EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.INSTINCT EN VERSTAND.De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd.Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht Willem zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog iets naders te zeggen.„Dat wil ik gaarne doen,” antwoordde mijnheer Wilson. „Daar vinden wij dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een onthouden van personen en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons menschen zeker niet behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn stal weggeloopen en weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog na twintig jaren zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken zin aangaat, zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer terugvinden, ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de papegaai en dekaketoebezitten een uitmuntend geheugen.„Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren droomen; hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet brommen en blaffen?”„Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader.”„Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene kat, hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg in haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden, als het op zijne prooi loert.„Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar, en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een bewijs daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op den bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij altijd merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf, en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten had.„Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan eenig ander dier;—zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft hem slechts eenebelooning toe te zeggen, en hij zal de verwonderlijkste kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon gevoelig voor lof of blaam.„In Indië worden de olifanten tot het vervoer van zwaar geschut gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer dieren vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het moeras te slepen. „Jaagt het luie dier weg,” riep de commandant van den legertrein, „en laat een ander komen.” De olifant gevoelde zich door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij ’t uiterste beproefde om het stuk met zijn kop voort te stooten, totdat hij zich den kop verpletterde en dood nederviel.„Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die Chunny heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn snuit van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een shilling liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er niet meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en begint eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de uitgestooten lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft, zoodat hij weder in staat is dien te bereiken.„De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een toertje ging doen; alleen ’s Zondags, als deze naar de kerk reed, werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien, hoe deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten, met een wip daarin; maar ’s Zondags was het, alsof zij niets van het rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje liggen.”„Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier geweest zijn!” riep Willem verwonderd.„Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen blijkbaar een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De olifant, het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al het mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal kanarievogels zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en allerlei kunstjes verrichten.”„Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn tusschen verstand en instinct moet trekken, beste vader.”„Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan gehoorzamen zij daarbijaan zekere vaste regelen, waarvan zij nooit afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden plaats hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft, en het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat genomen.„Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de bij, die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst vertoont. Er is zekere vlinder,—men noemt hem doorgaans den doodshoofdvlinder,—die zich zeer gaarne op honig vergast. Het gelukt hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen. De bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen, regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen te bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het doode diertje met was en balsemen het als ’t ware op deze wijze in, zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben.”„Ja, maar kan ’t ook in dit geval niet haar instinct geweest zijn, vader,dat haar zoo handelen deed?” vroeg Willem.„Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet gij die vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in den wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de opening, die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat de eene bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen grooter dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het gemakkelijk door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen nu echter in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met wijde opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld zijn, waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien.”„Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader.”„Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen waterput. Het was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in moeten omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier was, gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen en die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op den grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene laag op de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden, dat hij eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn, die niet begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen hadden aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide.”Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver door en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het magazijn te bergen.Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal naar het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op het strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die zij daarop deels in de boot brachten, deels aan ’t achtereind daarvan vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in weerwil van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water ging.„Nu, Willem,” begon Flink, „hebben we een moeilijk werk achter den rug en ik moet zeggen, ’t is hoog tijd dat wij eindelijk klaarkomen, want onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te worden, zoodat ik haar, zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben, zorgvuldig kalefateren moet.”„Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig hebben,” antwoordde Willem; „eenige vaarten naar de kleine haven zullen wel alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude woning heeft te doen.”„Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en dient althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht gebouwd, gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk gedaan.”„Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed hield, Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar het magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek nemen?”„Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer uitstellen,” antwoordde Flink. „Uw vader heeft intusschen zeker heg en sloot rondom hetyamsplantsoenklaar, en is dit zoo, dan zal uwe moeder toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten willen achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude huis terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht. Ik voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij de tenten bleef, totdat alles gedaan is.”„Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?”„Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet ontkennen.”„Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en is het dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als wij ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonderbeschermingvonden, terwijl wijzelvengedwongen waren, ons huis te verlaten,—hoe schrikkelijk moest dat zijn!”„Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar de tenten redden zouden.”„Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij maar niet bij nacht verrast worden.”„Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken mijn jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor, dat gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten doen en wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen.”„’t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de beslissing aan vader en moeder overlieten.”„Dat is waar.—Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij zullen onze planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee steken, want het wordt al tamelijk laat.”Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk, waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld te wachten.„Gij komt van avond laat, vrienden,” begon mevrouw Wilson. „Ik begon al ongerust te worden, tot ik uwe boot eindelijk in de verte zag.”„Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden nog eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons werk geheel ten einde.”„Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u zoo dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen.”„Ook ik ben met mijn werk klaar,” zeide de heer Wilson: „dezen morgen heb ik de laatste hand aan de omheining gelegd.”„Dat is goed,” sprak Flink; „wij moeten dan eens weder een krijgsraad houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang duren zal.”„Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei gevoelen is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet alleen hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne verlaten;—daarom, dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning opbreken.”„Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest,” gaf Flink ten antwoord.„Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?” riep Willem. „Op mijn woord, ik heb van avond honger voor tien.”„O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die vanmorgen gevangen heeft.”„Ik lust liever schildpadsoep,” verklaarde Thomas.„Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve ricinusboonen,” zeide Flink lachend. „Niet waar, daar wilt gij niet meer van eten?”„Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp zijn.”„O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar bij had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter worden.”„Ik zal ook een man worden,” hernam Thomas.„Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man,” antwoordde de oude Flink. „Kom, ik zal Juno nu maar eens een handje helpen, om het eten op te brengen.”
EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.INSTINCT EN VERSTAND.De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd.Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht Willem zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog iets naders te zeggen.„Dat wil ik gaarne doen,” antwoordde mijnheer Wilson. „Daar vinden wij dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een onthouden van personen en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons menschen zeker niet behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn stal weggeloopen en weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog na twintig jaren zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken zin aangaat, zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer terugvinden, ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de papegaai en dekaketoebezitten een uitmuntend geheugen.„Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren droomen; hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet brommen en blaffen?”„Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader.”„Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene kat, hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg in haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden, als het op zijne prooi loert.„Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar, en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een bewijs daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op den bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij altijd merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf, en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten had.„Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan eenig ander dier;—zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft hem slechts eenebelooning toe te zeggen, en hij zal de verwonderlijkste kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon gevoelig voor lof of blaam.„In Indië worden de olifanten tot het vervoer van zwaar geschut gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer dieren vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het moeras te slepen. „Jaagt het luie dier weg,” riep de commandant van den legertrein, „en laat een ander komen.” De olifant gevoelde zich door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij ’t uiterste beproefde om het stuk met zijn kop voort te stooten, totdat hij zich den kop verpletterde en dood nederviel.„Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die Chunny heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn snuit van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een shilling liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er niet meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en begint eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de uitgestooten lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft, zoodat hij weder in staat is dien te bereiken.„De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een toertje ging doen; alleen ’s Zondags, als deze naar de kerk reed, werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien, hoe deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten, met een wip daarin; maar ’s Zondags was het, alsof zij niets van het rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje liggen.”„Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier geweest zijn!” riep Willem verwonderd.„Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen blijkbaar een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De olifant, het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al het mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal kanarievogels zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en allerlei kunstjes verrichten.”„Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn tusschen verstand en instinct moet trekken, beste vader.”„Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan gehoorzamen zij daarbijaan zekere vaste regelen, waarvan zij nooit afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden plaats hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft, en het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat genomen.„Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de bij, die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst vertoont. Er is zekere vlinder,—men noemt hem doorgaans den doodshoofdvlinder,—die zich zeer gaarne op honig vergast. Het gelukt hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen. De bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen, regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen te bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het doode diertje met was en balsemen het als ’t ware op deze wijze in, zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben.”„Ja, maar kan ’t ook in dit geval niet haar instinct geweest zijn, vader,dat haar zoo handelen deed?” vroeg Willem.„Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet gij die vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in den wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de opening, die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat de eene bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen grooter dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het gemakkelijk door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen nu echter in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met wijde opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld zijn, waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien.”„Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader.”„Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen waterput. Het was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in moeten omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier was, gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen en die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op den grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene laag op de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden, dat hij eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn, die niet begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen hadden aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide.”Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver door en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het magazijn te bergen.Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal naar het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op het strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die zij daarop deels in de boot brachten, deels aan ’t achtereind daarvan vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in weerwil van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water ging.„Nu, Willem,” begon Flink, „hebben we een moeilijk werk achter den rug en ik moet zeggen, ’t is hoog tijd dat wij eindelijk klaarkomen, want onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te worden, zoodat ik haar, zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben, zorgvuldig kalefateren moet.”„Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig hebben,” antwoordde Willem; „eenige vaarten naar de kleine haven zullen wel alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude woning heeft te doen.”„Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en dient althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht gebouwd, gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk gedaan.”„Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed hield, Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar het magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek nemen?”„Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer uitstellen,” antwoordde Flink. „Uw vader heeft intusschen zeker heg en sloot rondom hetyamsplantsoenklaar, en is dit zoo, dan zal uwe moeder toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten willen achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude huis terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht. Ik voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij de tenten bleef, totdat alles gedaan is.”„Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?”„Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet ontkennen.”„Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en is het dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als wij ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonderbeschermingvonden, terwijl wijzelvengedwongen waren, ons huis te verlaten,—hoe schrikkelijk moest dat zijn!”„Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar de tenten redden zouden.”„Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij maar niet bij nacht verrast worden.”„Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken mijn jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor, dat gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten doen en wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen.”„’t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de beslissing aan vader en moeder overlieten.”„Dat is waar.—Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij zullen onze planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee steken, want het wordt al tamelijk laat.”Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk, waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld te wachten.„Gij komt van avond laat, vrienden,” begon mevrouw Wilson. „Ik begon al ongerust te worden, tot ik uwe boot eindelijk in de verte zag.”„Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden nog eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons werk geheel ten einde.”„Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u zoo dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen.”„Ook ik ben met mijn werk klaar,” zeide de heer Wilson: „dezen morgen heb ik de laatste hand aan de omheining gelegd.”„Dat is goed,” sprak Flink; „wij moeten dan eens weder een krijgsraad houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang duren zal.”„Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei gevoelen is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet alleen hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne verlaten;—daarom, dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning opbreken.”„Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest,” gaf Flink ten antwoord.„Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?” riep Willem. „Op mijn woord, ik heb van avond honger voor tien.”„O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die vanmorgen gevangen heeft.”„Ik lust liever schildpadsoep,” verklaarde Thomas.„Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve ricinusboonen,” zeide Flink lachend. „Niet waar, daar wilt gij niet meer van eten?”„Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp zijn.”„O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar bij had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter worden.”„Ik zal ook een man worden,” hernam Thomas.„Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man,” antwoordde de oude Flink. „Kom, ik zal Juno nu maar eens een handje helpen, om het eten op te brengen.”
EEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.INSTINCT EN VERSTAND.
