Chapter 10

62Hierbij kan men naslaan:Meno.pag. 80. A, B, waarSocratesbij de krampvisch vergeleken wordt, zijnde deze eene soort van rog, die bij het aanraken een’ elektrischen schok geeft, en daardoor al wat hem aanraakt, doet verstijven.↑63εἴληχεwordt eigenlijk gezegd van de portie, die iemand bij eene verdeeling door het lot bekomt. Nu werden inAthenede ambten door het lot vergeven, en hierdoor heeft dit werkwoord de beteekenis van het verkrijgen van een ambt bekomen.↑64De beteekenis vanplegen, die de aor. heeft, is, naar mijn inzien, gegrond in eene ellips, daar de aoristus eigenlijk bloot het verledene beteekent, maar waarbij wordt gedacht, dat het altijd zoo was; dat het dus door de ondervinding gebleken is, dat het zoo pleegt te zijn.↑65εἰκὸςvoorἐοικὸς. Datgeen, wat gelijkt (op de waarheid namelijk.)↑66Hoewelγινώσκεινeigenlijk niets dankennenbeteekent, kan het hier dooronderscheidenvertaald worden, daar hij, die de twee leden eener tegenstelling kent, ze noodzakelijk van elkander onderscheidt.↑67In de Grieksche geneeskunst had men veel op met tooverformulieren. Zoo lezen wij Odyss. XIX. 457, van de zoons vanAutolicus, dat zij, toenUlyssesop de jagt door een wild zwijn gewond was, het bloed door een tooverformulier beletten te vloeijen.↑68Hier isοἶδαte regt gebezigd, daar het in dezen zin beter is dan eenige andere uitdrukking voor weten.Οἶδαbeteekent eigenlijk:ik heb gezien, waarvan de beteekenis:ik weet, is afgeleid, zoodat op de vraagἆρ’—ᾔσθησαιmet geen beter werkwoord kon geantwoord worden.↑69τῆς αὐτῆς τέχνης. Deze genitivus is de gewone genitivus bijεἶναι, die gebezigd wordt omeigendom,eigenschap,gewoonheidofmogelijkheiduit te drukken. ZieButtm., Gr. Gr. § 132. Aanm. 4.↑70Het is bekend, dat de Grieken het huwelijk vaak bij het bewerken van eenen akker vergeleken, en eene huismoeder bij een veld, waarop burgers voor het vaderland groeiden.↑71ἔστι δ’ὅτεis in deze spreekwijs zoo zeer tot één woord zamengesmolten, dat het dezelfde kracht heeft alsἐνίοτε, waar het hier tegenover staat. ZieButtm., Gr. Gr. § 150. blz. 469.↑72In deze uitdrukking is iets onvolkomens, daarτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃtegenoverἐκείναιςgesteld wordt. De juistheid der tegenstelling valt meer in het oog, zoo men bedenkt, datτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃin dezen zin gelijk staat metἐμοί, en dat de personen, die doorἐκείναιςbedoeld worden, hier alleen van den kant der kunst, die zij uitoefenen, in aanmerking komen. Het subject vanδιαφέρειmoet uitτῇ ἐμῇ τέχνῃworden aangevuld. Dit is eene logische constructie, daarop gebouwd, datτῇ ἐμῇ τέχνῃ ὑπάρχειop hetzelfde neêrkomt alsἡ ἐμὴ τέχνη ἔχει.↑73Overtuigd van de geldigheid der eeuwige beginselen van waarheid, deugd en godsdienst, en oordeelende, dat die beginselen in de kiem bij ieder aanwezig zijn, leerdeSocratesniet zelf, maar zocht door vragen anderen op te wekken tot het ontwikkelen der begrippen, die in hunnen geest waren opgesloten.↑74Dit moet opgehelderd worden uit deApologie, waarSocratesverhaalt, dat hij door de uitspraak van het orakel[35]teDelphi, dat hem den wijsten der menschen noemde, genoopt was, om de door hem gekozene levensmanier te volgen.↑75τοιοῦτονziet opσοφός, zoodat men hier ook zou kunnen lezen:εὕρημα σοφόν.↑76Eindelijk.Woordelijkeindigend. Het Grieksche deelwoord wordt hier in het Hollandsch door een bijwoord overgezet. Dat iets dergelijks ook in andere talen, b. v. in de Arabische, plaats heeft, blijkt uit de voorbeelden, aangehaald doorDe Sacy, Gramm. Ar., Tom. II. No800–807.↑77Namelijk om mij weer goed te maken.↑78τὸ δαιμόνιον. Veel is over dit dæmonium getwist. Ik geloof, datSocrates, het bestuur der Voorzienigheid erkennende en overtuigd zijnde, dat hij zelf een werktuig der Voorzienigheid was, zijne onwillekeurige invallen en ook wel zijne gevoelens van sympathie en antipathie aan goddelijke ingeving toeschreef. Overigens is het bekend, datδαιμόνιονbijvoegelijk is en door het uitgelateneσημεῖονmoet verklaard worden.↑79καὶ οὗτοι μὲν δὴοὔτως, scil.ἔχουσι. Dit toevoegsel, dat nog iets kinderlijks in den stijl schijnt te verraden, is bijHerodotusmenigvuldig, en zelfs bijAristoteles, b. v. Phys. acr. I. c. IX. 5. Hist. animm. I. c. XIV. (XVII) 9. Soph. El. XV. 18.↑80Men ziet hier weder een staaltje van het meermalen opgemerkte, dat de Grieken bevreesd waren te veel vertrouwen op eigen krachten te doen blijken.Stallbaumheeft echter goed gezien, dat hier eene vinnige ironie doorschijnt, daarSocrateste kennen geeft, dat alleen zij, die volstrekt geen fonds in zich zelven hebben, geschikte leerlingen zijn voor de Sophisten.↑81ἕνεκα τοῦδε—ὑποπτεύων. Hier zijn twee constructies verbonden, daar het begrip vanreden geven, dat doorἕνεκα τοῦδεwordt uitgedrukt, ook in het deelwoordὑποπτεύωνligt opgesloten. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Aanm. 6.↑82De constructie is:προθυμοῦ οὕτωςἀποκρίνασθαιἃ ἂν ἐρωτῶ ὅπως οἷόςτ’ εἶ.↑83Socrateshield zich, zooals wij boven zagen, voor een werktuig der Godheid, en kon in zooverre de hem te beurt vallende miskenning als eene miskenning der Godheid beschouwen.↑84Ἀλλὰmoet door eene ellips verklaard worden. [Ik heb er weinig moed op] maar enz. Dergelijke ellipsen komen in de platonische dialogen telkens voor.↑85Gevoelwordt hier als algemeene uitdrukking gebezigd, om de verschillende aandoeningen der zinnen aan te wijzen. Aan zedelijk of godsdienstig gevoel wordt in het geheel niet gedacht.↑86Woordelijk: of het een vruchtbaar of een windei is.↑87ἐπιστήμηis het subject,αἴσθησιςhet praedicaat. Het is eene zoogenoemde proposition nominale.↑88τὰ αὐτὰ ταῦτα. De gelijkheid, die inτὰ αὐτὰligt,[39]wordt door de aanwijzing inταῦταversterkt, waardoor eene beteekenis ontstaat, die omtrent met onze uitdrukking:volkomen hetzelfde, overeenkomt.↑89πουis een gevolg van de meermalen opgemerkte gewoonte derAthenersom zich zelden volkomen stellig uit te drukken. Men kan het echter ook vertalen door:ergens.↑90Ditἔοικενziet natuurlijk op de laatste doorSocratesgedane vraag.↑91Deze zin is voluit:Αἴσθησις ἄρα ἀεί ἐστιν αἴσθησις τοῦ ὄντος κ.τ. λ.↑92Socratesbedoelt, dat deze leer werkelijk geheel iets anders is, dan zij schijnt; namelijk, dat zij de kennis schijnt te bepalen, maar zoo zij consequent wordt doorgedacht, eigentlijk de kennis vernietigt.↑93Dat hier ironie onder loopt, behoeft naauwelijks gezegd te worden.↑94Zie blz. 44.↑95Parmenides, die doorPlatozeer gewaardeerd werd, was de voornaamste wijsgeer der Eleatische school, die het abstracte begrip van het zijn eenzijdig beschouwde, maar juist daardoor de noodzakelijke keerzijde daarstelde der andere rigting, die overal verandering en nergens iets blijvends zag.↑96De constructie is:ὅτι κίνησις μὲν παρέχει τὸ δοκοῦνεἶναικαὶ τὸ γίγνεσθαι, ἡσυχία δὲ τὸ μὴ εἶναι καὶ ἀπόλλυσθαι.↑97φορᾶς—κινήσει.κίνησιςis eene algemeene uitdrukking om alle verandering aan te duiden, zoo die van plaats, als die van toestand of hoedanigheid.Aristotelessluit het ontstaan en vergaan hiervan uit, omdatniet zijngeen toestand, maar eene ontkenning van alle toestanden is, en alle beweging van een punt tot een ander gaan moet. Phys. ausc. V. c. II. In het vervolg zal ik gedwongen zijnκίνησιςdoorbewegingte vertalen, daar er dan zulke eigenschappen aan worden toegekend, die alleen van beweging in de ruimte kunnen gezegd worden.