Zanzibar.Zanzibar.
Zanzibar.
Zanzibar.
Zij had hare bedreiging ook uitgevoerd; en sedert zestien uren waren mijne drie soldaten op de markt geboeid ten toon gesteld, ten spot der menigte, toen een Arabier, dien ik te Kingaroe ontmoet had, de sheik Thani, hen gelukkig herkende. Hij had zich naar de sultane begeven, had haar een sterk gekleurd tafereel van mijne macht opgehangen; haar onder het oog gebracht, aan welk gevaar zij zich blootstelde, en haar eindelijk bewogen, mijne soldaten in vrijheid te stellen. Zelfs werd de ezel met de bagage en een der drie geweren teruggegeven; ook had men hun vergund, een genoegzamen voorraad koren te koopen, om al mijne manschappen gedurende vier dagen te onderhouden. De goede Arabier had de vrijgelatenen naar Simbo geleid, en Shaw had hen in zijn kamp teruggevonden.
Zanzibar.Zanzibar.
Zanzibar.
Zanzibar.
Ondanks geweldige stortregens, braken wij ons kamp op en vervolgden onzen tocht. Aanvankelijk vonden wij een drogen weg of dijk, maar weldra bevonden wij ons weder in de vlakte, waar de grond week en kleverig was als lijm. Shaw was ziek; op mij alleen rustte de zorg voor het bestuur onzer karavaan. Elk oogenblik bleef een der ezels in den modder steken: en als het ons eindelijk met groote moeite gelukt was het arme dier weder op de been te helpen, zonk weer een ander in den zachten grond, en zoo ging het telkens. Daar kwam bij, dat wij bij herhaling rivieren moesten doorwaden, die in dit seizoen meest allen geweldige watermassa’s medevoeren; vooral de Makata, van eene nederige beek tot een machtigen, onstuimigen, snelvlietenden stroom aangegroeid, die verre buiten zijne oevers was getreden, en niet dan met de grootste inspanning en wezenlijk gevaar was te doorwaden.
Aan den oever van het meer Tanganjika.Aan den oever van het meer Tanganjika.
Aan den oever van het meer Tanganjika.
Aan den oever van het meer Tanganjika.
De noodlottige tocht door deze moerassige, half overstroomde, ongezonde vlakte duurde drie dagen. Wij plasten letterlijk door het water, dat somwijlen tot aan de borst en de schouders kwam. Mijne manschappen waren uitgeput van vermoeienis, de meesten waren ziek. Shaw had voortdurend de koorts; een der soldaten had de pokken; Bombay leed aan hevige krampen in de borst; Mabrâk, een stevige jonge neger, klaagde over misselijkheid; de kleermaker had geen kracht om iets te doen; de anderen waren allen evenzeer van streek. Zij gingen eenvoudig in den modder liggen, en ik moest de toevlucht nemen tot de zweep, om hen tot voortgaan te bewegen. Dit middel hielp: de kwalen weken met verwonderlijke snelheid, en de uitgeputte krachten kwamen even spoedig terug. Onze ezels bezweken bij twee en drie per dag: er bleven eindelijk maar vijf over, die haast niet meer voort konden. Soldaten en dragers leden vreeselijk; ik zelf was dood ziek. Toch hadden wij slechts twee slachtoffers te betreuren: een pagazi, en mijn hond, mijn armen Omar, die mij sedert mijn vertrek uit Indië had vergezeld.
Den 4denMei sloegen wij ons kamp op te Rehenneko, het eerste dorp in Oesagara, waar wij den nacht doorbrachten. Het was eigenlijk meer een vlek dan een dorp, aan den voet van een berg, in eene zeer gezonde luchtstreek gelegen. Hooge, vierkante, van leem opgetrokken muren omringden eene menigte kegelvormige hutten met spits toeloopende daken, waarin ongeveer een duizendtal menschen huisden. In den omtrek lagen nog onderscheidene andere, even welvarende en volkrijke dorpen, wier inwoners zich door zekere onafhankelijkheid en vrijheid van manieren kenmerkten.
Na vier dagen in deze liefelijke streek te hebben vertoefd, begonnen wij de eerste steile hellingen van den berg te beklimmen. Op den top gekomen, overzagen wij, als in een prachtig panorama, de gansche vallei van de Makata, met hare heldere, snelvlietende wateren, als zilveren snoeren door de vlakte kronkelend; hare palmbosschen, hare heuvelen en bergen, in grootsche lijnen zich aansluitende aan de bergen van Oeroegoeroe en Oesoeapanga, wier hooge toppen zich schemerend aan den horizon afteekenden. Het was een heerlijk grootsch tafereel, dat ons al de ellende en jammeren van den moeilijken tocht deed vergeten.
Onze weg voerde ons nu dwars door eene bergachtige streek, naar het armoedige, smerige dorp Kiora, met niet veelmeer dan twintig huizen, maar eene ongeloofelijke menigte kinderen en nog veelmeer insecten van allerlei soort, bekend en onbekend. Hier vond ik Farquhar, den chef mijner derde karavaan: maar in welken toestand! Nooit zou ik mijn Farquhar hebben herkend in dien bleeken man, met vreeselijk gezwollen beenen, die zich met groote moeite voortsleepte. Ik liet ons kamp op een luchtigen, frisschen heuvel opslaan, en den zieke daarheen brengen. Verder wist ik niets te doen, want ik kon zelfs niet gissen wat hem eigenlijk scheelde. Hij was zeer gelukkig dat ik hem gevonden had: maar wat zou ik nu met hem aanvangen? Ik kon hem niet te Kiora achterlaten; en hoe zou ik het aanleggen om hem verder te vervoeren? De kleine kar was onbruikbaar geworden; er was groot gebrek aan ezels. Eindelijk stond ik hem den mijnen af, en wij begaven ons op weg met de derde karavaan, die zich nu met de onze vereenigd had.
Na een tocht van acht mijlen, bereikten wij den oever van de Moekoedokoea, de samenvloeiing van de beide Makata’s en een paar andere rivieren; en na dezen stroom te zijn overgetrokken, bevonden wij ons in eene naakte wildernis, ontbloot van bosschen, alleen hier en daar door struikgewas en cactussen verlevendigd, en voorts eene opeenvolging van grijsachtig witte, door de zon geblakerde rotsen. Vijf dagen lang moesten wij door deze gloeiende woestijn voorttrekken, tot wij eindelijk den noordelijken oever van het meer Oegombo bereikten, in de nabijheid van de berg van gelijken naam. De oever van dit meer bestaat, over eene breedte van minstens zestien ellen, uit een ongenaakbaar moeras, geheel met rietbosschen en waterplanten bedekt, waartusschen het rivierpaard zich met zijn log lichaam een weg baant. Hier komen giraffen, buffels, zebra’s, wilde zwijnen en kudden van antilopen, tegen het vallen van den avond, hun dorst lesschen. Gansche zwermen van vogels drijven en dartelen en spelen en zweven over de oppervlakte van het water. Vischarenden en andere roofvogels beschrijven groote kringen in de lucht, loerende op hunne prooi; uit het hooge struikgewas in den omtrek weerklinken de kreten van het parelhoen en den toucan, het gekir der duiven, het geschreeuw van den uil, en de stemmen van een aantal andere vogels, in de dichte biezen verscholen.
Den 16dentrokken wij door de vlakte, die zich ten westen van den berg Oegombo uitstrekt, en waar baobabs, reusachtige tamarinden en mimosas eene welkome schaduw verspreidden. Wij hadden vijf uren gemarcheerd, toen de bergketen, waar langs wij voorttrokken, zich naar het noordoosten wendde. Onze weg liep in noordwestelijke richting en voerde ons naarde khambi van Mpoepoea, waar wij den sheik Thani aantroffen, dien braven Arabier, wiens tusschenkomst bij de dochter van Kisabengo ons zoo nuttig was geweest. Hij had zijne tent opgeslagen onder een reusachtigen, wilden vijgeboom, en onthaalde zich sedert twee dagen op schapen- en ossenvleesch en melkspijs. Hij scheen nog niet van voornemen om spoedig de moeielijke reis te aanvaarden, die wij zoo pas hadden afgelegd, en deed zijn best om ook mij over te halen, hier te toeven en mijn manschappen en mijn beesten een paar dagen te laten uitrusten. Het was aanvankelijk mijn plan geweest, zoo spoedig mogelijk Oegogo te bereiken, dat mij als het beloofde land verscheen, waar ik mijne uitgeputte krachten zou kunnen herstellen; maar toen ik vernam, dat deze plaats niet minder gezegend en welvarend was, gaf ik aan den raad van den Arabier gehoor. Weldra stroomden ons van alle kanten eieren, melk, boter, honig, schapenvleesch, meel en boonen, toe, en konden wij ons een heerlijken maaltijd bereiden, die ons te beter smaakte, nadat wij twee maanden lang hoofdzakelijk van een aftreksel van sorgho en half bedorven geitenvleesch hadden geleefd.