De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd.Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht Willem zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog iets naders te zeggen.„Dat wil ik gaarne doen,” antwoordde mijnheer Wilson. „Daar vinden wij dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een onthouden van personen en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons menschen zeker niet behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn stal weggeloopen en weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog na twintig jaren zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken zin aangaat, zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer terugvinden, ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de papegaai en dekaketoebezitten een uitmuntend geheugen.„Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren droomen; hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet brommen en blaffen?”„Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader.”„Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene kat, hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg in haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden, als het op zijne prooi loert.„Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar, en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een bewijs daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op den bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij altijd merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf, en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten had.„Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan eenig ander dier;—zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft hem slechts eenebelooning toe te zeggen, en hij zal de verwonderlijkste kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon gevoelig voor lof of blaam.„In Indië worden de olifanten tot het vervoer van zwaar geschut gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer dieren vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het moeras te slepen. „Jaagt het luie dier weg,” riep de commandant van den legertrein, „en laat een ander komen.” De olifant gevoelde zich door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij ’t uiterste beproefde om het stuk met zijn kop voort te stooten, totdat hij zich den kop verpletterde en dood nederviel.„Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die Chunny heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn snuit van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een shilling liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er niet meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en begint eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de uitgestooten lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft, zoodat hij weder in staat is dien te bereiken.„De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een toertje ging doen; alleen ’s Zondags, als deze naar de kerk reed, werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien, hoe deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten, met een wip daarin; maar ’s Zondags was het, alsof zij niets van het rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje liggen.”„Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier geweest zijn!” riep Willem verwonderd.„Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen blijkbaar een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De olifant, het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al het mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal kanarievogels zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en allerlei kunstjes verrichten.”„Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn tusschen verstand en instinct moet trekken, beste vader.”„Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan gehoorzamen zij daarbijaan zekere vaste regelen, waarvan zij nooit afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden plaats hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft, en het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat genomen.„Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de bij, die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst vertoont. Er is zekere vlinder,—men noemt hem doorgaans den doodshoofdvlinder,—die zich zeer gaarne op honig vergast. Het gelukt hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen. De bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen, regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen te bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het doode diertje met was en balsemen het als ’t ware op deze wijze in, zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben.”„Ja, maar kan ’t ook in dit geval niet haar instinct geweest zijn, vader,dat haar zoo handelen deed?” vroeg Willem.„Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet gij die vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in den wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de opening, die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat de eene bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen grooter dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het gemakkelijk door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen nu echter in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met wijde opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld zijn, waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien.”„Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader.”„Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen waterput. Het was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in moeten omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier was, gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen en die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op den grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene laag op de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden, dat hij eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn, die niet begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen hadden aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide.”Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver door en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het magazijn te bergen.Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal naar het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op het strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die zij daarop deels in de boot brachten, deels aan ’t achtereind daarvan vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in weerwil van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water ging.„Nu, Willem,” begon Flink, „hebben we een moeilijk werk achter den rug en ik moet zeggen, ’t is hoog tijd dat wij eindelijk klaarkomen, want onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te worden, zoodat ik haar, zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben, zorgvuldig kalefateren moet.”„Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig hebben,” antwoordde Willem; „eenige vaarten naar de kleine haven zullen wel alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude woning heeft te doen.”„Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en dient althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht gebouwd, gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk gedaan.”„Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed hield, Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar het magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek nemen?”„Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer uitstellen,” antwoordde Flink. „Uw vader heeft intusschen zeker heg en sloot rondom hetyamsplantsoenklaar, en is dit zoo, dan zal uwe moeder toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten willen achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude huis terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht. Ik voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij de tenten bleef, totdat alles gedaan is.”„Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?”„Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet ontkennen.”„Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en is het dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als wij ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonderbeschermingvonden, terwijl wijzelvengedwongen waren, ons huis te verlaten,—hoe schrikkelijk moest dat zijn!”„Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar de tenten redden zouden.”„Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij maar niet bij nacht verrast worden.”„Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken mijn jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor, dat gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten doen en wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen.”„’t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de beslissing aan vader en moeder overlieten.”„Dat is waar.—Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij zullen onze planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee steken, want het wordt al tamelijk laat.”Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk, waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld te wachten.„Gij komt van avond laat, vrienden,” begon mevrouw Wilson. „Ik begon al ongerust te worden, tot ik uwe boot eindelijk in de verte zag.”„Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden nog eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons werk geheel ten einde.”„Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u zoo dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen.”„Ook ik ben met mijn werk klaar,” zeide de heer Wilson: „dezen morgen heb ik de laatste hand aan de omheining gelegd.”„Dat is goed,” sprak Flink; „wij moeten dan eens weder een krijgsraad houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang duren zal.”„Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei gevoelen is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet alleen hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne verlaten;—daarom, dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning opbreken.”„Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest,” gaf Flink ten antwoord.„Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?” riep Willem. „Op mijn woord, ik heb van avond honger voor tien.”„O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die vanmorgen gevangen heeft.”„Ik lust liever schildpadsoep,” verklaarde Thomas.„Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve ricinusboonen,” zeide Flink lachend. „Niet waar, daar wilt gij niet meer van eten?”„Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp zijn.”„O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar bij had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter worden.”„Ik zal ook een man worden,” hernam Thomas.„Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man,” antwoordde de oude Flink. „Kom, ik zal Juno nu maar eens een handje helpen, om het eten op te brengen.”
