412δεξιὰ εἰς ἀριστερὰ μεταῤῥεούσης.Buttmannwil hier lezenδ. ε. ἀρ. μεταφερούσης;Stallbaumverkiestδεξιᾶς εἰς ἀριστερὰν μεταῤῥεούσης. Beide gissingen verbeteren den zin, maar die vanStallbaumheeft voor zich, dat in het vorige melding gemaakt is vanτὰ τῆς ὄψεως πάθη, hetgeen die gissing aannemelijker maakt, waarbij deὄψιςmeer als passief dan als actief wordt voorgesteld.↑413Valschheidbeteekent hier niets anders danonwaarheid. Hoewel het woord dubbelzinnig is, en ook bedekte kwaadwilligheid kan beteekenen, heb ik het behouden, om eene abstracte uitdrukking te hebben, die met valsche meening overeenkomt.↑414ὑγιὲςwordt vaak van redekavelingen gebruikt, ongeveer in den zin, waarin wij vangezonde redenering,gezond verstand, enz., spreken.↑415En alzoo het afbeeldsel van A met B, dat van B met A zamenbrengt.↑416ὅταν—τε γίγνεται. Zoo deze zin niet bedorven is, dan moet hij aldus verklaard worden. De protasis loopt vanὅτανtotὠργασμένος ᾖ. Nu begint de apodosis bijτὰ ἰόντα, maar door de lengte van dien zin, ten gevolge van de aanhaling uitHomerus, wordt de aandacht van den zamenhang afgetrokken, weshalvePlatode apodosis nog eens begint, en nu met de partikelτότεinleidt. Verder zietτούτοιςen het lager voorkomendeοἱ τοιοῦτοιopτουin de protasis, waarbij het onderscheid in getal niet hindert, omdat hier niet zoozeer van één individu, als wel van allen, die in dat geval zijn, gesproken wordt.↑417Deze aanhaling uitHomerusschijnt niet vrij van valsch vernuft, zoo zij ten minste ernstig gemeend is, en niet dienen moet, om den eenen of anderen bespottelijk te maken. Ik ben echter voor het laatste, daarPlatogeenszins zulk eenen onbepaalden eerbied voorHomerushad, zoo als onder anderen blijkt uit de Republiek, III h. IX, waar hij hem met de andere dichters uit zijnen volmaakten staat wil geweerd hebben, hetgeen wel degelijk opHomerusziet, zoo als blijken kan uit de vergelijking met hoofdst. VI. Zie ook de andere plaatsen uit deRepubliek, waarHomerusdoorPlatoberispt wordt, aangehaald doorStallbaumin den index achter zijne uitgaaf van dat werk.↑418Deze uitval tegenHomerusis waarschijnlijk wederom persifflage, anders is zij bijster vreemd, daar het tochHomerusniet kan ten kwade geduid worden, dat hij aan het hart een epitheton gegeven heeft, dat zich metPlato’szinnebeeldige voorstelling niet laat rijmen.↑419ὧν μὲν ὑγρόν. Hier begint de apodosis.↑420ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ σκληρά}ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ ὑγράIn deze zinnen is eene fout, daarσκληρὰenὑγράin het meervoud gezet zijn, als zagen zij op de afdrukken, terwijl zij in het enkelvoud moesten staan, daar zij, volgens het verband, op het was zien moeten. In zoo verre echter de indrukken,[170]die in het was gemaakt zijn, slechts eene wijziging van dat was zijn, en niet op zich zelve bestaan, is het te verdedigen, dat de epitheta, die van het was gelden, ook van die indrukken gebezigd worden.↑421καλλωπιζόμενοςis eigenlijkzijn gelaat schoon te makenof voor schoon houden; vandaar zich verheffen, zich opblazen.↑422Dit geheele doorSocratesgesprokene stuk is zoo deerlijk verward van constructie, dat het schier onmogelijk is, dien chaos te ontwarren. Vooreerst staatπροθέμενον σκοπεῖνin den tusschenzin, die zich uitstrekt vanλέγωtotδοξάσαι, terwijl het in den hoofdzin te huis behoort. Verder begint na den tusschenzin eene andere constructie dan vóór denzelven, hetgeen trouwens veel voorkomt, en door sommige geleerden zelfs als sieraad in den stijl wordt aangemerkt. Daarenboven begint de zin onmiddellijk achter den tusschenzin metεἴ, hetgeen zou doen vermoeden, dat wij hier eene protasis hebben, wier apodosis nog volgen zal. Die apodosis blijft echter weg, en in plaats daarvan gaat de constructie op eene vraag over. Dit prijze wie wil en noeme het los, het komt mij voor, dat het eene al te gezochte en daardoor stijve losheid is.↑423ἀνήκειwordt hier, gelijk bekend is, in de beteekenis van het perfectum gebruikt. Verder staat het óf onpersoonlijk, óf men moet als subjectὁ λόγοςin de gedachte aanvullen.↑424Hiermede wordt het vorige niet voor valsch, maar slechts voor onvolledig verklaard. Om den Theaetetus goed te begrijpen, moet men vooral letten op de geregelde ontwikkeling der redekaveling, die zich hier, op eene inderdaad voorbeeldige wijze, met trappen van het bloot zinnelijk standpunt, tot aan (niet tot op) de kennis der ideën voortbeweegt. De uiteenzetting hiervan zal eerstaanhet einde des werks geleverd worden, opdat de lezer behoorlijk voorbereid zij, om zelf te oordeelen, en over de juistheid of onjuistheid van onze opvatting vonnis te vellen.↑425Woordelijk: in de gedachten zelve, dat is in de gedachten, zoo als zij op zich zelve zijn, zonder dat zij in verband tot de zinnelijke waarneming gebragt worden.↑426Ἐθελήσαντες.Buttmannheeft teregt aangetoond, datἐθέλωhet denkbeeld vanvoornemen,trachteninsluit, dus, meer dan het blootewenschen(βούλομαι) te kennen geeft.↑427Ἔπειταwordt vaak bij eene gevolgtrekking gebezigd, waarbij waarschijnlijk de redenering ten grondslag ligt:post hoc, ergo propter hoc.↑428Hierin ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat men eenige kennis moet hebben, om in kennis te kunnen toenemen. Om naar iets te kunnen zoeken, moet althans eenig besef daarvan bij ons aanwezig zijn. ZieOpklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 104.↑429εἰ μέντοι ἦν ἀντιλογικός. Dit is eene protasis zonder apodosis. De apodosis heb ik er voor de duidelijkheid bijgevoegd. Men kan dezelve aanvullen uit hetgeen volgt achter de woordenοἷος ἀνὴρ—παρῆν, of door het tegengestelde aan te nemen vanοὐδένα—εἰμί, zoo als naar den zin in de vertaling geschied is.↑430Hier wordt waarschijnlijk op eene toen ter tijde verdedigde wijsgeerige meening gedoeld. Welke die echter is, waag ik niet te beslissen. Overigens ziet ieder ligt,[176]dat zulk eene bepaling, ook zonder eigenlijk te weten, wat kennis is, gemakkelijk kan gegeven worden. Misschien is de verontschuldiging vanSocrates, voordat hij deze bepaling geeft, eigenlijk eene bespotting van hen, die door zulk eene bepaling heel wat meenden gewonnen te hebben. Men kan echter ook alles uit den gang der redekaveling verklaren.↑431Men denke hier aan de eigenaardige kracht van het woordἔχειν, dat zoowelhebbenalsvasthoudenbeteekenen kan. Daar dit bezwaarlijk met één woord in het Hollandsch is uit te drukken, moeten wij onze lezers verzoeken, bij het woordhebbentevens het begrip vanvasthoudenmede te denken.↑432De constructie isὍραδὴ καὶ εἰδυνατόνἐστι οὕτω κεκτημένον ἐπιστήμην μὴ ἔχειν. Hetgeen hier volgt, is even[177]als het stuk was, slechts een zinnebeeld, en wordt hier gebezigd om aan te duiden, dat dikwijls begrippenpotentiain den geest bestaan, zonderactuvoor het bewustzijn te komen, zoodat de geest soms slechts ten halve heer zijner eigene bezittingen is.↑433πάλινheb ik doorintegendeelvertaald, niet omdat het ooit die beteekenis heeft, maar omdat, bij hetwederommaken van zulk eene figuur in de ziel, eene andere, aan de vorige tegengestelde figuur is voor den dag gekomen.↑434τέχνηbeteekent meer dan hetgeen wij gewoonlijk door kunst verstaan, daar er niet alleen het denkbeeld van geschiktheid in het uitvoeren, maar ook wel degelijk theoretische kennis door wordt uitgedrukt, welk laatste bij ons door het woordwetenschapwordt te kennen gegeven. Overigens beschouw ikἀριθμητικὴνenτέχνηνals dubbelen accusativus bijλέγεις. Wij zouden het kunnen vertalen: Gij geeft immers aan eene zekere kunst den naam van rekenkunst. Dit zou echter, hoewel woordelijker, den zin niet zoo goed uitdrukken als mijne meer vrije vertaling, daar hier niet van het al of niet geven der benaming, maar van het al of niet gepaste van het gekozen voorbeeld gesproken wordt.↑435ταύτῃ—ὁ παραδιδούς. Uitὁ παραδιδούςachterπαραδίδωσινblijkt, dat men achterὑποχειρίους ἔχειin de gedachteὁ ἔχωνmoet aanvullen, zooals in de vertaling geschied is.↑436καλοῦμενis hier minder juist, daar dit werkwoord ófπαραδιδόντα μὲν διδάσκοντα, enπαραλαμβάνοντα δὲ μανθάνοντα, enἔχοντα δὲ—ἐπιστάμενον; ófπαραδιδόναι μὲν διδάσκειν, enπαραλαμβάνειν δὲ μανθάνειν, enἔχειν δὲ κεκτῆσθαιzou doen verwachten.↑437Ἦ οὖν—ἀριθμόν. Deze zin is bedorven. Het beste komt mij nog de lezing vanStallbaumvoor, die aldus leest:ἢ αὐτὸ πρὸς αὑτὸνἢἄλλο τι τῶν ἔξω.—Hier worden dan de getallen zelve, waarvan hij de begrippen in zijne ziel heeft, onderscheiden van de empirisch gegevene getallen, die in de uitwendige dingen worden aangetroffen.↑438ἀκούεις γάρ—ἀμφισβητήσεις. Dit kan opgevat worden als eene aanduiding, dat het hier gezegde aan eene toen bekende wijsgeerige school ontleend is. Men kan het echter ook in het algemeen van dergelijke soort van vraagstukken opvatten, gelijk ik in de vertaling gedaan heb, daar het mij voorkomt, dat, hoe vaakPlatoook op anderen zinspeelt, echter niet die zinspelingen, maar de geregelde ontwikkeling der redekaveling het punt is, dat hier vooral opmerking verdient, en er ook in den tekst nietταύτας, maarτοιαύταςgelezen wordt.↑439Woordelijk: maar voor zijn denkvermogen niet voor de hand had.↑440ἤ τι ἀναγνωσόμενος ὁ γραμματικός. Dit tweede voorbeeld is minder juist. Voor ik het echter bespreek, moet ik doen opmerken, datγραμματικόςniet een grammaticus, een’ taalkenner, maar een’ schoolmeester, die lezen en schrijven onderwijst, beteekent. Zoo nu zoodanig iemand iets gaat lezen, dan is hij niet in het geval, dat hij hetgeen hij weet, bij zich zelven door nadenken moet voor den dag halen, daar hier niet de inwendige ontwikkeling der denkbeelden, zooals bij den rekenkundige, maar het toepassen van hetgeen men weet, op de werkelijkheid, in aanmerking komt. Daarom is dit voorbeeld niet volkomen juist, en heb ik de vrijheid genomen het eenigzins te veranderen.↑441πάλιν ἔρχεταιμαθησόμενος. πάλινhoort bijμαθησόμενος.↑442μὴ γὰρ ἔχειν τὴν ἐπιστήμην τούτου οἷόν τε. De constructie is:οἷόν τε γὰρ ἔχειν μὴ τὴν ἐπιστήμην τούτου.↑443ὅταν—διαπετομένων. Ik geloof, dat deze plaats bezwaarlijk te redden is, tenzij men leze:ὅταν θηρεύων τὴν αὐτοῦ(ofἀπ’ αὐτοῦ, zoo men wil)ἐπιστήμηνδιαπετομένην.↑444Het begrip.↑445εἴπερ—ποιήσει. Dit laatste staat eenigzins pleonastisch, daar hetzelfde begrip reeds doorἐκ γὰρ τούτου τοῦ λόγουis uitgedrukt.↑446Door deze en dergelijke tusschenvoegingen, moeten, gelijk reeds boven gezegd is, de partikelsγὰρ, ἀλλὰenz., die bijPlatozoo vaak in het begin van eenen geheel nieuwen zin voorkomen, verklaard worden.↑447ἀνεπιστημοσύνη. Dit woord is waarschijnlijk doorPlatogemaakt, hetgeen hem evenmin alsAristoteleseuvel geduid wordt, hoewel er bij nieuwere wijsgeeren jammerkreten over worden aangeheven. Misschien echter kan het hen, die zich daaraan ergeren, geruststellen, wanneer zij hooren, dat het maken van nieuwe woorden echt klassiek is, en datPlatoenAristotelesons daarin zijn voorgegaan.Krause, zoo ik dien nog mag aanhalen, zegt van den laatsten: „Ueberhaupt hatAristotelesdie Griechische Sprache für die Wissenschaft mit einer Freiheit behandelt und ausgebildet, von welcher bisjetzt für die Deutsche Sprache noch kein Philosoph ein Beispiel gegeben hat, so unerläslich diess für die Darstellung der weiter und tiefer ausgebildeten Wissenschaft gefordert wird.