Chapter 11

123Hoofdst. VIII–X.↑124ἦνschijnt hier ten gevalle van de consecutio temporum wegens het voorgaandeἐλέγομενgezegd te zijn. Deze soort van constructie komt ook bijCicerodikwijls voor, b. v. Tusc. Quaest. I. § 81. Zij is logisch geenszins goed te keuren, daar in dezelve de vorm der woorden meer wordt in het oog gehouden, dan de begrippen, die er door worden uitgedrukt. Dit blijkt vooral bij uitdrukkingen als deze, waar in de woordenὡς τὸ πᾶν κίνησις ἦνgeene historische zaak, maar eene uitspraak, die als eeuwige waarheid werd voorgedragen, wordt uitgedrukt.↑125Dat is: hoe vele onderdeelen iedere soort ook bevat, de twee kenmerken van doen en lijden maken het hoofdkarakter uit, waardoor die twee rigtingen in al hunne onderdeelen genoegzaam zijn onderscheiden.↑126κεκλημέναιstaat hier eigentlijk overbodig, maar is welligt doorPlatogebezigd, om al die namen van gevoelsaandoeningen in den nominativus te kunnen laten.↑127ὁμόγονονscil.ἐστι.↑128In mijne dissertatie heb ik de gissing geopperd, dat achterπως,ἐπειδὰνmoet ingevoegd worden, en ik meen ook nu die gissing te moeten behouden.↑129Dit is eene der vele spreekwijzen, die het Grieksch met onze taal gemeen heeft.↑130ἐν τῷ αὐτῷscil.τόπῳ.↑131Zie blz. 42, (1)↑132Iets zigtbaars.↑133Van het oog isἔμπλεως ἐγένετο, en van de zaak[54]περιεπλήσθηgezegd, om aan te duiden, dat de witheid niet in de zaak is, maar haarvan buitenomgeeft, terwijl zij daarentegen in het oog gevonden wordt. Wij vinden hier de leer, dat de zaken op zich zelve onkenbaar zijn, daar wij alleen de indrukken op onze zintuigen waarnemen, en niet in staat zijn, die met haar voorwerp te vergelijken.↑134εἶναιstaat voorἐξεῖναι, welke infinitivus vanὑποληπτέονafhangt. Verder moet het adverbiumπαγίωςmetνοῆσαιverbonden worden.↑135ἀλλά τινι αἰεὶ γίγνεσθαι.Stallbaummerkt te regt aan, dat achterἀλλὰuit het voorgaandeοὐδὲν, πάνταofἑκάστουin de gedachte moet ingevoegd worden.↑136Vanοὐχ ὅτιzegtMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 624. 4: „Ook staatοὐχ ὅτιbijPlatovaak, om aan te toonen,[55]dat men wel iets vermeldt, maar toch niet wil in aanmerking nemen, waar in het Latijnquamquamna den hoofdzin gezet wordt, eigenlijk: ik wil niet zeggen—dat. Ook beteekent het:alhoewel; zieProtag.p. 336. D.”↑137Hier moet uit het vorigeοὐ δεῖalleenδεῖworden bijgedacht.↑138κατὰ μέροςbeteekent hier nietgedeeltelijk, maar:naar het hem bescheiden deel, afzonderlijk. Ik geloof, om de tegenstelling tegenπολλῶνἀθροισθέντωνen de aangehaalde voorbeelden, dat met datκατὰ μέροςde atomen of de elementen bedoeld worden.↑139Deze trek is karakteristiek. Wij zien hier eene duidelijke voorstelling van deobjectiviteitvanSocrates, die de gaaf had, de zaak zich zelve te laten ontwikkelen, zonder dat zijne eigene meening op den voorgrond kwam.↑140Deze voorbeelden zijn niet willekeurig gekozen, maar duiden bepaaldelijk de ideën aan, die, zooals bekend is, doorPlatoals boven de verandering en het worden verheven, beschouwd werden.↑141τῶν τε ἄλλων καὶ μανίας. Hier wordt de krankzinnigheid op den voorgrond geplaatst, daar zij alleen bij haren naam genoemd wordt, en alle andere ziekten onder de algemeene uitdrukkingτῶν τε ἄλλωνbegrepen worden. Het doel hiervan is dit, dat nergens de dwaasheid der leer vanProtagorasmeer uitkwam, dan juist bij de krankzinnigheid.↑142παρακούειν—παρορᾷν—παραισθάνεσθαι. Dit gebruik vanπαρὰis, meen ik, ontleend van boogschutters, die nietin, maarnaasthet doel raken. Overigens is de hier voorkomende uitdrukking niet volkomen juist, daar niet de ziekte verkeerd waarneemt, maar wel hij, die er door getroffen is.↑143λόγοςis een van die woorden, die voor velerlei uitlegging vatbaar zijn. Alle beteekenissen van dit woord schijnen echter uit de grondbeteekenis:gezegdete kunnen afgeleid worden. De Oostersch Grieksche beteekenis van het woordλόγος, waarin het bij voorbeeld doorPhilo Judaeusgenomen wordt, en de opperste emanatie uit de Godheid beteekent, komt, zoo ver mij bekend is, nergens bijPlatovoor. Zij heeft haren grond in eene wijsbegeerte, die, zonder geest van onderscheid te werk gaande, en denkbeelden uit geheel verschillende bronnen afgeleid, door elkander halende, aan het door God gezegde, als een op zich zelf bestaand wezen, een afzonderlijk bestaan toekende.↑144ὄναρenὕπαρstaan, geloof ik, in den accusativus en worden als bijwoorden gebruikt. Wij zouden het vrij woordelijk aldus kunnen uitdrukken: „vooral over de [uitdrukkingen]:in den droom, enin wakenden toestand.” Overigens is het bekend, datPlatoτὸ τοιόνδεzegt, wanneer hij een nieuw voorbeeld of nieuw bewijs gaat mededeelen.↑145ὅhangt vanἐρωτώντων, dit laatste vanἀκηκοέναιaf.↑146ἐν τῷ ἐνυπνίῳ. Er is eene andere lezing:ἐν τῷ ὕπνῳ, die ik boven de lezing van den tekst verkies, omdatslaapeenen algemeenen toestand uitdrukt, maarἐνύπνιονmeer een enkel droomgezigt beteekent. Wil men het laatste houden, dan moet het lidwoord wegvallen.↑147τούτων ἐκείνοις. Ik geloof, datτούτωνopὄναρ, ἐκείνοιςopὕπαρziet, maar beiden per attractionem wegens het naast voorgaandeὀνείραταin plurali staan. (Buttm., Gr. Gr. § 151.)↑148Dat is: geldt het niet evenzoo van ziekte of krankzinnigheid, dat de zieke of krankzinnige zijne meening, hoe veel die ook van die des gezonden of verstandigen verschille, voor ontwijfelbaar waar houdt? Het onderscheid is hier alleen dit, dat de tijd van waken en die van slapen ongeveer gelijk is, maar de duur van ziekte of krankzinnigheid gewoonlijk veel korter is, dan die van den gezonden toestand.↑149Dat is: hangt de waarheid eener stelling af van den duur des tijds, waarin zij als waar wordt aangenomen?↑150τὰ δοκοῦντα—τῷ δοκοῦντι. Hier wordtδοκέωte gelijk in de beteekenis vanschijnenen vanmeenengenomen, iets, dat ik niet kan goedkeuren, daar het aan de duidelijkheid in den weg staat. Over het geheel isPlatoniet vast in zijne terminologie, en gebruikt hij hetzelfde woord dikwijls in verschillende beteekenissen, of drukt ook wel hetzelfde denkbeeld door verschillende woorden uit. Dit blijkt onder anderen uit het gebruik der woordenεἶδοςenἰδέαin hoofdst. XL en XLI.↑151Zie hoofdst. XII.↑152καὶwordt ook gebruikt om twee woorden te verbinden, waarvan het tweede hetzelfde begrip als het eerste, maar sterker uitdrukt. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 620. 1. e.↑153Ἀνάγκηstaat in den nominativus, want het is eigenlijk per ellipsin geschreven voorἀνάγκη ἔστι τοῦτο οὕτως εἶναι.↑154Namelijk dat iemand in slapenden toestand, voor zoo ver de toestand verschilt, een ander is, dan iemand in wakenden toestand.