De volgende dag was als Zondag aan de rust gewijd.
Toen de familie des avonds vreedzaam bij elkander zat, verzocht Willem zijn vader, om nu van de verstandelijke vermogens der dieren nog iets naders te zeggen.
„Dat wil ik gaarne doen,” antwoordde mijnheer Wilson. „Daar vinden wij dan vooreerst geheugen, en wel inzonderheid een onthouden van personen en plaatsen, dat in getrouwheid voor dat van ons menschen zeker niet behoeft onder te doen. Een olifant, die uit zijn stal weggeloopen en weer in zijne oude bosschen gevlucht was, kende nog na twintig jaren zijn voormaligen drijver weder. Wat den plaatselijken zin aangaat, zoo zal b. v. een hond de vroegere woning van zijn heer terugvinden, ook al was hij er honderd uren ver vandaan geweest. Ook de papegaai en dekaketoebezitten een uitmuntend geheugen.
„Een tweede bewijs voor hun geheugen is, dat de dieren droomen; hoe dikwijls hoort gij Romulus en Remus in den slaap niet brommen en blaffen?”
„Dat heb ik meermalen opgemerkt, vader.”
„Verder doen zij ook opmerkzaamheid blijken. Zie eens eene kat, hoe zij uren lang geduldig voor een gat zit en wacht tot de muis er uitkomt. Eene spin wacht dagen lang, totdat eindelijk eene vlieg in haar net verward raakt; en zoo zult gij het bij elk dier vinden, als het op zijne prooi loert.
„Ook een aaneenschakeling van gedachten is bij hen merkbaar, en wat is dit anders dan eene werkzaamheid van het verstand? Een bewijs daarvan levert de hond; hij zal b. v. een net gekleed mensch doodbedaard op zijne deur laten toekomen, terwijl hij dreigend op den bedelaar aanvliegt. Heeft hij iets te bewaken, dan zult gij altijd merken, dat hij een voorbijganger ongestoord laat gaan, maar daarentegen oogenblikkelijk begint te blaffen, als iemand voor hem staan blijft. Ik heb in Sidney een hond gekend, die op de plantage van zijn meester de wacht moest houden en telkens, als hij een mensch het goed hoorde naderen, op den kleinen muur sprong, die de plaats omgaf, en den aankomeling op zijde bleef, totdat deze de buurt verlaten had.
„Bij den olifant valt dit vermogen der gedachtenverbinding nog duidelijker in het oog; hij verstaat wat men hem zegt veel beter dan eenig ander dier;—zijn verstand is werkelijk ongemeen. Men heeft hem slechts eenebelooning toe te zeggen, en hij zal de verwonderlijkste kunststukken verrichten; ook is hij buitengewoon gevoelig voor lof of blaam.
„In Indië worden de olifanten tot het vervoer van zwaar geschut gebruikt. Eens gebeurde het, dat een van de fraaiste dezer dieren vruchteloos zijne krachten inspande, om een kanon door het moeras te slepen. „Jaagt het luie dier weg,” riep de commandant van den legertrein, „en laat een ander komen.” De olifant gevoelde zich door dit verwijt zoo diep gekrenkt, dat hij ’t uiterste beproefde om het stuk met zijn kop voort te stooten, totdat hij zich den kop verpletterde en dood nederviel.
