ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.VERHUIZING NAAR DE ZUIDKUST.Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te roeien en zwaar te werken bij de landing, voordat de verschillende voorwerpen aan den oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve hartelijk blij, toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij hun avondmaal genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste.Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij haaldeneerst de boot op het droge en begaven zich toen naar het woonhuis, waar zijallentot vertrekken gereed vonden.Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk en zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite hadden zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan kwam dus niet dan langzaam voorwaarts.Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het kokosbosch te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid. Eindelijk hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en zijne vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord.Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen, droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij uitstek fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare vermoeidheid uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in het weideland omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche voeder aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks van den verren weg vermoeid.Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem eenig brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar de putten, om water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte rondwandelde en de verschillende boomen en struiken onderzocht, die daar groeiden. Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur Thomas had zich op den grond neergezet en keek met groote oogen verbaasd in het rond.Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later stond Thomas op en volgde hem.De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den dag en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde.„Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt wezen,” mompelde Flink, de varkens naziende. „Het werd waarlijk tijd, dat wij den weg eens voor u afsloten.”De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de eerstemaal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het, zoodra hij maar weer op de been was, wakker op een loopen. De honden gingen achter de zwijnen aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten laatste zag men hen vermoeid en hijgend terug komen,—een bewijs, dat zij hunne vervolging een goed eind ver hadden voortgezet.Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning, om het huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar de zuidkust te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in huis stond bijeen,haaldengezouten vleesch en meel uit het magazijn en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno hen het meegebrachte naar de tenten hielp brengen.„Wat is dat hier een kostelijk verblijf!” riep mevrouw Wilson onwillekeurig uit. „Mij dunkt, wij moesten het altijd tot ons zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude huis terugkeeren.”„Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en aangenamer; maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch gedekt.”„Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor ons van veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer, want wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier genieten. Ik kan u verzekeren,Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het zou mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten.”„Ik heb van morgen ook zulke mooiepapegaaiengezien,” zeide de kleine Caroline. „Ik wou, dat er één van mij was.”„Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te krijgen; doch het is er thans nog te vroeg toe,” antwoordde Flink. „Nu moet ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden. Onze voorraadkamer dienen wij wel daar onder de banaanboomen te nemen.”„Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch niet leegzitten?” vroeg mijnheer Wilson.„Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij, maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten van binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij onder mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het omheinen van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet zoo te haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er zoo spoedig niet weer aanwagen zullen, daar ik plan heb onze honden ’s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal hun geblaf hen wel op een afstand houden.”„Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer onze schapen en geiten hier vinden.”„Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het droge jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven beginnen en Willem daarbij wijzen, hoe men destekkenvan de stekelbessen, waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al wat wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u vroeger te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?”„Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in zien eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad over te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet halen?”„Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met alle macht aan de versterking van het blokhuis.”

ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.VERHUIZING NAAR DE ZUIDKUST.Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te roeien en zwaar te werken bij de landing, voordat de verschillende voorwerpen aan den oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve hartelijk blij, toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij hun avondmaal genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste.Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij haaldeneerst de boot op het droge en begaven zich toen naar het woonhuis, waar zijallentot vertrekken gereed vonden.Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk en zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite hadden zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan kwam dus niet dan langzaam voorwaarts.Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het kokosbosch te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid. Eindelijk hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en zijne vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord.Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen, droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij uitstek fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare vermoeidheid uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in het weideland omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche voeder aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks van den verren weg vermoeid.Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem eenig brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar de putten, om water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte rondwandelde en de verschillende boomen en struiken onderzocht, die daar groeiden. Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur Thomas had zich op den grond neergezet en keek met groote oogen verbaasd in het rond.Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later stond Thomas op en volgde hem.De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den dag en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde.„Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt wezen,” mompelde Flink, de varkens naziende. „Het werd waarlijk tijd, dat wij den weg eens voor u afsloten.”De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de eerstemaal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het, zoodra hij maar weer op de been was, wakker op een loopen. De honden gingen achter de zwijnen aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten laatste zag men hen vermoeid en hijgend terug komen,—een bewijs, dat zij hunne vervolging een goed eind ver hadden voortgezet.Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning, om het huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar de zuidkust te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in huis stond bijeen,haaldengezouten vleesch en meel uit het magazijn en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno hen het meegebrachte naar de tenten hielp brengen.„Wat is dat hier een kostelijk verblijf!” riep mevrouw Wilson onwillekeurig uit. „Mij dunkt, wij moesten het altijd tot ons zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude huis terugkeeren.”„Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en aangenamer; maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch gedekt.”„Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor ons van veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer, want wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier genieten. Ik kan u verzekeren,Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het zou mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten.”„Ik heb van morgen ook zulke mooiepapegaaiengezien,” zeide de kleine Caroline. „Ik wou, dat er één van mij was.”„Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te krijgen; doch het is er thans nog te vroeg toe,” antwoordde Flink. „Nu moet ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden. Onze voorraadkamer dienen wij wel daar onder de banaanboomen te nemen.”„Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch niet leegzitten?” vroeg mijnheer Wilson.„Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij, maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten van binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij onder mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het omheinen van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet zoo te haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er zoo spoedig niet weer aanwagen zullen, daar ik plan heb onze honden ’s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal hun geblaf hen wel op een afstand houden.”„Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer onze schapen en geiten hier vinden.”„Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het droge jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven beginnen en Willem daarbij wijzen, hoe men destekkenvan de stekelbessen, waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al wat wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u vroeger te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?”„Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in zien eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad over te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet halen?”„Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met alle macht aan de versterking van het blokhuis.”

ACHT-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.VERHUIZING NAAR DE ZUIDKUST.

Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te roeien en zwaar te werken bij de landing, voordat de verschillende voorwerpen aan den oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve hartelijk blij, toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij hun avondmaal genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste.Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij haaldeneerst de boot op het droge en begaven zich toen naar het woonhuis, waar zijallentot vertrekken gereed vonden.Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk en zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite hadden zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan kwam dus niet dan langzaam voorwaarts.Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het kokosbosch te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid. Eindelijk hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en zijne vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord.Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen, droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij uitstek fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare vermoeidheid uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in het weideland omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche voeder aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks van den verren weg vermoeid.Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem eenig brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar de putten, om water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte rondwandelde en de verschillende boomen en struiken onderzocht, die daar groeiden. Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur Thomas had zich op den grond neergezet en keek met groote oogen verbaasd in het rond.Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later stond Thomas op en volgde hem.De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den dag en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde.„Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt wezen,” mompelde Flink, de varkens naziende. „Het werd waarlijk tijd, dat wij den weg eens voor u afsloten.”De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de eerstemaal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het, zoodra hij maar weer op de been was, wakker op een loopen. De honden gingen achter de zwijnen aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten laatste zag men hen vermoeid en hijgend terug komen,—een bewijs, dat zij hunne vervolging een goed eind ver hadden voortgezet.Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning, om het huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar de zuidkust te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in huis stond bijeen,haaldengezouten vleesch en meel uit het magazijn en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno hen het meegebrachte naar de tenten hielp brengen.„Wat is dat hier een kostelijk verblijf!” riep mevrouw Wilson onwillekeurig uit. „Mij dunkt, wij moesten het altijd tot ons zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude huis terugkeeren.”„Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en aangenamer; maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch gedekt.”„Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor ons van veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer, want wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier genieten. Ik kan u verzekeren,Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het zou mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten.”„Ik heb van morgen ook zulke mooiepapegaaiengezien,” zeide de kleine Caroline. „Ik wou, dat er één van mij was.”„Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te krijgen; doch het is er thans nog te vroeg toe,” antwoordde Flink. „Nu moet ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden. Onze voorraadkamer dienen wij wel daar onder de banaanboomen te nemen.”„Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch niet leegzitten?” vroeg mijnheer Wilson.„Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij, maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten van binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij onder mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het omheinen van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet zoo te haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er zoo spoedig niet weer aanwagen zullen, daar ik plan heb onze honden ’s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal hun geblaf hen wel op een afstand houden.”„Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer onze schapen en geiten hier vinden.”„Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het droge jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven beginnen en Willem daarbij wijzen, hoe men destekkenvan de stekelbessen, waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al wat wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u vroeger te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?”„Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in zien eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad over te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet halen?”„Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met alle macht aan de versterking van het blokhuis.”

