299ἰδίᾳ: d. i. niet voor het publiek, dat zich met bombast laat inpakken, maar in een bedaard gesprek, waar punt voor punt bedaard overwogen wordt.↑300ἔφαμεν, eigenlijk:zeiden, maar zeggen is het gevolg vanoordeelen.↑301Woordelijk: zij die de zich bewegende wezenheid zeggen.↑302D. i.: de naam blijft, zoolang zij niet wordt afgeschaft; doch dit belet niet, dat de zaak ondertusschen geheel van aard kan veranderen; en, al blijft zij nuttig heeten, werkelijk schadelijk kan worden. Wij spreken hier echter van de zaak zelve; de naam is ons onverschillig.↑303τοῦτοnamelijkὠφέλιμον. ὃis de eerste enὠφέλιμονde tweede accusativus vanὀνομάζῃ.↑304ἔστιδέπου καὶ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον. Het geslacht omvat het enkele, dat er toe gerekend wordt. Hier is het toekomstige het geslacht, en het nuttige wordt beschouwd als eene soort, die er toe gerekend wordt. Of dit nuttige nog onder een ander geslacht behoort, wordt hier niet gezegd, en is ook geheel onverschillig. Daarom staatκαὶhier geheel voor niet, terwijl het bijτὸ ὠφέλιμονzeer goed geplaatst is, daar het geslacht meer dan ééne soort omvat, en dus het toekomstige, dat hier als het geslacht beschouwd wordt, meer soorten heeft dan het nuttige alleen. Daarom geloof ik, datκαὶin onzen tekst uitκαὶbijτὸὠφέλιμονontstaan is, en meen in plaats daarvanτὰte moeten lezen.τὰ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνονbeteekent dan de dingen, die op den toekomstigen tijd betrekking hebben, het toekomstige.↑305Dit toevoegsel was noodig omἈλλὰte verklaren, daar het allezins vreemd zou zijn, dat een zin, die dient, om het vorige te bevestigen, metmaarbegint.↑306Hierin ligt eene vrij hatelijke, doch welverdiende beschuldiging vanProtagorasopgesloten. Door consequent op zijne leer door te redeneren, moest alle onderwijs voor gekheid verklaard worden, vooral dat in de welsprekendheid, daar dit juist ten doel heeft, de kunst te leeren om anderen van onze meeningen te overtuigen, en de middelen te bedenken, om den uitslag van een regtsgeding naar ons welgevallen te doen plaats hebben. Dus wasProtagorasóf zeer inconsequent, óf hij was een bedrieger, die anderen voor veel geld eene kunst leerde, welke hij zelf wist, dat geene de minste waarde had. Het voorbeeld van een wigchelaar echter heeft hier niets hatelijks,[121]maar wordt alleen in dezen zin gebezigd, dat al was de wigchelarij eene ware kunst, toch volgensProtagorasde beste wigchelaar niet beter over iemands toekomstigen toestand zou kunnen oordeelen, dan ieder voor zich zelven. Dat echterPlatoniet in de wigchelarij geloofde, meen ik aangetoond te hebben in de aanteekening (2) op blz. 150 mijner vertaling van den Phædo.↑307καὶ πᾶςἂνὁμολογοῖ. Eigenlijk:en ieder zou toestemmen, namelijk, zoo het hem gevraagd werd.↑308τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, ἐξ ὧν. Het pronomen relativum staat hier in het meervoud, omdat inτὸ παρὸν[122]ἑκάστῳ πάθος, zooals uitἑκάστῳblijkt, duidelijk het denkbeeld van meer dan éénen toestand ligt opgesloten. Het zou echter welligt aanneembaar zijn, dat tusschenτὸenπαρὸν ἀείmoet ingevoegd worden.↑309Daarἀληθεῖςduidelijk opαἰσθήσειςziet, heb ik gemeend dit woord in de vertaling terstond met het voorzetselvante moeten verbinden. Dat dit bijPlatogeen plaats heeft, kan ik, met welke grammaticale kunsttermen het ook bedekt worde, niet anders, dan als een gebrek in zijnen stijl beschouwen.↑310D. i.: niets goeds.↑311Zooals b. v. tegenwoordig de borst door percussie onderzocht wordt.↑312Zie Hoofdst. VIII. op het einde.↑313πεπλήξει. Woordelijk: gij zult getroffen zijn, dat is, hij zal u zoo plotseling antwoorden, dat gij het antwoord reeds beet hebt, als uwe vraag op zijn best is uitgesproken.↑314Het is zeer karakteristiek, dat juistTheodorus, die althans in naam tot dezelfde partij behoorde, dit ongunstige[124]oordeel moest vellen. Hiermede wilPlatote kennen geven, dat het oordeel van een wetenschappelijk mensch van zelf tegen deze leer moest opkomen.↑315Socrateswas beroemd om zijne kunst van de menschen de waarheid als uit de keel te halen. Zelfs hij zou echter met die lieden niets vorderen.↑316παραλαβόνταςhoort niet bijαὐτοὺς, maar is het subject van den infinitivusἐπισκοπεῖσθαι.↑317Het is steeds moeijelijk, bij uitspraken als deze, te beslissen, ofPlatoschertsend of ernstig spreekt. Ik hel echter meer tot het eerste over, en geloof niet, dat hij zulk eenen diepen zin in de oude dichters gezocht heeft, zoo om zijn oordeel over de dichterlijke geestvervoering, gelijk ons dat in den Io wordt medegedeeld, als omdat hij, gelijk bekend is, de dichters uit zijne republiek wilde verbannen.↑318Wij zouden zeggen: jan en alle man.↑319Zie over deze plaats vanParmenides,Karsten,Philosophorum veterum reliquiæ, III. p. 105.↑320Deze plaats is allezins merkwaardig voor het standpunt vanPlato, dat, de eenzijdigheid en relative waarde der Eleatische en Heraclitische wijsbegeerte erkennende, de hoogere eenheid zocht daar te stellen, waarin zij beiden werden opgenomen. Hier schijnt hij echter nog meer tusschen de tegenstrijdige gevoelens in te staan, dan er zich boven verheven te hebben. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 10, 11.↑321Het is juist gezien vanPlato, dat hij hier eene vergelijking bezigt, aan de worstelspelen ontleend, daar dit gesprek, zooals uit Hoofdst. II. blijkt, in een gymnasium (school van ligchaamsoefeningen) gehouden is, of althans alzoo wordt voorgesteld.↑322Δοκεῖ—κινεῖσθαι. De woordenποῖον τί ποτε ἄρα λέγοντες φασὶ τὰ πάντα κινεῖσθαιzijn te zamen het subject van het werkwoordδοκεῖ.↑323De leer der beweging heeft bijzonder de aandacht vanAristotelesgetrokken. In zijne Physische voorlezingen behandelt hij haar op vele plaatsen vrij uitvoerig. In het Veboek, cap. 3, stelt hij drie soorten van beweging, naar de drie categoriën der hoegrootheid, der hoedanigheid en van de plaats; namelijk vermeerdering en vermindering, verandering, en plaatsverwisseling. Van die laatste erkende hij drie soorten, de cirkelbeweging, de beweging in eene regte lijn, en de gemengde. Van de soorten van beweging hield hij de plaatsverwisseling voor de eerste, en van de soorten van plaatsverwisseling de cirkelbeweging. Verder beredeneert hij, dat alle beweging eene bewegende oorzaak vordert, en dat de eerste bewegende oorzaak zelve onbewogen zijn moet. Daar nu het heelal voortdurende beweging vertoont, zoo moet er eene onbewogene oorzaak van de beweging des heelals zijn, waarmede het bestaan der Godheid als oorzaak van de beweging des heelals bewezen is.↑324Hier staat in de handschriftenπεριφοράν,cirkelbeweging, maarHeindorfheeft te regt opgemerkt, dat, daar de cirkelbeweging slechts een onderdeel is van de tweede soort, die hier bedoeld wordt, voorπεριφοράνlieverφοράνmoet gelezen worden.↑325Wij zien hier de moeijelijkheid, waarin men komt, door bijzondere stellingen algemeen te maken, of hetgeen alleen onder zekere bepalingen geldt, onbepaald te willen staande houden. Dat alles in beweging is, geldt alleen van de verschijnselen, maar door het als volstrekt algemeene waarheid te verkondigen, werden zij genoodzaakt alle bestaan, alle waarheid, alle waarneming te ontkennen, zooals in het vervolg doorPlatowordt aangetoond.↑326πᾶσαν κίνησιν. Woordelijk:volgens alle beweging, maar alle beweging omvat noodzakelijk de beide soorten van beweging, waarom ik gemeend heb, het aldus te mogen overzetten.↑327Hoofdst. XII.↑328Algemeene begrippen vast te houden, schijnt voorPlato’stijdgenooten verbazend moeijelijk geweest te zijn, daar hij hierSocrateszelfs aan eenen meetkundige laat zeggen, dat hij dit waarschijnlijk niet begrijpen zal. Het is echter mogelijk, dat het woordποιότηςtoen ter tijde nog ongewoon was. Zie overigens blz. 22.(2).↑329Woordelijk: hoor het dan bij stukken.↑330τὰ αἰσθητὰ. Hier wordt natuurlijk niet van het ontstaan der gevoeldedingen, maar van het ontstaan dergevoeldedingen gesproken. De dingen bestonden vroeger evenzeer, maar niet alsgevoeldedingen.↑331ἀλλ’ ἐξ—αἰσθανόμενα. τὰς αἰσθήσεις καὶ τὰ αἰσθητὰis het object vanἀποτίκτοντα. Het lidwoord voorἀποτίκτονταzal weggelaten zijn, om eene te groote opeenstapeling van lidwoorden te voorkomen, daar dadelijk nogτὰ μὲν—τὰ δὲvolgt.↑332Deze bevestigende vraag past zeer goed in den mond vanTheodorus, die daarin zijn eigen gevoelen had wedergevonden, en dus die uiteenzetting met veel belangstelling gevolgd was.↑333οὗ ἕνεκα. Eigenlijkwaarom, doch daar het doel des gespreks meestal, en hier althans zeker, in het ophelderen van het onderwerp des gespreks moet gezocht worden, heb ik gemeend,waaroverte mogen vertalen.↑334Zoo het alleen van plaats verwisselde, maar niet veranderde, dan zouden er bepaalde dingen zijn, die in beweging waren, en het zou dus mogelijk zijn, datgene, wat in beweging was, met eenen vasten naam te bestempelen.↑335Dit is geheel consequent, want zoo alles niet alleen steeds in beweging was, maar tevens aanhoudend veranderde, zoodat er letterlijk niets blijvends gevonden werd, dan zou iedere naam één enkel oogenblik gelden, daar in het volgende tijdstip een andere naam zou vereischt worden.↑336Woordelijk: dat zij ooit in het zien of hooren blijft. De zin is dus, gelijk uit het vervolg blijkt, dat, zoo alles steeds verandert, ook de aandoeningen des gevoels geen oogenblik dezelfde blijven en alzoo de bestendigheid missen, die bij de kennis gevorderd wordt.↑337Dit is maar half goed, want al is alle kennis gevoel, dan is daarom alle gevoel nog geen kennis. Het volgde echter uit de leer vanProtagoras, die kennis en gevoel als genoegzaam hetzelfde beschouwde, weshalve ook[132]in dien geest gevoel, niet als het geslacht, waaronder ook kennis behoort, maar als identisch met kennis beschouwd is.↑338Namelijk, het antwoord op de vraag: wat is kennis? te weten: kennis is gevoel.↑339αὐτοὺς. Ik heb hier vroegerἄτταwillen lezen, hetgeen dezen zin zou geven: om niets door onze woorden te doen stil staan. Men kan echterαὐτοὺςbehouden, en het op de voorstanders van de leer der beweging laten zien, ofαὑτοὺςlezen, wanneer het beteekenen zou: om ons zelven niet tot stilstand te nopen. Overαὑτοὺςbij den eersten persoon, zieButtmann, Gr. Gr. § 127. Anm. 5.↑340Ik hebδέhier doorwantvertaald, zonder daarom te beweren, datδὲooit want kan beteekenen. De woorden:δεῖ δὲ—λέγεινgeven de tegenstelling tegen het naastvoorgaande, dat afgekeurd wordt. Daarom geven zij de reden dier afkeuring, hetgeen in de Hollandsche uitdrukking[133]wordt te kennen gegeven, terwijl de Grieksche zich met het aanduiden der tegenstelling vergenoegt.↑341Zie hoofdst. XXI.↑342Zie hoofdst. XXVII op het einde. HoewelSocrateszelf hier weigert de Eleaten te bestrijden, heeftPlatohet daar aangeduide in den sophist, die zich onmiddellijk aan den Theaetetus aansluit, volvoerd. Hij heeft daar echter aan de Eleaten de beleefdheid bewezen, dat hij hun standpunt niet doorSocrates, maar door eenen Eleatischen vreemdeling laat weêrleggen; denkelijk, om aan te duiden,[134]dat hunne leer slechts eene meerdere ontwikkeling behoefde, daar zij naar zijn oordeel op den regten weg waren.↑343Ἱππέας εἰς πεδίον προκαλεῖ. Het is bekend, dat ruiterij in de bergen weinig, maar in de vlakte veel kan uitrigten, en dat daarom een leger, welks voornaamste kracht in de ruiterij bestaat, zijne stellingen in de vlakte neemt. Dus wordt ruiters in de vlakte te roepen, gezegd voor iemand tot iets uit te noodigen, dat hij gaarne doet.↑344Hier wordt deParmenidesreeds voorbereid, waarin dit gesprek wordt beschreven, of liever, waarin een dialectisch onderzoek voorkomt, dat ingekleed is in den vorm van een gesprek tusschenSocratesenParmenides.Platoheeft in dat werk zijnen eerbied voorParmenidesdoen blijken, doorSocrateszelven, hoewel als een knaap, doorParmenideste laten weêrleggen.↑345Dat wij, ook al waren al de uitdrukkingen ons duidelijk, toch den zamenhang der redekaveling niet zouden kunnen begrijpen.↑346ἄσκεπτον γένηται ὑπὸ τῶν ἐπεισκωμαζόντων λόγων. Het voorzetselὑπὸwordt achterἄσκεπτον γένηταιgeplaatst, daar de zin dezer woorden is, dat de indringende redekavelingen de oorzaak zouden zijn, waardoor dat onderwerp niet zou behandeld worden; zoodat de zin der uitdrukking dezelfde is, als ware dit laatste door een passivum uitgedrukt. Overigens wordtἐπεισκωμάζωeigenlijk gezegd van eenen troep beschonken jongelieden, die, van een feest komende, gezamenlijk ergens indringen.↑347πειρᾶσθαιhangt nog af vanδεῖ δὲ. Bijοὐδέτεραkan men gevoegelijkποιεῖνverstaan, tenzij menδεῖals gedeeltelijk persoonlijk wil opvatten, enοὐδέτεραals deszelfs subject beschouwen.↑348ἔστι δὲ ὅτεbeteekent hetzelfde als onssomtijds. De uitdrukking heeft de kracht van een bijwoord gekregen, maar oorspronkelijk schijnt zij te beteekenen:maar er zijn gevallen, wanneer.