↑98τί δέwordt gezegd, wanneer een nieuw bewijs wordt aangevoerd.↑99ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξιςis hier eigenlijk hetzelfde alsψυχὴ, dochPlatoschijnt dit woord verkozen te hebben, omdat de ziel door dit alles wel in eenen meer of minder goeden toestand komt, maar echter niet ontstaat of vergaat. Met dat al is het echter niet juist te zeggen:ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξις κτᾶται κ. τ. λ.↑100ἐπιλανθάνεται. Inἐπιligt het denkbeeld vandaarenboven.↑101Deze zin is voluit:Τὸ μὲν ἄρα ἀγαθὸν κατά τε ψυχὴν καὶκατὰσῶμά ἐστι κινησίς, τὸ δὲ[κακὸν ἐστι]τοὐναντίον[κινήσεως].↑102voorἀναγκάζωmoet gelezen wordenἀνάγωin den conjunctivus.ἀναγκάζωkan hier niet in de beteekenis vandoor klem van redenen betoogengenomen worden, daar het bijκολοφῶνα, niet bijπροσβιβάζωνbehoort.↑103Hier wordt gespot met hen, die alle wijsheid inHomerusmeenden te vinden, en elk zijne theorie met plaatsen uit dien dichter wilden bewijzen. De hier aangehaalde plaats staat: Il. VIII. vs. 18–27, waarZeusde Goden uitdaagt, om eene gouden keten van den hemel te hangen, waaraan zij van onderen en hij van boven zoude trekken, met dat gevolg, dat hij hen allen benevens[44]de aarde en de zee zou naar boven halen. Het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat in de aangehaalde plaats niets van de gemelde theorie gelezen wordt.↑104προσήκεινbeteekent eigenlijk:aankomen, maar hier denke men aan de beweging, die op die kleur aankomt, dat is: die er mede overeenstemt.↑105Namelijk groot, of wit, of warm, enz.↑106De zin is: daar ieder op zijne wijs de eigenschappen der dingen beoordeelt, en ieder op verschillende tijden dezelfde zaak anders beschouwt, zoo blijkt het, dat die eigenschappen niet in de zaak liggen, maar het product zijn van de zaken en onzen toestand, zoodat zij door het veranderen van eenen dier factoren kunnen gewijzigd worden, ook al ondergaat de andere factor geene verandering.↑107Wij zeggen niet:neem een voorbeeld, maar:ik zal u een voorbeeld geven, welk laatste met het eerste op hetzelfde neêrkomt, hoewel het de zaak van de kant van den gever, niet van hem, aan wien gegeven wordt, beschouwt.↑108In de hier voorkomende redenering is eene fout, daaruit ontstaande, dat het onderscheid tusschen zelfstandige begrippen en betrekkingsbegrippen wordt over het hoofd gezien. Alle begrippen, die eene betrekking uitdrukken, kunnen als het product van twee factoren beschouwd worden, en zijn daarom, zoodra de eene factor veranderd wordt, zelve aan verandering onderhevig. Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 123. (1).↑109Dit antwoord is alleen uit de daareven aangewezene verwarring te verklaren: groot en klein zijn afhankelijk van twee zaken, die met elkander vergeleken worden. Zoodra de eene verandert, verandert ook het groote en kleine, zonder dat de andere iets behoeft te ondergaan.↑110Euripideswerd door de Grieken zeer bewonderd, en als de treurspeldichter bij uitnemendheid beschouwd, hoewel hij tegenwoordig lager dan zijne twee voorgangers gesteld wordt.Aristophanesechter bespot zijn jagt maken op effect en pathetische uitdrukking, enPlatobestrijdt[47]van tijd tot tijd de immorele rigting, die in zijne schriften wel eens voorkomt. De hier bedoelde plaats is te vinden Hippolitus vs. 612. waar wij lezen:„De tong heeft gezworen, maar de geest nam geen deel aan den eed.”↑111Dat is: door iets ongerijmds toe te stemmen, kunnen wij er ons doorpraten, hoewel wij zelve zeer goed inzien, dat de vraag eigentlijk eene grondige tegenwerping behelst.↑112δεινὸςwordt doorPlatovooral van de sophisten gezegd, die zich overal wisten door te praten.↑113Deze periode verklaar ik aldus:Πάντα τὰ τῶν φρενῶν ἐξητακότεςziet op het vorige:ἡδὲφρὴν οὐκ ἀνέλεγκτος. Het perfectumἐξητακότεςbeteekent dan hetgeen volmaakt verleden en dus afgedaan is, waar dus niet meer naar onderzocht wordt.βουλησόμεθα—διανοούμεθα. Dit is eigentlijk voluit:βουλησόμεθα θεάσασθαι ἐκεῖνα ἃ διανοούμεθα αὐτὰ πρὸς αὑτὰ τί ποτ’ ἐστὶν. Verder isἡμῖνde dativus ethicus, enἀλλήλοιςbehoort niet bijἡμῖν, maar ziet opἃ διανοούμεθαen hangt af vanξυμφωνεῖ.↑114Namelijk die tegenstrijdigheden, waarin wij onwillekeurig vervallen zijn.↑115Het komt mij voor, dat alleenγενέσθαιofγίγνεσθαιis goed te keuren, en dat, toen het ééne, (namelijkγενέσθαι) in sommige handschriften inγίγνεσθαιveranderd was, beide lezingen in den gewonen tekst zijn opgenomen en doorκαὶverbonden. Nu verkies ikγενέσθαιbovenγίγνεσθαι, omdat de Grieken gewoonlijk vrij naauwkeurig de verhouding der verschillende tijden uitdrukten, en het worden het bestaan voorafgaat, waarom het hier door eenen verledenen tijd moet worden uitgedrukt.↑116Eigentlijk moestSocratesgezegd hebben: En van oneindig vele andere dingen zullen wij hetzelfde moeten zeggen, daar de toestand dier dingen niet van hunne redekaveling afhing, maar wel hun vinden van dezelve.↑117μάλαmoet bij het uitgelatene werkwoordἐστιgevoegd worden, zoodat dan hier gedrukt wordt op het toekomen van deze aandoening aan den wijsgeer.↑118Hier wordt niet de objective, maar de subjective grond der wijsbegeerte bedoeld. Niet de grond, waaruit moet bewezen worden, ook niet het eerste punt, waarvan het wijsgeerig onderzoek uitgaat, maar de oorzaak, waardoor de lust naar onderzoek wordt opgewekt, is hetgeen hier bedoeld wordt. Zie Aristot.Metaph.I. cap. II.↑119Dit is een staaltje van de allegorische verklaring der oude mythologie, dat echter doorPlatoslechts als rhetorisch sieraad gebezigd wordt.Irisis de bodesse der Goden, dus de Godin, die aan de menschen bekend maakt, wat in den Hemel besloten is, en als zoodanig wordt zij hier als persoonsverbeelding der wijsbegeerte gebezigd. De woordspeling metΘαύμαςenθαυμάζωvalt genoeg in het oog. Het is, als zeiden wij: die de bodes der Goden de dochter der verwondering noemde.↑120Men ziet, dat hier de apagogische bewijstrant gebezigd wordt, die daarin bestaat, dat men zoekt te bewijzen, dat de stelling der tegenpartij tot ongerijmde gevolgtrekking leiden moet. ZieNieuwenhuis, Inst. Phil. Log. § 147. 4. blz. 366.↑121αὐτῶνstaat hier eigentlijk geheel overtollig, doch dit gebruik van het voornaamwoord is in het Grieksch zeer gewoon. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 472. 1. b.↑122Hier wordt waarschijnlijk de school vanLeucippus[51]enDemocritusbedoeld, die als echte materialisten geene andere beginsels dan de atomen en de ledige ruimte erkenden, en daaruit het ontstaan der wereld voldoende meenden te kunnen verklaren. (ZieBrandis,Handbuch. I. § LX. blz. 294. volgg.).Platobehandelt deze leer overal met veel verachting, maar bestrijdt ze nergens uitdrukkelijk; hoewel juist zij zijne ergste vijandin was. (ZieHermann, Gesch. u. Syst. der Platon. Phil. I. blz. 152. volgg.) Met dat al is het wel slagen van zijne weêrlegging vanProtagoraseigentlijk te gelijk eene weêrlegging vanDemocriet, daar het bestaan van den geest als hoogere, boven de zinnelijkheid verhevene kenbron, die in staat is het algemeene te bevatten, de onvolledigheid der atomistiek voldoende doet uitkomen. Daarom was, zooalsKrausezeer juist opmerkt (Zie Grundwahrheiten, blz. 264. volgg.),Democrietdoor zijn redekavelen over oorzaken en beginselen, die niet in de onmiddellijke waarneming gegeven zijn, eigenlijk reeds practisch zijn eigen standpunt te boven gekomen.↑

