Theaet.Ik weet het niet,Socrates! want ik kan ook aan u niet merken139, of gij zegt, wat gij meent, dan of gij mij beproeft.So.Herinnert gij u dan niet, mijn vriend! dat ik[56]geen van die dingen weet, noch mij toeëigen, maar dat ik daarin onvruchtbaar ben, doch u help verlossen, en daarom u voorzing en u van de meeningen van al de wijzen laat proeven, totdat ik uwe meening aan het licht gebragt heb; en wanneer die aan het licht gebragt is, dan zal ik zien, of het wind of een gezond kind zal blijken te zijn. Maar houd moed, en verman u, en antwoord fiks en ronduit, wat u dunkt van hetgeen ik u vraag.Theaet.Vraag op!XIII.So.Zeg dan nu nog eens, of het u behaagt, dat nietsis, maar dat het goede en schoone140en al wat wij daareven doorliepen, steedswordt.Theaet.Maar wanneer gij het zóó uiteenzet, dan schijnt het mij bijzonder veel vóór zich te hebben, gelijk gij het hebt uiteengezet, en te moeten aangenomen worden.So.Laten wij dan niet weglaten, wat ik nog heb overgeslagen. Nu blijft nog over te spreken van de droomen en ziekten, inzonderheid141van de krankzinnigheid, en waar verder verkeerd hooren of verkeerd[57]zien, of eenige andere verkeerde142waarneming genoemd wordt. Want gij weet waarschijnlijk wel, dat door die alle, volgens het algemeene gevoelen, het daareven gezegde schijnt weêrlegd te worden, daar wij zeer zeker in die alle valsche waarnemingen hebben, en het veel scheelt, dat hetgeen aan ieder voorkomt, ookis, maar integendeel niets is van hetgeen schijnt.Theaet.Gij zegt volkomen de waarheid,Socrates!So.Wat blijft er dan nu nog te zeggen143over, jongen! voor hem, die het gevoel als kennis stelt, en dat hetgeen aan ieder voorkomt, dit ook is voor dien, aan wien het voorkomt?Theaet.Socrates!ik durf eigenlijk niet te zeggen, dat ik nog niet weet wat ik zeggen moet, daar gij mij daareven beknord hebt, toen ik dat zeide, en[58][ik zou toch gaarne mijne onwetenheid bekennen,] daar ik waarlijk niet kan betwijfelen, dat de krankzinnigen en de droomenden eene valsche meening hebben, wanneer sommige hunner zich Goden wanen, andere vogels en zich in den slaap als vliegend denken.So.Denkt gij ook niet om de volgende twijfeling over deze [toestanden], vooral over droomen en waken144?Theaet.Welke meent gij?So.Wat ik geloof, dat gij sommigen dikwijls hebt hooren vragen145, [namelijk], welk bewijs iemand zou kunnen aanvoeren, zoo men hem nu zoo in eens vroeg, of wij slapen en alles wat wij denken droomen, dan of wij wakker zijn, en in wakenden toestand met elkander spreken.Theaet.Ja waarlijk,Socrates! het is ondenkbaar, dat men daarvoor een bewijs zou kunnen aanvoeren; want [voor beide gevallen] volgt alles volkomen op dezelfde wijze. Niets toch belet ons in den droom146te meenen,[59]dat wij met elkander spreken over het daareven verhandelde; en wanneer wij in den droom ons verbeelden droomen te verhalen, dan is de gelijkenis van dit met dat147, allervreemdst.So.Gij ziet dus, dat het niet moeijelijk is gronden van twijfel te vinden, wanneer er zelfs getwijfeld wordt, of wij in wakenden of slapenden toestand zijn, en waarlijk, terwijl de tijd, waarin wij slapen, gelijk is aan dien, waarin wij wakker zijn, beweert onze ziel in beiden, dat de meeningen, die zij dan koestert, ongetwijfeld waar zijn, zoodat wij eenen gelijken tijd het een en het ander voor werkelijk bestaand verklaren, en dit eveneens van beiden beweren.Theaet.Dat is ongetwijfeld waar.So.Geldt niet dezelfde bewering van krankzinnigheid en ziekte, behalve dat de tijd niet gelijk is148?Theaet.Ja.So.Wat dan? zal het ware door lengte of kortheid van tijd bepaald worden149?[60]Theaet.Dat zou waarlijk allergekst wezen.So.Maar hebt gij iets anders om duidelijk aan te wijzen, welke dier meeningen waar is?Theaet.Ik geloof van neen.XIV.So.Hoor dan nu eens van mij, wat zij hierover zouden zeggen, die beweren, dat telkens, hetgeen aan iemand toeschijnt, waar is voor hem, aan wien het zoo toeschijnt150. Zij nu spreken naar mijn inzien aldus, vragende:Theaetetus! wat in alle opzigten verschillend is, zal dat wel in eenige kracht, die het heeft, overeenkomen met hetgeen, waarvan het verschilt? en moeten wij niet oordeelen, dat hetgeen wij vragen, niet in één opzigt hetzelfde, in een ander anders is, maar integendeel in alle opzigten anders is?Theaet.Het is inderdaad onmogelijk, dat het óf in kracht, óf in eenig ander opzigt, iets hetzelfde heeft, wanneer het volkomen anders is.So.Maar moeten wij dan ook niet toestemmen, dat het zoodanige ongelijk is?Theaet.Ik geloof van ja.So.Zoo het dus gebeurt, dat iets aan zich zelf of aan iets anders gelijk of ongelijk wordt, zullen wij dan niet, zoo het gelijk wordt, zeggen, dat het[61]hetzelfde wordt, en zoo het ongelijk wordt, anders?Theaet.Noodzakelijk.So.Zeiden wij niet te voren151, dat het bedrijvende veel, ja152oneindig is, en evenzoo het lijdende?Theaet.Ja.So.En immers ook, dat, wanneer iets anders met iets anders en weder met iets anders vereenigd wordt, het niet hetzelfde, maar wat anders zal voortbrengen?Theaet.Zeer zeker.So.Laten wij dan nu volgens dezelfde redenering van mij en van u en van al het andere spreken, b. v. van den gezonden en den ziekenSocrates. Zullen wij zeggen, dat dit laatste aan het eerste gelijk of ongelijk is?Theaet.Meent gij den ziekenSocratesin zijn geheel, aan den gezondenSocratesin zijn geheel?So.Goed begrepen! juist dat meen ik.Theaet.Zeker ongelijk.So.En dat hij dus, voor zoo verre hij ongelijk is, een ander is?Theaet.Noodzakelijk153.So.En zult gij van den slapenden en van al wat wij verder gezegd hebben, hetzelfde zeggen154?[62]Theaet.Dat zal ik.So.Elk dus van die dingen, welke de eigenschap hebben, dat zij op een ander werken, zullen, wanneer zij den gezondenSocratesaantreffen, op mij als op een’ ander werken, dan wanneer zij den zieken aantreffen.Theaet.Waarom zou dat niet?So.Dus zullen in beide gevallen, ik, die lijdend ben, en dat, hetwelk bedrijvend is, [te zamen] iets anders voortbrengen?Theaet.Natuurlijk.So.Wanneer ik nu gezond zijnde, wijn drink, schijnt die mij aangenaam en zoet.Theaet.Ja.So.Want volgens het te voren toegestemde bragt het bedrijvende en lijdende, zoetheid en gevoelsaandoening voort, die beiden te gelijk in beweging zijn; en de gevoelsaandoening, die haren oorsprong neemt van den lijdende, maakt155de tong voelend; en de zoetheid, die, van den wijn ontstaande, zich rond denzelven beweegt, doet den wijn voor de gezonde tong zoet zijn en schijnen.Theaet.Wij hebben het vorige volkomen aldus toegestemd.So.Maar wanneer [de wijn mij] ziek [aantreft], dan treft hij immers156, vooreerst in waarheid, niet denzelfden[63]aan, want hij komt bij iemand, die niet gelijk is?Theaet.Ja.So.Dus brengen ook dieSocratesen het drinken van den wijn wat anders voort, [namelijk] aan de tong gevoel van bitterheid, en aan den wijn wordende en zich bewegende157bitterheid; en maken hèm niet bitterheid, maar bitter, en mij niet gevoel, maar voelend?Theaet.Ongetwijfeld.So.158Dus zal ik nooit in dien toestand komen bij het voelen van iets anders, want ieder ding heeft zijne eigenaardige gevoelsaandoening, en wijzigt den toestand van den voelende op eene eigenaardige wijs; en dat, hetwelk mij aandoet159, zal nooit met een[64]ander zamenkomend, hetzelfde voortbrengen en zoodanig worden, want door ieder, waarmeê het zamenkomt, zal het iets eigenaardigs voortbrengen, en eene eigenaardige wijziging ondergaan.Theaet.Dat is waar.So.En ik voor mij [alleen] zal zoodanig niet worden, en dat voor zich [alleen] evenmin.Theaet.Waarlijk niet.So.Maar het is dan toch noodig, dat ik iets voel wanneer ik voelend wordt, want voelend te worden en niet te voelen, is onmogelijk; en even noodig is het, dat dat voor iemand worde, wanneer het zoet, of bitter, of iets dergelijks wordt: want het is onmogelijk, zoet, en niet voor iemand zoet te worden160.Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus blijft, geloof ik, over, dat wij161voor elkander, zoo wij zijn, zijn, of, zoo wij worden, worden; daar de noodzakelijkheid onze wezenheid wel verbindt, maar met niets anders, zelfs niet met ons zelven162. Dus blijft dan over, dat zij met elkander verbonden zijn; zoodat, zoo iemand van iets zegt, dat het is [of wordt], hij zeggen moet, dat het voor iemand, of van iemand, of met betrekking tot iets163[65]is, of wordt; maar, dat iets op zich zelf is of wordt, moet hij zelf niet zeggen noch van een ander aannemen, zooals de redekaveling, die wij zoo even doorloopen hebben, aantoont.Theaet.Zeer zeker,Socrates!So.Wanneer dus hetgeen mij aandoet, voor mij is, en niet voor een ander, dan voel ik het ook, maar een ander niet?Theaet.Natuurlijk.So.Edoch mijn gevoel is voor mij waar, want het behoort altijd tot mijne wezenheid. En ik heb, volgensProtagoras, regt om te oordeelen over hetgeen voor mij is, dat het is, en over hetgeen [voor mij] niet is, dat het niet is.Theaet.Dat schijnt zoo.XV.So.Hoe zou ik dan nu, daar ik mij niet bedrieg of vergis in mijne meening ten opzigte van het zijnde of wordende, hetgeen ik gevoel, niet kennen164?Theaet.Dat kan niet anders.So.Dus hebt gij uitmuntend gezegd, dat kennis niets anders is dan gevoel, en het komt op één uit, dat, volgensHomerusandHeraclieten al hunne aanhangers, alles als een stroom in beweging is, en dat[66]volgens den diep geleerdenProtagoras, de mensch de maat is van alle dingen, en dat volgensTheaetetus, als dit zoo is, het gevoel kennis wordt165; want, niet waar,Theaetetus! wij moeten zeggen, dat dit uw jonggeboren kind is, waarvan gij door mij verlost zijt? of hoe zegt gij?Theaet.Noodzakelijk zóó,Socrates!So.Dit hebben wij dan nu, naar het schijnt, met moeite aan het licht gebragt, wat het ook wezen moge. Na de geboorte nu moeten wij er in waarheid in de redekaveling meê rondloopen166, onderzoekende of het welligt winderig en valsch, en dus de opvoeding niet waard is. Of meent gij, dat het uwe volstrekt opgevoed en niet te vondeling gelegd moet worden167? Of zult gij het dulden, wanneer gij ziet, dat het wordt afgekeurd, en men het eerste, dat gij gebaard hebt, van u wegneemt?Theod.Theaetetuszal het dulden,Socrates! want hij is volstrekt niet kwalijk nemend. Maar zeg mij in ’s hemels naam! is het dan zoo niet?[67]So.Waarlijk,Theodorus! gij houdt van redekavelen en zijt wel heel goed met te denken, dat ik een zak vol redekavelingen heb168, waaruit ik er met gemak eene nemen kan, om te bewijzen, dat het gezegde zoo niet is. Gij let echter niet op, hoe het gaat; [namelijk], dat geene der redekavelingen van mij komt, maar altijd van hem, die met mij spreekt, daarikniets weet, dan ééne kleinigheid, namelijk, om hetgeen een ander, die het weet, zegt, te ontvangen169en behoorlijk op te nemen. En nu zal ik dit bij hem beproeven, maar niet, zelf te spreken.Theaet.Wat gij zegt,Socrates! is beter; doe zoo.XVI.So.Weet gij nu,Theodorus! waarover ik mij bij uwen vriendProtagorasverwonder?Theod.Wat meent gij?So.Overigens heeft hij zeer naar mijnen smaak aangetoond, dat hetgeen aan ieder voorkomt, ook is; maar ik heb mij verwonderd over het begin der redekaveling, dat hij niet in het begin derWaarheid170[68]gezegd heeft, dat een zwijn of aap of een nog nietiger gevoelend wezen, de maat van alle dingen is; om alzoo, met grootschheid en verachting [van allen spot], ons dadelijk in het begin te toonen, dat wij hem als een God om zijne wijsheid bewonderden171, maar dat hij in wijsheid niet boven eenen kikvorsch, laat staan boven eenig ander172mensch, uitmunt. Of hoe moeten wij zeggen,Theodorus? Want zoo voor ieder waar is173, wat hij op grond van het gevoel meent, en niemand eens anders aandoening beter onderscheidt, noch geschikter is om te onderzoeken, of de meening van een ander waar of valsch is, [dan die andere zelf]; maar, gelijk vaak gezegd is, ieder alleen over het zijne kan oordeelen, en dat oordeel geheel in den haak174en waar is; hoe is dan toch, mijn vriend!Protagoraszoo geleerd, dat hij zelfs verdient als de leermeester van anderen veel loon te ontvangen, maar[69]wij minder geleerd, zoodat wij tot hem gaan175moeten, terwijl toch ieder de maatstaf is voor zijne eigene kennis? Wat moeten wij zeggen, datProtagorasmet die geestigheid bedoelt? Ik spreek nu niet van mij en mijne vroedkunst, hoe bespottelijk wij worden, maar ik geloof, dat dit plaats heeft met alle bemoeijing omtrent het redekavelen. Want is dan het onderzoeken en trachten te weêrleggen van eens anders gevoelen176en meeningen, daar die van ieder waar zijn, niet eene zeer groote177ijdelheid, zoo althans de waarheid vanProtagoraswaar is, maar hij niet van achter de schermen een grap gezegd heeft?Theod.Socrates!de man was mijn vriend, gelijk gij daareven gezegd hebt. Daarom zou ik niet verlangen, datProtagorasweêrlegd werd door mijn toestemmen [der tegen zijne leer gemaakte bedenkingen], en evenmin [zou ik] u, tegen mijn gevoelen, [willen] tegenspreken178. Neem daaromTheaetetusweder. Hij scheen u toch ook daareven met allen mogelijken ijver te volgen.So.Theodorus!zoudt gij ook, teLacedaemonin[70]de scholen der gymnastiek komende, wanneer gij anderen, waaronder sommige zwakken, naakt zaagt, verlangen, om niet zelf insgelijks uwe kleederen af te leggen en uwe gedaante te toonen179?Theod.Waarom niet, zoo zij zich lieten overreden om het mij toe te laten? gelijk ik nu hoop heb u te overreden, dat gij mij zult vergunnen toe te kijken, zonder mij, die reeds stijf ben, tot het mededoen der gymnastische oefeningen te noodzaken, en dat gij zult worstelen met hem, die jonger en leniger is.XVII.So.Nu, als gij het zoo goed vindt,Theodorus! vind ik het niet kwaad, zegt het spreekwoord. Dus moet ik mij weder tot [onzen] knappenTheaetetusvervoegen.Theaetetus!zeg dan nu vooreerst, wat wij daareven uiteenzetten180, of gij u niet insgelijks verwondert, dat gij zoo op eens blijkt volstrekt niet minder in wijsheid te zijn, dan eenig mensch of god? of gelooft gij, dat het maat zijn vanProtagoraseenigzins minder van de goden, dan van de menschen gezegd wordt?[71]Theaet.Wel neen. En ik verwonder mij zeer over hetgeen gij vraagt. Want terwijl wij bezig waren met uiteen te zetten, hoe men zeide, dat hetgeen aan ieder toeschijnt, ook is voor hem, aan wien het toeschijnt, scheen mij dat zeer goed gezegd te worden. Nu echter is het op eens tot181het tegenovergestelde omgeslagen.So.[Dat is geen wonder], want gij zijt jong, jongelief! daarom stemt gij het gezegde spoedig toe en geeft spoedig gewonnen aan de redekaveling182. Want hierop zouProtagorasof een ander in zijne plaats zeggen: Mijne waarde kinderen en grijsaards, gij spreekt daar bij elkander zittend, en brengt daar Goden bij, die ik uitsluit van het spreken of schrijven over hun bestaan of niet bestaan; en wat de menigte, het hoorende, zou aannemen, dat zegt gij183, [namelijk] dat het erg zou zijn, zoo geen mensch in wijsheid iets voor had boven eenig beest; doch een noodzakelijk bewijs geeft gij in het geheel niet; maar gij bedient u van de waarschijnlijkheid, waarvanTheodorusof een[72]ander meetkunstenaar zich niet kan bedienen, zonder gevaar te loopen van nietswaardig te zijn. Onderzoek gij dan eens metTheodorus, of gij redekavelingen over zulke dingen, die zich op overreding184en waarschijnlijkheid steunen, kunt aannemen.Theaet.Dat mag niet,Socrates! zouden gij en wij zeggen.So.Dus moeten wij het op eene andere wijs onderzoeken, zoo als gij enTheodoruszegt.Theaet.Ja zeker: op eene andere wijs.So.Laten wij dan aldus185onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde of iets anders zijn. Want onze geheele redekaveling liep toch daarop uit186, en daarom hebben wij vele dwaze dingen geopperd. Niet waar?Theaet.Wel zeker.So.Zullen wij dan nu toestemmen, dat wij al, wat wij door het gezigt of het gehoor waarnemen, tevens kennen? b. v., zullen wij zeggen, dat wij de taal der Barbaren, voordat wij die geleerd hebben, wanneer zij spreken, niet hooren, of187dat wij die[73]hooren en hunne meening kennen? en zullen wij beweren, dat wij letters, die wij niet kennen, wanneer wij er de oogen op vestigen, niet zien, of dat wij ze verstaan, wanneer wij ze zien?Theaet.Wij zullen zeggen,Socrates! dat wij juist dat, wat wij er van zien en hooren, kennen; want dat wij van de laatsten de gedaante en de kleur zien en kennen, en van de eersten188den hoogen en lagen klank hooren en tevens kennen; maar wat de schoolmeesters en de tolken daarvan leeren, dat wij dit door het gehoor en het gezigt niet waarnemen, noch kennen.So.Mooi!Theaetetus, en het is niet goed, u dit te betwisten, opdat gij moed moogt scheppen.XVIII.Maar zie nu ook eens wat er verder bijkomt, en bezie eens, hoe wij dat zullen redden.Theaet.Wat toch?So.Dit: zoo iemand vroeg, of het mogelijk is, hetgeen men eens geweten heeft, terwijl men de herinnering daarvan nog heeft en voor zich bewaart189, dan, wanneer men het zich herinnert, niettegenstaande dat herinneren190, toch niet te kennen. Maar ik schijn[74]meer woorden dan noodig is te bezigen, daar ik vragen wil, of iemand, wat hij geleerd heeft en zich herinnert, niet weet191.Theaet.Hoe dat,Socrates? Hetgeen gij zegt, zou een wonder zijn.So.Raaskal ik dan misschien? bezie het eens. Noemt gij het zien niet eene soort van voelen, en het gezigt eene soort van gevoel?Theaet.Ja zeker.So.Heeft niet hij, die iets gezien heeft, volgens het daareven gezegde, kennis bekomen van hetgeen, dat hij gezien heeft?Theaet.Ja.So.Hoe dan nu? Er is toch iets, dat geheugen genoemd wordt.Theaet.Ja.So.Is dat een geheugen van niets of van iets?[75]Theaet.Zekerlijk van iets.So.Immers van zoodanige dingen, die men geleerd en gevoeld heeft?Theaet.Ongetwijfeld.So.Wat nu iemand gezien heeft, herinnert hij zich somwijlen?Theaet.Wel zeker.So.Ook wanneer hij de oogen gesloten heeft? of is hij het dan vergeten?Theaet.Het zou ongerijmd192wezen,Socrates! dit te beweren.So.En toch kan het niet anders193, zoo wij het vroeger beweerde willen redden; maar zoo [wij deze bewering] niet [willen vasthouden], gaat [dat vroeger beweerde] verloren.Theaet.Waarlijk! ik vermoed194het ook al, doch ik zie het echter niet behoorlijk in; maar zeg waarom?So.Daarom. Die ziet, kent, zeggen wij, datgene wat195hij ziet; want wij zijn overeengekomen, dat[76]gezigt en gevoel en kennis hetzelfde is.Theaet.Ongetwijfeld.So.Maar zoo hij, die zag en hetgeen hij zag kende, de oogen sluit, dan herinnert hij het zich wel, maar ziet het niet. Niet waar?Theaet.Ja.So.Maar zoo zien kennen is, dan is niet zien niet kennen.Theaet.Dat is waar.So.Dus volgt, dat iemand, wat hij heeft leeren kennen, terwijl hij het zich nog herinnert, niet kent, daar hij het niet ziet; hetgeen wij zeiden, dat een wonder zijn zou.Theaet.Dat zegt gij zeer naar waarheid.So.Dus schijnt het, dat er iets onmogelijks volgt, wanneer iemand zegt, dat kennis en gevoel hetzelfde is.Theaet.Het schijnt zoo.So.Dus moeten wij die twee voor onderscheiden verklaren196.Theaet.Ik geloof van ja.So.Wat zou dan nu de kennis wezen? Het schijnt,[77]dat wij dit weder van voren af aan moeten zeggen. Maar,Theaetetus! wat gaan wij doen?Theaet.Hoe zoo?So.Wij schijnen, als een haan van onedel ras, voordat wij overwonnen hebben, van de redekaveling weg te springen en triomf te kraaijen.Theaet.Hoe dat?So.Wij schijnen als liefhebbers van disputeren, volgens de door ons bepaalde overeenkomst van woorden, ons oordeel te hebben ingerigt, en ons te verheugen, dat wij daardoor de redekaveling zijn te boven gekomen, en terwijl wij beweren, geen redetwisters, maar wijsgeeren te zijn, merken wij zelve niet, dat wij volkomen hetzelfde als die knappe menschen verrigten.Theaet.Ik begrijp nog niet, hoe gij dat bedoelt.So.Maar ik zal trachten duidelijk te maken, wat ik hieromtrent in den zin heb197. Want wij vroegen, of iemand iets, wanneer hij het geleerd heeft, en zich herinnert, niet kent, en toen wij hadden aangetoond, dat hij, die gezien en de oogen gesloten heeft, zich wel herinnert, maar niet ziet, toonden wij aan, dat hij het te gelijk niet kende en zich herinnerde, en zeiden, dat dit onmogelijk is198. En alzoo werd[78]de leer vanProtagorasdoodgepraat en tevens de uwe, dat kennis en gevoel hetzelfde is.Theaet.Dat schijnt zoo.So.Nog zoo gaauw niet, geloof ik, mijn beste! zoo de vader van de eerste leer nog leefde, maar hij zou veel tot verdediging bijbrengen; nu echter verstooten wij ze smadelijk, als eene wees. Want ook de voogden, dieProtagorasachterliet, waaronder dezeTheodorus, willen niet helpen. Doch dan zullen wij zelf om der billijkheid wille het wagen199haar bij te staan.Theod.[Dat moet mij niet verweten worden], wantSocrates! niet ik, maar veel meerCallias, de zoon vanHipponicus200is de voogd van hetgeenProtagorasachterliet. Wij echter zijn te spoedig201uit die haarkloverijen naar de meetkunst geweken. Wij zullen[79]u echter dankbaar zijn, wanneer gij hem bijstaat.So.Gij zegt goed,Theodorus! let dan nu eens naauwkeurig op mijne hulp. Want erger dingen, dan het daareven gezegde, zou iemand toestemmen, die niet lette op de woorden, waarmede202wij gewoonlijk bevestigen of ontkennen. Wil ik aanTheaetetusof aan u zeggen, hoe dat is?Theod.Zeg het aan ons beiden, maar laat den jongste antwoorden. Want zoo hij verkeerd zegt, zal het hem minder schande wezen.XIX.So.Ik spreek nu van de allerlastigste vraag. Zij is, meen ik, ongeveer van dezen inhoud. Is het mogelijk, dat één en dezelfde, iets kennende, dat, wat hij kent, niet kent?Theod.Wat zullen wij antwoorden,Theaetetus?Theaet.Het is volstrekt onmogelijk, geloof ik.So.