↑349ἐπιλαβέσθαιbeteekent eigenlijkaanpakken, hetgeen ook wij in het dagelijksch leven wel bezigen van het bestrijden eener meening.↑350ᾧ—δι’ οὗ. Wanneer, zoo als hier,ᾧenδι’ οὗvan elkander onderscheiden worden, beteekentᾧdatgene, wat[137]naauwer verbonden is met den handelenden, terwijlδι’ οὗeen van hem onderscheiden werktuig beteekent. Zoo gesproken werd van eenen sterrekundige, die met zijne oogen door eenen kijker de sterren beschouwt, dan zouᾧvan de oogen,δι’ οὗvan den kijker gezegd worden. Hier komt ongeveer hetzelfde onderscheid voor, datSocratesin den Phaedo maakt tusschen de beginselen, waaruit hij handelde, en zijne ledematen, die hij tot die handelingen noodig had. Zie mijne vertaling bl. 117 en volgg.↑351Dit is eene zinspeling op het Trojaansche paard, waarin de Grieksche helden zaten, dieTrojehebben ingenomen. Dezelfde vergelijking bezigtCiceroin eenen anderen zin, wanneer hij zegt, dat, gelijk uit het Trojaansche paard niets dan helden kwamen, de school vanIsocratesslechts groote redenaars opleverde. ZieCic., de Orat. II. c. 22.↑352Namelijk de zinnen.↑353τινι ἡμῶν αὐτῶν τῷ αὐτῷ. τινιenτῷ αὐτῷhoort bij elkander, en drukt te zamen uit, dat niet zoo zeer de zaak zelve, waarmede dit geschiedt, als wel hare identiteit bij de verschillende verschijnselen wordt onderzocht.↑354ἴσως δὲ βέλτιον—μᾶλλον. Zoo men niet erkennen wil, datPlatozich hier aan eene zekere wijdloopigheid schuldig maakt, die trouwens bij hem dikwijls genoeg gevonden wordt, dan moet men aannemen, datβέλτιονop den geheelen zin ziet, vanσὲ λέγεινtotπολυπραγμονεῖν, en dat het andere lid, dat met dezen zin door middel vanβέλτιονvergeleken wordt, geheel verzwegen is. Dit andere lid is dan natuurlijk niet anders dan het volslagen tegendeel van den zin, waarβέλτιονvóórstaat. Overigens is de reden, waarom dit beter is, te zoeken in de eigenaardige methode vanSocrates, die zijne toehoorders liever zelf liet vinden, dan dat hij hun oordeel door zijne uitspraken zocht te wijzigen. Het is de eigenschap der Socratischeμαιευτική, dat de leermeester zich niet op den voorgrond plaatst, maar alleen den leerling aan het denken helpt. Zie blz. 29 volgg.↑355Het zou nog wel mogelijk zijn, het aan beiden gemeenschappelijke in beiden waar te nemen, maar hiermede is dit nog niet als gemeenschappelijk erkend. Daartoe is het noodig, die twee zinnelijke waarnemingen onder een hooger gezigtspunt zamen te vatten, iets, dat buiten het bereik der waarneming van de enkele zinnen valt.↑356Woordelijk: maar de waardoor [werkende] kracht maakt u het aan allen en aan dezen gemeenschappelijke bekend, waaraan gij den naam geeft van het zijn en het niet zijn, en wat wij nu over dezelve vroegen?↑357τὸ ταὐτόν τε καὶ τὸ ἕτερον. Het gebrek van abstracte woorden in de talen is ten allen tijde een kruis voor de wijsgeeren geweest, en heeft ze gedwongen nieuwe woorden te maken, hetgeen aan de literatoren gewoonlijk aanleiding gaf, om hen van barbarismus te beschuldigen. Zulk onverstandig ijveren heeft ons beroofd van het voorregt, in het latijn eene taal der geleerden te bezitten. De scholastici hadden het latijn uit zich zelve ontwikkeld, en geschikt gemaakt tot het uitdrukken der wijsgeerige begrippen. Daar komen de literatoren en roepen: „dat latijn deugt niet, want het werd in den tijd vanAugustuszoo niet gesproken!” Dit oordeel verschrikte de mannen van andere vakken, die latijn schreven, en daar zij het latijn der tijdgenooten vanAugustusniet konden, en het latijn der scholastici niet mogten gebruiken, werden zij gedwongen de geheele taal te laten loopen, en zich ieder van hunne moedertaal te bedienen, hetgeen nadeelig op hunne sympathie voor de studie der oude letteren gewerkt heeft. Nu roepen zij op hunne beurt: „het latijn is nutteloos geworden! Alle vakken zijn reeds zoo goed in de moderne talen behandeld, dat men het latijn wel missen kan!” en daardoor loopt de geheele studie der oude letteren, althans in de verte, gevaar; daar de mannen van andere vakken zich meer en meer van dezelve, als van eenen nutteloozen last, zoeken te ontslaan. Zoo hebben de literatoren door onverstandigen ijver hunne eigen glazen ingeworpen, daar zij niet wilden inzien, dat de ontwikkeling der taal gelijken tred moet houden met de ontwikkeling der denkbeelden, die in die taal worden uitgedrukt.↑
299ἰδίᾳ: d. i. niet voor het publiek, dat zich met bombast laat inpakken, maar in een bedaard gesprek, waar punt voor punt bedaard overwogen wordt.↑300ἔφαμεν, eigenlijk:zeiden, maar zeggen is het gevolg vanoordeelen.↑301Woordelijk: zij die de zich bewegende wezenheid zeggen.↑302D. i.: de naam blijft, zoolang zij niet wordt afgeschaft; doch dit belet niet, dat de zaak ondertusschen geheel van aard kan veranderen; en, al blijft zij nuttig heeten, werkelijk schadelijk kan worden. Wij spreken hier echter van de zaak zelve; de naam is ons onverschillig.↑303τοῦτοnamelijkὠφέλιμον. ὃis de eerste enὠφέλιμονde tweede accusativus vanὀνομάζῃ.↑304ἔστιδέπου καὶ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον. Het geslacht omvat het enkele, dat er toe gerekend wordt. Hier is het toekomstige het geslacht, en het nuttige wordt beschouwd als eene soort, die er toe gerekend wordt. Of dit nuttige nog onder een ander geslacht behoort, wordt hier niet gezegd, en is ook geheel onverschillig. Daarom staatκαὶhier geheel voor niet, terwijl het bijτὸ ὠφέλιμονzeer goed geplaatst is, daar het geslacht meer dan ééne soort omvat, en dus het toekomstige, dat hier als het geslacht beschouwd wordt, meer soorten heeft dan het nuttige alleen. Daarom geloof ik, datκαὶin onzen tekst uitκαὶbijτὸὠφέλιμονontstaan is, en meen in plaats daarvanτὰte moeten lezen.τὰ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνονbeteekent dan de dingen, die op den toekomstigen tijd betrekking hebben, het toekomstige.↑305Dit toevoegsel was noodig omἈλλὰte verklaren, daar het allezins vreemd zou zijn, dat een zin, die dient, om het vorige te bevestigen, metmaarbegint.↑306Hierin ligt eene vrij hatelijke, doch welverdiende beschuldiging vanProtagorasopgesloten. Door consequent op zijne leer door te redeneren, moest alle onderwijs voor gekheid verklaard worden, vooral dat in de welsprekendheid, daar dit juist ten doel heeft, de kunst te leeren om anderen van onze meeningen te overtuigen, en de middelen te bedenken, om den uitslag van een regtsgeding naar ons welgevallen te doen plaats hebben. Dus wasProtagorasóf zeer inconsequent, óf hij was een bedrieger, die anderen voor veel geld eene kunst leerde, welke hij zelf wist, dat geene de minste waarde had. Het voorbeeld van een wigchelaar echter heeft hier niets hatelijks,[121]maar wordt alleen in dezen zin gebezigd, dat al was de wigchelarij eene ware kunst, toch volgensProtagorasde beste wigchelaar niet beter over iemands toekomstigen toestand zou kunnen oordeelen, dan ieder voor zich zelven. Dat echterPlatoniet in de wigchelarij geloofde, meen ik aangetoond te hebben in de aanteekening (2) op blz. 150 mijner vertaling van den Phædo.↑307καὶ πᾶςἂνὁμολογοῖ. Eigenlijk:en ieder zou toestemmen, namelijk, zoo het hem gevraagd werd.↑308τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, ἐξ ὧν. Het pronomen relativum staat hier in het meervoud, omdat inτὸ παρὸν[122]ἑκάστῳ πάθος, zooals uitἑκάστῳblijkt, duidelijk het denkbeeld van meer dan éénen toestand ligt opgesloten. Het zou echter welligt aanneembaar zijn, dat tusschenτὸenπαρὸν ἀείmoet ingevoegd worden.↑309Daarἀληθεῖςduidelijk opαἰσθήσειςziet, heb ik gemeend dit woord in de vertaling terstond met het voorzetselvante moeten verbinden. Dat dit bijPlatogeen plaats heeft, kan ik, met welke grammaticale kunsttermen het ook bedekt worde, niet anders, dan als een gebrek in zijnen stijl beschouwen.↑310D. i.: niets goeds.↑311Zooals b. v. tegenwoordig de borst door percussie onderzocht wordt.↑312Zie Hoofdst. VIII. op het einde.↑313πεπλήξει. Woordelijk: gij zult getroffen zijn, dat is, hij zal u zoo plotseling antwoorden, dat gij het antwoord reeds beet hebt, als uwe vraag op zijn best is uitgesproken.↑314Het is zeer karakteristiek, dat juistTheodorus, die althans in naam tot dezelfde partij behoorde, dit ongunstige[124]oordeel moest vellen. Hiermede wilPlatote kennen geven, dat het oordeel van een wetenschappelijk mensch van zelf tegen deze leer moest opkomen.↑315Socrateswas beroemd om zijne kunst van de menschen de waarheid als uit de keel te halen. Zelfs hij zou echter met die lieden niets vorderen.↑316παραλαβόνταςhoort niet bijαὐτοὺς, maar is het subject van den infinitivusἐπισκοπεῖσθαι.↑317Het is steeds moeijelijk, bij uitspraken als deze, te beslissen, ofPlatoschertsend of ernstig spreekt. Ik hel echter meer tot het eerste over, en geloof niet, dat hij zulk eenen diepen zin in de oude dichters gezocht heeft, zoo om zijn oordeel over de dichterlijke geestvervoering, gelijk ons dat in den Io wordt medegedeeld, als omdat hij, gelijk bekend is, de dichters uit zijne republiek wilde verbannen.↑318Wij zouden zeggen: jan en alle man.↑319Zie over deze plaats vanParmenides,Karsten,Philosophorum veterum reliquiæ, III. p. 105.↑320Deze plaats is allezins merkwaardig voor het standpunt vanPlato, dat, de eenzijdigheid en relative waarde der Eleatische en Heraclitische wijsbegeerte erkennende, de hoogere eenheid zocht daar te stellen, waarin zij beiden werden opgenomen. Hier schijnt hij echter nog meer tusschen de tegenstrijdige gevoelens in te staan, dan er zich boven verheven te hebben. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 10, 11.↑321Het is juist gezien vanPlato, dat hij hier eene vergelijking bezigt, aan de worstelspelen ontleend, daar dit gesprek, zooals uit Hoofdst. II. blijkt, in een gymnasium (school van ligchaamsoefeningen) gehouden is, of althans alzoo wordt voorgesteld.↑322Δοκεῖ—κινεῖσθαι. De woordenποῖον τί ποτε ἄρα λέγοντες φασὶ τὰ πάντα κινεῖσθαιzijn te zamen het subject van het werkwoordδοκεῖ.↑323De leer der beweging heeft bijzonder de aandacht vanAristotelesgetrokken. In zijne Physische voorlezingen behandelt hij haar op vele plaatsen vrij uitvoerig. In het Veboek, cap. 3, stelt hij drie soorten van beweging, naar de drie categoriën der hoegrootheid, der hoedanigheid en van de plaats; namelijk vermeerdering en vermindering, verandering, en plaatsverwisseling. Van die laatste erkende hij drie soorten, de cirkelbeweging, de beweging in eene regte lijn, en de gemengde. Van de soorten van beweging hield hij de plaatsverwisseling voor de eerste, en van de soorten van plaatsverwisseling de cirkelbeweging. Verder beredeneert hij, dat alle beweging eene bewegende oorzaak vordert, en dat de eerste bewegende oorzaak zelve onbewogen zijn moet. Daar nu het heelal voortdurende beweging vertoont, zoo moet er eene onbewogene oorzaak van de beweging des heelals zijn, waarmede het bestaan der Godheid als oorzaak van de beweging des heelals bewezen is.↑324Hier staat in de handschriftenπεριφοράν,cirkelbeweging, maarHeindorfheeft te regt opgemerkt, dat, daar de cirkelbeweging slechts een onderdeel is van de tweede soort, die hier bedoeld wordt, voorπεριφοράνlieverφοράνmoet gelezen worden.↑325Wij zien hier de moeijelijkheid, waarin men komt, door bijzondere stellingen algemeen te maken, of hetgeen alleen onder zekere bepalingen geldt, onbepaald te willen staande houden. Dat alles in beweging is, geldt alleen van de verschijnselen, maar door het als volstrekt algemeene waarheid te verkondigen, werden zij genoodzaakt alle bestaan, alle waarheid, alle waarneming te ontkennen, zooals in het vervolg doorPlatowordt aangetoond.↑326πᾶσαν κίνησιν. Woordelijk:volgens alle beweging, maar alle beweging omvat noodzakelijk de beide soorten van beweging, waarom ik gemeend heb, het aldus te mogen overzetten.↑327Hoofdst. XII.↑328Algemeene begrippen vast te houden, schijnt voorPlato’stijdgenooten verbazend moeijelijk geweest te zijn, daar hij hierSocrateszelfs aan eenen meetkundige laat zeggen, dat hij dit waarschijnlijk niet begrijpen zal. Het is echter mogelijk, dat het woordποιότηςtoen ter tijde nog ongewoon was. Zie overigens blz. 22.(2).↑329Woordelijk: hoor het dan bij stukken.↑330τὰ αἰσθητὰ. Hier wordt natuurlijk niet van het ontstaan der gevoeldedingen, maar van het ontstaan dergevoeldedingen gesproken. De dingen bestonden vroeger evenzeer, maar niet alsgevoeldedingen.↑331ἀλλ’ ἐξ—αἰσθανόμενα. τὰς αἰσθήσεις καὶ τὰ αἰσθητὰis het object vanἀποτίκτοντα. Het lidwoord voorἀποτίκτονταzal weggelaten zijn, om eene te groote opeenstapeling van lidwoorden te voorkomen, daar dadelijk nogτὰ μὲν—τὰ δὲvolgt.↑332Deze bevestigende vraag past zeer goed in den mond vanTheodorus, die daarin zijn eigen gevoelen had wedergevonden, en dus die uiteenzetting met veel belangstelling gevolgd was.↑333οὗ ἕνεκα. Eigenlijkwaarom, doch daar het doel des gespreks meestal, en hier althans zeker, in het ophelderen van het onderwerp des gespreks moet gezocht worden, heb ik gemeend,waaroverte mogen vertalen.