„Op de beurs te Exeter had men langen tijd een olifant, die Chunny heette. Dezen had men geleerd, de kleinste geldstukken met zijn snuit van den grond op te rapen. Eens gebeurde het hem, dat hij een shilling liet vallen, die daarop tegen den muur aanrolde, zoodat hij er niet meer bij kon. Chunny blijft staan, bedenkt zich een poosje en begint eindelijk met zijn snuit zoo geweldig te blazen, dat de uitgestooten lucht den shilling van den muur af en naar hem toedrijft, zoodat hij weder in staat is dien te bereiken.
„De dieren bezitten ook nog andere eigenschappen, zooals onder andere een scherpen zin voor de tijdverdeeling. Zoo kende ik twee honden, die aan eene dame toebehoorden. Deze dieren mochten altijd medegaan, wanneer hunne meesteres in de week met haar rijtuig een toertje ging doen; alleen ’s Zondags, als deze naar de kerk reed, werden zij natuurlijk niet medegenomen. Nu was het vreemd te zien, hoe deze beide honden evengoed als hunne meesteres wisten, wanneer het Zondag was. In de week als het rijtuig voor de deur stilhield, kwamen zij vroolijk aanspringen en waren, zoodra de tree werd neergelaten, met een wip daarin; maar ’s Zondags was het, alsof zij niets van het rijtuig merkten en bleven zij bedaard op hun plaatsje liggen.”
„Dit is waarlijk merkwaardig; wat moet dat een verstandig dier geweest zijn!” riep Willem verwonderd.
„Ook zijn de dieren voor onderrichting vatbaar, hetgeen blijkbaar een nieuw bewijs voor hunne verstandelijke vermogens is. De olifant, het paard, de hond en andere dieren, zelfs vogels, kunnen al het mogelijke aanleeren. Zoo kan men op kermissen menigmaal kanarievogels zien, die kanonnetjes afsteken, zich dood houden en allerlei kunstjes verrichten.”
„Maar nu weet ik nog altijd niet, waar men de grenslijn tusschen verstand en instinct moet trekken, beste vader.”
„Ik was juist op het punt om daartoe over te gaan, Willem. Als de dieren bij het uitgaan op hun voedsel, het grootbrengen hunner jongen en bij hunne voorzorgen tegen gevaren het instinct volgen, dan gehoorzamen zij daarbijaan zekere vaste regelen, waarvan zij nooit afwijken. Daarbij kunnen echter altijd weer omstandigheden plaats hebben, waartegen het instinct hun geen hulpmiddelen verschaft, en het is in zulk een geval, dat hun verstand moet worden te baat genomen.
„Ik wil dit gezegde nader ophelderen met het voorbeeld van de bij, die een der dieren is, bij wie het instinct zich het werkzaamst vertoont. Er is zekere vlinder,—men noemt hem doorgaans den doodshoofdvlinder,—die zich zeer gaarne op honig vergast. Het gelukt hem somwijlen in een bijenkorf en tot de cellen door te dringen. De bijen grijpen dezen vijand dadelijk aan en dooden hem met hare angels; doch zijn lijk is zoo groot, dat zij het niet uit den korf kunnen brengen, wat bij kleinere insecten, die bij haar indringen, regelmatig geschiedt, naardien zij een zeer fijnen reuk schijnen te bezitten. Wat doen zij dus, om den stank, die van het verrottend lichaam der kapel te vreezen is, te keer te gaan? Zij overtrekken het doode diertje met was en balsemen het als ’t ware op deze wijze in, zoodat zij er volstrekt geen last meer van hebben.”
„Ja, maar kan ’t ook in dit geval niet haar instinct geweest zijn, vader,dat haar zoo handelen deed?” vroeg Willem.