↑155ἀπειργάσατο. De aor. beteekent hier weder, gelijk zoo dikwijls, het gewoonlijk plaats hebben der handeling.↑156ἄλλο τιstaat per ellipsin voorἄλλο τι ἤ, dat, in eene vraag geplaatst, dient om het gevraagde te bevestigen. De zin is dan voluit:Is het iets anders dan?waarop het antwoord verwacht wordt:Wel neen! maar juist dit.↑157γιγνομένην καὶ φερομένην. γιγνομένηνis zeer duidelijk, want daarmede wordt te kennen gegeven, dat de bitterheid eerst op het oogenblik der aanraking tusschen de tong en den wijn ontstaat; maar wat isφερομένην? Ik geloof, dat het tekennengeeft, dat die bitterheid geene blijvende eigenschap is, maar bloot eene voorbijgaande aandoening.↑158Hier is eene verbetering noodig, daar de woorden, zoo als zij nu staan, geenen gezonden zin opleveren, en gemakkelijk te verhelpen zijn. Men leze door eenvoudige transpositie:Οὔκουν ἐγώ τε οὐδὲν ἄλλο αἰσθανόμενος γενήσομαι οὕτως: en alles zal in orde zijn, gelijk, naar ik hoop, uit de vertaling blijkt. Heeft iemand zwarigheid in het plaatsen vanοὕτωςalleen achterγενήσομαι, dan blijft nog over alles te laten zoo als het is, en alleen achterἄλλο,αἰσθανόμενοςte schrijven, waardoor dezelfde zin verkregen wordt.↑159Stallbaumzegt naar waarheid, datτὸ ἐμὲ ποιοῦνbeteekent:hetgeen mij aandoet, maar hij verzuimt de reden van die vertaling te geven. Ik zoek ze daarin, dat hierαἰσθανόμενονin de gedachte moet ingelascht worden, gelijk op blz. 159 E uitἐγεννησάτηνbijκαὶ τὸν μέν—αἰσθανόμενονin de gedachteποιεῖτονmoet ingevoegd worden.↑160Alle gevoel is eene betrekking, die alleen kan plaats hebben, waar de twee leden aanwezig zijn.↑161Namelijk ik en de wijn, of in het algemeen de voelende en het gevoelde.↑162Voelendis iemand door iets te voelen;gevoeldis ietsdoor iemandgevoeld te worden. Dus vorderen deze twee begrippen elkander wederkeerig, en het ééne is zonder het andere ongerijmd.↑163πρός τι. Het verband vordert hier:πρός τινα, tenzij[65]men aanneme, datPlatohier het geval zoo algemeen mogelijk stelt, en met dat zijn en worden, het zijn of worden van het gevoelde, zoowel als van den voelende, te kennen geeft.↑164D. i. het gevoel, voor zoover het onze verhouding tot de dingen aangaat, is ontwijfelbaar, en bezit dus al de vereischten, om als zekere kennis aangemerkt te worden.↑165D. i. dat dan daaruit volgt, dat het gevoel kennis is. Hier is subject en praedicaat omgezet, en te regt, want al is alle gevoel kennis, dan volgt nog niet, dat daarom alle kennis gevoel is. Het is eene zoogenaamdeconversio per accidens. ZieNieuwenhuis,Initia PhilosophiaeLogicae. p. 184. 13.↑166InAthenewerd 5 dagen na de geboorte het jonge kind door de vroedvrouw rond den haard gedragen.↑167De vader kon bij de Grieken weigeren, zijne kinderen op te voeden, en ze te vondeling leggen, hetgeen natuurlijk meest met zwakke of mismaakte kinderen plaats had. De Thebanen maakten hier eene uitzondering.↑168ὅτι με οἴει λόγων τινὰ εἶναι θύλακον. Hier moet óf niets veranderd worden, óf voorεἶναι ἔχεινgelezen. De gissing vanStallbaum, dievoorμε μοιwil lezen, kan ik geenszins goedkeuren, daar dan de accusativusἐξελόνταbezwaarlijk te verklaren is.↑169λόγον λαβεῖν. Hierin is, geloof ik, met voordacht eenige dubbelzinnigheid, daarλόγοςookrekenschapbeteekent, en zij, die metSocratesredekavelden, er meest ongelukkig afkwamen.↑170Een zeer beroemd geschrift vanProtagoras, doch hetgeen hem en zijne leer teAthenedeed veroordeelen, daar hij het bestaan der Goden daarin als geheel twijfelachtig voorstelde. Zie de inleiding.↑171ἐθαυμάζομενis zeer naauwkeurig gesproken. Wij bewonderden hem, voordat wij het hier vermelde inzagen, maar nu niet langer.↑172ἄλλου τουbeteekent natuurlijk een ander danProtagoraszelf.↑173ἔσται—διακρινεῖenz. Deze futura geven te kennen, dat de zaak nog niet is uitgemaakt, en dat ons voor waar houden derzelve nog van de toekomstigeredekavelingafhangt. De stelling in quaestie is óf eeuwig waar, óf eeuwig onwaar. Zij staat buiten den tijd, en ons voor waar houden is op het oogenblik nog toekomstig.↑174ὀρθὰ. Een muur, die regtop staat, maakt een’ regten hoek met den grond, zoo die [gelijk verondersteld wordt] waterpas is. Dus is de muur in den haak, wanthaakbeteekent in onze spreekwijs eenen houten regten hoek, dien de timmerlieden en metselaars bezigen, om te onderzoeken, of de gegevene hoeken regt zijn.↑175φοιτητέον, φοιτᾶνenφοιτήτηςwordt bepaaldelijk van leerlingen gezegd, even als het latijnscheaudireenauditor. ZiePlato, Rep. VIII. p. 563.A.↑176φαντασίαbeteekent eigenlijk al wat dan iemand toeschijnt, zoowel door verbeeldingskracht, als door de aandoeningen der zinnen, of de eene of andere meening (ZiePlatoSophist. p. 264. A.).↑177Eigenlijk: eenelange en breedeijdelheid.↑178ἀντιτείνεινhangt af vanδεξαίμην, dat bijοὐδ’ αὖuit het vorige moet bijgedacht worden.↑179De zin is deze: teLacedaemonmoest men bij die oefeningen meêdoen of heengaan, maar mogt niet de anderen staan uitlagchen, zonder zich aan hetzelfde bloot te stellen. Dit wordt op het redekavelen toegepast.SocrateslaatTheodorusvoelen, dat het niet billijk zou wezen, zoo hij zich onzijdig hield, in plaats van mede te doen. Men ziet hier denzelfden geest doorstralen, als in de bepaling vanSolon, dat in openbare twisten ieder partij moest kiezen.↑180διέρχομαι, δίειμι, διεξέρχομαι, διέξειμιworden bijPlatogebezigd van het geregeld uiteenzetten eener redekaveling, waarbij verschillende punten achtereenvolgens in aanmerking komen.↑181τοὐναντίον. Ik geloof, dat hierεἰς τοὐναντίονmoet gelezen worden.↑182Ik vind hier geene bijzondere kracht inδημηγορία, maar de uitdrukking houd ik voor een spreekwoord, ontleend aan de openbare vergaderingen, waar dit woord oorspronkelijk te huis is. Overigens wordt hier dezelfde fout berispt, die zoo velen begaan, en waarvanZschokkein zijnLeven, denken en werkenzich zelven beschuldigt, namelijk, het altijd koesteren van dezelfde meening als de laatste verhandeling, die men gehoord of gelezen heeft.↑183Gij sluit u aan de gangbare meeningen aan, waardoor gij de menigte voor uw gevoelen wint, en mij bespottelijk maakt, zonder dat zulk eene manier van doen eigentlijk iets goeds kan voor den dag brengen.↑184πιθανολογίαkan hier niet veel anders beteekenen, dan het bezigen vanargumenta ad hominem, dat is van zulke bewijzen, die niet door de kracht der waarheid, maar door het voortbouwen op iemands bijzondere denkwijs, overreding zoeken te weeg te brengen.↑

