden niet geraeckt.Al is de gansche kust van roovers in-genomen,Noch zijn wy niet beschroomt om daer ontrent te komen;Wy singen menighmael oock in het dichste wout,Daer sigh een vinnigh*heir van felle moorders hout.805Wy zijn niet eens beducht, schoon al de winden blasen,Wy leven onbeschroomt hoe seer de baren rasen:Wy vreesen geenen brant of hoogen water-vloet.Die niet verliesen kan wat schaet hem tegenspoet?Schoon dat het gansche rijck moet tol*of schattingh geven,810Wy lyden even-wel een onbekommert*leven,Geen hooft-gelt op het volck, geen lasten op het lantEn worden oyt geverght aen onsen vrijen stant.Wat dienter meer geseyt? wy zijn geduchte*lieden,Die geen verheven vorst, geen prins en kan gebieden.815Al waer de gulde son de werelt open*doetDaer gaen wy sonder schroom, als op ons eygen goet.Wy leven over-al als prinçen van den lande;Niet hebben even-wel en is hier niemant schande.Wy trecken t’ onsen dienst geheel het aertsche dal,820Wy hebben niet een sier, en wy besitten ’t al.Ick heb u, edel helt, ons wijse nu beschreven,Ghy let of ghy begeert met ons daer in te leven,Dan of ons strengh gebruyck is tegen uwen aert;Want siet het staetje vry te blijven dat je waert.825De grijse kop die sweegh. Andreas gaet beginnen,Spits-broeders, seyt de man, met al de gansche sinnenWord’ ick u bont-genoot, en tot een vaste peyl*,Hier is een volle beurs die ick u mede deyl.Siet, als ick uytte stadt tot u ben af-gekomen,830Soo heb ick desen bucht*in voorraet met-genomen:Ontfanght dit kleyn geschenck, en weester vrolick van,En hout my voor u vrient en voor een rustigh*man.Een dingh wil ick alleen hier in bedencken*brengen,En bidden, wat ick magh*, dat ghy het wilt gehengen*;835Ick treed’ in dit verbont, alleen om dese maeght,Laet die voor my alleen indien het u behaeght.Ick sal tot aller tijt, waer dat wy henen trecken,Haer voor een trouwen vrient, en voor een hoeder strecken,Ick sal haer leyder zijn en hier en over-al,840Soo dat haer teere jeught geen hinder lijden sal.Een van den swarten hoop begon hier op te wrocken*,En seyde: Lieve vrient, soo ghy begeert te jockenIn eere sonder hoin,*°het wert u toe-gestaen;Maer, wat ick bidden magh, en wilt niet hooger gaen.845Weest heus in u gebaer*, en wilter in volherden;Of anders, houtet vast, het sal u beurte werden;Wy lijden onder ons by wijlen soet gelach,Maer ontucht nimmermeer, en geensins vuyl bejach.Dies soo de jonge maeght van u wert uyt-gestreken*,850Wy sullen u gewis den kop aen stucken breken;Maer sooje trouwe*meent, en niet als eerbaer zijt,De maeght sal uwe*zijn, en dat te rechter tijt.Dit nam Andreas aen ten vollen na te komen,En heeft op dit bespreek*de vrijster aen-genomen*;855Een yder riep geluck en maeckte groot gebaer*,En wederom geluck, geluck, geluckigh paer.Maer hy versoeckt terstont, dat haer de gansche bendeVertreckt*uyt dat gewest en elders henen wende,Wt°vreese soo hy bleef of woonde daer ontrent,860Dat hy van eenigh mensch eens mochte zijn bekent*.Daer gaet hy metten hoop in vreemde landen dwalen,En hy en mist niet eens syns vaders hooge zalen,Hy acht geen ongemack, geen schande, geen verdriet,Wanneer hy maer een reys syn Pretiose siet.865Hy voelt syn ingewant, hy voelt syn herte springen,Al sy maer uyt de borst een deuntjen plagh te singen,Het bitter even-selfs dat is hem suycker soet.Ey siet eens wat de jeught, en wat de liefde doet!Don Ian noch even-wel, oock in dit woeste leven,870En wil hem tot bedrogh of diefte niet begeven;Maer wat dit selsaem volck of hier of elders haelt,Dat wort al menighmael by hem alleen betaelt.Hy wil geen vuylen jock in haren praet gehengen,Maer pooghtse met beleyt op beter wegh te brengen;875Soo dat hy metter tijt haer rouwe sinnen wint,En sigh by al den hoop in grooten aensien vint.Maer t’wijl dit selsaem volck op hare wijse leefde,En sonder vaste plaets in alle landen sweefde,Een maeght van Murçia die sagh den edelman,880En hoe hy al de jeught in schoonheyt overwan.En hoe syn heus gelaet en syn beleefde zeden,Syn oogh, syn hoofsche tael, syn wel-gemaeckte ledenZijn anders in gestel*als oyt een heyden plagh,Of alsse daer ontrent een heer of ridder sagh.885Haer geest die wort beroert, haer sinnen om-getogen*,De loop van haer gepeys is buyten haer vermogen,Sy voelt ’k en weet niet wat ontrent haer grilligh hert,Sy voelt hoe dit gewoel*allencxen grooter wert.Wat sal de juffer doen? Sy weet niet wat te maken,890Sy voelt een selsaem vier door al de leden blaken;Dies als sy op een tijt den ridder eensaem vont,Soo opent sy aldus tot hem een heuschen mont:Bevallick jongelingh, wat magh u doch bewegen,Dat ghy tot desen hoop soo bijster zijt genegen?895Dat ghy by dit gespuys u soete jeught verslijt,Ey geeft eens beter vreught aen uwen jongen tijt.Gebruykt u geestigh lijf en dese schoone leden,Daer ghy, tot uwer eer, die nutter sult besteden,En soo ghy zijt geneyght te gaen met goet beleyt,*900Ick weet een beter staet voor u alleen bereyt.Hier zijn veel edel-lien die my tot trouwen vergen*,Want ick heb over-al veel wijngaerts aen de bergen,En bossen in het wout, en boomgaerts in het dal,En ossen op het velt, en peerden in den stal,905En schapen op het schor*, en geyten aender heyden,En hinden in het perck, en koeyen in de weyden,En knechten tot de jacht, en honden in het kot,En voor mijn eygen huys een schoon en lustigh slot.In ’t korte machtigh goet. magh ick u maer genieten*,910Ick sal in uwen schoot geheele schatten gieten,Dit wout, dit vruchtbaer lant, soo ver u oogen sien,Dat sal u eygen zijn, en ick noch boven dien.Ick die een dochter ben van edel bloet geboren,Heb u, door enckel gunst, voor alle mans verkoren.915Siet, dat de beste jeught voor desen heeft gesocht,Wort u alleen gejont, en in den schoot gebrocht.Ontfanght mijn rechter-hant, ontfanght mijn frissche*leden,Die ick in u vermaeck na desen wil besteden,Ontfanght mijn herte selfs, en stelt my buyten pijn,920En spreeckt een eenigh woort, en ick sal uwe zijn.Andreas hoordet aen, maer kon het geensins prijsen,Dat uyt haer teeren mont soo vrije woorden rijsen.O vrijsters, watje doet, siet datjet niet en vraeght;Want als een vrijster vrijt dat is te veel gewaeght.925Me-juffrou, seyt de man, ick danck u duysent werven,Mijn liefd’ is eens geset, en daer in wil ick sterven;Weet oock dat onder ons geen mensch en wert gepaert,Als met ons eygen volck of een van onsen aert.V°gunste, niet-te-min, die ghy my komt betoonen,930Die wensch ick dat u God ten vollen wil beloonen;Doch, wat my raken*magh, set elders uwen sin,Mijn hert is u ontseyt, daer woont een ander in.Gohanna met den slagh van soo een drouve reden,Gevoelt een koude schrick haer rillen door de leden,935Gevoelt een diep verdriet; sy gaet ter zijden af,Daer sy haer drouf gemoet in dese klachten gaf.*Wat ben ick voor een sloir*? wat heb ick gaen beginnen?Kan ick geen heyden selfs bewegen om te minnen?Och! God, wat hanght my uyt*, dat ick geen schamel man940Met al dat ick besit tot mywaerts trecken kan?Ben ick dan soo mismaeckt, soo leelick aan te schouwen,Dat my een slecht*gesel ontseyt een wettigh trouwen?Ben ick soo vuyle slons, of wel een oude queen*,Dat ick verstooten word’ en loop een blauwe scheen?945Neen seker; ’k heb terstont*mijn lijf en gansche wesen,Mijn oogh, en rooden mont, mijn geestigh*hair gepresen,Als ick ontrent den noen en midden op den dagh*Mijn leden overslough*, en in den spiegel sagh.Voorwaer een eerlick*man die sou hem des vernougen,950Indien ick maer en wou tot hem mijn leden vougen:*Ick ben wel kussens weert, en soo ick maer en wou,Ick waer oock heden selfs versegelt*in de trou.Daer zijnder vry genough die my des komen vragen,En die noch boven dat mijn vrienden*wel behagen:955Ick ben voor rijck, en schoon, en eerbaer*hier bekent,En heb soo veel versoucx*als yemant hier ontrent.Maer dat is niet genough. Men kan geen liefde setten,Ter plaetsen daer men wil; want die is buyten wetten,En gaet daer ’t haer bevalt. De sin die isset al;960En gansch de werelt dwaelt in dit ellendigh mal*.Ick ben soo dwaes geweest dat ick heb uyt-verkorenEen die my niet en acht. ach! waer ick noyt geboren.O! ’t is een hart gelagh, wanneer een jonge maeght,Haer wil niet hebben magh, schoon sy ’t haer minder vraeght.965Ach! dat’s een wrange spijt, ach mocht ick heden sterven!Want ick en sal geen troost mijn leven oyt verwerven.Hy is een selsaem hooft, hy is een rouwe gast,Die op geen schoone verw en op geen rijckdom past.*Maer waerom dus ontset om niet te willen leven?970En waerom doch den moet soo veerdigh op-gegeven?Het gaet noch als men vrijt gelijck het eertijts plagh,Daer wort noyt eycken boom gevelt met eenen slagh.Ick wil eens wederom ick wil de saeck beprouven,Hy sal niet andermael mijn teere ziel bedrouven;975Ick sal hem mijn çieraet, mijn schatten boven dien,Ick sal hem diamant en peerels laten sien.Ick sal gelijck een klis hem aen de leden hangen,En met een soet gevley hem streelen aen de wangen,Ick sal hem. Maer, eylaes! hoe meer een vrijster vleyt,980Hoe datse meer verveelt, en lichter wert ontseyt*.Syn hert is niet aen haer;*het wert, eylaes! beseten,Van eene die ick merck hy noyt en sal vergeten.’T is dan om niet gepooght, al woel ik bijster seer;Want voor mijn treurigh hert en is geen hope meer.985Het lieven is een dingh van wonder groot vermaken,’K en weet op aerden niet dat beter plagh te smaken;Maer liefde sonder hoop van oyt gelieft te zijn,Dat is een boose plaegh, en meer als helsche pijn.Dan ick ben niet gesint dit quaet in my te voeden,990Het geesselt mijn gemoet als met gestage roeden.Gewis dit moeter uyt; en om hier wel te gaen,Soo moeter in de plaets en haet, en wraeck-lust staen.Wel, haet, ontsteeckt mijn hert, en stelt u om te wreken,Dat zijn van overlangh dat zijn de rechte streken995Van een die qualick mint, of ongeluckigh vrijt,Ontseyde gunst ontbrant in gal en enckel spijt.En dat knaeght aldermeest de sinnen van de vrouwen,Die zijn hier als verwoet, en konnen wonder*brouwen.Een wijf is bijster ergh*; en waer men lagen smeet,1000Daer is geen nicker*selfs die slimmer gangen weet.Dit moet ick heden selfs dit moet ick gaen beprouven,Ick wil hem metter daet, ick sal hem gaen bedrouvenDie my de vreught ontseyt. Stae by nu, vrouwen-list,En stort in mijnen geest dat noyt verrader wist.1005Dat noyt een spoker*dacht, of boose geesten vonden,Mijn breyn is op den loop, mijn sinnen ongebonden,Mijn kop die suysebolt, daer is geen houwen aen,Daer moet oock*desen dagh wat selsaems omme-gaen.Ick, ick, moet wrake doen, en hy syn straffe dragen,1010Al sou het gansche rijck van desen handel wagen,Al soud’ ick heden selfs my brengen in den noot;Stil*leven kan ick niet, ick ware liever doot.Hoort wat de juffer doet. Sy laet haer jongen letten,Waer dat Don Ian syn mael*gewoon is in te setten,1015Een mael die niet en sluyt, en slechts van ossen leir;Want koffers vindt men noyt ontrent dit selsaem heir.Hier van wel onderricht, soo laetse moye dingen,Gout, peerels, hals-çieraet, daer in den huyse bringen,En binden in het kleet van onsen jongelingh,1020Terwijl hy in het dorp of op den velde gingh.Andreas wel bewust hoe dat de vrouwen woeden,Wanneer men haer ontseyt haer lusten aen te voeden,*Gebiet*dat al het volck terstont in rassen spoet,Oock op dien eygen dagh, van daer vertrecken moet.1025Dit nam de juffer waer, en als hy meynt te reysen,Begon sy met beleyt op haer bedrogh te peysen;Sy stroyt door al het dorp dat sy uyt hare kist,Gout, peerels, eenigh gelt, en veel juweelen mist.Stracx zijn op haer geklagh de boeren aen-gekomen,1030Die eyschen wederom al watter is genomen:De rackers*van de schout zijn mede daer ontrent,Die na den vreemden roep*de strenge rechters sent.Daer gaet men ’t heydens rot ten nausten ondersoecken,De vrouwen in haer keurs*, de mannen in de broecken.1035Maer, siet, de loose maeght die wees den ridder aen,En seyt het slim bejagh*by hem te zijn begaen.Als dit Andreas hoort soo komt hy toe-getreden,Hy lough de jufler toe, en seyd’ haer dese reden:Komt souckt, vriendinne, souckt al wat gy soucken meught;1040By my is anders niet als trou en ware deught.Indien ick van bedrogh hier schuldigh wort bevonden,Soo ben ick wel getroost om vast te zijn gebonden,En soo te zijn gestraft gelijck men guyten*doet,Die soecken haer bejagh op ander luyden goet.1045Ick sal nogh boven dat u seven-mael betalen,Wat ghy van u çieraet hier uyt sult konnen halen:Doorsoukt vry dese mael, en watje vorder siet,Een peert dat niet en let*en vreest den ros-kam niet.*Hier op soo gaet de schout, en syne rappe gasten*,1050De male van den vrient wel happigh*ondertasten*,En, siet, van stonden aen soo komt het aen den dagh,Al wat voor aerdigh tuygh daer in verholen lagh.Don Ian op dit gesicht is wonderlick verslagen,Noyt was hy soo verbaest*van al syn leven-dagen;1055Hy staet gelijck een steen met droufheyt overstort,Eylaes! de jongelingh en weet niet waer het schort.Stracx*riep de jufier uyt: Koomt vanght ons dese bouven,Die met haer vuyl bejagh het gansche lant bedrouven.Maer grijpt eerst desen gast, die eerst soo moedigh*sprack,1060Hy is de rechte gront van al het ongemack.Hier vanght den rechter aen den ridder seer te schelden,Hy noemt het heydens volck een plage van de velden,Een peste van de stadt, een schroom*van yder huys,Een schuym van bouve-jacht*en alle vuyl gespuys.1065Daer stont een krijghs-man by die sigh des gingh bemoeyen,Wech (seyt hij) met den bouf, hy dient te leeren roeyen.*En even met het woort soo geeft hy hem een slagh,Soo dapper*als hy kan, soo vinnigh als hy magh.Andreas suysebolt, syn hersens zijn bewogen,1070Syn geesten al gelijck door gramschap op-getogen,Hy denckt niet waer hy is, hy weet niet wat hy doet,Syn geest die speelt alleen ontrent syn edel bloet.*Hy stelt hem dan te weer, en gaet den krijghs-man tegen,Hy valt hem op het lijf, en vat syn eygen degen,1075Hy treft hem in het hert met soo een diepen steeck,Dat hem de leven-kracht van stonden aen besweeck.Daer schreeut men overhoop*. Andreas wort gebonden,En al het heydens rot na Murçia gesonden;Daer is het hals-gerecht van dat geheele lant,1080Soo dat men daer ontrent geen hooger rechter vant.Terwijlen dit gebeurt, Constançe, gansch verslagen,Is van den bleycken angst als buyten haer gedragen,Daer is een killigh sweet dat uyt haer aders schiet,Vermits sy haren vrient aldus gebonden siet.1085Maer desen onverlet*soo wortse mé genomen,En is met al het rot tot in de stadt gekomen;Daer krielt men overhoop al waer de vrijster quam.Vermits een yder lust in haer gesichte nam.De fame van de maeght aen alle kant gevlogen,1090Heeft oock de lant-vooghdin tot in het hert bewogen,Sy maeckt haer veerdigh op, sy gaet tot haren man,Daer seytse voor de maeght al watse seggen kan;Al met soo grooten ernst*dat haer wort toe-gelaten,Het jongh, het geestigh dier te nemen van der straten,1095Te brengen op het slot. Maiombe wasser by,En was om dit geval van ganscher herten bly.Sy meynt, soo maer de vrou hoort Pretiose spreken.Dat haer noch goet onthael noch gunste sal ombreken°.En soo als sy het gist soo wasset dattet viel,1100Me-vrou ontfingh de maeght als met een open ziel.Sy blijft gelijck verdwelmt*in hare soete wangen,Sy blijft aen haer gelaet met al de sinnen hangen,Sy neemtse byder hant, sy leytse door de zael,Sy valt haer om den hals en kustse menighmael.1105Sy spreeckt Maiombe toe, sy vraeght verscheyde saken,Maer verre boven al die Pretiose raken,Sy vraeght hoe out sy was. Het wijf dat antwoort haer,Dat nu haer nichte quam ontrent de vijftien jaer.Hier op is in de vrou een drouve luym*geresen;1110Dus oudt soud’ even nu mijn weerde dochter wesen,Indien de goede God dien uytgelesen schat(Dit sprack vrou Giomaer) aen ons gelaten had.Maer, laes! nu is het kint in syne jonge dagenMet listen wech-geruckt, en uytet lant gedragen.1115Constançe waerje zijt, of immer komen meught,God zy door synen geest ontrent u teere jeught.De maeght gingh onderdies me-vrou de handen kussen,En bid haer evenstaegh haer druck te willen blussen*;En t’wijl vrou Giomaer vast sit op haer en sagh*1120Ontsluyt*het aerdigh dier aldus syn drouf geklagh.Indien ghy, weerde vrou, hebt eenigh welbehagenIn mijne teere jeught, soo hoort mijn angstigh klagen,En mijn bedroufde stem. De goede jongelingh,Dien in het naeste dorp de lant-drost*heden vingh,1125Dat is mijn weerde vrient, in trou aen my gebonden,Daer wort geen beter mensch in al het lant gevonden;Al*is de krijghsman doot het is syn eygen schult,Hy bracht den vromen*helt tot enckel onverdult*°.Hy slough hem met een vuyst dat hem de tanden bloeden,1130Soo dat syn edel hert hierom begon te woeden.Hy is geen rouwe gast die oyt syn leven stal,*Gelijck men metter tijt wel ondervinden sal.Hy is een edelman. laet alles overwegen,En ondersoeckt het stuck gelijck het is gelegen,1135Ghy sult met oogen sien, en tasten metter hant,Dat niemant oyt bedrogh in al syn handel vant.Soo dese jongelingh gedwongen is te sterven,Soo moet ick van gelijck mijn jonge leven derven,Mijn hert is al te weeck, mijn wesen al te teer,1140Als hy syn leven laet, wil ick geen leven meer.Ick bid u, weerde vrou, met al de gansche leden,Om u verheven stam, om u beleefde zeden,Indien oyt soete min, indien oyt reyne vlamIn uwen geest ontstack, in uwen boesem quam;1145Soo slaet een gunstigh oogh op twee soo jonge menschen,Die geensins hoogen staet of machtigh gelt en wenschen,Maer poogen een te zijn in vreught en ongeval,Tot dat de bleecke doot haer eenmael scheyden sal.Met dat de jonge maeght haer reden heeft gesproken,1150Zijn haer met groot verdriet veel tranen uyt-gebroken,Soo dat het siltigh nat een stroom, een gansche beeck,En aen vrou Giomaer een stage vloet geleeck.Sy dan, mits*dit geklagh, gevoelt haer gansch bewogen,Gevoelt haer innigh hert als uyt het lijf getogen;1155Daer is, ’k en weet niet wat, dat haer de sinnen roert,En dat haer angstigh hert geweldigh omme-voert.Men siet in dit gepeys men siet haer oogen vlieten,Soo dat haer in den schoot de druppels henen schieten.De lant-vooght onderdies koomt treden in de zael,1160Verwondert dat hy sagh den druck van syn gemael.En hier op koomt de maeght hem vallen aen de voeten,En gaet hem insgelijcx met drouve woorden groeten;Sy weent, en bid, en smeeckt, met soo een heuschen mont,Dat hem de goede man al med’ ontsteken vont.1165Hy kan, met alle kracht, syn tranen niet bedwingen,Die hem, als tegen danck*, op mont en wangen springen;Hy staet geheel verbaest, hy staet een wijle stil,Onseker wat hy doen, of wat hy laten wil.Maiomb’ hout onderdies haer sinnen op-getogen*,1170En wough haer drouven stant met al haer gansch vermogen.*Sy rijst ten lesten op, en seyt: Eerweerde*vrou,My dunckt ick weet behulp voor desen swaren rou.Wilt ghy een kleynen tijt hier uyte zael vertrecken.Ick sal u metter daet een wonder stuck ontdecken,1175Hoort my een woort alleen, hoort wat ick seggen sal,Ghy sult een eynde sien van dit bedrouft geval.Maiombe sonder meer begaf haer uyter zalen,En gingh van stonden aen een aerdigh*doosjen halen;En alsse weder quam daer Giomara stont,1180Soo knieltse veerdigh neer, en opent haren mont.Vergeeft my, seyt het wijf, dat ick eens heb bedreven,En dat ick nu ter tijt u wil te kennen geven,Of soo ick na de wet ben weerdigh harde straf,Soo geeft my aen den beul, en sent my naer het graf.1185Ick sal (hoe dattet gaet) de rechte waerheyt spreken,Ghy mooght aen desen romp*u leet en droufheyt wreken;Ick sal tot aller stont verdragen met gedultWat ghy my voor verdriet hierom doen lijden sult.Het is nu derthien jaer, of luttel min geleden,1190Dat ick mijn reyse nam door al de Spaensche steden,En door het platte lant, ick sochte mijn bejagh,Tot dat ick in Madril een aerdigh meysjen sagh,Een kint nau twee jaer out behangen met juweelen,Daer ick, na mijn verstant, behoorde van te deelen,*1195De voester, soo ick sagh, die stont daer op de straet,Met seker kamer-maeght verwerret*in de praet.Ick greep het jonge schaep, en sonder lange dralenSoo reysd’ ick inder haest in onbekende palen:En als ick was ter plaets daer ick my seker vont,1200Doen leyd’ ick in beraet, wat my te plegen stont.Ick had eens*vast gestelt (ick wil de waerheyt seggen)Het kint, van als ontbloot, tot vondelingh te leggen,Om al syn rijck çieraet, en wattet vorder had,Te houden voor een roof, en als mijn eygen schat.1205Maer als ick recht doorsagh syn geest en frissche leden,Doen vond’ ick mijn gepeys te strijden met de reden;En daer op nam ick voor het meysjen op te voen,Op hope dattet ons eens voordeel mochte doen.Ick hebbet dan besorght*, ick hebbet laten leeren,1210Al wat te rechter tijt haer jonckheyt mocht vereeren*,Soo dat het geestigh dier veel schoone dingen kan,En is (mijns oordeels) weert den besten edelman.Maer wat is quaet te doen! wat heb ick drouve slagenOm dit ondeugend’*werck in mijne ziel gedragen*!1215Hoe was ick evenstaegh gepijnight in den geest!Wat heb ick niet gesorght*! wat heb ick niet gevreest!Wat heb ick menighmael mijn herte voelen beven,En drillen*als een riet van harden wint gedreven!Ick schroomd’ (oock in den slaep) van haest te zijn beklapt*,1220Of door een snegen schout alree te zijn betrapt.Wel, ick ben des geleert*, en hebbe voor-genomen,Noyt*in soo bangen praem*mijn ziel te laten komen;Ick wil aen al ons volck en wie my raken*magh,Ontraden dit bedrijf en alle vuyl bejagh.1225Wel doen is rechte vreught; maer alle slimme*gangenZijn doodelick vergif die ons de ziele prangen.Hier is dan nu de tijt dat ick mijn schult beken,Vermits ick op den wegh van beter leven ben.Mijn heer, siet dit juweel, en dese goude keten,1230Ghy sult van stonden aen den ganschen handel weten:Of wijst dit niet genough den gront van dit geval,Soo leest eens desen brief dien ick u geven sal.Soo haest als sy het schrift den lant-vooght had gegeven,Hy siet van stonden aen al datter is geschreven;1235Hy lasset overluyt en met een open mont,En dit was inder daet dat hyder in bevont.