↑334Zoo het alleen van plaats verwisselde, maar niet veranderde, dan zouden er bepaalde dingen zijn, die in beweging waren, en het zou dus mogelijk zijn, datgene, wat in beweging was, met eenen vasten naam te bestempelen.↑335Dit is geheel consequent, want zoo alles niet alleen steeds in beweging was, maar tevens aanhoudend veranderde, zoodat er letterlijk niets blijvends gevonden werd, dan zou iedere naam één enkel oogenblik gelden, daar in het volgende tijdstip een andere naam zou vereischt worden.↑336Woordelijk: dat zij ooit in het zien of hooren blijft. De zin is dus, gelijk uit het vervolg blijkt, dat, zoo alles steeds verandert, ook de aandoeningen des gevoels geen oogenblik dezelfde blijven en alzoo de bestendigheid missen, die bij de kennis gevorderd wordt.↑337Dit is maar half goed, want al is alle kennis gevoel, dan is daarom alle gevoel nog geen kennis. Het volgde echter uit de leer vanProtagoras, die kennis en gevoel als genoegzaam hetzelfde beschouwde, weshalve ook[132]in dien geest gevoel, niet als het geslacht, waaronder ook kennis behoort, maar als identisch met kennis beschouwd is.↑338Namelijk, het antwoord op de vraag: wat is kennis? te weten: kennis is gevoel.↑339αὐτοὺς. Ik heb hier vroegerἄτταwillen lezen, hetgeen dezen zin zou geven: om niets door onze woorden te doen stil staan. Men kan echterαὐτοὺςbehouden, en het op de voorstanders van de leer der beweging laten zien, ofαὑτοὺςlezen, wanneer het beteekenen zou: om ons zelven niet tot stilstand te nopen. Overαὑτοὺςbij den eersten persoon, zieButtmann, Gr. Gr. § 127. Anm. 5.↑340Ik hebδέhier doorwantvertaald, zonder daarom te beweren, datδὲooit want kan beteekenen. De woorden:δεῖ δὲ—λέγεινgeven de tegenstelling tegen het naastvoorgaande, dat afgekeurd wordt. Daarom geven zij de reden dier afkeuring, hetgeen in de Hollandsche uitdrukking[133]wordt te kennen gegeven, terwijl de Grieksche zich met het aanduiden der tegenstelling vergenoegt.↑341Zie hoofdst. XXI.↑342Zie hoofdst. XXVII op het einde. HoewelSocrateszelf hier weigert de Eleaten te bestrijden, heeftPlatohet daar aangeduide in den sophist, die zich onmiddellijk aan den Theaetetus aansluit, volvoerd. Hij heeft daar echter aan de Eleaten de beleefdheid bewezen, dat hij hun standpunt niet doorSocrates, maar door eenen Eleatischen vreemdeling laat weêrleggen; denkelijk, om aan te duiden,[134]dat hunne leer slechts eene meerdere ontwikkeling behoefde, daar zij naar zijn oordeel op den regten weg waren.↑343Ἱππέας εἰς πεδίον προκαλεῖ. Het is bekend, dat ruiterij in de bergen weinig, maar in de vlakte veel kan uitrigten, en dat daarom een leger, welks voornaamste kracht in de ruiterij bestaat, zijne stellingen in de vlakte neemt. Dus wordt ruiters in de vlakte te roepen, gezegd voor iemand tot iets uit te noodigen, dat hij gaarne doet.↑344Hier wordt deParmenidesreeds voorbereid, waarin dit gesprek wordt beschreven, of liever, waarin een dialectisch onderzoek voorkomt, dat ingekleed is in den vorm van een gesprek tusschenSocratesenParmenides.Platoheeft in dat werk zijnen eerbied voorParmenidesdoen blijken, doorSocrateszelven, hoewel als een knaap, doorParmenideste laten weêrleggen.↑345Dat wij, ook al waren al de uitdrukkingen ons duidelijk, toch den zamenhang der redekaveling niet zouden kunnen begrijpen.↑346ἄσκεπτον γένηται ὑπὸ τῶν ἐπεισκωμαζόντων λόγων. Het voorzetselὑπὸwordt achterἄσκεπτον γένηταιgeplaatst, daar de zin dezer woorden is, dat de indringende redekavelingen de oorzaak zouden zijn, waardoor dat onderwerp niet zou behandeld worden; zoodat de zin der uitdrukking dezelfde is, als ware dit laatste door een passivum uitgedrukt. Overigens wordtἐπεισκωμάζωeigenlijk gezegd van eenen troep beschonken jongelieden, die, van een feest komende, gezamenlijk ergens indringen.↑347πειρᾶσθαιhangt nog af vanδεῖ δὲ. Bijοὐδέτεραkan men gevoegelijkποιεῖνverstaan, tenzij menδεῖals gedeeltelijk persoonlijk wil opvatten, enοὐδέτεραals deszelfs subject beschouwen.↑348ἔστι δὲ ὅτεbeteekent hetzelfde als onssomtijds. De uitdrukking heeft de kracht van een bijwoord gekregen, maar oorspronkelijk schijnt zij te beteekenen:maar er zijn gevallen, wanneer.↑349ἐπιλαβέσθαιbeteekent eigenlijkaanpakken, hetgeen ook wij in het dagelijksch leven wel bezigen van het bestrijden eener meening.↑350ᾧ—δι’ οὗ. Wanneer, zoo als hier,ᾧenδι’ οὗvan elkander onderscheiden worden, beteekentᾧdatgene, wat[137]naauwer verbonden is met den handelenden, terwijlδι’ οὗeen van hem onderscheiden werktuig beteekent. Zoo gesproken werd van eenen sterrekundige, die met zijne oogen door eenen kijker de sterren beschouwt, dan zouᾧvan de oogen,δι’ οὗvan den kijker gezegd worden. Hier komt ongeveer hetzelfde onderscheid voor, datSocratesin den Phaedo maakt tusschen de beginselen, waaruit hij handelde, en zijne ledematen, die hij tot die handelingen noodig had. Zie mijne vertaling bl. 117 en volgg.↑351Dit is eene zinspeling op het Trojaansche paard, waarin de Grieksche helden zaten, dieTrojehebben ingenomen. Dezelfde vergelijking bezigtCiceroin eenen anderen zin, wanneer hij zegt, dat, gelijk uit het Trojaansche paard niets dan helden kwamen, de school vanIsocratesslechts groote redenaars opleverde. ZieCic., de Orat. II. c. 22.↑352Namelijk de zinnen.↑353τινι ἡμῶν αὐτῶν τῷ αὐτῷ. τινιenτῷ αὐτῷhoort bij elkander, en drukt te zamen uit, dat niet zoo zeer de zaak zelve, waarmede dit geschiedt, als wel hare identiteit bij de verschillende verschijnselen wordt onderzocht.↑354ἴσως δὲ βέλτιον—μᾶλλον. Zoo men niet erkennen wil, datPlatozich hier aan eene zekere wijdloopigheid schuldig maakt, die trouwens bij hem dikwijls genoeg gevonden wordt, dan moet men aannemen, datβέλτιονop den geheelen zin ziet, vanσὲ λέγεινtotπολυπραγμονεῖν, en dat het andere lid, dat met dezen zin door middel vanβέλτιονvergeleken wordt, geheel verzwegen is. Dit andere lid is dan natuurlijk niet anders dan het volslagen tegendeel van den zin, waarβέλτιονvóórstaat. Overigens is de reden, waarom dit beter is, te zoeken in de eigenaardige methode vanSocrates, die zijne toehoorders liever zelf liet vinden, dan dat hij hun oordeel door zijne uitspraken zocht te wijzigen. Het is de eigenschap der Socratischeμαιευτική, dat de leermeester zich niet op den voorgrond plaatst, maar alleen den leerling aan het denken helpt. Zie blz. 29 volgg.↑355Het zou nog wel mogelijk zijn, het aan beiden gemeenschappelijke in beiden waar te nemen, maar hiermede is dit nog niet als gemeenschappelijk erkend. Daartoe is het noodig, die twee zinnelijke waarnemingen onder een hooger gezigtspunt zamen te vatten, iets, dat buiten het bereik der waarneming van de enkele zinnen valt.↑356Woordelijk: maar de waardoor [werkende] kracht maakt u het aan allen en aan dezen gemeenschappelijke bekend, waaraan gij den naam geeft van het zijn en het niet zijn, en wat wij nu over dezelve vroegen?↑357τὸ ταὐτόν τε καὶ τὸ ἕτερον. Het gebrek van abstracte woorden in de talen is ten allen tijde een kruis voor de wijsgeeren geweest, en heeft ze gedwongen nieuwe woorden te maken, hetgeen aan de literatoren gewoonlijk aanleiding gaf, om hen van barbarismus te beschuldigen. Zulk onverstandig ijveren heeft ons beroofd van het voorregt, in het latijn eene taal der geleerden te bezitten. De scholastici hadden het latijn uit zich zelve ontwikkeld, en geschikt gemaakt tot het uitdrukken der wijsgeerige begrippen. Daar komen de literatoren en roepen: „dat latijn deugt niet, want het werd in den tijd vanAugustuszoo niet gesproken!” Dit oordeel verschrikte de mannen van andere vakken, die latijn schreven, en daar zij het latijn der tijdgenooten vanAugustusniet konden, en het latijn der scholastici niet mogten gebruiken, werden zij gedwongen de geheele taal te laten loopen, en zich ieder van hunne moedertaal te bedienen, hetgeen nadeelig op hunne sympathie voor de studie der oude letteren gewerkt heeft. Nu roepen zij op hunne beurt: „het latijn is nutteloos geworden! Alle vakken zijn reeds zoo goed in de moderne talen behandeld, dat men het latijn wel missen kan!” en daardoor loopt de geheele studie der oude letteren, althans in de verte, gevaar; daar de mannen van andere vakken zich meer en meer van dezelve, als van eenen nutteloozen last, zoeken te ontslaan. Zoo hebben de literatoren door onverstandigen ijver hunne eigen glazen ingeworpen, daar zij niet wilden inzien, dat de ontwikkeling der taal gelijken tred moet houden met de ontwikkeling der denkbeelden, die in die taal worden uitgedrukt.↑
299ἰδίᾳ: d. i. niet voor het publiek, dat zich met bombast laat inpakken, maar in een bedaard gesprek, waar punt voor punt bedaard overwogen wordt.↑300ἔφαμεν, eigenlijk:zeiden, maar zeggen is het gevolg vanoordeelen.↑301Woordelijk: zij die de zich bewegende wezenheid zeggen.↑302D. i.: de naam blijft, zoolang zij niet wordt afgeschaft; doch dit belet niet, dat de zaak ondertusschen geheel van aard kan veranderen; en, al blijft zij nuttig heeten, werkelijk schadelijk kan worden. Wij spreken hier echter van de zaak zelve; de naam is ons onverschillig.↑303τοῦτοnamelijkὠφέλιμον. ὃis de eerste enὠφέλιμονde tweede accusativus vanὀνομάζῃ.↑304ἔστιδέπου καὶ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον. Het geslacht omvat het enkele, dat er toe gerekend wordt. Hier is het toekomstige het geslacht, en het nuttige wordt beschouwd als eene soort, die er toe gerekend wordt. Of dit nuttige nog onder een ander geslacht behoort, wordt hier niet gezegd, en is ook geheel onverschillig. Daarom staatκαὶhier geheel voor niet, terwijl het bijτὸ ὠφέλιμονzeer goed geplaatst is, daar het geslacht meer dan ééne soort omvat, en dus het toekomstige, dat hier als het geslacht beschouwd wordt, meer soorten heeft dan het nuttige alleen. Daarom geloof ik, datκαὶin onzen tekst uitκαὶbijτὸὠφέλιμονontstaan is, en meen in plaats daarvanτὰte moeten lezen.τὰ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνονbeteekent dan de dingen, die op den toekomstigen tijd betrekking hebben, het toekomstige.↑305Dit toevoegsel was noodig omἈλλὰte verklaren, daar het allezins vreemd zou zijn, dat een zin, die dient, om het vorige te bevestigen, metmaarbegint.↑306Hierin ligt eene vrij hatelijke, doch welverdiende beschuldiging vanProtagorasopgesloten. Door consequent op zijne leer door te redeneren, moest alle onderwijs voor gekheid verklaard worden, vooral dat in de welsprekendheid, daar dit juist ten doel heeft, de kunst te leeren om anderen van onze meeningen te overtuigen, en de middelen te bedenken, om den uitslag van een regtsgeding naar ons welgevallen te doen plaats hebben. Dus wasProtagorasóf zeer inconsequent, óf hij was een bedrieger, die anderen voor veel geld eene kunst leerde, welke hij zelf wist, dat geene de minste waarde had. Het voorbeeld van een wigchelaar echter heeft hier niets hatelijks,[121]maar wordt alleen in dezen zin gebezigd, dat al was de wigchelarij eene ware kunst, toch volgensProtagorasde beste wigchelaar niet beter over iemands toekomstigen toestand zou kunnen oordeelen, dan ieder voor zich zelven. Dat echterPlatoniet in de wigchelarij geloofde, meen ik aangetoond te hebben in de aanteekening (2) op blz. 150 mijner vertaling van den Phædo.↑307καὶ πᾶςἂνὁμολογοῖ. Eigenlijk:en ieder zou toestemmen, namelijk, zoo het hem gevraagd werd.↑308τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, ἐξ ὧν. Het pronomen relativum staat hier in het meervoud, omdat inτὸ παρὸν[122]ἑκάστῳ πάθος, zooals uitἑκάστῳblijkt, duidelijk het denkbeeld van meer dan éénen toestand ligt opgesloten. Het zou echter welligt aanneembaar zijn, dat tusschenτὸenπαρὸν ἀείmoet ingevoegd worden.↑309Daarἀληθεῖςduidelijk opαἰσθήσειςziet, heb ik gemeend dit woord in de vertaling terstond met het voorzetselvante moeten verbinden. Dat dit bijPlatogeen plaats heeft, kan ik, met welke grammaticale kunsttermen het ook bedekt worde, niet anders, dan als een gebrek in zijnen stijl beschouwen.↑310D. i.: niets goeds.↑311Zooals b. v. tegenwoordig de borst door percussie onderzocht wordt.↑312Zie Hoofdst. VIII. op het einde.↑313πεπλήξει. Woordelijk: gij zult getroffen zijn, dat is, hij zal u zoo plotseling antwoorden, dat gij het antwoord reeds beet hebt, als uwe vraag op zijn best is uitgesproken.↑314Het is zeer karakteristiek, dat juistTheodorus, die althans in naam tot dezelfde partij behoorde, dit ongunstige[124]oordeel moest vellen. Hiermede wilPlatote kennen geven, dat het oordeel van een wetenschappelijk mensch van zelf tegen deze leer moest opkomen.↑315Socrateswas beroemd om zijne kunst van de menschen de waarheid als uit de keel te halen. Zelfs hij zou echter met die lieden niets vorderen.↑316παραλαβόνταςhoort niet bijαὐτοὺς, maar is het subject van den infinitivusἐπισκοπεῖσθαι.