F

Ffrissche, (leden), ongerept, maagdelik,917.Ggaen, —boven, te boven gaan,342. — in, overgaan tot,572. — tot besluit,576: een besluit nemen.gaen,899A.ront—,262: openhartig zich uitspreken.wel—, slagen,991.gaendemaken, in beweging brengen, opruien,1841A.gangh,plur.,1000,1225: streken.gast,9,129,1049.schippers—,319.gau, vlug,15.142: slim.gaven, begaafdheden,1658.gebaer, gedragingen, uiterlik,266,845. —, ceremoniën,728. —, getier,855.gebieden, verzoeken,1023.gebonden,485A.gebreck, kwaal,272.gebroet, schepsel,630.gebruick,collect., usus, gewoonten,589,823.gebruick, nut,1645,1671.gebruicken(syn lust), voldoen,120.gedans,collectief,46.geducht, gevreesd, die men ontziet,813.gedurigh, voortdurend,2,655,1314.geest, ziel, gemoed, geest, esprit,225. —, persoon,230A.,465,486,691,1072A,1144,1205,1215,1385,1425.geesten,1070A. —, vernuften,1588.geestigh, aardig, bevallig, lief, fraai,36,213. —23,185,187,222,322,377,576,665,897,946,1094,1387.geestigheyt, geest,1658.geheym,coll., mysteria,1560.gehengen, toelaten,834,873.geklagh, klacht,1029.gelaet, voorkomen, uiterlik,42,369,473,482,568,706,1805.gelach, scherts,847.gelagh,hart—,963.geleert(in), ervaren,514.geleert des zijn, ondervinding opgedaan hebben in,1221.gelegentheyt, aangelegenheid, geval, zaak, omstandigheid, gesteldheid,1566,1609,1644,1793,1930.op de—van,1465: naar aanleiding van.gelucken,imperson. c. dat., het geluk hebben, toe vallen, Kil. succedere, prospere cadere, feliciter evenire.gemael, gemalin,1160.gemeen, alledaags,1963. — gemeenschappelik,1899.gemerck, teeken,563.gemoet, hart, gezindheid, zin,496,504,530,540,588,610,631,702: wil, begeerte;1360. —1294.tot zijn—spreken,610: tot zich zelf.genegen, geneigd, passim.genegentheyt, neiging, geneigdheid,1578,1622.generen,hem—, zich levensonderhoud verschaffen, “sich nähren.”1500.genieten, bekomen,243A.909.genough,1255: erg; vgl. Mned. Wb. II,1431.genucht, geneugte,263.gepast zijn met, gediend zijn van,637.gerief, beschikking, wil,636,648.geselschap, huweliksgemeenschap,628.gesint,wel—, er mee in zijn schik,1423.gespreck, spreken, praten,252,345.gespuys, lelik soort,1514.gestage roeden,990.gestalte,1805,1817. —, (inwendige) gesteldheid,1611.gestel, aard,883, vgl.396.gestelt sijn,396: het geval zijn met.getroost sijn, tevreden zijn, goedvinden,1042.geval, zaak, toedracht,1096.gevat zijn,152A.geven,936A. —eenpraet—,22.reden—,262A.hem—,162: zich neergeven. —, begeven,471,1268.gevoelen, aanvoelen,1817.gevoelen des, —van, van gevoelen zijn over, denken,1380,1472.gevolgh,collect., volgelingen,15,175. —, gevolgtrekking,102. — gevolgen,106.gewaer, heeft hij niet — geworden,1973.gewaet, kleding,24.gewagh doen van,1690.gewoel, onrust,888.gewrichte,sing.?95. —plur., leden,1426, vgl.1141.gierigh,begerig,323.git,een—,43.goed,1123.gortigh, schurftig,419.graet, trap,429.gras, grasveld,363.grilligh, dartel,646,671,887.groene,in het—,375.groen, kruid,168.groen, weelderig, dartel,1406. — fris,439A.groeten,793A. —als, begroeten voor, aanspreken, nemen voor,539,1162.grond, grond, zin, aard, oorzaak, het juiste, het fijne, diepste,40,68,83,89,143,236,244,257,302,736,1060,1388. —, ware,761,1231.guyt, fielt, schelm,447,1043.gul, weelderig, overvloedig,90,252.gulde son,600,815.gunst, genegenheid, gunst, genade,183,293,313,527,914,996,1098,1321,1396,1399.Hhaer, hun, hen,256,464, passim.haest, weldra,498.inder—, plotseling, met spoed,686,1198.hals-gerecht, hoge