Zoo zijn zij,Theodorus! en wilt gij nu, dat wij de mannen van onze partij beschrijven, of dat wij ze voorbijgaan en ons terstond weder tot onze redekaveling wenden264, ten einde niet, gelijk wij daareven zeiden, wat veel misbruik te maken van de vrijheid om het voorwerp der redekaveling te veranderen?Theod.Wel neen,Socrates! maar wij moeten ze beschrijven. Want gij hebt zeer juist aangemerkt,[105]dat wij niet zulke dienaars der redekaveling zijn als de menschen van die partij265, maar de redekavelingen zijd ons als het ware dienstbaar, en elke daarvan wacht om voleindigd te worden tot het ons goeddunkt, want bij ons is geen regter of toeschouwer (als bij de dichters)266, om ons te berispen en te besturen.XXIV.So.Laat ons dan, zoo als betamelijk is, daar gij het goedvindt, over de aanvoerders spreken; want waarom zou iemand spreken van hen, die zich flaauw op de wijsbegeerte toeleggen? Zij nu weten van hunne jeugd af aan, vooreerst den weg niet naar de markt, noch waar de regtbank of het raadhuis of eenige andere vergaderplaats van den staat is; en wetten of besluiten, die verhandeld worden of vroeger geschreven zijn, zien zij niet in, noch hooren er naar267. Het streven naar vereenigingen tot het[106]bekomen van posten en het houden van staatkundige bijeenkomsten en maaltijden en feesten met fluitspeelsters komt hen in den droom niet op268. En of iemand in de stad van aanzienlijke of geringe afkomst is, of er aan iemand van zijne voorouders, van vaders- of moeders- kant eenige smet kleeft, dat weet hij nog minder, dan hoeveel emmers water in de zee gaan. En hij weet niet eens, dat hij dat alles niet weet, want hij onthoudt er zich niet van uit eerzucht269, maar in waarheid is alleen zijn ligchaam in den staat aanwezig en woont daar, maar zijn geest, die dit alles voor weinig, ja voor niets acht, veracht het en zweeft volgensPindarusoveral heen, hetgeen onder de aarde en op dezelve is, berekenend, en de bovenste streken des hemels270aan sterrekundig onderzoek onderwerpend, en de algemeene wezenheid, al wat ergens bestaat, onderzoekend271, zonder zich tot een der nabijgelegene dingen af te laten.[107]Theod.Hoe meent gij dat,Socrates?So.Eveneens,Theodorus! als toen, naar men verhaalt, eene geestige en aardige Thracische slavinThales, die de sterren bestudeerde en naar boven keek en in een’ put viel, bespotte, omdat hij begeerde te weten, wat in den hemel was, maar hetgeen voor hem en bij zijne voeten was, niet wist. Want waarlijk is aan zoo iemand zijn naaste buurman onbekend, niet alleen in hetgeen hij doet, maar bijna of hij een mensch is of eenig ander wezen; maar wat toch de mensch is, en wat zulk een wezen meer dan andere moet doen en lijden, dat onderzoekt hij en legt er zich op toe, om dat uit te vorschen. Gij begrijpt toch [wat ik meen], niet waar,Theodorus?Theod.Ja zeker, en gij zegt de waarheid.So.Daarom, mijn vriend! wanneer zoo iemand, met wien dan ook, in het bijzondere of openbare leven te doen krijgt, zoo als ik in den beginne272zeide, wanneer hij in het regthuis of elders over hetgeen voor de voeten en voor oogen ligt moet spreken, dan verwekt hij gelach, niet slechts bij: Thracische[108]slavinnen, maar ook bij de andere menigte, daar hij door gebrek aan oefening273in putten en allerlei verlegenheid valt, en een gek figuur maakt, waardoor hij voor onbeschaafd wordt gehouden. Want bij het doen van verwijtingen kan hij niemand zijne bijzondere gebreken verwijten, daar hij van niemand eenig kwaad weet, omdat bij daarvan geen werk gemaakt heeft274; weshalve hij door zijne verlegenheid bespottelijk schijnt; en bij de loftuitingen en de pralerijen van anderen, blijkt het, dat hij