Ditmaal was de boot zwaar bevracht en men had hard te roeien en zwaar te werken bij de landing, voordat de verschillende voorwerpen aan den oever gebracht waren. Willem en Flink waren derhalve hartelijk blij, toen eindelijk hun dagwerk ten einde was; en zoodra zij hun avondmaal genuttigd hadden, gingen zij dan ook ter ruste.

Met zonsopgang keerden zij in hunne boot naar de baai terug. Zij haaldeneerst de boot op het droge en begaven zich toen naar het woonhuis, waar zijallentot vertrekken gereed vonden.

Mijnheer Wilson had de dieren reeds bij elkaar gebracht, en dus brak men terstond op. De merken aan de boomen waren nog zeer duidelijk en zij konden hun weg gemakkelijk weervinden. Des te grooter moeite hadden zij echter met de schapen en geiten, en de kleine karavaan kwam dus niet dan langzaam voorwaarts.

Zij hadden drie volle uren noodig, om aan den zoom van het kokosbosch te komen, en mevrouw Wilson gevoelde zich uiterst vermoeid. Eindelijk hadden zij de nieuwe woonstede bereikt, en mijnheer Wilson en zijne vrouw uitten een kreet van bewondering bij het aanschouwen van de schilderachtige schoonheid van het bekoorlijk oord.

Ook de plek, waar de tenten bij de banaanboomen waren opgeslagen, droeg beider volle goedkeuring weg; want zij was werkelijk bij uitstek fraai. Mevrouw Wilson begaf zich in hare tent, om van hare vermoeidheid uit te rusten. De schapen en geiten liet men vrij in het weideland omloopen, waar zij terstond met graagte op het frissche voeder aanvielen. De honden vlijden zich neder en schenen insgelijks van den verren weg vermoeid.

Juno bracht den kleinen Albert te bed en zocht toen met Willem eenig brandhout op, om het middageten te koken. Flink ging naar de putten, om water te halen, terwijl mijnheer Wilson op de vlakte rondwandelde en de verschillende boomen en struiken onderzocht, die daar groeiden. Caroline was in de tent bij hare moeder, en sinjeur Thomas had zich op den grond neergezet en keek met groote oogen verbaasd in het rond.

Spoedig kwam Flink met de wateremmers terug, waarna hij de honden floot en den weg naar het yamsplantsoen insloeg. Een poosje later stond Thomas op en volgde hem.

De honden drongen in het yamsplantsoen door en hieven weldra een verwoed geblaf aan, dat Thomas heel aardig vond, zoodat hij in de handen klapte en siste, om hen nog meer aan te hitsen. Op eenmaal echter kwam de gansche kudde zwijnen uit het dichte groen voor den dag en draafde zoo dicht bij Thomas langs, dat hij het van schrik uitschreeuwde en zoo lang als hij was op den grond tuimelde.

„Dat had ik wel gedacht, vriendjes, dat gij hier zoudt wezen,” mompelde Flink, de varkens naziende. „Het werd waarlijk tijd, dat wij den weg eens voor u afsloten.”

De zwijnen stoven over het veld voort en verdwenen, evenals de eerstemaal, in het kokoswoud. Ook Thomas zette het, zoodra hij maar weer op de been was, wakker op een loopen. De honden gingen achter de zwijnen aan en bleven een geruimen tijd weg. Ten laatste zag men hen vermoeid en hijgend terug komen,—een bewijs, dat zij hunne vervolging een goed eind ver hadden voortgezet.

