ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.DE VISCHVANGST.Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij kaarslicht op, waarbij Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn tijd om de vischsnoeren klaar te maken en van lood en haken te voorzien. Eindelijk had hij er twee gereed.„Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?”„Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het strand liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen kan.”„En waar ergens zullen wij visschen, Flink?”„De beste plaats zal wel ginds, ver aan ’t uiterste van de landpunt zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is daar diep tot aan de rotsen.”„Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en fregatvogels ook goed om te eten zouden zijn.”„Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een sterken vischsmaak. Alleen in ’t geval, dat wij niets beters krijgen kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad en de aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met alle macht aan ’t vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw vader en ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en gij kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek brengen, waar ons huis zal staan. Maar ’t is al laat, en wij zullen ’t best doen nu naar bed te gaan.”Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist, dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat hij slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte hij bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust was. Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep naar het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen twee steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. ’t Was een heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de stralen der maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem wierp zijn snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok hij het omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden stuurman gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het water, of daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo’n ruk niet bedacht, bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in het water was gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de lijn slipte hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje kreeg hij die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een groote visch met zilveren schubben, van althans negen of tien pond zwaar, was zijn eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land had, dat die niet meer in het water kon springen, maakte Willem den visch van den hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te beproeven. Zijne lijn was ditmaal niet langer dan de eerste maalin het water, toen er weer met geweld aan getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht, vierde de lijn en liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd; waarop hij hem zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte, dat deze nog zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden, wond hij de lijn weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen en sleepte ze zoo naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing, opdat de honden er niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij gerust in slaap. Den volgenden morgen was Willem ook weer de eerste, die opstond en met luid gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude Flink schudde daarover tegen verwachting verdrietig het hoofd.„Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem,” zeide hij, „met u buiten mijn weten aan een zoo groot gevaar bloot te stellen. Als gij besloten hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij daar dan niet iets van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt zelf, dat de visch u bijna in ’t water had getrokken. Verbeeld u nu eens, dat dat werkelijk gebeurd was; dan waart gij verloren geweest, want de rotsen zijn zoo hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen klauteren, voordat een haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik het verdriet voor, dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben, veroorzaakt zoudt hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling uwer arme moeder, als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden of te zien geweest waart.”„Ik begrijp ’t nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink; maar ik wilde mijne goede moeder zoo graag eens verrassen.”„Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te vergeven; maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid en gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want nu is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet het een oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje hard beknort.”„Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik weet immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt niet dat er eenig gevaar aan verbonden was.”„Daar komt uwe moeder uit hare tent,” zeide Flink. „Goeden morgen mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat Willem van nacht voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen van visschen, waaraan wij heerlijk smullen zullen—dat verzeker ik u.”„O, daar ben ik recht blij mee!” riep mevrouw Wilson. „Thomas, kom toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken visch?”„O, die lust ik zoo graag!” zei Thomas.„Kijk dan eens daar aan den tentstaak.”Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in het rond en hield niet op te roepen: „We eten gebakken visch van middag,—Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar lusten.”Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast, die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het huis zou worden gebouwd.Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had, behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken, maar was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei: „Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek eten moogt ge u hier niet.”In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe doodmoe zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden. Het verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag werd weder in rust doorgebracht, ’s Maandagsnachts vingen zij weder negen schildpadden en drie zware visschen en ’s morgens daarop sloeg men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe woning.

ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.DE VISCHVANGST.Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij kaarslicht op, waarbij Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn tijd om de vischsnoeren klaar te maken en van lood en haken te voorzien. Eindelijk had hij er twee gereed.„Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?”„Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het strand liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen kan.”„En waar ergens zullen wij visschen, Flink?”„De beste plaats zal wel ginds, ver aan ’t uiterste van de landpunt zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is daar diep tot aan de rotsen.”„Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en fregatvogels ook goed om te eten zouden zijn.”„Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een sterken vischsmaak. Alleen in ’t geval, dat wij niets beters krijgen kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad en de aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met alle macht aan ’t vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw vader en ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en gij kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek brengen, waar ons huis zal staan. Maar ’t is al laat, en wij zullen ’t best doen nu naar bed te gaan.”Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist, dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat hij slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte hij bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust was. Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep naar het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen twee steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. ’t Was een heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de stralen der maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem wierp zijn snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok hij het omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden stuurman gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het water, of daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo’n ruk niet bedacht, bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in het water was gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de lijn slipte hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje kreeg hij die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een groote visch met zilveren schubben, van althans negen of tien pond zwaar, was zijn eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land had, dat die niet meer in het water kon springen, maakte Willem den visch van den hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te beproeven. Zijne lijn was ditmaal niet langer dan de eerste maalin het water, toen er weer met geweld aan getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht, vierde de lijn en liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd; waarop hij hem zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte, dat deze nog zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden, wond hij de lijn weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen en sleepte ze zoo naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing, opdat de honden er niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij gerust in slaap. Den volgenden morgen was Willem ook weer de eerste, die opstond en met luid gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude Flink schudde daarover tegen verwachting verdrietig het hoofd.„Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem,” zeide hij, „met u buiten mijn weten aan een zoo groot gevaar bloot te stellen. Als gij besloten hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij daar dan niet iets van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt zelf, dat de visch u bijna in ’t water had getrokken. Verbeeld u nu eens, dat dat werkelijk gebeurd was; dan waart gij verloren geweest, want de rotsen zijn zoo hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen klauteren, voordat een haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik het verdriet voor, dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben, veroorzaakt zoudt hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling uwer arme moeder, als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden of te zien geweest waart.”„Ik begrijp ’t nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink; maar ik wilde mijne goede moeder zoo graag eens verrassen.”„Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te vergeven; maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid en gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want nu is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet het een oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje hard beknort.”„Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik weet immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt niet dat er eenig gevaar aan verbonden was.”„Daar komt uwe moeder uit hare tent,” zeide Flink. „Goeden morgen mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat Willem van nacht voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen van visschen, waaraan wij heerlijk smullen zullen—dat verzeker ik u.”„O, daar ben ik recht blij mee!” riep mevrouw Wilson. „Thomas, kom toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken visch?”„O, die lust ik zoo graag!” zei Thomas.„Kijk dan eens daar aan den tentstaak.”Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in het rond en hield niet op te roepen: „We eten gebakken visch van middag,—Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar lusten.”Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast, die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het huis zou worden gebouwd.Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had, behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken, maar was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei: „Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek eten moogt ge u hier niet.”In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe doodmoe zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden. Het verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag werd weder in rust doorgebracht, ’s Maandagsnachts vingen zij weder negen schildpadden en drie zware visschen en ’s morgens daarop sloeg men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe woning.

ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.DE VISCHVANGST.

Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij kaarslicht op, waarbij Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn tijd om de vischsnoeren klaar te maken en van lood en haken te voorzien. Eindelijk had hij er twee gereed.„Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?”„Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het strand liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen kan.”„En waar ergens zullen wij visschen, Flink?”„De beste plaats zal wel ginds, ver aan ’t uiterste van de landpunt zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is daar diep tot aan de rotsen.”„Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en fregatvogels ook goed om te eten zouden zijn.”„Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een sterken vischsmaak. Alleen in ’t geval, dat wij niets beters krijgen kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad en de aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met alle macht aan ’t vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw vader en ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en gij kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek brengen, waar ons huis zal staan. Maar ’t is al laat, en wij zullen ’t best doen nu naar bed te gaan.”Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist, dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat hij slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte hij bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust was. Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep naar het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen twee steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. ’t Was een heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de stralen der maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem wierp zijn snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok hij het omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden stuurman gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het water, of daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo’n ruk niet bedacht, bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in het water was gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de lijn slipte hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje kreeg hij die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een groote visch met zilveren schubben, van althans negen of tien pond zwaar, was zijn eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land had, dat die niet meer in het water kon springen, maakte Willem den visch van den hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te beproeven. Zijne lijn was ditmaal niet langer dan de eerste maalin het water, toen er weer met geweld aan getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht, vierde de lijn en liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd; waarop hij hem zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte, dat deze nog zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden, wond hij de lijn weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen en sleepte ze zoo naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing, opdat de honden er niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij gerust in slaap. Den volgenden morgen was Willem ook weer de eerste, die opstond en met luid gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude Flink schudde daarover tegen verwachting verdrietig het hoofd.„Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem,” zeide hij, „met u buiten mijn weten aan een zoo groot gevaar bloot te stellen. Als gij besloten hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij daar dan niet iets van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt zelf, dat de visch u bijna in ’t water had getrokken. Verbeeld u nu eens, dat dat werkelijk gebeurd was; dan waart gij verloren geweest, want de rotsen zijn zoo hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen klauteren, voordat een haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik het verdriet voor, dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben, veroorzaakt zoudt hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling uwer arme moeder, als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden of te zien geweest waart.”„Ik begrijp ’t nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink; maar ik wilde mijne goede moeder zoo graag eens verrassen.”„Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te vergeven; maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid en gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want nu is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet het een oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje hard beknort.”„Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik weet immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt niet dat er eenig gevaar aan verbonden was.”„Daar komt uwe moeder uit hare tent,” zeide Flink. „Goeden morgen mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat Willem van nacht voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen van visschen, waaraan wij heerlijk smullen zullen—dat verzeker ik u.”„O, daar ben ik recht blij mee!” riep mevrouw Wilson. „Thomas, kom toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken visch?”„O, die lust ik zoo graag!” zei Thomas.„Kijk dan eens daar aan den tentstaak.”Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in het rond en hield niet op te roepen: „We eten gebakken visch van middag,—Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar lusten.”Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast, die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het huis zou worden gebouwd.Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had, behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken, maar was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei: „Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek eten moogt ge u hier niet.”In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe doodmoe zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden. Het verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag werd weder in rust doorgebracht, ’s Maandagsnachts vingen zij weder negen schildpadden en drie zware visschen en ’s morgens daarop sloeg men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe woning.

