358Hier wordt een bewijs voor het bestaan der ziel gebouwd op de kennis der algemeene begrippen. Deze redenering is kortelijk aldus:Iedere zin heeft zijn eigen scherp begrensd gebied, en de ééne neemt de voorwerpen van den anderen niet waar.Wij hebben begrippen, die het gemeenschappelijke in de waarnemingen der verschillende zinnen uitdrukken.Die begrippen kunnen niet afstammen uit eene der vijf van elkander scherp onderscheidene zinnen.Zij moeten dus gekend worden door een vermogen, dat van die zinnen onderscheiden is, en ze te zamen omvat. Dit vermogen willen wijzielnoemen. Dit vermogen kan (aldus moeten wijPlatoaanvullen) niet ligchamelijk zijn, omdat de voorwerpen, die er door worden waargenomen, wel op alle ligchamelijke dingen worden toegepast, maar zelve wegens hunne algemeenheid geenszins op ligchamelijke wijs kunnen waargenomen worden.↑359Dit klinkt voor onze ooren vreemd, doch het was zulks niet voor de Grieken, die op schoonheid ook bij mannen zoo veel prijs stelden, dat zelfs de wijzeSolonde schoonheid uitdrukkelijk onder de bestanddeelen van een volmaakt geluk opnoemde. ZieHerod.I. Cap. 32.↑360Socratesis hier beter overTheaetetustevreden dan ik, want juist hetgeen hier zoo voetstoots wordt aangenomen, is aan vrij wat bedenking onderhevig, daar de tegenpartij kan zeggen, dat die algemeene begrippen niets anders zijn, dan de bij alle zinnelijke waarneming telkens op nieuw op de hersenmassa gemaakte indrukken, die, juist omdat zij telkens wederkomen, veel vaster dan het bijzondere, dat telkens afwisselt, blijven zitten, en daardoor van zelfs een karakter van algemeenheid bekomen.Platoheeft echter in den Phaedo eene andere opmerking gedaan, die hier van zeer veel belang is. Zij is deze, dat wij begrippen hebben, die niet alleen niet afzonderlijk voorkomen, maar zelfs nergens in zulke volkomenheid bestaan als wij ze denken. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 53–57 en blz. 175 en 176.Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 60 en blz. 65 en 66.↑361Stallbaumheeft zeer juist aangemerkt, datοὐσίαin dit hoofdstuk dan eenswezenheiden dan eenszijnbeteekent.↑362Deze zin moet, geloof ik, aldus verbeterd worden:καὶ τούτων μοι δοκεῖ ἐν τοῖς μάλιστα σκοπεῖσθαι τὴν οὐσίαν, ἀναλογιζομένη ἐν ἑαυτῇτὰγεγονότα καὶ τὰ παρόντα πρὸς ἄλληλα καὶ πρὸς τὰ μέλλοντα.↑363Theaetetuslaat zich door de in hem opkomende denkbeelden medeslepen, om meer te zeggen, dan hier eigenlijk noodig was. HoewelPlatodeze uitweiding misschien alleen om den vurigen geest vanTheaetetuste schetsen gemaakt heeft, ligt echter in deze woorden eene diepe waarheid verborgen. Het waarnemen van verband tusschen het verledene en tegenwoordige, met het bewustzijn, dat het verledene verleden is, en het redeneren over het toekomstige laat zich onmogelijk uit stoffelijke werkingen verklaren, en is een duidelijk bewijs voor het bestaan van eenen geest, die zijne verschillende toestanden in de eenheid van zijn bewustzijn omvat.↑364De stelling, dat de zinnen de wezenheid der dingen niet vatten, is op zich zelve waar, daar de zinnen alleen den indruk, dien zij krijgen, aan de ziel bekend maken, maar over de oorzaak van dien indruk niets te kennen geven; doch het bewijs, doorPlatogeleverd, namelijk, dat de zinnen de waarheid niet kunnen vatten, daar de waarheid eener zaak in hare wezenheid gelegen is, en de zinnen het afgetrokkene begrip:wezenheidniet vatten, is niet goed ingerigt; daar hierdoor de vraag nog niet is afgesneden, of niet welligt, al wordt dit afgetrokkene begrip niet zinnelijk waargenomen, toch de wezenheid, dat is de waarheid, van ieder ding in het bijzonder ons door de zinnen wordt bekend gemaakt.Platohad moeten aantoonen, dat de zinnen ons wel de uiterlijke gedaante, maar niet de inwendige wezenheid der dingen bekend maken.↑365Namelijk, de aandoeningen der zinnen en de kennis.↑366Hoezeer het altijd heilzaam is, dwalingen weg te nemen, is dit echter geenszins voldoende, daar zoowel in het theoretische als in het practische de menschelijke geest stellige, niet bloot ontkennende, begrippen noodig heeft. Daarom geeft eene bloot negatieve kritiek altijd onbevredigende uitkomsten.↑367Dit klinkt om het volgende vreemd. Men bedenke echter, dat hier meening als geslacht tegenover het gevoel gesteld wordt, en dat in zoo verre dit antwoord goed is, hoezeer het nog vrij wat ontwikkeling vordert.↑368ἐξαλείψας, eigenlijk:uitgewischt hebbende. Het is eene zinnebeeldige uitdrukking, ontleend aan de wassen schrijftafeltjes, waarop men het geschrevene, zoo het niet deugde, met het platte einde van de schrijfstift uitwischte. Vandaar de bekende les:saepe stilum vertas, (Hor.Sat. I 10. 72.) dat is:vlak dikwijls het geschrevene uit, [om het te verbeteren].↑369De leer, dat alle meening zich op gevoelsaandoening moet gronden, en dat alle meeningen juist daarom even waar zijn, is reeds in het vorige behandeld. Daarbij is uitgemaakt, dat niet alle meening even waar is, en dat er wel degelijk valsche meening bestaat. In plaats echter van die zaak als afgedaan te beschouwen, wordt de vraag naar de valsche meening in het volgende nog eens behandeld, ten einde, zoo mogelijk, het eigenlijke onderscheid tusschen de ware en de valsche meening op te sporen. Het is hetzelfde onderwerp, dat later onder den naam van het kenmerk der waarheid de Stoïcijnen en Academici tegen elkander in het harnas joeg.↑370Platoheeft hier de constructie verlaten, waarmede hij begonnen was. Het werkwoordΘράττειdoet verwachten, dat achterγεγονέναιzal komenὅτι οὐκ ἔχω εἰπεῖν, maarPlatoheeft in plaats vanὅτιmet den indicativus de constructie met het deelwoord verkozen. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Verder heb ikἐν ἀπορίᾳ πρὸς ἐμαυτὸν καὶ πρὸς ἄλλονvertaald door:in onzekerheid wat ik denken en spreken moet, omdat wij voor ons zelven denken en tot anderen spreken.↑371Deze echt wijsgeerige spreuk wordt theoretisch door ieder toegestemd, maar practisch door bijna niemand toegepast, daar het in onze eeuw vooral op het maken van effect aankomt.↑372Dat is in onze wijs van spreken: daar waarheid en leugen niet alleen subjectief, maar wel degelijk objectief zijn.↑373Hier volgen eenige zoogenaamdeἀπορίαι(zwarigheden), die dienen moeten om eene meer naauwkeurige ontwikkeling van de hier voorkomende begrippen te weeg te brengen.Aristoteleszegt in het eerste hoofdstuk van het tweede boek zijner Metaphysica daarover het volgende: „Het is voor hen, die van zwarigheden willen vrij zijn, heilzaam, eerst goed door de zwarigheden heen te worstelen. Die latere gemakkelijkheid toch is een gevolg van de oplossing der vorige zwarigheden. Nu kan men niet oplossen zonder den knoop te weten; maar het zoeken van zwarigheden toont, waar dezelve[149]zit.” Verder merkt hij aan, dat het zoeken der zwarigheden ook goed is, om zich helder bewust te worden van het eigenlijke doel des onderzoeks; om te weten of men dat doel bereikt heeft of niet, en om zijn oordeel juist te maken, door als het ware beide partijen te hooren.↑374Zoo kennen en niet kennen te zamen dit geheele gebied omvatten, en alle overgangsstandpunten worden uitgesloten, dan kent men iets of kent het niet, zonder meer; en dan blijven alle verschijnselen, die slechts uit gebrekkige of gedeeltelijke kennis verklaarbaar zijn, een onoplosbaar raadsel.↑375ἔστιheeft hier de kracht vanἔξεστι.↑376ἁπλοῦν. De eigenlijke beteekenis vanἁπλοῦςiséénvoudig. Waar nu meer gevallen mogelijk zijn, is ieder in zooverre toevallig, maar waar slechts één geval bestaat, daar is dat ook onvermijdelijk en noodzakelijk, hetgeen, op de kennis toegepast, de beteekenis vanzonder uitzondering waardoet geboren worden.↑377ὃ λέγεται. Ik verklaar mij voor de gissing:ὃ λέγετε, omdat hier niet van een algemeen bekend gezegde, maar bepaaldelijk van het pas gesprokene wordt melding gemaakt, en die verdichte tegenspreker hier wordt voorgesteld als het woord totSocratesenTheaetetusrigtend.↑378Dat is: dat iets te gelijk is en niet is. Hier wordt zijn en niet zijn even volstrekt genomen en uitdrukkelijk aan elkander tegengesteld, als boven: kennen en niet kennen.↑379Het hier voorkomende is waarschijnlijk een schimpscheut op de Heracliteërs, die beweerden, dat er niets is dan de eeuwige beweging, of opGorgias, die een boek geschreven heeft, ten titel voerende:Over de natuur of het niet zijnde.↑380Deze redenering is in zooverre sophistisch, als hier het subjectief en objectief niet zijnde verwisseld wordt. Al meen ik iets, dat niet bestaat, dan heeft mijne meening daarom toch wel een voorwerp, hoewel dat voorwerp alleen in mijne meening, maar niet buiten dezelve gevonden wordt. Later echter heeftPlatodit verbeterd, waaruit ik meen te mogen besluiten, dat deze redenering door hem niet als absoluut waar, maar slechts als op dit standpunt onvermijdelijk beschouwd werd.↑381Woordelijk: Noemen wij het alzoo ontstaande ook aldus? In de vragende zinnen wijkt de Grieksche constructie van de onze af, daar het bij de Grieken niet noodig is, het woord, waar het in de vraag op aankomt, tot het grammaticale hoofdwoord van den zin te maken. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 612.↑382Woordelijk: Zeggen wij ook, dat valsche meening bestaat, zijnde eene verwisseling van begrippen.Ἀλλοδοξίαis eigenlijk het meenen van wat anders [dan het ware], doch, daar de begrippen de voorwerpen der meening zijn, zoo heb ik het door verwisseling van begrippen overgezet.↑383Woordelijk: wanneer iemand, in plaats van leelijk, schoon, of in plaats van schoon, leelijk meent.↑384Het hier voorkomende heeft geheel de kleur eener bespotting van sommige sophisten, die, gelijk in denEuthydemusdoorPlatonaar het leven wordt geschilderd, met dergelijke sophisterijen hunne hoorders in de war bragten.Theaetetustoch had niets misdreven, want hij meende niet, dat die valsche meening waar was, maar dat het waar was, dat die meening valsch kon genoemd worden.↑385Ἔστινkan op twee wijzen verklaard worden: óf door het metἔξεστινgelijk te stellen, óf door het op te vatten als de copula, tusschen het hier in de gedachte herhaaldeψευδῆ δοξάζειν, en het begrip, dat uitgedrukt wordt door de woordenἕτερόν τι—τίθεσθαι. Hoewel ik de eerste verklaring gevolgd ben, kan ik niet ontveinzen, dat ook de andere zich zeer goed laat verdedigen.↑386ἕτερόν τιziet op het volgendeἕτερον, daar twee van elkander verschillende dingen het één steeds een ander dan het andere is.↑387Dat is: En hij denkt immers die twee aan elkander tegenovergestelden óf te gelijk óf achtereenvolgens.↑388Woordelijk: noemt gij het denken, wat ik het noem; dat is: geeft gij dezelfde bepaling van het denken als ik?↑389Woordelijk: als het niet wetende.Socrateshoudt zich hier, zoo als altijd, onwetend, en wel verre van te zeggen: zoo is het, stelt hij zijn gevoelen als eene bloote gissing voor. Overigens is het hier voorkomende slechts eene voorloopige bepaling, die de wezenheid der zaak niet uitdrukt.↑390οὐ φάσκουσαbeteekent zoo veel als ons:neen zeggende, dat isontkennende.↑391Ik heb hier de woorden:de slotsom vaningevoegd, want als denken een inwendig gesprek is, dan is de meening,[156]die door dat gesprek tot stand komt, niet het gesprek zelf, maar deszelfs slotsom. Hetzelfde wordt trouwens door het Griekscheεἰρημένονaangeduid, want het perfectum drukt immers eenen tegenwoordigen toestand uit, die het gevolg is eener verledene handeling.↑392τὸπάντων κεφάλαιονbeteekent hier niet het voornaamste van allen, maar het allen omvattende begrip, de algemeene uitdrukking, die op hen allen toepasselijk is.↑393τολμῆσαι. Dit is een duidelijk voorbeeld van de algemeene beteekenis, die de Grieksche aoristus zoo dikwijls in den infinitivus heeft. ZieButtm., Gr. Gr. § 137. 5.↑394Hier heeft eene verwisseling van subject en praedicaat plaats, zooals bijPlatomeer voorkomt; hoewel zij eigenlijk alleen dan geoorloofd is, wanneer subject en praedicaat van gelijken omvang zijn en elkander volkomen dekken. Al is het oordeel:alle vogels zijn dieren, volkomen waar, dan kan het nog niet worden omgekeerd:alle dieren zijn vogels, maar bij eene bepaling mag zulks wel, daar eene goede bepaling de bepaalde zaak juist uitdrukt en alleen op haar toepasselijk is.↑395ἐατέον δὲ καὶσοὶτὸ ῥῆμα περὶ τοῦ ἑτέρου. Deze woorden hebben veel onderzoek in de wereld gebragt. Ik geloof, dat zij niet goed verstaan zijn ten gevolge van eene onnaauwkeurigheid inPlato’suitdrukking, daar hijτὸ ἕτερον, dat in deze redekaveling een kunstterm is, hier in de gewone beteekenis gebruikt heeft, om er het ééne geval mede aan te duiden, namelijk, dat de beide met elkaar verwisselde denkbeelden te gelijk voor den geest tegenwoordig zijn.τὸ ῥῆμαbeteekent dan hier de uitdrukkingψευδῆ δοξάζειν. Het komt mij verder noodig voor,δὲinδὴte veranderen, daar hier geene tegenstelling tegen, maar veeleer eene gevolgtrekking uit het vorige voorkomt, tenzij deze plaats onder de plaatsen gerekend worde, waarδὲin de beteekenis vanδὴgebruikt wordt.