VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.KRIJGSRAAD.Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan hadden om elkanders moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze vrienden zich nu toch in zulk een pijnlijken toestand van angst en verwachting, dat de eerste drie weken na het plotseling verdwijnen van het schip, ondanks alle plannen en beraadslagingen, in volstrekte werkeloosheid voorbijgingen, daar zij zich nu eens met de hoop vleiden, dat het gewenschte schip nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde blikken naar het eiland wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene groote vloot van kano’s tot hun verderf in aantocht was.Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de nabijheid van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder met hun kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson wendende:„Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet langer zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad houden en tot een besluit zien te komen.”„Van harte gaarne, Flink,” antwoordde mijnheer Wilson en zette zich op een rotsblok neder. „Gij zijt de oudste en ervarenste van ons drieën;—laat ons hooren, wat gij hebt voor te slaan.”„Welnu, mijnheer. Naar ’t mij voorkomt, mogen wij niet langer in ons huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide, ieder uur van den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen overmachtige vijanden zonder alle middelen van verdediging.”„Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd ingezien,” was het antwoord; „doch wat zullen we doen? Zullen wij naar de westkust terugkeeren?”„Mij dunkt neen, mijnheer,” hernam Flink. „Mijn voorslag isdeze:wij hebben in ’t zuiden van ’t eiland een ontdekking gedaan, die voor ons van groot gewicht is. Ik bedoel daarmee echter niet de vruchten en planten, die wij gevonden hebben, want deze zijn wel van veel waarde, maar zullen ons slechts gedurende den zomertijd een desnoods ontbeerlijk genot aanbieden. Groot nut verleent ons ook het voeder voor het vee, dat wij daar ontdekt hebben, vooral gedurende den regentijd, maar het hoofdvoordeel brengt ons dat met yamswortels bezet stuk land aan, dat ons voedsel voor den winter zal geven. Ze zijn voor ons van het grootste belang en we kunnen ze niet spoedig genoeg tegen de zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld met wortel en al opwroeten, als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet ge zeer goed, mijnheer, wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd hebben. Ik geloof echter, dat de kokosheining nu te veel tijd zal wegnemen en ’t wel voldoende zal zijn, als wij de yamswortels met sloot en heg omheinen. Als we daarbij echter gedurig weer naar ons huis terugkeeren en mevrouw met de kleinen alleen laten moesten, zou dat zeer lang aanhouden,—en dus stel ik voor, om, daar ’t weder zoo geheel is opgeklaard en nu wel maanden lang goed blijven zal, onze tenten daar ter plaatse op te slaan en met de gansche familie naar de zuidkust te trekken. Zij zullen daar binnenkort geheel thuis en in allen gevalle veel veiliger zijn, dan als zij zonder eenige verdediging hier achterbleven.”„Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij opmerkt, voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal daar, dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste is.”„Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het eiland in ’t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij ons eiland verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is de stroom in deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk behouden aangeland, dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden voorbereid houden, en als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht op onze tegenwoordige woning aan.”„Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van ’t eiland en al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand brachten, voor altijd verlaten?” vroeg Willem.„Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.—Zoodra wij met ons yamsplantsoengereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde hebben, laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten wij in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt, niet meer onder de tenten kunnen blijven.”„Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?” vroeg mijnheer Wilson. „Daarvan weet ik niets.—Wat is zulk een blokhuis eigenlijk?”„Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.—Nu, echter, mijnheer, komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten wij ons in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen. Een enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan twintig, die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en zóó slechts mogen wij hopen onze vijanden op de vlucht te slaan.”„Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk, Flink,” antwoordde mijnheer Wilson. „Hoe spoediger wij daarmee beginnen, des te beter zal het voor ons zijn.”„Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen, dat Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze boot opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij reeds vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug, brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.—Als we ’t nu over de zaak eens zijn, mijnheer,moesten wij maar zoo spoedig mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst nog een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen wij evengoed ook eene geheele monstering over onzenvoorraadhouden.”„Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al te veel tijd verloren geraakt,” antwoordde mijnheer Wilson. „Wat zullen wij vandaag bij de hand nemen?”„Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen; daarna ga ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf, mijnheer, kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen, die wij bij de eerstevaart meenemen, bijeenpakken, en wij zullen, denk ik, tegen het middageten terug zijn.”Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan ontworpen was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaarafte wenden.
VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.KRIJGSRAAD.Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan hadden om elkanders moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze vrienden zich nu toch in zulk een pijnlijken toestand van angst en verwachting, dat de eerste drie weken na het plotseling verdwijnen van het schip, ondanks alle plannen en beraadslagingen, in volstrekte werkeloosheid voorbijgingen, daar zij zich nu eens met de hoop vleiden, dat het gewenschte schip nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde blikken naar het eiland wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene groote vloot van kano’s tot hun verderf in aantocht was.Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de nabijheid van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder met hun kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson wendende:„Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet langer zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad houden en tot een besluit zien te komen.”„Van harte gaarne, Flink,” antwoordde mijnheer Wilson en zette zich op een rotsblok neder. „Gij zijt de oudste en ervarenste van ons drieën;—laat ons hooren, wat gij hebt voor te slaan.”„Welnu, mijnheer. Naar ’t mij voorkomt, mogen wij niet langer in ons huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide, ieder uur van den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen overmachtige vijanden zonder alle middelen van verdediging.”„Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd ingezien,” was het antwoord; „doch wat zullen we doen? Zullen wij naar de westkust terugkeeren?”„Mij dunkt neen, mijnheer,” hernam Flink. „Mijn voorslag isdeze:wij hebben in ’t zuiden van ’t eiland een ontdekking gedaan, die voor ons van groot gewicht is. Ik bedoel daarmee echter niet de vruchten en planten, die wij gevonden hebben, want deze zijn wel van veel waarde, maar zullen ons slechts gedurende den zomertijd een desnoods ontbeerlijk genot aanbieden. Groot nut verleent ons ook het voeder voor het vee, dat wij daar ontdekt hebben, vooral gedurende den regentijd, maar het hoofdvoordeel brengt ons dat met yamswortels bezet stuk land aan, dat ons voedsel voor den winter zal geven. Ze zijn voor ons van het grootste belang en we kunnen ze niet spoedig genoeg tegen de zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld met wortel en al opwroeten, als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet ge zeer goed, mijnheer, wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd hebben. Ik geloof echter, dat de kokosheining nu te veel tijd zal wegnemen en ’t wel voldoende zal zijn, als wij de yamswortels met sloot en heg omheinen. Als we daarbij echter gedurig weer naar ons huis terugkeeren en mevrouw met de kleinen alleen laten moesten, zou dat zeer lang aanhouden,—en dus stel ik voor, om, daar ’t weder zoo geheel is opgeklaard en nu wel maanden lang goed blijven zal, onze tenten daar ter plaatse op te slaan en met de gansche familie naar de zuidkust te trekken. Zij zullen daar binnenkort geheel thuis en in allen gevalle veel veiliger zijn, dan als zij zonder eenige verdediging hier achterbleven.”„Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij opmerkt, voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal daar, dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste is.”„Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het eiland in ’t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij ons eiland verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is de stroom in deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk behouden aangeland, dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden voorbereid houden, en als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht op onze tegenwoordige woning aan.”„Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van ’t eiland en al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand brachten, voor altijd verlaten?” vroeg Willem.„Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.—Zoodra wij met ons yamsplantsoengereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde hebben, laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten wij in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt, niet meer onder de tenten kunnen blijven.”„Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?” vroeg mijnheer Wilson. „Daarvan weet ik niets.—Wat is zulk een blokhuis eigenlijk?”„Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.—Nu, echter, mijnheer, komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten wij ons in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen. Een enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan twintig, die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en zóó slechts mogen wij hopen onze vijanden op de vlucht te slaan.”„Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk, Flink,” antwoordde mijnheer Wilson. „Hoe spoediger wij daarmee beginnen, des te beter zal het voor ons zijn.”„Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen, dat Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze boot opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij reeds vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug, brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.—Als we ’t nu over de zaak eens zijn, mijnheer,moesten wij maar zoo spoedig mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst nog een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen wij evengoed ook eene geheele monstering over onzenvoorraadhouden.”„Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al te veel tijd verloren geraakt,” antwoordde mijnheer Wilson. „Wat zullen wij vandaag bij de hand nemen?”„Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen; daarna ga ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf, mijnheer, kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen, die wij bij de eerstevaart meenemen, bijeenpakken, en wij zullen, denk ik, tegen het middageten terug zijn.”Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan ontworpen was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaarafte wenden.
