Chapter 3

I.Eucl.Zijt gij daar even van het land gekomen,Terpsion! of reeds eene poos geleden?Terp.Al eene vrij lange poos geleden. En ik zocht u op de markt1en verwonderde mij, dat ik u niet vinden kon.Eucl.[Dat is geen wonder], want ik was niet in de stad.Ter.Waar dan?Eu.Ik was naar de haven gegaan, en vond daarTheaetetus, die vanCorinthe, uit het leger, naarAthenegebragt werd2.[10]Ter.Was hij dood of levend?Eu.Hij was nog levend, maar op het randje van den dood, want hij lijdt aan verscheidene wonden, maar nog meer tast hem de ziekte aan, die in het leger ontstaan is.Ter.Toch niet de roode loop?Eu.Juist.Ter.Welk een man zegt gij daar, dat in levensgevaar is!Eu.Een uitstekend man,Terpsion: zoo als ik ook nu weder gehoord heb van menschen, die zijne dapperheid in het gevecht bijzonder roemden.Ter.Dat is ook niet vreemd; het zou veel verwonderlijker zijn, als hij zoo niet was3. Maar waarom hield hij hier, teMegara, niet stil?Eu.Hij had groot verlangen naar huis. Althans ik bad hem en ried hem [te blijven,] maar hij wilde niet. En ik verzeker u4, dat, toen ik hem een eind wegs begeleid had, en wederkeerde, ik mij met verwondering te binnen bragt, hoeSocratesook omtrent hem als een profeet heeft gesproken. Want ik meen, dat hij kort voor zijnen dood hem, die toen nog een knaap was, ontmoet heeft, en nadat hij eenigen tijd met hem gesproken had, zijnen inborst5zeer heeft[11]bewonderd. En toen ik teAthenekwam, verhaalde hij mij, wat hij met hem gesproken had6, hetwelk zeer hoorenswaard was, en hij zeide, dat hij noodzakelijk uitstekend7zou worden, wanneer hij op jaren gekomen was.Ter.En hij schijnt de waarheid gezegd te hebben8.[12]Maar wat was dat dan voor een gesprek? zoudt gij het kunnen verhalen9.Eu.BijZeus! zoo uit mijn hoofd onmogelijk. Maar ik hield toen, zoodra ik te huis kwam, voor mij zelven aanteekeningen, en naderhand schreef ik op mijn gemak er bij, wat ik mij herinnerde, en zoo dikwijls ik naarAthenekwam, vroeg ikSocratesweder wat ik mij niet herinnerde, en als ik hier kwam,[13]verbeterde ik het; zoodat ik genoegzaam het geheele gesprek op schrift heb10.Ter.Ja, dat heb ik reeds te voren van u gehoord, en terwijl ik altijd voornemens was, u te verzoeken het mij te laten zien, heb ik daarmede tot nu toe getalmd. Maar wat belet ons het nu door te loopen? Ik heb toch buitendien behoefte aan rust, daar ik van het land kom.Eu.[Dat is niet alleen met u het geval], maar ik hebTheaetetustotErineus11begeleid, zoodat ik niet ongaarne wat zou rusten. Laat ons dan gaan, en wanneer wij rusten, zal mijn slaaf het ons meteen voorlezen12.Ter.Dat is goed.Eu.Dit is het boek,Terpsion! En ik heb het gesprek aldus opgeschreven, dat ik nietSocratesals aan mij verhalende voorstelde, maar als sprekende met diegenen, met wie hij zeide gesproken te hebben13. Hij nu zeide, [dat hij het gesprek gevoerd had] met den meetkunstenaarTheodorusen metTheaetetus. Opdat nu in het geschrift die tusschen de redekaveling ingevoegde vermeldingen overSocrates, wanneer hij sprak, b. v.,en ik zeide, ofen ik sprak, of ook[14]over den anderen14:hij stemde toe, ofhij ontkende het, niet lastig zouden zijn, daarom heb ik het geschreven, alsof hij zelf met hen sprak, met vermijding van die dingen.Ter.En daaraan hebt gij goed gedaan,Euclides!Eu.[Wij willen dan niet langer talmen], maar, jongen! neemt het boek en lees.—II.So.Zoo ik mij meer om de inwoners vanCyrenebekommerde,Theodorus! dan zou ik u vragen naar hetgeen daar geschiedt, en over hen, of aldaar eenige jongelingen zijn, die werk maken van de meetkunst of eenige andere wetenschap15, maar nu, daar ik hen minder dan mijne landgenooten16lief heb, en meer verlang te weten, wie van onze jongelingen uitstekend schijnen te zullen worden, onderzoek ik dit [laatste] zooveel ik kan zelf, en vraag er de anderen naar, met wie ik de jongelingen gaarne zie omgaan. Nu komen tot u waarlijk niet de minsten, en dat[15]met regt; want gij verdient het, én om andere redenen, én ook om de meetkunst. Zoo gij dus iemand ontmoet hebt, die vermelding verdient, zou ik het gaarne vernemen.Theo.En waarlijk,Socrates! het is voor mij de moeite waard om te zeggen, en voor u om te hooren, met welk een knaap17uit uwe medeburgers ik kennis gemaakt heb. En zoo hij schoon was, dan zou ik vreezen mij daar sterk over uit te laten, uit vrees dat iemand meenen zou, dat ik verliefd op hem was18; maar neem het mij niet kwalijk, hij is niet schoon en gelijkt op u in platheid van neus en uitpuilende oogen; slechts heeft hij dat iets minder dan gij; en bij gevolg zeg ik het onbeschroomd. Want weet, dat van allen, die ik ooit ontmoet heb, (en ik heb er met vrij wat omgegaan), ik nooit iemand heb opgemerkt van zulk eenen goeden aanleg19. Want vlug van begrip zijnde, even uitstekend zachtmoedig te zijn als men anders in dat geval lastig van humeur is, en daarbij vol geestkracht20,—dat zou ik niet denken,[16]dat mogelijk was, en ik zie, ook niemand, bij wien het plaats heeft; maar die zoo levendig zijn als hij en zoo vlug van bevatting en met zulk een goed geheugen begaafd, zijn gewoonlijk ook ligt tot toorn21geneigd, en worden met geweld geslingerd, even als schepen zonder ballast, en zijn van nature meer driftig dan veêrkrachtig; en zij, die meer bedaardheid hebben, zijn vaak langzaam in het leeren en van een slecht geheugen voorzien. Hij echter komt zoo gemakkelijk en geleidelijk22en steeds voortgaande tot de studie en het onderzoek, [en] met [zoo] veel zachtmoedigheid, gelijk eene beek van olie, die vloeit zonder geraas te maken, dat het een wonder is, dat iemand, nog zoo jong, dit zoo kan tot stand brengen.So.Daar zegt gij wat goeds. Maar van welken Athener is hij een zoon?Theo.Ik heb den naam wel gehoord, maar herinner mij dien niet. Maar [dat komt er niet op aan], want hij is de middelste van de knapen, die daar aankomen. Want daar even waren hij en deze zijne makkers in den buitensten omgang23, bezig zich met olie in te wrijven24, en nu meen ik, dat[17]zij daarmede gereed zijn25en herwaarts komen. Maar zie eens, of gij hem kent.So.Ik ken hem. Hij is de zoon vanEuphroniusvanSunium26, een man, mijn vriend! die geheel was, zoo als gij dezen beschrijft, en buitendien zeer gezien, en die ook veel geld heeft nagelaten. Maar den naam van den knaap weet ik niet.Theo.Zijn naam,Socrates! isTheaetetus, maar zijn geld geloof ik, dat zijne voogden27opgemaakt hebben. Doch hij is tevens ook verwonderlijk los van het geld,Socrates!So.Gij geeft hem daar eene schoone lofspraak28. Verzoek hem hier bij mij te komen zitten.[18]Theo.Dat zal gebeuren.Theaetetus!kom hier bijSocrates.So.Ja, doe dat,Theaetetus, opdat ik mij zelven beschouwe, hoedanig een gelaat ik heb; wantTheodoruszegt, dat ik er een heb, dat op het uwe gelijkt. Maar zoo wij nu eens ieder eene lier hadden, en hij zeide, dat die eveneens gestemd waren, zouden wij hem dan terstond gelooven, of zouden wij onderzoeken, of hij dat zeide, omdat hij kennis had van de muzijk?Theaet.Dat zouden wij onderzoeken.So.En wanneer wij hem dan zóó vonden29, zouden wij hem zeker gelooven, maar zoo hij geene muzijk verstond, niet.Theaet.Dat is waar.So.Maar nu geloof ik, zoo de gelijkheid van aangezigt ons niet onverschillig is, dat wij dan onderzoeken moeten, of hij het zegt, omdat hij er verstand van heeft, of niet.Theaet.Ik geloof ja.So.Maar isTheodorusdan een schilder?Theaet.Zoo ver ik weet, niet30.So.Maar is hij ook geen meetkunstenaar?Theaet.Wel zeker,Socrates!So.En ook een beoefenaar van sterrekunde en cijferkunst en muzijk, en wat meer tot de opvoeding behoort?[19]Theaet.Ik geloof ja.So.Zoo hij dus met goed- of afkeuring zegt, dat wij in eenig deel des ligchaams gelijk zijn, komt het niet te pas, bijzonder op hem te letten31.Theaet.Het schijnt van neen.So.Maar zoo hij nu de ziel van een van ons beiden prees om deugd en wijsheid, zou het dan niet passen aan hem, die het gehoord heeft, dat hij ijverig den geprezenen onderzocht, en aan den anderen, dat hij bereidwillig zich vertoonde?Theaet.Ongetwijfeld,Socrates!III.So.Dus is het dan, mijn waardeTheaetetus! voor u de tijd om u te vertoonen, en voor mij om u te onderzoeken32; want wees verzekerd, datTheodorustegenover mij vele vreemden en inboorlingen geprezen heeft, maar nooit iemand zoo als u.Theaet.Dat zou goed zijn,Socrates! Maar zie eens, of hij het ook schertsend zeide.So.Dat is de gewoonte vanTheodorusniet. Maar ontwijk het toegestemde niet, door voor te geven, dat hij schertsend sprak, opdat hij niet gedwongen worde een uitdrukkelijk getuigenis af te leggen; want niemand zal hem toch wel van valsche getuigenis beschuldigen. Maar houdt gij vol moed het toegestemde vast.[20]Theaet.Dat moet ik doen, zoo gij het goedvindt.So.Zeg mij dan nu: leert gij vanTheodorushet een en ander van de meetkunst?Theaet.Ja.So.En van hetgeen de sterrekunde en de harmonie en de berekeningen betreft?Theaet.Ik hoop er meê te beginnen.So.Jongelief! ik zou het ook wel willen leeren, zoo van hem, als van anderen, die ik meen dat iets van die dingen verstaan33. Maar echter ben ik overigens met mijnen toestand in dezen nog34al tevreden, doch ik heb ééne zwarigheid, die ik met u en met hen moet onderzoeken. Zeg mij daarom eens: is niet leeren hetzelfde als kundiger35worden in hetgeen iemand leert?Theaet.Ongetwijfeld.So.En de kundigen zijn kundig door kunde?Theaet.Ja.So.Maar verschilt dit nu van kennis?Theaet.Wat?So.De kunde. Of hebben wij niet kennis van datgeen, waarin wij kundig zijn?Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus is kennis en kunde hetzelfde?[21]Theaet.Ja.So.Juist dit nu is het, wat ik niet begrijp36en niet behoorlijk bij mij zelven kan bevatten37, wat toch eigenlijk de kennis is. Kunnen wij het niet zeggen? Wat zegt gij38? Wie onzer zal het het eerste zeggen? en die fout gezegd heeft, en telkens39ieder die fout zegt, moet, zoo als de jongens zeggen, die met den bal spelen, voor ezel zitten; maar die er doorkomt zonder fouten te maken, zal onze koning zijn en voorschrijven wat hij wil40. Waarom zwijgt gij?Theodorus! ik wordt toch niet onbeleefd door mijne praatzucht? want ik verlang onder ons een vriendschappelijk gesprek aan te knoopen.Theo.Socrates!zoo iets kan nooit onbeleefd zijn, maar laat een der knapen u antwoorden; want ik ben[22]niet gewoon aan die soort van gesprek41, en ik heb den leeftijd niet om er aan te gewennen; maar dit zou hun passen, en zij zouden veel meer vorderen; want waarlijk, de jeugd is voor alle vorderingen geschikt. Doch laat, zoo als gij begonnen zijt,Theaetetusniet los, maar vraag hem.So.Gij hoort,Theaetetus! watTheodoruszegt, wien toch ook gij wel zult willen gelooven, te meer, daar het in zulke dingen een jonger persoon niet vrij staat, aan een kundig man ongehoorzaam te zijn, wanneer hij ons iets beveelt; [talm dus niet], maar zeg mij fiks en ronduit: wat gelooft gij dat de kennis is?Theaet.Het moet wel,Socrates! wanneer gij het beveelt; want, wanneer ik eenige fouten maak, zult gij die stellig wel verbeteren.IV.So.Wel zeker, als wij maar kunnen.Theaet.Ik geloof dan, dat hetgeen iemand vanTheodoruszou kunnen leeren, kennis is, namelijk meetkunst en de andere, die gij genoemd hebt, en ook het schoenmaken, en al de andere, kunsten, die door de ambachtslieden worden uitgeoefend; die allen en iedere daarvan houd ik voor niets anders dan kennis42.So.Roijaal en mild, mijn beste! geeft gij om[23]één gevraagd zijnde veel en allerlei in plaats van één.Theaet.Wat zegt gij daar,Socrates?So.Misschien niets: maar wat ik bedoel, zal ik zeggen. Wanneer gij van schoenmakerskunst spreekt, dan meent gij toch niet anders dan de kennis van het maken van schoenen?Theaet.Niets anders.So.Maar wanneer gij van schrijnwerkerskunst spreekt, meent gij dan wel iets anders, dan de kennis van het maken van houten huisraad?Theaet.Neen43.So.Dus bepaalt gij bij beiden, datgene, waarvan ieder de kennis is?Theaet.Ja.So.Maar het gevraagde,Theaetetus! was niet, welke de voorwerpen der kennis zijn, of hoeveel soorten van kennis er zijn. Want wij vroegen het niet, omdat wij ze wilden tellen, maar [omdat wij wilden] weten44, wat de kennis zelve is45. Niet waar?Theaet.Juist.So.Onderzoek dan nu ook eens dit. Zoo iemand ons vroeg aangaande die dingen van weinig waarde, die voor de hand liggen, b. v. wat klei is, zoo wij dan antwoordden: de klei van de pottenbakkers, en de[24]klei van de steenbakkers, enz., zouden wij ons dan niet bespottelijk maken?Theaet.Waarschijnlijk.So.Vooral denkelijk, omdat wij meenden, dat hij, die het vroeg, ons antwoord begrijpen zou, wanneer wij zeiden:klei, en er bijvoegdenvan pottenbakkersof van eenige andere fabrijkanten. Of meent gij, dat46iemand den naam begrijpt van een ding, waarvan hij niet weet wat het is?Theaet.Wel neen.So.Dus begrijpt iemand, die niet weet, wat kennis is, ook [de uitdrukking]: kennis van het maken van schoenen niet47?Theaet.Neen.So.Dus begrijpt iemand het woord: schoenmakerskunst niet, noch den naam van eenige andere kunst, zoo hij niet weet, wat kennis is48.Theaet.Juist zoo.So.Dus is het een bespottelijk antwoord, wanneer men, gevraagd zijnde, wat kennis is, den naam van eenige kunst antwoordt. Want dan antwoordt men,[25]wat het voorwerp der kennis is, maar hiernaar werd men niet gevraagd.Theaet.Het schijnt zoo.So.Terwijl het verder geoorloofd was49, gemakkelijk en kort te antwoorden, maakt men eenen oneindigen omweg. Zoo als het bij de vraag naar de klei gemakkelijk en eenvoudig was te zeggen: klei is eene soort van aarde, met water gekneed, en het waarvan50te laten rusten.V.Theaet.Socrates!dit ziet er oppervlakkig vrij gemakkelijk uit; maar51gij schijnt iets te vragen, zoo als hetgeen ons onlangs bij een gesprek voorkwam, namelijk mij en dezen uwen naamgenoot,Socrates.So.Wat meent gij,Theaetetus?Theaet.Theodorus, die hier staat, helderde ons de leer der inhouden met figuren op, en toonde van de vlakteinhoud van drie en van vijf vierkante voeten, dat zij in de lengte niet door éénen vierkanten voet deelbaar zijn, en alzoo doorliep hij ze één voor één, tot aan de vlakte van zeventien vierkante voeten; en[26]daar hield hij op. Wij nu kregen zoodanig iets in onze gedachte, [namelijk] om, daar die inhouden oneindig in menigte schenen, te pogen ze onder éénen naam te brengen, waarmede wij ze allen zouden kunnen benoemen52.So.En hebt gij zoodanig iets gevonden?[27]Theaet.Ik geloof van ja. Zie gij het ook eens.So.Zeg op.Theaet.Wij hebben alle getallen in twee soorten verdeeld. De getallen, die gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, vergeleken wij, wat de figuur betreft, bij het vierkant, en noemden ze gelijkzijdig.So.Goed zoo.Theaet.De getallen, die tusschen deze inliggen, waartoe 3 en 5 behooren en al die onmogelijk gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, maar óf meer lengte dan breedte, óf meer breedte dan lengte hebben, zoodat eene grootere en kleinere zijde ze insluit, die vergeleken wij bij de langwerpige figuur en noemden ze langwerpige getallen.So.Opperbest: maar wat nu verder?Theaet.Aan al de lijnen, die dienen om de gelijkzijdige getallen in de vlakte als een vierkant af te beelden, gaven wij den naam van lengte, en die dienen, om dit met de langwerpige getallen te doen, den naam van inhoudsmaten, daar zij in de lengte geene gemeene maat met die anderen hebben, maar wel in de vierkanten, waarvan zij den inhoud uitdrukken. En met de wiskunstige ligchamen hebben wij desgelijks gehandeld.So.Uitmuntend, jongens! zoodat ik geloof, dat Theodorus niet van valsche getuigenis zal kunnen beschuldigd worden.Theaet.Edoch,Socrates! wat gij aangaande de kennis vraagt, zou ik niet even goed kunnen beantwoorden, als de vraag over de lengte en de inhoudsmaat; indien ik ten minste goed inzie, dat gij iets dergelijks[28]zoekt; zoodatTheodorusnu weder een leugenaar schijnt.So.Hoe dat? zoo hij u, ten opzigte van het loopen prijzende, zeide, dat hij nooit eenen knaap ontmoet had, die zoo goed loopen kon, en gij vervolgens in eenen wedloop wijken moest voor eenen53, die zijne volle krachten had en uitmuntte in snelheid, zoudt gij dan gelooven, dat hij u eenigzins minder naar waarheid geprezen had?Theaet.Wel neen.So.Maar houdt gij het dan voor eene kleine en niet voor eene van de allerzwaarste zaken, om, zoo als ik zeide, uit te vinden, wat de kennis is54?Theaet.Waarlijk, bijZeus, ik houd het voor eene van de allerzwaarste.So.Houd maar moed over u zelven, en geloof, datTheodorusiets van gewigt55gezegd heeft en bevlijtig u op allerlei wijs, zoo omtrent de andere dingen, als omtrent de kennis, om rekenschap te bekomen, wat het toch is.Theaet.Voor zoo ver het van mijne vlijt afhangt,Socrates! zal het blijken.VI.So.Komaan dan; want daareven zijt gij goed[29]voorgegaan; beproef eens, het antwoord aangaande de inhoudsmaten nabootsende, even als gij die, hoe vele zij ook waren, met één geslacht omvat hebt, alzoo ook de vele soorten van kennis met ééne bepaling te beschrijven.Theaet.Maar wees verzekerd,Socrates! dat ik dikwijls beproefd heb dit te onderzoeken, wanneer ik de door u voorgestelde vragen hoorde verhalen; maar [weinig heeft het mij geholpen,] daar ik mij zelven niet kan overtuigen, dat ik iets zeg, dat voldoende is, en het, evenmin zóó van een’ ander kan hooren als gij verlangt; hoewel ik aan den anderen kant mijn voornemen niet kan laten varen56.So.[Dat is geen wonder], mijn besteTheaetetus! want gij zijt in barensnood, daar gij niet ledig, maar zwanger zijt.Theaet.Ik weet het niet,Socrates! maar ik zeg u den toestand, waarin ik ben57.So.Maar, mijn gekje!58hebt gij dan niet gehoord,[30]dat ik een zoon ben van eene zeer voortreffelijke en eerwaardige vroedvrouw, vanPhaenabete?Theaet.Dat heb ik reeds gehoord.So.Maar hebt gij ook gehoord, dat ik dezelfde kunst uitoefen?Theaet.Wel neen!So.Maar wees toch verzekerd, dat het zoo is59. Verklap mij echter niet bij de anderen. Want, mijn vriend! het is niet bekend, dat ik die kunst heb, en daar60zij61dit dus niet weten, zeggen zij dit niet van mij, maar wel, dat ik allerzotst ben en de menschen in de war breng62. Dat hebt gij toch wel gehoord?Theo.Wel zeker.So.Wil ik u dan de reden eens zeggen?Theaet.Gaarne.So.Bedenk dan eens, hoe al, wat eene vroedvrouw aangaat, gesteld is, en gij zult gemakkelijker begrijpen, wat ik wil. Want gij weet, dat geene derzelve, zoo[31]lang zij nog zelve zwanger wordt en kinderen baart, andere vrouwen helpt verlossen, maar dat zij dit doen die niet meer in staat zijn te baren.Theaet.Wel zeker.So.Men zegt, datArtemisdaarvan de oorzaak is, daar zij, zonder zelve te baren, het opzigt over het baren [der kraamvrouwen] gekregen heeft63. Aan onvruchtbare vrouwen nu pleegt zij de vroedkunst niet te verleenen64, wijl de menschelijke natuur te zwak is, om de theorie te vatten van iets, waarvan zij geene ondervinding heeft; maar aan de vrouwen, die door haren ouderdom niet meer baren, heeft zij dit opgedragen en ze daardoor, wijl zij aan haar gelijk zijn, eervol onderscheiden.Theaet.Waarschijnlijk65.So.Is dan ook dit niet waarschijnlijk en noodzakelijk, dat de zwangere en niet zwangere vrouwen beter door de vroedvrouwen, dan door andere onderscheiden66worden?[32]Theaet.Wel zeker.So.Verder kunnen de vroedvrouwen ook door dranken te geven en tooverformulieren67te zingen, de weeën opwekken, en, zoo zij willen, verzachten, en de vrouwen, die moeijelijk baren, laten baren, en zoo het haar noodig schijnt de vrucht af te wenden, die afwenden.Theaet.Dat is zoo.So.Hebt gij ook dit reeds van haar bemerkt, dat zij ook zeer goede aanbindsters van het huwelijk zijn, daar zij zeer bekwaam zijn, om te beslissen, hoedanige vrouw met hoedanigen man de beste kinderen kan voortbrengen?Theaet.Dat weet68ik nog niet regt.So.Maar weet dan, dat zij zich meer daarop verheffen, dan op het navelsnijden; want denk eens: gelooft gij, dat het kweeken en inzamelen der aardvruchten dezelfde of eene andere kunst69[33]is, dan het beoordeelen, in hoedanige aarde hoedanige planten en zaden moeten gelegd worden?Theaet.Neen, maar van dezelfde.So.Maar mijn beste! gelooft gij dan, dat, ten opzigte eener vrouw, eene andere de kennis is van het laatste, eene andere van het inzamelen70?Theaet.Dat is niet waarschijnlijk.So.Neen zeker niet. Maar om het onregtmatige en onkundige bijeenbrengen van man en vrouw, dat koppelen genoemd wordt, ontwijken de vroedvrouwen het aanbinden van huwelijken, daar zij eerwaardig zijn, en vreezen zich daardoor die beschuldiging te berokkenen, terwijl het toch alleenlijk aan de wezenlijke vroedvrouwen toekomt, een huwelijk goed aan te binden.Theaet.Het schijnt zoo.So.Dit nu is het werk der vroedvrouwen, dat geringer is dan het mijne. Want het gebeurt aan vrouwen niet, somtijds schimmen, en dan weer71waarachtige kinderen te baren, die niet gemakkelijk te onderkennen zijn, want zoo dat er bij was, dan zou het voor de vroedvrouwen het schoonste werk zijn, het ware en niet ware te onderscheiden, of meent gij dit niet?