↑317Het is steeds moeijelijk, bij uitspraken als deze, te beslissen, ofPlatoschertsend of ernstig spreekt. Ik hel echter meer tot het eerste over, en geloof niet, dat hij zulk eenen diepen zin in de oude dichters gezocht heeft, zoo om zijn oordeel over de dichterlijke geestvervoering, gelijk ons dat in den Io wordt medegedeeld, als omdat hij, gelijk bekend is, de dichters uit zijne republiek wilde verbannen.↑318Wij zouden zeggen: jan en alle man.↑319Zie over deze plaats vanParmenides,Karsten,Philosophorum veterum reliquiæ, III. p. 105.↑320Deze plaats is allezins merkwaardig voor het standpunt vanPlato, dat, de eenzijdigheid en relative waarde der Eleatische en Heraclitische wijsbegeerte erkennende, de hoogere eenheid zocht daar te stellen, waarin zij beiden werden opgenomen. Hier schijnt hij echter nog meer tusschen de tegenstrijdige gevoelens in te staan, dan er zich boven verheven te hebben. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 10, 11.↑321Het is juist gezien vanPlato, dat hij hier eene vergelijking bezigt, aan de worstelspelen ontleend, daar dit gesprek, zooals uit Hoofdst. II. blijkt, in een gymnasium (school van ligchaamsoefeningen) gehouden is, of althans alzoo wordt voorgesteld.↑322Δοκεῖ—κινεῖσθαι. De woordenποῖον τί ποτε ἄρα λέγοντες φασὶ τὰ πάντα κινεῖσθαιzijn te zamen het subject van het werkwoordδοκεῖ.↑323De leer der beweging heeft bijzonder de aandacht vanAristotelesgetrokken. In zijne Physische voorlezingen behandelt hij haar op vele plaatsen vrij uitvoerig. In het Veboek, cap. 3, stelt hij drie soorten van beweging, naar de drie categoriën der hoegrootheid, der hoedanigheid en van de plaats; namelijk vermeerdering en vermindering, verandering, en plaatsverwisseling. Van die laatste erkende hij drie soorten, de cirkelbeweging, de beweging in eene regte lijn, en de gemengde. Van de soorten van beweging hield hij de plaatsverwisseling voor de eerste, en van de soorten van plaatsverwisseling de cirkelbeweging. Verder beredeneert hij, dat alle beweging eene bewegende oorzaak vordert, en dat de eerste bewegende oorzaak zelve onbewogen zijn moet. Daar nu het heelal voortdurende beweging vertoont, zoo moet er eene onbewogene oorzaak van de beweging des heelals zijn, waarmede het bestaan der Godheid als oorzaak van de beweging des heelals bewezen is.↑324Hier staat in de handschriftenπεριφοράν,cirkelbeweging, maarHeindorfheeft te regt opgemerkt, dat, daar de cirkelbeweging slechts een onderdeel is van de tweede soort, die hier bedoeld wordt, voorπεριφοράνlieverφοράνmoet gelezen worden.↑325Wij zien hier de moeijelijkheid, waarin men komt, door bijzondere stellingen algemeen te maken, of hetgeen alleen onder zekere bepalingen geldt, onbepaald te willen staande houden. Dat alles in beweging is, geldt alleen van de verschijnselen, maar door het als volstrekt algemeene waarheid te verkondigen, werden zij genoodzaakt alle bestaan, alle waarheid, alle waarneming te ontkennen, zooals in het vervolg doorPlatowordt aangetoond.↑326πᾶσαν κίνησιν. Woordelijk:volgens alle beweging, maar alle beweging omvat noodzakelijk de beide soorten van beweging, waarom ik gemeend heb, het aldus te mogen overzetten.↑327Hoofdst. XII.↑328Algemeene begrippen vast te houden, schijnt voorPlato’stijdgenooten verbazend moeijelijk geweest te zijn, daar hij hierSocrateszelfs aan eenen meetkundige laat zeggen, dat hij dit waarschijnlijk niet begrijpen zal. Het is echter mogelijk, dat het woordποιότηςtoen ter tijde nog ongewoon was. Zie overigens blz. 22.(2).↑329Woordelijk: hoor het dan bij stukken.↑330τὰ αἰσθητὰ. Hier wordt natuurlijk niet van het ontstaan der gevoeldedingen, maar van het ontstaan dergevoeldedingen gesproken. De dingen bestonden vroeger evenzeer, maar niet alsgevoeldedingen.↑331ἀλλ’ ἐξ—αἰσθανόμενα. τὰς αἰσθήσεις καὶ τὰ αἰσθητὰis het object vanἀποτίκτοντα. Het lidwoord voorἀποτίκτονταzal weggelaten zijn, om eene te groote opeenstapeling van lidwoorden te voorkomen, daar dadelijk nogτὰ μὲν—τὰ δὲvolgt.↑332Deze bevestigende vraag past zeer goed in den mond vanTheodorus, die daarin zijn eigen gevoelen had wedergevonden, en dus die uiteenzetting met veel belangstelling gevolgd was.↑333οὗ ἕνεκα. Eigenlijkwaarom, doch daar het doel des gespreks meestal, en hier althans zeker, in het ophelderen van het onderwerp des gespreks moet gezocht worden, heb ik gemeend,waaroverte mogen vertalen.↑334Zoo het alleen van plaats verwisselde, maar niet veranderde, dan zouden er bepaalde dingen zijn, die in beweging waren, en het zou dus mogelijk zijn, datgene, wat in beweging was, met eenen vasten naam te bestempelen.↑335Dit is geheel consequent, want zoo alles niet alleen steeds in beweging was, maar tevens aanhoudend veranderde, zoodat er letterlijk niets blijvends gevonden werd, dan zou iedere naam één enkel oogenblik gelden, daar in het volgende tijdstip een andere naam zou vereischt worden.↑336Woordelijk: dat zij ooit in het zien of hooren blijft. De zin is dus, gelijk uit het vervolg blijkt, dat, zoo alles steeds verandert, ook de aandoeningen des gevoels geen oogenblik dezelfde blijven en alzoo de bestendigheid missen, die bij de kennis gevorderd wordt.↑337Dit is maar half goed, want al is alle kennis gevoel, dan is daarom alle gevoel nog geen kennis. Het volgde echter uit de leer vanProtagoras, die kennis en gevoel als genoegzaam hetzelfde beschouwde, weshalve ook[132]in dien geest gevoel, niet als het geslacht, waaronder ook kennis behoort, maar als identisch met kennis beschouwd is.↑338Namelijk, het antwoord op de vraag: wat is kennis? te weten: kennis is gevoel.↑339αὐτοὺς. Ik heb hier vroegerἄτταwillen lezen, hetgeen dezen zin zou geven: om niets door onze woorden te doen stil staan. Men kan echterαὐτοὺςbehouden, en het op de voorstanders van de leer der beweging laten zien, ofαὑτοὺςlezen, wanneer het beteekenen zou: om ons zelven niet tot stilstand te nopen. Overαὑτοὺςbij den eersten persoon, zieButtmann, Gr. Gr. § 127. Anm. 5.↑340Ik hebδέhier doorwantvertaald, zonder daarom te beweren, datδὲooit want kan beteekenen. De woorden:δεῖ δὲ—λέγεινgeven de tegenstelling tegen het naastvoorgaande, dat afgekeurd wordt. Daarom geven zij de reden dier afkeuring, hetgeen in de Hollandsche uitdrukking[133]wordt te kennen gegeven, terwijl de Grieksche zich met het aanduiden der tegenstelling vergenoegt.↑341Zie hoofdst. XXI.↑342Zie hoofdst. XXVII op het einde. HoewelSocrateszelf hier weigert de Eleaten te bestrijden, heeftPlatohet daar aangeduide in den sophist, die zich onmiddellijk aan den Theaetetus aansluit, volvoerd. Hij heeft daar echter aan de Eleaten de beleefdheid bewezen, dat hij hun standpunt niet doorSocrates, maar door eenen Eleatischen vreemdeling laat weêrleggen; denkelijk, om aan te duiden,[134]dat hunne leer slechts eene meerdere ontwikkeling behoefde, daar zij naar zijn oordeel op den regten weg waren.↑343Ἱππέας εἰς πεδίον προκαλεῖ. Het is bekend, dat ruiterij in de bergen weinig, maar in de vlakte veel kan uitrigten, en dat daarom een leger, welks voornaamste kracht in de ruiterij bestaat, zijne stellingen in de vlakte neemt. Dus wordt ruiters in de vlakte te roepen, gezegd voor iemand tot iets uit te noodigen, dat hij gaarne doet.↑344Hier wordt deParmenidesreeds voorbereid, waarin dit gesprek wordt beschreven, of liever, waarin een dialectisch onderzoek voorkomt, dat ingekleed is in den vorm van een gesprek tusschenSocratesenParmenides.Platoheeft in dat werk zijnen eerbied voorParmenidesdoen blijken, doorSocrateszelven, hoewel als een knaap, doorParmenideste laten weêrleggen.↑345Dat wij, ook al waren al de uitdrukkingen ons duidelijk, toch den zamenhang der redekaveling niet zouden kunnen begrijpen.↑346ἄσκεπτον γένηται ὑπὸ τῶν ἐπεισκωμαζόντων λόγων. Het voorzetselὑπὸwordt achterἄσκεπτον γένηταιgeplaatst, daar de zin dezer woorden is, dat de indringende redekavelingen de oorzaak zouden zijn, waardoor dat onderwerp niet zou behandeld worden; zoodat de zin der uitdrukking dezelfde is, als ware dit laatste door een passivum uitgedrukt. Overigens wordtἐπεισκωμάζωeigenlijk gezegd van eenen troep beschonken jongelieden, die, van een feest komende, gezamenlijk ergens indringen.↑347πειρᾶσθαιhangt nog af vanδεῖ δὲ. Bijοὐδέτεραkan men gevoegelijkποιεῖνverstaan, tenzij menδεῖals gedeeltelijk persoonlijk wil opvatten, enοὐδέτεραals deszelfs subject beschouwen.↑348ἔστι δὲ ὅτεbeteekent hetzelfde als onssomtijds. De uitdrukking heeft de kracht van een bijwoord gekregen, maar oorspronkelijk schijnt zij te beteekenen:maar er zijn gevallen, wanneer.↑349ἐπιλαβέσθαιbeteekent eigenlijkaanpakken, hetgeen ook wij in het dagelijksch leven wel bezigen van het bestrijden eener meening.↑350ᾧ—δι’ οὗ. Wanneer, zoo als hier,ᾧenδι’ οὗvan elkander onderscheiden worden, beteekentᾧdatgene, wat[137]naauwer verbonden is met den handelenden, terwijlδι’ οὗeen van hem onderscheiden werktuig beteekent. Zoo gesproken werd van eenen sterrekundige, die met zijne oogen door eenen kijker de sterren beschouwt, dan zouᾧvan de oogen,δι’ οὗvan den kijker gezegd worden. Hier komt ongeveer hetzelfde onderscheid voor, datSocratesin den Phaedo maakt tusschen de beginselen, waaruit hij handelde, en zijne ledematen, die hij tot die handelingen noodig had. Zie mijne vertaling bl. 117 en volgg.↑351Dit is eene zinspeling op het Trojaansche paard, waarin de Grieksche helden zaten, dieTrojehebben ingenomen. Dezelfde vergelijking bezigtCiceroin eenen anderen zin, wanneer hij zegt, dat, gelijk uit het Trojaansche paard niets dan helden kwamen, de school vanIsocratesslechts groote redenaars opleverde. ZieCic., de Orat. II. c. 22.↑352Namelijk de zinnen.↑353τινι ἡμῶν αὐτῶν τῷ αὐτῷ. τινιenτῷ αὐτῷhoort bij elkander, en drukt te zamen uit, dat niet zoo zeer de zaak zelve, waarmede dit geschiedt, als wel hare identiteit bij de verschillende verschijnselen wordt onderzocht.↑354ἴσως δὲ βέλτιον—μᾶλλον. Zoo men niet erkennen wil, datPlatozich hier aan eene zekere wijdloopigheid schuldig maakt, die trouwens bij hem dikwijls genoeg gevonden wordt, dan moet men aannemen, datβέλτιονop den geheelen zin ziet, vanσὲ λέγεινtotπολυπραγμονεῖν, en dat het andere lid, dat met dezen zin door middel vanβέλτιονvergeleken wordt, geheel verzwegen is. Dit andere lid is dan natuurlijk niet anders dan het volslagen tegendeel van den zin, waarβέλτιονvóórstaat. Overigens is de reden, waarom dit beter is, te zoeken in de eigenaardige methode vanSocrates, die zijne toehoorders liever zelf liet vinden, dan dat hij hun oordeel door zijne uitspraken zocht te wijzigen. Het is de eigenschap der Socratischeμαιευτική, dat de leermeester zich niet op den voorgrond plaatst, maar alleen den leerling aan het denken helpt. Zie blz. 29 volgg.↑355Het zou nog wel mogelijk zijn, het aan beiden gemeenschappelijke in beiden waar te nemen, maar hiermede is dit nog niet als gemeenschappelijk erkend. Daartoe is het noodig, die twee zinnelijke waarnemingen onder een hooger gezigtspunt zamen te vatten, iets, dat buiten het bereik der waarneming van de enkele zinnen valt.↑356Woordelijk: maar de waardoor [werkende] kracht maakt u het aan allen en aan dezen gemeenschappelijke bekend, waaraan gij den naam geeft van het zijn en het niet zijn, en wat wij nu over dezelve vroegen?↑357τὸ ταὐτόν τε καὶ τὸ ἕτερον. Het gebrek van abstracte woorden in de talen is ten allen tijde een kruis voor de wijsgeeren geweest, en heeft ze gedwongen nieuwe woorden te maken, hetgeen aan de literatoren gewoonlijk aanleiding gaf, om hen van barbarismus te beschuldigen. Zulk onverstandig ijveren heeft ons beroofd van het voorregt, in het latijn eene taal der geleerden te bezitten. De scholastici hadden het latijn uit zich zelve ontwikkeld, en geschikt gemaakt tot het uitdrukken der wijsgeerige begrippen. Daar komen de literatoren en roepen: „dat latijn deugt niet, want het werd in den tijd vanAugustuszoo niet gesproken!” Dit oordeel verschrikte de mannen van andere vakken, die latijn schreven, en daar zij het latijn der tijdgenooten vanAugustusniet konden, en het latijn der scholastici niet mogten gebruiken, werden zij gedwongen de geheele taal te laten loopen, en zich ieder van hunne moedertaal te bedienen, hetgeen nadeelig op hunne sympathie voor de studie der oude letteren gewerkt heeft. Nu roepen zij op hunne beurt: „het latijn is nutteloos geworden! Alle vakken zijn reeds zoo goed in de moderne talen behandeld, dat men het latijn wel missen kan!” en daardoor loopt de geheele studie der oude letteren, althans in de verte, gevaar; daar de mannen van andere vakken zich meer en meer van dezelve, als van eenen nutteloozen last, zoeken te ontslaan. Zoo hebben de literatoren door onverstandigen ijver hunne eigen glazen ingeworpen, daar zij niet wilden inzien, dat de ontwikkeling der taal gelijken tred moet houden met de ontwikkeling der denkbeelden, die in die taal worden uitgedrukt.↑