↑396Dat is: dat niemand iets, dat hij leelijk vindt, toch schoon vindt, enz.↑397Namelijk het koesteren van valsche meening.↑398De constructie is:αἰσχυνοίμην γὰρ ἂν ὑπὲρ ἡμῶν ἀναγκαζομένων ὁμολογεῖν οἷα λέγω[περὶ τουτοῦ]ἐν ᾧ ἀποροῦμεν.↑399Socrateshad aangetoond, tot welke dwaashedenProtagoraskwam, door alle meeningen voor waar te erkennen. Nu merkt hij echter op, dat hij voor hetzelfde bloot stond, zoo hij geen kans zag de mogelijkheid van het ontstaan der valsche meening aan te wijzen.↑400Stallbaumziet hier te regt nabootsing vanSophoclesAj. v. 1142, sqq.↑401μὴ. Hier benijd ik het Grieksch, dat, doorμὴofοὐ[160]te zetten, kan aanduiden of de ontkenning bijdeedof bijkennenhoort. Ook het Latijnscheignorarezou hier zeer te pas komen.↑402μεταστρέφονταhoort niet bijλόγον, maar bijτινὰ, dat hier in de gedachte moet ingevoegd worden. Wij zouden hierμεταστρέφονταςverwachten, en ik ben in de verzoeking geweest, om dit alhier te willen lezen; maar het is niet noodig, daarμεταστρέφονταzeer wel op het onbepaalde subject van den infinitivusβασανίζεινkan te huis gebragt worden. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 556. Anm. 3.↑403Men heeft veel geredetwist over de vraag, of hierPlato’sgevoelen, of eene persifflage van eens anders meening gevonden wordt. Ik geloof, dat alles wordt uitgemaakt door de woorden:stel dan nu eens, om der wille van de redekaveling. Wij hebben hier slechts eene zinnebeeldige voorstelling van de waarheid, dat het geheugen niet alles volkomen bewaart, dat de helderheid der herinnering van de helderheid der waarneming en de sterkte des geheugens afhangt, dat het geheugen niet bij allen even sterk is.↑404ἔστι δ’ οἷςstaat volkomen gelijk metἐνίοις, daar het oorspronkelijk beteekent:daar is er, aan wie. ZieButtm.Gr. Gr. § 150.↑405ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲν αὐτά, σκοπῶν δέ τι ὧν ὁρᾷ ἢ ἀκούει κ. τ. λ.Deze zin is eenigzins ingewikkeld, maar kan het best worden opgehelderd door haar op deze wijs om te zetten:ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲνἃὁρᾷ ἢ ἀκούει σκοπῶνδέτι αὐτῶν κ. τ. λ.Niet, dat ik aldus wil lezen; integendeel houd ik de hier voorkomende uitdrukking voor echt Platonisch.↑406καὶ ἔτι—ἀδυνατώτερον—εἰ οἷον τε. Woordelijk: en nog onmogelijker, zoo het mogelijk is; dat is: en zoo er een nog grooter trap van onmogelijkheid bestaan kan. Daar echter deze op de onmogelijkheid toegepaste mogelijkheid mij hinderde, heb ik er het Hollandscheschiervoor in de plaats gezet, dat in dit verband ongeveer op hetzelfde neêrkomt, zonder dat ik in het minst wil beweren, datεἰ οἷον τεhetzelfde beteekent als onsschier. Niets is nadeeliger voor gezonde uitlegkunde dan de dwaling, dat, wanneer de eene spreekwijs de andere weêrgeeft, zij ook lid voor lid overeenkomen. Daardoor is het misbruik ontstaan, dat in sommige woordenboeken één woord vaak wel twintig of meer beteekenissen heeft, hetgeen toch eigenlijk ondenkbaar is.↑407ὀρθῶςbeteekent hier hetzelfde als het vorigeκατὰ τὴν αἴσθησιν.↑408κατὰ ταὐτάd. i.ὀρθῶς, κατὰ τὴν αἴσθησιν.↑409ἢ ὧν οἶδε—καὶ αἰσθάνεται. Deze zin is niet duidelijk. Het beste schijnt het, haar door invoeging aldus te verklaren:ἢ[ἔν τισὶ]ὧν οἶδε καὶ αἰσθάνεται[οἰηθῆναι αὐτὰἕτερ’ἄττα εἶναι]ὧν οἶδεν αὖ καὶ αἰσθάνεται. Overigens merke men op, dat hier is weggelaten:en overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, daar volgens[164]deze redekaveling de mogelijkheid der valsche meening te zoeken is in het gebied der gebrekkige overeenkomst tusschen waarneming en herinnering.↑410ὄψιςheeft hier eene objectieve beteekenis, daar het niet zoo zeer het zien, als wel datgene, wat gezien wordt, aanduidt. Zoo beteekentἀκοὴin het N. T.prediking, daar het eigenlijkgehoor, en vandaarwat gehoord wordt, te kennen geeft.↑411προσαρμόσαιhangt af vanπροθυμηθῶ, waarbij opmerking verdient, dat het eigenlijke object, vanπροσαρμόσαιniet daar, maar bij het deelwoordἀποδοὺςgezet is, dat met het subject vanπροθυμηθῶovereenkomt. Wij zouden bijπροσαρμόσαιalthans een voornaamwoord plaatsen, om het object aan te duiden, hoewel dit volstrekt niet noodig is, daar het object nu toch afhangt van een woord, dat verbonden[166]is met het subject van het werkwoord, waardoor de infinitivus vanπροσαρμόσαιgeregeerd wordt. ZieButtmann, Gr. Gr. § 130. 5. Anm. 1.↑
358Hier wordt een bewijs voor het bestaan der ziel gebouwd op de kennis der algemeene begrippen. Deze redenering is kortelijk aldus:Iedere zin heeft zijn eigen scherp begrensd gebied, en de ééne neemt de voorwerpen van den anderen niet waar.Wij hebben begrippen, die het gemeenschappelijke in de waarnemingen der verschillende zinnen uitdrukken.Die begrippen kunnen niet afstammen uit eene der vijf van elkander scherp onderscheidene zinnen.Zij moeten dus gekend worden door een vermogen, dat van die zinnen onderscheiden is, en ze te zamen omvat. Dit vermogen willen wijzielnoemen. Dit vermogen kan (aldus moeten wijPlatoaanvullen) niet ligchamelijk zijn, omdat de voorwerpen, die er door worden waargenomen, wel op alle ligchamelijke dingen worden toegepast, maar zelve wegens hunne algemeenheid geenszins op ligchamelijke wijs kunnen waargenomen worden.↑359Dit klinkt voor onze ooren vreemd, doch het was zulks niet voor de Grieken, die op schoonheid ook bij mannen zoo veel prijs stelden, dat zelfs de wijzeSolonde schoonheid uitdrukkelijk onder de bestanddeelen van een volmaakt geluk opnoemde. ZieHerod.I. Cap. 32.↑360Socratesis hier beter overTheaetetustevreden dan ik, want juist hetgeen hier zoo voetstoots wordt aangenomen, is aan vrij wat bedenking onderhevig, daar de tegenpartij kan zeggen, dat die algemeene begrippen niets anders zijn, dan de bij alle zinnelijke waarneming telkens op nieuw op de hersenmassa gemaakte indrukken, die, juist omdat zij telkens wederkomen, veel vaster dan het bijzondere, dat telkens afwisselt, blijven zitten, en daardoor van zelfs een karakter van algemeenheid bekomen.Platoheeft echter in den Phaedo eene andere opmerking gedaan, die hier van zeer veel belang is. Zij is deze, dat wij begrippen hebben, die niet alleen niet afzonderlijk voorkomen, maar zelfs nergens in zulke volkomenheid bestaan als wij ze denken. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 53–57 en blz. 175 en 176.Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 60 en blz. 65 en 66.↑361Stallbaumheeft zeer juist aangemerkt, datοὐσίαin dit hoofdstuk dan eenswezenheiden dan eenszijnbeteekent.↑362Deze zin moet, geloof ik, aldus verbeterd worden:καὶ τούτων μοι δοκεῖ ἐν τοῖς μάλιστα σκοπεῖσθαι τὴν οὐσίαν, ἀναλογιζομένη ἐν ἑαυτῇτὰγεγονότα καὶ τὰ παρόντα πρὸς ἄλληλα καὶ πρὸς τὰ μέλλοντα.↑363Theaetetuslaat zich door de in hem opkomende denkbeelden medeslepen, om meer te zeggen, dan hier eigenlijk noodig was. HoewelPlatodeze uitweiding misschien alleen om den vurigen geest vanTheaetetuste schetsen gemaakt heeft, ligt echter in deze woorden eene diepe waarheid verborgen. Het waarnemen van verband tusschen het verledene en tegenwoordige, met het bewustzijn, dat het verledene verleden is, en het redeneren over het toekomstige laat zich onmogelijk uit stoffelijke werkingen verklaren, en is een duidelijk bewijs voor het bestaan van eenen geest, die zijne verschillende toestanden in de eenheid van zijn bewustzijn omvat.↑364De stelling, dat de zinnen de wezenheid der dingen niet vatten, is op zich zelve waar, daar de zinnen alleen den indruk, dien zij krijgen, aan de ziel bekend maken, maar over de oorzaak van dien indruk niets te kennen geven; doch het bewijs, doorPlatogeleverd, namelijk, dat de zinnen de waarheid niet kunnen vatten, daar de waarheid eener zaak in hare wezenheid gelegen is, en de zinnen het afgetrokkene begrip:wezenheidniet vatten, is niet goed ingerigt; daar hierdoor de vraag nog niet is afgesneden, of niet welligt, al wordt dit afgetrokkene begrip niet zinnelijk waargenomen, toch de wezenheid, dat is de waarheid, van ieder ding in het bijzonder ons door de zinnen wordt bekend gemaakt.Platohad moeten aantoonen, dat de zinnen ons wel de uiterlijke gedaante, maar niet de inwendige wezenheid der dingen bekend maken.↑365Namelijk, de aandoeningen der zinnen en de kennis.↑366Hoezeer het altijd heilzaam is, dwalingen weg te nemen, is dit echter geenszins voldoende, daar zoowel in het theoretische als in het practische de menschelijke geest stellige, niet bloot ontkennende, begrippen noodig heeft. Daarom geeft eene bloot negatieve kritiek altijd onbevredigende uitkomsten.↑367Dit klinkt om het volgende vreemd. Men bedenke echter, dat hier meening als geslacht tegenover het gevoel gesteld wordt, en dat in zoo verre dit antwoord goed is, hoezeer het nog vrij wat ontwikkeling vordert.↑368ἐξαλείψας, eigenlijk:uitgewischt hebbende. Het is eene zinnebeeldige uitdrukking, ontleend aan de wassen schrijftafeltjes, waarop men het geschrevene, zoo het niet deugde, met het platte einde van de schrijfstift uitwischte. Vandaar de bekende les:saepe stilum vertas, (Hor.Sat. I 10. 72.) dat is:vlak dikwijls het geschrevene uit, [om het te verbeteren].↑369De leer, dat alle meening zich op gevoelsaandoening moet gronden, en dat alle meeningen juist daarom even waar zijn, is reeds in het vorige behandeld. Daarbij is uitgemaakt, dat niet alle meening even waar is, en dat er wel degelijk valsche meening bestaat. In plaats echter van die zaak als afgedaan te beschouwen, wordt de vraag naar de valsche meening in het volgende nog eens behandeld, ten einde, zoo mogelijk, het eigenlijke onderscheid tusschen de ware en de valsche meening op te sporen. Het is hetzelfde onderwerp, dat later onder den naam van het kenmerk der waarheid de Stoïcijnen en Academici tegen elkander in het harnas joeg.↑370Platoheeft hier de constructie verlaten, waarmede hij begonnen was. Het werkwoordΘράττειdoet verwachten, dat achterγεγονέναιzal komenὅτι οὐκ ἔχω εἰπεῖν, maarPlatoheeft in plaats vanὅτιmet den indicativus de constructie met het deelwoord verkozen. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Verder heb ikἐν ἀπορίᾳ πρὸς ἐμαυτὸν καὶ πρὸς ἄλλονvertaald door:in onzekerheid wat ik denken en spreken moet, omdat wij voor ons zelven denken en tot anderen spreken.↑371Deze echt wijsgeerige spreuk wordt theoretisch door ieder toegestemd, maar practisch door bijna niemand toegepast, daar het in onze eeuw vooral op het maken van effect aankomt.↑372Dat is in onze wijs van spreken: daar waarheid en leugen niet alleen subjectief, maar wel degelijk objectief zijn.↑373Hier volgen eenige zoogenaamdeἀπορίαι(zwarigheden), die dienen moeten om eene meer naauwkeurige ontwikkeling van de hier voorkomende begrippen te weeg te brengen.Aristoteleszegt in het eerste hoofdstuk van het tweede boek zijner Metaphysica daarover het volgende: „Het is voor hen, die van zwarigheden willen vrij zijn, heilzaam, eerst goed door de zwarigheden heen te worstelen. Die latere gemakkelijkheid toch is een gevolg van de oplossing der vorige zwarigheden. Nu kan men niet oplossen zonder den knoop te weten; maar het zoeken van zwarigheden toont, waar dezelve[149]zit.” Verder merkt hij aan, dat het zoeken der zwarigheden ook goed is, om zich helder bewust te worden van het eigenlijke doel des onderzoeks; om te weten of men dat doel bereikt heeft of niet, en om zijn oordeel juist te maken, door als het ware beide partijen te hooren.↑374Zoo kennen en niet kennen te zamen dit geheele gebied omvatten, en alle overgangsstandpunten worden uitgesloten, dan kent men iets of kent het niet, zonder meer; en dan blijven alle verschijnselen, die slechts uit gebrekkige of gedeeltelijke kennis verklaarbaar zijn, een onoplosbaar raadsel.↑375ἔστιheeft hier de kracht vanἔξεστι.↑376ἁπλοῦν. De eigenlijke beteekenis vanἁπλοῦςiséénvoudig. Waar nu meer gevallen mogelijk zijn, is ieder in zooverre toevallig, maar waar slechts één geval bestaat, daar is dat ook onvermijdelijk en noodzakelijk, hetgeen, op de kennis toegepast, de beteekenis vanzonder uitzondering waardoet geboren worden.↑377ὃ λέγεται. Ik verklaar mij voor de gissing:ὃ λέγετε, omdat hier niet van een algemeen bekend gezegde, maar bepaaldelijk van het pas gesprokene wordt melding gemaakt, en die verdichte tegenspreker hier wordt voorgesteld als het woord totSocratesenTheaetetusrigtend.↑378Dat is: dat iets te gelijk is en niet is. Hier wordt zijn en niet zijn even volstrekt genomen en uitdrukkelijk aan elkander tegengesteld, als boven: kennen en niet kennen.↑379Het hier voorkomende is waarschijnlijk een schimpscheut op de Heracliteërs, die beweerden, dat er niets is dan de eeuwige beweging, of opGorgias, die een boek geschreven heeft, ten titel voerende:Over de natuur of het niet zijnde.↑380Deze redenering is in zooverre sophistisch, als hier het subjectief en objectief niet zijnde verwisseld wordt. Al meen ik iets, dat niet bestaat, dan heeft mijne meening daarom toch wel een voorwerp, hoewel dat voorwerp alleen in mijne meening, maar niet buiten dezelve gevonden wordt. Later echter heeftPlatodit verbeterd, waaruit ik meen te mogen besluiten, dat deze redenering door hem niet als absoluut waar, maar slechts als op dit standpunt onvermijdelijk beschouwd werd.