daarover niet uiterlijk, maar in zijnen geest lacht, waardoor hij een dwaas275schijnt te wezen. Want wanneer hij eenen vorst of koning hoort gelukkig noemen, meent hij eenen herder, b. v. een zwijnendrijver, schapenhoeder of koeboer, die dapper melkt, gelukkig te hooren noemen, behalve dat zij een lastiger en weêrspanniger dier hoeden en melken, maar [hij oordeelt], dat zoodanig iemand door gebrek aan tijd niet minder boersch en onbeschaafd moet worden, dan de herders, terwijl hij zich, als in eene schaapskooi op een’ berg,[109]in zijnen burg opsluit. En wanneer hij tienduizend bunders of nog meer eene verwonderlijk groote bezitting hoort noemen276, dan meent hij zeer weinig te hooren, daar hij gewoon is, de geheele aarde te beschouwen. En de loftuiting van hen, die de aanzienlijke geslachten prijzen, [zeggende], dat iemand welgeboren is, die zeven rijke voorvaders kan aanwijzen, houdt hij voor [de taal]277van menschen, die stomp en bekrompen van gezigt zijn, daar zij door onkunde278niet in staat zijn, steeds het geheel in het oog te vatten, en te beredeneren, dat ieder ontelbaar vele duizenden279van voorouders heeft, waaronder[110]voor ieder vele duizenden rijken en armen, koningen en slaven, Barbaren en Grieken zijn; en zoo sommigen zich op een lijn van 21 voorouders verheffen en hun geslacht uitrekenen tot opHercules, den zoon vanAmphitryon, schijnt hem dat eene ongerijmde kleingeestigheid, en hij lacht, omdat zij niet inzien, dat de 25evanAmphitryonopwaarts zoo was als het toeval meêbragt, en evenzoo de 50evan dezen opwaarts gerekend, en omdat zij de opgeblazenheid hunner dwaze ziel niet kunnen afleggen. In al deze punten nu wordt zoo iemand door de menigte uitgelagchen, daar hij deels zich trotschelijk schijnt aan te stellen, deels hetgeen voor de voeten ligt niet te kennen, en telkens in de war te wezen.Theod.Gij zegt het juist zoo als het gebeurt,Socrates!XXV.So.Maar, mijn vriend! wanneer hij nu zelf iemand naar boven trekt, en wil, dat die van het klagen over aangedaan onregt280zich wende tot het beschouwen van de regtvaardigheid en onregtvaardigheid zelve, wat ieder derzelve is, en waarin zij van andere dingen of van elkaar verschillen, of van het gelukkig prijzen der koningen281en rijken tot het beschouwen van het koningrijk en van het menschelijk[111]geluk en ongeluk in het algemeen, wat zij zijn en hoe het met de natuur282van den mensch overeenkomt, het eene na te jagen, het andere te ontvlugten: wanneer die kleingeestige, scherpe, twistgierige mensch van dat alles rekenschap moet geven, dan is het zijne beurt, en daar hij duizelend, van de hoogte waarop hij geplaatst is, naar beneden ziet en door ongewoonte geen raad weet, en in benaauwdheid zit, en onzin spreekt, verwekt hij gelach, niet bij Thracische slavinnen en andere ongeleerde menschen, die het niet eens merken; maar bij allen, die anders dan slaven zijn opgevoed. Dit is beider levenswijs,Theodorus! de ééne van iemand, die waarlijk in vrijheid en ledigen tijd is opgevoed, wien gij den naam geeft van wijsgeer, die geen verwijt verdient283, omdat hij dom en nietswaardig schijnt, wanneer hij met slaafsche werkzaamheden in aanraking komt, en b. v. geen reiskoffer pakken, of taarten bakken, of pluimstrijken kan: de andere van iemand, die dat alles glad en spoedig kan uitvoeren, maar niet in staat is, zich behoorlijk voor te doen, of met betamelijke woorden de Goden en het ware levensgeluk der menschen te bezingen.Theod.Socrates!wanneer gij allen, evenzeer als mij, overtuigdet van hetgeen gij zegt, dan zou er meer vrede en minder ellende onder de menschen zijn.