123Hoofdst. VIII–X.↑124ἦνschijnt hier ten gevalle van de consecutio temporum wegens het voorgaandeἐλέγομενgezegd te zijn. Deze soort van constructie komt ook bijCicerodikwijls voor, b. v. Tusc. Quaest. I. § 81. Zij is logisch geenszins goed te keuren, daar in dezelve de vorm der woorden meer wordt in het oog gehouden, dan de begrippen, die er door worden uitgedrukt. Dit blijkt vooral bij uitdrukkingen als deze, waar in de woordenὡς τὸ πᾶν κίνησις ἦνgeene historische zaak, maar eene uitspraak, die als eeuwige waarheid werd voorgedragen, wordt uitgedrukt.↑125Dat is: hoe vele onderdeelen iedere soort ook bevat, de twee kenmerken van doen en lijden maken het hoofdkarakter uit, waardoor die twee rigtingen in al hunne onderdeelen genoegzaam zijn onderscheiden.↑126κεκλημέναιstaat hier eigentlijk overbodig, maar is welligt doorPlatogebezigd, om al die namen van gevoelsaandoeningen in den nominativus te kunnen laten.↑127ὁμόγονονscil.ἐστι.↑128In mijne dissertatie heb ik de gissing geopperd, dat achterπως,ἐπειδὰνmoet ingevoegd worden, en ik meen ook nu die gissing te moeten behouden.↑129Dit is eene der vele spreekwijzen, die het Grieksch met onze taal gemeen heeft.↑130ἐν τῷ αὐτῷscil.τόπῳ.↑131Zie blz. 42, (1)↑132Iets zigtbaars.↑133Van het oog isἔμπλεως ἐγένετο, en van de zaak[54]περιεπλήσθηgezegd, om aan te duiden, dat de witheid niet in de zaak is, maar haarvan buitenomgeeft, terwijl zij daarentegen in het oog gevonden wordt. Wij vinden hier de leer, dat de zaken op zich zelve onkenbaar zijn, daar wij alleen de indrukken op onze zintuigen waarnemen, en niet in staat zijn, die met haar voorwerp te vergelijken.↑134εἶναιstaat voorἐξεῖναι, welke infinitivus vanὑποληπτέονafhangt. Verder moet het adverbiumπαγίωςmetνοῆσαιverbonden worden.↑135ἀλλά τινι αἰεὶ γίγνεσθαι.Stallbaummerkt te regt aan, dat achterἀλλὰuit het voorgaandeοὐδὲν, πάνταofἑκάστουin de gedachte moet ingevoegd worden.↑136Vanοὐχ ὅτιzegtMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 624. 4: „Ook staatοὐχ ὅτιbijPlatovaak, om aan te toonen,[55]dat men wel iets vermeldt, maar toch niet wil in aanmerking nemen, waar in het Latijnquamquamna den hoofdzin gezet wordt, eigenlijk: ik wil niet zeggen—dat. Ook beteekent het:alhoewel; zieProtag.p. 336. D.”↑137Hier moet uit het vorigeοὐ δεῖalleenδεῖworden bijgedacht.↑138κατὰ μέροςbeteekent hier nietgedeeltelijk, maar:naar het hem bescheiden deel, afzonderlijk. Ik geloof, om de tegenstelling tegenπολλῶνἀθροισθέντωνen de aangehaalde voorbeelden, dat met datκατὰ μέροςde atomen of de elementen bedoeld worden.↑139Deze trek is karakteristiek. Wij zien hier eene duidelijke voorstelling van deobjectiviteitvanSocrates, die de gaaf had, de zaak zich zelve te laten ontwikkelen, zonder dat zijne eigene meening op den voorgrond kwam.↑140Deze voorbeelden zijn niet willekeurig gekozen, maar duiden bepaaldelijk de ideën aan, die, zooals bekend is, doorPlatoals boven de verandering en het worden verheven, beschouwd werden.↑141τῶν τε ἄλλων καὶ μανίας. Hier wordt de krankzinnigheid op den voorgrond geplaatst, daar zij alleen bij haren naam genoemd wordt, en alle andere ziekten onder de algemeene uitdrukkingτῶν τε ἄλλωνbegrepen worden. Het doel hiervan is dit, dat nergens de dwaasheid der leer vanProtagorasmeer uitkwam, dan juist bij de krankzinnigheid.↑142παρακούειν—παρορᾷν—παραισθάνεσθαι. Dit gebruik vanπαρὰis, meen ik, ontleend van boogschutters, die nietin, maarnaasthet doel raken. Overigens is de hier voorkomende uitdrukking niet volkomen juist, daar niet de ziekte verkeerd waarneemt, maar wel hij, die er door getroffen is.↑143λόγοςis een van die woorden, die voor velerlei uitlegging vatbaar zijn. Alle beteekenissen van dit woord schijnen echter uit de grondbeteekenis:gezegdete kunnen afgeleid worden. De Oostersch Grieksche beteekenis van het woordλόγος, waarin het bij voorbeeld doorPhilo Judaeusgenomen wordt, en de opperste emanatie uit de Godheid beteekent, komt, zoo ver mij bekend is, nergens bijPlatovoor. Zij heeft haren grond in eene wijsbegeerte, die, zonder geest van onderscheid te werk gaande, en denkbeelden uit geheel verschillende bronnen afgeleid, door elkander halende, aan het door God gezegde, als een op zich zelf bestaand wezen, een afzonderlijk bestaan toekende.↑144ὄναρenὕπαρstaan, geloof ik, in den accusativus en worden als bijwoorden gebruikt. Wij zouden het vrij woordelijk aldus kunnen uitdrukken: „vooral over de [uitdrukkingen]:in den droom, enin wakenden toestand.” Overigens is het bekend, datPlatoτὸ τοιόνδεzegt, wanneer hij een nieuw voorbeeld of nieuw bewijs gaat mededeelen.↑145ὅhangt vanἐρωτώντων, dit laatste vanἀκηκοέναιaf.↑146ἐν τῷ ἐνυπνίῳ. Er is eene andere lezing:ἐν τῷ ὕπνῳ, die ik boven de lezing van den tekst verkies, omdatslaapeenen algemeenen toestand uitdrukt, maarἐνύπνιονmeer een enkel droomgezigt beteekent. Wil men het laatste houden, dan moet het lidwoord wegvallen.↑147τούτων ἐκείνοις. Ik geloof, datτούτωνopὄναρ, ἐκείνοιςopὕπαρziet, maar beiden per attractionem wegens het naast voorgaandeὀνείραταin plurali staan. (Buttm., Gr. Gr. § 151.)↑148Dat is: geldt het niet evenzoo van ziekte of krankzinnigheid, dat de zieke of krankzinnige zijne meening, hoe veel die ook van die des gezonden of verstandigen verschille, voor ontwijfelbaar waar houdt? Het onderscheid is hier alleen dit, dat de tijd van waken en die van slapen ongeveer gelijk is, maar de duur van ziekte of krankzinnigheid gewoonlijk veel korter is, dan die van den gezonden toestand.↑149Dat is: hangt de waarheid eener stelling af van den duur des tijds, waarin zij als waar wordt aangenomen?↑150τὰ δοκοῦντα—τῷ δοκοῦντι. Hier wordtδοκέωte gelijk in de beteekenis vanschijnenen vanmeenengenomen, iets, dat ik niet kan goedkeuren, daar het aan de duidelijkheid in den weg staat. Over het geheel isPlatoniet vast in zijne terminologie, en gebruikt hij hetzelfde woord dikwijls in verschillende beteekenissen, of drukt ook wel hetzelfde denkbeeld door verschillende woorden uit. Dit blijkt onder anderen uit het gebruik der woordenεἶδοςenἰδέαin hoofdst. XL en XLI.↑151Zie hoofdst. XII.↑152καὶwordt ook gebruikt om twee woorden te verbinden, waarvan het tweede hetzelfde begrip als het eerste, maar sterker uitdrukt. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 620. 1. e.↑153Ἀνάγκηstaat in den nominativus, want het is eigenlijk per ellipsin geschreven voorἀνάγκη ἔστι τοῦτο οὕτως εἶναι.↑154Namelijk dat iemand in slapenden toestand, voor zoo ver de toestand verschilt, een ander is, dan iemand in wakenden toestand.↑155ἀπειργάσατο. De aor. beteekent hier weder, gelijk zoo dikwijls, het gewoonlijk plaats hebben der handeling.↑156ἄλλο τιstaat per ellipsin voorἄλλο τι ἤ, dat, in eene vraag geplaatst, dient om het gevraagde te bevestigen. De zin is dan voluit:Is het iets anders dan?waarop het antwoord verwacht wordt:Wel neen! maar juist dit.↑157γιγνομένην καὶ φερομένην. γιγνομένηνis zeer duidelijk, want daarmede wordt te kennen gegeven, dat de bitterheid eerst op het oogenblik der aanraking tusschen de tong en den wijn ontstaat; maar wat isφερομένην? Ik geloof, dat het tekennengeeft, dat die bitterheid geene blijvende eigenschap is, maar bloot eene voorbijgaande aandoening.↑158Hier is eene verbetering noodig, daar de woorden, zoo als zij nu staan, geenen gezonden zin opleveren, en gemakkelijk te verhelpen zijn. Men leze door eenvoudige transpositie:Οὔκουν ἐγώ τε οὐδὲν ἄλλο αἰσθανόμενος γενήσομαι οὕτως: en alles zal in orde zijn, gelijk, naar ik hoop, uit de vertaling blijkt. Heeft iemand zwarigheid in het plaatsen vanοὕτωςalleen achterγενήσομαι, dan blijft nog over alles te laten zoo als het is, en alleen achterἄλλο,αἰσθανόμενοςte schrijven, waardoor dezelfde zin verkregen wordt.↑159Stallbaumzegt naar waarheid, datτὸ ἐμὲ ποιοῦνbeteekent:hetgeen mij aandoet, maar hij verzuimt de reden van die vertaling te geven. Ik zoek ze daarin, dat hierαἰσθανόμενονin de gedachte moet ingelascht worden, gelijk op blz. 159 E uitἐγεννησάτηνbijκαὶ τὸν μέν—αἰσθανόμενονin de gedachteποιεῖτονmoet ingevoegd worden.↑160Alle gevoel is eene betrekking, die alleen kan plaats hebben, waar de twee leden aanwezig zijn.↑161Namelijk ik en de wijn, of in het algemeen de voelende en het gevoelde.↑162Voelendis iemand door iets te voelen;gevoeldis ietsdoor iemandgevoeld te worden. Dus vorderen deze twee begrippen elkander wederkeerig, en het ééne is zonder het andere ongerijmd.↑163πρός τι. Het verband vordert hier:πρός τινα, tenzij[65]men aanneme, datPlatohier het geval zoo algemeen mogelijk stelt, en met dat zijn en worden, het zijn of worden van het gevoelde, zoowel als van den voelende, te kennen geeft.↑164D. i. het gevoel, voor zoover het onze verhouding tot de dingen aangaat, is ontwijfelbaar, en bezit dus al de vereischten, om als zekere kennis aangemerkt te worden.↑165D. i. dat dan daaruit volgt, dat het gevoel kennis is. Hier is subject en praedicaat omgezet, en te regt, want al is alle gevoel kennis, dan volgt nog niet, dat daarom alle kennis gevoel is. Het is eene zoogenaamdeconversio per accidens. ZieNieuwenhuis,Initia PhilosophiaeLogicae. p. 184. 13.↑166InAthenewerd 5 dagen na de geboorte het jonge kind door de vroedvrouw rond den haard gedragen.↑167De vader kon bij de Grieken weigeren, zijne kinderen op te voeden, en ze te vondeling leggen, hetgeen natuurlijk meest met zwakke of mismaakte kinderen plaats had. De Thebanen maakten hier eene uitzondering.↑168ὅτι με οἴει λόγων τινὰ εἶναι θύλακον. Hier moet óf niets veranderd worden, óf voorεἶναι ἔχεινgelezen. De gissing vanStallbaum, dievoorμε μοιwil lezen, kan ik geenszins goedkeuren, daar dan de accusativusἐξελόνταbezwaarlijk te verklaren is.↑169λόγον λαβεῖν. Hierin is, geloof ik, met voordacht eenige dubbelzinnigheid, daarλόγοςookrekenschapbeteekent, en zij, die metSocratesredekavelden, er meest ongelukkig afkwamen.↑170Een zeer beroemd geschrift vanProtagoras, doch hetgeen hem en zijne leer teAthenedeed veroordeelen, daar hij het bestaan der Goden daarin als geheel twijfelachtig voorstelde. Zie de inleiding.↑171ἐθαυμάζομενis zeer naauwkeurig gesproken. Wij bewonderden hem, voordat wij het hier vermelde inzagen, maar nu niet langer.↑172ἄλλου τουbeteekent natuurlijk een ander danProtagoraszelf.↑173ἔσται—διακρινεῖenz. Deze futura geven te kennen, dat de zaak nog niet is uitgemaakt, en dat ons voor waar houden derzelve nog van de toekomstigeredekavelingafhangt. De stelling in quaestie is óf eeuwig waar, óf eeuwig onwaar. Zij staat buiten den tijd, en ons voor waar houden is op het oogenblik nog toekomstig.↑174ὀρθὰ. Een muur, die regtop staat, maakt een’ regten hoek met den grond, zoo die [gelijk verondersteld wordt] waterpas is. Dus is de muur in den haak, wanthaakbeteekent in onze spreekwijs eenen houten regten hoek, dien de timmerlieden en metselaars bezigen, om te onderzoeken, of de gegevene hoeken regt zijn.↑175φοιτητέον, φοιτᾶνenφοιτήτηςwordt bepaaldelijk van leerlingen gezegd, even als het latijnscheaudireenauditor. ZiePlato, Rep. VIII. p. 563.A.↑176φαντασίαbeteekent eigenlijk al wat dan iemand toeschijnt, zoowel door verbeeldingskracht, als door de aandoeningen der zinnen, of de eene of andere meening (ZiePlatoSophist. p. 264. A.).↑177Eigenlijk: eenelange en breedeijdelheid.↑178ἀντιτείνεινhangt af vanδεξαίμην, dat bijοὐδ’ αὖuit het vorige moet bijgedacht worden.↑179De zin is deze: teLacedaemonmoest men bij die oefeningen meêdoen of heengaan, maar mogt niet de anderen staan uitlagchen, zonder zich aan hetzelfde bloot te stellen. Dit wordt op het redekavelen toegepast.SocrateslaatTheodorusvoelen, dat het niet billijk zou wezen, zoo hij zich onzijdig hield, in plaats van mede te doen. Men ziet hier denzelfden geest doorstralen, als in de bepaling vanSolon, dat in openbare twisten ieder partij moest kiezen.↑180διέρχομαι, δίειμι, διεξέρχομαι, διέξειμιworden bijPlatogebezigd van het geregeld uiteenzetten eener redekaveling, waarbij verschillende punten achtereenvolgens in aanmerking komen.↑181τοὐναντίον. Ik geloof, dat hierεἰς τοὐναντίονmoet gelezen worden.↑182Ik vind hier geene bijzondere kracht inδημηγορία, maar de uitdrukking houd ik voor een spreekwoord, ontleend aan de openbare vergaderingen, waar dit woord oorspronkelijk te huis is. Overigens wordt hier dezelfde fout berispt, die zoo velen begaan, en waarvanZschokkein zijnLeven, denken en werkenzich zelven beschuldigt, namelijk, het altijd koesteren van dezelfde meening als de laatste verhandeling, die men gehoord of gelezen heeft.↑183Gij sluit u aan de gangbare meeningen aan, waardoor gij de menigte voor uw gevoelen wint, en mij bespottelijk maakt, zonder dat zulk eene manier van doen eigentlijk iets goeds kan voor den dag brengen.↑184πιθανολογίαkan hier niet veel anders beteekenen, dan het bezigen vanargumenta ad hominem, dat is van zulke bewijzen, die niet door de kracht der waarheid, maar door het voortbouwen op iemands bijzondere denkwijs, overreding zoeken te weeg te brengen.↑