↑381Woordelijk: Noemen wij het alzoo ontstaande ook aldus? In de vragende zinnen wijkt de Grieksche constructie van de onze af, daar het bij de Grieken niet noodig is, het woord, waar het in de vraag op aankomt, tot het grammaticale hoofdwoord van den zin te maken. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 612.↑382Woordelijk: Zeggen wij ook, dat valsche meening bestaat, zijnde eene verwisseling van begrippen.Ἀλλοδοξίαis eigenlijk het meenen van wat anders [dan het ware], doch, daar de begrippen de voorwerpen der meening zijn, zoo heb ik het door verwisseling van begrippen overgezet.↑383Woordelijk: wanneer iemand, in plaats van leelijk, schoon, of in plaats van schoon, leelijk meent.↑384Het hier voorkomende heeft geheel de kleur eener bespotting van sommige sophisten, die, gelijk in denEuthydemusdoorPlatonaar het leven wordt geschilderd, met dergelijke sophisterijen hunne hoorders in de war bragten.Theaetetustoch had niets misdreven, want hij meende niet, dat die valsche meening waar was, maar dat het waar was, dat die meening valsch kon genoemd worden.↑385Ἔστινkan op twee wijzen verklaard worden: óf door het metἔξεστινgelijk te stellen, óf door het op te vatten als de copula, tusschen het hier in de gedachte herhaaldeψευδῆ δοξάζειν, en het begrip, dat uitgedrukt wordt door de woordenἕτερόν τι—τίθεσθαι. Hoewel ik de eerste verklaring gevolgd ben, kan ik niet ontveinzen, dat ook de andere zich zeer goed laat verdedigen.↑386ἕτερόν τιziet op het volgendeἕτερον, daar twee van elkander verschillende dingen het één steeds een ander dan het andere is.↑387Dat is: En hij denkt immers die twee aan elkander tegenovergestelden óf te gelijk óf achtereenvolgens.↑388Woordelijk: noemt gij het denken, wat ik het noem; dat is: geeft gij dezelfde bepaling van het denken als ik?↑389Woordelijk: als het niet wetende.Socrateshoudt zich hier, zoo als altijd, onwetend, en wel verre van te zeggen: zoo is het, stelt hij zijn gevoelen als eene bloote gissing voor. Overigens is het hier voorkomende slechts eene voorloopige bepaling, die de wezenheid der zaak niet uitdrukt.↑390οὐ φάσκουσαbeteekent zoo veel als ons:neen zeggende, dat isontkennende.↑391Ik heb hier de woorden:de slotsom vaningevoegd, want als denken een inwendig gesprek is, dan is de meening,[156]die door dat gesprek tot stand komt, niet het gesprek zelf, maar deszelfs slotsom. Hetzelfde wordt trouwens door het Griekscheεἰρημένονaangeduid, want het perfectum drukt immers eenen tegenwoordigen toestand uit, die het gevolg is eener verledene handeling.↑392τὸπάντων κεφάλαιονbeteekent hier niet het voornaamste van allen, maar het allen omvattende begrip, de algemeene uitdrukking, die op hen allen toepasselijk is.↑393τολμῆσαι. Dit is een duidelijk voorbeeld van de algemeene beteekenis, die de Grieksche aoristus zoo dikwijls in den infinitivus heeft. ZieButtm., Gr. Gr. § 137. 5.↑394Hier heeft eene verwisseling van subject en praedicaat plaats, zooals bijPlatomeer voorkomt; hoewel zij eigenlijk alleen dan geoorloofd is, wanneer subject en praedicaat van gelijken omvang zijn en elkander volkomen dekken. Al is het oordeel:alle vogels zijn dieren, volkomen waar, dan kan het nog niet worden omgekeerd:alle dieren zijn vogels, maar bij eene bepaling mag zulks wel, daar eene goede bepaling de bepaalde zaak juist uitdrukt en alleen op haar toepasselijk is.↑395ἐατέον δὲ καὶσοὶτὸ ῥῆμα περὶ τοῦ ἑτέρου. Deze woorden hebben veel onderzoek in de wereld gebragt. Ik geloof, dat zij niet goed verstaan zijn ten gevolge van eene onnaauwkeurigheid inPlato’suitdrukking, daar hijτὸ ἕτερον, dat in deze redekaveling een kunstterm is, hier in de gewone beteekenis gebruikt heeft, om er het ééne geval mede aan te duiden, namelijk, dat de beide met elkaar verwisselde denkbeelden te gelijk voor den geest tegenwoordig zijn.τὸ ῥῆμαbeteekent dan hier de uitdrukkingψευδῆ δοξάζειν. Het komt mij verder noodig voor,δὲinδὴte veranderen, daar hier geene tegenstelling tegen, maar veeleer eene gevolgtrekking uit het vorige voorkomt, tenzij deze plaats onder de plaatsen gerekend worde, waarδὲin de beteekenis vanδὴgebruikt wordt.↑396Dat is: dat niemand iets, dat hij leelijk vindt, toch schoon vindt, enz.↑397Namelijk het koesteren van valsche meening.↑398De constructie is:αἰσχυνοίμην γὰρ ἂν ὑπὲρ ἡμῶν ἀναγκαζομένων ὁμολογεῖν οἷα λέγω[περὶ τουτοῦ]ἐν ᾧ ἀποροῦμεν.↑399Socrateshad aangetoond, tot welke dwaashedenProtagoraskwam, door alle meeningen voor waar te erkennen. Nu merkt hij echter op, dat hij voor hetzelfde bloot stond, zoo hij geen kans zag de mogelijkheid van het ontstaan der valsche meening aan te wijzen.↑400Stallbaumziet hier te regt nabootsing vanSophoclesAj. v. 1142, sqq.↑401μὴ. Hier benijd ik het Grieksch, dat, doorμὴofοὐ[160]te zetten, kan aanduiden of de ontkenning bijdeedof bijkennenhoort. Ook het Latijnscheignorarezou hier zeer te pas komen.↑402μεταστρέφονταhoort niet bijλόγον, maar bijτινὰ, dat hier in de gedachte moet ingevoegd worden. Wij zouden hierμεταστρέφονταςverwachten, en ik ben in de verzoeking geweest, om dit alhier te willen lezen; maar het is niet noodig, daarμεταστρέφονταzeer wel op het onbepaalde subject van den infinitivusβασανίζεινkan te huis gebragt worden. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 556. Anm. 3.↑403Men heeft veel geredetwist over de vraag, of hierPlato’sgevoelen, of eene persifflage van eens anders meening gevonden wordt. Ik geloof, dat alles wordt uitgemaakt door de woorden:stel dan nu eens, om der wille van de redekaveling. Wij hebben hier slechts eene zinnebeeldige voorstelling van de waarheid, dat het geheugen niet alles volkomen bewaart, dat de helderheid der herinnering van de helderheid der waarneming en de sterkte des geheugens afhangt, dat het geheugen niet bij allen even sterk is.↑404ἔστι δ’ οἷςstaat volkomen gelijk metἐνίοις, daar het oorspronkelijk beteekent:daar is er, aan wie. ZieButtm.Gr. Gr. § 150.↑405ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲν αὐτά, σκοπῶν δέ τι ὧν ὁρᾷ ἢ ἀκούει κ. τ. λ.Deze zin is eenigzins ingewikkeld, maar kan het best worden opgehelderd door haar op deze wijs om te zetten:ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲνἃὁρᾷ ἢ ἀκούει σκοπῶνδέτι αὐτῶν κ. τ. λ.Niet, dat ik aldus wil lezen; integendeel houd ik de hier voorkomende uitdrukking voor echt Platonisch.↑406καὶ ἔτι—ἀδυνατώτερον—εἰ οἷον τε. Woordelijk: en nog onmogelijker, zoo het mogelijk is; dat is: en zoo er een nog grooter trap van onmogelijkheid bestaan kan. Daar echter deze op de onmogelijkheid toegepaste mogelijkheid mij hinderde, heb ik er het Hollandscheschiervoor in de plaats gezet, dat in dit verband ongeveer op hetzelfde neêrkomt, zonder dat ik in het minst wil beweren, datεἰ οἷον τεhetzelfde beteekent als onsschier. Niets is nadeeliger voor gezonde uitlegkunde dan de dwaling, dat, wanneer de eene spreekwijs de andere weêrgeeft, zij ook lid voor lid overeenkomen. Daardoor is het misbruik ontstaan, dat in sommige woordenboeken één woord vaak wel twintig of meer beteekenissen heeft, hetgeen toch eigenlijk ondenkbaar is.↑407ὀρθῶςbeteekent hier hetzelfde als het vorigeκατὰ τὴν αἴσθησιν.↑408κατὰ ταὐτάd. i.ὀρθῶς, κατὰ τὴν αἴσθησιν.↑409ἢ ὧν οἶδε—καὶ αἰσθάνεται. Deze zin is niet duidelijk. Het beste schijnt het, haar door invoeging aldus te verklaren:ἢ[ἔν τισὶ]ὧν οἶδε καὶ αἰσθάνεται[οἰηθῆναι αὐτὰἕτερ’ἄττα εἶναι]ὧν οἶδεν αὖ καὶ αἰσθάνεται. Overigens merke men op, dat hier is weggelaten:en overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, daar volgens[164]deze redekaveling de mogelijkheid der valsche meening te zoeken is in het gebied der gebrekkige overeenkomst tusschen waarneming en herinnering.↑410ὄψιςheeft hier eene objectieve beteekenis, daar het niet zoo zeer het zien, als wel datgene, wat gezien wordt, aanduidt. Zoo beteekentἀκοὴin het N. T.prediking, daar het eigenlijkgehoor, en vandaarwat gehoord wordt, te kennen geeft.↑411προσαρμόσαιhangt af vanπροθυμηθῶ, waarbij opmerking verdient, dat het eigenlijke object, vanπροσαρμόσαιniet daar, maar bij het deelwoordἀποδοὺςgezet is, dat met het subject vanπροθυμηθῶovereenkomt. Wij zouden bijπροσαρμόσαιalthans een voornaamwoord plaatsen, om het object aan te duiden, hoewel dit volstrekt niet noodig is, daar het object nu toch afhangt van een woord, dat verbonden[166]is met het subject van het werkwoord, waardoor de infinitivus vanπροσαρμόσαιgeregeerd wordt. ZieButtmann, Gr. Gr. § 130. 5. Anm. 1.↑
358Hier wordt een bewijs voor het bestaan der ziel gebouwd op de kennis der algemeene begrippen. Deze redenering is kortelijk aldus:Iedere zin heeft zijn eigen scherp begrensd gebied, en de ééne neemt de voorwerpen van den anderen niet waar.Wij hebben begrippen, die het gemeenschappelijke in de waarnemingen der verschillende zinnen uitdrukken.Die begrippen kunnen niet afstammen uit eene der vijf van elkander scherp onderscheidene zinnen.Zij moeten dus gekend worden door een vermogen, dat van die zinnen onderscheiden is, en ze te zamen omvat. Dit vermogen willen wijzielnoemen. Dit vermogen kan (aldus moeten wijPlatoaanvullen) niet ligchamelijk zijn, omdat de voorwerpen, die er door worden waargenomen, wel op alle ligchamelijke dingen worden toegepast, maar zelve wegens hunne algemeenheid geenszins op ligchamelijke wijs kunnen waargenomen worden.↑359Dit klinkt voor onze ooren vreemd, doch het was zulks niet voor de Grieken, die op schoonheid ook bij mannen zoo veel prijs stelden, dat zelfs de wijzeSolonde schoonheid uitdrukkelijk onder de bestanddeelen van een volmaakt geluk opnoemde. ZieHerod.I. Cap. 32.↑360Socratesis hier beter overTheaetetustevreden dan ik, want juist hetgeen hier zoo voetstoots wordt aangenomen, is aan vrij wat bedenking onderhevig, daar de tegenpartij kan zeggen, dat die algemeene begrippen niets anders zijn, dan de bij alle zinnelijke waarneming telkens op nieuw op de hersenmassa gemaakte indrukken, die, juist omdat zij telkens wederkomen, veel vaster dan het bijzondere, dat telkens afwisselt, blijven zitten, en daardoor van zelfs een karakter van algemeenheid bekomen.Platoheeft echter in den Phaedo eene andere opmerking gedaan, die hier van zeer veel belang is. Zij is deze, dat wij begrippen hebben, die niet alleen niet afzonderlijk voorkomen, maar zelfs nergens in zulke volkomenheid bestaan als wij ze denken. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 53–57 en blz. 175 en 176.Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 60 en blz. 65 en 66.↑361Stallbaumheeft zeer juist aangemerkt, datοὐσίαin dit hoofdstuk dan eenswezenheiden dan eenszijnbeteekent.↑362Deze zin moet, geloof ik, aldus verbeterd worden:καὶ τούτων μοι δοκεῖ ἐν τοῖς μάλιστα σκοπεῖσθαι τὴν οὐσίαν, ἀναλογιζομένη ἐν ἑαυτῇτὰγεγονότα καὶ τὰ παρόντα πρὸς ἄλληλα καὶ πρὸς τὰ μέλλοντα.↑363Theaetetuslaat zich door de in hem opkomende denkbeelden medeslepen, om meer te zeggen, dan hier eigenlijk noodig was. HoewelPlatodeze uitweiding misschien alleen om den vurigen geest vanTheaetetuste schetsen gemaakt heeft, ligt echter in deze woorden eene diepe waarheid verborgen. Het waarnemen van verband tusschen het verledene en tegenwoordige, met het bewustzijn, dat het verledene verleden is, en het redeneren over het toekomstige laat zich onmogelijk uit stoffelijke werkingen verklaren, en is een duidelijk bewijs voor het bestaan van eenen geest, die zijne verschillende toestanden in de eenheid van zijn bewustzijn omvat.↑364De stelling, dat de zinnen de wezenheid der dingen niet vatten, is op zich zelve waar, daar de zinnen alleen den indruk, dien zij krijgen, aan de ziel bekend maken, maar over de oorzaak van dien indruk niets te kennen geven; doch het bewijs, doorPlatogeleverd, namelijk, dat de zinnen de waarheid niet kunnen vatten, daar de waarheid eener zaak in hare wezenheid gelegen is, en de zinnen het afgetrokkene begrip:wezenheidniet vatten, is niet goed ingerigt; daar hierdoor de vraag nog niet is afgesneden, of niet welligt, al wordt dit afgetrokkene begrip niet zinnelijk waargenomen, toch de wezenheid, dat is de waarheid, van ieder ding in het bijzonder ons door de zinnen wordt bekend gemaakt.Platohad moeten aantoonen, dat de zinnen ons wel de uiterlijke gedaante, maar niet de inwendige wezenheid der dingen bekend maken.↑365Namelijk, de aandoeningen der zinnen en de kennis.↑366Hoezeer het altijd heilzaam is, dwalingen weg te nemen, is dit echter geenszins voldoende, daar zoowel in het theoretische als in het practische de menschelijke geest stellige, niet bloot ontkennende, begrippen noodig heeft. Daarom geeft eene bloot negatieve kritiek altijd onbevredigende uitkomsten.↑367Dit klinkt om het volgende vreemd. Men bedenke echter, dat hier meening als geslacht tegenover het gevoel gesteld wordt, en dat in zoo verre dit antwoord goed is, hoezeer het nog vrij wat ontwikkeling vordert.