—Diese Eigenthümlichkeit der Sprache mag wohl auch den Lehrsysteme desAristotelesbei[184]seinen Zeitgenossen den Eingang erschwert haben. Aber er arbeitete für die Wissenschaft selbst und für die Nachwelt.”Grundwahrheiten, XIV. Wissenschaftgeschichte, p. 280.↑448τὸis hier het aanwijzend voornaamwoord, en staat in het onzijdige, hoewel het opψευδῆ δόξανziet, volgens de eigenaardigheid der Grieksche taal, dat, zoo het bijvoegelijke naamwoord van zijn zelfstandig verwijderd is, het dikwijls in het onzijdige geslacht staat, daar dan hetgeen waar het op ziet, eenvoudig als een ding, als iets beschouwd wordt. ZieButtm., Gr. Gr. § 129. 6.↑449Hier ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat het ontkennende niet op zich zelf bestaat, maar alleen aan het stellige gevonden wordt. ZieAristoteles, Anal. post. 1. XXV. 5.↑450Theaetetusis bevreesd geworden, om iets stellig en onbepaald toe te stemmen. Hier ligt het denkbeeld ten grondslag, dat iets op een bepaald standpunt waar kan wezen, zonder daarom eens voor altijd geldig te zijn. Zijn[186]de praemissen eenzijdig, dan is het ook de daaruit getrokkene gevolgtrekking, en wel te meer, naarmate die gevolgtrekking met meer juistheid gemaakt is.↑451ἀπεροῦμενbeteekent eigenlijk: óf wij zullen het afslaan, zeggen, dat wij het niet willen hebben, laten loopen; óf wij zullen uitspreken, onzen voorraad van denkbeelden uitputten en daarom moeten ophouden. Beiden komen hier op hetzelfde neêr.↑452Ὁ τὸν ποταμὸν καθηγούμενος. De accusativusτὸν ποταμὸνmoet waarschijnlijk verklaard worden uit de propositieκατὰinκαθηγούμενος. Het is als stond er:ὁἡγούμενοςκατὰ τὸν ποταμὸν. Overigens is te regt doorStallbaumaangemerkt, dat hier gedoeld wordt op het een of ander volkssprookje. Dergelijke aardigheden worden bloot tot verlevendiging van den stijl doorPlatoer in gevlochten.↑453ὥστε—ἀλήθειαν. In dezen zin heeftStallbaumτούτοιςin plaats van het gewoneτούτουςgeschreven. Ik geef aanτούτουςde voorkeur en verklaar het dan aldus:τούτουςziet opτινεςen is het object vanδιδάξαι;τῶν γενομένωνziet opοἷς—ἀποστερουμένοις—ἢ—βιαζομένοις. De constructie is bijτουτούςveranderd, even als ofτουτούςhet antecedens vanοἷςwas. Overigens is het duidelijk, dat doorπρὸςὕδωρ σμικρὸνhet wateruurwerk wordt aangeduid, waarmede de tijd werd gemeten, die voor elke pleitrede was toegestaan.↑454Het schijnt, dat bij de processen teAthene, nadat de voorbereidende werkzaamheden verrigt waren, de geheele zaak op éénen dag werd bepleit en beslist; en het is bekend, dat bij dit bepleiten gewoonlijk het gevoel der regters ruim zooveel als hun verstand door de partijen werd bewerkt. ZieSchoemann,Antiquitates Juris Publici Graecorum, V. § LVIII.↑455νῦν—εἶναι. Dit laatste is eene gevolgtrekking uit het vorige, die door behulp van een hypothetisch syllogisme gemaakt is. ZieNieuwenhuis.Initia Philosophiae logicae§ 99.↑456ὅγε νῦνδ’ ἐννοῶ. Ik geloof, datνῦνmoet uitgeworpen worden, daarὅeigenlijk ziet op het verzwegene object vanἐννοῶ. Het is echter welligt te redden door den zin aldus aan te vullen: [ik zal u iets zeggen]ὅγε ἐγώ κ. τ. λ.↑457οὑτωσὶ καὶ ὀνομάζων. De woordenἐπιστητὸςenοὐκ ἐπιστητὸςschijnen inPlato’stijd nieuw geweest te zijn, en daarom aan eenen ongenoemden te worden toegeschreven, daarPlatoze niet op zijn eigen naam wilde invoeren.↑458εἰ ἐξευρήσω. Hier verraadtPlatozich zelven, en laat zien, dat die voorgewende persoon niemand anders is danTheaetetus, dat is, danPlatozelf. Ik heb de vrijheid genomen, in de vertaling de waarschijnlijkheid der fictie wat meer te bewaren.↑459ἐπεὶstaat hier in denzelfden zin alsἔπειτα. ZieAristotelesde Anima II. II. 13.↑460λόγον. Het woordλόγοςis een kruis voor hem, diePlatoin eene andere taal wil overbrengen, daar het schier onmogelijk is er ééne uitdrukking voor te vinden.[190]Het is omtrent even rekbaar als het latijnscheratio. De zin, waarin het hier en in het vervolg voorkomt, wordt nog het best doorbepalinguitgedrukt.↑
412δεξιὰ εἰς ἀριστερὰ μεταῤῥεούσης.Buttmannwil hier lezenδ. ε. ἀρ. μεταφερούσης;Stallbaumverkiestδεξιᾶς εἰς ἀριστερὰν μεταῤῥεούσης. Beide gissingen verbeteren den zin, maar die vanStallbaumheeft voor zich, dat in het vorige melding gemaakt is vanτὰ τῆς ὄψεως πάθη, hetgeen die gissing aannemelijker maakt, waarbij deὄψιςmeer als passief dan als actief wordt voorgesteld.↑413Valschheidbeteekent hier niets anders danonwaarheid. Hoewel het woord dubbelzinnig is, en ook bedekte kwaadwilligheid kan beteekenen, heb ik het behouden, om eene abstracte uitdrukking te hebben, die met valsche meening overeenkomt.↑414ὑγιὲςwordt vaak van redekavelingen gebruikt, ongeveer in den zin, waarin wij vangezonde redenering,gezond verstand, enz., spreken.↑415En alzoo het afbeeldsel van A met B, dat van B met A zamenbrengt.↑416ὅταν—τε γίγνεται. Zoo deze zin niet bedorven is, dan moet hij aldus verklaard worden. De protasis loopt vanὅτανtotὠργασμένος ᾖ. Nu begint de apodosis bijτὰ ἰόντα, maar door de lengte van dien zin, ten gevolge van de aanhaling uitHomerus, wordt de aandacht van den zamenhang afgetrokken, weshalvePlatode apodosis nog eens begint, en nu met de partikelτότεinleidt. Verder zietτούτοιςen het lager voorkomendeοἱ τοιοῦτοιopτουin de protasis, waarbij het onderscheid in getal niet hindert, omdat hier niet zoozeer van één individu, als wel van allen, die in dat geval zijn, gesproken wordt.↑417Deze aanhaling uitHomerusschijnt niet vrij van valsch vernuft, zoo zij ten minste ernstig gemeend is, en niet dienen moet, om den eenen of anderen bespottelijk te maken. Ik ben echter voor het laatste, daarPlatogeenszins zulk eenen onbepaalden eerbied voorHomerushad, zoo als onder anderen blijkt uit de Republiek, III h. IX, waar hij hem met de andere dichters uit zijnen volmaakten staat wil geweerd hebben, hetgeen wel degelijk opHomerusziet, zoo als blijken kan uit de vergelijking met hoofdst. VI. Zie ook de andere plaatsen uit deRepubliek, waarHomerusdoorPlatoberispt wordt, aangehaald doorStallbaumin den index achter zijne uitgaaf van dat werk.↑418Deze uitval tegenHomerusis waarschijnlijk wederom persifflage, anders is zij bijster vreemd, daar het tochHomerusniet kan ten kwade geduid worden, dat hij aan het hart een epitheton gegeven heeft, dat zich metPlato’szinnebeeldige voorstelling niet laat rijmen.↑419ὧν μὲν ὑγρόν. Hier begint de apodosis.↑420ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ σκληρά}ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ ὑγράIn deze zinnen is eene fout, daarσκληρὰenὑγράin het meervoud gezet zijn, als zagen zij op de afdrukken, terwijl zij in het enkelvoud moesten staan, daar zij, volgens het verband, op het was zien moeten. In zoo verre echter de indrukken,[170]die in het was gemaakt zijn, slechts eene wijziging van dat was zijn, en niet op zich zelve bestaan, is het te verdedigen, dat de epitheta, die van het was gelden, ook van die indrukken gebezigd worden.↑421καλλωπιζόμενοςis eigenlijkzijn gelaat schoon te makenof voor schoon houden; vandaar zich verheffen, zich opblazen.↑422Dit geheele doorSocratesgesprokene stuk is zoo deerlijk verward van constructie, dat het schier onmogelijk is, dien chaos te ontwarren. Vooreerst staatπροθέμενον σκοπεῖνin den tusschenzin, die zich uitstrekt vanλέγωtotδοξάσαι, terwijl het in den hoofdzin te huis behoort. Verder begint na den tusschenzin eene andere constructie dan vóór denzelven, hetgeen trouwens veel voorkomt, en door sommige geleerden zelfs als sieraad in den stijl wordt aangemerkt. Daarenboven begint de zin onmiddellijk achter den tusschenzin metεἴ, hetgeen zou doen vermoeden, dat wij hier eene protasis hebben, wier apodosis nog volgen zal. Die apodosis blijft echter weg, en in plaats daarvan gaat de constructie op eene vraag over. Dit prijze wie wil en noeme het los, het komt mij voor, dat het eene al te gezochte en daardoor stijve losheid is.↑423ἀνήκειwordt hier, gelijk bekend is, in de beteekenis van het perfectum gebruikt. Verder staat het óf onpersoonlijk, óf men moet als subjectὁ λόγοςin de gedachte aanvullen.↑424Hiermede wordt het vorige niet voor valsch, maar slechts voor onvolledig verklaard. Om den Theaetetus goed te begrijpen, moet men vooral letten op de geregelde ontwikkeling der redekaveling, die zich hier, op eene inderdaad voorbeeldige wijze, met trappen van het bloot zinnelijk standpunt, tot aan (niet tot op) de kennis der ideën voortbeweegt. De uiteenzetting hiervan zal eerstaanhet einde des werks geleverd worden, opdat de lezer behoorlijk voorbereid zij, om zelf te oordeelen, en over de juistheid of onjuistheid van onze opvatting vonnis te vellen.↑425Woordelijk: in de gedachten zelve, dat is in de gedachten, zoo als zij op zich zelve zijn, zonder dat zij in verband tot de zinnelijke waarneming gebragt worden.↑426Ἐθελήσαντες.Buttmannheeft teregt aangetoond, datἐθέλωhet denkbeeld vanvoornemen,trachteninsluit, dus, meer dan het blootewenschen(βούλομαι) te kennen geeft.↑427Ἔπειταwordt vaak bij eene gevolgtrekking gebezigd, waarbij waarschijnlijk de redenering ten grondslag ligt:post hoc, ergo propter hoc.↑428Hierin ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat men eenige kennis moet hebben, om in kennis te kunnen toenemen. Om naar iets te kunnen zoeken, moet althans eenig besef daarvan bij ons aanwezig zijn. ZieOpklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 104.↑429εἰ μέντοι ἦν ἀντιλογικός. Dit is eene protasis zonder apodosis. De apodosis heb ik er voor de duidelijkheid bijgevoegd. Men kan dezelve aanvullen uit hetgeen volgt achter de woordenοἷος ἀνὴρ—παρῆν, of door het tegengestelde aan te nemen vanοὐδένα—εἰμί, zoo als naar den zin in de vertaling geschied is.↑430Hier wordt waarschijnlijk op eene toen ter tijde verdedigde wijsgeerige meening gedoeld. Welke die echter is, waag ik niet te beslissen. Overigens ziet ieder ligt,[176]dat zulk eene bepaling, ook zonder eigenlijk te weten, wat kennis is, gemakkelijk kan gegeven worden. Misschien is de verontschuldiging vanSocrates, voordat hij deze bepaling geeft, eigenlijk eene bespotting van hen, die door zulk eene bepaling heel wat meenden gewonnen te hebben. Men kan echter ook alles uit den gang der redekaveling verklaren.↑431Men denke hier aan de eigenaardige kracht van het woordἔχειν, dat zoowelhebbenalsvasthoudenbeteekenen kan. Daar dit bezwaarlijk met één woord in het Hollandsch is uit te drukken, moeten wij onze lezers verzoeken, bij het woordhebbentevens het begrip vanvasthoudenmede te denken.↑432De constructie isὍραδὴ καὶ εἰδυνατόνἐστι οὕτω κεκτημένον ἐπιστήμην μὴ ἔχειν. Hetgeen hier volgt, is even[177]als het stuk was, slechts een zinnebeeld, en wordt hier gebezigd om aan te duiden, dat dikwijls begrippenpotentiain den geest bestaan, zonderactuvoor het bewustzijn te komen, zoodat de geest soms slechts ten halve heer zijner eigene bezittingen is.↑433πάλινheb ik doorintegendeelvertaald, niet omdat het ooit die beteekenis heeft, maar omdat, bij hetwederommaken van zulk eene figuur in de ziel, eene andere, aan de vorige tegengestelde figuur is voor den dag gekomen.↑434τέχνηbeteekent meer dan hetgeen wij gewoonlijk door kunst verstaan, daar er niet alleen het denkbeeld van geschiktheid in het uitvoeren, maar ook wel degelijk theoretische kennis door wordt uitgedrukt, welk laatste bij ons door het woordwetenschapwordt te kennen gegeven. Overigens beschouw ikἀριθμητικὴνenτέχνηνals dubbelen accusativus bijλέγεις. Wij zouden het kunnen vertalen: Gij geeft immers aan eene zekere kunst den naam van rekenkunst. Dit zou echter, hoewel woordelijker, den zin niet zoo goed uitdrukken als mijne meer vrije vertaling, daar hier niet van het al of niet geven der benaming, maar van het al of niet gepaste van het gekozen voorbeeld gesproken wordt.