Voor dag en dauw waren Flink en Willem den volgenden dag reeds weder bij de hand en gingen door het bosch naar hunne vroegere woning, om het huisraad, dat daar nog was achtergebleven, in de boot naar de zuidkust te brengen. Bij hunne aankomst pakten zij al wat nog in huis stond bijeen,haaldengezouten vleesch en meel uit het magazijn en maakten hunne lading vol met een van de nog voorhanden zijnde schildpadden, die op den rug in de boot werd neergelegd. Tegen het ontbijt waren zij reeds weder bij de nieuwe woonplaats, waar Juno hen het meegebrachte naar de tenten hielp brengen.

„Wat is dat hier een kostelijk verblijf!” riep mevrouw Wilson onwillekeurig uit. „Mij dunkt, wij moesten het altijd tot ons zomerkwartier kiezen en eerst tegen den regentijd naar het oude huis terugkeeren.”

„Het is hier zeker gedurende den zomer veel fraaier en aangenamer; maar in ons huis zijn wij beter door het kokosbosch gedekt.”

„Ja, dat is waar, en gedurende het regenseizoen is dat voor ons van veel belang. In den zomer is het daarentegen ook des te warmer, want wij hebben daar niet de verkoelende zeelucht, die wij hier genieten. Ik kan u verzekeren,Flink, ik ben met den ruil zeer tevreden en het zou mij spijten, als wij daarheen terugkeeren moesten.”

„Ik heb van morgen ook zulke mooiepapegaaiengezien,” zeide de kleine Caroline. „Ik wou, dat er één van mij was.”

„Nu, beste meid, ik wil bij gelegenheid eens een jong zien te krijgen; doch het is er thans nog te vroeg toe,” antwoordde Flink. „Nu moet ik Juno de schildpad in stukken helpen snijden. Onze voorraadkamer dienen wij wel daar onder de banaanboomen te nemen.”

„Maar wat zullen wij verder aanvangen, Flink? Wij mogen toch niet leegzitten?” vroeg mijnheer Wilson.

„Neen, zeker niet, mijnheer! Dezen dag moeten wij, dunkt mij, maar besteden om ieder ding op zijne plaats te brengen en de tenten van binnen gemakkelijk in te richten. Voor het oogenblik staan wij onder mevrouws orders; morgen zullen wij dan met het graven en het omheinen van het yamsplantsoen beginnen. We zullen ons daarmee niet zoo te haasten hebben, want ik verbeeld mij, dat de zwijnen zich er zoo spoedig niet weer aanwagen zullen, daar ik plan heb onze honden ’s nachts in de yamsvelden vast te binden, en dan zal hun geblaf hen wel op een afstand houden.”

„Dat is een goede inval, Flink. Zie eens, welk kostelijk voer onze schapen en geiten hier vinden.”

„Ja, mijnheer; ze moeten ook in het vervolg gedurende het droge jaargetij hier grazen. Morgen vroeg kunnen wij met graven beginnen en Willem daarbij wijzen, hoe men destekkenvan de stekelbessen, waarvan wij onze heg willen maken, poten moet. Dan zou ik voorslaan onzen Willem met dit werk alleen bij moeder achter te laten, terwijl gij en ik naar de westkust gaan, om onzen voorraad na te zien en al wat wij nog gebruiken kunnen hierheen te brengen. Ik meen immers u vroeger te hebben hooren zeggen, dat gij zelf daarheen woudt gaan?”

„Ja, Flink, dat is zoo. Mijne vrouw zal er ook geen bezwaar in zien eens een dag of drie vier zonder mij te zijn. Als wij eerst alle dingen hebben nagezien, zal ik teruggaan en aan u en Willem, die het roeien beter gewoon is dan ik, de zorg overlaten om onzen voorraad over te brengen. Mij dunkt hierheen zullen wij toch alles niet halen?”

„Neen, mijnheer; het goed moet naar ons magazijn worden gebracht. Hebben wij dat werk eerst achter den rug, dan gaan wij met alle macht aan de versterking van het blokhuis.”


Back to IndexNext