Tekstkritische noten°7. F2dat ’et; in F2zijn de enclytica overal door een ’ gescheiden; zo b.v. 32. weet ’er 44. uyt ’er, 60. sy ’er ; 73. gunt ’er; 114. of ’er; 173. quam ’er; 312. waer ’et; 328. was ’et, (enz.).°13. F2Madrid.°47. voegen: aldus in de regel de ou (= onze oe).°64. Q F spelen. O F2stelen.°69. F2vaerdig; en zo geregeld deze ee.°175. F. ontbr. Voor haer. F2haer en haer.°313. F mynen ’t wil. F2mijnent wil.°354. F2paegjen.°358. F2afgekomen.°508. F2al wat ’er.°591. proeve.°719. F uwen ’t wil. F2uwent wil.°789. oorlogh.°843. F2hoon.°859. Uyt.°929. F2Uw.°1098. F2ontbreken.°1128. F2ongedult.°1252. F2op dese.°1333. Q Canstançes.°1364. proef.°F wonderbaerlick.°1529. F2geloof hadden gegeven.°1579. F2houdt.°1582. F2ader.°1593. ontdekt.°1598. Vyt.°1653. proeve.°1695. hitten.°1703. Q af. F1F2of.°1791. F2Even-welEstienne P.°1797. F2dat’er.°1807. F2van houden.°1943. F1F2vernoegen.°1972. F2van Laban.°1975. F2my in uwe.Aantekeningen.3.schijnen magh, vgl.704: schijnen mocht.—En (naer het schijnen mocht) hij wou niet verder gaen.—En (naer het schijnen magh) haer ziel die wilder uyt.= de schijn hebben kan.5.Het laet sigh den naem geven, omschrijving van het passivum (oorspronkelik causatief-medium), te vergelijken met “doet verlangen” in het Wilhelmuslied, e. t. q.—Zie Zeitschr. f. Völkerpsych. II, 244/6.—Vgl. peppelhout laat zich gemakkelik bewerken.Zigeuners.Vgl. de Goeye,Memoire sur les migrations des Tsiganes à travers l’ Asie(Leiden 1903),Anz. f. IG. Spr. u. alt.,Journal of the Gipsy Lore Soc.1907 vv. Wiener,Die geschichte d. Wortes Zig. in Arch. N Sprachen 1902.Pott,Die Zigeuner in Europa und Asien(2 dln., 1844–45),Techmers Zeitschr. (Leipzig, 1885.)7. Vgl.105vv., 1774.9.Majombe; schijnt later een algemene naam te zijn voor de “oude koude grijze, die een motkas hield, en eêr was mijn vriendin” ... Goeree, Mengeldicht. 262.21.wiens,relatiefbijfemin.: algemeen, ook Mndl., vgl. Van Helten, Vondels Taal § 126.39.hantgespel; castagnetten. Vgl. noot van Cats bij vs. 341.47.maer en: negatie bij “maer” (uit “ne ware”, het ne ware), de ontkennende kracht werd nog gevoeld, van daarener bij gevoegd.54. Zeer zedig is zij in haar spreken; en zij is gauw gekwetst door ’t geen zij hoort en verneemt.81. Zij wist het vooral aan te leggen, om....—Vgl. hierbij Ned. Wdb. I, p. 224, 2 c.)—Ons “het”, collect. = iemands zaken.84.prenten, drukken, bezig houden? vgl. druk, gepresseerd, bezet met.—Vgl. Gloss. Lekensp.89.uyt den neus, vgl.I. van Beverwyck’s Schat der Ongesontheyt, ofte Genees-konste van de sieckten, verçiert met Historien.... alsoock met verssen van de Heer Jac. Cats....(1651), blz. 86, die niet gelooft, al beweren ’t sommigen, zoals Democritus: “dat de neus eenich teycken soude konnen gheven (al was hy daer ontrent gheweest) van ’t gene hy niet gesien en heeft....Democritus, een Dochter den eenen dagh ontmoetende, groete haer,Goeden dagh Maeghdeken; en ’s anderendaegs haar wederom siende, begroeten haar metGoeden daghVrouken.En het was soo: want sy had dien nacht een ongheluck gehadt, gelijckse dat noemen.”94. De consecutio temporum bij Cats en anderen dient nader en nauwkeuriger onderzocht. Omtrentplaghhier alleen dit:pleghen, in ’t Mnl., “doen”, zo ook bij Cats: plegen dwaesheyt, lusten, gemeenschap van bedde met, enz.—“Wat kooplieden ... plegen en niet plegen,”—“Wat ze vorder in dit geval meynt te plegen”.—plegen = gewoon zijn: “Wel dunkt u dat het queesten (vrijen) van het Noorder-quartier schier op dese of gelijcken voet toegaet?—Behalven dat alle geregelde lieden gestaegh tegens die maniere van doen zijn geweest, en noch zijn, soo was dat noch een geheel andere sake, want de jonge lieden en plegen malkanderen soo na niet te komen, ofte sy en kenden malkanderen al voren door dagelickschen ommegangh: sulcx dat niet geseyt en kan werden...”plaghstaat vaak waar mennueen praes. zou vinden, ”(de jongman) gaf hem aen den gracht, en sey noch anderwerven, Wel sal ick uwe zijn, of sal ik heden sterven? Spreeckt nu het leste woort: ick stae hier, schoone maeght, Wat seghje? Dat ick plagh (roept hier de vrijster tegen).”Alspraeteritumvindt men in de regelplacht. “Een kint dat niet en spreekt gelijck de menschen plachten. Maer dat oock sonder stem kan uyten syn gedachten.”—“Dat (schoonheyt) veroorsaeckt onmatigheyt van ’t houwelicx bedde het welck veel ongelegentheden aen ziel en lichaemplachtin te brengen, daer van ick hier niet breeder... en ben gesint te spreken.”1Plegen, plach, placht, komt zo passim voor bij Cats. Ook in: De Verliefde Fiamette, door Boccacius, Amsterd., 1661, o. m. blz. 84, 93, 161, 233, enz. En Oude Mans Vryagie (1700) 202b.—Vgl. Gloss. Granida;plach, praes.Hooft (Leendertz) I. 38; Warenar 439.—pleech, praet.War. 174;praes.War. 310.Zoplachpraes. moet wezen, dan zouplachtgeen paragogiesethebben; zie de Grammatica’s.Dat daarnaast ookpleegt, = gewoon is, voorkomt, vindt zijn verklaring inbedeutungsübertragung. “Wat kooplui doen”, wordt duratief “wat zij voortdurend doen”, “wat zij gewoon zijn te doen”: zo gaat de infin.plegenbij plach, ookgewoon zijnbetekenen. Dit kan oorzaak zijn dat ook het nieuwepleegt, eerst zeldzaam, later vaker, = gewoon is, voorkomt.Nader onderzoek in de geschriften der XVIIeen vroegere eeuwen zal mischien deze consecutio temporum ophelderen.Vgl. voor ’t vroegere duits Mensing, Z. f. D. Phil., 1903, 229, en noot.Behaghel, Gebrauch der Zeitformen(1899).100.het jaer, houdt in “de 12 Hemelsche Tekenen” van de diereriem, of de 12 maanden, welke alle hun biezondere kracht hebben (vgl. Het grote Planeetboek, 1801, p. 134, 168).—De hemelzijn “die Sterren die op de 12 Tekenen staen, (en) zyn niet te tellen”; ook deze hebben elk hun invloed. Toch wijst alles er slechts op “wat den menschen voor een Natuure uyt den Gesteerntentoegeneigtis,..... daarom niet... dat zulks alzoo moet zijn, gelyck of dat Gesteernte de mensche daer toe dwonge... Alle... zullen haar eigen aangeboren boosheid ende begeerten met verstand wederstaan.”101.Een wie, relatiefwie, meestdie.105. Vgl.1773. Zie genoemd boekje p. 187. Die “linie word genaamt de linie des levens ... in ’t LatijnLinea viteofcordis, en dese linie vanget aan bij de middel-linien dwars in de hand; (en) tusschen de Duyme en de Wijser (wijsvinger) omgaat (zij) den Berg des Duims ende gaet op dat gelijke der hant” (bij de pols).121. Het zal wezen—zo gelooft men algemeen—zoals zij ’t uit hand en vingers leest.122.haer laegen naem, de oudere vorm-enbewaard, om de volgendenvannaem? Vgl., ook voor deh-: ons vryen hals, Vondel, Eneas Vertaling, III, 80. Vgl. (?) Van Helten, Vondels Taal, § 85, add. blz. 173.139. Al wat zij meedeelt is nevelachtig en schemerig, voor dubbele uitleg vatbaar; nooit spreekt zij ronduit; vgl.: “tyt hier noyt te werck, als met bedagte reden Spreeck niet als door een wolck, maer klaer en uyt de mont.”144.Lucht, uitspansel, zoals in Saksiese en Friese dialecten; vgl. Frank-Van Wijck, Etym. Wdb.151. Metbreynmeer gedoeld op het zinnelike; metgeestop het onstoffelike. Vgl.: met hart en ziel—Vgl. nog: (het beelt van de man) “dat maelt haer in het breyn; en speelt haer om de ziel”—“Een gunstige inval, die syn geminde eens schielyck in het breyn viel.”Breynook de gedachten, vgl.1578; ziehersens. In “De bekendmakingen” (etc., 1711, p. 77) van K. Najer, leest men: “het soete en suyvere bloed werd door bewerking vanHartenLong, het alderfijnste, levendigste, en geestigste afgesondert, het welke uyt zijn eygen doorlugtigheyd, allengskens na boven trekt, en sig op de beste plaats, in het midden van het Paleys, deHerssensop den Troon steld... Dese geesten dan, doen allengskens de Herssens vervullen, totdat eyndlyck deselve door de grote toevloed overlopen en geperst werden, door het binnenste sponsagtige der senuwen, soetjes sagtjes heen te wandelen.”—Vgl.1070.152.gevat(passivum) vgl. vs. 376, activum; vgl. “bevaen met minnen” in ’t Mned. Wdb. Over ’met’ = door, Delbrück, Abl. Loc. Instrum. im... Deutschen, S. 51.164.Onverlet, on + verlet, vanverletten, vgl. Kil. verletten, omittere, praetermittere: Et impedire, interpellare, et differre, procrastinare.—Vgl. “De buerte spreeckt ’er van; en desen onvermindert. Men weet niet waer het schort...”—Vgl. unbeschadet, Sanders, Deut. Wörterb.—Zie soortgelijke in Tijdschr. Nederl. Letterk. II, 196, vv.—V, 207, 213: onghescaet sire virtuut, Nat. Bl. XII, 224.—Noord & Zuid VIII, 353.170.Bekaeyde wegen, verkeerde; vgl.:“bekaeyde streken.”—“Geen mensch die menschen kent en syn beroep verstaet,En wees oyt echte wijf tot soo bekaeyden raet.”—“Wie veel den acker ploeght, wanneer hy is besaytDie breekt sijn eerste werck, en maeckt ’t et al bekayt.”—“Wis soo ghy langer blijft, soo isset al bekaeyt.”Over dit woord: Van Wijk-Frank, Etym. Wdb;—Gallée, D. Literaturz. 1884, kol. 1340.—de Vries, Warenar, 190.—Mag. Ned. Taalk. III, 286.—Halbertsma, Letterk. Naoogst I, 64; ook van Helten, Woordafl.-proeven 9 noot.—de Woordenbkn.185. Voor deze zin vgl. men de XVIIe-eeuwse constructie b. v.“Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te cussen.”—Spreken c. acc.= ons: aanspreken, spreken met, tot iemand. Vgl.:“Sy roept ’et door het bosch, sy klaeght ’et alle manSy spreeckt de wachters zelfs, maer niemant weet ’er van”.—Maer waer toe langh ghekermt, ick ga de bueren spreken,En zie noch yet te doen, om dit gheweldt te wreken.en ons: iemand gaan spreken.Een schijn van onjuiste constructie in deze zin ontstaat doordat “aen” naar ons begrip bij spreken wordt gevoegd, en het “aen” bij vangen dan ontbreken zou.Doch ook in plaats van 2 maal hetzelfde woord werd dit ook wel eenmaal gezet. Vgl.: Tijdsch. Ned. Lett. VI, 69; N. & Z. XII, 526; Stoett, Syntax., § 159.188.ten, ’t + de negatie bijniet.189. Constançe = Pretiose, 173; vgl. vs. 1238.195.u swacke maegh met suycker overlast.De suiker, die nu vaak overdreven aangeprezen wordt, stond vroeger minder goed bekend; vgl. I. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, met veersen verçiert door de Heer Jacob Cats... (1651), blz. 116; “Als het grof bruyn Suycker door de scherpe Looghe van Kalck ghemaeckt, ghesuyvert wort, ende de vuyle en swarte Syroop, daer uyt-gedreven is, soo krijght het eenen vreemden scherpen smaeck, waer af het bloedt verbrandt wert, ende het hooft beswaert.... Soo dat het ongesuyvert ofteGrof-Suyckersomtijdts beter is, dan ’t ghene dat de scherpigheyt van de Looge, in het suyveren behouden heeft. Daerom sal men eer het bruynachtigh en tamelijcken wit verkiesen.”200.maeghde-krans.Vgl. o. v.:Ick was ontijdigh groen, en hy begon te mallen.Dies is de maeghde-krans my van het hooft gevallen.De vrijer spreekt tot de vrijster “met een ghebroken maeghdekrans.”“De nieu-gepluckte bloem, niet lange na de dagen,Dat sy den maeghdekrans niet meer vermocht te dragen.”“Een snelle schicht op my gevallen....Die trof mijn teere maeghde-krans.”Vgl. het lied bij Willems, Ovla. Lied nº. 135; Verwijs, Mnederl. Bloeml., p. 128.—Kalff, Lied i. d. ME., 153, 277, 381, 521.—“Verloren hab ich mein Rosenkranz,” Böhme, Altd, Liederb. 152.201. of erger, is om u welbekende reden, de menstruatie opgehouden?214.door een gunstigh oogh tot in het hert, vgl.377. Zie Martijn (ed. Verwijs), Str. 53 v.v. En”....een soet en aerdich beeltDat stracx hem door het oogh tot in het herte speelt”.—“Het oogh, alleen het oogh, kan gantsch den mensen ontrusten,Het is een open deur, een inganck van de lusten.”—“Hier gaet de regel los, die ons heeft wijs gemaeckt,Dat niet als door hetooghhet herte wert geraeckt.”—“Myn verstant.... moet syn ghetogen,In haer lieve in-gewant (binnenste) door heur ghebenedijde oogen.”Nosemans, Hans.223. Haar bloed is machtiger dan haar wil: zij kan niet verhinderen dat zij bloost.230.geest, een persoon van geest, iemand met voortreffelike hoedanigheden, vgl. Ned. Wdb. IV dl. kol. 728/9.—en ’t fra.esprit.242.jaren, in de praegnante zin van jonge jaren, jeugd: van nature de vrolike tijd.243.genieten, vgl.:Wie ist die oyt met eene schootEen schans of ander slot genoot?vgl. Gloss. Granida; Mned. Wdb.245.spruyt, van bomen;kruyt, kruiden;sap, drank, en pappen.255. De moeder, hiertoe (door Constance) verzocht, komt met de dokter, die te hulp geroepen is, binnen; Constance gaat op hun toe en neemt hun alleen.—Vgl.:De vrijster wel geçiert, na datse was gebeden;Quam uyt haer stil vertreck, en in de kamer treden,Haer vader ginger by, en nam haer metter hant,En seyde.....262.gaf hem dese reden, sprak hem zo aan.—Rose, 8833: ”(de man)geefthare menichge quade hoere.”—Vgl. Diefenbach,dare, o. a. sprechen—rede, Kil. spraecke, sermo, verbum.—redenen, verba facere.—Vgl. Gloss. Bern.: edere, seegen. = sprechen, reden (Dief).—Vgl. ook 936.270.d. heb i. w. t. w., moet in het verband betekenen: dat weet ik maar al te goed.—Vgl. ook:“Wat is er menig wijf, dat liever heeft te pratenDie liever heeft te gaen laveyen achter stratenAls met een stillen geest haer kint te wysen aenWat nu, wat naderhant is nut te zijn gedaen.”—“Ick sitte meest den ganschen daghEn hebbe liever wat te staen.”Vgl.? Dit heb ik je te zeggen dat je dat doet; en: Dat heb ik te weten, dat dit gebeurt.288.koorts.Vgl.:“dat een soete coorts haer in het herte quam,Ghecropen meer en meer, die haer den sin benam”,Vermaeck der Ieucht, (1616).—En ’t Koortsigh Liedje, van Bredero.291.heydens volck, gen. vóór ’t bepaalde woord, vgl.752,1351,1522; vgl. Vondels Taal, § 72, i. f. Ofadj.? vgl. Spaens, heus.298. Imperat. = toon-jij; vgl.299: kleed-jij.311.Ké, Kil.: ah. Interiectio varios affectus explicans.—Passim in de XVIIeeeuw. ’t Zou ontstaan zijn uitwetecree,wetekey= wete kerst, sciat Christus: vgl. de Vries, Taalzuivering, 166.316. prees het goede meisje, maar zo dat er niets of niet veel van geven kwam.321. Gyralde echter, nu ondertrouwd, gaf aan het aardig meisje 100 pistoletten, als bruidsgeschenk. Gawoonlik was dit het geschenk aan de meid, die onder de beide speelmakkers en beide speelmeisjes de bruid in ’t biezonder diende. Schotel, Oud-Holl. Huisgezin, 258. Vgl. Warenar, 389, 1318.324. in dit te verhalen een aangename tijdkorting, of genoegen.—Vgl. Kil. tijdverdrijf, oblectamentum, delectamentum, dilitiae.335.een openbare feest, vgl. een drofelike cleet, een coude bat, etc. bij Van Helten, Vondels Taal, § 85c (slot).338/9. Die met schoon gezang en vlug dansen (vgl. saltare) alles zou overtreffen.—sweven boven al, vgl. Mned. Wdb. i. v. bovensweven.341. Houten of ivoren kleppers, die de vorm hadden van twee grote op elkaar passende notedoppen, waren door een band aaneengebonden, die men om de vingers wond. Door de andere vingers snel langs de randen van de kleppers te laten strijken, ontstaat een klikkend geluid, dat de dansrythmus aangeeft. Castagnetten: kastanjes n. d. vorm.358.was aftekomen= moest afkomen, vgl.1949,1952. Zie de variant.365.van syner hant, oude datiefvorm na sommige praeposities; vgl. van der straten1094; bij der hant1104;—op den velde,1020.370.het maegderot. Vgl.:“en tot een soet besluyt,Soo vlocht het maeghde-rot een kransje voor de bruyt.”quam, waar velen nu een plusquamperf. zouden zeggen; vgl. bleef696; waer1383; gingh1398; zie Vondels Taal § 173; of: “quam geleyden” = geleidde, zie462: koomt vougen.—Vgl. Vondels Lucifer, vs. 1778.379. Staat te weifelen, vgl.136: stont en keeck;1119: sit op haer en sagh.—zie Warenar 258; Taalk. Bijdr. I, 125.384.wort, praesens? ook 726, 727, 731, 732; maarwortpraet. bijwerden,wert972, 1093, 1126, 1576, 1801.407.die, naastdien; passim, vgl. Van Helten, Vondels Taal, § 124; Mndl. Spr., § 352, 364e; Cosijn, Taal en Letterb., VI, 276;die men... koos, En(die)...behaeght. Als in ’t Mndl.: in gecoördineerde zinnen blijft het pronomen weg, vooral als ’t inniet-dezelfde betrekking (casus) staat; vgl. Van Helten, Vondels Taal, § 206, en Add.420. om dan te zijn vernield, verpletterd; maar (en hier volgt het 6ecoupl.); vgl. lat. opprimere.442. Maar al te veel bloemen staan dag aan dag te pronken; een frisse stengel hebben ze, maar niemand heeft er lust in. Daar gaan dan haar bladeren met de wind en vergaan, zoals alle stof.449. Bij de ouden wordtPan, de Bosgod, voorgesteld met bokspoten, horens en ruig haar; als de Satyrs, vervolgt hij de nimfen met verliefde zinnen en bedoelingen.459.wachte, oude vorm; vgl. “zegge”, op kwitanties; ik herzegge (van de voorzanger).461. Terwijl de ridder naar dit gezang met groot genot luistert, begint de nachtegaal de vrijster te accompagneren.467.heydens, vgl.291, A.485/6. Haar rede is geregeld en dudelik; vgl. bene compositus; oratio bene composita.—Wat zij zegt, is geestig, aardig bedacht;soete vonden, zijn aangename denkbeelden, invallen;“Men sagher sneegh beleit, men sagher vonden in,Vry teikens van verstant, en van een diepe min.”Misschien zijn de toen zo in trek zijnde “concetti” bedoeld.489.vonck, vgl. Kil. voncke, fomes, etc.; bij Diefenbach o. a.: to neghinge, naturliche neigunge.509. raven,sing., zw. subst. rave, vgl. Vondels Taal, I, p. 75.—Fabel van de vos en de raaf. Vgl. Phaedr. I, 13. Romulus I, 14. De laatste redactie luidt: “Qui se laudari gaudent—verbis subdolis decepti penitent—de quibus similis est fabula.Cum de fenestra corvus caseum raperet—alta consedit in arbore—Vulpis ut hec vidit e contra sic ait corvo—O corvus quis similis tibi? et pennarum tuarum quam magnus est nitor? Qualis decor tuus esset—si vocem habuisses claram—nulla prior avis esset—At ille dum vult placere et vocem suam ostendere—validius sursum clamavit—et ore patefacto oblitus—caseum deiecit—Quem celeriter vulpis dolosa avidis rapuit dentibus—Tunc corvus ingemuit—et stupore detentus deceptum se poenituit—Sed post inrecuparabile factum damnum quid iuvat poenitere?” Vgl.760, A.met vollen mont, vgl.:De vrucht die is te raken,En met een vollen mont op haren tijt te smaken.535. wat ik wezen mag, toch ben ick (etc.)