62Hierbij kan men naslaan:Meno.pag. 80. A, B, waarSocratesbij de krampvisch vergeleken wordt, zijnde deze eene soort van rog, die bij het aanraken een’ elektrischen schok geeft, en daardoor al wat hem aanraakt, doet verstijven.↑63εἴληχεwordt eigenlijk gezegd van de portie, die iemand bij eene verdeeling door het lot bekomt. Nu werden inAthenede ambten door het lot vergeven, en hierdoor heeft dit werkwoord de beteekenis van het verkrijgen van een ambt bekomen.↑64De beteekenis vanplegen, die de aor. heeft, is, naar mijn inzien, gegrond in eene ellips, daar de aoristus eigenlijk bloot het verledene beteekent, maar waarbij wordt gedacht, dat het altijd zoo was; dat het dus door de ondervinding gebleken is, dat het zoo pleegt te zijn.↑65εἰκὸςvoorἐοικὸς. Datgeen, wat gelijkt (op de waarheid namelijk.)↑66Hoewelγινώσκεινeigenlijk niets dankennenbeteekent, kan het hier dooronderscheidenvertaald worden, daar hij, die de twee leden eener tegenstelling kent, ze noodzakelijk van elkander onderscheidt.↑67In de Grieksche geneeskunst had men veel op met tooverformulieren. Zoo lezen wij Odyss. XIX. 457, van de zoons vanAutolicus, dat zij, toenUlyssesop de jagt door een wild zwijn gewond was, het bloed door een tooverformulier beletten te vloeijen.↑68Hier isοἶδαte regt gebezigd, daar het in dezen zin beter is dan eenige andere uitdrukking voor weten.Οἶδαbeteekent eigenlijk:ik heb gezien, waarvan de beteekenis:ik weet, is afgeleid, zoodat op de vraagἆρ’—ᾔσθησαιmet geen beter werkwoord kon geantwoord worden.↑69τῆς αὐτῆς τέχνης. Deze genitivus is de gewone genitivus bijεἶναι, die gebezigd wordt omeigendom,eigenschap,gewoonheidofmogelijkheiduit te drukken. ZieButtm., Gr. Gr. § 132. Aanm. 4.↑70Het is bekend, dat de Grieken het huwelijk vaak bij het bewerken van eenen akker vergeleken, en eene huismoeder bij een veld, waarop burgers voor het vaderland groeiden.↑71ἔστι δ’ὅτεis in deze spreekwijs zoo zeer tot één woord zamengesmolten, dat het dezelfde kracht heeft alsἐνίοτε, waar het hier tegenover staat. ZieButtm., Gr. Gr. § 150. blz. 469.↑72In deze uitdrukking is iets onvolkomens, daarτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃtegenoverἐκείναιςgesteld wordt. De juistheid der tegenstelling valt meer in het oog, zoo men bedenkt, datτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃin dezen zin gelijk staat metἐμοί, en dat de personen, die doorἐκείναιςbedoeld worden, hier alleen van den kant der kunst, die zij uitoefenen, in aanmerking komen. Het subject vanδιαφέρειmoet uitτῇ ἐμῇ τέχνῃworden aangevuld. Dit is eene logische constructie, daarop gebouwd, datτῇ ἐμῇ τέχνῃ ὑπάρχειop hetzelfde neêrkomt alsἡ ἐμὴ τέχνη ἔχει.↑73Overtuigd van de geldigheid der eeuwige beginselen van waarheid, deugd en godsdienst, en oordeelende, dat die beginselen in de kiem bij ieder aanwezig zijn, leerdeSocratesniet zelf, maar zocht door vragen anderen op te wekken tot het ontwikkelen der begrippen, die in hunnen geest waren opgesloten.↑74Dit moet opgehelderd worden uit deApologie, waarSocratesverhaalt, dat hij door de uitspraak van het orakel[35]teDelphi, dat hem den wijsten der menschen noemde, genoopt was, om de door hem gekozene levensmanier te volgen.↑75τοιοῦτονziet opσοφός, zoodat men hier ook zou kunnen lezen:εὕρημα σοφόν.↑76Eindelijk.Woordelijkeindigend. Het Grieksche deelwoord wordt hier in het Hollandsch door een bijwoord overgezet. Dat iets dergelijks ook in andere talen, b. v. in de Arabische, plaats heeft, blijkt uit de voorbeelden, aangehaald doorDe Sacy, Gramm. Ar., Tom. II. No800–807.↑77Namelijk om mij weer goed te maken.↑78τὸ δαιμόνιον. Veel is over dit dæmonium getwist. Ik geloof, datSocrates, het bestuur der Voorzienigheid erkennende en overtuigd zijnde, dat hij zelf een werktuig der Voorzienigheid was, zijne onwillekeurige invallen en ook wel zijne gevoelens van sympathie en antipathie aan goddelijke ingeving toeschreef. Overigens is het bekend, datδαιμόνιονbijvoegelijk is en door het uitgelateneσημεῖονmoet verklaard worden.↑79καὶ οὗτοι μὲν δὴοὔτως, scil.ἔχουσι. Dit toevoegsel, dat nog iets kinderlijks in den stijl schijnt te verraden, is bijHerodotusmenigvuldig, en zelfs bijAristoteles, b. v. Phys. acr. I. c. IX. 5. Hist. animm. I. c. XIV. (XVII) 9. Soph. El. XV. 18.↑80Men ziet hier weder een staaltje van het meermalen opgemerkte, dat de Grieken bevreesd waren te veel vertrouwen op eigen krachten te doen blijken.Stallbaumheeft echter goed gezien, dat hier eene vinnige ironie doorschijnt, daarSocrateste kennen geeft, dat alleen zij, die volstrekt geen fonds in zich zelven hebben, geschikte leerlingen zijn voor de Sophisten.↑81ἕνεκα τοῦδε—ὑποπτεύων. Hier zijn twee constructies verbonden, daar het begrip vanreden geven, dat doorἕνεκα τοῦδεwordt uitgedrukt, ook in het deelwoordὑποπτεύωνligt opgesloten. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Aanm. 6.↑82De constructie is:προθυμοῦ οὕτωςἀποκρίνασθαιἃ ἂν ἐρωτῶ ὅπως οἷόςτ’ εἶ.↑83Socrateshield zich, zooals wij boven zagen, voor een werktuig der Godheid, en kon in zooverre de hem te beurt vallende miskenning als eene miskenning der Godheid beschouwen.↑84Ἀλλὰmoet door eene ellips verklaard worden. [Ik heb er weinig moed op] maar enz. Dergelijke ellipsen komen in de platonische dialogen telkens voor.↑85Gevoelwordt hier als algemeene uitdrukking gebezigd, om de verschillende aandoeningen der zinnen aan te wijzen. Aan zedelijk of godsdienstig gevoel wordt in het geheel niet gedacht.↑86Woordelijk: of het een vruchtbaar of een windei is.↑87ἐπιστήμηis het subject,αἴσθησιςhet praedicaat. Het is eene zoogenoemde proposition nominale.↑88τὰ αὐτὰ ταῦτα. De gelijkheid, die inτὰ αὐτὰligt,[39]wordt door de aanwijzing inταῦταversterkt, waardoor eene beteekenis ontstaat, die omtrent met onze uitdrukking:volkomen hetzelfde, overeenkomt.↑89πουis een gevolg van de meermalen opgemerkte gewoonte derAthenersom zich zelden volkomen stellig uit te drukken. Men kan het echter ook vertalen door:ergens.↑90Ditἔοικενziet natuurlijk op de laatste doorSocratesgedane vraag.↑91Deze zin is voluit:Αἴσθησις ἄρα ἀεί ἐστιν αἴσθησις τοῦ ὄντος κ.τ. λ.↑92Socratesbedoelt, dat deze leer werkelijk geheel iets anders is, dan zij schijnt; namelijk, dat zij de kennis schijnt te bepalen, maar zoo zij consequent wordt doorgedacht, eigentlijk de kennis vernietigt.↑93Dat hier ironie onder loopt, behoeft naauwelijks gezegd te worden.↑94Zie blz. 44.↑95Parmenides, die doorPlatozeer gewaardeerd werd, was de voornaamste wijsgeer der Eleatische school, die het abstracte begrip van het zijn eenzijdig beschouwde, maar juist daardoor de noodzakelijke keerzijde daarstelde der andere rigting, die overal verandering en nergens iets blijvends zag.↑96De constructie is:ὅτι κίνησις μὲν παρέχει τὸ δοκοῦνεἶναικαὶ τὸ γίγνεσθαι, ἡσυχία δὲ τὸ μὴ εἶναι καὶ ἀπόλλυσθαι.↑97φορᾶς—κινήσει.κίνησιςis eene algemeene uitdrukking om alle verandering aan te duiden, zoo die van plaats, als die van toestand of hoedanigheid.Aristotelessluit het ontstaan en vergaan hiervan uit, omdatniet zijngeen toestand, maar eene ontkenning van alle toestanden is, en alle beweging van een punt tot een ander gaan moet. Phys. ausc. V. c. II. In het vervolg zal ik gedwongen zijnκίνησιςdoorbewegingte vertalen, daar er dan zulke eigenschappen aan worden toegekend, die alleen van beweging in de ruimte kunnen gezegd worden.↑98τί δέwordt gezegd, wanneer een nieuw bewijs wordt aangevoerd.↑99ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξιςis hier eigenlijk hetzelfde alsψυχὴ, dochPlatoschijnt dit woord verkozen te hebben, omdat de ziel door dit alles wel in eenen meer of minder goeden toestand komt, maar echter niet ontstaat of vergaat. Met dat al is het echter niet juist te zeggen:ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξις κτᾶται κ. τ. λ.↑100ἐπιλανθάνεται. Inἐπιligt het denkbeeld vandaarenboven.↑101Deze zin is voluit:Τὸ μὲν ἄρα ἀγαθὸν κατά τε ψυχὴν καὶκατὰσῶμά ἐστι κινησίς, τὸ δὲ[κακὸν ἐστι]τοὐναντίον[κινήσεως].↑102voorἀναγκάζωmoet gelezen wordenἀνάγωin den conjunctivus.ἀναγκάζωkan hier niet in de beteekenis vandoor klem van redenen betoogengenomen worden, daar het bijκολοφῶνα, niet bijπροσβιβάζωνbehoort.↑103Hier wordt gespot met hen, die alle wijsheid inHomerusmeenden te vinden, en elk zijne theorie met plaatsen uit dien dichter wilden bewijzen. De hier aangehaalde plaats staat: Il. VIII. vs. 18–27, waarZeusde Goden uitdaagt, om eene gouden keten van den hemel te hangen, waaraan zij van onderen en hij van boven zoude trekken, met dat gevolg, dat hij hen allen benevens[44]de aarde en de zee zou naar boven halen. Het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat in de aangehaalde plaats niets van de gemelde theorie gelezen wordt.↑104προσήκεινbeteekent eigenlijk:aankomen, maar hier denke men aan de beweging, die op die kleur aankomt, dat is: die er mede overeenstemt.↑105Namelijk groot, of wit, of warm, enz.↑106De zin is: daar ieder op zijne wijs de eigenschappen der dingen beoordeelt, en ieder op verschillende tijden dezelfde zaak anders beschouwt, zoo blijkt het, dat die eigenschappen niet in de zaak liggen, maar het product zijn van de zaken en onzen toestand, zoodat zij door het veranderen van eenen dier factoren kunnen gewijzigd worden, ook al ondergaat de andere factor geene verandering.↑107Wij zeggen niet:neem een voorbeeld, maar:ik zal u een voorbeeld geven, welk laatste met het eerste op hetzelfde neêrkomt, hoewel het de zaak van de kant van den gever, niet van hem, aan wien gegeven wordt, beschouwt.↑108In de hier voorkomende redenering is eene fout, daaruit ontstaande, dat het onderscheid tusschen zelfstandige begrippen en betrekkingsbegrippen wordt over het hoofd gezien. Alle begrippen, die eene betrekking uitdrukken, kunnen als het product van twee factoren beschouwd worden, en zijn daarom, zoodra de eene factor veranderd wordt, zelve aan verandering onderhevig. Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 123. (1).↑109Dit antwoord is alleen uit de daareven aangewezene verwarring te verklaren: groot en klein zijn afhankelijk van twee zaken, die met elkander vergeleken worden. Zoodra de eene verandert, verandert ook het groote en kleine, zonder dat de andere iets behoeft te ondergaan.↑110Euripideswerd door de Grieken zeer bewonderd, en als de treurspeldichter bij uitnemendheid beschouwd, hoewel hij tegenwoordig lager dan zijne twee voorgangers gesteld wordt.Aristophanesechter bespot zijn jagt maken op effect en pathetische uitdrukking, enPlatobestrijdt[47]van tijd tot tijd de immorele rigting, die in zijne schriften wel eens voorkomt. De hier bedoelde plaats is te vinden Hippolitus vs. 612. waar wij lezen:„De tong heeft gezworen, maar de geest nam geen deel aan den eed.”↑111Dat is: door iets ongerijmds toe te stemmen, kunnen wij er ons doorpraten, hoewel wij zelve zeer goed inzien, dat de vraag eigentlijk eene grondige tegenwerping behelst.↑112δεινὸςwordt doorPlatovooral van de sophisten gezegd, die zich overal wisten door te praten.↑113Deze periode verklaar ik aldus:Πάντα τὰ τῶν φρενῶν ἐξητακότεςziet op het vorige:ἡδὲφρὴν οὐκ ἀνέλεγκτος. Het perfectumἐξητακότεςbeteekent dan hetgeen volmaakt verleden en dus afgedaan is, waar dus niet meer naar onderzocht wordt.βουλησόμεθα—διανοούμεθα. Dit is eigentlijk voluit:βουλησόμεθα θεάσασθαι ἐκεῖνα ἃ διανοούμεθα αὐτὰ πρὸς αὑτὰ τί ποτ’ ἐστὶν. Verder isἡμῖνde dativus ethicus, enἀλλήλοιςbehoort niet bijἡμῖν, maar ziet opἃ διανοούμεθαen hangt af vanξυμφωνεῖ.↑114Namelijk die tegenstrijdigheden, waarin wij onwillekeurig vervallen zijn.↑115Het komt mij voor, dat alleenγενέσθαιofγίγνεσθαιis goed te keuren, en dat, toen het ééne, (namelijkγενέσθαι) in sommige handschriften inγίγνεσθαιveranderd was, beide lezingen in den gewonen tekst zijn opgenomen en doorκαὶverbonden. Nu verkies ikγενέσθαιbovenγίγνεσθαι, omdat de Grieken gewoonlijk vrij naauwkeurig de verhouding der verschillende tijden uitdrukten, en het worden het bestaan voorafgaat, waarom het hier door eenen verledenen tijd moet worden uitgedrukt.↑116Eigentlijk moestSocratesgezegd hebben: En van oneindig vele andere dingen zullen wij hetzelfde moeten zeggen, daar de toestand dier dingen niet van hunne redekaveling afhing, maar wel hun vinden van dezelve.↑117μάλαmoet bij het uitgelatene werkwoordἐστιgevoegd worden, zoodat dan hier gedrukt wordt op het toekomen van deze aandoening aan den wijsgeer.↑118Hier wordt niet de objective, maar de subjective grond der wijsbegeerte bedoeld. Niet de grond, waaruit moet bewezen worden, ook niet het eerste punt, waarvan het wijsgeerig onderzoek uitgaat, maar de oorzaak, waardoor de lust naar onderzoek wordt opgewekt, is hetgeen hier bedoeld wordt. Zie Aristot.Metaph.I. cap. II.↑119Dit is een staaltje van de allegorische verklaring der oude mythologie, dat echter doorPlatoslechts als rhetorisch sieraad gebezigd wordt.Irisis de bodesse der Goden, dus de Godin, die aan de menschen bekend maakt, wat in den Hemel besloten is, en als zoodanig wordt zij hier als persoonsverbeelding der wijsbegeerte gebezigd. De woordspeling metΘαύμαςenθαυμάζωvalt genoeg in het oog. Het is, als zeiden wij: die de bodes der Goden de dochter der verwondering noemde.↑120Men ziet, dat hier de apagogische bewijstrant gebezigd wordt, die daarin bestaat, dat men zoekt te bewijzen, dat de stelling der tegenpartij tot ongerijmde gevolgtrekking leiden moet. ZieNieuwenhuis, Inst. Phil. Log. § 147. 4. blz. 366.↑121αὐτῶνstaat hier eigentlijk geheel overtollig, doch dit gebruik van het voornaamwoord is in het Grieksch zeer gewoon. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 472. 1. b.↑122Hier wordt waarschijnlijk de school vanLeucippus[51]enDemocritusbedoeld, die als echte materialisten geene andere beginsels dan de atomen en de ledige ruimte erkenden, en daaruit het ontstaan der wereld voldoende meenden te kunnen verklaren. (ZieBrandis,Handbuch. I. § LX. blz. 294. volgg.).Platobehandelt deze leer overal met veel verachting, maar bestrijdt ze nergens uitdrukkelijk; hoewel juist zij zijne ergste vijandin was. (ZieHermann, Gesch. u. Syst. der Platon. Phil. I. blz. 152. volgg.) Met dat al is het wel slagen van zijne weêrlegging vanProtagoraseigentlijk te gelijk eene weêrlegging vanDemocriet, daar het bestaan van den geest als hoogere, boven de zinnelijkheid verhevene kenbron, die in staat is het algemeene te bevatten, de onvolledigheid der atomistiek voldoende doet uitkomen. Daarom was, zooalsKrausezeer juist opmerkt (Zie Grundwahrheiten, blz. 264. volgg.),Democrietdoor zijn redekavelen over oorzaken en beginselen, die niet in de onmiddellijke waarneming gegeven zijn, eigenlijk reeds practisch zijn eigen standpunt te boven gekomen.↑