Dien avond bleef Flink nog een paar uren bij kaarslicht op, waarbij Willem hem gezelschap hield, en besteedde zijn tijd om de vischsnoeren klaar te maken en van lood en haken te voorzien. Eindelijk had hij er twee gereed.

„Wat moeten wij tot aas nemen, Flink?”

„Wel liefst een van de schaaldieren, die in menigte op het strand liggen, ofschoon een stuk spek ons, denk ik, evengoed dienen kan.”

„En waar ergens zullen wij visschen, Flink?”

„De beste plaats zal wel ginds, ver aan ’t uiterste van de landpunt zijn, waar ik met de boot door de klippen kom. Het water is daar diep tot aan de rotsen.”

„Ik heb al eens gedacht, Flink, of die klipganzen en fregatvogels ook goed om te eten zouden zijn.”

„Niet heel best, vriend Willem. Zij zijn taai en hebben een sterken vischsmaak. Alleen in ’t geval, dat wij niets beters krijgen kunnen, willen wij er eens de proef van nemen. Nu wij het zaad en de aardappelen in den grond hebben, moeten wij van morgen af met alle macht aan ’t vellen en aanvoeren van boomstammen gaan. Uw vader en ik zullen, dunkt mij, het vlugst met de bijl kunnen omgaan, en gij kunt dan met Juno de stammen op onze kar laden en ze naar de plek brengen, waar ons huis zal staan. Maar ’t is al laat, en wij zullen ’t best doen nu naar bed te gaan.”

Onze Willem had echter in stilte een ander plan gemaakt. Hij wist, dat hij zijne moeder met wat visch zeer verblijden kon, en dus besloot hij bij den helderen maneschijn eens te beproeven, of hij, voordat hij slapen ging, nog niet een zootje vangen kon. Daartoe wachtte hij bedaard den tijd af, dat Flink even vast als de anderen in rust was. Toen sloop hij voetje voor voetje met zijn vischtuig weg en liep naar het strand, waar hij drie of vier schelpen opzocht en tusschen twee steenen openbrak, om de diertjes er uit als aas aan zijn haak te steken. Hierop ging hij eerst naar het hem aangewezen punt. ’t Was een heerlijke nacht; het water was glad als een spiegel en de stralen der maan drongen tot bijna op den grond er van door. Willem wierp zijn snoer uit, en zoodra het lood den grond geraakt had, trok hij het omtrent een voet in de hoogte, gelijk hem door den ouden stuurman gewezen was. Geen halve minuut was zijne lijn nog in het water, of daar werd zoo sterk aan getrokken, dat hij, op zoo’n ruk niet bedacht, bijna het evenwicht had verloren en hals over kop in het water was gebuiteld. De visch moest groot en sterk zijn, want de lijn slipte hem door de hand en sneed hem in den vinger. Na een poosje kreeg hij die echter weer goed vast, trok ze naar zich toe en een groote visch met zilveren schubben, van althans negen of tien pond zwaar, was zijn eerste vangst. Zoodra hij zijn buit zoover op het land had, dat die niet meer in het water kon springen, maakte Willem den visch van den hengel los en besloot nog eenmaal zijn geluk te beproeven. Zijne lijn was ditmaal niet langer dan de eerste maalin het water, toen er weer met geweld aan getrokken werd; doch nu was de knaap daarop bedacht, vierde de lijn en liet den visch daaraan spartelen, tot hij moe werd; waarop hij hem zonder veel moeite optrok en met blijdschap ontdekte, dat deze nog zwaarder dan de vorige was. Met zijne vangst tevreden, wond hij de lijn weder op, stak een touw door de kieuwen der visschen en sleepte ze zoo naar de tenten, waar hij ze aan de tentstang ophing, opdat de honden er niet bij zouden komen. Een kwartier later lag hij gerust in slaap. Den volgenden morgen was Willem ook weer de eerste, die opstond en met luid gejuich zijn buit vertoonde; maar de oude Flink schudde daarover tegen verwachting verdrietig het hoofd.