VIJF-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.KRIJGSRAAD.
Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan hadden om elkanders moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze vrienden zich nu toch in zulk een pijnlijken toestand van angst en verwachting, dat de eerste drie weken na het plotseling verdwijnen van het schip, ondanks alle plannen en beraadslagingen, in volstrekte werkeloosheid voorbijgingen, daar zij zich nu eens met de hoop vleiden, dat het gewenschte schip nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde blikken naar het eiland wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene groote vloot van kano’s tot hun verderf in aantocht was.Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de nabijheid van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder met hun kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson wendende:„Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet langer zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad houden en tot een besluit zien te komen.”„Van harte gaarne, Flink,” antwoordde mijnheer Wilson en zette zich op een rotsblok neder. „Gij zijt de oudste en ervarenste van ons drieën;—laat ons hooren, wat gij hebt voor te slaan.”„Welnu, mijnheer. Naar ’t mij voorkomt, mogen wij niet langer in ons huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide, ieder uur van den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen overmachtige vijanden zonder alle middelen van verdediging.”„Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd ingezien,” was het antwoord; „doch wat zullen we doen? Zullen wij naar de westkust terugkeeren?”„Mij dunkt neen, mijnheer,” hernam Flink. „Mijn voorslag isdeze:wij hebben in ’t zuiden van ’t eiland een ontdekking gedaan, die voor ons van groot gewicht is. Ik bedoel daarmee echter niet de vruchten en planten, die wij gevonden hebben, want deze zijn wel van veel waarde, maar zullen ons slechts gedurende den zomertijd een desnoods ontbeerlijk genot aanbieden. Groot nut verleent ons ook het voeder voor het vee, dat wij daar ontdekt hebben, vooral gedurende den regentijd, maar het hoofdvoordeel brengt ons dat met yamswortels bezet stuk land aan, dat ons voedsel voor den winter zal geven. Ze zijn voor ons van het grootste belang en we kunnen ze niet spoedig genoeg tegen de zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld met wortel en al opwroeten, als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet ge zeer goed, mijnheer, wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd hebben. Ik geloof echter, dat de kokosheining nu te veel tijd zal wegnemen en ’t wel voldoende zal zijn, als wij de yamswortels met sloot en heg omheinen. Als we daarbij echter gedurig weer naar ons huis terugkeeren en mevrouw met de kleinen alleen laten moesten, zou dat zeer lang aanhouden,—en dus stel ik voor, om, daar ’t weder zoo geheel is opgeklaard en nu wel maanden lang goed blijven zal, onze tenten daar ter plaatse op te slaan en met de gansche familie naar de zuidkust te trekken. Zij zullen daar binnenkort geheel thuis en in allen gevalle veel veiliger zijn, dan als zij zonder eenige verdediging hier achterbleven.”„Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij opmerkt, voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal daar, dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste is.”„Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het eiland in ’t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij ons eiland verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is de stroom in deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk behouden aangeland, dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden voorbereid houden, en als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht op onze tegenwoordige woning aan.”„Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van ’t eiland en al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand brachten, voor altijd verlaten?” vroeg Willem.„Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.—Zoodra wij met ons yamsplantsoengereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde hebben, laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten wij in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt, niet meer onder de tenten kunnen blijven.”„Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?” vroeg mijnheer Wilson. „Daarvan weet ik niets.—Wat is zulk een blokhuis eigenlijk?”„Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.—Nu, echter, mijnheer, komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten wij ons in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen. Een enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan twintig, die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en zóó slechts mogen wij hopen onze vijanden op de vlucht te slaan.”„Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk, Flink,” antwoordde mijnheer Wilson. „Hoe spoediger wij daarmee beginnen, des te beter zal het voor ons zijn.”„Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen, dat Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze boot opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij reeds vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug, brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.—Als we ’t nu over de zaak eens zijn, mijnheer,moesten wij maar zoo spoedig mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst nog een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen wij evengoed ook eene geheele monstering over onzenvoorraadhouden.”„Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al te veel tijd verloren geraakt,” antwoordde mijnheer Wilson. „Wat zullen wij vandaag bij de hand nemen?”„Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen; daarna ga ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf, mijnheer, kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen, die wij bij de eerstevaart meenemen, bijeenpakken, en wij zullen, denk ik, tegen het middageten terug zijn.”Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan ontworpen was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaarafte wenden.