[34]Theaet.Ja!VII.So.Mijne vroedkunst nu heeft het overige zooals zij72, maar verschilt daarin, dat zij mannen en geen vrouwen verlost, en dat zij de zielen als zij baren in het oog houdt, maar niet de ligchamen. Maar dit is het voornaamste in onze kunst, in staat te zijn op allerlei wijs te onderzoeken, of het verstand van den jongeling eene schim en leugen baart, of iets dat echt en waar is. Verder heb ik ook dit, dat aan de vroedvrouwen eigen is: ik baar zelf geene wijsheid, en wat reeds velen mij verweten hebben, dat ik de anderen vraag, maar zelf over niets eenig antwoord geef, daar ik volstrekt geene wijsheid heb, dat verwijten zij mij met regt73. De oorzaak nu hiervan is deze, dat de godheid mij dwingt om de vroedkunst uit te oefenen, maar mij belet heeft te baren74. Ik[35]nu ben zelf wel niet bijzonder wijs, en heb geene zoodanige75uitvinding gedaan, die het kind is van mijnen geest; doch zij, die met mij omgaan, schijnen in het eerst, sommigen zelfs bijzonder dom, maar bij voortgaanden omgang schijnen allen, wien God dit toestaat, naar hun eigen oordeel en dat van anderen, verwonderlijk toe te nemen; en het is duidelijk, dat zij [dit doen] zonder ooit iets van mij te leeren, maar door zelve uit zich zelve vele schoone dingen te vinden en vast te houden; de verlossing echter is dan door mij met Gods hulp bewerkt. Dit nu blijkt aldus. Reeds velen, die dit niet begrepen en zich zelve de oorzaak noemden, maar mij niet telden, zijn, hetzij vrijwillig, hetzij door anderen overgehaald, vroeger dan behoorde heengegaan, en nadat zij heengegaan waren, hebben zij verder miskramen gehad door de slechte behandeling, en hebben, hetgeen door mij verlost was, met slecht voedsel verdorven, daar zij leugens en schimmen hooger stelden dan de waarheid, en eindelijk76schenen zij aan zich zelve en aan anderen bijzonder onwetend. Hiertoe behoortAristides, de zoon vanLysimachus, en vele anderen. En wanneer die[36]wederkomen, en om mijnen omgang verzoeken, en allerlei vreemde dingen doen77, dan belet het goddelijke78[teeken], dat mij verleend wordt, mij om met sommigen om te gaan, en met anderen vergunt het zulks; en die nemen dan weder toe. Zij nu, die met mij omgaan, hebben ook dit met de kraamvrouwen gemeen, dat zij zelfs vrij wat meer weeën hebben en nacht en dag met benaauwdheid vervuld worden. Die weeën kan mijne kunst opwekken en tot bedaren brengen. Zoo nu gaat het met hen79. Maar somtijds,Theaetetus! zoo er zijn, die mij niet zwanger schijnen, en waarvan ik inzie, dat zij mij geenszins behoeven, ben ik zoo goed ze aan den man te helpen, en (menschelijker wijs gesproken80,) kan ik[37]al zeer goed gissen, van wiens omgang zij nut kunnen trekken. Vele hunner heb ik aanProdicusof aan andere wijze en uitstekende mannen overgegeven.Dit, mijn beste! heb ik u daarom zoo uitvoerig verteld, omdat81ik giste, dat gij, zoo als gij ook zelf meent, weeën hebt, daar gij zwanger zijt. Gedraag u dus jegens mij als jegens den zoon eener vroedvrouw, die zelf de vroedkunst verstaat, en bevlijtig u mijne vragen zoo goed gij kunt te beantwoorden82. En zoo ik dan, iets onderzoekende van hetgeen gij zegt, dat voor eene schim en voor niet waarachtig houd, [en] het vervolgens opneem en wegwerp, wees dan niet boos op mij, zoo als de voor het eerst barende ten opzigte der kinderen. Want velen, mijn waardste! waren zóó jegens mij gesteld, dat zij waarlijk op het punt waren mij te bijten, wanneer ik hun eenige beuzelarij ontrukte, en niet geloofden, dat ik dit uit welwillendheid deed, daar zij ver waren van het inzigt, dat geen god jegens de menschen kwaadgezind83is, en ik niets van dien aard uit kwaadwilligheid doe, maar dat het mij geenszins vrij[38]staat een leugen toe te stemmen, en iets waars te verduisteren.VIII. Beproef dan nog eens van voren af aan,Theaetetus! te zeggen, wat kennis is; maar zeg nooit, dat gij er niet toe in staat zijt, want, zoo God wil en gij u mannelijk gedraagt, zult gij er toe in staat zijn.Theaet.Maar84waarlijk,Socrates! daar gij mij aldus aanspoort, zou het schandelijk wezen, niet in alle opzigten zijn best te doen, om alles te zeggen, wat men kan. Ik geloof dan, dat hij, die iets kent, dat, wat bij kent, voelt, en, naar mij nu voorkomt, is de kennis niets anders dan gevoel85.So.Goed zoo, mijn jongen! want zoo moet men vrijuit spreken. Maar kom aan! laten wij dit te zamen onderzoeken, of het goed of ijdel86is. Gij zegt: kennis is gevoel87?Theaet.Ja.So.Gij schijnt daar waarlijk eene niet onbelangrijke uitspraak over de kennis te doen, maar dezelfde bepaling te geven alsProtagoras. Hij toch zeide volkomen hetzelfde88, met eenigzins andere woorden.[39]Want hij zegt, als ik wel heb89, dat de mensch de maat van alle dingen is, van de dingen die zijn, dat zij zijn, en van de dingen die niet zijn, dat zij niet zijn. Hebt gij dat niet wel eens gelezen?Theaet.Ja, dikwijls.So.Zegt hij dan niet ongeveer dit? Dat, gelijk alle dingen aan mij toeschijnen, zij alzoo ook voor mij zijn, en gelijk zij aan u toeschijnen, voor u; edoch dat gij en ik menschen zijn?Theaet.Ja: dat zegt hij.So.Het is waarlijk niet te denken, dat een verstandig man onzin praat: laten wij hem dus volgen. Is niet somtijds, terwijl dezelfde wind waait, de een onzer koud, de ander niet? en de een een weinig, de ander zeer?Theaet.Ongetwijfeld.So.Zullen wij dan nu den wind op zich zelven koud of niet koud noemen? of zullen wijProtagorasgelooven, dat hij voor hem, die het koud heeft, koud is, en voor den anderen niet?Theaet.Het laatste90.So.Edoch het komt aan ieder alzoo voor.[40]Theaet.Ja.So.Dat is: ieder voelt het zoo.Theaet.Juist.So.Dus komt het voor waar houden en het voelen in het warme en alle dergelijken op hetzelfde neêr. Want wat ieder voelt, dat schijnt voor ieder ook te zijn.Theaet.Het schijnt zoo.So.Derhalve heeft het gevoel altijd het wezenlijke en de waarheid tot voorwerp91, daar het kennis is.Theaet.Het schijnt zoo.So. Maar, bij de Gratiën! was danProtagoraseen doorgeleerd man, die voor ons als den grooten hoop zich zoo duister uitdrukte, maar aan zijne leerlingen in het verborgen de waarheid zeide92?Theaet.Hoe meent gij dat,Socrates?So.Ik zal u die waarlijk niet verwerpelijke redenering mededeelen93, namelijk, dat niets op zich zelf bestaat, en dat gij aan niets met regt deze of die hoedanigheid of eigenschap94kunt toeschrijven, maar, zoo gij het groot noemt, zal het ook klein schijnen, en, zoo gij het zwaar noemt, ligt, enz. daar niets één, of dit, of zoodanig is; maar alles, wat wij[41]verkeerdelijk zeggen te bestaan, eigenlijk ontstaat uit beweging en onderlinge vermenging; want nooit is er iets, maar steeds wordt het. En daarover is de geheele rij der wijzen, behalveParmenides95, het eens, [namelijk]ProtagorasenHeraclietenEmpedocles, en de eerste dichters van beide dichtsoorten,Epicharmusvan de Comedie, enHomerusvan de Tragedie; want, toen de laatste sprak van den Oceaan, den vader der goden, en hunne moederTethys, leerde hij, dat alles uit vloeijing en verandering ontstaan is; of dunkt u niet, dat hij dat bedoelt?Theaet.Ongetwijfeld.IX.So.Wie zou dan nu nog in staat zijn aan zulk een leger, aangevoerd door eenen veldheer alsHomerus, weêrstand te bieden, zonder zich schande te berokkenen?Theaet.Dat is niet gemakkelijk,Socrates!So.Zekerlijk niet,Theaetetus! te meer, daar de [waarheid dezer] leer ook voldoende daardoor wordt aangeduid, dat verandering de bron is van den schijn van bestaan en van het worden, maar rust van het niet bestaan en het vergaan96; want de warmte en het vuur, dat de andere dingen doet ontstaan, en in[42]stand houdt, wordt zelf voortgebragt door beweging97en wrijving, en die twee door verandering. Of is dat niet de oorsprong van het vuur?Theaet.Ongetwijfeld.So.En ook de dieren nemen hunnen oorsprong uit hetzelfde.Theaet.Zeer zeker.So.Wordt verder98de toestand der ligchamen niet door rust en ledigheid bedorven, maar door oefening en beweging over het geheel bewaard?Theaet.Ja.So.En is het niet door studie en oefening, dat is door beweging, dat de99ziel kennis verkrijgt en die voor zich bewaart en beter wordt, terwijl zij door rust, dat is door verwaarloozing en gebrek aan studie,[43]niet alleen niet leert, maar ook nog daarenboven hetgeen zij geleerd heeft, vergeet100?Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus is het goede voor ziel en ligchaam beweging, het kwade daarentegen het tegenovergestelde101?Theaet.Het schijnt zoo.So.Moet ik nu nog stilte van wind en water, enz. noemen [en zeggen] dat rust rotting en verderf veroorzaakt, maar het tegenovergestelde bewaart? en moet ik daarop nu nog de kroon zetten102, daarbij bewerende, datHomerusmet de gouden keten niets anders meent dan de zon, en te kennen geeft, dat, zoo lang als het omwentelen en de zon in beweging blijft, alles onder de Goden en de menschen bestaat en behouden blijft; maar dat, zoo die als gebonden bleef staan, alles bedorven en, naar het spreekwoord zegt, te onderste boven gekeerd zou worden103?[44]Theaet.Ik geloof,Socrates! dat dit te kennen geeft, wat gij zegt.X.So.Vat het dan nu aldus op, mijn beste! Vooreerst wat betreft de oogen, dat, hetgeen gij witte kleur noemt, niets op zich zelf is buiten de oogen noch in de oogen; en dat er geene vaste plaats aan kan toegewezen worden. Want [zoodra gij dat deedt], was hetgeen bestaat, ergens in eenen vastgestelden toestand, en zou blijven en niet meer aanhoudend worden.Theaet.Maar hoe dan?So.Laat ons, het daareven gezegde volgende, niets als op zich zelf bestaand beschouwen; en het zal alzoo blijken, dat zwart en wit en elke andere kleur voor ons ontstaat uit het stuiten der oogen op de daarmede overeenstemmende104beweging; en al wat wij kleur noemen, zal noch het stuitende noch hetgeen, waarop gestuit wordt, zijn, maar voor ieder iets bijzonders, dat daartusschen wordt; of zoudt gij durven beweren, dat, zoo als iedere kleur u voorkomt, zij eveneens voorkomt aan eenen hond en aan elk ander dier?Theaet.Neen, waarlijk niet.So.Maar verder: komt iets eveneens voor aan een ander en aan u? zijt gij daar zeker van, of veel meer, dat ook aan u hetzelfde niet [eveneens voorkomt], daar gij nooit in denzelfden toestand zijt [als vroeger]?[45]Theaet.Het laatste komt mij waarschijnlijker voor dan het eerste.So.Zoo dus, hetgeen wij met iets anders meten of hetgeen wij aanraken, groot of wit of warm was, dan zou het nooit met een ander in aanraking komende, wat anders geworden zijn, zonder dat het zelf veranderde; en zoo het gemetene of aangeraakte ieder van die dingen105was, dan zou het niet, wanneer iets anders er bij kwam, of iets onderging, zonder zelf iets ondergaan te hebben, anders geworden zijn106, daar wij nu, mijn vriend! [zoo wij dit beweren] gedwongen worden iets vreemds en bespottelijks te zeggen, zoo alsProtagorasen ieder, die hem poogt te volgen, zou aanmerken.Theaet.Hoe en wat meent gij?So.Ik zal u een klein voorbeeld geven107, en gij zult alles weten, wat ik bedoel. Immers zoo gij met zes dobbelsteenen, vier vergelijkt, zeggen wij, dat de zes meer zijn dan de vier en [wel] anderhalf [maal[46]zooveel], maar, zoo gij er twaalf [mede vergelijkt], minder en de helft; en het is niet toe te laten, dat men het anders zegt; of zoudt gij het toelaten?Theaet.Wel neen.So.Wat nu? zooProtagorasof iemand anders u vroeg:Theaetetus! is het mogelijk, dat iets op eene andere wijs grooter of meer wordt, dan door vermeerdering108? wat zoudt gij antwoorden?Theaet.Wanneer ik,Socrates! op het nu gevraagde moet antwoorden, wat mij voorkomt, [dan zou ik antwoorden], dat het niet mogelijk is, maar wegens de vorige vraag, zal ik, om mij niet tegen te spreken, zeggen, dat het wel mogelijk is109.So.Mooi, bijHera! mijn vriend, en goddelijk; maar, waarschijnlijk zal er, zoo gij antwoordt, dat het mogelijk is, iets als het doorEuripides110vermelde plaats[47]hebben; want onze tong zal de tegenstrijdigheid vermeden hebben, maar onze geest niet111.Theaet.Dat is waar.So.Dus wanneer ik en gij knap112en wijs waren, dan zouden wij de zaak, voor zoo ver zij onzen geest raakt, als voldoende onderzocht beschouwende, verder voor tijdverdrijf elkanders krachten beproeven en als Sophisten zulk eenen strijd ondernemen, en met redeneringen elkanders redeneringen verslaan; maar nu, daar wij maar gewone menschen zijn, willen wij eerst eens stuk voor stuk onderzoeken, wat het is, wat wij denken, en of wij er tegenstrijdigheid in merken of niet113.Theaet.Dat zou ik zeer gaarne willen.[48]XI.So.En ik niet minder. Wanneer het er nu zoo meê staat, willen wij dan wel iets anders doen dan bedaard, daar wij zeer veel tijd hebben, nog eens van voren af aan nasporen; zonder ons moeijelijk te maken, maar waarlijk ons zelve onderzoekende, wat die verschijnsels114in ons te beduiden hebben. Dit ons onderzoek, denk ik, zullen wij beginnen met vast te stellen, dat niets ooit, hetzij in omvang, hetzij in aantal, grooter of kleiner wordt, zoolang het aan zich zelf gelijk is. Is het niet zoo?Theaet.Ja.So.Verder, dat waar niets bij of af gaat, dat dit meer noch minder wordt, maar altijd gelijk is.Theaet.Ongetwijfeld.So.Kunnen wij ook niet ten derde vaststellen, dat hetgeen vroeger niet was, later niet zijn kan zonder te worden115?Theaet.Het komt mij althans zoo voor.So.Deze drie toegestemde stellingen nu strijden in onzen geest met elkander, wanneer wij het voorbeeld[49]der dobbelsteenen bezigen, of wanneer wij zeggen, dat, nu ik van deze lengte ben, ik in een jaar nu grooter ben dan gij, die jong zijt, en later kleiner, terwijl er niets van mijne grootte wordt afgenomen, maar gij groeit. Want ik ben later wat ik vroeger niet was, zonder dat ik het geworden ben; want zonder worden, is geworden zijn niet mogelijk, en zonder iets van mijne grootte te verliezen, zou ik nooit kleiner worden. En zoo wij dit aannemen, zijn oneindig vele andere dingen eveneens gesteld116, want,Theaetetus! ik geloof, dat gij hierin niet onbedreven zijt.Theaet.En bij de Goden,Socrates! ik verwacht met verwondering, wat dat toch is, en somtijds word ik waarlijk, als ik hierop zie, duizelig.So.Theodorus, mijn vriend! schijnt niet kwaad omtrent uwen aard te gissen. Deze aandoening toch, de verwondering, is vooral117aan den wijsgeer eigen; want er is geen ander begin118van de wijsbegeerte dan dit, en hij, dieIrisde dochter vanThaumas[50]noemde, schijnt niet kwaad hare afkomst op tegeven119. Maar begrijpt gij dan nu, waarom dit zoodanig is, volgens hetgeen wij zeggen datProtagorasleert, of nog niet120?Theaet.Ik geloof nog niet.So.Zult gij het mij dan dank weten, zoo ik met u de verborgene waarheid der gedachte van een, of liever van verscheidene beroemde mannen uitvind121?Theaet.Hoe zou ik u daarvoor niet zeer veel dank weten?XII.So.Zie dan nu eens goed in de rondte, of niemand van de oningewijden ons beluistert. Zij nu zijn diegenen, die niets voor wezenlijk houden, dan hetgeen zij vast met de handen kunnen grijpen, maar die handelingen en wordingen en al het onzigtbare niet als wezenlijk erkennen122.[51]Theaet.Waarlijk,Socrates! gij noemt daar al zeer drooge en weêrbarstige menschen.So.Ja, jongen! zij zijn zeer onbeschaafd. Maar er zijn andere veel geestiger lieden, wier geheimenissen ik u zal mededeelen. Hun beginsel nu, waaruit ook al hetgeen wij daareven123reeds zeiden is afgeleid, is dit, dat alles beweging is124en verder niets, en[52]dat er twee soorten van beweging zijn, die ieder oneindig vele onderdeelen hebben, maar de eene de kracht van doen, de andere van lijden hebben125. Uit haar onderling verkeer en hare wrijving tegen elkander ontstaan voortbrengsels, die wel oneindig in getal zijn, maar in twee hoofdsoorten kunnen verdeeld worden, namelijk het voelbare en het gevoel, dat steeds tegelijk met het voelbare vergaat en ontstaat. De aandoeningen nu des gevoels worden door ons benoemd met de namen van: gezigt, gehoor, reukaandoeningen, koude, hitte, vermaken, smarten, begeerten, vrees126en andere, waarvan eene oneindige menigte nog onbenoemd is, maar toch de benoemde zeer veel in getal zijn; en de voelbare soort komt met ieder van dezen overeen127, met al de verschillende gezigtsaandoeningen, de verschillende kleuren, en zoo ook de klanken met de gehoorsaandoeningen, en de overige voelbare dingen, die met de overige aandoeningen des gevoels van dezelfde soort worden. Wat wil nu dit gezegde ten opzigte van het vorige,Theaetetus? begrijpt gij het?Theaet.Niet bijzonder,Socrates!So.Maar zie, of gij het op eenigerlei wijze begrijpt,[53]wanneer128het voluit gezegd is. Want het wil zeggen129, dat dit alles, zooals wij zeggen, bewogen wordt, en dat in hunne beweging snelheid en traagheid is. Wat nu traag is, heeft de beweging op dezelfde130plaats en naar het digtbijzijnde, en brengt alzóó [eene gevoelsaandoening] voort, en het alzoo voortgebragte is trager; en wat snel is, heeft de beweging naar het meer verwijderde en brengt aldus voort, en het voortgebragte is alzoo sneller. Want het beweegt zich in de ruimte, en de beweging is beweging in de ruimte131. Wanneer nu een oog en iets anders van de dingen, die daarmede overeenstemmen132, tot elkander genaderd zijnde, de witheid en eene gevoelsaandoening, die daarmede overeenstemt, doet ontstaan, hetgeen nooit zou plaats hebben, wanneer een hunner bij iets anders gekomen was, dan pleegt, terwijl zich tusschen [het oog en het zigtbare] het gezigt van den kant der oogen en de witheid van dien der mede-oorzaak van de kleur beweegt, het oog vol te worden met gezigt, en dan ziet het, en wordt niet gezigt, maar een oog dat ziet; en hetgeen mede de kleur verwekt heeft, wordt rondom met witheid gevuld133[54]en wordt niet witheid, maar wit, hetzij een stok of een steen, of welk ding ook met zoodanige kleur gekleurd is. En het andere, het harde, warme, enz. moet men even zoo opvatten, dat het op zich zelf nietsis, wat wij ook daareven zeiden, maar dat bij het onderlinge verkeer alleswordten allerlei eigenschappen bekomt door de beweging, daar het niet geoorloofd is134eens vooral, zoo als men zegt, het bedrijvende en het lijdende onder een vast begrip te brengen. Want niets is bedrijvend voordat het met het lijdende zamenkomt, noch lijdend voordat [het] met het bedrijvende [zamenkomt]; en wat, met het eene zamenkomend, bedrijvend is, vertoont zich, in verband met iets anders, als lijdend. Zoodat volgens dit alles, hetgeen wij van den beginne zeiden, niets van eene onveranderlijke hoedanigheid is, maar [alle dingen]135steeds in eenig opzigtworden, doch hetzijnoveral moet uitgesloten worden, alhoewel136wij nog daarzoo[55]door ongewoonte en onbekwaamheid dikwijls genoopt werden, die uitdrukking te gebruiken. Dit is echter, gelijk de wijzen zeggen, niet geoorloofd, en evenmin iets te bevestigen, of van iemand, of van mij, of dit of dat, of eenig ander woord, dat eenen blijvenden toestand uitdrukt; maar men moet137, zoo als de natuur vordert, spreken van ontstaan, en gemaakt worden, en vergaan, en veranderd worden; daar hij, die beweert, dat iets bestendig is, gemakkelijk kan weêrlegd worden. En men moet zoo van ieder afzonderlijk138spreken en van velen te zamen, die vereenigd den naam van mensch, steen, dier, enz. bekomen. Bevalt u dit,Theaetetus! en smaakt het u, zoodat gij er van eten wilt?