justitie,1079.handel, zaak, zaken, handelingen,123,285,576,1010,1136,1230.hant-çieraet,1391.hant-gespel,39A.341.happigh, begerig,1050.harde, —kost,194: zwaar.haten,268: hekel hebben, trachten te vermijden.haveloos, zonder have of goed,753.hebben te,270A. —gaen beginnen,937A.heyden, veld,522.aen der—, buiten, op het veld,369,385,905.hel, een hellen diamant,556.hersens,1069; vgl. breyn.hertsen,gen. vanhert,1388A.hetselve,1241.heus, vriendelik,881,892,1163. —, kies,55. —, betamelik,845.hier,998.hitten,1695noot.hoin, bedrog,843A.hoofsche, van het hof,505,548. —, edel,687.hooft-gelt, schatting, capitatio,811.hooft-stuk, hoofddeel,1856.hoogh gemoet,631.hooge zalen,862.hoogh gaen, ver gaan,113,844.hoogsten,ten—,184.hoop, bende,69.houden,216. —, het er voor houden,145.houden,sigh—, zich ophouden,804.houden van, menen,1468.houdende,zijn—van,1808.hulp, steun,16.huys, huisgezin,172.hups(ch), knap, sierlik,211,421.I, Yydelheyt, nietigheid,1798.yet, iets,757.yet sulcx,1767,1775.yet wes,1834.immer, ook,31,188,287.immers, altans,1916A.in, op,429.in dese woorden,192.in-beelden, wijs maken,1520.in-brengen,1576: aanvoeren.in-halen, intrekken,664.innigh, het diepste van, intimus,224.innemen, bezetten,801.insettinge, instelling,1871.in-val, opmerking, gedachte,1459.yver, vurig verlangen,1265.Jjaren,242A.oude—,673: de oude tyd.jegenwoordelyck, op het ogenblik,1812.jeught, jeugd, (jeugdige) lust,45,150,232,422,655A.292,868,880,1291.jeught, jongelingschap,915.jock, scherts,54.jocken, hof maken, tändeln,541,842.jongen, knecht,1013.jonnen, gunnen,916.K, Qkan, kent,1352.ké, hè,311A.keeren, kern,220.kennelic, duidelik,1868.keurs, lijfrok,1034.klaerlick, duidelik,1619.kleynheyt, oneer,1908; vgl.570.klis,957.kloen, kluwen,1682.klouck, scherpzinnig, schrander,98,259,1831.kluchtigh, grappig, komiek,14.koffer, goed gesloten kist1016; vgl. het Frans.koorts,288A.kop, hoofd,733,748,825,1007.korten,in—,206.kost,collect., onkosten,778.kraem, voorwerp, ding,79.krevel, minneprikkeling,318.kroon,421: krans.kunst, kunde,235.kunstenaer, kenner,1609.kunstigh, handig, met bedrevenheid,258.quale,1407.quaet, kwaal,171.queelen, zingen,52,187,463.queen, lelik wijf,943.quellen, vervolgen,350.Llaegh, hinderlaag,210.laegh, gering, onbekend,122. —plaets,614A.laegh,1478: beneden, bassus.lanckheyt,met—van tijde, in de loop van de tijd, op de lange duur,1832.langen, aanreiken,718.lant-drost,1124A.lant-loopers, zwervers,1433.lant-vooghdin,1090.lasten, gelasten, opdragen,1498.laten,5A. —, verlaten,617. —onder sijn tonge, zwijgen van,1673.laven,hem—, zich verkwikken,510.leden,950A.714.diepste—,326.leggen,in beraet—, zich beraden,1200.leyder, begeleider,839.lest,voor het—, ten slotte,1371.letten, merken,291,585,1540. —, opletten,1684,1743.letten, hinderen, schelen,180,1048.leven in een wyse,822.liefgetal, lief, aangenaam,119,347.licht,het groote—,693.lichte koy,548.lichtveerdigheyt, onstandvastigheid,1488.lieven,985.lijckewel, evenwel,157,321.lijden, dulden,14. —, toelaten,847,1917.lijf, ingewand? moederlijf (uterus)?197.linden,sing.,77.lincker, vleier, schalk,453,548.listen,plur.1114.listigh, behendig, loos,285.loeren op, bespieden,466.loffelick, met lof,1657.loopen op, van toepassing zijn op,85,1670.loos, vals, bedriegelik,140,583.los, ongebonden, onsamenhangend, onzeker,82,128,610,1768.lucht,144A.luym, opwelling, gedachte,1109.lust,1367.lusten,344: lustige gewaarwordingen.