↑368ἐξαλείψας, eigenlijk:uitgewischt hebbende. Het is eene zinnebeeldige uitdrukking, ontleend aan de wassen schrijftafeltjes, waarop men het geschrevene, zoo het niet deugde, met het platte einde van de schrijfstift uitwischte. Vandaar de bekende les:saepe stilum vertas, (Hor.Sat. I 10. 72.) dat is:vlak dikwijls het geschrevene uit, [om het te verbeteren].↑369De leer, dat alle meening zich op gevoelsaandoening moet gronden, en dat alle meeningen juist daarom even waar zijn, is reeds in het vorige behandeld. Daarbij is uitgemaakt, dat niet alle meening even waar is, en dat er wel degelijk valsche meening bestaat. In plaats echter van die zaak als afgedaan te beschouwen, wordt de vraag naar de valsche meening in het volgende nog eens behandeld, ten einde, zoo mogelijk, het eigenlijke onderscheid tusschen de ware en de valsche meening op te sporen. Het is hetzelfde onderwerp, dat later onder den naam van het kenmerk der waarheid de Stoïcijnen en Academici tegen elkander in het harnas joeg.↑370Platoheeft hier de constructie verlaten, waarmede hij begonnen was. Het werkwoordΘράττειdoet verwachten, dat achterγεγονέναιzal komenὅτι οὐκ ἔχω εἰπεῖν, maarPlatoheeft in plaats vanὅτιmet den indicativus de constructie met het deelwoord verkozen. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Verder heb ikἐν ἀπορίᾳ πρὸς ἐμαυτὸν καὶ πρὸς ἄλλονvertaald door:in onzekerheid wat ik denken en spreken moet, omdat wij voor ons zelven denken en tot anderen spreken.↑371Deze echt wijsgeerige spreuk wordt theoretisch door ieder toegestemd, maar practisch door bijna niemand toegepast, daar het in onze eeuw vooral op het maken van effect aankomt.↑372Dat is in onze wijs van spreken: daar waarheid en leugen niet alleen subjectief, maar wel degelijk objectief zijn.↑373Hier volgen eenige zoogenaamdeἀπορίαι(zwarigheden), die dienen moeten om eene meer naauwkeurige ontwikkeling van de hier voorkomende begrippen te weeg te brengen.Aristoteleszegt in het eerste hoofdstuk van het tweede boek zijner Metaphysica daarover het volgende: „Het is voor hen, die van zwarigheden willen vrij zijn, heilzaam, eerst goed door de zwarigheden heen te worstelen. Die latere gemakkelijkheid toch is een gevolg van de oplossing der vorige zwarigheden. Nu kan men niet oplossen zonder den knoop te weten; maar het zoeken van zwarigheden toont, waar dezelve[149]zit.” Verder merkt hij aan, dat het zoeken der zwarigheden ook goed is, om zich helder bewust te worden van het eigenlijke doel des onderzoeks; om te weten of men dat doel bereikt heeft of niet, en om zijn oordeel juist te maken, door als het ware beide partijen te hooren.↑374Zoo kennen en niet kennen te zamen dit geheele gebied omvatten, en alle overgangsstandpunten worden uitgesloten, dan kent men iets of kent het niet, zonder meer; en dan blijven alle verschijnselen, die slechts uit gebrekkige of gedeeltelijke kennis verklaarbaar zijn, een onoplosbaar raadsel.↑375ἔστιheeft hier de kracht vanἔξεστι.↑376ἁπλοῦν. De eigenlijke beteekenis vanἁπλοῦςiséénvoudig. Waar nu meer gevallen mogelijk zijn, is ieder in zooverre toevallig, maar waar slechts één geval bestaat, daar is dat ook onvermijdelijk en noodzakelijk, hetgeen, op de kennis toegepast, de beteekenis vanzonder uitzondering waardoet geboren worden.↑377ὃ λέγεται. Ik verklaar mij voor de gissing:ὃ λέγετε, omdat hier niet van een algemeen bekend gezegde, maar bepaaldelijk van het pas gesprokene wordt melding gemaakt, en die verdichte tegenspreker hier wordt voorgesteld als het woord totSocratesenTheaetetusrigtend.↑378Dat is: dat iets te gelijk is en niet is. Hier wordt zijn en niet zijn even volstrekt genomen en uitdrukkelijk aan elkander tegengesteld, als boven: kennen en niet kennen.↑379Het hier voorkomende is waarschijnlijk een schimpscheut op de Heracliteërs, die beweerden, dat er niets is dan de eeuwige beweging, of opGorgias, die een boek geschreven heeft, ten titel voerende:Over de natuur of het niet zijnde.↑380Deze redenering is in zooverre sophistisch, als hier het subjectief en objectief niet zijnde verwisseld wordt. Al meen ik iets, dat niet bestaat, dan heeft mijne meening daarom toch wel een voorwerp, hoewel dat voorwerp alleen in mijne meening, maar niet buiten dezelve gevonden wordt. Later echter heeftPlatodit verbeterd, waaruit ik meen te mogen besluiten, dat deze redenering door hem niet als absoluut waar, maar slechts als op dit standpunt onvermijdelijk beschouwd werd.↑381Woordelijk: Noemen wij het alzoo ontstaande ook aldus? In de vragende zinnen wijkt de Grieksche constructie van de onze af, daar het bij de Grieken niet noodig is, het woord, waar het in de vraag op aankomt, tot het grammaticale hoofdwoord van den zin te maken. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 612.↑382Woordelijk: Zeggen wij ook, dat valsche meening bestaat, zijnde eene verwisseling van begrippen.Ἀλλοδοξίαis eigenlijk het meenen van wat anders [dan het ware], doch, daar de begrippen de voorwerpen der meening zijn, zoo heb ik het door verwisseling van begrippen overgezet.↑383Woordelijk: wanneer iemand, in plaats van leelijk, schoon, of in plaats van schoon, leelijk meent.↑384Het hier voorkomende heeft geheel de kleur eener bespotting van sommige sophisten, die, gelijk in denEuthydemusdoorPlatonaar het leven wordt geschilderd, met dergelijke sophisterijen hunne hoorders in de war bragten.Theaetetustoch had niets misdreven, want hij meende niet, dat die valsche meening waar was, maar dat het waar was, dat die meening valsch kon genoemd worden.↑385Ἔστινkan op twee wijzen verklaard worden: óf door het metἔξεστινgelijk te stellen, óf door het op te vatten als de copula, tusschen het hier in de gedachte herhaaldeψευδῆ δοξάζειν, en het begrip, dat uitgedrukt wordt door de woordenἕτερόν τι—τίθεσθαι. Hoewel ik de eerste verklaring gevolgd ben, kan ik niet ontveinzen, dat ook de andere zich zeer goed laat verdedigen.↑386ἕτερόν τιziet op het volgendeἕτερον, daar twee van elkander verschillende dingen het één steeds een ander dan het andere is.↑387Dat is: En hij denkt immers die twee aan elkander tegenovergestelden óf te gelijk óf achtereenvolgens.↑388Woordelijk: noemt gij het denken, wat ik het noem; dat is: geeft gij dezelfde bepaling van het denken als ik?↑389Woordelijk: als het niet wetende.Socrateshoudt zich hier, zoo als altijd, onwetend, en wel verre van te zeggen: zoo is het, stelt hij zijn gevoelen als eene bloote gissing voor. Overigens is het hier voorkomende slechts eene voorloopige bepaling, die de wezenheid der zaak niet uitdrukt.↑390οὐ φάσκουσαbeteekent zoo veel als ons:neen zeggende, dat isontkennende.↑391Ik heb hier de woorden:de slotsom vaningevoegd, want als denken een inwendig gesprek is, dan is de meening,[156]die door dat gesprek tot stand komt, niet het gesprek zelf, maar deszelfs slotsom. Hetzelfde wordt trouwens door het Griekscheεἰρημένονaangeduid, want het perfectum drukt immers eenen tegenwoordigen toestand uit, die het gevolg is eener verledene handeling.↑392τὸπάντων κεφάλαιονbeteekent hier niet het voornaamste van allen, maar het allen omvattende begrip, de algemeene uitdrukking, die op hen allen toepasselijk is.↑393τολμῆσαι. Dit is een duidelijk voorbeeld van de algemeene beteekenis, die de Grieksche aoristus zoo dikwijls in den infinitivus heeft. ZieButtm., Gr. Gr. § 137. 5.↑394Hier heeft eene verwisseling van subject en praedicaat plaats, zooals bijPlatomeer voorkomt; hoewel zij eigenlijk alleen dan geoorloofd is, wanneer subject en praedicaat van gelijken omvang zijn en elkander volkomen dekken. Al is het oordeel:alle vogels zijn dieren, volkomen waar, dan kan het nog niet worden omgekeerd:alle dieren zijn vogels, maar bij eene bepaling mag zulks wel, daar eene goede bepaling de bepaalde zaak juist uitdrukt en alleen op haar toepasselijk is.↑395ἐατέον δὲ καὶσοὶτὸ ῥῆμα περὶ τοῦ ἑτέρου. Deze woorden hebben veel onderzoek in de wereld gebragt. Ik geloof, dat zij niet goed verstaan zijn ten gevolge van eene onnaauwkeurigheid inPlato’suitdrukking, daar hijτὸ ἕτερον, dat in deze redekaveling een kunstterm is, hier in de gewone beteekenis gebruikt heeft, om er het ééne geval mede aan te duiden, namelijk, dat de beide met elkaar verwisselde denkbeelden te gelijk voor den geest tegenwoordig zijn.τὸ ῥῆμαbeteekent dan hier de uitdrukkingψευδῆ δοξάζειν. Het komt mij verder noodig voor,δὲinδὴte veranderen, daar hier geene tegenstelling tegen, maar veeleer eene gevolgtrekking uit het vorige voorkomt, tenzij deze plaats onder de plaatsen gerekend worde, waarδὲin de beteekenis vanδὴgebruikt wordt.↑396Dat is: dat niemand iets, dat hij leelijk vindt, toch schoon vindt, enz.↑397Namelijk het koesteren van valsche meening.↑398De constructie is:αἰσχυνοίμην γὰρ ἂν ὑπὲρ ἡμῶν ἀναγκαζομένων ὁμολογεῖν οἷα λέγω[περὶ τουτοῦ]ἐν ᾧ ἀποροῦμεν.↑399Socrateshad aangetoond, tot welke dwaashedenProtagoraskwam, door alle meeningen voor waar te erkennen. Nu merkt hij echter op, dat hij voor hetzelfde bloot stond, zoo hij geen kans zag de mogelijkheid van het ontstaan der valsche meening aan te wijzen.↑400Stallbaumziet hier te regt nabootsing vanSophoclesAj. v. 1142, sqq.↑401μὴ. Hier benijd ik het Grieksch, dat, doorμὴofοὐ[160]te zetten, kan aanduiden of de ontkenning bijdeedof bijkennenhoort. Ook het Latijnscheignorarezou hier zeer te pas komen.↑402μεταστρέφονταhoort niet bijλόγον, maar bijτινὰ, dat hier in de gedachte moet ingevoegd worden. Wij zouden hierμεταστρέφονταςverwachten, en ik ben in de verzoeking geweest, om dit alhier te willen lezen; maar het is niet noodig, daarμεταστρέφονταzeer wel op het onbepaalde subject van den infinitivusβασανίζεινkan te huis gebragt worden. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 556. Anm. 3.↑403Men heeft veel geredetwist over de vraag, of hierPlato’sgevoelen, of eene persifflage van eens anders meening gevonden wordt. Ik geloof, dat alles wordt uitgemaakt door de woorden:stel dan nu eens, om der wille van de redekaveling. Wij hebben hier slechts eene zinnebeeldige voorstelling van de waarheid, dat het geheugen niet alles volkomen bewaart, dat de helderheid der herinnering van de helderheid der waarneming en de sterkte des geheugens afhangt, dat het geheugen niet bij allen even sterk is.↑404ἔστι δ’ οἷςstaat volkomen gelijk metἐνίοις, daar het oorspronkelijk beteekent:daar is er, aan wie. ZieButtm.Gr. Gr. § 150.↑405ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲν αὐτά, σκοπῶν δέ τι ὧν ὁρᾷ ἢ ἀκούει κ. τ. λ.Deze zin is eenigzins ingewikkeld, maar kan het best worden opgehelderd door haar op deze wijs om te zetten:ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲνἃὁρᾷ ἢ ἀκούει σκοπῶνδέτι αὐτῶν κ. τ. λ.Niet, dat ik aldus wil lezen; integendeel houd ik de hier voorkomende uitdrukking voor echt Platonisch.↑406καὶ ἔτι—ἀδυνατώτερον—εἰ οἷον τε. Woordelijk: en nog onmogelijker, zoo het mogelijk is; dat is: en zoo er een nog grooter trap van onmogelijkheid bestaan kan. Daar echter deze op de onmogelijkheid toegepaste mogelijkheid mij hinderde, heb ik er het Hollandscheschiervoor in de plaats gezet, dat in dit verband ongeveer op hetzelfde neêrkomt, zonder dat ik in het minst wil beweren, datεἰ οἷον τεhetzelfde beteekent als onsschier. Niets is nadeeliger voor gezonde uitlegkunde dan de dwaling, dat, wanneer de eene spreekwijs de andere weêrgeeft, zij ook lid voor lid overeenkomen. Daardoor is het misbruik ontstaan, dat in sommige woordenboeken één woord vaak wel twintig of meer beteekenissen heeft, hetgeen toch eigenlijk ondenkbaar is.↑407ὀρθῶςbeteekent hier hetzelfde als het vorigeκατὰ τὴν αἴσθησιν.↑408κατὰ ταὐτάd. i.ὀρθῶς, κατὰ τὴν αἴσθησιν.↑409ἢ ὧν οἶδε—καὶ αἰσθάνεται. Deze zin is niet duidelijk. Het beste schijnt het, haar door invoeging aldus te verklaren:ἢ[ἔν τισὶ]ὧν οἶδε καὶ αἰσθάνεται[οἰηθῆναι αὐτὰἕτερ’ἄττα εἶναι]ὧν οἶδεν αὖ καὶ αἰσθάνεται. Overigens merke men op, dat hier is weggelaten:en overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, daar volgens[164]deze redekaveling de mogelijkheid der valsche meening te zoeken is in het gebied der gebrekkige overeenkomst tusschen waarneming en herinnering.↑410ὄψιςheeft hier eene objectieve beteekenis, daar het niet zoo zeer het zien, als wel datgene, wat gezien wordt, aanduidt. Zoo beteekentἀκοὴin het N. T.prediking, daar het eigenlijkgehoor, en vandaarwat gehoord wordt, te kennen geeft.↑411προσαρμόσαιhangt af vanπροθυμηθῶ, waarbij opmerking verdient, dat het eigenlijke object, vanπροσαρμόσαιniet daar, maar bij het deelwoordἀποδοὺςgezet is, dat met het subject vanπροθυμηθῶovereenkomt. Wij zouden bijπροσαρμόσαιalthans een voornaamwoord plaatsen, om het object aan te duiden, hoewel dit volstrekt niet noodig is, daar het object nu toch afhangt van een woord, dat verbonden[166]is met het subject van het werkwoord, waardoor de infinitivus vanπροσαρμόσαιgeregeerd wordt. ZieButtmann, Gr. Gr. § 130. 5. Anm. 1.↑
