461περὶ τούτονziet hier op het bijδοῦναι τε καὶ δέξασθαι λόγονuitgelateneπερὶ τινὸς.↑462κομιδῇbeteekent eigenlijkmet zorg. Daar nu een denkbeeld, dat met zorg overwogen is, met vertrouwen[191]kan uitgesproken worden, is aan dit woord de beteekenis vanvoorzeker,stellig,ongetwijfeldgegeven; en deze is, zoo als het dikwijls gaat, onafhankelijk van de oorspronkelijke beteekenis, in gebruik gebleven.↑463τὰ τῶν γραμμάτων στοιχεῖα τε καὶ συλλαβάς. In het Grieksch is hier eene dubbelzinnigheid, die in onze taal niet is weer te geven;στοιχεῖονbeteekentgrondbestanddeel, en tevensletter,συλλαβὴbeteekentverbinding, en tevenslettergreep. Het is ligt in te zien, dat deze dubbelzinnigheid aan den grondtekst eene gemakkelijkheid geeft, die de vertaling moet missen.↑464τὰ ἑπτὰheb ik doorde vijfvertaald, omdat hier duidelijk de klinkers bedoeld worden, maar wij slechts vijf klinkers hebben, en niet zeven, zoo als de Grieken. Overigens is het opmerkelijk, dat hier het meeste gewigt aan de klinkers gehecht wordt, terwijl toch de oorspronkelijke kracht der woorden veel meer in de medeklinkers dan in de klinkers schijnt te huisvesten, zooals vooral in de Oostersche talen blijkt. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 31.↑465Dat is: wanneer wij tot 6 tellen en dan alleen die 6 vasthouden, daar de vorige getallen slechts dienden om tot 6 te komen. Zoo men het anders opvat, is al wat hier staat onzin, daar 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 = 21 is en dus eene geheel andere uitkomst dan het volgende geeft.↑466τὰ πάντα. Ik heb hierτὸ πᾶνgenomen, hoewel ik geloof, dat de fout niet hier, maar in het vorige schuilt; omdat het veel gemakkelijker is, hier voorτὰ πάντα τὸ πᾶνte lezen, dan uit de woordenοὐκοῦν—εἰρήκαμενde ware lezing op te maken. ZieStallbaumsaanmerking.↑467Dit toevoegsel is noodig, daar de getallen hier eigenlijk eene uitzondering maken, omdat een getal een afgetrokken begrip is, dat alleen de hoeveelheid aanduidt.↑468ὁ πᾶς ἀριθμὸς. Het is hinderlijk bij het vertalen dezer plaats, dat wij geen twee bijvoegelijke naamwoorden hebben, die metπᾶςenὅλοςovereenkomen.ὁ πᾶς ἀριθμὸςkan wel overgezet worden:het geheele getal, maar dan stuit men op het vervolg, daar hetgeheeleerst in de conclusie voorkomt.↑469Deze redenering gaat van de overeenkomst in negatieve kenmerken uit, doch kan juist daardoor niets tot stand brengen. (Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 177–179.Nieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, p. 210. VI.) Het geheel en het al verschillen dan ook wel degelijk. Onwillekeurig denkt men hier aan de geestige woorden vanGoethe:Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben,Sucht erst den Geist heraus zu treiben,Dann hat er die Theile in seiner Hand,Fehlt leider! nur das geistige Band.Encheiresin naturae nent’s die Chemie;Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.Zoo is, in het doorPlatogebezigde voorbeeld van een leger, het al en het geheel geenszins hetzelfde, want de wezenheid van het leger bestaat niet bloot in de voltalligheid, maar wel degelijk vooral in de orde, waarin de deelen verbonden zijn. Of was niet de Macedonische phalanx oneindig sterker, dan hetzelfde of een grooter aantal soldaten, zonder orde bijeengevoegd? En nu spreken wij nog niet eens van het onderscheid tusschen éénheid, verscheidenheid en harmonie, waarbij het geheel, als éénheid, wel degelijk van het al, als harmonie, onderscheiden wordt. (ZieOpzoomer, De leer van God bijSchelling,HegelenKrause. I. blz. 47. volgg.)↑470Hier wordt het onmiddelijk voorgaande eenigzins beperkt, en als zoodanig is het waar. De negatieve kenmerken[198]worden hier van den positieven kant genomen, en geven alzoo eene werkelijke overeenstemming van het geheel en het al, daarin bestaande, dat beiden al de deelen omvatten. Zoo men ze nu alleen in zooverre voor hetzelfde houdt, en over hunne verdere betrekking geen oordeel velt, dan kan deze redenering worden goedgekeurd, anders niet.↑471Platomaakt zich in deze geheele redekaveling schuldig aan een voor den lezer allervermoeijendst door elkander en in verschillende beteekenissen gebruiken van de woordenἰδέαenεἶδος. Zie p. 203. C. E. p. 204. A. p. 205. D.↑472οὐδὲ τοῦτο.Stallbaumwil hierοὐδὲ τοιοῦτονlezen. Dit komt mij onnoodig voor, daar hier eenvoudig een paar der boven uitgeslotene praedicaten wordt opgenoemd, terwijl het aan den lezer wordt overgelaten, de overigen er bij te denken.↑473μονοειδὴςenμία ἰδέαheb ik doorenkelvoudigvertaald, daar er eigenlijk datgene door bedoeld wordt, welks begrip evenmin uit andere begrippen is zamengesteld, als het zelf uit verschillende deelen bestaat. Hierbij ging ik van het zoo vaak verwaarloosde beginsel uit, dat bij juiste bepalingen en redeneringen de begrippen op dezelfde wijs moeten verbonden worden, als de zaken verbonden zijn, die door dezelve worden uitgedrukt, en dat men dus b. v. den grond van een begripaslechts dan in een begripbkan vinden, wanneer de zaak, die doorawordt uitgedrukt, gegrond is in de zaak, die doorbwordt uitgedrukt. Ik spreek hier natuurlijk niet van subjectieve gronden van overtuiging, daar depsychologische[200]aanleiding, waardoor iemand tot deze of die denkwijze komt, dikwijls niets te maken heeft met het begrip, waarin het door hem aangenomen begrip gegrond is. Zie hoofdst. XXXVIII.↑474ῥηταὶheb ik doorbepaalbaarvertaald, omdat het duidelijk tegenἄλογονin de volgende woorden vanSocratesoverstaat, en ik dat het best dooronbepaalbaarmeen te kunnen overzetten.↑475μανθάνων. Er staat eigenlijk:niets anders geleerd hebt, doch zoo dit in de vertaling wordt opgenomen, kanπειρώμενοςniet overgezet worden, daar de uitdrukking eigenlijk onjuist is. Immers leerde hij niet het trachten, maar dat trachten was zelf het leeren.↑476κυριωτέραν. Κύριοςbeteekent ongeveer hetzelfde als ons woordvoornáám, hetgeen ook wel in de beteekenis van gewigtig kan gebruikt worden.↑477τελεωτάτην. Dit woord is van veel belang. Dat ware meening een der bestanddeelen van de kennis is, al gaat zij er dan ook nietgeheelin op, wildePlatogeenszins ontkennen. Wij zullen in de ontwikkeling der redekaveling hierop terugkomen, en nu alleen opmerken, datPlatohet overige niet vooronwaar, maar alleen vooronvolledighoudt.↑478τὸν λόγον.Stallbaum, heeft te regt aangemerkt, dat het lidwoordτὸνhier onverklaarbaar is, en voorgeslagenτὸ λόγος(het woordλόγος) te lezen. Ik hecht er mijn zegel aan, maar zouλόγονliever onveranderd laten, omdat het in het onmiddelijk vorige ook in den accusativus staat, en deze accusativus de reden zijn kan, waaromτὸdoor eenen afschrijver inτὸνveranderd is.↑479λέγειν. Daarλόγοςvanλέγεινis afgeleid, is het verband in het Grieksch duidelijk, maar is in het Hollandsch moeijelijk weêr te geven, tenzij menλέγω, zoo als ik gedaan heb, in eene ongewone beteekenis neme, die echter door het verband wordt gevorderd. Onze vertaling[203]laat zich ook verdedigen door de opmerking, dat het onder woorden brengen der denkbeelden eerst mogelijk is, wanneer zij eenen genoegzamen graad van helderheid bekomen hebben.↑480De meening van deze wat kort uitgedrukte tegenwerping is, dat deze bepaling van de kennis te ruim is genomen, daar men hetzelfde van alle ware, ja van alle valsche meening zeggen kan. ZieNieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, § 140. 2. 1.↑481Οἷον—εἰπεῖν. Om dezen zin te verklaren, moeten wij onze toevlugt nemen tot de ook in het Latijn zeer gewone constructie van het relativum in plaats van het voegwoord met het demonstrativum. Zet menκαὶ τοιοῦτονin plaats vanοἷον, dan is alles duidelijk, mits men dan de voornaamwoordenτιναenτινοςonbepaald, niet vragend neme.↑482Het is te bejammeren, datPlatoenAristotelesde theorie der Pythagoristen aangaande de beweging der[207]aarde verworpen hebben, daar, zoo vooral de laatste die leer omhelsd had, het stelsel vanCopernicusvele eeuwen vroeger door het beschaafdeEuropazou aangenomen zijn. Zie v.Humboldt, Kosmos, Hollandsche vertaling, blz. 382 (18), waar ditzelfde ten opzigte der kometen wordt opgemerkt.↑483Dit laat zich het best ophelderen door de volgende plaats uit den Sophist, p. 235–236:Gastvriend uit Elea.Volgens de daareven gebezigde wijs van verdeelen, geloof ik ook nu twee soorten van de nabootsende kunst te zien.—Theaetetus.Zeg ons dan maar eerst, welke die twee soorten zijn.G.Vooreerst zie ik daarin de afbeeldende kunst. Deze wordt voornamelijk uitgeoefend, wanneer men naar de verhouding van de afmetingen der lengte, breedte en diepte van het origineel, en daarenboven met de aan ieder deel toekomende kleuren het beeld tot stand brengt.