—magh, vgl. Vondels Taal, II, § 188. Vgl.1304.542.streelt de sijde rocken, vleit de vrouwen, die aan het hof zijn; vgl. m. m. debouwen,wijlen(nonnen);“Dus gaetet vast dat aen denbroeckHanght al de vreughde van dendoeck”;vgl. plaet, platen, (soldaten).sijde, hollands, nu nog, voorsijden. Vgl. Van Helten, Vondels taal I, blz. 106.544. edel pant = reine jeugd;genit. epexegeticus: de stad van Amsterdam, de prijzenswaarde deugd van zelfbeheersching.606. Oude gewoonte, om alle gerechten tegelijk optezetten.614. lage plaats, vgl. locus, afkomst, geboorte, stand.625.mijnen= jegens mij, pron. poss. = gen. object; vgl. Granida, 1529b, A.628.nam, = zou nemen, vgl.1304.639. Indien je gediend ben van schoonheid, kom slechts, wanneer je ook wilt, je huis uit, daar (in deze grote stad) wonen vele mooie meisjes.642. Indien je vermaak vindt in verstandige, geestige kout, welnu, dat behoef je evenmin te missen.655/6. Al worstel ik tegen mijne jeugdige lusten, ik word meegesleept zelfs waar ik niet wil.—Vgl. voorjeught: “een maeght die onmachtigh is haer jeught te wederhouwen”.—“syn herte soo bevanght,Dat hy tot in het mergh na hare jeught verlanght.”“een jongh en rustigh man,Die, na den rechten eysch, u jeught vernugen kan.”Een gehuwde vrouw moet in sommige omstandigheden “alle hare jeughdigheden dempen en doen versterven.”659.deftigh. Vgl. “Of het een deftigh man, die syn geheele werck van wijsheyt en geleertheyt heeft voorgenomen te maken, geraden is sigh ten houwelicke te begeven.”—“Daer is een deftigh man (Barlaeus) die leert u Roomschespraeck.”—Ongehoorzaam zijn om zichzelven het leven te benemen op bevel van de Mohammedaanse vorst, is een boze“daet,Maer ’t is een deftigh helt, die hier in willigh gaet.”—”..... hiet my lieve man,In dat soet-deftigh woort, daer in soo ligt verholenWat u en my gelyck de Schepper heeft bevolen.”—“Het is geen deftigh man,Die met gebogen hals geen dwasen lijden kan.”—“Datje niet en nut, of met den monde smaeckt,Dat uyt een innigh vyer de lusten gaende maeckt.....maer breeckt de lange nachtenDoor vlyt tot deftigh werck.”—“o deftigh werck dat ick op heden doe... een wreede moort.”—“Zijn deftige (ernstige) taal stelden my ook gerust.”Haagsche Vondeling.Vgl.Taal en Letteren, 1903, blz. 473.672. mijn onervaren jeugd nu bij te minne en geringe schepsels bevrediging zoekt.—Vgl.614.673. Indien men de oude tijd nagaat, bemerkt men ....679. ter wille van Europa, dochter van een Phoeniciese koning.680. om Leda, de echtgenote van de Spartaanse koning te bezoeken.682. Hercules was verliefd op Omphale, koningin van de Lydiërs, en vernederde zich daar een tijd lang om als slaaf haar te dienen, om haar gunsten te genieten. De negen-koppige slang, de Hydra, een monsterleeuw bij Nemea, het Erymantiese zwijn, de Cretensiese stier versloeg hij.684.duyden= strekken, vgl. de 2ebetekenis van het intransitiefdiedenin het Mned. Woordenb., welke die van “strekken” nadert, b.v. Hoe luttel hare (des aventuren) helpen (znw. mv.) dieden. Vgl. baten, dienen:“Indien men recht gebruyckt den luyster der agathen,Het sal het jonge paar tot vrede konnen baten.”—“En trout oock op het ooge niet,Want ’et dient u beyde tot verdriet.”688. ik weet niet (door) hoe een sloor, (hoe) een herderin.692.Gode, dat., zonder meer, slaat op Jupijn (677). Andreas is Christen, en Heiden tegelijk: gewoon verschijnsel in de Renaissance-literatuur.693.het groote licht, de zon, nog in gewestelike taal, in bepaalde frases (“gaat ons verlaten, is weg”) de gewone aanduiding.706.En(zij)scheen, vgl. Vondels Taal, II, § 227, d.708. Zo gauw zag hij ze niet weer, of zijn smeulende liefde ontvlamde dadelik.721.began, praes.? (vgl. plagh, 94, A.) Mnederl. begonnen,2begonde(begonste) naast beginnen, began (begon). Beide vormen lopen door een. Mogelik is datbegonnenlater is beschouwd als een verbum gelijkconnen(praes.can)3en derhalvebegan, praes.;begonste, praet.—Naast inf.begonnenbleefbeginnen(vgl. de dooréenmenging in de spreektaal van kennen (kent) en kunnen (kan). Ook bij de voorgestelde etymologie (Kluge, Franck-Van Wijck, Etym. Wrdbn.) is een praes.beganwel te verklaren.733.quam, perf., vgl.1020; zie Vondels Taal, II, § 171.752.Wij stellen, ons stelsel is dat overal het goed aan allen behoort; wij nemen dus van de overvloed van rijken wat wij behoeven. Gen. vóór ’t bep. woord, vgl.291.757. Moeielik kan men stellen bij die zelf hierin ervaren is: hij kent de kunstjes.760. Zinspelend op de fabelPhaedr.IV, 8. In de ME. en later nog, bekend in de redaksies van de Romulus4, III, 12: “De duobus malis auctor talem subiecit fabulam—Malus peiorem non ledit nec iniquus iniquum superat.In officina cuiusdam fabri introisse dicitur vipera—Dum quereret aliquid ciborum—rodere coepit limam—Tunc lima ridens—ait ad viperam—Quid vis improba tuos ledere dentes? Ipsa sum—quae consuevi omne ferrum rodere—sed et si quid forte est asperum—fricando facio lene-quae si angulum tersero—si quid ibidem est ipsa precido—Ideo eum acriore mihi certandum est.”Romulus, Die paraphrasen des Phaedrus, (IXeeeuw) ed. Oesterley.Latere redakties en omwerkingen uit de XIIIe—XVeeeuwen, aldaar opgenoemd p. 71, noot. Vgl. ook fabel XVI van La Fontaine,lib. V: Le serpent et la lime.762. hoe weinig kleding en deksel de mens nodig heeft. Vgl.:... “dat een keelderven moet een deelOm de rug en borst te decken.”785.sure vlagen. Vgl.: “De Mey (1685) bleef in Nederlant dit Iaer noch vry suer”, Holl. Mercur. IX, 53.793.vrougher op om eenigh heer te groeten, zinspeelt dit op het “lever” van vorsten, en hoge personages?822.Ghy let, imperat., vgl.298.843. Te verklaren als: Indien je het hof wil maken in alle eerbaarheid, zonder bedrieglike voornemens. Vgl. in alle eer endeugd.—Vgl. “Die sonder achterdencken leven, staen als open, en zijn onderhevigh om gehoint te worden.”—Of als: zonder dat dit haar ten schande kan strekken? Vgl. Kiliaen i. v. hoin.852.uwe, de uwe, vgl.920; zie Vondels Taal I, blz. 124.872.bij hem alleen: zonder dat de anderen er bij waren en het bemerkten.899. met verstand en beleid te handelen.918.in u vermaeck, uals gen. object, vgl.10: haer diensten; 625: mijnen haet; 1088: in haer gesichte (in haar te zien)—besteden, vgl.:“waer de beste sinnenBesteden haren tyt ontrent een heyligh minnen.”919. Vgl.1407.936.gaf; vgl. Lat. dare, geven, uitstorten.937.heb ... gaen beginnen, passim bij schrijvers in de XVIIeeeuw.Het hulpwerkw. hoort bij de volgende infinitief, een transitivum, dat met “hebben” vervoegd wordt.Schijnt een Noordhollands eigenaardigheid.Vgl. Kern, De met het Participium Praeteriti omschreven Werkwoordsvormen in ’t Nederlands (Verhand. Kon. Acad. 1912) § 226, blz. 200/1 en § 77, blz. 64/65.939.uithangen, c. dat. pers. “Hoe is mijn uiterlik voorkomen? Zoo zeggen wij nog van iemand, die zich uiterlik als vroom voordoet, dat hijden vrome uithangt, en van een leelijk, wanstaltig mensch, dat hijeen slecht uithangbord heeft”, Cats, ed. de Vries de Jager, Deventer, V, 68 noot.—Vgl.:“Maer segh hoe wort doch Faes van u soo gansch versteken?Wat hanght de Jonghman uyt? Wat heeft hy voor gebreken?”947. Wat beduiden deze regels? Men zou kunnen denken aan: volle maagdelike rijpheid; toen zij op haar middaghoogte was. Daartegen strijdt echter “terstont” (945).—Of maakt de juffer tweemaal ’s daags toilet? Met den noen (voor zij tafelt) en ’s middags (voor zij uitgaat)?—Of zijn eenvoudig “noen” en “midden op den dagh” synoniem, op de middag, in ’t volle licht?950.vougen tot= vereenigen met; vgl. vervoegen = vereenigen, bij Huyghens (Panth. 79, 9) en Pastor Fido van Bloemaert, 1650, p. 130:En wilt met d’uwe toch vervoegen ons’ gebeden.syn leden= zich; vgl. ick schenck u dese leden, 714; als ick ... myn leden overslough, 948. Vgl. nog het passieve in:“Gij dan, van eersten aen datuweteereledenSyn tot den man gedaen, soe voeg u naer den reden.”Vgl. ook: syn saken aanleggen = het aanleggen, 81 A.—952. zelfs van daag nog getrouwd.Versegelt in de trou, vgl. de aanhaling by 1252.—en: “Des Heeren goeden segenVerkondight in de kerck, en opentlick gekregenVersegelt echte trou; soo dat men even danBekoomt een vollen naem van wijf en echte man.”968. Hij is een zonderling, een ruwe klant, die noch om schoonheid, noch om rijkdom geeft.973. eigenaardige herhaling, vgl.1175. En vooral Reynaert, Inleiding (Zw. Herdr. 1909) blz.LVIII, n. en blz.XXII.981.syn hert is niet aen haer. “syn aen” kan, evenals het Lat.esse alicui, betekenen: bezitten; vgl. het Mndl. Doch ook kanaenhier de betekenis vanbijhebben. De eerste opvatting heeft voor, dat “esse alicui” gebruikt wordt, wanneer de nadruk op de zaak valt, gelijk hier “hert”, vgl. de volgende tegenstelling;haer, pron. reflex., waarvan het vrouwelik hert antecedent is.—Zijn hart is niet vrij.1004. Er is climax in de tekst: verrader, spoken, boose geesten. Verrader is een booswicht vol duivelse list, die niets menseliks meer heeft en tot alles in staat is; er is niet alleen aan eigenlik verraad te denken.1007.suysebolt, vgl. “drink datje suizebolt”, Rabelais, Vertaalde Werken.1022. Andreas, wel wetende hoe de vrouwen razen, wanneer men haar lusten weigert te bevredigen.1032. De schout zendt op het vreemd verdacht gerucht de strenge rechters af.De editie van 1700 (zie ’t Voorbericht) heefttroep.1034.in de broecken. Zelfs in de onderbroeken verstopte men de beurs, of kostbaarheden: vgl. Holl. Trouwgevallen, blz. 186. Koopman, blz. 146. Kind van Weelde II, 108.De studie van Jonkvr. Dr. de Jonge over De kleederdracht in de Nederlanden in de XVIeeeuw, in Oud-Holland 1919, geeft voor deze materie niets.1044. Relat. zin; het verbum wegens ’t rythme verplaatst.1048.niet en let= niets mankeert; vgl. “een peert dat schurrift is, en wil den roskam niet.”1066. Hij dient naar de galeien veroordeeld.1070.geesten, vgl. het laatste gedeelte der aanhaling bij 151.Ookdierlijke geesten, animal spirits, esprits animaux, vgl. Ned. Woordenb.: “de fijne vluchtige vloeistoffen, die, naar men onderstelde, in het bloed aanwezig zijn en het eigenlijke beginsel uitmaken van gevoel en beweging. Door sommigen onderscheiden van delevensgeesten, die als de oorzaak van het leven golden.”—“Vele malen bij C. deze geesten in betrekking tot de werking van die fijne zenuwvloeistoffen op het gevoel, de begeerten, hartstochten,” enz.1072. Alleen zijn edele afkomst trekt hem voor de geest.—spelen ontrent= zich bewegen om. Vgl.: “maer alle mijne sinnen spelen noch ontrent uwe laetste redenen.”1119.vast sit op haer en sagh, zit op haar te zien; vgl.:“Sy leyt er op en maelt als met de gantsche krachtOock midden in den droom, en in den middernacht.”—“Hy sit op haer en loer bijnaest den ganschen dagh.”Vgl. nog Noord en Zuid II, 138/9.1124.landdrost, waardigheid hoger dan schout; landdrost oefende in naam van de heer de lijfstraffelike rechtspleging uit.1127.Al is de krijghsman doot, Is de krijgsman gedood, dood.—Al, versterkend partikel = wel??—doot, oud part. tot adj. geworden, vgl. van Helten, Tijdschr. Ned. Lett. III, 109.—Verdam, Middelned. Woordenboek, 297.—Alexander, ed. Franck, p. 421.1131. Ooit van zijn leven, een adverbiale accus. Vgl. “heb ik mijn leven!”—Vgl. Warenar 1053, var.1152. Aen (de ontroerde) vrou Giomaer schijnt het zelfs een stage vloet; aldus op te vatten?1160. (verwondert)dat, vgl. Mned. Woordenb. II, 86/7.1169.opgetogen, gespannen, ingespannen. Vgl.: opgespanne, Vondels Lucifer 145; ook: “die (geleerde) zijn dickwijls te veel opgetogen om een jonge vrouwe wat goets te doen”?—1170. Maiombe wikte ernstig haar droevige toestand.1194. Vgl.739, 751.1226.die, relat. zin bij “slimme gangen” (vergif, coll. = slimme ganghen): constructio ad intellectum.1236. was (het) inderdaed; vgl.:“Maer d’eerste is die my best behaeght.”—“Hy is die ware liefde plant:Als vader van den echten bant.”Vgl. van Helten, Vondels Taal II, § 212. Voor het duitsch: E. Bernhardt, Zs. f. D. Phil., 1903, 145.1252.op de zaal, zaal meestal het grote ontvangvertrek, hier echter vertrek in ’t algemeen, vgl. vs. 1266.—Vgl. o. m.“Soo haest als dit besluyt is by de wet (rechtbank) genomen,Soo siet men op de zael terstond een priester komen,Die heeft het jonge paer versegelt in de trou.”En Trouringh, 4º., Ongel. Houwel., 197.—Antonius-Cleopatra, 595 m.; etc.1285.grijpt haer in den arm, omarmen, vgl.:”’t Sa grijpt my in den arm en neemt den lesten soenIck wil ook even soo myn laetste plichten doen.Na spraeck en wederspraeck de jonge luyden grepenMalkander in den arm, en vast aen een genepenGaen rollen van den rots.....”1299, 1328.ons, vgl. van Helten, Vondels Taal I, § 99; Mndl. Spraakl., blz. 444.1300.in dese venster.Vensters in de oude kastelen waren diepe nissen, met banken aan de zijden. Vgl. vooral Schulz,Höfisches Leben in MA.1304.nam= zou nemen; vgl.628.1312. Vgl.1327.1322.doot= ongeluk, vgl. Verdam, Mned. Woordenb. II, 296: “Bi aldus ghedaenre dinc so brinct hi sinen here ter doot”, zie ook aldaar 297γ.1326.op een nieu, vgl. van Helten, Vondels Taal I, 154.1331. werkelik, innerlik, en voor de mensen,schijn, uiterlik voorkomen.1351.vertrout syn aen, vgl. verloven; Mnederl. sekeren, versekeren, Taal- en Letterbode, II, 18.1356. Daarvan kon ik behoorlik van avond niet alles mededelen.1366. Vgl.842, vv.—tergen, vgl.:“De juffers van het hof die met geçierde rocken,Die met een dertel oogh ons kriele sinnen locken,Verdienen ’t ongeluck dat ons haer wesen verght,Maer dit onnoosel dier en heeft my noyt geterght.”Vgl. ons: mondterging; en Gloss. Granida.1382. Op alle vragen geeft zij..... zo vriendelik en zo ten volle antwoord, dat.....in volle leden, volledig, ten volle, vgl.: (het onderzoek) “is by my niet overal in volle leden ghedaen konnen werden.”1384.strecken over, vgl.: (zijn gedachten) laten gaan over, maar hier sterker: zo had hij op haar zijn hart gezet.—Sinnen, vgl. gemoet, 702: hart, ”’t beginsel van zijn neigingen, hartstochten”, tegenover verstand, rede, vgl.703.1388.hertsen, dubbelvormig uit herts, en herten. Vgl. o.a. Kolthoff, Het Subst. in ’t Nederl. der 16eeeuw, 27.1393/4.noemen: afgekomen, rijm vanoe: o.dat vaak voorkomt, zie Reynaert, (Zw. Herdr.) Inleiding blz.XLIV, vv.,XLVI, enXXXIX. Met de daar aangehaalde litteratuur.1411. A. was haar voorspraak, pleitte verzachtende omstandigheden; de lant-vooght nam dit (wat hij bijbracht) aan; vgl. ons: iemand voorspreken. Kiliaen veur-spreken, fide iubere, stipulari et defendere verbis. Diefenbach: prolocutor vorspreke, vorsprecke. advocare vorsprechen, fideirbere, vorheyssen, borghe werden.1415. In ouden tijd kon manslag en moord met geld afgekocht.1450. Beeldspraak aan ’t klein schippersbedrijf ontleend. Zeilt men met volle zeil, dan is de boegspriet vooruitgestoken; deze wordt echter opgetrokken of ingehaald, nadat de kluiver gestreken is, zodra men de haven en wal nadert, en vaart mindert.1457.deman, naastdenman: passim; vgl.die407a.1473. Ghy siet, Imperatief vgl.298.Pasquier, vgl.1792; beroemd Frans jurist en overheidspersoon van Parijs, 1529–1615. Onder meer: Les Recherches de la France (1560).1497.mogen= moeten, vgl. Van Helten, Mndl. Spr. § 232; Verdam, Mndl. Wdbk., i.v. Nog in Zeeland.1500.kruys-dragende. Het kruis, dat gewoonlik aan een ketting om de hals werd gedragen, is het gewone onderscheidingsteken van alle bischoppen, en van die abten, aan wie de bischoppelike insignia zijn toegestaan. Men zal een, moeten inlassen nakruys-dragende, waarbij als appositie dan B. ofte A. staat. Eigenlik hier een min juiste vertaling van: “le Pape.... ordonna, comme on disait: que tout Evesque, et Abbé portant crosse, leur donneroit pour une fois dix livres tournois.”1502.Tournois. In de ME. had bijna elke stad het muntrecht: daardoor ontstond allerlei muntwaarde, vandaar de bijvoeging (een pond) doorniksch, e.a. Vgl. nog pond sterling.1521. de mans wijs makende dat hun vrouwen verkeerde zaken bij de hand hadden, hun ontrouw waren.—Vgl.: “een vrouwe heeft ons een spinrocken gerockt daermen nu nacht en dach met besich is om quaet garen af te spinnen twelck wel int afhaspelen vuyl quaet wergaren mochte worden.” Sermoenen-Broer Cornelis.—Vgl. Harrebomée, Spreekwoorden, I, 202b: “Zoo ’t wijf met de oogen gluurt, en met haar gangen draait, Is ’t wonder dat ze niet met andrer garen naait.”—ook: Stijntje en Trijntje, laat varen: Zij spinnen quaet garen (ald. L. S. I, XXXVIII) daar aangehaald: Gheurtz, 10, 76—grof garen spinnen, vgl. ook Zw. Herdr. 12/13 (Asselijn’s Jan Klaaz) Aant. bij 152.1522.uyt de lieden beurse, vgl. ook Van Helten, Vondels Taal, Synt. blz. 141; mndl. de weeskinderen goeden;—die arme luden lijken, etc. in Mndl. Spr. blz. 450.—Ook?... “naar rijkelui gewoonte”, Potgieter, Proza 394.1531.Sebastiaen Munsterus, Duits mathematicus en Hebraïcus, 1489 (Ingelheim)—1552 (Basel). Zijn hoofdwerk: Cosmographia universa, een van de oudste aardrijkskundige werken.1535.Philippe Camerarius, 1537 (Tubingen)—1624, zoon van de beroemde Joachim (I) C, broeder van Joachim (II) C, schreef o. a. Orationes.1536.Konrad von Gesner, 1516–1565, polyhistor, gaf een nieuwe richting in de Litteratuurgeschiedenis door zijn Bibliotheca universalis sive Catalogus omnium scriptorum locupletissimus in 3 linguis Gracca, Latina et Hebraica extantium, (Zurich, 1545–55); gaf verscheidene oude auteurs uit met commentaren, o. a.: Mithridates, sive de differentiis linguarum etc, Zürich, 1555. Vgl. Hanhart, K. v. G. 1824.1548. Volgens de wetenschap van medici en natuurvorsers.Naturen, subst. zw. genitief; vgl. zelfsnaturens. Vondels Taal, I, § 68 i.f.1568.Avicenna, de beroemdste Arabiese Filosoof en arts, 980–1037; zijn beroemd werk “Kanun” grondt zich op Galenus.Franciscus Valesius, Spaans geneesheer XVIeeeuw, lijfarts van Philips II.1569.Jacques Ferrand, Frans medicus, te Agen geboren in heteinde der XVIeeeuw.Traité de la maladie de l’Amour ou mélancholie érotique, Paris, 1623.1572.geleerste,plur. zondern;, vgl. eenige, ervarenste 1566, voorlede 1592, geleerde 1606, groote 1628, e. a. Zie Vondels Taal I, § 100, 105, p. 110. Mned. Spraakl. § 308, 309, 311.1582.slagh-ader die uyt het herte haer beweginge heeft: hier is Cats zeer “up to date” (in 1633 was hij al met het Sp. H. bezig); evenals van Beverwijck (deze in 1638?) nam C. de circulatie-theorie van Hervey aan (1628 gepubliceerd). Vgl. vooralE. D. Baumann, Van Beverwijck in leven en werken geschetst (1910) blz. 134 vv. De meeste gezaghebbende medici bleven tegenspartelen; en zelfs heftig bestrijden.1594. Ovidius, Heroïdes XI, 33, 34:Prima malum nutrix animo praesentit anili:Prima mihi nutrix, Aeoli, dixit, amas.1616. Vgl. Antwerper Lietboeck No. 215, p. 334:Sotten, wat mach v gebreken?Sottinnen, hebt goeden moet,Als v die wespen steken,Loopt inden haselaer metter spoet;Die gaeren metten lenden wercken,Compt doch metten hoop,Papen ende clercken,Die nooten zijn goeden coop.