VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.GEVOLGEN DER ONGEHOORZAAMHEID.Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling langs het strand tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen van een tuin ’t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag teelaarde op den rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij goed en tamelijk uitgestrekt. Daarenboven was de plaats dáár, waar zij aan het andere land vastzat, zeer smal, zoodat men geene uitgestrekte omheining noodig had.„Gij ziet, mijnheer,” merkte Flink aan, „het aanleggen eener heg kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is, of als het weer dat vergunt, kunnenwij er dien toe gebruiken. De zaadgewassen en de aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo hebben wij niets anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo schielijk mogelijk aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten weggeruimd worden; maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht is. Wij hebben ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want dit jaar kunnen wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze aardappelen moeten alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders meer uitrichten.”„Als we geene omheining te maken hebben,” antwoordde de heer Wilson, „kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond genoeg bearbeiden, om alles, wat ons ’t eerst noodig is, aan te planten.”„We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den grond om te spitten,” vervolgde Flink. „De zwaardere stammen en stronken kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt, in den beginne veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje helpen, als gij hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.—Laat ons nu in het bosch gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen vellen zal. Ik voor mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij ernietstegen hebt. De plek is dáár, een vijftig roeden op zij van de tent. Van hier hebben wij bij de honderd roeden het bosch in te gaan.”Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan eene kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het moeite kostte daar een pad door te breken.„Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer,” sprak Flink. „Ik zou voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze woning noodig hebben, uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene open vierkante plaats uit te houwen, op ’t midden waarvan wij onze pakhuizen kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van zoo iets niet waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van nood kan men deze plek met weinig moeite tot een vast punt van verdediging maken; want als wij hier en daar tusschen de boomen nog eenige palissaden zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing, zooals men die in West-Indië tegen de wilden gebruikt.”„Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van harte, dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen komen.”„Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat boven alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en te doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons deel krijgen, en danterstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd gaarne een begin, al is het ook nog zoo gering.”Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want het was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed en zij wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was den ganschen morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts stoornis veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor, ofschoon het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en de kleine Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van zijne ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf veroordeeld om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos en grommend de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem nochtans inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na het eten nam mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van hun toekomstigen tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas mee te nemen, daar zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk op hem als op de kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den jongen bij de hand en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden wilde. Daar deed hij hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf de struiken begon uit te roeien.Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne, daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon de wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar eigen verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel een uur lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen opeens echter hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de oorzaak daarvan, gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker, tot hij eindelijk de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon begon te schreeuwen. Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de vader zijn arbeid rusten en bracht hem naar de tent, waar mevrouw Wilson, door het gekerm verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas verkoos overigens niet, ergens op te antwoorden, en ging met huilen en jammeren voort, zoodat vader en moeder niet begrijpen konden, wat er de oorzaak van was. De oude Flink, die dat gekerm zoo lang hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig ongeluk was voorgevallen, en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, zeide hij:„Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat hem nu kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond gestoken, toen gij daar alleen waart?”„Bessen,” was het snikkend antwoord.„Dat dacht ik wel, mevrouw,” vervolgde Flink. „Ik wil eens gaan zien, wat voor soort van bessen het waren.”De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson gewerkt had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind iets vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne kleine apotheek een fleschje ricinusolie ging halen.Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met het fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde ingeven.„O, neen, mijnheer,” zeide de oude man, die een takje in de hand hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; „daar moet gij hem niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij er al te veel van gebruikt. Zie, als ik ’t niet mis heb,—en mij dunkt, ik ben vrij zeker van mijne zaak,—is dit de ricinusplant; en hier zijn eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur gesnoept heeft. Niet waar, Thomas, hiervan hebt gij gegeten?”„Ja.—O, wat heb ik er eene pijn van!” kermde de knaap.„Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken mevrouw, en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu denkelijk wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten plukken mag, zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten zijn.”Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den ganschen dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed worden gebracht.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.GEVOLGEN DER ONGEHOORZAAMHEID.Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling langs het strand tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen van een tuin ’t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag teelaarde op den rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij goed en tamelijk uitgestrekt. Daarenboven was de plaats dáár, waar zij aan het andere land vastzat, zeer smal, zoodat men geene uitgestrekte omheining noodig had.„Gij ziet, mijnheer,” merkte Flink aan, „het aanleggen eener heg kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is, of als het weer dat vergunt, kunnenwij er dien toe gebruiken. De zaadgewassen en de aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo hebben wij niets anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo schielijk mogelijk aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten weggeruimd worden; maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht is. Wij hebben ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want dit jaar kunnen wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze aardappelen moeten alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders meer uitrichten.”„Als we geene omheining te maken hebben,” antwoordde de heer Wilson, „kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond genoeg bearbeiden, om alles, wat ons ’t eerst noodig is, aan te planten.”„We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den grond om te spitten,” vervolgde Flink. „De zwaardere stammen en stronken kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt, in den beginne veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje helpen, als gij hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.—Laat ons nu in het bosch gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen vellen zal. Ik voor mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij ernietstegen hebt. De plek is dáár, een vijftig roeden op zij van de tent. Van hier hebben wij bij de honderd roeden het bosch in te gaan.”Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan eene kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het moeite kostte daar een pad door te breken.„Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer,” sprak Flink. „Ik zou voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze woning noodig hebben, uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene open vierkante plaats uit te houwen, op ’t midden waarvan wij onze pakhuizen kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van zoo iets niet waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van nood kan men deze plek met weinig moeite tot een vast punt van verdediging maken; want als wij hier en daar tusschen de boomen nog eenige palissaden zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing, zooals men die in West-Indië tegen de wilden gebruikt.”„Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van harte, dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen komen.”„Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat boven alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en te doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons deel krijgen, en danterstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd gaarne een begin, al is het ook nog zoo gering.”Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want het was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed en zij wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was den ganschen morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts stoornis veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor, ofschoon het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en de kleine Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van zijne ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf veroordeeld om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos en grommend de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem nochtans inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na het eten nam mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van hun toekomstigen tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas mee te nemen, daar zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk op hem als op de kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den jongen bij de hand en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden wilde. Daar deed hij hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf de struiken begon uit te roeien.Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne, daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon de wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar eigen verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel een uur lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen opeens echter hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de oorzaak daarvan, gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker, tot hij eindelijk de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon begon te schreeuwen. Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de vader zijn arbeid rusten en bracht hem naar de tent, waar mevrouw Wilson, door het gekerm verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas verkoos overigens niet, ergens op te antwoorden, en ging met huilen en jammeren voort, zoodat vader en moeder niet begrijpen konden, wat er de oorzaak van was. De oude Flink, die dat gekerm zoo lang hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig ongeluk was voorgevallen, en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, zeide hij:„Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat hem nu kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond gestoken, toen gij daar alleen waart?”„Bessen,” was het snikkend antwoord.„Dat dacht ik wel, mevrouw,” vervolgde Flink. „Ik wil eens gaan zien, wat voor soort van bessen het waren.”De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson gewerkt had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind iets vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne kleine apotheek een fleschje ricinusolie ging halen.Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met het fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde ingeven.„O, neen, mijnheer,” zeide de oude man, die een takje in de hand hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; „daar moet gij hem niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij er al te veel van gebruikt. Zie, als ik ’t niet mis heb,—en mij dunkt, ik ben vrij zeker van mijne zaak,—is dit de ricinusplant; en hier zijn eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur gesnoept heeft. Niet waar, Thomas, hiervan hebt gij gegeten?”„Ja.—O, wat heb ik er eene pijn van!” kermde de knaap.„Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken mevrouw, en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu denkelijk wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten plukken mag, zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten zijn.”Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den ganschen dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed worden gebracht.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.GEVOLGEN DER ONGEHOORZAAMHEID.

Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling langs het strand tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen van een tuin ’t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag teelaarde op den rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij goed en tamelijk uitgestrekt. Daarenboven was de plaats dáár, waar zij aan het andere land vastzat, zeer smal, zoodat men geene uitgestrekte omheining noodig had.„Gij ziet, mijnheer,” merkte Flink aan, „het aanleggen eener heg kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is, of als het weer dat vergunt, kunnenwij er dien toe gebruiken. De zaadgewassen en de aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo hebben wij niets anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo schielijk mogelijk aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten weggeruimd worden; maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht is. Wij hebben ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want dit jaar kunnen wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze aardappelen moeten alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders meer uitrichten.”„Als we geene omheining te maken hebben,” antwoordde de heer Wilson, „kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond genoeg bearbeiden, om alles, wat ons ’t eerst noodig is, aan te planten.”„We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den grond om te spitten,” vervolgde Flink. „De zwaardere stammen en stronken kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt, in den beginne veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje helpen, als gij hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.—Laat ons nu in het bosch gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen vellen zal. Ik voor mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij ernietstegen hebt. De plek is dáár, een vijftig roeden op zij van de tent. Van hier hebben wij bij de honderd roeden het bosch in te gaan.”Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan eene kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het moeite kostte daar een pad door te breken.„Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer,” sprak Flink. „Ik zou voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze woning noodig hebben, uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene open vierkante plaats uit te houwen, op ’t midden waarvan wij onze pakhuizen kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van zoo iets niet waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van nood kan men deze plek met weinig moeite tot een vast punt van verdediging maken; want als wij hier en daar tusschen de boomen nog eenige palissaden zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing, zooals men die in West-Indië tegen de wilden gebruikt.”„Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van harte, dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen komen.”„Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat boven alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en te doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons deel krijgen, en danterstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd gaarne een begin, al is het ook nog zoo gering.”Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want het was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed en zij wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was den ganschen morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts stoornis veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor, ofschoon het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en de kleine Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van zijne ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf veroordeeld om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos en grommend de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem nochtans inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na het eten nam mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van hun toekomstigen tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas mee te nemen, daar zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk op hem als op de kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den jongen bij de hand en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden wilde. Daar deed hij hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf de struiken begon uit te roeien.Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne, daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon de wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar eigen verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel een uur lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen opeens echter hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de oorzaak daarvan, gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker, tot hij eindelijk de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon begon te schreeuwen. Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de vader zijn arbeid rusten en bracht hem naar de tent, waar mevrouw Wilson, door het gekerm verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas verkoos overigens niet, ergens op te antwoorden, en ging met huilen en jammeren voort, zoodat vader en moeder niet begrijpen konden, wat er de oorzaak van was. De oude Flink, die dat gekerm zoo lang hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig ongeluk was voorgevallen, en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, zeide hij:„Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat hem nu kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond gestoken, toen gij daar alleen waart?”„Bessen,” was het snikkend antwoord.„Dat dacht ik wel, mevrouw,” vervolgde Flink. „Ik wil eens gaan zien, wat voor soort van bessen het waren.”De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson gewerkt had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind iets vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne kleine apotheek een fleschje ricinusolie ging halen.Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met het fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde ingeven.„O, neen, mijnheer,” zeide de oude man, die een takje in de hand hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; „daar moet gij hem niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij er al te veel van gebruikt. Zie, als ik ’t niet mis heb,—en mij dunkt, ik ben vrij zeker van mijne zaak,—is dit de ricinusplant; en hier zijn eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur gesnoept heeft. Niet waar, Thomas, hiervan hebt gij gegeten?”„Ja.—O, wat heb ik er eene pijn van!” kermde de knaap.„Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken mevrouw, en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu denkelijk wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten plukken mag, zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten zijn.”Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den ganschen dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed worden gebracht.