299ἰδίᾳ: d. i. niet voor het publiek, dat zich met bombast laat inpakken, maar in een bedaard gesprek, waar punt voor punt bedaard overwogen wordt.↑300ἔφαμεν, eigenlijk:zeiden, maar zeggen is het gevolg vanoordeelen.↑301Woordelijk: zij die de zich bewegende wezenheid zeggen.↑302D. i.: de naam blijft, zoolang zij niet wordt afgeschaft; doch dit belet niet, dat de zaak ondertusschen geheel van aard kan veranderen; en, al blijft zij nuttig heeten, werkelijk schadelijk kan worden. Wij spreken hier echter van de zaak zelve; de naam is ons onverschillig.↑303τοῦτοnamelijkὠφέλιμον. ὃis de eerste enὠφέλιμονde tweede accusativus vanὀνομάζῃ.↑304ἔστιδέπου καὶ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον. Het geslacht omvat het enkele, dat er toe gerekend wordt. Hier is het toekomstige het geslacht, en het nuttige wordt beschouwd als eene soort, die er toe gerekend wordt. Of dit nuttige nog onder een ander geslacht behoort, wordt hier niet gezegd, en is ook geheel onverschillig. Daarom staatκαὶhier geheel voor niet, terwijl het bijτὸ ὠφέλιμονzeer goed geplaatst is, daar het geslacht meer dan ééne soort omvat, en dus het toekomstige, dat hier als het geslacht beschouwd wordt, meer soorten heeft dan het nuttige alleen. Daarom geloof ik, datκαὶin onzen tekst uitκαὶbijτὸὠφέλιμονontstaan is, en meen in plaats daarvanτὰte moeten lezen.τὰ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνονbeteekent dan de dingen, die op den toekomstigen tijd betrekking hebben, het toekomstige.↑305Dit toevoegsel was noodig omἈλλὰte verklaren, daar het allezins vreemd zou zijn, dat een zin, die dient, om het vorige te bevestigen, metmaarbegint.↑306Hierin ligt eene vrij hatelijke, doch welverdiende beschuldiging vanProtagorasopgesloten. Door consequent op zijne leer door te redeneren, moest alle onderwijs voor gekheid verklaard worden, vooral dat in de welsprekendheid, daar dit juist ten doel heeft, de kunst te leeren om anderen van onze meeningen te overtuigen, en de middelen te bedenken, om den uitslag van een regtsgeding naar ons welgevallen te doen plaats hebben. Dus wasProtagorasóf zeer inconsequent, óf hij was een bedrieger, die anderen voor veel geld eene kunst leerde, welke hij zelf wist, dat geene de minste waarde had. Het voorbeeld van een wigchelaar echter heeft hier niets hatelijks,[121]maar wordt alleen in dezen zin gebezigd, dat al was de wigchelarij eene ware kunst, toch volgensProtagorasde beste wigchelaar niet beter over iemands toekomstigen toestand zou kunnen oordeelen, dan ieder voor zich zelven. Dat echterPlatoniet in de wigchelarij geloofde, meen ik aangetoond te hebben in de aanteekening (2) op blz. 150 mijner vertaling van den Phædo.↑307καὶ πᾶςἂνὁμολογοῖ. Eigenlijk:en ieder zou toestemmen, namelijk, zoo het hem gevraagd werd.↑308τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, ἐξ ὧν. Het pronomen relativum staat hier in het meervoud, omdat inτὸ παρὸν[122]ἑκάστῳ πάθος, zooals uitἑκάστῳblijkt, duidelijk het denkbeeld van meer dan éénen toestand ligt opgesloten. Het zou echter welligt aanneembaar zijn, dat tusschenτὸenπαρὸν ἀείmoet ingevoegd worden.↑309Daarἀληθεῖςduidelijk opαἰσθήσειςziet, heb ik gemeend dit woord in de vertaling terstond met het voorzetselvante moeten verbinden. Dat dit bijPlatogeen plaats heeft, kan ik, met welke grammaticale kunsttermen het ook bedekt worde, niet anders, dan als een gebrek in zijnen stijl beschouwen.↑310D. i.: niets goeds.↑311Zooals b. v. tegenwoordig de borst door percussie onderzocht wordt.↑312Zie Hoofdst. VIII. op het einde.↑313πεπλήξει. Woordelijk: gij zult getroffen zijn, dat is, hij zal u zoo plotseling antwoorden, dat gij het antwoord reeds beet hebt, als uwe vraag op zijn best is uitgesproken.↑314Het is zeer karakteristiek, dat juistTheodorus, die althans in naam tot dezelfde partij behoorde, dit ongunstige[124]oordeel moest vellen. Hiermede wilPlatote kennen geven, dat het oordeel van een wetenschappelijk mensch van zelf tegen deze leer moest opkomen.↑315Socrateswas beroemd om zijne kunst van de menschen de waarheid als uit de keel te halen. Zelfs hij zou echter met die lieden niets vorderen.↑316παραλαβόνταςhoort niet bijαὐτοὺς, maar is het subject van den infinitivusἐπισκοπεῖσθαι.↑317Het is steeds moeijelijk, bij uitspraken als deze, te beslissen, ofPlatoschertsend of ernstig spreekt. Ik hel echter meer tot het eerste over, en geloof niet, dat hij zulk eenen diepen zin in de oude dichters gezocht heeft, zoo om zijn oordeel over de dichterlijke geestvervoering, gelijk ons dat in den Io wordt medegedeeld, als omdat hij, gelijk bekend is, de dichters uit zijne republiek wilde verbannen.↑318Wij zouden zeggen: jan en alle man.↑319Zie over deze plaats vanParmenides,Karsten,Philosophorum veterum reliquiæ, III. p. 105.↑320Deze plaats is allezins merkwaardig voor het standpunt vanPlato, dat, de eenzijdigheid en relative waarde der Eleatische en Heraclitische wijsbegeerte erkennende, de hoogere eenheid zocht daar te stellen, waarin zij beiden werden opgenomen. Hier schijnt hij echter nog meer tusschen de tegenstrijdige gevoelens in te staan, dan er zich boven verheven te hebben. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 10, 11.↑321Het is juist gezien vanPlato, dat hij hier eene vergelijking bezigt, aan de worstelspelen ontleend, daar dit gesprek, zooals uit Hoofdst. II. blijkt, in een gymnasium (school van ligchaamsoefeningen) gehouden is, of althans alzoo wordt voorgesteld.↑322Δοκεῖ—κινεῖσθαι. De woordenποῖον τί ποτε ἄρα λέγοντες φασὶ τὰ πάντα κινεῖσθαιzijn te zamen het subject van het werkwoordδοκεῖ.↑323De leer der beweging heeft bijzonder de aandacht vanAristotelesgetrokken. In zijne Physische voorlezingen behandelt hij haar op vele plaatsen vrij uitvoerig. In het Veboek, cap. 3, stelt hij drie soorten van beweging, naar de drie categoriën der hoegrootheid, der hoedanigheid en van de plaats; namelijk vermeerdering en vermindering, verandering, en plaatsverwisseling. Van die laatste erkende hij drie soorten, de cirkelbeweging, de beweging in eene regte lijn, en de gemengde. Van de soorten van beweging hield hij de plaatsverwisseling voor de eerste, en van de soorten van plaatsverwisseling de cirkelbeweging. Verder beredeneert hij, dat alle beweging eene bewegende oorzaak vordert, en dat de eerste bewegende oorzaak zelve onbewogen zijn moet. Daar nu het heelal voortdurende beweging vertoont, zoo moet er eene onbewogene oorzaak van de beweging des heelals zijn, waarmede het bestaan der Godheid als oorzaak van de beweging des heelals bewezen is.↑324Hier staat in de handschriftenπεριφοράν,cirkelbeweging, maarHeindorfheeft te regt opgemerkt, dat, daar de cirkelbeweging slechts een onderdeel is van de tweede soort, die hier bedoeld wordt, voorπεριφοράνlieverφοράνmoet gelezen worden.↑325Wij zien hier de moeijelijkheid, waarin men komt, door bijzondere stellingen algemeen te maken, of hetgeen alleen onder zekere bepalingen geldt, onbepaald te willen staande houden. Dat alles in beweging is, geldt alleen van de verschijnselen, maar door het als volstrekt algemeene waarheid te verkondigen, werden zij genoodzaakt alle bestaan, alle waarheid, alle waarneming te ontkennen, zooals in het vervolg doorPlatowordt aangetoond.↑326πᾶσαν κίνησιν. Woordelijk:volgens alle beweging, maar alle beweging omvat noodzakelijk de beide soorten van beweging, waarom ik gemeend heb, het aldus te mogen overzetten.↑327Hoofdst. XII.↑328Algemeene begrippen vast te houden, schijnt voorPlato’stijdgenooten verbazend moeijelijk geweest te zijn, daar hij hierSocrateszelfs aan eenen meetkundige laat zeggen, dat hij dit waarschijnlijk niet begrijpen zal. Het is echter mogelijk, dat het woordποιότηςtoen ter tijde nog ongewoon was. Zie overigens blz. 22.(2).↑329Woordelijk: hoor het dan bij stukken.↑330τὰ αἰσθητὰ. Hier wordt natuurlijk niet van het ontstaan der gevoeldedingen, maar van het ontstaan dergevoeldedingen gesproken. De dingen bestonden vroeger evenzeer, maar niet alsgevoeldedingen.↑331ἀλλ’ ἐξ—αἰσθανόμενα. τὰς αἰσθήσεις καὶ τὰ αἰσθητὰis het object vanἀποτίκτοντα. Het lidwoord voorἀποτίκτονταzal weggelaten zijn, om eene te groote opeenstapeling van lidwoorden te voorkomen, daar dadelijk nogτὰ μὲν—τὰ δὲvolgt.↑332Deze bevestigende vraag past zeer goed in den mond vanTheodorus, die daarin zijn eigen gevoelen had wedergevonden, en dus die uiteenzetting met veel belangstelling gevolgd was.↑333οὗ ἕνεκα. Eigenlijkwaarom, doch daar het doel des gespreks meestal, en hier althans zeker, in het ophelderen van het onderwerp des gespreks moet gezocht worden, heb ik gemeend,waaroverte mogen vertalen.↑334Zoo het alleen van plaats verwisselde, maar niet veranderde, dan zouden er bepaalde dingen zijn, die in beweging waren, en het zou dus mogelijk zijn, datgene, wat in beweging was, met eenen vasten naam te bestempelen.↑335Dit is geheel consequent, want zoo alles niet alleen steeds in beweging was, maar tevens aanhoudend veranderde, zoodat er letterlijk niets blijvends gevonden werd, dan zou iedere naam één enkel oogenblik gelden, daar in het volgende tijdstip een andere naam zou vereischt worden.↑336Woordelijk: dat zij ooit in het zien of hooren blijft. De zin is dus, gelijk uit het vervolg blijkt, dat, zoo alles steeds verandert, ook de aandoeningen des gevoels geen oogenblik dezelfde blijven en alzoo de bestendigheid missen, die bij de kennis gevorderd wordt.↑337Dit is maar half goed, want al is alle kennis gevoel, dan is daarom alle gevoel nog geen kennis. Het volgde echter uit de leer vanProtagoras, die kennis en gevoel als genoegzaam hetzelfde beschouwde, weshalve ook[132]in dien geest gevoel, niet als het geslacht, waaronder ook kennis behoort, maar als identisch met kennis beschouwd is.↑338Namelijk, het antwoord op de vraag: wat is kennis? te weten: kennis is gevoel.↑339αὐτοὺς. Ik heb hier vroegerἄτταwillen lezen, hetgeen dezen zin zou geven: om niets door onze woorden te doen stil staan. Men kan echterαὐτοὺςbehouden, en het op de voorstanders van de leer der beweging laten zien, ofαὑτοὺςlezen, wanneer het beteekenen zou: om ons zelven niet tot stilstand te nopen. Overαὑτοὺςbij den eersten persoon, zieButtmann, Gr. Gr. § 127. Anm. 5.↑340Ik hebδέhier doorwantvertaald, zonder daarom te beweren, datδὲooit want kan beteekenen. De woorden:δεῖ δὲ—λέγεινgeven de tegenstelling tegen het naastvoorgaande, dat afgekeurd wordt. Daarom geven zij de reden dier afkeuring, hetgeen in de Hollandsche uitdrukking[133]wordt te kennen gegeven, terwijl de Grieksche zich met het aanduiden der tegenstelling vergenoegt.↑341Zie hoofdst. XXI.↑342Zie hoofdst. XXVII op het einde. HoewelSocrateszelf hier weigert de Eleaten te bestrijden, heeftPlatohet daar aangeduide in den sophist, die zich onmiddellijk aan den Theaetetus aansluit, volvoerd. Hij heeft daar echter aan de Eleaten de beleefdheid bewezen, dat hij hun standpunt niet doorSocrates, maar door eenen Eleatischen vreemdeling laat weêrleggen; denkelijk, om aan te duiden,[134]dat hunne leer slechts eene meerdere ontwikkeling behoefde, daar zij naar zijn oordeel op den regten weg waren.↑343Ἱππέας εἰς πεδίον προκαλεῖ. Het is bekend, dat ruiterij in de bergen weinig, maar in de vlakte veel kan uitrigten, en dat daarom een leger, welks voornaamste kracht in de ruiterij bestaat, zijne stellingen in de vlakte neemt. Dus wordt ruiters in de vlakte te roepen, gezegd voor iemand tot iets uit te noodigen, dat hij gaarne doet.↑344Hier wordt deParmenidesreeds voorbereid, waarin dit gesprek wordt beschreven, of liever, waarin een dialectisch onderzoek voorkomt, dat ingekleed is in den vorm van een gesprek tusschenSocratesenParmenides.Platoheeft in dat werk zijnen eerbied voorParmenidesdoen blijken, doorSocrateszelven, hoewel als een knaap, doorParmenideste laten weêrleggen.↑345Dat wij, ook al waren al de uitdrukkingen ons duidelijk, toch den zamenhang der redekaveling niet zouden kunnen begrijpen.↑346ἄσκεπτον γένηται ὑπὸ τῶν ἐπεισκωμαζόντων λόγων. Het voorzetselὑπὸwordt achterἄσκεπτον γένηταιgeplaatst, daar de zin dezer woorden is, dat de indringende redekavelingen de oorzaak zouden zijn, waardoor dat onderwerp niet zou behandeld worden; zoodat de zin der uitdrukking dezelfde is, als ware dit laatste door een passivum uitgedrukt. Overigens wordtἐπεισκωμάζωeigenlijk gezegd van eenen troep beschonken jongelieden, die, van een feest komende, gezamenlijk ergens indringen.↑347πειρᾶσθαιhangt nog af vanδεῖ δὲ. Bijοὐδέτεραkan men gevoegelijkποιεῖνverstaan, tenzij menδεῖals gedeeltelijk persoonlijk wil opvatten, enοὐδέτεραals deszelfs subject beschouwen.↑348ἔστι δὲ ὅτεbeteekent hetzelfde als onssomtijds. De uitdrukking heeft de kracht van een bijwoord gekregen, maar oorspronkelijk schijnt zij te beteekenen:maar er zijn gevallen, wanneer.↑349ἐπιλαβέσθαιbeteekent eigenlijkaanpakken, hetgeen ook wij in het dagelijksch leven wel bezigen van het bestrijden eener meening.