I.Eucl.Zijt gij daar even van het land gekomen,Terpsion! of reeds eene poos geleden?Terp.Al eene vrij lange poos geleden. En ik zocht u op de markt1en verwonderde mij, dat ik u niet vinden kon.Eucl.[Dat is geen wonder], want ik was niet in de stad.Ter.Waar dan?Eu.Ik was naar de haven gegaan, en vond daarTheaetetus, die vanCorinthe, uit het leger, naarAthenegebragt werd2.[10]Ter.Was hij dood of levend?Eu.Hij was nog levend, maar op het randje van den dood, want hij lijdt aan verscheidene wonden, maar nog meer tast hem de ziekte aan, die in het leger ontstaan is.Ter.Toch niet de roode loop?Eu.Juist.Ter.Welk een man zegt gij daar, dat in levensgevaar is!Eu.Een uitstekend man,Terpsion: zoo als ik ook nu weder gehoord heb van menschen, die zijne dapperheid in het gevecht bijzonder roemden.Ter.Dat is ook niet vreemd; het zou veel verwonderlijker zijn, als hij zoo niet was3. Maar waarom hield hij hier, teMegara, niet stil?Eu.Hij had groot verlangen naar huis. Althans ik bad hem en ried hem [te blijven,] maar hij wilde niet. En ik verzeker u4, dat, toen ik hem een eind wegs begeleid had, en wederkeerde, ik mij met verwondering te binnen bragt, hoeSocratesook omtrent hem als een profeet heeft gesproken. Want ik meen, dat hij kort voor zijnen dood hem, die toen nog een knaap was, ontmoet heeft, en nadat hij eenigen tijd met hem gesproken had, zijnen inborst5zeer heeft[11]bewonderd. En toen ik teAthenekwam, verhaalde hij mij, wat hij met hem gesproken had6, hetwelk zeer hoorenswaard was, en hij zeide, dat hij noodzakelijk uitstekend7zou worden, wanneer hij op jaren gekomen was.Ter.En hij schijnt de waarheid gezegd te hebben8.[12]Maar wat was dat dan voor een gesprek? zoudt gij het kunnen verhalen9.Eu.BijZeus! zoo uit mijn hoofd onmogelijk. Maar ik hield toen, zoodra ik te huis kwam, voor mij zelven aanteekeningen, en naderhand schreef ik op mijn gemak er bij, wat ik mij herinnerde, en zoo dikwijls ik naarAthenekwam, vroeg ikSocratesweder wat ik mij niet herinnerde, en als ik hier kwam,[13]verbeterde ik het; zoodat ik genoegzaam het geheele gesprek op schrift heb10.Ter.Ja, dat heb ik reeds te voren van u gehoord, en terwijl ik altijd voornemens was, u te verzoeken het mij te laten zien, heb ik daarmede tot nu toe getalmd. Maar wat belet ons het nu door te loopen? Ik heb toch buitendien behoefte aan rust, daar ik van het land kom.Eu.[Dat is niet alleen met u het geval], maar ik hebTheaetetustotErineus11begeleid, zoodat ik niet ongaarne wat zou rusten. Laat ons dan gaan, en wanneer wij rusten, zal mijn slaaf het ons meteen voorlezen12.Ter.Dat is goed.Eu.Dit is het boek,Terpsion! En ik heb het gesprek aldus opgeschreven, dat ik nietSocratesals aan mij verhalende voorstelde, maar als sprekende met diegenen, met wie hij zeide gesproken te hebben13. Hij nu zeide, [dat hij het gesprek gevoerd had] met den meetkunstenaarTheodorusen metTheaetetus. Opdat nu in het geschrift die tusschen de redekaveling ingevoegde vermeldingen overSocrates, wanneer hij sprak, b. v.,en ik zeide, ofen ik sprak, of ook[14]over den anderen14:hij stemde toe, ofhij ontkende het, niet lastig zouden zijn, daarom heb ik het geschreven, alsof hij zelf met hen sprak, met vermijding van die dingen.Ter.En daaraan hebt gij goed gedaan,Euclides!Eu.[Wij willen dan niet langer talmen], maar, jongen! neemt het boek en lees.—II.So.Zoo ik mij meer om de inwoners vanCyrenebekommerde,Theodorus! dan zou ik u vragen naar hetgeen daar geschiedt, en over hen, of aldaar eenige jongelingen zijn, die werk maken van de meetkunst of eenige andere wetenschap15, maar nu, daar ik hen minder dan mijne landgenooten16lief heb, en meer verlang te weten, wie van onze jongelingen uitstekend schijnen te zullen worden, onderzoek ik dit [laatste] zooveel ik kan zelf, en vraag er de anderen naar, met wie ik de jongelingen gaarne zie omgaan. Nu komen tot u waarlijk niet de minsten, en dat[15]met regt; want gij verdient het, én om andere redenen, én ook om de meetkunst. Zoo gij dus iemand ontmoet hebt, die vermelding verdient, zou ik het gaarne vernemen.Theo.En waarlijk,Socrates! het is voor mij de moeite waard om te zeggen, en voor u om te hooren, met welk een knaap17uit uwe medeburgers ik kennis gemaakt heb. En zoo hij schoon was, dan zou ik vreezen mij daar sterk over uit te laten, uit vrees dat iemand meenen zou, dat ik verliefd op hem was18; maar neem het mij niet kwalijk, hij is niet schoon en gelijkt op u in platheid van neus en uitpuilende oogen; slechts heeft hij dat iets minder dan gij; en bij gevolg zeg ik het onbeschroomd. Want weet, dat van allen, die ik ooit ontmoet heb, (en ik heb er met vrij wat omgegaan), ik nooit iemand heb opgemerkt van zulk eenen goeden aanleg19. Want vlug van begrip zijnde, even uitstekend zachtmoedig te zijn als men anders in dat geval lastig van humeur is, en daarbij vol geestkracht20,—dat zou ik niet denken,[16]dat mogelijk was, en ik zie, ook niemand, bij wien het plaats heeft; maar die zoo levendig zijn als hij en zoo vlug van bevatting en met zulk een goed geheugen begaafd, zijn gewoonlijk ook ligt tot toorn21geneigd, en worden met geweld geslingerd, even als schepen zonder ballast, en zijn van nature meer driftig dan veêrkrachtig; en zij, die meer bedaardheid hebben, zijn vaak langzaam in het leeren en van een slecht geheugen voorzien. Hij echter komt zoo gemakkelijk en geleidelijk22en steeds voortgaande tot de studie en het onderzoek, [en] met [zoo] veel zachtmoedigheid, gelijk eene beek van olie, die vloeit zonder geraas te maken, dat het een wonder is, dat iemand, nog zoo jong, dit zoo kan tot stand brengen.So.Daar zegt gij wat goeds. Maar van welken Athener is hij een zoon?Theo.Ik heb den naam wel gehoord, maar herinner mij dien niet. Maar [dat komt er niet op aan], want hij is de middelste van de knapen, die daar aankomen. Want daar even waren hij en deze zijne makkers in den buitensten omgang23, bezig zich met olie in te wrijven24, en nu meen ik, dat[17]zij daarmede gereed zijn25en herwaarts komen. Maar zie eens, of gij hem kent.So.Ik ken hem. Hij is de zoon vanEuphroniusvanSunium26, een man, mijn vriend! die geheel was, zoo als gij dezen beschrijft, en buitendien zeer gezien, en die ook veel geld heeft nagelaten. Maar den naam van den knaap weet ik niet.Theo.Zijn naam,Socrates! isTheaetetus, maar zijn geld geloof ik, dat zijne voogden27opgemaakt hebben. Doch hij is tevens ook verwonderlijk los van het geld,Socrates!So.Gij geeft hem daar eene schoone lofspraak28. Verzoek hem hier bij mij te komen zitten.[18]Theo.Dat zal gebeuren.Theaetetus!kom hier bijSocrates.So.Ja, doe dat,Theaetetus, opdat ik mij zelven beschouwe, hoedanig een gelaat ik heb; wantTheodoruszegt, dat ik er een heb, dat op het uwe gelijkt. Maar zoo wij nu eens ieder eene lier hadden, en hij zeide, dat die eveneens gestemd waren, zouden wij hem dan terstond gelooven, of zouden wij onderzoeken, of hij dat zeide, omdat hij kennis had van de muzijk?Theaet.Dat zouden wij onderzoeken.So.En wanneer wij hem dan zóó vonden29, zouden wij hem zeker gelooven, maar zoo hij geene muzijk verstond, niet.Theaet.Dat is waar.So.Maar nu geloof ik, zoo de gelijkheid van aangezigt ons niet onverschillig is, dat wij dan onderzoeken moeten, of hij het zegt, omdat hij er verstand van heeft, of niet.Theaet.Ik geloof ja.So.Maar isTheodorusdan een schilder?Theaet.Zoo ver ik weet, niet30.So.Maar is hij ook geen meetkunstenaar?Theaet.Wel zeker,Socrates!So.En ook een beoefenaar van sterrekunde en cijferkunst en muzijk, en wat meer tot de opvoeding behoort?[19]Theaet.Ik geloof ja.So.Zoo hij dus met goed- of afkeuring zegt, dat wij in eenig deel des ligchaams gelijk zijn, komt het niet te pas, bijzonder op hem te letten31.Theaet.Het schijnt van neen.So.Maar zoo hij nu de ziel van een van ons beiden prees om deugd en wijsheid, zou het dan niet passen aan hem, die het gehoord heeft, dat hij ijverig den geprezenen onderzocht, en aan den anderen, dat hij bereidwillig zich vertoonde?Theaet.Ongetwijfeld,Socrates!III.So.Dus is het dan, mijn waardeTheaetetus! voor u de tijd om u te vertoonen, en voor mij om u te onderzoeken32; want wees verzekerd, datTheodorustegenover mij vele vreemden en inboorlingen geprezen heeft, maar nooit iemand zoo als u.Theaet.Dat zou goed zijn,Socrates! Maar zie eens, of hij het ook schertsend zeide.So.Dat is de gewoonte vanTheodorusniet. Maar ontwijk het toegestemde niet, door voor te geven, dat hij schertsend sprak, opdat hij niet gedwongen worde een uitdrukkelijk getuigenis af te leggen; want niemand zal hem toch wel van valsche getuigenis beschuldigen. Maar houdt gij vol moed het toegestemde vast.[20]Theaet.Dat moet ik doen, zoo gij het goedvindt.So.Zeg mij dan nu: leert gij vanTheodorushet een en ander van de meetkunst?Theaet.Ja.So.En van hetgeen de sterrekunde en de harmonie en de berekeningen betreft?Theaet.Ik hoop er meê te beginnen.So.Jongelief! ik zou het ook wel willen leeren, zoo van hem, als van anderen, die ik meen dat iets van die dingen verstaan33. Maar echter ben ik overigens met mijnen toestand in dezen nog34al tevreden, doch ik heb ééne zwarigheid, die ik met u en met hen moet onderzoeken. Zeg mij daarom eens: is niet leeren hetzelfde als kundiger35worden in hetgeen iemand leert?Theaet.Ongetwijfeld.So.En de kundigen zijn kundig door kunde?Theaet.Ja.So.Maar verschilt dit nu van kennis?Theaet.Wat?So.De kunde. Of hebben wij niet kennis van datgeen, waarin wij kundig zijn?Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus is kennis en kunde hetzelfde?[21]Theaet.Ja.So.Juist dit nu is het, wat ik niet begrijp36en niet behoorlijk bij mij zelven kan bevatten37, wat toch eigenlijk de kennis is. Kunnen wij het niet zeggen? Wat zegt gij38? Wie onzer zal het het eerste zeggen? en die fout gezegd heeft, en telkens39ieder die fout zegt, moet, zoo als de jongens zeggen, die met den bal spelen, voor ezel zitten; maar die er doorkomt zonder fouten te maken, zal onze koning zijn en voorschrijven wat hij wil40. Waarom zwijgt gij?Theodorus! ik wordt toch niet onbeleefd door mijne praatzucht? want ik verlang onder ons een vriendschappelijk gesprek aan te knoopen.Theo.Socrates!zoo iets kan nooit onbeleefd zijn, maar laat een der knapen u antwoorden; want ik ben[22]niet gewoon aan die soort van gesprek41, en ik heb den leeftijd niet om er aan te gewennen; maar dit zou hun passen, en zij zouden veel meer vorderen; want waarlijk, de jeugd is voor alle vorderingen geschikt. Doch laat, zoo als gij begonnen zijt,Theaetetusniet los, maar vraag hem.So.Gij hoort,Theaetetus! watTheodoruszegt, wien toch ook gij wel zult willen gelooven, te meer, daar het in zulke dingen een jonger persoon niet vrij staat, aan een kundig man ongehoorzaam te zijn, wanneer hij ons iets beveelt; [talm dus niet], maar zeg mij fiks en ronduit: wat gelooft gij dat de kennis is?Theaet.Het moet wel,Socrates! wanneer gij het beveelt; want, wanneer ik eenige fouten maak, zult gij die stellig wel verbeteren.IV.So.Wel zeker, als wij maar kunnen.Theaet.Ik geloof dan, dat hetgeen iemand vanTheodoruszou kunnen leeren, kennis is, namelijk meetkunst en de andere, die gij genoemd hebt, en ook het schoenmaken, en al de andere, kunsten, die door de ambachtslieden worden uitgeoefend; die allen en iedere daarvan houd ik voor niets anders dan kennis42.So.Roijaal en mild, mijn beste! geeft gij om[23]één gevraagd zijnde veel en allerlei in plaats van één.Theaet.Wat zegt gij daar,Socrates?So.Misschien niets: maar wat ik bedoel, zal ik zeggen. Wanneer gij van schoenmakerskunst spreekt, dan meent gij toch niet anders dan de kennis van het maken van schoenen?Theaet.Niets anders.So.Maar wanneer gij van schrijnwerkerskunst spreekt, meent gij dan wel iets anders, dan de kennis van het maken van houten huisraad?Theaet.Neen43.So.Dus bepaalt gij bij beiden, datgene, waarvan ieder de kennis is?Theaet.Ja.So.Maar het gevraagde,Theaetetus! was niet, welke de voorwerpen der kennis zijn, of hoeveel soorten van kennis er zijn. Want wij vroegen het niet, omdat wij ze wilden tellen, maar [omdat wij wilden] weten44, wat de kennis zelve is45. Niet waar?Theaet.Juist.So.Onderzoek dan nu ook eens dit. Zoo iemand ons vroeg aangaande die dingen van weinig waarde, die voor de hand liggen, b. v. wat klei is, zoo wij dan antwoordden: de klei van de pottenbakkers, en de[24]klei van de steenbakkers, enz., zouden wij ons dan niet bespottelijk maken?Theaet.Waarschijnlijk.So.Vooral denkelijk, omdat wij meenden, dat hij, die het vroeg, ons antwoord begrijpen zou, wanneer wij zeiden:klei, en er bijvoegdenvan pottenbakkersof van eenige andere fabrijkanten. Of meent gij, dat46iemand den naam begrijpt van een ding, waarvan hij niet weet wat het is?Theaet.Wel neen.So.Dus begrijpt iemand, die niet weet, wat kennis is, ook [de uitdrukking]: kennis van het maken van schoenen niet47?Theaet.Neen.So.Dus begrijpt iemand het woord: schoenmakerskunst niet, noch den naam van eenige andere kunst, zoo hij niet weet, wat kennis is48.Theaet.Juist zoo.So.Dus is het een bespottelijk antwoord, wanneer men, gevraagd zijnde, wat kennis is, den naam van eenige kunst antwoordt. Want dan antwoordt men,[25]wat het voorwerp der kennis is, maar hiernaar werd men niet gevraagd.Theaet.Het schijnt zoo.So.Terwijl het verder geoorloofd was49, gemakkelijk en kort te antwoorden, maakt men eenen oneindigen omweg. Zoo als het bij de vraag naar de klei gemakkelijk en eenvoudig was te zeggen: klei is eene soort van aarde, met water gekneed, en het waarvan50te laten rusten.V.Theaet.Socrates!dit ziet er oppervlakkig vrij gemakkelijk uit; maar51gij schijnt iets te vragen, zoo als hetgeen ons onlangs bij een gesprek voorkwam, namelijk mij en dezen uwen naamgenoot,Socrates.So.Wat meent gij,Theaetetus?Theaet.Theodorus, die hier staat, helderde ons de leer der inhouden met figuren op, en toonde van de vlakteinhoud van drie en van vijf vierkante voeten, dat zij in de lengte niet door éénen vierkanten voet deelbaar zijn, en alzoo doorliep hij ze één voor één, tot aan de vlakte van zeventien vierkante voeten; en[26]daar hield hij op. Wij nu kregen zoodanig iets in onze gedachte, [namelijk] om, daar die inhouden oneindig in menigte schenen, te pogen ze onder éénen naam te brengen, waarmede wij ze allen zouden kunnen benoemen52.So.En hebt gij zoodanig iets gevonden?[27]Theaet.Ik geloof van ja. Zie gij het ook eens.So.Zeg op.Theaet.Wij hebben alle getallen in twee soorten verdeeld. De getallen, die gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, vergeleken wij, wat de figuur betreft, bij het vierkant, en noemden ze gelijkzijdig.So.Goed zoo.Theaet.De getallen, die tusschen deze inliggen, waartoe 3 en 5 behooren en al die onmogelijk gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, maar óf meer lengte dan breedte, óf meer breedte dan lengte hebben, zoodat eene grootere en kleinere zijde ze insluit, die vergeleken wij bij de langwerpige figuur en noemden ze langwerpige getallen.So.Opperbest: maar wat nu verder?Theaet.Aan al de lijnen, die dienen om de gelijkzijdige getallen in de vlakte als een vierkant af te beelden, gaven wij den naam van lengte, en die dienen, om dit met de langwerpige getallen te doen, den naam van inhoudsmaten, daar zij in de lengte geene gemeene maat met die anderen hebben, maar wel in de vierkanten, waarvan zij den inhoud uitdrukken. En met de wiskunstige ligchamen hebben wij desgelijks gehandeld.So.Uitmuntend, jongens! zoodat ik geloof, dat Theodorus niet van valsche getuigenis zal kunnen beschuldigd worden.Theaet.Edoch,Socrates! wat gij aangaande de kennis vraagt, zou ik niet even goed kunnen beantwoorden, als de vraag over de lengte en de inhoudsmaat; indien ik ten minste goed inzie, dat gij iets dergelijks[28]zoekt; zoodatTheodorusnu weder een leugenaar schijnt.So.Hoe dat? zoo hij u, ten opzigte van het loopen prijzende, zeide, dat hij nooit eenen knaap ontmoet had, die zoo goed loopen kon, en gij vervolgens in eenen wedloop wijken moest voor eenen53, die zijne volle krachten had en uitmuntte in snelheid, zoudt gij dan gelooven, dat hij u eenigzins minder naar waarheid geprezen had?Theaet.Wel neen.So.Maar houdt gij het dan voor eene kleine en niet voor eene van de allerzwaarste zaken, om, zoo als ik zeide, uit te vinden, wat de kennis is54?Theaet.Waarlijk, bijZeus, ik houd het voor eene van de allerzwaarste.So.Houd maar moed over u zelven, en geloof, datTheodorusiets van gewigt55gezegd heeft en bevlijtig u op allerlei wijs, zoo omtrent de andere dingen, als omtrent de kennis, om rekenschap te bekomen, wat het toch is.Theaet.Voor zoo ver het van mijne vlijt afhangt,Socrates! zal het blijken.VI.So.Komaan dan; want daareven zijt gij goed[29]voorgegaan; beproef eens, het antwoord aangaande de inhoudsmaten nabootsende, even als gij die, hoe vele zij ook waren, met één geslacht omvat hebt, alzoo ook de vele soorten van kennis met ééne bepaling te beschrijven.Theaet.Maar wees verzekerd,Socrates! dat ik dikwijls beproefd heb dit te onderzoeken, wanneer ik de door u voorgestelde vragen hoorde verhalen; maar [weinig heeft het mij geholpen,] daar ik mij zelven niet kan overtuigen, dat ik iets zeg, dat voldoende is, en het, evenmin zóó van een’ ander kan hooren als gij verlangt; hoewel ik aan den anderen kant mijn voornemen niet kan laten varen56.So.[Dat is geen wonder], mijn besteTheaetetus! want gij zijt in barensnood, daar gij niet ledig, maar zwanger zijt.Theaet.Ik weet het niet,Socrates! maar ik zeg u den toestand, waarin ik ben57.So.Maar, mijn gekje!58hebt gij dan niet gehoord,[30]dat ik een zoon ben van eene zeer voortreffelijke en eerwaardige vroedvrouw, vanPhaenabete?Theaet.Dat heb ik reeds gehoord.So.Maar hebt gij ook gehoord, dat ik dezelfde kunst uitoefen?Theaet.Wel neen!So.Maar wees toch verzekerd, dat het zoo is59. Verklap mij echter niet bij de anderen. Want, mijn vriend! het is niet bekend, dat ik die kunst heb, en daar60zij61dit dus niet weten, zeggen zij dit niet van mij, maar wel, dat ik allerzotst ben en de menschen in de war breng62. Dat hebt gij toch wel gehoord?Theo.Wel zeker.So.Wil ik u dan de reden eens zeggen?Theaet.Gaarne.So.Bedenk dan eens, hoe al, wat eene vroedvrouw aangaat, gesteld is, en gij zult gemakkelijker begrijpen, wat ik wil. Want gij weet, dat geene derzelve, zoo[31]lang zij nog zelve zwanger wordt en kinderen baart, andere vrouwen helpt verlossen, maar dat zij dit doen die niet meer in staat zijn te baren.Theaet.Wel zeker.So.Men zegt, datArtemisdaarvan de oorzaak is, daar zij, zonder zelve te baren, het opzigt over het baren [der kraamvrouwen] gekregen heeft63. Aan onvruchtbare vrouwen nu pleegt zij de vroedkunst niet te verleenen64, wijl de menschelijke natuur te zwak is, om de theorie te vatten van iets, waarvan zij geene ondervinding heeft; maar aan de vrouwen, die door haren ouderdom niet meer baren, heeft zij dit opgedragen en ze daardoor, wijl zij aan haar gelijk zijn, eervol onderscheiden.Theaet.Waarschijnlijk65.So.Is dan ook dit niet waarschijnlijk en noodzakelijk, dat de zwangere en niet zwangere vrouwen beter door de vroedvrouwen, dan door andere onderscheiden66worden?[32]Theaet.Wel zeker.So.Verder kunnen de vroedvrouwen ook door dranken te geven en tooverformulieren67te zingen, de weeën opwekken, en, zoo zij willen, verzachten, en de vrouwen, die moeijelijk baren, laten baren, en zoo het haar noodig schijnt de vrucht af te wenden, die afwenden.Theaet.Dat is zoo.So.Hebt gij ook dit reeds van haar bemerkt, dat zij ook zeer goede aanbindsters van het huwelijk zijn, daar zij zeer bekwaam zijn, om te beslissen, hoedanige vrouw met hoedanigen man de beste kinderen kan voortbrengen?Theaet.Dat weet68ik nog niet regt.So.Maar weet dan, dat zij zich meer daarop verheffen, dan op het navelsnijden; want denk eens: gelooft gij, dat het kweeken en inzamelen der aardvruchten dezelfde of eene andere kunst69[33]is, dan het beoordeelen, in hoedanige aarde hoedanige planten en zaden moeten gelegd worden?Theaet.Neen, maar van dezelfde.So.Maar mijn beste! gelooft gij dan, dat, ten opzigte eener vrouw, eene andere de kennis is van het laatste, eene andere van het inzamelen70?Theaet.Dat is niet waarschijnlijk.So.Neen zeker niet. Maar om het onregtmatige en onkundige bijeenbrengen van man en vrouw, dat koppelen genoemd wordt, ontwijken de vroedvrouwen het aanbinden van huwelijken, daar zij eerwaardig zijn, en vreezen zich daardoor die beschuldiging te berokkenen, terwijl het toch alleenlijk aan de wezenlijke vroedvrouwen toekomt, een huwelijk goed aan te binden.Theaet.Het schijnt zoo.So.Dit nu is het werk der vroedvrouwen, dat geringer is dan het mijne. Want het gebeurt aan vrouwen niet, somtijds schimmen, en dan weer71waarachtige kinderen te baren, die niet gemakkelijk te onderkennen zijn, want zoo dat er bij was, dan zou het voor de vroedvrouwen het schoonste werk zijn, het ware en niet ware te onderscheiden, of meent gij dit niet?