[Dat is het] niet, zoo gij het zien als kennen beschouwt203. Want hoe zult gij het maken met die onvermijdelijke vraag, wanneer gij, om zoo te spreken, in den put zit204, doordien een man, die[80]zich niet ligt laat overbluffen, met zijne hand uw ééne oog bedekt, er u vraagt, of gij met het andere zijn kleed ziet?Theaet.Ik zal, meen ik, zeggen: met het ééne niet, maar wel met het andere.So.Dus ziet gij hetzelfde, wel en niet te gelijk.Theaet.In zooverre, ja.So.Dat:in hoe verre, zal hij zeggen, neem ik niet in aanmerking, want ik vroeg er niet naar, maar [eenvoudig], of gij hetgeen gij kent, te gelijk niet kent. Nu blijkt205het echter, dat gij, wat gij niet ziet, wel ziet. Edoch, gij hebt toegestemd, dat het zien, kennen, en het niet zien, niet kennen is. Beredeneer nu eens, wat daaruit voor u volgt.Theaet.Het tegenovergestelde van hetgeen ik gesteld had.So.Misschien, mijn waarde! zou u datzelfde nog meer zijn overgekomen, zoo iemand u daarbij vroeg, of het mogelijk is, scherp of dof te kennen, en van nabij wel, maar niet van verre, en hetzelfde veel en weinig te gelijk, en duizend andere dingen, die een ligtgewapend huurkrijgsknecht206in het redeneren en[81]u lagen leggende, zou kunnen vragen, wanneer gij kennis en gevoel als hetzelfde gesteld hadt; daar hij, eenen aanval op het hooren en rieken en andere dergelijke zinnelijke waarnemingen gedaan hebbende, u zou weêrleggen en vasthouden en niet loslaten, voordat gij, zijne begeerlijke wijsheid bewonderend, door hem waart vastgezet, waarop hij u zou grijpen en vastbinden en vervolgens zou loslaten voor zoo veel geld als gij onder elkander kondt overeenkomen. Wat zou dan nuProtagoras, zoudt gij welligt zeggen, kunnen bijbrengen, om zijne stellingen te verdedigen? Willen wij het pogen te zeggen?Theaet.Zeer gaarne.XX.Dit alles207[zal hij bijbrengen], wat wij nu tot zijne verdediging gaan zeggen, en hij zal, geloof ik, op ons aandringen, ons verachtende en zeggende: die besteSocratesheeft daar, toen een kind, op zijne208vraag, of dezelfde hetzelfde te gelijk in het geheugen bewaren en niet kennen kan, bevreesd[82]werd,209en dit uit vrees en gebrek aan inzigt210ontkende, mij in zijne redekaveling bespottelijk211gemaakt. Zóó is echter het geval, o ligtzinnigeSocrates! Wanneer gij door vragen en antwoorden eene mijner stellingen onderzoekt, indien dan de ondervraagde hetzelfde antwoordt, wat ik zou geantwoord hebben en daarna wordt weêrlegd, dan word ik weêrlegd; maar zoo hij wat anders antwoordt, dan wordt de gevraagde zelf weêrlegd. Want gelooft gij, dat iemand u zoo terstond zal toegeven, dat de herinnering, welke iemand ook na het ondergaan van het ondergane bijblijft, dezelfde aandoening is, als toen hij onderging212? Het scheelt veel. Of dat hij[83]aarzelen zal, de mogelijkheid toe te geven, dat dezelfde hetzelfde kent en niet kent? of, zoo hij dáárvoor vreest, dat hij ooit zal toegeven, dat hij, die ongelijk wordt, dezelfde is, die hij was, vóór hij ongelijk werd? of liever, dat iemand één persoon en niet veel meer verscheidene personen is, die oneindig in menigte worden213, wanneer het ongelijk worden plaats grijpt, zoo wij althans van elkander woordenvitterijen te duchten hebben? Maar, mijn beste! zal hij zeggen, pak hetgeen ik zeg ridderlijker aan, en weêrleg het, zoo gij kunt, [aantoonende]214dat niet ieder onzer zijne eigene gevoelsaandoeningen heeft, of dat, nu zij aan ieder in het bijzonder eigen zijn, daarom geen zier meer, hetgeen schijnt, alleen voor hem schijnt, of, zoo ditzijnmoet heeten, [voor hem] is, aan wien het schijnt. Maar door er zwijnen en apen bij te slepen, handelt gij niet alleen zelf als een zwijn, maar overreedt ook de hoorders, om dit tegen mijne geschriften te doen, waaraan gij niet mooi handelt. Want ik zeg, dat het waar is, zoo als ik geschreven heb, en dat ieder onzer de maat is van het zijnde en niet zijnde, doch dat de een van den ander duizendvoudig juist daardoor verschilt, dat voor den een het ééne schijnt, en voor den ander wat anders.[84]En ik ben er ver van af te zeggen, dat wijsheid en wijze mannen niet bestaan, maar juist dien noem ik wijs215, die bij eenen onzer, voor wien kwaad schijnt en is, dit verandert en maakt dat het goed schijnt en is. En bestrijd mijne redekaveling niet op den klank af, maar leer aldus nog duidelijker inzien, wat ik zeg. Want herinner u, hoe in het vorige gezegd werd, dat voor den zieken, hetgeen hij eet, bitter schijnt en is, maar voor den gezonden het tegenovergestelde schijnt en is. Nu moet men wel geen’ hunner wijzer maken, want dat is niet eens mogelijk, en men moet ook den zieken niet van domheid beschuldigen216, omdat hij zulke meeningen koestert,[85]noch den gezonden wijs [noemen], omdat [hij] andere [denkbeelden heeft], maar men moet [den eersten] tot het andere doen overgaan; want de tweede toestand is beter. Even zoo moet men ook bij het onderwijs van den eenen toestand tot den beteren217doen overgaan. Maar de arts bewerkt dien overgang door geneesmiddelen, doch de sophist door woorden, zoodat geenszins iemand eenen anderen, die valsche denkbeelden heeft, later ware meeningen doet koesteren; want het is niet mogelijk, wat niet is, in zijne meening op te nemen218, noch iets anders dan men gevoelt, en dat is altijd waar. Maar, meen ik, de goede meening doet hen, die, door eenen slechten toestand van ziel, daarmede overeenkomstige meeningen[86]koesteren, andere219zulke meeningen220koesteren, welke sommigen door hunne onbedrevenheid waar noemen, doch ik noem wel de eene beter dan de andere, maar geen zier meer waar. En ik ben er ver af, mijn besteSocrates! om de wijzen kikvorschen te noemen, maar voor zoo ver [hunne wijsheid betrekking heeft] op de ligchamen, noem ik ze artsen, en voor zoo ver [die betrekking heeft] op de planten, noem ik ze landbouwers221. Want ik beweer, dat ook deze bij de planten, in plaats van slechte gevoelsaandoeningen, wanneer eene harer ziek is, goede en gezonde gevoelsaandoeningen en waarheden doen ontstaan, maar[87]dat de wijze en goede redenaars222het goede, in plaats van het slechte, aan de staten regtvaardig laten schijnen; want dat, hetgeen aan elken staat regtvaardig en schoon toeschijnt, dit ook voor hem is, zoo lang hij het daarvoor houdt: doch de wijze laat voor hen, in plaats dan alles wat kwaad is, het goede zijn en schijnen; en volgens diezelfderedeneringis de sophist, die in staat is zijne leerlingen aldus te onderwijzen, wijs en voor zijne kweekelingen veel geld waard. En alzoo is de een wijzer dan de ander, en toch heeft niemand eene valsche meening, en gij moet, of gij wilt of niet, er genoegen in nemen, een maat te zijn; want deze redenering wordt in dit opzigt gered; en zoo gij tegen het beginsel, waarop zij steunt, iets hebt in het midden te brengen, doe dat dan in eene [doorloopende] redekaveling, of, zoo gij [het liever] met vragen wilt doen, met vragen; want ook dat moet niet ontweken, maar door den verstandigen bijzonder gezocht worden223. Doe echter alzoo. Bezig bij het vragen[88]geene kwade trouw; want het is bijster ongerijmd, dat iemand, die beweert zich op de deugd toe te leggen, voortdurend met kwade trouw in het redekavelen te werk gaat. Kwade trouw nu, komt in dergelijke dingen voor, wanneer men niet anders redekavelt bij het disputeren tot oefening, dan bij het wetenschappelijk gesprek224; daar225men in het eerste speelt en fopt zoo veel als men kan, bij het wetenschappelijk gesprek daarentegen met ernst te werk gaat en zijne tegenpartij teregt brengt, door hem eenvoudig de struikelingen te doen opmerken, waarin hij door eigen toedoen en vroegere bijeenkomsten gestort is226. Want[89]wanneer gij alzoo doet, dan zullen zij, die met u omgaan, hunne verwarring en radeloosheid aan zich zelven wijten, maar niet aan u, en zij zullen u naloopen en liefhebben, maar zich zelven haten, en van zich zelven naar de wijsbegeerte vlugten, opdat zij, andere menschen geworden zijnde, verlost worden van hetgeen zij vroeger waren; maar zoo gij, gelijk de meesten, het tegenovergestelde hiervan doet, dan zal u het tegenovergestelde gebeuren, en gij zult uwe toehoorders, in plaats van tot wijsgeeren, tot vijanden van dit werk maken227, wanneer zij wat ouder worden228. Zoo gij dus mijnen raad volgt, zult gij niet kwaadaardig en twistgierig, maar met een kalm gemoed u tot ons aflatende, in waarheid onderzoeken, wat wij toch zeggen, wanneer wij aantoonen, dat alles in beweging is, en dat, hetgeen aan ieder voorkomt, ook is, zoowel voor een op zich zelf staand mensch, als[90]voor eenen staat; en naar aanleiding hiervan zult gij [dan] onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde,ofiets anders is, maar [gij zult dit niet doen] naar aanleiding van bekende woorden en namen, welke de gewone menschen naar alle kanten heentrekken, waardoor zij aan elkander allerlei onzekerheid berokkenen229.Hiermede,Theodorus! ben ik begonnen230uwen vriend te helpen, zoo goed ik kon, hoewel het weinig beduidt door mijne geringe krachten; maar zoo hij zelf leefde, zou hij het zijne vrij wat uitstekender beschermd hebben.XXI.Theod.Gij schertst,Socrates! want gij hebt hem fiks bijgestaan.So.Gij zijt wel goed, mijn vriend! Zeg mij dan nu eens, of gij daareven op de woorden vanProtagoras[91]gelet hebt, toen hij ons verweet, dat wij, met een kind redekavelende, ons bij het bestrijden zijner leer van de vrees van dat kind bedienden, en hoe hij dat eene zotheid noemde, en de leer van den maat aller dingen aanprees, ons vermanende, zijn stelsel ernstig te overwegen231.Theod.Wel zeker heb ik daarop gelet,Socrates!So.Wat dan? staat gij er op, dat wij hem gehoor geven?Theod.Zeker.So.Gij ziet dan, dat deze allen buiten u kinderen zijn. Zoo wij hem dus zullen gehoor geven, dan moeten ik en gij, elkander vragende en antwoordende, zijn stelsel ernstig overwegen, opdat hij niet zou kunnen klagen, dat wij dat stelsel al spelende met knaapjes onderzocht hebben232.Theod.Wat! Zou danTheaetetusniet beter dan vele personen met groote baarden zulk een wijsgeerig onderzoek kunnen volgen?So.[Dat wel],Theodorus! maar toch niet beter dan gij. Meen dan niet, dat ik uwen gestorven vriend op allerlei wijs moet helpen, en gij op geenerlei; maar,[92]kom aan, mijn beste! volg [de redekaveling] een weinig, tot [wij] op dat punt derzelve233[gekomen zijn], waar wij kunnen zien, of gij de maatstaf moet wezen [bij het beoordeelen] der meetkunstige figuren, dan wel of allen, even als gij, voor zich zelven genoeg zijn, ten opzigte van de sterrekunde en de andere dingen, waarin gij met regt voor uitstekend gehouden wordt.Theod.Het is niet gemakkelijk,Socrates! bij u te zitten, zonder rekenschap te geven, en ik heb daareven geraaskald, toen ik beweerde, dat gij mij zoudt veroorlooven mijne kleederen aan te houden, en mij niet, gelijk de Lacedaemoniers, zoudt dwingen; maar ik vind, dat gij meer naarAntaeus234overhelt. De Lacedaemoniers toch bevelen heen te gaan of zich uit te kleeden, maar ik vind, dat gij doet alsAntaeus; want die tot u komt, laat gij niet los, voor gij hem gedwongen hebt zich uit te kleeden, en in het redekavelen met u te worstelen.So.Theodorus!gij hebt daar eene opperbeste vergelijking voor mijne kwaal gevonden, maar ik ben nog sterker dan zij235. Want reeds bij de duizend mannen[93]alsHerculesenTheseus236zijn mij ontmoet, en daar zij sterk waren in het redetwisten, hebben zij mij deerlijk gebeukt, maar toch scheid ik er niet uit; zulk eene geweldige liefhebberij voor die oefening is in mij gevaren. Laat dan niet na, door met mij te worstelen, u zelven en mij tevens van dienst te zijn237.Theod.Ik spreek niet langer tegen, maar ga gij voort, zoo als gij wilt; want ik moet toch in dit punt het noodlot, dat gij mij toespint, verduren en mij laten weêrleggen. Ik zal mij echter niet verder tot uwe dienst kunnen stellen, dat tot aan het punt, dat gij opgeeft238.So.Zoo ver is ook genoeg. En pas nu vooral daarop, dat wij niet onbedacht ons aan spelen met woorden schuldig maken239, en iemand ons dat later weder verwijt.[94]Theod.Ik zal het beproeven, zooveel ik kan.XXII.So.Wij moeten dan vooreerst het reeds behandelde weder opvatten, en overwegen, of wij te regt of ten onregte op dat stelsel moeijelijk werden, omdat het ieder ten opzigte der kennis zelf genoegzaam maakt, en [of]Protagorasons [teregt of ten onregte] heeft toegestemd, dat sommigen uitstekend zijn ten opzigte van het goede en kwade, en dat zij wijzen zijn. Niet waar?Theod.Ja.So.Zoo hij nu zelf ons hier toestemde, en niet wij, hem verdedigend, in zijnen naam hadden toegestemd, dan was het geenszins noodig dit nog eens van voren af aan vast te stellen; maar nu zou ligt iemand ons het regt van zulk toestemmen in zijnen naam betwisten240. Daarom is het beter, met meer naauwkeurigheid onze toestemming in dit opzigt te behandelen; want het is geen klein verschil, of het zóó is of anders.Theod.Gij zegt de waarheid.So.Laat ons dan niet door andere241, maar uit zijne eigene woorden zoo kort mogelijk vaststellen, wat wij kunnen toestemmen.Theod.Hoe?So.Aldus. Hij zegt immers, dat hetgeen aan ieder[95]zoo toeschijnt, ook zooisvoor hem, aan wien het zoo toeschijnt?Theod.Ja, dat zegt hij.So.Derhalve,Protagoras! spreken wij van de meening van sommige, ja, van alle menschen, en beweren, dat geen sterveling niet in eenige dingen zich zelven wijzer beschouwt dan anderen, en in andere dingen, anderen dan hem, en dat zij in de grootste gevaren, bij voorbeeld wanneer zij in veldtogten, ziekten of zeereizen aan ongelukken blootstaan242, schier goddelijken eerbied hebben voor hen, die daarbij het bewind voeren, en hunne redding verwachten van menschen, die slechts door meerdere kennis van hen verschillen. En overal onder de menschen worden er gevonden, die leermeesters en overheden, zoo voor zich, als voor de andere dieren en werkzaamheden zoeken, en tevens, die zich beschouwen als geschikt, om te onderwijzen of te regeren. En wat kunnen wij in al die gevallen anders zeggen, dan dat de menschen zelve243meenen, dat onder hen kennis en onkunde is?Theod.Niets anders.So.Houden zij niet de kennis voor ware meening, en de onkunde voor valsche?Theod.Ongetwijfeld.[96]So.Hoe zullen wij het nu maken met de redekaveling,Protagoras? Moeten wij zeggen, dat de menschen altijd eene ware meening koesteren, of dan eens ware, dan eens valsche? Want uit beiden volgt, dat zij niet altijd ware, maar beiderlei meening koesteren. Want zie eens,Theodorus! of het iemand der aanhangers vanProtagoras, of u zelven, ernst wezen kan met de bewering, dat niemand eenen anderen voor onwetend en valsche meening koesterend aanziet.Theod.Dat is ondenkbaar,Socrates!So.En toch is die bewering onvermijdelijk geworden voor de leer, dat de mensch de maat is van alle dingen.244Theod.Hoe dat?So.Wanneer gij, bij u zelven een oordeel geveld hebbende, uw gevoelen over iets aan mij kenbaar maakt, dan moge dat, volgens zijne leer, voor u waar wezen, maar staat het nu ons anderen niet vrij, over uw oordeel te oordeelen? of oordeelen wij altijd, dat uwe meening waar is? of strijden niet telkens velen tegen u, die eene tegenstrijdige meening koesteren, maar uw oordeel en uwe meening voor valsch houden?Theod.In waarheidSocrates! er zijn vele duizenden,[97]zooalsHomeruszegt, die mij allerlei tegenstand doen ondervinden245.So.Wat nu? wilt gij, dat wij zeggen, dat gij alsdan voor u zelven eene ware meening koestert, maar voor die duizenden eene valsche?Theod.Zoo schijnt het noodzakelijk uit de redekaveling te volgen.So.En hoe is het nu metProtagoraszelven? Is het niet noodig, dat, zoo hij eens evenmin als de menigte, den mensch voor de maat aller dingen hield, die waarheid, welke hij geschreven heeft, voor niemand bestond? En zoo hij zelf haar wel voor waar hield, maar de menigte die meening niet deelt, weet gij wel, dat zij dan, naarmate meerderen haar verwerpen, meernietdanwelwaar is?Theod.Noodzakelijk, indien zij althans, naar iedere meening, zijn en niet zijn zal.So.Verder heeft hij deze alleraardigste eigenschap. Hij erkent de meening zijner tegenstrevers, waarmede zij zijne leer voor valsch houden, als waar, wanneer hij toestemt, dat allen ware meeningen koesteren.Theod.Ongetwijfeld.So.Maar geeft hij dan de valschheid zijner meeningen niet toe, wanneer hij erkent, dat die van hen, die hem van leugen betichten, waar is?Theod.Noodzakelijk.[98]So.Maar de anderen geven niet toe, dat zij het mis hebben?Theod.Wel neen!So.Hij echter erkent volgens zijne geschriften ook die meening voor waar.Theod.Het schijnt zoo.So.Dus zullen allen, metProtagorasvoorop, betwijfelen246, of liever, wanneer hij erkent, dat degeen die hem tegenspreekt, eene ware meening koestert,247ronduit ontkennen, dat een hond of een zoo maar opgeraapt mensch de maat is in eenig vak, dat hij niet geleerd heeft. Niet waar?Theod.Ja.So.Daar zij dus door allen betwijfeld wordt, zou de waarheid vanProtagorasvoor niemand waar zijn, noch voor iemand anders, noch voor hem zelven.Theod.Socrates, wij loopen mijnen vriend bitter tegen het lijf.So.Maar, mijn vriend! het is onzeker, of wij misschien het regte punt voorbijloopen. Het is althans waarschijnlijk, dat hij, ouder zijnde, wijzer is dan wij; en zoo hij nu op het oogenblik hier tot aan den nek uit den grond opkeek, zou hij denkelijk,[99]na mij om mijn doorslaan, en u om uw toestemmen, met verwijtingen overladen te hebben, weêr onderduiken en eensklaps op den loop gaan. Maar wij moeten, geloof ik, ons bedienen van onze krachten, hoe die ook zijn248, en steeds datgene zeggen, wat ons waar voorkomt. En kunnen wij waarlijk nu wel iets anders zeggen, dan dat ieder toestemt, dat de een wijzer is dan de andere, of soms ook dommer?Theod.Zoo komt het mij althans voor.XXIII.So.En dat de leer [vanProtagoras] vooral tot staan gebragt wordt in het punt, dat wij, toen wij hem beschermden, geschetst hebben, namelijk dat de meeste dingen, gelijk zij schijnen, zoo ook voor ieder warm, droog, zoet, enz.249zijn, en dat, zoo men in het geheel toestemt, dat in eenig opzigt de een van den ander verschilt, dat men dan aangaande het gezonde en zieke wil erkennen, dat niet ieder vrouwtje, of kindje, of diertje, in staat is, om zich zelven te genezen, dewijl het weet, wat voor hetzelve gezond is; maar dat daar, zoo ergens, de een van den ander verschilt?[100]Theod.Zoo komt het mij althans voor.So.Dus ook in het staatkundige, dat het schoone, leelijke, regtvaardige of onregtvaardige, heilige of onheilige, wat iedere staat als zoodanig beschouwende, voor zich zelven vaststelt, zulks voor hem250ook in waarheid is, en dat daarin geen enkel mensch of staat wijzer dan een ander mensch of staat is; maar hij zal toestemmen, dat, zoo ergens, in het vaststellen van het voor zich nuttige of niet, de eene raadsman van den andere en de eene meening van den staat van de andere ten opzigte der waarheid verschilt, en hij zou niet stellig durven beweren, dat hetgeen een staat, omdat hij het nuttig voor zich waant, bepaalt, ongetwijfeld ook nuttig zal wezen. Maar daar, waar ik zeg, in het regtvaardige en onregtvaardige, en heilige en onheilige, wil men staande houden, dat geen van die dingen zijne eigene wezenheid heeft, maar dat hetgeen aan de menigte zoo toeschijnt, waar wordt, wanneer het toeschijnt en zoo lang als het toeschijnt. En zoo velen als niet geheel en alProtagorasnapraten, verkondigen ongeveer[101]deze leer251. MaarTheodorus! de eene redekaveling na de andere, en wel telkens grootere, houden ons bezig.Theod.Maar wij hebben immers ledigen tijd252,Socrates!So.Dat schijnt zoo. En bij vele andere gelegenheden, mijn vriend! maar vooral253nu, heb ik opgemerkt, dat natuurlijk zij, die in wijsgeerigestudiën254veel tijd hebben doorgebragt, zoo zij in de regthuizen komen, zich als redenaars bespottelijk voordoen.Theod.Hoe meent gij dat dan?So.Zij, die van hunne jeugd af aan zich in[102]regthuizen en dergelijke dingen ophouden255, schijnen in vergelijking van hen, die in de wijsbegeerte en dergelijke bezigheid opgevoed zijn, als slaven in vergelijking van vrijen opgevoed te wezen.Theod.Hoe zoo?So.Daar aan de eersten de ledige tijd, waarvan gij spreekt, nooit ontbreekt, en zij hunne redekavelingen in vrede en ledigen tijd opstellen, en gelijk wij nu reeds de derde opvolgende redekaveling opvatten, zoo ook zij, indien hun eene nieuwe redekaveling meer dan de behandeld wordende256bevalt, zoo als dat met ons het geval is, [de laatste verkiezen], en het hun om het even is, of zij lange of korte redeneringen bezigen, zoo zij maar het wezenlijke vatten. De anderen echter spreken altijd in haast, want het stroomende water257drijft ze voort, en laat hun niet toe, te spreken waarover zij willen, maar de tegenpartij staat tegenover hen, een dwangmiddel hebbende en een boekje, dat er bij gelezen[103]wordt258, waarbuiten niet mag gesproken worden259, en de rede wordt altijd over eenen mededienstknecht gehouden in tegenwoordigheid van den heer, die daar zit en het regt in zijne hand heeft, en de strijd is nooit vrij, maar steeds over een bepaald onderwerp, ja dikwijls is het een gevecht260op leven of dood. Zoodat zij door dit alles scherp en slim worden en leeren hunnen heer met woorden te vleijen en met daden te believen261, daar zij kleingeestig en niet opregt van gezindheid zijn. Want het dienen van kindsbeen af, vernietigt de verheffing [van ziel], de[104]opregtheid en de edelaardigheid262, daar zij dwingt om slinksch te handelen, en de nog teedere zielen in groote gevaren en angsten stort, die zij niet met billijkheid en opregtheid263kunnen doorstaan, en daarom zich terstond naar het liegen en elkander benadeelen wendende, zich zeer buigen en wringen, zoodat zij van knapen eindelijk mannen worden, zonder iets gezonds in hunne ziel te hebben, terwijl zij zich verbeelden, knap en wijs geworden te zijn.