358Hier wordt een bewijs voor het bestaan der ziel gebouwd op de kennis der algemeene begrippen. Deze redenering is kortelijk aldus:Iedere zin heeft zijn eigen scherp begrensd gebied, en de ééne neemt de voorwerpen van den anderen niet waar.Wij hebben begrippen, die het gemeenschappelijke in de waarnemingen der verschillende zinnen uitdrukken.Die begrippen kunnen niet afstammen uit eene der vijf van elkander scherp onderscheidene zinnen.Zij moeten dus gekend worden door een vermogen, dat van die zinnen onderscheiden is, en ze te zamen omvat. Dit vermogen willen wijzielnoemen. Dit vermogen kan (aldus moeten wijPlatoaanvullen) niet ligchamelijk zijn, omdat de voorwerpen, die er door worden waargenomen, wel op alle ligchamelijke dingen worden toegepast, maar zelve wegens hunne algemeenheid geenszins op ligchamelijke wijs kunnen waargenomen worden.↑359Dit klinkt voor onze ooren vreemd, doch het was zulks niet voor de Grieken, die op schoonheid ook bij mannen zoo veel prijs stelden, dat zelfs de wijzeSolonde schoonheid uitdrukkelijk onder de bestanddeelen van een volmaakt geluk opnoemde. ZieHerod.I. Cap. 32.↑360Socratesis hier beter overTheaetetustevreden dan ik, want juist hetgeen hier zoo voetstoots wordt aangenomen, is aan vrij wat bedenking onderhevig, daar de tegenpartij kan zeggen, dat die algemeene begrippen niets anders zijn, dan de bij alle zinnelijke waarneming telkens op nieuw op de hersenmassa gemaakte indrukken, die, juist omdat zij telkens wederkomen, veel vaster dan het bijzondere, dat telkens afwisselt, blijven zitten, en daardoor van zelfs een karakter van algemeenheid bekomen.Platoheeft echter in den Phaedo eene andere opmerking gedaan, die hier van zeer veel belang is. Zij is deze, dat wij begrippen hebben, die niet alleen niet afzonderlijk voorkomen, maar zelfs nergens in zulke volkomenheid bestaan als wij ze denken. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 53–57 en blz. 175 en 176.Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 60 en blz. 65 en 66.↑361Stallbaumheeft zeer juist aangemerkt, datοὐσίαin dit hoofdstuk dan eenswezenheiden dan eenszijnbeteekent.↑362Deze zin moet, geloof ik, aldus verbeterd worden:καὶ τούτων μοι δοκεῖ ἐν τοῖς μάλιστα σκοπεῖσθαι τὴν οὐσίαν, ἀναλογιζομένη ἐν ἑαυτῇτὰγεγονότα καὶ τὰ παρόντα πρὸς ἄλληλα καὶ πρὸς τὰ μέλλοντα.↑363Theaetetuslaat zich door de in hem opkomende denkbeelden medeslepen, om meer te zeggen, dan hier eigenlijk noodig was. HoewelPlatodeze uitweiding misschien alleen om den vurigen geest vanTheaetetuste schetsen gemaakt heeft, ligt echter in deze woorden eene diepe waarheid verborgen. Het waarnemen van verband tusschen het verledene en tegenwoordige, met het bewustzijn, dat het verledene verleden is, en het redeneren over het toekomstige laat zich onmogelijk uit stoffelijke werkingen verklaren, en is een duidelijk bewijs voor het bestaan van eenen geest, die zijne verschillende toestanden in de eenheid van zijn bewustzijn omvat.↑364De stelling, dat de zinnen de wezenheid der dingen niet vatten, is op zich zelve waar, daar de zinnen alleen den indruk, dien zij krijgen, aan de ziel bekend maken, maar over de oorzaak van dien indruk niets te kennen geven; doch het bewijs, doorPlatogeleverd, namelijk, dat de zinnen de waarheid niet kunnen vatten, daar de waarheid eener zaak in hare wezenheid gelegen is, en de zinnen het afgetrokkene begrip:wezenheidniet vatten, is niet goed ingerigt; daar hierdoor de vraag nog niet is afgesneden, of niet welligt, al wordt dit afgetrokkene begrip niet zinnelijk waargenomen, toch de wezenheid, dat is de waarheid, van ieder ding in het bijzonder ons door de zinnen wordt bekend gemaakt.Platohad moeten aantoonen, dat de zinnen ons wel de uiterlijke gedaante, maar niet de inwendige wezenheid der dingen bekend maken.↑365Namelijk, de aandoeningen der zinnen en de kennis.↑366Hoezeer het altijd heilzaam is, dwalingen weg te nemen, is dit echter geenszins voldoende, daar zoowel in het theoretische als in het practische de menschelijke geest stellige, niet bloot ontkennende, begrippen noodig heeft. Daarom geeft eene bloot negatieve kritiek altijd onbevredigende uitkomsten.↑367Dit klinkt om het volgende vreemd. Men bedenke echter, dat hier meening als geslacht tegenover het gevoel gesteld wordt, en dat in zoo verre dit antwoord goed is, hoezeer het nog vrij wat ontwikkeling vordert.↑368ἐξαλείψας, eigenlijk:uitgewischt hebbende. Het is eene zinnebeeldige uitdrukking, ontleend aan de wassen schrijftafeltjes, waarop men het geschrevene, zoo het niet deugde, met het platte einde van de schrijfstift uitwischte. Vandaar de bekende les:saepe stilum vertas, (Hor.Sat. I 10. 72.) dat is:vlak dikwijls het geschrevene uit, [om het te verbeteren].↑369De leer, dat alle meening zich op gevoelsaandoening moet gronden, en dat alle meeningen juist daarom even waar zijn, is reeds in het vorige behandeld. Daarbij is uitgemaakt, dat niet alle meening even waar is, en dat er wel degelijk valsche meening bestaat. In plaats echter van die zaak als afgedaan te beschouwen, wordt de vraag naar de valsche meening in het volgende nog eens behandeld, ten einde, zoo mogelijk, het eigenlijke onderscheid tusschen de ware en de valsche meening op te sporen. Het is hetzelfde onderwerp, dat later onder den naam van het kenmerk der waarheid de Stoïcijnen en Academici tegen elkander in het harnas joeg.↑370Platoheeft hier de constructie verlaten, waarmede hij begonnen was. Het werkwoordΘράττειdoet verwachten, dat achterγεγονέναιzal komenὅτι οὐκ ἔχω εἰπεῖν, maarPlatoheeft in plaats vanὅτιmet den indicativus de constructie met het deelwoord verkozen. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Verder heb ikἐν ἀπορίᾳ πρὸς ἐμαυτὸν καὶ πρὸς ἄλλονvertaald door:in onzekerheid wat ik denken en spreken moet, omdat wij voor ons zelven denken en tot anderen spreken.↑371Deze echt wijsgeerige spreuk wordt theoretisch door ieder toegestemd, maar practisch door bijna niemand toegepast, daar het in onze eeuw vooral op het maken van effect aankomt.↑372Dat is in onze wijs van spreken: daar waarheid en leugen niet alleen subjectief, maar wel degelijk objectief zijn.↑373Hier volgen eenige zoogenaamdeἀπορίαι(zwarigheden), die dienen moeten om eene meer naauwkeurige ontwikkeling van de hier voorkomende begrippen te weeg te brengen.Aristoteleszegt in het eerste hoofdstuk van het tweede boek zijner Metaphysica daarover het volgende: „Het is voor hen, die van zwarigheden willen vrij zijn, heilzaam, eerst goed door de zwarigheden heen te worstelen. Die latere gemakkelijkheid toch is een gevolg van de oplossing der vorige zwarigheden. Nu kan men niet oplossen zonder den knoop te weten; maar het zoeken van zwarigheden toont, waar dezelve[149]zit.” Verder merkt hij aan, dat het zoeken der zwarigheden ook goed is, om zich helder bewust te worden van het eigenlijke doel des onderzoeks; om te weten of men dat doel bereikt heeft of niet, en om zijn oordeel juist te maken, door als het ware beide partijen te hooren.↑374Zoo kennen en niet kennen te zamen dit geheele gebied omvatten, en alle overgangsstandpunten worden uitgesloten, dan kent men iets of kent het niet, zonder meer; en dan blijven alle verschijnselen, die slechts uit gebrekkige of gedeeltelijke kennis verklaarbaar zijn, een onoplosbaar raadsel.↑375ἔστιheeft hier de kracht vanἔξεστι.↑376ἁπλοῦν. De eigenlijke beteekenis vanἁπλοῦςiséénvoudig. Waar nu meer gevallen mogelijk zijn, is ieder in zooverre toevallig, maar waar slechts één geval bestaat, daar is dat ook onvermijdelijk en noodzakelijk, hetgeen, op de kennis toegepast, de beteekenis vanzonder uitzondering waardoet geboren worden.↑377ὃ λέγεται. Ik verklaar mij voor de gissing:ὃ λέγετε, omdat hier niet van een algemeen bekend gezegde, maar bepaaldelijk van het pas gesprokene wordt melding gemaakt, en die verdichte tegenspreker hier wordt voorgesteld als het woord totSocratesenTheaetetusrigtend.↑378Dat is: dat iets te gelijk is en niet is. Hier wordt zijn en niet zijn even volstrekt genomen en uitdrukkelijk aan elkander tegengesteld, als boven: kennen en niet kennen.↑379Het hier voorkomende is waarschijnlijk een schimpscheut op de Heracliteërs, die beweerden, dat er niets is dan de eeuwige beweging, of opGorgias, die een boek geschreven heeft, ten titel voerende:Over de natuur of het niet zijnde.↑380Deze redenering is in zooverre sophistisch, als hier het subjectief en objectief niet zijnde verwisseld wordt. Al meen ik iets, dat niet bestaat, dan heeft mijne meening daarom toch wel een voorwerp, hoewel dat voorwerp alleen in mijne meening, maar niet buiten dezelve gevonden wordt. Later echter heeftPlatodit verbeterd, waaruit ik meen te mogen besluiten, dat deze redenering door hem niet als absoluut waar, maar slechts als op dit standpunt onvermijdelijk beschouwd werd.↑381Woordelijk: Noemen wij het alzoo ontstaande ook aldus? In de vragende zinnen wijkt de Grieksche constructie van de onze af, daar het bij de Grieken niet noodig is, het woord, waar het in de vraag op aankomt, tot het grammaticale hoofdwoord van den zin te maken. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 612.↑382Woordelijk: Zeggen wij ook, dat valsche meening bestaat, zijnde eene verwisseling van begrippen.Ἀλλοδοξίαis eigenlijk het meenen van wat anders [dan het ware], doch, daar de begrippen de voorwerpen der meening zijn, zoo heb ik het door verwisseling van begrippen overgezet.↑383Woordelijk: wanneer iemand, in plaats van leelijk, schoon, of in plaats van schoon, leelijk meent.↑384Het hier voorkomende heeft geheel de kleur eener bespotting van sommige sophisten, die, gelijk in denEuthydemusdoorPlatonaar het leven wordt geschilderd, met dergelijke sophisterijen hunne hoorders in de war bragten.Theaetetustoch had niets misdreven, want hij meende niet, dat die valsche meening waar was, maar dat het waar was, dat die meening valsch kon genoemd worden.↑385Ἔστινkan op twee wijzen verklaard worden: óf door het metἔξεστινgelijk te stellen, óf door het op te vatten als de copula, tusschen het hier in de gedachte herhaaldeψευδῆ δοξάζειν, en het begrip, dat uitgedrukt wordt door de woordenἕτερόν τι—τίθεσθαι. Hoewel ik de eerste verklaring gevolgd ben, kan ik niet ontveinzen, dat ook de andere zich zeer goed laat verdedigen.↑386ἕτερόν τιziet op het volgendeἕτερον, daar twee van elkander verschillende dingen het één steeds een ander dan het andere is.↑387Dat is: En hij denkt immers die twee aan elkander tegenovergestelden óf te gelijk óf achtereenvolgens.↑388Woordelijk: noemt gij het denken, wat ik het noem; dat is: geeft gij dezelfde bepaling van het denken als ik?↑389Woordelijk: als het niet wetende.Socrateshoudt zich hier, zoo als altijd, onwetend, en wel verre van te zeggen: zoo is het, stelt hij zijn gevoelen als eene bloote gissing voor. Overigens is het hier voorkomende slechts eene voorloopige bepaling, die de wezenheid der zaak niet uitdrukt.↑390οὐ φάσκουσαbeteekent zoo veel als ons:neen zeggende, dat isontkennende.↑391Ik heb hier de woorden:de slotsom vaningevoegd, want als denken een inwendig gesprek is, dan is de meening,[156]die door dat gesprek tot stand komt, niet het gesprek zelf, maar deszelfs slotsom. Hetzelfde wordt trouwens door het Griekscheεἰρημένονaangeduid, want het perfectum drukt immers eenen tegenwoordigen toestand uit, die het gevolg is eener verledene handeling.↑392τὸπάντων κεφάλαιονbeteekent hier niet het voornaamste van allen, maar het allen omvattende begrip, de algemeene uitdrukking, die op hen allen toepasselijk is.↑393τολμῆσαι. Dit is een duidelijk voorbeeld van de algemeene beteekenis, die de Grieksche aoristus zoo dikwijls in den infinitivus heeft. ZieButtm., Gr. Gr. § 137. 5.↑394Hier heeft eene verwisseling van subject en praedicaat plaats, zooals bijPlatomeer voorkomt; hoewel zij eigenlijk alleen dan geoorloofd is, wanneer subject en praedicaat van gelijken omvang zijn en elkander volkomen dekken. Al is het oordeel:alle vogels zijn dieren, volkomen waar, dan kan het nog niet worden omgekeerd:alle dieren zijn vogels, maar bij eene bepaling mag zulks wel, daar eene goede bepaling de bepaalde zaak juist uitdrukt en alleen op haar toepasselijk is.↑395ἐατέον δὲ καὶσοὶτὸ ῥῆμα περὶ τοῦ ἑτέρου. Deze woorden hebben veel onderzoek in de wereld gebragt. Ik geloof, dat zij niet goed verstaan zijn ten gevolge van eene onnaauwkeurigheid inPlato’suitdrukking, daar hijτὸ ἕτερον, dat in deze redekaveling een kunstterm is, hier in de gewone beteekenis gebruikt heeft, om er het ééne geval mede aan te duiden, namelijk, dat de beide met elkaar verwisselde denkbeelden te gelijk voor den geest tegenwoordig zijn.τὸ ῥῆμαbeteekent dan hier de uitdrukkingψευδῆ δοξάζειν. Het komt mij verder noodig voor,δὲinδὴte veranderen, daar hier geene tegenstelling tegen, maar veeleer eene gevolgtrekking uit het vorige voorkomt, tenzij deze plaats onder de plaatsen gerekend worde, waarδὲin de beteekenis vanδὴgebruikt wordt.