[208]T.Maar zoeken dan niet alle beeldende kunstenaars zoo iets te doen?G.Niet zij, die groote werken beeldhouwen of schilderen. Want zoo zij de ware verhouding der afmetingen van schoone voorwerpen weergaven, dan zou het bovenste te klein en het onderste te groot schijnen, doordien het eerste van verre, het andere van nabij gezien wordt.T.Ongetwijfeld.G.Laten dus de kunstenaars niet de waarheid loopen, zoodat zij niet de ware verhoudingen uitdrukken, maar die, welke zich aan de beelden schoon zullen vertoonen?T.Ongetwijfeld.G.Maar is het nu niet behoorlijk, het eene, daar het afgebeeld is, eene beeldtenis te noemen?T.Ja.G.En het deel der nabootsende kunst, dat daarop betrekking heeft, zooals wij te voren zeiden, de afbeeldende?T.Juist.G.Maar hetgeen nu, doordien het van een goed standpunt gezien wordt, aan het schoone gelijk schijnt, doch zoo men het naauwkeurig kon bezien, volstrekt niet gelijken zou op hetgeen, waarop het heet te gelijken, hoe zullen wij dat noemen? Immers daar het wel schijnt te gelijken, maar dit toch niet doet, een schijnbedrog?T.Zekerlijk.↑484σκυτάλης ἢ ὑπέρου—περιτροπὴ. Men denke hier aan een soort van geheim schrift, daarin bestaande, dat iets op eenen reep leder of iets dergelijks zoodanig geschreven was, dat men het alleen kon lezen door dien reep om een houtje van eene bepaalde dikte te winden; of aan een doorgeknipt geschrift, waarvan men beide stukken hebben moest en die aan elkander moesten passen, om het te kunnen lezen. Zoo nu op beide stukken hetzelfde stond en zij elkander niet aanvulden, had men er natuurlijk niets aan.↑485Hetgeen hier nog ontbreekt, is de inwendige noodzakelijkheid, waardoor wij ons genoopt zien, zóó te denken en niet anders, en de algemeenheid, waardoor onze gedachten eerst waarheden worden, die op de enkele dingen van toepassing zijn. Dit is duidelijk uitgesproken doorAristoteles, die, Anal. Post. 1. XXXIII. § 1, het volgende zegt: „Het kenbare en de kennis verschilt van het meenbare en de meening daardoor, dat de kennis het algemeene omvat en door noodzakelijke [ontwikkeling] tot stand komt,—doch de meening plaats heeft ten opzigte van hetgeen waar of valsch is, maar ook anders zou kunnen zijn.” DaarPlatodit noodzakelijke en algemeene in de ideën zocht, zoo is het ligt in te zien, dat hij de ideën als het eigenlijke voorwerp der kennis beschouwde. Tot de meest klassieke plaatsen over dit onderwerp behoort voorzeker het 6eboek der Republiek.↑486Hoezeer uit het voorbeeld vanTheaetetusblijkt, datPlatoniet onbepaald op het uiterlijk afging, schijnt hij toch veel waarde aan den indruk, dien iemands voorkomen maakt, gehecht te hebben.↑487Hier zat deἌρχων βασιλεύς, om kennis te nemen van de regtszaken, die tot zijne bevoegdheid behoorden, vooral van al, wat op de godsdienst betrekking had.↑
461περὶ τούτονziet hier op het bijδοῦναι τε καὶ δέξασθαι λόγονuitgelateneπερὶ τινὸς.↑462κομιδῇbeteekent eigenlijkmet zorg. Daar nu een denkbeeld, dat met zorg overwogen is, met vertrouwen[191]kan uitgesproken worden, is aan dit woord de beteekenis vanvoorzeker,stellig,ongetwijfeldgegeven; en deze is, zoo als het dikwijls gaat, onafhankelijk van de oorspronkelijke beteekenis, in gebruik gebleven.↑463τὰ τῶν γραμμάτων στοιχεῖα τε καὶ συλλαβάς. In het Grieksch is hier eene dubbelzinnigheid, die in onze taal niet is weer te geven;στοιχεῖονbeteekentgrondbestanddeel, en tevensletter,συλλαβὴbeteekentverbinding, en tevenslettergreep. Het is ligt in te zien, dat deze dubbelzinnigheid aan den grondtekst eene gemakkelijkheid geeft, die de vertaling moet missen.↑464τὰ ἑπτὰheb ik doorde vijfvertaald, omdat hier duidelijk de klinkers bedoeld worden, maar wij slechts vijf klinkers hebben, en niet zeven, zoo als de Grieken. Overigens is het opmerkelijk, dat hier het meeste gewigt aan de klinkers gehecht wordt, terwijl toch de oorspronkelijke kracht der woorden veel meer in de medeklinkers dan in de klinkers schijnt te huisvesten, zooals vooral in de Oostersche talen blijkt. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 31.↑465Dat is: wanneer wij tot 6 tellen en dan alleen die 6 vasthouden, daar de vorige getallen slechts dienden om tot 6 te komen. Zoo men het anders opvat, is al wat hier staat onzin, daar 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 = 21 is en dus eene geheel andere uitkomst dan het volgende geeft.↑466τὰ πάντα. Ik heb hierτὸ πᾶνgenomen, hoewel ik geloof, dat de fout niet hier, maar in het vorige schuilt; omdat het veel gemakkelijker is, hier voorτὰ πάντα τὸ πᾶνte lezen, dan uit de woordenοὐκοῦν—εἰρήκαμενde ware lezing op te maken. ZieStallbaumsaanmerking.↑467Dit toevoegsel is noodig, daar de getallen hier eigenlijk eene uitzondering maken, omdat een getal een afgetrokken begrip is, dat alleen de hoeveelheid aanduidt.↑468ὁ πᾶς ἀριθμὸς. Het is hinderlijk bij het vertalen dezer plaats, dat wij geen twee bijvoegelijke naamwoorden hebben, die metπᾶςenὅλοςovereenkomen.ὁ πᾶς ἀριθμὸςkan wel overgezet worden:het geheele getal, maar dan stuit men op het vervolg, daar hetgeheeleerst in de conclusie voorkomt.↑469Deze redenering gaat van de overeenkomst in negatieve kenmerken uit, doch kan juist daardoor niets tot stand brengen. (Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 177–179.Nieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, p. 210. VI.) Het geheel en het al verschillen dan ook wel degelijk. Onwillekeurig denkt men hier aan de geestige woorden vanGoethe:Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben,Sucht erst den Geist heraus zu treiben,Dann hat er die Theile in seiner Hand,Fehlt leider! nur das geistige Band.Encheiresin naturae nent’s die Chemie;Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.Zoo is, in het doorPlatogebezigde voorbeeld van een leger, het al en het geheel geenszins hetzelfde, want de wezenheid van het leger bestaat niet bloot in de voltalligheid, maar wel degelijk vooral in de orde, waarin de deelen verbonden zijn. Of was niet de Macedonische phalanx oneindig sterker, dan hetzelfde of een grooter aantal soldaten, zonder orde bijeengevoegd? En nu spreken wij nog niet eens van het onderscheid tusschen éénheid, verscheidenheid en harmonie, waarbij het geheel, als éénheid, wel degelijk van het al, als harmonie, onderscheiden wordt. (ZieOpzoomer, De leer van God bijSchelling,HegelenKrause. I. blz. 47. volgg.)↑470Hier wordt het onmiddelijk voorgaande eenigzins beperkt, en als zoodanig is het waar. De negatieve kenmerken[198]worden hier van den positieven kant genomen, en geven alzoo eene werkelijke overeenstemming van het geheel en het al, daarin bestaande, dat beiden al de deelen omvatten. Zoo men ze nu alleen in zooverre voor hetzelfde houdt, en over hunne verdere betrekking geen oordeel velt, dan kan deze redenering worden goedgekeurd, anders niet.↑471Platomaakt zich in deze geheele redekaveling schuldig aan een voor den lezer allervermoeijendst door elkander en in verschillende beteekenissen gebruiken van de woordenἰδέαenεἶδος. Zie p. 203. C. E. p. 204. A. p. 205. D.↑472οὐδὲ τοῦτο.Stallbaumwil hierοὐδὲ τοιοῦτονlezen. Dit komt mij onnoodig voor, daar hier eenvoudig een paar der boven uitgeslotene praedicaten wordt opgenoemd, terwijl het aan den lezer wordt overgelaten, de overigen er bij te denken.↑473μονοειδὴςenμία ἰδέαheb ik doorenkelvoudigvertaald, daar er eigenlijk datgene door bedoeld wordt, welks begrip evenmin uit andere begrippen is zamengesteld, als het zelf uit verschillende deelen bestaat. Hierbij ging ik van het zoo vaak verwaarloosde beginsel uit, dat bij juiste bepalingen en redeneringen de begrippen op dezelfde wijs moeten verbonden worden, als de zaken verbonden zijn, die door dezelve worden uitgedrukt, en dat men dus b. v. den grond van een begripaslechts dan in een begripbkan vinden, wanneer de zaak, die doorawordt uitgedrukt, gegrond is in de zaak, die doorbwordt uitgedrukt. Ik spreek hier natuurlijk niet van subjectieve gronden van overtuiging, daar depsychologische[200]aanleiding, waardoor iemand tot deze of die denkwijze komt, dikwijls niets te maken heeft met het begrip, waarin het door hem aangenomen begrip gegrond is. Zie hoofdst. XXXVIII.↑474ῥηταὶheb ik doorbepaalbaarvertaald, omdat het duidelijk tegenἄλογονin de volgende woorden vanSocratesoverstaat, en ik dat het best dooronbepaalbaarmeen te kunnen overzetten.↑475μανθάνων. Er staat eigenlijk:niets anders geleerd hebt, doch zoo dit in de vertaling wordt opgenomen, kanπειρώμενοςniet overgezet worden, daar de uitdrukking eigenlijk onjuist is. Immers leerde hij niet het trachten, maar dat trachten was zelf het leeren.↑476κυριωτέραν. Κύριοςbeteekent ongeveer hetzelfde als ons woordvoornáám, hetgeen ook wel in de beteekenis van gewigtig kan gebruikt worden.