(Vgl. voor haselaer en noten, Kalff, Lied in de ME. 349, en Verwijs St. Nicolaas, 41/42, en Wolf s Zeitschr. f. D. Myth. III, 68.)1617.Soranus van Ephese. Sommigen spreken van twee, waarschijnlik is er maar éen geweest, die leefde tot 138 na Chr.? Aan deze toegeschreven een Leven van Hippocrates. Zijn hoofdwerk:Περί γυναικείων παθῶν.Vgl. Ilberg, in de Abhandl. Sachs. Acad. XXVIII (1910).1623.Valerius Maximus, ± 30 na Chr., schreef De dictis factisque memorabilibus libri IX; met vele historiese anecdotes.1625.den sieckaert maken; Kil. Den sieckaert maecken, Aegrotum simulare, simulare morbem. Vgl. als of hij (God) den vrijer quame maken aen de menschen (Osea 3. 1) en daer na.... stelt sigh eerst als bruydegom, en daerna als echte man; ook: den duvel maken, I Martijn (ed. Verwijs), 149.1629.Galenus, naast Hippocrates de beroemdste Griekse geneesheer, in Pergamum, Alexandrië en in 164 na Chr. te Rome. Tal van werken.1665.Paulus Aegineta, beroemd Grieks chirurg, in Aegina geboren, volgens sommigen in de IVe, Ve, VIe, volgens anderen zelfs in de VIIeeeuw na Chr. Schreef een beroemd Compendium van de Medicijnen.Pauli Aeginetae de re medica libri septem,(gedrukt Venetië 1528, verbeterd Bazel 1538.)1671. Bij een ander verhaal zal daar over wel, is gesproken worden. Over de compositie van de Trouringh, zie Inleiding blz.VIII,vv.1689.Erasistratus, beroemde arts in Ceos, ± 300, lijfarts van Seleucus Nicator. Vgl. vs. 1621. Stichter van een eigen mediese school.1705.uytmuntende, vgl.: “dat de selve geen uytmuntende gebreken aen haer lichaem was hebbende” (bedoeld zijn “verlemtheyt, bultigheyt of diergelijcke”)—“Of yemant, hebbende een uytmuntende lichamelick gebreck dient getrout.”—“Yemant soude willen aanraden tot sodanige uyt-muntende gebreken (d. i. een openbaer sienlijck of tastelick gebreck), immers niet om des rijckdoms wille.”1724.meloenen. Vgl.: “Het en beurt niet selden dat de menschen haer met Meloenen een sieckte op het lijf eten. Want sy bederven lichtelijck, en in den buyck bedorven sijnde, nemenze byna de nature van vergif aen, ende veroorsaken een sieckte, die wy Boorts noemen, ofte eenighe quaedtaerdighe koortsen...” I. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, (enz. 1651) blz. 104.1740. Verschillende leuke voorbeelden van handige “Doctoren” bij I van Beverwyck, Schat der Ongesontheyt, (1651), blz. 5.1762.dat jae, meermalen bij Cats, ook: “ick meyne dat neen”, naast: “ick meyne ja”.—zie 1830; vgl. Frans:que oui, que non.1772.het vogeltjen onder de steert sien. Harrebomée, Spreekw. “dat beteekent: ik moet eerst de zaak navorschen, ’zoo als de vogelaars’, zegt van Eijk, ’om te onderzoeken, of het dier geen gebrek heeft’”. Zie ook van Eijk, Nederlandsche Spreekwoorden (1838), 92; Bogaert, Toegepaste Spreekwoorden (1852), 91.dagh en raet, komt er tijd, komt er raad. Ook Harrebomée. Spreekwoordenboek 3 dln., 1858–1870, die verwijst naar Servilius, Adagiorum epitome (enz.), Antwerpen 1545, blz. 253; Gemeene Duytsche Spreekw. gedrukt tot Campen, bij Peter Warnersen, in den Witten Valck,s. a., blz. 12; Sartorius Adagiorum (enz.) 1556, blz. 128; Tuinman, Oorsprong en uitlegging (enz.) 1726/7, I, 331.1773. Vgl.105vv.1781.Martin-Antoine Delrio, geleerde Nederl. Jezuiet, 1551 (Antwerpen)—1608 (Leuven). Van hem: Disquitionum magicorum libri sex. Leuven, 1599.1790. Oversettinge van Hieronymus; in de Vulgata: door verschillende synoden (laatstelijk Trente) geauthoriseerde Lat. Bijbelvertaling.1791.dient daerom na-gesien: “te worden” door vele grammatici geëist, ontbreekt hier. Vgl. Van Helten, Vondels Taal, Synt. § 248 en Tijdschr. XI, 180.1839. Het gemene recht, het recht dat algemeen geldt in een landstreek, Ned. Woordenb.—De Gemene rechten zullen doelen op het Rom. Recht; naast de landrechten, elk in hun biezondere streek.1841.gaende maecken, vgl.:“Waer gelt en schoonheyt is, daer zijn gewenschte zaken,Die met een stille kracht de menschen gaende maken.”“die hem de sinnen gaende maken.”—“de jeught, de min, de nacht, die als een stille wint de lusten gaende maken.”1844.Justus Lipsius, de beroemde humanist. 18 Oct. 1547–24 Maart 1606, prof. in Leiden en Leuven; o.a.: Monita & Exempla politica, Leiden, 1601. Vgl. verder het Leven en Werken in Bibliographie Liptienne (Gand 1886).1851. De Joden, het uitverkoren bondsvolk, vgl. Genesis XVII. Daarna onder de Nieuwe Bedeling: het Genadeverbond, ook over andere volken zich uitstrekkend; vgl. Hebr. VII, 22; VIII, 6, 13; I Kor. XI, 25; II Kor. III, 6, 14, ook Matth. XXVI, 28. Teken: de doop, vgl.624; vgl. het Belijdenisformulier, Art. XXXIV.Calvinisties betoog.1863. Oud-christelike voorstelling die berust op allegoriese verklaring van het Hooglied bij de Joden: Sulamith, de geliefde, = Joodse volk; de minnaar, Jehova; vgl. o. a. ook Ezech. XVI; later pasten de kerkvaders (Origenes, Hieronymus) dit op de gemeente van Christus toe; vgl. Chr. de Bruidegom in het N. T.; toen niet meer allegories maar in mystiese zin verklaard. Ook aldus in de Protestantse Kerk. Vgl. het Trouwformulier.1887. de een met de ander: met elk-anderen. Vgl. o. m.: “gehoude lieden met onderlinge bewilginge sigh van den anderen wel mogen onthouden.”—“twee, die geen vryheyt hebben van verkiesinge, krijgen dickmael een af-keer van den anderen.”1889. Wel zou de man zijn vrouw niet haten, toch haat de dwaling de waarheid.Hypolite Salviani, Italiaans medicus en natuurkundige, 1514–1572, pauselik lijfarts, o. a. van Julius III. Is hier bedoeldDe crisibus ad Galeni censuram liber(1558)?1892.Henniagus Arnisoeus, Duits geneesheer (1580, Halberstadt-1626); lijfarts van Christiaan IV van Denemarken; schreef vele mediese en juridiese werken, o. a. De jure connubii.1902. De brief van Paulus aan Philemon.1906.Molin, Petrus Molinaeus (du Molin) 1568–1658, Frans Hugenoten-prediker, na 1620 prof. theol. in Sedan. Ging 1615 naar Engeland op verzoek van Jakobus I. Zie G. Gory, P. d. M., Paris 1888.—Is bedoeld “Conseil fidèle et salutaire sur les mariages des personnes deReligioncontraire”?—Zie Jöcher, Gelehrten Lexicon.1916.immers= altans, vgl.:“Het maeckt een groot gherucht,Het schijnt of dat ’et krijst, of immers dat ’et sucht.”Vgl. een andere plaats1705A.1918.sedigheyt, vgl. woest;geloove, ongeloovigh, 1907, zie 1848, vv.1920. Vgl. Paulus aan de Korint. I, 16, welk vers in Cats-z’n tijd op vs. 12, 13, 14 slaat.—Vgl. Grotius, Annotationes in N. T.: “Magnam enim vim habeat in animos sancta viri aut mulieris conversatio”.1939.Vrij wat slots hebben, slot hebben = zin hebben, sluiten, vgl.”’t Is beyde sonder maet, en tegen goede zeden,’t Is beyde sonder slot, en buyten alle reden.”—“Als er iemand boecken schrijftDe leser lacht, de leser kijftDe leser prijst, de leser spotEn beyde dickmaal sonder slot.”—“Wat gaet de slimme gast alhier te voorschijn halenOf fabels sonder slot en oude leugen-talen,O, regter! achtet niet al wat de bouve seytTen heeft geen ander slot, als slegts een loos beleyt.”1972. Dochters Laban; vele Hebr. eigennamen in de Septuagint en in ’t N. T. onverbuigbaar; vgl. vooral Matth. I; Luc. III, 23, 30, 32; X, 30; XVIII, 35; Joh. XVIII, 1; vgl. Robertson (Louïsville, Ky U. S.),A Grammar of the Greek New Testament in the light of historical research3(1919).—Thackeray, a Grammar of the O. T. in Greek I (1909).1979.nachtegael. Vgl.:“O nachtegael die op de peluw sitGhy kond voorwaer te wonder krachtigh singen.”—vgl. ook? Ver nachtegael, Kalff, 360, 355.—Nachtegaal op de peluw: vrouw, die in bed knort! Van Dale-Manhave.Harrebomée, Spreekw. kent nog: Het is een nachtegaeltje op de peluw: dat is: moeder zingt ’s nachts haar kind in slaap.—Een kwaad wijf, is een kwade nachtegaal.—Dat is maar om kennis te maken, zei losse Filip, en hij lichtte zijne vrouw met een houten lantaarn naar bed, daar de nachtegaal zeven jaren op gezongen had.1981. Veel vermag de smeektaal van de vrouw.1Vgl. daarmee:dede: “het selve gebreck hebbende dat onse Cratesdede, te weten een bult op den rugh.”2Vgl. Tijdschr. Ned. Letterk. II, 20.3Vgl. ook ald. 22, noot.4Vgl. ook:Jos. Bédier, Les Fabliaux. Etudes de littérature populaire et d’histoire littéraire du moyen-Age2, 1895. DaaroverG. Busken Huet, Komen onze sprookjes en vertellingen uit Indië,Gids, Okt. 1902. Verder: Bursian Jahresbericht, XIIe Jahrg. (1884) II, I, 20, 205, 271.
Tekstkritische noten°7. F2dat ’et; in F2zijn de enclytica overal door een ’ gescheiden; zo b.v. 32. weet ’er 44. uyt ’er, 60. sy ’er ; 73. gunt ’er; 114. of ’er; 173. quam ’er; 312. waer ’et; 328. was ’et, (enz.).°13. F2Madrid.°47. voegen: aldus in de regel de ou (= onze oe).°64. Q F spelen. O F2stelen.°69. F2vaerdig; en zo geregeld deze ee.°175. F. ontbr. Voor haer. F2haer en haer.°313. F mynen ’t wil. F2mijnent wil.°354. F2paegjen.°358. F2afgekomen.°508. F2al wat ’er.°591. proeve.°719. F uwen ’t wil. F2uwent wil.°789. oorlogh.°843. F2hoon.°859. Uyt.°929. F2Uw.°1098. F2ontbreken.°1128. F2ongedult.°1252. F2op dese.°1333. Q Canstançes.°1364. proef.°F wonderbaerlick.°1529. F2geloof hadden gegeven.°1579. F2houdt.°1582. F2ader.°1593. ontdekt.°1598. Vyt.°1653. proeve.°1695. hitten.°1703. Q af. F1F2of.°1791. F2Even-welEstienne P.°1797. F2dat’er.°1807. F2van houden.°1943. F1F2vernoegen.°1972. F2van Laban.°1975. F2my in uwe.
°7. F2dat ’et; in F2zijn de enclytica overal door een ’ gescheiden; zo b.v. 32. weet ’er 44. uyt ’er, 60. sy ’er ; 73. gunt ’er; 114. of ’er; 173. quam ’er; 312. waer ’et; 328. was ’et, (enz.).
°13. F2Madrid.
°47. voegen: aldus in de regel de ou (= onze oe).
°64. Q F spelen. O F2stelen.
°69. F2vaerdig; en zo geregeld deze ee.
°175. F. ontbr. Voor haer. F2haer en haer.
°313. F mynen ’t wil. F2mijnent wil.
°354. F2paegjen.
°358. F2afgekomen.
°508. F2al wat ’er.
°591. proeve.
°719. F uwen ’t wil. F2uwent wil.
°789. oorlogh.
°843. F2hoon.
°859. Uyt.
°929. F2Uw.
°1098. F2ontbreken.
°1128. F2ongedult.
°1252. F2op dese.
°1333. Q Canstançes.
°1364. proef.
°F wonderbaerlick.
°1529. F2geloof hadden gegeven.
°1579. F2houdt.
°1582. F2ader.
°1593. ontdekt.
°1598. Vyt.
°1653. proeve.
°1695. hitten.
°1703. Q af. F1F2of.
°1791. F2Even-welEstienne P.
°1797. F2dat’er.
°1807. F2van houden.
°1943. F1F2vernoegen.
°1972. F2van Laban.
°1975. F2my in uwe.
Aantekeningen.3.schijnen magh, vgl.704: schijnen mocht.—En (naer het schijnen mocht) hij wou niet verder gaen.—En (naer het schijnen magh) haer ziel die wilder uyt.= de schijn hebben kan.5.Het laet sigh den naem geven, omschrijving van het passivum (oorspronkelik causatief-medium), te vergelijken met “doet verlangen” in het Wilhelmuslied, e. t. q.—Zie Zeitschr. f. Völkerpsych. II, 244/6.—Vgl. peppelhout laat zich gemakkelik bewerken.Zigeuners.Vgl. de Goeye,Memoire sur les migrations des Tsiganes à travers l’ Asie(Leiden 1903),Anz. f. IG. Spr. u. alt.,Journal of the Gipsy Lore Soc.1907 vv. Wiener,Die geschichte d. Wortes Zig. in Arch. N Sprachen 1902.Pott,Die Zigeuner in Europa und Asien(2 dln., 1844–45),Techmers Zeitschr. (Leipzig, 1885.)7. Vgl.105vv., 1774.9.Majombe; schijnt later een algemene naam te zijn voor de “oude koude grijze, die een motkas hield, en eêr was mijn vriendin” ... Goeree, Mengeldicht. 262.21.wiens,relatiefbijfemin.: algemeen, ook Mndl., vgl. Van Helten, Vondels Taal § 126.39.hantgespel; castagnetten. Vgl. noot van Cats bij vs. 341.47.maer en: negatie bij “maer” (uit “ne ware”, het ne ware), de ontkennende kracht werd nog gevoeld, van daarener bij gevoegd.54. Zeer zedig is zij in haar spreken; en zij is gauw gekwetst door ’t geen zij hoort en verneemt.81. Zij wist het vooral aan te leggen, om....—Vgl. hierbij Ned. Wdb. I, p. 224, 2 c.)—Ons “het”, collect. = iemands zaken.84.prenten, drukken, bezig houden? vgl. druk, gepresseerd, bezet met.—Vgl. Gloss. Lekensp.89.uyt den neus, vgl.I. van Beverwyck’s Schat der Ongesontheyt, ofte Genees-konste van de sieckten, verçiert met Historien.... alsoock met verssen van de Heer Jac. Cats....(1651), blz. 86, die niet gelooft, al beweren ’t sommigen, zoals Democritus: “dat de neus eenich teycken soude konnen gheven (al was hy daer ontrent gheweest) van ’t gene hy niet gesien en heeft....Democritus, een Dochter den eenen dagh ontmoetende, groete haer,Goeden dagh Maeghdeken; en ’s anderendaegs haar wederom siende, begroeten haar metGoeden daghVrouken.En het was soo: want sy had dien nacht een ongheluck gehadt, gelijckse dat noemen.”94. De consecutio temporum bij Cats en anderen dient nader en nauwkeuriger onderzocht. Omtrentplaghhier alleen dit:pleghen, in ’t Mnl., “doen”, zo ook bij Cats: plegen dwaesheyt, lusten, gemeenschap van bedde met, enz.—“Wat kooplieden ... plegen en niet plegen,”—“Wat ze vorder in dit geval meynt te plegen”.—plegen = gewoon zijn: “Wel dunkt u dat het queesten (vrijen) van het Noorder-quartier schier op dese of gelijcken voet toegaet?—Behalven dat alle geregelde lieden gestaegh tegens die maniere van doen zijn geweest, en noch zijn, soo was dat noch een geheel andere sake, want de jonge lieden en plegen malkanderen soo na niet te komen, ofte sy en kenden malkanderen al voren door dagelickschen ommegangh: sulcx dat niet geseyt en kan werden...”plaghstaat vaak waar mennueen praes. zou vinden, ”(de jongman) gaf hem aen den gracht, en sey noch anderwerven, Wel sal ick uwe zijn, of sal ik heden sterven? Spreeckt nu het leste woort: ick stae hier, schoone maeght, Wat seghje? Dat ick plagh (roept hier de vrijster tegen).”Alspraeteritumvindt men in de regelplacht. “Een kint dat niet en spreekt gelijck de menschen plachten. Maer dat oock sonder stem kan uyten syn gedachten.”—“Dat (schoonheyt) veroorsaeckt onmatigheyt van ’t houwelicx bedde het welck veel ongelegentheden aen ziel en lichaemplachtin te brengen, daer van ick hier niet breeder... en ben gesint te spreken.”1Plegen, plach, placht, komt zo passim voor bij Cats. Ook in: De Verliefde Fiamette, door Boccacius, Amsterd., 1661, o. m. blz. 84, 93, 161, 233, enz. En Oude Mans Vryagie (1700) 202b.—Vgl. Gloss. Granida;plach, praes.Hooft (Leendertz) I. 38; Warenar 439.—pleech, praet.War. 174;praes.War. 310.Zoplachpraes. moet wezen, dan zouplachtgeen paragogiesethebben; zie de Grammatica’s.Dat daarnaast ookpleegt, = gewoon is, voorkomt, vindt zijn verklaring inbedeutungsübertragung. “Wat kooplui doen”, wordt duratief “wat zij voortdurend doen”, “wat zij gewoon zijn te doen”: zo gaat de infin.plegenbij plach, ookgewoon zijnbetekenen. Dit kan oorzaak zijn dat ook het nieuwepleegt, eerst zeldzaam, later vaker, = gewoon is, voorkomt.Nader onderzoek in de geschriften der XVIIeen vroegere eeuwen zal mischien deze consecutio temporum ophelderen.Vgl. voor ’t vroegere duits Mensing, Z. f. D. Phil., 1903, 229, en noot.Behaghel, Gebrauch der Zeitformen(1899).100.het jaer, houdt in “de 12 Hemelsche Tekenen” van de diereriem, of de 12 maanden, welke alle hun biezondere kracht hebben (vgl. Het grote Planeetboek, 1801, p. 134, 168).—De hemelzijn “die Sterren die op de 12 Tekenen staen, (en) zyn niet te tellen”; ook deze hebben elk hun invloed. Toch wijst alles er slechts op “wat den menschen voor een Natuure uyt den Gesteerntentoegeneigtis,..... daarom niet... dat zulks alzoo moet zijn, gelyck of dat Gesteernte de mensche daer toe dwonge... Alle... zullen haar eigen aangeboren boosheid ende begeerten met verstand wederstaan.”101.Een wie, relatiefwie, meestdie.105. Vgl.1773. Zie genoemd boekje p. 187. Die “linie word genaamt de linie des levens ... in ’t LatijnLinea viteofcordis, en dese linie vanget aan bij de middel-linien dwars in de hand; (en) tusschen de Duyme en de Wijser (wijsvinger) omgaat (zij) den Berg des Duims ende gaet op dat gelijke der hant” (bij de pols).121. Het zal wezen—zo gelooft men algemeen—zoals zij ’t uit hand en vingers leest.122.haer laegen naem, de oudere vorm-enbewaard, om de volgendenvannaem? Vgl., ook voor deh-: ons vryen hals, Vondel, Eneas Vertaling, III, 80. Vgl. (?) Van Helten, Vondels Taal, § 85, add. blz. 173.139. Al wat zij meedeelt is nevelachtig en schemerig, voor dubbele uitleg vatbaar; nooit spreekt zij ronduit; vgl.: “tyt hier noyt te werck, als met bedagte reden Spreeck niet als door een wolck, maer klaer en uyt de mont.”144.Lucht, uitspansel, zoals in Saksiese en Friese dialecten; vgl. Frank-Van Wijck, Etym. Wdb.151. Metbreynmeer gedoeld op het zinnelike; metgeestop het onstoffelike. Vgl.: met hart en ziel—Vgl. nog: (het beelt van de man) “dat maelt haer in het breyn; en speelt haer om de ziel”—“Een gunstige inval, die syn geminde eens schielyck in het breyn viel.”Breynook de gedachten, vgl.1578; ziehersens. In “De bekendmakingen” (etc., 1711, p. 77) van K. Najer, leest men: “het soete en suyvere bloed werd door bewerking vanHartenLong, het alderfijnste, levendigste, en geestigste afgesondert, het welke uyt zijn eygen doorlugtigheyd, allengskens na boven trekt, en sig op de beste plaats, in het midden van het Paleys, deHerssensop den Troon steld... Dese geesten dan, doen allengskens de Herssens vervullen, totdat eyndlyck deselve door de grote toevloed overlopen en geperst werden, door het binnenste sponsagtige der senuwen, soetjes sagtjes heen te wandelen.”—Vgl.1070.152.gevat(passivum) vgl. vs. 376, activum; vgl. “bevaen met minnen” in ’t Mned. Wdb. Over ’met’ = door, Delbrück, Abl. Loc. Instrum. im... Deutschen, S. 51.164.Onverlet, on + verlet, vanverletten, vgl. Kil. verletten, omittere, praetermittere: Et impedire, interpellare, et differre, procrastinare.—Vgl. “De buerte spreeckt ’er van; en desen onvermindert. Men weet niet waer het schort...”—Vgl. unbeschadet, Sanders, Deut. Wörterb.—Zie soortgelijke in Tijdschr. Nederl. Letterk. II, 196, vv.—V, 207, 213: onghescaet sire virtuut, Nat. Bl. XII, 224.—Noord & Zuid VIII, 353.170.Bekaeyde wegen, verkeerde; vgl.:“bekaeyde streken.”—“Geen mensch die menschen kent en syn beroep verstaet,En wees oyt echte wijf tot soo bekaeyden raet.”