Theaet.Ik weet het niet,Socrates! want ik kan ook aan u niet merken139, of gij zegt, wat gij meent, dan of gij mij beproeft.So.Herinnert gij u dan niet, mijn vriend! dat ik[56]geen van die dingen weet, noch mij toeëigen, maar dat ik daarin onvruchtbaar ben, doch u help verlossen, en daarom u voorzing en u van de meeningen van al de wijzen laat proeven, totdat ik uwe meening aan het licht gebragt heb; en wanneer die aan het licht gebragt is, dan zal ik zien, of het wind of een gezond kind zal blijken te zijn. Maar houd moed, en verman u, en antwoord fiks en ronduit, wat u dunkt van hetgeen ik u vraag.Theaet.Vraag op!XIII.So.Zeg dan nu nog eens, of het u behaagt, dat nietsis, maar dat het goede en schoone140en al wat wij daareven doorliepen, steedswordt.Theaet.Maar wanneer gij het zóó uiteenzet, dan schijnt het mij bijzonder veel vóór zich te hebben, gelijk gij het hebt uiteengezet, en te moeten aangenomen worden.So.Laten wij dan niet weglaten, wat ik nog heb overgeslagen. Nu blijft nog over te spreken van de droomen en ziekten, inzonderheid141van de krankzinnigheid, en waar verder verkeerd hooren of verkeerd[57]zien, of eenige andere verkeerde142waarneming genoemd wordt. Want gij weet waarschijnlijk wel, dat door die alle, volgens het algemeene gevoelen, het daareven gezegde schijnt weêrlegd te worden, daar wij zeer zeker in die alle valsche waarnemingen hebben, en het veel scheelt, dat hetgeen aan ieder voorkomt, ookis, maar integendeel niets is van hetgeen schijnt.Theaet.Gij zegt volkomen de waarheid,Socrates!So.Wat blijft er dan nu nog te zeggen143over, jongen! voor hem, die het gevoel als kennis stelt, en dat hetgeen aan ieder voorkomt, dit ook is voor dien, aan wien het voorkomt?Theaet.Socrates!ik durf eigenlijk niet te zeggen, dat ik nog niet weet wat ik zeggen moet, daar gij mij daareven beknord hebt, toen ik dat zeide, en[58][ik zou toch gaarne mijne onwetenheid bekennen,] daar ik waarlijk niet kan betwijfelen, dat de krankzinnigen en de droomenden eene valsche meening hebben, wanneer sommige hunner zich Goden wanen, andere vogels en zich in den slaap als vliegend denken.So.Denkt gij ook niet om de volgende twijfeling over deze [toestanden], vooral over droomen en waken144?Theaet.Welke meent gij?So.Wat ik geloof, dat gij sommigen dikwijls hebt hooren vragen145, [namelijk], welk bewijs iemand zou kunnen aanvoeren, zoo men hem nu zoo in eens vroeg, of wij slapen en alles wat wij denken droomen, dan of wij wakker zijn, en in wakenden toestand met elkander spreken.Theaet.Ja waarlijk,Socrates! het is ondenkbaar, dat men daarvoor een bewijs zou kunnen aanvoeren; want [voor beide gevallen] volgt alles volkomen op dezelfde wijze. Niets toch belet ons in den droom146te meenen,[59]dat wij met elkander spreken over het daareven verhandelde; en wanneer wij in den droom ons verbeelden droomen te verhalen, dan is de gelijkenis van dit met dat147, allervreemdst.So.Gij ziet dus, dat het niet moeijelijk is gronden van twijfel te vinden, wanneer er zelfs getwijfeld wordt, of wij in wakenden of slapenden toestand zijn, en waarlijk, terwijl de tijd, waarin wij slapen, gelijk is aan dien, waarin wij wakker zijn, beweert onze ziel in beiden, dat de meeningen, die zij dan koestert, ongetwijfeld waar zijn, zoodat wij eenen gelijken tijd het een en het ander voor werkelijk bestaand verklaren, en dit eveneens van beiden beweren.Theaet.Dat is ongetwijfeld waar.So.Geldt niet dezelfde bewering van krankzinnigheid en ziekte, behalve dat de tijd niet gelijk is148?Theaet.Ja.So.Wat dan? zal het ware door lengte of kortheid van tijd bepaald worden149?[60]Theaet.Dat zou waarlijk allergekst wezen.So.Maar hebt gij iets anders om duidelijk aan te wijzen, welke dier meeningen waar is?Theaet.Ik geloof van neen.XIV.So.Hoor dan nu eens van mij, wat zij hierover zouden zeggen, die beweren, dat telkens, hetgeen aan iemand toeschijnt, waar is voor hem, aan wien het zoo toeschijnt150. Zij nu spreken naar mijn inzien aldus, vragende:Theaetetus! wat in alle opzigten verschillend is, zal dat wel in eenige kracht, die het heeft, overeenkomen met hetgeen, waarvan het verschilt? en moeten wij niet oordeelen, dat hetgeen wij vragen, niet in één opzigt hetzelfde, in een ander anders is, maar integendeel in alle opzigten anders is?Theaet.Het is inderdaad onmogelijk, dat het óf in kracht, óf in eenig ander opzigt, iets hetzelfde heeft, wanneer het volkomen anders is.So.Maar moeten wij dan ook niet toestemmen, dat het zoodanige ongelijk is?Theaet.Ik geloof van ja.So.Zoo het dus gebeurt, dat iets aan zich zelf of aan iets anders gelijk of ongelijk wordt, zullen wij dan niet, zoo het gelijk wordt, zeggen, dat het[61]hetzelfde wordt, en zoo het ongelijk wordt, anders?Theaet.Noodzakelijk.So.Zeiden wij niet te voren151, dat het bedrijvende veel, ja152oneindig is, en evenzoo het lijdende?Theaet.Ja.So.En immers ook, dat, wanneer iets anders met iets anders en weder met iets anders vereenigd wordt, het niet hetzelfde, maar wat anders zal voortbrengen?Theaet.Zeer zeker.So.Laten wij dan nu volgens dezelfde redenering van mij en van u en van al het andere spreken, b. v. van den gezonden en den ziekenSocrates. Zullen wij zeggen, dat dit laatste aan het eerste gelijk of ongelijk is?Theaet.Meent gij den ziekenSocratesin zijn geheel, aan den gezondenSocratesin zijn geheel?So.Goed begrepen! juist dat meen ik.Theaet.Zeker ongelijk.So.En dat hij dus, voor zoo verre hij ongelijk is, een ander is?Theaet.Noodzakelijk153.So.En zult gij van den slapenden en van al wat wij verder gezegd hebben, hetzelfde zeggen154?[62]Theaet.Dat zal ik.So.Elk dus van die dingen, welke de eigenschap hebben, dat zij op een ander werken, zullen, wanneer zij den gezondenSocratesaantreffen, op mij als op een’ ander werken, dan wanneer zij den zieken aantreffen.Theaet.Waarom zou dat niet?So.Dus zullen in beide gevallen, ik, die lijdend ben, en dat, hetwelk bedrijvend is, [te zamen] iets anders voortbrengen?Theaet.Natuurlijk.So.Wanneer ik nu gezond zijnde, wijn drink, schijnt die mij aangenaam en zoet.Theaet.Ja.So.Want volgens het te voren toegestemde bragt het bedrijvende en lijdende, zoetheid en gevoelsaandoening voort, die beiden te gelijk in beweging zijn; en de gevoelsaandoening, die haren oorsprong neemt van den lijdende, maakt155de tong voelend; en de zoetheid, die, van den wijn ontstaande, zich rond denzelven beweegt, doet den wijn voor de gezonde tong zoet zijn en schijnen.Theaet.Wij hebben het vorige volkomen aldus toegestemd.So.Maar wanneer [de wijn mij] ziek [aantreft], dan treft hij immers156, vooreerst in waarheid, niet denzelfden[63]aan, want hij komt bij iemand, die niet gelijk is?Theaet.Ja.So.Dus brengen ook dieSocratesen het drinken van den wijn wat anders voort, [namelijk] aan de tong gevoel van bitterheid, en aan den wijn wordende en zich bewegende157bitterheid; en maken hèm niet bitterheid, maar bitter, en mij niet gevoel, maar voelend?Theaet.Ongetwijfeld.So.158Dus zal ik nooit in dien toestand komen bij het voelen van iets anders, want ieder ding heeft zijne eigenaardige gevoelsaandoening, en wijzigt den toestand van den voelende op eene eigenaardige wijs; en dat, hetwelk mij aandoet159, zal nooit met een[64]ander zamenkomend, hetzelfde voortbrengen en zoodanig worden, want door ieder, waarmeê het zamenkomt, zal het iets eigenaardigs voortbrengen, en eene eigenaardige wijziging ondergaan.Theaet.Dat is waar.So.En ik voor mij [alleen] zal zoodanig niet worden, en dat voor zich [alleen] evenmin.Theaet.Waarlijk niet.So.Maar het is dan toch noodig, dat ik iets voel wanneer ik voelend wordt, want voelend te worden en niet te voelen, is onmogelijk; en even noodig is het, dat dat voor iemand worde, wanneer het zoet, of bitter, of iets dergelijks wordt: want het is onmogelijk, zoet, en niet voor iemand zoet te worden160.Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus blijft, geloof ik, over, dat wij161voor elkander, zoo wij zijn, zijn, of, zoo wij worden, worden; daar de noodzakelijkheid onze wezenheid wel verbindt, maar met niets anders, zelfs niet met ons zelven162. Dus blijft dan over, dat zij met elkander verbonden zijn; zoodat, zoo iemand van iets zegt, dat het is [of wordt], hij zeggen moet, dat het voor iemand, of van iemand, of met betrekking tot iets163[65]is, of wordt; maar, dat iets op zich zelf is of wordt, moet hij zelf niet zeggen noch van een ander aannemen, zooals de redekaveling, die wij zoo even doorloopen hebben, aantoont.Theaet.Zeer zeker,Socrates!So.Wanneer dus hetgeen mij aandoet, voor mij is, en niet voor een ander, dan voel ik het ook, maar een ander niet?Theaet.Natuurlijk.So.Edoch mijn gevoel is voor mij waar, want het behoort altijd tot mijne wezenheid. En ik heb, volgensProtagoras, regt om te oordeelen over hetgeen voor mij is, dat het is, en over hetgeen [voor mij] niet is, dat het niet is.Theaet.Dat schijnt zoo.XV.So.Hoe zou ik dan nu, daar ik mij niet bedrieg of vergis in mijne meening ten opzigte van het zijnde of wordende, hetgeen ik gevoel, niet kennen164?Theaet.Dat kan niet anders.So.Dus hebt gij uitmuntend gezegd, dat kennis niets anders is dan gevoel, en het komt op één uit, dat, volgensHomerusandHeraclieten al hunne aanhangers, alles als een stroom in beweging is, en dat[66]volgens den diep geleerdenProtagoras, de mensch de maat is van alle dingen, en dat volgensTheaetetus, als dit zoo is, het gevoel kennis wordt165; want, niet waar,Theaetetus! wij moeten zeggen, dat dit uw jonggeboren kind is, waarvan gij door mij verlost zijt? of hoe zegt gij?Theaet.Noodzakelijk zóó,Socrates!So.Dit hebben wij dan nu, naar het schijnt, met moeite aan het licht gebragt, wat het ook wezen moge. Na de geboorte nu moeten wij er in waarheid in de redekaveling meê rondloopen166, onderzoekende of het welligt winderig en valsch, en dus de opvoeding niet waard is. Of meent gij, dat het uwe volstrekt opgevoed en niet te vondeling gelegd moet worden167? Of zult gij het dulden, wanneer gij ziet, dat het wordt afgekeurd, en men het eerste, dat gij gebaard hebt, van u wegneemt?Theod.Theaetetuszal het dulden,Socrates! want hij is volstrekt niet kwalijk nemend. Maar zeg mij in ’s hemels naam! is het dan zoo niet?[67]So.Waarlijk,Theodorus! gij houdt van redekavelen en zijt wel heel goed met te denken, dat ik een zak vol redekavelingen heb168, waaruit ik er met gemak eene nemen kan, om te bewijzen, dat het gezegde zoo niet is. Gij let echter niet op, hoe het gaat; [namelijk], dat geene der redekavelingen van mij komt, maar altijd van hem, die met mij spreekt, daarikniets weet, dan ééne kleinigheid, namelijk, om hetgeen een ander, die het weet, zegt, te ontvangen169en behoorlijk op te nemen. En nu zal ik dit bij hem beproeven, maar niet, zelf te spreken.Theaet.Wat gij zegt,Socrates! is beter; doe zoo.XVI.So.Weet gij nu,Theodorus! waarover ik mij bij uwen vriendProtagorasverwonder?Theod.Wat meent gij?So.Overigens heeft hij zeer naar mijnen smaak aangetoond, dat hetgeen aan ieder voorkomt, ook is; maar ik heb mij verwonderd over het begin der redekaveling, dat hij niet in het begin derWaarheid170[68]gezegd heeft, dat een zwijn of aap of een nog nietiger gevoelend wezen, de maat van alle dingen is; om alzoo, met grootschheid en verachting [van allen spot], ons dadelijk in het begin te toonen, dat wij hem als een God om zijne wijsheid bewonderden171, maar dat hij in wijsheid niet boven eenen kikvorsch, laat staan boven eenig ander172mensch, uitmunt. Of hoe moeten wij zeggen,Theodorus? Want zoo voor ieder waar is173, wat hij op grond van het gevoel meent, en niemand eens anders aandoening beter onderscheidt, noch geschikter is om te onderzoeken, of de meening van een ander waar of valsch is, [dan die andere zelf]; maar, gelijk vaak gezegd is, ieder alleen over het zijne kan oordeelen, en dat oordeel geheel in den haak174en waar is; hoe is dan toch, mijn vriend!Protagoraszoo geleerd, dat hij zelfs verdient als de leermeester van anderen veel loon te ontvangen, maar[69]wij minder geleerd, zoodat wij tot hem gaan175moeten, terwijl toch ieder de maatstaf is voor zijne eigene kennis? Wat moeten wij zeggen, datProtagorasmet die geestigheid bedoelt? Ik spreek nu niet van mij en mijne vroedkunst, hoe bespottelijk wij worden, maar ik geloof, dat dit plaats heeft met alle bemoeijing omtrent het redekavelen. Want is dan het onderzoeken en trachten te weêrleggen van eens anders gevoelen176en meeningen, daar die van ieder waar zijn, niet eene zeer groote177ijdelheid, zoo althans de waarheid vanProtagoraswaar is, maar hij niet van achter de schermen een grap gezegd heeft?Theod.Socrates!de man was mijn vriend, gelijk gij daareven gezegd hebt. Daarom zou ik niet verlangen, datProtagorasweêrlegd werd door mijn toestemmen [der tegen zijne leer gemaakte bedenkingen], en evenmin [zou ik] u, tegen mijn gevoelen, [willen] tegenspreken178. Neem daaromTheaetetusweder. Hij scheen u toch ook daareven met allen mogelijken ijver te volgen.So.Theodorus!zoudt gij ook, teLacedaemonin[70]de scholen der gymnastiek komende, wanneer gij anderen, waaronder sommige zwakken, naakt zaagt, verlangen, om niet zelf insgelijks uwe kleederen af te leggen en uwe gedaante te toonen179?Theod.Waarom niet, zoo zij zich lieten overreden om het mij toe te laten? gelijk ik nu hoop heb u te overreden, dat gij mij zult vergunnen toe te kijken, zonder mij, die reeds stijf ben, tot het mededoen der gymnastische oefeningen te noodzaken, en dat gij zult worstelen met hem, die jonger en leniger is.XVII.So.Nu, als gij het zoo goed vindt,Theodorus! vind ik het niet kwaad, zegt het spreekwoord. Dus moet ik mij weder tot [onzen] knappenTheaetetusvervoegen.Theaetetus!zeg dan nu vooreerst, wat wij daareven uiteenzetten180, of gij u niet insgelijks verwondert, dat gij zoo op eens blijkt volstrekt niet minder in wijsheid te zijn, dan eenig mensch of god? of gelooft gij, dat het maat zijn vanProtagoraseenigzins minder van de goden, dan van de menschen gezegd wordt?[71]Theaet.Wel neen. En ik verwonder mij zeer over hetgeen gij vraagt. Want terwijl wij bezig waren met uiteen te zetten, hoe men zeide, dat hetgeen aan ieder toeschijnt, ook is voor hem, aan wien het toeschijnt, scheen mij dat zeer goed gezegd te worden. Nu echter is het op eens tot181het tegenovergestelde omgeslagen.So.[Dat is geen wonder], want gij zijt jong, jongelief! daarom stemt gij het gezegde spoedig toe en geeft spoedig gewonnen aan de redekaveling182. Want hierop zouProtagorasof een ander in zijne plaats zeggen: Mijne waarde kinderen en grijsaards, gij spreekt daar bij elkander zittend, en brengt daar Goden bij, die ik uitsluit van het spreken of schrijven over hun bestaan of niet bestaan; en wat de menigte, het hoorende, zou aannemen, dat zegt gij183, [namelijk] dat het erg zou zijn, zoo geen mensch in wijsheid iets voor had boven eenig beest; doch een noodzakelijk bewijs geeft gij in het geheel niet; maar gij bedient u van de waarschijnlijkheid, waarvanTheodorusof een[72]ander meetkunstenaar zich niet kan bedienen, zonder gevaar te loopen van nietswaardig te zijn. Onderzoek gij dan eens metTheodorus, of gij redekavelingen over zulke dingen, die zich op overreding184en waarschijnlijkheid steunen, kunt aannemen.Theaet.Dat mag niet,Socrates! zouden gij en wij zeggen.So.Dus moeten wij het op eene andere wijs onderzoeken, zoo als gij enTheodoruszegt.Theaet.Ja zeker: op eene andere wijs.So.Laten wij dan aldus185onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde of iets anders zijn. Want onze geheele redekaveling liep toch daarop uit186, en daarom hebben wij vele dwaze dingen geopperd. Niet waar?Theaet.Wel zeker.So.Zullen wij dan nu toestemmen, dat wij al, wat wij door het gezigt of het gehoor waarnemen, tevens kennen? b. v., zullen wij zeggen, dat wij de taal der Barbaren, voordat wij die geleerd hebben, wanneer zij spreken, niet hooren, of187dat wij die[73]hooren en hunne meening kennen? en zullen wij beweren, dat wij letters, die wij niet kennen, wanneer wij er de oogen op vestigen, niet zien, of dat wij ze verstaan, wanneer wij ze zien?Theaet.Wij zullen zeggen,Socrates! dat wij juist dat, wat wij er van zien en hooren, kennen; want dat wij van de laatsten de gedaante en de kleur zien en kennen, en van de eersten188den hoogen en lagen klank hooren en tevens kennen; maar wat de schoolmeesters en de tolken daarvan leeren, dat wij dit door het gehoor en het gezigt niet waarnemen, noch kennen.So.Mooi!Theaetetus, en het is niet goed, u dit te betwisten, opdat gij moed moogt scheppen.XVIII.Maar zie nu ook eens wat er verder bijkomt, en bezie eens, hoe wij dat zullen redden.Theaet.Wat toch?So.Dit: zoo iemand vroeg, of het mogelijk is, hetgeen men eens geweten heeft, terwijl men de herinnering daarvan nog heeft en voor zich bewaart189, dan, wanneer men het zich herinnert, niettegenstaande dat herinneren190, toch niet te kennen. Maar ik schijn[74]meer woorden dan noodig is te bezigen, daar ik vragen wil, of iemand, wat hij geleerd heeft en zich herinnert, niet weet191.Theaet.Hoe dat,Socrates? Hetgeen gij zegt, zou een wonder zijn.So.Raaskal ik dan misschien? bezie het eens. Noemt gij het zien niet eene soort van voelen, en het gezigt eene soort van gevoel?Theaet.Ja zeker.So.Heeft niet hij, die iets gezien heeft, volgens het daareven gezegde, kennis bekomen van hetgeen, dat hij gezien heeft?Theaet.Ja.So.Hoe dan nu? Er is toch iets, dat geheugen genoemd wordt.Theaet.Ja.So.Is dat een geheugen van niets of van iets?[75]Theaet.Zekerlijk van iets.So.Immers van zoodanige dingen, die men geleerd en gevoeld heeft?Theaet.Ongetwijfeld.So.Wat nu iemand gezien heeft, herinnert hij zich somwijlen?Theaet.Wel zeker.So.Ook wanneer hij de oogen gesloten heeft? of is hij het dan vergeten?Theaet.Het zou ongerijmd192wezen,Socrates! dit te beweren.So.En toch kan het niet anders193, zoo wij het vroeger beweerde willen redden; maar zoo [wij deze bewering] niet [willen vasthouden], gaat [dat vroeger beweerde] verloren.Theaet.Waarlijk! ik vermoed194het ook al, doch ik zie het echter niet behoorlijk in; maar zeg waarom?So.Daarom. Die ziet, kent, zeggen wij, datgene wat195hij ziet; want wij zijn overeengekomen, dat[76]gezigt en gevoel en kennis hetzelfde is.Theaet.Ongetwijfeld.So.Maar zoo hij, die zag en hetgeen hij zag kende, de oogen sluit, dan herinnert hij het zich wel, maar ziet het niet. Niet waar?Theaet.Ja.So.Maar zoo zien kennen is, dan is niet zien niet kennen.Theaet.Dat is waar.So.Dus volgt, dat iemand, wat hij heeft leeren kennen, terwijl hij het zich nog herinnert, niet kent, daar hij het niet ziet; hetgeen wij zeiden, dat een wonder zijn zou.Theaet.Dat zegt gij zeer naar waarheid.So.Dus schijnt het, dat er iets onmogelijks volgt, wanneer iemand zegt, dat kennis en gevoel hetzelfde is.Theaet.Het schijnt zoo.So.Dus moeten wij die twee voor onderscheiden verklaren196.Theaet.Ik geloof van ja.So.Wat zou dan nu de kennis wezen? Het schijnt,[77]dat wij dit weder van voren af aan moeten zeggen. Maar,Theaetetus! wat gaan wij doen?Theaet.Hoe zoo?So.Wij schijnen, als een haan van onedel ras, voordat wij overwonnen hebben, van de redekaveling weg te springen en triomf te kraaijen.Theaet.Hoe dat?So.Wij schijnen als liefhebbers van disputeren, volgens de door ons bepaalde overeenkomst van woorden, ons oordeel te hebben ingerigt, en ons te verheugen, dat wij daardoor de redekaveling zijn te boven gekomen, en terwijl wij beweren, geen redetwisters, maar wijsgeeren te zijn, merken wij zelve niet, dat wij volkomen hetzelfde als die knappe menschen verrigten.Theaet.Ik begrijp nog niet, hoe gij dat bedoelt.So.Maar ik zal trachten duidelijk te maken, wat ik hieromtrent in den zin heb197. Want wij vroegen, of iemand iets, wanneer hij het geleerd heeft, en zich herinnert, niet kent, en toen wij hadden aangetoond, dat hij, die gezien en de oogen gesloten heeft, zich wel herinnert, maar niet ziet, toonden wij aan, dat hij het te gelijk niet kende en zich herinnerde, en zeiden, dat dit onmogelijk is198. En alzoo werd[78]de leer vanProtagorasdoodgepraat en tevens de uwe, dat kennis en gevoel hetzelfde is.Theaet.Dat schijnt zoo.So.Nog zoo gaauw niet, geloof ik, mijn beste! zoo de vader van de eerste leer nog leefde, maar hij zou veel tot verdediging bijbrengen; nu echter verstooten wij ze smadelijk, als eene wees. Want ook de voogden, dieProtagorasachterliet, waaronder dezeTheodorus, willen niet helpen. Doch dan zullen wij zelf om der billijkheid wille het wagen199haar bij te staan.Theod.[Dat moet mij niet verweten worden], wantSocrates! niet ik, maar veel meerCallias, de zoon vanHipponicus200is de voogd van hetgeenProtagorasachterliet. Wij echter zijn te spoedig201uit die haarkloverijen naar de meetkunst geweken. Wij zullen[79]u echter dankbaar zijn, wanneer gij hem bijstaat.So.Gij zegt goed,Theodorus! let dan nu eens naauwkeurig op mijne hulp. Want erger dingen, dan het daareven gezegde, zou iemand toestemmen, die niet lette op de woorden, waarmede202wij gewoonlijk bevestigen of ontkennen. Wil ik aanTheaetetusof aan u zeggen, hoe dat is?Theod.Zeg het aan ons beiden, maar laat den jongste antwoorden. Want zoo hij verkeerd zegt, zal het hem minder schande wezen.XIX.So.Ik spreek nu van de allerlastigste vraag. Zij is, meen ik, ongeveer van dezen inhoud. Is het mogelijk, dat één en dezelfde, iets kennende, dat, wat hij kent, niet kent?Theod.Wat zullen wij antwoorden,Theaetetus?Theaet.Het is volstrekt onmogelijk, geloof ik.So.