62Hierbij kan men naslaan:Meno.pag. 80. A, B, waarSocratesbij de krampvisch vergeleken wordt, zijnde deze eene soort van rog, die bij het aanraken een’ elektrischen schok geeft, en daardoor al wat hem aanraakt, doet verstijven.↑63εἴληχεwordt eigenlijk gezegd van de portie, die iemand bij eene verdeeling door het lot bekomt. Nu werden inAthenede ambten door het lot vergeven, en hierdoor heeft dit werkwoord de beteekenis van het verkrijgen van een ambt bekomen.↑64De beteekenis vanplegen, die de aor. heeft, is, naar mijn inzien, gegrond in eene ellips, daar de aoristus eigenlijk bloot het verledene beteekent, maar waarbij wordt gedacht, dat het altijd zoo was; dat het dus door de ondervinding gebleken is, dat het zoo pleegt te zijn.↑65εἰκὸςvoorἐοικὸς. Datgeen, wat gelijkt (op de waarheid namelijk.)↑66Hoewelγινώσκεινeigenlijk niets dankennenbeteekent, kan het hier dooronderscheidenvertaald worden, daar hij, die de twee leden eener tegenstelling kent, ze noodzakelijk van elkander onderscheidt.↑67In de Grieksche geneeskunst had men veel op met tooverformulieren. Zoo lezen wij Odyss. XIX. 457, van de zoons vanAutolicus, dat zij, toenUlyssesop de jagt door een wild zwijn gewond was, het bloed door een tooverformulier beletten te vloeijen.↑68Hier isοἶδαte regt gebezigd, daar het in dezen zin beter is dan eenige andere uitdrukking voor weten.Οἶδαbeteekent eigenlijk:ik heb gezien, waarvan de beteekenis:ik weet, is afgeleid, zoodat op de vraagἆρ’—ᾔσθησαιmet geen beter werkwoord kon geantwoord worden.↑69τῆς αὐτῆς τέχνης. Deze genitivus is de gewone genitivus bijεἶναι, die gebezigd wordt omeigendom,eigenschap,gewoonheidofmogelijkheiduit te drukken. ZieButtm., Gr. Gr. § 132. Aanm. 4.↑70Het is bekend, dat de Grieken het huwelijk vaak bij het bewerken van eenen akker vergeleken, en eene huismoeder bij een veld, waarop burgers voor het vaderland groeiden.↑71ἔστι δ’ὅτεis in deze spreekwijs zoo zeer tot één woord zamengesmolten, dat het dezelfde kracht heeft alsἐνίοτε, waar het hier tegenover staat. ZieButtm., Gr. Gr. § 150. blz. 469.↑72In deze uitdrukking is iets onvolkomens, daarτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃtegenoverἐκείναιςgesteld wordt. De juistheid der tegenstelling valt meer in het oog, zoo men bedenkt, datτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃin dezen zin gelijk staat metἐμοί, en dat de personen, die doorἐκείναιςbedoeld worden, hier alleen van den kant der kunst, die zij uitoefenen, in aanmerking komen. Het subject vanδιαφέρειmoet uitτῇ ἐμῇ τέχνῃworden aangevuld. Dit is eene logische constructie, daarop gebouwd, datτῇ ἐμῇ τέχνῃ ὑπάρχειop hetzelfde neêrkomt alsἡ ἐμὴ τέχνη ἔχει.↑73Overtuigd van de geldigheid der eeuwige beginselen van waarheid, deugd en godsdienst, en oordeelende, dat die beginselen in de kiem bij ieder aanwezig zijn, leerdeSocratesniet zelf, maar zocht door vragen anderen op te wekken tot het ontwikkelen der begrippen, die in hunnen geest waren opgesloten.↑74Dit moet opgehelderd worden uit deApologie, waarSocratesverhaalt, dat hij door de uitspraak van het orakel[35]teDelphi, dat hem den wijsten der menschen noemde, genoopt was, om de door hem gekozene levensmanier te volgen.↑75τοιοῦτονziet opσοφός, zoodat men hier ook zou kunnen lezen:εὕρημα σοφόν.↑76Eindelijk.Woordelijkeindigend. Het Grieksche deelwoord wordt hier in het Hollandsch door een bijwoord overgezet. Dat iets dergelijks ook in andere talen, b. v. in de Arabische, plaats heeft, blijkt uit de voorbeelden, aangehaald doorDe Sacy, Gramm. Ar., Tom. II. No800–807.↑77Namelijk om mij weer goed te maken.↑78τὸ δαιμόνιον. Veel is over dit dæmonium getwist. Ik geloof, datSocrates, het bestuur der Voorzienigheid erkennende en overtuigd zijnde, dat hij zelf een werktuig der Voorzienigheid was, zijne onwillekeurige invallen en ook wel zijne gevoelens van sympathie en antipathie aan goddelijke ingeving toeschreef. Overigens is het bekend, datδαιμόνιονbijvoegelijk is en door het uitgelateneσημεῖονmoet verklaard worden.↑79καὶ οὗτοι μὲν δὴοὔτως, scil.ἔχουσι. Dit toevoegsel, dat nog iets kinderlijks in den stijl schijnt te verraden, is bijHerodotusmenigvuldig, en zelfs bijAristoteles, b. v. Phys. acr. I. c. IX. 5. Hist. animm. I. c. XIV. (XVII) 9. Soph. El. XV. 18.↑80Men ziet hier weder een staaltje van het meermalen opgemerkte, dat de Grieken bevreesd waren te veel vertrouwen op eigen krachten te doen blijken.Stallbaumheeft echter goed gezien, dat hier eene vinnige ironie doorschijnt, daarSocrateste kennen geeft, dat alleen zij, die volstrekt geen fonds in zich zelven hebben, geschikte leerlingen zijn voor de Sophisten.↑81ἕνεκα τοῦδε—ὑποπτεύων. Hier zijn twee constructies verbonden, daar het begrip vanreden geven, dat doorἕνεκα τοῦδεwordt uitgedrukt, ook in het deelwoordὑποπτεύωνligt opgesloten. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Aanm. 6.↑82De constructie is:προθυμοῦ οὕτωςἀποκρίνασθαιἃ ἂν ἐρωτῶ ὅπως οἷόςτ’ εἶ.↑83Socrateshield zich, zooals wij boven zagen, voor een werktuig der Godheid, en kon in zooverre de hem te beurt vallende miskenning als eene miskenning der Godheid beschouwen.↑84Ἀλλὰmoet door eene ellips verklaard worden. [Ik heb er weinig moed op] maar enz. Dergelijke ellipsen komen in de platonische dialogen telkens voor.↑85Gevoelwordt hier als algemeene uitdrukking gebezigd, om de verschillende aandoeningen der zinnen aan te wijzen. Aan zedelijk of godsdienstig gevoel wordt in het geheel niet gedacht.↑86Woordelijk: of het een vruchtbaar of een windei is.↑87ἐπιστήμηis het subject,αἴσθησιςhet praedicaat. Het is eene zoogenoemde proposition nominale.↑88τὰ αὐτὰ ταῦτα. De gelijkheid, die inτὰ αὐτὰligt,[39]wordt door de aanwijzing inταῦταversterkt, waardoor eene beteekenis ontstaat, die omtrent met onze uitdrukking:volkomen hetzelfde, overeenkomt.↑89πουis een gevolg van de meermalen opgemerkte gewoonte derAthenersom zich zelden volkomen stellig uit te drukken. Men kan het echter ook vertalen door:ergens.↑90Ditἔοικενziet natuurlijk op de laatste doorSocratesgedane vraag.↑91Deze zin is voluit:Αἴσθησις ἄρα ἀεί ἐστιν αἴσθησις τοῦ ὄντος κ.τ. λ.↑92Socratesbedoelt, dat deze leer werkelijk geheel iets anders is, dan zij schijnt; namelijk, dat zij de kennis schijnt te bepalen, maar zoo zij consequent wordt doorgedacht, eigentlijk de kennis vernietigt.↑93Dat hier ironie onder loopt, behoeft naauwelijks gezegd te worden.↑94Zie blz. 44.↑95Parmenides, die doorPlatozeer gewaardeerd werd, was de voornaamste wijsgeer der Eleatische school, die het abstracte begrip van het zijn eenzijdig beschouwde, maar juist daardoor de noodzakelijke keerzijde daarstelde der andere rigting, die overal verandering en nergens iets blijvends zag.↑96De constructie is:ὅτι κίνησις μὲν παρέχει τὸ δοκοῦνεἶναικαὶ τὸ γίγνεσθαι, ἡσυχία δὲ τὸ μὴ εἶναι καὶ ἀπόλλυσθαι.↑97φορᾶς—κινήσει.κίνησιςis eene algemeene uitdrukking om alle verandering aan te duiden, zoo die van plaats, als die van toestand of hoedanigheid.Aristotelessluit het ontstaan en vergaan hiervan uit, omdatniet zijngeen toestand, maar eene ontkenning van alle toestanden is, en alle beweging van een punt tot een ander gaan moet. Phys. ausc. V. c. II. In het vervolg zal ik gedwongen zijnκίνησιςdoorbewegingte vertalen, daar er dan zulke eigenschappen aan worden toegekend, die alleen van beweging in de ruimte kunnen gezegd worden.↑98τί δέwordt gezegd, wanneer een nieuw bewijs wordt aangevoerd.↑99ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξιςis hier eigenlijk hetzelfde alsψυχὴ, dochPlatoschijnt dit woord verkozen te hebben, omdat de ziel door dit alles wel in eenen meer of minder goeden toestand komt, maar echter niet ontstaat of vergaat. Met dat al is het echter niet juist te zeggen:ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξις κτᾶται κ. τ. λ.↑100ἐπιλανθάνεται. Inἐπιligt het denkbeeld vandaarenboven.↑101Deze zin is voluit:Τὸ μὲν ἄρα ἀγαθὸν κατά τε ψυχὴν καὶκατὰσῶμά ἐστι κινησίς, τὸ δὲ[κακὸν ἐστι]τοὐναντίον[κινήσεως].↑102voorἀναγκάζωmoet gelezen wordenἀνάγωin den conjunctivus.ἀναγκάζωkan hier niet in de beteekenis vandoor klem van redenen betoogengenomen worden, daar het bijκολοφῶνα, niet bijπροσβιβάζωνbehoort.↑103Hier wordt gespot met hen, die alle wijsheid inHomerusmeenden te vinden, en elk zijne theorie met plaatsen uit dien dichter wilden bewijzen. De hier aangehaalde plaats staat: Il. VIII. vs. 18–27, waarZeusde Goden uitdaagt, om eene gouden keten van den hemel te hangen, waaraan zij van onderen en hij van boven zoude trekken, met dat gevolg, dat hij hen allen benevens[44]de aarde en de zee zou naar boven halen. Het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat in de aangehaalde plaats niets van de gemelde theorie gelezen wordt.↑104προσήκεινbeteekent eigenlijk:aankomen, maar hier denke men aan de beweging, die op die kleur aankomt, dat is: die er mede overeenstemt.↑105Namelijk groot, of wit, of warm, enz.↑106De zin is: daar ieder op zijne wijs de eigenschappen der dingen beoordeelt, en ieder op verschillende tijden dezelfde zaak anders beschouwt, zoo blijkt het, dat die eigenschappen niet in de zaak liggen, maar het product zijn van de zaken en onzen toestand, zoodat zij door het veranderen van eenen dier factoren kunnen gewijzigd worden, ook al ondergaat de andere factor geene verandering.↑107Wij zeggen niet:neem een voorbeeld, maar:ik zal u een voorbeeld geven, welk laatste met het eerste op hetzelfde neêrkomt, hoewel het de zaak van de kant van den gever, niet van hem, aan wien gegeven wordt, beschouwt.↑108In de hier voorkomende redenering is eene fout, daaruit ontstaande, dat het onderscheid tusschen zelfstandige begrippen en betrekkingsbegrippen wordt over het hoofd gezien. Alle begrippen, die eene betrekking uitdrukken, kunnen als het product van twee factoren beschouwd worden, en zijn daarom, zoodra de eene factor veranderd wordt, zelve aan verandering onderhevig. Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 123. (1).↑109Dit antwoord is alleen uit de daareven aangewezene verwarring te verklaren: groot en klein zijn afhankelijk van twee zaken, die met elkander vergeleken worden. Zoodra de eene verandert, verandert ook het groote en kleine, zonder dat de andere iets behoeft te ondergaan.↑110Euripideswerd door de Grieken zeer bewonderd, en als de treurspeldichter bij uitnemendheid beschouwd, hoewel hij tegenwoordig lager dan zijne twee voorgangers gesteld wordt.Aristophanesechter bespot zijn jagt maken op effect en pathetische uitdrukking, enPlatobestrijdt[47]van tijd tot tijd de immorele rigting, die in zijne schriften wel eens voorkomt. De hier bedoelde plaats is te vinden Hippolitus vs. 612. waar wij lezen:„De tong heeft gezworen, maar de geest nam geen deel aan den eed.”↑111Dat is: door iets ongerijmds toe te stemmen, kunnen wij er ons doorpraten, hoewel wij zelve zeer goed inzien, dat de vraag eigentlijk eene grondige tegenwerping behelst.↑112δεινὸςwordt doorPlatovooral van de sophisten gezegd, die zich overal wisten door te praten.↑113Deze periode verklaar ik aldus:Πάντα τὰ τῶν φρενῶν ἐξητακότεςziet op het vorige:ἡδὲφρὴν οὐκ ἀνέλεγκτος. Het perfectumἐξητακότεςbeteekent dan hetgeen volmaakt verleden en dus afgedaan is, waar dus niet meer naar onderzocht wordt.βουλησόμεθα—διανοούμεθα. Dit is eigentlijk voluit:βουλησόμεθα θεάσασθαι ἐκεῖνα ἃ διανοούμεθα αὐτὰ πρὸς αὑτὰ τί ποτ’ ἐστὶν. Verder isἡμῖνde dativus ethicus, enἀλλήλοιςbehoort niet bijἡμῖν, maar ziet opἃ διανοούμεθαen hangt af vanξυμφωνεῖ.↑114Namelijk die tegenstrijdigheden, waarin wij onwillekeurig vervallen zijn.↑115Het komt mij voor, dat alleenγενέσθαιofγίγνεσθαιis goed te keuren, en dat, toen het ééne, (namelijkγενέσθαι) in sommige handschriften inγίγνεσθαιveranderd was, beide lezingen in den gewonen tekst zijn opgenomen en doorκαὶverbonden. Nu verkies ikγενέσθαιbovenγίγνεσθαι, omdat de Grieken gewoonlijk vrij naauwkeurig de verhouding der verschillende tijden uitdrukten, en het worden het bestaan voorafgaat, waarom het hier door eenen verledenen tijd moet worden uitgedrukt.↑116Eigentlijk moestSocratesgezegd hebben: En van oneindig vele andere dingen zullen wij hetzelfde moeten zeggen, daar de toestand dier dingen niet van hunne redekaveling afhing, maar wel hun vinden van dezelve.↑117μάλαmoet bij het uitgelatene werkwoordἐστιgevoegd worden, zoodat dan hier gedrukt wordt op het toekomen van deze aandoening aan den wijsgeer.↑118Hier wordt niet de objective, maar de subjective grond der wijsbegeerte bedoeld. Niet de grond, waaruit moet bewezen worden, ook niet het eerste punt, waarvan het wijsgeerig onderzoek uitgaat, maar de oorzaak, waardoor de lust naar onderzoek wordt opgewekt, is hetgeen hier bedoeld wordt. Zie Aristot.Metaph.I. cap. II.↑119Dit is een staaltje van de allegorische verklaring der oude mythologie, dat echter doorPlatoslechts als rhetorisch sieraad gebezigd wordt.Irisis de bodesse der Goden, dus de Godin, die aan de menschen bekend maakt, wat in den Hemel besloten is, en als zoodanig wordt zij hier als persoonsverbeelding der wijsbegeerte gebezigd. De woordspeling metΘαύμαςenθαυμάζωvalt genoeg in het oog. Het is, als zeiden wij: die de bodes der Goden de dochter der verwondering noemde.↑120Men ziet, dat hier de apagogische bewijstrant gebezigd wordt, die daarin bestaat, dat men zoekt te bewijzen, dat de stelling der tegenpartij tot ongerijmde gevolgtrekking leiden moet. ZieNieuwenhuis, Inst. Phil. Log. § 147. 4. blz. 366.↑121αὐτῶνstaat hier eigentlijk geheel overtollig, doch dit gebruik van het voornaamwoord is in het Grieksch zeer gewoon. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 472. 1. b.↑122Hier wordt waarschijnlijk de school vanLeucippus[51]enDemocritusbedoeld, die als echte materialisten geene andere beginsels dan de atomen en de ledige ruimte erkenden, en daaruit het ontstaan der wereld voldoende meenden te kunnen verklaren. (ZieBrandis,Handbuch. I. § LX. blz. 294. volgg.).Platobehandelt deze leer overal met veel verachting, maar bestrijdt ze nergens uitdrukkelijk; hoewel juist zij zijne ergste vijandin was. (ZieHermann, Gesch. u. Syst. der Platon. Phil. I. blz. 152. volgg.) Met dat al is het wel slagen van zijne weêrlegging vanProtagoraseigentlijk te gelijk eene weêrlegging vanDemocriet, daar het bestaan van den geest als hoogere, boven de zinnelijkheid verhevene kenbron, die in staat is het algemeene te bevatten, de onvolledigheid der atomistiek voldoende doet uitkomen. Daarom was, zooalsKrausezeer juist opmerkt (Zie Grundwahrheiten, blz. 264. volgg.),Democrietdoor zijn redekavelen over oorzaken en beginselen, die niet in de onmiddellijke waarneming gegeven zijn, eigenlijk reeds practisch zijn eigen standpunt te boven gekomen.↑

