DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE VERBLIJF.Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op en zeide tot Flink, toen deze een poos later uit de tent trad:„Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde van het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf gekozen hadden.”„Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden, vertrouw ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de mensch onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle reden om innig dankbaar en tevreden te zijn.”„Ik erken dat volgaarne, brave man.—Wat is dan nu het eerste, dat gij denkt aan te vangen?”„Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende voorraad van zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon Willem—dáár komt hij al! Goede morgen, mijn jongen!—ik zei daar, dat gij beiden geen beter werk doen kondet, dan de bron verder tot stand te brengen, terwijl ik mij weer op de vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een schop mee, en zoo kunt gij gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst naar de tent gaan, want Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.—Ge begrijpt wel, mijnheer, dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen moeten, waar zij in de schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht gebeuren, als gij tegen de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water van boven neerstroomt. Hebt ge datgevonden, dan graaft gij een gat, wijd genoeg, om er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil brengen, in neer te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet, dan zullen wij haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze ook leegscheppen, zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen.”„Ik begrijp u zeer goed,” antwoordde mijnheer Wilson. „Dat zal dan heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig zijt.”„Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno over het middageten te spreken,” hernam Flink. „Daarna schielijk een mondvol tot ontbijt en dan weg;—dit kostelijk weder mag niet ongebruikt voorbijgaan.”De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen den middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven soep nog opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een stuk rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon gingen inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds had de kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen.Eerst toen zij zoover waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent, waar mevrouw Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen bezig was.„Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel, sinds wij hier zijn,” zeide zij en drukte de hand van haar man, toen die zich aan hare zijde neerzette.„Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig geluk,” antwoordde hij. „Ik verzeker u, dat ik hetzelfde voel en dezen morgen heb ik dit onzen braven Flink ook reeds gezegd.”„Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen zijn, zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het hier. Weet gij echter, wat ik mis?—Er zijn hier geen zangvogels, zooals in ons vaderland.”„’t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel zeevogels bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?”„Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink was niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor ’t minst van de grootte eener duif.—Kijk, daar komt Flink den hoek om,” vervolgde hij. „Wat zeilt die kleine boot toch hard! En ’t moet toch wel zwaar werk voor den ouden man zijn, zoo heel alleen tegen den stroom op naar de bocht te roeien.—Juno is het eten klaar?”„Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen.”„Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog vóór den eten van het een en ander ontlasten.”Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had medegebracht, naar de nieuw gegraven bron.De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taaipekelvleeschgekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij uitstek gewenscht voorkomen.„En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar,” riep Willem, zoodra de maaltijd was afgeloopen.„Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem,” merkte zijn moeder lachend aan.„Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne handen te doen.”„En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur worden,” zei Flink.Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water was opgevuld.„O wee,” riep Willem, „nu zullen wij eerst al dat water dienen uit te scheppen, om de ton er in te krijgen!”„Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed,” zei de vader. „Het water vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen gemakkelijk ding zou zijn. Kunnen wij de zaak niet anders aanvatten?”„Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven.”„Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen middel om haar te doen zinken?”„O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den bodem boren; dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond gaan.”„Heel goed, jongen,” sprak Flink. „Ik dacht wel, dat zoo iets zou moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij gestoken.”De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat het vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de oppervlakte des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte behoorlijk met zand op en was de bron gereed.„Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het niet moedwillig troebelmaakt,” voorspelde Flink. „Alweer dus een stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al het overige goed uit de boot halen.”
DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE VERBLIJF.Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op en zeide tot Flink, toen deze een poos later uit de tent trad:„Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde van het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf gekozen hadden.”„Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden, vertrouw ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de mensch onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle reden om innig dankbaar en tevreden te zijn.”„Ik erken dat volgaarne, brave man.—Wat is dan nu het eerste, dat gij denkt aan te vangen?”„Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende voorraad van zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon Willem—dáár komt hij al! Goede morgen, mijn jongen!—ik zei daar, dat gij beiden geen beter werk doen kondet, dan de bron verder tot stand te brengen, terwijl ik mij weer op de vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een schop mee, en zoo kunt gij gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst naar de tent gaan, want Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.—Ge begrijpt wel, mijnheer, dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen moeten, waar zij in de schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht gebeuren, als gij tegen de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water van boven neerstroomt. Hebt ge datgevonden, dan graaft gij een gat, wijd genoeg, om er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil brengen, in neer te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet, dan zullen wij haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze ook leegscheppen, zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen.”„Ik begrijp u zeer goed,” antwoordde mijnheer Wilson. „Dat zal dan heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig zijt.”„Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno over het middageten te spreken,” hernam Flink. „Daarna schielijk een mondvol tot ontbijt en dan weg;—dit kostelijk weder mag niet ongebruikt voorbijgaan.”De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen den middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven soep nog opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een stuk rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon gingen inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds had de kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen.Eerst toen zij zoover waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent, waar mevrouw Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen bezig was.„Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel, sinds wij hier zijn,” zeide zij en drukte de hand van haar man, toen die zich aan hare zijde neerzette.„Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig geluk,” antwoordde hij. „Ik verzeker u, dat ik hetzelfde voel en dezen morgen heb ik dit onzen braven Flink ook reeds gezegd.”„Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen zijn, zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het hier. Weet gij echter, wat ik mis?—Er zijn hier geen zangvogels, zooals in ons vaderland.”„’t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel zeevogels bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?”„Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink was niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor ’t minst van de grootte eener duif.—Kijk, daar komt Flink den hoek om,” vervolgde hij. „Wat zeilt die kleine boot toch hard! En ’t moet toch wel zwaar werk voor den ouden man zijn, zoo heel alleen tegen den stroom op naar de bocht te roeien.—Juno is het eten klaar?”„Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen.”„Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog vóór den eten van het een en ander ontlasten.”Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had medegebracht, naar de nieuw gegraven bron.De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taaipekelvleeschgekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij uitstek gewenscht voorkomen.„En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar,” riep Willem, zoodra de maaltijd was afgeloopen.„Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem,” merkte zijn moeder lachend aan.„Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne handen te doen.”„En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur worden,” zei Flink.Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water was opgevuld.„O wee,” riep Willem, „nu zullen wij eerst al dat water dienen uit te scheppen, om de ton er in te krijgen!”„Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed,” zei de vader. „Het water vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen gemakkelijk ding zou zijn. Kunnen wij de zaak niet anders aanvatten?”„Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven.”„Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen middel om haar te doen zinken?”„O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den bodem boren; dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond gaan.”„Heel goed, jongen,” sprak Flink. „Ik dacht wel, dat zoo iets zou moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij gestoken.”De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat het vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de oppervlakte des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte behoorlijk met zand op en was de bron gereed.„Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het niet moedwillig troebelmaakt,” voorspelde Flink. „Alweer dus een stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al het overige goed uit de boot halen.”
DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.ALGEMEENE TEVREDENHEID MET HET NIEUWE VERBLIJF.
Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op en zeide tot Flink, toen deze een poos later uit de tent trad:„Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde van het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf gekozen hadden.”„Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden, vertrouw ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de mensch onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle reden om innig dankbaar en tevreden te zijn.”„Ik erken dat volgaarne, brave man.—Wat is dan nu het eerste, dat gij denkt aan te vangen?”„Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende voorraad van zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon Willem—dáár komt hij al! Goede morgen, mijn jongen!—ik zei daar, dat gij beiden geen beter werk doen kondet, dan de bron verder tot stand te brengen, terwijl ik mij weer op de vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een schop mee, en zoo kunt gij gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst naar de tent gaan, want Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.—Ge begrijpt wel, mijnheer, dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen moeten, waar zij in de schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht gebeuren, als gij tegen de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water van boven neerstroomt. Hebt ge datgevonden, dan graaft gij een gat, wijd genoeg, om er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil brengen, in neer te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet, dan zullen wij haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze ook leegscheppen, zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen.”„Ik begrijp u zeer goed,” antwoordde mijnheer Wilson. „Dat zal dan heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig zijt.”„Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno over het middageten te spreken,” hernam Flink. „Daarna schielijk een mondvol tot ontbijt en dan weg;—dit kostelijk weder mag niet ongebruikt voorbijgaan.”De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen den middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven soep nog opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een stuk rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon gingen inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds had de kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen.Eerst toen zij zoover waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent, waar mevrouw Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen bezig was.„Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel, sinds wij hier zijn,” zeide zij en drukte de hand van haar man, toen die zich aan hare zijde neerzette.„Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig geluk,” antwoordde hij. „Ik verzeker u, dat ik hetzelfde voel en dezen morgen heb ik dit onzen braven Flink ook reeds gezegd.”„Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen zijn, zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het hier. Weet gij echter, wat ik mis?—Er zijn hier geen zangvogels, zooals in ons vaderland.”„’t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel zeevogels bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?”„Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink was niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor ’t minst van de grootte eener duif.—Kijk, daar komt Flink den hoek om,” vervolgde hij. „Wat zeilt die kleine boot toch hard! En ’t moet toch wel zwaar werk voor den ouden man zijn, zoo heel alleen tegen den stroom op naar de bocht te roeien.—Juno is het eten klaar?”„Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen.”„Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog vóór den eten van het een en ander ontlasten.”Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had medegebracht, naar de nieuw gegraven bron.De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taaipekelvleeschgekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij uitstek gewenscht voorkomen.„En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar,” riep Willem, zoodra de maaltijd was afgeloopen.„Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem,” merkte zijn moeder lachend aan.„Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne handen te doen.”„En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur worden,” zei Flink.Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water was opgevuld.„O wee,” riep Willem, „nu zullen wij eerst al dat water dienen uit te scheppen, om de ton er in te krijgen!”„Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed,” zei de vader. „Het water vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen gemakkelijk ding zou zijn. Kunnen wij de zaak niet anders aanvatten?”„Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven.”„Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen middel om haar te doen zinken?”„O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den bodem boren; dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond gaan.”„Heel goed, jongen,” sprak Flink. „Ik dacht wel, dat zoo iets zou moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij gestoken.”De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat het vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de oppervlakte des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte behoorlijk met zand op en was de bron gereed.„Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het niet moedwillig troebelmaakt,” voorspelde Flink. „Alweer dus een stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al het overige goed uit de boot halen.”
Mijnheer Wilson was den volgenden morgen het eerst op en zeide tot Flink, toen deze een poos later uit de tent trad:
„Ik kan u zeggen, vriend, dat ik mij, sedert ik hier ben, veel opgeruimder en beter gestemd gevoel dan vroeger. Op de andere zijde van het eiland herinnerde alles mij onze schipbreuk en moest ik onophoudelijk aan mijn verloren vaderland denken, terwijl het mij hier is, of wij er reeds lang te huis waren en er vrijwillig ons verblijf gekozen hadden.”
„Dat gevoel zal van dag tot dag levendiger bij u worden, vertrouw ik, mijnheer; want het is doelloos en zelfs dwaas, als de mensch onophoudelijk over zijn ongeluk jammert. Wij bovenal hebben alle reden om innig dankbaar en tevreden te zijn.”
„Ik erken dat volgaarne, brave man.—Wat is dan nu het eerste, dat gij denkt aan te vangen?”
„Waar wij bovenal behoefte aan hebben, is een toereikende voorraad van zoet water en daarom wenschte ik wel, dat gij en uw zoon Willem—dáár komt hij al! Goede morgen, mijn jongen!—ik zei daar, dat gij beiden geen beter werk doen kondet, dan de bron verder tot stand te brengen, terwijl ik mij weer op de vaart begeef. Ik bracht gisteren nog een schop mee, en zoo kunt gij gelijktijdig arbeiden; maar laat ons eerst naar de tent gaan, want Juno, zie ik, heeft het ontbijt klaar.—Ge begrijpt wel, mijnheer, dat wij de wel tot in het kokosbosch nasporen moeten, waar zij in de schaduw tegen de zon gedekt is. Dat kan licht gebeuren, als gij tegen de hoogte aan opwerkt en ziet, hoe het water van boven neerstroomt. Hebt ge datgevonden, dan graaft gij een gat, wijd genoeg, om er een van onze watertonnen, die ik van avond mee wil brengen, in neer te laten. Is deze behoorlijk in den grond vastgezet, dan zullen wij haar altijd vol water vinden, en hoe schielijk wij ze ook leegscheppen, zal de wel haar toch bestendig weer aanvallen.”
„Ik begrijp u zeer goed,” antwoordde mijnheer Wilson. „Dat zal dan heden ons werk zijn, voor zoolang gij afwezig zijt.”
„Nu goed; dus heb ik zelf niets meer te doen, dan met Juno over het middageten te spreken,” hernam Flink. „Daarna schielijk een mondvol tot ontbijt en dan weg;—dit kostelijk weder mag niet ongebruikt voorbijgaan.”