[Dat is het] niet, zoo gij het zien als kennen beschouwt203. Want hoe zult gij het maken met die onvermijdelijke vraag, wanneer gij, om zoo te spreken, in den put zit204, doordien een man, die[80]zich niet ligt laat overbluffen, met zijne hand uw ééne oog bedekt, er u vraagt, of gij met het andere zijn kleed ziet?Theaet.Ik zal, meen ik, zeggen: met het ééne niet, maar wel met het andere.So.Dus ziet gij hetzelfde, wel en niet te gelijk.Theaet.In zooverre, ja.So.Dat:in hoe verre, zal hij zeggen, neem ik niet in aanmerking, want ik vroeg er niet naar, maar [eenvoudig], of gij hetgeen gij kent, te gelijk niet kent. Nu blijkt205het echter, dat gij, wat gij niet ziet, wel ziet. Edoch, gij hebt toegestemd, dat het zien, kennen, en het niet zien, niet kennen is. Beredeneer nu eens, wat daaruit voor u volgt.Theaet.Het tegenovergestelde van hetgeen ik gesteld had.So.Misschien, mijn waarde! zou u datzelfde nog meer zijn overgekomen, zoo iemand u daarbij vroeg, of het mogelijk is, scherp of dof te kennen, en van nabij wel, maar niet van verre, en hetzelfde veel en weinig te gelijk, en duizend andere dingen, die een ligtgewapend huurkrijgsknecht206in het redeneren en[81]u lagen leggende, zou kunnen vragen, wanneer gij kennis en gevoel als hetzelfde gesteld hadt; daar hij, eenen aanval op het hooren en rieken en andere dergelijke zinnelijke waarnemingen gedaan hebbende, u zou weêrleggen en vasthouden en niet loslaten, voordat gij, zijne begeerlijke wijsheid bewonderend, door hem waart vastgezet, waarop hij u zou grijpen en vastbinden en vervolgens zou loslaten voor zoo veel geld als gij onder elkander kondt overeenkomen. Wat zou dan nuProtagoras, zoudt gij welligt zeggen, kunnen bijbrengen, om zijne stellingen te verdedigen? Willen wij het pogen te zeggen?Theaet.Zeer gaarne.XX.Dit alles207[zal hij bijbrengen], wat wij nu tot zijne verdediging gaan zeggen, en hij zal, geloof ik, op ons aandringen, ons verachtende en zeggende: die besteSocratesheeft daar, toen een kind, op zijne208vraag, of dezelfde hetzelfde te gelijk in het geheugen bewaren en niet kennen kan, bevreesd[82]werd,209en dit uit vrees en gebrek aan inzigt210ontkende, mij in zijne redekaveling bespottelijk211gemaakt. Zóó is echter het geval, o ligtzinnigeSocrates! Wanneer gij door vragen en antwoorden eene mijner stellingen onderzoekt, indien dan de ondervraagde hetzelfde antwoordt, wat ik zou geantwoord hebben en daarna wordt weêrlegd, dan word ik weêrlegd; maar zoo hij wat anders antwoordt, dan wordt de gevraagde zelf weêrlegd. Want gelooft gij, dat iemand u zoo terstond zal toegeven, dat de herinnering, welke iemand ook na het ondergaan van het ondergane bijblijft, dezelfde aandoening is, als toen hij onderging212? Het scheelt veel. Of dat hij[83]aarzelen zal, de mogelijkheid toe te geven, dat dezelfde hetzelfde kent en niet kent? of, zoo hij dáárvoor vreest, dat hij ooit zal toegeven, dat hij, die ongelijk wordt, dezelfde is, die hij was, vóór hij ongelijk werd? of liever, dat iemand één persoon en niet veel meer verscheidene personen is, die oneindig in menigte worden213, wanneer het ongelijk worden plaats grijpt, zoo wij althans van elkander woordenvitterijen te duchten hebben? Maar, mijn beste! zal hij zeggen, pak hetgeen ik zeg ridderlijker aan, en weêrleg het, zoo gij kunt, [aantoonende]214dat niet ieder onzer zijne eigene gevoelsaandoeningen heeft, of dat, nu zij aan ieder in het bijzonder eigen zijn, daarom geen zier meer, hetgeen schijnt, alleen voor hem schijnt, of, zoo ditzijnmoet heeten, [voor hem] is, aan wien het schijnt. Maar door er zwijnen en apen bij te slepen, handelt gij niet alleen zelf als een zwijn, maar overreedt ook de hoorders, om dit tegen mijne geschriften te doen, waaraan gij niet mooi handelt. Want ik zeg, dat het waar is, zoo als ik geschreven heb, en dat ieder onzer de maat is van het zijnde en niet zijnde, doch dat de een van den ander duizendvoudig juist daardoor verschilt, dat voor den een het ééne schijnt, en voor den ander wat anders.[84]En ik ben er ver van af te zeggen, dat wijsheid en wijze mannen niet bestaan, maar juist dien noem ik wijs215, die bij eenen onzer, voor wien kwaad schijnt en is, dit verandert en maakt dat het goed schijnt en is. En bestrijd mijne redekaveling niet op den klank af, maar leer aldus nog duidelijker inzien, wat ik zeg. Want herinner u, hoe in het vorige gezegd werd, dat voor den zieken, hetgeen hij eet, bitter schijnt en is, maar voor den gezonden het tegenovergestelde schijnt en is. Nu moet men wel geen’ hunner wijzer maken, want dat is niet eens mogelijk, en men moet ook den zieken niet van domheid beschuldigen216, omdat hij zulke meeningen koestert,[85]noch den gezonden wijs [noemen], omdat [hij] andere [denkbeelden heeft], maar men moet [den eersten] tot het andere doen overgaan; want de tweede toestand is beter. Even zoo moet men ook bij het onderwijs van den eenen toestand tot den beteren217doen overgaan. Maar de arts bewerkt dien overgang door geneesmiddelen, doch de sophist door woorden, zoodat geenszins iemand eenen anderen, die valsche denkbeelden heeft, later ware meeningen doet koesteren; want het is niet mogelijk, wat niet is, in zijne meening op te nemen218, noch iets anders dan men gevoelt, en dat is altijd waar. Maar, meen ik, de goede meening doet hen, die, door eenen slechten toestand van ziel, daarmede overeenkomstige meeningen[86]koesteren, andere219zulke meeningen220koesteren, welke sommigen door hunne onbedrevenheid waar noemen, doch ik noem wel de eene beter dan de andere, maar geen zier meer waar. En ik ben er ver af, mijn besteSocrates! om de wijzen kikvorschen te noemen, maar voor zoo ver [hunne wijsheid betrekking heeft] op de ligchamen, noem ik ze artsen, en voor zoo ver [die betrekking heeft] op de planten, noem ik ze landbouwers221. Want ik beweer, dat ook deze bij de planten, in plaats van slechte gevoelsaandoeningen, wanneer eene harer ziek is, goede en gezonde gevoelsaandoeningen en waarheden doen ontstaan, maar[87]dat de wijze en goede redenaars222het goede, in plaats van het slechte, aan de staten regtvaardig laten schijnen; want dat, hetgeen aan elken staat regtvaardig en schoon toeschijnt, dit ook voor hem is, zoo lang hij het daarvoor houdt: doch de wijze laat voor hen, in plaats dan alles wat kwaad is, het goede zijn en schijnen; en volgens diezelfderedeneringis de sophist, die in staat is zijne leerlingen aldus te onderwijzen, wijs en voor zijne kweekelingen veel geld waard. En alzoo is de een wijzer dan de ander, en toch heeft niemand eene valsche meening, en gij moet, of gij wilt of niet, er genoegen in nemen, een maat te zijn; want deze redenering wordt in dit opzigt gered; en zoo gij tegen het beginsel, waarop zij steunt, iets hebt in het midden te brengen, doe dat dan in eene [doorloopende] redekaveling, of, zoo gij [het liever] met vragen wilt doen, met vragen; want ook dat moet niet ontweken, maar door den verstandigen bijzonder gezocht worden223. Doe echter alzoo. Bezig bij het vragen[88]geene kwade trouw; want het is bijster ongerijmd, dat iemand, die beweert zich op de deugd toe te leggen, voortdurend met kwade trouw in het redekavelen te werk gaat. Kwade trouw nu, komt in dergelijke dingen voor, wanneer men niet anders redekavelt bij het disputeren tot oefening, dan bij het wetenschappelijk gesprek224; daar225men in het eerste speelt en fopt zoo veel als men kan, bij het wetenschappelijk gesprek daarentegen met ernst te werk gaat en zijne tegenpartij teregt brengt, door hem eenvoudig de struikelingen te doen opmerken, waarin hij door eigen toedoen en vroegere bijeenkomsten gestort is226. Want[89]wanneer gij alzoo doet, dan zullen zij, die met u omgaan, hunne verwarring en radeloosheid aan zich zelven wijten, maar niet aan u, en zij zullen u naloopen en liefhebben, maar zich zelven haten, en van zich zelven naar de wijsbegeerte vlugten, opdat zij, andere menschen geworden zijnde, verlost worden van hetgeen zij vroeger waren; maar zoo gij, gelijk de meesten, het tegenovergestelde hiervan doet, dan zal u het tegenovergestelde gebeuren, en gij zult uwe toehoorders, in plaats van tot wijsgeeren, tot vijanden van dit werk maken227, wanneer zij wat ouder worden228. Zoo gij dus mijnen raad volgt, zult gij niet kwaadaardig en twistgierig, maar met een kalm gemoed u tot ons aflatende, in waarheid onderzoeken, wat wij toch zeggen, wanneer wij aantoonen, dat alles in beweging is, en dat, hetgeen aan ieder voorkomt, ook is, zoowel voor een op zich zelf staand mensch, als[90]voor eenen staat; en naar aanleiding hiervan zult gij [dan] onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde,ofiets anders is, maar [gij zult dit niet doen] naar aanleiding van bekende woorden en namen, welke de gewone menschen naar alle kanten heentrekken, waardoor zij aan elkander allerlei onzekerheid berokkenen229.Hiermede,Theodorus! ben ik begonnen230uwen vriend te helpen, zoo goed ik kon, hoewel het weinig beduidt door mijne geringe krachten; maar zoo hij zelf leefde, zou hij het zijne vrij wat uitstekender beschermd hebben.XXI.Theod.Gij schertst,Socrates! want gij hebt hem fiks bijgestaan.So.Gij zijt wel goed, mijn vriend! Zeg mij dan nu eens, of gij daareven op de woorden vanProtagoras[91]gelet hebt, toen hij ons verweet, dat wij, met een kind redekavelende, ons bij het bestrijden zijner leer van de vrees van dat kind bedienden, en hoe hij dat eene zotheid noemde, en de leer van den maat aller dingen aanprees, ons vermanende, zijn stelsel ernstig te overwegen231.Theod.Wel zeker heb ik daarop gelet,Socrates!So.Wat dan? staat gij er op, dat wij hem gehoor geven?Theod.Zeker.So.Gij ziet dan, dat deze allen buiten u kinderen zijn. Zoo wij hem dus zullen gehoor geven, dan moeten ik en gij, elkander vragende en antwoordende, zijn stelsel ernstig overwegen, opdat hij niet zou kunnen klagen, dat wij dat stelsel al spelende met knaapjes onderzocht hebben232.Theod.Wat! Zou danTheaetetusniet beter dan vele personen met groote baarden zulk een wijsgeerig onderzoek kunnen volgen?So.[Dat wel],Theodorus! maar toch niet beter dan gij. Meen dan niet, dat ik uwen gestorven vriend op allerlei wijs moet helpen, en gij op geenerlei; maar,[92]kom aan, mijn beste! volg [de redekaveling] een weinig, tot [wij] op dat punt derzelve233[gekomen zijn], waar wij kunnen zien, of gij de maatstaf moet wezen [bij het beoordeelen] der meetkunstige figuren, dan wel of allen, even als gij, voor zich zelven genoeg zijn, ten opzigte van de sterrekunde en de andere dingen, waarin gij met regt voor uitstekend gehouden wordt.Theod.Het is niet gemakkelijk,Socrates! bij u te zitten, zonder rekenschap te geven, en ik heb daareven geraaskald, toen ik beweerde, dat gij mij zoudt veroorlooven mijne kleederen aan te houden, en mij niet, gelijk de Lacedaemoniers, zoudt dwingen; maar ik vind, dat gij meer naarAntaeus234overhelt. De Lacedaemoniers toch bevelen heen te gaan of zich uit te kleeden, maar ik vind, dat gij doet alsAntaeus; want die tot u komt, laat gij niet los, voor gij hem gedwongen hebt zich uit te kleeden, en in het redekavelen met u te worstelen.So.Theodorus!gij hebt daar eene opperbeste vergelijking voor mijne kwaal gevonden, maar ik ben nog sterker dan zij235. Want reeds bij de duizend mannen[93]alsHerculesenTheseus236zijn mij ontmoet, en daar zij sterk waren in het redetwisten, hebben zij mij deerlijk gebeukt, maar toch scheid ik er niet uit; zulk eene geweldige liefhebberij voor die oefening is in mij gevaren. Laat dan niet na, door met mij te worstelen, u zelven en mij tevens van dienst te zijn237.Theod.Ik spreek niet langer tegen, maar ga gij voort, zoo als gij wilt; want ik moet toch in dit punt het noodlot, dat gij mij toespint, verduren en mij laten weêrleggen. Ik zal mij echter niet verder tot uwe dienst kunnen stellen, dat tot aan het punt, dat gij opgeeft238.So.Zoo ver is ook genoeg. En pas nu vooral daarop, dat wij niet onbedacht ons aan spelen met woorden schuldig maken239, en iemand ons dat later weder verwijt.[94]Theod.Ik zal het beproeven, zooveel ik kan.XXII.So.Wij moeten dan vooreerst het reeds behandelde weder opvatten, en overwegen, of wij te regt of ten onregte op dat stelsel moeijelijk werden, omdat het ieder ten opzigte der kennis zelf genoegzaam maakt, en [of]Protagorasons [teregt of ten onregte] heeft toegestemd, dat sommigen uitstekend zijn ten opzigte van het goede en kwade, en dat zij wijzen zijn. Niet waar?Theod.Ja.So.Zoo hij nu zelf ons hier toestemde, en niet wij, hem verdedigend, in zijnen naam hadden toegestemd, dan was het geenszins noodig dit nog eens van voren af aan vast te stellen; maar nu zou ligt iemand ons het regt van zulk toestemmen in zijnen naam betwisten240. Daarom is het beter, met meer naauwkeurigheid onze toestemming in dit opzigt te behandelen; want het is geen klein verschil, of het zóó is of anders.Theod.Gij zegt de waarheid.So.Laat ons dan niet door andere241, maar uit zijne eigene woorden zoo kort mogelijk vaststellen, wat wij kunnen toestemmen.Theod.Hoe?So.Aldus. Hij zegt immers, dat hetgeen aan ieder[95]zoo toeschijnt, ook zooisvoor hem, aan wien het zoo toeschijnt?Theod.Ja, dat zegt hij.So.Derhalve,Protagoras! spreken wij van de meening van sommige, ja, van alle menschen, en beweren, dat geen sterveling niet in eenige dingen zich zelven wijzer beschouwt dan anderen, en in andere dingen, anderen dan hem, en dat zij in de grootste gevaren, bij voorbeeld wanneer zij in veldtogten, ziekten of zeereizen aan ongelukken blootstaan242, schier goddelijken eerbied hebben voor hen, die daarbij het bewind voeren, en hunne redding verwachten van menschen, die slechts door meerdere kennis van hen verschillen. En overal onder de menschen worden er gevonden, die leermeesters en overheden, zoo voor zich, als voor de andere dieren en werkzaamheden zoeken, en tevens, die zich beschouwen als geschikt, om te onderwijzen of te regeren. En wat kunnen wij in al die gevallen anders zeggen, dan dat de menschen zelve243meenen, dat onder hen kennis en onkunde is?Theod.Niets anders.So.Houden zij niet de kennis voor ware meening, en de onkunde voor valsche?Theod.Ongetwijfeld.[96]So.Hoe zullen wij het nu maken met de redekaveling,Protagoras? Moeten wij zeggen, dat de menschen altijd eene ware meening koesteren, of dan eens ware, dan eens valsche? Want uit beiden volgt, dat zij niet altijd ware, maar beiderlei meening koesteren. Want zie eens,Theodorus! of het iemand der aanhangers vanProtagoras, of u zelven, ernst wezen kan met de bewering, dat niemand eenen anderen voor onwetend en valsche meening koesterend aanziet.Theod.Dat is ondenkbaar,Socrates!So.En toch is die bewering onvermijdelijk geworden voor de leer, dat de mensch de maat is van alle dingen.244Theod.Hoe dat?So.Wanneer gij, bij u zelven een oordeel geveld hebbende, uw gevoelen over iets aan mij kenbaar maakt, dan moge dat, volgens zijne leer, voor u waar wezen, maar staat het nu ons anderen niet vrij, over uw oordeel te oordeelen? of oordeelen wij altijd, dat uwe meening waar is? of strijden niet telkens velen tegen u, die eene tegenstrijdige meening koesteren, maar uw oordeel en uwe meening voor valsch houden?Theod.In waarheidSocrates! er zijn vele duizenden,[97]zooalsHomeruszegt, die mij allerlei tegenstand doen ondervinden245.So.Wat nu? wilt gij, dat wij zeggen, dat gij alsdan voor u zelven eene ware meening koestert, maar voor die duizenden eene valsche?Theod.Zoo schijnt het noodzakelijk uit de redekaveling te volgen.So.En hoe is het nu metProtagoraszelven? Is het niet noodig, dat, zoo hij eens evenmin als de menigte, den mensch voor de maat aller dingen hield, die waarheid, welke hij geschreven heeft, voor niemand bestond? En zoo hij zelf haar wel voor waar hield, maar de menigte die meening niet deelt, weet gij wel, dat zij dan, naarmate meerderen haar verwerpen, meernietdanwelwaar is?Theod.Noodzakelijk, indien zij althans, naar iedere meening, zijn en niet zijn zal.So.Verder heeft hij deze alleraardigste eigenschap. Hij erkent de meening zijner tegenstrevers, waarmede zij zijne leer voor valsch houden, als waar, wanneer hij toestemt, dat allen ware meeningen koesteren.Theod.Ongetwijfeld.So.Maar geeft hij dan de valschheid zijner meeningen niet toe, wanneer hij erkent, dat die van hen, die hem van leugen betichten, waar is?Theod.Noodzakelijk.[98]So.Maar de anderen geven niet toe, dat zij het mis hebben?Theod.Wel neen!So.Hij echter erkent volgens zijne geschriften ook die meening voor waar.Theod.Het schijnt zoo.So.Dus zullen allen, metProtagorasvoorop, betwijfelen246, of liever, wanneer hij erkent, dat degeen die hem tegenspreekt, eene ware meening koestert,247ronduit ontkennen, dat een hond of een zoo maar opgeraapt mensch de maat is in eenig vak, dat hij niet geleerd heeft. Niet waar?Theod.Ja.So.Daar zij dus door allen betwijfeld wordt, zou de waarheid vanProtagorasvoor niemand waar zijn, noch voor iemand anders, noch voor hem zelven.Theod.Socrates, wij loopen mijnen vriend bitter tegen het lijf.So.Maar, mijn vriend! het is onzeker, of wij misschien het regte punt voorbijloopen. Het is althans waarschijnlijk, dat hij, ouder zijnde, wijzer is dan wij; en zoo hij nu op het oogenblik hier tot aan den nek uit den grond opkeek, zou hij denkelijk,[99]na mij om mijn doorslaan, en u om uw toestemmen, met verwijtingen overladen te hebben, weêr onderduiken en eensklaps op den loop gaan. Maar wij moeten, geloof ik, ons bedienen van onze krachten, hoe die ook zijn248, en steeds datgene zeggen, wat ons waar voorkomt. En kunnen wij waarlijk nu wel iets anders zeggen, dan dat ieder toestemt, dat de een wijzer is dan de andere, of soms ook dommer?Theod.Zoo komt het mij althans voor.XXIII.So.En dat de leer [vanProtagoras] vooral tot staan gebragt wordt in het punt, dat wij, toen wij hem beschermden, geschetst hebben, namelijk dat de meeste dingen, gelijk zij schijnen, zoo ook voor ieder warm, droog, zoet, enz.249zijn, en dat, zoo men in het geheel toestemt, dat in eenig opzigt de een van den ander verschilt, dat men dan aangaande het gezonde en zieke wil erkennen, dat niet ieder vrouwtje, of kindje, of diertje, in staat is, om zich zelven te genezen, dewijl het weet, wat voor hetzelve gezond is; maar dat daar, zoo ergens, de een van den ander verschilt?[100]Theod.Zoo komt het mij althans voor.So.Dus ook in het staatkundige, dat het schoone, leelijke, regtvaardige of onregtvaardige, heilige of onheilige, wat iedere staat als zoodanig beschouwende, voor zich zelven vaststelt, zulks voor hem250ook in waarheid is, en dat daarin geen enkel mensch of staat wijzer dan een ander mensch of staat is; maar hij zal toestemmen, dat, zoo ergens, in het vaststellen van het voor zich nuttige of niet, de eene raadsman van den andere en de eene meening van den staat van de andere ten opzigte der waarheid verschilt, en hij zou niet stellig durven beweren, dat hetgeen een staat, omdat hij het nuttig voor zich waant, bepaalt, ongetwijfeld ook nuttig zal wezen. Maar daar, waar ik zeg, in het regtvaardige en onregtvaardige, en heilige en onheilige, wil men staande houden, dat geen van die dingen zijne eigene wezenheid heeft, maar dat hetgeen aan de menigte zoo toeschijnt, waar wordt, wanneer het toeschijnt en zoo lang als het toeschijnt. En zoo velen als niet geheel en alProtagorasnapraten, verkondigen ongeveer[101]deze leer251. MaarTheodorus! de eene redekaveling na de andere, en wel telkens grootere, houden ons bezig.Theod.Maar wij hebben immers ledigen tijd252,Socrates!So.Dat schijnt zoo. En bij vele andere gelegenheden, mijn vriend! maar vooral253nu, heb ik opgemerkt, dat natuurlijk zij, die in wijsgeerigestudiën254veel tijd hebben doorgebragt, zoo zij in de regthuizen komen, zich als redenaars bespottelijk voordoen.Theod.Hoe meent gij dat dan?So.Zij, die van hunne jeugd af aan zich in[102]regthuizen en dergelijke dingen ophouden255, schijnen in vergelijking van hen, die in de wijsbegeerte en dergelijke bezigheid opgevoed zijn, als slaven in vergelijking van vrijen opgevoed te wezen.Theod.Hoe zoo?So.Daar aan de eersten de ledige tijd, waarvan gij spreekt, nooit ontbreekt, en zij hunne redekavelingen in vrede en ledigen tijd opstellen, en gelijk wij nu reeds de derde opvolgende redekaveling opvatten, zoo ook zij, indien hun eene nieuwe redekaveling meer dan de behandeld wordende256bevalt, zoo als dat met ons het geval is, [de laatste verkiezen], en het hun om het even is, of zij lange of korte redeneringen bezigen, zoo zij maar het wezenlijke vatten. De anderen echter spreken altijd in haast, want het stroomende water257drijft ze voort, en laat hun niet toe, te spreken waarover zij willen, maar de tegenpartij staat tegenover hen, een dwangmiddel hebbende en een boekje, dat er bij gelezen[103]wordt258, waarbuiten niet mag gesproken worden259, en de rede wordt altijd over eenen mededienstknecht gehouden in tegenwoordigheid van den heer, die daar zit en het regt in zijne hand heeft, en de strijd is nooit vrij, maar steeds over een bepaald onderwerp, ja dikwijls is het een gevecht260op leven of dood. Zoodat zij door dit alles scherp en slim worden en leeren hunnen heer met woorden te vleijen en met daden te believen261, daar zij kleingeestig en niet opregt van gezindheid zijn. Want het dienen van kindsbeen af, vernietigt de verheffing [van ziel], de[104]opregtheid en de edelaardigheid262, daar zij dwingt om slinksch te handelen, en de nog teedere zielen in groote gevaren en angsten stort, die zij niet met billijkheid en opregtheid263kunnen doorstaan, en daarom zich terstond naar het liegen en elkander benadeelen wendende, zich zeer buigen en wringen, zoodat zij van knapen eindelijk mannen worden, zonder iets gezonds in hunne ziel te hebben, terwijl zij zich verbeelden, knap en wijs geworden te zijn.