Ffrissche, (leden), ongerept, maagdelik,917.Ggaen, —boven, te boven gaan,342. — in, overgaan tot,572. — tot besluit,576: een besluit nemen.gaen,899A.ront—,262: openhartig zich uitspreken.wel—, slagen,991.gaendemaken, in beweging brengen, opruien,1841A.gangh,plur.,1000,1225: streken.gast,9,129,1049.schippers—,319.gau, vlug,15.142: slim.gaven, begaafdheden,1658.gebaer, gedragingen, uiterlik,266,845. —, ceremoniën,728. —, getier,855.gebieden, verzoeken,1023.gebonden,485A.gebreck, kwaal,272.gebroet, schepsel,630.gebruick,collect., usus, gewoonten,589,823.gebruick, nut,1645,1671.gebruicken(syn lust), voldoen,120.gedans,collectief,46.geducht, gevreesd, die men ontziet,813.gedurigh, voortdurend,2,655,1314.geest, ziel, gemoed, geest, esprit,225. —, persoon,230A.,465,486,691,1072A,1144,1205,1215,1385,1425.geesten,1070A. —, vernuften,1588.geestigh, aardig, bevallig, lief, fraai,36,213. —23,185,187,222,322,377,576,665,897,946,1094,1387.geestigheyt, geest,1658.geheym,coll., mysteria,1560.gehengen, toelaten,834,873.geklagh, klacht,1029.gelaet, voorkomen, uiterlik,42,369,473,482,568,706,1805.gelach, scherts,847.gelagh,hart—,963.geleert(in), ervaren,514.geleert des zijn, ondervinding opgedaan hebben in,1221.gelegentheyt, aangelegenheid, geval, zaak, omstandigheid, gesteldheid,1566,1609,1644,1793,1930.op de—van,1465: naar aanleiding van.gelucken,imperson. c. dat., het geluk hebben, toe vallen, Kil. succedere, prospere cadere, feliciter evenire.gemael, gemalin,1160.gemeen, alledaags,1963. — gemeenschappelik,1899.gemerck, teeken,563.gemoet, hart, gezindheid, zin,496,504,530,540,588,610,631,702: wil, begeerte;1360. —1294.tot zijn—spreken,610: tot zich zelf.genegen, geneigd, passim.genegentheyt, neiging, geneigdheid,1578,1622.generen,hem—, zich levensonderhoud verschaffen, “sich nähren.”1500.genieten, bekomen,243A.909.genough,1255: erg; vgl. Mned. Wb. II,1431.genucht, geneugte,263.gepast zijn met, gediend zijn van,637.gerief, beschikking, wil,636,648.geselschap, huweliksgemeenschap,628.gesint,wel—, er mee in zijn schik,1423.gespreck, spreken, praten,252,345.gespuys, lelik soort,1514.gestage roeden,990.gestalte,1805,1817. —, (inwendige) gesteldheid,1611.gestel, aard,883, vgl.396.gestelt sijn,396: het geval zijn met.getroost sijn, tevreden zijn, goedvinden,1042.geval, zaak, toedracht,1096.gevat zijn,152A.geven,936A. —eenpraet—,22.reden—,262A.hem—,162: zich neergeven. —, begeven,471,1268.gevoelen, aanvoelen,1817.gevoelen des, —van, van gevoelen zijn over, denken,1380,1472.gevolgh,collect., volgelingen,15,175. —, gevolgtrekking,102. — gevolgen,106.gewaer, heeft hij niet — geworden,1973.gewaet, kleding,24.gewagh doen van,1690.gewoel, onrust,888.gewrichte,sing.?95. —plur., leden,1426, vgl.1141.gierigh,begerig,323.git,een—,43.goed,1123.gortigh, schurftig,419.graet, trap,429.gras, grasveld,363.grilligh, dartel,646,671,887.groene,in het—,375.groen, kruid,168.groen, weelderig, dartel,1406. — fris,439A.groeten,793A. —als, begroeten voor, aanspreken, nemen voor,539,1162.grond, grond, zin, aard, oorzaak, het juiste, het fijne, diepste,40,68,83,89,143,236,244,257,302,736,1060,1388. —, ware,761,1231.guyt, fielt, schelm,447,1043.gul, weelderig, overvloedig,90,252.gulde son,600,815.gunst, genegenheid, gunst, genade,183,293,313,527,914,996,1098,1321,1396,1399.Hhaer, hun, hen,256,464, passim.haest, weldra,498.inder—, plotseling, met spoed,686,1198.hals-gerecht, hoge