↑435ταύτῃ—ὁ παραδιδούς. Uitὁ παραδιδούςachterπαραδίδωσινblijkt, dat men achterὑποχειρίους ἔχειin de gedachteὁ ἔχωνmoet aanvullen, zooals in de vertaling geschied is.↑436καλοῦμενis hier minder juist, daar dit werkwoord ófπαραδιδόντα μὲν διδάσκοντα, enπαραλαμβάνοντα δὲ μανθάνοντα, enἔχοντα δὲ—ἐπιστάμενον; ófπαραδιδόναι μὲν διδάσκειν, enπαραλαμβάνειν δὲ μανθάνειν, enἔχειν δὲ κεκτῆσθαιzou doen verwachten.↑437Ἦ οὖν—ἀριθμόν. Deze zin is bedorven. Het beste komt mij nog de lezing vanStallbaumvoor, die aldus leest:ἢ αὐτὸ πρὸς αὑτὸνἢἄλλο τι τῶν ἔξω.—Hier worden dan de getallen zelve, waarvan hij de begrippen in zijne ziel heeft, onderscheiden van de empirisch gegevene getallen, die in de uitwendige dingen worden aangetroffen.↑438ἀκούεις γάρ—ἀμφισβητήσεις. Dit kan opgevat worden als eene aanduiding, dat het hier gezegde aan eene toen bekende wijsgeerige school ontleend is. Men kan het echter ook in het algemeen van dergelijke soort van vraagstukken opvatten, gelijk ik in de vertaling gedaan heb, daar het mij voorkomt, dat, hoe vaakPlatoook op anderen zinspeelt, echter niet die zinspelingen, maar de geregelde ontwikkeling der redekaveling het punt is, dat hier vooral opmerking verdient, en er ook in den tekst nietταύτας, maarτοιαύταςgelezen wordt.↑439Woordelijk: maar voor zijn denkvermogen niet voor de hand had.↑440ἤ τι ἀναγνωσόμενος ὁ γραμματικός. Dit tweede voorbeeld is minder juist. Voor ik het echter bespreek, moet ik doen opmerken, datγραμματικόςniet een grammaticus, een’ taalkenner, maar een’ schoolmeester, die lezen en schrijven onderwijst, beteekent. Zoo nu zoodanig iemand iets gaat lezen, dan is hij niet in het geval, dat hij hetgeen hij weet, bij zich zelven door nadenken moet voor den dag halen, daar hier niet de inwendige ontwikkeling der denkbeelden, zooals bij den rekenkundige, maar het toepassen van hetgeen men weet, op de werkelijkheid, in aanmerking komt. Daarom is dit voorbeeld niet volkomen juist, en heb ik de vrijheid genomen het eenigzins te veranderen.↑441πάλιν ἔρχεταιμαθησόμενος. πάλινhoort bijμαθησόμενος.↑442μὴ γὰρ ἔχειν τὴν ἐπιστήμην τούτου οἷόν τε. De constructie is:οἷόν τε γὰρ ἔχειν μὴ τὴν ἐπιστήμην τούτου.↑443ὅταν—διαπετομένων. Ik geloof, dat deze plaats bezwaarlijk te redden is, tenzij men leze:ὅταν θηρεύων τὴν αὐτοῦ(ofἀπ’ αὐτοῦ, zoo men wil)ἐπιστήμηνδιαπετομένην.↑444Het begrip.↑445εἴπερ—ποιήσει. Dit laatste staat eenigzins pleonastisch, daar hetzelfde begrip reeds doorἐκ γὰρ τούτου τοῦ λόγουis uitgedrukt.↑446Door deze en dergelijke tusschenvoegingen, moeten, gelijk reeds boven gezegd is, de partikelsγὰρ, ἀλλὰenz., die bijPlatozoo vaak in het begin van eenen geheel nieuwen zin voorkomen, verklaard worden.↑447ἀνεπιστημοσύνη. Dit woord is waarschijnlijk doorPlatogemaakt, hetgeen hem evenmin alsAristoteleseuvel geduid wordt, hoewel er bij nieuwere wijsgeeren jammerkreten over worden aangeheven. Misschien echter kan het hen, die zich daaraan ergeren, geruststellen, wanneer zij hooren, dat het maken van nieuwe woorden echt klassiek is, en datPlatoenAristotelesons daarin zijn voorgegaan.Krause, zoo ik dien nog mag aanhalen, zegt van den laatsten: „Ueberhaupt hatAristotelesdie Griechische Sprache für die Wissenschaft mit einer Freiheit behandelt und ausgebildet, von welcher bisjetzt für die Deutsche Sprache noch kein Philosoph ein Beispiel gegeben hat, so unerläslich diess für die Darstellung der weiter und tiefer ausgebildeten Wissenschaft gefordert wird.—Diese Eigenthümlichkeit der Sprache mag wohl auch den Lehrsysteme desAristotelesbei[184]seinen Zeitgenossen den Eingang erschwert haben. Aber er arbeitete für die Wissenschaft selbst und für die Nachwelt.”Grundwahrheiten, XIV. Wissenschaftgeschichte, p. 280.↑448τὸis hier het aanwijzend voornaamwoord, en staat in het onzijdige, hoewel het opψευδῆ δόξανziet, volgens de eigenaardigheid der Grieksche taal, dat, zoo het bijvoegelijke naamwoord van zijn zelfstandig verwijderd is, het dikwijls in het onzijdige geslacht staat, daar dan hetgeen waar het op ziet, eenvoudig als een ding, als iets beschouwd wordt. ZieButtm., Gr. Gr. § 129. 6.↑449Hier ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat het ontkennende niet op zich zelf bestaat, maar alleen aan het stellige gevonden wordt. ZieAristoteles, Anal. post. 1. XXV. 5.↑450Theaetetusis bevreesd geworden, om iets stellig en onbepaald toe te stemmen. Hier ligt het denkbeeld ten grondslag, dat iets op een bepaald standpunt waar kan wezen, zonder daarom eens voor altijd geldig te zijn. Zijn[186]de praemissen eenzijdig, dan is het ook de daaruit getrokkene gevolgtrekking, en wel te meer, naarmate die gevolgtrekking met meer juistheid gemaakt is.↑451ἀπεροῦμενbeteekent eigenlijk: óf wij zullen het afslaan, zeggen, dat wij het niet willen hebben, laten loopen; óf wij zullen uitspreken, onzen voorraad van denkbeelden uitputten en daarom moeten ophouden. Beiden komen hier op hetzelfde neêr.↑452Ὁ τὸν ποταμὸν καθηγούμενος. De accusativusτὸν ποταμὸνmoet waarschijnlijk verklaard worden uit de propositieκατὰinκαθηγούμενος. Het is als stond er:ὁἡγούμενοςκατὰ τὸν ποταμὸν. Overigens is te regt doorStallbaumaangemerkt, dat hier gedoeld wordt op het een of ander volkssprookje. Dergelijke aardigheden worden bloot tot verlevendiging van den stijl doorPlatoer in gevlochten.↑453ὥστε—ἀλήθειαν. In dezen zin heeftStallbaumτούτοιςin plaats van het gewoneτούτουςgeschreven. Ik geef aanτούτουςde voorkeur en verklaar het dan aldus:τούτουςziet opτινεςen is het object vanδιδάξαι;τῶν γενομένωνziet opοἷς—ἀποστερουμένοις—ἢ—βιαζομένοις. De constructie is bijτουτούςveranderd, even als ofτουτούςhet antecedens vanοἷςwas. Overigens is het duidelijk, dat doorπρὸςὕδωρ σμικρὸνhet wateruurwerk wordt aangeduid, waarmede de tijd werd gemeten, die voor elke pleitrede was toegestaan.↑454Het schijnt, dat bij de processen teAthene, nadat de voorbereidende werkzaamheden verrigt waren, de geheele zaak op éénen dag werd bepleit en beslist; en het is bekend, dat bij dit bepleiten gewoonlijk het gevoel der regters ruim zooveel als hun verstand door de partijen werd bewerkt. ZieSchoemann,Antiquitates Juris Publici Graecorum, V. § LVIII.↑455νῦν—εἶναι. Dit laatste is eene gevolgtrekking uit het vorige, die door behulp van een hypothetisch syllogisme gemaakt is. ZieNieuwenhuis.Initia Philosophiae logicae§ 99.↑456ὅγε νῦνδ’ ἐννοῶ. Ik geloof, datνῦνmoet uitgeworpen worden, daarὅeigenlijk ziet op het verzwegene object vanἐννοῶ. Het is echter welligt te redden door den zin aldus aan te vullen: [ik zal u iets zeggen]ὅγε ἐγώ κ. τ. λ.↑457οὑτωσὶ καὶ ὀνομάζων. De woordenἐπιστητὸςenοὐκ ἐπιστητὸςschijnen inPlato’stijd nieuw geweest te zijn, en daarom aan eenen ongenoemden te worden toegeschreven, daarPlatoze niet op zijn eigen naam wilde invoeren.↑458εἰ ἐξευρήσω. Hier verraadtPlatozich zelven, en laat zien, dat die voorgewende persoon niemand anders is danTheaetetus, dat is, danPlatozelf. Ik heb de vrijheid genomen, in de vertaling de waarschijnlijkheid der fictie wat meer te bewaren.↑459ἐπεὶstaat hier in denzelfden zin alsἔπειτα. ZieAristotelesde Anima II. II. 13.↑460λόγον. Het woordλόγοςis een kruis voor hem, diePlatoin eene andere taal wil overbrengen, daar het schier onmogelijk is er ééne uitdrukking voor te vinden.[190]Het is omtrent even rekbaar als het latijnscheratio. De zin, waarin het hier en in het vervolg voorkomt, wordt nog het best doorbepalinguitgedrukt.↑
412δεξιὰ εἰς ἀριστερὰ μεταῤῥεούσης.Buttmannwil hier lezenδ. ε. ἀρ. μεταφερούσης;Stallbaumverkiestδεξιᾶς εἰς ἀριστερὰν μεταῤῥεούσης. Beide gissingen verbeteren den zin, maar die vanStallbaumheeft voor zich, dat in het vorige melding gemaakt is vanτὰ τῆς ὄψεως πάθη, hetgeen die gissing aannemelijker maakt, waarbij deὄψιςmeer als passief dan als actief wordt voorgesteld.↑413Valschheidbeteekent hier niets anders danonwaarheid. Hoewel het woord dubbelzinnig is, en ook bedekte kwaadwilligheid kan beteekenen, heb ik het behouden, om eene abstracte uitdrukking te hebben, die met valsche meening overeenkomt.↑414ὑγιὲςwordt vaak van redekavelingen gebruikt, ongeveer in den zin, waarin wij vangezonde redenering,gezond verstand, enz., spreken.↑415En alzoo het afbeeldsel van A met B, dat van B met A zamenbrengt.↑416ὅταν—τε γίγνεται. Zoo deze zin niet bedorven is, dan moet hij aldus verklaard worden. De protasis loopt vanὅτανtotὠργασμένος ᾖ. Nu begint de apodosis bijτὰ ἰόντα, maar door de lengte van dien zin, ten gevolge van de aanhaling uitHomerus, wordt de aandacht van den zamenhang afgetrokken, weshalvePlatode apodosis nog eens begint, en nu met de partikelτότεinleidt. Verder zietτούτοιςen het lager voorkomendeοἱ τοιοῦτοιopτουin de protasis, waarbij het onderscheid in getal niet hindert, omdat hier niet zoozeer van één individu, als wel van allen, die in dat geval zijn, gesproken wordt.↑417Deze aanhaling uitHomerusschijnt niet vrij van valsch vernuft, zoo zij ten minste ernstig gemeend is, en niet dienen moet, om den eenen of anderen bespottelijk te maken. Ik ben echter voor het laatste, daarPlatogeenszins zulk eenen onbepaalden eerbied voorHomerushad, zoo als onder anderen blijkt uit de Republiek, III h. IX, waar hij hem met de andere dichters uit zijnen volmaakten staat wil geweerd hebben, hetgeen wel degelijk opHomerusziet, zoo als blijken kan uit de vergelijking met hoofdst. VI. Zie ook de andere plaatsen uit deRepubliek, waarHomerusdoorPlatoberispt wordt, aangehaald doorStallbaumin den index achter zijne uitgaaf van dat werk.↑418Deze uitval tegenHomerusis waarschijnlijk wederom persifflage, anders is zij bijster vreemd, daar het tochHomerusniet kan ten kwade geduid worden, dat hij aan het hart een epitheton gegeven heeft, dat zich metPlato’szinnebeeldige voorstelling niet laat rijmen.↑419ὧν μὲν ὑγρόν. Hier begint de apodosis.↑420ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ σκληρά}ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ ὑγράIn deze zinnen is eene fout, daarσκληρὰenὑγράin het meervoud gezet zijn, als zagen zij op de afdrukken, terwijl zij in het enkelvoud moesten staan, daar zij, volgens het verband, op het was zien moeten. In zoo verre echter de indrukken,[170]die in het was gemaakt zijn, slechts eene wijziging van dat was zijn, en niet op zich zelve bestaan, is het te verdedigen, dat de epitheta, die van het was gelden, ook van die indrukken gebezigd worden.↑421καλλωπιζόμενοςis eigenlijkzijn gelaat schoon te makenof voor schoon houden; vandaar zich verheffen, zich opblazen.↑422Dit geheele doorSocratesgesprokene stuk is zoo deerlijk verward van constructie, dat het schier onmogelijk is, dien chaos te ontwarren. Vooreerst staatπροθέμενον σκοπεῖνin den tusschenzin, die zich uitstrekt vanλέγωtotδοξάσαι, terwijl het in den hoofdzin te huis behoort. Verder begint na den tusschenzin eene andere constructie dan vóór denzelven, hetgeen trouwens veel voorkomt, en door sommige geleerden zelfs als sieraad in den stijl wordt aangemerkt. Daarenboven begint de zin onmiddellijk achter den tusschenzin metεἴ, hetgeen zou doen vermoeden, dat wij hier eene protasis hebben, wier apodosis nog volgen zal. Die apodosis blijft echter weg, en in plaats daarvan gaat de constructie op eene vraag over. Dit prijze wie wil en noeme het los, het komt mij voor, dat het eene al te gezochte en daardoor stijve losheid is.