↑396Dat is: dat niemand iets, dat hij leelijk vindt, toch schoon vindt, enz.↑397Namelijk het koesteren van valsche meening.↑398De constructie is:αἰσχυνοίμην γὰρ ἂν ὑπὲρ ἡμῶν ἀναγκαζομένων ὁμολογεῖν οἷα λέγω[περὶ τουτοῦ]ἐν ᾧ ἀποροῦμεν.↑399Socrateshad aangetoond, tot welke dwaashedenProtagoraskwam, door alle meeningen voor waar te erkennen. Nu merkt hij echter op, dat hij voor hetzelfde bloot stond, zoo hij geen kans zag de mogelijkheid van het ontstaan der valsche meening aan te wijzen.↑400Stallbaumziet hier te regt nabootsing vanSophoclesAj. v. 1142, sqq.↑401μὴ. Hier benijd ik het Grieksch, dat, doorμὴofοὐ[160]te zetten, kan aanduiden of de ontkenning bijdeedof bijkennenhoort. Ook het Latijnscheignorarezou hier zeer te pas komen.↑402μεταστρέφονταhoort niet bijλόγον, maar bijτινὰ, dat hier in de gedachte moet ingevoegd worden. Wij zouden hierμεταστρέφονταςverwachten, en ik ben in de verzoeking geweest, om dit alhier te willen lezen; maar het is niet noodig, daarμεταστρέφονταzeer wel op het onbepaalde subject van den infinitivusβασανίζεινkan te huis gebragt worden. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 556. Anm. 3.↑403Men heeft veel geredetwist over de vraag, of hierPlato’sgevoelen, of eene persifflage van eens anders meening gevonden wordt. Ik geloof, dat alles wordt uitgemaakt door de woorden:stel dan nu eens, om der wille van de redekaveling. Wij hebben hier slechts eene zinnebeeldige voorstelling van de waarheid, dat het geheugen niet alles volkomen bewaart, dat de helderheid der herinnering van de helderheid der waarneming en de sterkte des geheugens afhangt, dat het geheugen niet bij allen even sterk is.↑404ἔστι δ’ οἷςstaat volkomen gelijk metἐνίοις, daar het oorspronkelijk beteekent:daar is er, aan wie. ZieButtm.Gr. Gr. § 150.↑405ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲν αὐτά, σκοπῶν δέ τι ὧν ὁρᾷ ἢ ἀκούει κ. τ. λ.Deze zin is eenigzins ingewikkeld, maar kan het best worden opgehelderd door haar op deze wijs om te zetten:ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲνἃὁρᾷ ἢ ἀκούει σκοπῶνδέτι αὐτῶν κ. τ. λ.Niet, dat ik aldus wil lezen; integendeel houd ik de hier voorkomende uitdrukking voor echt Platonisch.↑406καὶ ἔτι—ἀδυνατώτερον—εἰ οἷον τε. Woordelijk: en nog onmogelijker, zoo het mogelijk is; dat is: en zoo er een nog grooter trap van onmogelijkheid bestaan kan. Daar echter deze op de onmogelijkheid toegepaste mogelijkheid mij hinderde, heb ik er het Hollandscheschiervoor in de plaats gezet, dat in dit verband ongeveer op hetzelfde neêrkomt, zonder dat ik in het minst wil beweren, datεἰ οἷον τεhetzelfde beteekent als onsschier. Niets is nadeeliger voor gezonde uitlegkunde dan de dwaling, dat, wanneer de eene spreekwijs de andere weêrgeeft, zij ook lid voor lid overeenkomen. Daardoor is het misbruik ontstaan, dat in sommige woordenboeken één woord vaak wel twintig of meer beteekenissen heeft, hetgeen toch eigenlijk ondenkbaar is.↑407ὀρθῶςbeteekent hier hetzelfde als het vorigeκατὰ τὴν αἴσθησιν.↑408κατὰ ταὐτάd. i.ὀρθῶς, κατὰ τὴν αἴσθησιν.↑409ἢ ὧν οἶδε—καὶ αἰσθάνεται. Deze zin is niet duidelijk. Het beste schijnt het, haar door invoeging aldus te verklaren:ἢ[ἔν τισὶ]ὧν οἶδε καὶ αἰσθάνεται[οἰηθῆναι αὐτὰἕτερ’ἄττα εἶναι]ὧν οἶδεν αὖ καὶ αἰσθάνεται. Overigens merke men op, dat hier is weggelaten:en overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, daar volgens[164]deze redekaveling de mogelijkheid der valsche meening te zoeken is in het gebied der gebrekkige overeenkomst tusschen waarneming en herinnering.↑410ὄψιςheeft hier eene objectieve beteekenis, daar het niet zoo zeer het zien, als wel datgene, wat gezien wordt, aanduidt. Zoo beteekentἀκοὴin het N. T.prediking, daar het eigenlijkgehoor, en vandaarwat gehoord wordt, te kennen geeft.↑411προσαρμόσαιhangt af vanπροθυμηθῶ, waarbij opmerking verdient, dat het eigenlijke object, vanπροσαρμόσαιniet daar, maar bij het deelwoordἀποδοὺςgezet is, dat met het subject vanπροθυμηθῶovereenkomt. Wij zouden bijπροσαρμόσαιalthans een voornaamwoord plaatsen, om het object aan te duiden, hoewel dit volstrekt niet noodig is, daar het object nu toch afhangt van een woord, dat verbonden[166]is met het subject van het werkwoord, waardoor de infinitivus vanπροσαρμόσαιgeregeerd wordt. ZieButtmann, Gr. Gr. § 130. 5. Anm. 1.↑
358Hier wordt een bewijs voor het bestaan der ziel gebouwd op de kennis der algemeene begrippen. Deze redenering is kortelijk aldus:Iedere zin heeft zijn eigen scherp begrensd gebied, en de ééne neemt de voorwerpen van den anderen niet waar.Wij hebben begrippen, die het gemeenschappelijke in de waarnemingen der verschillende zinnen uitdrukken.Die begrippen kunnen niet afstammen uit eene der vijf van elkander scherp onderscheidene zinnen.Zij moeten dus gekend worden door een vermogen, dat van die zinnen onderscheiden is, en ze te zamen omvat. Dit vermogen willen wijzielnoemen. Dit vermogen kan (aldus moeten wijPlatoaanvullen) niet ligchamelijk zijn, omdat de voorwerpen, die er door worden waargenomen, wel op alle ligchamelijke dingen worden toegepast, maar zelve wegens hunne algemeenheid geenszins op ligchamelijke wijs kunnen waargenomen worden.↑
358Hier wordt een bewijs voor het bestaan der ziel gebouwd op de kennis der algemeene begrippen. Deze redenering is kortelijk aldus:
Iedere zin heeft zijn eigen scherp begrensd gebied, en de ééne neemt de voorwerpen van den anderen niet waar.
Wij hebben begrippen, die het gemeenschappelijke in de waarnemingen der verschillende zinnen uitdrukken.
Die begrippen kunnen niet afstammen uit eene der vijf van elkander scherp onderscheidene zinnen.
Zij moeten dus gekend worden door een vermogen, dat van die zinnen onderscheiden is, en ze te zamen omvat. Dit vermogen willen wijzielnoemen. Dit vermogen kan (aldus moeten wijPlatoaanvullen) niet ligchamelijk zijn, omdat de voorwerpen, die er door worden waargenomen, wel op alle ligchamelijke dingen worden toegepast, maar zelve wegens hunne algemeenheid geenszins op ligchamelijke wijs kunnen waargenomen worden.↑
359Dit klinkt voor onze ooren vreemd, doch het was zulks niet voor de Grieken, die op schoonheid ook bij mannen zoo veel prijs stelden, dat zelfs de wijzeSolonde schoonheid uitdrukkelijk onder de bestanddeelen van een volmaakt geluk opnoemde. ZieHerod.I. Cap. 32.↑
359Dit klinkt voor onze ooren vreemd, doch het was zulks niet voor de Grieken, die op schoonheid ook bij mannen zoo veel prijs stelden, dat zelfs de wijzeSolonde schoonheid uitdrukkelijk onder de bestanddeelen van een volmaakt geluk opnoemde. ZieHerod.I. Cap. 32.↑
360Socratesis hier beter overTheaetetustevreden dan ik, want juist hetgeen hier zoo voetstoots wordt aangenomen, is aan vrij wat bedenking onderhevig, daar de tegenpartij kan zeggen, dat die algemeene begrippen niets anders zijn, dan de bij alle zinnelijke waarneming telkens op nieuw op de hersenmassa gemaakte indrukken, die, juist omdat zij telkens wederkomen, veel vaster dan het bijzondere, dat telkens afwisselt, blijven zitten, en daardoor van zelfs een karakter van algemeenheid bekomen.Platoheeft echter in den Phaedo eene andere opmerking gedaan, die hier van zeer veel belang is. Zij is deze, dat wij begrippen hebben, die niet alleen niet afzonderlijk voorkomen, maar zelfs nergens in zulke volkomenheid bestaan als wij ze denken. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 53–57 en blz. 175 en 176.Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 60 en blz. 65 en 66.↑
360Socratesis hier beter overTheaetetustevreden dan ik, want juist hetgeen hier zoo voetstoots wordt aangenomen, is aan vrij wat bedenking onderhevig, daar de tegenpartij kan zeggen, dat die algemeene begrippen niets anders zijn, dan de bij alle zinnelijke waarneming telkens op nieuw op de hersenmassa gemaakte indrukken, die, juist omdat zij telkens wederkomen, veel vaster dan het bijzondere, dat telkens afwisselt, blijven zitten, en daardoor van zelfs een karakter van algemeenheid bekomen.Platoheeft echter in den Phaedo eene andere opmerking gedaan, die hier van zeer veel belang is. Zij is deze, dat wij begrippen hebben, die niet alleen niet afzonderlijk voorkomen, maar zelfs nergens in zulke volkomenheid bestaan als wij ze denken. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 53–57 en blz. 175 en 176.Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 60 en blz. 65 en 66.↑
361Stallbaumheeft zeer juist aangemerkt, datοὐσίαin dit hoofdstuk dan eenswezenheiden dan eenszijnbeteekent.↑
361Stallbaumheeft zeer juist aangemerkt, datοὐσίαin dit hoofdstuk dan eenswezenheiden dan eenszijnbeteekent.↑
362Deze zin moet, geloof ik, aldus verbeterd worden:καὶ τούτων μοι δοκεῖ ἐν τοῖς μάλιστα σκοπεῖσθαι τὴν οὐσίαν, ἀναλογιζομένη ἐν ἑαυτῇτὰγεγονότα καὶ τὰ παρόντα πρὸς ἄλληλα καὶ πρὸς τὰ μέλλοντα.↑
362Deze zin moet, geloof ik, aldus verbeterd worden:καὶ τούτων μοι δοκεῖ ἐν τοῖς μάλιστα σκοπεῖσθαι τὴν οὐσίαν, ἀναλογιζομένη ἐν ἑαυτῇτὰγεγονότα καὶ τὰ παρόντα πρὸς ἄλληλα καὶ πρὸς τὰ μέλλοντα.↑
363Theaetetuslaat zich door de in hem opkomende denkbeelden medeslepen, om meer te zeggen, dan hier eigenlijk noodig was. HoewelPlatodeze uitweiding misschien alleen om den vurigen geest vanTheaetetuste schetsen gemaakt heeft, ligt echter in deze woorden eene diepe waarheid verborgen. Het waarnemen van verband tusschen het verledene en tegenwoordige, met het bewustzijn, dat het verledene verleden is, en het redeneren over het toekomstige laat zich onmogelijk uit stoffelijke werkingen verklaren, en is een duidelijk bewijs voor het bestaan van eenen geest, die zijne verschillende toestanden in de eenheid van zijn bewustzijn omvat.↑
363Theaetetuslaat zich door de in hem opkomende denkbeelden medeslepen, om meer te zeggen, dan hier eigenlijk noodig was. HoewelPlatodeze uitweiding misschien alleen om den vurigen geest vanTheaetetuste schetsen gemaakt heeft, ligt echter in deze woorden eene diepe waarheid verborgen. Het waarnemen van verband tusschen het verledene en tegenwoordige, met het bewustzijn, dat het verledene verleden is, en het redeneren over het toekomstige laat zich onmogelijk uit stoffelijke werkingen verklaren, en is een duidelijk bewijs voor het bestaan van eenen geest, die zijne verschillende toestanden in de eenheid van zijn bewustzijn omvat.↑
364De stelling, dat de zinnen de wezenheid der dingen niet vatten, is op zich zelve waar, daar de zinnen alleen den indruk, dien zij krijgen, aan de ziel bekend maken, maar over de oorzaak van dien indruk niets te kennen geven; doch het bewijs, doorPlatogeleverd, namelijk, dat de zinnen de waarheid niet kunnen vatten, daar de waarheid eener zaak in hare wezenheid gelegen is, en de zinnen het afgetrokkene begrip:wezenheidniet vatten, is niet goed ingerigt; daar hierdoor de vraag nog niet is afgesneden, of niet welligt, al wordt dit afgetrokkene begrip niet zinnelijk waargenomen, toch de wezenheid, dat is de waarheid, van ieder ding in het bijzonder ons door de zinnen wordt bekend gemaakt.Platohad moeten aantoonen, dat de zinnen ons wel de uiterlijke gedaante, maar niet de inwendige wezenheid der dingen bekend maken.↑
364De stelling, dat de zinnen de wezenheid der dingen niet vatten, is op zich zelve waar, daar de zinnen alleen den indruk, dien zij krijgen, aan de ziel bekend maken, maar over de oorzaak van dien indruk niets te kennen geven; doch het bewijs, doorPlatogeleverd, namelijk, dat de zinnen de waarheid niet kunnen vatten, daar de waarheid eener zaak in hare wezenheid gelegen is, en de zinnen het afgetrokkene begrip:wezenheidniet vatten, is niet goed ingerigt; daar hierdoor de vraag nog niet is afgesneden, of niet welligt, al wordt dit afgetrokkene begrip niet zinnelijk waargenomen, toch de wezenheid, dat is de waarheid, van ieder ding in het bijzonder ons door de zinnen wordt bekend gemaakt.Platohad moeten aantoonen, dat de zinnen ons wel de uiterlijke gedaante, maar niet de inwendige wezenheid der dingen bekend maken.↑
365Namelijk, de aandoeningen der zinnen en de kennis.↑
365Namelijk, de aandoeningen der zinnen en de kennis.↑
366Hoezeer het altijd heilzaam is, dwalingen weg te nemen, is dit echter geenszins voldoende, daar zoowel in het theoretische als in het practische de menschelijke geest stellige, niet bloot ontkennende, begrippen noodig heeft. Daarom geeft eene bloot negatieve kritiek altijd onbevredigende uitkomsten.↑
366Hoezeer het altijd heilzaam is, dwalingen weg te nemen, is dit echter geenszins voldoende, daar zoowel in het theoretische als in het practische de menschelijke geest stellige, niet bloot ontkennende, begrippen noodig heeft. Daarom geeft eene bloot negatieve kritiek altijd onbevredigende uitkomsten.↑
367Dit klinkt om het volgende vreemd. Men bedenke echter, dat hier meening als geslacht tegenover het gevoel gesteld wordt, en dat in zoo verre dit antwoord goed is, hoezeer het nog vrij wat ontwikkeling vordert.↑