62Hierbij kan men naslaan:Meno.pag. 80. A, B, waarSocratesbij de krampvisch vergeleken wordt, zijnde deze eene soort van rog, die bij het aanraken een’ elektrischen schok geeft, en daardoor al wat hem aanraakt, doet verstijven.↑63εἴληχεwordt eigenlijk gezegd van de portie, die iemand bij eene verdeeling door het lot bekomt. Nu werden inAthenede ambten door het lot vergeven, en hierdoor heeft dit werkwoord de beteekenis van het verkrijgen van een ambt bekomen.↑64De beteekenis vanplegen, die de aor. heeft, is, naar mijn inzien, gegrond in eene ellips, daar de aoristus eigenlijk bloot het verledene beteekent, maar waarbij wordt gedacht, dat het altijd zoo was; dat het dus door de ondervinding gebleken is, dat het zoo pleegt te zijn.↑65εἰκὸςvoorἐοικὸς. Datgeen, wat gelijkt (op de waarheid namelijk.)↑66Hoewelγινώσκεινeigenlijk niets dankennenbeteekent, kan het hier dooronderscheidenvertaald worden, daar hij, die de twee leden eener tegenstelling kent, ze noodzakelijk van elkander onderscheidt.↑67In de Grieksche geneeskunst had men veel op met tooverformulieren. Zoo lezen wij Odyss. XIX. 457, van de zoons vanAutolicus, dat zij, toenUlyssesop de jagt door een wild zwijn gewond was, het bloed door een tooverformulier beletten te vloeijen.↑68Hier isοἶδαte regt gebezigd, daar het in dezen zin beter is dan eenige andere uitdrukking voor weten.Οἶδαbeteekent eigenlijk:ik heb gezien, waarvan de beteekenis:ik weet, is afgeleid, zoodat op de vraagἆρ’—ᾔσθησαιmet geen beter werkwoord kon geantwoord worden.↑69τῆς αὐτῆς τέχνης. Deze genitivus is de gewone genitivus bijεἶναι, die gebezigd wordt omeigendom,eigenschap,gewoonheidofmogelijkheiduit te drukken. ZieButtm., Gr. Gr. § 132. Aanm. 4.↑70Het is bekend, dat de Grieken het huwelijk vaak bij het bewerken van eenen akker vergeleken, en eene huismoeder bij een veld, waarop burgers voor het vaderland groeiden.↑71ἔστι δ’ὅτεis in deze spreekwijs zoo zeer tot één woord zamengesmolten, dat het dezelfde kracht heeft alsἐνίοτε, waar het hier tegenover staat. ZieButtm., Gr. Gr. § 150. blz. 469.↑72In deze uitdrukking is iets onvolkomens, daarτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃtegenoverἐκείναιςgesteld wordt. De juistheid der tegenstelling valt meer in het oog, zoo men bedenkt, datτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃin dezen zin gelijk staat metἐμοί, en dat de personen, die doorἐκείναιςbedoeld worden, hier alleen van den kant der kunst, die zij uitoefenen, in aanmerking komen. Het subject vanδιαφέρειmoet uitτῇ ἐμῇ τέχνῃworden aangevuld. Dit is eene logische constructie, daarop gebouwd, datτῇ ἐμῇ τέχνῃ ὑπάρχειop hetzelfde neêrkomt alsἡ ἐμὴ τέχνη ἔχει.↑73Overtuigd van de geldigheid der eeuwige beginselen van waarheid, deugd en godsdienst, en oordeelende, dat die beginselen in de kiem bij ieder aanwezig zijn, leerdeSocratesniet zelf, maar zocht door vragen anderen op te wekken tot het ontwikkelen der begrippen, die in hunnen geest waren opgesloten.↑74Dit moet opgehelderd worden uit deApologie, waarSocratesverhaalt, dat hij door de uitspraak van het orakel[35]teDelphi, dat hem den wijsten der menschen noemde, genoopt was, om de door hem gekozene levensmanier te volgen.↑75τοιοῦτονziet opσοφός, zoodat men hier ook zou kunnen lezen:εὕρημα σοφόν.↑76Eindelijk.Woordelijkeindigend. Het Grieksche deelwoord wordt hier in het Hollandsch door een bijwoord overgezet. Dat iets dergelijks ook in andere talen, b. v. in de Arabische, plaats heeft, blijkt uit de voorbeelden, aangehaald doorDe Sacy, Gramm. Ar., Tom. II. No800–807.↑77Namelijk om mij weer goed te maken.↑78τὸ δαιμόνιον. Veel is over dit dæmonium getwist. Ik geloof, datSocrates, het bestuur der Voorzienigheid erkennende en overtuigd zijnde, dat hij zelf een werktuig der Voorzienigheid was, zijne onwillekeurige invallen en ook wel zijne gevoelens van sympathie en antipathie aan goddelijke ingeving toeschreef. Overigens is het bekend, datδαιμόνιονbijvoegelijk is en door het uitgelateneσημεῖονmoet verklaard worden.↑79καὶ οὗτοι μὲν δὴοὔτως, scil.ἔχουσι. Dit toevoegsel, dat nog iets kinderlijks in den stijl schijnt te verraden, is bijHerodotusmenigvuldig, en zelfs bijAristoteles, b. v. Phys. acr. I. c. IX. 5. Hist. animm. I. c. XIV. (XVII) 9. Soph. El. XV. 18.↑80Men ziet hier weder een staaltje van het meermalen opgemerkte, dat de Grieken bevreesd waren te veel vertrouwen op eigen krachten te doen blijken.Stallbaumheeft echter goed gezien, dat hier eene vinnige ironie doorschijnt, daarSocrateste kennen geeft, dat alleen zij, die volstrekt geen fonds in zich zelven hebben, geschikte leerlingen zijn voor de Sophisten.↑81ἕνεκα τοῦδε—ὑποπτεύων. Hier zijn twee constructies verbonden, daar het begrip vanreden geven, dat doorἕνεκα τοῦδεwordt uitgedrukt, ook in het deelwoordὑποπτεύωνligt opgesloten. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Aanm. 6.↑82De constructie is:προθυμοῦ οὕτωςἀποκρίνασθαιἃ ἂν ἐρωτῶ ὅπως οἷόςτ’ εἶ.↑83Socrateshield zich, zooals wij boven zagen, voor een werktuig der Godheid, en kon in zooverre de hem te beurt vallende miskenning als eene miskenning der Godheid beschouwen.↑84Ἀλλὰmoet door eene ellips verklaard worden. [Ik heb er weinig moed op] maar enz. Dergelijke ellipsen komen in de platonische dialogen telkens voor.↑85Gevoelwordt hier als algemeene uitdrukking gebezigd, om de verschillende aandoeningen der zinnen aan te wijzen. Aan zedelijk of godsdienstig gevoel wordt in het geheel niet gedacht.↑86Woordelijk: of het een vruchtbaar of een windei is.↑87ἐπιστήμηis het subject,αἴσθησιςhet praedicaat. Het is eene zoogenoemde proposition nominale.↑88τὰ αὐτὰ ταῦτα. De gelijkheid, die inτὰ αὐτὰligt,[39]wordt door de aanwijzing inταῦταversterkt, waardoor eene beteekenis ontstaat, die omtrent met onze uitdrukking:volkomen hetzelfde, overeenkomt.↑89πουis een gevolg van de meermalen opgemerkte gewoonte derAthenersom zich zelden volkomen stellig uit te drukken. Men kan het echter ook vertalen door:ergens.↑90Ditἔοικενziet natuurlijk op de laatste doorSocratesgedane vraag.↑91Deze zin is voluit:Αἴσθησις ἄρα ἀεί ἐστιν αἴσθησις τοῦ ὄντος κ.τ. λ.↑92Socratesbedoelt, dat deze leer werkelijk geheel iets anders is, dan zij schijnt; namelijk, dat zij de kennis schijnt te bepalen, maar zoo zij consequent wordt doorgedacht, eigentlijk de kennis vernietigt.↑93Dat hier ironie onder loopt, behoeft naauwelijks gezegd te worden.↑94Zie blz. 44.↑95Parmenides, die doorPlatozeer gewaardeerd werd, was de voornaamste wijsgeer der Eleatische school, die het abstracte begrip van het zijn eenzijdig beschouwde, maar juist daardoor de noodzakelijke keerzijde daarstelde der andere rigting, die overal verandering en nergens iets blijvends zag.↑96De constructie is:ὅτι κίνησις μὲν παρέχει τὸ δοκοῦνεἶναικαὶ τὸ γίγνεσθαι, ἡσυχία δὲ τὸ μὴ εἶναι καὶ ἀπόλλυσθαι.↑97φορᾶς—κινήσει.κίνησιςis eene algemeene uitdrukking om alle verandering aan te duiden, zoo die van plaats, als die van toestand of hoedanigheid.Aristotelessluit het ontstaan en vergaan hiervan uit, omdatniet zijngeen toestand, maar eene ontkenning van alle toestanden is, en alle beweging van een punt tot een ander gaan moet. Phys. ausc. V. c. II. In het vervolg zal ik gedwongen zijnκίνησιςdoorbewegingte vertalen, daar er dan zulke eigenschappen aan worden toegekend, die alleen van beweging in de ruimte kunnen gezegd worden.↑98τί δέwordt gezegd, wanneer een nieuw bewijs wordt aangevoerd.↑99ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξιςis hier eigenlijk hetzelfde alsψυχὴ, dochPlatoschijnt dit woord verkozen te hebben, omdat de ziel door dit alles wel in eenen meer of minder goeden toestand komt, maar echter niet ontstaat of vergaat. Met dat al is het echter niet juist te zeggen:ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξις κτᾶται κ. τ. λ.↑100ἐπιλανθάνεται. Inἐπιligt het denkbeeld vandaarenboven.↑101Deze zin is voluit:Τὸ μὲν ἄρα ἀγαθὸν κατά τε ψυχὴν καὶκατὰσῶμά ἐστι κινησίς, τὸ δὲ[κακὸν ἐστι]τοὐναντίον[κινήσεως].↑102voorἀναγκάζωmoet gelezen wordenἀνάγωin den conjunctivus.ἀναγκάζωkan hier niet in de beteekenis vandoor klem van redenen betoogengenomen worden, daar het bijκολοφῶνα, niet bijπροσβιβάζωνbehoort.↑103Hier wordt gespot met hen, die alle wijsheid inHomerusmeenden te vinden, en elk zijne theorie met plaatsen uit dien dichter wilden bewijzen. De hier aangehaalde plaats staat: Il. VIII. vs. 18–27, waarZeusde Goden uitdaagt, om eene gouden keten van den hemel te hangen, waaraan zij van onderen en hij van boven zoude trekken, met dat gevolg, dat hij hen allen benevens[44]de aarde en de zee zou naar boven halen. Het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat in de aangehaalde plaats niets van de gemelde theorie gelezen wordt.↑104προσήκεινbeteekent eigenlijk:aankomen, maar hier denke men aan de beweging, die op die kleur aankomt, dat is: die er mede overeenstemt.↑105Namelijk groot, of wit, of warm, enz.↑106De zin is: daar ieder op zijne wijs de eigenschappen der dingen beoordeelt, en ieder op verschillende tijden dezelfde zaak anders beschouwt, zoo blijkt het, dat die eigenschappen niet in de zaak liggen, maar het product zijn van de zaken en onzen toestand, zoodat zij door het veranderen van eenen dier factoren kunnen gewijzigd worden, ook al ondergaat de andere factor geene verandering.↑107Wij zeggen niet:neem een voorbeeld, maar:ik zal u een voorbeeld geven, welk laatste met het eerste op hetzelfde neêrkomt, hoewel het de zaak van de kant van den gever, niet van hem, aan wien gegeven wordt, beschouwt.↑108In de hier voorkomende redenering is eene fout, daaruit ontstaande, dat het onderscheid tusschen zelfstandige begrippen en betrekkingsbegrippen wordt over het hoofd gezien. Alle begrippen, die eene betrekking uitdrukken, kunnen als het product van twee factoren beschouwd worden, en zijn daarom, zoodra de eene factor veranderd wordt, zelve aan verandering onderhevig. Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 123. (1).↑109Dit antwoord is alleen uit de daareven aangewezene verwarring te verklaren: groot en klein zijn afhankelijk van twee zaken, die met elkander vergeleken worden. Zoodra de eene verandert, verandert ook het groote en kleine, zonder dat de andere iets behoeft te ondergaan.↑110Euripideswerd door de Grieken zeer bewonderd, en als de treurspeldichter bij uitnemendheid beschouwd, hoewel hij tegenwoordig lager dan zijne twee voorgangers gesteld wordt.Aristophanesechter bespot zijn jagt maken op effect en pathetische uitdrukking, enPlatobestrijdt[47]van tijd tot tijd de immorele rigting, die in zijne schriften wel eens voorkomt. De hier bedoelde plaats is te vinden Hippolitus vs. 612. waar wij lezen:„De tong heeft gezworen, maar de geest nam geen deel aan den eed.”↑111Dat is: door iets ongerijmds toe te stemmen, kunnen wij er ons doorpraten, hoewel wij zelve zeer goed inzien, dat de vraag eigentlijk eene grondige tegenwerping behelst.↑112δεινὸςwordt doorPlatovooral van de sophisten gezegd, die zich overal wisten door te praten.↑113Deze periode verklaar ik aldus:Πάντα τὰ τῶν φρενῶν ἐξητακότεςziet op het vorige:ἡδὲφρὴν οὐκ ἀνέλεγκτος. Het perfectumἐξητακότεςbeteekent dan hetgeen volmaakt verleden en dus afgedaan is, waar dus niet meer naar onderzocht wordt.βουλησόμεθα—διανοούμεθα. Dit is eigentlijk voluit:βουλησόμεθα θεάσασθαι ἐκεῖνα ἃ διανοούμεθα αὐτὰ πρὸς αὑτὰ τί ποτ’ ἐστὶν. Verder isἡμῖνde dativus ethicus, enἀλλήλοιςbehoort niet bijἡμῖν, maar ziet opἃ διανοούμεθαen hangt af vanξυμφωνεῖ.↑114Namelijk die tegenstrijdigheden, waarin wij onwillekeurig vervallen zijn.↑115Het komt mij voor, dat alleenγενέσθαιofγίγνεσθαιis goed te keuren, en dat, toen het ééne, (namelijkγενέσθαι) in sommige handschriften inγίγνεσθαιveranderd was, beide lezingen in den gewonen tekst zijn opgenomen en doorκαὶverbonden. Nu verkies ikγενέσθαιbovenγίγνεσθαι, omdat de Grieken gewoonlijk vrij naauwkeurig de verhouding der verschillende tijden uitdrukten, en het worden het bestaan voorafgaat, waarom het hier door eenen verledenen tijd moet worden uitgedrukt.↑116Eigentlijk moestSocratesgezegd hebben: En van oneindig vele andere dingen zullen wij hetzelfde moeten zeggen, daar de toestand dier dingen niet van hunne redekaveling afhing, maar wel hun vinden van dezelve.↑117μάλαmoet bij het uitgelatene werkwoordἐστιgevoegd worden, zoodat dan hier gedrukt wordt op het toekomen van deze aandoening aan den wijsgeer.↑118Hier wordt niet de objective, maar de subjective grond der wijsbegeerte bedoeld. Niet de grond, waaruit moet bewezen worden, ook niet het eerste punt, waarvan het wijsgeerig onderzoek uitgaat, maar de oorzaak, waardoor de lust naar onderzoek wordt opgewekt, is hetgeen hier bedoeld wordt. Zie Aristot.Metaph.I. cap. II.↑119Dit is een staaltje van de allegorische verklaring der oude mythologie, dat echter doorPlatoslechts als rhetorisch sieraad gebezigd wordt.Irisis de bodesse der Goden, dus de Godin, die aan de menschen bekend maakt, wat in den Hemel besloten is, en als zoodanig wordt zij hier als persoonsverbeelding der wijsbegeerte gebezigd. De woordspeling metΘαύμαςenθαυμάζωvalt genoeg in het oog. Het is, als zeiden wij: die de bodes der Goden de dochter der verwondering noemde.↑120Men ziet, dat hier de apagogische bewijstrant gebezigd wordt, die daarin bestaat, dat men zoekt te bewijzen, dat de stelling der tegenpartij tot ongerijmde gevolgtrekking leiden moet. ZieNieuwenhuis, Inst. Phil. Log. § 147. 4. blz. 366.↑121αὐτῶνstaat hier eigentlijk geheel overtollig, doch dit gebruik van het voornaamwoord is in het Grieksch zeer gewoon. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 472. 1. b.↑122Hier wordt waarschijnlijk de school vanLeucippus[51]enDemocritusbedoeld, die als echte materialisten geene andere beginsels dan de atomen en de ledige ruimte erkenden, en daaruit het ontstaan der wereld voldoende meenden te kunnen verklaren. (ZieBrandis,Handbuch. I. § LX. blz. 294. volgg.).Platobehandelt deze leer overal met veel verachting, maar bestrijdt ze nergens uitdrukkelijk; hoewel juist zij zijne ergste vijandin was. (ZieHermann, Gesch. u. Syst. der Platon. Phil. I. blz. 152. volgg.) Met dat al is het wel slagen van zijne weêrlegging vanProtagoraseigentlijk te gelijk eene weêrlegging vanDemocriet, daar het bestaan van den geest als hoogere, boven de zinnelijkheid verhevene kenbron, die in staat is het algemeene te bevatten, de onvolledigheid der atomistiek voldoende doet uitkomen. Daarom was, zooalsKrausezeer juist opmerkt (Zie Grundwahrheiten, blz. 264. volgg.),Democrietdoor zijn redekavelen over oorzaken en beginselen, die niet in de onmiddellijke waarneming gegeven zijn, eigenlijk reeds practisch zijn eigen standpunt te boven gekomen.↑