↑423ἀνήκειwordt hier, gelijk bekend is, in de beteekenis van het perfectum gebruikt. Verder staat het óf onpersoonlijk, óf men moet als subjectὁ λόγοςin de gedachte aanvullen.↑424Hiermede wordt het vorige niet voor valsch, maar slechts voor onvolledig verklaard. Om den Theaetetus goed te begrijpen, moet men vooral letten op de geregelde ontwikkeling der redekaveling, die zich hier, op eene inderdaad voorbeeldige wijze, met trappen van het bloot zinnelijk standpunt, tot aan (niet tot op) de kennis der ideën voortbeweegt. De uiteenzetting hiervan zal eerstaanhet einde des werks geleverd worden, opdat de lezer behoorlijk voorbereid zij, om zelf te oordeelen, en over de juistheid of onjuistheid van onze opvatting vonnis te vellen.↑425Woordelijk: in de gedachten zelve, dat is in de gedachten, zoo als zij op zich zelve zijn, zonder dat zij in verband tot de zinnelijke waarneming gebragt worden.↑426Ἐθελήσαντες.Buttmannheeft teregt aangetoond, datἐθέλωhet denkbeeld vanvoornemen,trachteninsluit, dus, meer dan het blootewenschen(βούλομαι) te kennen geeft.↑427Ἔπειταwordt vaak bij eene gevolgtrekking gebezigd, waarbij waarschijnlijk de redenering ten grondslag ligt:post hoc, ergo propter hoc.↑428Hierin ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat men eenige kennis moet hebben, om in kennis te kunnen toenemen. Om naar iets te kunnen zoeken, moet althans eenig besef daarvan bij ons aanwezig zijn. ZieOpklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 104.↑429εἰ μέντοι ἦν ἀντιλογικός. Dit is eene protasis zonder apodosis. De apodosis heb ik er voor de duidelijkheid bijgevoegd. Men kan dezelve aanvullen uit hetgeen volgt achter de woordenοἷος ἀνὴρ—παρῆν, of door het tegengestelde aan te nemen vanοὐδένα—εἰμί, zoo als naar den zin in de vertaling geschied is.↑430Hier wordt waarschijnlijk op eene toen ter tijde verdedigde wijsgeerige meening gedoeld. Welke die echter is, waag ik niet te beslissen. Overigens ziet ieder ligt,[176]dat zulk eene bepaling, ook zonder eigenlijk te weten, wat kennis is, gemakkelijk kan gegeven worden. Misschien is de verontschuldiging vanSocrates, voordat hij deze bepaling geeft, eigenlijk eene bespotting van hen, die door zulk eene bepaling heel wat meenden gewonnen te hebben. Men kan echter ook alles uit den gang der redekaveling verklaren.↑431Men denke hier aan de eigenaardige kracht van het woordἔχειν, dat zoowelhebbenalsvasthoudenbeteekenen kan. Daar dit bezwaarlijk met één woord in het Hollandsch is uit te drukken, moeten wij onze lezers verzoeken, bij het woordhebbentevens het begrip vanvasthoudenmede te denken.↑432De constructie isὍραδὴ καὶ εἰδυνατόνἐστι οὕτω κεκτημένον ἐπιστήμην μὴ ἔχειν. Hetgeen hier volgt, is even[177]als het stuk was, slechts een zinnebeeld, en wordt hier gebezigd om aan te duiden, dat dikwijls begrippenpotentiain den geest bestaan, zonderactuvoor het bewustzijn te komen, zoodat de geest soms slechts ten halve heer zijner eigene bezittingen is.↑433πάλινheb ik doorintegendeelvertaald, niet omdat het ooit die beteekenis heeft, maar omdat, bij hetwederommaken van zulk eene figuur in de ziel, eene andere, aan de vorige tegengestelde figuur is voor den dag gekomen.↑434τέχνηbeteekent meer dan hetgeen wij gewoonlijk door kunst verstaan, daar er niet alleen het denkbeeld van geschiktheid in het uitvoeren, maar ook wel degelijk theoretische kennis door wordt uitgedrukt, welk laatste bij ons door het woordwetenschapwordt te kennen gegeven. Overigens beschouw ikἀριθμητικὴνenτέχνηνals dubbelen accusativus bijλέγεις. Wij zouden het kunnen vertalen: Gij geeft immers aan eene zekere kunst den naam van rekenkunst. Dit zou echter, hoewel woordelijker, den zin niet zoo goed uitdrukken als mijne meer vrije vertaling, daar hier niet van het al of niet geven der benaming, maar van het al of niet gepaste van het gekozen voorbeeld gesproken wordt.↑435ταύτῃ—ὁ παραδιδούς. Uitὁ παραδιδούςachterπαραδίδωσινblijkt, dat men achterὑποχειρίους ἔχειin de gedachteὁ ἔχωνmoet aanvullen, zooals in de vertaling geschied is.↑436καλοῦμενis hier minder juist, daar dit werkwoord ófπαραδιδόντα μὲν διδάσκοντα, enπαραλαμβάνοντα δὲ μανθάνοντα, enἔχοντα δὲ—ἐπιστάμενον; ófπαραδιδόναι μὲν διδάσκειν, enπαραλαμβάνειν δὲ μανθάνειν, enἔχειν δὲ κεκτῆσθαιzou doen verwachten.↑437Ἦ οὖν—ἀριθμόν. Deze zin is bedorven. Het beste komt mij nog de lezing vanStallbaumvoor, die aldus leest:ἢ αὐτὸ πρὸς αὑτὸνἢἄλλο τι τῶν ἔξω.—Hier worden dan de getallen zelve, waarvan hij de begrippen in zijne ziel heeft, onderscheiden van de empirisch gegevene getallen, die in de uitwendige dingen worden aangetroffen.↑438ἀκούεις γάρ—ἀμφισβητήσεις. Dit kan opgevat worden als eene aanduiding, dat het hier gezegde aan eene toen bekende wijsgeerige school ontleend is. Men kan het echter ook in het algemeen van dergelijke soort van vraagstukken opvatten, gelijk ik in de vertaling gedaan heb, daar het mij voorkomt, dat, hoe vaakPlatoook op anderen zinspeelt, echter niet die zinspelingen, maar de geregelde ontwikkeling der redekaveling het punt is, dat hier vooral opmerking verdient, en er ook in den tekst nietταύτας, maarτοιαύταςgelezen wordt.↑439Woordelijk: maar voor zijn denkvermogen niet voor de hand had.↑440ἤ τι ἀναγνωσόμενος ὁ γραμματικός. Dit tweede voorbeeld is minder juist. Voor ik het echter bespreek, moet ik doen opmerken, datγραμματικόςniet een grammaticus, een’ taalkenner, maar een’ schoolmeester, die lezen en schrijven onderwijst, beteekent. Zoo nu zoodanig iemand iets gaat lezen, dan is hij niet in het geval, dat hij hetgeen hij weet, bij zich zelven door nadenken moet voor den dag halen, daar hier niet de inwendige ontwikkeling der denkbeelden, zooals bij den rekenkundige, maar het toepassen van hetgeen men weet, op de werkelijkheid, in aanmerking komt. Daarom is dit voorbeeld niet volkomen juist, en heb ik de vrijheid genomen het eenigzins te veranderen.↑441πάλιν ἔρχεταιμαθησόμενος. πάλινhoort bijμαθησόμενος.↑442μὴ γὰρ ἔχειν τὴν ἐπιστήμην τούτου οἷόν τε. De constructie is:οἷόν τε γὰρ ἔχειν μὴ τὴν ἐπιστήμην τούτου.↑443ὅταν—διαπετομένων. Ik geloof, dat deze plaats bezwaarlijk te redden is, tenzij men leze:ὅταν θηρεύων τὴν αὐτοῦ(ofἀπ’ αὐτοῦ, zoo men wil)ἐπιστήμηνδιαπετομένην.↑444Het begrip.↑445εἴπερ—ποιήσει. Dit laatste staat eenigzins pleonastisch, daar hetzelfde begrip reeds doorἐκ γὰρ τούτου τοῦ λόγουis uitgedrukt.↑446Door deze en dergelijke tusschenvoegingen, moeten, gelijk reeds boven gezegd is, de partikelsγὰρ, ἀλλὰenz., die bijPlatozoo vaak in het begin van eenen geheel nieuwen zin voorkomen, verklaard worden.↑447ἀνεπιστημοσύνη. Dit woord is waarschijnlijk doorPlatogemaakt, hetgeen hem evenmin alsAristoteleseuvel geduid wordt, hoewel er bij nieuwere wijsgeeren jammerkreten over worden aangeheven. Misschien echter kan het hen, die zich daaraan ergeren, geruststellen, wanneer zij hooren, dat het maken van nieuwe woorden echt klassiek is, en datPlatoenAristotelesons daarin zijn voorgegaan.Krause, zoo ik dien nog mag aanhalen, zegt van den laatsten: „Ueberhaupt hatAristotelesdie Griechische Sprache für die Wissenschaft mit einer Freiheit behandelt und ausgebildet, von welcher bisjetzt für die Deutsche Sprache noch kein Philosoph ein Beispiel gegeben hat, so unerläslich diess für die Darstellung der weiter und tiefer ausgebildeten Wissenschaft gefordert wird.—Diese Eigenthümlichkeit der Sprache mag wohl auch den Lehrsysteme desAristotelesbei[184]seinen Zeitgenossen den Eingang erschwert haben. Aber er arbeitete für die Wissenschaft selbst und für die Nachwelt.”Grundwahrheiten, XIV. Wissenschaftgeschichte, p. 280.↑448τὸis hier het aanwijzend voornaamwoord, en staat in het onzijdige, hoewel het opψευδῆ δόξανziet, volgens de eigenaardigheid der Grieksche taal, dat, zoo het bijvoegelijke naamwoord van zijn zelfstandig verwijderd is, het dikwijls in het onzijdige geslacht staat, daar dan hetgeen waar het op ziet, eenvoudig als een ding, als iets beschouwd wordt. ZieButtm., Gr. Gr. § 129. 6.↑449Hier ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat het ontkennende niet op zich zelf bestaat, maar alleen aan het stellige gevonden wordt. ZieAristoteles, Anal. post. 1. XXV. 5.↑450Theaetetusis bevreesd geworden, om iets stellig en onbepaald toe te stemmen. Hier ligt het denkbeeld ten grondslag, dat iets op een bepaald standpunt waar kan wezen, zonder daarom eens voor altijd geldig te zijn. Zijn[186]de praemissen eenzijdig, dan is het ook de daaruit getrokkene gevolgtrekking, en wel te meer, naarmate die gevolgtrekking met meer juistheid gemaakt is.↑451ἀπεροῦμενbeteekent eigenlijk: óf wij zullen het afslaan, zeggen, dat wij het niet willen hebben, laten loopen; óf wij zullen uitspreken, onzen voorraad van denkbeelden uitputten en daarom moeten ophouden. Beiden komen hier op hetzelfde neêr.↑452Ὁ τὸν ποταμὸν καθηγούμενος. De accusativusτὸν ποταμὸνmoet waarschijnlijk verklaard worden uit de propositieκατὰinκαθηγούμενος. Het is als stond er:ὁἡγούμενοςκατὰ τὸν ποταμὸν. Overigens is te regt doorStallbaumaangemerkt, dat hier gedoeld wordt op het een of ander volkssprookje. Dergelijke aardigheden worden bloot tot verlevendiging van den stijl doorPlatoer in gevlochten.↑453ὥστε—ἀλήθειαν. In dezen zin heeftStallbaumτούτοιςin plaats van het gewoneτούτουςgeschreven. Ik geef aanτούτουςde voorkeur en verklaar het dan aldus:τούτουςziet opτινεςen is het object vanδιδάξαι;τῶν γενομένωνziet opοἷς—ἀποστερουμένοις—ἢ—βιαζομένοις. De constructie is bijτουτούςveranderd, even als ofτουτούςhet antecedens vanοἷςwas. Overigens is het duidelijk, dat doorπρὸςὕδωρ σμικρὸνhet wateruurwerk wordt aangeduid, waarmede de tijd werd gemeten, die voor elke pleitrede was toegestaan.↑454Het schijnt, dat bij de processen teAthene, nadat de voorbereidende werkzaamheden verrigt waren, de geheele zaak op éénen dag werd bepleit en beslist; en het is bekend, dat bij dit bepleiten gewoonlijk het gevoel der regters ruim zooveel als hun verstand door de partijen werd bewerkt. ZieSchoemann,Antiquitates Juris Publici Graecorum, V. § LVIII.↑455νῦν—εἶναι. Dit laatste is eene gevolgtrekking uit het vorige, die door behulp van een hypothetisch syllogisme gemaakt is. ZieNieuwenhuis.Initia Philosophiae logicae§ 99.↑456ὅγε νῦνδ’ ἐννοῶ. Ik geloof, datνῦνmoet uitgeworpen worden, daarὅeigenlijk ziet op het verzwegene object vanἐννοῶ. Het is echter welligt te redden door den zin aldus aan te vullen: [ik zal u iets zeggen]ὅγε ἐγώ κ. τ. λ.↑457οὑτωσὶ καὶ ὀνομάζων. De woordenἐπιστητὸςenοὐκ ἐπιστητὸςschijnen inPlato’stijd nieuw geweest te zijn, en daarom aan eenen ongenoemden te worden toegeschreven, daarPlatoze niet op zijn eigen naam wilde invoeren.↑458εἰ ἐξευρήσω. Hier verraadtPlatozich zelven, en laat zien, dat die voorgewende persoon niemand anders is danTheaetetus, dat is, danPlatozelf. Ik heb de vrijheid genomen, in de vertaling de waarschijnlijkheid der fictie wat meer te bewaren.↑459ἐπεὶstaat hier in denzelfden zin alsἔπειτα. ZieAristotelesde Anima II. II. 13.↑460λόγον. Het woordλόγοςis een kruis voor hem, diePlatoin eene andere taal wil overbrengen, daar het schier onmogelijk is er ééne uitdrukking voor te vinden.[190]Het is omtrent even rekbaar als het latijnscheratio. De zin, waarin het hier en in het vervolg voorkomt, wordt nog het best doorbepalinguitgedrukt.↑