Theaet.Ik weet het niet,Socrates! want ik kan ook aan u niet merken139, of gij zegt, wat gij meent, dan of gij mij beproeft.So.Herinnert gij u dan niet, mijn vriend! dat ik[56]geen van die dingen weet, noch mij toeëigen, maar dat ik daarin onvruchtbaar ben, doch u help verlossen, en daarom u voorzing en u van de meeningen van al de wijzen laat proeven, totdat ik uwe meening aan het licht gebragt heb; en wanneer die aan het licht gebragt is, dan zal ik zien, of het wind of een gezond kind zal blijken te zijn. Maar houd moed, en verman u, en antwoord fiks en ronduit, wat u dunkt van hetgeen ik u vraag.Theaet.Vraag op!XIII.So.Zeg dan nu nog eens, of het u behaagt, dat nietsis, maar dat het goede en schoone140en al wat wij daareven doorliepen, steedswordt.Theaet.Maar wanneer gij het zóó uiteenzet, dan schijnt het mij bijzonder veel vóór zich te hebben, gelijk gij het hebt uiteengezet, en te moeten aangenomen worden.So.Laten wij dan niet weglaten, wat ik nog heb overgeslagen. Nu blijft nog over te spreken van de droomen en ziekten, inzonderheid141van de krankzinnigheid, en waar verder verkeerd hooren of verkeerd[57]zien, of eenige andere verkeerde142waarneming genoemd wordt. Want gij weet waarschijnlijk wel, dat door die alle, volgens het algemeene gevoelen, het daareven gezegde schijnt weêrlegd te worden, daar wij zeer zeker in die alle valsche waarnemingen hebben, en het veel scheelt, dat hetgeen aan ieder voorkomt, ookis, maar integendeel niets is van hetgeen schijnt.Theaet.Gij zegt volkomen de waarheid,Socrates!So.Wat blijft er dan nu nog te zeggen143over, jongen! voor hem, die het gevoel als kennis stelt, en dat hetgeen aan ieder voorkomt, dit ook is voor dien, aan wien het voorkomt?Theaet.Socrates!ik durf eigenlijk niet te zeggen, dat ik nog niet weet wat ik zeggen moet, daar gij mij daareven beknord hebt, toen ik dat zeide, en[58][ik zou toch gaarne mijne onwetenheid bekennen,] daar ik waarlijk niet kan betwijfelen, dat de krankzinnigen en de droomenden eene valsche meening hebben, wanneer sommige hunner zich Goden wanen, andere vogels en zich in den slaap als vliegend denken.So.Denkt gij ook niet om de volgende twijfeling over deze [toestanden], vooral over droomen en waken144?Theaet.Welke meent gij?So.Wat ik geloof, dat gij sommigen dikwijls hebt hooren vragen145, [namelijk], welk bewijs iemand zou kunnen aanvoeren, zoo men hem nu zoo in eens vroeg, of wij slapen en alles wat wij denken droomen, dan of wij wakker zijn, en in wakenden toestand met elkander spreken.Theaet.Ja waarlijk,Socrates! het is ondenkbaar, dat men daarvoor een bewijs zou kunnen aanvoeren; want [voor beide gevallen] volgt alles volkomen op dezelfde wijze. Niets toch belet ons in den droom146te meenen,[59]dat wij met elkander spreken over het daareven verhandelde; en wanneer wij in den droom ons verbeelden droomen te verhalen, dan is de gelijkenis van dit met dat147, allervreemdst.So.Gij ziet dus, dat het niet moeijelijk is gronden van twijfel te vinden, wanneer er zelfs getwijfeld wordt, of wij in wakenden of slapenden toestand zijn, en waarlijk, terwijl de tijd, waarin wij slapen, gelijk is aan dien, waarin wij wakker zijn, beweert onze ziel in beiden, dat de meeningen, die zij dan koestert, ongetwijfeld waar zijn, zoodat wij eenen gelijken tijd het een en het ander voor werkelijk bestaand verklaren, en dit eveneens van beiden beweren.Theaet.Dat is ongetwijfeld waar.So.Geldt niet dezelfde bewering van krankzinnigheid en ziekte, behalve dat de tijd niet gelijk is148?Theaet.Ja.So.Wat dan? zal het ware door lengte of kortheid van tijd bepaald worden149?[60]Theaet.Dat zou waarlijk allergekst wezen.So.Maar hebt gij iets anders om duidelijk aan te wijzen, welke dier meeningen waar is?Theaet.Ik geloof van neen.XIV.So.Hoor dan nu eens van mij, wat zij hierover zouden zeggen, die beweren, dat telkens, hetgeen aan iemand toeschijnt, waar is voor hem, aan wien het zoo toeschijnt150. Zij nu spreken naar mijn inzien aldus, vragende:Theaetetus! wat in alle opzigten verschillend is, zal dat wel in eenige kracht, die het heeft, overeenkomen met hetgeen, waarvan het verschilt? en moeten wij niet oordeelen, dat hetgeen wij vragen, niet in één opzigt hetzelfde, in een ander anders is, maar integendeel in alle opzigten anders is?Theaet.Het is inderdaad onmogelijk, dat het óf in kracht, óf in eenig ander opzigt, iets hetzelfde heeft, wanneer het volkomen anders is.So.Maar moeten wij dan ook niet toestemmen, dat het zoodanige ongelijk is?Theaet.Ik geloof van ja.So.Zoo het dus gebeurt, dat iets aan zich zelf of aan iets anders gelijk of ongelijk wordt, zullen wij dan niet, zoo het gelijk wordt, zeggen, dat het[61]hetzelfde wordt, en zoo het ongelijk wordt, anders?Theaet.Noodzakelijk.So.Zeiden wij niet te voren151, dat het bedrijvende veel, ja152oneindig is, en evenzoo het lijdende?Theaet.Ja.So.En immers ook, dat, wanneer iets anders met iets anders en weder met iets anders vereenigd wordt, het niet hetzelfde, maar wat anders zal voortbrengen?Theaet.Zeer zeker.So.Laten wij dan nu volgens dezelfde redenering van mij en van u en van al het andere spreken, b. v. van den gezonden en den ziekenSocrates. Zullen wij zeggen, dat dit laatste aan het eerste gelijk of ongelijk is?Theaet.Meent gij den ziekenSocratesin zijn geheel, aan den gezondenSocratesin zijn geheel?So.Goed begrepen! juist dat meen ik.Theaet.Zeker ongelijk.So.En dat hij dus, voor zoo verre hij ongelijk is, een ander is?Theaet.Noodzakelijk153.So.En zult gij van den slapenden en van al wat wij verder gezegd hebben, hetzelfde zeggen154?[62]Theaet.Dat zal ik.So.Elk dus van die dingen, welke de eigenschap hebben, dat zij op een ander werken, zullen, wanneer zij den gezondenSocratesaantreffen, op mij als op een’ ander werken, dan wanneer zij den zieken aantreffen.Theaet.Waarom zou dat niet?So.Dus zullen in beide gevallen, ik, die lijdend ben, en dat, hetwelk bedrijvend is, [te zamen] iets anders voortbrengen?Theaet.Natuurlijk.So.Wanneer ik nu gezond zijnde, wijn drink, schijnt die mij aangenaam en zoet.Theaet.Ja.So.Want volgens het te voren toegestemde bragt het bedrijvende en lijdende, zoetheid en gevoelsaandoening voort, die beiden te gelijk in beweging zijn; en de gevoelsaandoening, die haren oorsprong neemt van den lijdende, maakt155de tong voelend; en de zoetheid, die, van den wijn ontstaande, zich rond denzelven beweegt, doet den wijn voor de gezonde tong zoet zijn en schijnen.Theaet.Wij hebben het vorige volkomen aldus toegestemd.So.Maar wanneer [de wijn mij] ziek [aantreft], dan treft hij immers156, vooreerst in waarheid, niet denzelfden[63]aan, want hij komt bij iemand, die niet gelijk is?Theaet.Ja.So.Dus brengen ook dieSocratesen het drinken van den wijn wat anders voort, [namelijk] aan de tong gevoel van bitterheid, en aan den wijn wordende en zich bewegende157bitterheid; en maken hèm niet bitterheid, maar bitter, en mij niet gevoel, maar voelend?Theaet.Ongetwijfeld.So.158Dus zal ik nooit in dien toestand komen bij het voelen van iets anders, want ieder ding heeft zijne eigenaardige gevoelsaandoening, en wijzigt den toestand van den voelende op eene eigenaardige wijs; en dat, hetwelk mij aandoet159, zal nooit met een[64]ander zamenkomend, hetzelfde voortbrengen en zoodanig worden, want door ieder, waarmeê het zamenkomt, zal het iets eigenaardigs voortbrengen, en eene eigenaardige wijziging ondergaan.Theaet.Dat is waar.So.En ik voor mij [alleen] zal zoodanig niet worden, en dat voor zich [alleen] evenmin.Theaet.Waarlijk niet.So.Maar het is dan toch noodig, dat ik iets voel wanneer ik voelend wordt, want voelend te worden en niet te voelen, is onmogelijk; en even noodig is het, dat dat voor iemand worde, wanneer het zoet, of bitter, of iets dergelijks wordt: want het is onmogelijk, zoet, en niet voor iemand zoet te worden160.Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus blijft, geloof ik, over, dat wij161voor elkander, zoo wij zijn, zijn, of, zoo wij worden, worden; daar de noodzakelijkheid onze wezenheid wel verbindt, maar met niets anders, zelfs niet met ons zelven162. Dus blijft dan over, dat zij met elkander verbonden zijn; zoodat, zoo iemand van iets zegt, dat het is [of wordt], hij zeggen moet, dat het voor iemand, of van iemand, of met betrekking tot iets163[65]is, of wordt; maar, dat iets op zich zelf is of wordt, moet hij zelf niet zeggen noch van een ander aannemen, zooals de redekaveling, die wij zoo even doorloopen hebben, aantoont.Theaet.Zeer zeker,Socrates!So.Wanneer dus hetgeen mij aandoet, voor mij is, en niet voor een ander, dan voel ik het ook, maar een ander niet?Theaet.Natuurlijk.So.Edoch mijn gevoel is voor mij waar, want het behoort altijd tot mijne wezenheid. En ik heb, volgensProtagoras, regt om te oordeelen over hetgeen voor mij is, dat het is, en over hetgeen [voor mij] niet is, dat het niet is.Theaet.Dat schijnt zoo.XV.So.Hoe zou ik dan nu, daar ik mij niet bedrieg of vergis in mijne meening ten opzigte van het zijnde of wordende, hetgeen ik gevoel, niet kennen164?Theaet.Dat kan niet anders.So.Dus hebt gij uitmuntend gezegd, dat kennis niets anders is dan gevoel, en het komt op één uit, dat, volgensHomerusandHeraclieten al hunne aanhangers, alles als een stroom in beweging is, en dat[66]volgens den diep geleerdenProtagoras, de mensch de maat is van alle dingen, en dat volgensTheaetetus, als dit zoo is, het gevoel kennis wordt165; want, niet waar,Theaetetus! wij moeten zeggen, dat dit uw jonggeboren kind is, waarvan gij door mij verlost zijt? of hoe zegt gij?Theaet.Noodzakelijk zóó,Socrates!So.Dit hebben wij dan nu, naar het schijnt, met moeite aan het licht gebragt, wat het ook wezen moge. Na de geboorte nu moeten wij er in waarheid in de redekaveling meê rondloopen166, onderzoekende of het welligt winderig en valsch, en dus de opvoeding niet waard is. Of meent gij, dat het uwe volstrekt opgevoed en niet te vondeling gelegd moet worden167? Of zult gij het dulden, wanneer gij ziet, dat het wordt afgekeurd, en men het eerste, dat gij gebaard hebt, van u wegneemt?Theod.Theaetetuszal het dulden,Socrates! want hij is volstrekt niet kwalijk nemend. Maar zeg mij in ’s hemels naam! is het dan zoo niet?[67]So.Waarlijk,Theodorus! gij houdt van redekavelen en zijt wel heel goed met te denken, dat ik een zak vol redekavelingen heb168, waaruit ik er met gemak eene nemen kan, om te bewijzen, dat het gezegde zoo niet is. Gij let echter niet op, hoe het gaat; [namelijk], dat geene der redekavelingen van mij komt, maar altijd van hem, die met mij spreekt, daarikniets weet, dan ééne kleinigheid, namelijk, om hetgeen een ander, die het weet, zegt, te ontvangen169en behoorlijk op te nemen. En nu zal ik dit bij hem beproeven, maar niet, zelf te spreken.Theaet.Wat gij zegt,Socrates! is beter; doe zoo.XVI.So.Weet gij nu,Theodorus! waarover ik mij bij uwen vriendProtagorasverwonder?Theod.Wat meent gij?So.Overigens heeft hij zeer naar mijnen smaak aangetoond, dat hetgeen aan ieder voorkomt, ook is; maar ik heb mij verwonderd over het begin der redekaveling, dat hij niet in het begin derWaarheid170[68]gezegd heeft, dat een zwijn of aap of een nog nietiger gevoelend wezen, de maat van alle dingen is; om alzoo, met grootschheid en verachting [van allen spot], ons dadelijk in het begin te toonen, dat wij hem als een God om zijne wijsheid bewonderden171, maar dat hij in wijsheid niet boven eenen kikvorsch, laat staan boven eenig ander172mensch, uitmunt. Of hoe moeten wij zeggen,Theodorus? Want zoo voor ieder waar is173, wat hij op grond van het gevoel meent, en niemand eens anders aandoening beter onderscheidt, noch geschikter is om te onderzoeken, of de meening van een ander waar of valsch is, [dan die andere zelf]; maar, gelijk vaak gezegd is, ieder alleen over het zijne kan oordeelen, en dat oordeel geheel in den haak174en waar is; hoe is dan toch, mijn vriend!Protagoraszoo geleerd, dat hij zelfs verdient als de leermeester van anderen veel loon te ontvangen, maar[69]wij minder geleerd, zoodat wij tot hem gaan175moeten, terwijl toch ieder de maatstaf is voor zijne eigene kennis? Wat moeten wij zeggen, datProtagorasmet die geestigheid bedoelt? Ik spreek nu niet van mij en mijne vroedkunst, hoe bespottelijk wij worden, maar ik geloof, dat dit plaats heeft met alle bemoeijing omtrent het redekavelen. Want is dan het onderzoeken en trachten te weêrleggen van eens anders gevoelen176en meeningen, daar die van ieder waar zijn, niet eene zeer groote177ijdelheid, zoo althans de waarheid vanProtagoraswaar is, maar hij niet van achter de schermen een grap gezegd heeft?Theod.Socrates!de man was mijn vriend, gelijk gij daareven gezegd hebt. Daarom zou ik niet verlangen, datProtagorasweêrlegd werd door mijn toestemmen [der tegen zijne leer gemaakte bedenkingen], en evenmin [zou ik] u, tegen mijn gevoelen, [willen] tegenspreken178. Neem daaromTheaetetusweder. Hij scheen u toch ook daareven met allen mogelijken ijver te volgen.So.Theodorus!zoudt gij ook, teLacedaemonin[70]de scholen der gymnastiek komende, wanneer gij anderen, waaronder sommige zwakken, naakt zaagt, verlangen, om niet zelf insgelijks uwe kleederen af te leggen en uwe gedaante te toonen179?Theod.Waarom niet, zoo zij zich lieten overreden om het mij toe te laten? gelijk ik nu hoop heb u te overreden, dat gij mij zult vergunnen toe te kijken, zonder mij, die reeds stijf ben, tot het mededoen der gymnastische oefeningen te noodzaken, en dat gij zult worstelen met hem, die jonger en leniger is.XVII.So.Nu, als gij het zoo goed vindt,Theodorus! vind ik het niet kwaad, zegt het spreekwoord. Dus moet ik mij weder tot [onzen] knappenTheaetetusvervoegen.Theaetetus!zeg dan nu vooreerst, wat wij daareven uiteenzetten180, of gij u niet insgelijks verwondert, dat gij zoo op eens blijkt volstrekt niet minder in wijsheid te zijn, dan eenig mensch of god? of gelooft gij, dat het maat zijn vanProtagoraseenigzins minder van de goden, dan van de menschen gezegd wordt?[71]Theaet.Wel neen. En ik verwonder mij zeer over hetgeen gij vraagt. Want terwijl wij bezig waren met uiteen te zetten, hoe men zeide, dat hetgeen aan ieder toeschijnt, ook is voor hem, aan wien het toeschijnt, scheen mij dat zeer goed gezegd te worden. Nu echter is het op eens tot181het tegenovergestelde omgeslagen.So.[Dat is geen wonder], want gij zijt jong, jongelief! daarom stemt gij het gezegde spoedig toe en geeft spoedig gewonnen aan de redekaveling182. Want hierop zouProtagorasof een ander in zijne plaats zeggen: Mijne waarde kinderen en grijsaards, gij spreekt daar bij elkander zittend, en brengt daar Goden bij, die ik uitsluit van het spreken of schrijven over hun bestaan of niet bestaan; en wat de menigte, het hoorende, zou aannemen, dat zegt gij183, [namelijk] dat het erg zou zijn, zoo geen mensch in wijsheid iets voor had boven eenig beest; doch een noodzakelijk bewijs geeft gij in het geheel niet; maar gij bedient u van de waarschijnlijkheid, waarvanTheodorusof een[72]ander meetkunstenaar zich niet kan bedienen, zonder gevaar te loopen van nietswaardig te zijn. Onderzoek gij dan eens metTheodorus, of gij redekavelingen over zulke dingen, die zich op overreding184en waarschijnlijkheid steunen, kunt aannemen.Theaet.Dat mag niet,Socrates! zouden gij en wij zeggen.So.Dus moeten wij het op eene andere wijs onderzoeken, zoo als gij enTheodoruszegt.Theaet.Ja zeker: op eene andere wijs.So.Laten wij dan aldus185onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde of iets anders zijn. Want onze geheele redekaveling liep toch daarop uit186, en daarom hebben wij vele dwaze dingen geopperd. Niet waar?Theaet.Wel zeker.So.Zullen wij dan nu toestemmen, dat wij al, wat wij door het gezigt of het gehoor waarnemen, tevens kennen? b. v., zullen wij zeggen, dat wij de taal der Barbaren, voordat wij die geleerd hebben, wanneer zij spreken, niet hooren, of187dat wij die[73]hooren en hunne meening kennen? en zullen wij beweren, dat wij letters, die wij niet kennen, wanneer wij er de oogen op vestigen, niet zien, of dat wij ze verstaan, wanneer wij ze zien?Theaet.Wij zullen zeggen,Socrates! dat wij juist dat, wat wij er van zien en hooren, kennen; want dat wij van de laatsten de gedaante en de kleur zien en kennen, en van de eersten188den hoogen en lagen klank hooren en tevens kennen; maar wat de schoolmeesters en de tolken daarvan leeren, dat wij dit door het gehoor en het gezigt niet waarnemen, noch kennen.So.Mooi!Theaetetus, en het is niet goed, u dit te betwisten, opdat gij moed moogt scheppen.XVIII.Maar zie nu ook eens wat er verder bijkomt, en bezie eens, hoe wij dat zullen redden.Theaet.Wat toch?So.Dit: zoo iemand vroeg, of het mogelijk is, hetgeen men eens geweten heeft, terwijl men de herinnering daarvan nog heeft en voor zich bewaart189, dan, wanneer men het zich herinnert, niettegenstaande dat herinneren190, toch niet te kennen. Maar ik schijn[74]meer woorden dan noodig is te bezigen, daar ik vragen wil, of iemand, wat hij geleerd heeft en zich herinnert, niet weet191.Theaet.Hoe dat,Socrates? Hetgeen gij zegt, zou een wonder zijn.So.Raaskal ik dan misschien? bezie het eens. Noemt gij het zien niet eene soort van voelen, en het gezigt eene soort van gevoel?Theaet.Ja zeker.So.Heeft niet hij, die iets gezien heeft, volgens het daareven gezegde, kennis bekomen van hetgeen, dat hij gezien heeft?Theaet.Ja.So.Hoe dan nu? Er is toch iets, dat geheugen genoemd wordt.Theaet.Ja.So.Is dat een geheugen van niets of van iets?[75]Theaet.Zekerlijk van iets.So.Immers van zoodanige dingen, die men geleerd en gevoeld heeft?Theaet.Ongetwijfeld.So.Wat nu iemand gezien heeft, herinnert hij zich somwijlen?Theaet.Wel zeker.So.Ook wanneer hij de oogen gesloten heeft? of is hij het dan vergeten?Theaet.Het zou ongerijmd192wezen,Socrates! dit te beweren.So.En toch kan het niet anders193, zoo wij het vroeger beweerde willen redden; maar zoo [wij deze bewering] niet [willen vasthouden], gaat [dat vroeger beweerde] verloren.Theaet.Waarlijk! ik vermoed194het ook al, doch ik zie het echter niet behoorlijk in; maar zeg waarom?So.Daarom. Die ziet, kent, zeggen wij, datgene wat195hij ziet; want wij zijn overeengekomen, dat[76]gezigt en gevoel en kennis hetzelfde is.Theaet.Ongetwijfeld.So.Maar zoo hij, die zag en hetgeen hij zag kende, de oogen sluit, dan herinnert hij het zich wel, maar ziet het niet. Niet waar?Theaet.Ja.So.Maar zoo zien kennen is, dan is niet zien niet kennen.Theaet.Dat is waar.So.Dus volgt, dat iemand, wat hij heeft leeren kennen, terwijl hij het zich nog herinnert, niet kent, daar hij het niet ziet; hetgeen wij zeiden, dat een wonder zijn zou.Theaet.Dat zegt gij zeer naar waarheid.So.Dus schijnt het, dat er iets onmogelijks volgt, wanneer iemand zegt, dat kennis en gevoel hetzelfde is.Theaet.Het schijnt zoo.So.Dus moeten wij die twee voor onderscheiden verklaren196.Theaet.Ik geloof van ja.So.Wat zou dan nu de kennis wezen? Het schijnt,[77]dat wij dit weder van voren af aan moeten zeggen. Maar,Theaetetus! wat gaan wij doen?Theaet.Hoe zoo?So.Wij schijnen, als een haan van onedel ras, voordat wij overwonnen hebben, van de redekaveling weg te springen en triomf te kraaijen.Theaet.Hoe dat?So.Wij schijnen als liefhebbers van disputeren, volgens de door ons bepaalde overeenkomst van woorden, ons oordeel te hebben ingerigt, en ons te verheugen, dat wij daardoor de redekaveling zijn te boven gekomen, en terwijl wij beweren, geen redetwisters, maar wijsgeeren te zijn, merken wij zelve niet, dat wij volkomen hetzelfde als die knappe menschen verrigten.Theaet.Ik begrijp nog niet, hoe gij dat bedoelt.So.Maar ik zal trachten duidelijk te maken, wat ik hieromtrent in den zin heb197. Want wij vroegen, of iemand iets, wanneer hij het geleerd heeft, en zich herinnert, niet kent, en toen wij hadden aangetoond, dat hij, die gezien en de oogen gesloten heeft, zich wel herinnert, maar niet ziet, toonden wij aan, dat hij het te gelijk niet kende en zich herinnerde, en zeiden, dat dit onmogelijk is198. En alzoo werd[78]de leer vanProtagorasdoodgepraat en tevens de uwe, dat kennis en gevoel hetzelfde is.Theaet.Dat schijnt zoo.So.Nog zoo gaauw niet, geloof ik, mijn beste! zoo de vader van de eerste leer nog leefde, maar hij zou veel tot verdediging bijbrengen; nu echter verstooten wij ze smadelijk, als eene wees. Want ook de voogden, dieProtagorasachterliet, waaronder dezeTheodorus, willen niet helpen. Doch dan zullen wij zelf om der billijkheid wille het wagen199haar bij te staan.Theod.[Dat moet mij niet verweten worden], wantSocrates! niet ik, maar veel meerCallias, de zoon vanHipponicus200is de voogd van hetgeenProtagorasachterliet. Wij echter zijn te spoedig201uit die haarkloverijen naar de meetkunst geweken. Wij zullen[79]u echter dankbaar zijn, wanneer gij hem bijstaat.So.Gij zegt goed,Theodorus! let dan nu eens naauwkeurig op mijne hulp. Want erger dingen, dan het daareven gezegde, zou iemand toestemmen, die niet lette op de woorden, waarmede202wij gewoonlijk bevestigen of ontkennen. Wil ik aanTheaetetusof aan u zeggen, hoe dat is?Theod.Zeg het aan ons beiden, maar laat den jongste antwoorden. Want zoo hij verkeerd zegt, zal het hem minder schande wezen.XIX.So.Ik spreek nu van de allerlastigste vraag. Zij is, meen ik, ongeveer van dezen inhoud. Is het mogelijk, dat één en dezelfde, iets kennende, dat, wat hij kent, niet kent?Theod.Wat zullen wij antwoorden,Theaetetus?Theaet.Het is volstrekt onmogelijk, geloof ik.So.