—“Wie veel den acker ploeght, wanneer hy is besaytDie breekt sijn eerste werck, en maeckt ’t et al bekayt.”—“Wis soo ghy langer blijft, soo isset al bekaeyt.”Over dit woord: Van Wijk-Frank, Etym. Wdb;—Gallée, D. Literaturz. 1884, kol. 1340.—de Vries, Warenar, 190.—Mag. Ned. Taalk. III, 286.—Halbertsma, Letterk. Naoogst I, 64; ook van Helten, Woordafl.-proeven 9 noot.—de Woordenbkn.185. Voor deze zin vgl. men de XVIIe-eeuwse constructie b. v.“Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te cussen.”—Spreken c. acc.= ons: aanspreken, spreken met, tot iemand. Vgl.:“Sy roept ’et door het bosch, sy klaeght ’et alle manSy spreeckt de wachters zelfs, maer niemant weet ’er van”.—Maer waer toe langh ghekermt, ick ga de bueren spreken,En zie noch yet te doen, om dit gheweldt te wreken.en ons: iemand gaan spreken.Een schijn van onjuiste constructie in deze zin ontstaat doordat “aen” naar ons begrip bij spreken wordt gevoegd, en het “aen” bij vangen dan ontbreken zou.Doch ook in plaats van 2 maal hetzelfde woord werd dit ook wel eenmaal gezet. Vgl.: Tijdsch. Ned. Lett. VI, 69; N. & Z. XII, 526; Stoett, Syntax., § 159.188.ten, ’t + de negatie bijniet.189. Constançe = Pretiose, 173; vgl. vs. 1238.195.u swacke maegh met suycker overlast.De suiker, die nu vaak overdreven aangeprezen wordt, stond vroeger minder goed bekend; vgl. I. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, met veersen verçiert door de Heer Jacob Cats... (1651), blz. 116; “Als het grof bruyn Suycker door de scherpe Looghe van Kalck ghemaeckt, ghesuyvert wort, ende de vuyle en swarte Syroop, daer uyt-gedreven is, soo krijght het eenen vreemden scherpen smaeck, waer af het bloedt verbrandt wert, ende het hooft beswaert.... Soo dat het ongesuyvert ofteGrof-Suyckersomtijdts beter is, dan ’t ghene dat de scherpigheyt van de Looge, in het suyveren behouden heeft. Daerom sal men eer het bruynachtigh en tamelijcken wit verkiesen.”200.maeghde-krans.Vgl. o. v.:Ick was ontijdigh groen, en hy begon te mallen.Dies is de maeghde-krans my van het hooft gevallen.De vrijer spreekt tot de vrijster “met een ghebroken maeghdekrans.”“De nieu-gepluckte bloem, niet lange na de dagen,Dat sy den maeghdekrans niet meer vermocht te dragen.”“Een snelle schicht op my gevallen....Die trof mijn teere maeghde-krans.”Vgl. het lied bij Willems, Ovla. Lied nº. 135; Verwijs, Mnederl. Bloeml., p. 128.—Kalff, Lied i. d. ME., 153, 277, 381, 521.—“Verloren hab ich mein Rosenkranz,” Böhme, Altd, Liederb. 152.201. of erger, is om u welbekende reden, de menstruatie opgehouden?214.door een gunstigh oogh tot in het hert, vgl.377. Zie Martijn (ed. Verwijs), Str. 53 v.v. En”....een soet en aerdich beeltDat stracx hem door het oogh tot in het herte speelt”.—“Het oogh, alleen het oogh, kan gantsch den mensen ontrusten,Het is een open deur, een inganck van de lusten.”—“Hier gaet de regel los, die ons heeft wijs gemaeckt,Dat niet als door hetooghhet herte wert geraeckt.”—“Myn verstant.... moet syn ghetogen,In haer lieve in-gewant (binnenste) door heur ghebenedijde oogen.”Nosemans, Hans.223. Haar bloed is machtiger dan haar wil: zij kan niet verhinderen dat zij bloost.230.geest, een persoon van geest, iemand met voortreffelike hoedanigheden, vgl. Ned. Wdb. IV dl. kol. 728/9.—en ’t fra.esprit.242.jaren, in de praegnante zin van jonge jaren, jeugd: van nature de vrolike tijd.243.genieten, vgl.:Wie ist die oyt met eene schootEen schans of ander slot genoot?vgl. Gloss. Granida; Mned. Wdb.245.spruyt, van bomen;kruyt, kruiden;sap, drank, en pappen.255. De moeder, hiertoe (door Constance) verzocht, komt met de dokter, die te hulp geroepen is, binnen; Constance gaat op hun toe en neemt hun alleen.—Vgl.:De vrijster wel geçiert, na datse was gebeden;Quam uyt haer stil vertreck, en in de kamer treden,Haer vader ginger by, en nam haer metter hant,En seyde.....262.gaf hem dese reden, sprak hem zo aan.—Rose, 8833: ”(de man)geefthare menichge quade hoere.”—Vgl. Diefenbach,dare, o. a. sprechen—rede, Kil. spraecke, sermo, verbum.—redenen, verba facere.—Vgl. Gloss. Bern.: edere, seegen. = sprechen, reden (Dief).—Vgl. ook 936.270.d. heb i. w. t. w., moet in het verband betekenen: dat weet ik maar al te goed.—Vgl. ook:“Wat is er menig wijf, dat liever heeft te pratenDie liever heeft te gaen laveyen achter stratenAls met een stillen geest haer kint te wysen aenWat nu, wat naderhant is nut te zijn gedaen.”—“Ick sitte meest den ganschen daghEn hebbe liever wat te staen.”Vgl.? Dit heb ik je te zeggen dat je dat doet; en: Dat heb ik te weten, dat dit gebeurt.288.koorts.Vgl.:“dat een soete coorts haer in het herte quam,Ghecropen meer en meer, die haer den sin benam”,Vermaeck der Ieucht, (1616).—En ’t Koortsigh Liedje, van Bredero.291.heydens volck, gen. vóór ’t bepaalde woord, vgl.752,1351,1522; vgl. Vondels Taal, § 72, i. f. Ofadj.? vgl. Spaens, heus.298. Imperat. = toon-jij; vgl.299: kleed-jij.311.Ké, Kil.: ah. Interiectio varios affectus explicans.—Passim in de XVIIeeeuw. ’t Zou ontstaan zijn uitwetecree,wetekey= wete kerst, sciat Christus: vgl. de Vries, Taalzuivering, 166.316. prees het goede meisje, maar zo dat er niets of niet veel van geven kwam.321. Gyralde echter, nu ondertrouwd, gaf aan het aardig meisje 100 pistoletten, als bruidsgeschenk. Gawoonlik was dit het geschenk aan de meid, die onder de beide speelmakkers en beide speelmeisjes de bruid in ’t biezonder diende. Schotel, Oud-Holl. Huisgezin, 258. Vgl. Warenar, 389, 1318.324. in dit te verhalen een aangename tijdkorting, of genoegen.—Vgl. Kil. tijdverdrijf, oblectamentum, delectamentum, dilitiae.335.een openbare feest, vgl. een drofelike cleet, een coude bat, etc. bij Van Helten, Vondels Taal, § 85c (slot).338/9. Die met schoon gezang en vlug dansen (vgl. saltare) alles zou overtreffen.—sweven boven al, vgl. Mned. Wdb. i. v. bovensweven.341. Houten of ivoren kleppers, die de vorm hadden van twee grote op elkaar passende notedoppen, waren door een band aaneengebonden, die men om de vingers wond. Door de andere vingers snel langs de randen van de kleppers te laten strijken, ontstaat een klikkend geluid, dat de dansrythmus aangeeft. Castagnetten: kastanjes n. d. vorm.358.was aftekomen= moest afkomen, vgl.1949,1952. Zie de variant.365.van syner hant, oude datiefvorm na sommige praeposities; vgl. van der straten1094; bij der hant1104;—op den velde,1020.370.het maegderot. Vgl.:“en tot een soet besluyt,Soo vlocht het maeghde-rot een kransje voor de bruyt.”quam, waar velen nu een plusquamperf. zouden zeggen; vgl. bleef696; waer1383; gingh1398; zie Vondels Taal § 173; of: “quam geleyden” = geleidde, zie462: koomt vougen.—Vgl. Vondels Lucifer, vs. 1778.379. Staat te weifelen, vgl.136: stont en keeck;1119: sit op haer en sagh.—zie Warenar 258; Taalk. Bijdr. I, 125.384.wort, praesens? ook 726, 727, 731, 732; maarwortpraet. bijwerden,wert972, 1093, 1126, 1576, 1801.407.die, naastdien; passim, vgl. Van Helten, Vondels Taal, § 124; Mndl. Spr., § 352, 364e; Cosijn, Taal en Letterb., VI, 276;die men... koos, En(die)...behaeght. Als in ’t Mndl.: in gecoördineerde zinnen blijft het pronomen weg, vooral als ’t inniet-dezelfde betrekking (casus) staat; vgl. Van Helten, Vondels Taal, § 206, en Add.420. om dan te zijn vernield, verpletterd; maar (en hier volgt het 6ecoupl.); vgl. lat. opprimere.442. Maar al te veel bloemen staan dag aan dag te pronken; een frisse stengel hebben ze, maar niemand heeft er lust in. Daar gaan dan haar bladeren met de wind en vergaan, zoals alle stof.449. Bij de ouden wordtPan, de Bosgod, voorgesteld met bokspoten, horens en ruig haar; als de Satyrs, vervolgt hij de nimfen met verliefde zinnen en bedoelingen.459.wachte, oude vorm; vgl. “zegge”, op kwitanties; ik herzegge (van de voorzanger).461. Terwijl de ridder naar dit gezang met groot genot luistert, begint de nachtegaal de vrijster te accompagneren.467.heydens, vgl.291, A.485/6. Haar rede is geregeld en dudelik; vgl. bene compositus; oratio bene composita.—Wat zij zegt, is geestig, aardig bedacht;soete vonden, zijn aangename denkbeelden, invallen;“Men sagher sneegh beleit, men sagher vonden in,Vry teikens van verstant, en van een diepe min.”Misschien zijn de toen zo in trek zijnde “concetti” bedoeld.489.vonck, vgl. Kil. voncke, fomes, etc.; bij Diefenbach o. a.: to neghinge, naturliche neigunge.509. raven,sing., zw. subst. rave, vgl. Vondels Taal, I, p. 75.—Fabel van de vos en de raaf. Vgl. Phaedr. I, 13. Romulus I, 14. De laatste redactie luidt: “Qui se laudari gaudent—verbis subdolis decepti penitent—de quibus similis est fabula.Cum de fenestra corvus caseum raperet—alta consedit in arbore—Vulpis ut hec vidit e contra sic ait corvo—O corvus quis similis tibi? et pennarum tuarum quam magnus est nitor? Qualis decor tuus esset—si vocem habuisses claram—nulla prior avis esset—At ille dum vult placere et vocem suam ostendere—validius sursum clamavit—et ore patefacto oblitus—caseum deiecit—Quem celeriter vulpis dolosa avidis rapuit dentibus—Tunc corvus ingemuit—et stupore detentus deceptum se poenituit—Sed post inrecuparabile factum damnum quid iuvat poenitere?” Vgl.760, A.met vollen mont, vgl.:De vrucht die is te raken,En met een vollen mont op haren tijt te smaken.535. wat ik wezen mag, toch ben ick (etc.)—magh, vgl. Vondels Taal, II, § 188. Vgl.1304.542.streelt de sijde rocken, vleit de vrouwen, die aan het hof zijn; vgl. m. m. debouwen,wijlen(nonnen);“Dus gaetet vast dat aen denbroeckHanght al de vreughde van dendoeck”;vgl. plaet, platen, (soldaten).sijde, hollands, nu nog, voorsijden. Vgl. Van Helten, Vondels taal I, blz. 106.544. edel pant = reine jeugd;genit. epexegeticus: de stad van Amsterdam, de prijzenswaarde deugd van zelfbeheersching.606. Oude gewoonte, om alle gerechten tegelijk optezetten.614. lage plaats, vgl. locus, afkomst, geboorte, stand.625.mijnen= jegens mij, pron. poss. = gen. object; vgl. Granida, 1529b, A.628.nam, = zou nemen, vgl.1304.639. Indien je gediend ben van schoonheid, kom slechts, wanneer je ook wilt, je huis uit, daar (in deze grote stad) wonen vele mooie meisjes.642. Indien je vermaak vindt in verstandige, geestige kout, welnu, dat behoef je evenmin te missen.655/6. Al worstel ik tegen mijne jeugdige lusten, ik word meegesleept zelfs waar ik niet wil.—Vgl. voorjeught: “een maeght die onmachtigh is haer jeught te wederhouwen”.—“syn herte soo bevanght,Dat hy tot in het mergh na hare jeught verlanght.”“een jongh en rustigh man,Die, na den rechten eysch, u jeught vernugen kan.”Een gehuwde vrouw moet in sommige omstandigheden “alle hare jeughdigheden dempen en doen versterven.”659.deftigh. Vgl. “Of het een deftigh man, die syn geheele werck van wijsheyt en geleertheyt heeft voorgenomen te maken, geraden is sigh ten houwelicke te begeven.”—“Daer is een deftigh man (Barlaeus) die leert u Roomschespraeck.”—Ongehoorzaam zijn om zichzelven het leven te benemen op bevel van de Mohammedaanse vorst, is een boze“daet,Maer ’t is een deftigh helt, die hier in willigh gaet.”—”..... hiet my lieve man,In dat soet-deftigh woort, daer in soo ligt verholenWat u en my gelyck de Schepper heeft bevolen.”—“Het is geen deftigh man,Die met gebogen hals geen dwasen lijden kan.”—“Datje niet en nut, of met den monde smaeckt,Dat uyt een innigh vyer de lusten gaende maeckt.....maer breeckt de lange nachtenDoor vlyt tot deftigh werck.”—“o deftigh werck dat ick op heden doe... een wreede moort.”—“Zijn deftige (ernstige) taal stelden my ook gerust.”Haagsche Vondeling.Vgl.Taal en Letteren, 1903, blz. 473.672. mijn onervaren jeugd nu bij te minne en geringe schepsels bevrediging zoekt.—Vgl.614.673. Indien men de oude tijd nagaat, bemerkt men ....679. ter wille van Europa, dochter van een Phoeniciese koning.680. om Leda, de echtgenote van de Spartaanse koning te bezoeken.682. Hercules was verliefd op Omphale, koningin van de Lydiërs, en vernederde zich daar een tijd lang om als slaaf haar te dienen, om haar gunsten te genieten. De negen-koppige slang, de Hydra, een monsterleeuw bij Nemea, het Erymantiese zwijn, de Cretensiese stier versloeg hij.684.duyden= strekken, vgl. de 2ebetekenis van het intransitiefdiedenin het Mned. Woordenb., welke die van “strekken” nadert, b.v. Hoe luttel hare (des aventuren) helpen (znw. mv.) dieden. Vgl. baten, dienen:“Indien men recht gebruyckt den luyster der agathen,Het sal het jonge paar tot vrede konnen baten.”—“En trout oock op het ooge niet,Want ’et dient u beyde tot verdriet.”688. ik weet niet (door) hoe een sloor, (hoe) een herderin.692.Gode, dat., zonder meer, slaat op Jupijn (677). Andreas is Christen, en Heiden tegelijk: gewoon verschijnsel in de Renaissance-literatuur.693.het groote licht, de zon, nog in gewestelike taal, in bepaalde frases (“gaat ons verlaten, is weg”) de gewone aanduiding.706.En(zij)scheen, vgl. Vondels Taal, II, § 227, d.708. Zo gauw zag hij ze niet weer, of zijn smeulende liefde ontvlamde dadelik.721.began, praes.? (vgl. plagh, 94, A.) Mnederl. begonnen,2begonde(begonste) naast beginnen, began (begon). Beide vormen lopen door een. Mogelik is datbegonnenlater is beschouwd als een verbum gelijkconnen(praes.can)3en derhalvebegan, praes.;begonste, praet.—Naast inf.begonnenbleefbeginnen(vgl. de dooréenmenging in de spreektaal van kennen (kent) en kunnen (kan). Ook bij de voorgestelde etymologie (Kluge, Franck-Van Wijck, Etym. Wrdbn.) is een praes.beganwel te verklaren.733.quam, perf., vgl.1020; zie Vondels Taal, II, § 171.752.Wij stellen, ons stelsel is dat overal het goed aan allen behoort; wij nemen dus van de overvloed van rijken wat wij behoeven. Gen. vóór ’t bep. woord, vgl.291.757. Moeielik kan men stellen bij die zelf hierin ervaren is: hij kent de kunstjes.760. Zinspelend op de fabelPhaedr.IV, 8. In de ME. en later nog, bekend in de redaksies van de Romulus4, III, 12: “De duobus malis auctor talem subiecit fabulam—Malus peiorem non ledit nec iniquus iniquum superat.In officina cuiusdam fabri introisse dicitur vipera—Dum quereret aliquid ciborum—rodere coepit limam—Tunc lima ridens—ait ad viperam—Quid vis improba tuos ledere dentes? Ipsa sum—quae consuevi omne ferrum rodere—sed et si quid forte est asperum—fricando facio lene-quae si angulum tersero—si quid ibidem est ipsa precido—Ideo eum acriore mihi certandum est.”Romulus, Die paraphrasen des Phaedrus, (IXeeeuw) ed. Oesterley.Latere redakties en omwerkingen uit de XIIIe—XVeeeuwen, aldaar opgenoemd p. 71, noot. Vgl. ook fabel XVI van La Fontaine,lib. V: Le serpent et la lime.762. hoe weinig kleding en deksel de mens nodig heeft. Vgl.:... “dat een keelderven moet een deelOm de rug en borst te decken.”785.sure vlagen. Vgl.: “De Mey (1685) bleef in Nederlant dit Iaer noch vry suer”, Holl. Mercur. IX, 53.793.vrougher op om eenigh heer te groeten, zinspeelt dit op het “lever” van vorsten, en hoge personages?822.Ghy let, imperat., vgl.298.843. Te verklaren als: Indien je het hof wil maken in alle eerbaarheid, zonder bedrieglike voornemens. Vgl. in alle eer endeugd.—Vgl. “Die sonder achterdencken leven, staen als open, en zijn onderhevigh om gehoint te worden.”—Of als: zonder dat dit haar ten schande kan strekken? Vgl. Kiliaen i. v. hoin.852.uwe, de uwe, vgl.920; zie Vondels Taal I, blz. 124.872.bij hem alleen: zonder dat de anderen er bij waren en het bemerkten.899. met verstand en beleid te handelen.918.in u vermaeck, uals gen. object, vgl.10: haer diensten; 625: mijnen haet; 1088: in haer gesichte (in haar te zien)—besteden, vgl.:“waer de beste sinnenBesteden haren tyt ontrent een heyligh minnen.”919. Vgl.1407.936.gaf; vgl. Lat. dare, geven, uitstorten.937.heb ... gaen beginnen, passim bij schrijvers in de XVIIeeeuw.Het hulpwerkw. hoort bij de volgende infinitief, een transitivum, dat met “hebben” vervoegd wordt.Schijnt een Noordhollands eigenaardigheid.Vgl. Kern, De met het Participium Praeteriti omschreven Werkwoordsvormen in ’t Nederlands (Verhand. Kon. Acad. 1912) § 226, blz. 200/1 en § 77, blz. 64/65.939.uithangen, c. dat. pers. “Hoe is mijn uiterlik voorkomen? Zoo zeggen wij nog van iemand, die zich uiterlik als vroom voordoet, dat hijden vrome uithangt, en van een leelijk, wanstaltig mensch, dat hijeen slecht uithangbord heeft”, Cats, ed. de Vries de Jager, Deventer, V, 68 noot.—Vgl.:“Maer segh hoe wort doch Faes van u soo gansch versteken?Wat hanght de Jonghman uyt? Wat heeft hy voor gebreken?”947. Wat beduiden deze regels? Men zou kunnen denken aan: volle maagdelike rijpheid; toen zij op haar middaghoogte was. Daartegen strijdt echter “terstont” (945).—Of maakt de juffer tweemaal ’s daags toilet? Met den noen (voor zij tafelt) en ’s middags (voor zij uitgaat)?—Of zijn eenvoudig “noen” en “midden op den dagh” synoniem, op de middag, in ’t volle licht?950.vougen tot= vereenigen met; vgl. vervoegen = vereenigen, bij Huyghens (Panth. 79, 9) en Pastor Fido van Bloemaert, 1650, p. 130:En wilt met d’uwe toch vervoegen ons’ gebeden.syn leden= zich; vgl. ick schenck u dese leden, 714; als ick ... myn leden overslough, 948. Vgl. nog het passieve in:“Gij dan, van eersten aen datuweteereledenSyn tot den man gedaen, soe voeg u naer den reden.”Vgl. ook: syn saken aanleggen = het aanleggen, 81 A.—952. zelfs van daag nog getrouwd.Versegelt in de trou, vgl. de aanhaling by 1252.—en: “Des Heeren goeden segenVerkondight in de kerck, en opentlick gekregenVersegelt echte trou; soo dat men even danBekoomt een vollen naem van wijf en echte man.”968. Hij is een zonderling, een ruwe klant, die noch om schoonheid, noch om rijkdom geeft.973. eigenaardige herhaling, vgl.1175. En vooral Reynaert, Inleiding (Zw. Herdr. 1909) blz.LVIII, n. en blz.XXII.981.syn hert is niet aen haer. “syn aen” kan, evenals het Lat.esse alicui, betekenen: bezitten; vgl. het Mndl. Doch ook kanaenhier de betekenis vanbijhebben. De eerste opvatting heeft voor, dat “esse alicui” gebruikt wordt, wanneer de nadruk op de zaak valt, gelijk hier “hert”, vgl. de volgende tegenstelling;haer, pron. reflex., waarvan het vrouwelik hert antecedent is.