62Hierbij kan men naslaan:Meno.pag. 80. A, B, waarSocratesbij de krampvisch vergeleken wordt, zijnde deze eene soort van rog, die bij het aanraken een’ elektrischen schok geeft, en daardoor al wat hem aanraakt, doet verstijven.↑

62Hierbij kan men naslaan:Meno.pag. 80. A, B, waarSocratesbij de krampvisch vergeleken wordt, zijnde deze eene soort van rog, die bij het aanraken een’ elektrischen schok geeft, en daardoor al wat hem aanraakt, doet verstijven.↑

63εἴληχεwordt eigenlijk gezegd van de portie, die iemand bij eene verdeeling door het lot bekomt. Nu werden inAthenede ambten door het lot vergeven, en hierdoor heeft dit werkwoord de beteekenis van het verkrijgen van een ambt bekomen.↑

63εἴληχεwordt eigenlijk gezegd van de portie, die iemand bij eene verdeeling door het lot bekomt. Nu werden inAthenede ambten door het lot vergeven, en hierdoor heeft dit werkwoord de beteekenis van het verkrijgen van een ambt bekomen.↑

64De beteekenis vanplegen, die de aor. heeft, is, naar mijn inzien, gegrond in eene ellips, daar de aoristus eigenlijk bloot het verledene beteekent, maar waarbij wordt gedacht, dat het altijd zoo was; dat het dus door de ondervinding gebleken is, dat het zoo pleegt te zijn.↑

64De beteekenis vanplegen, die de aor. heeft, is, naar mijn inzien, gegrond in eene ellips, daar de aoristus eigenlijk bloot het verledene beteekent, maar waarbij wordt gedacht, dat het altijd zoo was; dat het dus door de ondervinding gebleken is, dat het zoo pleegt te zijn.↑

65εἰκὸςvoorἐοικὸς. Datgeen, wat gelijkt (op de waarheid namelijk.)↑

65εἰκὸςvoorἐοικὸς. Datgeen, wat gelijkt (op de waarheid namelijk.)↑

66Hoewelγινώσκεινeigenlijk niets dankennenbeteekent, kan het hier dooronderscheidenvertaald worden, daar hij, die de twee leden eener tegenstelling kent, ze noodzakelijk van elkander onderscheidt.↑

66Hoewelγινώσκεινeigenlijk niets dankennenbeteekent, kan het hier dooronderscheidenvertaald worden, daar hij, die de twee leden eener tegenstelling kent, ze noodzakelijk van elkander onderscheidt.↑

67In de Grieksche geneeskunst had men veel op met tooverformulieren. Zoo lezen wij Odyss. XIX. 457, van de zoons vanAutolicus, dat zij, toenUlyssesop de jagt door een wild zwijn gewond was, het bloed door een tooverformulier beletten te vloeijen.↑

67In de Grieksche geneeskunst had men veel op met tooverformulieren. Zoo lezen wij Odyss. XIX. 457, van de zoons vanAutolicus, dat zij, toenUlyssesop de jagt door een wild zwijn gewond was, het bloed door een tooverformulier beletten te vloeijen.↑

68Hier isοἶδαte regt gebezigd, daar het in dezen zin beter is dan eenige andere uitdrukking voor weten.Οἶδαbeteekent eigenlijk:ik heb gezien, waarvan de beteekenis:ik weet, is afgeleid, zoodat op de vraagἆρ’—ᾔσθησαιmet geen beter werkwoord kon geantwoord worden.↑

68Hier isοἶδαte regt gebezigd, daar het in dezen zin beter is dan eenige andere uitdrukking voor weten.Οἶδαbeteekent eigenlijk:ik heb gezien, waarvan de beteekenis:ik weet, is afgeleid, zoodat op de vraagἆρ’—ᾔσθησαιmet geen beter werkwoord kon geantwoord worden.↑

69τῆς αὐτῆς τέχνης. Deze genitivus is de gewone genitivus bijεἶναι, die gebezigd wordt omeigendom,eigenschap,gewoonheidofmogelijkheiduit te drukken. ZieButtm., Gr. Gr. § 132. Aanm. 4.↑

69τῆς αὐτῆς τέχνης. Deze genitivus is de gewone genitivus bijεἶναι, die gebezigd wordt omeigendom,eigenschap,gewoonheidofmogelijkheiduit te drukken. ZieButtm., Gr. Gr. § 132. Aanm. 4.↑

70Het is bekend, dat de Grieken het huwelijk vaak bij het bewerken van eenen akker vergeleken, en eene huismoeder bij een veld, waarop burgers voor het vaderland groeiden.↑

70Het is bekend, dat de Grieken het huwelijk vaak bij het bewerken van eenen akker vergeleken, en eene huismoeder bij een veld, waarop burgers voor het vaderland groeiden.↑

71ἔστι δ’ὅτεis in deze spreekwijs zoo zeer tot één woord zamengesmolten, dat het dezelfde kracht heeft alsἐνίοτε, waar het hier tegenover staat. ZieButtm., Gr. Gr. § 150. blz. 469.↑

71ἔστι δ’ὅτεis in deze spreekwijs zoo zeer tot één woord zamengesmolten, dat het dezelfde kracht heeft alsἐνίοτε, waar het hier tegenover staat. ZieButtm., Gr. Gr. § 150. blz. 469.↑

72In deze uitdrukking is iets onvolkomens, daarτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃtegenoverἐκείναιςgesteld wordt. De juistheid der tegenstelling valt meer in het oog, zoo men bedenkt, datτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃin dezen zin gelijk staat metἐμοί, en dat de personen, die doorἐκείναιςbedoeld worden, hier alleen van den kant der kunst, die zij uitoefenen, in aanmerking komen. Het subject vanδιαφέρειmoet uitτῇ ἐμῇ τέχνῃworden aangevuld. Dit is eene logische constructie, daarop gebouwd, datτῇ ἐμῇ τέχνῃ ὑπάρχειop hetzelfde neêrkomt alsἡ ἐμὴ τέχνη ἔχει.↑

72In deze uitdrukking is iets onvolkomens, daarτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃtegenoverἐκείναιςgesteld wordt. De juistheid der tegenstelling valt meer in het oog, zoo men bedenkt, datτῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃin dezen zin gelijk staat metἐμοί, en dat de personen, die doorἐκείναιςbedoeld worden, hier alleen van den kant der kunst, die zij uitoefenen, in aanmerking komen. Het subject vanδιαφέρειmoet uitτῇ ἐμῇ τέχνῃworden aangevuld. Dit is eene logische constructie, daarop gebouwd, datτῇ ἐμῇ τέχνῃ ὑπάρχειop hetzelfde neêrkomt alsἡ ἐμὴ τέχνη ἔχει.↑

73Overtuigd van de geldigheid der eeuwige beginselen van waarheid, deugd en godsdienst, en oordeelende, dat die beginselen in de kiem bij ieder aanwezig zijn, leerdeSocratesniet zelf, maar zocht door vragen anderen op te wekken tot het ontwikkelen der begrippen, die in hunnen geest waren opgesloten.↑

73Overtuigd van de geldigheid der eeuwige beginselen van waarheid, deugd en godsdienst, en oordeelende, dat die beginselen in de kiem bij ieder aanwezig zijn, leerdeSocratesniet zelf, maar zocht door vragen anderen op te wekken tot het ontwikkelen der begrippen, die in hunnen geest waren opgesloten.↑

74Dit moet opgehelderd worden uit deApologie, waarSocratesverhaalt, dat hij door de uitspraak van het orakel[35]teDelphi, dat hem den wijsten der menschen noemde, genoopt was, om de door hem gekozene levensmanier te volgen.↑

74Dit moet opgehelderd worden uit deApologie, waarSocratesverhaalt, dat hij door de uitspraak van het orakel[35]teDelphi, dat hem den wijsten der menschen noemde, genoopt was, om de door hem gekozene levensmanier te volgen.↑

75τοιοῦτονziet opσοφός, zoodat men hier ook zou kunnen lezen:εὕρημα σοφόν.↑

75τοιοῦτονziet opσοφός, zoodat men hier ook zou kunnen lezen:εὕρημα σοφόν.↑

76Eindelijk.Woordelijkeindigend. Het Grieksche deelwoord wordt hier in het Hollandsch door een bijwoord overgezet. Dat iets dergelijks ook in andere talen, b. v. in de Arabische, plaats heeft, blijkt uit de voorbeelden, aangehaald doorDe Sacy, Gramm. Ar., Tom. II. No800–807.↑

76Eindelijk.Woordelijkeindigend. Het Grieksche deelwoord wordt hier in het Hollandsch door een bijwoord overgezet. Dat iets dergelijks ook in andere talen, b. v. in de Arabische, plaats heeft, blijkt uit de voorbeelden, aangehaald doorDe Sacy, Gramm. Ar., Tom. II. No800–807.↑

77Namelijk om mij weer goed te maken.↑

77Namelijk om mij weer goed te maken.↑

78τὸ δαιμόνιον. Veel is over dit dæmonium getwist. Ik geloof, datSocrates, het bestuur der Voorzienigheid erkennende en overtuigd zijnde, dat hij zelf een werktuig der Voorzienigheid was, zijne onwillekeurige invallen en ook wel zijne gevoelens van sympathie en antipathie aan goddelijke ingeving toeschreef. Overigens is het bekend, datδαιμόνιονbijvoegelijk is en door het uitgelateneσημεῖονmoet verklaard worden.↑