„Als dit geval bij wilde bijen ware voorgekomen, dan kondet gij die vraag met recht doen, Willem. Nu echter weet gij, dat bijen in den wilden staat in uitgeholde boomen leven en dat in dit geval de opening, die naar het hol voert, juist maar even groot genoeg is, dat de eene bij er na de andere door kan. Natuurlijk kan er dan geen grooter dier meer indringen, en al wilde het dat ook, zoo zou het gemakkelijk door den grooten zwerm worden afgeweerd. Ik neem de bijen nu echter in haren kunstmatigen toestand, als zij in een bijenkorf met wijde opening opgesloten en aldus aan het vermelde geval blootgesteld zijn, waarin zij op de gezegde wijze weten te voorzien.”
„Nu heb ik het onderscheid begrepen, vader.”
„Nog een voorbeeld: Een olifant viel eens in een diepen waterput. Het was onmogelijk hem er uit te halen, en hij had er dus in moeten omkomen; maar zijn drijver, die wel wist, hoe schrander het dier was, gaf den raad om eene menigte zware takkenbossen bijeen te brengen en die den olifant in den put toe te werpen. Het dier begreep dan ook heel goed, wat men daarmee voorhad. Hij vlijdde de takkebossen op den grond neder en plaatste zich daarop; zoo ging hij voort de eene laag op de andere te leggen, tot die zulk eene hoogte bereikt hadden, dat hij eindelijk uit den kuil komen kon. Er zouden wel menschen zijn, die niet begrepen, wat zij in een soortgelijk geval met de takkebossen hadden aan te vangen, als men hun dat niet eerst zeide.”
Zij arbeidden de volgende gansche week met den grootsten ijver door en hadden eindelijk op Zaterdagavond hunne taak verricht. Met uitzondering van de geborgen scheepsplanken, was thans al het overige naar de oostelijke baai vervoerd. Echter lag er nog veel op het strand verstrooid, daar de tijd niet toereikend geweest was om alles in het magazijn te bergen.
Zaterdag, in den vroegen morgen, roeiden zij voor de laatste maal naar het kokosbosch en Flink zocht onder de wrakhouten, die overal op het strand verstrooid lagen, een aantal eiken balken en posten op, die zij daarop deels in de boot brachten, deels aan ’t achtereind daarvan vastmaakten. Dit gaf een zeer zware lading, zoodat de boot, in weerwil van de stevige koelte, slechts zeer langzaam door het water ging.
„Nu, Willem,” begon Flink, „hebben we een moeilijk werk achter den rug en ik moet zeggen, ’t is hoog tijd dat wij eindelijk klaarkomen, want onze boot begint vrij zwak en bouwvallig te worden, zoodat ik haar, zoodra wij eens weer tijd daartoe hebben, zorgvuldig kalefateren moet.”
„Wij zullen haar nu ook zoo dikwijls niet meer noodig hebben,” antwoordde Willem; „eenige vaarten naar de kleine haven zullen wel alles zijn, wat zij voor ons terugkeeren naar de oude woning heeft te doen.”
„Dat is waar, Willem en zij heeft ook reeds een duchtig lek en dient althans spoedig met zorg geteerd te worden. Voor een zoo licht gebouwd, gebrekkig ding, heeft zij hare diensten kostelijk gedaan.”
„Het heeft mij al dikwijls verwonderd, dat zij zich zoo goed hield, Flink. Maar wat dunkt u, zullen we nu aanstaanden Maandag naar het magazijn opbreken en daar in het vervolg onzen intrek nemen?”
„Zeker, Willem; we mogen dat volstrekt niet langer uitstellen,” antwoordde Flink. „Uw vader heeft intusschen zeker heg en sloot rondom hetyamsplantsoenklaar, en is dit zoo, dan zal uwe moeder toch ook niet alleen met Juno en de kleinen in de tenten willen achterblijven. Zoo zullen wij nu het beste doen om naar het oude huis terug te keeren, totdat het magazijn geheel in orde is gebracht. Ik voor mij zou echter veel liever zien, dat uw moeder stilletjes bij de tenten bleef, totdat alles gedaan is.”
„Omdat gij een bezoek van de wilden vreest, Flink?”
„Ja, waarlijk, beste jongen, ik wil het niet ontkennen.”