Intusschen was Farquhar zoo zwak geworden, dat hij de reis niet verder kon voortzetten, te minder daar er op nieuw twee ezels gestorven waren, zoodat het onmogelijk was geworden, hem een rijdier te bezorgen. Ik vond voor hem eene zeer geschikte verblijfplaats in een der vele dorpen van deze liefelijke landstreek. Leucolé, het opperhoofd van dat dorp, een man, wiens gunstig uiterlijk mij dadelijk voor hem innam, belastte zich met de zorg voor onzen zieke; hij beloofde mij, dat hij Farquhar met eene goede karavaan naar de kust zou terugzenden, zoodra de staat van zijne gezondheid dit zou toelaten.
Den 22steMei ontmoetten drie karavanen—die van Thani, die van Hamed, een Arabier, die een paar dagen te voren was aangekomen, en de mijne—elkander te Koenyo, een station, ruim drie-en-een-half uur van Mpoeapoea verwijderd. Een voorsprong van den berg beschermt het dorp tegen de hevige rukwinden, die uit de naburige kloven en bergpassen schieten; maar het water is hier afschuwelijk. Aan deze omstandigheid ontleent de vlakte, die Oesagara van Oegogo scheidt, haren naam van Marenga-Mkali, dat wil zeggen, bitter water. Ondanks den afschuwelijken smaak, drinken de Arabieren en de inboorlingen dit water, zonder daarvan eenigen hinder te ondervinden; maar zij dragen wel zorg dat hunne ezels daar niet van gebruiken. Hiermede onbekend, liet ik mijne beesten vrij drinken, zooals zij dat altijd na een marsch deden; maar weldra ondervond ik daarvan de noodlottige gevolgen: weinige dagen later had ik vijf van mijne beste ezels verloren; er bleven nu nog slechts vier over.
Toch maakte onze karavaan, bij ons vertrek van Koenyo, een waarlijk indrukwekkende vertooning: ongeveer vierhonderd mannen, met een aantal geweren, vlaggen, trommen en trompetten. Onder luid gerucht van muziek en gezang en geschreeuw, toog men op weg. Die opwekking was wel noodig: want om Oegogo te bereiken moesten wij twee dagreizen afleggen door eene wildernis, waar geen enkele droppel water is te vinden.
Naarmate wij de grenzen van Oegogo naderden, begon de naakte bodem zich met gras, straks met kreupelhout en geboomte te bedekken; eindelijk zagen wij weder akkers en bebouwde velden: wij waren in Oegogo. Gaandeweg nam nu het landschap een ander karakter aan: de heuvelen waren met statige bosschen getooid; in de vlakte verhieven zich overal, te midden der bebouwde velden, reusachtige baobabs. Wij naderden een dorp; een man van zekeren leeftijd hoedde in het veld eene kudde runderen, maar zag plotseling verbaasd op, toen hij mij gewaar werd. Hij staarde mij een oogenblik aan, en riep toen met eene luide stem, die ver in het ronde weerklonk: “Yambo moussoungou, yambo bana, bana!” Nauwelijks was dit woord moussoungou vernomen, of van alle kanten kwamen mannen, vrouwen en kinderen aanloopen, om den vreemdeling te zien. De menigte groeide voortdurend aan, en volgde ons op den weg, dringende en vechtende en joelende, als ware ik een of ander monster geweest, dat ieder wilde zien. Ook toen wij ons kamp hadden opgeslagen, bleef een nieuwsgierige volkshoop rondom de doornige palissade geschaard; zich alles getroostende, om slechts een blik te kunnen werpen op den moussoungou.
Den volgenden morgen trokken wij naar Mvoemi, waar het opperhoofd dezer landstreek woonde. Hier vooral bleek het ons, dat de roem van rijkdom, en vruchtbaarheid, die van dit gewest uitgaat, ten volle verdiend is. Melk, maïs, sorgho, gerst, boonen, boter, vruchten: alles werd ons in overvloed aangeboden, zonder dat wij noodig hadden ons eenige moeite te geven. De aandrang der verkoopers was zoo groot, dat zij bijna met de geringste betaling tevreden waren; zij namen zelfs kleine lapjes katoen en versleten gordels aan.
Wij mochten niet van hier gaan, zonder de verschuldigde schatting te betalen: dit te verzuimen zou gelijkstaan met eene oorlogsverklaring. Twee slaven van Thani, slim en welbespraakt en daarbij goed bekend met de hoofden en met de gewoonten des lands, gingen van onzentwege den sultan vier-en-twintig el van verschillende stof aanbieden. Dit geschenk werd onvoldoende geoordeeld, en ondanks de welsprekendheid onzer gezanten, niet eenmaal aangenomen. De sultan verlangde meer. Ik wilde eerst weigeren, maar Thani bracht mij tot andere gedachten. “Ik moet toegeven,” zoo sprak hij, “anders zal de oorlog uitbarsten, uwe pagazis zullen wegloopen, en u en uwe bagage in de macht laten der Vouagogo. Geloof mij: laat ons den sultan niet verbitteren.”—De slaven vertrokken weder, en namen honderd-twintig el mede. Een uur later kwamen zij terug: het geschenk was ditmaal aangenomen, maar nog niet voldoende geoordeeld: het opperhoofd verlangde bovendien twee-en-zeventig el calicot en twaalf snoeren zwarte kralen. Zij werden hem gezonden. De sultan nam ze aan, maar merkte toen op dat de stof van den moussoungou te kort en die der Arabieren van slechte kwaliteit was: hij verlangdemitsdien nog twee-en-dertig el katoen. Mijn aandeel in die nieuwe schatting bedroeg twaalf el; ik liet die zoo ruim mogelijk uitmeten, en zond ze den sultan door Bombay. Maar de Arabieren spartelden tegen en leverden maar acht el, in plaats van twintig. De sultan eischte nu dat de twaalf ontbrekende ellen van kostbaarder stof zouden worden geleverd: en onzen Arabieren schoot niets anders over, dan dien roover zijn zin te geven.
Inboorlingen van Oegogo.Inboorlingen van Oegogo.
Inboorlingen van Oegogo.
Inboorlingen van Oegogo.
Den volgenden morgen verlieten wij deze koninklijke residentie, en vervolgden onzen weg door een vruchtbaar, uitnemend bebouwd en dichtbevolkt land, met welvarende dorpen bezaaid. Aan het volgende station, te Matamboeroe, gekomen, vonden wij daar denzelfden toevloed van nieuwsgierigen, en dezelfde verbazende begeerte om ons te zien. Het opperhoofd, een man van eene herkulische gestalte, toonde zich vrij wat handelbaarder dan zijn buurman. Hoewel hij gezag voerde over veertig dorpen en dus eene vrij aanzienlijke macht tot zijne beschikking had, stelde hij zich tevreden met twintig el katoen.
Toen ik den volgenden morgen de talrijke groepen gadesloeg, die zich langs den weg hadden geschaard om den moussoungou te zien voorbijgaan, kwamen mij de hooge eischen der opperhoofden minder ergerlijk voor. Blijkbaar behoefde het hun niet de minste moeite te kosten, om ons te berooven van alles wat wij hadden. Ik begon zekeren eerbied te gevoelen voor een volk, dat, zich zijner kracht bewust, daarvan toch geen misbruik maakt, en dat, ondanks de sterke verzoeking, toch de karavanen ongehinderd zijn land liet doortrekken, zonder iets anders te vorderen dan een zeker transito-recht.