Mijnheer Wilson en Flink vervolgden hunne wandeling langs het strand tot aan het punt, dat deze laatste tot het aanleggen van een tuin ’t best geschikt achtte. Wel is waar was de laag teelaarde op den rotsigen bodem niet dik, maar de grond was toch vrij goed en tamelijk uitgestrekt. Daarenboven was de plaats dáár, waar zij aan het andere land vastzat, zeer smal, zoodat men geene uitgestrekte omheining noodig had.

„Gij ziet, mijnheer,” merkte Flink aan, „het aanleggen eener heg kunnen wij uitstellen tot de regentijd voorbij is, of als het weer dat vergunt, kunnenwij er dien toe gebruiken. De zaadgewassen en de aardappelen zullen eerst na de regen opkomen, en zoo hebben wij niets anders te doen, dan den grond om te spitten en zoo schielijk mogelijk aan het poten te gaan. De struiken ginds moeten weggeruimd worden; maar dat is weinig moeite, omdat de grond zoo licht is. Wij hebben ook maar een deel van uwe zaden uit te strooien, want dit jaar kunnen wij nog geen grooten tuin aanleggen; doch onze aardappelen moeten alle gepoot worden, al konden wij ook niets anders meer uitrichten.”

„Als we geene omheining te maken hebben,” antwoordde de heer Wilson, „kunnen we dunkt mij, in eene week tijds grond genoeg bearbeiden, om alles, wat ons ’t eerst noodig is, aan te planten.”

„We dienen eerst het kleine struikgewas uit te roeien en den grond om te spitten,” vervolgde Flink. „De zwaardere stammen en stronken kunnen we, als het ons dadelijk aan tijd ontbreekt, in den beginne veilig laten staan. Hier kan onze Thomas een handje helpen, als gij hem de uitgegraven wortels laat wegdragen.—Laat ons nu in het bosch gaan en eene plaats uitkiezen, waar ik de boomen vellen zal. Ik voor mij heb al eene keuze gedaan, zoo gij ernietstegen hebt. De plek is dáár, een vijftig roeden op zij van de tent. Van hier hebben wij bij de honderd roeden het bosch in te gaan.”

Beiden volgden de door Flink aangewezen richting, totdat zij aan eene kleine hoogte kwamen, waar de boomen zoo dicht stonden, dat het moeite kostte daar een pad door te breken.

„Hier zijn we, waar we wezen moeten, mijnheer,” sprak Flink. „Ik zou voorstellen, al het zware hout, dat wij tot onze woning noodig hebben, uit dit gedeelte van het bosch te nemen en eene open vierkante plaats uit te houwen, op ’t midden waarvan wij onze pakhuizen kunnen bouwen. Tegenwoordig is de noodzakelijkheid van zoo iets niet waarschijnlijk; maar ziet gij, mijnheer, in geval van nood kan men deze plek met weinig moeite tot een vast punt van verdediging maken; want als wij hier en daar tusschen de boomen nog eenige palissaden zetten, hebben wij eene volmaakt goede verschansing, zooals men die in West-Indië tegen de wilden gebruikt.”

„Volkomen waar, mijn goede raadsman. Evenwel hoop ik van harte, dat zulke verdedigingsmiddelen ons nooit te pas zullen komen.”

„Ook ik hoop datzelfde, mijnheer; maar voorzichtigheid gaat boven alles. Intusschen hebben we eerst nog veel anders te bedenken en te doen. Het eten zal nu wel klaar zijn. Laat ons zien, dat wij ons deel krijgen, en danterstond ons werk aanvatten. Ik zie altijd gaarne een begin, al is het ook nog zoo gering.”

Ook Willem en Juno kwamen nu aan den maaltijd, die mevrouw Wilson bereid had. Beiden stond het gezonde zweet op het voorhoofd, want het was hard werk wat zij te doen hadden; maar beider wil was goed en zij wilden gedaan krijgen wat eens begonnen was. Thomas was den ganschen morgen uiterst oproerig geweest en had overal slechts stoornis veroorzaakt. Zijne les had hij niet geleerd, maar daarvoor, ofschoon het hem meer dan eens verboden was, met vuur gespeeld en de kleine Caroline de hand gebrand. Zoodra zijn vader nu echter van zijne ondeugendheid hoorde, werd de stoute jongen tot zijne straf veroordeeld om vandaag geen eten te krijgen, en zoo zat hij daar boos en grommend de verdwijnende spijzen na te kijken, zonder dat het hem nochtans inviel, voor zijne ondeugendheid vergiffenis te vragen. Na het eten nam mijnheer Wilson schop en houweel om naar de plaats van hun toekomstigen tuin te gaan, en zijne vrouw verzocht hem, Thomas mee te nemen, daar zij zeer veel te doen had en niet zoo gemakkelijk op hem als op de kleine Caroline passen kon. Zoo vatte de vader den jongen bij de hand en nam hem mee naar de plaats, waar hij arbeiden wilde. Daar deed hij hem op den grond nederzitten, terwijl hij zelf de struiken begon uit te roeien.