123Hoofdst. VIII–X.↑124ἦνschijnt hier ten gevalle van de consecutio temporum wegens het voorgaandeἐλέγομενgezegd te zijn. Deze soort van constructie komt ook bijCicerodikwijls voor, b. v. Tusc. Quaest. I. § 81. Zij is logisch geenszins goed te keuren, daar in dezelve de vorm der woorden meer wordt in het oog gehouden, dan de begrippen, die er door worden uitgedrukt. Dit blijkt vooral bij uitdrukkingen als deze, waar in de woordenὡς τὸ πᾶν κίνησις ἦνgeene historische zaak, maar eene uitspraak, die als eeuwige waarheid werd voorgedragen, wordt uitgedrukt.↑125Dat is: hoe vele onderdeelen iedere soort ook bevat, de twee kenmerken van doen en lijden maken het hoofdkarakter uit, waardoor die twee rigtingen in al hunne onderdeelen genoegzaam zijn onderscheiden.↑126κεκλημέναιstaat hier eigentlijk overbodig, maar is welligt doorPlatogebezigd, om al die namen van gevoelsaandoeningen in den nominativus te kunnen laten.↑127ὁμόγονονscil.ἐστι.↑128In mijne dissertatie heb ik de gissing geopperd, dat achterπως,ἐπειδὰνmoet ingevoegd worden, en ik meen ook nu die gissing te moeten behouden.↑129Dit is eene der vele spreekwijzen, die het Grieksch met onze taal gemeen heeft.↑130ἐν τῷ αὐτῷscil.τόπῳ.↑131Zie blz. 42, (1)↑132Iets zigtbaars.↑133Van het oog isἔμπλεως ἐγένετο, en van de zaak[54]περιεπλήσθηgezegd, om aan te duiden, dat de witheid niet in de zaak is, maar haarvan buitenomgeeft, terwijl zij daarentegen in het oog gevonden wordt. Wij vinden hier de leer, dat de zaken op zich zelve onkenbaar zijn, daar wij alleen de indrukken op onze zintuigen waarnemen, en niet in staat zijn, die met haar voorwerp te vergelijken.↑134εἶναιstaat voorἐξεῖναι, welke infinitivus vanὑποληπτέονafhangt. Verder moet het adverbiumπαγίωςmetνοῆσαιverbonden worden.↑135ἀλλά τινι αἰεὶ γίγνεσθαι.Stallbaummerkt te regt aan, dat achterἀλλὰuit het voorgaandeοὐδὲν, πάνταofἑκάστουin de gedachte moet ingevoegd worden.↑136Vanοὐχ ὅτιzegtMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 624. 4: „Ook staatοὐχ ὅτιbijPlatovaak, om aan te toonen,[55]dat men wel iets vermeldt, maar toch niet wil in aanmerking nemen, waar in het Latijnquamquamna den hoofdzin gezet wordt, eigenlijk: ik wil niet zeggen—dat. Ook beteekent het:alhoewel; zieProtag.p. 336. D.”↑137Hier moet uit het vorigeοὐ δεῖalleenδεῖworden bijgedacht.↑138κατὰ μέροςbeteekent hier nietgedeeltelijk, maar:naar het hem bescheiden deel, afzonderlijk. Ik geloof, om de tegenstelling tegenπολλῶνἀθροισθέντωνen de aangehaalde voorbeelden, dat met datκατὰ μέροςde atomen of de elementen bedoeld worden.↑139Deze trek is karakteristiek. Wij zien hier eene duidelijke voorstelling van deobjectiviteitvanSocrates, die de gaaf had, de zaak zich zelve te laten ontwikkelen, zonder dat zijne eigene meening op den voorgrond kwam.↑140Deze voorbeelden zijn niet willekeurig gekozen, maar duiden bepaaldelijk de ideën aan, die, zooals bekend is, doorPlatoals boven de verandering en het worden verheven, beschouwd werden.↑141τῶν τε ἄλλων καὶ μανίας. Hier wordt de krankzinnigheid op den voorgrond geplaatst, daar zij alleen bij haren naam genoemd wordt, en alle andere ziekten onder de algemeene uitdrukkingτῶν τε ἄλλωνbegrepen worden. Het doel hiervan is dit, dat nergens de dwaasheid der leer vanProtagorasmeer uitkwam, dan juist bij de krankzinnigheid.↑142παρακούειν—παρορᾷν—παραισθάνεσθαι. Dit gebruik vanπαρὰis, meen ik, ontleend van boogschutters, die nietin, maarnaasthet doel raken. Overigens is de hier voorkomende uitdrukking niet volkomen juist, daar niet de ziekte verkeerd waarneemt, maar wel hij, die er door getroffen is.↑143λόγοςis een van die woorden, die voor velerlei uitlegging vatbaar zijn. Alle beteekenissen van dit woord schijnen echter uit de grondbeteekenis:gezegdete kunnen afgeleid worden. De Oostersch Grieksche beteekenis van het woordλόγος, waarin het bij voorbeeld doorPhilo Judaeusgenomen wordt, en de opperste emanatie uit de Godheid beteekent, komt, zoo ver mij bekend is, nergens bijPlatovoor. Zij heeft haren grond in eene wijsbegeerte, die, zonder geest van onderscheid te werk gaande, en denkbeelden uit geheel verschillende bronnen afgeleid, door elkander halende, aan het door God gezegde, als een op zich zelf bestaand wezen, een afzonderlijk bestaan toekende.↑144ὄναρenὕπαρstaan, geloof ik, in den accusativus en worden als bijwoorden gebruikt. Wij zouden het vrij woordelijk aldus kunnen uitdrukken: „vooral over de [uitdrukkingen]:in den droom, enin wakenden toestand.” Overigens is het bekend, datPlatoτὸ τοιόνδεzegt, wanneer hij een nieuw voorbeeld of nieuw bewijs gaat mededeelen.↑145ὅhangt vanἐρωτώντων, dit laatste vanἀκηκοέναιaf.↑146ἐν τῷ ἐνυπνίῳ. Er is eene andere lezing:ἐν τῷ ὕπνῳ, die ik boven de lezing van den tekst verkies, omdatslaapeenen algemeenen toestand uitdrukt, maarἐνύπνιονmeer een enkel droomgezigt beteekent. Wil men het laatste houden, dan moet het lidwoord wegvallen.↑147τούτων ἐκείνοις. Ik geloof, datτούτωνopὄναρ, ἐκείνοιςopὕπαρziet, maar beiden per attractionem wegens het naast voorgaandeὀνείραταin plurali staan. (Buttm., Gr. Gr. § 151.)↑148Dat is: geldt het niet evenzoo van ziekte of krankzinnigheid, dat de zieke of krankzinnige zijne meening, hoe veel die ook van die des gezonden of verstandigen verschille, voor ontwijfelbaar waar houdt? Het onderscheid is hier alleen dit, dat de tijd van waken en die van slapen ongeveer gelijk is, maar de duur van ziekte of krankzinnigheid gewoonlijk veel korter is, dan die van den gezonden toestand.↑149Dat is: hangt de waarheid eener stelling af van den duur des tijds, waarin zij als waar wordt aangenomen?↑150τὰ δοκοῦντα—τῷ δοκοῦντι. Hier wordtδοκέωte gelijk in de beteekenis vanschijnenen vanmeenengenomen, iets, dat ik niet kan goedkeuren, daar het aan de duidelijkheid in den weg staat. Over het geheel isPlatoniet vast in zijne terminologie, en gebruikt hij hetzelfde woord dikwijls in verschillende beteekenissen, of drukt ook wel hetzelfde denkbeeld door verschillende woorden uit. Dit blijkt onder anderen uit het gebruik der woordenεἶδοςenἰδέαin hoofdst. XL en XLI.↑151Zie hoofdst. XII.↑152καὶwordt ook gebruikt om twee woorden te verbinden, waarvan het tweede hetzelfde begrip als het eerste, maar sterker uitdrukt. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 620. 1. e.↑153Ἀνάγκηstaat in den nominativus, want het is eigenlijk per ellipsin geschreven voorἀνάγκη ἔστι τοῦτο οὕτως εἶναι.↑154Namelijk dat iemand in slapenden toestand, voor zoo ver de toestand verschilt, een ander is, dan iemand in wakenden toestand.↑155ἀπειργάσατο. De aor. beteekent hier weder, gelijk zoo dikwijls, het gewoonlijk plaats hebben der handeling.↑156ἄλλο τιstaat per ellipsin voorἄλλο τι ἤ, dat, in eene vraag geplaatst, dient om het gevraagde te bevestigen. De zin is dan voluit:Is het iets anders dan?waarop het antwoord verwacht wordt:Wel neen! maar juist dit.↑157γιγνομένην καὶ φερομένην. γιγνομένηνis zeer duidelijk, want daarmede wordt te kennen gegeven, dat de bitterheid eerst op het oogenblik der aanraking tusschen de tong en den wijn ontstaat; maar wat isφερομένην? Ik geloof, dat het tekennengeeft, dat die bitterheid geene blijvende eigenschap is, maar bloot eene voorbijgaande aandoening.↑158Hier is eene verbetering noodig, daar de woorden, zoo als zij nu staan, geenen gezonden zin opleveren, en gemakkelijk te verhelpen zijn. Men leze door eenvoudige transpositie:Οὔκουν ἐγώ τε οὐδὲν ἄλλο αἰσθανόμενος γενήσομαι οὕτως: en alles zal in orde zijn, gelijk, naar ik hoop, uit de vertaling blijkt. Heeft iemand zwarigheid in het plaatsen vanοὕτωςalleen achterγενήσομαι, dan blijft nog over alles te laten zoo als het is, en alleen achterἄλλο,αἰσθανόμενοςte schrijven, waardoor dezelfde zin verkregen wordt.↑159Stallbaumzegt naar waarheid, datτὸ ἐμὲ ποιοῦνbeteekent:hetgeen mij aandoet, maar hij verzuimt de reden van die vertaling te geven. Ik zoek ze daarin, dat hierαἰσθανόμενονin de gedachte moet ingelascht worden, gelijk op blz. 159 E uitἐγεννησάτηνbijκαὶ τὸν μέν—αἰσθανόμενονin de gedachteποιεῖτονmoet ingevoegd worden.↑160Alle gevoel is eene betrekking, die alleen kan plaats hebben, waar de twee leden aanwezig zijn.↑161Namelijk ik en de wijn, of in het algemeen de voelende en het gevoelde.↑162Voelendis iemand door iets te voelen;gevoeldis ietsdoor iemandgevoeld te worden. Dus vorderen deze twee begrippen elkander wederkeerig, en het ééne is zonder het andere ongerijmd.↑163πρός τι. Het verband vordert hier:πρός τινα, tenzij[65]men aanneme, datPlatohier het geval zoo algemeen mogelijk stelt, en met dat zijn en worden, het zijn of worden van het gevoelde, zoowel als van den voelende, te kennen geeft.↑164D. i. het gevoel, voor zoover het onze verhouding tot de dingen aangaat, is ontwijfelbaar, en bezit dus al de vereischten, om als zekere kennis aangemerkt te worden.↑165D. i. dat dan daaruit volgt, dat het gevoel kennis is. Hier is subject en praedicaat omgezet, en te regt, want al is alle gevoel kennis, dan volgt nog niet, dat daarom alle kennis gevoel is. Het is eene zoogenaamdeconversio per accidens. ZieNieuwenhuis,Initia PhilosophiaeLogicae. p. 184. 13.↑166InAthenewerd 5 dagen na de geboorte het jonge kind door de vroedvrouw rond den haard gedragen.↑167De vader kon bij de Grieken weigeren, zijne kinderen op te voeden, en ze te vondeling leggen, hetgeen natuurlijk meest met zwakke of mismaakte kinderen plaats had. De Thebanen maakten hier eene uitzondering.↑168ὅτι με οἴει λόγων τινὰ εἶναι θύλακον. Hier moet óf niets veranderd worden, óf voorεἶναι ἔχεινgelezen. De gissing vanStallbaum, dievoorμε μοιwil lezen, kan ik geenszins goedkeuren, daar dan de accusativusἐξελόνταbezwaarlijk te verklaren is.↑169λόγον λαβεῖν. Hierin is, geloof ik, met voordacht eenige dubbelzinnigheid, daarλόγοςookrekenschapbeteekent, en zij, die metSocratesredekavelden, er meest ongelukkig afkwamen.↑170Een zeer beroemd geschrift vanProtagoras, doch hetgeen hem en zijne leer teAthenedeed veroordeelen, daar hij het bestaan der Goden daarin als geheel twijfelachtig voorstelde. Zie de inleiding.↑171ἐθαυμάζομενis zeer naauwkeurig gesproken. Wij bewonderden hem, voordat wij het hier vermelde inzagen, maar nu niet langer.↑172ἄλλου τουbeteekent natuurlijk een ander danProtagoraszelf.↑173ἔσται—διακρινεῖenz. Deze futura geven te kennen, dat de zaak nog niet is uitgemaakt, en dat ons voor waar houden derzelve nog van de toekomstigeredekavelingafhangt. De stelling in quaestie is óf eeuwig waar, óf eeuwig onwaar. Zij staat buiten den tijd, en ons voor waar houden is op het oogenblik nog toekomstig.↑174ὀρθὰ. Een muur, die regtop staat, maakt een’ regten hoek met den grond, zoo die [gelijk verondersteld wordt] waterpas is. Dus is de muur in den haak, wanthaakbeteekent in onze spreekwijs eenen houten regten hoek, dien de timmerlieden en metselaars bezigen, om te onderzoeken, of de gegevene hoeken regt zijn.↑175φοιτητέον, φοιτᾶνenφοιτήτηςwordt bepaaldelijk van leerlingen gezegd, even als het latijnscheaudireenauditor. ZiePlato, Rep. VIII. p. 563.A.↑176φαντασίαbeteekent eigenlijk al wat dan iemand toeschijnt, zoowel door verbeeldingskracht, als door de aandoeningen der zinnen, of de eene of andere meening (ZiePlatoSophist. p. 264. A.).↑177Eigenlijk: eenelange en breedeijdelheid.↑178ἀντιτείνεινhangt af vanδεξαίμην, dat bijοὐδ’ αὖuit het vorige moet bijgedacht worden.↑179De zin is deze: teLacedaemonmoest men bij die oefeningen meêdoen of heengaan, maar mogt niet de anderen staan uitlagchen, zonder zich aan hetzelfde bloot te stellen. Dit wordt op het redekavelen toegepast.SocrateslaatTheodorusvoelen, dat het niet billijk zou wezen, zoo hij zich onzijdig hield, in plaats van mede te doen. Men ziet hier denzelfden geest doorstralen, als in de bepaling vanSolon, dat in openbare twisten ieder partij moest kiezen.↑180διέρχομαι, δίειμι, διεξέρχομαι, διέξειμιworden bijPlatogebezigd van het geregeld uiteenzetten eener redekaveling, waarbij verschillende punten achtereenvolgens in aanmerking komen.↑181τοὐναντίον. Ik geloof, dat hierεἰς τοὐναντίονmoet gelezen worden.↑182Ik vind hier geene bijzondere kracht inδημηγορία, maar de uitdrukking houd ik voor een spreekwoord, ontleend aan de openbare vergaderingen, waar dit woord oorspronkelijk te huis is. Overigens wordt hier dezelfde fout berispt, die zoo velen begaan, en waarvanZschokkein zijnLeven, denken en werkenzich zelven beschuldigt, namelijk, het altijd koesteren van dezelfde meening als de laatste verhandeling, die men gehoord of gelezen heeft.↑183Gij sluit u aan de gangbare meeningen aan, waardoor gij de menigte voor uw gevoelen wint, en mij bespottelijk maakt, zonder dat zulk eene manier van doen eigentlijk iets goeds kan voor den dag brengen.↑184πιθανολογίαkan hier niet veel anders beteekenen, dan het bezigen vanargumenta ad hominem, dat is van zulke bewijzen, die niet door de kracht der waarheid, maar door het voortbouwen op iemands bijzondere denkwijs, overreding zoeken te weeg te brengen.↑