461Terwijl hem*dit gebeurt met wonder groot vernougen,Soo koomt de nachtegael sigh by de vrijster vougen,En queelt daer uyte borst met soo een bly geschal,Dat haer*vermenghde stem verheught het gansche dal.465De ridder onderdies gevoelt syn geest beroeren,Terwijl hy op de maeght alleen heeft sitten loeren*.Wel of dit heydens*kint (seyt hy met vollen mont)Eens op syn hoofs gekleet voor ons ten toone stont,Waer*sou haer schoonheyt gaen? van soo een aerdigh wesen*470En is (gelijck ick meyn) in geenen tijt gelesen.Hier op soo treet hy toe, en geeft*hem by de maeght,Die hy na syn gevolgh en na de jagers vraeght.Sy, met een heus gelaet, seyt geensins yet te wetenWaer syn geselschap is; maer daer te zijn geseten475Ten eynde sy een krans van groene kruyden vlocht,Die haer dan op het feest tot çiersel dienen mocht.Maiombe die alreeds den ridder had vernomen,Begon van stonden aen voor hare nicht te schromen,En maeckt*haer daer ontrent, op datse mocht verstaen480Wat haer de ridder seyt, en hoe de saken gaen.Constançe was begaeft met soo een aerdigh wesenDat niemant haer gelaet genough en heeft gepresen,Daer vloeyt uyt haren mont soo aengenamen lagh,Dat sy de gunste won van die haer maer en sagh.485Haer zeden zijn beleeft, haer reden wel gebonden*,Haer spraeck is enckel geest en niet als soete vonden;*In ’t korte, watse doet en watse neemt ter hant,Dat toont een goeden aert en ongemeen verstant.De ridder onderdies ontstelt*door heete voncken,490Heeft op dien eygen stont het soet vergif gedroncken;En daerom als hy wist wie dat Maiombe was,Soo is hy nevens haer gesegen*in het gras:Soo is hy met het wijf in veelderhande reden,En met Constançe selfs in langh gespreck getreden;495Ten lesten berst hy uyt: V schoonheyt, geestigh dier,Verweckt in mijn gemoet een wonder selsaem vier.Ick wou, indien ick mocht, u trouwe dienaer wesen,En soo u dat beviel, soo waer ick haest*genesen,Soo waer ick metter daet een gansch geluckigh mensch,500En had door uwe gunst mijn vollen herten-wensch.Het woort is nau geseyt, de soete PretioseDie kreegh hier op een blos gelijck een versche rose,Haer gramschap en met een haer schaemte zijn vermenght,Als haer beroert gemoet hem dus syn antwoort brenght:505Heer ridder (naer ick hoor) ghy zijt vol hoofsche*treken,En hebt (naer ick vermoe) meer vrijsters uyt-gestreken*;Ick weet (als ghy een maeght om hare schoonheyt vleyt)Ick wetet, lieve vrient, al wattet is°geseyt.Ick weet dat eens de vos bedroogh den slechten*raven,510Als hy na spijse socht om hem te mogen laven*;De raef had lecker aes en drough het in den beck,Dit sagh de loose vos, en speeld’ hem desen treck:Hy seyt hem, Aerdigh dier dat geestigh weet te singen,En zijt van outs geleert*in alle soete dingen,515Ey schenckt ons nu een reys een deuntjen na de kunst,Dat sal ons heden zijn een teycken uwer gunst.De raef, eylaes verlockt met dese troutel-reden*,Die vought sigh om te doen gelijck hy was gebeden;En mits*dat hy den beek tot singen open stelt,520Soo viel het lecker aes te midden op het velt.Dat greep de slimme vos, en sonder langh te beydenBegaf hy metten roof sigh midden opder heyden,Daer at en lough het dier, en al met vollen mont,Terwijl de malle*raef bedrouft en eensaem*stont.525Ick ken (al ben ick jongh) den aert van ’t listigh prijsen,En weet wat ongemack hier uyt sou mogen rijsen,Ick weet het watje soeckt, als ghy my gunste biet;Maer schoon ghy zijt de vos, ick ben de rave niet.Ick ben een heydens kint veracht van alle menschen,530Hoe kan u hoogh gemoet om mijn geselschap wenschen,Als slechts op desen gront, ten eynd’ u geyle lustTot oneer mijner jeught eens mochte zijn geblust?Maer neen, gelooftet vry, geen man sal my belesen,Dat ick in geyle lust hem sal ten dienste wesen.535Acht my voor die ghy wilt, en dat ick wesen magh,Ick ben een vyandin van alle vuyl bejagh.*Dat sal ick eeuwigh zijn. wel gaet dan elders jagen,Voor u en is geen kans mijn eere wech te dragen;Weet datter onder ’t volck dat ghy voor heydens groet*540Noch is een reyne ziel en onbevleckt gemoet.Ghy dan, nadien ghy zijt genegen om te jocken*,Gaet naer het dertel hof, en streelt de sijde rocken*,Soeckt daer bequame*stof voor u ongure*vreught,En laet my ’t edel pant van mijne reyne jeught.*545Als ’t wijf op desen toon de vrijster hoorde spreken,Heeft sy haer peck-swart hair een weynigh op-gestreken,Als bly van dit gespreck. Ey, seytse, lieve vrient,Hier is geen lichte koy die hoofsche linckers*dient.De joncker als verbaest*van soo gestrenge woorden,550Die hem als door het oir tot in het herte boorden,Sagh op het fier gelaet van soo een jeughdigh dier,En voelt te meer de kracht van syn inwendigh vier.En naer hy sonder spraeck een weynigh heeft geseten,Soo laet hij syn besluyt de strenge vrijster weten,555En dat op desen voet; hy treckt van syner hantEen ringh, een rijck juweel, een hellen diamant.En seyt haer: Schoone maeght, ick sweere by mijn leven,En by het ridderschap my van den prins gegeven,Ick sweere by het pant dat ghy voor oogen siet,560Dat u mijn trouwe ziel oprechte liefde biet.’K en wil u, schoone blom, niet als een by-sit houwen,Ick wil u na den aert*van onse wetten trouwen,En tot een vast gemerck*, siet daer één eeuwigh pant,Draeght dat tot mijnder eer aen uwe rechterhant.565Te midden in het woort soo biet hy PretioseEen schoonen diamant. Sy, na een lange poseHet stuck in haer gemoet te hebben overdacht,Heeft dus, met heus gelaet*, haer antwoort ingebracht:Wel joncker, na my dunckt, ghy schijnt het stuck te meenen,570Maer ghy sult uwen staet*in my te seer verkleenen;Ghy daerom letter op, eer dat ghy vorder gaet,Hier dient niet in*gegaen als met besetten*raet.Maer noch al boven dat, soo magh ick niet vergetenDat u in dit geval is dienstigh om te weten,575En dat ick noodigh acht voor al te zijn gedaen,Eer dat wy tot besluyt in desen handel*gaen*.Ghy moest twee jaren langh in ons geselschap leven,En u aen onse wet ten vollen over-geven:Ghy moest benevens*ons gaen dolen achter*lant,580By wijlen sonder gelt en sonder eenigh pant*:Ghy moest u machtigh goet en uwe groote staten,Ghy moest u prachtigh kleet geheelick achter laten,Ghy moest in volle daet, en niet in loosen schijn,Een spot, gelijck als wy, van al de werelt zijn;585En dit al, goede vrient, om wel te mogen*letten,Of nut en dienstigh is u sin op my te setten,En med’ aen d’ander zy, of my oock dienen souMet u dit vry gemoet*te binden aen de trou.Siet dit is ons gebruyck, ick spreke sonder veysen*,590Ghy, soo het u belieft, gaet op de sake peysen;Dit moet de preuve*°zijn van uwe liefde, vrient,Of anders stelt het vast, dat ghy my niet en dient*.Soo haest de ridder hoort het slot van dese reden,Hem rilt een koude schrick door al de gansche leden.595Dies seyt hy: Dit ontwerp dat ghy hebt voort-gebracht,Gaet verde*, soete maeght, en dient te zijn bedacht.Ick wil met rijp beraet het stuck gaen overleggen,En u in ronde tael mijn antwoort komen seggen,En dat te deser plaets, en in dit eygen dal,600Soo haest de gulde son hier weder schijnen sal.Daer mede breeckt hy af; vermits hy had vernomen,Dat boven van den bergh syn jagers neder komen;Die wenckt hy metter hant; soo dat het gansche rotMet hem koomt af-gedaelt tot aen syn vaders slot.605Hier treet de ridder in, en, schoon dat al de knechtenZijn besigh op een ry de schotels aen te rechten,Hy des al niet-te-min onthout hem van den dis,Vermits hy, soo het schijnt, geheel onlustigh is.Hy sluyt syn kamer toe, en gaet een wijle treden,610Hy spreekt tot syn gemoet, en al in losse*reden,En dus, en weder soo, al sonder vast besluyt,En berst noch op het lest in dese woorden uyt:Eylaes! wat gaet my aen*aldus te liggen mallen*,En op soo lagen plaets mijn oogh te laten vallen,615Mijn oogh, mijn dertel oogh, mijn ongetoomde lust,Die niet aen dese kant en dient te zijn geblust?Sal ick mijn edel huys, mijn staet, en eere laten,En met soo vuylen hoop gaen loopen achter straten*,Gaen loopen door het rijck, en menigh ander lant,620Alleen maer uyt een tocht van geyle minne-brant?Sal ick, een Christen mensch, tot heydens my begeven,En leyden nevens haer een rou en beestigh leven?Sal ick een macker zijn van desen vuylen hoop,Een smaet van onsen God, en van den reynen doop?625Sal ick mijn naeste bloet tot mijnen*haet verwecken,En door het gansche rijck mijn voorstel*doen begecken?Sal ick de schande doen aen mijn vermaerde stam,Dat ick een heydens wijf in mijn geselschap*nam?Dat ick, als tot een spijt*van alle Christen-vrouwen,630Met soo een vuyl gebroet genegen ben te trouwen?Neen neen, ô hoogh gemoet, en doetet nimmermeer,Let op uws vaders huys en op u eygen eer.Ghy houft voor u geen wijf by dit gespuys te soecken,En maken dat het volck u trouwen sal vervloecken.635Hier in dees rijcke stadt en in dit machtigh hof,Daer is tot u gerief al vry bequamer stof.Indien ghy zijt gepast*met wel-gemaeckte leden,Koomt, als het u bevalt, maer uyt u huys getreden,Daer woont de schoonheyt selfs, en dat in groot getal,640Daer u naeu-keurigh*hert vernougen vinden sal.Indien ghy zijt vermaeckt*met wel en net te spreken,En dat oock evenselfs en sal u niet ontbreken.Indien ghy gelt begeert, of anders machtigh goet,Ghy vindt het even daer, en dan oock edel bloet;645Ghy vintet altemael, en watter is te wenschen,Treckt maer u grilligh*oogh van dees ongure menschen,Gaet kiest dat u betaemt, en trout met uws gelijck;Ghy vint tot u gerief het gansche koninghrijck.Maer wat magh ick, och arm! mijn jonge sinnen quellen,650En mijn ellendigh hert in dese prangen*stellen?Ick sie het klaer genough wat dienstigh is gedaen,Maer wie kan in de jeught syn tochten wederstaen?Ick prijse reyne tucht en alle goede zeden,Maer ick en kan de lust niet buygen na de reden:655Al ben ick met de jeught gedurigh in geschil,Ick worde wech-geruckt oock daer ick niet en wil.*Ick word’, eylaes! vervoert*, en schoon ick wil het weren,Ick rake buyten spoor oock tegen mijn begeren.Het vleesch is wonder sterck, en ’t is een deftigh*man,660Die hier het velt behout en meester blijven kan.Ick gae dan wederom, ô schoone Pretiose,Mijn hert vermagh het niet dat ick een ander kose;Ick ben in dat gepeys te verre wech geleyt,Ick hael het weder in*al wat ick heb geseyt.665Soo haest u geestigh oogh, u soet en aardigh wesenKoomt als een helle son in mijnen geest geresen,En dat ick sie den glans van u beleeft*gelaet,Dan isset sonder kracht al wat u tegen gaet.Geen mensch kan immermeer in desen my beschamen,670Als of soo slechten maeght my niet en sou betamen,En dat mijn grilligh hert hier sonder reden malt,Vermits mijn rouwe*jeught hier in te lage valt.*Ey draeyt doch eens het oogh, en siet na d’oude jaren,*Het stuck dat sal gewis sigh anders openbaren;675Wat isser doen ter tijt, wat isser al bedocht,Om by een geestigh dier te vinden dat men socht?Iupijn, wel eer geseyt de grootste van de goden,Is uyt syn hoogen troon tot in het wout gevloden,En heeft daer aen-gedaen het wesen van een stier,680Of van een wilde swaen, of ander selsaem dier.Heeft niet Alcmenaes soon,*die monsters had verwonnen,Den spin-rock aen-geveert, en als een wijf gesponnen,En vry al meer gedaen dat noyt een deftigh man,Bezijden dit geval, ter eeren duyden*kan?685Hoe menigh edel vorst, een kroon gewoon te dragen,Is inder haest verruckt*door heete minne-vlagen,Niet door een hoofsche maeght, of groote koningin,Maer, ick en weet niet hoe, een sloir*een harderin?Daer is, men weet niet wat, in onsen geest verholen,690En doet al menighmael de wijste lieden dolen,Het brenght hen in den geest een aengename pijn,En seyt: Dat Gode vought*wien kan het schande zijn?Soo haest het groote licht de sterren heeft verdreven,Soo gaet de jongelingh sigh op den wegh begeven,695Hy vint het oude wijf, hy vint de jonge meytTer plaetse daerse bleef en daer het was geseyt.Hy viel, terwijl hy gaet, in veelderley gedachten,Die hem syns vaders huys vry hooger deden achten,Die hem van nieuwen aen gaen brengen in den sin,700Syn vremde dweepery en noyt bekende*min.Dies valt hy in beraet, of hy sal weder keeren,Dan of hy syn gemoet sal laten overheeren;En, siet, de reden wan, de vremde liefde weeck,En, soo het schijnen mocht, syn eerste lust besweeck.705Maer juyst in dit gepeys doen sagh hy Pretiose,En*scheen in haer gelaet gelijck de versche rose,Oock*schoonder alsse plagh. Dies als hy nader quam,Soo wert van desen roock terstont een helle vlam.*Iuyst soo gelijck een keers te voren eens ontsteken,710Waer van dien eygen stont het leven is geweken,Indiense maer een reys genaeckt een hellen brant,Is op den staenden voet in haren eersten stant:Soo vaert de jongelingh. Hy koomt tot haer getreden,Hy seyt haer: Weerde maeght, ick schenck u dese leden,715Ick ben bereyt te doen wat ghy bevelen sult,En watter komen magh te dragen met gedult.Ick ben van nu bereyt u wijsen*aen te vangen,Laet my terstont een kleet van u geselschap langen*;Ick sal om uwen t’wil°met blijdschap onderstaen720Dat nimmer edelman of ridder heeft gedaen.Dit seyt hy, en terstont began hy uyt te treckenAl wat syn edel lijf voor desen plagh te decken;Soo dat hy eer*een uyr daer op den velde stateIn als*soo toe-gerust gelijck een heyden gaet.725Stracx koomt het gansche rot den man bewellekomen,En hy wort onder hen als broeder aen-genomen;Daer wort syn hooft gewiet*te midden in de schaer,Maer al met naer*geheym en wonder vremt gebaer.De naem die hem wel eer was in den doop gegeven,730Om als een Christen-mensch voortaen te mogen leven,Wort by*hem voor het volck ten vollen af-geleyt,Soo dat hy nu voortaen Andreas wort geseyt.