„Gij hebt zeer verkeerd gedaan, Willem,” zeide hij, „met u buiten mijn weten aan een zoo groot gevaar bloot te stellen. Als gij besloten hadt uit visschen te gaan, waarom hebt ge mij daar dan niet iets van gezegd? Ik zou dan meegegaan zijn. Gij zegt zelf, dat de visch u bijna in ’t water had getrokken. Verbeeld u nu eens, dat dat werkelijk gebeurd was; dan waart gij verloren geweest, want de rotsen zijn zoo hoog en steil, dat gij er niet uit hadt kunnen klauteren, voordat een haai u gepakt had. Stel u nu maar een oogenblik het verdriet voor, dat gij uw vader en allen, die u zoo liefhebben, veroorzaakt zoudt hebben. Verbeeld u de droefheid en de vertwijfeling uwer arme moeder, als ze dat bericht ontving en gij niet meer te vinden of te zien geweest waart.”

„Ik begrijp ’t nu wel, ik deed heel verkeerd, Flink; maar ik wilde mijne goede moeder zoo graag eens verrassen.”

„Dat is reden genoeg voor ons om u uwe onbedachtzaamheid te vergeven; maar doe het toch niet weer. Geloof mij, ik ben altijd bereid en gewillig om overal met u mee te gaan. En nu geen woord meer van de zaak. Niemand moet vernemen, in welk gevaar ge verkeerd hebt, want nu is alles toch gelukkig voorbij. En gij zelf, mijn jongen, moet het een oud man ook niet kwalijk nemen, dat hij u eens een beetje hard beknort.”

„Neen, waarlijk, Flink, dat komt niet in mijn hart op, want ik weet immers, dat ik onberaden gehandeld heb; maar ik dacht volstrekt niet dat er eenig gevaar aan verbonden was.”

„Daar komt uwe moeder uit hare tent,” zeide Flink. „Goeden morgen mevrouw! Wel gerust? Nu zult ge niet raden, wat Willem van nacht voor u gedaan heeft. Kijk hier, daar hangen twee bazen van visschen, waaraan wij heerlijk smullen zullen—dat verzeker ik u.”

„O, daar ben ik recht blij mee!” riep mevrouw Wilson. „Thomas, kom toch gauw eens hier! Hebt ge wel zin in gebakken visch?”

„O, die lust ik zoo graag!” zei Thomas.

„Kijk dan eens daar aan den tentstaak.”

Sinjeur Thomas klapte in den handen, danste als een dolleman in het rond en hield niet op te roepen: „We eten gebakken visch van middag,—Caroline, gebakken visch! Gebakken visch, zooveel we maar lusten.”

Na het ontbijt trokken allen naar het bosch, waar Flink de boomen gekapt had, en namen onderstel en raderen en een paar stevige touwen mede. De beide mannen velden de boomen en bonden ze aan de kar vast, die toen door Juno en Willem naar de plaats werd getrokken, waar het huis zou worden gebouwd.

Niemand keek zuur, toen zij tot den maaltijd geroepen werden, want allen hadden een zwaar en vermoeiend werk gehad. Alleen Thomas had, behalve tot allerlei kattekwaad, geen hand of vinger uitgestoken, maar was toch aan tafel zoo gulzig, dat zijne moeder ten laatste zei: „Neen, jongenlief; men bindt een zak wel eens toe, al is hij nog niet vol. De kat zal nu met uw leege maag niet wegloopen, en ziek eten moogt ge u hier niet.”

In den nacht, die hierop volgde, stapten Flink en Willem, hoe doodmoe zij ook waren, naar het strand en vingen nog acht schildpadden. Het verdere gedeelte van de week gingen zij voort met het omkappen en vervoeren van kokosboomen, totdat zij eindelijk genoeg meenden te hebben, om met het bouwen van het nieuwe huis te beginnen. De Zondag werd weder in rust doorgebracht, ’s Maandagsnachts vingen zij weder negen schildpadden en drie zware visschen en ’s morgens daarop sloeg men de eerste hand aan het zetten van de nieuwe woning.


Back to IndexNext