VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE VOLKPLANTING.„Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen hebben,” zeide mijnheer Wilson den volgenden morgen tot zijn ouden vriend, „zullen wij een geregeld plan voor alles ontwerpen. Van de wijze, waarop men het aanvat, hangt het welgelukken van een werk grootendeels af. Zeg mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week zoo al zoudt voorslaan.Morgen is ’t Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe nog niet behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij hem ditmaal kunnen en moeten gedenken.”„Ja, mijnheer, dat moeten wij en ’t zelfde zou ik u hebben voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en Zondag houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,—of zullen wij ook eens hooren wat mevrouw zegt?”„Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans fijne dames bij u hebt,” viel mevrouw Wilson hem in de rede. „Mijne gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop u spoedig wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle huiselijkeverrichtingente helpen, voor koken en wasschen te zorgen, op de kinderen te passen, de kleederen te herstellen en alles te doen, wat mijne krachten mij toelaten. Word ik sterker, dan zal ik beproeven wat ik meer kan doen, en in alle gevalle zult gij, zoo niet den ganschen, toch een groot gedeelte van den dag over Juno’s diensten kunnen beschikken.”„Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen, mevrouw,” hernam de oude zeeman.„Maar nu verder, mijnheer. De beide dringendste verrichtingen, na het bouwen van een huis, zijn vooreerst het omspitten van een stuk land voor onze aardappelen en tuinzaden en dan het aanleggen van een vijver voor schildpadden, opdat wij van die dieren vangen en daarin zetten, voordat de tijd voorbij is.”„Heel goed,” was het antwoord; „maar wat dient er eerst gereed te zijn?”„Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks behoeft te kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor mij hebde gansche aanstaande week uw bijstand niet noodig. Ik wil eerst eene plek in de buurt opzoeken, waar het hout het dichtst staat;—daar zal ik dan de boomen omhakken en eene ruimte maken, waar in het vervolg onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de regentijd voorbij is, brengen wij dan al onzen voorraad van ginds naar hier over. Dat zal mij wel de geheele week ophouden, daar het vellen en op eene behoorlijke lengte afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis geen gemakkelijk werk is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze krachten vereenigen en terstond tot het opslaan eener woning overgaan. Haardstede en vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het voornaamste is, dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen hebben.”„Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer oordeelt gij, moet het regenseizoen invallen?”„Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo geregeld vast, maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende week voorbij, dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al de leden van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik toch nog eens naar de bocht terug moet.”„Waartoe dat?”„Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in stroo was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij lachtet, toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van weinig nut zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed te pas komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed pad aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien kunnen, dan zoo wij die dragen of sleepen moesten.”„Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat werk bespaard worden.”„Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen al vroeg opbreken, om vóór het ontbijt terug te zijn. Vandaag willen wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd, de vijver gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk voor ons, mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat beter oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten.”Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: „Gij ziet, mijnheer, tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig, want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten op te vangen. Alleswat wij verlangen, is eene plaats in het water, met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den oever sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus langs den oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen kunnen. Wij hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten op te vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet.”„Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar genoeg losse rotsblokken vinden kunnen.”„Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los,” verzekerde Flink,„en hier dicht vóór ons vinden wij ze in menigte. Sommige zijn wel te zwaar om gedragen te worden; doch die kunnen wij met breektangen en hefboomen van de plaats krijgen;—wij hebben twee of drie van die dingen bij ons. Nu, mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken geven en hen dadelijk aan het werk zetten. Vóór den middag kunnen zij nog vrij wat afdoen.”Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen, om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken
VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE VOLKPLANTING.„Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen hebben,” zeide mijnheer Wilson den volgenden morgen tot zijn ouden vriend, „zullen wij een geregeld plan voor alles ontwerpen. Van de wijze, waarop men het aanvat, hangt het welgelukken van een werk grootendeels af. Zeg mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week zoo al zoudt voorslaan.Morgen is ’t Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe nog niet behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij hem ditmaal kunnen en moeten gedenken.”„Ja, mijnheer, dat moeten wij en ’t zelfde zou ik u hebben voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en Zondag houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,—of zullen wij ook eens hooren wat mevrouw zegt?”„Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans fijne dames bij u hebt,” viel mevrouw Wilson hem in de rede. „Mijne gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop u spoedig wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle huiselijkeverrichtingente helpen, voor koken en wasschen te zorgen, op de kinderen te passen, de kleederen te herstellen en alles te doen, wat mijne krachten mij toelaten. Word ik sterker, dan zal ik beproeven wat ik meer kan doen, en in alle gevalle zult gij, zoo niet den ganschen, toch een groot gedeelte van den dag over Juno’s diensten kunnen beschikken.”„Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen, mevrouw,” hernam de oude zeeman.„Maar nu verder, mijnheer. De beide dringendste verrichtingen, na het bouwen van een huis, zijn vooreerst het omspitten van een stuk land voor onze aardappelen en tuinzaden en dan het aanleggen van een vijver voor schildpadden, opdat wij van die dieren vangen en daarin zetten, voordat de tijd voorbij is.”„Heel goed,” was het antwoord; „maar wat dient er eerst gereed te zijn?”„Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks behoeft te kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor mij hebde gansche aanstaande week uw bijstand niet noodig. Ik wil eerst eene plek in de buurt opzoeken, waar het hout het dichtst staat;—daar zal ik dan de boomen omhakken en eene ruimte maken, waar in het vervolg onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de regentijd voorbij is, brengen wij dan al onzen voorraad van ginds naar hier over. Dat zal mij wel de geheele week ophouden, daar het vellen en op eene behoorlijke lengte afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis geen gemakkelijk werk is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze krachten vereenigen en terstond tot het opslaan eener woning overgaan. Haardstede en vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het voornaamste is, dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen hebben.”„Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer oordeelt gij, moet het regenseizoen invallen?”„Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo geregeld vast, maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende week voorbij, dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al de leden van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik toch nog eens naar de bocht terug moet.”„Waartoe dat?”„Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in stroo was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij lachtet, toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van weinig nut zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed te pas komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed pad aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien kunnen, dan zoo wij die dragen of sleepen moesten.”„Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat werk bespaard worden.”„Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen al vroeg opbreken, om vóór het ontbijt terug te zijn. Vandaag willen wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd, de vijver gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk voor ons, mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat beter oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten.”Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: „Gij ziet, mijnheer, tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig, want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten op te vangen. Alleswat wij verlangen, is eene plaats in het water, met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den oever sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus langs den oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen kunnen. Wij hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten op te vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet.”„Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar genoeg losse rotsblokken vinden kunnen.”„Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los,” verzekerde Flink,„en hier dicht vóór ons vinden wij ze in menigte. Sommige zijn wel te zwaar om gedragen te worden; doch die kunnen wij met breektangen en hefboomen van de plaats krijgen;—wij hebben twee of drie van die dingen bij ons. Nu, mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken geven en hen dadelijk aan het werk zetten. Vóór den middag kunnen zij nog vrij wat afdoen.”Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen, om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken
VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.VERDERE VERRICHTINGEN IN DE NIEUWE VOLKPLANTING.
„Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen hebben,” zeide mijnheer Wilson den volgenden morgen tot zijn ouden vriend, „zullen wij een geregeld plan voor alles ontwerpen. Van de wijze, waarop men het aanvat, hangt het welgelukken van een werk grootendeels af. Zeg mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week zoo al zoudt voorslaan.Morgen is ’t Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe nog niet behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij hem ditmaal kunnen en moeten gedenken.”„Ja, mijnheer, dat moeten wij en ’t zelfde zou ik u hebben voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en Zondag houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,—of zullen wij ook eens hooren wat mevrouw zegt?”„Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans fijne dames bij u hebt,” viel mevrouw Wilson hem in de rede. „Mijne gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop u spoedig wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle huiselijkeverrichtingente helpen, voor koken en wasschen te zorgen, op de kinderen te passen, de kleederen te herstellen en alles te doen, wat mijne krachten mij toelaten. Word ik sterker, dan zal ik beproeven wat ik meer kan doen, en in alle gevalle zult gij, zoo niet den ganschen, toch een groot gedeelte van den dag over Juno’s diensten kunnen beschikken.”„Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen, mevrouw,” hernam de oude zeeman.„Maar nu verder, mijnheer. De beide dringendste verrichtingen, na het bouwen van een huis, zijn vooreerst het omspitten van een stuk land voor onze aardappelen en tuinzaden en dan het aanleggen van een vijver voor schildpadden, opdat wij van die dieren vangen en daarin zetten, voordat de tijd voorbij is.”„Heel goed,” was het antwoord; „maar wat dient er eerst gereed te zijn?”„Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks behoeft te kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor mij hebde gansche aanstaande week uw bijstand niet noodig. Ik wil eerst eene plek in de buurt opzoeken, waar het hout het dichtst staat;—daar zal ik dan de boomen omhakken en eene ruimte maken, waar in het vervolg onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de regentijd voorbij is, brengen wij dan al onzen voorraad van ginds naar hier over. Dat zal mij wel de geheele week ophouden, daar het vellen en op eene behoorlijke lengte afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis geen gemakkelijk werk is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze krachten vereenigen en terstond tot het opslaan eener woning overgaan. Haardstede en vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het voornaamste is, dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen hebben.”„Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer oordeelt gij, moet het regenseizoen invallen?”„Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo geregeld vast, maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende week voorbij, dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al de leden van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik toch nog eens naar de bocht terug moet.”„Waartoe dat?”„Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in stroo was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij lachtet, toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van weinig nut zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed te pas komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed pad aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien kunnen, dan zoo wij die dragen of sleepen moesten.”„Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat werk bespaard worden.”„Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen al vroeg opbreken, om vóór het ontbijt terug te zijn. Vandaag willen wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd, de vijver gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk voor ons, mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat beter oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten.”Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: „Gij ziet, mijnheer, tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig, want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten op te vangen. Alleswat wij verlangen, is eene plaats in het water, met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den oever sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus langs den oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen kunnen. Wij hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten op te vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet.”„Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar genoeg losse rotsblokken vinden kunnen.”„Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los,” verzekerde Flink,„en hier dicht vóór ons vinden wij ze in menigte. Sommige zijn wel te zwaar om gedragen te worden; doch die kunnen wij met breektangen en hefboomen van de plaats krijgen;—wij hebben twee of drie van die dingen bij ons. Nu, mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken geven en hen dadelijk aan het werk zetten. Vóór den middag kunnen zij nog vrij wat afdoen.”Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen, om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken
„Daar wij nog zoo velerlei dingen te doen hebben,” zeide mijnheer Wilson den volgenden morgen tot zijn ouden vriend, „zullen wij een geregeld plan voor alles ontwerpen. Van de wijze, waarop men het aanvat, hangt het welgelukken van een werk grootendeels af. Zeg mij dus, welk werk gij ons voor de volgende week zoo al zoudt voorslaan.Morgen is ’t Zondag, en ofschoon wij dien dag tot nu toe nog niet behoorlijk hebben kunnen vieren, geloof ik toch, dat wij hem ditmaal kunnen en moeten gedenken.”
„Ja, mijnheer, dat moeten wij en ’t zelfde zou ik u hebben voorgeslagen. Morgen zullen wij van onzen arbeid uitrusten en Zondag houden. En wat nu uw voorslag aangaat, mijnheer,—of zullen wij ook eens hooren wat mevrouw zegt?”
„Gij moet er thans niet om denken, dat gij vrouwen of althans fijne dames bij u hebt,” viel mevrouw Wilson hem in de rede. „Mijne gezondheid en kracht keeren meer en meer terug en ik hoop u spoedig wezenlijk van nut zijne. Ik neem op mij, Juno in alle huiselijkeverrichtingente helpen, voor koken en wasschen te zorgen, op de kinderen te passen, de kleederen te herstellen en alles te doen, wat mijne krachten mij toelaten. Word ik sterker, dan zal ik beproeven wat ik meer kan doen, en in alle gevalle zult gij, zoo niet den ganschen, toch een groot gedeelte van den dag over Juno’s diensten kunnen beschikken.”
„Daarmee kunnen wij ons vooreerst ook heel goed vergenoegen, mevrouw,” hernam de oude zeeman.„Maar nu verder, mijnheer. De beide dringendste verrichtingen, na het bouwen van een huis, zijn vooreerst het omspitten van een stuk land voor onze aardappelen en tuinzaden en dan het aanleggen van een vijver voor schildpadden, opdat wij van die dieren vangen en daarin zetten, voordat de tijd voorbij is.”
„Heel goed,” was het antwoord; „maar wat dient er eerst gereed te zijn?”