justitie,1079.handel, zaak, zaken, handelingen,123,285,576,1010,1136,1230.hant-çieraet,1391.hant-gespel,39A.341.happigh, begerig,1050.harde, —kost,194: zwaar.haten,268: hekel hebben, trachten te vermijden.haveloos, zonder have of goed,753.hebben te,270A. —gaen beginnen,937A.heyden, veld,522.aen der—, buiten, op het veld,369,385,905.hel, een hellen diamant,556.hersens,1069; vgl. breyn.hertsen,gen. vanhert,1388A.hetselve,1241.heus, vriendelik,881,892,1163. —, kies,55. —, betamelik,845.hier,998.hitten,1695noot.hoin, bedrog,843A.hoofsche, van het hof,505,548. —, edel,687.hooft-gelt, schatting, capitatio,811.hooft-stuk, hoofddeel,1856.hoogh gemoet,631.hooge zalen,862.hoogh gaen, ver gaan,113,844.hoogsten,ten—,184.hoop, bende,69.houden,216. —, het er voor houden,145.houden,sigh—, zich ophouden,804.houden van, menen,1468.houdende,zijn—van,1808.hulp, steun,16.huys, huisgezin,172.hups(ch), knap, sierlik,211,421.I, Yydelheyt, nietigheid,1798.yet, iets,757.yet sulcx,1767,1775.yet wes,1834.immer, ook,31,188,287.immers, altans,1916A.in, op,429.in dese woorden,192.in-beelden, wijs maken,1520.in-brengen,1576: aanvoeren.in-halen, intrekken,664.innigh, het diepste van, intimus,224.innemen, bezetten,801.insettinge, instelling,1871.in-val, opmerking, gedachte,1459.yver, vurig verlangen,1265.Jjaren,242A.oude—,673: de oude tyd.jegenwoordelyck, op het ogenblik,1812.jeught, jeugd, (jeugdige) lust,45,150,232,422,655A.292,868,880,1291.jeught, jongelingschap,915.jock, scherts,54.jocken, hof maken, tändeln,541,842.jongen, knecht,1013.jonnen, gunnen,916.K, Qkan, kent,1352.ké, hè,311A.keeren, kern,220.kennelic, duidelik,1868.keurs, lijfrok,1034.klaerlick, duidelik,1619.kleynheyt, oneer,1908; vgl.570.klis,957.kloen, kluwen,1682.klouck, scherpzinnig, schrander,98,259,1831.kluchtigh, grappig, komiek,14.koffer, goed gesloten kist1016; vgl. het Frans.koorts,288A.kop, hoofd,733,748,825,1007.korten,in—,206.kost,collect., onkosten,778.kraem, voorwerp, ding,79.krevel, minneprikkeling,318.kroon,421: krans.kunst, kunde,235.kunstenaer, kenner,1609.kunstigh, handig, met bedrevenheid,258.quale,1407.quaet, kwaal,171.queelen, zingen,52,187,463.queen, lelik wijf,943.quellen, vervolgen,350.Llaegh, hinderlaag,210.laegh, gering, onbekend,122. —plaets,614A.laegh,1478: beneden, bassus.lanckheyt,met—van tijde, in de loop van de tijd, op de lange duur,1832.langen, aanreiken,718.lant-drost,1124A.lant-loopers, zwervers,1433.lant-vooghdin,1090.lasten, gelasten, opdragen,1498.laten,5A. —, verlaten,617. —onder sijn tonge, zwijgen van,1673.laven,hem—, zich verkwikken,510.leden,950A.714.diepste—,326.leggen,in beraet—, zich beraden,1200.leyder, begeleider,839.lest,voor het—, ten slotte,1371.letten, merken,291,585,1540. —, opletten,1684,1743.letten, hinderen, schelen,180,1048.leven in een wyse,822.liefgetal, lief, aangenaam,119,347.licht,het groote—,693.lichte koy,548.lichtveerdigheyt, onstandvastigheid,1488.lieven,985.lijckewel, evenwel,157,321.lijden, dulden,14. —, toelaten,847,1917.lijf, ingewand? moederlijf (uterus)?197.linden,sing.,77.lincker, vleier, schalk,453,548.listen,plur.1114.listigh, behendig, loos,285.loeren op, bespieden,466.loffelick, met lof,1657.loopen op, van toepassing zijn op,85,1670.loos, vals, bedriegelik,140,583.los, ongebonden, onsamenhangend, onzeker,82,128,610,1768.lucht,144A.luym, opwelling, gedachte,1109.lust,1367.lusten,344: lustige gewaarwordingen.