123Hoofdst. VIII–X.↑124ἦνschijnt hier ten gevalle van de consecutio temporum wegens het voorgaandeἐλέγομενgezegd te zijn. Deze soort van constructie komt ook bijCicerodikwijls voor, b. v. Tusc. Quaest. I. § 81. Zij is logisch geenszins goed te keuren, daar in dezelve de vorm der woorden meer wordt in het oog gehouden, dan de begrippen, die er door worden uitgedrukt. Dit blijkt vooral bij uitdrukkingen als deze, waar in de woordenὡς τὸ πᾶν κίνησις ἦνgeene historische zaak, maar eene uitspraak, die als eeuwige waarheid werd voorgedragen, wordt uitgedrukt.↑125Dat is: hoe vele onderdeelen iedere soort ook bevat, de twee kenmerken van doen en lijden maken het hoofdkarakter uit, waardoor die twee rigtingen in al hunne onderdeelen genoegzaam zijn onderscheiden.↑126κεκλημέναιstaat hier eigentlijk overbodig, maar is welligt doorPlatogebezigd, om al die namen van gevoelsaandoeningen in den nominativus te kunnen laten.↑127ὁμόγονονscil.ἐστι.↑128In mijne dissertatie heb ik de gissing geopperd, dat achterπως,ἐπειδὰνmoet ingevoegd worden, en ik meen ook nu die gissing te moeten behouden.↑129Dit is eene der vele spreekwijzen, die het Grieksch met onze taal gemeen heeft.↑130ἐν τῷ αὐτῷscil.τόπῳ.↑131Zie blz. 42, (1)↑132Iets zigtbaars.↑133Van het oog isἔμπλεως ἐγένετο, en van de zaak[54]περιεπλήσθηgezegd, om aan te duiden, dat de witheid niet in de zaak is, maar haarvan buitenomgeeft, terwijl zij daarentegen in het oog gevonden wordt. Wij vinden hier de leer, dat de zaken op zich zelve onkenbaar zijn, daar wij alleen de indrukken op onze zintuigen waarnemen, en niet in staat zijn, die met haar voorwerp te vergelijken.↑134εἶναιstaat voorἐξεῖναι, welke infinitivus vanὑποληπτέονafhangt. Verder moet het adverbiumπαγίωςmetνοῆσαιverbonden worden.↑135ἀλλά τινι αἰεὶ γίγνεσθαι.Stallbaummerkt te regt aan, dat achterἀλλὰuit het voorgaandeοὐδὲν, πάνταofἑκάστουin de gedachte moet ingevoegd worden.↑136Vanοὐχ ὅτιzegtMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 624. 4: „Ook staatοὐχ ὅτιbijPlatovaak, om aan te toonen,[55]dat men wel iets vermeldt, maar toch niet wil in aanmerking nemen, waar in het Latijnquamquamna den hoofdzin gezet wordt, eigenlijk: ik wil niet zeggen—dat. Ook beteekent het:alhoewel; zieProtag.p. 336. D.”↑137Hier moet uit het vorigeοὐ δεῖalleenδεῖworden bijgedacht.↑138κατὰ μέροςbeteekent hier nietgedeeltelijk, maar:naar het hem bescheiden deel, afzonderlijk. Ik geloof, om de tegenstelling tegenπολλῶνἀθροισθέντωνen de aangehaalde voorbeelden, dat met datκατὰ μέροςde atomen of de elementen bedoeld worden.↑139Deze trek is karakteristiek. Wij zien hier eene duidelijke voorstelling van deobjectiviteitvanSocrates, die de gaaf had, de zaak zich zelve te laten ontwikkelen, zonder dat zijne eigene meening op den voorgrond kwam.↑140Deze voorbeelden zijn niet willekeurig gekozen, maar duiden bepaaldelijk de ideën aan, die, zooals bekend is, doorPlatoals boven de verandering en het worden verheven, beschouwd werden.↑141τῶν τε ἄλλων καὶ μανίας. Hier wordt de krankzinnigheid op den voorgrond geplaatst, daar zij alleen bij haren naam genoemd wordt, en alle andere ziekten onder de algemeene uitdrukkingτῶν τε ἄλλωνbegrepen worden. Het doel hiervan is dit, dat nergens de dwaasheid der leer vanProtagorasmeer uitkwam, dan juist bij de krankzinnigheid.↑142παρακούειν—παρορᾷν—παραισθάνεσθαι. Dit gebruik vanπαρὰis, meen ik, ontleend van boogschutters, die nietin, maarnaasthet doel raken. Overigens is de hier voorkomende uitdrukking niet volkomen juist, daar niet de ziekte verkeerd waarneemt, maar wel hij, die er door getroffen is.↑143λόγοςis een van die woorden, die voor velerlei uitlegging vatbaar zijn. Alle beteekenissen van dit woord schijnen echter uit de grondbeteekenis:gezegdete kunnen afgeleid worden. De Oostersch Grieksche beteekenis van het woordλόγος, waarin het bij voorbeeld doorPhilo Judaeusgenomen wordt, en de opperste emanatie uit de Godheid beteekent, komt, zoo ver mij bekend is, nergens bijPlatovoor. Zij heeft haren grond in eene wijsbegeerte, die, zonder geest van onderscheid te werk gaande, en denkbeelden uit geheel verschillende bronnen afgeleid, door elkander halende, aan het door God gezegde, als een op zich zelf bestaand wezen, een afzonderlijk bestaan toekende.↑144ὄναρenὕπαρstaan, geloof ik, in den accusativus en worden als bijwoorden gebruikt. Wij zouden het vrij woordelijk aldus kunnen uitdrukken: „vooral over de [uitdrukkingen]:in den droom, enin wakenden toestand.” Overigens is het bekend, datPlatoτὸ τοιόνδεzegt, wanneer hij een nieuw voorbeeld of nieuw bewijs gaat mededeelen.↑145ὅhangt vanἐρωτώντων, dit laatste vanἀκηκοέναιaf.↑146ἐν τῷ ἐνυπνίῳ. Er is eene andere lezing:ἐν τῷ ὕπνῳ, die ik boven de lezing van den tekst verkies, omdatslaapeenen algemeenen toestand uitdrukt, maarἐνύπνιονmeer een enkel droomgezigt beteekent. Wil men het laatste houden, dan moet het lidwoord wegvallen.↑147τούτων ἐκείνοις. Ik geloof, datτούτωνopὄναρ, ἐκείνοιςopὕπαρziet, maar beiden per attractionem wegens het naast voorgaandeὀνείραταin plurali staan. (Buttm., Gr. Gr. § 151.)↑148Dat is: geldt het niet evenzoo van ziekte of krankzinnigheid, dat de zieke of krankzinnige zijne meening, hoe veel die ook van die des gezonden of verstandigen verschille, voor ontwijfelbaar waar houdt? Het onderscheid is hier alleen dit, dat de tijd van waken en die van slapen ongeveer gelijk is, maar de duur van ziekte of krankzinnigheid gewoonlijk veel korter is, dan die van den gezonden toestand.↑149Dat is: hangt de waarheid eener stelling af van den duur des tijds, waarin zij als waar wordt aangenomen?↑150τὰ δοκοῦντα—τῷ δοκοῦντι. Hier wordtδοκέωte gelijk in de beteekenis vanschijnenen vanmeenengenomen, iets, dat ik niet kan goedkeuren, daar het aan de duidelijkheid in den weg staat. Over het geheel isPlatoniet vast in zijne terminologie, en gebruikt hij hetzelfde woord dikwijls in verschillende beteekenissen, of drukt ook wel hetzelfde denkbeeld door verschillende woorden uit. Dit blijkt onder anderen uit het gebruik der woordenεἶδοςenἰδέαin hoofdst. XL en XLI.↑151Zie hoofdst. XII.↑152καὶwordt ook gebruikt om twee woorden te verbinden, waarvan het tweede hetzelfde begrip als het eerste, maar sterker uitdrukt. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 620. 1. e.↑153Ἀνάγκηstaat in den nominativus, want het is eigenlijk per ellipsin geschreven voorἀνάγκη ἔστι τοῦτο οὕτως εἶναι.↑154Namelijk dat iemand in slapenden toestand, voor zoo ver de toestand verschilt, een ander is, dan iemand in wakenden toestand.↑155ἀπειργάσατο. De aor. beteekent hier weder, gelijk zoo dikwijls, het gewoonlijk plaats hebben der handeling.↑156ἄλλο τιstaat per ellipsin voorἄλλο τι ἤ, dat, in eene vraag geplaatst, dient om het gevraagde te bevestigen. De zin is dan voluit:Is het iets anders dan?waarop het antwoord verwacht wordt:Wel neen! maar juist dit.↑157γιγνομένην καὶ φερομένην. γιγνομένηνis zeer duidelijk, want daarmede wordt te kennen gegeven, dat de bitterheid eerst op het oogenblik der aanraking tusschen de tong en den wijn ontstaat; maar wat isφερομένην? Ik geloof, dat het tekennengeeft, dat die bitterheid geene blijvende eigenschap is, maar bloot eene voorbijgaande aandoening.↑158Hier is eene verbetering noodig, daar de woorden, zoo als zij nu staan, geenen gezonden zin opleveren, en gemakkelijk te verhelpen zijn. Men leze door eenvoudige transpositie:Οὔκουν ἐγώ τε οὐδὲν ἄλλο αἰσθανόμενος γενήσομαι οὕτως: en alles zal in orde zijn, gelijk, naar ik hoop, uit de vertaling blijkt. Heeft iemand zwarigheid in het plaatsen vanοὕτωςalleen achterγενήσομαι, dan blijft nog over alles te laten zoo als het is, en alleen achterἄλλο,αἰσθανόμενοςte schrijven, waardoor dezelfde zin verkregen wordt.↑159Stallbaumzegt naar waarheid, datτὸ ἐμὲ ποιοῦνbeteekent:hetgeen mij aandoet, maar hij verzuimt de reden van die vertaling te geven. Ik zoek ze daarin, dat hierαἰσθανόμενονin de gedachte moet ingelascht worden, gelijk op blz. 159 E uitἐγεννησάτηνbijκαὶ τὸν μέν—αἰσθανόμενονin de gedachteποιεῖτονmoet ingevoegd worden.↑160Alle gevoel is eene betrekking, die alleen kan plaats hebben, waar de twee leden aanwezig zijn.↑161Namelijk ik en de wijn, of in het algemeen de voelende en het gevoelde.↑162Voelendis iemand door iets te voelen;gevoeldis ietsdoor iemandgevoeld te worden. Dus vorderen deze twee begrippen elkander wederkeerig, en het ééne is zonder het andere ongerijmd.↑163πρός τι. Het verband vordert hier:πρός τινα, tenzij[65]men aanneme, datPlatohier het geval zoo algemeen mogelijk stelt, en met dat zijn en worden, het zijn of worden van het gevoelde, zoowel als van den voelende, te kennen geeft.↑164D. i. het gevoel, voor zoover het onze verhouding tot de dingen aangaat, is ontwijfelbaar, en bezit dus al de vereischten, om als zekere kennis aangemerkt te worden.↑165D. i. dat dan daaruit volgt, dat het gevoel kennis is. Hier is subject en praedicaat omgezet, en te regt, want al is alle gevoel kennis, dan volgt nog niet, dat daarom alle kennis gevoel is. Het is eene zoogenaamdeconversio per accidens. ZieNieuwenhuis,Initia PhilosophiaeLogicae. p. 184. 13.↑166InAthenewerd 5 dagen na de geboorte het jonge kind door de vroedvrouw rond den haard gedragen.↑167De vader kon bij de Grieken weigeren, zijne kinderen op te voeden, en ze te vondeling leggen, hetgeen natuurlijk meest met zwakke of mismaakte kinderen plaats had. De Thebanen maakten hier eene uitzondering.↑168ὅτι με οἴει λόγων τινὰ εἶναι θύλακον. Hier moet óf niets veranderd worden, óf voorεἶναι ἔχεινgelezen. De gissing vanStallbaum, dievoorμε μοιwil lezen, kan ik geenszins goedkeuren, daar dan de accusativusἐξελόνταbezwaarlijk te verklaren is.↑169λόγον λαβεῖν. Hierin is, geloof ik, met voordacht eenige dubbelzinnigheid, daarλόγοςookrekenschapbeteekent, en zij, die metSocratesredekavelden, er meest ongelukkig afkwamen.↑170Een zeer beroemd geschrift vanProtagoras, doch hetgeen hem en zijne leer teAthenedeed veroordeelen, daar hij het bestaan der Goden daarin als geheel twijfelachtig voorstelde. Zie de inleiding.↑171ἐθαυμάζομενis zeer naauwkeurig gesproken. Wij bewonderden hem, voordat wij het hier vermelde inzagen, maar nu niet langer.↑172ἄλλου τουbeteekent natuurlijk een ander danProtagoraszelf.↑173ἔσται—διακρινεῖenz. Deze futura geven te kennen, dat de zaak nog niet is uitgemaakt, en dat ons voor waar houden derzelve nog van de toekomstigeredekavelingafhangt. De stelling in quaestie is óf eeuwig waar, óf eeuwig onwaar. Zij staat buiten den tijd, en ons voor waar houden is op het oogenblik nog toekomstig.↑174ὀρθὰ. Een muur, die regtop staat, maakt een’ regten hoek met den grond, zoo die [gelijk verondersteld wordt] waterpas is. Dus is de muur in den haak, wanthaakbeteekent in onze spreekwijs eenen houten regten hoek, dien de timmerlieden en metselaars bezigen, om te onderzoeken, of de gegevene hoeken regt zijn.↑175φοιτητέον, φοιτᾶνenφοιτήτηςwordt bepaaldelijk van leerlingen gezegd, even als het latijnscheaudireenauditor. ZiePlato, Rep. VIII. p. 563.A.↑176φαντασίαbeteekent eigenlijk al wat dan iemand toeschijnt, zoowel door verbeeldingskracht, als door de aandoeningen der zinnen, of de eene of andere meening (ZiePlatoSophist. p. 264. A.).↑177Eigenlijk: eenelange en breedeijdelheid.↑178ἀντιτείνεινhangt af vanδεξαίμην, dat bijοὐδ’ αὖuit het vorige moet bijgedacht worden.↑179De zin is deze: teLacedaemonmoest men bij die oefeningen meêdoen of heengaan, maar mogt niet de anderen staan uitlagchen, zonder zich aan hetzelfde bloot te stellen. Dit wordt op het redekavelen toegepast.SocrateslaatTheodorusvoelen, dat het niet billijk zou wezen, zoo hij zich onzijdig hield, in plaats van mede te doen. Men ziet hier denzelfden geest doorstralen, als in de bepaling vanSolon, dat in openbare twisten ieder partij moest kiezen.↑180διέρχομαι, δίειμι, διεξέρχομαι, διέξειμιworden bijPlatogebezigd van het geregeld uiteenzetten eener redekaveling, waarbij verschillende punten achtereenvolgens in aanmerking komen.↑181τοὐναντίον. Ik geloof, dat hierεἰς τοὐναντίονmoet gelezen worden.↑182Ik vind hier geene bijzondere kracht inδημηγορία, maar de uitdrukking houd ik voor een spreekwoord, ontleend aan de openbare vergaderingen, waar dit woord oorspronkelijk te huis is. Overigens wordt hier dezelfde fout berispt, die zoo velen begaan, en waarvanZschokkein zijnLeven, denken en werkenzich zelven beschuldigt, namelijk, het altijd koesteren van dezelfde meening als de laatste verhandeling, die men gehoord of gelezen heeft.↑183Gij sluit u aan de gangbare meeningen aan, waardoor gij de menigte voor uw gevoelen wint, en mij bespottelijk maakt, zonder dat zulk eene manier van doen eigentlijk iets goeds kan voor den dag brengen.↑184πιθανολογίαkan hier niet veel anders beteekenen, dan het bezigen vanargumenta ad hominem, dat is van zulke bewijzen, die niet door de kracht der waarheid, maar door het voortbouwen op iemands bijzondere denkwijs, overreding zoeken te weeg te brengen.↑