„Mij dunkt de vijver daar, die slechts weinige dagen werks behoeft te kosten, als gij met Juno en Willem daaraan arbeidt. Ik voor mij hebde gansche aanstaande week uw bijstand niet noodig. Ik wil eerst eene plek in de buurt opzoeken, waar het hout het dichtst staat;—daar zal ik dan de boomen omhakken en eene ruimte maken, waar in het vervolg onze pakhuizen kunnen staan, en zoodra de regentijd voorbij is, brengen wij dan al onzen voorraad van ginds naar hier over. Dat zal mij wel de geheele week ophouden, daar het vellen en op eene behoorlijke lengte afzagen van de boomen voor ons nieuwe huis geen gemakkelijk werk is. Ben ik daarmee klaar, dan moeten wij al onze krachten vereenigen en terstond tot het opslaan eener woning overgaan. Haardstede en vensters kunnen misschien eerst later klaar komen. Het voornaamste is, dat wij onder dak zijn en droge slaapplaatsen hebben.”
„Denkt gij dan wezenlijk, dat daar nog kans toe is? Wanneer oordeelt gij, moet het regenseizoen invallen?”
„Met drie of vier weken. Het begin staat niet altijd zoo geregeld vast, maar veel later wordt het zeker niet. Is de volgende week voorbij, dan zal ik waarschijnlijk altijd twee of misschien wel al de leden van de familie gebruiken kunnen. Ha! daar valt mij in, dat ik toch nog eens naar de bocht terug moet.”
„Waartoe dat?”
„Herinnert gij u de kar op twee wielen nog, mijnheer, die in stroo was ingepakt en door den storm aan land werd geworpen? Gij lachtet, toen gij haar zaagt en dacht, dat zij ons thans maar van weinig nut zou zijn; en toch, mijnheer, zullen as en wielen ons nu goed te pas komen, daar wij naar de plaats, waar ik de boomen vel, een breed pad aanleggen en dan onze stammen veel gemakkelijker voortkruien kunnen, dan zoo wij die dragen of sleepen moesten.”
„Dat is een kostelijke inval, Flink. Zoo zal zeker vrij wat werk bespaard worden.”
„Dat denk ik ook, mijnheer. Willem en ik zullen Maandagmorgen al vroeg opbreken, om vóór het ontbijt terug te zijn. Vandaag willen wij nog de plekken opzoeken, waar onze tuin aangelegd, de vijver gemaakt en het geboomte geveld worden moet. Dat is een werk voor ons, mijnheer. Willem en Juno kunnen intusschen de dingen hier wat beter oppakken, totdat wij ze gebruiken moeten.”
Terstond daalden de beide mannen naar het strand af, en na de riffen aandachtig te hebben opgenomen, zeide Flink: „Gij ziet, mijnheer, tot een vijver voor schildpadden hebben wij niet veel water noodig, want als hij te diep is, kost het ons maar dubbele moeite de beesten op te vangen. Alleswat wij verlangen, is eene plaats in het water, met een lagen dam van steenen omringd, zoodat de dieren niet ontsnappen kunnen, want tot klauteren zijn ze niet in staat, hoewel ze met hunne zwempooten heel goed op het afhellende strand kunnen voortspartelen. Nu zie, mijnheer, de klip ginds is hoog genoeg boven water; de ruimte tusschen haar en het strand is diep genoeg en de rotsen aan den oever sluiten deze zijde bijna geheel af en beletten de dieren dus langs den oever voort te kruipen, zoodat zij ons niet meer ontkomen kunnen. Wij hebben dus weinig meer te doen, dan de beide andere kanten op te vullen, en onze vijver is zoo goed als hij wezen moet.”
„Ik zie, dat dit niet veel moeite zal kosten, als wij maar genoeg losse rotsblokken vinden kunnen.”
„Bijna alle, die op het strand liggen, zijn los,” verzekerde Flink,„en hier dicht vóór ons vinden wij ze in menigte. Sommige zijn wel te zwaar om gedragen te worden; doch die kunnen wij met breektangen en hefboomen van de plaats krijgen;—wij hebben twee of drie van die dingen bij ons. Nu, mijnheer, moesten wij Willem en Juno een teeken geven en hen dadelijk aan het werk zetten. Vóór den middag kunnen zij nog vrij wat afdoen.”
Mijnheer Wilson riep en wenkte met zijn hoed, waarop Willem en de negerin dadelijk aankwamen. Juno werd gezonden om twee breekijzers te halen, terwijl Willem van Flink vernam wat zij te doen hadden. Toen Juno met de werktuigen terug was, bleven de beide mannen nog een tijdlang bij hen en hielpen hen aan hun werk, waarna zij verder gingen, om eene geschikte plaats voor een tuin op te zoeken