—Zijn hart is niet vrij.1004. Er is climax in de tekst: verrader, spoken, boose geesten. Verrader is een booswicht vol duivelse list, die niets menseliks meer heeft en tot alles in staat is; er is niet alleen aan eigenlik verraad te denken.1007.suysebolt, vgl. “drink datje suizebolt”, Rabelais, Vertaalde Werken.1022. Andreas, wel wetende hoe de vrouwen razen, wanneer men haar lusten weigert te bevredigen.1032. De schout zendt op het vreemd verdacht gerucht de strenge rechters af.De editie van 1700 (zie ’t Voorbericht) heefttroep.1034.in de broecken. Zelfs in de onderbroeken verstopte men de beurs, of kostbaarheden: vgl. Holl. Trouwgevallen, blz. 186. Koopman, blz. 146. Kind van Weelde II, 108.De studie van Jonkvr. Dr. de Jonge over De kleederdracht in de Nederlanden in de XVIeeeuw, in Oud-Holland 1919, geeft voor deze materie niets.1044. Relat. zin; het verbum wegens ’t rythme verplaatst.1048.niet en let= niets mankeert; vgl. “een peert dat schurrift is, en wil den roskam niet.”1066. Hij dient naar de galeien veroordeeld.1070.geesten, vgl. het laatste gedeelte der aanhaling bij 151.Ookdierlijke geesten, animal spirits, esprits animaux, vgl. Ned. Woordenb.: “de fijne vluchtige vloeistoffen, die, naar men onderstelde, in het bloed aanwezig zijn en het eigenlijke beginsel uitmaken van gevoel en beweging. Door sommigen onderscheiden van delevensgeesten, die als de oorzaak van het leven golden.”—“Vele malen bij C. deze geesten in betrekking tot de werking van die fijne zenuwvloeistoffen op het gevoel, de begeerten, hartstochten,” enz.1072. Alleen zijn edele afkomst trekt hem voor de geest.—spelen ontrent= zich bewegen om. Vgl.: “maer alle mijne sinnen spelen noch ontrent uwe laetste redenen.”1119.vast sit op haer en sagh, zit op haar te zien; vgl.:“Sy leyt er op en maelt als met de gantsche krachtOock midden in den droom, en in den middernacht.”—“Hy sit op haer en loer bijnaest den ganschen dagh.”Vgl. nog Noord en Zuid II, 138/9.1124.landdrost, waardigheid hoger dan schout; landdrost oefende in naam van de heer de lijfstraffelike rechtspleging uit.1127.Al is de krijghsman doot, Is de krijgsman gedood, dood.—Al, versterkend partikel = wel??—doot, oud part. tot adj. geworden, vgl. van Helten, Tijdschr. Ned. Lett. III, 109.—Verdam, Middelned. Woordenboek, 297.—Alexander, ed. Franck, p. 421.1131. Ooit van zijn leven, een adverbiale accus. Vgl. “heb ik mijn leven!”—Vgl. Warenar 1053, var.1152. Aen (de ontroerde) vrou Giomaer schijnt het zelfs een stage vloet; aldus op te vatten?1160. (verwondert)dat, vgl. Mned. Woordenb. II, 86/7.1169.opgetogen, gespannen, ingespannen. Vgl.: opgespanne, Vondels Lucifer 145; ook: “die (geleerde) zijn dickwijls te veel opgetogen om een jonge vrouwe wat goets te doen”?—1170. Maiombe wikte ernstig haar droevige toestand.1194. Vgl.739, 751.1226.die, relat. zin bij “slimme gangen” (vergif, coll. = slimme ganghen): constructio ad intellectum.1236. was (het) inderdaed; vgl.:“Maer d’eerste is die my best behaeght.”—“Hy is die ware liefde plant:Als vader van den echten bant.”Vgl. van Helten, Vondels Taal II, § 212. Voor het duitsch: E. Bernhardt, Zs. f. D. Phil., 1903, 145.1252.op de zaal, zaal meestal het grote ontvangvertrek, hier echter vertrek in ’t algemeen, vgl. vs. 1266.—Vgl. o. m.“Soo haest als dit besluyt is by de wet (rechtbank) genomen,Soo siet men op de zael terstond een priester komen,Die heeft het jonge paer versegelt in de trou.”En Trouringh, 4º., Ongel. Houwel., 197.—Antonius-Cleopatra, 595 m.; etc.1285.grijpt haer in den arm, omarmen, vgl.:”’t Sa grijpt my in den arm en neemt den lesten soenIck wil ook even soo myn laetste plichten doen.Na spraeck en wederspraeck de jonge luyden grepenMalkander in den arm, en vast aen een genepenGaen rollen van den rots.....”1299, 1328.ons, vgl. van Helten, Vondels Taal I, § 99; Mndl. Spraakl., blz. 444.1300.in dese venster.Vensters in de oude kastelen waren diepe nissen, met banken aan de zijden. Vgl. vooral Schulz,Höfisches Leben in MA.1304.nam= zou nemen; vgl.628.1312. Vgl.1327.1322.doot= ongeluk, vgl. Verdam, Mned. Woordenb. II, 296: “Bi aldus ghedaenre dinc so brinct hi sinen here ter doot”, zie ook aldaar 297γ.1326.op een nieu, vgl. van Helten, Vondels Taal I, 154.1331. werkelik, innerlik, en voor de mensen,schijn, uiterlik voorkomen.1351.vertrout syn aen, vgl. verloven; Mnederl. sekeren, versekeren, Taal- en Letterbode, II, 18.1356. Daarvan kon ik behoorlik van avond niet alles mededelen.1366. Vgl.842, vv.—tergen, vgl.:“De juffers van het hof die met geçierde rocken,Die met een dertel oogh ons kriele sinnen locken,Verdienen ’t ongeluck dat ons haer wesen verght,Maer dit onnoosel dier en heeft my noyt geterght.”Vgl. ons: mondterging; en Gloss. Granida.1382. Op alle vragen geeft zij..... zo vriendelik en zo ten volle antwoord, dat.....in volle leden, volledig, ten volle, vgl.: (het onderzoek) “is by my niet overal in volle leden ghedaen konnen werden.”1384.strecken over, vgl.: (zijn gedachten) laten gaan over, maar hier sterker: zo had hij op haar zijn hart gezet.—Sinnen, vgl. gemoet, 702: hart, ”’t beginsel van zijn neigingen, hartstochten”, tegenover verstand, rede, vgl.703.1388.hertsen, dubbelvormig uit herts, en herten. Vgl. o.a. Kolthoff, Het Subst. in ’t Nederl. der 16eeeuw, 27.1393/4.noemen: afgekomen, rijm vanoe: o.dat vaak voorkomt, zie Reynaert, (Zw. Herdr.) Inleiding blz.XLIV, vv.,XLVI, enXXXIX. Met de daar aangehaalde litteratuur.1411. A. was haar voorspraak, pleitte verzachtende omstandigheden; de lant-vooght nam dit (wat hij bijbracht) aan; vgl. ons: iemand voorspreken. Kiliaen veur-spreken, fide iubere, stipulari et defendere verbis. Diefenbach: prolocutor vorspreke, vorsprecke. advocare vorsprechen, fideirbere, vorheyssen, borghe werden.1415. In ouden tijd kon manslag en moord met geld afgekocht.1450. Beeldspraak aan ’t klein schippersbedrijf ontleend. Zeilt men met volle zeil, dan is de boegspriet vooruitgestoken; deze wordt echter opgetrokken of ingehaald, nadat de kluiver gestreken is, zodra men de haven en wal nadert, en vaart mindert.1457.deman, naastdenman: passim; vgl.die407a.1473. Ghy siet, Imperatief vgl.298.Pasquier, vgl.1792; beroemd Frans jurist en overheidspersoon van Parijs, 1529–1615. Onder meer: Les Recherches de la France (1560).1497.mogen= moeten, vgl. Van Helten, Mndl. Spr. § 232; Verdam, Mndl. Wdbk., i.v. Nog in Zeeland.1500.kruys-dragende. Het kruis, dat gewoonlik aan een ketting om de hals werd gedragen, is het gewone onderscheidingsteken van alle bischoppen, en van die abten, aan wie de bischoppelike insignia zijn toegestaan. Men zal een, moeten inlassen nakruys-dragende, waarbij als appositie dan B. ofte A. staat. Eigenlik hier een min juiste vertaling van: “le Pape.... ordonna, comme on disait: que tout Evesque, et Abbé portant crosse, leur donneroit pour une fois dix livres tournois.”1502.Tournois. In de ME. had bijna elke stad het muntrecht: daardoor ontstond allerlei muntwaarde, vandaar de bijvoeging (een pond) doorniksch, e.a. Vgl. nog pond sterling.1521. de mans wijs makende dat hun vrouwen verkeerde zaken bij de hand hadden, hun ontrouw waren.—Vgl.: “een vrouwe heeft ons een spinrocken gerockt daermen nu nacht en dach met besich is om quaet garen af te spinnen twelck wel int afhaspelen vuyl quaet wergaren mochte worden.” Sermoenen-Broer Cornelis.—Vgl. Harrebomée, Spreekwoorden, I, 202b: “Zoo ’t wijf met de oogen gluurt, en met haar gangen draait, Is ’t wonder dat ze niet met andrer garen naait.”—ook: Stijntje en Trijntje, laat varen: Zij spinnen quaet garen (ald. L. S. I, XXXVIII) daar aangehaald: Gheurtz, 10, 76—grof garen spinnen, vgl. ook Zw. Herdr. 12/13 (Asselijn’s Jan Klaaz) Aant. bij 152.1522.uyt de lieden beurse, vgl. ook Van Helten, Vondels Taal, Synt. blz. 141; mndl. de weeskinderen goeden;—die arme luden lijken, etc. in Mndl. Spr. blz. 450.—Ook?... “naar rijkelui gewoonte”, Potgieter, Proza 394.1531.Sebastiaen Munsterus, Duits mathematicus en Hebraïcus, 1489 (Ingelheim)—1552 (Basel). Zijn hoofdwerk: Cosmographia universa, een van de oudste aardrijkskundige werken.1535.Philippe Camerarius, 1537 (Tubingen)—1624, zoon van de beroemde Joachim (I) C, broeder van Joachim (II) C, schreef o. a. Orationes.1536.Konrad von Gesner, 1516–1565, polyhistor, gaf een nieuwe richting in de Litteratuurgeschiedenis door zijn Bibliotheca universalis sive Catalogus omnium scriptorum locupletissimus in 3 linguis Gracca, Latina et Hebraica extantium, (Zurich, 1545–55); gaf verscheidene oude auteurs uit met commentaren, o. a.: Mithridates, sive de differentiis linguarum etc, Zürich, 1555. Vgl. Hanhart, K. v. G. 1824.1548. Volgens de wetenschap van medici en natuurvorsers.Naturen, subst. zw. genitief; vgl. zelfsnaturens. Vondels Taal, I, § 68 i.f.1568.Avicenna, de beroemdste Arabiese Filosoof en arts, 980–1037; zijn beroemd werk “Kanun” grondt zich op Galenus.Franciscus Valesius, Spaans geneesheer XVIeeeuw, lijfarts van Philips II.1569.Jacques Ferrand, Frans medicus, te Agen geboren in heteinde der XVIeeeuw.Traité de la maladie de l’Amour ou mélancholie érotique, Paris, 1623.1572.geleerste,plur. zondern;, vgl. eenige, ervarenste 1566, voorlede 1592, geleerde 1606, groote 1628, e. a. Zie Vondels Taal I, § 100, 105, p. 110. Mned. Spraakl. § 308, 309, 311.1582.slagh-ader die uyt het herte haer beweginge heeft: hier is Cats zeer “up to date” (in 1633 was hij al met het Sp. H. bezig); evenals van Beverwijck (deze in 1638?) nam C. de circulatie-theorie van Hervey aan (1628 gepubliceerd). Vgl. vooralE. D. Baumann, Van Beverwijck in leven en werken geschetst (1910) blz. 134 vv. De meeste gezaghebbende medici bleven tegenspartelen; en zelfs heftig bestrijden.1594. Ovidius, Heroïdes XI, 33, 34:Prima malum nutrix animo praesentit anili:Prima mihi nutrix, Aeoli, dixit, amas.1616. Vgl. Antwerper Lietboeck No. 215, p. 334:Sotten, wat mach v gebreken?Sottinnen, hebt goeden moet,Als v die wespen steken,Loopt inden haselaer metter spoet;Die gaeren metten lenden wercken,Compt doch metten hoop,Papen ende clercken,Die nooten zijn goeden coop.(Vgl. voor haselaer en noten, Kalff, Lied in de ME. 349, en Verwijs St. Nicolaas, 41/42, en Wolf s Zeitschr. f. D. Myth. III, 68.)1617.Soranus van Ephese. Sommigen spreken van twee, waarschijnlik is er maar éen geweest, die leefde tot 138 na Chr.? Aan deze toegeschreven een Leven van Hippocrates. Zijn hoofdwerk:Περί γυναικείων παθῶν.Vgl. Ilberg, in de Abhandl. Sachs. Acad. XXVIII (1910).1623.Valerius Maximus, ± 30 na Chr., schreef De dictis factisque memorabilibus libri IX; met vele historiese anecdotes.1625.den sieckaert maken; Kil. Den sieckaert maecken, Aegrotum simulare, simulare morbem. Vgl. als of hij (God) den vrijer quame maken aen de menschen (Osea 3. 1) en daer na.... stelt sigh eerst als bruydegom, en daerna als echte man; ook: den duvel maken, I Martijn (ed. Verwijs), 149.1629.Galenus, naast Hippocrates de beroemdste Griekse geneesheer, in Pergamum, Alexandrië en in 164 na Chr. te Rome. Tal van werken.1665.Paulus Aegineta, beroemd Grieks chirurg, in Aegina geboren, volgens sommigen in de IVe, Ve, VIe, volgens anderen zelfs in de VIIeeeuw na Chr. Schreef een beroemd Compendium van de Medicijnen.Pauli Aeginetae de re medica libri septem,(gedrukt Venetië 1528, verbeterd Bazel 1538.)1671. Bij een ander verhaal zal daar over wel, is gesproken worden. Over de compositie van de Trouringh, zie Inleiding blz.VIII,vv.1689.Erasistratus, beroemde arts in Ceos, ± 300, lijfarts van Seleucus Nicator. Vgl. vs. 1621. Stichter van een eigen mediese school.1705.uytmuntende, vgl.: “dat de selve geen uytmuntende gebreken aen haer lichaem was hebbende” (bedoeld zijn “verlemtheyt, bultigheyt of diergelijcke”)—“Of yemant, hebbende een uytmuntende lichamelick gebreck dient getrout.”—“Yemant soude willen aanraden tot sodanige uyt-muntende gebreken (d. i. een openbaer sienlijck of tastelick gebreck), immers niet om des rijckdoms wille.”1724.meloenen. Vgl.: “Het en beurt niet selden dat de menschen haer met Meloenen een sieckte op het lijf eten. Want sy bederven lichtelijck, en in den buyck bedorven sijnde, nemenze byna de nature van vergif aen, ende veroorsaken een sieckte, die wy Boorts noemen, ofte eenighe quaedtaerdighe koortsen...” I. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, (enz. 1651) blz. 104.1740. Verschillende leuke voorbeelden van handige “Doctoren” bij I van Beverwyck, Schat der Ongesontheyt, (1651), blz. 5.1762.dat jae, meermalen bij Cats, ook: “ick meyne dat neen”, naast: “ick meyne ja”.—zie 1830; vgl. Frans:que oui, que non.1772.het vogeltjen onder de steert sien. Harrebomée, Spreekw. “dat beteekent: ik moet eerst de zaak navorschen, ’zoo als de vogelaars’, zegt van Eijk, ’om te onderzoeken, of het dier geen gebrek heeft’”. Zie ook van Eijk, Nederlandsche Spreekwoorden (1838), 92; Bogaert, Toegepaste Spreekwoorden (1852), 91.dagh en raet, komt er tijd, komt er raad. Ook Harrebomée. Spreekwoordenboek 3 dln., 1858–1870, die verwijst naar Servilius, Adagiorum epitome (enz.), Antwerpen 1545, blz. 253; Gemeene Duytsche Spreekw. gedrukt tot Campen, bij Peter Warnersen, in den Witten Valck,s. a., blz. 12; Sartorius Adagiorum (enz.) 1556, blz. 128; Tuinman, Oorsprong en uitlegging (enz.) 1726/7, I, 331.1773. Vgl.105vv.1781.Martin-Antoine Delrio, geleerde Nederl. Jezuiet, 1551 (Antwerpen)—1608 (Leuven). Van hem: Disquitionum magicorum libri sex. Leuven, 1599.1790. Oversettinge van Hieronymus; in de Vulgata: door verschillende synoden (laatstelijk Trente) geauthoriseerde Lat. Bijbelvertaling.1791.dient daerom na-gesien: “te worden” door vele grammatici geëist, ontbreekt hier. Vgl. Van Helten, Vondels Taal, Synt. § 248 en Tijdschr. XI, 180.1839. Het gemene recht, het recht dat algemeen geldt in een landstreek, Ned. Woordenb.—De Gemene rechten zullen doelen op het Rom. Recht; naast de landrechten, elk in hun biezondere streek.1841.gaende maecken, vgl.:“Waer gelt en schoonheyt is, daer zijn gewenschte zaken,Die met een stille kracht de menschen gaende maken.”“die hem de sinnen gaende maken.”—“de jeught, de min, de nacht, die als een stille wint de lusten gaende maken.”1844.Justus Lipsius, de beroemde humanist. 18 Oct. 1547–24 Maart 1606, prof. in Leiden en Leuven; o.a.: Monita & Exempla politica, Leiden, 1601. Vgl. verder het Leven en Werken in Bibliographie Liptienne (Gand 1886).1851. De Joden, het uitverkoren bondsvolk, vgl. Genesis XVII. Daarna onder de Nieuwe Bedeling: het Genadeverbond, ook over andere volken zich uitstrekkend; vgl. Hebr. VII, 22; VIII, 6, 13; I Kor. XI, 25; II Kor. III, 6, 14, ook Matth. XXVI, 28. Teken: de doop, vgl.624; vgl. het Belijdenisformulier, Art. XXXIV.Calvinisties betoog.1863. Oud-christelike voorstelling die berust op allegoriese verklaring van het Hooglied bij de Joden: Sulamith, de geliefde, = Joodse volk; de minnaar, Jehova; vgl. o. a. ook Ezech. XVI; later pasten de kerkvaders (Origenes, Hieronymus) dit op de gemeente van Christus toe; vgl. Chr. de Bruidegom in het N. T.; toen niet meer allegories maar in mystiese zin verklaard. Ook aldus in de Protestantse Kerk. Vgl. het Trouwformulier.1887. de een met de ander: met elk-anderen. Vgl. o. m.: “gehoude lieden met onderlinge bewilginge sigh van den anderen wel mogen onthouden.”—“twee, die geen vryheyt hebben van verkiesinge, krijgen dickmael een af-keer van den anderen.”1889. Wel zou de man zijn vrouw niet haten, toch haat de dwaling de waarheid.Hypolite Salviani, Italiaans medicus en natuurkundige, 1514–1572, pauselik lijfarts, o. a. van Julius III. Is hier bedoeldDe crisibus ad Galeni censuram liber(1558)?1892.Henniagus Arnisoeus, Duits geneesheer (1580, Halberstadt-1626); lijfarts van Christiaan IV van Denemarken; schreef vele mediese en juridiese werken, o. a. De jure connubii.1902. De brief van Paulus aan Philemon.1906.Molin, Petrus Molinaeus (du Molin) 1568–1658, Frans Hugenoten-prediker, na 1620 prof. theol. in Sedan. Ging 1615 naar Engeland op verzoek van Jakobus I. Zie G. Gory, P. d. M., Paris 1888.—Is bedoeld “Conseil fidèle et salutaire sur les mariages des personnes deReligioncontraire”?—Zie Jöcher, Gelehrten Lexicon.1916.immers= altans, vgl.:“Het maeckt een groot gherucht,Het schijnt of dat ’et krijst, of immers dat ’et sucht.”Vgl. een andere plaats1705A.1918.sedigheyt, vgl. woest;geloove, ongeloovigh, 1907, zie 1848, vv.1920. Vgl. Paulus aan de Korint. I, 16, welk vers in Cats-z’n tijd op vs. 12, 13, 14 slaat.—Vgl. Grotius, Annotationes in N. T.: “Magnam enim vim habeat in animos sancta viri aut mulieris conversatio”.1939.Vrij wat slots hebben, slot hebben = zin hebben, sluiten, vgl.”’t Is beyde sonder maet, en tegen goede zeden,’t Is beyde sonder slot, en buyten alle reden.”—“Als er iemand boecken schrijftDe leser lacht, de leser kijftDe leser prijst, de leser spotEn beyde dickmaal sonder slot.”—“Wat gaet de slimme gast alhier te voorschijn halenOf fabels sonder slot en oude leugen-talen,O, regter! achtet niet al wat de bouve seytTen heeft geen ander slot, als slegts een loos beleyt.”1972. Dochters Laban; vele Hebr. eigennamen in de Septuagint en in ’t N. T. onverbuigbaar; vgl. vooral Matth. I; Luc. III, 23, 30, 32; X, 30; XVIII, 35; Joh. XVIII, 1; vgl. Robertson (Louïsville, Ky U. S.),A Grammar of the Greek New Testament in the light of historical research3(1919).—Thackeray, a Grammar of the O. T. in Greek I (1909).1979.nachtegael. Vgl.:“O nachtegael die op de peluw sitGhy kond voorwaer te wonder krachtigh singen.”—vgl. ook? Ver nachtegael, Kalff, 360, 355.—Nachtegaal op de peluw: vrouw, die in bed knort! Van Dale-Manhave.Harrebomée, Spreekw. kent nog: Het is een nachtegaeltje op de peluw: dat is: moeder zingt ’s nachts haar kind in slaap.—Een kwaad wijf, is een kwade nachtegaal.—Dat is maar om kennis te maken, zei losse Filip, en hij lichtte zijne vrouw met een houten lantaarn naar bed, daar de nachtegaal zeven jaren op gezongen had.1981. Veel vermag de smeektaal van de vrouw.1Vgl. daarmee:dede: “het selve gebreck hebbende dat onse Cratesdede, te weten een bult op den rugh.”2Vgl. Tijdschr. Ned. Letterk. II, 20.3Vgl. ook ald. 22, noot.4Vgl. ook:Jos. Bédier, Les Fabliaux. Etudes de littérature populaire et d’histoire littéraire du moyen-Age2, 1895. DaaroverG. Busken Huet, Komen onze sprookjes en vertellingen uit Indië,Gids, Okt. 1902. Verder: Bursian Jahresbericht, XIIe Jahrg. (1884) II, I, 20, 205, 271.