Zoowel uit een physiek als uit een moreel oogpunt,staan de Vouagogo hooger dan een der andere stammen, waarmede wij tot dusver kennis hebben gemaakt. Hun voorhoofd doet u eenigszins aan dat van den leeuw denken; hun gelaat heeft eene uitdrukking van verstand en scherpzinnigheid; hunne oogen zijn groot en wijd geopend. Hun neus is plat en hunne lippen zijn dik, maar toch niet in die mate, als bij andere negers het geval is. Ondanks zijne heftigheid en opvliegendheid, die hem, eenmaal in drift ontstoken, tot alles in staat doet zijn, maakt de Mgogo een gunstigen indruk op ons. Hij is trotsch op zijn opperhoofd, trotsch op zijn land, trotsch op zich zelf, op zijne heldendaden, op zijne wapenen, op alles wat hem toebehoort. Hij is ijdel, pralend, zelfzuchtig, heerschzuchtig, maar ook tot groote liefde en toewijding bekwaam. Hij zal geen moeite ontzien, om iemand, dien hij bemint, een dienst of een genoegen te doen; de hoofdfout van zijn karakter, die hem vooral bij den vreemdeling van eene ongunstige zijde doet kennen, is zijn hebzucht. Ondanks zijn krachtvol, indrukwekkend voorkomen, ondanks zijne heftigheid, zijn prikkelbaren trots, zijn twistzieken aard, wordt deze halve wilde toch een kind tegenover den hooger beschaafde, die hem tracht te begrijpen, en, zonder hem te kwetsen of te krenken, zijn karakter tracht te doorgronden.
Inboorling van Oesagara.Inboorling van Oesagara.
Inboorling van Oesagara.
Inboorling van Oesagara.
De wapenen van een Mgogo zijn met veel kunst vervaardigd. Zij bestaan uit een boog en scherpe pijlen; uit een paar assagaaien of werpspiesen; uit een lans, waarvan de meer dan twee voet lange punt op het lemmer van een sabel gelijkt; uit een bijl en een kleinen knots, roungou genaamd. Van zijne kindsheid in de behandeling dezer wapenen geoefend, weet hij,er op vijftienjarigen leeftijd volkomen mede om te gaan.
Moet er gevochten worden, dan gaat de bode van het opperhoofd van het eene dorp naar het andere, uit alle macht op zijn ossenhoorn blazende. Zoodra de Mgogo dit signaal verneemt, neemt hij zijn spade op den schouder, spoedt zich naar zijne woning, en komt eenige oogenblikken later weder te voorschijn in vollen krijgsdos: zijn hoofd is versierd met struis-, arend- of valkenvederen; van zijne schouders golft een lange roode mantel naar beneden. Aan zijn linkerarm hangt een schild van olifants-, rhinoceros- of buffelhuid, met zwarte en witte figuren beschilderd; in de eene hand houdt hij zijne lans, in de andere zijne werpspiesen. Zijn lichaam is met rood geverfd; aan de knieën en aan de enkels draagt hij belletjes, en om de polsen een aantal ivoren ringen, waarmede hij van tijd tot tijd rammelt. Hij heeft met de spade ook het voorkomen van den boer afgelegd; hij is nu een krijgsman, vol moed en geestdrift, den tijger in kracht en vlugheid gelijk en hunkerende naar het slagveld.
Evenals in het westen van Oesagara, zijn ook in Oegogo de woningen nevens elkander langs de vier zijden van een veld of perk gebouwd, dat daardoor geheel is ingesloten en waarop alle deuren uitkomen: dit plein is de zoogenaamdetembé, dien wij tot aan het groote meer overal zullen aantreffen. Het doorloopend platte dak der woningen dient tot bergplaats voor het koren, het hooi, de tabak en andere voortbrengselen van den landbouw. In den buitenmuur zijn kleine openingen aangebracht, die tegelijk tot kijk- en schietgaten dienen. In Oegogo is deze muur slechts van klei en aarde opgetrokken, met drie of vier palen, waarop de balken rusten, die het platte dak schragen. Een geweerkogel dringt zonder moeite door deze zwakke muren heen, die daarentegen in Ochyanzi veel steviger zijn en inderdaad eene soort van vesting mogen heeten. In ieder vertrek, dat door een beschot van het aangrenzende wordt afgescheiden, woont een huisgezin, waarvan de kinderen op beestenvellen op den grond slapen. De ouders slapen op een soort van bed, bestaande uit een ossenhuid of de schors van den myombo, op een raam uitgespannen. Onder de huisdieren mogen alleen de katten, de koeien, en de schapen binnen de woning komen: de honden en de ossen zijn buitengesloten.
Den 7denJuni, des morgens ten zeven uur, trokken wij over de grenzen van Oegogo, waar onze manschappen, vanwege den zeer prikkelbaren aard der inwoners, zich niet recht op hun gemak hadden gevoeld. Te negen uur hielden wij halt aan den oever van de Maboengoeroe, nu eene uitgedroogde beek, die Oegogo van Magoenda-Mkali scheidt; wij sloegen ons kamp op ter hoogte van vierduizend-vijfhonderd voeten boven de zee.
De twee Arabieren, Thani en sheik Hamed, waren nog altijd bij ons; die titel van sheik wordt hier beleefdheidshalve aan iederen Arabier van middelbaren leeftijd en van zekeren stand gegeven. Hamed, aan wien wij het bevel over de drie karavanen hadden opgedragen, was een klein mager manneke, maar die het weinig indrukwekkende van zijn voorkomen vergoedde door eene buitengewone levendigheid en bewegelijkheid. Hij had nooit rust; zelfs in het kamp was hij onophoudelijk op de been, heen en weder loopende, alles nasnuffelende, zich met alles bemoeiende en allen voortdurend last en moeite veroorzakende. Wij hadden dien dag twintig mijlen afgelegd, en verlangden dus hartelijk naar rust. Om één uur na middernacht, bij helderen maneschijn, blies Hamed op den hoorn, en gaf bevel tot opbreken. Zwijgend ging de karavaan op weg: de thermometer teekende geen twaalf graden; de dauw was koud als ijzel. De dragers, die bijkans geheel naakt waren, liepen zoo hard zij konden om zich te verwarmen; velen hunner verwondden zich de voeten door tegen de rotsen te stooten of in de doornen te loopen.
Te Oenyambogi aangekomen, gingen wij op den grond liggen, en weldra waren allen in diepen slaap gedompeld. Toen ik ontwaakte was het helder dag; de zon scheen mij in de oogen. Hamed was twee uren geleden vertrokken; hij had Thani willen medenemen, die evenwel geweigerd en hem zijn onverstand verweten had. Op het volgende station vonden wij hem weder driftiger en onrustiger dan ooit. Zijne geliefkoosde slavin was gestorven, en drie zijner dragers waren weggeloopen, hunne bagage medenemende, waartoe ook de fraaie staatsiekleederen behoorden, die sheik Hamed in Oenyanyembi hoopte aan te trekken, om behoorlijk voor den dag te komen. Hamed trachtte vergeefs de deserteurs op te sporen, en voegde zich weder bij ons. Toch verliet hij ons eenige dagen later, toen wij te Koesoeri, aan de grenzen van Magoenda-Mkali, waren gekomen. Daar moest ik ook Thani achterlaten, wiens dragers voor het meerendeel door de pokken waren aangetast.
Na een tocht van enkele dagen bereikten wij Koeïkoeroe, ongeveer twee mijlen ten zuiden van Tabora, de hoofdplaats der arabische nederzettingen. Al mijne manschappen hebben hunne beste kleederen aangetrokken; met ontplooide vaandels, slaande trom en schetterende trompetten hielden wij onzen intocht in de stad, waarnaar wij weken achtereen zoo verlangend hadden uitgezien.
Koeïkoeroe, de hoofdstad van Oenyanyembi, was de residentie van Mkasihoua, het opperhoofd der Voeanyamoeësi van dit gewest. Seïd-ben-Selim, de gouverneur der arabische kolonie, hield mede daar zijn verblijf, en noodigde mij uit, hem naar zijne woning te vergezellen. Eene dichte menigte stond langs onzen weg geschaard; maar geen enkele kreet liet zich hooren: alleen het oude opperhoofd en de Arabieren spraken tot mij.