Niettegenstaande zij in den beginne alles gedaan hadden om elkanders moed en vertrouwen op te wekken, bevonden onze vrienden zich nu toch in zulk een pijnlijken toestand van angst en verwachting, dat de eerste drie weken na het plotseling verdwijnen van het schip, ondanks alle plannen en beraadslagingen, in volstrekte werkeloosheid voorbijgingen, daar zij zich nu eens met de hoop vleiden, dat het gewenschte schip nog terugkeeren kon, en dan weder bezorgde blikken naar het eiland wierpen, om zich te overtuigen, dat nog geene groote vloot van kano’s tot hun verderf in aantocht was.
Zoo waren zij dan ook eens op een morgen met zonsopgang in de nabijheid van den schildpadvijver en namen den ganschen gezichtseinder met hun kijker op. Toen begon Flink, zich tot mijnheer Wilson wendende:
„Waarlijk, mijnheer, die staat van werkeloosheid mag toch niet langer zoo aanhouden. Voorleden nacht kwam ik op een goeden inval en ik geloof u thans een voorslag te kunnen doen, dien gij denkelijk zult goedkeuren. Zoo, dacht ik, moesten we nu maar terstond een krijgsraad houden en tot een besluit zien te komen.”
„Van harte gaarne, Flink,” antwoordde mijnheer Wilson en zette zich op een rotsblok neder. „Gij zijt de oudste en ervarenste van ons drieën;—laat ons hooren, wat gij hebt voor te slaan.”
„Welnu, mijnheer. Naar ’t mij voorkomt, mogen wij niet langer in ons huis blijven, want wij konden daar, gelijk ik zeide, ieder uur van den nacht door de wilden verrast worden en zijn er tegen overmachtige vijanden zonder alle middelen van verdediging.”
„Dat zie ik wel in en heb ik reeds geruimen tijd ingezien,” was het antwoord; „doch wat zullen we doen? Zullen wij naar de westkust terugkeeren?”
„Mij dunkt neen, mijnheer,” hernam Flink. „Mijn voorslag isdeze:wij hebben in ’t zuiden van ’t eiland een ontdekking gedaan, die voor ons van groot gewicht is. Ik bedoel daarmee echter niet de vruchten en planten, die wij gevonden hebben, want deze zijn wel van veel waarde, maar zullen ons slechts gedurende den zomertijd een desnoods ontbeerlijk genot aanbieden. Groot nut verleent ons ook het voeder voor het vee, dat wij daar ontdekt hebben, vooral gedurende den regentijd, maar het hoofdvoordeel brengt ons dat met yamswortels bezet stuk land aan, dat ons voedsel voor den winter zal geven. Ze zijn voor ons van het grootste belang en we kunnen ze niet spoedig genoeg tegen de zwijnen beschutten, die ze ongetwijfeld met wortel en al opwroeten, als we dat niet tijdig voorkomen. Nu weet ge zeer goed, mijnheer, wat we vroeger besloten, maar niet volvoerd hebben. Ik geloof echter, dat de kokosheining nu te veel tijd zal wegnemen en ’t wel voldoende zal zijn, als wij de yamswortels met sloot en heg omheinen. Als we daarbij echter gedurig weer naar ons huis terugkeeren en mevrouw met de kleinen alleen laten moesten, zou dat zeer lang aanhouden,—en dus stel ik voor, om, daar ’t weder zoo geheel is opgeklaard en nu wel maanden lang goed blijven zal, onze tenten daar ter plaatse op te slaan en met de gansche familie naar de zuidkust te trekken. Zij zullen daar binnenkort geheel thuis en in allen gevalle veel veiliger zijn, dan als zij zonder eenige verdediging hier achterbleven.”
„Een uitmuntende raad, Flink; wij worden daardoor zooals gij opmerkt, voorloopig aan het gevaar onttrokken, en zijn wij eenmaal daar, dan kunnen wij altijd nog overleggen wat voor ons het beste is.”