78τὸ δαιμόνιον. Veel is over dit dæmonium getwist. Ik geloof, datSocrates, het bestuur der Voorzienigheid erkennende en overtuigd zijnde, dat hij zelf een werktuig der Voorzienigheid was, zijne onwillekeurige invallen en ook wel zijne gevoelens van sympathie en antipathie aan goddelijke ingeving toeschreef. Overigens is het bekend, datδαιμόνιονbijvoegelijk is en door het uitgelateneσημεῖονmoet verklaard worden.↑

79καὶ οὗτοι μὲν δὴοὔτως, scil.ἔχουσι. Dit toevoegsel, dat nog iets kinderlijks in den stijl schijnt te verraden, is bijHerodotusmenigvuldig, en zelfs bijAristoteles, b. v. Phys. acr. I. c. IX. 5. Hist. animm. I. c. XIV. (XVII) 9. Soph. El. XV. 18.↑

79καὶ οὗτοι μὲν δὴοὔτως, scil.ἔχουσι. Dit toevoegsel, dat nog iets kinderlijks in den stijl schijnt te verraden, is bijHerodotusmenigvuldig, en zelfs bijAristoteles, b. v. Phys. acr. I. c. IX. 5. Hist. animm. I. c. XIV. (XVII) 9. Soph. El. XV. 18.↑

80Men ziet hier weder een staaltje van het meermalen opgemerkte, dat de Grieken bevreesd waren te veel vertrouwen op eigen krachten te doen blijken.Stallbaumheeft echter goed gezien, dat hier eene vinnige ironie doorschijnt, daarSocrateste kennen geeft, dat alleen zij, die volstrekt geen fonds in zich zelven hebben, geschikte leerlingen zijn voor de Sophisten.↑

80Men ziet hier weder een staaltje van het meermalen opgemerkte, dat de Grieken bevreesd waren te veel vertrouwen op eigen krachten te doen blijken.Stallbaumheeft echter goed gezien, dat hier eene vinnige ironie doorschijnt, daarSocrateste kennen geeft, dat alleen zij, die volstrekt geen fonds in zich zelven hebben, geschikte leerlingen zijn voor de Sophisten.↑

81ἕνεκα τοῦδε—ὑποπτεύων. Hier zijn twee constructies verbonden, daar het begrip vanreden geven, dat doorἕνεκα τοῦδεwordt uitgedrukt, ook in het deelwoordὑποπτεύωνligt opgesloten. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Aanm. 6.↑

81ἕνεκα τοῦδε—ὑποπτεύων. Hier zijn twee constructies verbonden, daar het begrip vanreden geven, dat doorἕνεκα τοῦδεwordt uitgedrukt, ook in het deelwoordὑποπτεύωνligt opgesloten. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Aanm. 6.↑

82De constructie is:προθυμοῦ οὕτωςἀποκρίνασθαιἃ ἂν ἐρωτῶ ὅπως οἷόςτ’ εἶ.↑

82De constructie is:προθυμοῦ οὕτωςἀποκρίνασθαιἃ ἂν ἐρωτῶ ὅπως οἷόςτ’ εἶ.↑

83Socrateshield zich, zooals wij boven zagen, voor een werktuig der Godheid, en kon in zooverre de hem te beurt vallende miskenning als eene miskenning der Godheid beschouwen.↑

83Socrateshield zich, zooals wij boven zagen, voor een werktuig der Godheid, en kon in zooverre de hem te beurt vallende miskenning als eene miskenning der Godheid beschouwen.↑

84Ἀλλὰmoet door eene ellips verklaard worden. [Ik heb er weinig moed op] maar enz. Dergelijke ellipsen komen in de platonische dialogen telkens voor.↑

84Ἀλλὰmoet door eene ellips verklaard worden. [Ik heb er weinig moed op] maar enz. Dergelijke ellipsen komen in de platonische dialogen telkens voor.↑

85Gevoelwordt hier als algemeene uitdrukking gebezigd, om de verschillende aandoeningen der zinnen aan te wijzen. Aan zedelijk of godsdienstig gevoel wordt in het geheel niet gedacht.↑

85Gevoelwordt hier als algemeene uitdrukking gebezigd, om de verschillende aandoeningen der zinnen aan te wijzen. Aan zedelijk of godsdienstig gevoel wordt in het geheel niet gedacht.↑

86Woordelijk: of het een vruchtbaar of een windei is.↑

86Woordelijk: of het een vruchtbaar of een windei is.↑

87ἐπιστήμηis het subject,αἴσθησιςhet praedicaat. Het is eene zoogenoemde proposition nominale.↑

87ἐπιστήμηis het subject,αἴσθησιςhet praedicaat. Het is eene zoogenoemde proposition nominale.↑

88τὰ αὐτὰ ταῦτα. De gelijkheid, die inτὰ αὐτὰligt,[39]wordt door de aanwijzing inταῦταversterkt, waardoor eene beteekenis ontstaat, die omtrent met onze uitdrukking:volkomen hetzelfde, overeenkomt.↑

88τὰ αὐτὰ ταῦτα. De gelijkheid, die inτὰ αὐτὰligt,[39]wordt door de aanwijzing inταῦταversterkt, waardoor eene beteekenis ontstaat, die omtrent met onze uitdrukking:volkomen hetzelfde, overeenkomt.↑

89πουis een gevolg van de meermalen opgemerkte gewoonte derAthenersom zich zelden volkomen stellig uit te drukken. Men kan het echter ook vertalen door:ergens.↑

89πουis een gevolg van de meermalen opgemerkte gewoonte derAthenersom zich zelden volkomen stellig uit te drukken. Men kan het echter ook vertalen door:ergens.↑

90Ditἔοικενziet natuurlijk op de laatste doorSocratesgedane vraag.↑

90Ditἔοικενziet natuurlijk op de laatste doorSocratesgedane vraag.↑

91Deze zin is voluit:Αἴσθησις ἄρα ἀεί ἐστιν αἴσθησις τοῦ ὄντος κ.τ. λ.↑

91Deze zin is voluit:Αἴσθησις ἄρα ἀεί ἐστιν αἴσθησις τοῦ ὄντος κ.τ. λ.↑

92Socratesbedoelt, dat deze leer werkelijk geheel iets anders is, dan zij schijnt; namelijk, dat zij de kennis schijnt te bepalen, maar zoo zij consequent wordt doorgedacht, eigentlijk de kennis vernietigt.↑

92Socratesbedoelt, dat deze leer werkelijk geheel iets anders is, dan zij schijnt; namelijk, dat zij de kennis schijnt te bepalen, maar zoo zij consequent wordt doorgedacht, eigentlijk de kennis vernietigt.↑

93Dat hier ironie onder loopt, behoeft naauwelijks gezegd te worden.↑

93Dat hier ironie onder loopt, behoeft naauwelijks gezegd te worden.↑

94Zie blz. 44.↑

94Zie blz. 44.↑

95Parmenides, die doorPlatozeer gewaardeerd werd, was de voornaamste wijsgeer der Eleatische school, die het abstracte begrip van het zijn eenzijdig beschouwde, maar juist daardoor de noodzakelijke keerzijde daarstelde der andere rigting, die overal verandering en nergens iets blijvends zag.↑

95Parmenides, die doorPlatozeer gewaardeerd werd, was de voornaamste wijsgeer der Eleatische school, die het abstracte begrip van het zijn eenzijdig beschouwde, maar juist daardoor de noodzakelijke keerzijde daarstelde der andere rigting, die overal verandering en nergens iets blijvends zag.↑

96De constructie is:ὅτι κίνησις μὲν παρέχει τὸ δοκοῦνεἶναικαὶ τὸ γίγνεσθαι, ἡσυχία δὲ τὸ μὴ εἶναι καὶ ἀπόλλυσθαι.↑

96De constructie is:ὅτι κίνησις μὲν παρέχει τὸ δοκοῦνεἶναικαὶ τὸ γίγνεσθαι, ἡσυχία δὲ τὸ μὴ εἶναι καὶ ἀπόλλυσθαι.↑

97φορᾶς—κινήσει.κίνησιςis eene algemeene uitdrukking om alle verandering aan te duiden, zoo die van plaats, als die van toestand of hoedanigheid.Aristotelessluit het ontstaan en vergaan hiervan uit, omdatniet zijngeen toestand, maar eene ontkenning van alle toestanden is, en alle beweging van een punt tot een ander gaan moet. Phys. ausc. V. c. II. In het vervolg zal ik gedwongen zijnκίνησιςdoorbewegingte vertalen, daar er dan zulke eigenschappen aan worden toegekend, die alleen van beweging in de ruimte kunnen gezegd worden.↑

97φορᾶς—κινήσει.κίνησιςis eene algemeene uitdrukking om alle verandering aan te duiden, zoo die van plaats, als die van toestand of hoedanigheid.Aristotelessluit het ontstaan en vergaan hiervan uit, omdatniet zijngeen toestand, maar eene ontkenning van alle toestanden is, en alle beweging van een punt tot een ander gaan moet. Phys. ausc. V. c. II. In het vervolg zal ik gedwongen zijnκίνησιςdoorbewegingte vertalen, daar er dan zulke eigenschappen aan worden toegekend, die alleen van beweging in de ruimte kunnen gezegd worden.↑

98τί δέwordt gezegd, wanneer een nieuw bewijs wordt aangevoerd.↑

98τί δέwordt gezegd, wanneer een nieuw bewijs wordt aangevoerd.↑

99ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξιςis hier eigenlijk hetzelfde alsψυχὴ, dochPlatoschijnt dit woord verkozen te hebben, omdat de ziel door dit alles wel in eenen meer of minder goeden toestand komt, maar echter niet ontstaat of vergaat. Met dat al is het echter niet juist te zeggen:ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξις κτᾶται κ. τ. λ.↑

99ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξιςis hier eigenlijk hetzelfde alsψυχὴ, dochPlatoschijnt dit woord verkozen te hebben, omdat de ziel door dit alles wel in eenen meer of minder goeden toestand komt, maar echter niet ontstaat of vergaat. Met dat al is het echter niet juist te zeggen:ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξις κτᾶται κ. τ. λ.↑

100ἐπιλανθάνεται. Inἐπιligt het denkbeeld vandaarenboven.↑

100ἐπιλανθάνεται. Inἐπιligt het denkbeeld vandaarenboven.↑

101Deze zin is voluit:Τὸ μὲν ἄρα ἀγαθὸν κατά τε ψυχὴν καὶκατὰσῶμά ἐστι κινησίς, τὸ δὲ[κακὸν ἐστι]τοὐναντίον[κινήσεως].↑

101Deze zin is voluit:Τὸ μὲν ἄρα ἀγαθὸν κατά τε ψυχὴν καὶκατὰσῶμά ἐστι κινησίς, τὸ δὲ[κακὸν ἐστι]τοὐναντίον[κινήσεως].↑

102voorἀναγκάζωmoet gelezen wordenἀνάγωin den conjunctivus.ἀναγκάζωkan hier niet in de beteekenis vandoor klem van redenen betoogengenomen worden, daar het bijκολοφῶνα, niet bijπροσβιβάζωνbehoort.↑

102voorἀναγκάζωmoet gelezen wordenἀνάγωin den conjunctivus.ἀναγκάζωkan hier niet in de beteekenis vandoor klem van redenen betoogengenomen worden, daar het bijκολοφῶνα, niet bijπροσβιβάζωνbehoort.↑

103Hier wordt gespot met hen, die alle wijsheid inHomerusmeenden te vinden, en elk zijne theorie met plaatsen uit dien dichter wilden bewijzen. De hier aangehaalde plaats staat: Il. VIII. vs. 18–27, waarZeusde Goden uitdaagt, om eene gouden keten van den hemel te hangen, waaraan zij van onderen en hij van boven zoude trekken, met dat gevolg, dat hij hen allen benevens[44]de aarde en de zee zou naar boven halen. Het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat in de aangehaalde plaats niets van de gemelde theorie gelezen wordt.↑

103Hier wordt gespot met hen, die alle wijsheid inHomerusmeenden te vinden, en elk zijne theorie met plaatsen uit dien dichter wilden bewijzen. De hier aangehaalde plaats staat: Il. VIII. vs. 18–27, waarZeusde Goden uitdaagt, om eene gouden keten van den hemel te hangen, waaraan zij van onderen en hij van boven zoude trekken, met dat gevolg, dat hij hen allen benevens[44]de aarde en de zee zou naar boven halen. Het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat in de aangehaalde plaats niets van de gemelde theorie gelezen wordt.↑

104προσήκεινbeteekent eigenlijk:aankomen, maar hier denke men aan de beweging, die op die kleur aankomt, dat is: die er mede overeenstemt.↑

104προσήκεινbeteekent eigenlijk:aankomen, maar hier denke men aan de beweging, die op die kleur aankomt, dat is: die er mede overeenstemt.↑

105Namelijk groot, of wit, of warm, enz.↑

105Namelijk groot, of wit, of warm, enz.↑

106De zin is: daar ieder op zijne wijs de eigenschappen der dingen beoordeelt, en ieder op verschillende tijden dezelfde zaak anders beschouwt, zoo blijkt het, dat die eigenschappen niet in de zaak liggen, maar het product zijn van de zaken en onzen toestand, zoodat zij door het veranderen van eenen dier factoren kunnen gewijzigd worden, ook al ondergaat de andere factor geene verandering.↑