412δεξιὰ εἰς ἀριστερὰ μεταῤῥεούσης.Buttmannwil hier lezenδ. ε. ἀρ. μεταφερούσης;Stallbaumverkiestδεξιᾶς εἰς ἀριστερὰν μεταῤῥεούσης. Beide gissingen verbeteren den zin, maar die vanStallbaumheeft voor zich, dat in het vorige melding gemaakt is vanτὰ τῆς ὄψεως πάθη, hetgeen die gissing aannemelijker maakt, waarbij deὄψιςmeer als passief dan als actief wordt voorgesteld.↑413Valschheidbeteekent hier niets anders danonwaarheid. Hoewel het woord dubbelzinnig is, en ook bedekte kwaadwilligheid kan beteekenen, heb ik het behouden, om eene abstracte uitdrukking te hebben, die met valsche meening overeenkomt.↑414ὑγιὲςwordt vaak van redekavelingen gebruikt, ongeveer in den zin, waarin wij vangezonde redenering,gezond verstand, enz., spreken.↑415En alzoo het afbeeldsel van A met B, dat van B met A zamenbrengt.↑416ὅταν—τε γίγνεται. Zoo deze zin niet bedorven is, dan moet hij aldus verklaard worden. De protasis loopt vanὅτανtotὠργασμένος ᾖ. Nu begint de apodosis bijτὰ ἰόντα, maar door de lengte van dien zin, ten gevolge van de aanhaling uitHomerus, wordt de aandacht van den zamenhang afgetrokken, weshalvePlatode apodosis nog eens begint, en nu met de partikelτότεinleidt. Verder zietτούτοιςen het lager voorkomendeοἱ τοιοῦτοιopτουin de protasis, waarbij het onderscheid in getal niet hindert, omdat hier niet zoozeer van één individu, als wel van allen, die in dat geval zijn, gesproken wordt.↑417Deze aanhaling uitHomerusschijnt niet vrij van valsch vernuft, zoo zij ten minste ernstig gemeend is, en niet dienen moet, om den eenen of anderen bespottelijk te maken. Ik ben echter voor het laatste, daarPlatogeenszins zulk eenen onbepaalden eerbied voorHomerushad, zoo als onder anderen blijkt uit de Republiek, III h. IX, waar hij hem met de andere dichters uit zijnen volmaakten staat wil geweerd hebben, hetgeen wel degelijk opHomerusziet, zoo als blijken kan uit de vergelijking met hoofdst. VI. Zie ook de andere plaatsen uit deRepubliek, waarHomerusdoorPlatoberispt wordt, aangehaald doorStallbaumin den index achter zijne uitgaaf van dat werk.↑418Deze uitval tegenHomerusis waarschijnlijk wederom persifflage, anders is zij bijster vreemd, daar het tochHomerusniet kan ten kwade geduid worden, dat hij aan het hart een epitheton gegeven heeft, dat zich metPlato’szinnebeeldige voorstelling niet laat rijmen.↑419ὧν μὲν ὑγρόν. Hier begint de apodosis.↑420ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ σκληρά}ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ ὑγράIn deze zinnen is eene fout, daarσκληρὰenὑγράin het meervoud gezet zijn, als zagen zij op de afdrukken, terwijl zij in het enkelvoud moesten staan, daar zij, volgens het verband, op het was zien moeten. In zoo verre echter de indrukken,[170]die in het was gemaakt zijn, slechts eene wijziging van dat was zijn, en niet op zich zelve bestaan, is het te verdedigen, dat de epitheta, die van het was gelden, ook van die indrukken gebezigd worden.↑421καλλωπιζόμενοςis eigenlijkzijn gelaat schoon te makenof voor schoon houden; vandaar zich verheffen, zich opblazen.↑422Dit geheele doorSocratesgesprokene stuk is zoo deerlijk verward van constructie, dat het schier onmogelijk is, dien chaos te ontwarren. Vooreerst staatπροθέμενον σκοπεῖνin den tusschenzin, die zich uitstrekt vanλέγωtotδοξάσαι, terwijl het in den hoofdzin te huis behoort. Verder begint na den tusschenzin eene andere constructie dan vóór denzelven, hetgeen trouwens veel voorkomt, en door sommige geleerden zelfs als sieraad in den stijl wordt aangemerkt. Daarenboven begint de zin onmiddellijk achter den tusschenzin metεἴ, hetgeen zou doen vermoeden, dat wij hier eene protasis hebben, wier apodosis nog volgen zal. Die apodosis blijft echter weg, en in plaats daarvan gaat de constructie op eene vraag over. Dit prijze wie wil en noeme het los, het komt mij voor, dat het eene al te gezochte en daardoor stijve losheid is.↑423ἀνήκειwordt hier, gelijk bekend is, in de beteekenis van het perfectum gebruikt. Verder staat het óf onpersoonlijk, óf men moet als subjectὁ λόγοςin de gedachte aanvullen.↑424Hiermede wordt het vorige niet voor valsch, maar slechts voor onvolledig verklaard. Om den Theaetetus goed te begrijpen, moet men vooral letten op de geregelde ontwikkeling der redekaveling, die zich hier, op eene inderdaad voorbeeldige wijze, met trappen van het bloot zinnelijk standpunt, tot aan (niet tot op) de kennis der ideën voortbeweegt. De uiteenzetting hiervan zal eerstaanhet einde des werks geleverd worden, opdat de lezer behoorlijk voorbereid zij, om zelf te oordeelen, en over de juistheid of onjuistheid van onze opvatting vonnis te vellen.↑425Woordelijk: in de gedachten zelve, dat is in de gedachten, zoo als zij op zich zelve zijn, zonder dat zij in verband tot de zinnelijke waarneming gebragt worden.↑426Ἐθελήσαντες.Buttmannheeft teregt aangetoond, datἐθέλωhet denkbeeld vanvoornemen,trachteninsluit, dus, meer dan het blootewenschen(βούλομαι) te kennen geeft.↑427Ἔπειταwordt vaak bij eene gevolgtrekking gebezigd, waarbij waarschijnlijk de redenering ten grondslag ligt:post hoc, ergo propter hoc.↑428Hierin ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat men eenige kennis moet hebben, om in kennis te kunnen toenemen. Om naar iets te kunnen zoeken, moet althans eenig besef daarvan bij ons aanwezig zijn. ZieOpklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 104.↑429εἰ μέντοι ἦν ἀντιλογικός. Dit is eene protasis zonder apodosis. De apodosis heb ik er voor de duidelijkheid bijgevoegd. Men kan dezelve aanvullen uit hetgeen volgt achter de woordenοἷος ἀνὴρ—παρῆν, of door het tegengestelde aan te nemen vanοὐδένα—εἰμί, zoo als naar den zin in de vertaling geschied is.↑430Hier wordt waarschijnlijk op eene toen ter tijde verdedigde wijsgeerige meening gedoeld. Welke die echter is, waag ik niet te beslissen. Overigens ziet ieder ligt,[176]dat zulk eene bepaling, ook zonder eigenlijk te weten, wat kennis is, gemakkelijk kan gegeven worden. Misschien is de verontschuldiging vanSocrates, voordat hij deze bepaling geeft, eigenlijk eene bespotting van hen, die door zulk eene bepaling heel wat meenden gewonnen te hebben. Men kan echter ook alles uit den gang der redekaveling verklaren.↑431Men denke hier aan de eigenaardige kracht van het woordἔχειν, dat zoowelhebbenalsvasthoudenbeteekenen kan. Daar dit bezwaarlijk met één woord in het Hollandsch is uit te drukken, moeten wij onze lezers verzoeken, bij het woordhebbentevens het begrip vanvasthoudenmede te denken.↑432De constructie isὍραδὴ καὶ εἰδυνατόνἐστι οὕτω κεκτημένον ἐπιστήμην μὴ ἔχειν. Hetgeen hier volgt, is even[177]als het stuk was, slechts een zinnebeeld, en wordt hier gebezigd om aan te duiden, dat dikwijls begrippenpotentiain den geest bestaan, zonderactuvoor het bewustzijn te komen, zoodat de geest soms slechts ten halve heer zijner eigene bezittingen is.↑433πάλινheb ik doorintegendeelvertaald, niet omdat het ooit die beteekenis heeft, maar omdat, bij hetwederommaken van zulk eene figuur in de ziel, eene andere, aan de vorige tegengestelde figuur is voor den dag gekomen.↑434τέχνηbeteekent meer dan hetgeen wij gewoonlijk door kunst verstaan, daar er niet alleen het denkbeeld van geschiktheid in het uitvoeren, maar ook wel degelijk theoretische kennis door wordt uitgedrukt, welk laatste bij ons door het woordwetenschapwordt te kennen gegeven. Overigens beschouw ikἀριθμητικὴνenτέχνηνals dubbelen accusativus bijλέγεις. Wij zouden het kunnen vertalen: Gij geeft immers aan eene zekere kunst den naam van rekenkunst. Dit zou echter, hoewel woordelijker, den zin niet zoo goed uitdrukken als mijne meer vrije vertaling, daar hier niet van het al of niet geven der benaming, maar van het al of niet gepaste van het gekozen voorbeeld gesproken wordt.↑435ταύτῃ—ὁ παραδιδούς. Uitὁ παραδιδούςachterπαραδίδωσινblijkt, dat men achterὑποχειρίους ἔχειin de gedachteὁ ἔχωνmoet aanvullen, zooals in de vertaling geschied is.↑436καλοῦμενis hier minder juist, daar dit werkwoord ófπαραδιδόντα μὲν διδάσκοντα, enπαραλαμβάνοντα δὲ μανθάνοντα, enἔχοντα δὲ—ἐπιστάμενον; ófπαραδιδόναι μὲν διδάσκειν, enπαραλαμβάνειν δὲ μανθάνειν, enἔχειν δὲ κεκτῆσθαιzou doen verwachten.↑437Ἦ οὖν—ἀριθμόν. Deze zin is bedorven. Het beste komt mij nog de lezing vanStallbaumvoor, die aldus leest:ἢ αὐτὸ πρὸς αὑτὸνἢἄλλο τι τῶν ἔξω.—Hier worden dan de getallen zelve, waarvan hij de begrippen in zijne ziel heeft, onderscheiden van de empirisch gegevene getallen, die in de uitwendige dingen worden aangetroffen.↑438ἀκούεις γάρ—ἀμφισβητήσεις. Dit kan opgevat worden als eene aanduiding, dat het hier gezegde aan eene toen bekende wijsgeerige school ontleend is. Men kan het echter ook in het algemeen van dergelijke soort van vraagstukken opvatten, gelijk ik in de vertaling gedaan heb, daar het mij voorkomt, dat, hoe vaakPlatoook op anderen zinspeelt, echter niet die zinspelingen, maar de geregelde ontwikkeling der redekaveling het punt is, dat hier vooral opmerking verdient, en er ook in den tekst nietταύτας, maarτοιαύταςgelezen wordt.↑439Woordelijk: maar voor zijn denkvermogen niet voor de hand had.↑440ἤ τι ἀναγνωσόμενος ὁ γραμματικός. Dit tweede voorbeeld is minder juist. Voor ik het echter bespreek, moet ik doen opmerken, datγραμματικόςniet een grammaticus, een’ taalkenner, maar een’ schoolmeester, die lezen en schrijven onderwijst, beteekent. Zoo nu zoodanig iemand iets gaat lezen, dan is hij niet in het geval, dat hij hetgeen hij weet, bij zich zelven door nadenken moet voor den dag halen, daar hier niet de inwendige ontwikkeling der denkbeelden, zooals bij den rekenkundige, maar het toepassen van hetgeen men weet, op de werkelijkheid, in aanmerking komt. Daarom is dit voorbeeld niet volkomen juist, en heb ik de vrijheid genomen het eenigzins te veranderen.↑441πάλιν ἔρχεταιμαθησόμενος. πάλινhoort bijμαθησόμενος.↑442μὴ γὰρ ἔχειν τὴν ἐπιστήμην τούτου οἷόν τε. De constructie is:οἷόν τε γὰρ ἔχειν μὴ τὴν ἐπιστήμην τούτου.↑443ὅταν—διαπετομένων. Ik geloof, dat deze plaats bezwaarlijk te redden is, tenzij men leze:ὅταν θηρεύων τὴν αὐτοῦ(ofἀπ’ αὐτοῦ, zoo men wil)ἐπιστήμηνδιαπετομένην.↑444Het begrip.↑445εἴπερ—ποιήσει. Dit laatste staat eenigzins pleonastisch, daar hetzelfde begrip reeds doorἐκ γὰρ τούτου τοῦ λόγουis uitgedrukt.↑446Door deze en dergelijke tusschenvoegingen, moeten, gelijk reeds boven gezegd is, de partikelsγὰρ, ἀλλὰenz., die bijPlatozoo vaak in het begin van eenen geheel nieuwen zin voorkomen, verklaard worden.↑447ἀνεπιστημοσύνη. Dit woord is waarschijnlijk doorPlatogemaakt, hetgeen hem evenmin alsAristoteleseuvel geduid wordt, hoewel er bij nieuwere wijsgeeren jammerkreten over worden aangeheven. Misschien echter kan het hen, die zich daaraan ergeren, geruststellen, wanneer zij hooren, dat het maken van nieuwe woorden echt klassiek is, en datPlatoenAristotelesons daarin zijn voorgegaan.Krause, zoo ik dien nog mag aanhalen, zegt van den laatsten: „Ueberhaupt hatAristotelesdie Griechische Sprache für die Wissenschaft mit einer Freiheit behandelt und ausgebildet, von welcher bisjetzt für die Deutsche Sprache noch kein Philosoph ein Beispiel gegeben hat, so unerläslich diess für die Darstellung der weiter und tiefer ausgebildeten Wissenschaft gefordert wird.