Hij leek dezelfde mensch niet meer. Zijn aangezicht, lijkbleek, stond scheef gewrongen van foltering, en in zijn verdonkerde, strak op de deur gespijkerde oogen, brandden als twee kaarsen van helsch licht.
- Och Hiere, och God! wa es er toch? wa es toch?" riepen de moeder en de dochter te gelijk.
- Den duvel! den duvel!" kreet hij schor en sidderend door al zijn ledematen. En weer trokken de spieren om zijn mond en oogen zich in folterrimpels samen, alsof hij, door een onzichtbare hand, scherp geknepen of geprikt werd.
Schreiend vlogen de moeder en de dochter naar hem toe.
En 't werd een leven als een nachtmerrie....
Dagen en dagen na elkaar, soms, was hij normaal en kon men niets vreemds aan hem merken; maar dan was 't plotseling weer een overweldiging van waanzin, en schrikkelijke scènes hadden plaats.
Dan kwam"het kwoad"in hem!.... Iets, dat hij zoo eensklaps voelde, de greep des duivels, dáár, in 't midden van zijn lijf, op de plaats waar vroeger zijne ziel was!....
En midden in den nacht stond hij op holde hij de velden in!*
Hij was het werktuig van wilde impulsies, van onweerstaanbaar-machtige suggesties. Gedachten, die hij eertijds nooit had gehad, lang vergeten herinneringen ontstonden of kwamen weer in hem op, hem stuwend, hem duwend naar het onvermijdbaar doel van't kwoad.
De suggestie bracht hem in 't geheugen, dat er in dàt of dàt dorpje, uren vandaan, een arme boer woonde met een talrijk gezin wiens vrouw opnieuw bevallen was; en in de nachtelijke duisternismoesthij er heen vliegen, en, gillend als een razend beest, hollen en zwerven om het eenzaam hoevetje, welks bewoners, uit hun slaap wakker geschrikt, met den doodsangst op het lijf om hulp riepen, zonder buiten te durven komen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De suggestie wees hem den weg, dwars over heide en velden, naar den ver afgelegen kruisweg midden in de sparrenbosschen*, alwaar, aan de voeten van een Christus-of-Madonna-beeld, een door vrome handen aangestoken lantarentje brandde; en, in de zwarte eenzamheid,moesthij zich daar gillend rollen op het mos, ten prooi aan de afgrijselijke folteringen, welke 't zicht van die ruwe godsdienst-zinnebeelden in hem deed ontstaan . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De suggestie, eindelijk, deed hem doelloos zwerven in den nacht, gehuld in een zwart bokkevel dat hij eens bij een ouden herder was gaan koopen: en hijmoest"weirwulf leupen," met knarsende tanden en fonkelende oogen, Satan in eigen gedaante, gebukt onder den gruwel der verdoemenis, de hakige klauwen grijpend uitgestrekt om nieuwe slachtoffers ter Hel te slepen....
Zoo liep hij gansche nachten soms, in schrikkelijke folteringen. En eerst wanneer de dageraad met licht opaal den donkeren gezichtseinder begon te kleuren, voelde hij de kalmte der afgematheid in zich komen. Een gruwelijke angst maakte zich van hem meester, hij ging zijn bokkevel verbergen in een droge sloot, onder dicht door elkander gestrengelde braamstruiken, en kwam doodstil weer in zijn huis gekropen. Als een pak viel hij op zijn bed, dadelijk in een loodzwaren slaap; en 's anderdaags morgens, slap en uitgeput, had hij geen geheugen meer van al de nachtelijke gruwelen.
Middelerwijl begonnen zich in 't gehucht en weldra overal in den omtrek akelige geruchten te verspreiden:
Satan dwaalde 's nachts in de velden; menschen, die laat uit het dorp terugkeerden, hadden hem gezien, gehuld in een zwart bokkevel, met zwarte horens en oogen van vuur; anderen hadden zijn afgrijselijk gillen gehoord, en de folterklachten der zielen, die hij naar de Hel meesleepte. Twee kinderen uit een ver gehucht hadden stuipen gekregen van den schrik; een oude kwezel was er krankzinnig van geworden; een pas bevallen kraamvrouw was er van gestorven. En het gerucht, eerst vaag, maar weldra in stilte door een ieder herhaald, duidde Van Alleijnes als den bezetene aan. Hij had zijn ziel aan den duivel verkocht, zei men; hij had Satan's gedaante genomen; hij overweldigde zielen voor de Hel! Een huivering van schrik liep over gansch de streek, haast niemand durfde na tien uur 's avonds nog alleen zijn huis verlaten: en 's nachts verschansten de boeren zich gewapend met oude geweren en gaffels in hun hoeven, hun groote, woeste honden op het erf loslatend. Een soort hallucinatie, mengsel van lafheid en woede, overweldigende uitbarsting van verschrikt fanatisme en wreedaardigheid, maakte zich van de bevolking meester.
Van Alleijnes' huis was als een oord van Hel en vloek verklaard, en Van Alleijnes en zijn vrouw en dochter als 't gezin des duivels zelf gebrandmerkt. Niemand wilde met hen nog eenig uitstaans hebben; de buren sloten haastig hun deuren en sloegen een kruis, toen zij een van hen zagen komen, en zij maakten lange omwegen om langs het "Duvelshuis" niet meer voorbij te moeten gaan.
Alleen toen zij weldra vernamen dat Van Alleijnes ziek te bed lag, werden zij iets stoutmoediger. Samenscholingen werden in de buurt gevormd, en heele benden, gewapend met vorken en stokken, lippend*gillend in de duisternis langs velden en langs wegen, schreeuwend dat zij den duivel gezien hadden en hem wilden doodslaan. Iets van den waanzin die Van Alleijnes geknakt had, deelde zich aan de bevolking mede; 't geschreeuw der opgezweepte foule leek op het woest gegil van Van Alleijnes zelf, wanneer hij 's nachtsmoest"weirwulf leupen,"; maar 't was genoeg dat er een riep: "doar es hij! 'k zie hem!"... onmiddellijk ontaarden*de razende kreten in angstgeschreeuw, en de geheele laffe bende vluchtte uit elkaar, overweldigd door het ingebeelde spook, door die gruwelijke vizie van den duivel, welke 't blinde fanatisme hun nu onophoudend voor den geest hield.
Met Van Alleijnes zelf was het nu tot het allerergste gekomen.
De waanzin, die hem met reuzenschreden had bestormd sinds zijn laatste ontmoeting met Velghe, liet hem geen oogenblik rust meer. Na ruim drie weken lang haast elken nacht in de vreeselijkste overspanning te hebben omgedwaald, was hij eens op een vroegen morgen, bijna halfdood naar huis terug gekropen, en sinds had hij zijn bed niet meer verlaten.
Hij at niet meer, hij sliep niet meer, hij sprak niet meer. Tegenover alle heropbeurende pogingen van zijn wanhopende vrouw en dochter, stelde hij een hardnekkig-stug stilzwijgen, den verwilderden blik zijner wijd-uitgezette gekkenoogen halsstarrig op het toegeblinde vensterraam van 't nachtvertrek gespijkerd.
Een groot gedeelte van den dag bleef hij aldus stom-roerloos liggen. Maar met het naderen van den avond veranderden van lieverlede zijn gelaatstrekken. Een samenkrimping verwrong de spieren om den mond en om de oogen, vertrok ze tot die folterrimpels alsof hij door iets onzichtbaars scherp geknepen of geprikt werd, tot die expressie van lijdensparoxysme welke zich op zijn gezicht gestempeld had, 's avonds na zijn gesprek met Velghe, toen de berechting vóór zijn deur passeerde. En plotseling dan, in een grijnzen der lippen, dat even zijn knarsend, wit gebit liet zien, slaakte hij een kreet, die door het heele huisje dreunde:
- Den duvel! den duvel! den duvel!
En de afschuwelijke crisis greep hem aan....
Hij woelde in zijn bed, de dekens weggooiend, beukend en schoppend met armen en beenen, springend en spartelend als een visch uit het water, met reutelenden adem en een gezicht, dat geen menschelijke uitdrukking meer had, tot hij eindelijk, met uitpuilende oogen en tot barstens gespannen halsspieren, niets meer uitte dan één oorverscheurend, aanhoudend gegil, afschuwelijk om aan te hooren.
Uren en uren na elkaar, soms, lag hij zoo te gillen, te gillen tot zijn stem schor en klankeloos werd, te gillen tot zijn tanden er van klapperden, te gillen tot hij ademloos en krachteloos ineenzakte. En als hij daar dan uitgeput lag, stonden zijn oogen loensch, en kwamen weer de folterrimpels om zijn mond en om zijn oogen, uitspitsend den neus en de kin, als den snuit van een roofdier.
Zijn vrouw en dochter, luid-schreiend om zijn sponde, wisten geen raad noch toevlucht meer. In 't hevigste van een der aanvallen was de vrouw in het dorp de hulp van den pastoor gaan afsmeeken; maar zoodra Van Alleijnes den man zag, waarin hij nu alle vertrouwen had verloren, steeg het in hem tot zulk een razende dolheid, dat de geestelijke, na enkele vergeefsche pogingen om hem tot bedaren te brengen, bang voor zijn eigen leven uit het huis was gevlucht.