Het huis van Ben-Selim stond op den hoek van een ruim plein, door een staketsel afgesloten. Men schonk ons thee uit een zilveren trekpot; in een overdekte schotel van hetzelfde metaal werden heete koekjes gepresenteerd. Ik had nog niets gebruikt, en daarbij grooten trek; de gouverneur zal zich waarschijnlijk wel verwonderd hebben over het gemak, waarmedeik elf kopjes van zijne keurige thee uitdronk en eene geduchte bres in zijn stapel gebakjes maakte. Nadat ik hem van harte mijn dank had betuigd, haalde ik mijne pijp voor den dag.
“Vriend sheik, wilt gij rooken?” vroeg ik mijn gastheer.
“Dank u; de Arabieren rooken niet.”
“Vergunt ge mij, dat ik na den eten, om de spijsvertering te bevorderen.....”
“O, zeker; ga gerust uw gang.”
Nu begon het vragen over en weder. Nieuws van de reis; nieuws van Zanzibar, van Maskate, van de oude kennissen: alles kwam te berde.
“Waar is tegenwoordig,” vroeg Seïd-ben-Selim, “die Hadji Abdallah, die hier zoowat twaalf jaar geleden geweest is met Spiki?”
“Die Abdallah heet bij ons Burton; hij is tegenwoordig consul te Damaskus; Speke is op de jacht omgekomen.”
“Ouallah! Is Spiki dood? jammer! jammer! het was zoo’n goede man.”
“Maar,” hernam ik, “zeg mij eens, waar ligt Kazeh?”
“Dat weet ik niet.”
“Hoe nu! en gij waart zelf daar met Burton, met Speke, en later met Grant. Hebben Burton en Speke hun intrek niet genomen bij Moura-Mzouri?”
“Ja wel; maar te Tabora.”
“Maar waar ligt dan toch Kazeh? Ik vraag dat aan iedereen, en niemand kan het mij zeggen. Toch noemen de drie reizigers de plaats, waar gij ze ontmoet hebt, met dien naam.”
“Ik heb dien naam nooit gehoord. Maar, wacht eens: in de landtaal beteekent Kazeh koninkrijk; misschien hebben zij de plaats, waar zij bij hunne komst stilhielden, aldus genoemd. Zeker is het, dat ik hen meermalen bezocht heb, en dat de beide huizen, waarin zij toen verblijf hielden, te Tabora stonden. Maar ik zal u uwe woning toonen; zij ligt te Koeïhara, en niet meer dan een uur gaans van Tabora.”
Wij begaven ons op weg en bereikten weldra Koeïhara, in eene tamelijk eentonige vallei gelegen. Voor de deur mijner woning, vond ik mijne pagazis, nevens hun bagage op den grond gezeten.
“Treedt binnen,” zeide Ben-Selim; “deze woning behoort aan u. Ziehier het verblijf voor uwe manschappen; daar zijn de magazijnen, de keuken, de gevangenis. Hier kunt ge de Arabieren ontvangen. Deze vertrekken zijn voor uw reismakker. En deze hier zijn kamers voor u zelf: slaapkamer, badkamer, wapenkamer, enz.”
Ik moest nu in de eerste plaats zorgen voor het bergen der koopwaren, en de betaling der pagazis, wier diensttijd verstreken was. Toen dit alles was afgeloopen, en al de balen en pakken eene behoorlijke plaats hadden gekregen, zette ik mij aan den maaltijd, die door slaven voor mij was gereed gemaakt. Na den maaltijd verschenen weder eenige slaven, die mij vijf vette ossen, acht schapen en tien geiten ten geschenke brachten; van eene andere zijde ontving ik twaalf kippen en een dozijn eieren. Zulk eene vorstelijke gastvrijheid had ik bijna nog nooit ondervonden.
Den volgenden morgen kwamen de aanzienlijken van Tabora mij begroeten. Tabora, door Burton, Speke en Grant Kazeh genoemd, is de voornaamste arabische nederzetting in het binnenland van Afrika. De stad telde toen meer dan duizend huizen; het getal der inwoners, Arabieren, Zanzibariten en inboorlingen, kon veilig op vijf duizend worden geschat.
Het was inderdaad een lust, mijne bezoekers te zien: bijna zonder uitzondering waren het mannen met een schoon, edel voorkomen, vol waardigheid en innemende bevalligheid tevens. De meesten waren van het eiland Omar of Arabië afkomstig; sommigen waren van de kust van Afrika geboortig. Aan hunne edelmoedigheid dankte ik de schitterende geschenken, die mij den vorigen avond waren geworden. Zij waren allen zeer vermogend, en leefden op grooten voet. De vlakte van Tabora, hoewel arm aan boomen, is bij uitnemendheid vruchtbaar; overal ziet men weilanden met vee, of akkers met rijst, sorgho, maïs, gerst, sesam of andere vruchten bebouwd. Rondom hunne tembés laten deze Arabieren rogge telen, en hebben zij vruchtboomen geplant, die zeergoed opgroeien. Eens in het jaar ontvangen zij van de kust den noodigen voorraad specerijen, ingelegde vruchten, wijn on andere dranken: in een woord, alles waaraan zij behoefte hebben.
Het bezoek van deze groote heeren was niet meer dan eene beleefdheid; ons gesprek was nietsbeduidend: eenige vragen naar mijne gezondheid van hun kant, dankbetuigingen van mijne zijde; daarmede was alles afgeloopen, en keerde mijne bezoekers naar hunne woning terug.
Drie dagen later begaf ik mij, met een gevolg van achttien personen, op weg, om tegenbezoeken af te leggen. Ik begaf mij eerst naar de woning van Ben-Ali: een dorp in het klein, eene verzameling van tembés en hutten, in gedaante aan bijenkorven gelijk. Na een uur wandelens, zat ik onder de veranda van dezen vermogenden man.
Na de moka-koffie en de sorbet, die mij werden aangeboden, te hebben gebruikt, begaf ik mij naar de woning van Khamis-ben-Abdallah, waar ik een groot gezelschap bijeen vond. Ik kwam juist op het oogenblik, dat er een soort van krijgsraad zou gehouden worden, en men noodigde mij uit, daaraan deel te nemen. Zekere Mirambo, zoo vernam ik nu, lag sedert geruimen tijd overhoop met al de hoofden uit den omtrek. Deze man, aanvankelijk een eenvoudige pagazi, had zich, door allerlei middelen en streken, tot den hoogsten rang weten te verheffen. Eenige gelukkige ondernemingen, waarbij zijne volgelingen zich hadden verrijkt, hadden zijn gezag bevestigd; en sedert kende zijne vermetelheid geene grenzen meer. Hij had zijne vernielende strooptochten uitgestrekt tot aan Oevinza en Oekonoego; laatstelijk had hij twist gezocht met Mkasihoua, vorst van Oenyanyembi, en nam het nu den Arabieren kwalijk, dat zij weigerden hem in zijn oorlog tegen hun ouden vriend te helpen. Als bewijs zijner ontevredenheid, had hij van eene karavaan, die zich naar Oedsjidsji begaf, eene schatting gevorderd van vijf vaatjes kruit, vijf geweren en vijf balen katoen. Toen, na lange onderhandeling, dezebuitensporige schatting was betaald geworden, had hij de karavaan gelast terug te keeren, met de verzekering, dat voortaan geen enkele karavaan zijn gebied zou mogen doortrekken.
Voeanyamoeësi.Voeanyamoeësi.
Voeanyamoeësi.
Voeanyamoeësi.
Seïd-ben-Selim, gouverneur der kolonie, had zijn uiterste best gedaan om den tiran tot andere gedachten te brengen; maar Mirambo had naar geen reden willen luisteren, en zeer duidelijk te verstaan gegeven, dat hij de Arabieren zou verjagen en Oenyanyembi veroveren. Het gold nu de vraag, wat men doen zou. Hoewel een enkele nog tot verzoening ried, was toch de overgroote meerderheid van oordeel, dat aan deze onbeschaamdheid een einde moest worden gemaakt; er werd dan ook tot den oorlog besloten.