—Diese Eigenthümlichkeit der Sprache mag wohl auch den Lehrsysteme desAristotelesbei[184]seinen Zeitgenossen den Eingang erschwert haben. Aber er arbeitete für die Wissenschaft selbst und für die Nachwelt.”Grundwahrheiten, XIV. Wissenschaftgeschichte, p. 280.↑448τὸis hier het aanwijzend voornaamwoord, en staat in het onzijdige, hoewel het opψευδῆ δόξανziet, volgens de eigenaardigheid der Grieksche taal, dat, zoo het bijvoegelijke naamwoord van zijn zelfstandig verwijderd is, het dikwijls in het onzijdige geslacht staat, daar dan hetgeen waar het op ziet, eenvoudig als een ding, als iets beschouwd wordt. ZieButtm., Gr. Gr. § 129. 6.↑449Hier ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat het ontkennende niet op zich zelf bestaat, maar alleen aan het stellige gevonden wordt. ZieAristoteles, Anal. post. 1. XXV. 5.↑450Theaetetusis bevreesd geworden, om iets stellig en onbepaald toe te stemmen. Hier ligt het denkbeeld ten grondslag, dat iets op een bepaald standpunt waar kan wezen, zonder daarom eens voor altijd geldig te zijn. Zijn[186]de praemissen eenzijdig, dan is het ook de daaruit getrokkene gevolgtrekking, en wel te meer, naarmate die gevolgtrekking met meer juistheid gemaakt is.↑451ἀπεροῦμενbeteekent eigenlijk: óf wij zullen het afslaan, zeggen, dat wij het niet willen hebben, laten loopen; óf wij zullen uitspreken, onzen voorraad van denkbeelden uitputten en daarom moeten ophouden. Beiden komen hier op hetzelfde neêr.↑452Ὁ τὸν ποταμὸν καθηγούμενος. De accusativusτὸν ποταμὸνmoet waarschijnlijk verklaard worden uit de propositieκατὰinκαθηγούμενος. Het is als stond er:ὁἡγούμενοςκατὰ τὸν ποταμὸν. Overigens is te regt doorStallbaumaangemerkt, dat hier gedoeld wordt op het een of ander volkssprookje. Dergelijke aardigheden worden bloot tot verlevendiging van den stijl doorPlatoer in gevlochten.↑453ὥστε—ἀλήθειαν. In dezen zin heeftStallbaumτούτοιςin plaats van het gewoneτούτουςgeschreven. Ik geef aanτούτουςde voorkeur en verklaar het dan aldus:τούτουςziet opτινεςen is het object vanδιδάξαι;τῶν γενομένωνziet opοἷς—ἀποστερουμένοις—ἢ—βιαζομένοις. De constructie is bijτουτούςveranderd, even als ofτουτούςhet antecedens vanοἷςwas. Overigens is het duidelijk, dat doorπρὸςὕδωρ σμικρὸνhet wateruurwerk wordt aangeduid, waarmede de tijd werd gemeten, die voor elke pleitrede was toegestaan.↑454Het schijnt, dat bij de processen teAthene, nadat de voorbereidende werkzaamheden verrigt waren, de geheele zaak op éénen dag werd bepleit en beslist; en het is bekend, dat bij dit bepleiten gewoonlijk het gevoel der regters ruim zooveel als hun verstand door de partijen werd bewerkt. ZieSchoemann,Antiquitates Juris Publici Graecorum, V. § LVIII.↑455νῦν—εἶναι. Dit laatste is eene gevolgtrekking uit het vorige, die door behulp van een hypothetisch syllogisme gemaakt is. ZieNieuwenhuis.Initia Philosophiae logicae§ 99.↑456ὅγε νῦνδ’ ἐννοῶ. Ik geloof, datνῦνmoet uitgeworpen worden, daarὅeigenlijk ziet op het verzwegene object vanἐννοῶ. Het is echter welligt te redden door den zin aldus aan te vullen: [ik zal u iets zeggen]ὅγε ἐγώ κ. τ. λ.↑457οὑτωσὶ καὶ ὀνομάζων. De woordenἐπιστητὸςenοὐκ ἐπιστητὸςschijnen inPlato’stijd nieuw geweest te zijn, en daarom aan eenen ongenoemden te worden toegeschreven, daarPlatoze niet op zijn eigen naam wilde invoeren.↑458εἰ ἐξευρήσω. Hier verraadtPlatozich zelven, en laat zien, dat die voorgewende persoon niemand anders is danTheaetetus, dat is, danPlatozelf. Ik heb de vrijheid genomen, in de vertaling de waarschijnlijkheid der fictie wat meer te bewaren.↑459ἐπεὶstaat hier in denzelfden zin alsἔπειτα. ZieAristotelesde Anima II. II. 13.↑460λόγον. Het woordλόγοςis een kruis voor hem, diePlatoin eene andere taal wil overbrengen, daar het schier onmogelijk is er ééne uitdrukking voor te vinden.[190]Het is omtrent even rekbaar als het latijnscheratio. De zin, waarin het hier en in het vervolg voorkomt, wordt nog het best doorbepalinguitgedrukt.↑
412δεξιὰ εἰς ἀριστερὰ μεταῤῥεούσης.Buttmannwil hier lezenδ. ε. ἀρ. μεταφερούσης;Stallbaumverkiestδεξιᾶς εἰς ἀριστερὰν μεταῤῥεούσης. Beide gissingen verbeteren den zin, maar die vanStallbaumheeft voor zich, dat in het vorige melding gemaakt is vanτὰ τῆς ὄψεως πάθη, hetgeen die gissing aannemelijker maakt, waarbij deὄψιςmeer als passief dan als actief wordt voorgesteld.↑
412δεξιὰ εἰς ἀριστερὰ μεταῤῥεούσης.Buttmannwil hier lezenδ. ε. ἀρ. μεταφερούσης;Stallbaumverkiestδεξιᾶς εἰς ἀριστερὰν μεταῤῥεούσης. Beide gissingen verbeteren den zin, maar die vanStallbaumheeft voor zich, dat in het vorige melding gemaakt is vanτὰ τῆς ὄψεως πάθη, hetgeen die gissing aannemelijker maakt, waarbij deὄψιςmeer als passief dan als actief wordt voorgesteld.↑
413Valschheidbeteekent hier niets anders danonwaarheid. Hoewel het woord dubbelzinnig is, en ook bedekte kwaadwilligheid kan beteekenen, heb ik het behouden, om eene abstracte uitdrukking te hebben, die met valsche meening overeenkomt.↑
413Valschheidbeteekent hier niets anders danonwaarheid. Hoewel het woord dubbelzinnig is, en ook bedekte kwaadwilligheid kan beteekenen, heb ik het behouden, om eene abstracte uitdrukking te hebben, die met valsche meening overeenkomt.↑
414ὑγιὲςwordt vaak van redekavelingen gebruikt, ongeveer in den zin, waarin wij vangezonde redenering,gezond verstand, enz., spreken.↑
414ὑγιὲςwordt vaak van redekavelingen gebruikt, ongeveer in den zin, waarin wij vangezonde redenering,gezond verstand, enz., spreken.↑
415En alzoo het afbeeldsel van A met B, dat van B met A zamenbrengt.↑
415En alzoo het afbeeldsel van A met B, dat van B met A zamenbrengt.↑
416ὅταν—τε γίγνεται. Zoo deze zin niet bedorven is, dan moet hij aldus verklaard worden. De protasis loopt vanὅτανtotὠργασμένος ᾖ. Nu begint de apodosis bijτὰ ἰόντα, maar door de lengte van dien zin, ten gevolge van de aanhaling uitHomerus, wordt de aandacht van den zamenhang afgetrokken, weshalvePlatode apodosis nog eens begint, en nu met de partikelτότεinleidt. Verder zietτούτοιςen het lager voorkomendeοἱ τοιοῦτοιopτουin de protasis, waarbij het onderscheid in getal niet hindert, omdat hier niet zoozeer van één individu, als wel van allen, die in dat geval zijn, gesproken wordt.↑
416ὅταν—τε γίγνεται. Zoo deze zin niet bedorven is, dan moet hij aldus verklaard worden. De protasis loopt vanὅτανtotὠργασμένος ᾖ. Nu begint de apodosis bijτὰ ἰόντα, maar door de lengte van dien zin, ten gevolge van de aanhaling uitHomerus, wordt de aandacht van den zamenhang afgetrokken, weshalvePlatode apodosis nog eens begint, en nu met de partikelτότεinleidt. Verder zietτούτοιςen het lager voorkomendeοἱ τοιοῦτοιopτουin de protasis, waarbij het onderscheid in getal niet hindert, omdat hier niet zoozeer van één individu, als wel van allen, die in dat geval zijn, gesproken wordt.↑
417Deze aanhaling uitHomerusschijnt niet vrij van valsch vernuft, zoo zij ten minste ernstig gemeend is, en niet dienen moet, om den eenen of anderen bespottelijk te maken. Ik ben echter voor het laatste, daarPlatogeenszins zulk eenen onbepaalden eerbied voorHomerushad, zoo als onder anderen blijkt uit de Republiek, III h. IX, waar hij hem met de andere dichters uit zijnen volmaakten staat wil geweerd hebben, hetgeen wel degelijk opHomerusziet, zoo als blijken kan uit de vergelijking met hoofdst. VI. Zie ook de andere plaatsen uit deRepubliek, waarHomerusdoorPlatoberispt wordt, aangehaald doorStallbaumin den index achter zijne uitgaaf van dat werk.↑
417Deze aanhaling uitHomerusschijnt niet vrij van valsch vernuft, zoo zij ten minste ernstig gemeend is, en niet dienen moet, om den eenen of anderen bespottelijk te maken. Ik ben echter voor het laatste, daarPlatogeenszins zulk eenen onbepaalden eerbied voorHomerushad, zoo als onder anderen blijkt uit de Republiek, III h. IX, waar hij hem met de andere dichters uit zijnen volmaakten staat wil geweerd hebben, hetgeen wel degelijk opHomerusziet, zoo als blijken kan uit de vergelijking met hoofdst. VI. Zie ook de andere plaatsen uit deRepubliek, waarHomerusdoorPlatoberispt wordt, aangehaald doorStallbaumin den index achter zijne uitgaaf van dat werk.↑
418Deze uitval tegenHomerusis waarschijnlijk wederom persifflage, anders is zij bijster vreemd, daar het tochHomerusniet kan ten kwade geduid worden, dat hij aan het hart een epitheton gegeven heeft, dat zich metPlato’szinnebeeldige voorstelling niet laat rijmen.↑
418Deze uitval tegenHomerusis waarschijnlijk wederom persifflage, anders is zij bijster vreemd, daar het tochHomerusniet kan ten kwade geduid worden, dat hij aan het hart een epitheton gegeven heeft, dat zich metPlato’szinnebeeldige voorstelling niet laat rijmen.↑
419ὧν μὲν ὑγρόν. Hier begint de apodosis.↑
419ὧν μὲν ὑγρόν. Hier begint de apodosis.↑
420ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ σκληρά}ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ ὑγράIn deze zinnen is eene fout, daarσκληρὰenὑγράin het meervoud gezet zijn, als zagen zij op de afdrukken, terwijl zij in het enkelvoud moesten staan, daar zij, volgens het verband, op het was zien moeten. In zoo verre echter de indrukken,[170]die in het was gemaakt zijn, slechts eene wijziging van dat was zijn, en niet op zich zelve bestaan, is het te verdedigen, dat de epitheta, die van het was gelden, ook van die indrukken gebezigd worden.↑
420
421καλλωπιζόμενοςis eigenlijkzijn gelaat schoon te makenof voor schoon houden; vandaar zich verheffen, zich opblazen.↑
421καλλωπιζόμενοςis eigenlijkzijn gelaat schoon te makenof voor schoon houden; vandaar zich verheffen, zich opblazen.↑
422Dit geheele doorSocratesgesprokene stuk is zoo deerlijk verward van constructie, dat het schier onmogelijk is, dien chaos te ontwarren. Vooreerst staatπροθέμενον σκοπεῖνin den tusschenzin, die zich uitstrekt vanλέγωtotδοξάσαι, terwijl het in den hoofdzin te huis behoort. Verder begint na den tusschenzin eene andere constructie dan vóór denzelven, hetgeen trouwens veel voorkomt, en door sommige geleerden zelfs als sieraad in den stijl wordt aangemerkt. Daarenboven begint de zin onmiddellijk achter den tusschenzin metεἴ, hetgeen zou doen vermoeden, dat wij hier eene protasis hebben, wier apodosis nog volgen zal. Die apodosis blijft echter weg, en in plaats daarvan gaat de constructie op eene vraag over. Dit prijze wie wil en noeme het los, het komt mij voor, dat het eene al te gezochte en daardoor stijve losheid is.↑
422Dit geheele doorSocratesgesprokene stuk is zoo deerlijk verward van constructie, dat het schier onmogelijk is, dien chaos te ontwarren. Vooreerst staatπροθέμενον σκοπεῖνin den tusschenzin, die zich uitstrekt vanλέγωtotδοξάσαι, terwijl het in den hoofdzin te huis behoort. Verder begint na den tusschenzin eene andere constructie dan vóór denzelven, hetgeen trouwens veel voorkomt, en door sommige geleerden zelfs als sieraad in den stijl wordt aangemerkt. Daarenboven begint de zin onmiddellijk achter den tusschenzin metεἴ, hetgeen zou doen vermoeden, dat wij hier eene protasis hebben, wier apodosis nog volgen zal. Die apodosis blijft echter weg, en in plaats daarvan gaat de constructie op eene vraag over. Dit prijze wie wil en noeme het los, het komt mij voor, dat het eene al te gezochte en daardoor stijve losheid is.↑