Eenige dagen verliepen. De dokter was gekomen en had den zieke een drankje doen innemen. Daarmee was hij iets kalmer geworden. Zelfs had hij dien zaterdagavond een half bordje pap gegeten, en de twee vrouwen, een weinig opgebeurd, hadden nog niet alle hoop verloren, toen hij plotseling, zonder dat iets zulks deed vermoeden, als een brieschenden leeuw uit zijn bed sprong, met ruw geweld de naar hem toesnellende vrouwen weggooide, en half naakt buiten vloog.
Zóó brusk was de slag en zóó snel zijn rennen, dat de twee vrouwen, toen zij, na een oogenblik bedwelming weer bijgekomen, hem buiten achterna holden, geen spoor van den waanzinnige meer ontdekten. En, na een vruchteloos roepen en zoeken, waren zij huilend weer in huis gekomen, wanhopend hem nog in leven te zien, toen eensklaps een afschuwelijke gedaante, een monster met knarsende tanden en brandende oogen, gehuld in een zwart bokkevel, vóór haar voeten in de keuken sprong.
Zij slaakten beiden een kreet of ze vermoord werden, en met twee sprongen waren zij weer buiten, luidkeels om hulp roepend.
Verwilderd, verbluft door zijn eigen geweld, bleef Van Alleijnes een oogenblik roerloos in het midden van de keuken staan, stom luisterend naar de in den nacht uitstervende angstkreten van zijn vrouw en dochter. Dan keerde hij zich om, als zelve bang, sloop weer in 't kamertje en kroop er in 't bed, met zijn bokkevel aan.
Uren verliepen....
Buiten was het een heerlijke Julinacht, een nacht van plechtige stilte en zachte geuren, met een ongeëvenaard prachtigen starrenhemel en een reusachtige ronde maan, die in wazig-rossen gloed over de blonde korenvelden oprees.
De meeste bewoners van het eenzaam gehucht waren nog op, en af en toe weergalmde in de verte een verdofd geraas van een menigte: de met stokken en vorken gewapende benden, welke den "duvel" achterna zaten.
En sidderend onder zijn bokkevel lag Van Alleijnes met verwrongen gezicht naar dat akelig lawaai te luisteren. En telkens als een bende onder oorverdoovend geschreeuw zijn huis voorbij rende, ging hij aan 't rillen, dat heel zijn bed er van schudde, terwijl zijn loensche, op het gesloten blind gespijkerde oogen een uitdrukking van gruwelijken schrik kregen. Maar hij gilde niet meer, als vroeger, op het geluid terug; zijn op elkaar geklemde tanden lieten geen klank meer door.
Omtrent middernacht, toen alles stil geworden was, kwamen twee schuwe schaduwen in huis geslopen: zijn vrouw, zijn dochter.
Bevend kwamen zij op de teenen naar het slaapvertrekje, en, half verscholen achter den binnenmuur, staken zij 't hoofd in 't somber gat der openstaande deur.
Bij het zwakke schijnsel van het op de kleerkast staande lampje, zagen zij Van Alleijnes, steeds in zijn bokkenhuid gewikkeld, onbewegelijk in 't lage bed liggen.
Zij dachten dat hij sliep, en, ondanks haar onnoemelijken schrik, traden zij nog een stap naar voren.
Plotseling, dan, keerde hij zijn hoofd om, en keek haar aan met zijn strakke loensche oogen, die fonkelden als karbonkels onder het ruige haar der bokkenhuid.
Met een snerpend angstgegil vlogen zij weer buiten.
Dáár was het steeds de heerlijk zachte en sereene nacht. Heel hoog was de maan gerezen in den opalen hemel, en haar ronde schijf, kleiner nu en helderder schitterend, strooide haar schijnsel, wit als sneeuw, over de met parelen bedauwde, blonde korenvelden. De nabijgelegen sparrebosschen*waren daarentegen zwart als inkt, en in 't verschiet verscheen de heide als een maanlandschap, met geelwitte heuveltjes van naakt zand en diepten van donkere heesters. Twee uren sloeg het in de verte op den kerktoren, twee zwakke, gescandeerde zilverslagen, in de plechtige stilte van den heerlijken nacht.
Toen keerden de beide vrouwen voor de tweede maal weer huiswaarts. Huilend, met snikken in de keel, hare gestalten scheef vooruitglijdend als zwarte spoken over den wit beschenen weg, kwamen zij aan 't achterdeurtje.
In doodsche stilte duwden zij het open, slopen in 't keukentje, naderden de openstaande kamerdeur, en keken.....
Het lampje smeulde en stoomde, bijna uitgedoofd. Het kolend lontje verspreidde een benauwde lucht en gaf nog slechts een flauw, dofrood schijnsel, maar dwars door 't hartenaas van het gesloten blind dolkte een straaltje der maan gelijk een zilverschicht op Van Alleijnes' gelaat.
- Hij sloapt," fluisterde de vrouw, haar adem inhoudend.
Het meisje greep haar moeder bij de hand, en sidderend tegen elkaar gedrongen staken zij eventjes 't hoofd uit, om hem beter te zien.
In 't bleeke schijnsel van den manestraal leek 't weinige dat zij van zijn puntig, half onder de zwarte huid verborgen gezicht konden ontwaren, geelwit en hard, gelijk ivoor. De oogen en de mond schenen gesloten, en daar omheen hadden de folterrimpels zich verwrongen als tot zwarte groeven, waaruit de neus, wasgeel, scherp als de snavel van een roofvogel vooruitpuntte. Het lichaam, in elkaar gekrompen, lag onbewegelijk met opgetrokken knieën, terwijl de dwars over de borst gekruiste handen met al de kracht van hun hakige, in 't ruige haar geklauwde vingers, het bokkevel over zijn schouders schenen dicht te sluiten.
En roerloos, met hamerend hart, op den drempel van het kamertje, woonden de beide vrouwen een vreemd, schrikwekkend schouwspel bij:
Langzaam zich van links naar rechts bewegend, glansde de bleeke lichtstraal peilend over de eene helft van het gelaat, de andere helft in trapsgewijze toenemende duisternis verbergend.
Langzaam rijzend in een scheeve lijn, liet hij eerst zien, tusschen het grauwe der half open lippen, die witte rictusschittering der tanden; dan één vóór één de zwarte rimpels om den mond en om den neus, dan eindelijk het diep-gegroefde, donker gat van 't oog. En plotseling, van uit de donkerste diepte van dat gat, scheen een loensch weerlicht de twee vrouwen aan te grijnzen. En in die vizie van weerlicht, welke den schijn gaf van leven, kregen zij beiden, op 't zelfde oogenblik, in één en zelfden kreet van schrik en medelijden, de overweldigende intuïtie dat hij dood was.
- Man! man!" gilde de vrouw met een krijschende stem.
Noch antwoord, noch beweging.
- Man! man!" herhaalde zij met een schreeuw, die in een wilden snik ontaardde.
En zij sprong naar het ledikant toe.
Maar stom van schrik vloog zij weer achteruit:
Haar hand had zijn gezicht geraakt. 't Was koud als ijs....
Van Alleijnes was een lijk.
Er moest voor de begrafenis gezorgd worden.
Reeds den volgenden morgen in de vroegte, ging zijn vrouw, op het dorpsgemeentehuis, de verklaring van overlijden afleggen.
De gebeurtenis, die er al gekend was, verwekte groote opschudding. De bewoners stonden op hun dorpels, elkaar toeschreeuwend, dat de "duvel" dood was. En een vraag was op aller lippen: "waar zou men hem begraven en wie zou hem naar zijn laatste rustplaats brengen?...."
Natuurlijk kon hij niet in gewijde aarde begraven worden. Zijn plaats was in den "hondshoek" achter de kerk, den hoek van brandnetels en vuilnis. Maar wie zou er hem brengen, zelfs dáár? En 't antwoord op de vraag was onveranderlijk 't zelfde:
- Ik niet, woarachtig! Noch ik! Noch ik!..."
Niemand wilde. En toen de vrouw, volgens gewoonte, bij haar naaste buren in 't gehucht een hulp ging vragen, die anders nooit geweigerd wordt, werd haar de deur voor het gezicht geslagen en riep men haar toe:
- Goa wig! goa wig! We 'n hên mee den duvel niets te moaken!"
In wanhoop wendde zij zich tot den pastoor.
Ernstig dacht hij even na, toen antwoordde hij:
- Van Alleijnes was 'n greute zondoare, moar hij hé hem gebeterd veurdat hij stierf, en noar d' Helle 'n zal hij nie goan. Ik geef ou de permissie hem in gewijde eirde te begroaven, percies en zeu goed as den iesten den besten mijner prochioanen; moar wa kan ik er aan doen, as er hem niemand 'n wil droagen? 'K 'n kan 'k hem toch zelve nie goan hoalen!". . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Zij wendde zich tot Velghe en vroeg hem het lijk met zijn paard en wagen naar het kerkhof te willen vervoeren.