3.schijnen magh, vgl.704: schijnen mocht.—En (naer het schijnen mocht) hij wou niet verder gaen.—En (naer het schijnen magh) haer ziel die wilder uyt.
= de schijn hebben kan.
5.Het laet sigh den naem geven, omschrijving van het passivum (oorspronkelik causatief-medium), te vergelijken met “doet verlangen” in het Wilhelmuslied, e. t. q.—Zie Zeitschr. f. Völkerpsych. II, 244/6.—Vgl. peppelhout laat zich gemakkelik bewerken.
Zigeuners.Vgl. de Goeye,Memoire sur les migrations des Tsiganes à travers l’ Asie(Leiden 1903),Anz. f. IG. Spr. u. alt.,Journal of the Gipsy Lore Soc.1907 vv. Wiener,Die geschichte d. Wortes Zig. in Arch. N Sprachen 1902.Pott,Die Zigeuner in Europa und Asien(2 dln., 1844–45),Techmers Zeitschr. (Leipzig, 1885.)
7. Vgl.105vv., 1774.
9.Majombe; schijnt later een algemene naam te zijn voor de “oude koude grijze, die een motkas hield, en eêr was mijn vriendin” ... Goeree, Mengeldicht. 262.
21.wiens,relatiefbijfemin.: algemeen, ook Mndl., vgl. Van Helten, Vondels Taal § 126.
39.hantgespel; castagnetten. Vgl. noot van Cats bij vs. 341.
47.maer en: negatie bij “maer” (uit “ne ware”, het ne ware), de ontkennende kracht werd nog gevoeld, van daarener bij gevoegd.
54. Zeer zedig is zij in haar spreken; en zij is gauw gekwetst door ’t geen zij hoort en verneemt.
81. Zij wist het vooral aan te leggen, om....—Vgl. hierbij Ned. Wdb. I, p. 224, 2 c.)—Ons “het”, collect. = iemands zaken.
84.prenten, drukken, bezig houden? vgl. druk, gepresseerd, bezet met.—Vgl. Gloss. Lekensp.
89.uyt den neus, vgl.I. van Beverwyck’s Schat der Ongesontheyt, ofte Genees-konste van de sieckten, verçiert met Historien.... alsoock met verssen van de Heer Jac. Cats....(1651), blz. 86, die niet gelooft, al beweren ’t sommigen, zoals Democritus: “dat de neus eenich teycken soude konnen gheven (al was hy daer ontrent gheweest) van ’t gene hy niet gesien en heeft....Democritus, een Dochter den eenen dagh ontmoetende, groete haer,Goeden dagh Maeghdeken; en ’s anderendaegs haar wederom siende, begroeten haar metGoeden daghVrouken.En het was soo: want sy had dien nacht een ongheluck gehadt, gelijckse dat noemen.”
94. De consecutio temporum bij Cats en anderen dient nader en nauwkeuriger onderzocht. Omtrentplaghhier alleen dit:
pleghen, in ’t Mnl., “doen”, zo ook bij Cats: plegen dwaesheyt, lusten, gemeenschap van bedde met, enz.—“Wat kooplieden ... plegen en niet plegen,”—“Wat ze vorder in dit geval meynt te plegen”.—
plegen = gewoon zijn: “Wel dunkt u dat het queesten (vrijen) van het Noorder-quartier schier op dese of gelijcken voet toegaet?—Behalven dat alle geregelde lieden gestaegh tegens die maniere van doen zijn geweest, en noch zijn, soo was dat noch een geheel andere sake, want de jonge lieden en plegen malkanderen soo na niet te komen, ofte sy en kenden malkanderen al voren door dagelickschen ommegangh: sulcx dat niet geseyt en kan werden...”
plaghstaat vaak waar mennueen praes. zou vinden, ”(de jongman) gaf hem aen den gracht, en sey noch anderwerven, Wel sal ick uwe zijn, of sal ik heden sterven? Spreeckt nu het leste woort: ick stae hier, schoone maeght, Wat seghje? Dat ick plagh (roept hier de vrijster tegen).”
Alspraeteritumvindt men in de regelplacht. “Een kint dat niet en spreekt gelijck de menschen plachten. Maer dat oock sonder stem kan uyten syn gedachten.”—
“Dat (schoonheyt) veroorsaeckt onmatigheyt van ’t houwelicx bedde het welck veel ongelegentheden aen ziel en lichaemplachtin te brengen, daer van ick hier niet breeder... en ben gesint te spreken.”1
Plegen, plach, placht, komt zo passim voor bij Cats. Ook in: De Verliefde Fiamette, door Boccacius, Amsterd., 1661, o. m. blz. 84, 93, 161, 233, enz. En Oude Mans Vryagie (1700) 202b.—Vgl. Gloss. Granida;plach, praes.Hooft (Leendertz) I. 38; Warenar 439.—pleech, praet.War. 174;praes.War. 310.
Zoplachpraes. moet wezen, dan zouplachtgeen paragogiesethebben; zie de Grammatica’s.
Dat daarnaast ookpleegt, = gewoon is, voorkomt, vindt zijn verklaring inbedeutungsübertragung. “Wat kooplui doen”, wordt duratief “wat zij voortdurend doen”, “wat zij gewoon zijn te doen”: zo gaat de infin.plegenbij plach, ookgewoon zijnbetekenen. Dit kan oorzaak zijn dat ook het nieuwepleegt, eerst zeldzaam, later vaker, = gewoon is, voorkomt.
Nader onderzoek in de geschriften der XVIIeen vroegere eeuwen zal mischien deze consecutio temporum ophelderen.
Vgl. voor ’t vroegere duits Mensing, Z. f. D. Phil., 1903, 229, en noot.Behaghel, Gebrauch der Zeitformen(1899).
100.het jaer, houdt in “de 12 Hemelsche Tekenen” van de diereriem, of de 12 maanden, welke alle hun biezondere kracht hebben (vgl. Het grote Planeetboek, 1801, p. 134, 168).—De hemelzijn “die Sterren die op de 12 Tekenen staen, (en) zyn niet te tellen”; ook deze hebben elk hun invloed. Toch wijst alles er slechts op “wat den menschen voor een Natuure uyt den Gesteerntentoegeneigtis,..... daarom niet... dat zulks alzoo moet zijn, gelyck of dat Gesteernte de mensche daer toe dwonge... Alle... zullen haar eigen aangeboren boosheid ende begeerten met verstand wederstaan.”
101.Een wie, relatiefwie, meestdie.
105. Vgl.1773. Zie genoemd boekje p. 187. Die “linie word genaamt de linie des levens ... in ’t LatijnLinea viteofcordis, en dese linie vanget aan bij de middel-linien dwars in de hand; (en) tusschen de Duyme en de Wijser (wijsvinger) omgaat (zij) den Berg des Duims ende gaet op dat gelijke der hant” (bij de pols).
121. Het zal wezen—zo gelooft men algemeen—zoals zij ’t uit hand en vingers leest.
122.haer laegen naem, de oudere vorm-enbewaard, om de volgendenvannaem? Vgl., ook voor deh-: ons vryen hals, Vondel, Eneas Vertaling, III, 80. Vgl. (?) Van Helten, Vondels Taal, § 85, add. blz. 173.
139. Al wat zij meedeelt is nevelachtig en schemerig, voor dubbele uitleg vatbaar; nooit spreekt zij ronduit; vgl.: “tyt hier noyt te werck, als met bedagte reden Spreeck niet als door een wolck, maer klaer en uyt de mont.”
144.Lucht, uitspansel, zoals in Saksiese en Friese dialecten; vgl. Frank-Van Wijck, Etym. Wdb.
151. Metbreynmeer gedoeld op het zinnelike; metgeestop het onstoffelike. Vgl.: met hart en ziel—Vgl. nog: (het beelt van de man) “dat maelt haer in het breyn; en speelt haer om de ziel”—“Een gunstige inval, die syn geminde eens schielyck in het breyn viel.”
Breynook de gedachten, vgl.1578; ziehersens. In “De bekendmakingen” (etc., 1711, p. 77) van K. Najer, leest men: “het soete en suyvere bloed werd door bewerking vanHartenLong, het alderfijnste, levendigste, en geestigste afgesondert, het welke uyt zijn eygen doorlugtigheyd, allengskens na boven trekt, en sig op de beste plaats, in het midden van het Paleys, deHerssensop den Troon steld... Dese geesten dan, doen allengskens de Herssens vervullen, totdat eyndlyck deselve door de grote toevloed overlopen en geperst werden, door het binnenste sponsagtige der senuwen, soetjes sagtjes heen te wandelen.”—Vgl.1070.
152.gevat(passivum) vgl. vs. 376, activum; vgl. “bevaen met minnen” in ’t Mned. Wdb. Over ’met’ = door, Delbrück, Abl. Loc. Instrum. im... Deutschen, S. 51.
164.Onverlet, on + verlet, vanverletten, vgl. Kil. verletten, omittere, praetermittere: Et impedire, interpellare, et differre, procrastinare.—Vgl. “De buerte spreeckt ’er van; en desen onvermindert. Men weet niet waer het schort...”—Vgl. unbeschadet, Sanders, Deut. Wörterb.—Zie soortgelijke in Tijdschr. Nederl. Letterk. II, 196, vv.—V, 207, 213: onghescaet sire virtuut, Nat. Bl. XII, 224.—Noord & Zuid VIII, 353.
170.Bekaeyde wegen, verkeerde; vgl.:
“bekaeyde streken.”—
“Geen mensch die menschen kent en syn beroep verstaet,En wees oyt echte wijf tot soo bekaeyden raet.”—“Wie veel den acker ploeght, wanneer hy is besaytDie breekt sijn eerste werck, en maeckt ’t et al bekayt.”—“Wis soo ghy langer blijft, soo isset al bekaeyt.”
“Geen mensch die menschen kent en syn beroep verstaet,
En wees oyt echte wijf tot soo bekaeyden raet.”—
“Wie veel den acker ploeght, wanneer hy is besayt
Die breekt sijn eerste werck, en maeckt ’t et al bekayt.”—
“Wis soo ghy langer blijft, soo isset al bekaeyt.”
Over dit woord: Van Wijk-Frank, Etym. Wdb;—Gallée, D. Literaturz. 1884, kol. 1340.—de Vries, Warenar, 190.—Mag. Ned. Taalk. III, 286.—Halbertsma, Letterk. Naoogst I, 64; ook van Helten, Woordafl.-proeven 9 noot.—de Woordenbkn.
185. Voor deze zin vgl. men de XVIIe-eeuwse constructie b. v.
“Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te cussen.”—
“Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te cussen.”—
Spreken c. acc.= ons: aanspreken, spreken met, tot iemand. Vgl.:
“Sy roept ’et door het bosch, sy klaeght ’et alle manSy spreeckt de wachters zelfs, maer niemant weet ’er van”.—Maer waer toe langh ghekermt, ick ga de bueren spreken,En zie noch yet te doen, om dit gheweldt te wreken.
“Sy roept ’et door het bosch, sy klaeght ’et alle man
Sy spreeckt de wachters zelfs, maer niemant weet ’er van”.—
Maer waer toe langh ghekermt, ick ga de bueren spreken,
En zie noch yet te doen, om dit gheweldt te wreken.
en ons: iemand gaan spreken.
Een schijn van onjuiste constructie in deze zin ontstaat doordat “aen” naar ons begrip bij spreken wordt gevoegd, en het “aen” bij vangen dan ontbreken zou.
Doch ook in plaats van 2 maal hetzelfde woord werd dit ook wel eenmaal gezet. Vgl.: Tijdsch. Ned. Lett. VI, 69; N. & Z. XII, 526; Stoett, Syntax., § 159.
188.ten, ’t + de negatie bijniet.
189. Constançe = Pretiose, 173; vgl. vs. 1238.
195.u swacke maegh met suycker overlast.De suiker, die nu vaak overdreven aangeprezen wordt, stond vroeger minder goed bekend; vgl. I. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, met veersen verçiert door de Heer Jacob Cats... (1651), blz. 116; “Als het grof bruyn Suycker door de scherpe Looghe van Kalck ghemaeckt, ghesuyvert wort, ende de vuyle en swarte Syroop, daer uyt-gedreven is, soo krijght het eenen vreemden scherpen smaeck, waer af het bloedt verbrandt wert, ende het hooft beswaert.... Soo dat het ongesuyvert ofteGrof-Suyckersomtijdts beter is, dan ’t ghene dat de scherpigheyt van de Looge, in het suyveren behouden heeft. Daerom sal men eer het bruynachtigh en tamelijcken wit verkiesen.”
200.maeghde-krans.Vgl. o. v.:
Ick was ontijdigh groen, en hy begon te mallen.Dies is de maeghde-krans my van het hooft gevallen.
Ick was ontijdigh groen, en hy begon te mallen.
Dies is de maeghde-krans my van het hooft gevallen.
De vrijer spreekt tot de vrijster “met een ghebroken maeghdekrans.”
“De nieu-gepluckte bloem, niet lange na de dagen,Dat sy den maeghdekrans niet meer vermocht te dragen.”“Een snelle schicht op my gevallen....Die trof mijn teere maeghde-krans.”
“De nieu-gepluckte bloem, niet lange na de dagen,
Dat sy den maeghdekrans niet meer vermocht te dragen.”
“Een snelle schicht op my gevallen....
Die trof mijn teere maeghde-krans.”
Vgl. het lied bij Willems, Ovla. Lied nº. 135; Verwijs, Mnederl. Bloeml., p. 128.—Kalff, Lied i. d. ME., 153, 277, 381, 521.—“Verloren hab ich mein Rosenkranz,” Böhme, Altd, Liederb. 152.
201. of erger, is om u welbekende reden, de menstruatie opgehouden?
214.door een gunstigh oogh tot in het hert, vgl.377. Zie Martijn (ed. Verwijs), Str. 53 v.v. En
”....een soet en aerdich beeltDat stracx hem door het oogh tot in het herte speelt”.—“Het oogh, alleen het oogh, kan gantsch den mensen ontrusten,Het is een open deur, een inganck van de lusten.”—“Hier gaet de regel los, die ons heeft wijs gemaeckt,Dat niet als door hetooghhet herte wert geraeckt.”—“Myn verstant.... moet syn ghetogen,In haer lieve in-gewant (binnenste) door heur ghebenedijde oogen.”
”....een soet en aerdich beelt
Dat stracx hem door het oogh tot in het herte speelt”.—
“Het oogh, alleen het oogh, kan gantsch den mensen ontrusten,
Het is een open deur, een inganck van de lusten.”—
“Hier gaet de regel los, die ons heeft wijs gemaeckt,
Dat niet als door hetooghhet herte wert geraeckt.”—
“Myn verstant.... moet syn ghetogen,
In haer lieve in-gewant (binnenste) door heur ghebenedijde oogen.”
Nosemans, Hans.
223. Haar bloed is machtiger dan haar wil: zij kan niet verhinderen dat zij bloost.
230.geest, een persoon van geest, iemand met voortreffelike hoedanigheden, vgl. Ned. Wdb. IV dl. kol. 728/9.—en ’t fra.esprit.
242.jaren, in de praegnante zin van jonge jaren, jeugd: van nature de vrolike tijd.
243.genieten, vgl.:
Wie ist die oyt met eene schootEen schans of ander slot genoot?
Wie ist die oyt met eene schoot
Een schans of ander slot genoot?
vgl. Gloss. Granida; Mned. Wdb.
245.spruyt, van bomen;kruyt, kruiden;sap, drank, en pappen.
255. De moeder, hiertoe (door Constance) verzocht, komt met de dokter, die te hulp geroepen is, binnen; Constance gaat op hun toe en neemt hun alleen.—Vgl.:
De vrijster wel geçiert, na datse was gebeden;Quam uyt haer stil vertreck, en in de kamer treden,Haer vader ginger by, en nam haer metter hant,En seyde.....
De vrijster wel geçiert, na datse was gebeden;
Quam uyt haer stil vertreck, en in de kamer treden,
Haer vader ginger by, en nam haer metter hant,
En seyde.....
262.gaf hem dese reden, sprak hem zo aan.—Rose, 8833: ”(de man)geefthare menichge quade hoere.”—Vgl. Diefenbach,dare, o. a. sprechen—rede, Kil. spraecke, sermo, verbum.—redenen, verba facere.—Vgl. Gloss. Bern.: edere, seegen. = sprechen, reden (Dief).—Vgl. ook 936.
270.d. heb i. w. t. w., moet in het verband betekenen: dat weet ik maar al te goed.—Vgl. ook:
“Wat is er menig wijf, dat liever heeft te pratenDie liever heeft te gaen laveyen achter stratenAls met een stillen geest haer kint te wysen aenWat nu, wat naderhant is nut te zijn gedaen.”—“Ick sitte meest den ganschen daghEn hebbe liever wat te staen.”
“Wat is er menig wijf, dat liever heeft te praten
Die liever heeft te gaen laveyen achter straten
Als met een stillen geest haer kint te wysen aen
Wat nu, wat naderhant is nut te zijn gedaen.”—
“Ick sitte meest den ganschen dagh
En hebbe liever wat te staen.”
Vgl.? Dit heb ik je te zeggen dat je dat doet; en: Dat heb ik te weten, dat dit gebeurt.
288.koorts.Vgl.:
“dat een soete coorts haer in het herte quam,Ghecropen meer en meer, die haer den sin benam”,Vermaeck der Ieucht, (1616).—
“dat een soete coorts haer in het herte quam,
Ghecropen meer en meer, die haer den sin benam”,
Vermaeck der Ieucht, (1616).—
En ’t Koortsigh Liedje, van Bredero.
291.heydens volck, gen. vóór ’t bepaalde woord, vgl.752,1351,1522; vgl. Vondels Taal, § 72, i. f. Ofadj.? vgl. Spaens, heus.
298. Imperat. = toon-jij; vgl.299: kleed-jij.
311.Ké, Kil.: ah. Interiectio varios affectus explicans.—Passim in de XVIIeeeuw. ’t Zou ontstaan zijn uitwetecree,wetekey= wete kerst, sciat Christus: vgl. de Vries, Taalzuivering, 166.
316. prees het goede meisje, maar zo dat er niets of niet veel van geven kwam.