↑477τελεωτάτην. Dit woord is van veel belang. Dat ware meening een der bestanddeelen van de kennis is, al gaat zij er dan ook nietgeheelin op, wildePlatogeenszins ontkennen. Wij zullen in de ontwikkeling der redekaveling hierop terugkomen, en nu alleen opmerken, datPlatohet overige niet vooronwaar, maar alleen vooronvolledighoudt.↑478τὸν λόγον.Stallbaum, heeft te regt aangemerkt, dat het lidwoordτὸνhier onverklaarbaar is, en voorgeslagenτὸ λόγος(het woordλόγος) te lezen. Ik hecht er mijn zegel aan, maar zouλόγονliever onveranderd laten, omdat het in het onmiddelijk vorige ook in den accusativus staat, en deze accusativus de reden zijn kan, waaromτὸdoor eenen afschrijver inτὸνveranderd is.↑479λέγειν. Daarλόγοςvanλέγεινis afgeleid, is het verband in het Grieksch duidelijk, maar is in het Hollandsch moeijelijk weêr te geven, tenzij menλέγω, zoo als ik gedaan heb, in eene ongewone beteekenis neme, die echter door het verband wordt gevorderd. Onze vertaling[203]laat zich ook verdedigen door de opmerking, dat het onder woorden brengen der denkbeelden eerst mogelijk is, wanneer zij eenen genoegzamen graad van helderheid bekomen hebben.↑480De meening van deze wat kort uitgedrukte tegenwerping is, dat deze bepaling van de kennis te ruim is genomen, daar men hetzelfde van alle ware, ja van alle valsche meening zeggen kan. ZieNieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, § 140. 2. 1.↑481Οἷον—εἰπεῖν. Om dezen zin te verklaren, moeten wij onze toevlugt nemen tot de ook in het Latijn zeer gewone constructie van het relativum in plaats van het voegwoord met het demonstrativum. Zet menκαὶ τοιοῦτονin plaats vanοἷον, dan is alles duidelijk, mits men dan de voornaamwoordenτιναenτινοςonbepaald, niet vragend neme.↑482Het is te bejammeren, datPlatoenAristotelesde theorie der Pythagoristen aangaande de beweging der[207]aarde verworpen hebben, daar, zoo vooral de laatste die leer omhelsd had, het stelsel vanCopernicusvele eeuwen vroeger door het beschaafdeEuropazou aangenomen zijn. Zie v.Humboldt, Kosmos, Hollandsche vertaling, blz. 382 (18), waar ditzelfde ten opzigte der kometen wordt opgemerkt.↑483Dit laat zich het best ophelderen door de volgende plaats uit den Sophist, p. 235–236:Gastvriend uit Elea.Volgens de daareven gebezigde wijs van verdeelen, geloof ik ook nu twee soorten van de nabootsende kunst te zien.—Theaetetus.Zeg ons dan maar eerst, welke die twee soorten zijn.G.Vooreerst zie ik daarin de afbeeldende kunst. Deze wordt voornamelijk uitgeoefend, wanneer men naar de verhouding van de afmetingen der lengte, breedte en diepte van het origineel, en daarenboven met de aan ieder deel toekomende kleuren het beeld tot stand brengt.[208]T.Maar zoeken dan niet alle beeldende kunstenaars zoo iets te doen?G.Niet zij, die groote werken beeldhouwen of schilderen. Want zoo zij de ware verhouding der afmetingen van schoone voorwerpen weergaven, dan zou het bovenste te klein en het onderste te groot schijnen, doordien het eerste van verre, het andere van nabij gezien wordt.T.Ongetwijfeld.G.Laten dus de kunstenaars niet de waarheid loopen, zoodat zij niet de ware verhoudingen uitdrukken, maar die, welke zich aan de beelden schoon zullen vertoonen?T.Ongetwijfeld.G.Maar is het nu niet behoorlijk, het eene, daar het afgebeeld is, eene beeldtenis te noemen?T.Ja.G.En het deel der nabootsende kunst, dat daarop betrekking heeft, zooals wij te voren zeiden, de afbeeldende?T.Juist.G.Maar hetgeen nu, doordien het van een goed standpunt gezien wordt, aan het schoone gelijk schijnt, doch zoo men het naauwkeurig kon bezien, volstrekt niet gelijken zou op hetgeen, waarop het heet te gelijken, hoe zullen wij dat noemen? Immers daar het wel schijnt te gelijken, maar dit toch niet doet, een schijnbedrog?T.Zekerlijk.↑484σκυτάλης ἢ ὑπέρου—περιτροπὴ. Men denke hier aan een soort van geheim schrift, daarin bestaande, dat iets op eenen reep leder of iets dergelijks zoodanig geschreven was, dat men het alleen kon lezen door dien reep om een houtje van eene bepaalde dikte te winden; of aan een doorgeknipt geschrift, waarvan men beide stukken hebben moest en die aan elkander moesten passen, om het te kunnen lezen. Zoo nu op beide stukken hetzelfde stond en zij elkander niet aanvulden, had men er natuurlijk niets aan.↑485Hetgeen hier nog ontbreekt, is de inwendige noodzakelijkheid, waardoor wij ons genoopt zien, zóó te denken en niet anders, en de algemeenheid, waardoor onze gedachten eerst waarheden worden, die op de enkele dingen van toepassing zijn. Dit is duidelijk uitgesproken doorAristoteles, die, Anal. Post. 1. XXXIII. § 1, het volgende zegt: „Het kenbare en de kennis verschilt van het meenbare en de meening daardoor, dat de kennis het algemeene omvat en door noodzakelijke [ontwikkeling] tot stand komt,—doch de meening plaats heeft ten opzigte van hetgeen waar of valsch is, maar ook anders zou kunnen zijn.” DaarPlatodit noodzakelijke en algemeene in de ideën zocht, zoo is het ligt in te zien, dat hij de ideën als het eigenlijke voorwerp der kennis beschouwde. Tot de meest klassieke plaatsen over dit onderwerp behoort voorzeker het 6eboek der Republiek.↑486Hoezeer uit het voorbeeld vanTheaetetusblijkt, datPlatoniet onbepaald op het uiterlijk afging, schijnt hij toch veel waarde aan den indruk, dien iemands voorkomen maakt, gehecht te hebben.↑487Hier zat deἌρχων βασιλεύς, om kennis te nemen van de regtszaken, die tot zijne bevoegdheid behoorden, vooral van al, wat op de godsdienst betrekking had.↑
461περὶ τούτονziet hier op het bijδοῦναι τε καὶ δέξασθαι λόγονuitgelateneπερὶ τινὸς.↑462κομιδῇbeteekent eigenlijkmet zorg. Daar nu een denkbeeld, dat met zorg overwogen is, met vertrouwen[191]kan uitgesproken worden, is aan dit woord de beteekenis vanvoorzeker,stellig,ongetwijfeldgegeven; en deze is, zoo als het dikwijls gaat, onafhankelijk van de oorspronkelijke beteekenis, in gebruik gebleven.↑463τὰ τῶν γραμμάτων στοιχεῖα τε καὶ συλλαβάς. In het Grieksch is hier eene dubbelzinnigheid, die in onze taal niet is weer te geven;στοιχεῖονbeteekentgrondbestanddeel, en tevensletter,συλλαβὴbeteekentverbinding, en tevenslettergreep. Het is ligt in te zien, dat deze dubbelzinnigheid aan den grondtekst eene gemakkelijkheid geeft, die de vertaling moet missen.↑464τὰ ἑπτὰheb ik doorde vijfvertaald, omdat hier duidelijk de klinkers bedoeld worden, maar wij slechts vijf klinkers hebben, en niet zeven, zoo als de Grieken. Overigens is het opmerkelijk, dat hier het meeste gewigt aan de klinkers gehecht wordt, terwijl toch de oorspronkelijke kracht der woorden veel meer in de medeklinkers dan in de klinkers schijnt te huisvesten, zooals vooral in de Oostersche talen blijkt. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 31.↑465Dat is: wanneer wij tot 6 tellen en dan alleen die 6 vasthouden, daar de vorige getallen slechts dienden om tot 6 te komen. Zoo men het anders opvat, is al wat hier staat onzin, daar 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 = 21 is en dus eene geheel andere uitkomst dan het volgende geeft.↑466τὰ πάντα. Ik heb hierτὸ πᾶνgenomen, hoewel ik geloof, dat de fout niet hier, maar in het vorige schuilt; omdat het veel gemakkelijker is, hier voorτὰ πάντα τὸ πᾶνte lezen, dan uit de woordenοὐκοῦν—εἰρήκαμενde ware lezing op te maken. ZieStallbaumsaanmerking.↑467Dit toevoegsel is noodig, daar de getallen hier eigenlijk eene uitzondering maken, omdat een getal een afgetrokken begrip is, dat alleen de hoeveelheid aanduidt.↑468ὁ πᾶς ἀριθμὸς. Het is hinderlijk bij het vertalen dezer plaats, dat wij geen twee bijvoegelijke naamwoorden hebben, die metπᾶςenὅλοςovereenkomen.ὁ πᾶς ἀριθμὸςkan wel overgezet worden:het geheele getal, maar dan stuit men op het vervolg, daar hetgeheeleerst in de conclusie voorkomt.↑469Deze redenering gaat van de overeenkomst in negatieve kenmerken uit, doch kan juist daardoor niets tot stand brengen. (Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 177–179.Nieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, p. 210. VI.) Het geheel en het al verschillen dan ook wel degelijk. Onwillekeurig denkt men hier aan de geestige woorden vanGoethe:Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben,Sucht erst den Geist heraus zu treiben,Dann hat er die Theile in seiner Hand,Fehlt leider! nur das geistige Band.Encheiresin naturae nent’s die Chemie;Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.Zoo is, in het doorPlatogebezigde voorbeeld van een leger, het al en het geheel geenszins hetzelfde, want de wezenheid van het leger bestaat niet bloot in de voltalligheid, maar wel degelijk vooral in de orde, waarin de deelen verbonden zijn. Of was niet de Macedonische phalanx oneindig sterker, dan hetzelfde of een grooter aantal soldaten, zonder orde bijeengevoegd? En nu spreken wij nog niet eens van het onderscheid tusschen éénheid, verscheidenheid en harmonie, waarbij het geheel, als éénheid, wel degelijk van het al, als harmonie, onderscheiden wordt. (ZieOpzoomer, De leer van God bijSchelling,HegelenKrause. I. blz. 47. volgg.)