„Juist, mijnheer. Misschien hebben onze vluchtelingen het eiland in ’t geheel niet bereikt, want de eerste dagen, nadat zij ons eiland verlieten, hadden zij den wind vlak tegen, en bovendien is de stroom in deze richting zeer sterk. Zijn ze echter werkelijk behouden aangeland, dan moeten wij ons op een bezoek van de wilden voorbereid houden, en als die landen, komen zij natuurlijk regelrecht op onze tegenwoordige woning aan.”
„Gij wilt toch niet, Flink, dat wij dit gedeelte van ’t eiland en al de gemakkelijke inrichtingen, die wij er tot stand brachten, voor altijd verlaten?” vroeg Willem.
„Ei, zeker niet voor altijd, mijn beste Willem; en daarmee kom ik tot het tweede gedeelte van mijn voorstel.—Zoodra wij met ons yamsplantsoengereed zijn en alles zoo goed mogelijk in orde hebben, laten wij mevrouw en de kinderen achter en gaan hier weder aan den arbeid. Zooals bepaald is, moeten wij ons tegenwoordig woonhuis opgeven en ons magazijn, dat in het bosch verscholen ligt, tot woning inrichten en zoodanig versterken, dat wij tegen elken onverhoedschen aanval van de wilden gedekt zijn; want in eene vaste woning moeten wij in elk geval terugkeeren, daar wij, als het regenseizoen invalt, niet meer onder de tenten kunnen blijven.”
„Hoe wilt gij het magazijn dan verschansen, Flink?” vroeg mijnheer Wilson. „Daarvan weet ik niets.—Wat is zulk een blokhuis eigenlijk?”
„Dat zal ik u bij gelegenheid uitleggen.—Nu, echter, mijnheer, komt er nog velerlei. Als de wilden hierheen komen, moeten wij ons in allen gevalle met vuurwapens tegen hen kunnen verdedigen. Een enkel man met een geweer achter eene palissade is beter dan twintig, die alleen met knotsen en lansen gewapend zijn, en zóó slechts mogen wij hopen onze vijanden op de vlucht te slaan.”
„Naar het mij voorkomt, is uw plan voortreffelijk, Flink,” antwoordde mijnheer Wilson. „Hoe spoediger wij daarmee beginnen, des te beter zal het voor ons zijn.”
„Daar is geen twijfel aan, mijnheer. Het eerste moet wezen, dat Willem en ik op deze zijde van de klippen een doorgang voor onze boot opzoeken; dan zullen wij naar de kleine haven omzien, die wij reeds vroeger ontdekt hebben. Zoodra dit geschied is, keeren wij terug, brengen tenten en al het noodige in de boot, en hebben wij die eerst opgeslagen en alles behoorlijk in orde gebracht, dan kan mevrouw met de kinderen met ons door het bosch trekken en ze in bezit nemen.—Als we ’t nu over de zaak eens zijn, mijnheer,moesten wij maar zoo spoedig mogelijk beginnen, want wij hebben zeer veel te doen en mogen niet vergeten, dat wij, voordat wij met het blokhuis aanvangen, eerst nog een bezoek op de westkust moeten afleggen, om spijkers en andere benoodigdheden te halen, en als wij daar toch eens bij zijn, kunnen wij evengoed ook eene geheele monstering over onzenvoorraadhouden.”
„Wij willen geen dag, geen uur verliezen, Flink; er is toch al te veel tijd verloren geraakt,” antwoordde mijnheer Wilson. „Wat zullen wij vandaag bij de hand nemen?”
„Bij het ontbijt zullen wij aan mevrouw ons plan mededeelen; daarna ga ik met Willem in de boot en zoek eene doorvaart. Gij zelf, mijnheer, kunt hier blijven en de tenten en al de verdere artikelen, die wij bij de eerstevaart meenemen, bijeenpakken, en wij zullen, denk ik, tegen het middageten terug zijn.”
Met deze woorden stonden zij op en gingen op het huis aan. Allen voelden zich innerlijk verlicht, nadat het nieuwe arbeidsplan ontworpen was, en verheugden zich in het vooruitzicht, dat zij nu alle menschelijke kracht zouden inspannen, om het hun dreigend gevaarafte wenden.