↑350ᾧ—δι’ οὗ. Wanneer, zoo als hier,ᾧenδι’ οὗvan elkander onderscheiden worden, beteekentᾧdatgene, wat[137]naauwer verbonden is met den handelenden, terwijlδι’ οὗeen van hem onderscheiden werktuig beteekent. Zoo gesproken werd van eenen sterrekundige, die met zijne oogen door eenen kijker de sterren beschouwt, dan zouᾧvan de oogen,δι’ οὗvan den kijker gezegd worden. Hier komt ongeveer hetzelfde onderscheid voor, datSocratesin den Phaedo maakt tusschen de beginselen, waaruit hij handelde, en zijne ledematen, die hij tot die handelingen noodig had. Zie mijne vertaling bl. 117 en volgg.↑351Dit is eene zinspeling op het Trojaansche paard, waarin de Grieksche helden zaten, dieTrojehebben ingenomen. Dezelfde vergelijking bezigtCiceroin eenen anderen zin, wanneer hij zegt, dat, gelijk uit het Trojaansche paard niets dan helden kwamen, de school vanIsocratesslechts groote redenaars opleverde. ZieCic., de Orat. II. c. 22.↑352Namelijk de zinnen.↑353τινι ἡμῶν αὐτῶν τῷ αὐτῷ. τινιenτῷ αὐτῷhoort bij elkander, en drukt te zamen uit, dat niet zoo zeer de zaak zelve, waarmede dit geschiedt, als wel hare identiteit bij de verschillende verschijnselen wordt onderzocht.↑354ἴσως δὲ βέλτιον—μᾶλλον. Zoo men niet erkennen wil, datPlatozich hier aan eene zekere wijdloopigheid schuldig maakt, die trouwens bij hem dikwijls genoeg gevonden wordt, dan moet men aannemen, datβέλτιονop den geheelen zin ziet, vanσὲ λέγεινtotπολυπραγμονεῖν, en dat het andere lid, dat met dezen zin door middel vanβέλτιονvergeleken wordt, geheel verzwegen is. Dit andere lid is dan natuurlijk niet anders dan het volslagen tegendeel van den zin, waarβέλτιονvóórstaat. Overigens is de reden, waarom dit beter is, te zoeken in de eigenaardige methode vanSocrates, die zijne toehoorders liever zelf liet vinden, dan dat hij hun oordeel door zijne uitspraken zocht te wijzigen. Het is de eigenschap der Socratischeμαιευτική, dat de leermeester zich niet op den voorgrond plaatst, maar alleen den leerling aan het denken helpt. Zie blz. 29 volgg.↑355Het zou nog wel mogelijk zijn, het aan beiden gemeenschappelijke in beiden waar te nemen, maar hiermede is dit nog niet als gemeenschappelijk erkend. Daartoe is het noodig, die twee zinnelijke waarnemingen onder een hooger gezigtspunt zamen te vatten, iets, dat buiten het bereik der waarneming van de enkele zinnen valt.↑356Woordelijk: maar de waardoor [werkende] kracht maakt u het aan allen en aan dezen gemeenschappelijke bekend, waaraan gij den naam geeft van het zijn en het niet zijn, en wat wij nu over dezelve vroegen?↑357τὸ ταὐτόν τε καὶ τὸ ἕτερον. Het gebrek van abstracte woorden in de talen is ten allen tijde een kruis voor de wijsgeeren geweest, en heeft ze gedwongen nieuwe woorden te maken, hetgeen aan de literatoren gewoonlijk aanleiding gaf, om hen van barbarismus te beschuldigen. Zulk onverstandig ijveren heeft ons beroofd van het voorregt, in het latijn eene taal der geleerden te bezitten. De scholastici hadden het latijn uit zich zelve ontwikkeld, en geschikt gemaakt tot het uitdrukken der wijsgeerige begrippen. Daar komen de literatoren en roepen: „dat latijn deugt niet, want het werd in den tijd vanAugustuszoo niet gesproken!” Dit oordeel verschrikte de mannen van andere vakken, die latijn schreven, en daar zij het latijn der tijdgenooten vanAugustusniet konden, en het latijn der scholastici niet mogten gebruiken, werden zij gedwongen de geheele taal te laten loopen, en zich ieder van hunne moedertaal te bedienen, hetgeen nadeelig op hunne sympathie voor de studie der oude letteren gewerkt heeft. Nu roepen zij op hunne beurt: „het latijn is nutteloos geworden! Alle vakken zijn reeds zoo goed in de moderne talen behandeld, dat men het latijn wel missen kan!” en daardoor loopt de geheele studie der oude letteren, althans in de verte, gevaar; daar de mannen van andere vakken zich meer en meer van dezelve, als van eenen nutteloozen last, zoeken te ontslaan. Zoo hebben de literatoren door onverstandigen ijver hunne eigen glazen ingeworpen, daar zij niet wilden inzien, dat de ontwikkeling der taal gelijken tred moet houden met de ontwikkeling der denkbeelden, die in die taal worden uitgedrukt.↑
299ἰδίᾳ: d. i. niet voor het publiek, dat zich met bombast laat inpakken, maar in een bedaard gesprek, waar punt voor punt bedaard overwogen wordt.↑
299ἰδίᾳ: d. i. niet voor het publiek, dat zich met bombast laat inpakken, maar in een bedaard gesprek, waar punt voor punt bedaard overwogen wordt.↑
300ἔφαμεν, eigenlijk:zeiden, maar zeggen is het gevolg vanoordeelen.↑
300ἔφαμεν, eigenlijk:zeiden, maar zeggen is het gevolg vanoordeelen.↑
301Woordelijk: zij die de zich bewegende wezenheid zeggen.↑
301Woordelijk: zij die de zich bewegende wezenheid zeggen.↑
302D. i.: de naam blijft, zoolang zij niet wordt afgeschaft; doch dit belet niet, dat de zaak ondertusschen geheel van aard kan veranderen; en, al blijft zij nuttig heeten, werkelijk schadelijk kan worden. Wij spreken hier echter van de zaak zelve; de naam is ons onverschillig.↑
302D. i.: de naam blijft, zoolang zij niet wordt afgeschaft; doch dit belet niet, dat de zaak ondertusschen geheel van aard kan veranderen; en, al blijft zij nuttig heeten, werkelijk schadelijk kan worden. Wij spreken hier echter van de zaak zelve; de naam is ons onverschillig.↑
303τοῦτοnamelijkὠφέλιμον. ὃis de eerste enὠφέλιμονde tweede accusativus vanὀνομάζῃ.↑
303τοῦτοnamelijkὠφέλιμον. ὃis de eerste enὠφέλιμονde tweede accusativus vanὀνομάζῃ.↑
304ἔστιδέπου καὶ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον. Het geslacht omvat het enkele, dat er toe gerekend wordt. Hier is het toekomstige het geslacht, en het nuttige wordt beschouwd als eene soort, die er toe gerekend wordt. Of dit nuttige nog onder een ander geslacht behoort, wordt hier niet gezegd, en is ook geheel onverschillig. Daarom staatκαὶhier geheel voor niet, terwijl het bijτὸ ὠφέλιμονzeer goed geplaatst is, daar het geslacht meer dan ééne soort omvat, en dus het toekomstige, dat hier als het geslacht beschouwd wordt, meer soorten heeft dan het nuttige alleen. Daarom geloof ik, datκαὶin onzen tekst uitκαὶbijτὸὠφέλιμονontstaan is, en meen in plaats daarvanτὰte moeten lezen.τὰ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνονbeteekent dan de dingen, die op den toekomstigen tijd betrekking hebben, het toekomstige.↑
304ἔστιδέπου καὶ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον. Het geslacht omvat het enkele, dat er toe gerekend wordt. Hier is het toekomstige het geslacht, en het nuttige wordt beschouwd als eene soort, die er toe gerekend wordt. Of dit nuttige nog onder een ander geslacht behoort, wordt hier niet gezegd, en is ook geheel onverschillig. Daarom staatκαὶhier geheel voor niet, terwijl het bijτὸ ὠφέλιμονzeer goed geplaatst is, daar het geslacht meer dan ééne soort omvat, en dus het toekomstige, dat hier als het geslacht beschouwd wordt, meer soorten heeft dan het nuttige alleen. Daarom geloof ik, datκαὶin onzen tekst uitκαὶbijτὸὠφέλιμονontstaan is, en meen in plaats daarvanτὰte moeten lezen.τὰ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνονbeteekent dan de dingen, die op den toekomstigen tijd betrekking hebben, het toekomstige.↑
305Dit toevoegsel was noodig omἈλλὰte verklaren, daar het allezins vreemd zou zijn, dat een zin, die dient, om het vorige te bevestigen, metmaarbegint.↑
305Dit toevoegsel was noodig omἈλλὰte verklaren, daar het allezins vreemd zou zijn, dat een zin, die dient, om het vorige te bevestigen, metmaarbegint.↑
306Hierin ligt eene vrij hatelijke, doch welverdiende beschuldiging vanProtagorasopgesloten. Door consequent op zijne leer door te redeneren, moest alle onderwijs voor gekheid verklaard worden, vooral dat in de welsprekendheid, daar dit juist ten doel heeft, de kunst te leeren om anderen van onze meeningen te overtuigen, en de middelen te bedenken, om den uitslag van een regtsgeding naar ons welgevallen te doen plaats hebben. Dus wasProtagorasóf zeer inconsequent, óf hij was een bedrieger, die anderen voor veel geld eene kunst leerde, welke hij zelf wist, dat geene de minste waarde had. Het voorbeeld van een wigchelaar echter heeft hier niets hatelijks,[121]maar wordt alleen in dezen zin gebezigd, dat al was de wigchelarij eene ware kunst, toch volgensProtagorasde beste wigchelaar niet beter over iemands toekomstigen toestand zou kunnen oordeelen, dan ieder voor zich zelven. Dat echterPlatoniet in de wigchelarij geloofde, meen ik aangetoond te hebben in de aanteekening (2) op blz. 150 mijner vertaling van den Phædo.↑
306Hierin ligt eene vrij hatelijke, doch welverdiende beschuldiging vanProtagorasopgesloten. Door consequent op zijne leer door te redeneren, moest alle onderwijs voor gekheid verklaard worden, vooral dat in de welsprekendheid, daar dit juist ten doel heeft, de kunst te leeren om anderen van onze meeningen te overtuigen, en de middelen te bedenken, om den uitslag van een regtsgeding naar ons welgevallen te doen plaats hebben. Dus wasProtagorasóf zeer inconsequent, óf hij was een bedrieger, die anderen voor veel geld eene kunst leerde, welke hij zelf wist, dat geene de minste waarde had. Het voorbeeld van een wigchelaar echter heeft hier niets hatelijks,[121]maar wordt alleen in dezen zin gebezigd, dat al was de wigchelarij eene ware kunst, toch volgensProtagorasde beste wigchelaar niet beter over iemands toekomstigen toestand zou kunnen oordeelen, dan ieder voor zich zelven. Dat echterPlatoniet in de wigchelarij geloofde, meen ik aangetoond te hebben in de aanteekening (2) op blz. 150 mijner vertaling van den Phædo.↑
307καὶ πᾶςἂνὁμολογοῖ. Eigenlijk:en ieder zou toestemmen, namelijk, zoo het hem gevraagd werd.↑
307καὶ πᾶςἂνὁμολογοῖ. Eigenlijk:en ieder zou toestemmen, namelijk, zoo het hem gevraagd werd.↑
308τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, ἐξ ὧν. Het pronomen relativum staat hier in het meervoud, omdat inτὸ παρὸν[122]ἑκάστῳ πάθος, zooals uitἑκάστῳblijkt, duidelijk het denkbeeld van meer dan éénen toestand ligt opgesloten. Het zou echter welligt aanneembaar zijn, dat tusschenτὸenπαρὸν ἀείmoet ingevoegd worden.↑
308τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, ἐξ ὧν. Het pronomen relativum staat hier in het meervoud, omdat inτὸ παρὸν[122]ἑκάστῳ πάθος, zooals uitἑκάστῳblijkt, duidelijk het denkbeeld van meer dan éénen toestand ligt opgesloten. Het zou echter welligt aanneembaar zijn, dat tusschenτὸenπαρὸν ἀείmoet ingevoegd worden.↑
309Daarἀληθεῖςduidelijk opαἰσθήσειςziet, heb ik gemeend dit woord in de vertaling terstond met het voorzetselvante moeten verbinden. Dat dit bijPlatogeen plaats heeft, kan ik, met welke grammaticale kunsttermen het ook bedekt worde, niet anders, dan als een gebrek in zijnen stijl beschouwen.↑
309Daarἀληθεῖςduidelijk opαἰσθήσειςziet, heb ik gemeend dit woord in de vertaling terstond met het voorzetselvante moeten verbinden. Dat dit bijPlatogeen plaats heeft, kan ik, met welke grammaticale kunsttermen het ook bedekt worde, niet anders, dan als een gebrek in zijnen stijl beschouwen.↑
310D. i.: niets goeds.↑
310D. i.: niets goeds.↑
311Zooals b. v. tegenwoordig de borst door percussie onderzocht wordt.↑
311Zooals b. v. tegenwoordig de borst door percussie onderzocht wordt.↑
312Zie Hoofdst. VIII. op het einde.↑
312Zie Hoofdst. VIII. op het einde.↑
313πεπλήξει. Woordelijk: gij zult getroffen zijn, dat is, hij zal u zoo plotseling antwoorden, dat gij het antwoord reeds beet hebt, als uwe vraag op zijn best is uitgesproken.↑
313πεπλήξει. Woordelijk: gij zult getroffen zijn, dat is, hij zal u zoo plotseling antwoorden, dat gij het antwoord reeds beet hebt, als uwe vraag op zijn best is uitgesproken.↑
314Het is zeer karakteristiek, dat juistTheodorus, die althans in naam tot dezelfde partij behoorde, dit ongunstige[124]oordeel moest vellen. Hiermede wilPlatote kennen geven, dat het oordeel van een wetenschappelijk mensch van zelf tegen deze leer moest opkomen.↑
314Het is zeer karakteristiek, dat juistTheodorus, die althans in naam tot dezelfde partij behoorde, dit ongunstige[124]oordeel moest vellen. Hiermede wilPlatote kennen geven, dat het oordeel van een wetenschappelijk mensch van zelf tegen deze leer moest opkomen.↑
315Socrateswas beroemd om zijne kunst van de menschen de waarheid als uit de keel te halen. Zelfs hij zou echter met die lieden niets vorderen.↑
315Socrateswas beroemd om zijne kunst van de menschen de waarheid als uit de keel te halen. Zelfs hij zou echter met die lieden niets vorderen.↑
316παραλαβόνταςhoort niet bijαὐτοὺς, maar is het subject van den infinitivusἐπισκοπεῖσθαι.↑
316παραλαβόνταςhoort niet bijαὐτοὺς, maar is het subject van den infinitivusἐπισκοπεῖσθαι.↑