[112]So.Maar het is onmogelijk, dat het kwaad verga,Theodorus! daar er steeds een tegenhanger van het goed moet wezen; of dat het in de Godheid gegrond is: maar naar de wet der noodzakelijkheid kleeft het aan de menschelijke natuur en aan dezelfde plaats284. Daarom moet men ook pogen, zoo spoedig mogelijk van hier derwaarts285te vlugten. Deze vlugt bestaat in het zooveel mogelijk gelijk worden aan God286, en die gelijkheid bestaat in regtvaardig en heilig en wijs te worden. Doch, mijn beste! daar287het niet zeer gemakkelijk is [de menschen] te overtuigen, dat men[113]niet om de reden, die de menigte voor het ontvlugten der zonde en het najagen der deugd opgeeft, namelijk om niet kwaad maar goed te schijnen, de eene moet beoefenen en de andere niet, dewijl dit, naar mijn inzien, oudewijvenpraat is; zoo willen wij de waarheid op deze wijs in het licht stellen. God is volstrekt in geen opzigt onregtvaardig, maar zoo regtvaardig mogelijk; en niemand is meer aan hem gelijk, dan wie onder ons het regtvaardigste wordt. Hieraan288moet de waarachtige voortreffelijkheid, nietswaardigheid en flaauwheid van een mensch gemeten worden289. De kennis toch hiervan is waarachtige wijsheid en deugd, en de onkunde klaarblijkelijke onwetendheid en slechtheid290; maar de andere schijnbare[114]voortreffelijkheid en wijsheid is op staatkundig en wetenschappelijk gebied slechts laag en zonder waarde. Dus is het voor hem, die onregt doet en met woord of daad heiligschennis pleegt, verre het beste, hem niet toe te laten zich door onregt te laten gelden291. Want zij verheffen zich op de schande en meenen van zich te hooren zeggen, dat zij geen beuzelaars en ballasten der aarde zijn, maar mannen zooals het behoort; die zich in de maatschappij292weten te handhaven. Dus moet men de waarheid zeggen, [namelijk], dat zij meer zijn wat zij meenen niet te zijn, naarmate zij dit minder meenen, daar zij die straf der onregtvaardigheid niet kennen, die het minst onbekend mag blijven. Want het is niet die, welke zij meenen, geeselslagen en dood, waarvan soms ook volkomen onschuldigen hun deel krijgen293, maar eene straf, die niet kan ontweken worden.[115]Theod.Welke meent gij dan?So.Deze, mijn vriend! dat, terwijl er in de denkbeeldige wereld294twee toonbeelden zijn, het eene van den aan God gelijkvormigen en tevens zeer gelukkigen, het andere van den goddeloozen en tevens zeer ongelukkigen, zij, deze waarheid niet inziende, door hunne domheid en uiterste onkunde niet merken, dat zij aan het tweede door hunne onregtvaardige daden gelijk worden, en ongelijk aan het eerste, waarvoor zij dan boeten door het leiden van een leven, overeenkomstig met het toonbeeld, waarop zij gelijken. En295zoo wij zeggen, dat, zoo zij hunne bedrevenheid niet afleggen, ook na hunnen dood die van alle kwaad zuivere plaats296hen niet zal opnemen, maar dat zij in het andere leven steeds [een lot] zullen hebben, aan hunne handelwijze gelijk297, daar zij, zelve boos zijnde, alleen met boozen zullen omgaan, dan zullen zij in hunne hooge wijsheid zeker meenen de taal van krankzinnigen te hooren.Theod.Ongetwijfeld,Socrates![116]So.Ik ben er zeker van overtuigd, mijn vriend! Één ding echter gebeurt hun zeker298, [namelijk,] dat, zoo zij in een gesprek299rekenschap moeten geven en ontvangen over hetgeen zij berispen, en dit moedig een geruimen tijd willen volhouden, en niet laf op den loop gaan, eindelijk, mijn vriend! hetgeen zij zeggen hunzelven niet meer voldoet, en hunne beroemde welsprekendheid zoo zeer verwelkt, dat zij niet van kinderen schijnen te verschillen. Laat ons nu hierover, daar wij het slechts als bijzaak behandelen, uitscheiden; [want] zoo [wij dat] niet [doen], zal er steeds meer bijkomen en onze oorspronkelijke