↑470Hier wordt het onmiddelijk voorgaande eenigzins beperkt, en als zoodanig is het waar. De negatieve kenmerken[198]worden hier van den positieven kant genomen, en geven alzoo eene werkelijke overeenstemming van het geheel en het al, daarin bestaande, dat beiden al de deelen omvatten. Zoo men ze nu alleen in zooverre voor hetzelfde houdt, en over hunne verdere betrekking geen oordeel velt, dan kan deze redenering worden goedgekeurd, anders niet.↑471Platomaakt zich in deze geheele redekaveling schuldig aan een voor den lezer allervermoeijendst door elkander en in verschillende beteekenissen gebruiken van de woordenἰδέαenεἶδος. Zie p. 203. C. E. p. 204. A. p. 205. D.↑472οὐδὲ τοῦτο.Stallbaumwil hierοὐδὲ τοιοῦτονlezen. Dit komt mij onnoodig voor, daar hier eenvoudig een paar der boven uitgeslotene praedicaten wordt opgenoemd, terwijl het aan den lezer wordt overgelaten, de overigen er bij te denken.↑473μονοειδὴςenμία ἰδέαheb ik doorenkelvoudigvertaald, daar er eigenlijk datgene door bedoeld wordt, welks begrip evenmin uit andere begrippen is zamengesteld, als het zelf uit verschillende deelen bestaat. Hierbij ging ik van het zoo vaak verwaarloosde beginsel uit, dat bij juiste bepalingen en redeneringen de begrippen op dezelfde wijs moeten verbonden worden, als de zaken verbonden zijn, die door dezelve worden uitgedrukt, en dat men dus b. v. den grond van een begripaslechts dan in een begripbkan vinden, wanneer de zaak, die doorawordt uitgedrukt, gegrond is in de zaak, die doorbwordt uitgedrukt. Ik spreek hier natuurlijk niet van subjectieve gronden van overtuiging, daar depsychologische[200]aanleiding, waardoor iemand tot deze of die denkwijze komt, dikwijls niets te maken heeft met het begrip, waarin het door hem aangenomen begrip gegrond is. Zie hoofdst. XXXVIII.↑474ῥηταὶheb ik doorbepaalbaarvertaald, omdat het duidelijk tegenἄλογονin de volgende woorden vanSocratesoverstaat, en ik dat het best dooronbepaalbaarmeen te kunnen overzetten.↑475μανθάνων. Er staat eigenlijk:niets anders geleerd hebt, doch zoo dit in de vertaling wordt opgenomen, kanπειρώμενοςniet overgezet worden, daar de uitdrukking eigenlijk onjuist is. Immers leerde hij niet het trachten, maar dat trachten was zelf het leeren.↑476κυριωτέραν. Κύριοςbeteekent ongeveer hetzelfde als ons woordvoornáám, hetgeen ook wel in de beteekenis van gewigtig kan gebruikt worden.↑477τελεωτάτην. Dit woord is van veel belang. Dat ware meening een der bestanddeelen van de kennis is, al gaat zij er dan ook nietgeheelin op, wildePlatogeenszins ontkennen. Wij zullen in de ontwikkeling der redekaveling hierop terugkomen, en nu alleen opmerken, datPlatohet overige niet vooronwaar, maar alleen vooronvolledighoudt.↑478τὸν λόγον.Stallbaum, heeft te regt aangemerkt, dat het lidwoordτὸνhier onverklaarbaar is, en voorgeslagenτὸ λόγος(het woordλόγος) te lezen. Ik hecht er mijn zegel aan, maar zouλόγονliever onveranderd laten, omdat het in het onmiddelijk vorige ook in den accusativus staat, en deze accusativus de reden zijn kan, waaromτὸdoor eenen afschrijver inτὸνveranderd is.↑479λέγειν. Daarλόγοςvanλέγεινis afgeleid, is het verband in het Grieksch duidelijk, maar is in het Hollandsch moeijelijk weêr te geven, tenzij menλέγω, zoo als ik gedaan heb, in eene ongewone beteekenis neme, die echter door het verband wordt gevorderd. Onze vertaling[203]laat zich ook verdedigen door de opmerking, dat het onder woorden brengen der denkbeelden eerst mogelijk is, wanneer zij eenen genoegzamen graad van helderheid bekomen hebben.↑480De meening van deze wat kort uitgedrukte tegenwerping is, dat deze bepaling van de kennis te ruim is genomen, daar men hetzelfde van alle ware, ja van alle valsche meening zeggen kan. ZieNieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, § 140. 2. 1.↑481Οἷον—εἰπεῖν. Om dezen zin te verklaren, moeten wij onze toevlugt nemen tot de ook in het Latijn zeer gewone constructie van het relativum in plaats van het voegwoord met het demonstrativum. Zet menκαὶ τοιοῦτονin plaats vanοἷον, dan is alles duidelijk, mits men dan de voornaamwoordenτιναenτινοςonbepaald, niet vragend neme.↑482Het is te bejammeren, datPlatoenAristotelesde theorie der Pythagoristen aangaande de beweging der[207]aarde verworpen hebben, daar, zoo vooral de laatste die leer omhelsd had, het stelsel vanCopernicusvele eeuwen vroeger door het beschaafdeEuropazou aangenomen zijn. Zie v.Humboldt, Kosmos, Hollandsche vertaling, blz. 382 (18), waar ditzelfde ten opzigte der kometen wordt opgemerkt.↑483Dit laat zich het best ophelderen door de volgende plaats uit den Sophist, p. 235–236:Gastvriend uit Elea.Volgens de daareven gebezigde wijs van verdeelen, geloof ik ook nu twee soorten van de nabootsende kunst te zien.—Theaetetus.Zeg ons dan maar eerst, welke die twee soorten zijn.G.Vooreerst zie ik daarin de afbeeldende kunst. Deze wordt voornamelijk uitgeoefend, wanneer men naar de verhouding van de afmetingen der lengte, breedte en diepte van het origineel, en daarenboven met de aan ieder deel toekomende kleuren het beeld tot stand brengt.[208]T.Maar zoeken dan niet alle beeldende kunstenaars zoo iets te doen?G.Niet zij, die groote werken beeldhouwen of schilderen. Want zoo zij de ware verhouding der afmetingen van schoone voorwerpen weergaven, dan zou het bovenste te klein en het onderste te groot schijnen, doordien het eerste van verre, het andere van nabij gezien wordt.T.Ongetwijfeld.G.Laten dus de kunstenaars niet de waarheid loopen, zoodat zij niet de ware verhoudingen uitdrukken, maar die, welke zich aan de beelden schoon zullen vertoonen?T.Ongetwijfeld.G.Maar is het nu niet behoorlijk, het eene, daar het afgebeeld is, eene beeldtenis te noemen?T.Ja.G.En het deel der nabootsende kunst, dat daarop betrekking heeft, zooals wij te voren zeiden, de afbeeldende?T.Juist.G.Maar hetgeen nu, doordien het van een goed standpunt gezien wordt, aan het schoone gelijk schijnt, doch zoo men het naauwkeurig kon bezien, volstrekt niet gelijken zou op hetgeen, waarop het heet te gelijken, hoe zullen wij dat noemen? Immers daar het wel schijnt te gelijken, maar dit toch niet doet, een schijnbedrog?T.Zekerlijk.↑484σκυτάλης ἢ ὑπέρου—περιτροπὴ. Men denke hier aan een soort van geheim schrift, daarin bestaande, dat iets op eenen reep leder of iets dergelijks zoodanig geschreven was, dat men het alleen kon lezen door dien reep om een houtje van eene bepaalde dikte te winden; of aan een doorgeknipt geschrift, waarvan men beide stukken hebben moest en die aan elkander moesten passen, om het te kunnen lezen. Zoo nu op beide stukken hetzelfde stond en zij elkander niet aanvulden, had men er natuurlijk niets aan.↑485Hetgeen hier nog ontbreekt, is de inwendige noodzakelijkheid, waardoor wij ons genoopt zien, zóó te denken en niet anders, en de algemeenheid, waardoor onze gedachten eerst waarheden worden, die op de enkele dingen van toepassing zijn. Dit is duidelijk uitgesproken doorAristoteles, die, Anal. Post. 1. XXXIII. § 1, het volgende zegt: „Het kenbare en de kennis verschilt van het meenbare en de meening daardoor, dat de kennis het algemeene omvat en door noodzakelijke [ontwikkeling] tot stand komt,—doch de meening plaats heeft ten opzigte van hetgeen waar of valsch is, maar ook anders zou kunnen zijn.” DaarPlatodit noodzakelijke en algemeene in de ideën zocht, zoo is het ligt in te zien, dat hij de ideën als het eigenlijke voorwerp der kennis beschouwde. Tot de meest klassieke plaatsen over dit onderwerp behoort voorzeker het 6eboek der Republiek.↑486Hoezeer uit het voorbeeld vanTheaetetusblijkt, datPlatoniet onbepaald op het uiterlijk afging, schijnt hij toch veel waarde aan den indruk, dien iemands voorkomen maakt, gehecht te hebben.↑487Hier zat deἌρχων βασιλεύς, om kennis te nemen van de regtszaken, die tot zijne bevoegdheid behoorden, vooral van al, wat op de godsdienst betrekking had.↑