367Dit klinkt om het volgende vreemd. Men bedenke echter, dat hier meening als geslacht tegenover het gevoel gesteld wordt, en dat in zoo verre dit antwoord goed is, hoezeer het nog vrij wat ontwikkeling vordert.↑
368ἐξαλείψας, eigenlijk:uitgewischt hebbende. Het is eene zinnebeeldige uitdrukking, ontleend aan de wassen schrijftafeltjes, waarop men het geschrevene, zoo het niet deugde, met het platte einde van de schrijfstift uitwischte. Vandaar de bekende les:saepe stilum vertas, (Hor.Sat. I 10. 72.) dat is:vlak dikwijls het geschrevene uit, [om het te verbeteren].↑
368ἐξαλείψας, eigenlijk:uitgewischt hebbende. Het is eene zinnebeeldige uitdrukking, ontleend aan de wassen schrijftafeltjes, waarop men het geschrevene, zoo het niet deugde, met het platte einde van de schrijfstift uitwischte. Vandaar de bekende les:saepe stilum vertas, (Hor.Sat. I 10. 72.) dat is:vlak dikwijls het geschrevene uit, [om het te verbeteren].↑
369De leer, dat alle meening zich op gevoelsaandoening moet gronden, en dat alle meeningen juist daarom even waar zijn, is reeds in het vorige behandeld. Daarbij is uitgemaakt, dat niet alle meening even waar is, en dat er wel degelijk valsche meening bestaat. In plaats echter van die zaak als afgedaan te beschouwen, wordt de vraag naar de valsche meening in het volgende nog eens behandeld, ten einde, zoo mogelijk, het eigenlijke onderscheid tusschen de ware en de valsche meening op te sporen. Het is hetzelfde onderwerp, dat later onder den naam van het kenmerk der waarheid de Stoïcijnen en Academici tegen elkander in het harnas joeg.↑
369De leer, dat alle meening zich op gevoelsaandoening moet gronden, en dat alle meeningen juist daarom even waar zijn, is reeds in het vorige behandeld. Daarbij is uitgemaakt, dat niet alle meening even waar is, en dat er wel degelijk valsche meening bestaat. In plaats echter van die zaak als afgedaan te beschouwen, wordt de vraag naar de valsche meening in het volgende nog eens behandeld, ten einde, zoo mogelijk, het eigenlijke onderscheid tusschen de ware en de valsche meening op te sporen. Het is hetzelfde onderwerp, dat later onder den naam van het kenmerk der waarheid de Stoïcijnen en Academici tegen elkander in het harnas joeg.↑
370Platoheeft hier de constructie verlaten, waarmede hij begonnen was. Het werkwoordΘράττειdoet verwachten, dat achterγεγονέναιzal komenὅτι οὐκ ἔχω εἰπεῖν, maarPlatoheeft in plaats vanὅτιmet den indicativus de constructie met het deelwoord verkozen. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Verder heb ikἐν ἀπορίᾳ πρὸς ἐμαυτὸν καὶ πρὸς ἄλλονvertaald door:in onzekerheid wat ik denken en spreken moet, omdat wij voor ons zelven denken en tot anderen spreken.↑
370Platoheeft hier de constructie verlaten, waarmede hij begonnen was. Het werkwoordΘράττειdoet verwachten, dat achterγεγονέναιzal komenὅτι οὐκ ἔχω εἰπεῖν, maarPlatoheeft in plaats vanὅτιmet den indicativus de constructie met het deelwoord verkozen. ZieButtm., Gr. Gr. § 144. Verder heb ikἐν ἀπορίᾳ πρὸς ἐμαυτὸν καὶ πρὸς ἄλλονvertaald door:in onzekerheid wat ik denken en spreken moet, omdat wij voor ons zelven denken en tot anderen spreken.↑
371Deze echt wijsgeerige spreuk wordt theoretisch door ieder toegestemd, maar practisch door bijna niemand toegepast, daar het in onze eeuw vooral op het maken van effect aankomt.↑
371Deze echt wijsgeerige spreuk wordt theoretisch door ieder toegestemd, maar practisch door bijna niemand toegepast, daar het in onze eeuw vooral op het maken van effect aankomt.↑
372Dat is in onze wijs van spreken: daar waarheid en leugen niet alleen subjectief, maar wel degelijk objectief zijn.↑
372Dat is in onze wijs van spreken: daar waarheid en leugen niet alleen subjectief, maar wel degelijk objectief zijn.↑
373Hier volgen eenige zoogenaamdeἀπορίαι(zwarigheden), die dienen moeten om eene meer naauwkeurige ontwikkeling van de hier voorkomende begrippen te weeg te brengen.Aristoteleszegt in het eerste hoofdstuk van het tweede boek zijner Metaphysica daarover het volgende: „Het is voor hen, die van zwarigheden willen vrij zijn, heilzaam, eerst goed door de zwarigheden heen te worstelen. Die latere gemakkelijkheid toch is een gevolg van de oplossing der vorige zwarigheden. Nu kan men niet oplossen zonder den knoop te weten; maar het zoeken van zwarigheden toont, waar dezelve[149]zit.” Verder merkt hij aan, dat het zoeken der zwarigheden ook goed is, om zich helder bewust te worden van het eigenlijke doel des onderzoeks; om te weten of men dat doel bereikt heeft of niet, en om zijn oordeel juist te maken, door als het ware beide partijen te hooren.↑
373Hier volgen eenige zoogenaamdeἀπορίαι(zwarigheden), die dienen moeten om eene meer naauwkeurige ontwikkeling van de hier voorkomende begrippen te weeg te brengen.Aristoteleszegt in het eerste hoofdstuk van het tweede boek zijner Metaphysica daarover het volgende: „Het is voor hen, die van zwarigheden willen vrij zijn, heilzaam, eerst goed door de zwarigheden heen te worstelen. Die latere gemakkelijkheid toch is een gevolg van de oplossing der vorige zwarigheden. Nu kan men niet oplossen zonder den knoop te weten; maar het zoeken van zwarigheden toont, waar dezelve[149]zit.” Verder merkt hij aan, dat het zoeken der zwarigheden ook goed is, om zich helder bewust te worden van het eigenlijke doel des onderzoeks; om te weten of men dat doel bereikt heeft of niet, en om zijn oordeel juist te maken, door als het ware beide partijen te hooren.↑
374Zoo kennen en niet kennen te zamen dit geheele gebied omvatten, en alle overgangsstandpunten worden uitgesloten, dan kent men iets of kent het niet, zonder meer; en dan blijven alle verschijnselen, die slechts uit gebrekkige of gedeeltelijke kennis verklaarbaar zijn, een onoplosbaar raadsel.↑
374Zoo kennen en niet kennen te zamen dit geheele gebied omvatten, en alle overgangsstandpunten worden uitgesloten, dan kent men iets of kent het niet, zonder meer; en dan blijven alle verschijnselen, die slechts uit gebrekkige of gedeeltelijke kennis verklaarbaar zijn, een onoplosbaar raadsel.↑
375ἔστιheeft hier de kracht vanἔξεστι.↑
375ἔστιheeft hier de kracht vanἔξεστι.↑
376ἁπλοῦν. De eigenlijke beteekenis vanἁπλοῦςiséénvoudig. Waar nu meer gevallen mogelijk zijn, is ieder in zooverre toevallig, maar waar slechts één geval bestaat, daar is dat ook onvermijdelijk en noodzakelijk, hetgeen, op de kennis toegepast, de beteekenis vanzonder uitzondering waardoet geboren worden.↑
376ἁπλοῦν. De eigenlijke beteekenis vanἁπλοῦςiséénvoudig. Waar nu meer gevallen mogelijk zijn, is ieder in zooverre toevallig, maar waar slechts één geval bestaat, daar is dat ook onvermijdelijk en noodzakelijk, hetgeen, op de kennis toegepast, de beteekenis vanzonder uitzondering waardoet geboren worden.↑
377ὃ λέγεται. Ik verklaar mij voor de gissing:ὃ λέγετε, omdat hier niet van een algemeen bekend gezegde, maar bepaaldelijk van het pas gesprokene wordt melding gemaakt, en die verdichte tegenspreker hier wordt voorgesteld als het woord totSocratesenTheaetetusrigtend.↑
377ὃ λέγεται. Ik verklaar mij voor de gissing:ὃ λέγετε, omdat hier niet van een algemeen bekend gezegde, maar bepaaldelijk van het pas gesprokene wordt melding gemaakt, en die verdichte tegenspreker hier wordt voorgesteld als het woord totSocratesenTheaetetusrigtend.↑
378Dat is: dat iets te gelijk is en niet is. Hier wordt zijn en niet zijn even volstrekt genomen en uitdrukkelijk aan elkander tegengesteld, als boven: kennen en niet kennen.↑
378Dat is: dat iets te gelijk is en niet is. Hier wordt zijn en niet zijn even volstrekt genomen en uitdrukkelijk aan elkander tegengesteld, als boven: kennen en niet kennen.↑
379Het hier voorkomende is waarschijnlijk een schimpscheut op de Heracliteërs, die beweerden, dat er niets is dan de eeuwige beweging, of opGorgias, die een boek geschreven heeft, ten titel voerende:Over de natuur of het niet zijnde.↑
379Het hier voorkomende is waarschijnlijk een schimpscheut op de Heracliteërs, die beweerden, dat er niets is dan de eeuwige beweging, of opGorgias, die een boek geschreven heeft, ten titel voerende:Over de natuur of het niet zijnde.↑
380Deze redenering is in zooverre sophistisch, als hier het subjectief en objectief niet zijnde verwisseld wordt. Al meen ik iets, dat niet bestaat, dan heeft mijne meening daarom toch wel een voorwerp, hoewel dat voorwerp alleen in mijne meening, maar niet buiten dezelve gevonden wordt. Later echter heeftPlatodit verbeterd, waaruit ik meen te mogen besluiten, dat deze redenering door hem niet als absoluut waar, maar slechts als op dit standpunt onvermijdelijk beschouwd werd.↑
380Deze redenering is in zooverre sophistisch, als hier het subjectief en objectief niet zijnde verwisseld wordt. Al meen ik iets, dat niet bestaat, dan heeft mijne meening daarom toch wel een voorwerp, hoewel dat voorwerp alleen in mijne meening, maar niet buiten dezelve gevonden wordt. Later echter heeftPlatodit verbeterd, waaruit ik meen te mogen besluiten, dat deze redenering door hem niet als absoluut waar, maar slechts als op dit standpunt onvermijdelijk beschouwd werd.↑
381Woordelijk: Noemen wij het alzoo ontstaande ook aldus? In de vragende zinnen wijkt de Grieksche constructie van de onze af, daar het bij de Grieken niet noodig is, het woord, waar het in de vraag op aankomt, tot het grammaticale hoofdwoord van den zin te maken. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 612.↑
381Woordelijk: Noemen wij het alzoo ontstaande ook aldus? In de vragende zinnen wijkt de Grieksche constructie van de onze af, daar het bij de Grieken niet noodig is, het woord, waar het in de vraag op aankomt, tot het grammaticale hoofdwoord van den zin te maken. ZieMatthiae,Ausf. Gr. Gr.§ 612.↑
382Woordelijk: Zeggen wij ook, dat valsche meening bestaat, zijnde eene verwisseling van begrippen.Ἀλλοδοξίαis eigenlijk het meenen van wat anders [dan het ware], doch, daar de begrippen de voorwerpen der meening zijn, zoo heb ik het door verwisseling van begrippen overgezet.↑
382Woordelijk: Zeggen wij ook, dat valsche meening bestaat, zijnde eene verwisseling van begrippen.Ἀλλοδοξίαis eigenlijk het meenen van wat anders [dan het ware], doch, daar de begrippen de voorwerpen der meening zijn, zoo heb ik het door verwisseling van begrippen overgezet.↑
383Woordelijk: wanneer iemand, in plaats van leelijk, schoon, of in plaats van schoon, leelijk meent.↑
383Woordelijk: wanneer iemand, in plaats van leelijk, schoon, of in plaats van schoon, leelijk meent.↑
384Het hier voorkomende heeft geheel de kleur eener bespotting van sommige sophisten, die, gelijk in denEuthydemusdoorPlatonaar het leven wordt geschilderd, met dergelijke sophisterijen hunne hoorders in de war bragten.Theaetetustoch had niets misdreven, want hij meende niet, dat die valsche meening waar was, maar dat het waar was, dat die meening valsch kon genoemd worden.↑
384Het hier voorkomende heeft geheel de kleur eener bespotting van sommige sophisten, die, gelijk in denEuthydemusdoorPlatonaar het leven wordt geschilderd, met dergelijke sophisterijen hunne hoorders in de war bragten.Theaetetustoch had niets misdreven, want hij meende niet, dat die valsche meening waar was, maar dat het waar was, dat die meening valsch kon genoemd worden.↑
385Ἔστινkan op twee wijzen verklaard worden: óf door het metἔξεστινgelijk te stellen, óf door het op te vatten als de copula, tusschen het hier in de gedachte herhaaldeψευδῆ δοξάζειν, en het begrip, dat uitgedrukt wordt door de woordenἕτερόν τι—τίθεσθαι. Hoewel ik de eerste verklaring gevolgd ben, kan ik niet ontveinzen, dat ook de andere zich zeer goed laat verdedigen.↑
385Ἔστινkan op twee wijzen verklaard worden: óf door het metἔξεστινgelijk te stellen, óf door het op te vatten als de copula, tusschen het hier in de gedachte herhaaldeψευδῆ δοξάζειν, en het begrip, dat uitgedrukt wordt door de woordenἕτερόν τι—τίθεσθαι. Hoewel ik de eerste verklaring gevolgd ben, kan ik niet ontveinzen, dat ook de andere zich zeer goed laat verdedigen.↑
386ἕτερόν τιziet op het volgendeἕτερον, daar twee van elkander verschillende dingen het één steeds een ander dan het andere is.↑
386ἕτερόν τιziet op het volgendeἕτερον, daar twee van elkander verschillende dingen het één steeds een ander dan het andere is.↑
387Dat is: En hij denkt immers die twee aan elkander tegenovergestelden óf te gelijk óf achtereenvolgens.↑
387Dat is: En hij denkt immers die twee aan elkander tegenovergestelden óf te gelijk óf achtereenvolgens.↑
388Woordelijk: noemt gij het denken, wat ik het noem; dat is: geeft gij dezelfde bepaling van het denken als ik?↑
388Woordelijk: noemt gij het denken, wat ik het noem; dat is: geeft gij dezelfde bepaling van het denken als ik?↑
389Woordelijk: als het niet wetende.Socrateshoudt zich hier, zoo als altijd, onwetend, en wel verre van te zeggen: zoo is het, stelt hij zijn gevoelen als eene bloote gissing voor. Overigens is het hier voorkomende slechts eene voorloopige bepaling, die de wezenheid der zaak niet uitdrukt.↑