[34]Theaet.Ja!VII.So.Mijne vroedkunst nu heeft het overige zooals zij72, maar verschilt daarin, dat zij mannen en geen vrouwen verlost, en dat zij de zielen als zij baren in het oog houdt, maar niet de ligchamen. Maar dit is het voornaamste in onze kunst, in staat te zijn op allerlei wijs te onderzoeken, of het verstand van den jongeling eene schim en leugen baart, of iets dat echt en waar is. Verder heb ik ook dit, dat aan de vroedvrouwen eigen is: ik baar zelf geene wijsheid, en wat reeds velen mij verweten hebben, dat ik de anderen vraag, maar zelf over niets eenig antwoord geef, daar ik volstrekt geene wijsheid heb, dat verwijten zij mij met regt73. De oorzaak nu hiervan is deze, dat de godheid mij dwingt om de vroedkunst uit te oefenen, maar mij belet heeft te baren74. Ik[35]nu ben zelf wel niet bijzonder wijs, en heb geene zoodanige75uitvinding gedaan, die het kind is van mijnen geest; doch zij, die met mij omgaan, schijnen in het eerst, sommigen zelfs bijzonder dom, maar bij voortgaanden omgang schijnen allen, wien God dit toestaat, naar hun eigen oordeel en dat van anderen, verwonderlijk toe te nemen; en het is duidelijk, dat zij [dit doen] zonder ooit iets van mij te leeren, maar door zelve uit zich zelve vele schoone dingen te vinden en vast te houden; de verlossing echter is dan door mij met Gods hulp bewerkt. Dit nu blijkt aldus. Reeds velen, die dit niet begrepen en zich zelve de oorzaak noemden, maar mij niet telden, zijn, hetzij vrijwillig, hetzij door anderen overgehaald, vroeger dan behoorde heengegaan, en nadat zij heengegaan waren, hebben zij verder miskramen gehad door de slechte behandeling, en hebben, hetgeen door mij verlost was, met slecht voedsel verdorven, daar zij leugens en schimmen hooger stelden dan de waarheid, en eindelijk76schenen zij aan zich zelve en aan anderen bijzonder onwetend. Hiertoe behoortAristides, de zoon vanLysimachus, en vele anderen. En wanneer die[36]wederkomen, en om mijnen omgang verzoeken, en allerlei vreemde dingen doen77, dan belet het goddelijke78[teeken], dat mij verleend wordt, mij om met sommigen om te gaan, en met anderen vergunt het zulks; en die nemen dan weder toe. Zij nu, die met mij omgaan, hebben ook dit met de kraamvrouwen gemeen, dat zij zelfs vrij wat meer weeën hebben en nacht en dag met benaauwdheid vervuld worden. Die weeën kan mijne kunst opwekken en tot bedaren brengen. Zoo nu gaat het met hen79. Maar somtijds,Theaetetus! zoo er zijn, die mij niet zwanger schijnen, en waarvan ik inzie, dat zij mij geenszins behoeven, ben ik zoo goed ze aan den man te helpen, en (menschelijker wijs gesproken80,) kan ik[37]al zeer goed gissen, van wiens omgang zij nut kunnen trekken. Vele hunner heb ik aanProdicusof aan andere wijze en uitstekende mannen overgegeven.Dit, mijn beste! heb ik u daarom zoo uitvoerig verteld, omdat81ik giste, dat gij, zoo als gij ook zelf meent, weeën hebt, daar gij zwanger zijt. Gedraag u dus jegens mij als jegens den zoon eener vroedvrouw, die zelf de vroedkunst verstaat, en bevlijtig u mijne vragen zoo goed gij kunt te beantwoorden82. En zoo ik dan, iets onderzoekende van hetgeen gij zegt, dat voor eene schim en voor niet waarachtig houd, [en] het vervolgens opneem en wegwerp, wees dan niet boos op mij, zoo als de voor het eerst barende ten opzigte der kinderen. Want velen, mijn waardste! waren zóó jegens mij gesteld, dat zij waarlijk op het punt waren mij te bijten, wanneer ik hun eenige beuzelarij ontrukte, en niet geloofden, dat ik dit uit welwillendheid deed, daar zij ver waren van het inzigt, dat geen god jegens de menschen kwaadgezind83is, en ik niets van dien aard uit kwaadwilligheid doe, maar dat het mij geenszins vrij[38]staat een leugen toe te stemmen, en iets waars te verduisteren.VIII. Beproef dan nog eens van voren af aan,Theaetetus! te zeggen, wat kennis is; maar zeg nooit, dat gij er niet toe in staat zijt, want, zoo God wil en gij u mannelijk gedraagt, zult gij er toe in staat zijn.Theaet.Maar84waarlijk,Socrates! daar gij mij aldus aanspoort, zou het schandelijk wezen, niet in alle opzigten zijn best te doen, om alles te zeggen, wat men kan. Ik geloof dan, dat hij, die iets kent, dat, wat bij kent, voelt, en, naar mij nu voorkomt, is de kennis niets anders dan gevoel85.So.Goed zoo, mijn jongen! want zoo moet men vrijuit spreken. Maar kom aan! laten wij dit te zamen onderzoeken, of het goed of ijdel86is. Gij zegt: kennis is gevoel87?Theaet.Ja.So.Gij schijnt daar waarlijk eene niet onbelangrijke uitspraak over de kennis te doen, maar dezelfde bepaling te geven alsProtagoras. Hij toch zeide volkomen hetzelfde88, met eenigzins andere woorden.[39]Want hij zegt, als ik wel heb89, dat de mensch de maat van alle dingen is, van de dingen die zijn, dat zij zijn, en van de dingen die niet zijn, dat zij niet zijn. Hebt gij dat niet wel eens gelezen?Theaet.Ja, dikwijls.So.Zegt hij dan niet ongeveer dit? Dat, gelijk alle dingen aan mij toeschijnen, zij alzoo ook voor mij zijn, en gelijk zij aan u toeschijnen, voor u; edoch dat gij en ik menschen zijn?Theaet.Ja: dat zegt hij.So.Het is waarlijk niet te denken, dat een verstandig man onzin praat: laten wij hem dus volgen. Is niet somtijds, terwijl dezelfde wind waait, de een onzer koud, de ander niet? en de een een weinig, de ander zeer?Theaet.Ongetwijfeld.So.Zullen wij dan nu den wind op zich zelven koud of niet koud noemen? of zullen wijProtagorasgelooven, dat hij voor hem, die het koud heeft, koud is, en voor den anderen niet?Theaet.Het laatste90.So.Edoch het komt aan ieder alzoo voor.[40]Theaet.Ja.So.Dat is: ieder voelt het zoo.Theaet.Juist.So.Dus komt het voor waar houden en het voelen in het warme en alle dergelijken op hetzelfde neêr. Want wat ieder voelt, dat schijnt voor ieder ook te zijn.Theaet.Het schijnt zoo.So.Derhalve heeft het gevoel altijd het wezenlijke en de waarheid tot voorwerp91, daar het kennis is.Theaet.Het schijnt zoo.So. Maar, bij de Gratiën! was danProtagoraseen doorgeleerd man, die voor ons als den grooten hoop zich zoo duister uitdrukte, maar aan zijne leerlingen in het verborgen de waarheid zeide92?Theaet.Hoe meent gij dat,Socrates?So.Ik zal u die waarlijk niet verwerpelijke redenering mededeelen93, namelijk, dat niets op zich zelf bestaat, en dat gij aan niets met regt deze of die hoedanigheid of eigenschap94kunt toeschrijven, maar, zoo gij het groot noemt, zal het ook klein schijnen, en, zoo gij het zwaar noemt, ligt, enz. daar niets één, of dit, of zoodanig is; maar alles, wat wij[41]verkeerdelijk zeggen te bestaan, eigenlijk ontstaat uit beweging en onderlinge vermenging; want nooit is er iets, maar steeds wordt het. En daarover is de geheele rij der wijzen, behalveParmenides95, het eens, [namelijk]ProtagorasenHeraclietenEmpedocles, en de eerste dichters van beide dichtsoorten,Epicharmusvan de Comedie, enHomerusvan de Tragedie; want, toen de laatste sprak van den Oceaan, den vader der goden, en hunne moederTethys, leerde hij, dat alles uit vloeijing en verandering ontstaan is; of dunkt u niet, dat hij dat bedoelt?Theaet.Ongetwijfeld.IX.So.Wie zou dan nu nog in staat zijn aan zulk een leger, aangevoerd door eenen veldheer alsHomerus, weêrstand te bieden, zonder zich schande te berokkenen?Theaet.Dat is niet gemakkelijk,Socrates!So.Zekerlijk niet,Theaetetus! te meer, daar de [waarheid dezer] leer ook voldoende daardoor wordt aangeduid, dat verandering de bron is van den schijn van bestaan en van het worden, maar rust van het niet bestaan en het vergaan96; want de warmte en het vuur, dat de andere dingen doet ontstaan, en in[42]stand houdt, wordt zelf voortgebragt door beweging97en wrijving, en die twee door verandering. Of is dat niet de oorsprong van het vuur?Theaet.Ongetwijfeld.So.En ook de dieren nemen hunnen oorsprong uit hetzelfde.Theaet.Zeer zeker.So.Wordt verder98de toestand der ligchamen niet door rust en ledigheid bedorven, maar door oefening en beweging over het geheel bewaard?Theaet.Ja.So.En is het niet door studie en oefening, dat is door beweging, dat de99ziel kennis verkrijgt en die voor zich bewaart en beter wordt, terwijl zij door rust, dat is door verwaarloozing en gebrek aan studie,[43]niet alleen niet leert, maar ook nog daarenboven hetgeen zij geleerd heeft, vergeet100?Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus is het goede voor ziel en ligchaam beweging, het kwade daarentegen het tegenovergestelde101?Theaet.Het schijnt zoo.So.Moet ik nu nog stilte van wind en water, enz. noemen [en zeggen] dat rust rotting en verderf veroorzaakt, maar het tegenovergestelde bewaart? en moet ik daarop nu nog de kroon zetten102, daarbij bewerende, datHomerusmet de gouden keten niets anders meent dan de zon, en te kennen geeft, dat, zoo lang als het omwentelen en de zon in beweging blijft, alles onder de Goden en de menschen bestaat en behouden blijft; maar dat, zoo die als gebonden bleef staan, alles bedorven en, naar het spreekwoord zegt, te onderste boven gekeerd zou worden103?[44]Theaet.Ik geloof,Socrates! dat dit te kennen geeft, wat gij zegt.X.So.Vat het dan nu aldus op, mijn beste! Vooreerst wat betreft de oogen, dat, hetgeen gij witte kleur noemt, niets op zich zelf is buiten de oogen noch in de oogen; en dat er geene vaste plaats aan kan toegewezen worden. Want [zoodra gij dat deedt], was hetgeen bestaat, ergens in eenen vastgestelden toestand, en zou blijven en niet meer aanhoudend worden.Theaet.Maar hoe dan?So.Laat ons, het daareven gezegde volgende, niets als op zich zelf bestaand beschouwen; en het zal alzoo blijken, dat zwart en wit en elke andere kleur voor ons ontstaat uit het stuiten der oogen op de daarmede overeenstemmende104beweging; en al wat wij kleur noemen, zal noch het stuitende noch hetgeen, waarop gestuit wordt, zijn, maar voor ieder iets bijzonders, dat daartusschen wordt; of zoudt gij durven beweren, dat, zoo als iedere kleur u voorkomt, zij eveneens voorkomt aan eenen hond en aan elk ander dier?Theaet.Neen, waarlijk niet.So.Maar verder: komt iets eveneens voor aan een ander en aan u? zijt gij daar zeker van, of veel meer, dat ook aan u hetzelfde niet [eveneens voorkomt], daar gij nooit in denzelfden toestand zijt [als vroeger]?[45]Theaet.Het laatste komt mij waarschijnlijker voor dan het eerste.So.Zoo dus, hetgeen wij met iets anders meten of hetgeen wij aanraken, groot of wit of warm was, dan zou het nooit met een ander in aanraking komende, wat anders geworden zijn, zonder dat het zelf veranderde; en zoo het gemetene of aangeraakte ieder van die dingen105was, dan zou het niet, wanneer iets anders er bij kwam, of iets onderging, zonder zelf iets ondergaan te hebben, anders geworden zijn106, daar wij nu, mijn vriend! [zoo wij dit beweren] gedwongen worden iets vreemds en bespottelijks te zeggen, zoo alsProtagorasen ieder, die hem poogt te volgen, zou aanmerken.Theaet.Hoe en wat meent gij?So.Ik zal u een klein voorbeeld geven107, en gij zult alles weten, wat ik bedoel. Immers zoo gij met zes dobbelsteenen, vier vergelijkt, zeggen wij, dat de zes meer zijn dan de vier en [wel] anderhalf [maal[46]zooveel], maar, zoo gij er twaalf [mede vergelijkt], minder en de helft; en het is niet toe te laten, dat men het anders zegt; of zoudt gij het toelaten?Theaet.Wel neen.So.Wat nu? zooProtagorasof iemand anders u vroeg:Theaetetus! is het mogelijk, dat iets op eene andere wijs grooter of meer wordt, dan door vermeerdering108? wat zoudt gij antwoorden?Theaet.Wanneer ik,Socrates! op het nu gevraagde moet antwoorden, wat mij voorkomt, [dan zou ik antwoorden], dat het niet mogelijk is, maar wegens de vorige vraag, zal ik, om mij niet tegen te spreken, zeggen, dat het wel mogelijk is109.So.Mooi, bijHera! mijn vriend, en goddelijk; maar, waarschijnlijk zal er, zoo gij antwoordt, dat het mogelijk is, iets als het doorEuripides110vermelde plaats[47]hebben; want onze tong zal de tegenstrijdigheid vermeden hebben, maar onze geest niet111.Theaet.Dat is waar.So.Dus wanneer ik en gij knap112en wijs waren, dan zouden wij de zaak, voor zoo ver zij onzen geest raakt, als voldoende onderzocht beschouwende, verder voor tijdverdrijf elkanders krachten beproeven en als Sophisten zulk eenen strijd ondernemen, en met redeneringen elkanders redeneringen verslaan; maar nu, daar wij maar gewone menschen zijn, willen wij eerst eens stuk voor stuk onderzoeken, wat het is, wat wij denken, en of wij er tegenstrijdigheid in merken of niet113.Theaet.Dat zou ik zeer gaarne willen.[48]XI.So.En ik niet minder. Wanneer het er nu zoo meê staat, willen wij dan wel iets anders doen dan bedaard, daar wij zeer veel tijd hebben, nog eens van voren af aan nasporen; zonder ons moeijelijk te maken, maar waarlijk ons zelve onderzoekende, wat die verschijnsels114in ons te beduiden hebben. Dit ons onderzoek, denk ik, zullen wij beginnen met vast te stellen, dat niets ooit, hetzij in omvang, hetzij in aantal, grooter of kleiner wordt, zoolang het aan zich zelf gelijk is. Is het niet zoo?Theaet.Ja.So.Verder, dat waar niets bij of af gaat, dat dit meer noch minder wordt, maar altijd gelijk is.Theaet.Ongetwijfeld.So.Kunnen wij ook niet ten derde vaststellen, dat hetgeen vroeger niet was, later niet zijn kan zonder te worden115?Theaet.Het komt mij althans zoo voor.So.Deze drie toegestemde stellingen nu strijden in onzen geest met elkander, wanneer wij het voorbeeld[49]der dobbelsteenen bezigen, of wanneer wij zeggen, dat, nu ik van deze lengte ben, ik in een jaar nu grooter ben dan gij, die jong zijt, en later kleiner, terwijl er niets van mijne grootte wordt afgenomen, maar gij groeit. Want ik ben later wat ik vroeger niet was, zonder dat ik het geworden ben; want zonder worden, is geworden zijn niet mogelijk, en zonder iets van mijne grootte te verliezen, zou ik nooit kleiner worden. En zoo wij dit aannemen, zijn oneindig vele andere dingen eveneens gesteld116, want,Theaetetus! ik geloof, dat gij hierin niet onbedreven zijt.Theaet.En bij de Goden,Socrates! ik verwacht met verwondering, wat dat toch is, en somtijds word ik waarlijk, als ik hierop zie, duizelig.So.Theodorus, mijn vriend! schijnt niet kwaad omtrent uwen aard te gissen. Deze aandoening toch, de verwondering, is vooral117aan den wijsgeer eigen; want er is geen ander begin118van de wijsbegeerte dan dit, en hij, dieIrisde dochter vanThaumas[50]noemde, schijnt niet kwaad hare afkomst op tegeven119. Maar begrijpt gij dan nu, waarom dit zoodanig is, volgens hetgeen wij zeggen datProtagorasleert, of nog niet120?Theaet.Ik geloof nog niet.So.Zult gij het mij dan dank weten, zoo ik met u de verborgene waarheid der gedachte van een, of liever van verscheidene beroemde mannen uitvind121?Theaet.Hoe zou ik u daarvoor niet zeer veel dank weten?XII.So.Zie dan nu eens goed in de rondte, of niemand van de oningewijden ons beluistert. Zij nu zijn diegenen, die niets voor wezenlijk houden, dan hetgeen zij vast met de handen kunnen grijpen, maar die handelingen en wordingen en al het onzigtbare niet als wezenlijk erkennen122.[51]Theaet.Waarlijk,Socrates! gij noemt daar al zeer drooge en weêrbarstige menschen.So.Ja, jongen! zij zijn zeer onbeschaafd. Maar er zijn andere veel geestiger lieden, wier geheimenissen ik u zal mededeelen. Hun beginsel nu, waaruit ook al hetgeen wij daareven123reeds zeiden is afgeleid, is dit, dat alles beweging is124en verder niets, en[52]dat er twee soorten van beweging zijn, die ieder oneindig vele onderdeelen hebben, maar de eene de kracht van doen, de andere van lijden hebben125. Uit haar onderling verkeer en hare wrijving tegen elkander ontstaan voortbrengsels, die wel oneindig in getal zijn, maar in twee hoofdsoorten kunnen verdeeld worden, namelijk het voelbare en het gevoel, dat steeds tegelijk met het voelbare vergaat en ontstaat. De aandoeningen nu des gevoels worden door ons benoemd met de namen van: gezigt, gehoor, reukaandoeningen, koude, hitte, vermaken, smarten, begeerten, vrees126en andere, waarvan eene oneindige menigte nog onbenoemd is, maar toch de benoemde zeer veel in getal zijn; en de voelbare soort komt met ieder van dezen overeen127, met al de verschillende gezigtsaandoeningen, de verschillende kleuren, en zoo ook de klanken met de gehoorsaandoeningen, en de overige voelbare dingen, die met de overige aandoeningen des gevoels van dezelfde soort worden. Wat wil nu dit gezegde ten opzigte van het vorige,Theaetetus? begrijpt gij het?Theaet.Niet bijzonder,Socrates!So.Maar zie, of gij het op eenigerlei wijze begrijpt,[53]wanneer128het voluit gezegd is. Want het wil zeggen129, dat dit alles, zooals wij zeggen, bewogen wordt, en dat in hunne beweging snelheid en traagheid is. Wat nu traag is, heeft de beweging op dezelfde130plaats en naar het digtbijzijnde, en brengt alzóó [eene gevoelsaandoening] voort, en het alzoo voortgebragte is trager; en wat snel is, heeft de beweging naar het meer verwijderde en brengt aldus voort, en het voortgebragte is alzoo sneller. Want het beweegt zich in de ruimte, en de beweging is beweging in de ruimte131. Wanneer nu een oog en iets anders van de dingen, die daarmede overeenstemmen132, tot elkander genaderd zijnde, de witheid en eene gevoelsaandoening, die daarmede overeenstemt, doet ontstaan, hetgeen nooit zou plaats hebben, wanneer een hunner bij iets anders gekomen was, dan pleegt, terwijl zich tusschen [het oog en het zigtbare] het gezigt van den kant der oogen en de witheid van dien der mede-oorzaak van de kleur beweegt, het oog vol te worden met gezigt, en dan ziet het, en wordt niet gezigt, maar een oog dat ziet; en hetgeen mede de kleur verwekt heeft, wordt rondom met witheid gevuld133[54]en wordt niet witheid, maar wit, hetzij een stok of een steen, of welk ding ook met zoodanige kleur gekleurd is. En het andere, het harde, warme, enz. moet men even zoo opvatten, dat het op zich zelf nietsis, wat wij ook daareven zeiden, maar dat bij het onderlinge verkeer alleswordten allerlei eigenschappen bekomt door de beweging, daar het niet geoorloofd is134eens vooral, zoo als men zegt, het bedrijvende en het lijdende onder een vast begrip te brengen. Want niets is bedrijvend voordat het met het lijdende zamenkomt, noch lijdend voordat [het] met het bedrijvende [zamenkomt]; en wat, met het eene zamenkomend, bedrijvend is, vertoont zich, in verband met iets anders, als lijdend. Zoodat volgens dit alles, hetgeen wij van den beginne zeiden, niets van eene onveranderlijke hoedanigheid is, maar [alle dingen]135steeds in eenig opzigtworden, doch hetzijnoveral moet uitgesloten worden, alhoewel136wij nog daarzoo[55]door ongewoonte en onbekwaamheid dikwijls genoopt werden, die uitdrukking te gebruiken. Dit is echter, gelijk de wijzen zeggen, niet geoorloofd, en evenmin iets te bevestigen, of van iemand, of van mij, of dit of dat, of eenig ander woord, dat eenen blijvenden toestand uitdrukt; maar men moet137, zoo als de natuur vordert, spreken van ontstaan, en gemaakt worden, en vergaan, en veranderd worden; daar hij, die beweert, dat iets bestendig is, gemakkelijk kan weêrlegd worden. En men moet zoo van ieder afzonderlijk138spreken en van velen te zamen, die vereenigd den naam van mensch, steen, dier, enz. bekomen. Bevalt u dit,Theaetetus! en smaakt het u, zoodat gij er van eten wilt?