317Het is steeds moeijelijk, bij uitspraken als deze, te beslissen, ofPlatoschertsend of ernstig spreekt. Ik hel echter meer tot het eerste over, en geloof niet, dat hij zulk eenen diepen zin in de oude dichters gezocht heeft, zoo om zijn oordeel over de dichterlijke geestvervoering, gelijk ons dat in den Io wordt medegedeeld, als omdat hij, gelijk bekend is, de dichters uit zijne republiek wilde verbannen.↑
317Het is steeds moeijelijk, bij uitspraken als deze, te beslissen, ofPlatoschertsend of ernstig spreekt. Ik hel echter meer tot het eerste over, en geloof niet, dat hij zulk eenen diepen zin in de oude dichters gezocht heeft, zoo om zijn oordeel over de dichterlijke geestvervoering, gelijk ons dat in den Io wordt medegedeeld, als omdat hij, gelijk bekend is, de dichters uit zijne republiek wilde verbannen.↑
318Wij zouden zeggen: jan en alle man.↑
318Wij zouden zeggen: jan en alle man.↑
319Zie over deze plaats vanParmenides,Karsten,Philosophorum veterum reliquiæ, III. p. 105.↑
319Zie over deze plaats vanParmenides,Karsten,Philosophorum veterum reliquiæ, III. p. 105.↑
320Deze plaats is allezins merkwaardig voor het standpunt vanPlato, dat, de eenzijdigheid en relative waarde der Eleatische en Heraclitische wijsbegeerte erkennende, de hoogere eenheid zocht daar te stellen, waarin zij beiden werden opgenomen. Hier schijnt hij echter nog meer tusschen de tegenstrijdige gevoelens in te staan, dan er zich boven verheven te hebben. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 10, 11.↑
320Deze plaats is allezins merkwaardig voor het standpunt vanPlato, dat, de eenzijdigheid en relative waarde der Eleatische en Heraclitische wijsbegeerte erkennende, de hoogere eenheid zocht daar te stellen, waarin zij beiden werden opgenomen. Hier schijnt hij echter nog meer tusschen de tegenstrijdige gevoelens in te staan, dan er zich boven verheven te hebben. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 10, 11.↑
321Het is juist gezien vanPlato, dat hij hier eene vergelijking bezigt, aan de worstelspelen ontleend, daar dit gesprek, zooals uit Hoofdst. II. blijkt, in een gymnasium (school van ligchaamsoefeningen) gehouden is, of althans alzoo wordt voorgesteld.↑
321Het is juist gezien vanPlato, dat hij hier eene vergelijking bezigt, aan de worstelspelen ontleend, daar dit gesprek, zooals uit Hoofdst. II. blijkt, in een gymnasium (school van ligchaamsoefeningen) gehouden is, of althans alzoo wordt voorgesteld.↑
322Δοκεῖ—κινεῖσθαι. De woordenποῖον τί ποτε ἄρα λέγοντες φασὶ τὰ πάντα κινεῖσθαιzijn te zamen het subject van het werkwoordδοκεῖ.↑
322Δοκεῖ—κινεῖσθαι. De woordenποῖον τί ποτε ἄρα λέγοντες φασὶ τὰ πάντα κινεῖσθαιzijn te zamen het subject van het werkwoordδοκεῖ.↑
323De leer der beweging heeft bijzonder de aandacht vanAristotelesgetrokken. In zijne Physische voorlezingen behandelt hij haar op vele plaatsen vrij uitvoerig. In het Veboek, cap. 3, stelt hij drie soorten van beweging, naar de drie categoriën der hoegrootheid, der hoedanigheid en van de plaats; namelijk vermeerdering en vermindering, verandering, en plaatsverwisseling. Van die laatste erkende hij drie soorten, de cirkelbeweging, de beweging in eene regte lijn, en de gemengde. Van de soorten van beweging hield hij de plaatsverwisseling voor de eerste, en van de soorten van plaatsverwisseling de cirkelbeweging. Verder beredeneert hij, dat alle beweging eene bewegende oorzaak vordert, en dat de eerste bewegende oorzaak zelve onbewogen zijn moet. Daar nu het heelal voortdurende beweging vertoont, zoo moet er eene onbewogene oorzaak van de beweging des heelals zijn, waarmede het bestaan der Godheid als oorzaak van de beweging des heelals bewezen is.↑
323De leer der beweging heeft bijzonder de aandacht vanAristotelesgetrokken. In zijne Physische voorlezingen behandelt hij haar op vele plaatsen vrij uitvoerig. In het Veboek, cap. 3, stelt hij drie soorten van beweging, naar de drie categoriën der hoegrootheid, der hoedanigheid en van de plaats; namelijk vermeerdering en vermindering, verandering, en plaatsverwisseling. Van die laatste erkende hij drie soorten, de cirkelbeweging, de beweging in eene regte lijn, en de gemengde. Van de soorten van beweging hield hij de plaatsverwisseling voor de eerste, en van de soorten van plaatsverwisseling de cirkelbeweging. Verder beredeneert hij, dat alle beweging eene bewegende oorzaak vordert, en dat de eerste bewegende oorzaak zelve onbewogen zijn moet. Daar nu het heelal voortdurende beweging vertoont, zoo moet er eene onbewogene oorzaak van de beweging des heelals zijn, waarmede het bestaan der Godheid als oorzaak van de beweging des heelals bewezen is.↑
324Hier staat in de handschriftenπεριφοράν,cirkelbeweging, maarHeindorfheeft te regt opgemerkt, dat, daar de cirkelbeweging slechts een onderdeel is van de tweede soort, die hier bedoeld wordt, voorπεριφοράνlieverφοράνmoet gelezen worden.↑
324Hier staat in de handschriftenπεριφοράν,cirkelbeweging, maarHeindorfheeft te regt opgemerkt, dat, daar de cirkelbeweging slechts een onderdeel is van de tweede soort, die hier bedoeld wordt, voorπεριφοράνlieverφοράνmoet gelezen worden.↑
325Wij zien hier de moeijelijkheid, waarin men komt, door bijzondere stellingen algemeen te maken, of hetgeen alleen onder zekere bepalingen geldt, onbepaald te willen staande houden. Dat alles in beweging is, geldt alleen van de verschijnselen, maar door het als volstrekt algemeene waarheid te verkondigen, werden zij genoodzaakt alle bestaan, alle waarheid, alle waarneming te ontkennen, zooals in het vervolg doorPlatowordt aangetoond.↑
325Wij zien hier de moeijelijkheid, waarin men komt, door bijzondere stellingen algemeen te maken, of hetgeen alleen onder zekere bepalingen geldt, onbepaald te willen staande houden. Dat alles in beweging is, geldt alleen van de verschijnselen, maar door het als volstrekt algemeene waarheid te verkondigen, werden zij genoodzaakt alle bestaan, alle waarheid, alle waarneming te ontkennen, zooals in het vervolg doorPlatowordt aangetoond.↑
326πᾶσαν κίνησιν. Woordelijk:volgens alle beweging, maar alle beweging omvat noodzakelijk de beide soorten van beweging, waarom ik gemeend heb, het aldus te mogen overzetten.↑
326πᾶσαν κίνησιν. Woordelijk:volgens alle beweging, maar alle beweging omvat noodzakelijk de beide soorten van beweging, waarom ik gemeend heb, het aldus te mogen overzetten.↑
327Hoofdst. XII.↑
327Hoofdst. XII.↑
328Algemeene begrippen vast te houden, schijnt voorPlato’stijdgenooten verbazend moeijelijk geweest te zijn, daar hij hierSocrateszelfs aan eenen meetkundige laat zeggen, dat hij dit waarschijnlijk niet begrijpen zal. Het is echter mogelijk, dat het woordποιότηςtoen ter tijde nog ongewoon was. Zie overigens blz. 22.(2).↑
328Algemeene begrippen vast te houden, schijnt voorPlato’stijdgenooten verbazend moeijelijk geweest te zijn, daar hij hierSocrateszelfs aan eenen meetkundige laat zeggen, dat hij dit waarschijnlijk niet begrijpen zal. Het is echter mogelijk, dat het woordποιότηςtoen ter tijde nog ongewoon was. Zie overigens blz. 22.(2).↑
329Woordelijk: hoor het dan bij stukken.↑
329Woordelijk: hoor het dan bij stukken.↑
330τὰ αἰσθητὰ. Hier wordt natuurlijk niet van het ontstaan der gevoeldedingen, maar van het ontstaan dergevoeldedingen gesproken. De dingen bestonden vroeger evenzeer, maar niet alsgevoeldedingen.↑
330τὰ αἰσθητὰ. Hier wordt natuurlijk niet van het ontstaan der gevoeldedingen, maar van het ontstaan dergevoeldedingen gesproken. De dingen bestonden vroeger evenzeer, maar niet alsgevoeldedingen.↑
331ἀλλ’ ἐξ—αἰσθανόμενα. τὰς αἰσθήσεις καὶ τὰ αἰσθητὰis het object vanἀποτίκτοντα. Het lidwoord voorἀποτίκτονταzal weggelaten zijn, om eene te groote opeenstapeling van lidwoorden te voorkomen, daar dadelijk nogτὰ μὲν—τὰ δὲvolgt.↑
331ἀλλ’ ἐξ—αἰσθανόμενα. τὰς αἰσθήσεις καὶ τὰ αἰσθητὰis het object vanἀποτίκτοντα. Het lidwoord voorἀποτίκτονταzal weggelaten zijn, om eene te groote opeenstapeling van lidwoorden te voorkomen, daar dadelijk nogτὰ μὲν—τὰ δὲvolgt.↑
332Deze bevestigende vraag past zeer goed in den mond vanTheodorus, die daarin zijn eigen gevoelen had wedergevonden, en dus die uiteenzetting met veel belangstelling gevolgd was.↑
332Deze bevestigende vraag past zeer goed in den mond vanTheodorus, die daarin zijn eigen gevoelen had wedergevonden, en dus die uiteenzetting met veel belangstelling gevolgd was.↑
333οὗ ἕνεκα. Eigenlijkwaarom, doch daar het doel des gespreks meestal, en hier althans zeker, in het ophelderen van het onderwerp des gespreks moet gezocht worden, heb ik gemeend,waaroverte mogen vertalen.↑
333οὗ ἕνεκα. Eigenlijkwaarom, doch daar het doel des gespreks meestal, en hier althans zeker, in het ophelderen van het onderwerp des gespreks moet gezocht worden, heb ik gemeend,waaroverte mogen vertalen.↑
334Zoo het alleen van plaats verwisselde, maar niet veranderde, dan zouden er bepaalde dingen zijn, die in beweging waren, en het zou dus mogelijk zijn, datgene, wat in beweging was, met eenen vasten naam te bestempelen.↑
334Zoo het alleen van plaats verwisselde, maar niet veranderde, dan zouden er bepaalde dingen zijn, die in beweging waren, en het zou dus mogelijk zijn, datgene, wat in beweging was, met eenen vasten naam te bestempelen.↑
335Dit is geheel consequent, want zoo alles niet alleen steeds in beweging was, maar tevens aanhoudend veranderde, zoodat er letterlijk niets blijvends gevonden werd, dan zou iedere naam één enkel oogenblik gelden, daar in het volgende tijdstip een andere naam zou vereischt worden.↑
335Dit is geheel consequent, want zoo alles niet alleen steeds in beweging was, maar tevens aanhoudend veranderde, zoodat er letterlijk niets blijvends gevonden werd, dan zou iedere naam één enkel oogenblik gelden, daar in het volgende tijdstip een andere naam zou vereischt worden.↑
336Woordelijk: dat zij ooit in het zien of hooren blijft. De zin is dus, gelijk uit het vervolg blijkt, dat, zoo alles steeds verandert, ook de aandoeningen des gevoels geen oogenblik dezelfde blijven en alzoo de bestendigheid missen, die bij de kennis gevorderd wordt.↑
336Woordelijk: dat zij ooit in het zien of hooren blijft. De zin is dus, gelijk uit het vervolg blijkt, dat, zoo alles steeds verandert, ook de aandoeningen des gevoels geen oogenblik dezelfde blijven en alzoo de bestendigheid missen, die bij de kennis gevorderd wordt.↑
337Dit is maar half goed, want al is alle kennis gevoel, dan is daarom alle gevoel nog geen kennis. Het volgde echter uit de leer vanProtagoras, die kennis en gevoel als genoegzaam hetzelfde beschouwde, weshalve ook[132]in dien geest gevoel, niet als het geslacht, waaronder ook kennis behoort, maar als identisch met kennis beschouwd is.↑
337Dit is maar half goed, want al is alle kennis gevoel, dan is daarom alle gevoel nog geen kennis. Het volgde echter uit de leer vanProtagoras, die kennis en gevoel als genoegzaam hetzelfde beschouwde, weshalve ook[132]in dien geest gevoel, niet als het geslacht, waaronder ook kennis behoort, maar als identisch met kennis beschouwd is.↑
338Namelijk, het antwoord op de vraag: wat is kennis? te weten: kennis is gevoel.↑
338Namelijk, het antwoord op de vraag: wat is kennis? te weten: kennis is gevoel.↑
339αὐτοὺς. Ik heb hier vroegerἄτταwillen lezen, hetgeen dezen zin zou geven: om niets door onze woorden te doen stil staan. Men kan echterαὐτοὺςbehouden, en het op de voorstanders van de leer der beweging laten zien, ofαὑτοὺςlezen, wanneer het beteekenen zou: om ons zelven niet tot stilstand te nopen. Overαὑτοὺςbij den eersten persoon, zieButtmann, Gr. Gr. § 127. Anm. 5.↑
339αὐτοὺς. Ik heb hier vroegerἄτταwillen lezen, hetgeen dezen zin zou geven: om niets door onze woorden te doen stil staan. Men kan echterαὐτοὺςbehouden, en het op de voorstanders van de leer der beweging laten zien, ofαὑτοὺςlezen, wanneer het beteekenen zou: om ons zelven niet tot stilstand te nopen. Overαὑτοὺςbij den eersten persoon, zieButtmann, Gr. Gr. § 127. Anm. 5.↑
340Ik hebδέhier doorwantvertaald, zonder daarom te beweren, datδὲooit want kan beteekenen. De woorden:δεῖ δὲ—λέγεινgeven de tegenstelling tegen het naastvoorgaande, dat afgekeurd wordt. Daarom geven zij de reden dier afkeuring, hetgeen in de Hollandsche uitdrukking[133]wordt te kennen gegeven, terwijl de Grieksche zich met het aanduiden der tegenstelling vergenoegt.↑
340Ik hebδέhier doorwantvertaald, zonder daarom te beweren, datδὲooit want kan beteekenen. De woorden:δεῖ δὲ—λέγεινgeven de tegenstelling tegen het naastvoorgaande, dat afgekeurd wordt. Daarom geven zij de reden dier afkeuring, hetgeen in de Hollandsche uitdrukking[133]wordt te kennen gegeven, terwijl de Grieksche zich met het aanduiden der tegenstelling vergenoegt.↑
341Zie hoofdst. XXI.↑
341Zie hoofdst. XXI.↑