321. Gyralde echter, nu ondertrouwd, gaf aan het aardig meisje 100 pistoletten, als bruidsgeschenk. Gawoonlik was dit het geschenk aan de meid, die onder de beide speelmakkers en beide speelmeisjes de bruid in ’t biezonder diende. Schotel, Oud-Holl. Huisgezin, 258. Vgl. Warenar, 389, 1318.
324. in dit te verhalen een aangename tijdkorting, of genoegen.—Vgl. Kil. tijdverdrijf, oblectamentum, delectamentum, dilitiae.
335.een openbare feest, vgl. een drofelike cleet, een coude bat, etc. bij Van Helten, Vondels Taal, § 85c (slot).
338/9. Die met schoon gezang en vlug dansen (vgl. saltare) alles zou overtreffen.—sweven boven al, vgl. Mned. Wdb. i. v. bovensweven.
341. Houten of ivoren kleppers, die de vorm hadden van twee grote op elkaar passende notedoppen, waren door een band aaneengebonden, die men om de vingers wond. Door de andere vingers snel langs de randen van de kleppers te laten strijken, ontstaat een klikkend geluid, dat de dansrythmus aangeeft. Castagnetten: kastanjes n. d. vorm.
358.was aftekomen= moest afkomen, vgl.1949,1952. Zie de variant.
365.van syner hant, oude datiefvorm na sommige praeposities; vgl. van der straten1094; bij der hant1104;—op den velde,1020.
370.het maegderot. Vgl.:
“en tot een soet besluyt,Soo vlocht het maeghde-rot een kransje voor de bruyt.”
“en tot een soet besluyt,
Soo vlocht het maeghde-rot een kransje voor de bruyt.”
quam, waar velen nu een plusquamperf. zouden zeggen; vgl. bleef696; waer1383; gingh1398; zie Vondels Taal § 173; of: “quam geleyden” = geleidde, zie462: koomt vougen.—Vgl. Vondels Lucifer, vs. 1778.
379. Staat te weifelen, vgl.136: stont en keeck;1119: sit op haer en sagh.—zie Warenar 258; Taalk. Bijdr. I, 125.
384.wort, praesens? ook 726, 727, 731, 732; maarwortpraet. bijwerden,wert972, 1093, 1126, 1576, 1801.
407.die, naastdien; passim, vgl. Van Helten, Vondels Taal, § 124; Mndl. Spr., § 352, 364e; Cosijn, Taal en Letterb., VI, 276;die men... koos, En(die)...behaeght. Als in ’t Mndl.: in gecoördineerde zinnen blijft het pronomen weg, vooral als ’t inniet-dezelfde betrekking (casus) staat; vgl. Van Helten, Vondels Taal, § 206, en Add.
420. om dan te zijn vernield, verpletterd; maar (en hier volgt het 6ecoupl.); vgl. lat. opprimere.
442. Maar al te veel bloemen staan dag aan dag te pronken; een frisse stengel hebben ze, maar niemand heeft er lust in. Daar gaan dan haar bladeren met de wind en vergaan, zoals alle stof.
449. Bij de ouden wordtPan, de Bosgod, voorgesteld met bokspoten, horens en ruig haar; als de Satyrs, vervolgt hij de nimfen met verliefde zinnen en bedoelingen.
459.wachte, oude vorm; vgl. “zegge”, op kwitanties; ik herzegge (van de voorzanger).
461. Terwijl de ridder naar dit gezang met groot genot luistert, begint de nachtegaal de vrijster te accompagneren.
467.heydens, vgl.291, A.
485/6. Haar rede is geregeld en dudelik; vgl. bene compositus; oratio bene composita.—Wat zij zegt, is geestig, aardig bedacht;soete vonden, zijn aangename denkbeelden, invallen;
“Men sagher sneegh beleit, men sagher vonden in,Vry teikens van verstant, en van een diepe min.”
“Men sagher sneegh beleit, men sagher vonden in,
Vry teikens van verstant, en van een diepe min.”
Misschien zijn de toen zo in trek zijnde “concetti” bedoeld.
489.vonck, vgl. Kil. voncke, fomes, etc.; bij Diefenbach o. a.: to neghinge, naturliche neigunge.
509. raven,sing., zw. subst. rave, vgl. Vondels Taal, I, p. 75.—Fabel van de vos en de raaf. Vgl. Phaedr. I, 13. Romulus I, 14. De laatste redactie luidt: “Qui se laudari gaudent—verbis subdolis decepti penitent—de quibus similis est fabula.
Cum de fenestra corvus caseum raperet—alta consedit in arbore—Vulpis ut hec vidit e contra sic ait corvo—O corvus quis similis tibi? et pennarum tuarum quam magnus est nitor? Qualis decor tuus esset—si vocem habuisses claram—nulla prior avis esset—At ille dum vult placere et vocem suam ostendere—validius sursum clamavit—et ore patefacto oblitus—caseum deiecit—Quem celeriter vulpis dolosa avidis rapuit dentibus—Tunc corvus ingemuit—et stupore detentus deceptum se poenituit—Sed post inrecuparabile factum damnum quid iuvat poenitere?” Vgl.760, A.
met vollen mont, vgl.:
De vrucht die is te raken,En met een vollen mont op haren tijt te smaken.
De vrucht die is te raken,
En met een vollen mont op haren tijt te smaken.
535. wat ik wezen mag, toch ben ick (etc.)—magh, vgl. Vondels Taal, II, § 188. Vgl.1304.
542.streelt de sijde rocken, vleit de vrouwen, die aan het hof zijn; vgl. m. m. debouwen,wijlen(nonnen);
“Dus gaetet vast dat aen denbroeckHanght al de vreughde van dendoeck”;
“Dus gaetet vast dat aen denbroeck
Hanght al de vreughde van dendoeck”;
vgl. plaet, platen, (soldaten).
sijde, hollands, nu nog, voorsijden. Vgl. Van Helten, Vondels taal I, blz. 106.
544. edel pant = reine jeugd;genit. epexegeticus: de stad van Amsterdam, de prijzenswaarde deugd van zelfbeheersching.
606. Oude gewoonte, om alle gerechten tegelijk optezetten.
614. lage plaats, vgl. locus, afkomst, geboorte, stand.
625.mijnen= jegens mij, pron. poss. = gen. object; vgl. Granida, 1529b, A.
628.nam, = zou nemen, vgl.1304.
639. Indien je gediend ben van schoonheid, kom slechts, wanneer je ook wilt, je huis uit, daar (in deze grote stad) wonen vele mooie meisjes.
642. Indien je vermaak vindt in verstandige, geestige kout, welnu, dat behoef je evenmin te missen.
655/6. Al worstel ik tegen mijne jeugdige lusten, ik word meegesleept zelfs waar ik niet wil.—Vgl. voorjeught: “een maeght die onmachtigh is haer jeught te wederhouwen”.—
“syn herte soo bevanght,Dat hy tot in het mergh na hare jeught verlanght.”“een jongh en rustigh man,Die, na den rechten eysch, u jeught vernugen kan.”
“syn herte soo bevanght,
Dat hy tot in het mergh na hare jeught verlanght.”
“een jongh en rustigh man,
Die, na den rechten eysch, u jeught vernugen kan.”
Een gehuwde vrouw moet in sommige omstandigheden “alle hare jeughdigheden dempen en doen versterven.”
659.deftigh. Vgl. “Of het een deftigh man, die syn geheele werck van wijsheyt en geleertheyt heeft voorgenomen te maken, geraden is sigh ten houwelicke te begeven.”—
“Daer is een deftigh man (Barlaeus) die leert u Roomschespraeck.”—Ongehoorzaam zijn om zichzelven het leven te benemen op bevel van de Mohammedaanse vorst, is een boze
“daet,Maer ’t is een deftigh helt, die hier in willigh gaet.”—”..... hiet my lieve man,In dat soet-deftigh woort, daer in soo ligt verholenWat u en my gelyck de Schepper heeft bevolen.”—“Het is geen deftigh man,Die met gebogen hals geen dwasen lijden kan.”—“Datje niet en nut, of met den monde smaeckt,Dat uyt een innigh vyer de lusten gaende maeckt.....maer breeckt de lange nachtenDoor vlyt tot deftigh werck.”—“o deftigh werck dat ick op heden doe... een wreede moort.”—“Zijn deftige (ernstige) taal stelden my ook gerust.”
“daet,
Maer ’t is een deftigh helt, die hier in willigh gaet.”—
”..... hiet my lieve man,
In dat soet-deftigh woort, daer in soo ligt verholen
Wat u en my gelyck de Schepper heeft bevolen.”—
“Het is geen deftigh man,
Die met gebogen hals geen dwasen lijden kan.”—
“Datje niet en nut, of met den monde smaeckt,
Dat uyt een innigh vyer de lusten gaende maeckt
.....maer breeckt de lange nachten
Door vlyt tot deftigh werck.”—
“o deftigh werck dat ick op heden doe... een wreede moort.”—
“Zijn deftige (ernstige) taal stelden my ook gerust.”
Haagsche Vondeling.
Vgl.Taal en Letteren, 1903, blz. 473.
672. mijn onervaren jeugd nu bij te minne en geringe schepsels bevrediging zoekt.—Vgl.614.
673. Indien men de oude tijd nagaat, bemerkt men ....
679. ter wille van Europa, dochter van een Phoeniciese koning.
680. om Leda, de echtgenote van de Spartaanse koning te bezoeken.
682. Hercules was verliefd op Omphale, koningin van de Lydiërs, en vernederde zich daar een tijd lang om als slaaf haar te dienen, om haar gunsten te genieten. De negen-koppige slang, de Hydra, een monsterleeuw bij Nemea, het Erymantiese zwijn, de Cretensiese stier versloeg hij.
684.duyden= strekken, vgl. de 2ebetekenis van het intransitiefdiedenin het Mned. Woordenb., welke die van “strekken” nadert, b.v. Hoe luttel hare (des aventuren) helpen (znw. mv.) dieden. Vgl. baten, dienen:
“Indien men recht gebruyckt den luyster der agathen,Het sal het jonge paar tot vrede konnen baten.”—“En trout oock op het ooge niet,Want ’et dient u beyde tot verdriet.”
“Indien men recht gebruyckt den luyster der agathen,
Het sal het jonge paar tot vrede konnen baten.”—
“En trout oock op het ooge niet,
Want ’et dient u beyde tot verdriet.”
688. ik weet niet (door) hoe een sloor, (hoe) een herderin.
692.Gode, dat., zonder meer, slaat op Jupijn (677). Andreas is Christen, en Heiden tegelijk: gewoon verschijnsel in de Renaissance-literatuur.
693.het groote licht, de zon, nog in gewestelike taal, in bepaalde frases (“gaat ons verlaten, is weg”) de gewone aanduiding.
706.En(zij)scheen, vgl. Vondels Taal, II, § 227, d.
708. Zo gauw zag hij ze niet weer, of zijn smeulende liefde ontvlamde dadelik.
721.began, praes.? (vgl. plagh, 94, A.) Mnederl. begonnen,2begonde(begonste) naast beginnen, began (begon). Beide vormen lopen door een. Mogelik is datbegonnenlater is beschouwd als een verbum gelijkconnen(praes.can)3en derhalvebegan, praes.;begonste, praet.—Naast inf.begonnenbleefbeginnen(vgl. de dooréenmenging in de spreektaal van kennen (kent) en kunnen (kan). Ook bij de voorgestelde etymologie (Kluge, Franck-Van Wijck, Etym. Wrdbn.) is een praes.beganwel te verklaren.
733.quam, perf., vgl.1020; zie Vondels Taal, II, § 171.
752.Wij stellen, ons stelsel is dat overal het goed aan allen behoort; wij nemen dus van de overvloed van rijken wat wij behoeven. Gen. vóór ’t bep. woord, vgl.291.
757. Moeielik kan men stellen bij die zelf hierin ervaren is: hij kent de kunstjes.
760. Zinspelend op de fabelPhaedr.IV, 8. In de ME. en later nog, bekend in de redaksies van de Romulus4, III, 12: “De duobus malis auctor talem subiecit fabulam—Malus peiorem non ledit nec iniquus iniquum superat.
In officina cuiusdam fabri introisse dicitur vipera—Dum quereret aliquid ciborum—rodere coepit limam—Tunc lima ridens—ait ad viperam—Quid vis improba tuos ledere dentes? Ipsa sum—quae consuevi omne ferrum rodere—sed et si quid forte est asperum—fricando facio lene-quae si angulum tersero—si quid ibidem est ipsa precido—Ideo eum acriore mihi certandum est.”Romulus, Die paraphrasen des Phaedrus, (IXeeeuw) ed. Oesterley.
Latere redakties en omwerkingen uit de XIIIe—XVeeeuwen, aldaar opgenoemd p. 71, noot. Vgl. ook fabel XVI van La Fontaine,lib. V: Le serpent et la lime.
762. hoe weinig kleding en deksel de mens nodig heeft. Vgl.:
... “dat een keelderven moet een deelOm de rug en borst te decken.”
... “dat een keel
derven moet een deel
Om de rug en borst te decken.”
785.sure vlagen. Vgl.: “De Mey (1685) bleef in Nederlant dit Iaer noch vry suer”, Holl. Mercur. IX, 53.
793.vrougher op om eenigh heer te groeten, zinspeelt dit op het “lever” van vorsten, en hoge personages?
822.Ghy let, imperat., vgl.298.
843. Te verklaren als: Indien je het hof wil maken in alle eerbaarheid, zonder bedrieglike voornemens. Vgl. in alle eer endeugd.—Vgl. “Die sonder achterdencken leven, staen als open, en zijn onderhevigh om gehoint te worden.”—
Of als: zonder dat dit haar ten schande kan strekken? Vgl. Kiliaen i. v. hoin.
852.uwe, de uwe, vgl.920; zie Vondels Taal I, blz. 124.
872.bij hem alleen: zonder dat de anderen er bij waren en het bemerkten.
899. met verstand en beleid te handelen.
918.in u vermaeck, uals gen. object, vgl.10: haer diensten; 625: mijnen haet; 1088: in haer gesichte (in haar te zien)—besteden, vgl.:
“waer de beste sinnenBesteden haren tyt ontrent een heyligh minnen.”
“waer de beste sinnen
Besteden haren tyt ontrent een heyligh minnen.”
919. Vgl.1407.
936.gaf; vgl. Lat. dare, geven, uitstorten.
937.heb ... gaen beginnen, passim bij schrijvers in de XVIIeeeuw.
Het hulpwerkw. hoort bij de volgende infinitief, een transitivum, dat met “hebben” vervoegd wordt.
Schijnt een Noordhollands eigenaardigheid.
Vgl. Kern, De met het Participium Praeteriti omschreven Werkwoordsvormen in ’t Nederlands (Verhand. Kon. Acad. 1912) § 226, blz. 200/1 en § 77, blz. 64/65.
939.uithangen, c. dat. pers. “Hoe is mijn uiterlik voorkomen? Zoo zeggen wij nog van iemand, die zich uiterlik als vroom voordoet, dat hijden vrome uithangt, en van een leelijk, wanstaltig mensch, dat hijeen slecht uithangbord heeft”, Cats, ed. de Vries de Jager, Deventer, V, 68 noot.—Vgl.:
“Maer segh hoe wort doch Faes van u soo gansch versteken?Wat hanght de Jonghman uyt? Wat heeft hy voor gebreken?”
“Maer segh hoe wort doch Faes van u soo gansch versteken?
Wat hanght de Jonghman uyt? Wat heeft hy voor gebreken?”
947. Wat beduiden deze regels? Men zou kunnen denken aan: volle maagdelike rijpheid; toen zij op haar middaghoogte was. Daartegen strijdt echter “terstont” (945).—Of maakt de juffer tweemaal ’s daags toilet? Met den noen (voor zij tafelt) en ’s middags (voor zij uitgaat)?—Of zijn eenvoudig “noen” en “midden op den dagh” synoniem, op de middag, in ’t volle licht?
950.vougen tot= vereenigen met; vgl. vervoegen = vereenigen, bij Huyghens (Panth. 79, 9) en Pastor Fido van Bloemaert, 1650, p. 130:
En wilt met d’uwe toch vervoegen ons’ gebeden.
En wilt met d’uwe toch vervoegen ons’ gebeden.
syn leden= zich; vgl. ick schenck u dese leden, 714; als ick ... myn leden overslough, 948. Vgl. nog het passieve in:
“Gij dan, van eersten aen datuweteereledenSyn tot den man gedaen, soe voeg u naer den reden.”
“Gij dan, van eersten aen datuweteereleden
Syn tot den man gedaen, soe voeg u naer den reden.”
Vgl. ook: syn saken aanleggen = het aanleggen, 81 A.—
952. zelfs van daag nog getrouwd.Versegelt in de trou, vgl. de aanhaling by 1252.—en: “Des Heeren goeden segen
Verkondight in de kerck, en opentlick gekregenVersegelt echte trou; soo dat men even danBekoomt een vollen naem van wijf en echte man.”
Verkondight in de kerck, en opentlick gekregen
Versegelt echte trou; soo dat men even dan
Bekoomt een vollen naem van wijf en echte man.”
968. Hij is een zonderling, een ruwe klant, die noch om schoonheid, noch om rijkdom geeft.
973. eigenaardige herhaling, vgl.1175. En vooral Reynaert, Inleiding (Zw. Herdr. 1909) blz.LVIII, n. en blz.XXII.
981.syn hert is niet aen haer. “syn aen” kan, evenals het Lat.esse alicui, betekenen: bezitten; vgl. het Mndl. Doch ook kanaenhier de betekenis vanbijhebben. De eerste opvatting heeft voor, dat “esse alicui” gebruikt wordt, wanneer de nadruk op de zaak valt, gelijk hier “hert”, vgl. de volgende tegenstelling;haer, pron. reflex., waarvan het vrouwelik hert antecedent is.—Zijn hart is niet vrij.
1004. Er is climax in de tekst: verrader, spoken, boose geesten. Verrader is een booswicht vol duivelse list, die niets menseliks meer heeft en tot alles in staat is; er is niet alleen aan eigenlik verraad te denken.
1007.suysebolt, vgl. “drink datje suizebolt”, Rabelais, Vertaalde Werken.
1022. Andreas, wel wetende hoe de vrouwen razen, wanneer men haar lusten weigert te bevredigen.
1032. De schout zendt op het vreemd verdacht gerucht de strenge rechters af.
De editie van 1700 (zie ’t Voorbericht) heefttroep.
1034.in de broecken. Zelfs in de onderbroeken verstopte men de beurs, of kostbaarheden: vgl. Holl. Trouwgevallen, blz. 186. Koopman, blz. 146. Kind van Weelde II, 108.
De studie van Jonkvr. Dr. de Jonge over De kleederdracht in de Nederlanden in de XVIeeeuw, in Oud-Holland 1919, geeft voor deze materie niets.
1044. Relat. zin; het verbum wegens ’t rythme verplaatst.
1048.niet en let= niets mankeert; vgl. “een peert dat schurrift is, en wil den roskam niet.”
1066. Hij dient naar de galeien veroordeeld.
1070.geesten, vgl. het laatste gedeelte der aanhaling bij 151.
Ookdierlijke geesten, animal spirits, esprits animaux, vgl. Ned. Woordenb.: “de fijne vluchtige vloeistoffen, die, naar men onderstelde, in het bloed aanwezig zijn en het eigenlijke beginsel uitmaken van gevoel en beweging. Door sommigen onderscheiden van delevensgeesten, die als de oorzaak van het leven golden.”—“Vele malen bij C. deze geesten in betrekking tot de werking van die fijne zenuwvloeistoffen op het gevoel, de begeerten, hartstochten,” enz.
1072. Alleen zijn edele afkomst trekt hem voor de geest.—spelen ontrent= zich bewegen om. Vgl.: “maer alle mijne sinnen spelen noch ontrent uwe laetste redenen.”
1119.vast sit op haer en sagh, zit op haar te zien; vgl.:
“Sy leyt er op en maelt als met de gantsche krachtOock midden in den droom, en in den middernacht.”—“Hy sit op haer en loer bijnaest den ganschen dagh.”
“Sy leyt er op en maelt als met de gantsche kracht
Oock midden in den droom, en in den middernacht.”—
“Hy sit op haer en loer bijnaest den ganschen dagh.”
Vgl. nog Noord en Zuid II, 138/9.
1124.landdrost, waardigheid hoger dan schout; landdrost oefende in naam van de heer de lijfstraffelike rechtspleging uit.
1127.Al is de krijghsman doot, Is de krijgsman gedood, dood.—Al, versterkend partikel = wel??—doot, oud part. tot adj. geworden, vgl. van Helten, Tijdschr. Ned. Lett. III, 109.—Verdam, Middelned. Woordenboek, 297.—Alexander, ed. Franck, p. 421.
1131. Ooit van zijn leven, een adverbiale accus. Vgl. “heb ik mijn leven!”—Vgl. Warenar 1053, var.
1152. Aen (de ontroerde) vrou Giomaer schijnt het zelfs een stage vloet; aldus op te vatten?
1160. (verwondert)dat, vgl. Mned. Woordenb. II, 86/7.
1169.opgetogen, gespannen, ingespannen. Vgl.: opgespanne, Vondels Lucifer 145; ook: “die (geleerde) zijn dickwijls te veel opgetogen om een jonge vrouwe wat goets te doen”?—
1170. Maiombe wikte ernstig haar droevige toestand.
1194. Vgl.739, 751.
1226.die, relat. zin bij “slimme gangen” (vergif, coll. = slimme ganghen): constructio ad intellectum.
1236. was (het) inderdaed; vgl.:
“Maer d’eerste is die my best behaeght.”—“Hy is die ware liefde plant:Als vader van den echten bant.”
“Maer d’eerste is die my best behaeght.”—
“Hy is die ware liefde plant:
Als vader van den echten bant.”
Vgl. van Helten, Vondels Taal II, § 212. Voor het duitsch: E. Bernhardt, Zs. f. D. Phil., 1903, 145.