Ffrissche, (leden), ongerept, maagdelik,917.

frissche, (leden), ongerept, maagdelik,917.

Ggaen, —boven, te boven gaan,342. — in, overgaan tot,572. — tot besluit,576: een besluit nemen.gaen,899A.ront—,262: openhartig zich uitspreken.wel—, slagen,991.gaendemaken, in beweging brengen, opruien,1841A.gangh,plur.,1000,1225: streken.gast,9,129,1049.schippers—,319.gau, vlug,15.142: slim.gaven, begaafdheden,1658.gebaer, gedragingen, uiterlik,266,845. —, ceremoniën,728. —, getier,855.gebieden, verzoeken,1023.gebonden,485A.gebreck, kwaal,272.gebroet, schepsel,630.gebruick,collect., usus, gewoonten,589,823.gebruick, nut,1645,1671.gebruicken(syn lust), voldoen,120.gedans,collectief,46.geducht, gevreesd, die men ontziet,813.gedurigh, voortdurend,2,655,1314.geest, ziel, gemoed, geest, esprit,225. —, persoon,230A.,465,486,691,1072A,1144,1205,1215,1385,1425.geesten,1070A. —, vernuften,1588.geestigh, aardig, bevallig, lief, fraai,36,213. —23,185,187,222,322,377,576,665,897,946,1094,1387.geestigheyt, geest,1658.geheym,coll., mysteria,1560.gehengen, toelaten,834,873.geklagh, klacht,1029.gelaet, voorkomen, uiterlik,42,369,473,482,568,706,1805.gelach, scherts,847.gelagh,hart—,963.geleert(in), ervaren,514.geleert des zijn, ondervinding opgedaan hebben in,1221.gelegentheyt, aangelegenheid, geval, zaak, omstandigheid, gesteldheid,1566,1609,1644,1793,1930.op de—van,1465: naar aanleiding van.gelucken,imperson. c. dat., het geluk hebben, toe vallen, Kil. succedere, prospere cadere, feliciter evenire.gemael, gemalin,1160.gemeen, alledaags,1963. — gemeenschappelik,1899.gemerck, teeken,563.gemoet, hart, gezindheid, zin,496,504,530,540,588,610,631,702: wil, begeerte;1360. —1294.tot zijn—spreken,610: tot zich zelf.genegen, geneigd, passim.genegentheyt, neiging, geneigdheid,1578,1622.generen,hem—, zich levensonderhoud verschaffen, “sich nähren.”1500.genieten, bekomen,243A.909.genough,1255: erg; vgl. Mned. Wb. II,1431.genucht, geneugte,263.gepast zijn met, gediend zijn van,637.gerief, beschikking, wil,636,648.geselschap, huweliksgemeenschap,628.gesint,wel—, er mee in zijn schik,1423.gespreck, spreken, praten,252,345.gespuys, lelik soort,1514.gestage roeden,990.gestalte,1805,1817. —, (inwendige) gesteldheid,1611.gestel, aard,883, vgl.396.gestelt sijn,396: het geval zijn met.getroost sijn, tevreden zijn, goedvinden,1042.geval, zaak, toedracht,1096.gevat zijn,152A.geven,936A. —eenpraet—,22.reden—,262A.hem—,162: zich neergeven. —, begeven,471,1268.gevoelen, aanvoelen,1817.gevoelen des, —van, van gevoelen zijn over, denken,1380,1472.gevolgh,collect., volgelingen,15,175. —, gevolgtrekking,102. — gevolgen,106.gewaer, heeft hij niet — geworden,1973.gewaet, kleding,24.gewagh doen van,1690.gewoel, onrust,888.gewrichte,sing.?95. —plur., leden,1426, vgl.1141.gierigh,begerig,323.git,een—,43.goed,1123.gortigh, schurftig,419.graet, trap,429.gras, grasveld,363.grilligh, dartel,646,671,887.groene,in het—,375.groen, kruid,168.groen, weelderig, dartel,1406. — fris,439A.groeten,793A. —als, begroeten voor, aanspreken, nemen voor,539,1162.grond, grond, zin, aard, oorzaak, het juiste, het fijne, diepste,40,68,83,89,143,236,244,257,302,736,1060,1388. —, ware,761,1231.guyt, fielt, schelm,447,1043.gul, weelderig, overvloedig,90,252.gulde son,600,815.gunst, genegenheid, gunst, genade,183,293,313,527,914,996,1098,1321,1396,1399.

gaen, —boven, te boven gaan,342. — in, overgaan tot,572. — tot besluit,576: een besluit nemen.

gaen,899A.ront—,262: openhartig zich uitspreken.wel—, slagen,991.

gaendemaken, in beweging brengen, opruien,1841A.

gangh,plur.,1000,1225: streken.

gast,9,129,1049.schippers—,319.

gau, vlug,15.142: slim.

gaven, begaafdheden,1658.