*Een met een grijsen kop die quam tot hem getreden,En biet hem veel gelucx, en seyt hem dese reden:735Ghy, die als nieuwelingh in ons geselschap treet,’T is nut dat ghy den gront*van onse rechten weet.Ick dan, een opper-hooft van onse med’gesellen,Wil voor u klouck verstant ons wetten open stellen.Voor eerst en heeft ons volck geendingh voor hun alleen,740Wat yder wint of vint dat is voor ons gemeen.De vrouwen neem ick uyt*; die mogen na de wettenHaer bedde nimmermeer in eenigh deel besmetten.Want als haer eenigh wijf hier in te buyten gaet,Dat wort van stonden aen gelevert aan den Raet,745En die laet overluyt terstont het vonnis lesen,Dat sy onweerdigh is op aerden meer te wesen.Dies houft men beul, noch galgh, noch sweert, noch engen strop,De jonghste van den hoop die breeckt*haer flucx den kop.Men tijght ons dieften op*, en wonder slimme*streken,750Maer ’t is niet wel geseyt, men moeste sachter spreken;Wy stellen overal gemeenschap in het goet,En nemen ons behouf van rijcken overvloet.*Wy zijn gelijck een spoor*van haveloose*menschen,En krijgen even soo*al wat wy konnen wenschen.755Want die op syn bedrijf*niet vlijtigh toe en siet,Wanneer hy weder koomt, soo vint hy dickmael niet.Ons tuygh wort noyt gerooft. ’t is qualick yet te stelen,Wanneer den huys-weert selfs die rolle weet te spelen;Al knaeght de grage*slangh al vry een lange wijl760Voor haer en is geen aes te krijgen van de vijl.Wy leeren alle daegh de gront om wel te leven,En wat men aen den buyck of rugh behoort te geven,*Wy hebben inder daet nu menighmael beprouft,*Hoe weynigh dat het lijf tot noodigh voedsel houft.765Het is een groot gemack, bekent aen weynigh menschen,Niet*in dit aerdsche dal te vreesen of te wenschen:Wy vinden dat men eerst dan onbekommert leeft,Wanneer men niet en soeckt, oock als men niet en heeft.Dies zijn wy niet besorght*om goet by een te rapen,770Maer konnen onverlet en sonder vreese slapen.Wy spitten nimmermeer, wy kennen geenen plough,En des al niet-te-min wy vinden broots genough.Wy preesen noyt een mensch die na den rijckdom snelde,Wy leven van den dau, als bloemen op den velde.775Ons ziel is niet beducht om geit of machtigh goet,Wy rapen onsen kost gelijck een vogel doet.Wy plucken sonder gelt de vruchten van de boomen,Wy trecken sonder kost*de vissen uyt de stroomen,Wy krijgen wilts genough en vogels uyt het wout,780De keyen geven vier, en al de bossen hout.Ons huysraet meestendeel bestaet in snelle bogen.Wy koken daer het valt*, wy slapen daer wy mogen*;En schoon het niet en gaet gelijck het yder lust,Wy des al niet-te-min wy stellen ons gerust.785Wy konnen noorden wint, en alle sure*vlagen,Wy konnen harden vorst, oock sonder hinder dragen;Soo dat ons gansche lijf geen koud’ of hit en kent.Soo veel vermagh de tijt en daer men toe gewent.Schoon dat het gansche rijck wou krijgh en oorloogh°voeren,790’T en sal ons even-wel de sinnen niet beroeren.Want schoon of dese wint, en die verliest den slagh,Het gaet ons even-wel gelijck het eertijts plagh.Wy staen noyt vrouger op om eenigh heer te groeten,*Of dat*wy door de stadt een prins geleyden moeten,795Wy streelen*niet een mensch, oock niet den grootsten vorst,Dat is maer voor het volck dat na den eer-sucht dorst.Ons geest is nimmermeer gequelt met hooge saken,Om ons door al het lant een grooten naem te maken,Of ons de werelt prijst, of ons de werelt laeckt,800Wy zyn als buyten schoots en werden niet geraeckt.Al is de gansche kust van roovers in-genomen,Noch zijn wy niet beschroomt om daer ontrent te komen;Wy singen menighmael oock in het dichste wout,Daer sigh een vinnigh*heir van felle moorders hout.805Wy zijn niet eens beducht, schoon al de winden blasen,Wy leven onbeschroomt hoe seer de baren rasen:Wy vreesen geenen brant of hoogen water-vloet.Die niet verliesen kan wat schaet hem tegenspoet?Schoon dat het gansche rijck moet tol*of schattingh geven,810Wy lyden even-wel een onbekommert*leven,Geen hooft-gelt op het volck, geen lasten op het lantEn worden oyt geverght aen onsen vrijen stant.Wat dienter meer geseyt? wy zijn geduchte*lieden,Die geen verheven vorst, geen prins en kan gebieden.815Al waer de gulde son de werelt open*doetDaer gaen wy sonder schroom, als op ons eygen goet.Wy leven over-al als prinçen van den lande;Niet hebben even-wel en is hier niemant schande.Wy trecken t’ onsen dienst geheel het aertsche dal,820Wy hebben niet een sier, en wy besitten ’t al.Ick heb u, edel helt, ons wijse nu beschreven,Ghy let of ghy begeert met ons daer in te leven,Dan of ons strengh gebruyck is tegen uwen aert;Want siet het staetje vry te blijven dat je waert.825De grijse kop die sweegh. Andreas gaet beginnen,Spits-broeders, seyt de man, met al de gansche sinnenWord’ ick u bont-genoot, en tot een vaste peyl*,Hier is een volle beurs die ick u mede deyl.Siet, als ick uytte stadt tot u ben af-gekomen,830Soo heb ick desen bucht*in voorraet met-genomen:Ontfanght dit kleyn geschenck, en weester vrolick van,En hout my voor u vrient en voor een rustigh*man.Een dingh wil ick alleen hier in bedencken*brengen,En bidden, wat ick magh*, dat ghy het wilt gehengen*;835Ick treed’ in dit verbont, alleen om dese maeght,Laet die voor my alleen indien het u behaeght.Ick sal tot aller tijt, waer dat wy henen trecken,Haer voor een trouwen vrient, en voor een hoeder strecken,Ick sal haer leyder zijn en hier en over-al,840Soo dat haer teere jeught geen hinder lijden sal.Een van den swarten hoop begon hier op te wrocken*,En seyde: Lieve vrient, soo ghy begeert te jockenIn eere sonder hoin,*°het wert u toe-gestaen;Maer, wat ick bidden magh, en wilt niet hooger gaen.845Weest heus in u gebaer*, en wilter in volherden;Of anders, houtet vast, het sal u beurte werden;Wy lijden onder ons by wijlen soet gelach,Maer ontucht nimmermeer, en geensins vuyl bejach.Dies soo de jonge maeght van u wert uyt-gestreken*,850Wy sullen u gewis den kop aen stucken breken;Maer sooje trouwe*meent, en niet als eerbaer zijt,De maeght sal uwe*zijn, en dat te rechter tijt.Dit nam Andreas aen ten vollen na te komen,En heeft op dit bespreek*de vrijster aen-genomen*;855Een yder riep geluck en maeckte groot gebaer*,En wederom geluck, geluck, geluckigh paer.Maer hy versoeckt terstont, dat haer de gansche bendeVertreckt*uyt dat gewest en elders henen wende,Wt°vreese soo hy bleef of woonde daer ontrent,860Dat hy van eenigh mensch eens mochte zijn bekent*.Daer gaet hy metten hoop in vreemde landen dwalen,En hy en mist niet eens syns vaders hooge zalen,Hy acht geen ongemack, geen schande, geen verdriet,Wanneer hy maer een reys syn Pretiose siet.865Hy voelt syn ingewant, hy voelt syn herte springen,Al sy maer uyt de borst een deuntjen plagh te singen,Het bitter even-selfs dat is hem suycker soet.Ey siet eens wat de jeught, en wat de liefde doet!Don Ian noch even-wel, oock in dit woeste leven,870En wil hem tot bedrogh of diefte niet begeven;Maer wat dit selsaem volck of hier of elders haelt,Dat wort al menighmael by hem alleen betaelt.Hy wil geen vuylen jock in haren praet gehengen,Maer pooghtse met beleyt op beter wegh te brengen;875Soo dat hy metter tijt haer rouwe sinnen wint,En sigh by al den hoop in grooten aensien vint.Maer t’wijl dit selsaem volck op hare wijse leefde,En sonder vaste plaets in alle landen sweefde,Een maeght van Murçia die sagh den edelman,880En hoe hy al de jeught in schoonheyt overwan.En hoe syn heus gelaet en syn beleefde zeden,Syn oogh, syn hoofsche tael, syn wel-gemaeckte ledenZijn anders in gestel*als oyt een heyden plagh,Of alsse daer ontrent een heer of ridder sagh.885Haer geest die wort beroert, haer sinnen om-getogen*,De loop van haer gepeys is buyten haer vermogen,Sy voelt ’k en weet niet wat ontrent haer grilligh hert,Sy voelt hoe dit gewoel*allencxen grooter wert.Wat sal de juffer doen? Sy weet niet wat te maken,890Sy voelt een selsaem vier door al de leden blaken;Dies als sy op een tijt den ridder eensaem vont,Soo opent sy aldus tot hem een heuschen mont:Bevallick jongelingh, wat magh u doch bewegen,Dat ghy tot desen hoop soo bijster zijt genegen?895Dat ghy by dit gespuys u soete jeught verslijt,Ey geeft eens beter vreught aen uwen jongen tijt.Gebruykt u geestigh lijf en dese schoone leden,Daer ghy, tot uwer eer, die nutter sult besteden,En soo ghy zijt geneyght te gaen met goet beleyt,*900Ick weet een beter staet voor u alleen bereyt.Hier zijn veel edel-lien die my tot trouwen vergen*,Want ick heb over-al veel wijngaerts aen de bergen,En bossen in het wout, en boomgaerts in het dal,En ossen op het velt, en peerden in den stal,905En schapen op het schor*, en geyten aender heyden,En hinden in het perck, en koeyen in de weyden,En knechten tot de jacht, en honden in het kot,En voor mijn eygen huys een schoon en lustigh slot.In ’t korte machtigh goet. magh ick u maer genieten*,910Ick sal in uwen schoot geheele schatten gieten,Dit wout, dit vruchtbaer lant, soo ver u oogen sien,Dat sal u eygen zijn, en ick noch boven dien.Ick die een dochter ben van edel bloet geboren,Heb u, door enckel gunst, voor alle mans verkoren.915Siet, dat de beste jeught voor desen heeft gesocht,Wort u alleen gejont, en in den schoot gebrocht.Ontfanght mijn rechter-hant, ontfanght mijn frissche*leden,Die ick in u vermaeck na desen wil besteden,Ontfanght mijn herte selfs, en stelt my buyten pijn,920En spreeckt een eenigh woort, en ick sal uwe zijn.Andreas hoordet aen, maer kon het geensins prijsen,Dat uyt haer teeren mont soo vrije woorden rijsen.O vrijsters, watje doet, siet datjet niet en vraeght;Want als een vrijster vrijt dat is te veel gewaeght.925Me-juffrou, seyt de man, ick danck u duysent werven,Mijn liefd’ is eens geset, en daer in wil ick sterven;Weet oock dat onder ons geen mensch en wert gepaert,Als met ons eygen volck of een van onsen aert.V°gunste, niet-te-min, die ghy my komt betoonen,930Die wensch ick dat u God ten vollen wil beloonen;Doch, wat my raken*magh, set elders uwen sin,Mijn hert is u ontseyt, daer woont een ander in.Gohanna met den slagh van soo een drouve reden,Gevoelt een koude schrick haer rillen door de leden,935Gevoelt een diep verdriet; sy gaet ter zijden af,Daer sy haer drouf gemoet in dese klachten gaf.*Wat ben ick voor een sloir*? wat heb ick gaen beginnen?Kan ick geen heyden selfs bewegen om te minnen?Och! God, wat hanght my uyt*, dat ick geen schamel man940Met al dat ick besit tot mywaerts trecken kan?Ben ick dan soo mismaeckt, soo leelick aan te schouwen,Dat my een slecht*gesel ontseyt een wettigh trouwen?Ben ick soo vuyle slons, of wel een oude queen*,Dat ick verstooten word’ en loop een blauwe scheen?945Neen seker; ’k heb terstont*mijn lijf en gansche wesen,Mijn oogh, en rooden mont, mijn geestigh*hair gepresen,Als ick ontrent den noen en midden op den dagh*Mijn leden overslough*, en in den spiegel sagh.Voorwaer een eerlick*man die sou hem des vernougen,950Indien ick maer en wou tot hem mijn leden vougen:*Ick ben wel kussens weert, en soo ick maer en wou,Ick waer oock heden selfs versegelt*in de trou.Daer zijnder vry genough die my des komen vragen,En die noch boven dat mijn vrienden*wel behagen:955Ick ben voor rijck, en schoon, en eerbaer*hier bekent,En heb soo veel versoucx*als yemant hier ontrent.Maer dat is niet genough. Men kan geen liefde setten,Ter plaetsen daer men wil; want die is buyten wetten,En gaet daer ’t haer bevalt. De sin die isset al;960En gansch de werelt dwaelt in dit ellendigh mal*.Ick ben soo dwaes geweest dat ick heb uyt-verkorenEen die my niet en acht. ach! waer ick noyt geboren.O! ’t is een hart gelagh, wanneer een jonge maeght,Haer wil niet hebben magh, schoon sy ’t haer minder vraeght.965Ach! dat’s een wrange spijt, ach mocht ick heden sterven!Want ick en sal geen troost mijn leven oyt verwerven.Hy is een selsaem hooft, hy is een rouwe gast,Die op geen schoone verw en op geen rijckdom past.