redekaveling verstikken; maar laat ons tot het vorige terugkeeren, zoo het ook u goeddunkt.Theod.Socrates!ik hoor zulke dingen niet minder gaarne; want het is voor iemand van mijne jaren gemakkelijker te volgen; zoo gij het echter verlangt, laat ons dan [tot ons onderwerp] terugkeeren.XXVI.So.Wij waren dan in onze redekaveling gekomen tot het punt, waarop wij oordeelden300,[117]dat de voorstanders der aanhoudende beweging van het zijnde301, en der waarheid van iedere meening voor den meenenden, in andere dingen, vooral in regt en onregt, willen staande houden, dat ongetwijfeld, wat een staat als zijn oordeel vaststelt, ook voor hem, zoolang het vastgesteld blijft, regt is; maar dat niemand nog moedig genoeg is, om van het goede te durven beweren, dat, wat een staat nuttig meenende, voor zich vaststelt, ook nuttig is, zoolang als het vastgesteld blijft, behalve zoo men den naam meende; maar dat zou spotten zijn met hetgeen wij zeggen302.Theod.Dat zou het.So.Men moet niet spreken van den naam, maar van de zaak in questie, die door dien naam wordt aangeduid.Theod.Natuurlijk.So.Maar zoo nu de staat iets nuttig303noemt, en dit door eene wet vaststelt, dan streeft hij daarbij naar het nuttige, en maakt alle wetten, naar zijn beste weten en vermogen, zoo nuttig mogelijk voor[118]zich zelven. Of maakt hij wel wetten met eenig ander doel?Theod.Wel neen.So.En bereikt elke staat dat doel telkens, of wordt het dikwijls gemist?Theod.Ik geloof, dat het ook wel gemist wordt.So.Nu zouden allen ditzelfde nog eerder uit dit oogpunt toestemmen, zoo men het vroeg van het geheele geslacht, waartoe ook het nuttige behoort, [namelijk], van het gebied der toekomst304. Want wanneer wij wetten maken, dan stellen wij die vast, opdat zij voor den volgenden tijd nuttig mogen zijn; en dit kunnen wij met regt het gebied der toekomst heeten.Theod.Ongetwijfeld.So.Komaan! laten wij danProtagorasof eenen anderen uit degenen, die met hem instemmen, aldus ondervragen.Protagoras!de mensch is immers,[119]volgens uwe leer, de maat van alle dingen, van het witte, zware, ligte, ja van al wat van die soort is? Want daarvan het kenmerk in zich hebbende, daar hij oordeelt zooals hij gevoelt, oordeelt hij zooals het voor hem waar en werkelijk is, niet waar?Theod.Ja.So.Maar,Protagoras! zullen wij zeggen, heeft hij dan ook het kenmerk van de toekomst in zich, en, zooals hij meent dat het wezen zal, is het ook alzoo voor den meenenden? b. v. wat het heete betreft, wanneer een ongeleerde meent, dat hij de koorts zal krijgen, en dat dus die hitte zal plaats hebben; en een ander, een arts, het tegenovergestelde meent, naar wiens meening moeten wij dan zeggen, dat het toekomstige zal uitvallen? toch niet naar die van beiden, zoodat hij voor den geneesheer niet heet noch koortsig zal worden, maar voor zich zelven beide?Theod.Dat zou inderdaad bespottelijk zijn.So.[En hierbij blijft het niet]305, maar ik meen, dat [ook] over de toekomstige zoetheid of zuurte van wijn, de meening van den landman en niet die van den harpspeler de baas is.Theod.Natuurlijk.So.En over hetgeen goed of kwaad zal klinken, zou een schoolmeester niet beter kunnen oordeelen, dan een musicus, zelfs over hetgeen de schoolmeester zelf later goed of kwalijk klinkend zal vinden.