I.Eucl.Zijt gij daar even van het land gekomen,Terpsion! of reeds eene poos geleden?Terp.Al eene vrij lange poos geleden. En ik zocht u op de markt1en verwonderde mij, dat ik u niet vinden kon.Eucl.[Dat is geen wonder], want ik was niet in de stad.Ter.Waar dan?Eu.Ik was naar de haven gegaan, en vond daarTheaetetus, die vanCorinthe, uit het leger, naarAthenegebragt werd2.[10]Ter.Was hij dood of levend?Eu.Hij was nog levend, maar op het randje van den dood, want hij lijdt aan verscheidene wonden, maar nog meer tast hem de ziekte aan, die in het leger ontstaan is.Ter.Toch niet de roode loop?Eu.Juist.Ter.Welk een man zegt gij daar, dat in levensgevaar is!Eu.Een uitstekend man,Terpsion: zoo als ik ook nu weder gehoord heb van menschen, die zijne dapperheid in het gevecht bijzonder roemden.Ter.Dat is ook niet vreemd; het zou veel verwonderlijker zijn, als hij zoo niet was3. Maar waarom hield hij hier, teMegara, niet stil?Eu.Hij had groot verlangen naar huis. Althans ik bad hem en ried hem [te blijven,] maar hij wilde niet. En ik verzeker u4, dat, toen ik hem een eind wegs begeleid had, en wederkeerde, ik mij met verwondering te binnen bragt, hoeSocratesook omtrent hem als een profeet heeft gesproken. Want ik meen, dat hij kort voor zijnen dood hem, die toen nog een knaap was, ontmoet heeft, en nadat hij eenigen tijd met hem gesproken had, zijnen inborst5zeer heeft[11]bewonderd. En toen ik teAthenekwam, verhaalde hij mij, wat hij met hem gesproken had6, hetwelk zeer hoorenswaard was, en hij zeide, dat hij noodzakelijk uitstekend7zou worden, wanneer hij op jaren gekomen was.Ter.En hij schijnt de waarheid gezegd te hebben8.[12]Maar wat was dat dan voor een gesprek? zoudt gij het kunnen verhalen9.Eu.BijZeus! zoo uit mijn hoofd onmogelijk. Maar ik hield toen, zoodra ik te huis kwam, voor mij zelven aanteekeningen, en naderhand schreef ik op mijn gemak er bij, wat ik mij herinnerde, en zoo dikwijls ik naarAthenekwam, vroeg ikSocratesweder wat ik mij niet herinnerde, en als ik hier kwam,[13]verbeterde ik het; zoodat ik genoegzaam het geheele gesprek op schrift heb10.Ter.Ja, dat heb ik reeds te voren van u gehoord, en terwijl ik altijd voornemens was, u te verzoeken het mij te laten zien, heb ik daarmede tot nu toe getalmd. Maar wat belet ons het nu door te loopen? Ik heb toch buitendien behoefte aan rust, daar ik van het land kom.Eu.[Dat is niet alleen met u het geval], maar ik hebTheaetetustotErineus11begeleid, zoodat ik niet ongaarne wat zou rusten. Laat ons dan gaan, en wanneer wij rusten, zal mijn slaaf het ons meteen voorlezen12.Ter.Dat is goed.Eu.Dit is het boek,Terpsion! En ik heb het gesprek aldus opgeschreven, dat ik nietSocratesals aan mij verhalende voorstelde, maar als sprekende met diegenen, met wie hij zeide gesproken te hebben13. Hij nu zeide, [dat hij het gesprek gevoerd had] met den meetkunstenaarTheodorusen metTheaetetus. Opdat nu in het geschrift die tusschen de redekaveling ingevoegde vermeldingen overSocrates, wanneer hij sprak, b. v.,en ik zeide, ofen ik sprak, of ook[14]over den anderen14:hij stemde toe, ofhij ontkende het, niet lastig zouden zijn, daarom heb ik het geschreven, alsof hij zelf met hen sprak, met vermijding van die dingen.Ter.En daaraan hebt gij goed gedaan,Euclides!Eu.[Wij willen dan niet langer talmen], maar, jongen! neemt het boek en lees.—II.So.Zoo ik mij meer om de inwoners vanCyrenebekommerde,Theodorus! dan zou ik u vragen naar hetgeen daar geschiedt, en over hen, of aldaar eenige jongelingen zijn, die werk maken van de meetkunst of eenige andere wetenschap15, maar nu, daar ik hen minder dan mijne landgenooten16lief heb, en meer verlang te weten, wie van onze jongelingen uitstekend schijnen te zullen worden, onderzoek ik dit [laatste] zooveel ik kan zelf, en vraag er de anderen naar, met wie ik de jongelingen gaarne zie omgaan. Nu komen tot u waarlijk niet de minsten, en dat[15]met regt; want gij verdient het, én om andere redenen, én ook om de meetkunst. Zoo gij dus iemand ontmoet hebt, die vermelding verdient, zou ik het gaarne vernemen.Theo.En waarlijk,Socrates! het is voor mij de moeite waard om te zeggen, en voor u om te hooren, met welk een knaap17uit uwe medeburgers ik kennis gemaakt heb. En zoo hij schoon was, dan zou ik vreezen mij daar sterk over uit te laten, uit vrees dat iemand meenen zou, dat ik verliefd op hem was18; maar neem het mij niet kwalijk, hij is niet schoon en gelijkt op u in platheid van neus en uitpuilende oogen; slechts heeft hij dat iets minder dan gij; en bij gevolg zeg ik het onbeschroomd. Want weet, dat van allen, die ik ooit ontmoet heb, (en ik heb er met vrij wat omgegaan), ik nooit iemand heb opgemerkt van zulk eenen goeden aanleg19. Want vlug van begrip zijnde, even uitstekend zachtmoedig te zijn als men anders in dat geval lastig van humeur is, en daarbij vol geestkracht20,—dat zou ik niet denken,[16]dat mogelijk was, en ik zie, ook niemand, bij wien het plaats heeft; maar die zoo levendig zijn als hij en zoo vlug van bevatting en met zulk een goed geheugen begaafd, zijn gewoonlijk ook ligt tot toorn21geneigd, en worden met geweld geslingerd, even als schepen zonder ballast, en zijn van nature meer driftig dan veêrkrachtig; en zij, die meer bedaardheid hebben, zijn vaak langzaam in het leeren en van een slecht geheugen voorzien. Hij echter komt zoo gemakkelijk en geleidelijk22en steeds voortgaande tot de studie en het onderzoek, [en] met [zoo] veel zachtmoedigheid, gelijk eene beek van olie, die vloeit zonder geraas te maken, dat het een wonder is, dat iemand, nog zoo jong, dit zoo kan tot stand brengen.So.Daar zegt gij wat goeds. Maar van welken Athener is hij een zoon?Theo.Ik heb den naam wel gehoord, maar herinner mij dien niet. Maar [dat komt er niet op aan], want hij is de middelste van de knapen, die daar aankomen. Want daar even waren hij en deze zijne makkers in den buitensten omgang23, bezig zich met olie in te wrijven24, en nu meen ik, dat[17]zij daarmede gereed zijn25en herwaarts komen. Maar zie eens, of gij hem kent.So.Ik ken hem. Hij is de zoon vanEuphroniusvanSunium26, een man, mijn vriend! die geheel was, zoo als gij dezen beschrijft, en buitendien zeer gezien, en die ook veel geld heeft nagelaten. Maar den naam van den knaap weet ik niet.Theo.Zijn naam,Socrates! isTheaetetus, maar zijn geld geloof ik, dat zijne voogden27opgemaakt hebben. Doch hij is tevens ook verwonderlijk los van het geld,Socrates!So.Gij geeft hem daar eene schoone lofspraak28. Verzoek hem hier bij mij te komen zitten.[18]Theo.Dat zal gebeuren.Theaetetus!kom hier bijSocrates.So.Ja, doe dat,Theaetetus, opdat ik mij zelven beschouwe, hoedanig een gelaat ik heb; wantTheodoruszegt, dat ik er een heb, dat op het uwe gelijkt. Maar zoo wij nu eens ieder eene lier hadden, en hij zeide, dat die eveneens gestemd waren, zouden wij hem dan terstond gelooven, of zouden wij onderzoeken, of hij dat zeide, omdat hij kennis had van de muzijk?Theaet.Dat zouden wij onderzoeken.So.En wanneer wij hem dan zóó vonden29, zouden wij hem zeker gelooven, maar zoo hij geene muzijk verstond, niet.Theaet.Dat is waar.So.Maar nu geloof ik, zoo de gelijkheid van aangezigt ons niet onverschillig is, dat wij dan onderzoeken moeten, of hij het zegt, omdat hij er verstand van heeft, of niet.Theaet.Ik geloof ja.So.Maar isTheodorusdan een schilder?Theaet.Zoo ver ik weet, niet30.So.Maar is hij ook geen meetkunstenaar?Theaet.Wel zeker,Socrates!So.En ook een beoefenaar van sterrekunde en cijferkunst en muzijk, en wat meer tot de opvoeding behoort?[19]Theaet.Ik geloof ja.So.Zoo hij dus met goed- of afkeuring zegt, dat wij in eenig deel des ligchaams gelijk zijn, komt het niet te pas, bijzonder op hem te letten31.Theaet.Het schijnt van neen.So.Maar zoo hij nu de ziel van een van ons beiden prees om deugd en wijsheid, zou het dan niet passen aan hem, die het gehoord heeft, dat hij ijverig den geprezenen onderzocht, en aan den anderen, dat hij bereidwillig zich vertoonde?Theaet.Ongetwijfeld,Socrates!III.So.Dus is het dan, mijn waardeTheaetetus! voor u de tijd om u te vertoonen, en voor mij om u te onderzoeken32; want wees verzekerd, datTheodorustegenover mij vele vreemden en inboorlingen geprezen heeft, maar nooit iemand zoo als u.Theaet.Dat zou goed zijn,Socrates! Maar zie eens, of hij het ook schertsend zeide.So.Dat is de gewoonte vanTheodorusniet. Maar ontwijk het toegestemde niet, door voor te geven, dat hij schertsend sprak, opdat hij niet gedwongen worde een uitdrukkelijk getuigenis af te leggen; want niemand zal hem toch wel van valsche getuigenis beschuldigen. Maar houdt gij vol moed het toegestemde vast.[20]Theaet.Dat moet ik doen, zoo gij het goedvindt.So.Zeg mij dan nu: leert gij vanTheodorushet een en ander van de meetkunst?Theaet.Ja.So.En van hetgeen de sterrekunde en de harmonie en de berekeningen betreft?Theaet.Ik hoop er meê te beginnen.So.Jongelief! ik zou het ook wel willen leeren, zoo van hem, als van anderen, die ik meen dat iets van die dingen verstaan33. Maar echter ben ik overigens met mijnen toestand in dezen nog34al tevreden, doch ik heb ééne zwarigheid, die ik met u en met hen moet onderzoeken. Zeg mij daarom eens: is niet leeren hetzelfde als kundiger35worden in hetgeen iemand leert?Theaet.Ongetwijfeld.So.En de kundigen zijn kundig door kunde?Theaet.Ja.So.Maar verschilt dit nu van kennis?Theaet.Wat?So.De kunde. Of hebben wij niet kennis van datgeen, waarin wij kundig zijn?Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus is kennis en kunde hetzelfde?[21]Theaet.Ja.So.Juist dit nu is het, wat ik niet begrijp36en niet behoorlijk bij mij zelven kan bevatten37, wat toch eigenlijk de kennis is. Kunnen wij het niet zeggen? Wat zegt gij38? Wie onzer zal het het eerste zeggen? en die fout gezegd heeft, en telkens39ieder die fout zegt, moet, zoo als de jongens zeggen, die met den bal spelen, voor ezel zitten; maar die er doorkomt zonder fouten te maken, zal onze koning zijn en voorschrijven wat hij wil40. Waarom zwijgt gij?Theodorus! ik wordt toch niet onbeleefd door mijne praatzucht? want ik verlang onder ons een vriendschappelijk gesprek aan te knoopen.Theo.Socrates!zoo iets kan nooit onbeleefd zijn, maar laat een der knapen u antwoorden; want ik ben[22]niet gewoon aan die soort van gesprek41, en ik heb den leeftijd niet om er aan te gewennen; maar dit zou hun passen, en zij zouden veel meer vorderen; want waarlijk, de jeugd is voor alle vorderingen geschikt. Doch laat, zoo als gij begonnen zijt,Theaetetusniet los, maar vraag hem.So.Gij hoort,Theaetetus! watTheodoruszegt, wien toch ook gij wel zult willen gelooven, te meer, daar het in zulke dingen een jonger persoon niet vrij staat, aan een kundig man ongehoorzaam te zijn, wanneer hij ons iets beveelt; [talm dus niet], maar zeg mij fiks en ronduit: wat gelooft gij dat de kennis is?Theaet.Het moet wel,Socrates! wanneer gij het beveelt; want, wanneer ik eenige fouten maak, zult gij die stellig wel verbeteren.IV.So.Wel zeker, als wij maar kunnen.Theaet.Ik geloof dan, dat hetgeen iemand vanTheodoruszou kunnen leeren, kennis is, namelijk meetkunst en de andere, die gij genoemd hebt, en ook het schoenmaken, en al de andere, kunsten, die door de ambachtslieden worden uitgeoefend; die allen en iedere daarvan houd ik voor niets anders dan kennis42.So.Roijaal en mild, mijn beste! geeft gij om[23]één gevraagd zijnde veel en allerlei in plaats van één.Theaet.Wat zegt gij daar,Socrates?So.Misschien niets: maar wat ik bedoel, zal ik zeggen. Wanneer gij van schoenmakerskunst spreekt, dan meent gij toch niet anders dan de kennis van het maken van schoenen?Theaet.Niets anders.So.Maar wanneer gij van schrijnwerkerskunst spreekt, meent gij dan wel iets anders, dan de kennis van het maken van houten huisraad?Theaet.Neen43.So.Dus bepaalt gij bij beiden, datgene, waarvan ieder de kennis is?Theaet.Ja.So.Maar het gevraagde,Theaetetus! was niet, welke de voorwerpen der kennis zijn, of hoeveel soorten van kennis er zijn. Want wij vroegen het niet, omdat wij ze wilden tellen, maar [omdat wij wilden] weten44, wat de kennis zelve is45. Niet waar?Theaet.Juist.So.Onderzoek dan nu ook eens dit. Zoo iemand ons vroeg aangaande die dingen van weinig waarde, die voor de hand liggen, b. v. wat klei is, zoo wij dan antwoordden: de klei van de pottenbakkers, en de[24]klei van de steenbakkers, enz., zouden wij ons dan niet bespottelijk maken?Theaet.Waarschijnlijk.So.Vooral denkelijk, omdat wij meenden, dat hij, die het vroeg, ons antwoord begrijpen zou, wanneer wij zeiden:klei, en er bijvoegdenvan pottenbakkersof van eenige andere fabrijkanten. Of meent gij, dat46iemand den naam begrijpt van een ding, waarvan hij niet weet wat het is?Theaet.Wel neen.So.Dus begrijpt iemand, die niet weet, wat kennis is, ook [de uitdrukking]: kennis van het maken van schoenen niet47?Theaet.Neen.So.Dus begrijpt iemand het woord: schoenmakerskunst niet, noch den naam van eenige andere kunst, zoo hij niet weet, wat kennis is48.Theaet.Juist zoo.So.Dus is het een bespottelijk antwoord, wanneer men, gevraagd zijnde, wat kennis is, den naam van eenige kunst antwoordt. Want dan antwoordt men,[25]wat het voorwerp der kennis is, maar hiernaar werd men niet gevraagd.Theaet.Het schijnt zoo.So.Terwijl het verder geoorloofd was49, gemakkelijk en kort te antwoorden, maakt men eenen oneindigen omweg. Zoo als het bij de vraag naar de klei gemakkelijk en eenvoudig was te zeggen: klei is eene soort van aarde, met water gekneed, en het waarvan50te laten rusten.V.Theaet.Socrates!dit ziet er oppervlakkig vrij gemakkelijk uit; maar51gij schijnt iets te vragen, zoo als hetgeen ons onlangs bij een gesprek voorkwam, namelijk mij en dezen uwen naamgenoot,Socrates.So.Wat meent gij,Theaetetus?Theaet.Theodorus, die hier staat, helderde ons de leer der inhouden met figuren op, en toonde van de vlakteinhoud van drie en van vijf vierkante voeten, dat zij in de lengte niet door éénen vierkanten voet deelbaar zijn, en alzoo doorliep hij ze één voor één, tot aan de vlakte van zeventien vierkante voeten; en[26]daar hield hij op. Wij nu kregen zoodanig iets in onze gedachte, [namelijk] om, daar die inhouden oneindig in menigte schenen, te pogen ze onder éénen naam te brengen, waarmede wij ze allen zouden kunnen benoemen52.So.En hebt gij zoodanig iets gevonden?[27]Theaet.Ik geloof van ja. Zie gij het ook eens.So.Zeg op.Theaet.Wij hebben alle getallen in twee soorten verdeeld. De getallen, die gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, vergeleken wij, wat de figuur betreft, bij het vierkant, en noemden ze gelijkzijdig.So.Goed zoo.Theaet.De getallen, die tusschen deze inliggen, waartoe 3 en 5 behooren en al die onmogelijk gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, maar óf meer lengte dan breedte, óf meer breedte dan lengte hebben, zoodat eene grootere en kleinere zijde ze insluit, die vergeleken wij bij de langwerpige figuur en noemden ze langwerpige getallen.So.Opperbest: maar wat nu verder?Theaet.Aan al de lijnen, die dienen om de gelijkzijdige getallen in de vlakte als een vierkant af te beelden, gaven wij den naam van lengte, en die dienen, om dit met de langwerpige getallen te doen, den naam van inhoudsmaten, daar zij in de lengte geene gemeene maat met die anderen hebben, maar wel in de vierkanten, waarvan zij den inhoud uitdrukken. En met de wiskunstige ligchamen hebben wij desgelijks gehandeld.So.Uitmuntend, jongens! zoodat ik geloof, dat Theodorus niet van valsche getuigenis zal kunnen beschuldigd worden.Theaet.Edoch,Socrates! wat gij aangaande de kennis vraagt, zou ik niet even goed kunnen beantwoorden, als de vraag over de lengte en de inhoudsmaat; indien ik ten minste goed inzie, dat gij iets dergelijks[28]zoekt; zoodatTheodorusnu weder een leugenaar schijnt.So.Hoe dat? zoo hij u, ten opzigte van het loopen prijzende, zeide, dat hij nooit eenen knaap ontmoet had, die zoo goed loopen kon, en gij vervolgens in eenen wedloop wijken moest voor eenen53, die zijne volle krachten had en uitmuntte in snelheid, zoudt gij dan gelooven, dat hij u eenigzins minder naar waarheid geprezen had?Theaet.Wel neen.So.Maar houdt gij het dan voor eene kleine en niet voor eene van de allerzwaarste zaken, om, zoo als ik zeide, uit te vinden, wat de kennis is54?Theaet.Waarlijk, bijZeus, ik houd het voor eene van de allerzwaarste.So.Houd maar moed over u zelven, en geloof, datTheodorusiets van gewigt55gezegd heeft en bevlijtig u op allerlei wijs, zoo omtrent de andere dingen, als omtrent de kennis, om rekenschap te bekomen, wat het toch is.Theaet.Voor zoo ver het van mijne vlijt afhangt,Socrates! zal het blijken.VI.So.Komaan dan; want daareven zijt gij goed[29]voorgegaan; beproef eens, het antwoord aangaande de inhoudsmaten nabootsende, even als gij die, hoe vele zij ook waren, met één geslacht omvat hebt, alzoo ook de vele soorten van kennis met ééne bepaling te beschrijven.Theaet.Maar wees verzekerd,Socrates! dat ik dikwijls beproefd heb dit te onderzoeken, wanneer ik de door u voorgestelde vragen hoorde verhalen; maar [weinig heeft het mij geholpen,] daar ik mij zelven niet kan overtuigen, dat ik iets zeg, dat voldoende is, en het, evenmin zóó van een’ ander kan hooren als gij verlangt; hoewel ik aan den anderen kant mijn voornemen niet kan laten varen56.So.[Dat is geen wonder], mijn besteTheaetetus! want gij zijt in barensnood, daar gij niet ledig, maar zwanger zijt.Theaet.Ik weet het niet,Socrates! maar ik zeg u den toestand, waarin ik ben57.So.Maar, mijn gekje!58hebt gij dan niet gehoord,[30]dat ik een zoon ben van eene zeer voortreffelijke en eerwaardige vroedvrouw, vanPhaenabete?Theaet.Dat heb ik reeds gehoord.So.Maar hebt gij ook gehoord, dat ik dezelfde kunst uitoefen?Theaet.Wel neen!So.Maar wees toch verzekerd, dat het zoo is59. Verklap mij echter niet bij de anderen. Want, mijn vriend! het is niet bekend, dat ik die kunst heb, en daar60zij61dit dus niet weten, zeggen zij dit niet van mij, maar wel, dat ik allerzotst ben en de menschen in de war breng62. Dat hebt gij toch wel gehoord?Theo.Wel zeker.So.Wil ik u dan de reden eens zeggen?Theaet.Gaarne.So.Bedenk dan eens, hoe al, wat eene vroedvrouw aangaat, gesteld is, en gij zult gemakkelijker begrijpen, wat ik wil. Want gij weet, dat geene derzelve, zoo[31]lang zij nog zelve zwanger wordt en kinderen baart, andere vrouwen helpt verlossen, maar dat zij dit doen die niet meer in staat zijn te baren.Theaet.Wel zeker.So.Men zegt, datArtemisdaarvan de oorzaak is, daar zij, zonder zelve te baren, het opzigt over het baren [der kraamvrouwen] gekregen heeft63. Aan onvruchtbare vrouwen nu pleegt zij de vroedkunst niet te verleenen64, wijl de menschelijke natuur te zwak is, om de theorie te vatten van iets, waarvan zij geene ondervinding heeft; maar aan de vrouwen, die door haren ouderdom niet meer baren, heeft zij dit opgedragen en ze daardoor, wijl zij aan haar gelijk zijn, eervol onderscheiden.Theaet.Waarschijnlijk65.So.Is dan ook dit niet waarschijnlijk en noodzakelijk, dat de zwangere en niet zwangere vrouwen beter door de vroedvrouwen, dan door andere onderscheiden66worden?[32]Theaet.Wel zeker.So.Verder kunnen de vroedvrouwen ook door dranken te geven en tooverformulieren67te zingen, de weeën opwekken, en, zoo zij willen, verzachten, en de vrouwen, die moeijelijk baren, laten baren, en zoo het haar noodig schijnt de vrucht af te wenden, die afwenden.Theaet.Dat is zoo.So.Hebt gij ook dit reeds van haar bemerkt, dat zij ook zeer goede aanbindsters van het huwelijk zijn, daar zij zeer bekwaam zijn, om te beslissen, hoedanige vrouw met hoedanigen man de beste kinderen kan voortbrengen?Theaet.Dat weet68ik nog niet regt.So.Maar weet dan, dat zij zich meer daarop verheffen, dan op het navelsnijden; want denk eens: gelooft gij, dat het kweeken en inzamelen der aardvruchten dezelfde of eene andere kunst69[33]is, dan het beoordeelen, in hoedanige aarde hoedanige planten en zaden moeten gelegd worden?Theaet.Neen, maar van dezelfde.So.Maar mijn beste! gelooft gij dan, dat, ten opzigte eener vrouw, eene andere de kennis is van het laatste, eene andere van het inzamelen70?Theaet.Dat is niet waarschijnlijk.So.Neen zeker niet. Maar om het onregtmatige en onkundige bijeenbrengen van man en vrouw, dat koppelen genoemd wordt, ontwijken de vroedvrouwen het aanbinden van huwelijken, daar zij eerwaardig zijn, en vreezen zich daardoor die beschuldiging te berokkenen, terwijl het toch alleenlijk aan de wezenlijke vroedvrouwen toekomt, een huwelijk goed aan te binden.Theaet.Het schijnt zoo.So.Dit nu is het werk der vroedvrouwen, dat geringer is dan het mijne. Want het gebeurt aan vrouwen niet, somtijds schimmen, en dan weer71waarachtige kinderen te baren, die niet gemakkelijk te onderkennen zijn, want zoo dat er bij was, dan zou het voor de vroedvrouwen het schoonste werk zijn, het ware en niet ware te onderscheiden, of meent gij dit niet?