342Zie hoofdst. XXVII op het einde. HoewelSocrateszelf hier weigert de Eleaten te bestrijden, heeftPlatohet daar aangeduide in den sophist, die zich onmiddellijk aan den Theaetetus aansluit, volvoerd. Hij heeft daar echter aan de Eleaten de beleefdheid bewezen, dat hij hun standpunt niet doorSocrates, maar door eenen Eleatischen vreemdeling laat weêrleggen; denkelijk, om aan te duiden,[134]dat hunne leer slechts eene meerdere ontwikkeling behoefde, daar zij naar zijn oordeel op den regten weg waren.↑
342Zie hoofdst. XXVII op het einde. HoewelSocrateszelf hier weigert de Eleaten te bestrijden, heeftPlatohet daar aangeduide in den sophist, die zich onmiddellijk aan den Theaetetus aansluit, volvoerd. Hij heeft daar echter aan de Eleaten de beleefdheid bewezen, dat hij hun standpunt niet doorSocrates, maar door eenen Eleatischen vreemdeling laat weêrleggen; denkelijk, om aan te duiden,[134]dat hunne leer slechts eene meerdere ontwikkeling behoefde, daar zij naar zijn oordeel op den regten weg waren.↑
343Ἱππέας εἰς πεδίον προκαλεῖ. Het is bekend, dat ruiterij in de bergen weinig, maar in de vlakte veel kan uitrigten, en dat daarom een leger, welks voornaamste kracht in de ruiterij bestaat, zijne stellingen in de vlakte neemt. Dus wordt ruiters in de vlakte te roepen, gezegd voor iemand tot iets uit te noodigen, dat hij gaarne doet.↑
343Ἱππέας εἰς πεδίον προκαλεῖ. Het is bekend, dat ruiterij in de bergen weinig, maar in de vlakte veel kan uitrigten, en dat daarom een leger, welks voornaamste kracht in de ruiterij bestaat, zijne stellingen in de vlakte neemt. Dus wordt ruiters in de vlakte te roepen, gezegd voor iemand tot iets uit te noodigen, dat hij gaarne doet.↑
344Hier wordt deParmenidesreeds voorbereid, waarin dit gesprek wordt beschreven, of liever, waarin een dialectisch onderzoek voorkomt, dat ingekleed is in den vorm van een gesprek tusschenSocratesenParmenides.Platoheeft in dat werk zijnen eerbied voorParmenidesdoen blijken, doorSocrateszelven, hoewel als een knaap, doorParmenideste laten weêrleggen.↑
344Hier wordt deParmenidesreeds voorbereid, waarin dit gesprek wordt beschreven, of liever, waarin een dialectisch onderzoek voorkomt, dat ingekleed is in den vorm van een gesprek tusschenSocratesenParmenides.Platoheeft in dat werk zijnen eerbied voorParmenidesdoen blijken, doorSocrateszelven, hoewel als een knaap, doorParmenideste laten weêrleggen.↑
345Dat wij, ook al waren al de uitdrukkingen ons duidelijk, toch den zamenhang der redekaveling niet zouden kunnen begrijpen.↑
345Dat wij, ook al waren al de uitdrukkingen ons duidelijk, toch den zamenhang der redekaveling niet zouden kunnen begrijpen.↑
346ἄσκεπτον γένηται ὑπὸ τῶν ἐπεισκωμαζόντων λόγων. Het voorzetselὑπὸwordt achterἄσκεπτον γένηταιgeplaatst, daar de zin dezer woorden is, dat de indringende redekavelingen de oorzaak zouden zijn, waardoor dat onderwerp niet zou behandeld worden; zoodat de zin der uitdrukking dezelfde is, als ware dit laatste door een passivum uitgedrukt. Overigens wordtἐπεισκωμάζωeigenlijk gezegd van eenen troep beschonken jongelieden, die, van een feest komende, gezamenlijk ergens indringen.↑
346ἄσκεπτον γένηται ὑπὸ τῶν ἐπεισκωμαζόντων λόγων. Het voorzetselὑπὸwordt achterἄσκεπτον γένηταιgeplaatst, daar de zin dezer woorden is, dat de indringende redekavelingen de oorzaak zouden zijn, waardoor dat onderwerp niet zou behandeld worden; zoodat de zin der uitdrukking dezelfde is, als ware dit laatste door een passivum uitgedrukt. Overigens wordtἐπεισκωμάζωeigenlijk gezegd van eenen troep beschonken jongelieden, die, van een feest komende, gezamenlijk ergens indringen.↑
347πειρᾶσθαιhangt nog af vanδεῖ δὲ. Bijοὐδέτεραkan men gevoegelijkποιεῖνverstaan, tenzij menδεῖals gedeeltelijk persoonlijk wil opvatten, enοὐδέτεραals deszelfs subject beschouwen.↑
347πειρᾶσθαιhangt nog af vanδεῖ δὲ. Bijοὐδέτεραkan men gevoegelijkποιεῖνverstaan, tenzij menδεῖals gedeeltelijk persoonlijk wil opvatten, enοὐδέτεραals deszelfs subject beschouwen.↑
348ἔστι δὲ ὅτεbeteekent hetzelfde als onssomtijds. De uitdrukking heeft de kracht van een bijwoord gekregen, maar oorspronkelijk schijnt zij te beteekenen:maar er zijn gevallen, wanneer.↑
348ἔστι δὲ ὅτεbeteekent hetzelfde als onssomtijds. De uitdrukking heeft de kracht van een bijwoord gekregen, maar oorspronkelijk schijnt zij te beteekenen:maar er zijn gevallen, wanneer.↑
349ἐπιλαβέσθαιbeteekent eigenlijkaanpakken, hetgeen ook wij in het dagelijksch leven wel bezigen van het bestrijden eener meening.↑
349ἐπιλαβέσθαιbeteekent eigenlijkaanpakken, hetgeen ook wij in het dagelijksch leven wel bezigen van het bestrijden eener meening.↑
350ᾧ—δι’ οὗ. Wanneer, zoo als hier,ᾧenδι’ οὗvan elkander onderscheiden worden, beteekentᾧdatgene, wat[137]naauwer verbonden is met den handelenden, terwijlδι’ οὗeen van hem onderscheiden werktuig beteekent. Zoo gesproken werd van eenen sterrekundige, die met zijne oogen door eenen kijker de sterren beschouwt, dan zouᾧvan de oogen,δι’ οὗvan den kijker gezegd worden. Hier komt ongeveer hetzelfde onderscheid voor, datSocratesin den Phaedo maakt tusschen de beginselen, waaruit hij handelde, en zijne ledematen, die hij tot die handelingen noodig had. Zie mijne vertaling bl. 117 en volgg.↑
350ᾧ—δι’ οὗ. Wanneer, zoo als hier,ᾧenδι’ οὗvan elkander onderscheiden worden, beteekentᾧdatgene, wat[137]naauwer verbonden is met den handelenden, terwijlδι’ οὗeen van hem onderscheiden werktuig beteekent. Zoo gesproken werd van eenen sterrekundige, die met zijne oogen door eenen kijker de sterren beschouwt, dan zouᾧvan de oogen,δι’ οὗvan den kijker gezegd worden. Hier komt ongeveer hetzelfde onderscheid voor, datSocratesin den Phaedo maakt tusschen de beginselen, waaruit hij handelde, en zijne ledematen, die hij tot die handelingen noodig had. Zie mijne vertaling bl. 117 en volgg.↑
351Dit is eene zinspeling op het Trojaansche paard, waarin de Grieksche helden zaten, dieTrojehebben ingenomen. Dezelfde vergelijking bezigtCiceroin eenen anderen zin, wanneer hij zegt, dat, gelijk uit het Trojaansche paard niets dan helden kwamen, de school vanIsocratesslechts groote redenaars opleverde. ZieCic., de Orat. II. c. 22.↑
351Dit is eene zinspeling op het Trojaansche paard, waarin de Grieksche helden zaten, dieTrojehebben ingenomen. Dezelfde vergelijking bezigtCiceroin eenen anderen zin, wanneer hij zegt, dat, gelijk uit het Trojaansche paard niets dan helden kwamen, de school vanIsocratesslechts groote redenaars opleverde. ZieCic., de Orat. II. c. 22.↑
352Namelijk de zinnen.↑
352Namelijk de zinnen.↑
353τινι ἡμῶν αὐτῶν τῷ αὐτῷ. τινιenτῷ αὐτῷhoort bij elkander, en drukt te zamen uit, dat niet zoo zeer de zaak zelve, waarmede dit geschiedt, als wel hare identiteit bij de verschillende verschijnselen wordt onderzocht.↑
353τινι ἡμῶν αὐτῶν τῷ αὐτῷ. τινιenτῷ αὐτῷhoort bij elkander, en drukt te zamen uit, dat niet zoo zeer de zaak zelve, waarmede dit geschiedt, als wel hare identiteit bij de verschillende verschijnselen wordt onderzocht.↑
354ἴσως δὲ βέλτιον—μᾶλλον. Zoo men niet erkennen wil, datPlatozich hier aan eene zekere wijdloopigheid schuldig maakt, die trouwens bij hem dikwijls genoeg gevonden wordt, dan moet men aannemen, datβέλτιονop den geheelen zin ziet, vanσὲ λέγεινtotπολυπραγμονεῖν, en dat het andere lid, dat met dezen zin door middel vanβέλτιονvergeleken wordt, geheel verzwegen is. Dit andere lid is dan natuurlijk niet anders dan het volslagen tegendeel van den zin, waarβέλτιονvóórstaat. Overigens is de reden, waarom dit beter is, te zoeken in de eigenaardige methode vanSocrates, die zijne toehoorders liever zelf liet vinden, dan dat hij hun oordeel door zijne uitspraken zocht te wijzigen. Het is de eigenschap der Socratischeμαιευτική, dat de leermeester zich niet op den voorgrond plaatst, maar alleen den leerling aan het denken helpt. Zie blz. 29 volgg.↑
354ἴσως δὲ βέλτιον—μᾶλλον. Zoo men niet erkennen wil, datPlatozich hier aan eene zekere wijdloopigheid schuldig maakt, die trouwens bij hem dikwijls genoeg gevonden wordt, dan moet men aannemen, datβέλτιονop den geheelen zin ziet, vanσὲ λέγεινtotπολυπραγμονεῖν, en dat het andere lid, dat met dezen zin door middel vanβέλτιονvergeleken wordt, geheel verzwegen is. Dit andere lid is dan natuurlijk niet anders dan het volslagen tegendeel van den zin, waarβέλτιονvóórstaat. Overigens is de reden, waarom dit beter is, te zoeken in de eigenaardige methode vanSocrates, die zijne toehoorders liever zelf liet vinden, dan dat hij hun oordeel door zijne uitspraken zocht te wijzigen. Het is de eigenschap der Socratischeμαιευτική, dat de leermeester zich niet op den voorgrond plaatst, maar alleen den leerling aan het denken helpt. Zie blz. 29 volgg.↑
355Het zou nog wel mogelijk zijn, het aan beiden gemeenschappelijke in beiden waar te nemen, maar hiermede is dit nog niet als gemeenschappelijk erkend. Daartoe is het noodig, die twee zinnelijke waarnemingen onder een hooger gezigtspunt zamen te vatten, iets, dat buiten het bereik der waarneming van de enkele zinnen valt.↑
355Het zou nog wel mogelijk zijn, het aan beiden gemeenschappelijke in beiden waar te nemen, maar hiermede is dit nog niet als gemeenschappelijk erkend. Daartoe is het noodig, die twee zinnelijke waarnemingen onder een hooger gezigtspunt zamen te vatten, iets, dat buiten het bereik der waarneming van de enkele zinnen valt.↑
356Woordelijk: maar de waardoor [werkende] kracht maakt u het aan allen en aan dezen gemeenschappelijke bekend, waaraan gij den naam geeft van het zijn en het niet zijn, en wat wij nu over dezelve vroegen?↑
356Woordelijk: maar de waardoor [werkende] kracht maakt u het aan allen en aan dezen gemeenschappelijke bekend, waaraan gij den naam geeft van het zijn en het niet zijn, en wat wij nu over dezelve vroegen?↑
357τὸ ταὐτόν τε καὶ τὸ ἕτερον. Het gebrek van abstracte woorden in de talen is ten allen tijde een kruis voor de wijsgeeren geweest, en heeft ze gedwongen nieuwe woorden te maken, hetgeen aan de literatoren gewoonlijk aanleiding gaf, om hen van barbarismus te beschuldigen. Zulk onverstandig ijveren heeft ons beroofd van het voorregt, in het latijn eene taal der geleerden te bezitten. De scholastici hadden het latijn uit zich zelve ontwikkeld, en geschikt gemaakt tot het uitdrukken der wijsgeerige begrippen. Daar komen de literatoren en roepen: „dat latijn deugt niet, want het werd in den tijd vanAugustuszoo niet gesproken!” Dit oordeel verschrikte de mannen van andere vakken, die latijn schreven, en daar zij het latijn der tijdgenooten vanAugustusniet konden, en het latijn der scholastici niet mogten gebruiken, werden zij gedwongen de geheele taal te laten loopen, en zich ieder van hunne moedertaal te bedienen, hetgeen nadeelig op hunne sympathie voor de studie der oude letteren gewerkt heeft. Nu roepen zij op hunne beurt: „het latijn is nutteloos geworden! Alle vakken zijn reeds zoo goed in de moderne talen behandeld, dat men het latijn wel missen kan!” en daardoor loopt de geheele studie der oude letteren, althans in de verte, gevaar; daar de mannen van andere vakken zich meer en meer van dezelve, als van eenen nutteloozen last, zoeken te ontslaan. Zoo hebben de literatoren door onverstandigen ijver hunne eigen glazen ingeworpen, daar zij niet wilden inzien, dat de ontwikkeling der taal gelijken tred moet houden met de ontwikkeling der denkbeelden, die in die taal worden uitgedrukt.↑
357τὸ ταὐτόν τε καὶ τὸ ἕτερον. Het gebrek van abstracte woorden in de talen is ten allen tijde een kruis voor de wijsgeeren geweest, en heeft ze gedwongen nieuwe woorden te maken, hetgeen aan de literatoren gewoonlijk aanleiding gaf, om hen van barbarismus te beschuldigen. Zulk onverstandig ijveren heeft ons beroofd van het voorregt, in het latijn eene taal der geleerden te bezitten. De scholastici hadden het latijn uit zich zelve ontwikkeld, en geschikt gemaakt tot het uitdrukken der wijsgeerige begrippen. Daar komen de literatoren en roepen: „dat latijn deugt niet, want het werd in den tijd vanAugustuszoo niet gesproken!” Dit oordeel verschrikte de mannen van andere vakken, die latijn schreven, en daar zij het latijn der tijdgenooten vanAugustusniet konden, en het latijn der scholastici niet mogten gebruiken, werden zij gedwongen de geheele taal te laten loopen, en zich ieder van hunne moedertaal te bedienen, hetgeen nadeelig op hunne sympathie voor de studie der oude letteren gewerkt heeft. Nu roepen zij op hunne beurt: „het latijn is nutteloos geworden! Alle vakken zijn reeds zoo goed in de moderne talen behandeld, dat men het latijn wel missen kan!” en daardoor loopt de geheele studie der oude letteren, althans in de verte, gevaar; daar de mannen van andere vakken zich meer en meer van dezelve, als van eenen nutteloozen last, zoeken te ontslaan. Zoo hebben de literatoren door onverstandigen ijver hunne eigen glazen ingeworpen, daar zij niet wilden inzien, dat de ontwikkeling der taal gelijken tred moet houden met de ontwikkeling der denkbeelden, die in die taal worden uitgedrukt.↑