[120]Theod.Wel neen!So.Dus is ook het oordeel van eenen, die smullen zal, maar geene kookkunst verstaat, bij het bereiden van het feest, ten opzigte van den toekomstigen lekkeren smaak, van minder belang dan dat van den pasteibakker. Want wij willen nu over hetgeen voor ieder lekker is of geweest is volstrekt niet met het stelsel twisten, maar, of ieder voor zich zelven de beste beoordeelaar is van hetgeen voor hem zal schijnen en zijn. Zoudt gij,Protagoras! niet beter dan eenig ongeleerde te voren kunnen oordeelen, wat in eene geregtelijke redevoering ieder onzer geloofwaardig zal voorkomen?Theod.Wel zeker,Socrates! juist hierin beweerde hij ver boven allen uit te munten.So.BijZeus, mijn waardste! niemand zou zijn onderwijs voor veel geld gezocht hebben, zoo hij zijne leerlingen had overtuigd, dat ook hetgeen zou wezen en schijnen, door geen wigchelaar of iemand anders beter zou kunnen beoordeeld worden, dan door ieder voor zich zelven306.[121]Theod.Dat is zeer waar.So.Dus stellen de wetgevingen zich het nut in de toekomst voor, en ieder moet toestemmen307, dat een staat, die wetten maakt, noodzakelijk dikwijls het nuttigste niet treffen kan.Theod.Ongetwijfeld.So.Dus zullen wij met regt uwen leermeester oproepen om toe te stemmen, dat de een wijzer dan de ander is, en dat de zoodanige maat is; maar dat ik, die onkundig ben, volstrekt niet in de noodzakelijkheid ben van maat te worden, hoewel in de daareven voor hem gehoudene pleitrede beweerd werd, dat ik zulks willens of onwillens wezen moest.Theod.Ik geloof,Socrates! dat zijn stelsel vooral hierin mank gaat, en tevens daarin, dat het ook de gevoelens der anderen, die zijne meeningen, zoo als wij zagen, verwerpen, als waar moet erkennen.So.Zulk een stelsel,Theodorus! gaat nog in vele andere punten mank, [daar het telkens blijkt,] dat niet alle meeningen, die ieder koestert, waar zijn; maar van de uit ieders tegenwoordigen toestand308ontspruitende[122]gevoelsaandoeningen en de daaraan zich hechtende meeningen is het moeijelijker te bewijzen, dat zij niet waar309zijn. Misschien echter zeg ik niets310, daar zij welligt onwederlegbaar zijn, en degenen, die ze voor klaarblijkelijke kennis houden, misschien de waarheid zeggen, en onzeTheaetetusniet mis geoordeeld heeft, toen hij gevoel en kennis hetzelfde noemde. Dus moeten wij naderbij komen, gelijk de verdedigingsrede vanProtagorasvoorschreef, en die leer der eeuwige beweging onderzoeken, daartegen kloppende, [om te hooren] of zij eenen zuiveren of eenen zieken klank geeft311. En de strijd hierover is niet gering en niet tegen weinigen.XXVII.Theod.Het is er ver van af, dat de strijd tegen die meening gering is, daar zij integendeel in de streken vanJoniezeer bloeit, want de navolgers vanHeraclietstaan dezelve krachtig voor.So.Daarom, mijn waardeTheodorus! moeten wij haar des te meer beschouwen en wel van voren af aan, gelijk zij voorgaan.[123]Theod.Dat is opperbest. Want,Socrates! wat die navolgers vanHeracliet, of, zoo als gij zegt, vanHomerus312en van nog ouderen aangaat, met die teEphesus, welke voorwenden deze leer te verstaan, is het niet méér mogelijk te spreken dan met razenden. Want zij zijn in waarheid even bewegelijk als zij schrijven, en bij eene stelling of een vraagstuk te blijven en kalm op hunne beurt te antwoorden en te vragen, wordt onder hen in het minst niet gevonden; ja, rust is in hen nog minder dan in het geheel niet, maar, zoo gij iemand [hunner] iets vraagt, haalt hij als uit een’ pijlkoker korte raadselachtige gezegden en schiet die af, en zoo gij hem rekenschap vraagt, wat hij gezegd heeft, dan wordt gij getroffen313met een ander van vreemde beteekenis, maar gij zult met niemand hunner ooit iets vorderen, en ook zij met elkander niet; maar zij zorgen wel, noch in hunne woorden, noch in hunne zielen iets bestendigs te laten, daar zij dat, geloof ik, voor stilstand houden, waartegen zij met geweld strijden en dien zij zoo veel mogelijk overal uitwerpen.So.Misschien,Theodorus! hebt gij die menschen al strijdend bijgewoond, maar ze niet in vrede gevonden; want zij