TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS.Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging toen naar de tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond, aandachtig luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de verrichtingen en ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks komst werd dadelijk alles voor morgen afgesproken. Toen ging men slapen, en alleen de oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de hoenders te vangen en hun de pooten saam tebinden, zoodat men ze den volgenden ochtend gemakkelijk in de boot vervoeren kon.Vóór dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo schielijk mogelijk aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en kinderen geslapen hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering van dezen en van Thomas, die in de vrouwentent—gelijk men haar noemde—onder dak was, hadden de overigen onder den blooten hemel geslapen, op stukken zeildoek, welke men daartoe onder de dichte kokosboomen op den grond had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en eene opschudding op dezen morgen! Alles kwam in repenroer. Zoodra mevrouw Wilson gekleed was, werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder toebehooren in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook borden, messen, lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink de hoenders daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het gezicht.Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit en weesden weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den arm, Juno met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met Thomas aan de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen moest. Met een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen na zooveel doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal zagen zij naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de scheepslading, die naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden zij het woud in.Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene verblijfplaats aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij zijne lading begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die hij den vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest nog, gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig af. Nu ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur aan; vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te koken.Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met eenige sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles behoorlijk doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de schaduw op, waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de lading uit de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker pooten in den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer herstelden en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten.Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit de boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur omzag en nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij het beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken, die hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle uren noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want deze lag eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren zwaar, zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk verricht had en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten.„Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen konden,” dacht Flink; „zij moeten nu al bijna vier uren onder weg zijn. Maar misschien zijn ze later vertrokken. Het is geen gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met kinderen in beweging te brengen.” Zoo wachtte hij nog een kwartier, stookte het vuur op en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af te schuimen, tot eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen.„Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn,” dacht de oude man.En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheenhet gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en afgemat, gelijk hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu, dat de kleine Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over vermoeidheid geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later had ook mevrouw Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een kwartiertje moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij moeder had willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en verklaarde dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er niemand was, die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen, totdat men besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate bekomen zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen en te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen, zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest, eene geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst nadat men zich door een dronk uit Willem’s flesch verkwikt had, ging het weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste zóó moe en uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de kleinen eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de plaats, waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had gezien.„Mij dunkt,” zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan Juno te hebben overgegeven, „dat de dagreis van heden, hoe klein ook, het beste bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden, Flink.”„Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt, mijnheer,” antwoordde de oude man. „Het is mij een zwaar pak van het hart, want nu eerst zal het met ons allen beter gaan. Me dunkt, na eenigen tijd zult gij hier recht genoeglijk kunnen wonen, maar daartoe hebben wij nog veel te doen. Zoodra mevrouw wat heeft uitgerust, willen wij ons middagmaal gebruiken en dan onze eigene tent vastmaken, wat nog werk en omslag genoeg zal wezen. Morgen zullen wij dan ernstig met onzen nieuwen arbeid aanvangen.”„Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?”„Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij niet missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het overige kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij er eens tijd toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot gedaan heb, kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan.”„Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets doen?”„O ja, er is werk in overvloed voor u.”„Wilt gij Willem meenemen?”„Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij ook zonder hem redden.”Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij wat van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in slaap. Men wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline, om gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan.„Hé, beste Flink,” riep Willem, toen deze het deksel van den ketel nam, „wat een heerlijke soep hebt gij daar toch!”„Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag eens onthalen wou,” antwoordde Flink. „Ik weet dat gij allen het pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij vandaag eens als aan eene burgermeesterstafel smullen.”„Maar zeg, Flink, wat is het?” vroeg mevrouw Wilson. „De reuk er van is heerlijk althans.”„Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken zal. Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn, wel meer voorzetten.”„Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout in. Gij hebt dat toch nog, Juno?”„Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op,” antwoordde deze.„Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde loopt?” vroeg mevrouw Wilson.„Juno moet ander halen,” gaf Flink ten antwoord.„Ikke halen ander?—Ikke hebben geen zier meer,” hernam Juno en zag den ouden man verwonderd aan.„Daar buiten is het in overvloed, Juno,” zeide mijnheer Wilson en wees naar den zeekant.„Ikke niets daarvan zien kan,” antwoordde zij.„Hoe meent gij dat, lieve?” vroeg mevrouw Wilson eindelijk.„Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat zelven bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts zeewater in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene drogerij aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het zout op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen of anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men er spoediger mee klaar komt.”„Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken, mevrouw,”zeide Flink; „en ik zal dan Juno wijzen, hoe zij zichzelve altijd redden kan.”Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo dikwijls bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na geëindigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen, terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede tent opsloegen en alles vóór den nacht in gereedheid brachten. Het was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS.Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging toen naar de tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond, aandachtig luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de verrichtingen en ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks komst werd dadelijk alles voor morgen afgesproken. Toen ging men slapen, en alleen de oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de hoenders te vangen en hun de pooten saam tebinden, zoodat men ze den volgenden ochtend gemakkelijk in de boot vervoeren kon.Vóór dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo schielijk mogelijk aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en kinderen geslapen hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering van dezen en van Thomas, die in de vrouwentent—gelijk men haar noemde—onder dak was, hadden de overigen onder den blooten hemel geslapen, op stukken zeildoek, welke men daartoe onder de dichte kokosboomen op den grond had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en eene opschudding op dezen morgen! Alles kwam in repenroer. Zoodra mevrouw Wilson gekleed was, werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder toebehooren in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook borden, messen, lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink de hoenders daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het gezicht.Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit en weesden weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den arm, Juno met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met Thomas aan de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen moest. Met een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen na zooveel doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal zagen zij naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de scheepslading, die naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden zij het woud in.Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene verblijfplaats aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij zijne lading begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die hij den vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest nog, gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig af. Nu ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur aan; vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te koken.Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met eenige sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles behoorlijk doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de schaduw op, waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de lading uit de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker pooten in den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer herstelden en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten.Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit de boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur omzag en nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij het beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken, die hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle uren noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want deze lag eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren zwaar, zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk verricht had en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten.„Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen konden,” dacht Flink; „zij moeten nu al bijna vier uren onder weg zijn. Maar misschien zijn ze later vertrokken. Het is geen gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met kinderen in beweging te brengen.” Zoo wachtte hij nog een kwartier, stookte het vuur op en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af te schuimen, tot eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen.„Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn,” dacht de oude man.En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheenhet gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en afgemat, gelijk hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu, dat de kleine Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over vermoeidheid geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later had ook mevrouw Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een kwartiertje moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij moeder had willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en verklaarde dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er niemand was, die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen, totdat men besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate bekomen zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen en te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen, zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest, eene geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst nadat men zich door een dronk uit Willem’s flesch verkwikt had, ging het weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste zóó moe en uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de kleinen eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de plaats, waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had gezien.„Mij dunkt,” zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan Juno te hebben overgegeven, „dat de dagreis van heden, hoe klein ook, het beste bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden, Flink.”„Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt, mijnheer,” antwoordde de oude man. „Het is mij een zwaar pak van het hart, want nu eerst zal het met ons allen beter gaan. Me dunkt, na eenigen tijd zult gij hier recht genoeglijk kunnen wonen, maar daartoe hebben wij nog veel te doen. Zoodra mevrouw wat heeft uitgerust, willen wij ons middagmaal gebruiken en dan onze eigene tent vastmaken, wat nog werk en omslag genoeg zal wezen. Morgen zullen wij dan ernstig met onzen nieuwen arbeid aanvangen.”„Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?”„Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij niet missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het overige kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij er eens tijd toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot gedaan heb, kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan.”„Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets doen?”„O ja, er is werk in overvloed voor u.”„Wilt gij Willem meenemen?”„Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij ook zonder hem redden.”Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij wat van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in slaap. Men wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline, om gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan.„Hé, beste Flink,” riep Willem, toen deze het deksel van den ketel nam, „wat een heerlijke soep hebt gij daar toch!”„Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag eens onthalen wou,” antwoordde Flink. „Ik weet dat gij allen het pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij vandaag eens als aan eene burgermeesterstafel smullen.”„Maar zeg, Flink, wat is het?” vroeg mevrouw Wilson. „De reuk er van is heerlijk althans.”„Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken zal. Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn, wel meer voorzetten.”„Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout in. Gij hebt dat toch nog, Juno?”„Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op,” antwoordde deze.„Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde loopt?” vroeg mevrouw Wilson.„Juno moet ander halen,” gaf Flink ten antwoord.„Ikke halen ander?—Ikke hebben geen zier meer,” hernam Juno en zag den ouden man verwonderd aan.„Daar buiten is het in overvloed, Juno,” zeide mijnheer Wilson en wees naar den zeekant.„Ikke niets daarvan zien kan,” antwoordde zij.„Hoe meent gij dat, lieve?” vroeg mevrouw Wilson eindelijk.„Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat zelven bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts zeewater in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene drogerij aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het zout op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen of anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men er spoediger mee klaar komt.”„Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken, mevrouw,”zeide Flink; „en ik zal dan Juno wijzen, hoe zij zichzelve altijd redden kan.”Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo dikwijls bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na geëindigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen, terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede tent opsloegen en alles vóór den nacht in gereedheid brachten. Het was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.AANKOMST OP DE NIEUWE WOONPLAATS.
Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging toen naar de tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond, aandachtig luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de verrichtingen en ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks komst werd dadelijk alles voor morgen afgesproken. Toen ging men slapen, en alleen de oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de hoenders te vangen en hun de pooten saam tebinden, zoodat men ze den volgenden ochtend gemakkelijk in de boot vervoeren kon.Vóór dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo schielijk mogelijk aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en kinderen geslapen hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering van dezen en van Thomas, die in de vrouwentent—gelijk men haar noemde—onder dak was, hadden de overigen onder den blooten hemel geslapen, op stukken zeildoek, welke men daartoe onder de dichte kokosboomen op den grond had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en eene opschudding op dezen morgen! Alles kwam in repenroer. Zoodra mevrouw Wilson gekleed was, werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder toebehooren in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook borden, messen, lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink de hoenders daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het gezicht.Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit en weesden weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den arm, Juno met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met Thomas aan de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen moest. Met een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen na zooveel doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal zagen zij naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de scheepslading, die naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden zij het woud in.Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene verblijfplaats aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij zijne lading begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die hij den vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest nog, gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig af. Nu ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur aan; vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te koken.Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met eenige sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles behoorlijk doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de schaduw op, waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de lading uit de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker pooten in den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer herstelden en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten.Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit de boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur omzag en nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij het beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken, die hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle uren noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want deze lag eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren zwaar, zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk verricht had en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten.„Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen konden,” dacht Flink; „zij moeten nu al bijna vier uren onder weg zijn. Maar misschien zijn ze later vertrokken. Het is geen gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met kinderen in beweging te brengen.” Zoo wachtte hij nog een kwartier, stookte het vuur op en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af te schuimen, tot eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen.„Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn,” dacht de oude man.En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheenhet gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en afgemat, gelijk hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu, dat de kleine Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over vermoeidheid geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later had ook mevrouw Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een kwartiertje moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij moeder had willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en verklaarde dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er niemand was, die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen, totdat men besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate bekomen zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen en te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen, zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest, eene geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst nadat men zich door een dronk uit Willem’s flesch verkwikt had, ging het weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste zóó moe en uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de kleinen eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de plaats, waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had gezien.„Mij dunkt,” zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan Juno te hebben overgegeven, „dat de dagreis van heden, hoe klein ook, het beste bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden, Flink.”„Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt, mijnheer,” antwoordde de oude man. „Het is mij een zwaar pak van het hart, want nu eerst zal het met ons allen beter gaan. Me dunkt, na eenigen tijd zult gij hier recht genoeglijk kunnen wonen, maar daartoe hebben wij nog veel te doen. Zoodra mevrouw wat heeft uitgerust, willen wij ons middagmaal gebruiken en dan onze eigene tent vastmaken, wat nog werk en omslag genoeg zal wezen. Morgen zullen wij dan ernstig met onzen nieuwen arbeid aanvangen.”„Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?”„Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij niet missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het overige kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij er eens tijd toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot gedaan heb, kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan.”„Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets doen?”„O ja, er is werk in overvloed voor u.”„Wilt gij Willem meenemen?”„Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij ook zonder hem redden.”Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij wat van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in slaap. Men wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline, om gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan.„Hé, beste Flink,” riep Willem, toen deze het deksel van den ketel nam, „wat een heerlijke soep hebt gij daar toch!”„Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag eens onthalen wou,” antwoordde Flink. „Ik weet dat gij allen het pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij vandaag eens als aan eene burgermeesterstafel smullen.”„Maar zeg, Flink, wat is het?” vroeg mevrouw Wilson. „De reuk er van is heerlijk althans.”„Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken zal. Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn, wel meer voorzetten.”„Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout in. Gij hebt dat toch nog, Juno?”„Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op,” antwoordde deze.„Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde loopt?” vroeg mevrouw Wilson.„Juno moet ander halen,” gaf Flink ten antwoord.„Ikke halen ander?—Ikke hebben geen zier meer,” hernam Juno en zag den ouden man verwonderd aan.„Daar buiten is het in overvloed, Juno,” zeide mijnheer Wilson en wees naar den zeekant.„Ikke niets daarvan zien kan,” antwoordde zij.„Hoe meent gij dat, lieve?” vroeg mevrouw Wilson eindelijk.„Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat zelven bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts zeewater in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene drogerij aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het zout op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen of anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men er spoediger mee klaar komt.”„Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken, mevrouw,”zeide Flink; „en ik zal dan Juno wijzen, hoe zij zichzelve altijd redden kan.”Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo dikwijls bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na geëindigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen, terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede tent opsloegen en alles vóór den nacht in gereedheid brachten. Het was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren.
Flink landde in de bocht, trok de boot aan wal en ging toen naar de tenten, waar hij het gansche gezelschap bij elkaar vond, aandachtig luisterende naar het verhaal, dat door Willem van de verrichtingen en ontmoetingen van dien dag gedaan werd. Bij Flinks komst werd dadelijk alles voor morgen afgesproken. Toen ging men slapen, en alleen de oude man en Willem bleven nog een poosje op, om de hoenders te vangen en hun de pooten saam tebinden, zoodat men ze den volgenden ochtend gemakkelijk in de boot vervoeren kon.
Vóór dag en dauw werden de kleinen gewekt en zoo schielijk mogelijk aangekleed, omdat Flink de tent, waarin moeder en kinderen geslapen hadden, in de boot wilde medenemen. Met uitzondering van dezen en van Thomas, die in de vrouwentent—gelijk men haar noemde—onder dak was, hadden de overigen onder den blooten hemel geslapen, op stukken zeildoek, welke men daartoe onder de dichte kokosboomen op den grond had uitgespreid. Wat was dat eene drukte en eene opschudding op dezen morgen! Alles kwam in repenroer. Zoodra mevrouw Wilson gekleed was, werd de tent omvergehaald en met beddegoed en alle verder toebehooren in de boot geladen. Na een hartig ontbijt gingen ook borden, messen, lepels en andere kleinigheden scheep; toen legde Flink de hoenders daar bovenop, en in een ommezien was hij uit het gezicht.
Een weinig later maakte zich ook het verdere gezelschap tot de reis door het kokosbosch gereed. Willem ging met de drie honden vooruit en weesden weg. Hem volgde zijn vader met Albert op den arm, Juno met de kleine Caroline, en eindelijk mevrouw Wilson met Thomas aan de hand, die volgens zijn zeggen, op zijne moeder passen moest. Met een weemoedig gevoel zeiden zij de plaats vaarwel, die hen na zooveel doorgestane gevaren het eerst had opgenomen. Nog eenmaal zagen zij naar de bocht en de overblijfsels van het wrak en de scheepslading, die naar alle zijden verstrooid lagen om en toen traden zij het woud in.
Flink was in minder dan twee uren aan de nieuw gekozene verblijfplaats aangekomen en onverwijld aan land gestapt. Voordat hij zijne lading begon te lossen, wilde hij nog naar de schildpad zien, die hij den vorigen dag op het strand had omgekeerd. Hij vond het beest nog, gelijk hij het gelaten had, doodde het en wiesch het zorgvuldig af. Nu ging hij naar de nieuw aangelegde stookplaats, legde het vuur aan; vulde den ijzeren ketel met water en zette hem op het vuur te koken.