123Hoofdst. VIII–X.↑

123Hoofdst. VIII–X.↑

124ἦνschijnt hier ten gevalle van de consecutio temporum wegens het voorgaandeἐλέγομενgezegd te zijn. Deze soort van constructie komt ook bijCicerodikwijls voor, b. v. Tusc. Quaest. I. § 81. Zij is logisch geenszins goed te keuren, daar in dezelve de vorm der woorden meer wordt in het oog gehouden, dan de begrippen, die er door worden uitgedrukt. Dit blijkt vooral bij uitdrukkingen als deze, waar in de woordenὡς τὸ πᾶν κίνησις ἦνgeene historische zaak, maar eene uitspraak, die als eeuwige waarheid werd voorgedragen, wordt uitgedrukt.↑

124ἦνschijnt hier ten gevalle van de consecutio temporum wegens het voorgaandeἐλέγομενgezegd te zijn. Deze soort van constructie komt ook bijCicerodikwijls voor, b. v. Tusc. Quaest. I. § 81. Zij is logisch geenszins goed te keuren, daar in dezelve de vorm der woorden meer wordt in het oog gehouden, dan de begrippen, die er door worden uitgedrukt. Dit blijkt vooral bij uitdrukkingen als deze, waar in de woordenὡς τὸ πᾶν κίνησις ἦνgeene historische zaak, maar eene uitspraak, die als eeuwige waarheid werd voorgedragen, wordt uitgedrukt.↑

125Dat is: hoe vele onderdeelen iedere soort ook bevat, de twee kenmerken van doen en lijden maken het hoofdkarakter uit, waardoor die twee rigtingen in al hunne onderdeelen genoegzaam zijn onderscheiden.↑

125Dat is: hoe vele onderdeelen iedere soort ook bevat, de twee kenmerken van doen en lijden maken het hoofdkarakter uit, waardoor die twee rigtingen in al hunne onderdeelen genoegzaam zijn onderscheiden.↑

126κεκλημέναιstaat hier eigentlijk overbodig, maar is welligt doorPlatogebezigd, om al die namen van gevoelsaandoeningen in den nominativus te kunnen laten.↑

126κεκλημέναιstaat hier eigentlijk overbodig, maar is welligt doorPlatogebezigd, om al die namen van gevoelsaandoeningen in den nominativus te kunnen laten.↑

127ὁμόγονονscil.ἐστι.↑

127ὁμόγονονscil.ἐστι.↑

128In mijne dissertatie heb ik de gissing geopperd, dat achterπως,ἐπειδὰνmoet ingevoegd worden, en ik meen ook nu die gissing te moeten behouden.↑

128In mijne dissertatie heb ik de gissing geopperd, dat achterπως,ἐπειδὰνmoet ingevoegd worden, en ik meen ook nu die gissing te moeten behouden.↑

129Dit is eene der vele spreekwijzen, die het Grieksch met onze taal gemeen heeft.↑

129Dit is eene der vele spreekwijzen, die het Grieksch met onze taal gemeen heeft.↑

130ἐν τῷ αὐτῷscil.τόπῳ.↑

130ἐν τῷ αὐτῷscil.τόπῳ.↑

131Zie blz. 42, (1)↑

131Zie blz. 42, (1)↑

132Iets zigtbaars.↑

132Iets zigtbaars.↑

133Van het oog isἔμπλεως ἐγένετο, en van de zaak[54]περιεπλήσθηgezegd, om aan te duiden, dat de witheid niet in de zaak is, maar haarvan buitenomgeeft, terwijl zij daarentegen in het oog gevonden wordt. Wij vinden hier de leer, dat de zaken op zich zelve onkenbaar zijn, daar wij alleen de indrukken op onze zintuigen waarnemen, en niet in staat zijn, die met haar voorwerp te vergelijken.↑

133Van het oog isἔμπλεως ἐγένετο, en van de zaak[54]περιεπλήσθηgezegd, om aan te duiden, dat de witheid niet in de zaak is, maar haarvan buitenomgeeft, terwijl zij daarentegen in het oog gevonden wordt. Wij vinden hier de leer, dat de zaken op zich zelve onkenbaar zijn, daar wij alleen de indrukken op onze zintuigen waarnemen, en niet in staat zijn, die met haar voorwerp te vergelijken.↑

134εἶναιstaat voorἐξεῖναι, welke infinitivus vanὑποληπτέονafhangt. Verder moet het adverbiumπαγίωςmetνοῆσαιverbonden worden.↑

134εἶναιstaat voorἐξεῖναι, welke infinitivus vanὑποληπτέονafhangt. Verder moet het adverbiumπαγίωςmetνοῆσαιverbonden worden.↑

135ἀλλά τινι αἰεὶ γίγνεσθαι.Stallbaummerkt te regt aan, dat achterἀλλὰuit het voorgaandeοὐδὲν, πάνταofἑκάστουin de gedachte moet ingevoegd worden.↑

135ἀλλά τινι αἰεὶ γίγνεσθαι.Stallbaummerkt te regt aan, dat achterἀλλὰuit het voorgaandeοὐδὲν, πάνταofἑκάστουin de gedachte moet ingevoegd worden.↑

136Vanοὐχ ὅτιzegtMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 624. 4: „Ook staatοὐχ ὅτιbijPlatovaak, om aan te toonen,[55]dat men wel iets vermeldt, maar toch niet wil in aanmerking nemen, waar in het Latijnquamquamna den hoofdzin gezet wordt, eigenlijk: ik wil niet zeggen—dat. Ook beteekent het:alhoewel; zieProtag.p. 336. D.”↑

136Vanοὐχ ὅτιzegtMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 624. 4: „Ook staatοὐχ ὅτιbijPlatovaak, om aan te toonen,[55]dat men wel iets vermeldt, maar toch niet wil in aanmerking nemen, waar in het Latijnquamquamna den hoofdzin gezet wordt, eigenlijk: ik wil niet zeggen—dat. Ook beteekent het:alhoewel; zieProtag.p. 336. D.”↑

137Hier moet uit het vorigeοὐ δεῖalleenδεῖworden bijgedacht.↑

137Hier moet uit het vorigeοὐ δεῖalleenδεῖworden bijgedacht.↑

138κατὰ μέροςbeteekent hier nietgedeeltelijk, maar:naar het hem bescheiden deel, afzonderlijk. Ik geloof, om de tegenstelling tegenπολλῶνἀθροισθέντωνen de aangehaalde voorbeelden, dat met datκατὰ μέροςde atomen of de elementen bedoeld worden.↑

138κατὰ μέροςbeteekent hier nietgedeeltelijk, maar:naar het hem bescheiden deel, afzonderlijk. Ik geloof, om de tegenstelling tegenπολλῶνἀθροισθέντωνen de aangehaalde voorbeelden, dat met datκατὰ μέροςde atomen of de elementen bedoeld worden.↑

139Deze trek is karakteristiek. Wij zien hier eene duidelijke voorstelling van deobjectiviteitvanSocrates, die de gaaf had, de zaak zich zelve te laten ontwikkelen, zonder dat zijne eigene meening op den voorgrond kwam.↑

139Deze trek is karakteristiek. Wij zien hier eene duidelijke voorstelling van deobjectiviteitvanSocrates, die de gaaf had, de zaak zich zelve te laten ontwikkelen, zonder dat zijne eigene meening op den voorgrond kwam.↑

140Deze voorbeelden zijn niet willekeurig gekozen, maar duiden bepaaldelijk de ideën aan, die, zooals bekend is, doorPlatoals boven de verandering en het worden verheven, beschouwd werden.↑

140Deze voorbeelden zijn niet willekeurig gekozen, maar duiden bepaaldelijk de ideën aan, die, zooals bekend is, doorPlatoals boven de verandering en het worden verheven, beschouwd werden.↑

141τῶν τε ἄλλων καὶ μανίας. Hier wordt de krankzinnigheid op den voorgrond geplaatst, daar zij alleen bij haren naam genoemd wordt, en alle andere ziekten onder de algemeene uitdrukkingτῶν τε ἄλλωνbegrepen worden. Het doel hiervan is dit, dat nergens de dwaasheid der leer vanProtagorasmeer uitkwam, dan juist bij de krankzinnigheid.↑