De oude man zeide Juno, om het varkensvleesch in de braadpan te bakken en ook eenige sneden van de schildpad af te snijden en tegen den middag te koken, waarbij zij ook de van gisteren overgebleven soep nog opwarmen kon; en daarop stapte hij met een beschuit en een stuk rundvleesch naar de boot en stak alleen van land. Vader en zoon gingen inmiddels ook ijverig aan het werk, en tegen den middag reeds had de kuil de breedte en diepte, welke Flink hun had aangewezen.Eerst toen zij zoover waren, staakten zij hun arbeid en gingen naar de tent, waar mevrouw Wilson met het herstellen der kleederen van hare kinderen bezig was.
„Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel beter ik mij gevoel, sinds wij hier zijn,” zeide zij en drukte de hand van haar man, toen die zich aan hare zijde neerzette.
„Ik hoop lieve, dat dit een voorgevoel is van ons toekomstig geluk,” antwoordde hij. „Ik verzeker u, dat ik hetzelfde voel en dezen morgen heb ik dit onzen braven Flink ook reeds gezegd.”
„Ik gevoel, dat ik hier mijn leven lang gelukkig zou kunnen zijn, zoo kalm, zoo vreedzaam en daarbij zoo verrukkelijk schoon is het hier. Weet gij echter, wat ik mis?—Er zijn hier geen zangvogels, zooals in ons vaderland.”
„’t Is waar, ik heb tot hiertoe ook nog maar enkel zeevogels bemerkt. Hebt gij al andere gezien, Willem?”
„Eens maar, vader, heb ik in de verte een vlucht gezien. Flink was niet bij mij en dus wist ik niet, wat voor vogels het waren. Ze schenen mij echter niet zoo klein, als andere zangvogels, maar voor ’t minst van de grootte eener duif.—Kijk, daar komt Flink den hoek om,” vervolgde hij. „Wat zeilt die kleine boot toch hard! En ’t moet toch wel zwaar werk voor den ouden man zijn, zoo heel alleen tegen den stroom op naar de bocht te roeien.—Juno is het eten klaar?”
„Ja, massa Willem, in een ommezien klaar wezen.”
„Wij willen hem tegemoet gaan en hem nog vóór den eten van het een en ander ontlasten.”
Zij deden dit, en Willem rolde de ledige waterton, die Flink had medegebracht, naar de nieuw gegraven bron.
De sneden schildpad werden even luid geprezen, als de soep van den vorigen avond en inderdaad, nadat men zoo lang op taaipekelvleeschgekauwd had, moest eene afwisseling met versche spijzen allen bij uitstek gewenscht voorkomen.
„En nu naar de bron; zij moet heden nog klaar,” riep Willem, zoodra de maaltijd was afgeloopen.
„Gij arbeidt als een dijkgraver, Willem,” merkte zijn moeder lachend aan.
„Dat moet ik ook, moeder. Ik moet thans leeren alles met mijne handen te doen.”
„En spoedig zal het door uwe gewoonte een tweede natuur worden,” zei Flink.
Bij de bron gekomen, zagen zij tot hunne verbazing, dat het eerst voor een paar uren gegraven gat bijna tot den rand toe met water was opgevuld.
„O wee,” riep Willem, „nu zullen wij eerst al dat water dienen uit te scheppen, om de ton er in te krijgen!”
„Kom, kom, jongen, bedenk u eens goed,” zei de vader. „Het water vloeit zoo sterk, dat zulk uitscheppen geen gemakkelijk ding zou zijn. Kunnen wij de zaak niet anders aanvatten?”
„Ja, vader; maar de ton zal toch bovendrijven.”
„Zeker, zooals zij nu is, doet zij dat vast. Doch is er geen middel om haar te doen zinken?”
„O ja, nu begrijp ik het. Wij moeten eenige gaatjes in den bodem boren; dan zal zij volloopen en vanzelf naar den grond gaan.”
„Heel goed, jongen,” sprak Flink. „Ik dacht wel, dat zoo iets zou moeten gebeuren en heb daarom de groote boor bij mij gestoken.”
De oude man boorde vier gaten in den bodem der ton, en terwijl zij nu op het water dreef, drong dit langzamerhand naar binnen, zoodat het vat al dieper en dieper zonk. Zoodra de rand daarvan met de oppervlakte des waters gelijk stond, vulden zij de tusschenruimte behoorlijk met zand op en was de bron gereed.
„Morgen als het water goed gezakt is, zal het zoo helder en doorschijnend zijn als kristal, en zoo zal het blijven, als men het niet moedwillig troebelmaakt,” voorspelde Flink. „Alweer dus een stuk werk tot stand gebracht! Nu zullen we nog al het overige goed uit de boot halen.”