gebaer, gedragingen, uiterlik,266,845. —, ceremoniën,728. —, getier,855.

gebieden, verzoeken,1023.

gebonden,485A.

gebreck, kwaal,272.

gebroet, schepsel,630.

gebruick,collect., usus, gewoonten,589,823.

gebruick, nut,1645,1671.

gebruicken(syn lust), voldoen,120.

gedans,collectief,46.

geducht, gevreesd, die men ontziet,813.

gedurigh, voortdurend,2,655,1314.

geest, ziel, gemoed, geest, esprit,225. —, persoon,230A.,465,486,691,1072A,1144,1205,1215,1385,1425.

geesten,1070A. —, vernuften,1588.

geestigh, aardig, bevallig, lief, fraai,36,213. —23,185,187,222,322,377,576,665,897,946,1094,1387.

geestigheyt, geest,1658.

geheym,coll., mysteria,1560.

gehengen, toelaten,834,873.

geklagh, klacht,1029.

gelaet, voorkomen, uiterlik,42,369,473,482,568,706,1805.

gelach, scherts,847.

gelagh,hart—,963.

geleert(in), ervaren,514.

geleert des zijn, ondervinding opgedaan hebben in,1221.

gelegentheyt, aangelegenheid, geval, zaak, omstandigheid, gesteldheid,1566,1609,1644,1793,1930.op de—van,1465: naar aanleiding van.

gelucken,imperson. c. dat., het geluk hebben, toe vallen, Kil. succedere, prospere cadere, feliciter evenire.

gemael, gemalin,1160.

gemeen, alledaags,1963. — gemeenschappelik,1899.

gemerck, teeken,563.

gemoet, hart, gezindheid, zin,496,504,530,540,588,610,631,702: wil, begeerte;1360. —1294.tot zijn—spreken,610: tot zich zelf.

genegen, geneigd, passim.

genegentheyt, neiging, geneigdheid,1578,1622.

generen,hem—, zich levensonderhoud verschaffen, “sich nähren.”1500.

genieten, bekomen,243A.909.

genough,1255: erg; vgl. Mned. Wb. II,1431.

genucht, geneugte,263.

gepast zijn met, gediend zijn van,637.

gerief, beschikking, wil,636,648.

geselschap, huweliksgemeenschap,628.

gesint,wel—, er mee in zijn schik,1423.

gespreck, spreken, praten,252,345.

gespuys, lelik soort,1514.

gestage roeden,990.

gestalte,1805,1817. —, (inwendige) gesteldheid,1611.

gestel, aard,883, vgl.396.

gestelt sijn,396: het geval zijn met.

getroost sijn, tevreden zijn, goedvinden,1042.

geval, zaak, toedracht,1096.

gevat zijn,152A.

geven,936A. —eenpraet—,22.reden—,262A.hem—,162: zich neergeven. —, begeven,471,1268.

gevoelen, aanvoelen,1817.

gevoelen des, —van, van gevoelen zijn over, denken,1380,1472.

gevolgh,collect., volgelingen,15,175. —, gevolgtrekking,102. — gevolgen,106.

gewaer, heeft hij niet — geworden,1973.

gewaet, kleding,24.

gewagh doen van,1690.

gewoel, onrust,888.

gewrichte,sing.?95. —plur., leden,1426, vgl.1141.

gierigh,begerig,323.

git,een—,43.

goed,1123.

gortigh, schurftig,419.

graet, trap,429.

gras, grasveld,363.

grilligh, dartel,646,671,887.

groene,in het—,375.

groen, kruid,168.

groen, weelderig, dartel,1406. — fris,439A.

groeten,793A. —als, begroeten voor, aanspreken, nemen voor,539,1162.

grond, grond, zin, aard, oorzaak, het juiste, het fijne, diepste,40,68,83,89,143,236,244,257,302,736,1060,1388. —, ware,761,1231.

guyt, fielt, schelm,447,1043.

gul, weelderig, overvloedig,90,252.

gulde son,600,815.

gunst, genegenheid, gunst, genade,183,293,313,527,914,996,1098,1321,1396,1399.