*Maer waerom dus ontset om niet te willen leven?970En waerom doch den moet soo veerdigh op-gegeven?Het gaet noch als men vrijt gelijck het eertijts plagh,Daer wort noyt eycken boom gevelt met eenen slagh.Ick wil eens wederom ick wil de saeck beprouven,Hy sal niet andermael mijn teere ziel bedrouven;975Ick sal hem mijn çieraet, mijn schatten boven dien,Ick sal hem diamant en peerels laten sien.Ick sal gelijck een klis hem aen de leden hangen,En met een soet gevley hem streelen aen de wangen,Ick sal hem. Maer, eylaes! hoe meer een vrijster vleyt,980Hoe datse meer verveelt, en lichter wert ontseyt*.Syn hert is niet aen haer;*het wert, eylaes! beseten,Van eene die ick merck hy noyt en sal vergeten.’T is dan om niet gepooght, al woel ik bijster seer;Want voor mijn treurigh hert en is geen hope meer.985Het lieven is een dingh van wonder groot vermaken,’K en weet op aerden niet dat beter plagh te smaken;Maer liefde sonder hoop van oyt gelieft te zijn,Dat is een boose plaegh, en meer als helsche pijn.Dan ick ben niet gesint dit quaet in my te voeden,990Het geesselt mijn gemoet als met gestage roeden.Gewis dit moeter uyt; en om hier wel te gaen,Soo moeter in de plaets en haet, en wraeck-lust staen.Wel, haet, ontsteeckt mijn hert, en stelt u om te wreken,Dat zijn van overlangh dat zijn de rechte streken995Van een die qualick mint, of ongeluckigh vrijt,Ontseyde gunst ontbrant in gal en enckel spijt.En dat knaeght aldermeest de sinnen van de vrouwen,Die zijn hier als verwoet, en konnen wonder*brouwen.Een wijf is bijster ergh*; en waer men lagen smeet,1000Daer is geen nicker*selfs die slimmer gangen weet.Dit moet ick heden selfs dit moet ick gaen beprouven,Ick wil hem metter daet, ick sal hem gaen bedrouvenDie my de vreught ontseyt. Stae by nu, vrouwen-list,En stort in mijnen geest dat noyt verrader wist.1005Dat noyt een spoker*dacht, of boose geesten vonden,Mijn breyn is op den loop, mijn sinnen ongebonden,Mijn kop die suysebolt, daer is geen houwen aen,Daer moet oock*desen dagh wat selsaems omme-gaen.Ick, ick, moet wrake doen, en hy syn straffe dragen,1010Al sou het gansche rijck van desen handel wagen,Al soud’ ick heden selfs my brengen in den noot;Stil*leven kan ick niet, ick ware liever doot.Hoort wat de juffer doet. Sy laet haer jongen letten,Waer dat Don Ian syn mael*gewoon is in te setten,1015Een mael die niet en sluyt, en slechts van ossen leir;Want koffers vindt men noyt ontrent dit selsaem heir.Hier van wel onderricht, soo laetse moye dingen,Gout, peerels, hals-çieraet, daer in den huyse bringen,En binden in het kleet van onsen jongelingh,1020Terwijl hy in het dorp of op den velde gingh.Andreas wel bewust hoe dat de vrouwen woeden,Wanneer men haer ontseyt haer lusten aen te voeden,*Gebiet*dat al het volck terstont in rassen spoet,Oock op dien eygen dagh, van daer vertrecken moet.1025Dit nam de juffer waer, en als hy meynt te reysen,Begon sy met beleyt op haer bedrogh te peysen;Sy stroyt door al het dorp dat sy uyt hare kist,Gout, peerels, eenigh gelt, en veel juweelen mist.Stracx zijn op haer geklagh de boeren aen-gekomen,1030Die eyschen wederom al watter is genomen:De rackers*van de schout zijn mede daer ontrent,Die na den vreemden roep*de strenge rechters sent.Daer gaet men ’t heydens rot ten nausten ondersoecken,De vrouwen in haer keurs*, de mannen in de broecken.1035Maer, siet, de loose maeght die wees den ridder aen,En seyt het slim bejagh*by hem te zijn begaen.Als dit Andreas hoort soo komt hy toe-getreden,Hy lough de jufler toe, en seyd’ haer dese reden:Komt souckt, vriendinne, souckt al wat gy soucken meught;1040By my is anders niet als trou en ware deught.Indien ick van bedrogh hier schuldigh wort bevonden,Soo ben ick wel getroost om vast te zijn gebonden,En soo te zijn gestraft gelijck men guyten*doet,Die soecken haer bejagh op ander luyden goet.1045Ick sal nogh boven dat u seven-mael betalen,Wat ghy van u çieraet hier uyt sult konnen halen:Doorsoukt vry dese mael, en watje vorder siet,Een peert dat niet en let*en vreest den ros-kam niet.*Hier op soo gaet de schout, en syne rappe gasten*,1050De male van den vrient wel happigh*ondertasten*,En, siet, van stonden aen soo komt het aen den dagh,Al wat voor aerdigh tuygh daer in verholen lagh.Don Ian op dit gesicht is wonderlick verslagen,Noyt was hy soo verbaest*van al syn leven-dagen;1055Hy staet gelijck een steen met droufheyt overstort,Eylaes! de jongelingh en weet niet waer het schort.Stracx*riep de jufier uyt: Koomt vanght ons dese bouven,Die met haer vuyl bejagh het gansche lant bedrouven.Maer grijpt eerst desen gast, die eerst soo moedigh*sprack,1060Hy is de rechte gront van al het ongemack.Hier vanght den rechter aen den ridder seer te schelden,Hy noemt het heydens volck een plage van de velden,Een peste van de stadt, een schroom*van yder huys,Een schuym van bouve-jacht*en alle vuyl gespuys.1065Daer stont een krijghs-man by die sigh des gingh bemoeyen,Wech (seyt hij) met den bouf, hy dient te leeren roeyen.*En even met het woort soo geeft hy hem een slagh,Soo dapper*als hy kan, soo vinnigh als hy magh.Andreas suysebolt, syn hersens zijn bewogen,1070Syn geesten al gelijck door gramschap op-getogen,Hy denckt niet waer hy is, hy weet niet wat hy doet,Syn geest die speelt alleen ontrent syn edel bloet.*Hy stelt hem dan te weer, en gaet den krijghs-man tegen,Hy valt hem op het lijf, en vat syn eygen degen,1075Hy treft hem in het hert met soo een diepen steeck,Dat hem de leven-kracht van stonden aen besweeck.Daer schreeut men overhoop*. Andreas wort gebonden,En al het heydens rot na Murçia gesonden;Daer is het hals-gerecht van dat geheele lant,1080Soo dat men daer ontrent geen hooger rechter vant.Terwijlen dit gebeurt, Constançe, gansch verslagen,Is van den bleycken angst als buyten haer gedragen,Daer is een killigh sweet dat uyt haer aders schiet,Vermits sy haren vrient aldus gebonden siet.1085Maer desen onverlet*soo wortse mé genomen,En is met al het rot tot in de stadt gekomen;Daer krielt men overhoop al waer de vrijster quam.Vermits een yder lust in haer gesichte nam.De fame van de maeght aen alle kant gevlogen,1090Heeft oock de lant-vooghdin tot in het hert bewogen,Sy maeckt haer veerdigh op, sy gaet tot haren man,Daer seytse voor de maeght al watse seggen kan;Al met soo grooten ernst*dat haer wort toe-gelaten,Het jongh, het geestigh dier te nemen van der straten,1095Te brengen op het slot. Maiombe wasser by,En was om dit geval van ganscher herten bly.Sy meynt, soo maer de vrou hoort Pretiose spreken.Dat haer noch goet onthael noch gunste sal ombreken°.En soo als sy het gist soo wasset dattet viel,1100Me-vrou ontfingh de maeght als met een open ziel.Sy blijft gelijck verdwelmt*in hare soete wangen,Sy blijft aen haer gelaet met al de sinnen hangen,Sy neemtse byder hant, sy leytse door de zael,Sy valt haer om den hals en kustse menighmael.1105Sy spreeckt Maiombe toe, sy vraeght verscheyde saken,Maer verre boven al die Pretiose raken,Sy vraeght hoe out sy was. Het wijf dat antwoort haer,Dat nu haer nichte quam ontrent de vijftien jaer.Hier op is in de vrou een drouve luym*geresen;1110Dus oudt soud’ even nu mijn weerde dochter wesen,Indien de goede God dien uytgelesen schat(Dit sprack vrou Giomaer) aen ons gelaten had.Maer, laes! nu is het kint in syne jonge dagenMet listen wech-geruckt, en uytet lant gedragen.1115Constançe waerje zijt, of immer komen meught,God zy door synen geest ontrent u teere jeught.De maeght gingh onderdies me-vrou de handen kussen,En bid haer evenstaegh haer druck te willen blussen*;En t’wijl vrou Giomaer vast sit op haer en sagh*1120Ontsluyt*het aerdigh dier aldus syn drouf geklagh.Indien ghy, weerde vrou, hebt eenigh welbehagenIn mijne teere jeught, soo hoort mijn angstigh klagen,En mijn bedroufde stem. De goede jongelingh,Dien in het naeste dorp de lant-drost*heden vingh,1125Dat is mijn weerde vrient, in trou aen my gebonden,Daer wort geen beter mensch in al het lant gevonden;Al*is de krijghsman doot het is syn eygen schult,Hy bracht den vromen*helt tot enckel onverdult*°.Hy slough hem met een vuyst dat hem de tanden bloeden,1130Soo dat syn edel hert hierom begon te woeden.Hy is geen rouwe gast die oyt syn leven stal,*Gelijck men metter tijt wel ondervinden sal.Hy is een edelman. laet alles overwegen,En ondersoeckt het stuck gelijck het is gelegen,1135Ghy sult met oogen sien, en tasten metter hant,Dat niemant oyt bedrogh in al syn handel vant.Soo dese jongelingh gedwongen is te sterven,Soo moet ick van gelijck mijn jonge leven derven,Mijn hert is al te weeck, mijn wesen al te teer,1140Als hy syn leven laet, wil ick geen leven meer.Ick bid u, weerde vrou, met al de gansche leden,Om u verheven stam, om u beleefde zeden,Indien oyt soete min, indien oyt reyne vlamIn uwen geest ontstack, in uwen boesem quam;1145Soo slaet een gunstigh oogh op twee soo jonge menschen,Die geensins hoogen staet of machtigh gelt en wenschen,Maer poogen een te zijn in vreught en ongeval,Tot dat de bleecke doot haer eenmael scheyden sal.Met dat de jonge maeght haer reden heeft gesproken,1150Zijn haer met groot verdriet veel tranen uyt-gebroken,Soo dat het siltigh nat een stroom, een gansche beeck,En aen vrou Giomaer een stage vloet geleeck.Sy dan, mits*dit geklagh, gevoelt haer gansch bewogen,Gevoelt haer innigh hert als uyt het lijf getogen;1155Daer is, ’k en weet niet wat, dat haer de sinnen roert,En dat haer angstigh hert geweldigh omme-voert.Men siet in dit gepeys men siet haer oogen vlieten,Soo dat haer in den schoot de druppels henen schieten.De lant-vooght onderdies koomt treden in de zael,1160Verwondert dat hy sagh den druck van syn gemael.En hier op koomt de maeght hem vallen aen de voeten,En gaet hem insgelijcx met drouve woorden groeten;Sy weent, en bid, en smeeckt, met soo een heuschen mont,Dat hem de goede man al med’ ontsteken vont.1165Hy kan, met alle kracht, syn tranen niet bedwingen,Die hem, als tegen danck*, op mont en wangen springen;Hy staet geheel verbaest, hy staet een wijle stil,Onseker wat hy doen, of wat hy laten wil.Maiomb’ hout onderdies haer sinnen op-getogen*,1170En wough haer drouven stant met al haer gansch vermogen.*Sy rijst ten lesten op, en seyt: Eerweerde*vrou,My dunckt ick weet behulp voor desen swaren rou.Wilt ghy een kleynen tijt hier uyte zael vertrecken.Ick sal u metter daet een wonder stuck ontdecken,1175Hoort my een woort alleen, hoort wat ick seggen sal,Ghy sult een eynde sien van dit bedrouft geval.Maiombe sonder meer begaf haer uyter zalen,En gingh van stonden aen een aerdigh*doosjen halen;En alsse weder quam daer Giomara stont,1180Soo knieltse veerdigh neer, en opent haren mont.Vergeeft my, seyt het wijf, dat ick eens heb bedreven,En dat ick nu ter tijt u wil te kennen geven,Of soo ick na de wet ben weerdigh harde straf,Soo geeft my aen den beul, en sent my naer het graf.1185Ick sal (hoe dattet gaet) de rechte waerheyt spreken,Ghy mooght aen desen romp*u leet en droufheyt wreken;Ick sal tot aller stont verdragen met gedultWat ghy my voor verdriet hierom doen lijden sult.Het is nu derthien jaer, of luttel min geleden,1190Dat ick mijn reyse nam door al de Spaensche steden,En door het platte lant, ick sochte mijn bejagh,Tot dat ick in Madril een aerdigh meysjen sagh,Een kint nau twee jaer out behangen met juweelen,Daer ick, na mijn verstant, behoorde van te deelen,*1195De voester, soo ick sagh, die stont daer op de straet,Met seker kamer-maeght verwerret*in de praet.Ick greep het jonge schaep, en sonder lange dralenSoo reysd’ ick inder haest in onbekende palen:En als ick was ter plaets daer ick my seker vont,1200Doen leyd’ ick in beraet, wat my te plegen stont.Ick had eens*vast gestelt (ick wil de waerheyt seggen)Het kint, van als ontbloot, tot vondelingh te leggen,Om al syn rijck çieraet, en wattet vorder had,Te houden voor een roof, en als mijn eygen schat.1205Maer als ick recht doorsagh syn geest en frissche leden,Doen vond’ ick mijn gepeys te strijden met de reden;En daer op nam ick voor het meysjen op te voen,Op hope dattet ons eens voordeel mochte doen.Ick hebbet dan besorght*, ick hebbet laten leeren,1210Al wat te rechter tijt haer jonckheyt mocht vereeren*,Soo dat het geestigh dier veel schoone dingen kan,En is (mijns oordeels) weert den besten edelman.Maer wat is quaet te doen! wat heb ick drouve slagenOm dit ondeugend’*werck in mijne ziel gedragen*!1215Hoe was ick evenstaegh gepijnight in den geest!Wat heb ick niet gesorght*! wat heb ick niet gevreest!Wat heb ick menighmael mijn herte voelen beven,En drillen*als een riet van harden wint gedreven!Ick schroomd’ (oock in den slaep) van haest te zijn beklapt*,1220Of door een snegen schout alree te zijn betrapt.Wel, ick ben des geleert*, en hebbe voor-genomen,Noyt*in soo bangen praem*mijn ziel te laten komen;Ick wil aen al ons volck en wie my raken*magh,Ontraden dit bedrijf en alle vuyl bejagh.1225Wel doen is rechte vreught; maer alle slimme*gangenZijn doodelick vergif die ons de ziele prangen.Hier is dan nu de tijt dat ick mijn schult beken,Vermits ick op den wegh van beter leven ben.Mijn heer, siet dit juweel, en dese goude keten,1230Ghy sult van stonden aen den ganschen handel weten:Of wijst dit niet genough den gront van dit geval,Soo leest eens desen brief dien ick u geven sal.Soo haest als sy het schrift den lant-vooght had gegeven,Hy siet van stonden aen al datter is geschreven;1235Hy lasset overluyt en met een open mont,En dit was inder daet dat hyder in bevont.