[Dat is het] niet, zoo gij het zien als kennen beschouwt203. Want hoe zult gij het maken met die onvermijdelijke vraag, wanneer gij, om zoo te spreken, in den put zit204, doordien een man, die[80]zich niet ligt laat overbluffen, met zijne hand uw ééne oog bedekt, er u vraagt, of gij met het andere zijn kleed ziet?Theaet.Ik zal, meen ik, zeggen: met het ééne niet, maar wel met het andere.So.Dus ziet gij hetzelfde, wel en niet te gelijk.Theaet.In zooverre, ja.So.Dat:in hoe verre, zal hij zeggen, neem ik niet in aanmerking, want ik vroeg er niet naar, maar [eenvoudig], of gij hetgeen gij kent, te gelijk niet kent. Nu blijkt205het echter, dat gij, wat gij niet ziet, wel ziet. Edoch, gij hebt toegestemd, dat het zien, kennen, en het niet zien, niet kennen is. Beredeneer nu eens, wat daaruit voor u volgt.Theaet.Het tegenovergestelde van hetgeen ik gesteld had.So.Misschien, mijn waarde! zou u datzelfde nog meer zijn overgekomen, zoo iemand u daarbij vroeg, of het mogelijk is, scherp of dof te kennen, en van nabij wel, maar niet van verre, en hetzelfde veel en weinig te gelijk, en duizend andere dingen, die een ligtgewapend huurkrijgsknecht206in het redeneren en[81]u lagen leggende, zou kunnen vragen, wanneer gij kennis en gevoel als hetzelfde gesteld hadt; daar hij, eenen aanval op het hooren en rieken en andere dergelijke zinnelijke waarnemingen gedaan hebbende, u zou weêrleggen en vasthouden en niet loslaten, voordat gij, zijne begeerlijke wijsheid bewonderend, door hem waart vastgezet, waarop hij u zou grijpen en vastbinden en vervolgens zou loslaten voor zoo veel geld als gij onder elkander kondt overeenkomen. Wat zou dan nuProtagoras, zoudt gij welligt zeggen, kunnen bijbrengen, om zijne stellingen te verdedigen? Willen wij het pogen te zeggen?Theaet.Zeer gaarne.XX.Dit alles207[zal hij bijbrengen], wat wij nu tot zijne verdediging gaan zeggen, en hij zal, geloof ik, op ons aandringen, ons verachtende en zeggende: die besteSocratesheeft daar, toen een kind, op zijne208vraag, of dezelfde hetzelfde te gelijk in het geheugen bewaren en niet kennen kan, bevreesd[82]werd,209en dit uit vrees en gebrek aan inzigt210ontkende, mij in zijne redekaveling bespottelijk211gemaakt. Zóó is echter het geval, o ligtzinnigeSocrates! Wanneer gij door vragen en antwoorden eene mijner stellingen onderzoekt, indien dan de ondervraagde hetzelfde antwoordt, wat ik zou geantwoord hebben en daarna wordt weêrlegd, dan word ik weêrlegd; maar zoo hij wat anders antwoordt, dan wordt de gevraagde zelf weêrlegd. Want gelooft gij, dat iemand u zoo terstond zal toegeven, dat de herinnering, welke iemand ook na het ondergaan van het ondergane bijblijft, dezelfde aandoening is, als toen hij onderging212? Het scheelt veel. Of dat hij[83]aarzelen zal, de mogelijkheid toe te geven, dat dezelfde hetzelfde kent en niet kent? of, zoo hij dáárvoor vreest, dat hij ooit zal toegeven, dat hij, die ongelijk wordt, dezelfde is, die hij was, vóór hij ongelijk werd? of liever, dat iemand één persoon en niet veel meer verscheidene personen is, die oneindig in menigte worden213, wanneer het ongelijk worden plaats grijpt, zoo wij althans van elkander woordenvitterijen te duchten hebben? Maar, mijn beste! zal hij zeggen, pak hetgeen ik zeg ridderlijker aan, en weêrleg het, zoo gij kunt, [aantoonende]214dat niet ieder onzer zijne eigene gevoelsaandoeningen heeft, of dat, nu zij aan ieder in het bijzonder eigen zijn, daarom geen zier meer, hetgeen schijnt, alleen voor hem schijnt, of, zoo ditzijnmoet heeten, [voor hem] is, aan wien het schijnt. Maar door er zwijnen en apen bij te slepen, handelt gij niet alleen zelf als een zwijn, maar overreedt ook de hoorders, om dit tegen mijne geschriften te doen, waaraan gij niet mooi handelt. Want ik zeg, dat het waar is, zoo als ik geschreven heb, en dat ieder onzer de maat is van het zijnde en niet zijnde, doch dat de een van den ander duizendvoudig juist daardoor verschilt, dat voor den een het ééne schijnt, en voor den ander wat anders.[84]En ik ben er ver van af te zeggen, dat wijsheid en wijze mannen niet bestaan, maar juist dien noem ik wijs215, die bij eenen onzer, voor wien kwaad schijnt en is, dit verandert en maakt dat het goed schijnt en is. En bestrijd mijne redekaveling niet op den klank af, maar leer aldus nog duidelijker inzien, wat ik zeg. Want herinner u, hoe in het vorige gezegd werd, dat voor den zieken, hetgeen hij eet, bitter schijnt en is, maar voor den gezonden het tegenovergestelde schijnt en is. Nu moet men wel geen’ hunner wijzer maken, want dat is niet eens mogelijk, en men moet ook den zieken niet van domheid beschuldigen216, omdat hij zulke meeningen koestert,[85]noch den gezonden wijs [noemen], omdat [hij] andere [denkbeelden heeft], maar men moet [den eersten] tot het andere doen overgaan; want de tweede toestand is beter. Even zoo moet men ook bij het onderwijs van den eenen toestand tot den beteren217doen overgaan. Maar de arts bewerkt dien overgang door geneesmiddelen, doch de sophist door woorden, zoodat geenszins iemand eenen anderen, die valsche denkbeelden heeft, later ware meeningen doet koesteren; want het is niet mogelijk, wat niet is, in zijne meening op te nemen218, noch iets anders dan men gevoelt, en dat is altijd waar. Maar, meen ik, de goede meening doet hen, die, door eenen slechten toestand van ziel, daarmede overeenkomstige meeningen[86]koesteren, andere219zulke meeningen220koesteren, welke sommigen door hunne onbedrevenheid waar noemen, doch ik noem wel de eene beter dan de andere, maar geen zier meer waar. En ik ben er ver af, mijn besteSocrates! om de wijzen kikvorschen te noemen, maar voor zoo ver [hunne wijsheid betrekking heeft] op de ligchamen, noem ik ze artsen, en voor zoo ver [die betrekking heeft] op de planten, noem ik ze landbouwers221. Want ik beweer, dat ook deze bij de planten, in plaats van slechte gevoelsaandoeningen, wanneer eene harer ziek is, goede en gezonde gevoelsaandoeningen en waarheden doen ontstaan, maar[87]dat de wijze en goede redenaars222het goede, in plaats van het slechte, aan de staten regtvaardig laten schijnen; want dat, hetgeen aan elken staat regtvaardig en schoon toeschijnt, dit ook voor hem is, zoo lang hij het daarvoor houdt: doch de wijze laat voor hen, in plaats dan alles wat kwaad is, het goede zijn en schijnen; en volgens diezelfderedeneringis de sophist, die in staat is zijne leerlingen aldus te onderwijzen, wijs en voor zijne kweekelingen veel geld waard. En alzoo is de een wijzer dan de ander, en toch heeft niemand eene valsche meening, en gij moet, of gij wilt of niet, er genoegen in nemen, een maat te zijn; want deze redenering wordt in dit opzigt gered; en zoo gij tegen het beginsel, waarop zij steunt, iets hebt in het midden te brengen, doe dat dan in eene [doorloopende] redekaveling, of, zoo gij [het liever] met vragen wilt doen, met vragen; want ook dat moet niet ontweken, maar door den verstandigen bijzonder gezocht worden223. Doe echter alzoo. Bezig bij het vragen[88]geene kwade trouw; want het is bijster ongerijmd, dat iemand, die beweert zich op de deugd toe te leggen, voortdurend met kwade trouw in het redekavelen te werk gaat. Kwade trouw nu, komt in dergelijke dingen voor, wanneer men niet anders redekavelt bij het disputeren tot oefening, dan bij het wetenschappelijk gesprek224; daar225men in het eerste speelt en fopt zoo veel als men kan, bij het wetenschappelijk gesprek daarentegen met ernst te werk gaat en zijne tegenpartij teregt brengt, door hem eenvoudig de struikelingen te doen opmerken, waarin hij door eigen toedoen en vroegere bijeenkomsten gestort is226. Want[89]wanneer gij alzoo doet, dan zullen zij, die met u omgaan, hunne verwarring en radeloosheid aan zich zelven wijten, maar niet aan u, en zij zullen u naloopen en liefhebben, maar zich zelven haten, en van zich zelven naar de wijsbegeerte vlugten, opdat zij, andere menschen geworden zijnde, verlost worden van hetgeen zij vroeger waren; maar zoo gij, gelijk de meesten, het tegenovergestelde hiervan doet, dan zal u het tegenovergestelde gebeuren, en gij zult uwe toehoorders, in plaats van tot wijsgeeren, tot vijanden van dit werk maken227, wanneer zij wat ouder worden228. Zoo gij dus mijnen raad volgt, zult gij niet kwaadaardig en twistgierig, maar met een kalm gemoed u tot ons aflatende, in waarheid onderzoeken, wat wij toch zeggen, wanneer wij aantoonen, dat alles in beweging is, en dat, hetgeen aan ieder voorkomt, ook is, zoowel voor een op zich zelf staand mensch, als[90]voor eenen staat; en naar aanleiding hiervan zult gij [dan] onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde,ofiets anders is, maar [gij zult dit niet doen] naar aanleiding van bekende woorden en namen, welke de gewone menschen naar alle kanten heentrekken, waardoor zij aan elkander allerlei onzekerheid berokkenen229.Hiermede,Theodorus! ben ik begonnen230uwen vriend te helpen, zoo goed ik kon, hoewel het weinig beduidt door mijne geringe krachten; maar zoo hij zelf leefde, zou hij het zijne vrij wat uitstekender beschermd hebben.XXI.Theod.Gij schertst,Socrates! want gij hebt hem fiks bijgestaan.So.Gij zijt wel goed, mijn vriend! Zeg mij dan nu eens, of gij daareven op de woorden vanProtagoras[91]gelet hebt, toen hij ons verweet, dat wij, met een kind redekavelende, ons bij het bestrijden zijner leer van de vrees van dat kind bedienden, en hoe hij dat eene zotheid noemde, en de leer van den maat aller dingen aanprees, ons vermanende, zijn stelsel ernstig te overwegen231.Theod.Wel zeker heb ik daarop gelet,Socrates!So.Wat dan? staat gij er op, dat wij hem gehoor geven?Theod.Zeker.So.Gij ziet dan, dat deze allen buiten u kinderen zijn. Zoo wij hem dus zullen gehoor geven, dan moeten ik en gij, elkander vragende en antwoordende, zijn stelsel ernstig overwegen, opdat hij niet zou kunnen klagen, dat wij dat stelsel al spelende met knaapjes onderzocht hebben232.Theod.Wat! Zou danTheaetetusniet beter dan vele personen met groote baarden zulk een wijsgeerig onderzoek kunnen volgen?So.[Dat wel],Theodorus! maar toch niet beter dan gij. Meen dan niet, dat ik uwen gestorven vriend op allerlei wijs moet helpen, en gij op geenerlei; maar,[92]kom aan, mijn beste! volg [de redekaveling] een weinig, tot [wij] op dat punt derzelve233[gekomen zijn], waar wij kunnen zien, of gij de maatstaf moet wezen [bij het beoordeelen] der meetkunstige figuren, dan wel of allen, even als gij, voor zich zelven genoeg zijn, ten opzigte van de sterrekunde en de andere dingen, waarin gij met regt voor uitstekend gehouden wordt.Theod.Het is niet gemakkelijk,Socrates! bij u te zitten, zonder rekenschap te geven, en ik heb daareven geraaskald, toen ik beweerde, dat gij mij zoudt veroorlooven mijne kleederen aan te houden, en mij niet, gelijk de Lacedaemoniers, zoudt dwingen; maar ik vind, dat gij meer naarAntaeus234overhelt. De Lacedaemoniers toch bevelen heen te gaan of zich uit te kleeden, maar ik vind, dat gij doet alsAntaeus; want die tot u komt, laat gij niet los, voor gij hem gedwongen hebt zich uit te kleeden, en in het redekavelen met u te worstelen.So.Theodorus!gij hebt daar eene opperbeste vergelijking voor mijne kwaal gevonden, maar ik ben nog sterker dan zij235. Want reeds bij de duizend mannen[93]alsHerculesenTheseus236zijn mij ontmoet, en daar zij sterk waren in het redetwisten, hebben zij mij deerlijk gebeukt, maar toch scheid ik er niet uit; zulk eene geweldige liefhebberij voor die oefening is in mij gevaren. Laat dan niet na, door met mij te worstelen, u zelven en mij tevens van dienst te zijn237.Theod.Ik spreek niet langer tegen, maar ga gij voort, zoo als gij wilt; want ik moet toch in dit punt het noodlot, dat gij mij toespint, verduren en mij laten weêrleggen. Ik zal mij echter niet verder tot uwe dienst kunnen stellen, dat tot aan het punt, dat gij opgeeft238.So.Zoo ver is ook genoeg. En pas nu vooral daarop, dat wij niet onbedacht ons aan spelen met woorden schuldig maken239, en iemand ons dat later weder verwijt.[94]Theod.Ik zal het beproeven, zooveel ik kan.XXII.So.Wij moeten dan vooreerst het reeds behandelde weder opvatten, en overwegen, of wij te regt of ten onregte op dat stelsel moeijelijk werden, omdat het ieder ten opzigte der kennis zelf genoegzaam maakt, en [of]Protagorasons [teregt of ten onregte] heeft toegestemd, dat sommigen uitstekend zijn ten opzigte van het goede en kwade, en dat zij wijzen zijn. Niet waar?Theod.Ja.So.Zoo hij nu zelf ons hier toestemde, en niet wij, hem verdedigend, in zijnen naam hadden toegestemd, dan was het geenszins noodig dit nog eens van voren af aan vast te stellen; maar nu zou ligt iemand ons het regt van zulk toestemmen in zijnen naam betwisten240. Daarom is het beter, met meer naauwkeurigheid onze toestemming in dit opzigt te behandelen; want het is geen klein verschil, of het zóó is of anders.Theod.Gij zegt de waarheid.So.Laat ons dan niet door andere241, maar uit zijne eigene woorden zoo kort mogelijk vaststellen, wat wij kunnen toestemmen.Theod.Hoe?So.Aldus. Hij zegt immers, dat hetgeen aan ieder[95]zoo toeschijnt, ook zooisvoor hem, aan wien het zoo toeschijnt?Theod.Ja, dat zegt hij.So.Derhalve,Protagoras! spreken wij van de meening van sommige, ja, van alle menschen, en beweren, dat geen sterveling niet in eenige dingen zich zelven wijzer beschouwt dan anderen, en in andere dingen, anderen dan hem, en dat zij in de grootste gevaren, bij voorbeeld wanneer zij in veldtogten, ziekten of zeereizen aan ongelukken blootstaan242, schier goddelijken eerbied hebben voor hen, die daarbij het bewind voeren, en hunne redding verwachten van menschen, die slechts door meerdere kennis van hen verschillen. En overal onder de menschen worden er gevonden, die leermeesters en overheden, zoo voor zich, als voor de andere dieren en werkzaamheden zoeken, en tevens, die zich beschouwen als geschikt, om te onderwijzen of te regeren. En wat kunnen wij in al die gevallen anders zeggen, dan dat de menschen zelve243meenen, dat onder hen kennis en onkunde is?Theod.Niets anders.So.Houden zij niet de kennis voor ware meening, en de onkunde voor valsche?Theod.Ongetwijfeld.[96]So.Hoe zullen wij het nu maken met de redekaveling,Protagoras? Moeten wij zeggen, dat de menschen altijd eene ware meening koesteren, of dan eens ware, dan eens valsche? Want uit beiden volgt, dat zij niet altijd ware, maar beiderlei meening koesteren. Want zie eens,Theodorus! of het iemand der aanhangers vanProtagoras, of u zelven, ernst wezen kan met de bewering, dat niemand eenen anderen voor onwetend en valsche meening koesterend aanziet.Theod.Dat is ondenkbaar,Socrates!So.En toch is die bewering onvermijdelijk geworden voor de leer, dat de mensch de maat is van alle dingen.244Theod.Hoe dat?So.Wanneer gij, bij u zelven een oordeel geveld hebbende, uw gevoelen over iets aan mij kenbaar maakt, dan moge dat, volgens zijne leer, voor u waar wezen, maar staat het nu ons anderen niet vrij, over uw oordeel te oordeelen? of oordeelen wij altijd, dat uwe meening waar is? of strijden niet telkens velen tegen u, die eene tegenstrijdige meening koesteren, maar uw oordeel en uwe meening voor valsch houden?Theod.In waarheidSocrates! er zijn vele duizenden,[97]zooalsHomeruszegt, die mij allerlei tegenstand doen ondervinden245.So.Wat nu? wilt gij, dat wij zeggen, dat gij alsdan voor u zelven eene ware meening koestert, maar voor die duizenden eene valsche?Theod.Zoo schijnt het noodzakelijk uit de redekaveling te volgen.So.En hoe is het nu metProtagoraszelven? Is het niet noodig, dat, zoo hij eens evenmin als de menigte, den mensch voor de maat aller dingen hield, die waarheid, welke hij geschreven heeft, voor niemand bestond? En zoo hij zelf haar wel voor waar hield, maar de menigte die meening niet deelt, weet gij wel, dat zij dan, naarmate meerderen haar verwerpen, meernietdanwelwaar is?Theod.Noodzakelijk, indien zij althans, naar iedere meening, zijn en niet zijn zal.So.Verder heeft hij deze alleraardigste eigenschap. Hij erkent de meening zijner tegenstrevers, waarmede zij zijne leer voor valsch houden, als waar, wanneer hij toestemt, dat allen ware meeningen koesteren.Theod.Ongetwijfeld.So.Maar geeft hij dan de valschheid zijner meeningen niet toe, wanneer hij erkent, dat die van hen, die hem van leugen betichten, waar is?Theod.Noodzakelijk.[98]So.Maar de anderen geven niet toe, dat zij het mis hebben?Theod.Wel neen!So.Hij echter erkent volgens zijne geschriften ook die meening voor waar.Theod.Het schijnt zoo.So.Dus zullen allen, metProtagorasvoorop, betwijfelen246, of liever, wanneer hij erkent, dat degeen die hem tegenspreekt, eene ware meening koestert,247ronduit ontkennen, dat een hond of een zoo maar opgeraapt mensch de maat is in eenig vak, dat hij niet geleerd heeft. Niet waar?Theod.Ja.So.Daar zij dus door allen betwijfeld wordt, zou de waarheid vanProtagorasvoor niemand waar zijn, noch voor iemand anders, noch voor hem zelven.Theod.Socrates, wij loopen mijnen vriend bitter tegen het lijf.So.Maar, mijn vriend! het is onzeker, of wij misschien het regte punt voorbijloopen. Het is althans waarschijnlijk, dat hij, ouder zijnde, wijzer is dan wij; en zoo hij nu op het oogenblik hier tot aan den nek uit den grond opkeek, zou hij denkelijk,[99]na mij om mijn doorslaan, en u om uw toestemmen, met verwijtingen overladen te hebben, weêr onderduiken en eensklaps op den loop gaan. Maar wij moeten, geloof ik, ons bedienen van onze krachten, hoe die ook zijn248, en steeds datgene zeggen, wat ons waar voorkomt. En kunnen wij waarlijk nu wel iets anders zeggen, dan dat ieder toestemt, dat de een wijzer is dan de andere, of soms ook dommer?Theod.Zoo komt het mij althans voor.XXIII.So.En dat de leer [vanProtagoras] vooral tot staan gebragt wordt in het punt, dat wij, toen wij hem beschermden, geschetst hebben, namelijk dat de meeste dingen, gelijk zij schijnen, zoo ook voor ieder warm, droog, zoet, enz.249zijn, en dat, zoo men in het geheel toestemt, dat in eenig opzigt de een van den ander verschilt, dat men dan aangaande het gezonde en zieke wil erkennen, dat niet ieder vrouwtje, of kindje, of diertje, in staat is, om zich zelven te genezen, dewijl het weet, wat voor hetzelve gezond is; maar dat daar, zoo ergens, de een van den ander verschilt?[100]Theod.Zoo komt het mij althans voor.So.Dus ook in het staatkundige, dat het schoone, leelijke, regtvaardige of onregtvaardige, heilige of onheilige, wat iedere staat als zoodanig beschouwende, voor zich zelven vaststelt, zulks voor hem250ook in waarheid is, en dat daarin geen enkel mensch of staat wijzer dan een ander mensch of staat is; maar hij zal toestemmen, dat, zoo ergens, in het vaststellen van het voor zich nuttige of niet, de eene raadsman van den andere en de eene meening van den staat van de andere ten opzigte der waarheid verschilt, en hij zou niet stellig durven beweren, dat hetgeen een staat, omdat hij het nuttig voor zich waant, bepaalt, ongetwijfeld ook nuttig zal wezen. Maar daar, waar ik zeg, in het regtvaardige en onregtvaardige, en heilige en onheilige, wil men staande houden, dat geen van die dingen zijne eigene wezenheid heeft, maar dat hetgeen aan de menigte zoo toeschijnt, waar wordt, wanneer het toeschijnt en zoo lang als het toeschijnt. En zoo velen als niet geheel en alProtagorasnapraten, verkondigen ongeveer[101]deze leer251. MaarTheodorus! de eene redekaveling na de andere, en wel telkens grootere, houden ons bezig.Theod.Maar wij hebben immers ledigen tijd252,Socrates!So.Dat schijnt zoo. En bij vele andere gelegenheden, mijn vriend! maar vooral253nu, heb ik opgemerkt, dat natuurlijk zij, die in wijsgeerigestudiën254veel tijd hebben doorgebragt, zoo zij in de regthuizen komen, zich als redenaars bespottelijk voordoen.Theod.Hoe meent gij dat dan?So.Zij, die van hunne jeugd af aan zich in[102]regthuizen en dergelijke dingen ophouden255, schijnen in vergelijking van hen, die in de wijsbegeerte en dergelijke bezigheid opgevoed zijn, als slaven in vergelijking van vrijen opgevoed te wezen.Theod.Hoe zoo?So.Daar aan de eersten de ledige tijd, waarvan gij spreekt, nooit ontbreekt, en zij hunne redekavelingen in vrede en ledigen tijd opstellen, en gelijk wij nu reeds de derde opvolgende redekaveling opvatten, zoo ook zij, indien hun eene nieuwe redekaveling meer dan de behandeld wordende256bevalt, zoo als dat met ons het geval is, [de laatste verkiezen], en het hun om het even is, of zij lange of korte redeneringen bezigen, zoo zij maar het wezenlijke vatten. De anderen echter spreken altijd in haast, want het stroomende water257drijft ze voort, en laat hun niet toe, te spreken waarover zij willen, maar de tegenpartij staat tegenover hen, een dwangmiddel hebbende en een boekje, dat er bij gelezen[103]wordt258, waarbuiten niet mag gesproken worden259, en de rede wordt altijd over eenen mededienstknecht gehouden in tegenwoordigheid van den heer, die daar zit en het regt in zijne hand heeft, en de strijd is nooit vrij, maar steeds over een bepaald onderwerp, ja dikwijls is het een gevecht260op leven of dood. Zoodat zij door dit alles scherp en slim worden en leeren hunnen heer met woorden te vleijen en met daden te believen261, daar zij kleingeestig en niet opregt van gezindheid zijn. Want het dienen van kindsbeen af, vernietigt de verheffing [van ziel], de[104]opregtheid en de edelaardigheid262, daar zij dwingt om slinksch te handelen, en de nog teedere zielen in groote gevaren en angsten stort, die zij niet met billijkheid en opregtheid263kunnen doorstaan, en daarom zich terstond naar het liegen en elkander benadeelen wendende, zich zeer buigen en wringen, zoodat zij van knapen eindelijk mannen worden, zonder iets gezonds in hunne ziel te hebben, terwijl zij zich verbeelden, knap en wijs geworden te zijn.
Theaet.Ik weet het niet,Socrates! want ik kan ook aan u niet merken139, of gij zegt, wat gij meent, dan of gij mij beproeft.
So.Herinnert gij u dan niet, mijn vriend! dat ik[56]geen van die dingen weet, noch mij toeëigen, maar dat ik daarin onvruchtbaar ben, doch u help verlossen, en daarom u voorzing en u van de meeningen van al de wijzen laat proeven, totdat ik uwe meening aan het licht gebragt heb; en wanneer die aan het licht gebragt is, dan zal ik zien, of het wind of een gezond kind zal blijken te zijn. Maar houd moed, en verman u, en antwoord fiks en ronduit, wat u dunkt van hetgeen ik u vraag.