Volgens de Arabieren zou de zaak spoedig afgeloopen zijn en hoogstens een veertien dagen duren. Ik bood mijne hulp aan; mijne bagage zou te Mfoeto achterblijven, onder de hoede van enkelen mijner manschappen; de anderen zouden met mij aan den krijgstocht deelnemen; was eenmaal de weg vrijgemaakt, dan zou ik mijne reis vervolgen.
Den 18denJuli brak ik met mijne manschappen van Koeïhara op. Aanvankelijk hadden zij zeer weinig ingenomenheid getoond met het denkbeeld, hun lui en vroolijk leven vaarwel te moeten zeggen om te gaan vechten, en misschien den dood op het slagveld te vinden. Maar nu zij eenmaal op marsch waren, kwam hun strijdlustige natuur weer boven; met geestdrift volgden zij het wapperende vaandel, en deden de lucht weergalmen van hun eentonig gezang, dat uren lang achtereen werd voortgezet.
In den morgen van den vierden dag kwamen wij te Mfoeto, waar wij de Arabieren zouden vinden. Kort daarop waren hier tweeduizend-tweehonderd-vijftig manschappen bijeen, waarvan vijftienhonderd van vuurwapenen waren voorzien. Ook was er ammunitie in overvloed. Wij vormden dus een niet onaanzienlijk leger.
Twee dagen later hielden wij halt voor Zimbiso, eene versterkte plaats, waar een der schatplichtige leenmannen van den vorst van Oehyohoué verblijf hield. Terwijl onze manschappen de hun aangewezen posten bezetten, werden wij uit het woud met geweerschoten begroet, waarop ons leger dapper antwoordde. Het was een wonderlijk gezicht, die schutters met onbegrijpelijke vlugheid als kikvorschen heen en weer te zien springen, nu ter zijde, dan naar voren, straks weder naar achtereen. Toch was het gevecht ernstig gemeend; en nadat het vuur des vijands tot zwijgen was gebracht, bestormden onze lieden de vesting, braken de poorten open, en klauterden tegen de palissaden op, terwijl de inwoners zich door eene haastige vlucht in het gebergte poogden te redden.
Vaart op het meer Tanganjika.Vaart op het meer Tanganjika.
Vaart op het meer Tanganjika.
Vaart op het meer Tanganjika.
Wij lieten in Zimbiso eene bezetting achter, en vervolgden onzen tocht. Een uur later waren nogtwee vijandelijke dorpen in onze handen gevallen, geplunderd en in brand gestoken.—Den volgenden dag verspreidden zich zevenhonderd soldaten door geheel de omliggende streek, tot aan Voeïlyankoeroe, alles te vuur en te zwaard verwoestende. Saoud-ben-Seïd en twintig andere jonge Arabieren sloegen, aan het hoofd van vijfhonderd man, het beleg voor deze laatste plaats, waar zij meenden dat Mirambo zich ophield. Reeds des morgens vroeg was ik naar Ben-Selim gegaan, om hem onder het oog te brengen, dat hij het hooge gras en de struiken in brand moest steken, waarin de vijand zich zoo gemakkelijk kon verschuilen. Toen ik in mijne tent terugkwam, werd ik op nieuw door de koorts aangetast, en het ongeluk wilde dat men mijn raad in den wind sloeg.
Tegen zes uur in den avond vernam men te Zimbiso de noodlottige tijding dat al de Arabieren, die Saoud gevolgd waren, waren gesneuveld, benevens de grootste helft hunner soldaten. De meesten mijner manschappen waren mede in den strijd getogen, vijf hunner, waaronder de voormalige bediende van Grant, hadden den dood op het slagveld gevonden. Latere tijdingen meldden ons, hoe de zaak zich had toegedragen. De Arabieren hadden zich, na korten tegenstand, al spoedig van Voeïlyankoeroe meester gemaakt. Zij waren reeds op den terugtocht, honderd olifantstanden, twee- à driehonderd slaven en zestig balen katoen als buit medevoerende, toen Mirambo en zijne krijgslieden, in het hooge gras weggedoken, plotseling waren opgerezen, en de verraste, met hun buit beladen, soldaten met een regen van kogels en pijlen hadden begroet. De dappere Saoud had twee hunner aanvallers in het zand doen tuimelen; hij was juist bezig zijn geweer voor de derde maal te laden, toen een werpspies hem doorboorde. Al zijne vrienden ondergingen hetzelfde lot.
Den volgenden morgen sprak men over den terugtocht; ik liet aan de Arabieren zeggen, dat zij daardoor Mirambo gelegenheid zouden geven, hen in hun eigen land aan te vallen; dat onze strijdkrachten nog ruim voldoende waren, en dat de oorlog moest worden voortgezet; maar de koorts dwong mij op mijn leger te blijven, en beroofde mij weldra van alle bewustzijn. In den namiddag kwam mijn bediende Selim mij wekken: “Sta op, mijnheer,” zeide hij, “zij vluchten allen!”—Ik sleepte mij met moeite naar de deur, en zag een Arabier, die doodelijk ontsteld, mij toeriep: “Haast u! Mirambo is in aantocht!”
Zij waren inderdaad allen gevloden. Van mijne manschappen waren er slechts zeven bij mij gebleven: al de anderen waren verdwenen. Ik zette mij op mijn ezel, en draafde heen. Zoodra ik de Arabieren wederzag, verweet ik hun hun lafhartig gedrag, en kondigde hen tevens aan, dat ik verder geene gemeene zaak meer met hen maken kon, maar mijne reis zou vervolgen.
Doch welken weg moest ik inslaan? De gewone weg was door den oorlog afgesloten. Noordwaarts omtrekken? Daar viel niet aan te denken: daar woonden de Voeasoehi, en de Voeatoeta, bekend vanwege hunne roofzucht en bondgenooten van Mirambo. De zuidelijke richting was verkieselijker; maar weinig lieden kenden dien weg, en de weinigen, die er mede bekend waren, wezen op het gebrek aan water en op de vijandelijke Voeazavira, door wier land deze weg voerde.—Maar eer ik mijne keus op dezen of eenigen anderen weg vestigen kon, moest ik nieuwe dragers vinden: want mijne tegenwoordige pagazis beschouwden hun diensttijd als geëindigd, en de dood van vijf hunner had hun ijver merkelijk doen bekoelen. Mijn toestand was inderdaad moeilijk geworden, want de Voeanyamoeësi willen in oorlogstijd nooit op reis gaan. Toch wilde ik de zaak nog niet opgeven: te minder daar ik begreep, dat indien Livingstone zich nog in Oedsjidsji bevond, hij dat land evenmin kon verlaten als ik Oenyanyembi: de oorlog sneed hem den weg naar Zanzibar af; gebrek aan beschikbare middelen moest hem beletten den Nijl af te zakken. Men had mij bericht, dat Livingstone, bij het oversteken van het meer Liemba, door het omslaan van een zijner booten, zijn ganschen voorraad katoen verloren had. De koopwaren, die men hem sedert gezonden had, waren nog altijd onderweg met mijne eigene bagage: het moest hem dus aan alles ontbreken.
Den 13denAugustus kreeg ik bericht dat Farquhar overleden was, even als de bediende, dien ik bij hem gelaten had om hem op te passen. Hij was de eerste van ons drieën, die weggenomen werd: wie zou nu volgen?
De oorlog woedde nog altijd voort, hoewel de Arabieren meer praatten dan handelden. Den 22stenwerden wij des morgens plotseling verrast door kanongebulder in de richting van Tabora. Wij spoedden ons naar de deur: het schieten hield nog steeds aan. Mirambo had, met tweeduizend man, Tabora van de eene zijde aangetast; terwijl een duizendtal Voeatoeta, door de hoop op buit aangelokt, de stad op andere punten bestormden. Tegen den middag kwamen gansche scharen van vluchtelingen naar Koeïhara, en brachten ons de tijding dat vijf der voornaamste Arabieren gedood waren, en daaronder de dappere Khamis. Tabora was een prooi der vlammen geworden; de inwoners verspreidden zich naar alle kanten.