- Beste vrauwken," antwoordde Velghe, haar zoo spoedig mogelijk uit zijn huis leidend, "ik 'n zoe nie beter vroagen as ou dien dienst te meugen bewijzen, moar 't es onmeugelijk; 'k zoe mij de vijandschap van de heule gebuurt op den hals joagen; 'k 'n zoe hier nie mier keune leven."
En in het ledikant bleef het lijk liggen, grijnzend in zijn bokkenhuid gewikkeld....
Zij hadden het vel er niet af kunnen krijgen, zij hadden den doode niet kunnen afleggen!.... Zóó wild-krampachtig hadden zijn hakige vingers zich in het bokkevel vastgeklauwd, dat ze zijn armen zouden moeten breken, om hem er uit te krijgen. En die bijzonderheid, in het gehucht gekend, waar de twee vrouwen het in haar gruwel hadden uitgegild, versterkte nog de bewoners in hun overtuiging dat het de duivel zelf was, die daar nu nog "over eirde" lag. Bij den schrijnwerker der buurt had vrouw Van Alleijnes de doodkist besteld, en die had er wel in toegestemd ze te maken, maar geweigerd ze aan huis te leveren. Hij zou ze 's avonds vóór zijn deur zetten, waar de twee vrouwen, na betaling, ze maar zelve moesten komen halen.
Voor de tweede maal, dan, ging vrouw Van Alleijnes, door haar dochter vergezeld, bij den pastoor aanbellen.
De meid berichtte haar, dat hij voor enkele dagen op reis was, en de zijn plaats vervangende coadjutor zei haar, dat hij niets anders doen kon dan de, hem door zijn overste nagelaten instructiën, te volgen.
Dan ging ze naar het kasteel bij den baron, die ook de burgemeester van het dorpje was. Maar de baron was insgelijks op reis, ergens heel verre, vertelde een der knechts, en zou vóór weken niet terug zijn.
- Hawel, 't es goed!" riep de vrouw eensklaps woedend. "We zillen hem zelve begroaven, zonder d' hulpe van al die lafoards!"
En vastberaden keerden zij weer naar het verre gehucht.
De nacht was gevallen. Zij liepen haastig door het eenzaam veld, tusschen de hooge, rijpe korenakkers, over welks zwaargebogen aren geruischloos-fladderende vledermuizen zweefden.
De lucht was zwoel, met laag-drijvende wolken, broeiend van onweer.
- Ge moet mij helpen," sprak de vrouw, gebiedend, tot haar dochter.
- Woaraan?" vroeg het meisje, die in stilte weende.
- Da zilt-e wel goan zien."
En nog gejaagder snelde zij vooruit.
Zij kwamen aan het huisje. Vrouw Van Alleijnes opende de voordeur met den sleutel en zij traden binnen.
In een hoek der keuken stond de den vorigen avond gehaalde doodkist van ruw, ongeverfd hout, spookachtig wit langs den muur als een liggend lijk. In 't kamertje, waar een klein lampje brandde, lag Van Alleijnes, steeds in zijn bokkenhuid gewikkeld, in het lage bed.
De vrouw ging naar het achterhuis en nam er uit een hoek twee spaden. Zij gaf er een van aan haar dochter.
- Kom mee," sprak zij.
- Moar, moeder, wa goa-je toch doen?"
- Kom mee, zeg ik ou, ge zilt 't zien."
En weer verlieten zij het huisje.
De zoele nacht was zwart als kool. Geen star aan het ondoordringbaar uitspansel; geen boom of staak zichtbaar den weg afbakenend. Alleen van tijd tot tijd een blauwachtig weerlicht, in breeden gloed opflikkerend, en na een poos, heel in de verte, een dof-rollend geroffel van donder.
- Moeder! moeder! woar goan we toch noar toe?" vroeg angstig het meisje.
- Noar d' heije*," antwoordde zij.
Zij kwamen op de heide....
- Wacht 'n beetsen," zei de vrouw. En zij bleef even stilstaan.
Aan den gezichtseinder vlamde een weerlicht op. De breede blauwe gloed verlichtte even de hobbelige vlakte, omlijnend scherper als bij daglicht, een eenzaam groepje kromme sparretjes, een rozig-bloeiend plekje heidekruid, een goudgelen, naakten zandheuvel.
- Nog veuder," sprak de vrouw.
En, in het hol geroffel van den verwijderden donder, liepen zij strompelend verder.
- Hau stille," sprak zij voor de tweede maal, haar dochter bij de mouw grijpend.
En bij een nieuw, fel-glinsterend weerlicht, zagen zij zich in 't midden eener dorre vlakte staan, tusschen twee gele zandheuvels.
- Hier!" sprak de moeder.
- Wat hier?" vroeg het meisje.
- Voader begraoven....."
- O moeder!"
- Doe wa da 'k ou zegge," beval de vrouw. En zij begon te delven.
In enkele minuten tijds, bij het reusachtig opflikkeren der weerlichten en het dof-somber-rollen van den verren donder, hadden zij den kuil gegraven. Toen keerden zij weer huiswaarts.
Vrouw Van Alleijnes stak in het keukentje de lamp aan, en met haar dochter droeg zij de doodkist in 't kamertje, en trok die open. Dan kwam het vreeselijk moment. Haar angst en gruwel overwinnend, sloegen zij snikkend de armen om de monsterachtige gedaante van den overledene, en gaven hem een afscheidskus op de in foltering verwrongen lippen. En zonder nog te pogen hem uit het akelig, om zijn lijf geknelde bokkevel te krijgen, tilden zij hem op bij schouders en beenen, en legden hem in de doodkist.
Met spijkers werd het deksel er op vast geslagen; met andere spijkers, voor en achter, werden twee draagriemen, waarmee Van Alleijnes vroeger in den kruiwagen reed, aan de kist bevestigd. En zoo hieven moeder en dochter de doodkist op en gingen zij er schreiend mee naar buiten.
Dreigender kwam 't onweer op. Met kortere tusschenpoozen flitsten verblindend violette weerlichten, dapper gevolgd door luider en luider bulderende donderslagen. Soms was de gloed zóó schel, dat zij in 't blonde koren waar de kist schommelend langs schoof, de roode en blauwe bloemen zagen schitteren; het oogenblik daarna was alles zóó pikdonker, dat zij zelfs elkaar 's gebogene gestalte niet meer zagen. Het angstzweet brak haar uit, en bij elk weerlicht sloegen zij sidderend een kruis, onder den last der doodkist door haar weifelende beenen zakkend.
Uitgeput kwamen zij eindelijk aan de groeve. Zij zetten de kist op den rand, en knielend, met gevouwen handen, zegden zij een bede op. Heete tranen rolden over haar wangen, en groote regendroppels begonnen te vallen, hard openspattend op het hout der kist.
Toen lieten zij die in de groeve neer. Met een ruk trokken zij de riemen los, en hol-bonzend in het hol gebulder van den donder, vielen de aardkluiten op de doodkist.
Harder, in breede, rechte stralen, stortte de regen neer. Zijn aanhoudend gedruisch verdofde het dreunend geluid van den donder, en de bliksemvlammen smolten weg in wazig blauwgrijs.
De groeve was gevuld. Druipnat trapten de vrouwen de laatste zoden vast. En, met een laatste, snikkend vaarwel, verlieten zij ijlings de heide.
Het onweer trok af. Alleen de regen bleef aanhoudend vallen, in breede, lauwe stralen van eentonig ruischen.
Uit de gedrenkte aarde wasemde zacht een geuren-atmosfeer van frischheid en herleving....
1Waarlijk!
2Oogenblikkelijk.
3Borrel jenever.
4Lust.
Zij was arm, triestig, leelijk....
Arm, want toen haar oude vader en haar jarenlang zieke moeder kort na elkaar gestorven waren, had zij niet eens genoeg om nog een maand te leven; triestig, omdat ook alles om haar heen altijd zoo triestig en zoo smartvol was; leelijk, omdat zij inderdaad volkomen van alle gratie ontbloot was: gebogen van rug en geelwit van haren en wenkbrauwen, met kleine, ziekelijke, roodrandige oogjes, die daarbij nog loensden: het albinostype in al zijn onsierlijkheid.
Zij werkte in de groote meelfabriek van 't dorp met nog enkele andere vrouwen, wier bezigheid bestond in het verstellen van gescheurde en versleten zakken. Dàt, en, boven, op den zolder der fabriek, het bed opmaken van den nachtwaker, was haar eenige occupatie, van 's morgens tot 's avonds, van het begin tot 't einde van het jaar. En 't fijne witte stof, dat opvloog uit de omgekeerde meelzakken, bedekte ook, als met een laag van kalk, haar kleeren, haar gezicht en hare handen, in een zóó schelle, algeheele witheid, dat men haar soms, wijl ze daar onbewegelijk zat te werken, had kunnen nemen voor een sneeuwpop.
Haar naam was Pharaïlde; maar om haar witte haren, en om al het witte dat aan haar was, werd zij door de anderen "Blanche" geheeten.