Hhaer, hun, hen,256,464, passim.haest, weldra,498.inder—, plotseling, met spoed,686,1198.hals-gerecht, hoge justitie,1079.handel, zaak, zaken, handelingen,123,285,576,1010,1136,1230.hant-çieraet,1391.hant-gespel,39A.341.happigh, begerig,1050.harde, —kost,194: zwaar.haten,268: hekel hebben, trachten te vermijden.haveloos, zonder have of goed,753.hebben te,270A. —gaen beginnen,937A.heyden, veld,522.aen der—, buiten, op het veld,369,385,905.hel, een hellen diamant,556.hersens,1069; vgl. breyn.hertsen,gen. vanhert,1388A.hetselve,1241.heus, vriendelik,881,892,1163. —, kies,55. —, betamelik,845.hier,998.hitten,1695noot.hoin, bedrog,843A.hoofsche, van het hof,505,548. —, edel,687.hooft-gelt, schatting, capitatio,811.hooft-stuk, hoofddeel,1856.hoogh gemoet,631.hooge zalen,862.hoogh gaen, ver gaan,113,844.hoogsten,ten—,184.hoop, bende,69.houden,216. —, het er voor houden,145.houden,sigh—, zich ophouden,804.houden van, menen,1468.houdende,zijn—van,1808.hulp, steun,16.huys, huisgezin,172.hups(ch), knap, sierlik,211,421.

haer, hun, hen,256,464, passim.

haest, weldra,498.inder—, plotseling, met spoed,686,1198.

hals-gerecht, hoge justitie,1079.

handel, zaak, zaken, handelingen,123,285,576,1010,1136,1230.

hant-çieraet,1391.

hant-gespel,39A.341.

happigh, begerig,1050.

harde, —kost,194: zwaar.

haten,268: hekel hebben, trachten te vermijden.

haveloos, zonder have of goed,753.

hebben te,270A. —gaen beginnen,937A.

heyden, veld,522.aen der—, buiten, op het veld,369,385,905.

hel, een hellen diamant,556.

hersens,1069; vgl. breyn.

hertsen,gen. vanhert,1388A.

hetselve,1241.

heus, vriendelik,881,892,1163. —, kies,55. —, betamelik,845.

hier,998.

hitten,1695noot.

hoin, bedrog,843A.

hoofsche, van het hof,505,548. —, edel,687.

hooft-gelt, schatting, capitatio,811.

hooft-stuk, hoofddeel,1856.

hoogh gemoet,631.

hooge zalen,862.

hoogh gaen, ver gaan,113,844.

hoogsten,ten—,184.

hoop, bende,69.

houden,216. —, het er voor houden,145.

houden,sigh—, zich ophouden,804.

houden van, menen,1468.

houdende,zijn—van,1808.

hulp, steun,16.

huys, huisgezin,172.

hups(ch), knap, sierlik,211,421.

I, Yydelheyt, nietigheid,1798.yet, iets,757.yet sulcx,1767,1775.yet wes,1834.immer, ook,31,188,287.immers, altans,1916A.in, op,429.in dese woorden,192.in-beelden, wijs maken,1520.in-brengen,1576: aanvoeren.in-halen, intrekken,664.innigh, het diepste van, intimus,224.innemen, bezetten,801.insettinge, instelling,1871.in-val, opmerking, gedachte,1459.yver, vurig verlangen,1265.

ydelheyt, nietigheid,1798.

yet, iets,757.

yet sulcx,1767,1775.

yet wes,1834.

immer, ook,31,188,287.

immers, altans,1916A.

in, op,429.

in dese woorden,192.

in-beelden, wijs maken,1520.

in-brengen,1576: aanvoeren.

in-halen, intrekken,664.

innigh, het diepste van, intimus,224.

innemen, bezetten,801.

insettinge, instelling,1871.

in-val, opmerking, gedachte,1459.

yver, vurig verlangen,1265.

Jjaren,242A.oude—,673: de oude tyd.jegenwoordelyck, op het ogenblik,1812.jeught, jeugd, (jeugdige) lust,45,150,232,422,655A.292,868,880,1291.jeught, jongelingschap,915.jock, scherts,54.jocken, hof maken, tändeln,541,842.jongen, knecht,1013.jonnen, gunnen,916.

jaren,242A.oude—,673: de oude tyd.

jegenwoordelyck, op het ogenblik,1812.

jeught, jeugd, (jeugdige) lust,45,150,232,422,655A.292,868,880,1291.

jeught, jongelingschap,915.

jock, scherts,54.

jocken, hof maken, tändeln,541,842.

jongen, knecht,1013.

jonnen, gunnen,916.