461Terwijl hem*dit gebeurt met wonder groot vernougen,

Soo koomt de nachtegael sigh by de vrijster vougen,

En queelt daer uyte borst met soo een bly geschal,

Dat haer*vermenghde stem verheught het gansche dal.

465De ridder onderdies gevoelt syn geest beroeren,

Terwijl hy op de maeght alleen heeft sitten loeren*.

Wel of dit heydens*kint (seyt hy met vollen mont)

Eens op syn hoofs gekleet voor ons ten toone stont,

Waer*sou haer schoonheyt gaen? van soo een aerdigh wesen*

470En is (gelijck ick meyn) in geenen tijt gelesen.

Hier op soo treet hy toe, en geeft*hem by de maeght,

Die hy na syn gevolgh en na de jagers vraeght.

Sy, met een heus gelaet, seyt geensins yet te weten

Waer syn geselschap is; maer daer te zijn geseten

475Ten eynde sy een krans van groene kruyden vlocht,

Die haer dan op het feest tot çiersel dienen mocht.

Maiombe die alreeds den ridder had vernomen,

Begon van stonden aen voor hare nicht te schromen,

En maeckt*haer daer ontrent, op datse mocht verstaen

480Wat haer de ridder seyt, en hoe de saken gaen.

Constançe was begaeft met soo een aerdigh wesen

Dat niemant haer gelaet genough en heeft gepresen,

Daer vloeyt uyt haren mont soo aengenamen lagh,

Dat sy de gunste won van die haer maer en sagh.

485Haer zeden zijn beleeft, haer reden wel gebonden*,

Haer spraeck is enckel geest en niet als soete vonden;*

In ’t korte, watse doet en watse neemt ter hant,

Dat toont een goeden aert en ongemeen verstant.

De ridder onderdies ontstelt*door heete voncken,

490Heeft op dien eygen stont het soet vergif gedroncken;

En daerom als hy wist wie dat Maiombe was,

Soo is hy nevens haer gesegen*in het gras:

Soo is hy met het wijf in veelderhande reden,

En met Constançe selfs in langh gespreck getreden;

495Ten lesten berst hy uyt: V schoonheyt, geestigh dier,

Verweckt in mijn gemoet een wonder selsaem vier.

Ick wou, indien ick mocht, u trouwe dienaer wesen,

En soo u dat beviel, soo waer ick haest*genesen,

Soo waer ick metter daet een gansch geluckigh mensch,

500En had door uwe gunst mijn vollen herten-wensch.

Het woort is nau geseyt, de soete Pretiose

Die kreegh hier op een blos gelijck een versche rose,

Haer gramschap en met een haer schaemte zijn vermenght,

Als haer beroert gemoet hem dus syn antwoort brenght:

505Heer ridder (naer ick hoor) ghy zijt vol hoofsche*treken,

En hebt (naer ick vermoe) meer vrijsters uyt-gestreken*;

Ick weet (als ghy een maeght om hare schoonheyt vleyt)

Ick wetet, lieve vrient, al wattet is°geseyt.