Er waren er jonge en mooie, onder die andere vrouwen, welke met haar werkten; en, in de lichte stofwolk, die met wit de bruine of de zwarte haren poeïerde*, kregen de jeugdige oogen een lachenden glans, terwijl 't gesprek, in opgewekte vroolijkheid, over minnaars en liefde handelde. De liefde! de minnaars! dat was 't nooit uitgepraatte, altijd weer terugkomende thema, dat de lange, eentonige werkuren minder treurig en vervelend heen deed vlieden; een lichtstraal van herinnering en hoop, die, dwars over de kleurlooze saaiheid der arbeidsweek, 't genoegen en de vrijheid van den eenen zondag aan 't genoegen en de vrijheid van den anderen verbond.
Slechts Blanche, zacht en nederig, sprak nooit in zulke dingen meê, maar hoorde die verhalen aan met inwendige trillingen van graagte, zooals men luistert naar diep-wonderbare, onwaarschijnlijke, en toch gebeurde avonturen.
Voor haarzelf bestonden al die dingen niet. Zij was zich al te sterk harer afgrijselijke leelijkheid bewust, om aan liefde te denken. Een man in 't gezicht te aanschouwen, o, neen, dat had ze nooit gedurfd. En zij wist ook wel dat geen man haar zou opmerken, tenzij om den spot met haar te drijven.
En toch,... er was er een, in de groote fabriek, wiens knappe, mannelijke trekken, wiens flinke, krachtige gestalte zij helder in beeld voor haar geest kon verwekken, ofschoon zij hem nooit vrij en frank in het gezicht had aangekeken.
Het was dáár omhoog, op den zolder, waar zij elken middag het bed van den nachtwaker ging opmaken, de jonge, knappe molenaar, die aan den reusachtigen trechter van de molens stond.
Haast altijd was hij daar, blootshoofds, met opgestroopte hemdsmouwen, zijn lastige taak verrichtend, als was het louter kinderspel. De honderd-kilos-zware-zakken rolden van den hoogen stapel in zijn sterk-gespierde armen, hij sneed den knoop door met zijn mes, tilde ze op, gooide ze om, ledigde ze in een oogwenk in den kolossalen houten trechter.
Zoo gauw als hij haar zag begroette hij haar met een gullen "goên dag," de oogen lachend in zijn vroolijk aangezicht met fijn zwart snorretje, en van verre riep hij haar 't een of ander toe, grapje of ondeugendheid, met zijn helder-klinkende stem het dof-dreunend geruisch der fabriek overschetterend.
Zij kreeg een kleur, antwoordde schuchter een paar woorden, te nauwernood vlugjes een schuwen blik in zijne richting wagend; en met koortsige haast en snel jagend hart, als onder de duistere benauwdheid eener vage vrees, begon zij het bed op te maken.
Beneden, onder de dreunende zoldering, gonsde en bruisde de fabriek aanhoudend-eentonig, met vlug gefladder hier en daar van schuifelende, leeren riemen; en, in haar haastige bewegingen, de beenen zwak en den adem bevangen, nam zij hem af en toe van verre nog eens schuchter op, in onbewuste graagte van bewondering.
Hij, weer aan zijn werk, scheen zich om haar niet langer te bekommeren. Zij zag hem ter sluiks, in toenemende drukte, de zware zakken in zijn armen opvangen, ze open snijden, ze optillen en omgooien, als waren het veertjes zoo licht. Zij kreeg er een soort duizeling van, het scheen haar toe of hij expres daarvoor geschapen was: om zware dingen op te tillen en ze om te gooien, dwars alle tegenstand en hinderpalen, met eindeloos gemak. Het scheen haar toe of hij haar zelve zoo zou kunnen nemen, zonder een aarzeling noch een woord, en of zij dadelijk in zijn armen zwak en slap zou worden, geheel tot weerstand onbekwaam.
Na enkele minuten was zij met haar arbeid klaar en keerde terug naar de trap. En telkens dan, op het juiste oogenblik dat zij zou weggaan, kwam hij op haar af, de schitteroogen lachend, haar even als het ware ter plaatse ketenend door de enkele magnetische kracht zijner aanwezigheid. En terwijl hij haar nogmaals een grapje of ondeugendheidje voorhield, ontwaarde zij vluchtig zijn mooi, knap gezicht, zijn schitterlachende oogen, zijn zwarte haren en zijn zwarte snor, zijn flinke soepele gestalte van onweerstaanbare kracht. Zij werd vuurrood en stotterde van schaamte, wijl hij, in de bewustheid van zijn algeheele macht, er vermaak scheen in te vinden haar nog dieper te ontroeren; en telkens ook, als zij dan eindelijk weer beneden was, onderging zij den overweldigenden indruk, dat zij slechts met de grootste moeite aan een vreeselijke ramp ontsnapt was, een ramp die voorzeker zou gebeurd zijn, die gebeuren zou, den dag als hij aldus bij haar zou komen, vooraleer zij 't bed geheel zou hebben opgemaakt.
Zoo kwam hij eens bij haar alvorens zij het bed geheel had opgemaakt....
Zoo kwam hij eens, gewoon glimlachend als altijd, zoo vrij en onbevangen als altijd in zijn bewegingen, met zijn gewone air of hij haar zou een grapje of ondeugendheidje zeggen, terwijl zij zelve, bevend van emotie, de wangen gloeiend en de oogen troebel, met handen, die sidderden van haast, haar werk poogde te voleinden....
En, zonder een woord, wijl zij, met een zwakken angstgil, 't bewustzijn verloor, tilde hij haar plotseling in zijn armen op, juist zooals ze zich had voorgesteld dat het gebeuren zou, juist zooals hij, licht als veertjes, de zware zakken van den stapel tilde, en ze, met een enkelen zwaai, in den reusachtigen trechter omgooide....
De eerste dagen liep zij als versuft onder 't gebeurde...
Hield hij dan wel van haar? En had zij hem ook werkelijk lief? Was dàt nu de liefde? Of was het er toch geen? Was dàt nu 't onbekend en zalig iets, waarover hare gezellinnen altijd fluisterden, met verrukten glimlach en stralende oogen? Of was er nog iets anders, iets zachter en verhevener, dat zij nog niet kende? Zij wist het niet, zij kon er niet helder aan denken, zij kon haar eigene gevoelens niet ontleden. Het werd haar telkens weer zoo verward en duister in den geest; zij voelde telkens weer niets anders dan de ruwheid van den aanval, den brusken, overweldigenden aanval zonder woorden, in het reusachtig dreunen der dof-gonzende fabriek. Zij had alleen het duidelijk besef, dat, wat zij vreesde, dan toch eindelijk gebeurd was, precies zooals het onvermijdelijk gebeuren moest, precies zooals het nog gebeuren zou, door een fatale macht, waaraan geen wilskracht haar onttrekken zou. En slechts één enkel iets was ze zich instinctmatig, met rillingen van angst, bewust: dat ze nooit, nooit met iemand over het gebeurde spreken mocht, omdat er, als het moest gekend zijn, zulk een gruwelijken hoon en spot op haar zou vallen, dat haar leven niet meer dragelijk zou zijn....
Hij kwam opnieuw, hij kwam nog dikwijls....
Hij kwam zoo dikwijls als het hem maar lustte, zonder dat zij er ooit een enkel oogenblik aan dacht hem tegenstand te bieden, zonder dat zij zich ooit een enkele maal afvroeg of ze niet erg verkeerd handelde. Zij had geen eigen wil noch eigen leven meer; zij was zijn iets, zijn voorwerp, waar hij mee handelde naar goeddunken; zij had niet meer verdedigingskracht in zich dan een dier levenlooze graanzakken, die hij in een oogwenk in den trechter van den molen omgooide...
Ook, toen ze zich, na verloop van drie maanden, in bedenkelijken toestand bevond, gaf ze zich eerst niets geen rekenschap der voor haar allervreeselijkste gevolgen. Zij kon zichzelve in de moederschap niet indenken, zij, Blanche, de monsterachtig-leelijke, de van alle gratie verstokene. De moederschap, o, dat kwam haar voor als iets heel anders, iets moois en zacht-ontroerends, waar veel meer reine genegenheid bij was, waar iets bij kwam van innig-teere, onderlinge hoop en bescherming, dat zij met hem toch niet kon voelen. Doch van lieverlede, naarmate het haar moeielijker*werd om haar toestand te verbergen, ontwikkelde zich, in haar gedeprimeerden geest, het akelig bewustzijn van haar werkelijken toestand. De haast onvermijdelijke gevolgen van haar misstap: 't verlaten worden door den vader, de wreedaardige hoon en spotternij van allen die haar kenden, het weggejaagd worden uit de fabriek, met de nijpendste armoede als onmiddellijk gevolg, dat alles dwarrelde weldra folterend door haar geheele wezen, in wreede weerlichten van openbaring, die haar de diepte van den afgrond lieten peilen.
Reeds begonnen de andere werkvrouwen haar met verwonderde oogen aan te kijken. Zij merkten iets abnormaals in haar op, en hadden soms een argwaan, dien zij nog bestreden, omdat 't idee van Blanche met een minnaar haar ook àl te bespottelijk voorkwam. Alleen een oude, met groote zwarte oogen in een gerimpeld, geel gelaat, vond de veronderstelling veel minder gek dan de andere; en, op een middag van niet langer meer te bedwingen nieuwsgierigheid, het oogenblik te baat nemend waarop Blanche even opstond om een vracht zakken te halen, flapte ze 't er eensklaps uit:
- Moar, Blanche, woa worde gij toch streusch!1Woa schilt er dan mee ou?