[34]Theaet.Ja!VII.So.Mijne vroedkunst nu heeft het overige zooals zij72, maar verschilt daarin, dat zij mannen en geen vrouwen verlost, en dat zij de zielen als zij baren in het oog houdt, maar niet de ligchamen. Maar dit is het voornaamste in onze kunst, in staat te zijn op allerlei wijs te onderzoeken, of het verstand van den jongeling eene schim en leugen baart, of iets dat echt en waar is. Verder heb ik ook dit, dat aan de vroedvrouwen eigen is: ik baar zelf geene wijsheid, en wat reeds velen mij verweten hebben, dat ik de anderen vraag, maar zelf over niets eenig antwoord geef, daar ik volstrekt geene wijsheid heb, dat verwijten zij mij met regt73. De oorzaak nu hiervan is deze, dat de godheid mij dwingt om de vroedkunst uit te oefenen, maar mij belet heeft te baren74. Ik[35]nu ben zelf wel niet bijzonder wijs, en heb geene zoodanige75uitvinding gedaan, die het kind is van mijnen geest; doch zij, die met mij omgaan, schijnen in het eerst, sommigen zelfs bijzonder dom, maar bij voortgaanden omgang schijnen allen, wien God dit toestaat, naar hun eigen oordeel en dat van anderen, verwonderlijk toe te nemen; en het is duidelijk, dat zij [dit doen] zonder ooit iets van mij te leeren, maar door zelve uit zich zelve vele schoone dingen te vinden en vast te houden; de verlossing echter is dan door mij met Gods hulp bewerkt. Dit nu blijkt aldus. Reeds velen, die dit niet begrepen en zich zelve de oorzaak noemden, maar mij niet telden, zijn, hetzij vrijwillig, hetzij door anderen overgehaald, vroeger dan behoorde heengegaan, en nadat zij heengegaan waren, hebben zij verder miskramen gehad door de slechte behandeling, en hebben, hetgeen door mij verlost was, met slecht voedsel verdorven, daar zij leugens en schimmen hooger stelden dan de waarheid, en eindelijk76schenen zij aan zich zelve en aan anderen bijzonder onwetend. Hiertoe behoortAristides, de zoon vanLysimachus, en vele anderen. En wanneer die[36]wederkomen, en om mijnen omgang verzoeken, en allerlei vreemde dingen doen77, dan belet het goddelijke78[teeken], dat mij verleend wordt, mij om met sommigen om te gaan, en met anderen vergunt het zulks; en die nemen dan weder toe. Zij nu, die met mij omgaan, hebben ook dit met de kraamvrouwen gemeen, dat zij zelfs vrij wat meer weeën hebben en nacht en dag met benaauwdheid vervuld worden. Die weeën kan mijne kunst opwekken en tot bedaren brengen. Zoo nu gaat het met hen79. Maar somtijds,Theaetetus! zoo er zijn, die mij niet zwanger schijnen, en waarvan ik inzie, dat zij mij geenszins behoeven, ben ik zoo goed ze aan den man te helpen, en (menschelijker wijs gesproken80,) kan ik[37]al zeer goed gissen, van wiens omgang zij nut kunnen trekken. Vele hunner heb ik aanProdicusof aan andere wijze en uitstekende mannen overgegeven.Dit, mijn beste! heb ik u daarom zoo uitvoerig verteld, omdat81ik giste, dat gij, zoo als gij ook zelf meent, weeën hebt, daar gij zwanger zijt. Gedraag u dus jegens mij als jegens den zoon eener vroedvrouw, die zelf de vroedkunst verstaat, en bevlijtig u mijne vragen zoo goed gij kunt te beantwoorden82. En zoo ik dan, iets onderzoekende van hetgeen gij zegt, dat voor eene schim en voor niet waarachtig houd, [en] het vervolgens opneem en wegwerp, wees dan niet boos op mij, zoo als de voor het eerst barende ten opzigte der kinderen. Want velen, mijn waardste! waren zóó jegens mij gesteld, dat zij waarlijk op het punt waren mij te bijten, wanneer ik hun eenige beuzelarij ontrukte, en niet geloofden, dat ik dit uit welwillendheid deed, daar zij ver waren van het inzigt, dat geen god jegens de menschen kwaadgezind83is, en ik niets van dien aard uit kwaadwilligheid doe, maar dat het mij geenszins vrij[38]staat een leugen toe te stemmen, en iets waars te verduisteren.VIII. Beproef dan nog eens van voren af aan,Theaetetus! te zeggen, wat kennis is; maar zeg nooit, dat gij er niet toe in staat zijt, want, zoo God wil en gij u mannelijk gedraagt, zult gij er toe in staat zijn.Theaet.Maar84waarlijk,Socrates! daar gij mij aldus aanspoort, zou het schandelijk wezen, niet in alle opzigten zijn best te doen, om alles te zeggen, wat men kan. Ik geloof dan, dat hij, die iets kent, dat, wat bij kent, voelt, en, naar mij nu voorkomt, is de kennis niets anders dan gevoel85.So.Goed zoo, mijn jongen! want zoo moet men vrijuit spreken. Maar kom aan! laten wij dit te zamen onderzoeken, of het goed of ijdel86is. Gij zegt: kennis is gevoel87?Theaet.Ja.So.Gij schijnt daar waarlijk eene niet onbelangrijke uitspraak over de kennis te doen, maar dezelfde bepaling te geven alsProtagoras. Hij toch zeide volkomen hetzelfde88, met eenigzins andere woorden.[39]Want hij zegt, als ik wel heb89, dat de mensch de maat van alle dingen is, van de dingen die zijn, dat zij zijn, en van de dingen die niet zijn, dat zij niet zijn. Hebt gij dat niet wel eens gelezen?Theaet.Ja, dikwijls.So.Zegt hij dan niet ongeveer dit? Dat, gelijk alle dingen aan mij toeschijnen, zij alzoo ook voor mij zijn, en gelijk zij aan u toeschijnen, voor u; edoch dat gij en ik menschen zijn?Theaet.Ja: dat zegt hij.So.Het is waarlijk niet te denken, dat een verstandig man onzin praat: laten wij hem dus volgen. Is niet somtijds, terwijl dezelfde wind waait, de een onzer koud, de ander niet? en de een een weinig, de ander zeer?Theaet.Ongetwijfeld.So.Zullen wij dan nu den wind op zich zelven koud of niet koud noemen? of zullen wijProtagorasgelooven, dat hij voor hem, die het koud heeft, koud is, en voor den anderen niet?Theaet.Het laatste90.So.Edoch het komt aan ieder alzoo voor.[40]Theaet.Ja.So.Dat is: ieder voelt het zoo.Theaet.Juist.So.Dus komt het voor waar houden en het voelen in het warme en alle dergelijken op hetzelfde neêr. Want wat ieder voelt, dat schijnt voor ieder ook te zijn.Theaet.Het schijnt zoo.So.Derhalve heeft het gevoel altijd het wezenlijke en de waarheid tot voorwerp91, daar het kennis is.Theaet.Het schijnt zoo.So. Maar, bij de Gratiën! was danProtagoraseen doorgeleerd man, die voor ons als den grooten hoop zich zoo duister uitdrukte, maar aan zijne leerlingen in het verborgen de waarheid zeide92?Theaet.Hoe meent gij dat,Socrates?So.Ik zal u die waarlijk niet verwerpelijke redenering mededeelen93, namelijk, dat niets op zich zelf bestaat, en dat gij aan niets met regt deze of die hoedanigheid of eigenschap94kunt toeschrijven, maar, zoo gij het groot noemt, zal het ook klein schijnen, en, zoo gij het zwaar noemt, ligt, enz. daar niets één, of dit, of zoodanig is; maar alles, wat wij[41]verkeerdelijk zeggen te bestaan, eigenlijk ontstaat uit beweging en onderlinge vermenging; want nooit is er iets, maar steeds wordt het. En daarover is de geheele rij der wijzen, behalveParmenides95, het eens, [namelijk]ProtagorasenHeraclietenEmpedocles, en de eerste dichters van beide dichtsoorten,Epicharmusvan de Comedie, enHomerusvan de Tragedie; want, toen de laatste sprak van den Oceaan, den vader der goden, en hunne moederTethys, leerde hij, dat alles uit vloeijing en verandering ontstaan is; of dunkt u niet, dat hij dat bedoelt?Theaet.Ongetwijfeld.IX.So.Wie zou dan nu nog in staat zijn aan zulk een leger, aangevoerd door eenen veldheer alsHomerus, weêrstand te bieden, zonder zich schande te berokkenen?Theaet.Dat is niet gemakkelijk,Socrates!So.Zekerlijk niet,Theaetetus! te meer, daar de [waarheid dezer] leer ook voldoende daardoor wordt aangeduid, dat verandering de bron is van den schijn van bestaan en van het worden, maar rust van het niet bestaan en het vergaan96; want de warmte en het vuur, dat de andere dingen doet ontstaan, en in[42]stand houdt, wordt zelf voortgebragt door beweging97en wrijving, en die twee door verandering. Of is dat niet de oorsprong van het vuur?Theaet.Ongetwijfeld.So.En ook de dieren nemen hunnen oorsprong uit hetzelfde.Theaet.Zeer zeker.So.Wordt verder98de toestand der ligchamen niet door rust en ledigheid bedorven, maar door oefening en beweging over het geheel bewaard?Theaet.Ja.So.En is het niet door studie en oefening, dat is door beweging, dat de99ziel kennis verkrijgt en die voor zich bewaart en beter wordt, terwijl zij door rust, dat is door verwaarloozing en gebrek aan studie,[43]niet alleen niet leert, maar ook nog daarenboven hetgeen zij geleerd heeft, vergeet100?Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus is het goede voor ziel en ligchaam beweging, het kwade daarentegen het tegenovergestelde101?Theaet.Het schijnt zoo.So.Moet ik nu nog stilte van wind en water, enz. noemen [en zeggen] dat rust rotting en verderf veroorzaakt, maar het tegenovergestelde bewaart? en moet ik daarop nu nog de kroon zetten102, daarbij bewerende, datHomerusmet de gouden keten niets anders meent dan de zon, en te kennen geeft, dat, zoo lang als het omwentelen en de zon in beweging blijft, alles onder de Goden en de menschen bestaat en behouden blijft; maar dat, zoo die als gebonden bleef staan, alles bedorven en, naar het spreekwoord zegt, te onderste boven gekeerd zou worden103?[44]Theaet.Ik geloof,Socrates! dat dit te kennen geeft, wat gij zegt.X.So.Vat het dan nu aldus op, mijn beste! Vooreerst wat betreft de oogen, dat, hetgeen gij witte kleur noemt, niets op zich zelf is buiten de oogen noch in de oogen; en dat er geene vaste plaats aan kan toegewezen worden. Want [zoodra gij dat deedt], was hetgeen bestaat, ergens in eenen vastgestelden toestand, en zou blijven en niet meer aanhoudend worden.Theaet.Maar hoe dan?So.Laat ons, het daareven gezegde volgende, niets als op zich zelf bestaand beschouwen; en het zal alzoo blijken, dat zwart en wit en elke andere kleur voor ons ontstaat uit het stuiten der oogen op de daarmede overeenstemmende104beweging; en al wat wij kleur noemen, zal noch het stuitende noch hetgeen, waarop gestuit wordt, zijn, maar voor ieder iets bijzonders, dat daartusschen wordt; of zoudt gij durven beweren, dat, zoo als iedere kleur u voorkomt, zij eveneens voorkomt aan eenen hond en aan elk ander dier?Theaet.Neen, waarlijk niet.So.Maar verder: komt iets eveneens voor aan een ander en aan u? zijt gij daar zeker van, of veel meer, dat ook aan u hetzelfde niet [eveneens voorkomt], daar gij nooit in denzelfden toestand zijt [als vroeger]?[45]Theaet.Het laatste komt mij waarschijnlijker voor dan het eerste.So.Zoo dus, hetgeen wij met iets anders meten of hetgeen wij aanraken, groot of wit of warm was, dan zou het nooit met een ander in aanraking komende, wat anders geworden zijn, zonder dat het zelf veranderde; en zoo het gemetene of aangeraakte ieder van die dingen105was, dan zou het niet, wanneer iets anders er bij kwam, of iets onderging, zonder zelf iets ondergaan te hebben, anders geworden zijn106, daar wij nu, mijn vriend! [zoo wij dit beweren] gedwongen worden iets vreemds en bespottelijks te zeggen, zoo alsProtagorasen ieder, die hem poogt te volgen, zou aanmerken.Theaet.Hoe en wat meent gij?So.Ik zal u een klein voorbeeld geven107, en gij zult alles weten, wat ik bedoel. Immers zoo gij met zes dobbelsteenen, vier vergelijkt, zeggen wij, dat de zes meer zijn dan de vier en [wel] anderhalf [maal[46]zooveel], maar, zoo gij er twaalf [mede vergelijkt], minder en de helft; en het is niet toe te laten, dat men het anders zegt; of zoudt gij het toelaten?Theaet.Wel neen.So.Wat nu? zooProtagorasof iemand anders u vroeg:Theaetetus! is het mogelijk, dat iets op eene andere wijs grooter of meer wordt, dan door vermeerdering108? wat zoudt gij antwoorden?Theaet.Wanneer ik,Socrates! op het nu gevraagde moet antwoorden, wat mij voorkomt, [dan zou ik antwoorden], dat het niet mogelijk is, maar wegens de vorige vraag, zal ik, om mij niet tegen te spreken, zeggen, dat het wel mogelijk is109.So.Mooi, bijHera! mijn vriend, en goddelijk; maar, waarschijnlijk zal er, zoo gij antwoordt, dat het mogelijk is, iets als het doorEuripides110vermelde plaats[47]hebben; want onze tong zal de tegenstrijdigheid vermeden hebben, maar onze geest niet111.Theaet.Dat is waar.So.Dus wanneer ik en gij knap112en wijs waren, dan zouden wij de zaak, voor zoo ver zij onzen geest raakt, als voldoende onderzocht beschouwende, verder voor tijdverdrijf elkanders krachten beproeven en als Sophisten zulk eenen strijd ondernemen, en met redeneringen elkanders redeneringen verslaan; maar nu, daar wij maar gewone menschen zijn, willen wij eerst eens stuk voor stuk onderzoeken, wat het is, wat wij denken, en of wij er tegenstrijdigheid in merken of niet113.Theaet.Dat zou ik zeer gaarne willen.[48]XI.So.En ik niet minder. Wanneer het er nu zoo meê staat, willen wij dan wel iets anders doen dan bedaard, daar wij zeer veel tijd hebben, nog eens van voren af aan nasporen; zonder ons moeijelijk te maken, maar waarlijk ons zelve onderzoekende, wat die verschijnsels114in ons te beduiden hebben. Dit ons onderzoek, denk ik, zullen wij beginnen met vast te stellen, dat niets ooit, hetzij in omvang, hetzij in aantal, grooter of kleiner wordt, zoolang het aan zich zelf gelijk is. Is het niet zoo?Theaet.Ja.So.Verder, dat waar niets bij of af gaat, dat dit meer noch minder wordt, maar altijd gelijk is.Theaet.Ongetwijfeld.So.Kunnen wij ook niet ten derde vaststellen, dat hetgeen vroeger niet was, later niet zijn kan zonder te worden115?Theaet.Het komt mij althans zoo voor.So.Deze drie toegestemde stellingen nu strijden in onzen geest met elkander, wanneer wij het voorbeeld[49]der dobbelsteenen bezigen, of wanneer wij zeggen, dat, nu ik van deze lengte ben, ik in een jaar nu grooter ben dan gij, die jong zijt, en later kleiner, terwijl er niets van mijne grootte wordt afgenomen, maar gij groeit. Want ik ben later wat ik vroeger niet was, zonder dat ik het geworden ben; want zonder worden, is geworden zijn niet mogelijk, en zonder iets van mijne grootte te verliezen, zou ik nooit kleiner worden. En zoo wij dit aannemen, zijn oneindig vele andere dingen eveneens gesteld116, want,Theaetetus! ik geloof, dat gij hierin niet onbedreven zijt.Theaet.En bij de Goden,Socrates! ik verwacht met verwondering, wat dat toch is, en somtijds word ik waarlijk, als ik hierop zie, duizelig.So.Theodorus, mijn vriend! schijnt niet kwaad omtrent uwen aard te gissen. Deze aandoening toch, de verwondering, is vooral117aan den wijsgeer eigen; want er is geen ander begin118van de wijsbegeerte dan dit, en hij, dieIrisde dochter vanThaumas[50]noemde, schijnt niet kwaad hare afkomst op tegeven119. Maar begrijpt gij dan nu, waarom dit zoodanig is, volgens hetgeen wij zeggen datProtagorasleert, of nog niet120?Theaet.Ik geloof nog niet.So.Zult gij het mij dan dank weten, zoo ik met u de verborgene waarheid der gedachte van een, of liever van verscheidene beroemde mannen uitvind121?Theaet.Hoe zou ik u daarvoor niet zeer veel dank weten?XII.So.Zie dan nu eens goed in de rondte, of niemand van de oningewijden ons beluistert. Zij nu zijn diegenen, die niets voor wezenlijk houden, dan hetgeen zij vast met de handen kunnen grijpen, maar die handelingen en wordingen en al het onzigtbare niet als wezenlijk erkennen122.[51]Theaet.Waarlijk,Socrates! gij noemt daar al zeer drooge en weêrbarstige menschen.So.Ja, jongen! zij zijn zeer onbeschaafd. Maar er zijn andere veel geestiger lieden, wier geheimenissen ik u zal mededeelen. Hun beginsel nu, waaruit ook al hetgeen wij daareven123reeds zeiden is afgeleid, is dit, dat alles beweging is124en verder niets, en[52]dat er twee soorten van beweging zijn, die ieder oneindig vele onderdeelen hebben, maar de eene de kracht van doen, de andere van lijden hebben125. Uit haar onderling verkeer en hare wrijving tegen elkander ontstaan voortbrengsels, die wel oneindig in getal zijn, maar in twee hoofdsoorten kunnen verdeeld worden, namelijk het voelbare en het gevoel, dat steeds tegelijk met het voelbare vergaat en ontstaat. De aandoeningen nu des gevoels worden door ons benoemd met de namen van: gezigt, gehoor, reukaandoeningen, koude, hitte, vermaken, smarten, begeerten, vrees126en andere, waarvan eene oneindige menigte nog onbenoemd is, maar toch de benoemde zeer veel in getal zijn; en de voelbare soort komt met ieder van dezen overeen127, met al de verschillende gezigtsaandoeningen, de verschillende kleuren, en zoo ook de klanken met de gehoorsaandoeningen, en de overige voelbare dingen, die met de overige aandoeningen des gevoels van dezelfde soort worden. Wat wil nu dit gezegde ten opzigte van het vorige,Theaetetus? begrijpt gij het?Theaet.Niet bijzonder,Socrates!So.Maar zie, of gij het op eenigerlei wijze begrijpt,[53]wanneer128het voluit gezegd is. Want het wil zeggen129, dat dit alles, zooals wij zeggen, bewogen wordt, en dat in hunne beweging snelheid en traagheid is. Wat nu traag is, heeft de beweging op dezelfde130plaats en naar het digtbijzijnde, en brengt alzóó [eene gevoelsaandoening] voort, en het alzoo voortgebragte is trager; en wat snel is, heeft de beweging naar het meer verwijderde en brengt aldus voort, en het voortgebragte is alzoo sneller. Want het beweegt zich in de ruimte, en de beweging is beweging in de ruimte131. Wanneer nu een oog en iets anders van de dingen, die daarmede overeenstemmen132, tot elkander genaderd zijnde, de witheid en eene gevoelsaandoening, die daarmede overeenstemt, doet ontstaan, hetgeen nooit zou plaats hebben, wanneer een hunner bij iets anders gekomen was, dan pleegt, terwijl zich tusschen [het oog en het zigtbare] het gezigt van den kant der oogen en de witheid van dien der mede-oorzaak van de kleur beweegt, het oog vol te worden met gezigt, en dan ziet het, en wordt niet gezigt, maar een oog dat ziet; en hetgeen mede de kleur verwekt heeft, wordt rondom met witheid gevuld133[54]en wordt niet witheid, maar wit, hetzij een stok of een steen, of welk ding ook met zoodanige kleur gekleurd is. En het andere, het harde, warme, enz. moet men even zoo opvatten, dat het op zich zelf nietsis, wat wij ook daareven zeiden, maar dat bij het onderlinge verkeer alleswordten allerlei eigenschappen bekomt door de beweging, daar het niet geoorloofd is134eens vooral, zoo als men zegt, het bedrijvende en het lijdende onder een vast begrip te brengen. Want niets is bedrijvend voordat het met het lijdende zamenkomt, noch lijdend voordat [het] met het bedrijvende [zamenkomt]; en wat, met het eene zamenkomend, bedrijvend is, vertoont zich, in verband met iets anders, als lijdend. Zoodat volgens dit alles, hetgeen wij van den beginne zeiden, niets van eene onveranderlijke hoedanigheid is, maar [alle dingen]135steeds in eenig opzigtworden, doch hetzijnoveral moet uitgesloten worden, alhoewel136wij nog daarzoo[55]door ongewoonte en onbekwaamheid dikwijls genoopt werden, die uitdrukking te gebruiken. Dit is echter, gelijk de wijzen zeggen, niet geoorloofd, en evenmin iets te bevestigen, of van iemand, of van mij, of dit of dat, of eenig ander woord, dat eenen blijvenden toestand uitdrukt; maar men moet137, zoo als de natuur vordert, spreken van ontstaan, en gemaakt worden, en vergaan, en veranderd worden; daar hij, die beweert, dat iets bestendig is, gemakkelijk kan weêrlegd worden. En men moet zoo van ieder afzonderlijk138spreken en van velen te zamen, die vereenigd den naam van mensch, steen, dier, enz. bekomen. Bevalt u dit,Theaetetus! en smaakt het u, zoodat gij er van eten wilt?