zijn uwe vrienden niet314. Maar ik geloof,[124]dat zij die dingen aan hunne leerlingen, die zij aan zich gelijk willen maken, op hun gemak uitleggen.Theod.Wat leerlingen! mijn vriend! Bij hen is niemand leerling van een ander, maar zij komen van zelfs op, naarmate ieder hunner den geest krijgt, en de een houdt den ander voor een weetniet. Van hen nu, zoo als ik zeide, zoudt gij nooit goedschiks of kwaadschiks315rekenschap krijgen; maar men moet hen zelven als vraagstuk nemen316en onderzoeken.So.Dat zegt gij goed. Maar hebben wij niet het vraagstuk ontvangen van de ouden, die in een dichterlijk kleed voor de menigte verborgen317, dat de oorsprong van alles, Oceaan en Tethys, stroomen zijn, en dat niets staat, en van de lateren, die het, daar zij geleerder waren, openlijk verkondigden, opdat ook de schoenlappers318, dat hoorende, hunne wijsheid zouden[125]overnemen, en niet langer in hunne onnoozelheid zouden meenen, dat sommige dingen stilstaan en andere zich bewegen, maar geleerd hebbende, dat alles in beweging is, hen zouden vereeren? Maar,Theodorus! ik was bijna vergeten, dat anderen het tegendeel hiervan hebben beweerd, [namelijk,] dat aan het al slechts de naam van het onveranderlijk zijn toekomt319, en dat, gelijkMelissusenParmenidestegen al dat [vorige] volhouden, het al één is, en in zich zelf gegrond vaststaat, zonder plaats om in te bewegen. Mijn vriend! hoe zullen wij ons omtrent die allen gedragen? want terwijl wij langzaam voortgingen, zijn wij ongevoelig tusschen die twee partijen ingekomen,320en zoo wij ons er niet door weten te slaan, zullen wij boeten, gelijk zij, die bij de ligchaamsoefeningen al spelend op den streep komen en door den troep aan weerskanten gegrepen, naar twee verschillende zijden getrokken worden321. Ik ben dus[126]van oordeel, dat wij eerst die partij moeten beschouwen, waarmede wij nu bezig zijn, [namelijk] de vloeijenden. En zoo zij iets van belang schijnen te zeggen, zullen wij ons zelven met hen mede laten trekken en de anderen pogen te ontvlugten; maar zoo zij, die het al doen stil staan, meer waarheid schijnen te spreken, zullen wij tot hen vlugten en diegenen ontwijken, die zelfs het onbeweeglijke bewegen. Maar zoo geen van beiden iets goeds schijnt te zeggen, dan staan wij bloot aan bespotting, daar wij, geringe lieden, zelve iets meenen te zeggen en zulke oude en doorgeleerde menschen verwerpen. Zie nu eens,Theodorus! of het de moeite waard is, zich aan zulk een gevaar bloot te stellen.Theod.Socrates!wij moeten volstrekt niet dralen met te onderzoeken, wat beide partijen zeggen.XXVIII.So.Wanneer gij er zoo zeer naar verlangt, moet het onderzocht worden. Ik geloof dus, dat het begin van het onderzoek naar de beweging moet gemaakt worden [met de vraag], wat toch zij meenen, die beweren, dat alles in beweging is322. Dit nu is hetgeen ik bedoel: of zij van ééne soort derzelve, of, gelijk mij voorkomt, van twee soorten spreken. Doch dit moet niet aan mij alleen zoo voorkomen, maar neem gij er deel aan, opdat, zoo het noodig is, wij ons lot deelen, en zeg mij: noemt gij het geen bewegen, wanneer iets de eene plaats met de andere verruilt,[127]of wanneer het zich in dezelfde plaats omwentelt?323Theod.Dat doe ik.So.Dit zij dan de ééne soort. Maar wanneer nu [iets] op dezelfde plaats blijft, maar oud, of van wit zwart, of van zacht hard wordt, of op eenige andere wijs verandert, wordt dat dan niet met regt als eene andere soort van beweging beschouwd?Theod.Ik geloof van ja.So.Het kan niet anders. Dus noem ik deze twee soorten van beweging: verandering en de andere plaatsverwisseling324.Theod.Dat zegt gij goed.