Ik liet in de dikke muren van onzen tembé behoorlijke schietgaten boren, en alles in orde brengen voor mogelijken tegenweer. Dit gaf mijnen lieden nieuwen moed; onderscheidene inboorlingen meldden zich aan om ons te helpen; en des avonds had ik honderd-vijftig man bijeen, die ik op de verschillende punten verdeelde, waar een aanval te duchten was. Maar ook de volgende dag ging voorbij, zonder dat wij iets van Mirambo gewaar werden; hij was naar Kazima getrokken, een vlek twee mijlen ten noordwesten van Tabora gelegen. Den 27stentrokken de Arabieren op, om het dorp aan te vallen; toen zij er kwamen, was Mirambo reeds weder vertrokken. Zij bleven praten en redeneeren, en opperden reeds het denkbeeld om naar Zanzibar terug te keeren, daar het land nu toch verwoest was.
Daar het onmogelijk was Voeanyamoeësi in mijne dienst te krijgen, huurde ik renegaten van Zanzibar, tegen driemaal het gewone loon. Maar ik had niet genoeg soldaten, en ik zag geen kans er meer aan te werven: want niemand toont hier den minsten lust om iets te doen of te ondernemen. Shaw deed niets meer: hij zat letterlijk roerloos, als een beeld, onbestemd voor zich heen te staren, zonder een hand uit testeken. Ik bad en smeekte en dreigde en vleide: niets hielp, hij bleef in dezelfde werkeloosheid verzonken. En toch was hij eens zoo vlug en zoo handig, en in alles de eerste geweest! Bovendien slonk het getal mijner oude soldaten: de een was blind geworden; een ander leed aan eene afschuwelijke wond. Den 4denSeptember stierf Barati aan de pokken: hij was het zevende slachtoffer na ons vertrek van Zanzibar.
Den 15denSeptember was mijne karavaan eindelijk voltallig: sedert mijne komst in Oenyanyembi waren juist drie maanden verloopen. In de hoop dat onze marsch daardoor zou worden versneld, had ik de vracht van ieder man tot op vijftig pond verminderd. Te Koeïhara liet ik de goederen achter, die ik eerst op onze terugreis zou noodig hebben; en alle toebereidselen volbracht hebbende, gaf ik mijn manschappen een paar dagen vrij, om zich met hunne vrienden en bloedverwanten op mijne kosten te onthalen.
Den 20stenSeptember vertrokken wij. Onze karavaan bestond uit vier-en-vijftig personen: dragers, soldaten en anderen. Het had moeite gekost ze bijeen te krijgen, en niet minder moeite hen zoover te brengen, dat zij voor de reis gereed waren: maar eindelijk waren wij dan toch op weg. Vier dagen later, na een tocht door eene fraaie, heuvelachtige streek, kwamen wij te Kigandoe, waar wij onzen intrek namen in een oud, verlaten kamp. Bij den ingang der palissade, liet Shaw, die de gansche reis over geklaagd had, zich op den grond nedervallen, en bleef onbewegelijk zitten. Toen ik hem aansprak, antwoordde hij schreiende, dat hij naar Koeïhara wilde terugkeeren. Ik trachtte hem van dat denkbeeld terug te brengen; ik wees er op dat hij daar niemand zou vinden om hem op te passen: niets mocht baten. Ik liet eenige levensmiddelen en een draagbaar voor hem gereed maken, en huurde in het dorp vier krachtige mannen om hem te vervoeren. Den volgenden morgen sloeg hij den weg in naar het noorden, terwijl ik mij zuidwaarts richtte.
Wij beklommen eene hoogte, met reusachtige blokken van syeniet bezaaid, die hoog boven het lage hout uitstaken. Vandaar overzagen wij een landschap, dat voor ons niets verrassends had. Het grenzenlooze woud strekte zich voor onze blikken uit; met bosch bedekte heuvelreeksen verhieven zich in onafzienbare lijnen boven en achter elkander, allengs wegsmeltende in de doorgloeide, trillende atmosfeer, die, op zekeren afstand, alle voorwerpen als met een blauwachtigen sluier omhulde. Dagen en weken achtereen ging onze tocht nu door eene eindelooze opeenvolging van wouden, hier en daar afgebroken door enkele dorpen, verloren te midden dezer groene wildernis; afgebroken ook nu en dan door lage, moerassige gronden, met hooge jungles bedekt: kweekplaatsen van de koorts.
Het was een treurige, moeilijke tocht. Mijn volk, door vermoeienis uitgeput, dreigde zelfs een enkele maal in openbaar verzet te komen, en werd alleen door mijne kalmte en tegenwoordigheid van geest in bedwang gehouden. Selim, mijn getrouwe Selim, die mij van Jeruzalem had vergezeld, en mij de uitnemendste diensten bewezen, werd zoo ziek, dat wij in een der dorpen eenige dagen halt moesten houden, om hem althans eenigszins tot zijne krachten te laten komen. Daar kwam bij, dat overal in de omliggende streek, de stammen met elkander in oorlog waren, waardoor onze reis zeer werd bemoeielijkt, en wij telkens van den naasten weg moesten afwijken.
In de eerste dagen van November bereikten wij de oevers van den Malagarazi, die zijne wateren in het meer Tanganjika uitstort. Daar ontmoetten wij eene kleine karavaan, die uit Oedsjidsji kwam, en ons belangrijke tijdingen bracht. “Een moussoungou is van Manyema gekomen.—Een blanke?—Ja.—Hoe is hij gekleed?—Zooals gij.—Is hij jong?—Neen, het is een oud man, met een grijzen baard.—Is hij nog te Oedsjidsji?—Geen acht dagen geleden hebben wij hem daar nog gezien.—”—Hoezee, dat was Livingstone! Nu haastig vooruit, anders mocht hij ons ontsnappen! Ik beloof mijn manschappen ieder acht ellen katoen, indien zij, zonder verder halt te houden, naar Oedsjidsji zullen doormarscheeren. Allen namen mijn aanbod aan; zij waren bijna even verheugd als ik zelf.
Zanzibar. (Zie bladz. 110.)Zanzibar. (Zie bladz.110.)
Zanzibar. (Zie bladz. 110.)
Zanzibar. (Zie bladz.110.)
Aanstonds hervatten wij den tocht. Toch hadden wij nog met tegenspoed te worstelen. Wij moesten, alvorens Oedsjidsji te bereiken, door Oehha trekken, en den doortocht door dat land moesten wij van de schraapzuchtige en bedriegelijke hoofden koopen door het betalen van buitensporige schattingen, waaraan ik mij zeker niet zou onderworpen hebben, ware het niet geweest dat elke bedenking moest wijken voor de vurige begeerte om zoo spoedig mogelijk de lang gewenschte plaats onzer bestemming, het einddoel onzer reis, te bereiken.
Eindelijk, na een nachtelijken tocht om ons aan verdere afzetterijen te onttrekken, kwamen wij te Nyantaga, het eerste dorp in Oedsjidsji, waar wij met groote vriendelijkheid ontvangen werden. Wij slaan ons kamp op. “Haal mijne nieuwe kleederen uit den koffer,” zeg ik tegen Selim, “opdat ik in behoorlijk gewaad kunne verschijnen voor den man, dien wij morgen zullen zien.”
Eene ontmoeting met de bijen.Eene ontmoeting met de bijen.
Eene ontmoeting met de bijen.
Eene ontmoeting met de bijen.
Het is den 10denNovember 1871, de tweehonderd-zes-en-dertigste dag sedert ons vertrek van de kust: wij hebben een marsch van zes uur voor ons, eer wij Oedsjidsji zullen bereiken. Het is prachtig weer: een heerlijke morgen; eene frissche lucht; een heldere hemel; een fraai landschap. Wij allen gevoelen ons zoo opgewekt, zoo welgemoed, als op den morgen—hoe lang is dat al geleden!—toen wij van Zanzibar opbraken.
“Voorwaarts, kameraden!”—“Ja, bij Allah! meester!” en wij gaan snel vooruit. Met fikschen stap vervolgen wij onzen weg, heuvel op, heuvel af, twee, drie uren achtereen. Eindelijk, na een hoogen, steilen heuvel bestegen te hebben, wat schemert daar in de verte? “Hoezee, Tanganjika!” Daar ligt het voor ons, in al zijne uitgestrektheid, het groote meer, schitterende als een metalen spiegel, met zijn krans van groenende bergen.—Haastig dalen wij den heuvel af, en bereiken omstreeks elf uur in den voormiddag den zoom der rivier Lioeké, die in het meer uitloopt. Wij doorwaden den stroom, en bevinden ons nu te midden van een weelderig landschap, een groot park, vol bosschages en tuinen, waartusschen een aantal dorpjes verscholen liggen. Nog een steilen rotsachtigen heuvel, den laatsten, bestegen, en aan onze voeten ligt het dorp Oedsjidsji, aan den oever van het meer.