389Woordelijk: als het niet wetende.Socrateshoudt zich hier, zoo als altijd, onwetend, en wel verre van te zeggen: zoo is het, stelt hij zijn gevoelen als eene bloote gissing voor. Overigens is het hier voorkomende slechts eene voorloopige bepaling, die de wezenheid der zaak niet uitdrukt.↑
390οὐ φάσκουσαbeteekent zoo veel als ons:neen zeggende, dat isontkennende.↑
390οὐ φάσκουσαbeteekent zoo veel als ons:neen zeggende, dat isontkennende.↑
391Ik heb hier de woorden:de slotsom vaningevoegd, want als denken een inwendig gesprek is, dan is de meening,[156]die door dat gesprek tot stand komt, niet het gesprek zelf, maar deszelfs slotsom. Hetzelfde wordt trouwens door het Griekscheεἰρημένονaangeduid, want het perfectum drukt immers eenen tegenwoordigen toestand uit, die het gevolg is eener verledene handeling.↑
391Ik heb hier de woorden:de slotsom vaningevoegd, want als denken een inwendig gesprek is, dan is de meening,[156]die door dat gesprek tot stand komt, niet het gesprek zelf, maar deszelfs slotsom. Hetzelfde wordt trouwens door het Griekscheεἰρημένονaangeduid, want het perfectum drukt immers eenen tegenwoordigen toestand uit, die het gevolg is eener verledene handeling.↑
392τὸπάντων κεφάλαιονbeteekent hier niet het voornaamste van allen, maar het allen omvattende begrip, de algemeene uitdrukking, die op hen allen toepasselijk is.↑
392τὸπάντων κεφάλαιονbeteekent hier niet het voornaamste van allen, maar het allen omvattende begrip, de algemeene uitdrukking, die op hen allen toepasselijk is.↑
393τολμῆσαι. Dit is een duidelijk voorbeeld van de algemeene beteekenis, die de Grieksche aoristus zoo dikwijls in den infinitivus heeft. ZieButtm., Gr. Gr. § 137. 5.↑
393τολμῆσαι. Dit is een duidelijk voorbeeld van de algemeene beteekenis, die de Grieksche aoristus zoo dikwijls in den infinitivus heeft. ZieButtm., Gr. Gr. § 137. 5.↑
394Hier heeft eene verwisseling van subject en praedicaat plaats, zooals bijPlatomeer voorkomt; hoewel zij eigenlijk alleen dan geoorloofd is, wanneer subject en praedicaat van gelijken omvang zijn en elkander volkomen dekken. Al is het oordeel:alle vogels zijn dieren, volkomen waar, dan kan het nog niet worden omgekeerd:alle dieren zijn vogels, maar bij eene bepaling mag zulks wel, daar eene goede bepaling de bepaalde zaak juist uitdrukt en alleen op haar toepasselijk is.↑
394Hier heeft eene verwisseling van subject en praedicaat plaats, zooals bijPlatomeer voorkomt; hoewel zij eigenlijk alleen dan geoorloofd is, wanneer subject en praedicaat van gelijken omvang zijn en elkander volkomen dekken. Al is het oordeel:alle vogels zijn dieren, volkomen waar, dan kan het nog niet worden omgekeerd:alle dieren zijn vogels, maar bij eene bepaling mag zulks wel, daar eene goede bepaling de bepaalde zaak juist uitdrukt en alleen op haar toepasselijk is.↑
395ἐατέον δὲ καὶσοὶτὸ ῥῆμα περὶ τοῦ ἑτέρου. Deze woorden hebben veel onderzoek in de wereld gebragt. Ik geloof, dat zij niet goed verstaan zijn ten gevolge van eene onnaauwkeurigheid inPlato’suitdrukking, daar hijτὸ ἕτερον, dat in deze redekaveling een kunstterm is, hier in de gewone beteekenis gebruikt heeft, om er het ééne geval mede aan te duiden, namelijk, dat de beide met elkaar verwisselde denkbeelden te gelijk voor den geest tegenwoordig zijn.τὸ ῥῆμαbeteekent dan hier de uitdrukkingψευδῆ δοξάζειν. Het komt mij verder noodig voor,δὲinδὴte veranderen, daar hier geene tegenstelling tegen, maar veeleer eene gevolgtrekking uit het vorige voorkomt, tenzij deze plaats onder de plaatsen gerekend worde, waarδὲin de beteekenis vanδὴgebruikt wordt.↑
395ἐατέον δὲ καὶσοὶτὸ ῥῆμα περὶ τοῦ ἑτέρου. Deze woorden hebben veel onderzoek in de wereld gebragt. Ik geloof, dat zij niet goed verstaan zijn ten gevolge van eene onnaauwkeurigheid inPlato’suitdrukking, daar hijτὸ ἕτερον, dat in deze redekaveling een kunstterm is, hier in de gewone beteekenis gebruikt heeft, om er het ééne geval mede aan te duiden, namelijk, dat de beide met elkaar verwisselde denkbeelden te gelijk voor den geest tegenwoordig zijn.τὸ ῥῆμαbeteekent dan hier de uitdrukkingψευδῆ δοξάζειν. Het komt mij verder noodig voor,δὲinδὴte veranderen, daar hier geene tegenstelling tegen, maar veeleer eene gevolgtrekking uit het vorige voorkomt, tenzij deze plaats onder de plaatsen gerekend worde, waarδὲin de beteekenis vanδὴgebruikt wordt.↑
396Dat is: dat niemand iets, dat hij leelijk vindt, toch schoon vindt, enz.↑
396Dat is: dat niemand iets, dat hij leelijk vindt, toch schoon vindt, enz.↑
397Namelijk het koesteren van valsche meening.↑
397Namelijk het koesteren van valsche meening.↑
398De constructie is:αἰσχυνοίμην γὰρ ἂν ὑπὲρ ἡμῶν ἀναγκαζομένων ὁμολογεῖν οἷα λέγω[περὶ τουτοῦ]ἐν ᾧ ἀποροῦμεν.↑
398De constructie is:αἰσχυνοίμην γὰρ ἂν ὑπὲρ ἡμῶν ἀναγκαζομένων ὁμολογεῖν οἷα λέγω[περὶ τουτοῦ]ἐν ᾧ ἀποροῦμεν.↑
399Socrateshad aangetoond, tot welke dwaashedenProtagoraskwam, door alle meeningen voor waar te erkennen. Nu merkt hij echter op, dat hij voor hetzelfde bloot stond, zoo hij geen kans zag de mogelijkheid van het ontstaan der valsche meening aan te wijzen.↑
399Socrateshad aangetoond, tot welke dwaashedenProtagoraskwam, door alle meeningen voor waar te erkennen. Nu merkt hij echter op, dat hij voor hetzelfde bloot stond, zoo hij geen kans zag de mogelijkheid van het ontstaan der valsche meening aan te wijzen.↑
400Stallbaumziet hier te regt nabootsing vanSophoclesAj. v. 1142, sqq.↑
400Stallbaumziet hier te regt nabootsing vanSophoclesAj. v. 1142, sqq.↑
401μὴ. Hier benijd ik het Grieksch, dat, doorμὴofοὐ[160]te zetten, kan aanduiden of de ontkenning bijdeedof bijkennenhoort. Ook het Latijnscheignorarezou hier zeer te pas komen.↑
401μὴ. Hier benijd ik het Grieksch, dat, doorμὴofοὐ[160]te zetten, kan aanduiden of de ontkenning bijdeedof bijkennenhoort. Ook het Latijnscheignorarezou hier zeer te pas komen.↑
402μεταστρέφονταhoort niet bijλόγον, maar bijτινὰ, dat hier in de gedachte moet ingevoegd worden. Wij zouden hierμεταστρέφονταςverwachten, en ik ben in de verzoeking geweest, om dit alhier te willen lezen; maar het is niet noodig, daarμεταστρέφονταzeer wel op het onbepaalde subject van den infinitivusβασανίζεινkan te huis gebragt worden. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 556. Anm. 3.↑
402μεταστρέφονταhoort niet bijλόγον, maar bijτινὰ, dat hier in de gedachte moet ingevoegd worden. Wij zouden hierμεταστρέφονταςverwachten, en ik ben in de verzoeking geweest, om dit alhier te willen lezen; maar het is niet noodig, daarμεταστρέφονταzeer wel op het onbepaalde subject van den infinitivusβασανίζεινkan te huis gebragt worden. ZieMatth.,Ausf. Gr. Gr.§ 556. Anm. 3.↑
403Men heeft veel geredetwist over de vraag, of hierPlato’sgevoelen, of eene persifflage van eens anders meening gevonden wordt. Ik geloof, dat alles wordt uitgemaakt door de woorden:stel dan nu eens, om der wille van de redekaveling. Wij hebben hier slechts eene zinnebeeldige voorstelling van de waarheid, dat het geheugen niet alles volkomen bewaart, dat de helderheid der herinnering van de helderheid der waarneming en de sterkte des geheugens afhangt, dat het geheugen niet bij allen even sterk is.↑
403Men heeft veel geredetwist over de vraag, of hierPlato’sgevoelen, of eene persifflage van eens anders meening gevonden wordt. Ik geloof, dat alles wordt uitgemaakt door de woorden:stel dan nu eens, om der wille van de redekaveling. Wij hebben hier slechts eene zinnebeeldige voorstelling van de waarheid, dat het geheugen niet alles volkomen bewaart, dat de helderheid der herinnering van de helderheid der waarneming en de sterkte des geheugens afhangt, dat het geheugen niet bij allen even sterk is.↑
404ἔστι δ’ οἷςstaat volkomen gelijk metἐνίοις, daar het oorspronkelijk beteekent:daar is er, aan wie. ZieButtm.Gr. Gr. § 150.↑
404ἔστι δ’ οἷςstaat volkomen gelijk metἐνίοις, daar het oorspronkelijk beteekent:daar is er, aan wie. ZieButtm.Gr. Gr. § 150.↑
405ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲν αὐτά, σκοπῶν δέ τι ὧν ὁρᾷ ἢ ἀκούει κ. τ. λ.Deze zin is eenigzins ingewikkeld, maar kan het best worden opgehelderd door haar op deze wijs om te zetten:ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲνἃὁρᾷ ἢ ἀκούει σκοπῶνδέτι αὐτῶν κ. τ. λ.Niet, dat ik aldus wil lezen; integendeel houd ik de hier voorkomende uitdrukking voor echt Platonisch.↑
405ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲν αὐτά, σκοπῶν δέ τι ὧν ὁρᾷ ἢ ἀκούει κ. τ. λ.Deze zin is eenigzins ingewikkeld, maar kan het best worden opgehelderd door haar op deze wijs om te zetten:ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲνἃὁρᾷ ἢ ἀκούει σκοπῶνδέτι αὐτῶν κ. τ. λ.Niet, dat ik aldus wil lezen; integendeel houd ik de hier voorkomende uitdrukking voor echt Platonisch.↑
406καὶ ἔτι—ἀδυνατώτερον—εἰ οἷον τε. Woordelijk: en nog onmogelijker, zoo het mogelijk is; dat is: en zoo er een nog grooter trap van onmogelijkheid bestaan kan. Daar echter deze op de onmogelijkheid toegepaste mogelijkheid mij hinderde, heb ik er het Hollandscheschiervoor in de plaats gezet, dat in dit verband ongeveer op hetzelfde neêrkomt, zonder dat ik in het minst wil beweren, datεἰ οἷον τεhetzelfde beteekent als onsschier. Niets is nadeeliger voor gezonde uitlegkunde dan de dwaling, dat, wanneer de eene spreekwijs de andere weêrgeeft, zij ook lid voor lid overeenkomen. Daardoor is het misbruik ontstaan, dat in sommige woordenboeken één woord vaak wel twintig of meer beteekenissen heeft, hetgeen toch eigenlijk ondenkbaar is.↑
406καὶ ἔτι—ἀδυνατώτερον—εἰ οἷον τε. Woordelijk: en nog onmogelijker, zoo het mogelijk is; dat is: en zoo er een nog grooter trap van onmogelijkheid bestaan kan. Daar echter deze op de onmogelijkheid toegepaste mogelijkheid mij hinderde, heb ik er het Hollandscheschiervoor in de plaats gezet, dat in dit verband ongeveer op hetzelfde neêrkomt, zonder dat ik in het minst wil beweren, datεἰ οἷον τεhetzelfde beteekent als onsschier. Niets is nadeeliger voor gezonde uitlegkunde dan de dwaling, dat, wanneer de eene spreekwijs de andere weêrgeeft, zij ook lid voor lid overeenkomen. Daardoor is het misbruik ontstaan, dat in sommige woordenboeken één woord vaak wel twintig of meer beteekenissen heeft, hetgeen toch eigenlijk ondenkbaar is.↑
407ὀρθῶςbeteekent hier hetzelfde als het vorigeκατὰ τὴν αἴσθησιν.↑
407ὀρθῶςbeteekent hier hetzelfde als het vorigeκατὰ τὴν αἴσθησιν.↑
408κατὰ ταὐτάd. i.ὀρθῶς, κατὰ τὴν αἴσθησιν.↑
408κατὰ ταὐτάd. i.ὀρθῶς, κατὰ τὴν αἴσθησιν.↑
409ἢ ὧν οἶδε—καὶ αἰσθάνεται. Deze zin is niet duidelijk. Het beste schijnt het, haar door invoeging aldus te verklaren:ἢ[ἔν τισὶ]ὧν οἶδε καὶ αἰσθάνεται[οἰηθῆναι αὐτὰἕτερ’ἄττα εἶναι]ὧν οἶδεν αὖ καὶ αἰσθάνεται. Overigens merke men op, dat hier is weggelaten:en overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, daar volgens[164]deze redekaveling de mogelijkheid der valsche meening te zoeken is in het gebied der gebrekkige overeenkomst tusschen waarneming en herinnering.↑
409ἢ ὧν οἶδε—καὶ αἰσθάνεται. Deze zin is niet duidelijk. Het beste schijnt het, haar door invoeging aldus te verklaren:ἢ[ἔν τισὶ]ὧν οἶδε καὶ αἰσθάνεται[οἰηθῆναι αὐτὰἕτερ’ἄττα εἶναι]ὧν οἶδεν αὖ καὶ αἰσθάνεται. Overigens merke men op, dat hier is weggelaten:en overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, daar volgens[164]deze redekaveling de mogelijkheid der valsche meening te zoeken is in het gebied der gebrekkige overeenkomst tusschen waarneming en herinnering.↑
410ὄψιςheeft hier eene objectieve beteekenis, daar het niet zoo zeer het zien, als wel datgene, wat gezien wordt, aanduidt. Zoo beteekentἀκοὴin het N. T.prediking, daar het eigenlijkgehoor, en vandaarwat gehoord wordt, te kennen geeft.↑
410ὄψιςheeft hier eene objectieve beteekenis, daar het niet zoo zeer het zien, als wel datgene, wat gezien wordt, aanduidt. Zoo beteekentἀκοὴin het N. T.prediking, daar het eigenlijkgehoor, en vandaarwat gehoord wordt, te kennen geeft.↑
411προσαρμόσαιhangt af vanπροθυμηθῶ, waarbij opmerking verdient, dat het eigenlijke object, vanπροσαρμόσαιniet daar, maar bij het deelwoordἀποδοὺςgezet is, dat met het subject vanπροθυμηθῶovereenkomt. Wij zouden bijπροσαρμόσαιalthans een voornaamwoord plaatsen, om het object aan te duiden, hoewel dit volstrekt niet noodig is, daar het object nu toch afhangt van een woord, dat verbonden[166]is met het subject van het werkwoord, waardoor de infinitivus vanπροσαρμόσαιgeregeerd wordt. ZieButtmann, Gr. Gr. § 130. 5. Anm. 1.↑
411προσαρμόσαιhangt af vanπροθυμηθῶ, waarbij opmerking verdient, dat het eigenlijke object, vanπροσαρμόσαιniet daar, maar bij het deelwoordἀποδοὺςgezet is, dat met het subject vanπροθυμηθῶovereenkomt. Wij zouden bijπροσαρμόσαιalthans een voornaamwoord plaatsen, om het object aan te duiden, hoewel dit volstrekt niet noodig is, daar het object nu toch afhangt van een woord, dat verbonden[166]is met het subject van het werkwoord, waardoor de infinitivus vanπροσαρμόσαιgeregeerd wordt. ZieButtmann, Gr. Gr. § 130. 5. Anm. 1.↑