Ick weet dat eens de vos bedroogh den slechten*raven,

510Als hy na spijse socht om hem te mogen laven*;

De raef had lecker aes en drough het in den beck,

Dit sagh de loose vos, en speeld’ hem desen treck:

Hy seyt hem, Aerdigh dier dat geestigh weet te singen,

En zijt van outs geleert*in alle soete dingen,

515Ey schenckt ons nu een reys een deuntjen na de kunst,

Dat sal ons heden zijn een teycken uwer gunst.

De raef, eylaes verlockt met dese troutel-reden*,

Die vought sigh om te doen gelijck hy was gebeden;

En mits*dat hy den beek tot singen open stelt,

520Soo viel het lecker aes te midden op het velt.

Dat greep de slimme vos, en sonder langh te beyden

Begaf hy metten roof sigh midden opder heyden,

Daer at en lough het dier, en al met vollen mont,

Terwijl de malle*raef bedrouft en eensaem*stont.

525Ick ken (al ben ick jongh) den aert van ’t listigh prijsen,

En weet wat ongemack hier uyt sou mogen rijsen,

Ick weet het watje soeckt, als ghy my gunste biet;

Maer schoon ghy zijt de vos, ick ben de rave niet.

Ick ben een heydens kint veracht van alle menschen,

530Hoe kan u hoogh gemoet om mijn geselschap wenschen,

Als slechts op desen gront, ten eynd’ u geyle lust

Tot oneer mijner jeught eens mochte zijn geblust?

Maer neen, gelooftet vry, geen man sal my belesen,

Dat ick in geyle lust hem sal ten dienste wesen.

535Acht my voor die ghy wilt, en dat ick wesen magh,

Ick ben een vyandin van alle vuyl bejagh.*

Dat sal ick eeuwigh zijn. wel gaet dan elders jagen,

Voor u en is geen kans mijn eere wech te dragen;

Weet datter onder ’t volck dat ghy voor heydens groet*

540Noch is een reyne ziel en onbevleckt gemoet.

Ghy dan, nadien ghy zijt genegen om te jocken*,

Gaet naer het dertel hof, en streelt de sijde rocken*,

Soeckt daer bequame*stof voor u ongure*vreught,

En laet my ’t edel pant van mijne reyne jeught.*

545Als ’t wijf op desen toon de vrijster hoorde spreken,

Heeft sy haer peck-swart hair een weynigh op-gestreken,

Als bly van dit gespreck. Ey, seytse, lieve vrient,

Hier is geen lichte koy die hoofsche linckers*dient.

De joncker als verbaest*van soo gestrenge woorden,

550Die hem als door het oir tot in het herte boorden,

Sagh op het fier gelaet van soo een jeughdigh dier,

En voelt te meer de kracht van syn inwendigh vier.

En naer hy sonder spraeck een weynigh heeft geseten,

Soo laet hij syn besluyt de strenge vrijster weten,

555En dat op desen voet; hy treckt van syner hant

Een ringh, een rijck juweel, een hellen diamant.

En seyt haer: Schoone maeght, ick sweere by mijn leven,

En by het ridderschap my van den prins gegeven,

Ick sweere by het pant dat ghy voor oogen siet,

560Dat u mijn trouwe ziel oprechte liefde biet.

’K en wil u, schoone blom, niet als een by-sit houwen,

Ick wil u na den aert*van onse wetten trouwen,

En tot een vast gemerck*, siet daer één eeuwigh pant,

Draeght dat tot mijnder eer aen uwe rechterhant.

565Te midden in het woort soo biet hy Pretiose

Een schoonen diamant. Sy, na een lange pose

Het stuck in haer gemoet te hebben overdacht,

Heeft dus, met heus gelaet*, haer antwoort ingebracht:

Wel joncker, na my dunckt, ghy schijnt het stuck te meenen,

570Maer ghy sult uwen staet*in my te seer verkleenen;

Ghy daerom letter op, eer dat ghy vorder gaet,

Hier dient niet in*gegaen als met besetten*raet.

Maer noch al boven dat, soo magh ick niet vergeten

Dat u in dit geval is dienstigh om te weten,

575En dat ick noodigh acht voor al te zijn gedaen,

Eer dat wy tot besluyt in desen handel*gaen*.

Ghy moest twee jaren langh in ons geselschap leven,

En u aen onse wet ten vollen over-geven:

Ghy moest benevens*ons gaen dolen achter*lant,

580By wijlen sonder gelt en sonder eenigh pant*:

Ghy moest u machtigh goet en uwe groote staten,

Ghy moest u prachtigh kleet geheelick achter laten,

Ghy moest in volle daet, en niet in loosen schijn,

Een spot, gelijck als wy, van al de werelt zijn;

585En dit al, goede vrient, om wel te mogen*letten,

Of nut en dienstigh is u sin op my te setten,

En med’ aen d’ander zy, of my oock dienen sou

Met u dit vry gemoet*te binden aen de trou.

Siet dit is ons gebruyck, ick spreke sonder veysen*,

590Ghy, soo het u belieft, gaet op de sake peysen;

Dit moet de preuve*°zijn van uwe liefde, vrient,

Of anders stelt het vast, dat ghy my niet en dient*.

Soo haest de ridder hoort het slot van dese reden,

Hem rilt een koude schrick door al de gansche leden.

595Dies seyt hy: Dit ontwerp dat ghy hebt voort-gebracht,

Gaet verde*, soete maeght, en dient te zijn bedacht.

Ick wil met rijp beraet het stuck gaen overleggen,

En u in ronde tael mijn antwoort komen seggen,

En dat te deser plaets, en in dit eygen dal,

600Soo haest de gulde son hier weder schijnen sal.

Daer mede breeckt hy af; vermits hy had vernomen,

Dat boven van den bergh syn jagers neder komen;

Die wenckt hy metter hant; soo dat het gansche rot

Met hem koomt af-gedaelt tot aen syn vaders slot.

605Hier treet de ridder in, en, schoon dat al de knechten

Zijn besigh op een ry de schotels aen te rechten,

Hy des al niet-te-min onthout hem van den dis,

Vermits hy, soo het schijnt, geheel onlustigh is.

Hy sluyt syn kamer toe, en gaet een wijle treden,

610Hy spreekt tot syn gemoet, en al in losse*reden,

En dus, en weder soo, al sonder vast besluyt,

En berst noch op het lest in dese woorden uyt:

Eylaes! wat gaet my aen*aldus te liggen mallen*,

En op soo lagen plaets mijn oogh te laten vallen,

615Mijn oogh, mijn dertel oogh, mijn ongetoomde lust,

Die niet aen dese kant en dient te zijn geblust?

Sal ick mijn edel huys, mijn staet, en eere laten,

En met soo vuylen hoop gaen loopen achter straten*,

Gaen loopen door het rijck, en menigh ander lant,

620Alleen maer uyt een tocht van geyle minne-brant?

Sal ick, een Christen mensch, tot heydens my begeven,

En leyden nevens haer een rou en beestigh leven?

Sal ick een macker zijn van desen vuylen hoop,

Een smaet van onsen God, en van den reynen doop?

625Sal ick mijn naeste bloet tot mijnen*haet verwecken,

En door het gansche rijck mijn voorstel*doen begecken?

Sal ick de schande doen aen mijn vermaerde stam,

Dat ick een heydens wijf in mijn geselschap*nam?

Dat ick, als tot een spijt*van alle Christen-vrouwen,

630Met soo een vuyl gebroet genegen ben te trouwen?

Neen neen, ô hoogh gemoet, en doetet nimmermeer,

Let op uws vaders huys en op u eygen eer.

Ghy houft voor u geen wijf by dit gespuys te soecken,

En maken dat het volck u trouwen sal vervloecken.

635Hier in dees rijcke stadt en in dit machtigh hof,

Daer is tot u gerief al vry bequamer stof.

Indien ghy zijt gepast*met wel-gemaeckte leden,

Koomt, als het u bevalt, maer uyt u huys getreden,

Daer woont de schoonheyt selfs, en dat in groot getal,

640Daer u naeu-keurigh*hert vernougen vinden sal.

Indien ghy zijt vermaeckt*met wel en net te spreken,

En dat oock evenselfs en sal u niet ontbreken.

Indien ghy gelt begeert, of anders machtigh goet,

Ghy vindt het even daer, en dan oock edel bloet;

645Ghy vintet altemael, en watter is te wenschen,

Treckt maer u grilligh*oogh van dees ongure menschen,

Gaet kiest dat u betaemt, en trout met uws gelijck;

Ghy vint tot u gerief het gansche koninghrijck.

Maer wat magh ick, och arm! mijn jonge sinnen quellen,

650En mijn ellendigh hert in dese prangen*stellen?

Ick sie het klaer genough wat dienstigh is gedaen,

Maer wie kan in de jeught syn tochten wederstaen?

Ick prijse reyne tucht en alle goede zeden,

Maer ick en kan de lust niet buygen na de reden:

655Al ben ick met de jeught gedurigh in geschil,

Ick worde wech-geruckt oock daer ick niet en wil.*

Ick word’, eylaes! vervoert*, en schoon ick wil het weren,

Ick rake buyten spoor oock tegen mijn begeren.

Het vleesch is wonder sterck, en ’t is een deftigh*man,

660Die hier het velt behout en meester blijven kan.

Ick gae dan wederom, ô schoone Pretiose,

Mijn hert vermagh het niet dat ick een ander kose;

Ick ben in dat gepeys te verre wech geleyt,

Ick hael het weder in*al wat ick heb geseyt.

665Soo haest u geestigh oogh, u soet en aardigh wesen

Koomt als een helle son in mijnen geest geresen,

En dat ick sie den glans van u beleeft*gelaet,

Dan isset sonder kracht al wat u tegen gaet.

Geen mensch kan immermeer in desen my beschamen,

670Als of soo slechten maeght my niet en sou betamen,

En dat mijn grilligh hert hier sonder reden malt,

Vermits mijn rouwe*jeught hier in te lage valt.*

Ey draeyt doch eens het oogh, en siet na d’oude jaren,*

Het stuck dat sal gewis sigh anders openbaren;

675Wat isser doen ter tijt, wat isser al bedocht,

Om by een geestigh dier te vinden dat men socht?

Iupijn, wel eer geseyt de grootste van de goden,

Is uyt syn hoogen troon tot in het wout gevloden,

En heeft daer aen-gedaen het wesen van een stier,

680Of van een wilde swaen, of ander selsaem dier.

Heeft niet Alcmenaes soon,*die monsters had verwonnen,

Den spin-rock aen-geveert, en als een wijf gesponnen,

En vry al meer gedaen dat noyt een deftigh man,

Bezijden dit geval, ter eeren duyden*kan?

685Hoe menigh edel vorst, een kroon gewoon te dragen,

Is inder haest verruckt*door heete minne-vlagen,

Niet door een hoofsche maeght, of groote koningin,

Maer, ick en weet niet hoe, een sloir*een harderin?

Daer is, men weet niet wat, in onsen geest verholen,

690En doet al menighmael de wijste lieden dolen,

Het brenght hen in den geest een aengename pijn,

En seyt: Dat Gode vought*wien kan het schande zijn?

Soo haest het groote licht de sterren heeft verdreven,

Soo gaet de jongelingh sigh op den wegh begeven,

695Hy vint het oude wijf, hy vint de jonge meyt

Ter plaetse daerse bleef en daer het was geseyt.

Hy viel, terwijl hy gaet, in veelderley gedachten,

Die hem syns vaders huys vry hooger deden achten,

Die hem van nieuwen aen gaen brengen in den sin,

700Syn vremde dweepery en noyt bekende*min.

Dies valt hy in beraet, of hy sal weder keeren,

Dan of hy syn gemoet sal laten overheeren;

En, siet, de reden wan, de vremde liefde weeck,

En, soo het schijnen mocht, syn eerste lust besweeck.

705Maer juyst in dit gepeys doen sagh hy Pretiose,

En*scheen in haer gelaet gelijck de versche rose,

Oock*schoonder alsse plagh. Dies als hy nader quam,

Soo wert van desen roock terstont een helle vlam.*

Iuyst soo gelijck een keers te voren eens ontsteken,

710Waer van dien eygen stont het leven is geweken,

Indiense maer een reys genaeckt een hellen brant,

Is op den staenden voet in haren eersten stant:

Soo vaert de jongelingh. Hy koomt tot haer getreden,

Hy seyt haer: Weerde maeght, ick schenck u dese leden,

715Ick ben bereyt te doen wat ghy bevelen sult,

En watter komen magh te dragen met gedult.

Ick ben van nu bereyt u wijsen*aen te vangen,

Laet my terstont een kleet van u geselschap langen*;

Ick sal om uwen t’wil°met blijdschap onderstaen

720Dat nimmer edelman of ridder heeft gedaen.

Dit seyt hy, en terstont began hy uyt te trecken

Al wat syn edel lijf voor desen plagh te decken;

Soo dat hy eer*een uyr daer op den velde state

In als*soo toe-gerust gelijck een heyden gaet.

725Stracx koomt het gansche rot den man bewellekomen,

En hy wort onder hen als broeder aen-genomen;

Daer wort syn hooft gewiet*te midden in de schaer,

Maer al met naer*geheym en wonder vremt gebaer.

De naem die hem wel eer was in den doop gegeven,

730Om als een Christen-mensch voortaen te mogen leven,

Wort by*hem voor het volck ten vollen af-geleyt,

Soo dat hy nu voortaen Andreas wort geseyt.*

Een met een grijsen kop die quam tot hem getreden,

En biet hem veel gelucx, en seyt hem dese reden:

735Ghy, die als nieuwelingh in ons geselschap treet,

’T is nut dat ghy den gront*van onse rechten weet.

Ick dan, een opper-hooft van onse med’gesellen,

Wil voor u klouck verstant ons wetten open stellen.

Voor eerst en heeft ons volck geendingh voor hun alleen,

740Wat yder wint of vint dat is voor ons gemeen.

De vrouwen neem ick uyt*; die mogen na de wetten

Haer bedde nimmermeer in eenigh deel besmetten.

Want als haer eenigh wijf hier in te buyten gaet,

Dat wort van stonden aen gelevert aan den Raet,

745En die laet overluyt terstont het vonnis lesen,

Dat sy onweerdigh is op aerden meer te wesen.

Dies houft men beul, noch galgh, noch sweert, noch engen strop,

De jonghste van den hoop die breeckt*haer flucx den kop.

Men tijght ons dieften op*, en wonder slimme*streken,

750Maer ’t is niet wel geseyt, men moeste sachter spreken;

Wy stellen overal gemeenschap in het goet,

En nemen ons behouf van rijcken overvloet.*

Wy zijn gelijck een spoor*van haveloose*menschen,

En krijgen even soo*al wat wy konnen wenschen.