461περὶ τούτονziet hier op het bijδοῦναι τε καὶ δέξασθαι λόγονuitgelateneπερὶ τινὸς.↑462κομιδῇbeteekent eigenlijkmet zorg. Daar nu een denkbeeld, dat met zorg overwogen is, met vertrouwen[191]kan uitgesproken worden, is aan dit woord de beteekenis vanvoorzeker,stellig,ongetwijfeldgegeven; en deze is, zoo als het dikwijls gaat, onafhankelijk van de oorspronkelijke beteekenis, in gebruik gebleven.↑463τὰ τῶν γραμμάτων στοιχεῖα τε καὶ συλλαβάς. In het Grieksch is hier eene dubbelzinnigheid, die in onze taal niet is weer te geven;στοιχεῖονbeteekentgrondbestanddeel, en tevensletter,συλλαβὴbeteekentverbinding, en tevenslettergreep. Het is ligt in te zien, dat deze dubbelzinnigheid aan den grondtekst eene gemakkelijkheid geeft, die de vertaling moet missen.↑464τὰ ἑπτὰheb ik doorde vijfvertaald, omdat hier duidelijk de klinkers bedoeld worden, maar wij slechts vijf klinkers hebben, en niet zeven, zoo als de Grieken. Overigens is het opmerkelijk, dat hier het meeste gewigt aan de klinkers gehecht wordt, terwijl toch de oorspronkelijke kracht der woorden veel meer in de medeklinkers dan in de klinkers schijnt te huisvesten, zooals vooral in de Oostersche talen blijkt. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 31.↑465Dat is: wanneer wij tot 6 tellen en dan alleen die 6 vasthouden, daar de vorige getallen slechts dienden om tot 6 te komen. Zoo men het anders opvat, is al wat hier staat onzin, daar 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 = 21 is en dus eene geheel andere uitkomst dan het volgende geeft.↑466τὰ πάντα. Ik heb hierτὸ πᾶνgenomen, hoewel ik geloof, dat de fout niet hier, maar in het vorige schuilt; omdat het veel gemakkelijker is, hier voorτὰ πάντα τὸ πᾶνte lezen, dan uit de woordenοὐκοῦν—εἰρήκαμενde ware lezing op te maken. ZieStallbaumsaanmerking.↑467Dit toevoegsel is noodig, daar de getallen hier eigenlijk eene uitzondering maken, omdat een getal een afgetrokken begrip is, dat alleen de hoeveelheid aanduidt.↑468ὁ πᾶς ἀριθμὸς. Het is hinderlijk bij het vertalen dezer plaats, dat wij geen twee bijvoegelijke naamwoorden hebben, die metπᾶςenὅλοςovereenkomen.ὁ πᾶς ἀριθμὸςkan wel overgezet worden:het geheele getal, maar dan stuit men op het vervolg, daar hetgeheeleerst in de conclusie voorkomt.↑469Deze redenering gaat van de overeenkomst in negatieve kenmerken uit, doch kan juist daardoor niets tot stand brengen. (Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 177–179.Nieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, p. 210. VI.) Het geheel en het al verschillen dan ook wel degelijk. Onwillekeurig denkt men hier aan de geestige woorden vanGoethe:Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben,Sucht erst den Geist heraus zu treiben,Dann hat er die Theile in seiner Hand,Fehlt leider! nur das geistige Band.Encheiresin naturae nent’s die Chemie;Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.Zoo is, in het doorPlatogebezigde voorbeeld van een leger, het al en het geheel geenszins hetzelfde, want de wezenheid van het leger bestaat niet bloot in de voltalligheid, maar wel degelijk vooral in de orde, waarin de deelen verbonden zijn. Of was niet de Macedonische phalanx oneindig sterker, dan hetzelfde of een grooter aantal soldaten, zonder orde bijeengevoegd? En nu spreken wij nog niet eens van het onderscheid tusschen éénheid, verscheidenheid en harmonie, waarbij het geheel, als éénheid, wel degelijk van het al, als harmonie, onderscheiden wordt. (ZieOpzoomer, De leer van God bijSchelling,HegelenKrause. I. blz. 47. volgg.)↑470Hier wordt het onmiddelijk voorgaande eenigzins beperkt, en als zoodanig is het waar. De negatieve kenmerken[198]worden hier van den positieven kant genomen, en geven alzoo eene werkelijke overeenstemming van het geheel en het al, daarin bestaande, dat beiden al de deelen omvatten. Zoo men ze nu alleen in zooverre voor hetzelfde houdt, en over hunne verdere betrekking geen oordeel velt, dan kan deze redenering worden goedgekeurd, anders niet.↑471Platomaakt zich in deze geheele redekaveling schuldig aan een voor den lezer allervermoeijendst door elkander en in verschillende beteekenissen gebruiken van de woordenἰδέαenεἶδος. Zie p. 203. C. E. p. 204. A. p. 205. D.↑472οὐδὲ τοῦτο.Stallbaumwil hierοὐδὲ τοιοῦτονlezen. Dit komt mij onnoodig voor, daar hier eenvoudig een paar der boven uitgeslotene praedicaten wordt opgenoemd, terwijl het aan den lezer wordt overgelaten, de overigen er bij te denken.↑473μονοειδὴςenμία ἰδέαheb ik doorenkelvoudigvertaald, daar er eigenlijk datgene door bedoeld wordt, welks begrip evenmin uit andere begrippen is zamengesteld, als het zelf uit verschillende deelen bestaat. Hierbij ging ik van het zoo vaak verwaarloosde beginsel uit, dat bij juiste bepalingen en redeneringen de begrippen op dezelfde wijs moeten verbonden worden, als de zaken verbonden zijn, die door dezelve worden uitgedrukt, en dat men dus b. v. den grond van een begripaslechts dan in een begripbkan vinden, wanneer de zaak, die doorawordt uitgedrukt, gegrond is in de zaak, die doorbwordt uitgedrukt. Ik spreek hier natuurlijk niet van subjectieve gronden van overtuiging, daar depsychologische[200]aanleiding, waardoor iemand tot deze of die denkwijze komt, dikwijls niets te maken heeft met het begrip, waarin het door hem aangenomen begrip gegrond is. Zie hoofdst. XXXVIII.↑474ῥηταὶheb ik doorbepaalbaarvertaald, omdat het duidelijk tegenἄλογονin de volgende woorden vanSocratesoverstaat, en ik dat het best dooronbepaalbaarmeen te kunnen overzetten.↑475μανθάνων. Er staat eigenlijk:niets anders geleerd hebt, doch zoo dit in de vertaling wordt opgenomen, kanπειρώμενοςniet overgezet worden, daar de uitdrukking eigenlijk onjuist is. Immers leerde hij niet het trachten, maar dat trachten was zelf het leeren.↑476κυριωτέραν. Κύριοςbeteekent ongeveer hetzelfde als ons woordvoornáám, hetgeen ook wel in de beteekenis van gewigtig kan gebruikt worden.↑477τελεωτάτην. Dit woord is van veel belang. Dat ware meening een der bestanddeelen van de kennis is, al gaat zij er dan ook nietgeheelin op, wildePlatogeenszins ontkennen. Wij zullen in de ontwikkeling der redekaveling hierop terugkomen, en nu alleen opmerken, datPlatohet overige niet vooronwaar, maar alleen vooronvolledighoudt.↑478τὸν λόγον.Stallbaum, heeft te regt aangemerkt, dat het lidwoordτὸνhier onverklaarbaar is, en voorgeslagenτὸ λόγος(het woordλόγος) te lezen. Ik hecht er mijn zegel aan, maar zouλόγονliever onveranderd laten, omdat het in het onmiddelijk vorige ook in den accusativus staat, en deze accusativus de reden zijn kan, waaromτὸdoor eenen afschrijver inτὸνveranderd is.↑479λέγειν. Daarλόγοςvanλέγεινis afgeleid, is het verband in het Grieksch duidelijk, maar is in het Hollandsch moeijelijk weêr te geven, tenzij menλέγω, zoo als ik gedaan heb, in eene ongewone beteekenis neme, die echter door het verband wordt gevorderd. Onze vertaling[203]laat zich ook verdedigen door de opmerking, dat het onder woorden brengen der denkbeelden eerst mogelijk is, wanneer zij eenen genoegzamen graad van helderheid bekomen hebben.↑480De meening van deze wat kort uitgedrukte tegenwerping is, dat deze bepaling van de kennis te ruim is genomen, daar men hetzelfde van alle ware, ja van alle valsche meening zeggen kan. ZieNieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, § 140. 2. 1.↑481Οἷον—εἰπεῖν. Om dezen zin te verklaren, moeten wij onze toevlugt nemen tot de ook in het Latijn zeer gewone constructie van het relativum in plaats van het voegwoord met het demonstrativum. Zet menκαὶ τοιοῦτονin plaats vanοἷον, dan is alles duidelijk, mits men dan de voornaamwoordenτιναenτινοςonbepaald, niet vragend neme.↑482Het is te bejammeren, datPlatoenAristotelesde theorie der Pythagoristen aangaande de beweging der[207]aarde verworpen hebben, daar, zoo vooral de laatste die leer omhelsd had, het stelsel vanCopernicusvele eeuwen vroeger door het beschaafdeEuropazou aangenomen zijn. Zie v.Humboldt, Kosmos, Hollandsche vertaling, blz. 382 (18), waar ditzelfde ten opzigte der kometen wordt opgemerkt.↑483Dit laat zich het best ophelderen door de volgende plaats uit den Sophist, p. 235–236:Gastvriend uit Elea.Volgens de daareven gebezigde wijs van verdeelen, geloof ik ook nu twee soorten van de nabootsende kunst te zien.—Theaetetus.Zeg ons dan maar eerst, welke die twee soorten zijn.G.Vooreerst zie ik daarin de afbeeldende kunst. Deze wordt voornamelijk uitgeoefend, wanneer men naar de verhouding van de afmetingen der lengte, breedte en diepte van het origineel, en daarenboven met de aan ieder deel toekomende kleuren het beeld tot stand brengt.[208]T.Maar zoeken dan niet alle beeldende kunstenaars zoo iets te doen?G.Niet zij, die groote werken beeldhouwen of schilderen. Want zoo zij de ware verhouding der afmetingen van schoone voorwerpen weergaven, dan zou het bovenste te klein en het onderste te groot schijnen, doordien het eerste van verre, het andere van nabij gezien wordt.T.Ongetwijfeld.G.Laten dus de kunstenaars niet de waarheid loopen, zoodat zij niet de ware verhoudingen uitdrukken, maar die, welke zich aan de beelden schoon zullen vertoonen?T.Ongetwijfeld.G.Maar is het nu niet behoorlijk, het eene, daar het afgebeeld is, eene beeldtenis te noemen?T.Ja.G.En het deel der nabootsende kunst, dat daarop betrekking heeft, zooals wij te voren zeiden, de afbeeldende?T.Juist.G.Maar hetgeen nu, doordien het van een goed standpunt gezien wordt, aan het schoone gelijk schijnt, doch zoo men het naauwkeurig kon bezien, volstrekt niet gelijken zou op hetgeen, waarop het heet te gelijken, hoe zullen wij dat noemen? Immers daar het wel schijnt te gelijken, maar dit toch niet doet, een schijnbedrog?T.Zekerlijk.