TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.GROOTHEID VAN HET DIERENRIJK.De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan de rust gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen arbeid van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij recht duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is.Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle toebereidselen te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude woning terug te keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de zuidkust blijven, waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men wilde slechts eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam van melk kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig keukengereedschap daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als zij hierheen kwamen, om naar de bananen en yamswortels of naar de schapen en geiten om te zien, niet onder den blooten hemel zouden behoeven te slapen en de middelen mochten vinden om zich een behoorlijk maal te bereiden.Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het bosch op weg gaan.Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunneeigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over dit onderwerp hoorde spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem eensklaps de vraag op:„Ei, vader, men zegt wel eens: „zoo dom als een ezel!” Is de ezel dan werkelijk zulk een dom dier?”„Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die benaming wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige andere reden gegeven. Men zegt veelal, „dom als een ezel, dom als een varken of als eene gans,” doch doet die dieren daarbij groot ongelijk, daar geen van hen dien bijnaam verdient.„Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan ook geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In het zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel warmer is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan.„Wanneer wij hem echter in al zijn volmaaktheid willen zien, dan moeten wij in de warme luchtstreek naar Guinea vlak onder den evenaar gaan. Daar, in de heetste streek der aarde, is het vaderland van den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat een fraai dier, snel als de wind.”„Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil, vader?”„Natuurlijk—en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij boomen en planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de verwisseling daarvan gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche Indische zeeman, is op de warme, zonnige Indische wateren vol vroolijkheid en leven, doch zoodra hij in het Britsche Kanaal komt en de vingers hem van koude verkleumen, wordt hij traag, onwillig, kortom in alles een beklagenswaardig wezen.„Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van klimaat goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd voedsel gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in Arabië te huis behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de koude luchtstreek, daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en in Rusland verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien, schapen, varkens, enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het rundvee in Canada gedurende den winter voor een groot deel met visch wordt gevoed.„Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren, b. v. de wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke warmtegraad kunnenleven. Bij schapen en geiten ziet men een merkwaardig verschijnsel,—blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd zijn, om zich overal op de aarde te verbreiden,—dit namelijk, dat zij onder de heete hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en bijna enkel haren ter bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer vacht oogenblikkelijk weder aannemen, als zij naar kouder streken worden overgebracht.„Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere dieren merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden worden overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen langzamerhand eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich ophouden. De kleine wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters gedood en aan de schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en in andere koude landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels zoo hooggeschat en door keizers en koningen gedragen wordt.„Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren, welke slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook doorgaans zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en daar ook het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b. v. den kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland geschapen werd en zonder ’t welk alle gemeenschap tusschen Azië en Afrika moest ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat hij met gemak door het zand waden kan; hij voedt zich met de schrale gewassen en ziltige planten, die men daar nog aantreft, en heeft de bijzondere eigenschap, dat hij in eene soort van tweede maag een voorraad van water medevoert, om in streken, waar men dat niet vindt, er zijn leven bij te houden.”„Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen nut zijn, vader?”„Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en enkele zelfs, die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal tot ons lot; wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij ons lastig of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld doen. Zoo zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij toch de schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur.”
TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.GROOTHEID VAN HET DIERENRIJK.De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan de rust gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen arbeid van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij recht duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is.Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle toebereidselen te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude woning terug te keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de zuidkust blijven, waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men wilde slechts eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam van melk kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig keukengereedschap daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als zij hierheen kwamen, om naar de bananen en yamswortels of naar de schapen en geiten om te zien, niet onder den blooten hemel zouden behoeven te slapen en de middelen mochten vinden om zich een behoorlijk maal te bereiden.Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het bosch op weg gaan.Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunneeigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over dit onderwerp hoorde spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem eensklaps de vraag op:„Ei, vader, men zegt wel eens: „zoo dom als een ezel!” Is de ezel dan werkelijk zulk een dom dier?”„Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die benaming wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige andere reden gegeven. Men zegt veelal, „dom als een ezel, dom als een varken of als eene gans,” doch doet die dieren daarbij groot ongelijk, daar geen van hen dien bijnaam verdient.„Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan ook geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In het zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel warmer is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan.„Wanneer wij hem echter in al zijn volmaaktheid willen zien, dan moeten wij in de warme luchtstreek naar Guinea vlak onder den evenaar gaan. Daar, in de heetste streek der aarde, is het vaderland van den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat een fraai dier, snel als de wind.”„Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil, vader?”„Natuurlijk—en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij boomen en planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de verwisseling daarvan gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche Indische zeeman, is op de warme, zonnige Indische wateren vol vroolijkheid en leven, doch zoodra hij in het Britsche Kanaal komt en de vingers hem van koude verkleumen, wordt hij traag, onwillig, kortom in alles een beklagenswaardig wezen.„Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van klimaat goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd voedsel gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in Arabië te huis behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de koude luchtstreek, daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en in Rusland verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien, schapen, varkens, enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het rundvee in Canada gedurende den winter voor een groot deel met visch wordt gevoed.„Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren, b. v. de wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke warmtegraad kunnenleven. Bij schapen en geiten ziet men een merkwaardig verschijnsel,—blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd zijn, om zich overal op de aarde te verbreiden,—dit namelijk, dat zij onder de heete hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en bijna enkel haren ter bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer vacht oogenblikkelijk weder aannemen, als zij naar kouder streken worden overgebracht.„Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere dieren merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden worden overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen langzamerhand eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich ophouden. De kleine wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters gedood en aan de schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en in andere koude landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels zoo hooggeschat en door keizers en koningen gedragen wordt.„Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren, welke slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook doorgaans zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en daar ook het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b. v. den kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland geschapen werd en zonder ’t welk alle gemeenschap tusschen Azië en Afrika moest ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat hij met gemak door het zand waden kan; hij voedt zich met de schrale gewassen en ziltige planten, die men daar nog aantreft, en heeft de bijzondere eigenschap, dat hij in eene soort van tweede maag een voorraad van water medevoert, om in streken, waar men dat niet vindt, er zijn leven bij te houden.”„Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen nut zijn, vader?”„Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en enkele zelfs, die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal tot ons lot; wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij ons lastig of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld doen. Zoo zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij toch de schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur.”
TWEE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.GROOTHEID VAN HET DIERENRIJK.
De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan de rust gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen arbeid van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij recht duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is.Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle toebereidselen te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude woning terug te keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de zuidkust blijven, waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men wilde slechts eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam van melk kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig keukengereedschap daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als zij hierheen kwamen, om naar de bananen en yamswortels of naar de schapen en geiten om te zien, niet onder den blooten hemel zouden behoeven te slapen en de middelen mochten vinden om zich een behoorlijk maal te bereiden.Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het bosch op weg gaan.Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunneeigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over dit onderwerp hoorde spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem eensklaps de vraag op:„Ei, vader, men zegt wel eens: „zoo dom als een ezel!” Is de ezel dan werkelijk zulk een dom dier?”„Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die benaming wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige andere reden gegeven. Men zegt veelal, „dom als een ezel, dom als een varken of als eene gans,” doch doet die dieren daarbij groot ongelijk, daar geen van hen dien bijnaam verdient.„Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan ook geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In het zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel warmer is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan.„Wanneer wij hem echter in al zijn volmaaktheid willen zien, dan moeten wij in de warme luchtstreek naar Guinea vlak onder den evenaar gaan. Daar, in de heetste streek der aarde, is het vaderland van den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat een fraai dier, snel als de wind.”„Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil, vader?”„Natuurlijk—en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij boomen en planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de verwisseling daarvan gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche Indische zeeman, is op de warme, zonnige Indische wateren vol vroolijkheid en leven, doch zoodra hij in het Britsche Kanaal komt en de vingers hem van koude verkleumen, wordt hij traag, onwillig, kortom in alles een beklagenswaardig wezen.„Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van klimaat goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd voedsel gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in Arabië te huis behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de koude luchtstreek, daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en in Rusland verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien, schapen, varkens, enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het rundvee in Canada gedurende den winter voor een groot deel met visch wordt gevoed.„Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren, b. v. de wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke warmtegraad kunnenleven. Bij schapen en geiten ziet men een merkwaardig verschijnsel,—blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd zijn, om zich overal op de aarde te verbreiden,—dit namelijk, dat zij onder de heete hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en bijna enkel haren ter bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer vacht oogenblikkelijk weder aannemen, als zij naar kouder streken worden overgebracht.„Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere dieren merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden worden overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen langzamerhand eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich ophouden. De kleine wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters gedood en aan de schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en in andere koude landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels zoo hooggeschat en door keizers en koningen gedragen wordt.„Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren, welke slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook doorgaans zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en daar ook het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b. v. den kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland geschapen werd en zonder ’t welk alle gemeenschap tusschen Azië en Afrika moest ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat hij met gemak door het zand waden kan; hij voedt zich met de schrale gewassen en ziltige planten, die men daar nog aantreft, en heeft de bijzondere eigenschap, dat hij in eene soort van tweede maag een voorraad van water medevoert, om in streken, waar men dat niet vindt, er zijn leven bij te houden.”„Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen nut zijn, vader?”„Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en enkele zelfs, die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal tot ons lot; wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij ons lastig of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld doen. Zoo zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij toch de schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur.”
De volgende dag was weder een Zondag en derhalve aan de rust gewijd. Inderdaad hadden onze vrienden die na den ingespannen arbeid van de voorgaande week hoog noodig en thans eerst gevoelden zij recht duidelijk, hoe weldadig zulk een verademing is.
Na het eten hield men raad en kwam overeen, Maandag alle toebereidselen te maken, om de tenten te verlaten en naar de oude woning terug te keeren. De schapen en geiten zouden vooreerst aan de zuidkust blijven, waar zij uitmuntend voedsel in overvloed hadden. Men wilde slechts eene enkele geit medenemen, die het huisgezin genoegzaam van melk kon voorzien. Ook besloot men de tenten, met eenig keukengereedschap daarin, te laten staan, opdat Willem en Flink, als zij hierheen kwamen, om naar de bananen en yamswortels of naar de schapen en geiten om te zien, niet onder den blooten hemel zouden behoeven te slapen en de middelen mochten vinden om zich een behoorlijk maal te bereiden.
Willem en Flink moesten de bedden enz. in de boot naar de oostkust brengen, hetgeen in twee vaarten te doen was. Mijnheer en mevrouw Wilson wilden vroeg ontbijten en dan met de verdere familie door het bosch op weg gaan.
Des avonds bracht Willem het gesprek weder op de dieren en hunneeigenschappen, daar hij zijn vader gaarne over dit onderwerp hoorde spreken. In den loop van dit gesprek wierp Willem eensklaps de vraag op:
„Ei, vader, men zegt wel eens: „zoo dom als een ezel!” Is de ezel dan werkelijk zulk een dom dier?”
„Neen, Willem; integendeel is hij zeer scherpzinnig en die benaming wordt hem meer om zijn stroeven, koppigen aard dan om eenige andere reden gegeven. Men zegt veelal, „dom als een ezel, dom als een varken of als eene gans,” doch doet die dieren daarbij groot ongelijk, daar geen van hen dien bijnaam verdient.
„Bij den ezel kan hiervan licht de reden zijn, dat wij in ons noordelijk vaderland slechts de minste bastaardsoorten bezitten. Klein en gebrekkig, gelijk wij hen daar zien, geeft men hun noch haver noch eenig ander krachtig voeder, behandelt hen slecht en zoo is het dan ook geen wonder, dat zij tot trage, stijfkoppige dieren ontaarden. Het klimaat van het noordelijk Europa is veel te koud voor den ezel. In het zuiden van Frankrijk, aan de Middellandsche Zee, waar het veel warmer is, treffen we den ezel ook als een veel fraaier dier aan.