Tot in den nek, tot in haar witte haren, werd de ellendige plotseling rood, terwijl ze schichtig, in stom-onthutste roerloosheid, een schuinen blik van hare scheele, ziekelijke oogen op de oudere werkvrouw vestigde.
- Doar en es toch zeker nie gebeurd da nie 'n mag?" drong deze aan, bij 't enkele zicht van Blanche's ontsteltenis reeds van de juistheid van haar argwaan overtuigd.
En eensklaps, in plaats van te antwoorden, barstte de ongelukkige in overstelpend snikken los, terwijl de andere vrouwen, stom van verbazing, in een opwalmend meeldampje, dat uit de zakken stoof, het werk uit hare handen lieten vallen.
- Moar Blanche toch! moar Blanche toch! Hoe es 't Gods meugelijk!" sprak langzaam de oude, met wijd uitgezette donkere oogen, en als van schrik gevouwen handen.
- Van wie es't?" riep plotseling een der jongere?
Maar, steeds sprakeloos, deed Blanche niets dan hoe langer hoe wanhopiger snikken, krachteloos neergezakt op een stoel, de beide handen met haar schort voor de oogen.
- Wel! wel! wel! wie zoe da oeit gepeisd hên!" weeklaagde, op onheilspellenden toon, de oude.
- Moar van wie es't? van wie es't? riepen de jongere, nu met twee, drieën te gelijk.
En toen zei ze 't, door haar snikken heen, in een kreet van smart, dien ze niet langer kon bedwingen, terwijl de vrouwen het van verbazing uitgilden, haast niet gelooven kunnend wat zij hoorden, zoo vreeselijk geschokt door 't onverwachte van de openbaring, dat ze zich een oogenblik afvroegen of Blanche soms krankzinnig werd.
Als een loopvuur vloog 't ontzettend nieuwtje nog dienzelfden middag rondom de fabriek. Onder den "vierboterham" ondervroegen de andere arbeiders hun gezel den molenaar, die categorisch zijn schuld loochende. De vrouwen, van haren kant, gaven wild af op Blanche, die schijnheilige, dat monster van bedrog en leelijkheid, die ze allen om den tuin had geleid. En allen ook voorspelden zij wat nu onfeilbaar zou gebeuren: zoodra mijnheer en mevrouw, die erg gesteld waren op de zedelijkheid hunner werklieden, het schandaal vernamen, (en lang kon dat niet duren) zou Blanche onverbiddelijk worden weggejaagd.
Eenige dagen verliepen; voor Blanche dagen van afgrijselijk lijden.
Van 't oogenblik dat het geheim aan den dag was gekomen, had de molenaar niet meer naar haar omgezien; en nu ontweek hij haar stelselmatig, van den zolder naar beneden komend zoodra zij er verscheen, moedwillig weigerend haar te groeten, wanneer hij haar toevallig in de gangen der fabriek ontmoette. En die gedragslijn, dadelijk door de anderen vrouwen opgemerkt, verergerde nog den hoon, den spot en de minachting waarmede zij Blanche overlaadden. Het waren onophoudelijk vinnige toespelingen, geheime lachjes en gegrinnik, wreedaardige speldeprikken en gewaagde schuinheden, waarvan de arme Blanche in haar goedige naïefheid, de helft zelfs niet begreep. Geen leelijke streek, geen kwetsende vernedering werd haar gespaard. Er mengde zich een soort jaloersche wrok in; men benijdde haar, het leelijke monster, 't bezit, hoe weinig ook benijdenswaard, van dien mooien, knappen man, dien meer dan eene graag tot minnaar en tot echtgenoot zoude gewild hebben. Men kon 't niet uitstaan noch begrijpen dat hij zich met haar had willen bezighouden; men verontwaardigde er zich over en men walgde er voor; en alleen dit herstelde hem eenigszins in zijn eer: dat hij haar dadelijk den rug had gekeerd, en zijn schuld krachtdadig loochende. Er zou waarachtig maar aan ontbreken dat de knappe molenaar trouwde met de monsterlijke Blanche!
Op al dien laster, op al die scherpe aanvallen en boosaardige toespelingen, gaf Blanche, het bleeke hoofd triestig over haar werk gebogen, nooit een antwoord. Vooraf onderworpen aan 't idee dat de verleider haar verlaten zou, droeg zij, beter dan zij had gedacht, den hoon en de schande; maar de blinddoek, die haar een tijd lang het gewicht van den misstap verborg, was plotseling met ruw geweld van voor haar oogen weggerukt, en in angstige helderheid beschouwde zij nu haar materiëelen toestand, en de nijpende armoede, die het onmiddellijk gevolg zou zijn harer onvermijdelijke wegzending uit de fabriek.
Elk oogenblik verwachtte zij den slag, en zij begreep maar niet dat het zoo lang bleef duren.
Elk oogenblik verwachtte zij de komst van mijnheer, die haar, met kort bevel en uigestrekten arm, de deur zou wijzen. Maar de dagen verliepen, zonder dat er iets gebeurde, en zij begon zich bijna tijdelijk weer gerust te stellen, toen zij hem op een zaterdag, tegen avond, voorbij de vensters der werkplaats zag komen, traag loopend met een soort van slentergang, heel anders dan gewoonte.
Een gruwelijke angst greep haar plotseling aan. En, evenals zij zelve, kregen ook de andere vrouwen 't intuïtief besef dat er iets buitengewoons op handen was, want zij gingen druk onder elkaar aan 't fluisteren, met schuinsche blikken door de vensterramen.
Blanche, de keel droog en hijgend, zag mijnheer langzaam tot het einde van de binnenplaats loopen, hooggekleurd en zwaarlijvig, in linnen vest en gelen stroohoed; eventjes trappen op een omvergevallen, houten kist; eventjes opkijken naar de kroonlijst van 't dak, waar een paar musschen druk aan 't tjilpen en aan 't fladderen waren; eventjes voelen in de zakken van zijn linnenvest, of hij iets zocht. Dan keerde hij zich om, en zijn blik, langzaam dalend, vestigde zich op de ramen der werkplaats. En plotseling kwam hij terug, ging naar de deur, duwde die open.
Een benauwende stilte viel over de witte, gebogene rij vrouwengestalten.
- Mietje, hêtte nog zakken genoeg om veurt te wirken?" vroeg hij aan de oudste, met haar geel gelaat en hare groote zwarte oogen.
En, terwijl Mietje, ootmoedig, met gedempte stem, antwoordde, voelde Blanche, het hoofd gebukt en rood tot in den nek, 's meesters vorschenden blik op haar drukken.
Trouwens, hij drong niet aan. Hij ging langzaam weer heen, zeggend dat hij een nieuwen voorraad zou laten zenden.
Maar hij was nog geen vijf minuten weg, en de vrouwen waren nog niet half van haar ontsteltenis weer bijgekomen, toen de deur nogmaals openging en een der huismeiden verscheen, even bedeesd, met aarzelende stem berichtend:
- Blanche, medam zoe ou 'ne kier wille spreken. Ze wacht op ou in de serre.
- Op mij!" riep Blanche instinctmatig, terwijl ze hevig opschrikte.
- Joa, op ou," herhaalde nog eens de meid. En ze vertrok.
Plotseling doodsbleek stond Blanche op, terwijl de andere vrouwen doffe kreten slaakten.
- Blanche, jong, nou goat de kat op de keurde," sprak de oude.
- 'k Geleuve 't euk," antwoordde werktuigelijk de rampzalige, met stokkende stem.
Koortsachtig schudde zij 't witte stof van haar voorschoot, en op haar beurt verliet zij de werkplaats, waar achter haar rug een dof geraas van stemmen opging.
Mevrouw, slank en mager, iets verlepts en vroeg-ouds in haar uiterlijk, stond wachtend in de serre, met verstrooide hand eenige droge bladeren uit de rijpe wingerds plukkend.
Zij staakte dadelijk die bezigheid, zoodra zij Blanche zag te voorschijn komen, en, met een strengen blik, haar ditmaal bij den eigen voornaam, en niet, als naar gewoonte, bij den toenaam noemend:
- Es 't woar, wa da 'k hê heuren zeggen, Pharaïlde?
De ongelukkige, die sidderend op een drietal passen afstands was blijven staan, brak plotseling in tranen uit, tot spreken onbekwaam.
- Zeu 't es dan toch de waarheid! G'hêt ou dan toch aan de schand overgeleverd!" voer mevrouw voort, met vluggen, verontwaardigd-gedegouteerde blik het reeds zware figuur der arbeidster opnemend.
Blanche, 't gezicht onder haar voorschoot verborgen, snikte stotterend eenige onduidelijke woorden.
Mevrouw, ten diepste geërgerd, diende haar een heftige berisping toe, met bitterheid uitvarend tegen haar schandelijk wangedrag, haar scherp verwijtend dat zij de goede faam gekrenkt had van het huis waar zij haar dagelijksch brood en leven kreeg. Toen eischte ze den naam van den medeplichtige.