I.Eucl.Zijt gij daar even van het land gekomen,Terpsion! of reeds eene poos geleden?

Terp.Al eene vrij lange poos geleden. En ik zocht u op de markt1en verwonderde mij, dat ik u niet vinden kon.

Eucl.[Dat is geen wonder], want ik was niet in de stad.

Ter.Waar dan?

Eu.Ik was naar de haven gegaan, en vond daarTheaetetus, die vanCorinthe, uit het leger, naarAthenegebragt werd2.[10]

Ter.Was hij dood of levend?

Eu.Hij was nog levend, maar op het randje van den dood, want hij lijdt aan verscheidene wonden, maar nog meer tast hem de ziekte aan, die in het leger ontstaan is.

Ter.Toch niet de roode loop?

Eu.Juist.

Ter.Welk een man zegt gij daar, dat in levensgevaar is!

Eu.Een uitstekend man,Terpsion: zoo als ik ook nu weder gehoord heb van menschen, die zijne dapperheid in het gevecht bijzonder roemden.

Ter.Dat is ook niet vreemd; het zou veel verwonderlijker zijn, als hij zoo niet was3. Maar waarom hield hij hier, teMegara, niet stil?

Eu.Hij had groot verlangen naar huis. Althans ik bad hem en ried hem [te blijven,] maar hij wilde niet. En ik verzeker u4, dat, toen ik hem een eind wegs begeleid had, en wederkeerde, ik mij met verwondering te binnen bragt, hoeSocratesook omtrent hem als een profeet heeft gesproken. Want ik meen, dat hij kort voor zijnen dood hem, die toen nog een knaap was, ontmoet heeft, en nadat hij eenigen tijd met hem gesproken had, zijnen inborst5zeer heeft[11]bewonderd. En toen ik teAthenekwam, verhaalde hij mij, wat hij met hem gesproken had6, hetwelk zeer hoorenswaard was, en hij zeide, dat hij noodzakelijk uitstekend7zou worden, wanneer hij op jaren gekomen was.

Ter.En hij schijnt de waarheid gezegd te hebben8.[12]Maar wat was dat dan voor een gesprek? zoudt gij het kunnen verhalen9.

Eu.BijZeus! zoo uit mijn hoofd onmogelijk. Maar ik hield toen, zoodra ik te huis kwam, voor mij zelven aanteekeningen, en naderhand schreef ik op mijn gemak er bij, wat ik mij herinnerde, en zoo dikwijls ik naarAthenekwam, vroeg ikSocratesweder wat ik mij niet herinnerde, en als ik hier kwam,[13]verbeterde ik het; zoodat ik genoegzaam het geheele gesprek op schrift heb10.

Ter.Ja, dat heb ik reeds te voren van u gehoord, en terwijl ik altijd voornemens was, u te verzoeken het mij te laten zien, heb ik daarmede tot nu toe getalmd. Maar wat belet ons het nu door te loopen? Ik heb toch buitendien behoefte aan rust, daar ik van het land kom.

Eu.[Dat is niet alleen met u het geval], maar ik hebTheaetetustotErineus11begeleid, zoodat ik niet ongaarne wat zou rusten. Laat ons dan gaan, en wanneer wij rusten, zal mijn slaaf het ons meteen voorlezen12.

Ter.Dat is goed.

Eu.Dit is het boek,Terpsion! En ik heb het gesprek aldus opgeschreven, dat ik nietSocratesals aan mij verhalende voorstelde, maar als sprekende met diegenen, met wie hij zeide gesproken te hebben13. Hij nu zeide, [dat hij het gesprek gevoerd had] met den meetkunstenaarTheodorusen metTheaetetus. Opdat nu in het geschrift die tusschen de redekaveling ingevoegde vermeldingen overSocrates, wanneer hij sprak, b. v.,en ik zeide, ofen ik sprak, of ook[14]over den anderen14:hij stemde toe, ofhij ontkende het, niet lastig zouden zijn, daarom heb ik het geschreven, alsof hij zelf met hen sprak, met vermijding van die dingen.

Ter.En daaraan hebt gij goed gedaan,Euclides!

Eu.[Wij willen dan niet langer talmen], maar, jongen! neemt het boek en lees.—

II.So.Zoo ik mij meer om de inwoners vanCyrenebekommerde,Theodorus! dan zou ik u vragen naar hetgeen daar geschiedt, en over hen, of aldaar eenige jongelingen zijn, die werk maken van de meetkunst of eenige andere wetenschap15, maar nu, daar ik hen minder dan mijne landgenooten16lief heb, en meer verlang te weten, wie van onze jongelingen uitstekend schijnen te zullen worden, onderzoek ik dit [laatste] zooveel ik kan zelf, en vraag er de anderen naar, met wie ik de jongelingen gaarne zie omgaan. Nu komen tot u waarlijk niet de minsten, en dat[15]met regt; want gij verdient het, én om andere redenen, én ook om de meetkunst. Zoo gij dus iemand ontmoet hebt, die vermelding verdient, zou ik het gaarne vernemen.

Theo.En waarlijk,Socrates! het is voor mij de moeite waard om te zeggen, en voor u om te hooren, met welk een knaap17uit uwe medeburgers ik kennis gemaakt heb. En zoo hij schoon was, dan zou ik vreezen mij daar sterk over uit te laten, uit vrees dat iemand meenen zou, dat ik verliefd op hem was18; maar neem het mij niet kwalijk, hij is niet schoon en gelijkt op u in platheid van neus en uitpuilende oogen; slechts heeft hij dat iets minder dan gij; en bij gevolg zeg ik het onbeschroomd. Want weet, dat van allen, die ik ooit ontmoet heb, (en ik heb er met vrij wat omgegaan), ik nooit iemand heb opgemerkt van zulk eenen goeden aanleg19. Want vlug van begrip zijnde, even uitstekend zachtmoedig te zijn als men anders in dat geval lastig van humeur is, en daarbij vol geestkracht20,—dat zou ik niet denken,[16]dat mogelijk was, en ik zie, ook niemand, bij wien het plaats heeft; maar die zoo levendig zijn als hij en zoo vlug van bevatting en met zulk een goed geheugen begaafd, zijn gewoonlijk ook ligt tot toorn21geneigd, en worden met geweld geslingerd, even als schepen zonder ballast, en zijn van nature meer driftig dan veêrkrachtig; en zij, die meer bedaardheid hebben, zijn vaak langzaam in het leeren en van een slecht geheugen voorzien. Hij echter komt zoo gemakkelijk en geleidelijk22en steeds voortgaande tot de studie en het onderzoek, [en] met [zoo] veel zachtmoedigheid, gelijk eene beek van olie, die vloeit zonder geraas te maken, dat het een wonder is, dat iemand, nog zoo jong, dit zoo kan tot stand brengen.

So.Daar zegt gij wat goeds. Maar van welken Athener is hij een zoon?

Theo.Ik heb den naam wel gehoord, maar herinner mij dien niet. Maar [dat komt er niet op aan], want hij is de middelste van de knapen, die daar aankomen. Want daar even waren hij en deze zijne makkers in den buitensten omgang23, bezig zich met olie in te wrijven24, en nu meen ik, dat[17]zij daarmede gereed zijn25en herwaarts komen. Maar zie eens, of gij hem kent.

So.Ik ken hem. Hij is de zoon vanEuphroniusvanSunium26, een man, mijn vriend! die geheel was, zoo als gij dezen beschrijft, en buitendien zeer gezien, en die ook veel geld heeft nagelaten. Maar den naam van den knaap weet ik niet.

Theo.Zijn naam,Socrates! isTheaetetus, maar zijn geld geloof ik, dat zijne voogden27opgemaakt hebben. Doch hij is tevens ook verwonderlijk los van het geld,Socrates!

So.Gij geeft hem daar eene schoone lofspraak28. Verzoek hem hier bij mij te komen zitten.[18]

Theo.Dat zal gebeuren.Theaetetus!kom hier bijSocrates.

So.Ja, doe dat,Theaetetus, opdat ik mij zelven beschouwe, hoedanig een gelaat ik heb; wantTheodoruszegt, dat ik er een heb, dat op het uwe gelijkt. Maar zoo wij nu eens ieder eene lier hadden, en hij zeide, dat die eveneens gestemd waren, zouden wij hem dan terstond gelooven, of zouden wij onderzoeken, of hij dat zeide, omdat hij kennis had van de muzijk?

Theaet.Dat zouden wij onderzoeken.

So.En wanneer wij hem dan zóó vonden29, zouden wij hem zeker gelooven, maar zoo hij geene muzijk verstond, niet.

Theaet.Dat is waar.

So.Maar nu geloof ik, zoo de gelijkheid van aangezigt ons niet onverschillig is, dat wij dan onderzoeken moeten, of hij het zegt, omdat hij er verstand van heeft, of niet.

Theaet.Ik geloof ja.

So.Maar isTheodorusdan een schilder?

Theaet.Zoo ver ik weet, niet30.

So.Maar is hij ook geen meetkunstenaar?

Theaet.Wel zeker,Socrates!

So.En ook een beoefenaar van sterrekunde en cijferkunst en muzijk, en wat meer tot de opvoeding behoort?[19]

Theaet.Ik geloof ja.

So.Zoo hij dus met goed- of afkeuring zegt, dat wij in eenig deel des ligchaams gelijk zijn, komt het niet te pas, bijzonder op hem te letten31.

Theaet.Het schijnt van neen.

So.Maar zoo hij nu de ziel van een van ons beiden prees om deugd en wijsheid, zou het dan niet passen aan hem, die het gehoord heeft, dat hij ijverig den geprezenen onderzocht, en aan den anderen, dat hij bereidwillig zich vertoonde?

Theaet.Ongetwijfeld,Socrates!

III.So.Dus is het dan, mijn waardeTheaetetus! voor u de tijd om u te vertoonen, en voor mij om u te onderzoeken32; want wees verzekerd, datTheodorustegenover mij vele vreemden en inboorlingen geprezen heeft, maar nooit iemand zoo als u.

Theaet.Dat zou goed zijn,Socrates! Maar zie eens, of hij het ook schertsend zeide.

So.Dat is de gewoonte vanTheodorusniet. Maar ontwijk het toegestemde niet, door voor te geven, dat hij schertsend sprak, opdat hij niet gedwongen worde een uitdrukkelijk getuigenis af te leggen; want niemand zal hem toch wel van valsche getuigenis beschuldigen. Maar houdt gij vol moed het toegestemde vast.[20]

Theaet.Dat moet ik doen, zoo gij het goedvindt.

So.Zeg mij dan nu: leert gij vanTheodorushet een en ander van de meetkunst?

Theaet.Ja.

So.En van hetgeen de sterrekunde en de harmonie en de berekeningen betreft?

Theaet.Ik hoop er meê te beginnen.

So.Jongelief! ik zou het ook wel willen leeren, zoo van hem, als van anderen, die ik meen dat iets van die dingen verstaan33. Maar echter ben ik overigens met mijnen toestand in dezen nog34al tevreden, doch ik heb ééne zwarigheid, die ik met u en met hen moet onderzoeken. Zeg mij daarom eens: is niet leeren hetzelfde als kundiger35worden in hetgeen iemand leert?

Theaet.Ongetwijfeld.

So.En de kundigen zijn kundig door kunde?

Theaet.Ja.

So.Maar verschilt dit nu van kennis?

Theaet.Wat?

So.De kunde. Of hebben wij niet kennis van datgeen, waarin wij kundig zijn?

Theaet.Ongetwijfeld.

So.Dus is kennis en kunde hetzelfde?[21]

Theaet.Ja.

So.Juist dit nu is het, wat ik niet begrijp36en niet behoorlijk bij mij zelven kan bevatten37, wat toch eigenlijk de kennis is. Kunnen wij het niet zeggen? Wat zegt gij38? Wie onzer zal het het eerste zeggen? en die fout gezegd heeft, en telkens39ieder die fout zegt, moet, zoo als de jongens zeggen, die met den bal spelen, voor ezel zitten; maar die er doorkomt zonder fouten te maken, zal onze koning zijn en voorschrijven wat hij wil40. Waarom zwijgt gij?Theodorus! ik wordt toch niet onbeleefd door mijne praatzucht? want ik verlang onder ons een vriendschappelijk gesprek aan te knoopen.

Theo.Socrates!zoo iets kan nooit onbeleefd zijn, maar laat een der knapen u antwoorden; want ik ben[22]niet gewoon aan die soort van gesprek41, en ik heb den leeftijd niet om er aan te gewennen; maar dit zou hun passen, en zij zouden veel meer vorderen; want waarlijk, de jeugd is voor alle vorderingen geschikt. Doch laat, zoo als gij begonnen zijt,Theaetetusniet los, maar vraag hem.

So.Gij hoort,Theaetetus! watTheodoruszegt, wien toch ook gij wel zult willen gelooven, te meer, daar het in zulke dingen een jonger persoon niet vrij staat, aan een kundig man ongehoorzaam te zijn, wanneer hij ons iets beveelt; [talm dus niet], maar zeg mij fiks en ronduit: wat gelooft gij dat de kennis is?

Theaet.Het moet wel,Socrates! wanneer gij het beveelt; want, wanneer ik eenige fouten maak, zult gij die stellig wel verbeteren.

IV.So.Wel zeker, als wij maar kunnen.

Theaet.Ik geloof dan, dat hetgeen iemand vanTheodoruszou kunnen leeren, kennis is, namelijk meetkunst en de andere, die gij genoemd hebt, en ook het schoenmaken, en al de andere, kunsten, die door de ambachtslieden worden uitgeoefend; die allen en iedere daarvan houd ik voor niets anders dan kennis42.

So.Roijaal en mild, mijn beste! geeft gij om[23]één gevraagd zijnde veel en allerlei in plaats van één.

Theaet.Wat zegt gij daar,Socrates?

So.Misschien niets: maar wat ik bedoel, zal ik zeggen. Wanneer gij van schoenmakerskunst spreekt, dan meent gij toch niet anders dan de kennis van het maken van schoenen?

Theaet.Niets anders.

So.Maar wanneer gij van schrijnwerkerskunst spreekt, meent gij dan wel iets anders, dan de kennis van het maken van houten huisraad?

Theaet.Neen43.

So.Dus bepaalt gij bij beiden, datgene, waarvan ieder de kennis is?

Theaet.Ja.

So.Maar het gevraagde,Theaetetus! was niet, welke de voorwerpen der kennis zijn, of hoeveel soorten van kennis er zijn. Want wij vroegen het niet, omdat wij ze wilden tellen, maar [omdat wij wilden] weten44, wat de kennis zelve is45. Niet waar?

Theaet.Juist.

So.Onderzoek dan nu ook eens dit. Zoo iemand ons vroeg aangaande die dingen van weinig waarde, die voor de hand liggen, b. v. wat klei is, zoo wij dan antwoordden: de klei van de pottenbakkers, en de[24]klei van de steenbakkers, enz., zouden wij ons dan niet bespottelijk maken?

Theaet.Waarschijnlijk.

So.Vooral denkelijk, omdat wij meenden, dat hij, die het vroeg, ons antwoord begrijpen zou, wanneer wij zeiden:klei, en er bijvoegdenvan pottenbakkersof van eenige andere fabrijkanten. Of meent gij, dat46iemand den naam begrijpt van een ding, waarvan hij niet weet wat het is?

Theaet.Wel neen.

So.Dus begrijpt iemand, die niet weet, wat kennis is, ook [de uitdrukking]: kennis van het maken van schoenen niet47?

Theaet.Neen.

So.Dus begrijpt iemand het woord: schoenmakerskunst niet, noch den naam van eenige andere kunst, zoo hij niet weet, wat kennis is48.

Theaet.Juist zoo.

So.Dus is het een bespottelijk antwoord, wanneer men, gevraagd zijnde, wat kennis is, den naam van eenige kunst antwoordt. Want dan antwoordt men,[25]wat het voorwerp der kennis is, maar hiernaar werd men niet gevraagd.

Theaet.Het schijnt zoo.

So.Terwijl het verder geoorloofd was49, gemakkelijk en kort te antwoorden, maakt men eenen oneindigen omweg. Zoo als het bij de vraag naar de klei gemakkelijk en eenvoudig was te zeggen: klei is eene soort van aarde, met water gekneed, en het waarvan50te laten rusten.

V.Theaet.Socrates!dit ziet er oppervlakkig vrij gemakkelijk uit; maar51gij schijnt iets te vragen, zoo als hetgeen ons onlangs bij een gesprek voorkwam, namelijk mij en dezen uwen naamgenoot,Socrates.

So.Wat meent gij,Theaetetus?

Theaet.Theodorus, die hier staat, helderde ons de leer der inhouden met figuren op, en toonde van de vlakteinhoud van drie en van vijf vierkante voeten, dat zij in de lengte niet door éénen vierkanten voet deelbaar zijn, en alzoo doorliep hij ze één voor één, tot aan de vlakte van zeventien vierkante voeten; en[26]daar hield hij op. Wij nu kregen zoodanig iets in onze gedachte, [namelijk] om, daar die inhouden oneindig in menigte schenen, te pogen ze onder éénen naam te brengen, waarmede wij ze allen zouden kunnen benoemen52.

So.En hebt gij zoodanig iets gevonden?[27]

Theaet.Ik geloof van ja. Zie gij het ook eens.

So.Zeg op.

Theaet.Wij hebben alle getallen in twee soorten verdeeld. De getallen, die gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, vergeleken wij, wat de figuur betreft, bij het vierkant, en noemden ze gelijkzijdig.

So.Goed zoo.

Theaet.De getallen, die tusschen deze inliggen, waartoe 3 en 5 behooren en al die onmogelijk gelijk in lengte en breedte kunnen gemaakt worden, maar óf meer lengte dan breedte, óf meer breedte dan lengte hebben, zoodat eene grootere en kleinere zijde ze insluit, die vergeleken wij bij de langwerpige figuur en noemden ze langwerpige getallen.

So.Opperbest: maar wat nu verder?

Theaet.Aan al de lijnen, die dienen om de gelijkzijdige getallen in de vlakte als een vierkant af te beelden, gaven wij den naam van lengte, en die dienen, om dit met de langwerpige getallen te doen, den naam van inhoudsmaten, daar zij in de lengte geene gemeene maat met die anderen hebben, maar wel in de vierkanten, waarvan zij den inhoud uitdrukken. En met de wiskunstige ligchamen hebben wij desgelijks gehandeld.

So.Uitmuntend, jongens! zoodat ik geloof, dat Theodorus niet van valsche getuigenis zal kunnen beschuldigd worden.

Theaet.Edoch,Socrates! wat gij aangaande de kennis vraagt, zou ik niet even goed kunnen beantwoorden, als de vraag over de lengte en de inhoudsmaat; indien ik ten minste goed inzie, dat gij iets dergelijks[28]zoekt; zoodatTheodorusnu weder een leugenaar schijnt.

So.Hoe dat? zoo hij u, ten opzigte van het loopen prijzende, zeide, dat hij nooit eenen knaap ontmoet had, die zoo goed loopen kon, en gij vervolgens in eenen wedloop wijken moest voor eenen53, die zijne volle krachten had en uitmuntte in snelheid, zoudt gij dan gelooven, dat hij u eenigzins minder naar waarheid geprezen had?

Theaet.Wel neen.

So.Maar houdt gij het dan voor eene kleine en niet voor eene van de allerzwaarste zaken, om, zoo als ik zeide, uit te vinden, wat de kennis is54?

Theaet.Waarlijk, bijZeus, ik houd het voor eene van de allerzwaarste.

So.Houd maar moed over u zelven, en geloof, datTheodorusiets van gewigt55gezegd heeft en bevlijtig u op allerlei wijs, zoo omtrent de andere dingen, als omtrent de kennis, om rekenschap te bekomen, wat het toch is.

Theaet.Voor zoo ver het van mijne vlijt afhangt,Socrates! zal het blijken.

VI.So.Komaan dan; want daareven zijt gij goed[29]voorgegaan; beproef eens, het antwoord aangaande de inhoudsmaten nabootsende, even als gij die, hoe vele zij ook waren, met één geslacht omvat hebt, alzoo ook de vele soorten van kennis met ééne bepaling te beschrijven.

Theaet.Maar wees verzekerd,Socrates! dat ik dikwijls beproefd heb dit te onderzoeken, wanneer ik de door u voorgestelde vragen hoorde verhalen; maar [weinig heeft het mij geholpen,] daar ik mij zelven niet kan overtuigen, dat ik iets zeg, dat voldoende is, en het, evenmin zóó van een’ ander kan hooren als gij verlangt; hoewel ik aan den anderen kant mijn voornemen niet kan laten varen56.

So.[Dat is geen wonder], mijn besteTheaetetus! want gij zijt in barensnood, daar gij niet ledig, maar zwanger zijt.

Theaet.Ik weet het niet,Socrates! maar ik zeg u den toestand, waarin ik ben57.

So.Maar, mijn gekje!58hebt gij dan niet gehoord,[30]dat ik een zoon ben van eene zeer voortreffelijke en eerwaardige vroedvrouw, vanPhaenabete?

Theaet.Dat heb ik reeds gehoord.

So.Maar hebt gij ook gehoord, dat ik dezelfde kunst uitoefen?

Theaet.Wel neen!

So.Maar wees toch verzekerd, dat het zoo is59. Verklap mij echter niet bij de anderen. Want, mijn vriend! het is niet bekend, dat ik die kunst heb, en daar60zij61dit dus niet weten, zeggen zij dit niet van mij, maar wel, dat ik allerzotst ben en de menschen in de war breng62. Dat hebt gij toch wel gehoord?

Theo.Wel zeker.

So.Wil ik u dan de reden eens zeggen?

Theaet.Gaarne.

So.Bedenk dan eens, hoe al, wat eene vroedvrouw aangaat, gesteld is, en gij zult gemakkelijker begrijpen, wat ik wil. Want gij weet, dat geene derzelve, zoo[31]lang zij nog zelve zwanger wordt en kinderen baart, andere vrouwen helpt verlossen, maar dat zij dit doen die niet meer in staat zijn te baren.

Theaet.Wel zeker.

So.Men zegt, datArtemisdaarvan de oorzaak is, daar zij, zonder zelve te baren, het opzigt over het baren [der kraamvrouwen] gekregen heeft63. Aan onvruchtbare vrouwen nu pleegt zij de vroedkunst niet te verleenen64, wijl de menschelijke natuur te zwak is, om de theorie te vatten van iets, waarvan zij geene ondervinding heeft; maar aan de vrouwen, die door haren ouderdom niet meer baren, heeft zij dit opgedragen en ze daardoor, wijl zij aan haar gelijk zijn, eervol onderscheiden.

Theaet.Waarschijnlijk65.

So.Is dan ook dit niet waarschijnlijk en noodzakelijk, dat de zwangere en niet zwangere vrouwen beter door de vroedvrouwen, dan door andere onderscheiden66worden?[32]

Theaet.Wel zeker.

So.Verder kunnen de vroedvrouwen ook door dranken te geven en tooverformulieren67te zingen, de weeën opwekken, en, zoo zij willen, verzachten, en de vrouwen, die moeijelijk baren, laten baren, en zoo het haar noodig schijnt de vrucht af te wenden, die afwenden.

Theaet.Dat is zoo.

So.Hebt gij ook dit reeds van haar bemerkt, dat zij ook zeer goede aanbindsters van het huwelijk zijn, daar zij zeer bekwaam zijn, om te beslissen, hoedanige vrouw met hoedanigen man de beste kinderen kan voortbrengen?

Theaet.Dat weet68ik nog niet regt.

So.Maar weet dan, dat zij zich meer daarop verheffen, dan op het navelsnijden; want denk eens: gelooft gij, dat het kweeken en inzamelen der aardvruchten dezelfde of eene andere kunst69[33]is, dan het beoordeelen, in hoedanige aarde hoedanige planten en zaden moeten gelegd worden?