755Want die op syn bedrijf*niet vlijtigh toe en siet,

Wanneer hy weder koomt, soo vint hy dickmael niet.

Ons tuygh wort noyt gerooft. ’t is qualick yet te stelen,

Wanneer den huys-weert selfs die rolle weet te spelen;

Al knaeght de grage*slangh al vry een lange wijl

760Voor haer en is geen aes te krijgen van de vijl.

Wy leeren alle daegh de gront om wel te leven,

En wat men aen den buyck of rugh behoort te geven,*

Wy hebben inder daet nu menighmael beprouft,*

Hoe weynigh dat het lijf tot noodigh voedsel houft.

765Het is een groot gemack, bekent aen weynigh menschen,

Niet*in dit aerdsche dal te vreesen of te wenschen:

Wy vinden dat men eerst dan onbekommert leeft,

Wanneer men niet en soeckt, oock als men niet en heeft.

Dies zijn wy niet besorght*om goet by een te rapen,

770Maer konnen onverlet en sonder vreese slapen.

Wy spitten nimmermeer, wy kennen geenen plough,

En des al niet-te-min wy vinden broots genough.

Wy preesen noyt een mensch die na den rijckdom snelde,

Wy leven van den dau, als bloemen op den velde.

775Ons ziel is niet beducht om geit of machtigh goet,

Wy rapen onsen kost gelijck een vogel doet.

Wy plucken sonder gelt de vruchten van de boomen,

Wy trecken sonder kost*de vissen uyt de stroomen,

Wy krijgen wilts genough en vogels uyt het wout,

780De keyen geven vier, en al de bossen hout.

Ons huysraet meestendeel bestaet in snelle bogen.

Wy koken daer het valt*, wy slapen daer wy mogen*;

En schoon het niet en gaet gelijck het yder lust,

Wy des al niet-te-min wy stellen ons gerust.

785Wy konnen noorden wint, en alle sure*vlagen,

Wy konnen harden vorst, oock sonder hinder dragen;

Soo dat ons gansche lijf geen koud’ of hit en kent.

Soo veel vermagh de tijt en daer men toe gewent.

Schoon dat het gansche rijck wou krijgh en oorloogh°voeren,

790’T en sal ons even-wel de sinnen niet beroeren.

Want schoon of dese wint, en die verliest den slagh,

Het gaet ons even-wel gelijck het eertijts plagh.

Wy staen noyt vrouger op om eenigh heer te groeten,*

Of dat*wy door de stadt een prins geleyden moeten,

795Wy streelen*niet een mensch, oock niet den grootsten vorst,

Dat is maer voor het volck dat na den eer-sucht dorst.

Ons geest is nimmermeer gequelt met hooge saken,

Om ons door al het lant een grooten naem te maken,

Of ons de werelt prijst, of ons de werelt laeckt,

800Wy zyn als buyten schoots en werden niet geraeckt.

Al is de gansche kust van roovers in-genomen,

Noch zijn wy niet beschroomt om daer ontrent te komen;

Wy singen menighmael oock in het dichste wout,

Daer sigh een vinnigh*heir van felle moorders hout.

805Wy zijn niet eens beducht, schoon al de winden blasen,

Wy leven onbeschroomt hoe seer de baren rasen:

Wy vreesen geenen brant of hoogen water-vloet.

Die niet verliesen kan wat schaet hem tegenspoet?

Schoon dat het gansche rijck moet tol*of schattingh geven,

810Wy lyden even-wel een onbekommert*leven,

Geen hooft-gelt op het volck, geen lasten op het lant

En worden oyt geverght aen onsen vrijen stant.

Wat dienter meer geseyt? wy zijn geduchte*lieden,

Die geen verheven vorst, geen prins en kan gebieden.

815Al waer de gulde son de werelt open*doet

Daer gaen wy sonder schroom, als op ons eygen goet.

Wy leven over-al als prinçen van den lande;

Niet hebben even-wel en is hier niemant schande.

Wy trecken t’ onsen dienst geheel het aertsche dal,

820Wy hebben niet een sier, en wy besitten ’t al.

Ick heb u, edel helt, ons wijse nu beschreven,

Ghy let of ghy begeert met ons daer in te leven,

Dan of ons strengh gebruyck is tegen uwen aert;

Want siet het staetje vry te blijven dat je waert.

825De grijse kop die sweegh. Andreas gaet beginnen,

Spits-broeders, seyt de man, met al de gansche sinnen

Word’ ick u bont-genoot, en tot een vaste peyl*,

Hier is een volle beurs die ick u mede deyl.

Siet, als ick uytte stadt tot u ben af-gekomen,

830Soo heb ick desen bucht*in voorraet met-genomen:

Ontfanght dit kleyn geschenck, en weester vrolick van,

En hout my voor u vrient en voor een rustigh*man.

Een dingh wil ick alleen hier in bedencken*brengen,

En bidden, wat ick magh*, dat ghy het wilt gehengen*;

835Ick treed’ in dit verbont, alleen om dese maeght,

Laet die voor my alleen indien het u behaeght.

Ick sal tot aller tijt, waer dat wy henen trecken,

Haer voor een trouwen vrient, en voor een hoeder strecken,

Ick sal haer leyder zijn en hier en over-al,

840Soo dat haer teere jeught geen hinder lijden sal.

Een van den swarten hoop begon hier op te wrocken*,

En seyde: Lieve vrient, soo ghy begeert te jocken

In eere sonder hoin,*°het wert u toe-gestaen;

Maer, wat ick bidden magh, en wilt niet hooger gaen.

845Weest heus in u gebaer*, en wilter in volherden;

Of anders, houtet vast, het sal u beurte werden;

Wy lijden onder ons by wijlen soet gelach,

Maer ontucht nimmermeer, en geensins vuyl bejach.

Dies soo de jonge maeght van u wert uyt-gestreken*,

850Wy sullen u gewis den kop aen stucken breken;

Maer sooje trouwe*meent, en niet als eerbaer zijt,

De maeght sal uwe*zijn, en dat te rechter tijt.

Dit nam Andreas aen ten vollen na te komen,

En heeft op dit bespreek*de vrijster aen-genomen*;

855Een yder riep geluck en maeckte groot gebaer*,

En wederom geluck, geluck, geluckigh paer.

Maer hy versoeckt terstont, dat haer de gansche bende

Vertreckt*uyt dat gewest en elders henen wende,

Wt°vreese soo hy bleef of woonde daer ontrent,

860Dat hy van eenigh mensch eens mochte zijn bekent*.

Daer gaet hy metten hoop in vreemde landen dwalen,

En hy en mist niet eens syns vaders hooge zalen,

Hy acht geen ongemack, geen schande, geen verdriet,

Wanneer hy maer een reys syn Pretiose siet.

865Hy voelt syn ingewant, hy voelt syn herte springen,

Al sy maer uyt de borst een deuntjen plagh te singen,

Het bitter even-selfs dat is hem suycker soet.

Ey siet eens wat de jeught, en wat de liefde doet!

Don Ian noch even-wel, oock in dit woeste leven,

870En wil hem tot bedrogh of diefte niet begeven;

Maer wat dit selsaem volck of hier of elders haelt,

Dat wort al menighmael by hem alleen betaelt.

Hy wil geen vuylen jock in haren praet gehengen,

Maer pooghtse met beleyt op beter wegh te brengen;

875Soo dat hy metter tijt haer rouwe sinnen wint,

En sigh by al den hoop in grooten aensien vint.

Maer t’wijl dit selsaem volck op hare wijse leefde,

En sonder vaste plaets in alle landen sweefde,

Een maeght van Murçia die sagh den edelman,

880En hoe hy al de jeught in schoonheyt overwan.

En hoe syn heus gelaet en syn beleefde zeden,

Syn oogh, syn hoofsche tael, syn wel-gemaeckte leden

Zijn anders in gestel*als oyt een heyden plagh,

Of alsse daer ontrent een heer of ridder sagh.

885Haer geest die wort beroert, haer sinnen om-getogen*,

De loop van haer gepeys is buyten haer vermogen,

Sy voelt ’k en weet niet wat ontrent haer grilligh hert,

Sy voelt hoe dit gewoel*allencxen grooter wert.

Wat sal de juffer doen? Sy weet niet wat te maken,

890Sy voelt een selsaem vier door al de leden blaken;

Dies als sy op een tijt den ridder eensaem vont,

Soo opent sy aldus tot hem een heuschen mont:

Bevallick jongelingh, wat magh u doch bewegen,

Dat ghy tot desen hoop soo bijster zijt genegen?

895Dat ghy by dit gespuys u soete jeught verslijt,

Ey geeft eens beter vreught aen uwen jongen tijt.

Gebruykt u geestigh lijf en dese schoone leden,

Daer ghy, tot uwer eer, die nutter sult besteden,

En soo ghy zijt geneyght te gaen met goet beleyt,*

900Ick weet een beter staet voor u alleen bereyt.

Hier zijn veel edel-lien die my tot trouwen vergen*,

Want ick heb over-al veel wijngaerts aen de bergen,

En bossen in het wout, en boomgaerts in het dal,

En ossen op het velt, en peerden in den stal,

905En schapen op het schor*, en geyten aender heyden,

En hinden in het perck, en koeyen in de weyden,

En knechten tot de jacht, en honden in het kot,

En voor mijn eygen huys een schoon en lustigh slot.

In ’t korte machtigh goet. magh ick u maer genieten*,

910Ick sal in uwen schoot geheele schatten gieten,

Dit wout, dit vruchtbaer lant, soo ver u oogen sien,

Dat sal u eygen zijn, en ick noch boven dien.

Ick die een dochter ben van edel bloet geboren,

Heb u, door enckel gunst, voor alle mans verkoren.

915Siet, dat de beste jeught voor desen heeft gesocht,

Wort u alleen gejont, en in den schoot gebrocht.

Ontfanght mijn rechter-hant, ontfanght mijn frissche*leden,

Die ick in u vermaeck na desen wil besteden,

Ontfanght mijn herte selfs, en stelt my buyten pijn,

920En spreeckt een eenigh woort, en ick sal uwe zijn.

Andreas hoordet aen, maer kon het geensins prijsen,

Dat uyt haer teeren mont soo vrije woorden rijsen.

O vrijsters, watje doet, siet datjet niet en vraeght;

Want als een vrijster vrijt dat is te veel gewaeght.

925Me-juffrou, seyt de man, ick danck u duysent werven,

Mijn liefd’ is eens geset, en daer in wil ick sterven;

Weet oock dat onder ons geen mensch en wert gepaert,

Als met ons eygen volck of een van onsen aert.

V°gunste, niet-te-min, die ghy my komt betoonen,

930Die wensch ick dat u God ten vollen wil beloonen;

Doch, wat my raken*magh, set elders uwen sin,

Mijn hert is u ontseyt, daer woont een ander in.

Gohanna met den slagh van soo een drouve reden,

Gevoelt een koude schrick haer rillen door de leden,

935Gevoelt een diep verdriet; sy gaet ter zijden af,

Daer sy haer drouf gemoet in dese klachten gaf.*

Wat ben ick voor een sloir*? wat heb ick gaen beginnen?

Kan ick geen heyden selfs bewegen om te minnen?

Och! God, wat hanght my uyt*, dat ick geen schamel man

940Met al dat ick besit tot mywaerts trecken kan?

Ben ick dan soo mismaeckt, soo leelick aan te schouwen,

Dat my een slecht*gesel ontseyt een wettigh trouwen?

Ben ick soo vuyle slons, of wel een oude queen*,

Dat ick verstooten word’ en loop een blauwe scheen?

945Neen seker; ’k heb terstont*mijn lijf en gansche wesen,

Mijn oogh, en rooden mont, mijn geestigh*hair gepresen,

Als ick ontrent den noen en midden op den dagh*

Mijn leden overslough*, en in den spiegel sagh.

Voorwaer een eerlick*man die sou hem des vernougen,

950Indien ick maer en wou tot hem mijn leden vougen:*

Ick ben wel kussens weert, en soo ick maer en wou,

Ick waer oock heden selfs versegelt*in de trou.

Daer zijnder vry genough die my des komen vragen,

En die noch boven dat mijn vrienden*wel behagen:

955Ick ben voor rijck, en schoon, en eerbaer*hier bekent,

En heb soo veel versoucx*als yemant hier ontrent.

Maer dat is niet genough. Men kan geen liefde setten,

Ter plaetsen daer men wil; want die is buyten wetten,

En gaet daer ’t haer bevalt. De sin die isset al;

960En gansch de werelt dwaelt in dit ellendigh mal*.

Ick ben soo dwaes geweest dat ick heb uyt-verkoren

Een die my niet en acht. ach! waer ick noyt geboren.

O! ’t is een hart gelagh, wanneer een jonge maeght,

Haer wil niet hebben magh, schoon sy ’t haer minder vraeght.

965Ach! dat’s een wrange spijt, ach mocht ick heden sterven!

Want ick en sal geen troost mijn leven oyt verwerven.

Hy is een selsaem hooft, hy is een rouwe gast,

Die op geen schoone verw en op geen rijckdom past.*

Maer waerom dus ontset om niet te willen leven?

970En waerom doch den moet soo veerdigh op-gegeven?

Het gaet noch als men vrijt gelijck het eertijts plagh,

Daer wort noyt eycken boom gevelt met eenen slagh.

Ick wil eens wederom ick wil de saeck beprouven,

Hy sal niet andermael mijn teere ziel bedrouven;

975Ick sal hem mijn çieraet, mijn schatten boven dien,

Ick sal hem diamant en peerels laten sien.

Ick sal gelijck een klis hem aen de leden hangen,

En met een soet gevley hem streelen aen de wangen,

Ick sal hem. Maer, eylaes! hoe meer een vrijster vleyt,

980Hoe datse meer verveelt, en lichter wert ontseyt*.

Syn hert is niet aen haer;*het wert, eylaes! beseten,

Van eene die ick merck hy noyt en sal vergeten.

’T is dan om niet gepooght, al woel ik bijster seer;

Want voor mijn treurigh hert en is geen hope meer.

985Het lieven is een dingh van wonder groot vermaken,

’K en weet op aerden niet dat beter plagh te smaken;

Maer liefde sonder hoop van oyt gelieft te zijn,

Dat is een boose plaegh, en meer als helsche pijn.

Dan ick ben niet gesint dit quaet in my te voeden,

990Het geesselt mijn gemoet als met gestage roeden.

Gewis dit moeter uyt; en om hier wel te gaen,

Soo moeter in de plaets en haet, en wraeck-lust staen.

Wel, haet, ontsteeckt mijn hert, en stelt u om te wreken,

Dat zijn van overlangh dat zijn de rechte streken

995Van een die qualick mint, of ongeluckigh vrijt,

Ontseyde gunst ontbrant in gal en enckel spijt.