Blanche, steeds wanhopig-snikkend noemde hem.
- Woar, hoe en wannier es 't gebeurd?" drong mevrouw aan.
En Blanche vertelde haar alles, bevend, zuchtend, in hijgende, gehorte, voortdurend door tranen en gesnik onderbroken woorden.
Er was een kort stilzwijgen. Mevrouw, voelend dat de ongelukkige de waarheid zei, stond even roerloos, de lippen op elkaar geknepen, den blik strak gevestigd op Blanche, welke, diep vernederd, de oogen ten gronde hield, haar vingers zenuwachtig-trillend om een hoek van haar voorschoot. Mevrouw was niet kwaadaardig, en in den grond van haar hart voelde zij medelijden voor het arm bedrogen schepsel.
- En hij leugent z'n schuld, niewoar?" vroeg ze eindelijk.
- Joa hij, medam.
Zij haatte de leugen, en 't laffe bedrog van den verleider kon ze, vooral in dit treurig geval, niet uitstaan.
- Hawel, hij zal mee ou treiwen, of hij zal hier wiggejoagd worden!" riep ze bitsig.
- En ik medam?" smeekte de rampzalige, met haast onverneembare stem.
- Mee ou,..., mee ou zal ik nog veur deze kier compassie hên..... Ge meugt hier nog nen tijd blijven, en noar ou bevallijnge weere komen. Moar onthaud 't goed! as 't nog iene kier moest gebeuren, dan es 't veur altijd uit!
- O, medam, medam! wa zijt-e gij toch braove!" snikte Blanche. En zij greep naar de witte hand van hare meesteres, die zij met tranen en kussen bedekte.
- Goa nou, en onthoudt mijn woorden," besloot mevrouw.
Zooals wel te voorzien was, bleef de molenaar zijn schuld hardnekkig loochenen, en weigerde hij categorisch met Blanche te trouwen.
Hij werd uit de fabriek weggezonden. Blanche, integendeel, door mevrouw beschermd, bleef er tot den laatsten dag. Zij had ook nog gevreesd dat zij niet zou mogen blijven bij de menschen, (twee oude dweepzuchtige vrijsters) waar zij, mits een allerschraalst maandgeld, haar onderkomen had; maar die hadden zich insgelijks, na een eerste opwelling van toorn en verontwaardiging, over haar ontfermd, omdat zij anders zoo goed en zacht, en zoo behulpzaam was, en dat zij medelijden met haar hadden.
's Avonds van den dag waarop zij voor het laatst haar werk volbracht, werd het kind geboren: een flinke, sterke jongen, waar de twee oude vrijsters dadelijk verrukt van waren, en die reeds den volgenden morgen in de kerk met den voornaam van Bauwke2werd gedoopt.
En jaren vervlogen....
Blanche, getroost, verzoend met het leven, deed, als vroeger, haar dagelijksch eentonig werk in de fabriek. Van den molenaar, kort na haar bevalling vertrokken naar den vreemde, had zij niets meer gehoord; maar, wat eerst haar schande en haar wanhoop was: 't onwettig kind, was langzamerhand, na lange smart en jaren, de eenige hoop en illuzie, de zachtheid, de bekoring, de liefde van haar gansche zoo lang kleurloos en ellendig leven geworden. Zij zelve was niets meer, zij bestond niet meer; zij leefde alleen nog voor hem en door hem, in stugge zelfopoffering voor dat bloed van haar bloed, in trotsche bewondering voor die mooie, flinke levensvrucht van kracht en gezondheid, zoo heerlijk gesproten uit de monsterlijk-leelijke, triestige, ziekelijke menschenstof, welke zij zelve was.
Hij was nu negen jaar oud en ging naar de dorpschool, waar hij buitengewoon goed leerde. Nu juist op de laatste prijsuitdeeling, was hij een der eerste van zijn klas geweest, en toen zij hem beladen met prijzen terug had zien komen, toen had ze langdurig gehuild, van vreugde en ontroering, zooals ze nu trouwens zoo dikwijls deed, over alles wat hem aanging. En zij had maar één groote spijt, o, een oneindige spijt: dat hij weldra de school zou moeten verlaten om in zijn eigen onderhoud te voorzien.
O! had het maar gekund, hoe graag had zij hem zich willen zien verheffen, boven zijn en haar eigen ellendigen stand! Hoe graag had zij hem later willen zien, netjes gekleed, in een goede, stille betrekking, waar hij niet door ruwen handenarbeid zijn mager dagelijksch brood zou moeten verdienen!
Maar het kon niet, het kon niet! Hij werd groot, hij kostte meer en meer van onderhoud, en ondanks al haar inspanning en de steeds hardere opofferingen die ze zichzelve getroostte, soms halve nachten doorwerkend, kón ze niet langer 't bestaan voor hun beiden verdienen. Haar droeve zieke oogen werden al flauwer en flauwer, haar gezondheid verzwakte, reeds tweemaal had zij een dag te bed moeten liggen, tot werken onbekwaam. Wat zou er met hem gebeuren, indien zij heel en al moest ziek worden...
En, het gemoed zwaar van droefheid, gaf zij zich eindelijk aan 't onvermijdelijke over. Toen de vacantie kwam nam zij hem van school en zijn lot werd dat van meestal alle arme kinderen te lande: koewachter op een hoeve.
O, wat een schrijnend harteleed op dien heerlijk-kalmen, glanzenden September-zondagmorgen, toen zij zelve hem naar de groote, verre hoeve bracht, het pakje, waar zijn plunje in zat, onder den arm!....
En toch waren het zulke brave lieden, waar hij wonen ging, de boer en zijn vrouw, bejaard reeds, zonder kinderen! Zij ontvingen hen beiden gulhartig, glimlachend 't blonde hoofd van 't knaapje streelend, hun dadelijk voordisschend een mooie, dikke plak ham op roggebrood, die Blanche, het hart verkropt van wee, vruchteloos poogde te gebruiken. Elk oogenblik kwamen haar tranen in de oogen en hikken in de keel; en een soort schaamte belette haar te vragen wat haar telkens weer met trillingen en zuchten op de lippen kwam: dat zij toch goed en zacht voor hem zouden zijn, omdat hij zelf zoo goed, zoo zacht, zoo teeder was. Hem alleen drukte zij nog eens op 't hart, dat hij steeds braaf, beleefd, gehoorzaam zoude zijn; en zonder hem te omhelzen, trouw aan de touchante gewoonte, die nog altijd in Vlaanderen heerscht, gaf zij hem haar zegen, het kruisje op 't voorhoofd, met bevende vingers geschetst, terwijl haar dof-trillende stem van vroomheid zei:
- God bewoare ou, mijn jongen.
Dan stopte haar de boer acht franken, 't vooraf betaalde loon der eerste maand, in de hand; en, met krampachtig verwrongen gezicht, verliet zij de hoeve, zonder nog eenmaal om te durven kijken, opdat Bauwke geen getuige wezen zou der overweldigende uitbarsting van smart, die zij niet langer kon bedwingen.
En weer verliepen jaren....
Zij werd oud en zwak, versleten vóór haar tijd, het triestig gestel ondermijnd door te veel arbeid en ontberingen. Maarhijwas groot en sterk geworden, stralend van gezondheid. Iederen zondag kwam hij haar bezoeken en met haar den dag doorbrengen. Hij zei dat hij gelukkig was in zijn bediening, en sprak nooit anders dan met grooten lof en genegenheid over zijn meesters. En ook Blanche was er tevreden en gelukkig om, doch niet zonder een zweem van spijt en droefheid. Het wekte in haar een soort jaloezie op, die zij soms moeite had te overwinnen. Het was haar soms te moede of hun goedheid hem van haar verwijderde, en of hij niet geheel en al gelukkig meer zou kunnen zijn, met haar alleen, zonder hen. Zelfs de spoedige verandering, die zij in zijn uiterlijk waarnam, kwam haar voor als een werk van de meesters, iets waarvan zij uitgesloten was, en dat de afstand tusschen haar en hem nog grooter maakte. En haar groote spijt was en bleef dat hij nu niets meer leerde, en zelfs geen tijd meer had, om, wat hij kende, bij te houden; dat hij meer en meer werd en worden zou een arbeider, een werkslaaf, in plaats van eenmaal te genieten het gemakkelijk, nette leven, dat zij vroeger voor hem gedroomd had, en soms nog durfde te droomen.
Maarhijvoelde de leemte niet, waaronder zij leed. Hij dacht niet meer aan leeren en had geen andere toekomstplannen dan de voortzetting en de ontwikkeling van zijn tegenwoordig leven. Hij was nu zestien jaar geworden, maar zoo groot en zoo forsch voor zijn leeftijd, dat men er hem gemakkelijk achttien of twintig had kunnen geven. En zijn bezigheid bestond nu ook niet alleen meer in 't koeien wachten: hij was van lieverlede in bediening gestegen, af en toe behulpzaam in de stalling en op den akker, bekwaam reeds met een paard te rijden, lijnzaad en graan te zaaien, gras en klaver af te maaien. Dit jaar, eindelijk, zou hij helpen oogsten, gelijk de grooteren, gelijk een echte veldarbeider. En dat vooruitzicht was zijn geluk en zijn trots, een illuzie, een genot, waar hij over sprak met een geestdrift die Blanche stilzwijgend aanhoorde, met heimelijke smart van afkeuring.