141τῶν τε ἄλλων καὶ μανίας. Hier wordt de krankzinnigheid op den voorgrond geplaatst, daar zij alleen bij haren naam genoemd wordt, en alle andere ziekten onder de algemeene uitdrukkingτῶν τε ἄλλωνbegrepen worden. Het doel hiervan is dit, dat nergens de dwaasheid der leer vanProtagorasmeer uitkwam, dan juist bij de krankzinnigheid.↑

142παρακούειν—παρορᾷν—παραισθάνεσθαι. Dit gebruik vanπαρὰis, meen ik, ontleend van boogschutters, die nietin, maarnaasthet doel raken. Overigens is de hier voorkomende uitdrukking niet volkomen juist, daar niet de ziekte verkeerd waarneemt, maar wel hij, die er door getroffen is.↑

142παρακούειν—παρορᾷν—παραισθάνεσθαι. Dit gebruik vanπαρὰis, meen ik, ontleend van boogschutters, die nietin, maarnaasthet doel raken. Overigens is de hier voorkomende uitdrukking niet volkomen juist, daar niet de ziekte verkeerd waarneemt, maar wel hij, die er door getroffen is.↑

143λόγοςis een van die woorden, die voor velerlei uitlegging vatbaar zijn. Alle beteekenissen van dit woord schijnen echter uit de grondbeteekenis:gezegdete kunnen afgeleid worden. De Oostersch Grieksche beteekenis van het woordλόγος, waarin het bij voorbeeld doorPhilo Judaeusgenomen wordt, en de opperste emanatie uit de Godheid beteekent, komt, zoo ver mij bekend is, nergens bijPlatovoor. Zij heeft haren grond in eene wijsbegeerte, die, zonder geest van onderscheid te werk gaande, en denkbeelden uit geheel verschillende bronnen afgeleid, door elkander halende, aan het door God gezegde, als een op zich zelf bestaand wezen, een afzonderlijk bestaan toekende.↑

143λόγοςis een van die woorden, die voor velerlei uitlegging vatbaar zijn. Alle beteekenissen van dit woord schijnen echter uit de grondbeteekenis:gezegdete kunnen afgeleid worden. De Oostersch Grieksche beteekenis van het woordλόγος, waarin het bij voorbeeld doorPhilo Judaeusgenomen wordt, en de opperste emanatie uit de Godheid beteekent, komt, zoo ver mij bekend is, nergens bijPlatovoor. Zij heeft haren grond in eene wijsbegeerte, die, zonder geest van onderscheid te werk gaande, en denkbeelden uit geheel verschillende bronnen afgeleid, door elkander halende, aan het door God gezegde, als een op zich zelf bestaand wezen, een afzonderlijk bestaan toekende.↑

144ὄναρenὕπαρstaan, geloof ik, in den accusativus en worden als bijwoorden gebruikt. Wij zouden het vrij woordelijk aldus kunnen uitdrukken: „vooral over de [uitdrukkingen]:in den droom, enin wakenden toestand.” Overigens is het bekend, datPlatoτὸ τοιόνδεzegt, wanneer hij een nieuw voorbeeld of nieuw bewijs gaat mededeelen.↑

144ὄναρenὕπαρstaan, geloof ik, in den accusativus en worden als bijwoorden gebruikt. Wij zouden het vrij woordelijk aldus kunnen uitdrukken: „vooral over de [uitdrukkingen]:in den droom, enin wakenden toestand.” Overigens is het bekend, datPlatoτὸ τοιόνδεzegt, wanneer hij een nieuw voorbeeld of nieuw bewijs gaat mededeelen.↑

145ὅhangt vanἐρωτώντων, dit laatste vanἀκηκοέναιaf.↑

145ὅhangt vanἐρωτώντων, dit laatste vanἀκηκοέναιaf.↑

146ἐν τῷ ἐνυπνίῳ. Er is eene andere lezing:ἐν τῷ ὕπνῳ, die ik boven de lezing van den tekst verkies, omdatslaapeenen algemeenen toestand uitdrukt, maarἐνύπνιονmeer een enkel droomgezigt beteekent. Wil men het laatste houden, dan moet het lidwoord wegvallen.↑

146ἐν τῷ ἐνυπνίῳ. Er is eene andere lezing:ἐν τῷ ὕπνῳ, die ik boven de lezing van den tekst verkies, omdatslaapeenen algemeenen toestand uitdrukt, maarἐνύπνιονmeer een enkel droomgezigt beteekent. Wil men het laatste houden, dan moet het lidwoord wegvallen.↑

147τούτων ἐκείνοις. Ik geloof, datτούτωνopὄναρ, ἐκείνοιςopὕπαρziet, maar beiden per attractionem wegens het naast voorgaandeὀνείραταin plurali staan. (Buttm., Gr. Gr. § 151.)↑

147τούτων ἐκείνοις. Ik geloof, datτούτωνopὄναρ, ἐκείνοιςopὕπαρziet, maar beiden per attractionem wegens het naast voorgaandeὀνείραταin plurali staan. (Buttm., Gr. Gr. § 151.)↑

148Dat is: geldt het niet evenzoo van ziekte of krankzinnigheid, dat de zieke of krankzinnige zijne meening, hoe veel die ook van die des gezonden of verstandigen verschille, voor ontwijfelbaar waar houdt? Het onderscheid is hier alleen dit, dat de tijd van waken en die van slapen ongeveer gelijk is, maar de duur van ziekte of krankzinnigheid gewoonlijk veel korter is, dan die van den gezonden toestand.↑

148Dat is: geldt het niet evenzoo van ziekte of krankzinnigheid, dat de zieke of krankzinnige zijne meening, hoe veel die ook van die des gezonden of verstandigen verschille, voor ontwijfelbaar waar houdt? Het onderscheid is hier alleen dit, dat de tijd van waken en die van slapen ongeveer gelijk is, maar de duur van ziekte of krankzinnigheid gewoonlijk veel korter is, dan die van den gezonden toestand.↑

149Dat is: hangt de waarheid eener stelling af van den duur des tijds, waarin zij als waar wordt aangenomen?↑

149Dat is: hangt de waarheid eener stelling af van den duur des tijds, waarin zij als waar wordt aangenomen?↑

150τὰ δοκοῦντα—τῷ δοκοῦντι. Hier wordtδοκέωte gelijk in de beteekenis vanschijnenen vanmeenengenomen, iets, dat ik niet kan goedkeuren, daar het aan de duidelijkheid in den weg staat. Over het geheel isPlatoniet vast in zijne terminologie, en gebruikt hij hetzelfde woord dikwijls in verschillende beteekenissen, of drukt ook wel hetzelfde denkbeeld door verschillende woorden uit. Dit blijkt onder anderen uit het gebruik der woordenεἶδοςenἰδέαin hoofdst. XL en XLI.↑

150τὰ δοκοῦντα—τῷ δοκοῦντι. Hier wordtδοκέωte gelijk in de beteekenis vanschijnenen vanmeenengenomen, iets, dat ik niet kan goedkeuren, daar het aan de duidelijkheid in den weg staat. Over het geheel isPlatoniet vast in zijne terminologie, en gebruikt hij hetzelfde woord dikwijls in verschillende beteekenissen, of drukt ook wel hetzelfde denkbeeld door verschillende woorden uit. Dit blijkt onder anderen uit het gebruik der woordenεἶδοςenἰδέαin hoofdst. XL en XLI.↑

151Zie hoofdst. XII.↑

151Zie hoofdst. XII.↑

152καὶwordt ook gebruikt om twee woorden te verbinden, waarvan het tweede hetzelfde begrip als het eerste, maar sterker uitdrukt. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 620. 1. e.↑

152καὶwordt ook gebruikt om twee woorden te verbinden, waarvan het tweede hetzelfde begrip als het eerste, maar sterker uitdrukt. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 620. 1. e.↑

153Ἀνάγκηstaat in den nominativus, want het is eigenlijk per ellipsin geschreven voorἀνάγκη ἔστι τοῦτο οὕτως εἶναι.↑

153Ἀνάγκηstaat in den nominativus, want het is eigenlijk per ellipsin geschreven voorἀνάγκη ἔστι τοῦτο οὕτως εἶναι.↑

154Namelijk dat iemand in slapenden toestand, voor zoo ver de toestand verschilt, een ander is, dan iemand in wakenden toestand.↑

154Namelijk dat iemand in slapenden toestand, voor zoo ver de toestand verschilt, een ander is, dan iemand in wakenden toestand.↑

155ἀπειργάσατο. De aor. beteekent hier weder, gelijk zoo dikwijls, het gewoonlijk plaats hebben der handeling.↑

155ἀπειργάσατο. De aor. beteekent hier weder, gelijk zoo dikwijls, het gewoonlijk plaats hebben der handeling.↑

156ἄλλο τιstaat per ellipsin voorἄλλο τι ἤ, dat, in eene vraag geplaatst, dient om het gevraagde te bevestigen. De zin is dan voluit:Is het iets anders dan?waarop het antwoord verwacht wordt:Wel neen! maar juist dit.↑

156ἄλλο τιstaat per ellipsin voorἄλλο τι ἤ, dat, in eene vraag geplaatst, dient om het gevraagde te bevestigen. De zin is dan voluit:Is het iets anders dan?waarop het antwoord verwacht wordt:Wel neen! maar juist dit.↑

157γιγνομένην καὶ φερομένην. γιγνομένηνis zeer duidelijk, want daarmede wordt te kennen gegeven, dat de bitterheid eerst op het oogenblik der aanraking tusschen de tong en den wijn ontstaat; maar wat isφερομένην? Ik geloof, dat het tekennengeeft, dat die bitterheid geene blijvende eigenschap is, maar bloot eene voorbijgaande aandoening.↑

157γιγνομένην καὶ φερομένην. γιγνομένηνis zeer duidelijk, want daarmede wordt te kennen gegeven, dat de bitterheid eerst op het oogenblik der aanraking tusschen de tong en den wijn ontstaat; maar wat isφερομένην? Ik geloof, dat het tekennengeeft, dat die bitterheid geene blijvende eigenschap is, maar bloot eene voorbijgaande aandoening.↑

158Hier is eene verbetering noodig, daar de woorden, zoo als zij nu staan, geenen gezonden zin opleveren, en gemakkelijk te verhelpen zijn. Men leze door eenvoudige transpositie:Οὔκουν ἐγώ τε οὐδὲν ἄλλο αἰσθανόμενος γενήσομαι οὕτως: en alles zal in orde zijn, gelijk, naar ik hoop, uit de vertaling blijkt. Heeft iemand zwarigheid in het plaatsen vanοὕτωςalleen achterγενήσομαι, dan blijft nog over alles te laten zoo als het is, en alleen achterἄλλο,αἰσθανόμενοςte schrijven, waardoor dezelfde zin verkregen wordt.↑

158Hier is eene verbetering noodig, daar de woorden, zoo als zij nu staan, geenen gezonden zin opleveren, en gemakkelijk te verhelpen zijn. Men leze door eenvoudige transpositie:Οὔκουν ἐγώ τε οὐδὲν ἄλλο αἰσθανόμενος γενήσομαι οὕτως: en alles zal in orde zijn, gelijk, naar ik hoop, uit de vertaling blijkt. Heeft iemand zwarigheid in het plaatsen vanοὕτωςalleen achterγενήσομαι, dan blijft nog over alles te laten zoo als het is, en alleen achterἄλλο,αἰσθανόμενοςte schrijven, waardoor dezelfde zin verkregen wordt.↑

159Stallbaumzegt naar waarheid, datτὸ ἐμὲ ποιοῦνbeteekent:hetgeen mij aandoet, maar hij verzuimt de reden van die vertaling te geven. Ik zoek ze daarin, dat hierαἰσθανόμενονin de gedachte moet ingelascht worden, gelijk op blz. 159 E uitἐγεννησάτηνbijκαὶ τὸν μέν—αἰσθανόμενονin de gedachteποιεῖτονmoet ingevoegd worden.↑

159Stallbaumzegt naar waarheid, datτὸ ἐμὲ ποιοῦνbeteekent:hetgeen mij aandoet, maar hij verzuimt de reden van die vertaling te geven. Ik zoek ze daarin, dat hierαἰσθανόμενονin de gedachte moet ingelascht worden, gelijk op blz. 159 E uitἐγεννησάτηνbijκαὶ τὸν μέν—αἰσθανόμενονin de gedachteποιεῖτονmoet ingevoegd worden.↑