1252.op de zaal, zaal meestal het grote ontvangvertrek, hier echter vertrek in ’t algemeen, vgl. vs. 1266.—Vgl. o. m.
“Soo haest als dit besluyt is by de wet (rechtbank) genomen,Soo siet men op de zael terstond een priester komen,Die heeft het jonge paer versegelt in de trou.”
“Soo haest als dit besluyt is by de wet (rechtbank) genomen,
Soo siet men op de zael terstond een priester komen,
Die heeft het jonge paer versegelt in de trou.”
En Trouringh, 4º., Ongel. Houwel., 197.—Antonius-Cleopatra, 595 m.; etc.
1285.grijpt haer in den arm, omarmen, vgl.:
”’t Sa grijpt my in den arm en neemt den lesten soenIck wil ook even soo myn laetste plichten doen.Na spraeck en wederspraeck de jonge luyden grepenMalkander in den arm, en vast aen een genepenGaen rollen van den rots.....”
”’t Sa grijpt my in den arm en neemt den lesten soen
Ick wil ook even soo myn laetste plichten doen.
Na spraeck en wederspraeck de jonge luyden grepen
Malkander in den arm, en vast aen een genepen
Gaen rollen van den rots.....”
1299, 1328.ons, vgl. van Helten, Vondels Taal I, § 99; Mndl. Spraakl., blz. 444.
1300.in dese venster.
Vensters in de oude kastelen waren diepe nissen, met banken aan de zijden. Vgl. vooral Schulz,Höfisches Leben in MA.
1304.nam= zou nemen; vgl.628.
1312. Vgl.1327.
1322.doot= ongeluk, vgl. Verdam, Mned. Woordenb. II, 296: “Bi aldus ghedaenre dinc so brinct hi sinen here ter doot”, zie ook aldaar 297γ.
1326.op een nieu, vgl. van Helten, Vondels Taal I, 154.
1331. werkelik, innerlik, en voor de mensen,schijn, uiterlik voorkomen.
1351.vertrout syn aen, vgl. verloven; Mnederl. sekeren, versekeren, Taal- en Letterbode, II, 18.
1356. Daarvan kon ik behoorlik van avond niet alles mededelen.
1366. Vgl.842, vv.—tergen, vgl.:
“De juffers van het hof die met geçierde rocken,Die met een dertel oogh ons kriele sinnen locken,Verdienen ’t ongeluck dat ons haer wesen verght,Maer dit onnoosel dier en heeft my noyt geterght.”
“De juffers van het hof die met geçierde rocken,
Die met een dertel oogh ons kriele sinnen locken,
Verdienen ’t ongeluck dat ons haer wesen verght,
Maer dit onnoosel dier en heeft my noyt geterght.”
Vgl. ons: mondterging; en Gloss. Granida.
1382. Op alle vragen geeft zij..... zo vriendelik en zo ten volle antwoord, dat.....
in volle leden, volledig, ten volle, vgl.: (het onderzoek) “is by my niet overal in volle leden ghedaen konnen werden.”
1384.strecken over, vgl.: (zijn gedachten) laten gaan over, maar hier sterker: zo had hij op haar zijn hart gezet.—Sinnen, vgl. gemoet, 702: hart, ”’t beginsel van zijn neigingen, hartstochten”, tegenover verstand, rede, vgl.703.
1388.hertsen, dubbelvormig uit herts, en herten. Vgl. o.a. Kolthoff, Het Subst. in ’t Nederl. der 16eeeuw, 27.
1393/4.noemen: afgekomen, rijm vanoe: o.dat vaak voorkomt, zie Reynaert, (Zw. Herdr.) Inleiding blz.XLIV, vv.,XLVI, enXXXIX. Met de daar aangehaalde litteratuur.
1411. A. was haar voorspraak, pleitte verzachtende omstandigheden; de lant-vooght nam dit (wat hij bijbracht) aan; vgl. ons: iemand voorspreken. Kiliaen veur-spreken, fide iubere, stipulari et defendere verbis. Diefenbach: prolocutor vorspreke, vorsprecke. advocare vorsprechen, fideirbere, vorheyssen, borghe werden.
1415. In ouden tijd kon manslag en moord met geld afgekocht.
1450. Beeldspraak aan ’t klein schippersbedrijf ontleend. Zeilt men met volle zeil, dan is de boegspriet vooruitgestoken; deze wordt echter opgetrokken of ingehaald, nadat de kluiver gestreken is, zodra men de haven en wal nadert, en vaart mindert.
1457.deman, naastdenman: passim; vgl.die407a.
1473. Ghy siet, Imperatief vgl.298.
Pasquier, vgl.1792; beroemd Frans jurist en overheidspersoon van Parijs, 1529–1615. Onder meer: Les Recherches de la France (1560).
1497.mogen= moeten, vgl. Van Helten, Mndl. Spr. § 232; Verdam, Mndl. Wdbk., i.v. Nog in Zeeland.
1500.kruys-dragende. Het kruis, dat gewoonlik aan een ketting om de hals werd gedragen, is het gewone onderscheidingsteken van alle bischoppen, en van die abten, aan wie de bischoppelike insignia zijn toegestaan. Men zal een, moeten inlassen nakruys-dragende, waarbij als appositie dan B. ofte A. staat. Eigenlik hier een min juiste vertaling van: “le Pape.... ordonna, comme on disait: que tout Evesque, et Abbé portant crosse, leur donneroit pour une fois dix livres tournois.”
1502.Tournois. In de ME. had bijna elke stad het muntrecht: daardoor ontstond allerlei muntwaarde, vandaar de bijvoeging (een pond) doorniksch, e.a. Vgl. nog pond sterling.
1521. de mans wijs makende dat hun vrouwen verkeerde zaken bij de hand hadden, hun ontrouw waren.—Vgl.: “een vrouwe heeft ons een spinrocken gerockt daermen nu nacht en dach met besich is om quaet garen af te spinnen twelck wel int afhaspelen vuyl quaet wergaren mochte worden.” Sermoenen-Broer Cornelis.—Vgl. Harrebomée, Spreekwoorden, I, 202b: “Zoo ’t wijf met de oogen gluurt, en met haar gangen draait, Is ’t wonder dat ze niet met andrer garen naait.”—ook: Stijntje en Trijntje, laat varen: Zij spinnen quaet garen (ald. L. S. I, XXXVIII) daar aangehaald: Gheurtz, 10, 76—grof garen spinnen, vgl. ook Zw. Herdr. 12/13 (Asselijn’s Jan Klaaz) Aant. bij 152.
1522.uyt de lieden beurse, vgl. ook Van Helten, Vondels Taal, Synt. blz. 141; mndl. de weeskinderen goeden;—die arme luden lijken, etc. in Mndl. Spr. blz. 450.—Ook?... “naar rijkelui gewoonte”, Potgieter, Proza 394.
1531.Sebastiaen Munsterus, Duits mathematicus en Hebraïcus, 1489 (Ingelheim)—1552 (Basel). Zijn hoofdwerk: Cosmographia universa, een van de oudste aardrijkskundige werken.
1535.Philippe Camerarius, 1537 (Tubingen)—1624, zoon van de beroemde Joachim (I) C, broeder van Joachim (II) C, schreef o. a. Orationes.
1536.Konrad von Gesner, 1516–1565, polyhistor, gaf een nieuwe richting in de Litteratuurgeschiedenis door zijn Bibliotheca universalis sive Catalogus omnium scriptorum locupletissimus in 3 linguis Gracca, Latina et Hebraica extantium, (Zurich, 1545–55); gaf verscheidene oude auteurs uit met commentaren, o. a.: Mithridates, sive de differentiis linguarum etc, Zürich, 1555. Vgl. Hanhart, K. v. G. 1824.
1548. Volgens de wetenschap van medici en natuurvorsers.
Naturen, subst. zw. genitief; vgl. zelfsnaturens. Vondels Taal, I, § 68 i.f.
1568.Avicenna, de beroemdste Arabiese Filosoof en arts, 980–1037; zijn beroemd werk “Kanun” grondt zich op Galenus.Franciscus Valesius, Spaans geneesheer XVIeeeuw, lijfarts van Philips II.
1569.Jacques Ferrand, Frans medicus, te Agen geboren in heteinde der XVIeeeuw.Traité de la maladie de l’Amour ou mélancholie érotique, Paris, 1623.
1572.geleerste,plur. zondern;, vgl. eenige, ervarenste 1566, voorlede 1592, geleerde 1606, groote 1628, e. a. Zie Vondels Taal I, § 100, 105, p. 110. Mned. Spraakl. § 308, 309, 311.
1582.slagh-ader die uyt het herte haer beweginge heeft: hier is Cats zeer “up to date” (in 1633 was hij al met het Sp. H. bezig); evenals van Beverwijck (deze in 1638?) nam C. de circulatie-theorie van Hervey aan (1628 gepubliceerd). Vgl. vooralE. D. Baumann, Van Beverwijck in leven en werken geschetst (1910) blz. 134 vv. De meeste gezaghebbende medici bleven tegenspartelen; en zelfs heftig bestrijden.
1594. Ovidius, Heroïdes XI, 33, 34:
Prima malum nutrix animo praesentit anili:Prima mihi nutrix, Aeoli, dixit, amas.
Prima malum nutrix animo praesentit anili:Prima mihi nutrix, Aeoli, dixit, amas.
1616. Vgl. Antwerper Lietboeck No. 215, p. 334:
Sotten, wat mach v gebreken?Sottinnen, hebt goeden moet,Als v die wespen steken,Loopt inden haselaer metter spoet;Die gaeren metten lenden wercken,Compt doch metten hoop,Papen ende clercken,Die nooten zijn goeden coop.
Sotten, wat mach v gebreken?
Sottinnen, hebt goeden moet,
Als v die wespen steken,
Loopt inden haselaer metter spoet;
Die gaeren metten lenden wercken,
Compt doch metten hoop,
Papen ende clercken,
Die nooten zijn goeden coop.
(Vgl. voor haselaer en noten, Kalff, Lied in de ME. 349, en Verwijs St. Nicolaas, 41/42, en Wolf s Zeitschr. f. D. Myth. III, 68.)
1617.Soranus van Ephese. Sommigen spreken van twee, waarschijnlik is er maar éen geweest, die leefde tot 138 na Chr.? Aan deze toegeschreven een Leven van Hippocrates. Zijn hoofdwerk:Περί γυναικείων παθῶν.
Vgl. Ilberg, in de Abhandl. Sachs. Acad. XXVIII (1910).
1623.Valerius Maximus, ± 30 na Chr., schreef De dictis factisque memorabilibus libri IX; met vele historiese anecdotes.
1625.den sieckaert maken; Kil. Den sieckaert maecken, Aegrotum simulare, simulare morbem. Vgl. als of hij (God) den vrijer quame maken aen de menschen (Osea 3. 1) en daer na.... stelt sigh eerst als bruydegom, en daerna als echte man; ook: den duvel maken, I Martijn (ed. Verwijs), 149.
1629.Galenus, naast Hippocrates de beroemdste Griekse geneesheer, in Pergamum, Alexandrië en in 164 na Chr. te Rome. Tal van werken.
1665.Paulus Aegineta, beroemd Grieks chirurg, in Aegina geboren, volgens sommigen in de IVe, Ve, VIe, volgens anderen zelfs in de VIIeeeuw na Chr. Schreef een beroemd Compendium van de Medicijnen.Pauli Aeginetae de re medica libri septem,(gedrukt Venetië 1528, verbeterd Bazel 1538.)
1671. Bij een ander verhaal zal daar over wel, is gesproken worden. Over de compositie van de Trouringh, zie Inleiding blz.VIII,vv.
1689.Erasistratus, beroemde arts in Ceos, ± 300, lijfarts van Seleucus Nicator. Vgl. vs. 1621. Stichter van een eigen mediese school.
1705.uytmuntende, vgl.: “dat de selve geen uytmuntende gebreken aen haer lichaem was hebbende” (bedoeld zijn “verlemtheyt, bultigheyt of diergelijcke”)—“Of yemant, hebbende een uytmuntende lichamelick gebreck dient getrout.”—“Yemant soude willen aanraden tot sodanige uyt-muntende gebreken (d. i. een openbaer sienlijck of tastelick gebreck), immers niet om des rijckdoms wille.”
1724.meloenen. Vgl.: “Het en beurt niet selden dat de menschen haer met Meloenen een sieckte op het lijf eten. Want sy bederven lichtelijck, en in den buyck bedorven sijnde, nemenze byna de nature van vergif aen, ende veroorsaken een sieckte, die wy Boorts noemen, ofte eenighe quaedtaerdighe koortsen...” I. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, (enz. 1651) blz. 104.
1740. Verschillende leuke voorbeelden van handige “Doctoren” bij I van Beverwyck, Schat der Ongesontheyt, (1651), blz. 5.
1762.dat jae, meermalen bij Cats, ook: “ick meyne dat neen”, naast: “ick meyne ja”.—zie 1830; vgl. Frans:que oui, que non.
1772.het vogeltjen onder de steert sien. Harrebomée, Spreekw. “dat beteekent: ik moet eerst de zaak navorschen, ’zoo als de vogelaars’, zegt van Eijk, ’om te onderzoeken, of het dier geen gebrek heeft’”. Zie ook van Eijk, Nederlandsche Spreekwoorden (1838), 92; Bogaert, Toegepaste Spreekwoorden (1852), 91.
dagh en raet, komt er tijd, komt er raad. Ook Harrebomée. Spreekwoordenboek 3 dln., 1858–1870, die verwijst naar Servilius, Adagiorum epitome (enz.), Antwerpen 1545, blz. 253; Gemeene Duytsche Spreekw. gedrukt tot Campen, bij Peter Warnersen, in den Witten Valck,s. a., blz. 12; Sartorius Adagiorum (enz.) 1556, blz. 128; Tuinman, Oorsprong en uitlegging (enz.) 1726/7, I, 331.
1773. Vgl.105vv.
1781.Martin-Antoine Delrio, geleerde Nederl. Jezuiet, 1551 (Antwerpen)—1608 (Leuven). Van hem: Disquitionum magicorum libri sex. Leuven, 1599.
1790. Oversettinge van Hieronymus; in de Vulgata: door verschillende synoden (laatstelijk Trente) geauthoriseerde Lat. Bijbelvertaling.
1791.dient daerom na-gesien: “te worden” door vele grammatici geëist, ontbreekt hier. Vgl. Van Helten, Vondels Taal, Synt. § 248 en Tijdschr. XI, 180.
1839. Het gemene recht, het recht dat algemeen geldt in een landstreek, Ned. Woordenb.—De Gemene rechten zullen doelen op het Rom. Recht; naast de landrechten, elk in hun biezondere streek.
1841.gaende maecken, vgl.:
“Waer gelt en schoonheyt is, daer zijn gewenschte zaken,Die met een stille kracht de menschen gaende maken.”
“Waer gelt en schoonheyt is, daer zijn gewenschte zaken,
Die met een stille kracht de menschen gaende maken.”
“die hem de sinnen gaende maken.”—“de jeught, de min, de nacht, die als een stille wint de lusten gaende maken.”
1844.Justus Lipsius, de beroemde humanist. 18 Oct. 1547–24 Maart 1606, prof. in Leiden en Leuven; o.a.: Monita & Exempla politica, Leiden, 1601. Vgl. verder het Leven en Werken in Bibliographie Liptienne (Gand 1886).
1851. De Joden, het uitverkoren bondsvolk, vgl. Genesis XVII. Daarna onder de Nieuwe Bedeling: het Genadeverbond, ook over andere volken zich uitstrekkend; vgl. Hebr. VII, 22; VIII, 6, 13; I Kor. XI, 25; II Kor. III, 6, 14, ook Matth. XXVI, 28. Teken: de doop, vgl.624; vgl. het Belijdenisformulier, Art. XXXIV.
Calvinisties betoog.
1863. Oud-christelike voorstelling die berust op allegoriese verklaring van het Hooglied bij de Joden: Sulamith, de geliefde, = Joodse volk; de minnaar, Jehova; vgl. o. a. ook Ezech. XVI; later pasten de kerkvaders (Origenes, Hieronymus) dit op de gemeente van Christus toe; vgl. Chr. de Bruidegom in het N. T.; toen niet meer allegories maar in mystiese zin verklaard. Ook aldus in de Protestantse Kerk. Vgl. het Trouwformulier.
1887. de een met de ander: met elk-anderen. Vgl. o. m.: “gehoude lieden met onderlinge bewilginge sigh van den anderen wel mogen onthouden.”—“twee, die geen vryheyt hebben van verkiesinge, krijgen dickmael een af-keer van den anderen.”
1889. Wel zou de man zijn vrouw niet haten, toch haat de dwaling de waarheid.
Hypolite Salviani, Italiaans medicus en natuurkundige, 1514–1572, pauselik lijfarts, o. a. van Julius III. Is hier bedoeldDe crisibus ad Galeni censuram liber(1558)?
1892.Henniagus Arnisoeus, Duits geneesheer (1580, Halberstadt-1626); lijfarts van Christiaan IV van Denemarken; schreef vele mediese en juridiese werken, o. a. De jure connubii.
1902. De brief van Paulus aan Philemon.
1906.Molin, Petrus Molinaeus (du Molin) 1568–1658, Frans Hugenoten-prediker, na 1620 prof. theol. in Sedan. Ging 1615 naar Engeland op verzoek van Jakobus I. Zie G. Gory, P. d. M., Paris 1888.—Is bedoeld “Conseil fidèle et salutaire sur les mariages des personnes deReligioncontraire”?—Zie Jöcher, Gelehrten Lexicon.
1916.immers= altans, vgl.:
“Het maeckt een groot gherucht,Het schijnt of dat ’et krijst, of immers dat ’et sucht.”
“Het maeckt een groot gherucht,
Het schijnt of dat ’et krijst, of immers dat ’et sucht.”
Vgl. een andere plaats1705A.
1918.sedigheyt, vgl. woest;geloove, ongeloovigh, 1907, zie 1848, vv.
1920. Vgl. Paulus aan de Korint. I, 16, welk vers in Cats-z’n tijd op vs. 12, 13, 14 slaat.—Vgl. Grotius, Annotationes in N. T.: “Magnam enim vim habeat in animos sancta viri aut mulieris conversatio”.
1939.Vrij wat slots hebben, slot hebben = zin hebben, sluiten, vgl.
”’t Is beyde sonder maet, en tegen goede zeden,’t Is beyde sonder slot, en buyten alle reden.”—“Als er iemand boecken schrijftDe leser lacht, de leser kijftDe leser prijst, de leser spotEn beyde dickmaal sonder slot.”—“Wat gaet de slimme gast alhier te voorschijn halenOf fabels sonder slot en oude leugen-talen,O, regter! achtet niet al wat de bouve seytTen heeft geen ander slot, als slegts een loos beleyt.”
”’t Is beyde sonder maet, en tegen goede zeden,
’t Is beyde sonder slot, en buyten alle reden.”—
“Als er iemand boecken schrijft
De leser lacht, de leser kijft
De leser prijst, de leser spot
En beyde dickmaal sonder slot.”—
“Wat gaet de slimme gast alhier te voorschijn halen
Of fabels sonder slot en oude leugen-talen,
O, regter! achtet niet al wat de bouve seyt
Ten heeft geen ander slot, als slegts een loos beleyt.”
1972. Dochters Laban; vele Hebr. eigennamen in de Septuagint en in ’t N. T. onverbuigbaar; vgl. vooral Matth. I; Luc. III, 23, 30, 32; X, 30; XVIII, 35; Joh. XVIII, 1; vgl. Robertson (Louïsville, Ky U. S.),A Grammar of the Greek New Testament in the light of historical research3(1919).—Thackeray, a Grammar of the O. T. in Greek I (1909).
1979.nachtegael. Vgl.:
“O nachtegael die op de peluw sitGhy kond voorwaer te wonder krachtigh singen.”—
“O nachtegael die op de peluw sit
Ghy kond voorwaer te wonder krachtigh singen.”—
vgl. ook? Ver nachtegael, Kalff, 360, 355.—Nachtegaal op de peluw: vrouw, die in bed knort! Van Dale-Manhave.
Harrebomée, Spreekw. kent nog: Het is een nachtegaeltje op de peluw: dat is: moeder zingt ’s nachts haar kind in slaap.—Een kwaad wijf, is een kwade nachtegaal.—Dat is maar om kennis te maken, zei losse Filip, en hij lichtte zijne vrouw met een houten lantaarn naar bed, daar de nachtegaal zeven jaren op gezongen had.
1981. Veel vermag de smeektaal van de vrouw.
1Vgl. daarmee:dede: “het selve gebreck hebbende dat onse Cratesdede, te weten een bult op den rugh.”2Vgl. Tijdschr. Ned. Letterk. II, 20.3Vgl. ook ald. 22, noot.4Vgl. ook:Jos. Bédier, Les Fabliaux. Etudes de littérature populaire et d’histoire littéraire du moyen-Age2, 1895. DaaroverG. Busken Huet, Komen onze sprookjes en vertellingen uit Indië,Gids, Okt. 1902. Verder: Bursian Jahresbericht, XIIe Jahrg. (1884) II, I, 20, 205, 271.
1Vgl. daarmee:dede: “het selve gebreck hebbende dat onse Cratesdede, te weten een bult op den rugh.”
2Vgl. Tijdschr. Ned. Letterk. II, 20.
3Vgl. ook ald. 22, noot.
4Vgl. ook:Jos. Bédier, Les Fabliaux. Etudes de littérature populaire et d’histoire littéraire du moyen-Age2, 1895. DaaroverG. Busken Huet, Komen onze sprookjes en vertellingen uit Indië,Gids, Okt. 1902. Verder: Bursian Jahresbericht, XIIe Jahrg. (1884) II, I, 20, 205, 271.