K, Qkan, kent,1352.ké, hè,311A.keeren, kern,220.kennelic, duidelik,1868.keurs, lijfrok,1034.klaerlick, duidelik,1619.kleynheyt, oneer,1908; vgl.570.klis,957.kloen, kluwen,1682.klouck, scherpzinnig, schrander,98,259,1831.kluchtigh, grappig, komiek,14.koffer, goed gesloten kist1016; vgl. het Frans.koorts,288A.kop, hoofd,733,748,825,1007.korten,in—,206.kost,collect., onkosten,778.kraem, voorwerp, ding,79.krevel, minneprikkeling,318.kroon,421: krans.kunst, kunde,235.kunstenaer, kenner,1609.kunstigh, handig, met bedrevenheid,258.quale,1407.quaet, kwaal,171.queelen, zingen,52,187,463.queen, lelik wijf,943.quellen, vervolgen,350.

kan, kent,1352.

ké, hè,311A.

keeren, kern,220.

kennelic, duidelik,1868.

keurs, lijfrok,1034.

klaerlick, duidelik,1619.

kleynheyt, oneer,1908; vgl.570.

klis,957.

kloen, kluwen,1682.

klouck, scherpzinnig, schrander,98,259,1831.

kluchtigh, grappig, komiek,14.

koffer, goed gesloten kist1016; vgl. het Frans.

koorts,288A.

kop, hoofd,733,748,825,1007.

korten,in—,206.

kost,collect., onkosten,778.

kraem, voorwerp, ding,79.

krevel, minneprikkeling,318.

kroon,421: krans.

kunst, kunde,235.

kunstenaer, kenner,1609.

kunstigh, handig, met bedrevenheid,258.

quale,1407.

quaet, kwaal,171.

queelen, zingen,52,187,463.

queen, lelik wijf,943.

quellen, vervolgen,350.

Llaegh, hinderlaag,210.laegh, gering, onbekend,122. —plaets,614A.laegh,1478: beneden, bassus.lanckheyt,met—van tijde, in de loop van de tijd, op de lange duur,1832.langen, aanreiken,718.lant-drost,1124A.lant-loopers, zwervers,1433.lant-vooghdin,1090.lasten, gelasten, opdragen,1498.laten,5A. —, verlaten,617. —onder sijn tonge, zwijgen van,1673.laven,hem—, zich verkwikken,510.leden,950A.714.diepste—,326.leggen,in beraet—, zich beraden,1200.leyder, begeleider,839.lest,voor het—, ten slotte,1371.letten, merken,291,585,1540. —, opletten,1684,1743.letten, hinderen, schelen,180,1048.leven in een wyse,822.liefgetal, lief, aangenaam,119,347.licht,het groote—,693.lichte koy,548.lichtveerdigheyt, onstandvastigheid,1488.lieven,985.lijckewel, evenwel,157,321.lijden, dulden,14. —, toelaten,847,1917.lijf, ingewand? moederlijf (uterus)?197.linden,sing.,77.lincker, vleier, schalk,453,548.listen,plur.1114.listigh, behendig, loos,285.loeren op, bespieden,466.loffelick, met lof,1657.loopen op, van toepassing zijn op,85,1670.loos, vals, bedriegelik,140,583.los, ongebonden, onsamenhangend, onzeker,82,128,610,1768.lucht,144A.luym, opwelling, gedachte,1109.lust,1367.lusten,344: lustige gewaarwordingen.

laegh, hinderlaag,210.

laegh, gering, onbekend,122. —plaets,614A.

laegh,1478: beneden, bassus.

lanckheyt,met—van tijde, in de loop van de tijd, op de lange duur,1832.

langen, aanreiken,718.

lant-drost,1124A.

lant-loopers, zwervers,1433.

lant-vooghdin,1090.

lasten, gelasten, opdragen,1498.

laten,5A. —, verlaten,617. —onder sijn tonge, zwijgen van,1673.

laven,hem—, zich verkwikken,510.

leden,950A.714.diepste—,326.

leggen,in beraet—, zich beraden,1200.

leyder, begeleider,839.

lest,voor het—, ten slotte,1371.

letten, merken,291,585,1540. —, opletten,1684,1743.

letten, hinderen, schelen,180,1048.

leven in een wyse,822.

liefgetal, lief, aangenaam,119,347.

licht,het groote—,693.

lichte koy,548.

lichtveerdigheyt, onstandvastigheid,1488.

lieven,985.

lijckewel, evenwel,157,321.

lijden, dulden,14. —, toelaten,847,1917.

lijf, ingewand? moederlijf (uterus)?197.

linden,sing.,77.

lincker, vleier, schalk,453,548.

listen,plur.1114.

listigh, behendig, loos,285.

loeren op, bespieden,466.

loffelick, met lof,1657.

loopen op, van toepassing zijn op,85,1670.

loos, vals, bedriegelik,140,583.

los, ongebonden, onsamenhangend, onzeker,82,128,610,1768.

lucht,144A.

luym, opwelling, gedachte,1109.

lust,1367.lusten,344: lustige gewaarwordingen.


Back to IndexNext