Hierop sneed hij een stuk van de schildpad af en legde het met eenige sneden pekelvleesch in den ketel, dekte dezen en liet alles behoorlijk doorkoken. Het overschot van de schildpad hing hij in de schaduw op, waarna hij naar het strand terugkeerde, om eindelijk de lading uit de boot te brengen. Hij bond de arme hoenders los, welker pooten in den beginne heel stijf waren, doch die zich spoedig weer herstelden en toen terstond ijverig naar voeder rondzochten.
Flink nam de schotels, messen, vorken en andere kleinigheden uit de boot en droeg ze naar de nieuwe tent, waarna hij naar het vuur omzag en nog meer hout onder den ketel legde. Vervolgens haalde hij het beddegoed en het linnen voor de tweede tent, benevens de staken, die hij achter aan de boot had vastgemaakt. Hij had bijna drie volle uren noodig om alles naar de nieuwe woonstede over te brengen, want deze lag eenigszins van het strand verwijderd en enkele dingen waren zwaar, zoodat de oude man hartelijk blij was, toen hij zijn werk verricht had en zich eindelijk kon neerzetten, om wat uit te rusten.
„Me dunkt toch, het is haast tijd, dat zij komen konden,” dacht Flink; „zij moeten nu al bijna vier uren onder weg zijn. Maar misschien zijn ze later vertrokken. Het is geen gemakkelijk ding, een hoop vrouwen met kinderen in beweging te brengen.” Zoo wachtte hij nog een kwartier, stookte het vuur op en vergat ook niet van tijd tot tijd de soep af te schuimen, tot eensklaps de drie honden op hem kwamen toespringen.
„Nu kunnen zij niet ver meer verwijderd zijn,” dacht de oude man.
En dat waren zij werkelijk niet; want eenige minuten later verscheenhet gansche gezelschap, en dat wel zeer verhit en afgemat, gelijk hij dan ook niet anders verwacht had. Hij hoorde nu, dat de kleine Caroline, na een poosje geloopen te hebben, bitter over vermoeidheid geklaagd had, zoodat Juno haar had moeten dragen. Later had ook mevrouw Wilson zich doodelijk vermoeid gevoeld en had men een kwartiertje moeten rusten. Daarop kwam sinjeur Thomas, die niet bij moeder had willen blijven, maar gedurig heen en weer was geloopen en verklaarde dat hij moe was en dat men hem dragen moest; en daar er niemand was, die dit doen kon, begon hij te schreien en te klagen, totdat men besloot andermaal halt te houden, opdat hij eenigermate bekomen zou. Eindelijk begon de kleine ongelukkig nog honger te krijgen en te schreeuwen. De vreesachtige Caroline werd beangst, toen men zoo lang in het donkere bosch omdwalen moest, en weende mee. Thomas, dien de goede Willem een eind ver als een zak op den rug had gedragen, zette, toen hij eindelijk zijn eigen beenen weer gebruiken moest, eene geweldige keel op. Zoo moest men alweer halt maken, en eerst nadat men zich door een dronk uit Willem’s flesch verkwikt had, ging het weer eenigszins beter, tot het gezelschap ten laatste zóó moe en uitgeput bij Flink aankwam, dat mevrouw Wilson zich met de kleinen eenigen tijd in de tent moest nederleggen, voordat zij van de plaats, waar zij in het vervolg wonen zouden, ook maar iets had gezien.
„Mij dunkt,” zeide mijnheer Wilson, na de kleine aan Juno te hebben overgegeven, „dat de dagreis van heden, hoe klein ook, het beste bewijs is, hoe hulpeloos wij zonder u zijn zouden, Flink.”
„Ik ben recht blij, dat gij eindelijk hier zijt, mijnheer,” antwoordde de oude man. „Het is mij een zwaar pak van het hart, want nu eerst zal het met ons allen beter gaan. Me dunkt, na eenigen tijd zult gij hier recht genoeglijk kunnen wonen, maar daartoe hebben wij nog veel te doen. Zoodra mevrouw wat heeft uitgerust, willen wij ons middagmaal gebruiken en dan onze eigene tent vastmaken, wat nog werk en omslag genoeg zal wezen. Morgen zullen wij dan ernstig met onzen nieuwen arbeid aanvangen.”