423ἀνήκειwordt hier, gelijk bekend is, in de beteekenis van het perfectum gebruikt. Verder staat het óf onpersoonlijk, óf men moet als subjectὁ λόγοςin de gedachte aanvullen.↑
423ἀνήκειwordt hier, gelijk bekend is, in de beteekenis van het perfectum gebruikt. Verder staat het óf onpersoonlijk, óf men moet als subjectὁ λόγοςin de gedachte aanvullen.↑
424Hiermede wordt het vorige niet voor valsch, maar slechts voor onvolledig verklaard. Om den Theaetetus goed te begrijpen, moet men vooral letten op de geregelde ontwikkeling der redekaveling, die zich hier, op eene inderdaad voorbeeldige wijze, met trappen van het bloot zinnelijk standpunt, tot aan (niet tot op) de kennis der ideën voortbeweegt. De uiteenzetting hiervan zal eerstaanhet einde des werks geleverd worden, opdat de lezer behoorlijk voorbereid zij, om zelf te oordeelen, en over de juistheid of onjuistheid van onze opvatting vonnis te vellen.↑
424Hiermede wordt het vorige niet voor valsch, maar slechts voor onvolledig verklaard. Om den Theaetetus goed te begrijpen, moet men vooral letten op de geregelde ontwikkeling der redekaveling, die zich hier, op eene inderdaad voorbeeldige wijze, met trappen van het bloot zinnelijk standpunt, tot aan (niet tot op) de kennis der ideën voortbeweegt. De uiteenzetting hiervan zal eerstaanhet einde des werks geleverd worden, opdat de lezer behoorlijk voorbereid zij, om zelf te oordeelen, en over de juistheid of onjuistheid van onze opvatting vonnis te vellen.↑
425Woordelijk: in de gedachten zelve, dat is in de gedachten, zoo als zij op zich zelve zijn, zonder dat zij in verband tot de zinnelijke waarneming gebragt worden.↑
425Woordelijk: in de gedachten zelve, dat is in de gedachten, zoo als zij op zich zelve zijn, zonder dat zij in verband tot de zinnelijke waarneming gebragt worden.↑
426Ἐθελήσαντες.Buttmannheeft teregt aangetoond, datἐθέλωhet denkbeeld vanvoornemen,trachteninsluit, dus, meer dan het blootewenschen(βούλομαι) te kennen geeft.↑
426Ἐθελήσαντες.Buttmannheeft teregt aangetoond, datἐθέλωhet denkbeeld vanvoornemen,trachteninsluit, dus, meer dan het blootewenschen(βούλομαι) te kennen geeft.↑
427Ἔπειταwordt vaak bij eene gevolgtrekking gebezigd, waarbij waarschijnlijk de redenering ten grondslag ligt:post hoc, ergo propter hoc.↑
427Ἔπειταwordt vaak bij eene gevolgtrekking gebezigd, waarbij waarschijnlijk de redenering ten grondslag ligt:post hoc, ergo propter hoc.↑
428Hierin ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat men eenige kennis moet hebben, om in kennis te kunnen toenemen. Om naar iets te kunnen zoeken, moet althans eenig besef daarvan bij ons aanwezig zijn. ZieOpklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 104.↑
428Hierin ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat men eenige kennis moet hebben, om in kennis te kunnen toenemen. Om naar iets te kunnen zoeken, moet althans eenig besef daarvan bij ons aanwezig zijn. ZieOpklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 104.↑
429εἰ μέντοι ἦν ἀντιλογικός. Dit is eene protasis zonder apodosis. De apodosis heb ik er voor de duidelijkheid bijgevoegd. Men kan dezelve aanvullen uit hetgeen volgt achter de woordenοἷος ἀνὴρ—παρῆν, of door het tegengestelde aan te nemen vanοὐδένα—εἰμί, zoo als naar den zin in de vertaling geschied is.↑
429εἰ μέντοι ἦν ἀντιλογικός. Dit is eene protasis zonder apodosis. De apodosis heb ik er voor de duidelijkheid bijgevoegd. Men kan dezelve aanvullen uit hetgeen volgt achter de woordenοἷος ἀνὴρ—παρῆν, of door het tegengestelde aan te nemen vanοὐδένα—εἰμί, zoo als naar den zin in de vertaling geschied is.↑
430Hier wordt waarschijnlijk op eene toen ter tijde verdedigde wijsgeerige meening gedoeld. Welke die echter is, waag ik niet te beslissen. Overigens ziet ieder ligt,[176]dat zulk eene bepaling, ook zonder eigenlijk te weten, wat kennis is, gemakkelijk kan gegeven worden. Misschien is de verontschuldiging vanSocrates, voordat hij deze bepaling geeft, eigenlijk eene bespotting van hen, die door zulk eene bepaling heel wat meenden gewonnen te hebben. Men kan echter ook alles uit den gang der redekaveling verklaren.↑
430Hier wordt waarschijnlijk op eene toen ter tijde verdedigde wijsgeerige meening gedoeld. Welke die echter is, waag ik niet te beslissen. Overigens ziet ieder ligt,[176]dat zulk eene bepaling, ook zonder eigenlijk te weten, wat kennis is, gemakkelijk kan gegeven worden. Misschien is de verontschuldiging vanSocrates, voordat hij deze bepaling geeft, eigenlijk eene bespotting van hen, die door zulk eene bepaling heel wat meenden gewonnen te hebben. Men kan echter ook alles uit den gang der redekaveling verklaren.↑
431Men denke hier aan de eigenaardige kracht van het woordἔχειν, dat zoowelhebbenalsvasthoudenbeteekenen kan. Daar dit bezwaarlijk met één woord in het Hollandsch is uit te drukken, moeten wij onze lezers verzoeken, bij het woordhebbentevens het begrip vanvasthoudenmede te denken.↑
431Men denke hier aan de eigenaardige kracht van het woordἔχειν, dat zoowelhebbenalsvasthoudenbeteekenen kan. Daar dit bezwaarlijk met één woord in het Hollandsch is uit te drukken, moeten wij onze lezers verzoeken, bij het woordhebbentevens het begrip vanvasthoudenmede te denken.↑
432De constructie isὍραδὴ καὶ εἰδυνατόνἐστι οὕτω κεκτημένον ἐπιστήμην μὴ ἔχειν. Hetgeen hier volgt, is even[177]als het stuk was, slechts een zinnebeeld, en wordt hier gebezigd om aan te duiden, dat dikwijls begrippenpotentiain den geest bestaan, zonderactuvoor het bewustzijn te komen, zoodat de geest soms slechts ten halve heer zijner eigene bezittingen is.↑
432De constructie isὍραδὴ καὶ εἰδυνατόνἐστι οὕτω κεκτημένον ἐπιστήμην μὴ ἔχειν. Hetgeen hier volgt, is even[177]als het stuk was, slechts een zinnebeeld, en wordt hier gebezigd om aan te duiden, dat dikwijls begrippenpotentiain den geest bestaan, zonderactuvoor het bewustzijn te komen, zoodat de geest soms slechts ten halve heer zijner eigene bezittingen is.↑
433πάλινheb ik doorintegendeelvertaald, niet omdat het ooit die beteekenis heeft, maar omdat, bij hetwederommaken van zulk eene figuur in de ziel, eene andere, aan de vorige tegengestelde figuur is voor den dag gekomen.↑
433πάλινheb ik doorintegendeelvertaald, niet omdat het ooit die beteekenis heeft, maar omdat, bij hetwederommaken van zulk eene figuur in de ziel, eene andere, aan de vorige tegengestelde figuur is voor den dag gekomen.↑
434τέχνηbeteekent meer dan hetgeen wij gewoonlijk door kunst verstaan, daar er niet alleen het denkbeeld van geschiktheid in het uitvoeren, maar ook wel degelijk theoretische kennis door wordt uitgedrukt, welk laatste bij ons door het woordwetenschapwordt te kennen gegeven. Overigens beschouw ikἀριθμητικὴνenτέχνηνals dubbelen accusativus bijλέγεις. Wij zouden het kunnen vertalen: Gij geeft immers aan eene zekere kunst den naam van rekenkunst. Dit zou echter, hoewel woordelijker, den zin niet zoo goed uitdrukken als mijne meer vrije vertaling, daar hier niet van het al of niet geven der benaming, maar van het al of niet gepaste van het gekozen voorbeeld gesproken wordt.↑
434τέχνηbeteekent meer dan hetgeen wij gewoonlijk door kunst verstaan, daar er niet alleen het denkbeeld van geschiktheid in het uitvoeren, maar ook wel degelijk theoretische kennis door wordt uitgedrukt, welk laatste bij ons door het woordwetenschapwordt te kennen gegeven. Overigens beschouw ikἀριθμητικὴνenτέχνηνals dubbelen accusativus bijλέγεις. Wij zouden het kunnen vertalen: Gij geeft immers aan eene zekere kunst den naam van rekenkunst. Dit zou echter, hoewel woordelijker, den zin niet zoo goed uitdrukken als mijne meer vrije vertaling, daar hier niet van het al of niet geven der benaming, maar van het al of niet gepaste van het gekozen voorbeeld gesproken wordt.↑
435ταύτῃ—ὁ παραδιδούς. Uitὁ παραδιδούςachterπαραδίδωσινblijkt, dat men achterὑποχειρίους ἔχειin de gedachteὁ ἔχωνmoet aanvullen, zooals in de vertaling geschied is.↑
435ταύτῃ—ὁ παραδιδούς. Uitὁ παραδιδούςachterπαραδίδωσινblijkt, dat men achterὑποχειρίους ἔχειin de gedachteὁ ἔχωνmoet aanvullen, zooals in de vertaling geschied is.↑
436καλοῦμενis hier minder juist, daar dit werkwoord ófπαραδιδόντα μὲν διδάσκοντα, enπαραλαμβάνοντα δὲ μανθάνοντα, enἔχοντα δὲ—ἐπιστάμενον; ófπαραδιδόναι μὲν διδάσκειν, enπαραλαμβάνειν δὲ μανθάνειν, enἔχειν δὲ κεκτῆσθαιzou doen verwachten.↑
436καλοῦμενis hier minder juist, daar dit werkwoord ófπαραδιδόντα μὲν διδάσκοντα, enπαραλαμβάνοντα δὲ μανθάνοντα, enἔχοντα δὲ—ἐπιστάμενον; ófπαραδιδόναι μὲν διδάσκειν, enπαραλαμβάνειν δὲ μανθάνειν, enἔχειν δὲ κεκτῆσθαιzou doen verwachten.↑
437Ἦ οὖν—ἀριθμόν. Deze zin is bedorven. Het beste komt mij nog de lezing vanStallbaumvoor, die aldus leest:ἢ αὐτὸ πρὸς αὑτὸνἢἄλλο τι τῶν ἔξω.—Hier worden dan de getallen zelve, waarvan hij de begrippen in zijne ziel heeft, onderscheiden van de empirisch gegevene getallen, die in de uitwendige dingen worden aangetroffen.↑
437Ἦ οὖν—ἀριθμόν. Deze zin is bedorven. Het beste komt mij nog de lezing vanStallbaumvoor, die aldus leest:ἢ αὐτὸ πρὸς αὑτὸνἢἄλλο τι τῶν ἔξω.—Hier worden dan de getallen zelve, waarvan hij de begrippen in zijne ziel heeft, onderscheiden van de empirisch gegevene getallen, die in de uitwendige dingen worden aangetroffen.↑
438ἀκούεις γάρ—ἀμφισβητήσεις. Dit kan opgevat worden als eene aanduiding, dat het hier gezegde aan eene toen bekende wijsgeerige school ontleend is. Men kan het echter ook in het algemeen van dergelijke soort van vraagstukken opvatten, gelijk ik in de vertaling gedaan heb, daar het mij voorkomt, dat, hoe vaakPlatoook op anderen zinspeelt, echter niet die zinspelingen, maar de geregelde ontwikkeling der redekaveling het punt is, dat hier vooral opmerking verdient, en er ook in den tekst nietταύτας, maarτοιαύταςgelezen wordt.↑
438ἀκούεις γάρ—ἀμφισβητήσεις. Dit kan opgevat worden als eene aanduiding, dat het hier gezegde aan eene toen bekende wijsgeerige school ontleend is. Men kan het echter ook in het algemeen van dergelijke soort van vraagstukken opvatten, gelijk ik in de vertaling gedaan heb, daar het mij voorkomt, dat, hoe vaakPlatoook op anderen zinspeelt, echter niet die zinspelingen, maar de geregelde ontwikkeling der redekaveling het punt is, dat hier vooral opmerking verdient, en er ook in den tekst nietταύτας, maarτοιαύταςgelezen wordt.↑
439Woordelijk: maar voor zijn denkvermogen niet voor de hand had.↑
439Woordelijk: maar voor zijn denkvermogen niet voor de hand had.↑
440ἤ τι ἀναγνωσόμενος ὁ γραμματικός. Dit tweede voorbeeld is minder juist. Voor ik het echter bespreek, moet ik doen opmerken, datγραμματικόςniet een grammaticus, een’ taalkenner, maar een’ schoolmeester, die lezen en schrijven onderwijst, beteekent. Zoo nu zoodanig iemand iets gaat lezen, dan is hij niet in het geval, dat hij hetgeen hij weet, bij zich zelven door nadenken moet voor den dag halen, daar hier niet de inwendige ontwikkeling der denkbeelden, zooals bij den rekenkundige, maar het toepassen van hetgeen men weet, op de werkelijkheid, in aanmerking komt. Daarom is dit voorbeeld niet volkomen juist, en heb ik de vrijheid genomen het eenigzins te veranderen.↑