Theaet.Vraag op!
XIII.So.Zeg dan nu nog eens, of het u behaagt, dat nietsis, maar dat het goede en schoone140en al wat wij daareven doorliepen, steedswordt.
Theaet.Maar wanneer gij het zóó uiteenzet, dan schijnt het mij bijzonder veel vóór zich te hebben, gelijk gij het hebt uiteengezet, en te moeten aangenomen worden.
So.Laten wij dan niet weglaten, wat ik nog heb overgeslagen. Nu blijft nog over te spreken van de droomen en ziekten, inzonderheid141van de krankzinnigheid, en waar verder verkeerd hooren of verkeerd[57]zien, of eenige andere verkeerde142waarneming genoemd wordt. Want gij weet waarschijnlijk wel, dat door die alle, volgens het algemeene gevoelen, het daareven gezegde schijnt weêrlegd te worden, daar wij zeer zeker in die alle valsche waarnemingen hebben, en het veel scheelt, dat hetgeen aan ieder voorkomt, ookis, maar integendeel niets is van hetgeen schijnt.
Theaet.Gij zegt volkomen de waarheid,Socrates!
So.Wat blijft er dan nu nog te zeggen143over, jongen! voor hem, die het gevoel als kennis stelt, en dat hetgeen aan ieder voorkomt, dit ook is voor dien, aan wien het voorkomt?
Theaet.Socrates!ik durf eigenlijk niet te zeggen, dat ik nog niet weet wat ik zeggen moet, daar gij mij daareven beknord hebt, toen ik dat zeide, en[58][ik zou toch gaarne mijne onwetenheid bekennen,] daar ik waarlijk niet kan betwijfelen, dat de krankzinnigen en de droomenden eene valsche meening hebben, wanneer sommige hunner zich Goden wanen, andere vogels en zich in den slaap als vliegend denken.
So.Denkt gij ook niet om de volgende twijfeling over deze [toestanden], vooral over droomen en waken144?
Theaet.Welke meent gij?
So.Wat ik geloof, dat gij sommigen dikwijls hebt hooren vragen145, [namelijk], welk bewijs iemand zou kunnen aanvoeren, zoo men hem nu zoo in eens vroeg, of wij slapen en alles wat wij denken droomen, dan of wij wakker zijn, en in wakenden toestand met elkander spreken.
Theaet.Ja waarlijk,Socrates! het is ondenkbaar, dat men daarvoor een bewijs zou kunnen aanvoeren; want [voor beide gevallen] volgt alles volkomen op dezelfde wijze. Niets toch belet ons in den droom146te meenen,[59]dat wij met elkander spreken over het daareven verhandelde; en wanneer wij in den droom ons verbeelden droomen te verhalen, dan is de gelijkenis van dit met dat147, allervreemdst.
So.Gij ziet dus, dat het niet moeijelijk is gronden van twijfel te vinden, wanneer er zelfs getwijfeld wordt, of wij in wakenden of slapenden toestand zijn, en waarlijk, terwijl de tijd, waarin wij slapen, gelijk is aan dien, waarin wij wakker zijn, beweert onze ziel in beiden, dat de meeningen, die zij dan koestert, ongetwijfeld waar zijn, zoodat wij eenen gelijken tijd het een en het ander voor werkelijk bestaand verklaren, en dit eveneens van beiden beweren.
Theaet.Dat is ongetwijfeld waar.
So.Geldt niet dezelfde bewering van krankzinnigheid en ziekte, behalve dat de tijd niet gelijk is148?
Theaet.Ja.
So.Wat dan? zal het ware door lengte of kortheid van tijd bepaald worden149?[60]
Theaet.Dat zou waarlijk allergekst wezen.
So.Maar hebt gij iets anders om duidelijk aan te wijzen, welke dier meeningen waar is?
Theaet.Ik geloof van neen.
XIV.So.Hoor dan nu eens van mij, wat zij hierover zouden zeggen, die beweren, dat telkens, hetgeen aan iemand toeschijnt, waar is voor hem, aan wien het zoo toeschijnt150. Zij nu spreken naar mijn inzien aldus, vragende:Theaetetus! wat in alle opzigten verschillend is, zal dat wel in eenige kracht, die het heeft, overeenkomen met hetgeen, waarvan het verschilt? en moeten wij niet oordeelen, dat hetgeen wij vragen, niet in één opzigt hetzelfde, in een ander anders is, maar integendeel in alle opzigten anders is?
Theaet.Het is inderdaad onmogelijk, dat het óf in kracht, óf in eenig ander opzigt, iets hetzelfde heeft, wanneer het volkomen anders is.
So.Maar moeten wij dan ook niet toestemmen, dat het zoodanige ongelijk is?
Theaet.Ik geloof van ja.
So.Zoo het dus gebeurt, dat iets aan zich zelf of aan iets anders gelijk of ongelijk wordt, zullen wij dan niet, zoo het gelijk wordt, zeggen, dat het[61]hetzelfde wordt, en zoo het ongelijk wordt, anders?
Theaet.Noodzakelijk.
So.Zeiden wij niet te voren151, dat het bedrijvende veel, ja152oneindig is, en evenzoo het lijdende?
Theaet.Ja.
So.En immers ook, dat, wanneer iets anders met iets anders en weder met iets anders vereenigd wordt, het niet hetzelfde, maar wat anders zal voortbrengen?
Theaet.Zeer zeker.
So.Laten wij dan nu volgens dezelfde redenering van mij en van u en van al het andere spreken, b. v. van den gezonden en den ziekenSocrates. Zullen wij zeggen, dat dit laatste aan het eerste gelijk of ongelijk is?
Theaet.Meent gij den ziekenSocratesin zijn geheel, aan den gezondenSocratesin zijn geheel?
So.Goed begrepen! juist dat meen ik.
Theaet.Zeker ongelijk.
So.En dat hij dus, voor zoo verre hij ongelijk is, een ander is?
Theaet.Noodzakelijk153.
So.En zult gij van den slapenden en van al wat wij verder gezegd hebben, hetzelfde zeggen154?[62]
Theaet.Dat zal ik.
So.Elk dus van die dingen, welke de eigenschap hebben, dat zij op een ander werken, zullen, wanneer zij den gezondenSocratesaantreffen, op mij als op een’ ander werken, dan wanneer zij den zieken aantreffen.
Theaet.Waarom zou dat niet?
So.Dus zullen in beide gevallen, ik, die lijdend ben, en dat, hetwelk bedrijvend is, [te zamen] iets anders voortbrengen?
Theaet.Natuurlijk.
So.Wanneer ik nu gezond zijnde, wijn drink, schijnt die mij aangenaam en zoet.
Theaet.Ja.
So.Want volgens het te voren toegestemde bragt het bedrijvende en lijdende, zoetheid en gevoelsaandoening voort, die beiden te gelijk in beweging zijn; en de gevoelsaandoening, die haren oorsprong neemt van den lijdende, maakt155de tong voelend; en de zoetheid, die, van den wijn ontstaande, zich rond denzelven beweegt, doet den wijn voor de gezonde tong zoet zijn en schijnen.
Theaet.Wij hebben het vorige volkomen aldus toegestemd.
So.Maar wanneer [de wijn mij] ziek [aantreft], dan treft hij immers156, vooreerst in waarheid, niet denzelfden[63]aan, want hij komt bij iemand, die niet gelijk is?
Theaet.Ja.
So.Dus brengen ook dieSocratesen het drinken van den wijn wat anders voort, [namelijk] aan de tong gevoel van bitterheid, en aan den wijn wordende en zich bewegende157bitterheid; en maken hèm niet bitterheid, maar bitter, en mij niet gevoel, maar voelend?
Theaet.Ongetwijfeld.
So.158Dus zal ik nooit in dien toestand komen bij het voelen van iets anders, want ieder ding heeft zijne eigenaardige gevoelsaandoening, en wijzigt den toestand van den voelende op eene eigenaardige wijs; en dat, hetwelk mij aandoet159, zal nooit met een[64]ander zamenkomend, hetzelfde voortbrengen en zoodanig worden, want door ieder, waarmeê het zamenkomt, zal het iets eigenaardigs voortbrengen, en eene eigenaardige wijziging ondergaan.
Theaet.Dat is waar.
So.En ik voor mij [alleen] zal zoodanig niet worden, en dat voor zich [alleen] evenmin.
Theaet.Waarlijk niet.
So.Maar het is dan toch noodig, dat ik iets voel wanneer ik voelend wordt, want voelend te worden en niet te voelen, is onmogelijk; en even noodig is het, dat dat voor iemand worde, wanneer het zoet, of bitter, of iets dergelijks wordt: want het is onmogelijk, zoet, en niet voor iemand zoet te worden160.
Theaet.Ongetwijfeld.
So.Dus blijft, geloof ik, over, dat wij161voor elkander, zoo wij zijn, zijn, of, zoo wij worden, worden; daar de noodzakelijkheid onze wezenheid wel verbindt, maar met niets anders, zelfs niet met ons zelven162. Dus blijft dan over, dat zij met elkander verbonden zijn; zoodat, zoo iemand van iets zegt, dat het is [of wordt], hij zeggen moet, dat het voor iemand, of van iemand, of met betrekking tot iets163[65]is, of wordt; maar, dat iets op zich zelf is of wordt, moet hij zelf niet zeggen noch van een ander aannemen, zooals de redekaveling, die wij zoo even doorloopen hebben, aantoont.
Theaet.Zeer zeker,Socrates!
So.Wanneer dus hetgeen mij aandoet, voor mij is, en niet voor een ander, dan voel ik het ook, maar een ander niet?
Theaet.Natuurlijk.
So.Edoch mijn gevoel is voor mij waar, want het behoort altijd tot mijne wezenheid. En ik heb, volgensProtagoras, regt om te oordeelen over hetgeen voor mij is, dat het is, en over hetgeen [voor mij] niet is, dat het niet is.
Theaet.Dat schijnt zoo.
XV.So.Hoe zou ik dan nu, daar ik mij niet bedrieg of vergis in mijne meening ten opzigte van het zijnde of wordende, hetgeen ik gevoel, niet kennen164?
Theaet.Dat kan niet anders.
So.Dus hebt gij uitmuntend gezegd, dat kennis niets anders is dan gevoel, en het komt op één uit, dat, volgensHomerusandHeraclieten al hunne aanhangers, alles als een stroom in beweging is, en dat[66]volgens den diep geleerdenProtagoras, de mensch de maat is van alle dingen, en dat volgensTheaetetus, als dit zoo is, het gevoel kennis wordt165; want, niet waar,Theaetetus! wij moeten zeggen, dat dit uw jonggeboren kind is, waarvan gij door mij verlost zijt? of hoe zegt gij?
Theaet.Noodzakelijk zóó,Socrates!
So.Dit hebben wij dan nu, naar het schijnt, met moeite aan het licht gebragt, wat het ook wezen moge. Na de geboorte nu moeten wij er in waarheid in de redekaveling meê rondloopen166, onderzoekende of het welligt winderig en valsch, en dus de opvoeding niet waard is. Of meent gij, dat het uwe volstrekt opgevoed en niet te vondeling gelegd moet worden167? Of zult gij het dulden, wanneer gij ziet, dat het wordt afgekeurd, en men het eerste, dat gij gebaard hebt, van u wegneemt?
Theod.Theaetetuszal het dulden,Socrates! want hij is volstrekt niet kwalijk nemend. Maar zeg mij in ’s hemels naam! is het dan zoo niet?[67]
So.Waarlijk,Theodorus! gij houdt van redekavelen en zijt wel heel goed met te denken, dat ik een zak vol redekavelingen heb168, waaruit ik er met gemak eene nemen kan, om te bewijzen, dat het gezegde zoo niet is. Gij let echter niet op, hoe het gaat; [namelijk], dat geene der redekavelingen van mij komt, maar altijd van hem, die met mij spreekt, daarikniets weet, dan ééne kleinigheid, namelijk, om hetgeen een ander, die het weet, zegt, te ontvangen169en behoorlijk op te nemen. En nu zal ik dit bij hem beproeven, maar niet, zelf te spreken.
Theaet.Wat gij zegt,Socrates! is beter; doe zoo.
XVI.So.Weet gij nu,Theodorus! waarover ik mij bij uwen vriendProtagorasverwonder?
Theod.Wat meent gij?
So.Overigens heeft hij zeer naar mijnen smaak aangetoond, dat hetgeen aan ieder voorkomt, ook is; maar ik heb mij verwonderd over het begin der redekaveling, dat hij niet in het begin derWaarheid170[68]gezegd heeft, dat een zwijn of aap of een nog nietiger gevoelend wezen, de maat van alle dingen is; om alzoo, met grootschheid en verachting [van allen spot], ons dadelijk in het begin te toonen, dat wij hem als een God om zijne wijsheid bewonderden171, maar dat hij in wijsheid niet boven eenen kikvorsch, laat staan boven eenig ander172mensch, uitmunt. Of hoe moeten wij zeggen,Theodorus? Want zoo voor ieder waar is173, wat hij op grond van het gevoel meent, en niemand eens anders aandoening beter onderscheidt, noch geschikter is om te onderzoeken, of de meening van een ander waar of valsch is, [dan die andere zelf]; maar, gelijk vaak gezegd is, ieder alleen over het zijne kan oordeelen, en dat oordeel geheel in den haak174en waar is; hoe is dan toch, mijn vriend!Protagoraszoo geleerd, dat hij zelfs verdient als de leermeester van anderen veel loon te ontvangen, maar[69]wij minder geleerd, zoodat wij tot hem gaan175moeten, terwijl toch ieder de maatstaf is voor zijne eigene kennis? Wat moeten wij zeggen, datProtagorasmet die geestigheid bedoelt? Ik spreek nu niet van mij en mijne vroedkunst, hoe bespottelijk wij worden, maar ik geloof, dat dit plaats heeft met alle bemoeijing omtrent het redekavelen. Want is dan het onderzoeken en trachten te weêrleggen van eens anders gevoelen176en meeningen, daar die van ieder waar zijn, niet eene zeer groote177ijdelheid, zoo althans de waarheid vanProtagoraswaar is, maar hij niet van achter de schermen een grap gezegd heeft?
Theod.Socrates!de man was mijn vriend, gelijk gij daareven gezegd hebt. Daarom zou ik niet verlangen, datProtagorasweêrlegd werd door mijn toestemmen [der tegen zijne leer gemaakte bedenkingen], en evenmin [zou ik] u, tegen mijn gevoelen, [willen] tegenspreken178. Neem daaromTheaetetusweder. Hij scheen u toch ook daareven met allen mogelijken ijver te volgen.
So.Theodorus!zoudt gij ook, teLacedaemonin[70]de scholen der gymnastiek komende, wanneer gij anderen, waaronder sommige zwakken, naakt zaagt, verlangen, om niet zelf insgelijks uwe kleederen af te leggen en uwe gedaante te toonen179?
Theod.Waarom niet, zoo zij zich lieten overreden om het mij toe te laten? gelijk ik nu hoop heb u te overreden, dat gij mij zult vergunnen toe te kijken, zonder mij, die reeds stijf ben, tot het mededoen der gymnastische oefeningen te noodzaken, en dat gij zult worstelen met hem, die jonger en leniger is.
XVII.So.Nu, als gij het zoo goed vindt,Theodorus! vind ik het niet kwaad, zegt het spreekwoord. Dus moet ik mij weder tot [onzen] knappenTheaetetusvervoegen.Theaetetus!zeg dan nu vooreerst, wat wij daareven uiteenzetten180, of gij u niet insgelijks verwondert, dat gij zoo op eens blijkt volstrekt niet minder in wijsheid te zijn, dan eenig mensch of god? of gelooft gij, dat het maat zijn vanProtagoraseenigzins minder van de goden, dan van de menschen gezegd wordt?[71]
Theaet.Wel neen. En ik verwonder mij zeer over hetgeen gij vraagt. Want terwijl wij bezig waren met uiteen te zetten, hoe men zeide, dat hetgeen aan ieder toeschijnt, ook is voor hem, aan wien het toeschijnt, scheen mij dat zeer goed gezegd te worden. Nu echter is het op eens tot181het tegenovergestelde omgeslagen.
So.[Dat is geen wonder], want gij zijt jong, jongelief! daarom stemt gij het gezegde spoedig toe en geeft spoedig gewonnen aan de redekaveling182. Want hierop zouProtagorasof een ander in zijne plaats zeggen: Mijne waarde kinderen en grijsaards, gij spreekt daar bij elkander zittend, en brengt daar Goden bij, die ik uitsluit van het spreken of schrijven over hun bestaan of niet bestaan; en wat de menigte, het hoorende, zou aannemen, dat zegt gij183, [namelijk] dat het erg zou zijn, zoo geen mensch in wijsheid iets voor had boven eenig beest; doch een noodzakelijk bewijs geeft gij in het geheel niet; maar gij bedient u van de waarschijnlijkheid, waarvanTheodorusof een[72]ander meetkunstenaar zich niet kan bedienen, zonder gevaar te loopen van nietswaardig te zijn. Onderzoek gij dan eens metTheodorus, of gij redekavelingen over zulke dingen, die zich op overreding184en waarschijnlijkheid steunen, kunt aannemen.
Theaet.Dat mag niet,Socrates! zouden gij en wij zeggen.
So.Dus moeten wij het op eene andere wijs onderzoeken, zoo als gij enTheodoruszegt.
Theaet.Ja zeker: op eene andere wijs.
So.Laten wij dan aldus185onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde of iets anders zijn. Want onze geheele redekaveling liep toch daarop uit186, en daarom hebben wij vele dwaze dingen geopperd. Niet waar?
Theaet.Wel zeker.
So.Zullen wij dan nu toestemmen, dat wij al, wat wij door het gezigt of het gehoor waarnemen, tevens kennen? b. v., zullen wij zeggen, dat wij de taal der Barbaren, voordat wij die geleerd hebben, wanneer zij spreken, niet hooren, of187dat wij die[73]hooren en hunne meening kennen? en zullen wij beweren, dat wij letters, die wij niet kennen, wanneer wij er de oogen op vestigen, niet zien, of dat wij ze verstaan, wanneer wij ze zien?
Theaet.Wij zullen zeggen,Socrates! dat wij juist dat, wat wij er van zien en hooren, kennen; want dat wij van de laatsten de gedaante en de kleur zien en kennen, en van de eersten188den hoogen en lagen klank hooren en tevens kennen; maar wat de schoolmeesters en de tolken daarvan leeren, dat wij dit door het gehoor en het gezigt niet waarnemen, noch kennen.
So.Mooi!Theaetetus, en het is niet goed, u dit te betwisten, opdat gij moed moogt scheppen.XVIII.Maar zie nu ook eens wat er verder bijkomt, en bezie eens, hoe wij dat zullen redden.
Theaet.Wat toch?
So.Dit: zoo iemand vroeg, of het mogelijk is, hetgeen men eens geweten heeft, terwijl men de herinnering daarvan nog heeft en voor zich bewaart189, dan, wanneer men het zich herinnert, niettegenstaande dat herinneren190, toch niet te kennen. Maar ik schijn[74]meer woorden dan noodig is te bezigen, daar ik vragen wil, of iemand, wat hij geleerd heeft en zich herinnert, niet weet191.
Theaet.Hoe dat,Socrates? Hetgeen gij zegt, zou een wonder zijn.
So.Raaskal ik dan misschien? bezie het eens. Noemt gij het zien niet eene soort van voelen, en het gezigt eene soort van gevoel?
Theaet.Ja zeker.
So.Heeft niet hij, die iets gezien heeft, volgens het daareven gezegde, kennis bekomen van hetgeen, dat hij gezien heeft?
Theaet.Ja.
So.Hoe dan nu? Er is toch iets, dat geheugen genoemd wordt.
Theaet.Ja.
So.Is dat een geheugen van niets of van iets?[75]
Theaet.Zekerlijk van iets.
So.Immers van zoodanige dingen, die men geleerd en gevoeld heeft?
Theaet.Ongetwijfeld.
So.Wat nu iemand gezien heeft, herinnert hij zich somwijlen?
Theaet.Wel zeker.
So.Ook wanneer hij de oogen gesloten heeft? of is hij het dan vergeten?
Theaet.Het zou ongerijmd192wezen,Socrates! dit te beweren.
So.En toch kan het niet anders193, zoo wij het vroeger beweerde willen redden; maar zoo [wij deze bewering] niet [willen vasthouden], gaat [dat vroeger beweerde] verloren.
Theaet.Waarlijk! ik vermoed194het ook al, doch ik zie het echter niet behoorlijk in; maar zeg waarom?
So.Daarom. Die ziet, kent, zeggen wij, datgene wat195hij ziet; want wij zijn overeengekomen, dat[76]gezigt en gevoel en kennis hetzelfde is.
Theaet.Ongetwijfeld.
So.Maar zoo hij, die zag en hetgeen hij zag kende, de oogen sluit, dan herinnert hij het zich wel, maar ziet het niet. Niet waar?
Theaet.Ja.
So.Maar zoo zien kennen is, dan is niet zien niet kennen.
Theaet.Dat is waar.
So.Dus volgt, dat iemand, wat hij heeft leeren kennen, terwijl hij het zich nog herinnert, niet kent, daar hij het niet ziet; hetgeen wij zeiden, dat een wonder zijn zou.
Theaet.Dat zegt gij zeer naar waarheid.
So.Dus schijnt het, dat er iets onmogelijks volgt, wanneer iemand zegt, dat kennis en gevoel hetzelfde is.
Theaet.Het schijnt zoo.
So.Dus moeten wij die twee voor onderscheiden verklaren196.
Theaet.Ik geloof van ja.
So.Wat zou dan nu de kennis wezen? Het schijnt,[77]dat wij dit weder van voren af aan moeten zeggen. Maar,Theaetetus! wat gaan wij doen?
Theaet.Hoe zoo?
So.Wij schijnen, als een haan van onedel ras, voordat wij overwonnen hebben, van de redekaveling weg te springen en triomf te kraaijen.
Theaet.Hoe dat?
So.Wij schijnen als liefhebbers van disputeren, volgens de door ons bepaalde overeenkomst van woorden, ons oordeel te hebben ingerigt, en ons te verheugen, dat wij daardoor de redekaveling zijn te boven gekomen, en terwijl wij beweren, geen redetwisters, maar wijsgeeren te zijn, merken wij zelve niet, dat wij volkomen hetzelfde als die knappe menschen verrigten.
Theaet.Ik begrijp nog niet, hoe gij dat bedoelt.
So.Maar ik zal trachten duidelijk te maken, wat ik hieromtrent in den zin heb197. Want wij vroegen, of iemand iets, wanneer hij het geleerd heeft, en zich herinnert, niet kent, en toen wij hadden aangetoond, dat hij, die gezien en de oogen gesloten heeft, zich wel herinnert, maar niet ziet, toonden wij aan, dat hij het te gelijk niet kende en zich herinnerde, en zeiden, dat dit onmogelijk is198. En alzoo werd[78]de leer vanProtagorasdoodgepraat en tevens de uwe, dat kennis en gevoel hetzelfde is.
Theaet.Dat schijnt zoo.
So.Nog zoo gaauw niet, geloof ik, mijn beste! zoo de vader van de eerste leer nog leefde, maar hij zou veel tot verdediging bijbrengen; nu echter verstooten wij ze smadelijk, als eene wees. Want ook de voogden, dieProtagorasachterliet, waaronder dezeTheodorus, willen niet helpen. Doch dan zullen wij zelf om der billijkheid wille het wagen199haar bij te staan.
Theod.[Dat moet mij niet verweten worden], wantSocrates! niet ik, maar veel meerCallias, de zoon vanHipponicus200is de voogd van hetgeenProtagorasachterliet. Wij echter zijn te spoedig201uit die haarkloverijen naar de meetkunst geweken. Wij zullen[79]u echter dankbaar zijn, wanneer gij hem bijstaat.
So.Gij zegt goed,Theodorus! let dan nu eens naauwkeurig op mijne hulp. Want erger dingen, dan het daareven gezegde, zou iemand toestemmen, die niet lette op de woorden, waarmede202wij gewoonlijk bevestigen of ontkennen. Wil ik aanTheaetetusof aan u zeggen, hoe dat is?
Theod.Zeg het aan ons beiden, maar laat den jongste antwoorden. Want zoo hij verkeerd zegt, zal het hem minder schande wezen.
XIX.So.Ik spreek nu van de allerlastigste vraag. Zij is, meen ik, ongeveer van dezen inhoud. Is het mogelijk, dat één en dezelfde, iets kennende, dat, wat hij kent, niet kent?
Theod.Wat zullen wij antwoorden,Theaetetus?