„Wanneer wij hem echter in al zijn volmaaktheid willen zien, dan moeten wij in de warme luchtstreek naar Guinea vlak onder den evenaar gaan. Daar, in de heetste streek der aarde, is het vaderland van den ezel; daar is hij in zijn natuurstaat een fraai dier, snel als de wind.”
„Maakt dan het klimaat zulk een groot verschil, vader?”
„Natuurlijk—en dat niet alleen bij dieren, maar ook bij boomen en planten en zelfs bij den mensch, totdat hij aan de verwisseling daarvan gewoon is. De lascaar, d. i. de inlandsche Indische zeeman, is op de warme, zonnige Indische wateren vol vroolijkheid en leven, doch zoodra hij in het Britsche Kanaal komt en de vingers hem van koude verkleumen, wordt hij traag, onwillig, kortom in alles een beklagenswaardig wezen.
„Onder de dieren vindt men vele, die de verwisseling van klimaat goed verdragen en zich zelf aan een hun anders geheel vreemd voedsel gewennen kunnen. Het paard b. v. dat oorspronkelijk in Arabië te huis behoort, tiert evengoed in de gematigde als in de koude luchtstreek, daar het zelfs den harden winter in Noord-Amerika en in Rusland verduren kan. Zoo ook andere huisdieren, als koeien, schapen, varkens, enz. Eene opmerkelijke bijzonderheid is, dat het rundvee in Canada gedurende den winter voor een groot deel met visch wordt gevoed.
„Behalve de reeds opgenoemde, zijn er ook nog andere dieren, b. v. de wolf, de vos, de haas en het konijn, die onder elke warmtegraad kunnenleven. Bij schapen en geiten ziet men een merkwaardig verschijnsel,—blijkbaar ten bewijze, dat zij bestemd zijn, om zich overal op de aarde te verbreiden,—dit namelijk, dat zij onder de heete hemelstreken hun warm, wollig kleed afwerpen en bijna enkel haren ter bedekking overhouden, terwijl zij hunne warmer vacht oogenblikkelijk weder aannemen, als zij naar kouder streken worden overgebracht.
„Dit toenemen van het ruige bekleedsel is nog bij vele andere dieren merkbaar zoodra zij uit warmer streken meer naar het noorden worden overgeplant. Wolven, vossen, hazen en konijnen verkrijgen langzamerhand eene witte vacht, hoe verder noordelijk zij zich ophouden. De kleine wezel, die bij ons door de veld- en boschwachters gedood en aan de schuurdeuren gespijkerd wordt, verandert in Rusland en in andere koude landen in dat fraaie, witte hermelijntje, welks pels zoo hooggeschat en door keizers en koningen gedragen wordt.
„Hierbij valt alleen op te merken, Willem, dat zulke dieren, welke slechts voor een bijzonder werelddeel bestemd werden, ook doorgaans zoo zijn toegerust, als zij voor hun land best passen, en daar ook het meest geschikte voedsel voor hunne soort vinden. Neem b. v. den kameel, een dier, dat uitsluitend voor zijn geboorteland geschapen werd en zonder ’t welk alle gemeenschap tusschen Azië en Afrika moest ophouden. Zijne pooten zijn zoo gevormd, dat hij met gemak door het zand waden kan; hij voedt zich met de schrale gewassen en ziltige planten, die men daar nog aantreft, en heeft de bijzondere eigenschap, dat hij in eene soort van tweede maag een voorraad van water medevoert, om in streken, waar men dat niet vindt, er zijn leven bij te houden.”
„Er zijn zeker ook vele dieren, die voor den mensch van geen nut zijn, vader?”
„Vele althans bij wie dit het geval schijnt te wezen, en enkele zelfs, die hem hoogst verderfelijk zijn. Dit behoort nu eenmaal tot ons lot; wij mogen hen daarom ook uitroeien en verdelgen, als zij ons lastig of gevaarlijk worden, gelijk wij dat den distel op het veld doen. Zoo zij echter ook al van geen nut voor ons zijn, verhoogen zij toch de schoonheid en rijke verscheidenheid der natuur.”