„Gaat gij morgen naar onze oude bocht terug, Flink?”
„Ja mijnheer. Wij moeten onzen voorraad hier hebben, rund- en varkensvleesch, meel en erwten en nog veel andere dingen, die wij niet missen kunnen. Met drie reizen heb ik den leeftocht over; het overige kunnen wij later onderzoeken en onder dak brengen, als wij er eens tijd toe vinden. Zoodra ik deze drie reizen met mijne boot gedaan heb, kunnen wij dan gezamenlijk aan het werk gaan.”
„Maar in dezen tusschentijd kan ik toch ook wel iets doen?”
„O ja, er is werk in overvloed voor u.”
„Wilt gij Willem meenemen?”
„Neen, mijnheer; hij zal hier meer van nut zijn, en ik kan mij ook zonder hem redden.”
Mijnheer Wilson ging nu in de tent en vond zijne vrouw weer vrij wat van hare vermoeidheid bekomen, maar al de kinderen vast in slaap. Men wachtte nog een half uur en wekte toen Thomas en Caroline, om gezamenlijk aan tafel te kunnen gaan.
„Hé, beste Flink,” riep Willem, toen deze het deksel van den ketel nam, „wat een heerlijke soep hebt gij daar toch!”
„Dat is een zondagskostje, waarop ik u dezen eersten middag eens onthalen wou,” antwoordde Flink. „Ik weet dat gij allen het pekelvleesch eindelijk van harte moe zijt, en daarom zult gij vandaag eens als aan eene burgermeesterstafel smullen.”
„Maar zeg, Flink, wat is het?” vroeg mevrouw Wilson. „De reuk er van is heerlijk althans.”
„Eene schildpadsoep, mevrouw; en ik hoop, dat ze u smaken zal. Wanneer ze u bevalt, kan ik haar u, nu wij eens hier zijn, wel meer voorzetten.”
„Waarlijk zij smaakt keurig, maar er moet nog een weinig zout in. Gij hebt dat toch nog, Juno?”
„Maar sikkepitte meer. Haast altemaal op,” antwoordde deze.
„Hoe moeten wij het dan maken, als onze zoutvoorraad ten einde loopt?” vroeg mevrouw Wilson.
„Juno moet ander halen,” gaf Flink ten antwoord.
„Ikke halen ander?—Ikke hebben geen zier meer,” hernam Juno en zag den ouden man verwonderd aan.
„Daar buiten is het in overvloed, Juno,” zeide mijnheer Wilson en wees naar den zeekant.
„Ikke niets daarvan zien kan,” antwoordde zij.
„Hoe meent gij dat, lieve?” vroeg mevrouw Wilson eindelijk.
„Ik meen alleen, dat wij, als wij zout noodig hebben, ons dat zelven bereiden kunnen, zooveel wij verkiezen. Wij hebben slechts zeewater in een ketel te koken, of ook tusschen de klippen ginds eene drogerij aan te leggen, daar de zon dan het water doet verdampen en het zout op den grond achterlaat. Flink weet dat zoo goed als ik. Op een dezer beide manieren wordt het zout altijd gewonnen, door uitdampen of anders door verkoken, wat eigenlijk hetzelfde is, behalve dat men er spoediger mee klaar komt.”
„Eerlang zullen wij daar het noodige toe gereed maken, mevrouw,”zeide Flink; „en ik zal dan Juno wijzen, hoe zij zichzelve altijd redden kan.”
Iedereen vond de soep uitmuntend. Thomas hield zijn bord zoo dikwijls bij, dat zijne moeder hem eindelijk niet meer geven durfde. Na geëindigden maaltijd bleef mevrouw Wilson met de kinderen alleen, terwijl haar man en Flink met behulp van Juno en Willem de tweede tent opsloegen en alles vóór den nacht in gereedheid brachten. Het was reeds vrij donker, toen zij hiermee klaar waren.