Theaet.Het is volstrekt onmogelijk, geloof ik.
So.[Dat is het] niet, zoo gij het zien als kennen beschouwt203. Want hoe zult gij het maken met die onvermijdelijke vraag, wanneer gij, om zoo te spreken, in den put zit204, doordien een man, die[80]zich niet ligt laat overbluffen, met zijne hand uw ééne oog bedekt, er u vraagt, of gij met het andere zijn kleed ziet?
Theaet.Ik zal, meen ik, zeggen: met het ééne niet, maar wel met het andere.
So.Dus ziet gij hetzelfde, wel en niet te gelijk.
Theaet.In zooverre, ja.
So.Dat:in hoe verre, zal hij zeggen, neem ik niet in aanmerking, want ik vroeg er niet naar, maar [eenvoudig], of gij hetgeen gij kent, te gelijk niet kent. Nu blijkt205het echter, dat gij, wat gij niet ziet, wel ziet. Edoch, gij hebt toegestemd, dat het zien, kennen, en het niet zien, niet kennen is. Beredeneer nu eens, wat daaruit voor u volgt.
Theaet.Het tegenovergestelde van hetgeen ik gesteld had.
So.Misschien, mijn waarde! zou u datzelfde nog meer zijn overgekomen, zoo iemand u daarbij vroeg, of het mogelijk is, scherp of dof te kennen, en van nabij wel, maar niet van verre, en hetzelfde veel en weinig te gelijk, en duizend andere dingen, die een ligtgewapend huurkrijgsknecht206in het redeneren en[81]u lagen leggende, zou kunnen vragen, wanneer gij kennis en gevoel als hetzelfde gesteld hadt; daar hij, eenen aanval op het hooren en rieken en andere dergelijke zinnelijke waarnemingen gedaan hebbende, u zou weêrleggen en vasthouden en niet loslaten, voordat gij, zijne begeerlijke wijsheid bewonderend, door hem waart vastgezet, waarop hij u zou grijpen en vastbinden en vervolgens zou loslaten voor zoo veel geld als gij onder elkander kondt overeenkomen. Wat zou dan nuProtagoras, zoudt gij welligt zeggen, kunnen bijbrengen, om zijne stellingen te verdedigen? Willen wij het pogen te zeggen?
Theaet.Zeer gaarne.
XX.Dit alles207[zal hij bijbrengen], wat wij nu tot zijne verdediging gaan zeggen, en hij zal, geloof ik, op ons aandringen, ons verachtende en zeggende: die besteSocratesheeft daar, toen een kind, op zijne208vraag, of dezelfde hetzelfde te gelijk in het geheugen bewaren en niet kennen kan, bevreesd[82]werd,209en dit uit vrees en gebrek aan inzigt210ontkende, mij in zijne redekaveling bespottelijk211gemaakt. Zóó is echter het geval, o ligtzinnigeSocrates! Wanneer gij door vragen en antwoorden eene mijner stellingen onderzoekt, indien dan de ondervraagde hetzelfde antwoordt, wat ik zou geantwoord hebben en daarna wordt weêrlegd, dan word ik weêrlegd; maar zoo hij wat anders antwoordt, dan wordt de gevraagde zelf weêrlegd. Want gelooft gij, dat iemand u zoo terstond zal toegeven, dat de herinnering, welke iemand ook na het ondergaan van het ondergane bijblijft, dezelfde aandoening is, als toen hij onderging212? Het scheelt veel. Of dat hij[83]aarzelen zal, de mogelijkheid toe te geven, dat dezelfde hetzelfde kent en niet kent? of, zoo hij dáárvoor vreest, dat hij ooit zal toegeven, dat hij, die ongelijk wordt, dezelfde is, die hij was, vóór hij ongelijk werd? of liever, dat iemand één persoon en niet veel meer verscheidene personen is, die oneindig in menigte worden213, wanneer het ongelijk worden plaats grijpt, zoo wij althans van elkander woordenvitterijen te duchten hebben? Maar, mijn beste! zal hij zeggen, pak hetgeen ik zeg ridderlijker aan, en weêrleg het, zoo gij kunt, [aantoonende]214dat niet ieder onzer zijne eigene gevoelsaandoeningen heeft, of dat, nu zij aan ieder in het bijzonder eigen zijn, daarom geen zier meer, hetgeen schijnt, alleen voor hem schijnt, of, zoo ditzijnmoet heeten, [voor hem] is, aan wien het schijnt. Maar door er zwijnen en apen bij te slepen, handelt gij niet alleen zelf als een zwijn, maar overreedt ook de hoorders, om dit tegen mijne geschriften te doen, waaraan gij niet mooi handelt. Want ik zeg, dat het waar is, zoo als ik geschreven heb, en dat ieder onzer de maat is van het zijnde en niet zijnde, doch dat de een van den ander duizendvoudig juist daardoor verschilt, dat voor den een het ééne schijnt, en voor den ander wat anders.[84]En ik ben er ver van af te zeggen, dat wijsheid en wijze mannen niet bestaan, maar juist dien noem ik wijs215, die bij eenen onzer, voor wien kwaad schijnt en is, dit verandert en maakt dat het goed schijnt en is. En bestrijd mijne redekaveling niet op den klank af, maar leer aldus nog duidelijker inzien, wat ik zeg. Want herinner u, hoe in het vorige gezegd werd, dat voor den zieken, hetgeen hij eet, bitter schijnt en is, maar voor den gezonden het tegenovergestelde schijnt en is. Nu moet men wel geen’ hunner wijzer maken, want dat is niet eens mogelijk, en men moet ook den zieken niet van domheid beschuldigen216, omdat hij zulke meeningen koestert,[85]noch den gezonden wijs [noemen], omdat [hij] andere [denkbeelden heeft], maar men moet [den eersten] tot het andere doen overgaan; want de tweede toestand is beter. Even zoo moet men ook bij het onderwijs van den eenen toestand tot den beteren217doen overgaan. Maar de arts bewerkt dien overgang door geneesmiddelen, doch de sophist door woorden, zoodat geenszins iemand eenen anderen, die valsche denkbeelden heeft, later ware meeningen doet koesteren; want het is niet mogelijk, wat niet is, in zijne meening op te nemen218, noch iets anders dan men gevoelt, en dat is altijd waar. Maar, meen ik, de goede meening doet hen, die, door eenen slechten toestand van ziel, daarmede overeenkomstige meeningen[86]koesteren, andere219zulke meeningen220koesteren, welke sommigen door hunne onbedrevenheid waar noemen, doch ik noem wel de eene beter dan de andere, maar geen zier meer waar. En ik ben er ver af, mijn besteSocrates! om de wijzen kikvorschen te noemen, maar voor zoo ver [hunne wijsheid betrekking heeft] op de ligchamen, noem ik ze artsen, en voor zoo ver [die betrekking heeft] op de planten, noem ik ze landbouwers221. Want ik beweer, dat ook deze bij de planten, in plaats van slechte gevoelsaandoeningen, wanneer eene harer ziek is, goede en gezonde gevoelsaandoeningen en waarheden doen ontstaan, maar[87]dat de wijze en goede redenaars222het goede, in plaats van het slechte, aan de staten regtvaardig laten schijnen; want dat, hetgeen aan elken staat regtvaardig en schoon toeschijnt, dit ook voor hem is, zoo lang hij het daarvoor houdt: doch de wijze laat voor hen, in plaats dan alles wat kwaad is, het goede zijn en schijnen; en volgens diezelfderedeneringis de sophist, die in staat is zijne leerlingen aldus te onderwijzen, wijs en voor zijne kweekelingen veel geld waard. En alzoo is de een wijzer dan de ander, en toch heeft niemand eene valsche meening, en gij moet, of gij wilt of niet, er genoegen in nemen, een maat te zijn; want deze redenering wordt in dit opzigt gered; en zoo gij tegen het beginsel, waarop zij steunt, iets hebt in het midden te brengen, doe dat dan in eene [doorloopende] redekaveling, of, zoo gij [het liever] met vragen wilt doen, met vragen; want ook dat moet niet ontweken, maar door den verstandigen bijzonder gezocht worden223. Doe echter alzoo. Bezig bij het vragen[88]geene kwade trouw; want het is bijster ongerijmd, dat iemand, die beweert zich op de deugd toe te leggen, voortdurend met kwade trouw in het redekavelen te werk gaat. Kwade trouw nu, komt in dergelijke dingen voor, wanneer men niet anders redekavelt bij het disputeren tot oefening, dan bij het wetenschappelijk gesprek224; daar225men in het eerste speelt en fopt zoo veel als men kan, bij het wetenschappelijk gesprek daarentegen met ernst te werk gaat en zijne tegenpartij teregt brengt, door hem eenvoudig de struikelingen te doen opmerken, waarin hij door eigen toedoen en vroegere bijeenkomsten gestort is226. Want[89]wanneer gij alzoo doet, dan zullen zij, die met u omgaan, hunne verwarring en radeloosheid aan zich zelven wijten, maar niet aan u, en zij zullen u naloopen en liefhebben, maar zich zelven haten, en van zich zelven naar de wijsbegeerte vlugten, opdat zij, andere menschen geworden zijnde, verlost worden van hetgeen zij vroeger waren; maar zoo gij, gelijk de meesten, het tegenovergestelde hiervan doet, dan zal u het tegenovergestelde gebeuren, en gij zult uwe toehoorders, in plaats van tot wijsgeeren, tot vijanden van dit werk maken227, wanneer zij wat ouder worden228. Zoo gij dus mijnen raad volgt, zult gij niet kwaadaardig en twistgierig, maar met een kalm gemoed u tot ons aflatende, in waarheid onderzoeken, wat wij toch zeggen, wanneer wij aantoonen, dat alles in beweging is, en dat, hetgeen aan ieder voorkomt, ook is, zoowel voor een op zich zelf staand mensch, als[90]voor eenen staat; en naar aanleiding hiervan zult gij [dan] onderzoeken, of kennis en gevoel hetzelfde,ofiets anders is, maar [gij zult dit niet doen] naar aanleiding van bekende woorden en namen, welke de gewone menschen naar alle kanten heentrekken, waardoor zij aan elkander allerlei onzekerheid berokkenen229.
Hiermede,Theodorus! ben ik begonnen230uwen vriend te helpen, zoo goed ik kon, hoewel het weinig beduidt door mijne geringe krachten; maar zoo hij zelf leefde, zou hij het zijne vrij wat uitstekender beschermd hebben.
XXI.Theod.Gij schertst,Socrates! want gij hebt hem fiks bijgestaan.
So.Gij zijt wel goed, mijn vriend! Zeg mij dan nu eens, of gij daareven op de woorden vanProtagoras[91]gelet hebt, toen hij ons verweet, dat wij, met een kind redekavelende, ons bij het bestrijden zijner leer van de vrees van dat kind bedienden, en hoe hij dat eene zotheid noemde, en de leer van den maat aller dingen aanprees, ons vermanende, zijn stelsel ernstig te overwegen231.
Theod.Wel zeker heb ik daarop gelet,Socrates!
So.Wat dan? staat gij er op, dat wij hem gehoor geven?
Theod.Zeker.
So.Gij ziet dan, dat deze allen buiten u kinderen zijn. Zoo wij hem dus zullen gehoor geven, dan moeten ik en gij, elkander vragende en antwoordende, zijn stelsel ernstig overwegen, opdat hij niet zou kunnen klagen, dat wij dat stelsel al spelende met knaapjes onderzocht hebben232.
Theod.Wat! Zou danTheaetetusniet beter dan vele personen met groote baarden zulk een wijsgeerig onderzoek kunnen volgen?
So.[Dat wel],Theodorus! maar toch niet beter dan gij. Meen dan niet, dat ik uwen gestorven vriend op allerlei wijs moet helpen, en gij op geenerlei; maar,[92]kom aan, mijn beste! volg [de redekaveling] een weinig, tot [wij] op dat punt derzelve233[gekomen zijn], waar wij kunnen zien, of gij de maatstaf moet wezen [bij het beoordeelen] der meetkunstige figuren, dan wel of allen, even als gij, voor zich zelven genoeg zijn, ten opzigte van de sterrekunde en de andere dingen, waarin gij met regt voor uitstekend gehouden wordt.
Theod.Het is niet gemakkelijk,Socrates! bij u te zitten, zonder rekenschap te geven, en ik heb daareven geraaskald, toen ik beweerde, dat gij mij zoudt veroorlooven mijne kleederen aan te houden, en mij niet, gelijk de Lacedaemoniers, zoudt dwingen; maar ik vind, dat gij meer naarAntaeus234overhelt. De Lacedaemoniers toch bevelen heen te gaan of zich uit te kleeden, maar ik vind, dat gij doet alsAntaeus; want die tot u komt, laat gij niet los, voor gij hem gedwongen hebt zich uit te kleeden, en in het redekavelen met u te worstelen.
So.Theodorus!gij hebt daar eene opperbeste vergelijking voor mijne kwaal gevonden, maar ik ben nog sterker dan zij235. Want reeds bij de duizend mannen[93]alsHerculesenTheseus236zijn mij ontmoet, en daar zij sterk waren in het redetwisten, hebben zij mij deerlijk gebeukt, maar toch scheid ik er niet uit; zulk eene geweldige liefhebberij voor die oefening is in mij gevaren. Laat dan niet na, door met mij te worstelen, u zelven en mij tevens van dienst te zijn237.
Theod.Ik spreek niet langer tegen, maar ga gij voort, zoo als gij wilt; want ik moet toch in dit punt het noodlot, dat gij mij toespint, verduren en mij laten weêrleggen. Ik zal mij echter niet verder tot uwe dienst kunnen stellen, dat tot aan het punt, dat gij opgeeft238.
So.Zoo ver is ook genoeg. En pas nu vooral daarop, dat wij niet onbedacht ons aan spelen met woorden schuldig maken239, en iemand ons dat later weder verwijt.[94]
Theod.Ik zal het beproeven, zooveel ik kan.
XXII.So.Wij moeten dan vooreerst het reeds behandelde weder opvatten, en overwegen, of wij te regt of ten onregte op dat stelsel moeijelijk werden, omdat het ieder ten opzigte der kennis zelf genoegzaam maakt, en [of]Protagorasons [teregt of ten onregte] heeft toegestemd, dat sommigen uitstekend zijn ten opzigte van het goede en kwade, en dat zij wijzen zijn. Niet waar?
Theod.Ja.
So.Zoo hij nu zelf ons hier toestemde, en niet wij, hem verdedigend, in zijnen naam hadden toegestemd, dan was het geenszins noodig dit nog eens van voren af aan vast te stellen; maar nu zou ligt iemand ons het regt van zulk toestemmen in zijnen naam betwisten240. Daarom is het beter, met meer naauwkeurigheid onze toestemming in dit opzigt te behandelen; want het is geen klein verschil, of het zóó is of anders.
Theod.Gij zegt de waarheid.
So.Laat ons dan niet door andere241, maar uit zijne eigene woorden zoo kort mogelijk vaststellen, wat wij kunnen toestemmen.
Theod.Hoe?
So.Aldus. Hij zegt immers, dat hetgeen aan ieder[95]zoo toeschijnt, ook zooisvoor hem, aan wien het zoo toeschijnt?
Theod.Ja, dat zegt hij.
So.Derhalve,Protagoras! spreken wij van de meening van sommige, ja, van alle menschen, en beweren, dat geen sterveling niet in eenige dingen zich zelven wijzer beschouwt dan anderen, en in andere dingen, anderen dan hem, en dat zij in de grootste gevaren, bij voorbeeld wanneer zij in veldtogten, ziekten of zeereizen aan ongelukken blootstaan242, schier goddelijken eerbied hebben voor hen, die daarbij het bewind voeren, en hunne redding verwachten van menschen, die slechts door meerdere kennis van hen verschillen. En overal onder de menschen worden er gevonden, die leermeesters en overheden, zoo voor zich, als voor de andere dieren en werkzaamheden zoeken, en tevens, die zich beschouwen als geschikt, om te onderwijzen of te regeren. En wat kunnen wij in al die gevallen anders zeggen, dan dat de menschen zelve243meenen, dat onder hen kennis en onkunde is?
Theod.Niets anders.
So.Houden zij niet de kennis voor ware meening, en de onkunde voor valsche?
Theod.Ongetwijfeld.[96]
So.Hoe zullen wij het nu maken met de redekaveling,Protagoras? Moeten wij zeggen, dat de menschen altijd eene ware meening koesteren, of dan eens ware, dan eens valsche? Want uit beiden volgt, dat zij niet altijd ware, maar beiderlei meening koesteren. Want zie eens,Theodorus! of het iemand der aanhangers vanProtagoras, of u zelven, ernst wezen kan met de bewering, dat niemand eenen anderen voor onwetend en valsche meening koesterend aanziet.
Theod.Dat is ondenkbaar,Socrates!
So.En toch is die bewering onvermijdelijk geworden voor de leer, dat de mensch de maat is van alle dingen.244
Theod.Hoe dat?
So.Wanneer gij, bij u zelven een oordeel geveld hebbende, uw gevoelen over iets aan mij kenbaar maakt, dan moge dat, volgens zijne leer, voor u waar wezen, maar staat het nu ons anderen niet vrij, over uw oordeel te oordeelen? of oordeelen wij altijd, dat uwe meening waar is? of strijden niet telkens velen tegen u, die eene tegenstrijdige meening koesteren, maar uw oordeel en uwe meening voor valsch houden?
Theod.In waarheidSocrates! er zijn vele duizenden,[97]zooalsHomeruszegt, die mij allerlei tegenstand doen ondervinden245.
So.Wat nu? wilt gij, dat wij zeggen, dat gij alsdan voor u zelven eene ware meening koestert, maar voor die duizenden eene valsche?
Theod.Zoo schijnt het noodzakelijk uit de redekaveling te volgen.
So.En hoe is het nu metProtagoraszelven? Is het niet noodig, dat, zoo hij eens evenmin als de menigte, den mensch voor de maat aller dingen hield, die waarheid, welke hij geschreven heeft, voor niemand bestond? En zoo hij zelf haar wel voor waar hield, maar de menigte die meening niet deelt, weet gij wel, dat zij dan, naarmate meerderen haar verwerpen, meernietdanwelwaar is?
Theod.Noodzakelijk, indien zij althans, naar iedere meening, zijn en niet zijn zal.
So.Verder heeft hij deze alleraardigste eigenschap. Hij erkent de meening zijner tegenstrevers, waarmede zij zijne leer voor valsch houden, als waar, wanneer hij toestemt, dat allen ware meeningen koesteren.
Theod.Ongetwijfeld.
So.Maar geeft hij dan de valschheid zijner meeningen niet toe, wanneer hij erkent, dat die van hen, die hem van leugen betichten, waar is?
Theod.Noodzakelijk.[98]
So.Maar de anderen geven niet toe, dat zij het mis hebben?
Theod.Wel neen!
So.Hij echter erkent volgens zijne geschriften ook die meening voor waar.
Theod.Het schijnt zoo.
So.Dus zullen allen, metProtagorasvoorop, betwijfelen246, of liever, wanneer hij erkent, dat degeen die hem tegenspreekt, eene ware meening koestert,247ronduit ontkennen, dat een hond of een zoo maar opgeraapt mensch de maat is in eenig vak, dat hij niet geleerd heeft. Niet waar?
Theod.Ja.
So.Daar zij dus door allen betwijfeld wordt, zou de waarheid vanProtagorasvoor niemand waar zijn, noch voor iemand anders, noch voor hem zelven.
Theod.Socrates, wij loopen mijnen vriend bitter tegen het lijf.
So.Maar, mijn vriend! het is onzeker, of wij misschien het regte punt voorbijloopen. Het is althans waarschijnlijk, dat hij, ouder zijnde, wijzer is dan wij; en zoo hij nu op het oogenblik hier tot aan den nek uit den grond opkeek, zou hij denkelijk,[99]na mij om mijn doorslaan, en u om uw toestemmen, met verwijtingen overladen te hebben, weêr onderduiken en eensklaps op den loop gaan. Maar wij moeten, geloof ik, ons bedienen van onze krachten, hoe die ook zijn248, en steeds datgene zeggen, wat ons waar voorkomt. En kunnen wij waarlijk nu wel iets anders zeggen, dan dat ieder toestemt, dat de een wijzer is dan de andere, of soms ook dommer?
Theod.Zoo komt het mij althans voor.
XXIII.So.En dat de leer [vanProtagoras] vooral tot staan gebragt wordt in het punt, dat wij, toen wij hem beschermden, geschetst hebben, namelijk dat de meeste dingen, gelijk zij schijnen, zoo ook voor ieder warm, droog, zoet, enz.249zijn, en dat, zoo men in het geheel toestemt, dat in eenig opzigt de een van den ander verschilt, dat men dan aangaande het gezonde en zieke wil erkennen, dat niet ieder vrouwtje, of kindje, of diertje, in staat is, om zich zelven te genezen, dewijl het weet, wat voor hetzelve gezond is; maar dat daar, zoo ergens, de een van den ander verschilt?[100]
Theod.Zoo komt het mij althans voor.
So.Dus ook in het staatkundige, dat het schoone, leelijke, regtvaardige of onregtvaardige, heilige of onheilige, wat iedere staat als zoodanig beschouwende, voor zich zelven vaststelt, zulks voor hem250ook in waarheid is, en dat daarin geen enkel mensch of staat wijzer dan een ander mensch of staat is; maar hij zal toestemmen, dat, zoo ergens, in het vaststellen van het voor zich nuttige of niet, de eene raadsman van den andere en de eene meening van den staat van de andere ten opzigte der waarheid verschilt, en hij zou niet stellig durven beweren, dat hetgeen een staat, omdat hij het nuttig voor zich waant, bepaalt, ongetwijfeld ook nuttig zal wezen. Maar daar, waar ik zeg, in het regtvaardige en onregtvaardige, en heilige en onheilige, wil men staande houden, dat geen van die dingen zijne eigene wezenheid heeft, maar dat hetgeen aan de menigte zoo toeschijnt, waar wordt, wanneer het toeschijnt en zoo lang als het toeschijnt. En zoo velen als niet geheel en alProtagorasnapraten, verkondigen ongeveer[101]deze leer251. MaarTheodorus! de eene redekaveling na de andere, en wel telkens grootere, houden ons bezig.
Theod.Maar wij hebben immers ledigen tijd252,Socrates!
So.Dat schijnt zoo. En bij vele andere gelegenheden, mijn vriend! maar vooral253nu, heb ik opgemerkt, dat natuurlijk zij, die in wijsgeerigestudiën254veel tijd hebben doorgebragt, zoo zij in de regthuizen komen, zich als redenaars bespottelijk voordoen.
Theod.Hoe meent gij dat dan?
So.Zij, die van hunne jeugd af aan zich in[102]regthuizen en dergelijke dingen ophouden255, schijnen in vergelijking van hen, die in de wijsbegeerte en dergelijke bezigheid opgevoed zijn, als slaven in vergelijking van vrijen opgevoed te wezen.
Theod.Hoe zoo?
So.Daar aan de eersten de ledige tijd, waarvan gij spreekt, nooit ontbreekt, en zij hunne redekavelingen in vrede en ledigen tijd opstellen, en gelijk wij nu reeds de derde opvolgende redekaveling opvatten, zoo ook zij, indien hun eene nieuwe redekaveling meer dan de behandeld wordende256bevalt, zoo als dat met ons het geval is, [de laatste verkiezen], en het hun om het even is, of zij lange of korte redeneringen bezigen, zoo zij maar het wezenlijke vatten. De anderen echter spreken altijd in haast, want het stroomende water257drijft ze voort, en laat hun niet toe, te spreken waarover zij willen, maar de tegenpartij staat tegenover hen, een dwangmiddel hebbende en een boekje, dat er bij gelezen[103]wordt258, waarbuiten niet mag gesproken worden259, en de rede wordt altijd over eenen mededienstknecht gehouden in tegenwoordigheid van den heer, die daar zit en het regt in zijne hand heeft, en de strijd is nooit vrij, maar steeds over een bepaald onderwerp, ja dikwijls is het een gevecht260op leven of dood. Zoodat zij door dit alles scherp en slim worden en leeren hunnen heer met woorden te vleijen en met daden te believen261, daar zij kleingeestig en niet opregt van gezindheid zijn. Want het dienen van kindsbeen af, vernietigt de verheffing [van ziel], de[104]opregtheid en de edelaardigheid262, daar zij dwingt om slinksch te handelen, en de nog teedere zielen in groote gevaren en angsten stort, die zij niet met billijkheid en opregtheid263kunnen doorstaan, en daarom zich terstond naar het liegen en elkander benadeelen wendende, zich zeer buigen en wringen, zoodat zij van knapen eindelijk mannen worden, zonder iets gezonds in hunne ziel te hebben, terwijl zij zich verbeelden, knap en wijs geworden te zijn.