↑484σκυτάλης ἢ ὑπέρου—περιτροπὴ. Men denke hier aan een soort van geheim schrift, daarin bestaande, dat iets op eenen reep leder of iets dergelijks zoodanig geschreven was, dat men het alleen kon lezen door dien reep om een houtje van eene bepaalde dikte te winden; of aan een doorgeknipt geschrift, waarvan men beide stukken hebben moest en die aan elkander moesten passen, om het te kunnen lezen. Zoo nu op beide stukken hetzelfde stond en zij elkander niet aanvulden, had men er natuurlijk niets aan.↑485Hetgeen hier nog ontbreekt, is de inwendige noodzakelijkheid, waardoor wij ons genoopt zien, zóó te denken en niet anders, en de algemeenheid, waardoor onze gedachten eerst waarheden worden, die op de enkele dingen van toepassing zijn. Dit is duidelijk uitgesproken doorAristoteles, die, Anal. Post. 1. XXXIII. § 1, het volgende zegt: „Het kenbare en de kennis verschilt van het meenbare en de meening daardoor, dat de kennis het algemeene omvat en door noodzakelijke [ontwikkeling] tot stand komt,—doch de meening plaats heeft ten opzigte van hetgeen waar of valsch is, maar ook anders zou kunnen zijn.” DaarPlatodit noodzakelijke en algemeene in de ideën zocht, zoo is het ligt in te zien, dat hij de ideën als het eigenlijke voorwerp der kennis beschouwde. Tot de meest klassieke plaatsen over dit onderwerp behoort voorzeker het 6eboek der Republiek.↑486Hoezeer uit het voorbeeld vanTheaetetusblijkt, datPlatoniet onbepaald op het uiterlijk afging, schijnt hij toch veel waarde aan den indruk, dien iemands voorkomen maakt, gehecht te hebben.↑487Hier zat deἌρχων βασιλεύς, om kennis te nemen van de regtszaken, die tot zijne bevoegdheid behoorden, vooral van al, wat op de godsdienst betrekking had.↑
461περὶ τούτονziet hier op het bijδοῦναι τε καὶ δέξασθαι λόγονuitgelateneπερὶ τινὸς.↑
461περὶ τούτονziet hier op het bijδοῦναι τε καὶ δέξασθαι λόγονuitgelateneπερὶ τινὸς.↑
462κομιδῇbeteekent eigenlijkmet zorg. Daar nu een denkbeeld, dat met zorg overwogen is, met vertrouwen[191]kan uitgesproken worden, is aan dit woord de beteekenis vanvoorzeker,stellig,ongetwijfeldgegeven; en deze is, zoo als het dikwijls gaat, onafhankelijk van de oorspronkelijke beteekenis, in gebruik gebleven.↑
462κομιδῇbeteekent eigenlijkmet zorg. Daar nu een denkbeeld, dat met zorg overwogen is, met vertrouwen[191]kan uitgesproken worden, is aan dit woord de beteekenis vanvoorzeker,stellig,ongetwijfeldgegeven; en deze is, zoo als het dikwijls gaat, onafhankelijk van de oorspronkelijke beteekenis, in gebruik gebleven.↑
463τὰ τῶν γραμμάτων στοιχεῖα τε καὶ συλλαβάς. In het Grieksch is hier eene dubbelzinnigheid, die in onze taal niet is weer te geven;στοιχεῖονbeteekentgrondbestanddeel, en tevensletter,συλλαβὴbeteekentverbinding, en tevenslettergreep. Het is ligt in te zien, dat deze dubbelzinnigheid aan den grondtekst eene gemakkelijkheid geeft, die de vertaling moet missen.↑
463τὰ τῶν γραμμάτων στοιχεῖα τε καὶ συλλαβάς. In het Grieksch is hier eene dubbelzinnigheid, die in onze taal niet is weer te geven;στοιχεῖονbeteekentgrondbestanddeel, en tevensletter,συλλαβὴbeteekentverbinding, en tevenslettergreep. Het is ligt in te zien, dat deze dubbelzinnigheid aan den grondtekst eene gemakkelijkheid geeft, die de vertaling moet missen.↑
464τὰ ἑπτὰheb ik doorde vijfvertaald, omdat hier duidelijk de klinkers bedoeld worden, maar wij slechts vijf klinkers hebben, en niet zeven, zoo als de Grieken. Overigens is het opmerkelijk, dat hier het meeste gewigt aan de klinkers gehecht wordt, terwijl toch de oorspronkelijke kracht der woorden veel meer in de medeklinkers dan in de klinkers schijnt te huisvesten, zooals vooral in de Oostersche talen blijkt. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 31.↑
464τὰ ἑπτὰheb ik doorde vijfvertaald, omdat hier duidelijk de klinkers bedoeld worden, maar wij slechts vijf klinkers hebben, en niet zeven, zoo als de Grieken. Overigens is het opmerkelijk, dat hier het meeste gewigt aan de klinkers gehecht wordt, terwijl toch de oorspronkelijke kracht der woorden veel meer in de medeklinkers dan in de klinkers schijnt te huisvesten, zooals vooral in de Oostersche talen blijkt. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 31.↑
465Dat is: wanneer wij tot 6 tellen en dan alleen die 6 vasthouden, daar de vorige getallen slechts dienden om tot 6 te komen. Zoo men het anders opvat, is al wat hier staat onzin, daar 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 = 21 is en dus eene geheel andere uitkomst dan het volgende geeft.↑
465Dat is: wanneer wij tot 6 tellen en dan alleen die 6 vasthouden, daar de vorige getallen slechts dienden om tot 6 te komen. Zoo men het anders opvat, is al wat hier staat onzin, daar 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 = 21 is en dus eene geheel andere uitkomst dan het volgende geeft.↑
466τὰ πάντα. Ik heb hierτὸ πᾶνgenomen, hoewel ik geloof, dat de fout niet hier, maar in het vorige schuilt; omdat het veel gemakkelijker is, hier voorτὰ πάντα τὸ πᾶνte lezen, dan uit de woordenοὐκοῦν—εἰρήκαμενde ware lezing op te maken. ZieStallbaumsaanmerking.↑
466τὰ πάντα. Ik heb hierτὸ πᾶνgenomen, hoewel ik geloof, dat de fout niet hier, maar in het vorige schuilt; omdat het veel gemakkelijker is, hier voorτὰ πάντα τὸ πᾶνte lezen, dan uit de woordenοὐκοῦν—εἰρήκαμενde ware lezing op te maken. ZieStallbaumsaanmerking.↑
467Dit toevoegsel is noodig, daar de getallen hier eigenlijk eene uitzondering maken, omdat een getal een afgetrokken begrip is, dat alleen de hoeveelheid aanduidt.↑
467Dit toevoegsel is noodig, daar de getallen hier eigenlijk eene uitzondering maken, omdat een getal een afgetrokken begrip is, dat alleen de hoeveelheid aanduidt.↑
468ὁ πᾶς ἀριθμὸς. Het is hinderlijk bij het vertalen dezer plaats, dat wij geen twee bijvoegelijke naamwoorden hebben, die metπᾶςenὅλοςovereenkomen.ὁ πᾶς ἀριθμὸςkan wel overgezet worden:het geheele getal, maar dan stuit men op het vervolg, daar hetgeheeleerst in de conclusie voorkomt.↑
468ὁ πᾶς ἀριθμὸς. Het is hinderlijk bij het vertalen dezer plaats, dat wij geen twee bijvoegelijke naamwoorden hebben, die metπᾶςenὅλοςovereenkomen.ὁ πᾶς ἀριθμὸςkan wel overgezet worden:het geheele getal, maar dan stuit men op het vervolg, daar hetgeheeleerst in de conclusie voorkomt.↑
469Deze redenering gaat van de overeenkomst in negatieve kenmerken uit, doch kan juist daardoor niets tot stand brengen. (Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 177–179.Nieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, p. 210. VI.) Het geheel en het al verschillen dan ook wel degelijk. Onwillekeurig denkt men hier aan de geestige woorden vanGoethe:Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben,Sucht erst den Geist heraus zu treiben,Dann hat er die Theile in seiner Hand,Fehlt leider! nur das geistige Band.Encheiresin naturae nent’s die Chemie;Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.Zoo is, in het doorPlatogebezigde voorbeeld van een leger, het al en het geheel geenszins hetzelfde, want de wezenheid van het leger bestaat niet bloot in de voltalligheid, maar wel degelijk vooral in de orde, waarin de deelen verbonden zijn. Of was niet de Macedonische phalanx oneindig sterker, dan hetzelfde of een grooter aantal soldaten, zonder orde bijeengevoegd? En nu spreken wij nog niet eens van het onderscheid tusschen éénheid, verscheidenheid en harmonie, waarbij het geheel, als éénheid, wel degelijk van het al, als harmonie, onderscheiden wordt. (ZieOpzoomer, De leer van God bijSchelling,HegelenKrause. I. blz. 47. volgg.)↑
469Deze redenering gaat van de overeenkomst in negatieve kenmerken uit, doch kan juist daardoor niets tot stand brengen. (Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 177–179.Nieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, p. 210. VI.) Het geheel en het al verschillen dan ook wel degelijk. Onwillekeurig denkt men hier aan de geestige woorden vanGoethe:
Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben,Sucht erst den Geist heraus zu treiben,Dann hat er die Theile in seiner Hand,Fehlt leider! nur das geistige Band.Encheiresin naturae nent’s die Chemie;Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.
Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben,Sucht erst den Geist heraus zu treiben,Dann hat er die Theile in seiner Hand,Fehlt leider! nur das geistige Band.Encheiresin naturae nent’s die Chemie;Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.
Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben,Sucht erst den Geist heraus zu treiben,Dann hat er die Theile in seiner Hand,Fehlt leider! nur das geistige Band.Encheiresin naturae nent’s die Chemie;Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.
Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben,Sucht erst den Geist heraus zu treiben,Dann hat er die Theile in seiner Hand,Fehlt leider! nur das geistige Band.Encheiresin naturae nent’s die Chemie;Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.
Wer will was Lebendig’s erkennen und beschreiben,
Sucht erst den Geist heraus zu treiben,
Dann hat er die Theile in seiner Hand,
Fehlt leider! nur das geistige Band.
Encheiresin naturae nent’s die Chemie;
Spottet ihrer selbst und weisz nicht wie.
Zoo is, in het doorPlatogebezigde voorbeeld van een leger, het al en het geheel geenszins hetzelfde, want de wezenheid van het leger bestaat niet bloot in de voltalligheid, maar wel degelijk vooral in de orde, waarin de deelen verbonden zijn. Of was niet de Macedonische phalanx oneindig sterker, dan hetzelfde of een grooter aantal soldaten, zonder orde bijeengevoegd? En nu spreken wij nog niet eens van het onderscheid tusschen éénheid, verscheidenheid en harmonie, waarbij het geheel, als éénheid, wel degelijk van het al, als harmonie, onderscheiden wordt. (ZieOpzoomer, De leer van God bijSchelling,HegelenKrause. I. blz. 47. volgg.)↑
470Hier wordt het onmiddelijk voorgaande eenigzins beperkt, en als zoodanig is het waar. De negatieve kenmerken[198]worden hier van den positieven kant genomen, en geven alzoo eene werkelijke overeenstemming van het geheel en het al, daarin bestaande, dat beiden al de deelen omvatten. Zoo men ze nu alleen in zooverre voor hetzelfde houdt, en over hunne verdere betrekking geen oordeel velt, dan kan deze redenering worden goedgekeurd, anders niet.↑
470Hier wordt het onmiddelijk voorgaande eenigzins beperkt, en als zoodanig is het waar. De negatieve kenmerken[198]worden hier van den positieven kant genomen, en geven alzoo eene werkelijke overeenstemming van het geheel en het al, daarin bestaande, dat beiden al de deelen omvatten. Zoo men ze nu alleen in zooverre voor hetzelfde houdt, en over hunne verdere betrekking geen oordeel velt, dan kan deze redenering worden goedgekeurd, anders niet.↑
471Platomaakt zich in deze geheele redekaveling schuldig aan een voor den lezer allervermoeijendst door elkander en in verschillende beteekenissen gebruiken van de woordenἰδέαenεἶδος. Zie p. 203. C. E. p. 204. A. p. 205. D.↑
471Platomaakt zich in deze geheele redekaveling schuldig aan een voor den lezer allervermoeijendst door elkander en in verschillende beteekenissen gebruiken van de woordenἰδέαenεἶδος. Zie p. 203. C. E. p. 204. A. p. 205. D.↑
472οὐδὲ τοῦτο.Stallbaumwil hierοὐδὲ τοιοῦτονlezen. Dit komt mij onnoodig voor, daar hier eenvoudig een paar der boven uitgeslotene praedicaten wordt opgenoemd, terwijl het aan den lezer wordt overgelaten, de overigen er bij te denken.↑
472οὐδὲ τοῦτο.Stallbaumwil hierοὐδὲ τοιοῦτονlezen. Dit komt mij onnoodig voor, daar hier eenvoudig een paar der boven uitgeslotene praedicaten wordt opgenoemd, terwijl het aan den lezer wordt overgelaten, de overigen er bij te denken.↑
473μονοειδὴςenμία ἰδέαheb ik doorenkelvoudigvertaald, daar er eigenlijk datgene door bedoeld wordt, welks begrip evenmin uit andere begrippen is zamengesteld, als het zelf uit verschillende deelen bestaat. Hierbij ging ik van het zoo vaak verwaarloosde beginsel uit, dat bij juiste bepalingen en redeneringen de begrippen op dezelfde wijs moeten verbonden worden, als de zaken verbonden zijn, die door dezelve worden uitgedrukt, en dat men dus b. v. den grond van een begripaslechts dan in een begripbkan vinden, wanneer de zaak, die doorawordt uitgedrukt, gegrond is in de zaak, die doorbwordt uitgedrukt. Ik spreek hier natuurlijk niet van subjectieve gronden van overtuiging, daar depsychologische[200]aanleiding, waardoor iemand tot deze of die denkwijze komt, dikwijls niets te maken heeft met het begrip, waarin het door hem aangenomen begrip gegrond is. Zie hoofdst. XXXVIII.↑
473μονοειδὴςenμία ἰδέαheb ik doorenkelvoudigvertaald, daar er eigenlijk datgene door bedoeld wordt, welks begrip evenmin uit andere begrippen is zamengesteld, als het zelf uit verschillende deelen bestaat. Hierbij ging ik van het zoo vaak verwaarloosde beginsel uit, dat bij juiste bepalingen en redeneringen de begrippen op dezelfde wijs moeten verbonden worden, als de zaken verbonden zijn, die door dezelve worden uitgedrukt, en dat men dus b. v. den grond van een begripaslechts dan in een begripbkan vinden, wanneer de zaak, die doorawordt uitgedrukt, gegrond is in de zaak, die doorbwordt uitgedrukt. Ik spreek hier natuurlijk niet van subjectieve gronden van overtuiging, daar depsychologische[200]aanleiding, waardoor iemand tot deze of die denkwijze komt, dikwijls niets te maken heeft met het begrip, waarin het door hem aangenomen begrip gegrond is. Zie hoofdst. XXXVIII.↑
474ῥηταὶheb ik doorbepaalbaarvertaald, omdat het duidelijk tegenἄλογονin de volgende woorden vanSocratesoverstaat, en ik dat het best dooronbepaalbaarmeen te kunnen overzetten.↑
474ῥηταὶheb ik doorbepaalbaarvertaald, omdat het duidelijk tegenἄλογονin de volgende woorden vanSocratesoverstaat, en ik dat het best dooronbepaalbaarmeen te kunnen overzetten.↑
475μανθάνων. Er staat eigenlijk:niets anders geleerd hebt, doch zoo dit in de vertaling wordt opgenomen, kanπειρώμενοςniet overgezet worden, daar de uitdrukking eigenlijk onjuist is. Immers leerde hij niet het trachten, maar dat trachten was zelf het leeren.↑
475μανθάνων. Er staat eigenlijk:niets anders geleerd hebt, doch zoo dit in de vertaling wordt opgenomen, kanπειρώμενοςniet overgezet worden, daar de uitdrukking eigenlijk onjuist is. Immers leerde hij niet het trachten, maar dat trachten was zelf het leeren.↑
476κυριωτέραν. Κύριοςbeteekent ongeveer hetzelfde als ons woordvoornáám, hetgeen ook wel in de beteekenis van gewigtig kan gebruikt worden.↑
476κυριωτέραν. Κύριοςbeteekent ongeveer hetzelfde als ons woordvoornáám, hetgeen ook wel in de beteekenis van gewigtig kan gebruikt worden.↑
477τελεωτάτην. Dit woord is van veel belang. Dat ware meening een der bestanddeelen van de kennis is, al gaat zij er dan ook nietgeheelin op, wildePlatogeenszins ontkennen. Wij zullen in de ontwikkeling der redekaveling hierop terugkomen, en nu alleen opmerken, datPlatohet overige niet vooronwaar, maar alleen vooronvolledighoudt.↑
477τελεωτάτην. Dit woord is van veel belang. Dat ware meening een der bestanddeelen van de kennis is, al gaat zij er dan ook nietgeheelin op, wildePlatogeenszins ontkennen. Wij zullen in de ontwikkeling der redekaveling hierop terugkomen, en nu alleen opmerken, datPlatohet overige niet vooronwaar, maar alleen vooronvolledighoudt.↑
478τὸν λόγον.Stallbaum, heeft te regt aangemerkt, dat het lidwoordτὸνhier onverklaarbaar is, en voorgeslagenτὸ λόγος(het woordλόγος) te lezen. Ik hecht er mijn zegel aan, maar zouλόγονliever onveranderd laten, omdat het in het onmiddelijk vorige ook in den accusativus staat, en deze accusativus de reden zijn kan, waaromτὸdoor eenen afschrijver inτὸνveranderd is.↑
478τὸν λόγον.Stallbaum, heeft te regt aangemerkt, dat het lidwoordτὸνhier onverklaarbaar is, en voorgeslagenτὸ λόγος(het woordλόγος) te lezen. Ik hecht er mijn zegel aan, maar zouλόγονliever onveranderd laten, omdat het in het onmiddelijk vorige ook in den accusativus staat, en deze accusativus de reden zijn kan, waaromτὸdoor eenen afschrijver inτὸνveranderd is.↑
479λέγειν. Daarλόγοςvanλέγεινis afgeleid, is het verband in het Grieksch duidelijk, maar is in het Hollandsch moeijelijk weêr te geven, tenzij menλέγω, zoo als ik gedaan heb, in eene ongewone beteekenis neme, die echter door het verband wordt gevorderd. Onze vertaling[203]laat zich ook verdedigen door de opmerking, dat het onder woorden brengen der denkbeelden eerst mogelijk is, wanneer zij eenen genoegzamen graad van helderheid bekomen hebben.↑
479λέγειν. Daarλόγοςvanλέγεινis afgeleid, is het verband in het Grieksch duidelijk, maar is in het Hollandsch moeijelijk weêr te geven, tenzij menλέγω, zoo als ik gedaan heb, in eene ongewone beteekenis neme, die echter door het verband wordt gevorderd. Onze vertaling[203]laat zich ook verdedigen door de opmerking, dat het onder woorden brengen der denkbeelden eerst mogelijk is, wanneer zij eenen genoegzamen graad van helderheid bekomen hebben.↑