440ἤ τι ἀναγνωσόμενος ὁ γραμματικός. Dit tweede voorbeeld is minder juist. Voor ik het echter bespreek, moet ik doen opmerken, datγραμματικόςniet een grammaticus, een’ taalkenner, maar een’ schoolmeester, die lezen en schrijven onderwijst, beteekent. Zoo nu zoodanig iemand iets gaat lezen, dan is hij niet in het geval, dat hij hetgeen hij weet, bij zich zelven door nadenken moet voor den dag halen, daar hier niet de inwendige ontwikkeling der denkbeelden, zooals bij den rekenkundige, maar het toepassen van hetgeen men weet, op de werkelijkheid, in aanmerking komt. Daarom is dit voorbeeld niet volkomen juist, en heb ik de vrijheid genomen het eenigzins te veranderen.↑
441πάλιν ἔρχεταιμαθησόμενος. πάλινhoort bijμαθησόμενος.↑
441πάλιν ἔρχεταιμαθησόμενος. πάλινhoort bijμαθησόμενος.↑
442μὴ γὰρ ἔχειν τὴν ἐπιστήμην τούτου οἷόν τε. De constructie is:οἷόν τε γὰρ ἔχειν μὴ τὴν ἐπιστήμην τούτου.↑
442μὴ γὰρ ἔχειν τὴν ἐπιστήμην τούτου οἷόν τε. De constructie is:οἷόν τε γὰρ ἔχειν μὴ τὴν ἐπιστήμην τούτου.↑
443ὅταν—διαπετομένων. Ik geloof, dat deze plaats bezwaarlijk te redden is, tenzij men leze:ὅταν θηρεύων τὴν αὐτοῦ(ofἀπ’ αὐτοῦ, zoo men wil)ἐπιστήμηνδιαπετομένην.↑
443ὅταν—διαπετομένων. Ik geloof, dat deze plaats bezwaarlijk te redden is, tenzij men leze:ὅταν θηρεύων τὴν αὐτοῦ(ofἀπ’ αὐτοῦ, zoo men wil)ἐπιστήμηνδιαπετομένην.↑
444Het begrip.↑
444Het begrip.↑
445εἴπερ—ποιήσει. Dit laatste staat eenigzins pleonastisch, daar hetzelfde begrip reeds doorἐκ γὰρ τούτου τοῦ λόγουis uitgedrukt.↑
445εἴπερ—ποιήσει. Dit laatste staat eenigzins pleonastisch, daar hetzelfde begrip reeds doorἐκ γὰρ τούτου τοῦ λόγουis uitgedrukt.↑
446Door deze en dergelijke tusschenvoegingen, moeten, gelijk reeds boven gezegd is, de partikelsγὰρ, ἀλλὰenz., die bijPlatozoo vaak in het begin van eenen geheel nieuwen zin voorkomen, verklaard worden.↑
446Door deze en dergelijke tusschenvoegingen, moeten, gelijk reeds boven gezegd is, de partikelsγὰρ, ἀλλὰenz., die bijPlatozoo vaak in het begin van eenen geheel nieuwen zin voorkomen, verklaard worden.↑
447ἀνεπιστημοσύνη. Dit woord is waarschijnlijk doorPlatogemaakt, hetgeen hem evenmin alsAristoteleseuvel geduid wordt, hoewel er bij nieuwere wijsgeeren jammerkreten over worden aangeheven. Misschien echter kan het hen, die zich daaraan ergeren, geruststellen, wanneer zij hooren, dat het maken van nieuwe woorden echt klassiek is, en datPlatoenAristotelesons daarin zijn voorgegaan.Krause, zoo ik dien nog mag aanhalen, zegt van den laatsten: „Ueberhaupt hatAristotelesdie Griechische Sprache für die Wissenschaft mit einer Freiheit behandelt und ausgebildet, von welcher bisjetzt für die Deutsche Sprache noch kein Philosoph ein Beispiel gegeben hat, so unerläslich diess für die Darstellung der weiter und tiefer ausgebildeten Wissenschaft gefordert wird.—Diese Eigenthümlichkeit der Sprache mag wohl auch den Lehrsysteme desAristotelesbei[184]seinen Zeitgenossen den Eingang erschwert haben. Aber er arbeitete für die Wissenschaft selbst und für die Nachwelt.”Grundwahrheiten, XIV. Wissenschaftgeschichte, p. 280.↑
447ἀνεπιστημοσύνη. Dit woord is waarschijnlijk doorPlatogemaakt, hetgeen hem evenmin alsAristoteleseuvel geduid wordt, hoewel er bij nieuwere wijsgeeren jammerkreten over worden aangeheven. Misschien echter kan het hen, die zich daaraan ergeren, geruststellen, wanneer zij hooren, dat het maken van nieuwe woorden echt klassiek is, en datPlatoenAristotelesons daarin zijn voorgegaan.Krause, zoo ik dien nog mag aanhalen, zegt van den laatsten: „Ueberhaupt hatAristotelesdie Griechische Sprache für die Wissenschaft mit einer Freiheit behandelt und ausgebildet, von welcher bisjetzt für die Deutsche Sprache noch kein Philosoph ein Beispiel gegeben hat, so unerläslich diess für die Darstellung der weiter und tiefer ausgebildeten Wissenschaft gefordert wird.—Diese Eigenthümlichkeit der Sprache mag wohl auch den Lehrsysteme desAristotelesbei[184]seinen Zeitgenossen den Eingang erschwert haben. Aber er arbeitete für die Wissenschaft selbst und für die Nachwelt.”Grundwahrheiten, XIV. Wissenschaftgeschichte, p. 280.↑
448τὸis hier het aanwijzend voornaamwoord, en staat in het onzijdige, hoewel het opψευδῆ δόξανziet, volgens de eigenaardigheid der Grieksche taal, dat, zoo het bijvoegelijke naamwoord van zijn zelfstandig verwijderd is, het dikwijls in het onzijdige geslacht staat, daar dan hetgeen waar het op ziet, eenvoudig als een ding, als iets beschouwd wordt. ZieButtm., Gr. Gr. § 129. 6.↑
448τὸis hier het aanwijzend voornaamwoord, en staat in het onzijdige, hoewel het opψευδῆ δόξανziet, volgens de eigenaardigheid der Grieksche taal, dat, zoo het bijvoegelijke naamwoord van zijn zelfstandig verwijderd is, het dikwijls in het onzijdige geslacht staat, daar dan hetgeen waar het op ziet, eenvoudig als een ding, als iets beschouwd wordt. ZieButtm., Gr. Gr. § 129. 6.↑
449Hier ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat het ontkennende niet op zich zelf bestaat, maar alleen aan het stellige gevonden wordt. ZieAristoteles, Anal. post. 1. XXV. 5.↑
449Hier ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat het ontkennende niet op zich zelf bestaat, maar alleen aan het stellige gevonden wordt. ZieAristoteles, Anal. post. 1. XXV. 5.↑
450Theaetetusis bevreesd geworden, om iets stellig en onbepaald toe te stemmen. Hier ligt het denkbeeld ten grondslag, dat iets op een bepaald standpunt waar kan wezen, zonder daarom eens voor altijd geldig te zijn. Zijn[186]de praemissen eenzijdig, dan is het ook de daaruit getrokkene gevolgtrekking, en wel te meer, naarmate die gevolgtrekking met meer juistheid gemaakt is.↑
450Theaetetusis bevreesd geworden, om iets stellig en onbepaald toe te stemmen. Hier ligt het denkbeeld ten grondslag, dat iets op een bepaald standpunt waar kan wezen, zonder daarom eens voor altijd geldig te zijn. Zijn[186]de praemissen eenzijdig, dan is het ook de daaruit getrokkene gevolgtrekking, en wel te meer, naarmate die gevolgtrekking met meer juistheid gemaakt is.↑
451ἀπεροῦμενbeteekent eigenlijk: óf wij zullen het afslaan, zeggen, dat wij het niet willen hebben, laten loopen; óf wij zullen uitspreken, onzen voorraad van denkbeelden uitputten en daarom moeten ophouden. Beiden komen hier op hetzelfde neêr.↑
451ἀπεροῦμενbeteekent eigenlijk: óf wij zullen het afslaan, zeggen, dat wij het niet willen hebben, laten loopen; óf wij zullen uitspreken, onzen voorraad van denkbeelden uitputten en daarom moeten ophouden. Beiden komen hier op hetzelfde neêr.↑
452Ὁ τὸν ποταμὸν καθηγούμενος. De accusativusτὸν ποταμὸνmoet waarschijnlijk verklaard worden uit de propositieκατὰinκαθηγούμενος. Het is als stond er:ὁἡγούμενοςκατὰ τὸν ποταμὸν. Overigens is te regt doorStallbaumaangemerkt, dat hier gedoeld wordt op het een of ander volkssprookje. Dergelijke aardigheden worden bloot tot verlevendiging van den stijl doorPlatoer in gevlochten.↑
452Ὁ τὸν ποταμὸν καθηγούμενος. De accusativusτὸν ποταμὸνmoet waarschijnlijk verklaard worden uit de propositieκατὰinκαθηγούμενος. Het is als stond er:ὁἡγούμενοςκατὰ τὸν ποταμὸν. Overigens is te regt doorStallbaumaangemerkt, dat hier gedoeld wordt op het een of ander volkssprookje. Dergelijke aardigheden worden bloot tot verlevendiging van den stijl doorPlatoer in gevlochten.↑
453ὥστε—ἀλήθειαν. In dezen zin heeftStallbaumτούτοιςin plaats van het gewoneτούτουςgeschreven. Ik geef aanτούτουςde voorkeur en verklaar het dan aldus:τούτουςziet opτινεςen is het object vanδιδάξαι;τῶν γενομένωνziet opοἷς—ἀποστερουμένοις—ἢ—βιαζομένοις. De constructie is bijτουτούςveranderd, even als ofτουτούςhet antecedens vanοἷςwas. Overigens is het duidelijk, dat doorπρὸςὕδωρ σμικρὸνhet wateruurwerk wordt aangeduid, waarmede de tijd werd gemeten, die voor elke pleitrede was toegestaan.↑
453ὥστε—ἀλήθειαν. In dezen zin heeftStallbaumτούτοιςin plaats van het gewoneτούτουςgeschreven. Ik geef aanτούτουςde voorkeur en verklaar het dan aldus:τούτουςziet opτινεςen is het object vanδιδάξαι;τῶν γενομένωνziet opοἷς—ἀποστερουμένοις—ἢ—βιαζομένοις. De constructie is bijτουτούςveranderd, even als ofτουτούςhet antecedens vanοἷςwas. Overigens is het duidelijk, dat doorπρὸςὕδωρ σμικρὸνhet wateruurwerk wordt aangeduid, waarmede de tijd werd gemeten, die voor elke pleitrede was toegestaan.↑
454Het schijnt, dat bij de processen teAthene, nadat de voorbereidende werkzaamheden verrigt waren, de geheele zaak op éénen dag werd bepleit en beslist; en het is bekend, dat bij dit bepleiten gewoonlijk het gevoel der regters ruim zooveel als hun verstand door de partijen werd bewerkt. ZieSchoemann,Antiquitates Juris Publici Graecorum, V. § LVIII.↑
454Het schijnt, dat bij de processen teAthene, nadat de voorbereidende werkzaamheden verrigt waren, de geheele zaak op éénen dag werd bepleit en beslist; en het is bekend, dat bij dit bepleiten gewoonlijk het gevoel der regters ruim zooveel als hun verstand door de partijen werd bewerkt. ZieSchoemann,Antiquitates Juris Publici Graecorum, V. § LVIII.↑
455νῦν—εἶναι. Dit laatste is eene gevolgtrekking uit het vorige, die door behulp van een hypothetisch syllogisme gemaakt is. ZieNieuwenhuis.Initia Philosophiae logicae§ 99.↑
455νῦν—εἶναι. Dit laatste is eene gevolgtrekking uit het vorige, die door behulp van een hypothetisch syllogisme gemaakt is. ZieNieuwenhuis.Initia Philosophiae logicae§ 99.↑
456ὅγε νῦνδ’ ἐννοῶ. Ik geloof, datνῦνmoet uitgeworpen worden, daarὅeigenlijk ziet op het verzwegene object vanἐννοῶ. Het is echter welligt te redden door den zin aldus aan te vullen: [ik zal u iets zeggen]ὅγε ἐγώ κ. τ. λ.↑
456ὅγε νῦνδ’ ἐννοῶ. Ik geloof, datνῦνmoet uitgeworpen worden, daarὅeigenlijk ziet op het verzwegene object vanἐννοῶ. Het is echter welligt te redden door den zin aldus aan te vullen: [ik zal u iets zeggen]ὅγε ἐγώ κ. τ. λ.↑
457οὑτωσὶ καὶ ὀνομάζων. De woordenἐπιστητὸςenοὐκ ἐπιστητὸςschijnen inPlato’stijd nieuw geweest te zijn, en daarom aan eenen ongenoemden te worden toegeschreven, daarPlatoze niet op zijn eigen naam wilde invoeren.↑
457οὑτωσὶ καὶ ὀνομάζων. De woordenἐπιστητὸςenοὐκ ἐπιστητὸςschijnen inPlato’stijd nieuw geweest te zijn, en daarom aan eenen ongenoemden te worden toegeschreven, daarPlatoze niet op zijn eigen naam wilde invoeren.↑
458εἰ ἐξευρήσω. Hier verraadtPlatozich zelven, en laat zien, dat die voorgewende persoon niemand anders is danTheaetetus, dat is, danPlatozelf. Ik heb de vrijheid genomen, in de vertaling de waarschijnlijkheid der fictie wat meer te bewaren.↑
458εἰ ἐξευρήσω. Hier verraadtPlatozich zelven, en laat zien, dat die voorgewende persoon niemand anders is danTheaetetus, dat is, danPlatozelf. Ik heb de vrijheid genomen, in de vertaling de waarschijnlijkheid der fictie wat meer te bewaren.↑
459ἐπεὶstaat hier in denzelfden zin alsἔπειτα. ZieAristotelesde Anima II. II. 13.↑
459ἐπεὶstaat hier in denzelfden zin alsἔπειτα. ZieAristotelesde Anima II. II. 13.↑
460λόγον. Het woordλόγοςis een kruis voor hem, diePlatoin eene andere taal wil overbrengen, daar het schier onmogelijk is er ééne uitdrukking voor te vinden.[190]Het is omtrent even rekbaar als het latijnscheratio. De zin, waarin het hier en in het vervolg voorkomt, wordt nog het best doorbepalinguitgedrukt.↑
460λόγον. Het woordλόγοςis een kruis voor hem, diePlatoin eene andere taal wil overbrengen, daar het schier onmogelijk is er ééne uitdrukking voor te vinden.[190]Het is omtrent even rekbaar als het latijnscheratio. De zin, waarin het hier en in het vervolg voorkomt, wordt nog het best doorbepalinguitgedrukt.↑