“Ontplooi de vlag, en laadt uwe geweren!—Een, twee, drie!”—Een salvo uit meer dan vijftig geweren begroet het vlek, waar zich de man bevond, dien wij zochten. De salvo’s werden een en andermaal herhaald, om de aankomst eener karavaan te melden; en de dorpelingen kwamen weldra in grooten getale toeloopen. Spoedig zagen wij ons door eene dichte menigte omgeven: Zanzibariten, inboorlingen en Arabieren roepen ons het welkom toe. Te midden der luide kreten vanYambo bana!die ons van alle kanten tegenklinken, hoor ik eensklaps aan mijne rechterhand de bekende woorden: “Good morning sir.”—Ik keer haastig het hoofd om, om te zien wie daar gesproken heeft; en ik ontdek een vroolijk lachend, maar pikzwart gezicht, gedekt door een katoenen tulband.
“Wie duivel zijt gij?” vraag ik.
“Souzi, de bediende van Livingstone,” antwoordt hij lachende, zoodat zijne witte tanden mij tegen blinken.
“Is de doctor hier?”
“Ja, mijnheer.”
“Weet ge dat wel zeker?”
“Ik heb hem zooeven verlaten.”
“Good morning sir,” zegt nu eene andere stem.
“Nog al een!” roep ik verbaasd uit.
“Ja, mijnheer.”
“Uw naam?”
“Ik heet Shoumah.”
“De vriend van Vouékotani, die met Livingstone vertrokken was?”
“Ja, mijnheer.”
“Maakt de doctor het goed?”
“Neen, mijnheer.”
“Nu, Souzi, ga uw meester bericht geven van mijne aankomst.”
Souzi verdwijnt als een pijl van den boog, maar komt weldra terug om mijn naam te vragen. De doctor, die hem niet had willen gelooven, had hem daarnaar gevraagd, en hij had geen antwoord kunnen geven. Maar inmiddels had zich reeds het gerucht verspreid dat de karavaan van een blanke was aangekomen; de voornaamste Arabieren hadden zich voor de woning van Livingstone vereenigd, en deze had zich bij hen gevoegd om te vernemen wat er gaande was. De karavaan hield stil. “Ik zie den doctor,” zeide Selim tot mij; “hij is zeer oud.”
Wat had ik niet willen geven voor een afgezonderd plekje, om aan de aandoeningen, die mij overstelpten den vrijen teugel te kunnen vieren! Maar hoewel mijn hart hoorbaar bonsde, moest ik toch, om mijner waardigheids wille, zorgen, dat geen enkele trek op mijn gelaat mijne innerlijke ontroering verried. Ik hield mij dan zoo kalm mogelijk, en trad tusschen twee rijen nieuwsgierigen, naar de in een halven kring geschaarde Arabieren, in wier midden de man met den grijzen baard stond. Terwijl ik langzaam voortschreed, trof mij zijne bleekheid en de vermoeide uitdrukking van zijn gelaat. Hij droeg een grijzen pantalon, een kort rood jasje en een blauwen pet met verschoten gouden band. Ik had naar hem toe willen vliegen, maar moest mij bedwingen om de schare. Ik had hem willen omhelzen: maar hij was een Engelschman, en ik wist niet hoe ik ontvangen zou worden. Ik handelde dus naar de ingevingen van valsche schaamte en verkeerd geplaatsten hoogmoed: ik trad langzaam vooruit, nam mijn hoed af, en sprak: “Doctor Livingstone, naar ik meen?”
“Ja,” antwoordde hij, zijn pet afnemende, met een vriendelijken lach. Wij dekten ons weder, en drukten elkander de hand.
“Ik dank God,” hernam ik met luider stem, “dat Hij mij vergund heeft, u hier te ontmoeten.”
“Het doet mij genoegen,” sprak hij, “hier te zijn, om u te kunnen ontvangen.”
Ik groette daarna de Arabieren, die de doctor mij nu allen bij name voorstelde. Toen vergat ik de omstanders, mijn reisgezelschap en alles, en volgde Livingstone. Hij geleidde mij onder zijne veranda en deed mij nevens hem nederzitten. Ons gesprek begon. Wat wij spraken?—ik weet het niet. Stellig begonnen wij elkander wederkeerig te ondervragen: maar noch van zijne antwoorden, noch van de mijne weet ik mij iets te herinneren: de indruk van het oogenblik had mij geheel overweldigd. Ik kon den blik niet van dien merkwaardigen man afwenden: iedere trek van dat bleeke, vermoeide gelaat, waarop eene gansche geschiedenis te lezen stond, prentte zich onuitwischbaar diep in mijn gemoed. Tegelijkertijd luisterde ik naar zijne mededeelingen. Hij had zooveel te vertellen, dat hij met het laatste begon, niet bedenkende dat hij verslag had te doen over vijf of zes jaar. Maar gaandeweg breidde het verhaal zich uit, en de gansche wondervolle geschiedenis ontrolde zich voor mijn oog.
De Arabieren verlieten ons: met fijnen takt begrepen zij, dat wij behoefte hadden alleen te zijn. Ik zond Bombay tot hen, om hun de nieuwstijdingen mede te deelen, waarbij zij rechtstreeksch belang hadden; ik beval dat mijne manschappen van het noodige zouden worden voorzien; toen riep ik Kaïf-Halek, een der soldaten van de karavaan van Livingstone, dien ik van Koeïhara had medegenomen, opdat hij zelf de depêches zou overgeven, die hem waren toevertrouwd.
Livingstone nam den zak, die reeds meer dan een jaar geleden van Zanzibar was verzonden. Hij zag de brieven na, die er in waren, en opende er twee, door zijne kinderen geschreven; zijn gelaat helderde op. Toen hij ze gelezen had, vroeg hij mij naar berichten.
“Uw brieven gaan voor, doctor; gij moet wel verlangend wezen ze te lezen.”
“Och,” hernam hij, “ik heb jaren lang op brieven gewacht; ik kan best nog wat geduld oefenen. Verhaal mij nu eens, wat er alzoo in de wereld is gebeurd.”
“Weet ge dat het kanaal van Suez is geopend, en daardoor een geregelde stoomvaart bestaat tusschen Europa en Azië?”
“Ik wist niet dat het kanaal voltooid was; dat is belangrijk nieuws; en wat verder?”
Ik had groote dingen te vertellen: er was zooveel en zooveel wonderlijks gebeurd in de laatste jaren! De spoorweg naar den Stillen-Oceaan, de opstand op Kreta, de omwenteling in Spanje, de moord van Prim, de oorlog tegen Denemarken met zijne onberekenbare gevolgen, Sadowa en de vestiging van den noord-duitschen bond; dan de oorlog met Frankrijk, het pruissische leger te Parijs, Napoleon op Wilhelmshöhe, Frankrijk overwonnen en aan de uiterste verwarring ten prooi!..... Wat overstelpende reeks van aangrijpende gebeurtenissen voor iemand, die zoo pas de ongerepte wouden van Manyema verlaten heeft! Met ingespannen aandacht luisterde Livingstone naar mijn verhaal; blijkbaar doorleefde hij in zijne gedachten deze ontzaglijke episode in het groote drama der wereldgeschiedenis.
Korten tijd nadat zij ons verlaten hadden, zonden de Arabieren ons hunne geschenken, en wel in den vorm van spijzen: vleeschpasteitjes, kippen, rijst, vruchten en zoo voorts. De gaven waren ons welkom. Ik had een kolossalen eetlust, nu nog door de vermoeienissen der reis geprikkeld: het was dus niet meer dan natuurlijk dat ik mij te goed deed. Maar ook Livingstone, die zich beklaagd had dat hij allen eetlust had verloren en slechts van tijd tot tijd een kop thee kon gebruiken, at, tot mijne groote voldoening, zoogoed als de beste.—“Gauw, Selim, ga de flesch halen: ge weet wel welke. En breng meteen de zilveren bekers mede.”—Selim kwam weldra terug met een flesch Silléry, die ik voor deze gelegenheid had medegebracht. Ik vulde den beker van Livingstone tot den rand, en goot in den mijne iets van den tintelenden, opwekkenden wijn.