Hij werkte ijverig voort, en toen hij eenigszins gevorderd was, liet hij het afgehouwen struikgewas door Thomas wat verder wegdragen en in eene hoop op elkaar pakken. De kleine jongen deed dit echter ongaarne, daar hij nog altijd in een boos humeur was. Nadat de vader eene vrij groote ruimte van struiken ontdaan had, nam hij zijne schop en begon de wortels uit te graven, waarbij hij aan Thomas overliet, zich naar eigen verkiezing te vermaken. Zoo zag hij niet, waarmee de knaap wel een uur lang bezig was, terwijl hij zelf druk voortarbeidde. Toen opeens echter hoorde hij een luid kreunen, en op de vraag naar de oorzaak daarvan, gaf Thomas geen antwoord, maar jammerde al sterker, tot hij eindelijk de handen op de maag legde en zoo hard als hij kon begon te schreeuwen. Daar hij zware pijn scheen te lijden, liet de vader zijn arbeid rusten en bracht hem naar de tent, waar mevrouw Wilson, door het gekerm verontrust, hem te gemoet kwam. Thomas verkoos overigens niet, ergens op te antwoorden, en ging met huilen en jammeren voort, zoodat vader en moeder niet begrijpen konden, wat er de oorzaak van was. De oude Flink, die dat gekerm zoo lang hoorde aanhouden, dacht dat er een ernstig ongeluk was voorgevallen, en kwam nu ook aan. Toen hij hoorde wat er gebeurd was, zeide hij:

„Maak er staat op, mijnheer, de jongen heeft iets gegeten, dat hem nu kwalijk bekomt. Zeg, sinjeur Thomas, wat hebt gij in den mond gestoken, toen gij daar alleen waart?”

„Bessen,” was het snikkend antwoord.

„Dat dacht ik wel, mevrouw,” vervolgde Flink. „Ik wil eens gaan zien, wat voor soort van bessen het waren.”

De oude man ging ijlings naar de plaats, waar mijnheer Wilson gewerkt had. De moeder was inmiddels grootelijks beangst, dat het kind iets vergiftigs mocht hebben ingekregen, terwijl de vader uit zijne kleine apotheek een fleschje ricinusolie ging halen.

Flink kwam juist terug, toen ook de heer Wilson in de tent trad met het fleschje, waaruit hij den zieken jongen eenige droppels wilde ingeven.

„O, neen, mijnheer,” zeide de oude man, die een takje in de hand hield, toen hij hoorde, welke medicijn het was; „daar moet gij hem niet van ingeven, want, naar het mij voorkomt, heeft hij er al te veel van gebruikt. Zie, als ik ’t niet mis heb,—en mij dunkt, ik ben vrij zeker van mijne zaak,—is dit de ricinusplant; en hier zijn eenige van de bessen, waarvan onze sinjeur gesnoept heeft. Niet waar, Thomas, hiervan hebt gij gegeten?”

„Ja.—O, wat heb ik er eene pijn van!” kermde de knaap.

„Dat is verdiend loon. Geef hem maar iets warm te drinken mevrouw, en het zal wel spoedig beter zijn. Onze jongeheer zal nu denkelijk wel onthouden, dat men geen vreemde bessen of vruchten plukken mag, zonder vooraf te weten, dat ze goed om te eten zijn.”

Gelijk Flink gezegd had, was het ook. Evenwel was Thomas den ganschen dag nog ziek en misselijk, en moest al zeer vroeg naar bed worden gebracht.


Back to IndexNext