106De zin is: daar ieder op zijne wijs de eigenschappen der dingen beoordeelt, en ieder op verschillende tijden dezelfde zaak anders beschouwt, zoo blijkt het, dat die eigenschappen niet in de zaak liggen, maar het product zijn van de zaken en onzen toestand, zoodat zij door het veranderen van eenen dier factoren kunnen gewijzigd worden, ook al ondergaat de andere factor geene verandering.↑

107Wij zeggen niet:neem een voorbeeld, maar:ik zal u een voorbeeld geven, welk laatste met het eerste op hetzelfde neêrkomt, hoewel het de zaak van de kant van den gever, niet van hem, aan wien gegeven wordt, beschouwt.↑

107Wij zeggen niet:neem een voorbeeld, maar:ik zal u een voorbeeld geven, welk laatste met het eerste op hetzelfde neêrkomt, hoewel het de zaak van de kant van den gever, niet van hem, aan wien gegeven wordt, beschouwt.↑

108In de hier voorkomende redenering is eene fout, daaruit ontstaande, dat het onderscheid tusschen zelfstandige begrippen en betrekkingsbegrippen wordt over het hoofd gezien. Alle begrippen, die eene betrekking uitdrukken, kunnen als het product van twee factoren beschouwd worden, en zijn daarom, zoodra de eene factor veranderd wordt, zelve aan verandering onderhevig. Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 123. (1).↑

108In de hier voorkomende redenering is eene fout, daaruit ontstaande, dat het onderscheid tusschen zelfstandige begrippen en betrekkingsbegrippen wordt over het hoofd gezien. Alle begrippen, die eene betrekking uitdrukken, kunnen als het product van twee factoren beschouwd worden, en zijn daarom, zoodra de eene factor veranderd wordt, zelve aan verandering onderhevig. Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 123. (1).↑

109Dit antwoord is alleen uit de daareven aangewezene verwarring te verklaren: groot en klein zijn afhankelijk van twee zaken, die met elkander vergeleken worden. Zoodra de eene verandert, verandert ook het groote en kleine, zonder dat de andere iets behoeft te ondergaan.↑

109Dit antwoord is alleen uit de daareven aangewezene verwarring te verklaren: groot en klein zijn afhankelijk van twee zaken, die met elkander vergeleken worden. Zoodra de eene verandert, verandert ook het groote en kleine, zonder dat de andere iets behoeft te ondergaan.↑

110Euripideswerd door de Grieken zeer bewonderd, en als de treurspeldichter bij uitnemendheid beschouwd, hoewel hij tegenwoordig lager dan zijne twee voorgangers gesteld wordt.Aristophanesechter bespot zijn jagt maken op effect en pathetische uitdrukking, enPlatobestrijdt[47]van tijd tot tijd de immorele rigting, die in zijne schriften wel eens voorkomt. De hier bedoelde plaats is te vinden Hippolitus vs. 612. waar wij lezen:„De tong heeft gezworen, maar de geest nam geen deel aan den eed.”↑

110Euripideswerd door de Grieken zeer bewonderd, en als de treurspeldichter bij uitnemendheid beschouwd, hoewel hij tegenwoordig lager dan zijne twee voorgangers gesteld wordt.Aristophanesechter bespot zijn jagt maken op effect en pathetische uitdrukking, enPlatobestrijdt[47]van tijd tot tijd de immorele rigting, die in zijne schriften wel eens voorkomt. De hier bedoelde plaats is te vinden Hippolitus vs. 612. waar wij lezen:

„De tong heeft gezworen, maar de geest nam geen deel aan den eed.”↑

111Dat is: door iets ongerijmds toe te stemmen, kunnen wij er ons doorpraten, hoewel wij zelve zeer goed inzien, dat de vraag eigentlijk eene grondige tegenwerping behelst.↑

111Dat is: door iets ongerijmds toe te stemmen, kunnen wij er ons doorpraten, hoewel wij zelve zeer goed inzien, dat de vraag eigentlijk eene grondige tegenwerping behelst.↑

112δεινὸςwordt doorPlatovooral van de sophisten gezegd, die zich overal wisten door te praten.↑

112δεινὸςwordt doorPlatovooral van de sophisten gezegd, die zich overal wisten door te praten.↑

113Deze periode verklaar ik aldus:Πάντα τὰ τῶν φρενῶν ἐξητακότεςziet op het vorige:ἡδὲφρὴν οὐκ ἀνέλεγκτος. Het perfectumἐξητακότεςbeteekent dan hetgeen volmaakt verleden en dus afgedaan is, waar dus niet meer naar onderzocht wordt.βουλησόμεθα—διανοούμεθα. Dit is eigentlijk voluit:βουλησόμεθα θεάσασθαι ἐκεῖνα ἃ διανοούμεθα αὐτὰ πρὸς αὑτὰ τί ποτ’ ἐστὶν. Verder isἡμῖνde dativus ethicus, enἀλλήλοιςbehoort niet bijἡμῖν, maar ziet opἃ διανοούμεθαen hangt af vanξυμφωνεῖ.↑

113Deze periode verklaar ik aldus:Πάντα τὰ τῶν φρενῶν ἐξητακότεςziet op het vorige:ἡδὲφρὴν οὐκ ἀνέλεγκτος. Het perfectumἐξητακότεςbeteekent dan hetgeen volmaakt verleden en dus afgedaan is, waar dus niet meer naar onderzocht wordt.βουλησόμεθα—διανοούμεθα. Dit is eigentlijk voluit:βουλησόμεθα θεάσασθαι ἐκεῖνα ἃ διανοούμεθα αὐτὰ πρὸς αὑτὰ τί ποτ’ ἐστὶν. Verder isἡμῖνde dativus ethicus, enἀλλήλοιςbehoort niet bijἡμῖν, maar ziet opἃ διανοούμεθαen hangt af vanξυμφωνεῖ.↑

114Namelijk die tegenstrijdigheden, waarin wij onwillekeurig vervallen zijn.↑

114Namelijk die tegenstrijdigheden, waarin wij onwillekeurig vervallen zijn.↑

115Het komt mij voor, dat alleenγενέσθαιofγίγνεσθαιis goed te keuren, en dat, toen het ééne, (namelijkγενέσθαι) in sommige handschriften inγίγνεσθαιveranderd was, beide lezingen in den gewonen tekst zijn opgenomen en doorκαὶverbonden. Nu verkies ikγενέσθαιbovenγίγνεσθαι, omdat de Grieken gewoonlijk vrij naauwkeurig de verhouding der verschillende tijden uitdrukten, en het worden het bestaan voorafgaat, waarom het hier door eenen verledenen tijd moet worden uitgedrukt.↑

115Het komt mij voor, dat alleenγενέσθαιofγίγνεσθαιis goed te keuren, en dat, toen het ééne, (namelijkγενέσθαι) in sommige handschriften inγίγνεσθαιveranderd was, beide lezingen in den gewonen tekst zijn opgenomen en doorκαὶverbonden. Nu verkies ikγενέσθαιbovenγίγνεσθαι, omdat de Grieken gewoonlijk vrij naauwkeurig de verhouding der verschillende tijden uitdrukten, en het worden het bestaan voorafgaat, waarom het hier door eenen verledenen tijd moet worden uitgedrukt.↑

116Eigentlijk moestSocratesgezegd hebben: En van oneindig vele andere dingen zullen wij hetzelfde moeten zeggen, daar de toestand dier dingen niet van hunne redekaveling afhing, maar wel hun vinden van dezelve.↑

116Eigentlijk moestSocratesgezegd hebben: En van oneindig vele andere dingen zullen wij hetzelfde moeten zeggen, daar de toestand dier dingen niet van hunne redekaveling afhing, maar wel hun vinden van dezelve.↑

117μάλαmoet bij het uitgelatene werkwoordἐστιgevoegd worden, zoodat dan hier gedrukt wordt op het toekomen van deze aandoening aan den wijsgeer.↑

117μάλαmoet bij het uitgelatene werkwoordἐστιgevoegd worden, zoodat dan hier gedrukt wordt op het toekomen van deze aandoening aan den wijsgeer.↑

118Hier wordt niet de objective, maar de subjective grond der wijsbegeerte bedoeld. Niet de grond, waaruit moet bewezen worden, ook niet het eerste punt, waarvan het wijsgeerig onderzoek uitgaat, maar de oorzaak, waardoor de lust naar onderzoek wordt opgewekt, is hetgeen hier bedoeld wordt. Zie Aristot.Metaph.I. cap. II.↑

118Hier wordt niet de objective, maar de subjective grond der wijsbegeerte bedoeld. Niet de grond, waaruit moet bewezen worden, ook niet het eerste punt, waarvan het wijsgeerig onderzoek uitgaat, maar de oorzaak, waardoor de lust naar onderzoek wordt opgewekt, is hetgeen hier bedoeld wordt. Zie Aristot.Metaph.I. cap. II.↑

119Dit is een staaltje van de allegorische verklaring der oude mythologie, dat echter doorPlatoslechts als rhetorisch sieraad gebezigd wordt.Irisis de bodesse der Goden, dus de Godin, die aan de menschen bekend maakt, wat in den Hemel besloten is, en als zoodanig wordt zij hier als persoonsverbeelding der wijsbegeerte gebezigd. De woordspeling metΘαύμαςenθαυμάζωvalt genoeg in het oog. Het is, als zeiden wij: die de bodes der Goden de dochter der verwondering noemde.↑

119Dit is een staaltje van de allegorische verklaring der oude mythologie, dat echter doorPlatoslechts als rhetorisch sieraad gebezigd wordt.Irisis de bodesse der Goden, dus de Godin, die aan de menschen bekend maakt, wat in den Hemel besloten is, en als zoodanig wordt zij hier als persoonsverbeelding der wijsbegeerte gebezigd. De woordspeling metΘαύμαςenθαυμάζωvalt genoeg in het oog. Het is, als zeiden wij: die de bodes der Goden de dochter der verwondering noemde.↑

120Men ziet, dat hier de apagogische bewijstrant gebezigd wordt, die daarin bestaat, dat men zoekt te bewijzen, dat de stelling der tegenpartij tot ongerijmde gevolgtrekking leiden moet. ZieNieuwenhuis, Inst. Phil. Log. § 147. 4. blz. 366.↑

120Men ziet, dat hier de apagogische bewijstrant gebezigd wordt, die daarin bestaat, dat men zoekt te bewijzen, dat de stelling der tegenpartij tot ongerijmde gevolgtrekking leiden moet. ZieNieuwenhuis, Inst. Phil. Log. § 147. 4. blz. 366.↑

121αὐτῶνstaat hier eigentlijk geheel overtollig, doch dit gebruik van het voornaamwoord is in het Grieksch zeer gewoon. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 472. 1. b.↑

121αὐτῶνstaat hier eigentlijk geheel overtollig, doch dit gebruik van het voornaamwoord is in het Grieksch zeer gewoon. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 472. 1. b.↑

122Hier wordt waarschijnlijk de school vanLeucippus[51]enDemocritusbedoeld, die als echte materialisten geene andere beginsels dan de atomen en de ledige ruimte erkenden, en daaruit het ontstaan der wereld voldoende meenden te kunnen verklaren. (ZieBrandis,Handbuch. I. § LX. blz. 294. volgg.).Platobehandelt deze leer overal met veel verachting, maar bestrijdt ze nergens uitdrukkelijk; hoewel juist zij zijne ergste vijandin was. (ZieHermann, Gesch. u. Syst. der Platon. Phil. I. blz. 152. volgg.) Met dat al is het wel slagen van zijne weêrlegging vanProtagoraseigentlijk te gelijk eene weêrlegging vanDemocriet, daar het bestaan van den geest als hoogere, boven de zinnelijkheid verhevene kenbron, die in staat is het algemeene te bevatten, de onvolledigheid der atomistiek voldoende doet uitkomen. Daarom was, zooalsKrausezeer juist opmerkt (Zie Grundwahrheiten, blz. 264. volgg.),Democrietdoor zijn redekavelen over oorzaken en beginselen, die niet in de onmiddellijke waarneming gegeven zijn, eigenlijk reeds practisch zijn eigen standpunt te boven gekomen.↑

122Hier wordt waarschijnlijk de school vanLeucippus[51]enDemocritusbedoeld, die als echte materialisten geene andere beginsels dan de atomen en de ledige ruimte erkenden, en daaruit het ontstaan der wereld voldoende meenden te kunnen verklaren. (ZieBrandis,Handbuch. I. § LX. blz. 294. volgg.).Platobehandelt deze leer overal met veel verachting, maar bestrijdt ze nergens uitdrukkelijk; hoewel juist zij zijne ergste vijandin was. (ZieHermann, Gesch. u. Syst. der Platon. Phil. I. blz. 152. volgg.) Met dat al is het wel slagen van zijne weêrlegging vanProtagoraseigentlijk te gelijk eene weêrlegging vanDemocriet, daar het bestaan van den geest als hoogere, boven de zinnelijkheid verhevene kenbron, die in staat is het algemeene te bevatten, de onvolledigheid der atomistiek voldoende doet uitkomen. Daarom was, zooalsKrausezeer juist opmerkt (Zie Grundwahrheiten, blz. 264. volgg.),Democrietdoor zijn redekavelen over oorzaken en beginselen, die niet in de onmiddellijke waarneming gegeven zijn, eigenlijk reeds practisch zijn eigen standpunt te boven gekomen.↑


Back to IndexNext