160Alle gevoel is eene betrekking, die alleen kan plaats hebben, waar de twee leden aanwezig zijn.↑

160Alle gevoel is eene betrekking, die alleen kan plaats hebben, waar de twee leden aanwezig zijn.↑

161Namelijk ik en de wijn, of in het algemeen de voelende en het gevoelde.↑

161Namelijk ik en de wijn, of in het algemeen de voelende en het gevoelde.↑

162Voelendis iemand door iets te voelen;gevoeldis ietsdoor iemandgevoeld te worden. Dus vorderen deze twee begrippen elkander wederkeerig, en het ééne is zonder het andere ongerijmd.↑

162Voelendis iemand door iets te voelen;gevoeldis ietsdoor iemandgevoeld te worden. Dus vorderen deze twee begrippen elkander wederkeerig, en het ééne is zonder het andere ongerijmd.↑

163πρός τι. Het verband vordert hier:πρός τινα, tenzij[65]men aanneme, datPlatohier het geval zoo algemeen mogelijk stelt, en met dat zijn en worden, het zijn of worden van het gevoelde, zoowel als van den voelende, te kennen geeft.↑

163πρός τι. Het verband vordert hier:πρός τινα, tenzij[65]men aanneme, datPlatohier het geval zoo algemeen mogelijk stelt, en met dat zijn en worden, het zijn of worden van het gevoelde, zoowel als van den voelende, te kennen geeft.↑

164D. i. het gevoel, voor zoover het onze verhouding tot de dingen aangaat, is ontwijfelbaar, en bezit dus al de vereischten, om als zekere kennis aangemerkt te worden.↑

164D. i. het gevoel, voor zoover het onze verhouding tot de dingen aangaat, is ontwijfelbaar, en bezit dus al de vereischten, om als zekere kennis aangemerkt te worden.↑

165D. i. dat dan daaruit volgt, dat het gevoel kennis is. Hier is subject en praedicaat omgezet, en te regt, want al is alle gevoel kennis, dan volgt nog niet, dat daarom alle kennis gevoel is. Het is eene zoogenaamdeconversio per accidens. ZieNieuwenhuis,Initia PhilosophiaeLogicae. p. 184. 13.↑

165D. i. dat dan daaruit volgt, dat het gevoel kennis is. Hier is subject en praedicaat omgezet, en te regt, want al is alle gevoel kennis, dan volgt nog niet, dat daarom alle kennis gevoel is. Het is eene zoogenaamdeconversio per accidens. ZieNieuwenhuis,Initia PhilosophiaeLogicae. p. 184. 13.↑

166InAthenewerd 5 dagen na de geboorte het jonge kind door de vroedvrouw rond den haard gedragen.↑

166InAthenewerd 5 dagen na de geboorte het jonge kind door de vroedvrouw rond den haard gedragen.↑

167De vader kon bij de Grieken weigeren, zijne kinderen op te voeden, en ze te vondeling leggen, hetgeen natuurlijk meest met zwakke of mismaakte kinderen plaats had. De Thebanen maakten hier eene uitzondering.↑

167De vader kon bij de Grieken weigeren, zijne kinderen op te voeden, en ze te vondeling leggen, hetgeen natuurlijk meest met zwakke of mismaakte kinderen plaats had. De Thebanen maakten hier eene uitzondering.↑

168ὅτι με οἴει λόγων τινὰ εἶναι θύλακον. Hier moet óf niets veranderd worden, óf voorεἶναι ἔχεινgelezen. De gissing vanStallbaum, dievoorμε μοιwil lezen, kan ik geenszins goedkeuren, daar dan de accusativusἐξελόνταbezwaarlijk te verklaren is.↑

168ὅτι με οἴει λόγων τινὰ εἶναι θύλακον. Hier moet óf niets veranderd worden, óf voorεἶναι ἔχεινgelezen. De gissing vanStallbaum, dievoorμε μοιwil lezen, kan ik geenszins goedkeuren, daar dan de accusativusἐξελόνταbezwaarlijk te verklaren is.↑

169λόγον λαβεῖν. Hierin is, geloof ik, met voordacht eenige dubbelzinnigheid, daarλόγοςookrekenschapbeteekent, en zij, die metSocratesredekavelden, er meest ongelukkig afkwamen.↑

169λόγον λαβεῖν. Hierin is, geloof ik, met voordacht eenige dubbelzinnigheid, daarλόγοςookrekenschapbeteekent, en zij, die metSocratesredekavelden, er meest ongelukkig afkwamen.↑

170Een zeer beroemd geschrift vanProtagoras, doch hetgeen hem en zijne leer teAthenedeed veroordeelen, daar hij het bestaan der Goden daarin als geheel twijfelachtig voorstelde. Zie de inleiding.↑

170Een zeer beroemd geschrift vanProtagoras, doch hetgeen hem en zijne leer teAthenedeed veroordeelen, daar hij het bestaan der Goden daarin als geheel twijfelachtig voorstelde. Zie de inleiding.↑

171ἐθαυμάζομενis zeer naauwkeurig gesproken. Wij bewonderden hem, voordat wij het hier vermelde inzagen, maar nu niet langer.↑

171ἐθαυμάζομενis zeer naauwkeurig gesproken. Wij bewonderden hem, voordat wij het hier vermelde inzagen, maar nu niet langer.↑

172ἄλλου τουbeteekent natuurlijk een ander danProtagoraszelf.↑

172ἄλλου τουbeteekent natuurlijk een ander danProtagoraszelf.↑

173ἔσται—διακρινεῖenz. Deze futura geven te kennen, dat de zaak nog niet is uitgemaakt, en dat ons voor waar houden derzelve nog van de toekomstigeredekavelingafhangt. De stelling in quaestie is óf eeuwig waar, óf eeuwig onwaar. Zij staat buiten den tijd, en ons voor waar houden is op het oogenblik nog toekomstig.↑

173ἔσται—διακρινεῖenz. Deze futura geven te kennen, dat de zaak nog niet is uitgemaakt, en dat ons voor waar houden derzelve nog van de toekomstigeredekavelingafhangt. De stelling in quaestie is óf eeuwig waar, óf eeuwig onwaar. Zij staat buiten den tijd, en ons voor waar houden is op het oogenblik nog toekomstig.↑

174ὀρθὰ. Een muur, die regtop staat, maakt een’ regten hoek met den grond, zoo die [gelijk verondersteld wordt] waterpas is. Dus is de muur in den haak, wanthaakbeteekent in onze spreekwijs eenen houten regten hoek, dien de timmerlieden en metselaars bezigen, om te onderzoeken, of de gegevene hoeken regt zijn.↑

174ὀρθὰ. Een muur, die regtop staat, maakt een’ regten hoek met den grond, zoo die [gelijk verondersteld wordt] waterpas is. Dus is de muur in den haak, wanthaakbeteekent in onze spreekwijs eenen houten regten hoek, dien de timmerlieden en metselaars bezigen, om te onderzoeken, of de gegevene hoeken regt zijn.↑

175φοιτητέον, φοιτᾶνenφοιτήτηςwordt bepaaldelijk van leerlingen gezegd, even als het latijnscheaudireenauditor. ZiePlato, Rep. VIII. p. 563.A.↑

175φοιτητέον, φοιτᾶνenφοιτήτηςwordt bepaaldelijk van leerlingen gezegd, even als het latijnscheaudireenauditor. ZiePlato, Rep. VIII. p. 563.A.↑

176φαντασίαbeteekent eigenlijk al wat dan iemand toeschijnt, zoowel door verbeeldingskracht, als door de aandoeningen der zinnen, of de eene of andere meening (ZiePlatoSophist. p. 264. A.).↑

176φαντασίαbeteekent eigenlijk al wat dan iemand toeschijnt, zoowel door verbeeldingskracht, als door de aandoeningen der zinnen, of de eene of andere meening (ZiePlatoSophist. p. 264. A.).↑

177Eigenlijk: eenelange en breedeijdelheid.↑

177Eigenlijk: eenelange en breedeijdelheid.↑

178ἀντιτείνεινhangt af vanδεξαίμην, dat bijοὐδ’ αὖuit het vorige moet bijgedacht worden.↑

178ἀντιτείνεινhangt af vanδεξαίμην, dat bijοὐδ’ αὖuit het vorige moet bijgedacht worden.↑

179De zin is deze: teLacedaemonmoest men bij die oefeningen meêdoen of heengaan, maar mogt niet de anderen staan uitlagchen, zonder zich aan hetzelfde bloot te stellen. Dit wordt op het redekavelen toegepast.SocrateslaatTheodorusvoelen, dat het niet billijk zou wezen, zoo hij zich onzijdig hield, in plaats van mede te doen. Men ziet hier denzelfden geest doorstralen, als in de bepaling vanSolon, dat in openbare twisten ieder partij moest kiezen.↑

179De zin is deze: teLacedaemonmoest men bij die oefeningen meêdoen of heengaan, maar mogt niet de anderen staan uitlagchen, zonder zich aan hetzelfde bloot te stellen. Dit wordt op het redekavelen toegepast.SocrateslaatTheodorusvoelen, dat het niet billijk zou wezen, zoo hij zich onzijdig hield, in plaats van mede te doen. Men ziet hier denzelfden geest doorstralen, als in de bepaling vanSolon, dat in openbare twisten ieder partij moest kiezen.↑

180διέρχομαι, δίειμι, διεξέρχομαι, διέξειμιworden bijPlatogebezigd van het geregeld uiteenzetten eener redekaveling, waarbij verschillende punten achtereenvolgens in aanmerking komen.↑

180διέρχομαι, δίειμι, διεξέρχομαι, διέξειμιworden bijPlatogebezigd van het geregeld uiteenzetten eener redekaveling, waarbij verschillende punten achtereenvolgens in aanmerking komen.↑

181τοὐναντίον. Ik geloof, dat hierεἰς τοὐναντίονmoet gelezen worden.↑

181τοὐναντίον. Ik geloof, dat hierεἰς τοὐναντίονmoet gelezen worden.↑

182Ik vind hier geene bijzondere kracht inδημηγορία, maar de uitdrukking houd ik voor een spreekwoord, ontleend aan de openbare vergaderingen, waar dit woord oorspronkelijk te huis is. Overigens wordt hier dezelfde fout berispt, die zoo velen begaan, en waarvanZschokkein zijnLeven, denken en werkenzich zelven beschuldigt, namelijk, het altijd koesteren van dezelfde meening als de laatste verhandeling, die men gehoord of gelezen heeft.↑

182Ik vind hier geene bijzondere kracht inδημηγορία, maar de uitdrukking houd ik voor een spreekwoord, ontleend aan de openbare vergaderingen, waar dit woord oorspronkelijk te huis is. Overigens wordt hier dezelfde fout berispt, die zoo velen begaan, en waarvanZschokkein zijnLeven, denken en werkenzich zelven beschuldigt, namelijk, het altijd koesteren van dezelfde meening als de laatste verhandeling, die men gehoord of gelezen heeft.↑

183Gij sluit u aan de gangbare meeningen aan, waardoor gij de menigte voor uw gevoelen wint, en mij bespottelijk maakt, zonder dat zulk eene manier van doen eigentlijk iets goeds kan voor den dag brengen.↑

183Gij sluit u aan de gangbare meeningen aan, waardoor gij de menigte voor uw gevoelen wint, en mij bespottelijk maakt, zonder dat zulk eene manier van doen eigentlijk iets goeds kan voor den dag brengen.↑

184πιθανολογίαkan hier niet veel anders beteekenen, dan het bezigen vanargumenta ad hominem, dat is van zulke bewijzen, die niet door de kracht der waarheid, maar door het voortbouwen op iemands bijzondere denkwijs, overreding zoeken te weeg te brengen.↑

184πιθανολογίαkan hier niet veel anders beteekenen, dan het bezigen vanargumenta ad hominem, dat is van zulke bewijzen, die niet door de kracht der waarheid, maar door het voortbouwen op iemands bijzondere denkwijs, overreding zoeken te weeg te brengen.↑


Back to IndexNext