Sinds eenigen tijd streelde zij andere plannen voor hem. Zij hoopte hem eene betrekking te bezorgen in de fabriek waar zij zelve werkzaam was. Een plaats zou er weldra beschikbaar worden, een plaats aan de molens, daar boven, op den zolder,.... dáár,.... dat zelfde werk, dat eertijds de molenaar, haar verleider, zijn vader, vervulde....
In vreemde emotie had ze van die aanstaande verandering gehoord, er lang aan gedacht, geaarzeld, haar plan opgemaakt. Zij had er van gesproken aan mevrouw, die het gevraagd had aan haar man; en deze, eerst niet erg met het voorstel ingenomen, omdat de knaap nog zoo jong was, had toch eindelijk gezegd, dat hij 't wel wou probeeren.
Zonderling, ontroerend toeval! Zij zou hem daar elken dag zien, op den graanzolder, als ze 't bed ging opmaken, evenals ze jaren geleden, er zijn vader zag. Het zou een telkens weer herlevende kwelling zijn, een telkens weer herlevende zachtheid ook, een soort vergiffenis en loutering van het verledene, iets teer-weemoedigs als de gedachte van iets dat herleeft uit iets dat dood is. En hare groote hoop was dat hij dan van lieverlede op zou klimmen, dat hij met zijn goede geleerdheid tot op 't bureau zou komen, eerst als hulp, later alleen, in vervanging van den ouden commies, die er nu al zooveel jaren was.
En, op een zondagavond, een paar weken vóór den aanvang van den oogst, deelde zij hem eindelijk haar eigen plannen voor zijn toekomst mede.
Hij luisterde stilzwijgend, blijkbaar niets met het voorstel ingenomen. Een teleurgestelde uitdrukking kwam over zijn gelaat, de benauwdheid van een gevangene greep hem aan het hart en bracht hem tranen in de oogen.
- O, moeder, nou toch nog niet," sprak hij zacht.
En eensklaps begon hij te huilen.
Daartegen was zij niet bestand. In een pijnlijken zucht viel haar alle wilskracht als een pak van 't hart.
- Laat mij ten minste nog 'n joarke blijven," smeekte hij. En hij zei haar wat zijn meester hem beloofd had: de volle daghuur, twintig frank in de maand van met September, indien men over zijn werk tijdens den oogst tevreden was. Twintig frank en de kost! het was een schat voor haar, want alles, tot den laatsten cent, zou hij haar, als vroeger, blijven geven! Maanden, jaren misschien, zou het duren, alvorens hij in de fabriek zooveel verdiende!...
Toen overwon zij hare smart en drong niet verder aan, niet dat ze zijn illuziën deelde, maar omdat zij voelde dat hij zulk een grooten afkeer had van 't werk in de fabriek.
Nu was men met den oogst begonnen....
Van 's ochtends half vijf, na een vlug ontbijt dat bestond uit een dikken tarweboterham en een groote kop slappe koffie, waren de arbeiders op den akker aan 't werk. Slechts gekleed met een broek en een hemd, blootshoofds en barrevoets in hun klompen, den "pikhaak" in de linkerhand en de "pik" in de rechter, zoo gingen zij geleidelijk op ééne rij vooruit, het lichaam naar den grond gebukt, vellend in rythmische slagen de schuifelende blonde aren, welke de vrouwen, die op enkele passen afstands volgden, in schoven bonden en tot "stuiken"* opbouwden. Zij waren met hun zessen, de vrouwen niet meebegrepen, en in het rythmisch geschuifel der glinsterende sikkels ont¬blootte 't uitgestrekte veld zich van zijn gelen rijkdom, niets achterlatend, tusschen de lange rijen "stuiken"*dan de dorre naaktheid van de scherpe stoppels, waarvan de punten in de enkels prikten.
Zoo gingen zij, eentonig-gelijkmatig, in de van lieverlede brandend-heet wordende zon van den stralenden Augustus-morgen, tot acht ure. Toen kwam de meid der hoeve, met een reusachtigen korf, waarin hun tweede ontbijt zat; en dadelijk hield de arbeid op, en gingen zij eten, plat uitgestrekt ten gronde in de schaduw van den elzenkant, de traditioneele hard gekookte eieren met roggesmouterhammen, en weer de dun slappe koffie, blond van melk. Zij toefden er een kort half uurtje, en dan begon het werk opnieuw, zonder onderbreking in de toenemende hitte, tot 's middags. Dan riep het klokje van de boerderij hen tot het "noenmaal," dat onveranderlijk bestond uit karnemelkpap en aardappels met speksaus. Daarop volgde de "noenstond"*het loome rustuur in het boomgaardgras, in de schaduw der fruitboomen, wier rijpe vruchten soms aan hun zijde neerploften, zonder dat zij er, in hun oververmoeidheid, naar omzagen of er de hand naar uitstrekten. Om twee uur waren zij op den akker terug, en daar hernam, in de verzengende namiddagszon, 't uitputtend zwoegen tot acht ure 's avonds, met enkel een kwartiertje rust er tusschen in, om den "vierboterham" te eten. Dan gebruikten zij, nog eens op de hoeve, het avondmaal van pap en roggesmouterhammen; en zóó moe, zóó afgetobd dat zij haast niet meer voort geraakten, sleepten zij zich te bed om den volgenden morgen opnieuw te beginnen.
De drie eerste dagen ging het Bauwke vrij wel en flink af. Hij volbracht zijn deel van 't harde werk even goed als de vijf anderen, die allen veel sterker en ouder waren dan hij. Eerst midden op den vierden dag begon hij teekens te geven van verzwakking. Een enorme vermoeidheid, die door rust noch voedsel te herstellen was, verloomde*en verstramde zijn afgejaagde ledematen. De voortdurend gebogen houding die hij nemen moest om te werken, veroorzaakte een soort ankylose*der lendenen, zoo vreeselijk pijnlijk, dat het hem voorkwam of zijn ruggegraat zou breken, telkens als hij zich, om even te verademen, met hoe langer hoe meer inspanning weer oprichtte. Weldra ontnam de onvermoeidheid hem insgelijks slaap en eetlust, en hij had enkel nog dorst, een wilden, onleschbaren dorst, die hem met droogplakkende lippen van graagte deed aanvliegen op de water- of koffiekan, zoodra de meid er mee verscheen. En zijn konen, onlangs nog zoo vol en zoo rozig, waren geslonken tot niets, bruin verschroeid door de zon en ingevallen tot een magerheid die de juksbeenderen hoekig deed uitspringen, terwijl zijn mooie blauwe oogen schenen in te krimpen en te verkleuren, dof-triestig starend onder de neerzakkende oogleden.
Het kostte hem weldra ontzaglijke inspanning om de anderen bij te houden. Het duurde niet lang of zij raakten hem ietwat vooruit, en, tot driemaal toe, staakten zij even den arbeid, om hem den tijd te geven het verlorene weer in te halen. En, half ernstig, half spottend, riepen zij hem toe:
- Bauwke, niet in sloap vallen, zulle? As 't vrauwevolk in ou kloefen3bindt, wordt-e vrije koewachter gemoakt! dat weet-e, niewoar?
- Ho, ho! dóár en es toch zeker nog gien prijkel4van!" anwoordde*hij dan, zich geweld doende, om, evenals de anderen, te lachen, terwijl de smart van den arbeid zijn gelaatsspieren krampachtig vertrok.
- Wie weet? wie weet?" schertsten de ouderen, in 't sissend geschuifel der sikkels.
Dat "vrije koewachter gemoakt worden" was een vreeselijk iets, de schrik van alle jonge boerenknechts, die voor het eerst mee hielpen oogsten. Dat gebeurde wanneer de maaier er niet meer in slaagde de vrouwen, die hem op de hielen volgen, een voldoenden voorraad afgemaaide aren te bezorgen. Zoodra het haar gelukte "te binden in zijn kloefen", m.a.w. de aren van onder zijn voeten op te rapen, vlogen zij allen op hem af, wierpen hem omver in 't koren, trokken hem met geweld de broek uit, en joegen hem zoo, onder wild gelach en geschreeuw, naar de hoeve. Dat heette "vrije koewachter gemoakt worden," de grootste hoon, die aan een boerenknecht te beurt kan vallen.