„Maar, Flink, als zij komen, dan zien wij dat vroeg genoeg; en is het dan niet veel beter, dat wij allen bij elkander zijn, zelfs als wij ons voor hen verbergen moesten, omdat we nog niet behoorlijk waren voorbereid? Stel u het geval eens voor, dat de wilden het eiland overvielen en mijne moeder, mijne broertjes en zusjes geheel zonderbeschermingvonden, terwijl wijzelvengedwongen waren, ons huis te verlaten,—hoe schrikkelijk moest dat zijn!”
„Ja, Willem, ik reken er op, dat wij ons in dat geval nog naar de tenten redden zouden.”
„Dat kunnen wij echter ook allen gezamenlijk, Flink, als wij maar niet bij nacht verrast worden.”
„Daar moeten wij met alle zorgvuldigheid tegen zoeken te waken mijn jongen. Gelukkig is het licht in het tegenwoordige seizoen weinig langer dan drie uren van den hemel. Het komt mij overigens voor, dat gij gelijk hebt, Willem. Bovendien kan Juno ons goede diensten doen en wij zullen door haar te eer met ons werk klaarkomen.”
„’t Zou misschien wel het best zijn, dat wij de beslissing aan vader en moeder overlieten.”
„Dat is waar.—Nu, daar is eindelijk de landpunt ook; wij zullen onze planken gauw aan land brengen en dan dadelijk weer in zee steken, want het wordt al tamelijk laat.”
Zij bereikten de kleine haven werkelijk veel later dan gewoonlijk, waaraan de zware lading schuld was, zoodat de boot niet dan zeer langzaam naar de baai was voortgedreven. Bij hunne aankomst stonden vader, moeder en de kinderen allen op het strand hen met ongeduld te wachten.
„Gij komt van avond laat, vrienden,” begon mevrouw Wilson. „Ik begon al ongerust te worden, tot ik uwe boot eindelijk in de verte zag.”
„Ja, lieve moeder, wij konden het niet anders maken; we hadden nog eene zware lading over te brengen, maar nu zijn wij ook met ons werk geheel ten einde.”
„Dat hoor ik met blijdschap, Willem, want het valt mij hard, u zoo dagen achtereen in het geheel niet te zien te krijgen.”
„Ook ik ben met mijn werk klaar,” zeide de heer Wilson: „dezen morgen heb ik de laatste hand aan de omheining gelegd.”
„Dat is goed,” sprak Flink; „wij moeten dan eens weder een krijgsraad houden, die echter nu, denk ik, niet al te lang duren zal.”
„Ik hoop het althans niet, Flink; want als men van eenerlei gevoelen is, zal dat zelden het geval zijn. Mijne vrouw wil liefst niet alleen hier achterblijven en ik zou haar niet gaarne verlaten;—daarom, dunkt mij, moeten wij Maandag naar onze woning opbreken.”
„Recht gaarne, mijnheer, als gij dat verkiest,” gaf Flink ten antwoord.
„Juno, ik hoop toch, dat gij iets goeds te eten hebt?” riep Willem. „Op mijn woord, ik heb van avond honger voor tien.”
„O ja, massa Willem, gebakken visch heele boel; massa zelf die vanmorgen gevangen heeft.”
„Ik lust liever schildpadsoep,” verklaarde Thomas.
„Ik geloof, dat sinjeur Thomas alles lust behalve ricinusboonen,” zeide Flink lachend. „Niet waar, daar wilt gij niet meer van eten?”
„Neen, zeker niet; maar ik wil bananen eten, zoodra ze rijp zijn.”
„O, gij hadt ze zeker ook al vroeger geproefd, als gij er maar bij had kunnen komen; doch daartoe moet gij eerst nog grooter worden.”
„Ik zal ook een man worden,” hernam Thomas.
„Dat hoop ik en wel een recht braaf, uitstekend man,” antwoordde de oude Flink. „Kom, ik zal Juno nu maar eens een handje helpen, om het eten op te brengen.”