“Op uwe gezondheid, doctor!”
“Op de uwe, mijnheer Stanley!”
Zelden werden bij de champagne hartelijker gemeendetoasten uitgebracht. En voortdurend droeg men nieuwe schotels aan, en wij bleven maar eten. Halimah, de huishoudster van den doctor, was buiten zich zelf van verbazing. Elk oogenblik stak zij haar hoofd buiten de keuken om haar heer te zien eten. Zij kon er niet van zwijgen, en vertelde dit ongehoorde feit aan allen die het maar wilden hooren. Terwijl de trouwe ziel dus aan hare vreugde lucht gaf, weidde de doctor uit over hare goede en belangelooze diensten: hij verhaalde mij, hoe de tijding dat er een karavaan van een blanke was aangekomen haar had ontsteld, en hoe zij het onmogelijke had beproefd om althans een eenigszins voldoenden maaltijd te bereiden: “Want, meester, het is toch een der onzen.” Dan hare vreugde toen zij mijne dragers gewaar werd: “Een rijk man, mijnheer. Spreek mij niet van die Arabieren! Wat zijn zij, vergeleken met de blanken!”
“Wie kon die rijke man zijn”, vervolgde Livingstone: “ik was zeer benieuwd dit te weten. Eerst dacht ik dat het een Franschman zou zijn, door zijne regeering gezonden ter vervanging van den luitenant Le Saint. Maar de vlag der Vereenigde-Staten hielp mij uit den droom; en dit deed mij genoegen, want ik zou den Franschman niet in zijne taal hebben kunnen aanspreken, en als hij geen engelsch had verstaan, zouden wij een dwaas figuur hebben gemaakt; want tolken staan hier niet tot onze dienst.”
Deze gelukkige dag ging, als ieder ander, ten einde. Al pratende, zagen wij de avondschemering de palmbosschen omhullen en langzaam opstijgen tegen de berghellingen, die welhaast onzichtbaar werden. Met een van dankbaarheid overvloeiend hart zagen wij de sterren flikkeren aan den helderen hemel en luisterden naar het kabbelen der golven van het groote meer....
“Maar, doctor,” zeide ik, “denk aan uwe brieven.”
“Dat is waar,” antwoordde hij: “ik ga ze lezen. Het is laat geworden; goeden nacht. God zegene u.”
Met welke gewaarwordingen ontwaakte ik den volgenden morgen. Bevond ik mij werkelijk in eene kamer, in een bed? Eene eenvoudige legerstede, wel is waar: vier houten planken, palmbladen, een met haar gevulde zak en mijn beerevel; maar toch is het een bed. In waarheid, ik heb Livingstone gevonden en ben in zijn huis.
Wat zullen wij nu doen? Ik zal hem mededeelen wie mij gezonden heeft, en waarom ik gekomen ben; want dat weet hij nog niet. Dan zal ik hem verzoeken, aan den heer Bennett te schrijven, al was het maar alleen om te bewijzen, dat ik hem ontmoet heb. Zal hij dat doen? Waarom niet? Hij is volstrekt niet de sombere, menschenschuwe man, dien men van hem gemaakt heeft. In weerwil van mijne koele begroeting en van zijn lakoniek antwoord, heeft hij mij toch met aandoening de hand gedrukt.
Ik kleedde mij stil aan, om, in afwachting dat mijn gastheer zou ontwaken, langs het meer te gaan wandelen. De deur mijner kamer knarst afschuwelijk; ik treed in de veranda.—“Hoe nu, doctor, reeds op?”
“Goeden morgen, mijnheer Stanley; ik hoop dat gij goed geslapen hebt? Ik ben eerst laat naar bed gegaan; ik heb al mijne brieven gelezen. Gij hebt mij goede en slechte tijdingen gebracht. Maar ga zitten.”
Ik nam plaats aan zijne zijde. Hij scheen volstrekt niet van plan, zich uit de voeten te maken, waarvoor ik den ganschen weg over gevreesd had.—“Nu zult ge wel willen weten, zeide ik, waarom ik eigenlijk hier ben.”
“Ja, gaarne,” antwoordde hij.
“Wel nu—schrik niet, doctor—ik zocht u op.”
“Mij?”
“Ja u. Kent gij deNew-York Herald?”—En nu vertelde ik hem welke zending mij was opgedragen.
“Ik ben den heer Bennett zeer dankbaar,” zeide Livingstone; “ik ben er waarlijk trotsch op, dat gij, Amerikanen, zooveel belang in mij stelt.”
Kalm en rustig gingen nu de dagen voorbij. Mijn vriend nam telkens in beterschap toe, en naarmate zijne krachten bijkwamen, herleefde ook weder de lust naar werkzaamheid en beweging; maar wat kon hij uitrichten met vijf manschappen en dertig of veertig el katoen?
“Kent gij de landstreek ten noorden van het meer?” vroeg ik hem op zekeren avond.
“Neen,” antwoordde hij; “ik heb getracht daarheen te gaan; maar de Vouadsjidsji hebben mij op dezelfde manier als Burton en Speke willen behandelen, dat wil zeggen mij zooveel mogelijk afzetten; en ik was niet rijk. Als ik die reis gemaakt had, zou ik niet naar Manyema hebben kunnen gaan, dat toch van veelmeer belang was. Toch houd ik het er voor, dat een rivier, van dit meer, dat ik de Boven-Tanganjika noem, uitgaande, zich in de Albert-Nyanza, die dan de Beneden-Tanganjika zou zijn, uitstort. Deze meening berust op de berichten der Arabieren en op de waarnemingen, die ik, met behulp van waterplanten, omtrent den stroom gemaakt heb. Toch, om tot zekerheid te komen zijn er meer waarnemingen en studiën noodig.”
“In uwe plaats,” hernam ik, “zou ik Oedsjidsji niet willen verlaten, alvorens ik daaromtrent zekerheid had verkregen. De geographische Maatschappij te Londen stelt groot belang in de oplossing dezer vraag. Indien ik u in dit opzicht van eenige dienst kan zijn, hebt ge slechts te spreken. Ik zou gaarne de bestaande onzekerheid zien opgeheven, en ben volgaarne bereid met u te gaan. Ik heb twintig man bij mij, die zeer goed kunnen roeien. Wij hebben geweren, katoen, koralen; zoo gij van de Arabieren eene boot kunt krijgen, is de zaak gevonden.”
“Wij zullen er een krijgen,” antwoordde de doctor, “een van Seïd-ben-Medjid, die altijd hoogst welwillend en dienstvaardig voor mij geweest is, en zich een echt gentleman heeft getoond.”
“Wij zullen dus den tocht ondernemen?”
“Wanneer gij maar wilt.”
“Ik ben geheel tot uwe dienst; aan u, den tijd te bepalen.”
Van dat oogenblik kende ik Livingstone geheel. Trouwens, het is onmogelijk eenigen tijd met hem samen te zijn, zonder hem te leeren kennen; want alle veinzerij en gemaaktheid is hem vreemd: zooals hij zich voordoet, zoo is hij ook inderdaad. Ik beschrijf hem, zooals ik hem gezien heb; het portret, dat menmij van hem had opgehangen, kwam volstrekt niet met het origineel overeen. Van den 10denNovember 1871 tot den 14denMaart 1872 ben ik onafgebroken bij hem geweest; ik heb hem in al zijne gedragingen nauwkeurig gadegeslagen, zoowel in het kamp als op reis: en mijne bewondering voor hem is er slechts te grooter om geworden. En nu is er geen beter gelegenheid om iemand in den grond te leeren kennen, dan het kamp van den zwervenden voetreiziger; nergens zullen de zwakke zijden van iemands karakter, zijne luimen en grillen, zijne eigenaardige hebbelijkheden sterker uitkomen, dan juist daar. Die deze proef doorstaat, heeft zijne innerlijke gehalte bewezen.