En dat knaeght aldermeest de sinnen van de vrouwen,

Die zijn hier als verwoet, en konnen wonder*brouwen.

Een wijf is bijster ergh*; en waer men lagen smeet,

1000Daer is geen nicker*selfs die slimmer gangen weet.

Dit moet ick heden selfs dit moet ick gaen beprouven,

Ick wil hem metter daet, ick sal hem gaen bedrouven

Die my de vreught ontseyt. Stae by nu, vrouwen-list,

En stort in mijnen geest dat noyt verrader wist.

1005Dat noyt een spoker*dacht, of boose geesten vonden,

Mijn breyn is op den loop, mijn sinnen ongebonden,

Mijn kop die suysebolt, daer is geen houwen aen,

Daer moet oock*desen dagh wat selsaems omme-gaen.

Ick, ick, moet wrake doen, en hy syn straffe dragen,

1010Al sou het gansche rijck van desen handel wagen,

Al soud’ ick heden selfs my brengen in den noot;

Stil*leven kan ick niet, ick ware liever doot.

Hoort wat de juffer doet. Sy laet haer jongen letten,

Waer dat Don Ian syn mael*gewoon is in te setten,

1015Een mael die niet en sluyt, en slechts van ossen leir;

Want koffers vindt men noyt ontrent dit selsaem heir.

Hier van wel onderricht, soo laetse moye dingen,

Gout, peerels, hals-çieraet, daer in den huyse bringen,

En binden in het kleet van onsen jongelingh,

1020Terwijl hy in het dorp of op den velde gingh.

Andreas wel bewust hoe dat de vrouwen woeden,

Wanneer men haer ontseyt haer lusten aen te voeden,*

Gebiet*dat al het volck terstont in rassen spoet,

Oock op dien eygen dagh, van daer vertrecken moet.

1025Dit nam de juffer waer, en als hy meynt te reysen,

Begon sy met beleyt op haer bedrogh te peysen;

Sy stroyt door al het dorp dat sy uyt hare kist,

Gout, peerels, eenigh gelt, en veel juweelen mist.

Stracx zijn op haer geklagh de boeren aen-gekomen,

1030Die eyschen wederom al watter is genomen:

De rackers*van de schout zijn mede daer ontrent,

Die na den vreemden roep*de strenge rechters sent.

Daer gaet men ’t heydens rot ten nausten ondersoecken,

De vrouwen in haer keurs*, de mannen in de broecken.

1035Maer, siet, de loose maeght die wees den ridder aen,

En seyt het slim bejagh*by hem te zijn begaen.

Als dit Andreas hoort soo komt hy toe-getreden,

Hy lough de jufler toe, en seyd’ haer dese reden:

Komt souckt, vriendinne, souckt al wat gy soucken meught;

1040By my is anders niet als trou en ware deught.

Indien ick van bedrogh hier schuldigh wort bevonden,

Soo ben ick wel getroost om vast te zijn gebonden,

En soo te zijn gestraft gelijck men guyten*doet,

Die soecken haer bejagh op ander luyden goet.

1045Ick sal nogh boven dat u seven-mael betalen,

Wat ghy van u çieraet hier uyt sult konnen halen:

Doorsoukt vry dese mael, en watje vorder siet,

Een peert dat niet en let*en vreest den ros-kam niet.*

Hier op soo gaet de schout, en syne rappe gasten*,

1050De male van den vrient wel happigh*ondertasten*,

En, siet, van stonden aen soo komt het aen den dagh,

Al wat voor aerdigh tuygh daer in verholen lagh.

Don Ian op dit gesicht is wonderlick verslagen,

Noyt was hy soo verbaest*van al syn leven-dagen;

1055Hy staet gelijck een steen met droufheyt overstort,

Eylaes! de jongelingh en weet niet waer het schort.

Stracx*riep de jufier uyt: Koomt vanght ons dese bouven,

Die met haer vuyl bejagh het gansche lant bedrouven.

Maer grijpt eerst desen gast, die eerst soo moedigh*sprack,

1060Hy is de rechte gront van al het ongemack.

Hier vanght den rechter aen den ridder seer te schelden,

Hy noemt het heydens volck een plage van de velden,

Een peste van de stadt, een schroom*van yder huys,

Een schuym van bouve-jacht*en alle vuyl gespuys.

1065Daer stont een krijghs-man by die sigh des gingh bemoeyen,

Wech (seyt hij) met den bouf, hy dient te leeren roeyen.*

En even met het woort soo geeft hy hem een slagh,

Soo dapper*als hy kan, soo vinnigh als hy magh.

Andreas suysebolt, syn hersens zijn bewogen,

1070Syn geesten al gelijck door gramschap op-getogen,

Hy denckt niet waer hy is, hy weet niet wat hy doet,

Syn geest die speelt alleen ontrent syn edel bloet.*

Hy stelt hem dan te weer, en gaet den krijghs-man tegen,

Hy valt hem op het lijf, en vat syn eygen degen,

1075Hy treft hem in het hert met soo een diepen steeck,

Dat hem de leven-kracht van stonden aen besweeck.

Daer schreeut men overhoop*. Andreas wort gebonden,

En al het heydens rot na Murçia gesonden;

Daer is het hals-gerecht van dat geheele lant,

1080Soo dat men daer ontrent geen hooger rechter vant.

Terwijlen dit gebeurt, Constançe, gansch verslagen,

Is van den bleycken angst als buyten haer gedragen,

Daer is een killigh sweet dat uyt haer aders schiet,

Vermits sy haren vrient aldus gebonden siet.

1085Maer desen onverlet*soo wortse mé genomen,

En is met al het rot tot in de stadt gekomen;

Daer krielt men overhoop al waer de vrijster quam.

Vermits een yder lust in haer gesichte nam.

De fame van de maeght aen alle kant gevlogen,

1090Heeft oock de lant-vooghdin tot in het hert bewogen,

Sy maeckt haer veerdigh op, sy gaet tot haren man,

Daer seytse voor de maeght al watse seggen kan;

Al met soo grooten ernst*dat haer wort toe-gelaten,

Het jongh, het geestigh dier te nemen van der straten,

1095Te brengen op het slot. Maiombe wasser by,

En was om dit geval van ganscher herten bly.

Sy meynt, soo maer de vrou hoort Pretiose spreken.

Dat haer noch goet onthael noch gunste sal ombreken°.

En soo als sy het gist soo wasset dattet viel,

1100Me-vrou ontfingh de maeght als met een open ziel.

Sy blijft gelijck verdwelmt*in hare soete wangen,

Sy blijft aen haer gelaet met al de sinnen hangen,

Sy neemtse byder hant, sy leytse door de zael,

Sy valt haer om den hals en kustse menighmael.

1105Sy spreeckt Maiombe toe, sy vraeght verscheyde saken,

Maer verre boven al die Pretiose raken,

Sy vraeght hoe out sy was. Het wijf dat antwoort haer,

Dat nu haer nichte quam ontrent de vijftien jaer.

Hier op is in de vrou een drouve luym*geresen;

1110Dus oudt soud’ even nu mijn weerde dochter wesen,

Indien de goede God dien uytgelesen schat

(Dit sprack vrou Giomaer) aen ons gelaten had.

Maer, laes! nu is het kint in syne jonge dagen

Met listen wech-geruckt, en uytet lant gedragen.

1115Constançe waerje zijt, of immer komen meught,

God zy door synen geest ontrent u teere jeught.

De maeght gingh onderdies me-vrou de handen kussen,

En bid haer evenstaegh haer druck te willen blussen*;

En t’wijl vrou Giomaer vast sit op haer en sagh*

1120Ontsluyt*het aerdigh dier aldus syn drouf geklagh.

Indien ghy, weerde vrou, hebt eenigh welbehagen

In mijne teere jeught, soo hoort mijn angstigh klagen,

En mijn bedroufde stem. De goede jongelingh,

Dien in het naeste dorp de lant-drost*heden vingh,

1125Dat is mijn weerde vrient, in trou aen my gebonden,

Daer wort geen beter mensch in al het lant gevonden;

Al*is de krijghsman doot het is syn eygen schult,

Hy bracht den vromen*helt tot enckel onverdult*°.

Hy slough hem met een vuyst dat hem de tanden bloeden,

1130Soo dat syn edel hert hierom begon te woeden.

Hy is geen rouwe gast die oyt syn leven stal,*

Gelijck men metter tijt wel ondervinden sal.

Hy is een edelman. laet alles overwegen,

En ondersoeckt het stuck gelijck het is gelegen,

1135Ghy sult met oogen sien, en tasten metter hant,

Dat niemant oyt bedrogh in al syn handel vant.

Soo dese jongelingh gedwongen is te sterven,

Soo moet ick van gelijck mijn jonge leven derven,

Mijn hert is al te weeck, mijn wesen al te teer,

1140Als hy syn leven laet, wil ick geen leven meer.

Ick bid u, weerde vrou, met al de gansche leden,

Om u verheven stam, om u beleefde zeden,

Indien oyt soete min, indien oyt reyne vlam

In uwen geest ontstack, in uwen boesem quam;

1145Soo slaet een gunstigh oogh op twee soo jonge menschen,

Die geensins hoogen staet of machtigh gelt en wenschen,

Maer poogen een te zijn in vreught en ongeval,

Tot dat de bleecke doot haer eenmael scheyden sal.

Met dat de jonge maeght haer reden heeft gesproken,

1150Zijn haer met groot verdriet veel tranen uyt-gebroken,

Soo dat het siltigh nat een stroom, een gansche beeck,

En aen vrou Giomaer een stage vloet geleeck.

Sy dan, mits*dit geklagh, gevoelt haer gansch bewogen,

Gevoelt haer innigh hert als uyt het lijf getogen;

1155Daer is, ’k en weet niet wat, dat haer de sinnen roert,

En dat haer angstigh hert geweldigh omme-voert.

Men siet in dit gepeys men siet haer oogen vlieten,

Soo dat haer in den schoot de druppels henen schieten.

De lant-vooght onderdies koomt treden in de zael,

1160Verwondert dat hy sagh den druck van syn gemael.

En hier op koomt de maeght hem vallen aen de voeten,

En gaet hem insgelijcx met drouve woorden groeten;

Sy weent, en bid, en smeeckt, met soo een heuschen mont,

Dat hem de goede man al med’ ontsteken vont.

1165Hy kan, met alle kracht, syn tranen niet bedwingen,

Die hem, als tegen danck*, op mont en wangen springen;

Hy staet geheel verbaest, hy staet een wijle stil,

Onseker wat hy doen, of wat hy laten wil.

Maiomb’ hout onderdies haer sinnen op-getogen*,

1170En wough haer drouven stant met al haer gansch vermogen.*

Sy rijst ten lesten op, en seyt: Eerweerde*vrou,

My dunckt ick weet behulp voor desen swaren rou.

Wilt ghy een kleynen tijt hier uyte zael vertrecken.

Ick sal u metter daet een wonder stuck ontdecken,

1175Hoort my een woort alleen, hoort wat ick seggen sal,

Ghy sult een eynde sien van dit bedrouft geval.

Maiombe sonder meer begaf haer uyter zalen,

En gingh van stonden aen een aerdigh*doosjen halen;

En alsse weder quam daer Giomara stont,

1180Soo knieltse veerdigh neer, en opent haren mont.

Vergeeft my, seyt het wijf, dat ick eens heb bedreven,

En dat ick nu ter tijt u wil te kennen geven,

Of soo ick na de wet ben weerdigh harde straf,

Soo geeft my aen den beul, en sent my naer het graf.

1185Ick sal (hoe dattet gaet) de rechte waerheyt spreken,

Ghy mooght aen desen romp*u leet en droufheyt wreken;

Ick sal tot aller stont verdragen met gedult

Wat ghy my voor verdriet hierom doen lijden sult.

Het is nu derthien jaer, of luttel min geleden,

1190Dat ick mijn reyse nam door al de Spaensche steden,

En door het platte lant, ick sochte mijn bejagh,

Tot dat ick in Madril een aerdigh meysjen sagh,

Een kint nau twee jaer out behangen met juweelen,

Daer ick, na mijn verstant, behoorde van te deelen,*

1195De voester, soo ick sagh, die stont daer op de straet,

Met seker kamer-maeght verwerret*in de praet.

Ick greep het jonge schaep, en sonder lange dralen

Soo reysd’ ick inder haest in onbekende palen:

En als ick was ter plaets daer ick my seker vont,

1200Doen leyd’ ick in beraet, wat my te plegen stont.

Ick had eens*vast gestelt (ick wil de waerheyt seggen)

Het kint, van als ontbloot, tot vondelingh te leggen,

Om al syn rijck çieraet, en wattet vorder had,

Te houden voor een roof, en als mijn eygen schat.

1205Maer als ick recht doorsagh syn geest en frissche leden,

Doen vond’ ick mijn gepeys te strijden met de reden;

En daer op nam ick voor het meysjen op te voen,

Op hope dattet ons eens voordeel mochte doen.

Ick hebbet dan besorght*, ick hebbet laten leeren,

1210Al wat te rechter tijt haer jonckheyt mocht vereeren*,

Soo dat het geestigh dier veel schoone dingen kan,

En is (mijns oordeels) weert den besten edelman.

Maer wat is quaet te doen! wat heb ick drouve slagen

Om dit ondeugend’*werck in mijne ziel gedragen*!

1215Hoe was ick evenstaegh gepijnight in den geest!

Wat heb ick niet gesorght*! wat heb ick niet gevreest!

Wat heb ick menighmael mijn herte voelen beven,

En drillen*als een riet van harden wint gedreven!

Ick schroomd’ (oock in den slaep) van haest te zijn beklapt*,

1220Of door een snegen schout alree te zijn betrapt.

Wel, ick ben des geleert*, en hebbe voor-genomen,

Noyt*in soo bangen praem*mijn ziel te laten komen;

Ick wil aen al ons volck en wie my raken*magh,

Ontraden dit bedrijf en alle vuyl bejagh.

1225Wel doen is rechte vreught; maer alle slimme*gangen

Zijn doodelick vergif die ons de ziele prangen.

Hier is dan nu de tijt dat ick mijn schult beken,

Vermits ick op den wegh van beter leven ben.

Mijn heer, siet dit juweel, en dese goude keten,

1230Ghy sult van stonden aen den ganschen handel weten:

Of wijst dit niet genough den gront van dit geval,

Soo leest eens desen brief dien ick u geven sal.

Soo haest als sy het schrift den lant-vooght had gegeven,

Hy siet van stonden aen al datter is geschreven;

1235Hy lasset overluyt en met een open mont,

En dit was inder daet dat hyder in bevont.


Back to IndexNext