Theaet.Neen, maar van dezelfde.

So.Maar mijn beste! gelooft gij dan, dat, ten opzigte eener vrouw, eene andere de kennis is van het laatste, eene andere van het inzamelen70?

Theaet.Dat is niet waarschijnlijk.

So.Neen zeker niet. Maar om het onregtmatige en onkundige bijeenbrengen van man en vrouw, dat koppelen genoemd wordt, ontwijken de vroedvrouwen het aanbinden van huwelijken, daar zij eerwaardig zijn, en vreezen zich daardoor die beschuldiging te berokkenen, terwijl het toch alleenlijk aan de wezenlijke vroedvrouwen toekomt, een huwelijk goed aan te binden.

Theaet.Het schijnt zoo.

So.Dit nu is het werk der vroedvrouwen, dat geringer is dan het mijne. Want het gebeurt aan vrouwen niet, somtijds schimmen, en dan weer71waarachtige kinderen te baren, die niet gemakkelijk te onderkennen zijn, want zoo dat er bij was, dan zou het voor de vroedvrouwen het schoonste werk zijn, het ware en niet ware te onderscheiden, of meent gij dit niet?[34]

Theaet.Ja!

VII.So.Mijne vroedkunst nu heeft het overige zooals zij72, maar verschilt daarin, dat zij mannen en geen vrouwen verlost, en dat zij de zielen als zij baren in het oog houdt, maar niet de ligchamen. Maar dit is het voornaamste in onze kunst, in staat te zijn op allerlei wijs te onderzoeken, of het verstand van den jongeling eene schim en leugen baart, of iets dat echt en waar is. Verder heb ik ook dit, dat aan de vroedvrouwen eigen is: ik baar zelf geene wijsheid, en wat reeds velen mij verweten hebben, dat ik de anderen vraag, maar zelf over niets eenig antwoord geef, daar ik volstrekt geene wijsheid heb, dat verwijten zij mij met regt73. De oorzaak nu hiervan is deze, dat de godheid mij dwingt om de vroedkunst uit te oefenen, maar mij belet heeft te baren74. Ik[35]nu ben zelf wel niet bijzonder wijs, en heb geene zoodanige75uitvinding gedaan, die het kind is van mijnen geest; doch zij, die met mij omgaan, schijnen in het eerst, sommigen zelfs bijzonder dom, maar bij voortgaanden omgang schijnen allen, wien God dit toestaat, naar hun eigen oordeel en dat van anderen, verwonderlijk toe te nemen; en het is duidelijk, dat zij [dit doen] zonder ooit iets van mij te leeren, maar door zelve uit zich zelve vele schoone dingen te vinden en vast te houden; de verlossing echter is dan door mij met Gods hulp bewerkt. Dit nu blijkt aldus. Reeds velen, die dit niet begrepen en zich zelve de oorzaak noemden, maar mij niet telden, zijn, hetzij vrijwillig, hetzij door anderen overgehaald, vroeger dan behoorde heengegaan, en nadat zij heengegaan waren, hebben zij verder miskramen gehad door de slechte behandeling, en hebben, hetgeen door mij verlost was, met slecht voedsel verdorven, daar zij leugens en schimmen hooger stelden dan de waarheid, en eindelijk76schenen zij aan zich zelve en aan anderen bijzonder onwetend. Hiertoe behoortAristides, de zoon vanLysimachus, en vele anderen. En wanneer die[36]wederkomen, en om mijnen omgang verzoeken, en allerlei vreemde dingen doen77, dan belet het goddelijke78[teeken], dat mij verleend wordt, mij om met sommigen om te gaan, en met anderen vergunt het zulks; en die nemen dan weder toe. Zij nu, die met mij omgaan, hebben ook dit met de kraamvrouwen gemeen, dat zij zelfs vrij wat meer weeën hebben en nacht en dag met benaauwdheid vervuld worden. Die weeën kan mijne kunst opwekken en tot bedaren brengen. Zoo nu gaat het met hen79. Maar somtijds,Theaetetus! zoo er zijn, die mij niet zwanger schijnen, en waarvan ik inzie, dat zij mij geenszins behoeven, ben ik zoo goed ze aan den man te helpen, en (menschelijker wijs gesproken80,) kan ik[37]al zeer goed gissen, van wiens omgang zij nut kunnen trekken. Vele hunner heb ik aanProdicusof aan andere wijze en uitstekende mannen overgegeven.

Dit, mijn beste! heb ik u daarom zoo uitvoerig verteld, omdat81ik giste, dat gij, zoo als gij ook zelf meent, weeën hebt, daar gij zwanger zijt. Gedraag u dus jegens mij als jegens den zoon eener vroedvrouw, die zelf de vroedkunst verstaat, en bevlijtig u mijne vragen zoo goed gij kunt te beantwoorden82. En zoo ik dan, iets onderzoekende van hetgeen gij zegt, dat voor eene schim en voor niet waarachtig houd, [en] het vervolgens opneem en wegwerp, wees dan niet boos op mij, zoo als de voor het eerst barende ten opzigte der kinderen. Want velen, mijn waardste! waren zóó jegens mij gesteld, dat zij waarlijk op het punt waren mij te bijten, wanneer ik hun eenige beuzelarij ontrukte, en niet geloofden, dat ik dit uit welwillendheid deed, daar zij ver waren van het inzigt, dat geen god jegens de menschen kwaadgezind83is, en ik niets van dien aard uit kwaadwilligheid doe, maar dat het mij geenszins vrij[38]staat een leugen toe te stemmen, en iets waars te verduisteren.VIII. Beproef dan nog eens van voren af aan,Theaetetus! te zeggen, wat kennis is; maar zeg nooit, dat gij er niet toe in staat zijt, want, zoo God wil en gij u mannelijk gedraagt, zult gij er toe in staat zijn.

Theaet.Maar84waarlijk,Socrates! daar gij mij aldus aanspoort, zou het schandelijk wezen, niet in alle opzigten zijn best te doen, om alles te zeggen, wat men kan. Ik geloof dan, dat hij, die iets kent, dat, wat bij kent, voelt, en, naar mij nu voorkomt, is de kennis niets anders dan gevoel85.

So.Goed zoo, mijn jongen! want zoo moet men vrijuit spreken. Maar kom aan! laten wij dit te zamen onderzoeken, of het goed of ijdel86is. Gij zegt: kennis is gevoel87?

Theaet.Ja.

So.Gij schijnt daar waarlijk eene niet onbelangrijke uitspraak over de kennis te doen, maar dezelfde bepaling te geven alsProtagoras. Hij toch zeide volkomen hetzelfde88, met eenigzins andere woorden.[39]Want hij zegt, als ik wel heb89, dat de mensch de maat van alle dingen is, van de dingen die zijn, dat zij zijn, en van de dingen die niet zijn, dat zij niet zijn. Hebt gij dat niet wel eens gelezen?

Theaet.Ja, dikwijls.

So.Zegt hij dan niet ongeveer dit? Dat, gelijk alle dingen aan mij toeschijnen, zij alzoo ook voor mij zijn, en gelijk zij aan u toeschijnen, voor u; edoch dat gij en ik menschen zijn?

Theaet.Ja: dat zegt hij.

So.Het is waarlijk niet te denken, dat een verstandig man onzin praat: laten wij hem dus volgen. Is niet somtijds, terwijl dezelfde wind waait, de een onzer koud, de ander niet? en de een een weinig, de ander zeer?

Theaet.Ongetwijfeld.

So.Zullen wij dan nu den wind op zich zelven koud of niet koud noemen? of zullen wijProtagorasgelooven, dat hij voor hem, die het koud heeft, koud is, en voor den anderen niet?

Theaet.Het laatste90.

So.Edoch het komt aan ieder alzoo voor.[40]

Theaet.Ja.

So.Dat is: ieder voelt het zoo.

Theaet.Juist.

So.Dus komt het voor waar houden en het voelen in het warme en alle dergelijken op hetzelfde neêr. Want wat ieder voelt, dat schijnt voor ieder ook te zijn.

Theaet.Het schijnt zoo.

So.Derhalve heeft het gevoel altijd het wezenlijke en de waarheid tot voorwerp91, daar het kennis is.

Theaet.Het schijnt zoo.

So. Maar, bij de Gratiën! was danProtagoraseen doorgeleerd man, die voor ons als den grooten hoop zich zoo duister uitdrukte, maar aan zijne leerlingen in het verborgen de waarheid zeide92?

Theaet.Hoe meent gij dat,Socrates?

So.Ik zal u die waarlijk niet verwerpelijke redenering mededeelen93, namelijk, dat niets op zich zelf bestaat, en dat gij aan niets met regt deze of die hoedanigheid of eigenschap94kunt toeschrijven, maar, zoo gij het groot noemt, zal het ook klein schijnen, en, zoo gij het zwaar noemt, ligt, enz. daar niets één, of dit, of zoodanig is; maar alles, wat wij[41]verkeerdelijk zeggen te bestaan, eigenlijk ontstaat uit beweging en onderlinge vermenging; want nooit is er iets, maar steeds wordt het. En daarover is de geheele rij der wijzen, behalveParmenides95, het eens, [namelijk]ProtagorasenHeraclietenEmpedocles, en de eerste dichters van beide dichtsoorten,Epicharmusvan de Comedie, enHomerusvan de Tragedie; want, toen de laatste sprak van den Oceaan, den vader der goden, en hunne moederTethys, leerde hij, dat alles uit vloeijing en verandering ontstaan is; of dunkt u niet, dat hij dat bedoelt?

Theaet.Ongetwijfeld.

IX.So.Wie zou dan nu nog in staat zijn aan zulk een leger, aangevoerd door eenen veldheer alsHomerus, weêrstand te bieden, zonder zich schande te berokkenen?

Theaet.Dat is niet gemakkelijk,Socrates!

So.Zekerlijk niet,Theaetetus! te meer, daar de [waarheid dezer] leer ook voldoende daardoor wordt aangeduid, dat verandering de bron is van den schijn van bestaan en van het worden, maar rust van het niet bestaan en het vergaan96; want de warmte en het vuur, dat de andere dingen doet ontstaan, en in[42]stand houdt, wordt zelf voortgebragt door beweging97en wrijving, en die twee door verandering. Of is dat niet de oorsprong van het vuur?

Theaet.Ongetwijfeld.

So.En ook de dieren nemen hunnen oorsprong uit hetzelfde.

Theaet.Zeer zeker.

So.Wordt verder98de toestand der ligchamen niet door rust en ledigheid bedorven, maar door oefening en beweging over het geheel bewaard?

Theaet.Ja.

So.En is het niet door studie en oefening, dat is door beweging, dat de99ziel kennis verkrijgt en die voor zich bewaart en beter wordt, terwijl zij door rust, dat is door verwaarloozing en gebrek aan studie,[43]niet alleen niet leert, maar ook nog daarenboven hetgeen zij geleerd heeft, vergeet100?

Theaet.Ongetwijfeld.

So.Dus is het goede voor ziel en ligchaam beweging, het kwade daarentegen het tegenovergestelde101?

Theaet.Het schijnt zoo.

So.Moet ik nu nog stilte van wind en water, enz. noemen [en zeggen] dat rust rotting en verderf veroorzaakt, maar het tegenovergestelde bewaart? en moet ik daarop nu nog de kroon zetten102, daarbij bewerende, datHomerusmet de gouden keten niets anders meent dan de zon, en te kennen geeft, dat, zoo lang als het omwentelen en de zon in beweging blijft, alles onder de Goden en de menschen bestaat en behouden blijft; maar dat, zoo die als gebonden bleef staan, alles bedorven en, naar het spreekwoord zegt, te onderste boven gekeerd zou worden103?[44]

Theaet.Ik geloof,Socrates! dat dit te kennen geeft, wat gij zegt.

X.So.Vat het dan nu aldus op, mijn beste! Vooreerst wat betreft de oogen, dat, hetgeen gij witte kleur noemt, niets op zich zelf is buiten de oogen noch in de oogen; en dat er geene vaste plaats aan kan toegewezen worden. Want [zoodra gij dat deedt], was hetgeen bestaat, ergens in eenen vastgestelden toestand, en zou blijven en niet meer aanhoudend worden.

Theaet.Maar hoe dan?

So.Laat ons, het daareven gezegde volgende, niets als op zich zelf bestaand beschouwen; en het zal alzoo blijken, dat zwart en wit en elke andere kleur voor ons ontstaat uit het stuiten der oogen op de daarmede overeenstemmende104beweging; en al wat wij kleur noemen, zal noch het stuitende noch hetgeen, waarop gestuit wordt, zijn, maar voor ieder iets bijzonders, dat daartusschen wordt; of zoudt gij durven beweren, dat, zoo als iedere kleur u voorkomt, zij eveneens voorkomt aan eenen hond en aan elk ander dier?

Theaet.Neen, waarlijk niet.

So.Maar verder: komt iets eveneens voor aan een ander en aan u? zijt gij daar zeker van, of veel meer, dat ook aan u hetzelfde niet [eveneens voorkomt], daar gij nooit in denzelfden toestand zijt [als vroeger]?[45]

Theaet.Het laatste komt mij waarschijnlijker voor dan het eerste.

So.Zoo dus, hetgeen wij met iets anders meten of hetgeen wij aanraken, groot of wit of warm was, dan zou het nooit met een ander in aanraking komende, wat anders geworden zijn, zonder dat het zelf veranderde; en zoo het gemetene of aangeraakte ieder van die dingen105was, dan zou het niet, wanneer iets anders er bij kwam, of iets onderging, zonder zelf iets ondergaan te hebben, anders geworden zijn106, daar wij nu, mijn vriend! [zoo wij dit beweren] gedwongen worden iets vreemds en bespottelijks te zeggen, zoo alsProtagorasen ieder, die hem poogt te volgen, zou aanmerken.

Theaet.Hoe en wat meent gij?

So.Ik zal u een klein voorbeeld geven107, en gij zult alles weten, wat ik bedoel. Immers zoo gij met zes dobbelsteenen, vier vergelijkt, zeggen wij, dat de zes meer zijn dan de vier en [wel] anderhalf [maal[46]zooveel], maar, zoo gij er twaalf [mede vergelijkt], minder en de helft; en het is niet toe te laten, dat men het anders zegt; of zoudt gij het toelaten?

Theaet.Wel neen.

So.Wat nu? zooProtagorasof iemand anders u vroeg:Theaetetus! is het mogelijk, dat iets op eene andere wijs grooter of meer wordt, dan door vermeerdering108? wat zoudt gij antwoorden?

Theaet.Wanneer ik,Socrates! op het nu gevraagde moet antwoorden, wat mij voorkomt, [dan zou ik antwoorden], dat het niet mogelijk is, maar wegens de vorige vraag, zal ik, om mij niet tegen te spreken, zeggen, dat het wel mogelijk is109.

So.Mooi, bijHera! mijn vriend, en goddelijk; maar, waarschijnlijk zal er, zoo gij antwoordt, dat het mogelijk is, iets als het doorEuripides110vermelde plaats[47]hebben; want onze tong zal de tegenstrijdigheid vermeden hebben, maar onze geest niet111.

Theaet.Dat is waar.

So.Dus wanneer ik en gij knap112en wijs waren, dan zouden wij de zaak, voor zoo ver zij onzen geest raakt, als voldoende onderzocht beschouwende, verder voor tijdverdrijf elkanders krachten beproeven en als Sophisten zulk eenen strijd ondernemen, en met redeneringen elkanders redeneringen verslaan; maar nu, daar wij maar gewone menschen zijn, willen wij eerst eens stuk voor stuk onderzoeken, wat het is, wat wij denken, en of wij er tegenstrijdigheid in merken of niet113.

Theaet.Dat zou ik zeer gaarne willen.[48]

XI.So.En ik niet minder. Wanneer het er nu zoo meê staat, willen wij dan wel iets anders doen dan bedaard, daar wij zeer veel tijd hebben, nog eens van voren af aan nasporen; zonder ons moeijelijk te maken, maar waarlijk ons zelve onderzoekende, wat die verschijnsels114in ons te beduiden hebben. Dit ons onderzoek, denk ik, zullen wij beginnen met vast te stellen, dat niets ooit, hetzij in omvang, hetzij in aantal, grooter of kleiner wordt, zoolang het aan zich zelf gelijk is. Is het niet zoo?

Theaet.Ja.

So.Verder, dat waar niets bij of af gaat, dat dit meer noch minder wordt, maar altijd gelijk is.

Theaet.Ongetwijfeld.

So.Kunnen wij ook niet ten derde vaststellen, dat hetgeen vroeger niet was, later niet zijn kan zonder te worden115?

Theaet.Het komt mij althans zoo voor.

So.Deze drie toegestemde stellingen nu strijden in onzen geest met elkander, wanneer wij het voorbeeld[49]der dobbelsteenen bezigen, of wanneer wij zeggen, dat, nu ik van deze lengte ben, ik in een jaar nu grooter ben dan gij, die jong zijt, en later kleiner, terwijl er niets van mijne grootte wordt afgenomen, maar gij groeit. Want ik ben later wat ik vroeger niet was, zonder dat ik het geworden ben; want zonder worden, is geworden zijn niet mogelijk, en zonder iets van mijne grootte te verliezen, zou ik nooit kleiner worden. En zoo wij dit aannemen, zijn oneindig vele andere dingen eveneens gesteld116, want,Theaetetus! ik geloof, dat gij hierin niet onbedreven zijt.

Theaet.En bij de Goden,Socrates! ik verwacht met verwondering, wat dat toch is, en somtijds word ik waarlijk, als ik hierop zie, duizelig.

So.Theodorus, mijn vriend! schijnt niet kwaad omtrent uwen aard te gissen. Deze aandoening toch, de verwondering, is vooral117aan den wijsgeer eigen; want er is geen ander begin118van de wijsbegeerte dan dit, en hij, dieIrisde dochter vanThaumas[50]noemde, schijnt niet kwaad hare afkomst op tegeven119. Maar begrijpt gij dan nu, waarom dit zoodanig is, volgens hetgeen wij zeggen datProtagorasleert, of nog niet120?

Theaet.Ik geloof nog niet.

So.Zult gij het mij dan dank weten, zoo ik met u de verborgene waarheid der gedachte van een, of liever van verscheidene beroemde mannen uitvind121?

Theaet.Hoe zou ik u daarvoor niet zeer veel dank weten?

XII.So.Zie dan nu eens goed in de rondte, of niemand van de oningewijden ons beluistert. Zij nu zijn diegenen, die niets voor wezenlijk houden, dan hetgeen zij vast met de handen kunnen grijpen, maar die handelingen en wordingen en al het onzigtbare niet als wezenlijk erkennen122.[51]

Theaet.Waarlijk,Socrates! gij noemt daar al zeer drooge en weêrbarstige menschen.

So.Ja, jongen! zij zijn zeer onbeschaafd. Maar er zijn andere veel geestiger lieden, wier geheimenissen ik u zal mededeelen. Hun beginsel nu, waaruit ook al hetgeen wij daareven123reeds zeiden is afgeleid, is dit, dat alles beweging is124en verder niets, en[52]dat er twee soorten van beweging zijn, die ieder oneindig vele onderdeelen hebben, maar de eene de kracht van doen, de andere van lijden hebben125. Uit haar onderling verkeer en hare wrijving tegen elkander ontstaan voortbrengsels, die wel oneindig in getal zijn, maar in twee hoofdsoorten kunnen verdeeld worden, namelijk het voelbare en het gevoel, dat steeds tegelijk met het voelbare vergaat en ontstaat. De aandoeningen nu des gevoels worden door ons benoemd met de namen van: gezigt, gehoor, reukaandoeningen, koude, hitte, vermaken, smarten, begeerten, vrees126en andere, waarvan eene oneindige menigte nog onbenoemd is, maar toch de benoemde zeer veel in getal zijn; en de voelbare soort komt met ieder van dezen overeen127, met al de verschillende gezigtsaandoeningen, de verschillende kleuren, en zoo ook de klanken met de gehoorsaandoeningen, en de overige voelbare dingen, die met de overige aandoeningen des gevoels van dezelfde soort worden. Wat wil nu dit gezegde ten opzigte van het vorige,Theaetetus? begrijpt gij het?

Theaet.Niet bijzonder,Socrates!

So.Maar zie, of gij het op eenigerlei wijze begrijpt,[53]wanneer128het voluit gezegd is. Want het wil zeggen129, dat dit alles, zooals wij zeggen, bewogen wordt, en dat in hunne beweging snelheid en traagheid is. Wat nu traag is, heeft de beweging op dezelfde130plaats en naar het digtbijzijnde, en brengt alzóó [eene gevoelsaandoening] voort, en het alzoo voortgebragte is trager; en wat snel is, heeft de beweging naar het meer verwijderde en brengt aldus voort, en het voortgebragte is alzoo sneller. Want het beweegt zich in de ruimte, en de beweging is beweging in de ruimte131. Wanneer nu een oog en iets anders van de dingen, die daarmede overeenstemmen132, tot elkander genaderd zijnde, de witheid en eene gevoelsaandoening, die daarmede overeenstemt, doet ontstaan, hetgeen nooit zou plaats hebben, wanneer een hunner bij iets anders gekomen was, dan pleegt, terwijl zich tusschen [het oog en het zigtbare] het gezigt van den kant der oogen en de witheid van dien der mede-oorzaak van de kleur beweegt, het oog vol te worden met gezigt, en dan ziet het, en wordt niet gezigt, maar een oog dat ziet; en hetgeen mede de kleur verwekt heeft, wordt rondom met witheid gevuld133[54]en wordt niet witheid, maar wit, hetzij een stok of een steen, of welk ding ook met zoodanige kleur gekleurd is. En het andere, het harde, warme, enz. moet men even zoo opvatten, dat het op zich zelf nietsis, wat wij ook daareven zeiden, maar dat bij het onderlinge verkeer alleswordten allerlei eigenschappen bekomt door de beweging, daar het niet geoorloofd is134eens vooral, zoo als men zegt, het bedrijvende en het lijdende onder een vast begrip te brengen. Want niets is bedrijvend voordat het met het lijdende zamenkomt, noch lijdend voordat [het] met het bedrijvende [zamenkomt]; en wat, met het eene zamenkomend, bedrijvend is, vertoont zich, in verband met iets anders, als lijdend. Zoodat volgens dit alles, hetgeen wij van den beginne zeiden, niets van eene onveranderlijke hoedanigheid is, maar [alle dingen]135steeds in eenig opzigtworden, doch hetzijnoveral moet uitgesloten worden, alhoewel136wij nog daarzoo[55]door ongewoonte en onbekwaamheid dikwijls genoopt werden, die uitdrukking te gebruiken. Dit is echter, gelijk de wijzen zeggen, niet geoorloofd, en evenmin iets te bevestigen, of van iemand, of van mij, of dit of dat, of eenig ander woord, dat eenen blijvenden toestand uitdrukt; maar men moet137, zoo als de natuur vordert, spreken van ontstaan, en gemaakt worden, en vergaan, en veranderd worden; daar hij, die beweert, dat iets bestendig is, gemakkelijk kan weêrlegd worden. En men moet zoo van ieder afzonderlijk138spreken en van velen te zamen, die vereenigd den naam van mensch, steen, dier, enz. bekomen. Bevalt u dit,Theaetetus! en smaakt het u, zoodat gij er van eten wilt?


Back to IndexNext