480De meening van deze wat kort uitgedrukte tegenwerping is, dat deze bepaling van de kennis te ruim is genomen, daar men hetzelfde van alle ware, ja van alle valsche meening zeggen kan. ZieNieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, § 140. 2. 1.↑
480De meening van deze wat kort uitgedrukte tegenwerping is, dat deze bepaling van de kennis te ruim is genomen, daar men hetzelfde van alle ware, ja van alle valsche meening zeggen kan. ZieNieuwenhuis,Initia Philosophiae Logicae, § 140. 2. 1.↑
481Οἷον—εἰπεῖν. Om dezen zin te verklaren, moeten wij onze toevlugt nemen tot de ook in het Latijn zeer gewone constructie van het relativum in plaats van het voegwoord met het demonstrativum. Zet menκαὶ τοιοῦτονin plaats vanοἷον, dan is alles duidelijk, mits men dan de voornaamwoordenτιναenτινοςonbepaald, niet vragend neme.↑
481Οἷον—εἰπεῖν. Om dezen zin te verklaren, moeten wij onze toevlugt nemen tot de ook in het Latijn zeer gewone constructie van het relativum in plaats van het voegwoord met het demonstrativum. Zet menκαὶ τοιοῦτονin plaats vanοἷον, dan is alles duidelijk, mits men dan de voornaamwoordenτιναenτινοςonbepaald, niet vragend neme.↑
482Het is te bejammeren, datPlatoenAristotelesde theorie der Pythagoristen aangaande de beweging der[207]aarde verworpen hebben, daar, zoo vooral de laatste die leer omhelsd had, het stelsel vanCopernicusvele eeuwen vroeger door het beschaafdeEuropazou aangenomen zijn. Zie v.Humboldt, Kosmos, Hollandsche vertaling, blz. 382 (18), waar ditzelfde ten opzigte der kometen wordt opgemerkt.↑
482Het is te bejammeren, datPlatoenAristotelesde theorie der Pythagoristen aangaande de beweging der[207]aarde verworpen hebben, daar, zoo vooral de laatste die leer omhelsd had, het stelsel vanCopernicusvele eeuwen vroeger door het beschaafdeEuropazou aangenomen zijn. Zie v.Humboldt, Kosmos, Hollandsche vertaling, blz. 382 (18), waar ditzelfde ten opzigte der kometen wordt opgemerkt.↑
483Dit laat zich het best ophelderen door de volgende plaats uit den Sophist, p. 235–236:Gastvriend uit Elea.Volgens de daareven gebezigde wijs van verdeelen, geloof ik ook nu twee soorten van de nabootsende kunst te zien.—Theaetetus.Zeg ons dan maar eerst, welke die twee soorten zijn.G.Vooreerst zie ik daarin de afbeeldende kunst. Deze wordt voornamelijk uitgeoefend, wanneer men naar de verhouding van de afmetingen der lengte, breedte en diepte van het origineel, en daarenboven met de aan ieder deel toekomende kleuren het beeld tot stand brengt.[208]T.Maar zoeken dan niet alle beeldende kunstenaars zoo iets te doen?G.Niet zij, die groote werken beeldhouwen of schilderen. Want zoo zij de ware verhouding der afmetingen van schoone voorwerpen weergaven, dan zou het bovenste te klein en het onderste te groot schijnen, doordien het eerste van verre, het andere van nabij gezien wordt.T.Ongetwijfeld.G.Laten dus de kunstenaars niet de waarheid loopen, zoodat zij niet de ware verhoudingen uitdrukken, maar die, welke zich aan de beelden schoon zullen vertoonen?T.Ongetwijfeld.G.Maar is het nu niet behoorlijk, het eene, daar het afgebeeld is, eene beeldtenis te noemen?T.Ja.G.En het deel der nabootsende kunst, dat daarop betrekking heeft, zooals wij te voren zeiden, de afbeeldende?T.Juist.G.Maar hetgeen nu, doordien het van een goed standpunt gezien wordt, aan het schoone gelijk schijnt, doch zoo men het naauwkeurig kon bezien, volstrekt niet gelijken zou op hetgeen, waarop het heet te gelijken, hoe zullen wij dat noemen? Immers daar het wel schijnt te gelijken, maar dit toch niet doet, een schijnbedrog?T.Zekerlijk.↑
483Dit laat zich het best ophelderen door de volgende plaats uit den Sophist, p. 235–236:
Gastvriend uit Elea.Volgens de daareven gebezigde wijs van verdeelen, geloof ik ook nu twee soorten van de nabootsende kunst te zien.—
Theaetetus.Zeg ons dan maar eerst, welke die twee soorten zijn.
G.Vooreerst zie ik daarin de afbeeldende kunst. Deze wordt voornamelijk uitgeoefend, wanneer men naar de verhouding van de afmetingen der lengte, breedte en diepte van het origineel, en daarenboven met de aan ieder deel toekomende kleuren het beeld tot stand brengt.[208]
T.Maar zoeken dan niet alle beeldende kunstenaars zoo iets te doen?
G.Niet zij, die groote werken beeldhouwen of schilderen. Want zoo zij de ware verhouding der afmetingen van schoone voorwerpen weergaven, dan zou het bovenste te klein en het onderste te groot schijnen, doordien het eerste van verre, het andere van nabij gezien wordt.
T.Ongetwijfeld.
G.Laten dus de kunstenaars niet de waarheid loopen, zoodat zij niet de ware verhoudingen uitdrukken, maar die, welke zich aan de beelden schoon zullen vertoonen?
T.Ongetwijfeld.
G.Maar is het nu niet behoorlijk, het eene, daar het afgebeeld is, eene beeldtenis te noemen?
T.Ja.
G.En het deel der nabootsende kunst, dat daarop betrekking heeft, zooals wij te voren zeiden, de afbeeldende?
T.Juist.
G.Maar hetgeen nu, doordien het van een goed standpunt gezien wordt, aan het schoone gelijk schijnt, doch zoo men het naauwkeurig kon bezien, volstrekt niet gelijken zou op hetgeen, waarop het heet te gelijken, hoe zullen wij dat noemen? Immers daar het wel schijnt te gelijken, maar dit toch niet doet, een schijnbedrog?
T.Zekerlijk.↑
484σκυτάλης ἢ ὑπέρου—περιτροπὴ. Men denke hier aan een soort van geheim schrift, daarin bestaande, dat iets op eenen reep leder of iets dergelijks zoodanig geschreven was, dat men het alleen kon lezen door dien reep om een houtje van eene bepaalde dikte te winden; of aan een doorgeknipt geschrift, waarvan men beide stukken hebben moest en die aan elkander moesten passen, om het te kunnen lezen. Zoo nu op beide stukken hetzelfde stond en zij elkander niet aanvulden, had men er natuurlijk niets aan.↑
484σκυτάλης ἢ ὑπέρου—περιτροπὴ. Men denke hier aan een soort van geheim schrift, daarin bestaande, dat iets op eenen reep leder of iets dergelijks zoodanig geschreven was, dat men het alleen kon lezen door dien reep om een houtje van eene bepaalde dikte te winden; of aan een doorgeknipt geschrift, waarvan men beide stukken hebben moest en die aan elkander moesten passen, om het te kunnen lezen. Zoo nu op beide stukken hetzelfde stond en zij elkander niet aanvulden, had men er natuurlijk niets aan.↑
485Hetgeen hier nog ontbreekt, is de inwendige noodzakelijkheid, waardoor wij ons genoopt zien, zóó te denken en niet anders, en de algemeenheid, waardoor onze gedachten eerst waarheden worden, die op de enkele dingen van toepassing zijn. Dit is duidelijk uitgesproken doorAristoteles, die, Anal. Post. 1. XXXIII. § 1, het volgende zegt: „Het kenbare en de kennis verschilt van het meenbare en de meening daardoor, dat de kennis het algemeene omvat en door noodzakelijke [ontwikkeling] tot stand komt,—doch de meening plaats heeft ten opzigte van hetgeen waar of valsch is, maar ook anders zou kunnen zijn.” DaarPlatodit noodzakelijke en algemeene in de ideën zocht, zoo is het ligt in te zien, dat hij de ideën als het eigenlijke voorwerp der kennis beschouwde. Tot de meest klassieke plaatsen over dit onderwerp behoort voorzeker het 6eboek der Republiek.↑
485Hetgeen hier nog ontbreekt, is de inwendige noodzakelijkheid, waardoor wij ons genoopt zien, zóó te denken en niet anders, en de algemeenheid, waardoor onze gedachten eerst waarheden worden, die op de enkele dingen van toepassing zijn. Dit is duidelijk uitgesproken doorAristoteles, die, Anal. Post. 1. XXXIII. § 1, het volgende zegt: „Het kenbare en de kennis verschilt van het meenbare en de meening daardoor, dat de kennis het algemeene omvat en door noodzakelijke [ontwikkeling] tot stand komt,—doch de meening plaats heeft ten opzigte van hetgeen waar of valsch is, maar ook anders zou kunnen zijn.” DaarPlatodit noodzakelijke en algemeene in de ideën zocht, zoo is het ligt in te zien, dat hij de ideën als het eigenlijke voorwerp der kennis beschouwde. Tot de meest klassieke plaatsen over dit onderwerp behoort voorzeker het 6eboek der Republiek.↑
486Hoezeer uit het voorbeeld vanTheaetetusblijkt, datPlatoniet onbepaald op het uiterlijk afging, schijnt hij toch veel waarde aan den indruk, dien iemands voorkomen maakt, gehecht te hebben.↑
486Hoezeer uit het voorbeeld vanTheaetetusblijkt, datPlatoniet onbepaald op het uiterlijk afging, schijnt hij toch veel waarde aan den indruk, dien iemands voorkomen maakt, gehecht te hebben.↑
487Hier zat deἌρχων βασιλεύς, om kennis te nemen van de regtszaken, die tot zijne bevoegdheid behoorden, vooral van al, wat op de godsdienst betrekking had.↑
487Hier zat deἌρχων βασιλεύς, om kennis te nemen van de regtszaken, die tot zijne bevoegdheid behoorden, vooral van al, wat op de godsdienst betrekking had.↑