En van lieverlede kwam het Bauwke voor of een complot van dien aard onder de vrouwen tegen hem beraamd werd. Het was, achter zijn rug, een voortdurend gefluister, en een gesmoord gelach, en bedekte zinspelingen, terwijl hij ze hoorde hijgen van haast en inspanning, om hem te achterhalen. Na elken pikslag hoorde hij het druk geschuifel harer naderende voetstappen over de stoppels; en de "stuiken", in overijling opgebouwd, wierpen soms, tot vóór zijn voeten, hun meer en meer vooruitdringende schaduw-silhouette. Toen spande hij, in uiterste wilskracht, al zijn vermogen in, en druipend van 't zweet, het hoofd duizelig en de oogen beneveld, rukte hij door de blonde golving der aren voorwaarts, als een die vlucht om 't leven door een woud, waar hij met de bijl zijn weg moet banen. Hij wilde geen "vrije koewachter gemoakt worden", en evenmin wilde hij zijn zwakheid erkennen door den arbeid te staken. Hij wilde zegepralen, de twintig frank per maand verdienen die hij beloofd had aan zijn moeder; en hij voelde dat hij zegepralen zou, als hij 't nog maar enkele dagen vol kon houden.
De zondag kwam, een rust van vier en twintig uren. Want per uren, per minuten soms rekende hij den rusttijd, in tegenstelling met den arbeidstijd, dien hij per dagen en per weken telde. En zóó vreeselijk had die eerste week hem reeds afgemat, dat zijn moeder van hem schrikte, toen zij hem terug zag.
- O, kind, ze doen ou boven ou macht wirken!" riep zij angstig uit. En, door een plotselingen argwaan aangegrepen:
- Willen z'ou meschien vrije koewachter moa-ken?" vroeg ze dringend.
Een hevig rood kleurde bij die onverwachte vraag Bauwke's bleeke, ingezakte wangen; maar hij staalde zich met wilskracht, en antwoordde trotsch-minachtend.
- Nie, zulle, doar 'n ben ik nie schouw5van!
Heel even slechts gerustgesteld, drong zij er nog eens op aan, dat hij bij haar terug zou komen. Die plaats in de fabriek viel nu bepaald met September open, en reeds van stonden af kon hij er worden aangenomen, om het werk te leeren. Waarom zou hij ten minste niet probeeren? Hij kon toch altijd bij den boer terugkeeren als het hem niet beviel.
- Moeder," antwoordde hij na een oogenblik treurig nadenken, "'k en zegge niet da 'k nie en wille probeeren, 'k en zegge moar da 'k et nou nie en kan doen. Den boer het op mij gerekend veur den oest*, en 'k 'n mag 'em in de steek nie loaten."
Zuchtend liet zij hem vertrekken, het hart benauwd onder een onheilspellend voorgevoel.
Den volgenden morgen, met den dageraad, begon opnieuw, op een wijd uitgestrekt roggeveld, de wreedaardige, geniepige strijd.
Het was de laatste rogge die zij moesten "afpikken". Als hij het nog drie dagen kon uithouden, was hij gewonnen. En door de zondagsrust versterkt, de sikkel scherp geslepen en de hand vaster, ging hij met versche kracht en moed te werk, zich zonder zwakheid houdend naast de anderen, ver achter zich latend de "bindsters" die hem vruchteloos poogden in te halen.
Hij hield het op die wijze vol tot ongeveer drie ure, onder een brandend-heete zon. Toen kreeg hij eensklaps een soort duizeling, op het oogenblik dat hij zich even oprichtte om te verademen. Een rossige nevelgloed kwam voor zijn oogen, terwijl een reusachtig gedruisch in zijn oogen gonsde. Hij waggelde even, pikhaak en sikkel loslatend, de beide handen uitgestrekt als om zich aan iets vast te houden, en slaakte dof een kreet, die in zijn keel bleef hokken. Maar 't duurde slechts een oogenblik, de benauwende nevel verzwond, het bruisen hield op, hij kreeg weer vastheid in zijn beenen en raapte zijn gereedschap op, terwijl alleen nog zijn adem wat bevangen bleef, en 't zweet in dikke, lauwe stralen langs zijn slapen stroomde.
- Wa hêtte dan? wa gebeurt er?" vroeg de maaier die aan zijn rechterzijde stond en die alles gezien had.
- O, niets, 'k 'n weet-e 'k ik niet; de woarmte, zeker!" antwoordde hij machinaal, met nog iets verwilderds in de oogen. En spoedig hernam hij zijn arbeid.
Maar, na verloop van enkele minuten, moest hij zichzelf bekennen, dat het hem niets goed meer ging. Opnieuw voelde hij zich gedrukt onder een immense vermoeidheid, zooals hij er nog nooit van zijn leven gevoeld had, een vermoeidheid die zijn gefolterde ledematen als met lood verloomde en verstramde. Geen tien minuten waren verloopen toen de andere maaiers hem reeds ruim vooruit waren, terwijl de vrouwen hem nu weer met reuzenschreden achterhaalden, in 't schuifelend geritsel der steeds vlugger en vlugger opgegaarde aren.
- Bauwke!" riep lachend-waarschuwend een der pikkers, "opgepast, zulle! Ze komen op ou hielen!
Hij gaf geen antwoord, het lichaam in tweeën gebukt, den mond hijgend open, uit al zijn macht door-sikkelend, vooruitgezweept door het steeds naderend geritsel van de aren, welke de vrouwen, met gesmoord gefluister en gelach, nu bijna tot onder zijn voeten opraapten. Er kwam iets dofs in hem, iets wat hem tijdelijk nog de kracht gaf door te sjouwen, zonder haast te beseffen wat hij leed. En zijn eenig duidelijk gevoel was dat van overvloedig zweeten, een zweet zoo lauw en dun als water, dat hij voortdurend, voortdurend langs zijn slapen en zijn wangen voelde drijven, opborrelend uit zijn lichaam, opborrelend zonder eind, tot allerlaatste uitputting.
- Bauwke! Bauwke!" riepen nu al de pikkers te gelijk den arbeid stakend. "Aie! aie! ze zitten hoast in zijn kloefen!"
En plotseling slaakten de vrouwen een gillenden triomfkreet, terwijl zij hare leege handen in de hoogte staken; zij hadden geen aren meer om te binden, en, met het wild gejuich: "Vrije koewachter! Vrije koewachter!" vlogen zij allen samen af op Bauwke, die eensklaps, op het oogenblik zelf dat zij hem zouden vastgrijpen, met zijn pikhaak en zijn sikkel, als verpletterd ten gronde stortte.
Verschrikt deinsden de vrouwen achteruit, terwijl de mannen ijlings kwamen aansnellen.
Bauwke, op de rechterzij gevallen met de sikkel onder zich, gaf geen teeken meer van leven. Zijn pijnlijk verwrongen gezicht, met dichte oogen, was groenbleek geworden, in strakke folter-onbewegelijkheid; en alleen het lauwe, dunne zweet bleef overvloedig langs zijn slapen en zijn holle wangen drijven, in scheeve pareltjes afdruppelend van de kin, over den open kraag van het doorweekte hemd.
Twee mannen tilden hem onder de schouders op, schudden hem, poogden hem overeind te doen zitten:
- Alo, toe Bauw, stoa op! Wa schilt er dan? Wa hêtte?
Voor alle antwoord opende hij zwakjes een bleek, triestig oog, en slaakte diep een zucht.
- Oarme sukkel! 't es amoal onz' schuld!" weeklaagden nu de vrouwen.
Opnieuw poogden de mannen hem overeind te doen zitten; maar alles bleek te vergeefs. Er was geer ziertje kracht meer in hem. Zij tilden hem bij de schouders en de beenen op, en droegen hem, over het stoppelveld naar de schaduwzijde var den elzenkant, terwijl een derde ijlings naar de hoeve om een kruiwagen liep.
Na een oogenblik was hij terug, gevolgd van den boer, die hem naholde.
Men strooide zachte korenaren over de harde plank van den kruiwagen, en daarop werd Bauwke neergezet, het hoofd geleund tegen een garf*. Een vrouw, aan elke zijde, hield hem bij den schouder vast; de beenen, te lang voor den kruiwagen, sleepten over 't gras. Toen tilde de man de draagboomen op, en langzaam trok de triestige stoet naar de hoeve, het scheef gezakte hoofd van den rampzalige machteloos heen en weer knikkend, zijn krachteloos-slepende voeten hobbelend en dansend over den ruwen weg....
De nacht was slecht. Tot twee uur 's morgens bleef hij gedompeld in een staat van als het ware levenlooze bedwelming, maar toen begon hij in zijn bed te woelen, dof klagend over onuitstaanbare pijn in den buik. De boerin, door zijn kreunen gewekt, kwam op het zolderkamertje waar hij sliep, en vroeg hem of hij iets verlangde.
Neen,.... neen,.... hij wilde niets,... maar hij leed.... hij leed afgrijselijk. En, kruipend in zijn bed, drukte hij de beide handen op zijn buik, die dik gezwollen was en hard als steen.
- 'k Zal d'r lijzemeelpap*op moaken," zei de vrouw. "Doarmee zal 't wel beteren.*Tegen den ochtend, afgemat van lijden en vermoeidheid, sliep hij in. Weer lag hij in een staat van roerlooze prostratie*als een doode.
De boer en zijn vrouw raadpleegden elkaar. De boer wilde den dokter laten halen; zijn vrouw was er tegen.
- 't En es nie anders of deud-moe zijn, mee ienige doagen ruste zal hij genezen zijn," meende zij.
- En zijn moeder? Moete we zijn moeder nie loaten hoalen?