[128]So.Laat ons nu, na dit alzoo verdeeld te hebben, hen aanspreken, die zeggen, dat alles in beweging is, en hen vragen: zegt gij, dat alles op beide wijzen in beweging is, en dus tevens van plaats verwisselt en verandert? of het eene op beide wijzen, het andere op ééne der twee?Theod.BijZeus! ik weet niet, wat ik zeggen moet, maar ik geloof, dat zij zeggen zouden: op beide wijzen.So.Zoo zij dat niet doen, mijn vriend! dan zal het hun schijnen te bewegen en stil te staan, en het zal niet beter zijn te zeggen, dat alles in beweging is, dan dat alles stil staat325.Theod.Gij zegt volkomen de waarheid.So.Daar het dus in beweging moet zijn en het niet in beweging zijn nergens wezen mag, wordt alles altijd volgens beide soort van beweging326bewogen.Theod.Dat is noodig.So.Onderzoek er dan nog eens dit van. Zeiden wij niet327, dat wij den oorsprong van warmte, of[129]witheid, of wat dan ook aldus stellen, dat ieder dier dingen tegelijk met de waarneming zich tusschen het bedrijvende en het lijdende beweegt, zoodat het lijdende waarnemend, maar daarom nog niet waarneming wordt, en het bedrijvende hoedanig, maar niet hoedanigheid? Misschien echter schijnt het woordhoedanigheid328u vreemd, zoodat gij die algemeene uitdrukking niet vat. Ik wil het u dan met voorbeelden ophelderen329. Het bedrijvende wordt geen warmte of witheid, maar warm of wit, en het overige even zoo. Want gij herinnert u wel, dat wij in het vorige alzoo zeiden: dat niets op zich zelf is, noch het bedrijvende, noch het lijdende, maar dat zij, door hunne zamenkomst de gevoelsaandoeningen en de gevoelde dingen330voortbrengende, deels met eene bepaalde hoedanigheid voorzien, deels voelend worden331.[130]Theod.Ik herinner het mij; hoe zou ik het vergeten zijn?332So.Laat ons dus het andere laten rusten, [en niet onderzoeken,] of zij dat anders of aldus meenen, maar nu alleen datgene in het oog houden, waarover333wij spreken, vragende: alles is, naar gij zegt, in beweging en vloeijing, niet waar?Theod.Ja.So.Dus met beide bewegingen, waarin wij het verdeeld hebben, [namelijk] de plaatsverwisseling en de verandering?Theod.Natuurlijk: daar het volkomen in beweging moet wezen.So.Zoo het nu alleen van plaats wisselde, en niet veranderde, dan zouden wij kunnen zeggen, welke bewogene dingen van plaats wisselen, of hoe zeggen wij?334Theod.Alzoo.So.Maar daar nu zelfs dit niet blijft, dat b. v. het witte van plaats wisselt, maar verandert, zoodat[131]ook de witheid zelve wegvloeit en in eene andere kleur overgaat, om niet in dat opzigt stil te staan, is het dan mogelijk, eenige kleur met eenen goeden naam te bestempelen?Theod.Hoe is dat hiervan of van eenige andere dergelijke zaak mogelijk,Socrates! daar het in beweging zijnde steeds aan den sprekende ontvliedt335?So.Maar wat zullen wij nu van elke gevoelsaandoening zeggen, b. v., van het zien of hooren? Dat zij ooit blijft wat zij is, namelijk zien of hooren336?Theod.Daar alles in beweging is, mag dat niet.So.Dus mogen wij ook, wanneer alles in alle opzigten in beweging is, het woordzienniet meer bezigen dan het woordniet zien, en van niet ééne gevoelsaandoening meer dan van de tegenovergestelde spreken.Theod.Wel neen.So.Edoch gevoel is kennis337, zoo als ik enTheaetetusbeweerd hebben.[132]Theod.Ja.So.Dus hebben wij op de vraag, wat kennis is, een antwoord gegeven, dat zoowel kennis als niet-kennis uitdrukt.Theod.Dat schijnt zoo.So.Dus hebben wij eene fraaije bevestiging van ons antwoord338gekregen, daar wij, om dat antwoord te kunnen redden, poogden aan te toonen, dat alles in beweging is. Want nu schijnt het uitgemaakt, dat, zoo alles in beweging is, ieder antwoord, op elke vraag, even waar is, en dat wij mogen zeggen, dat het zoo is en niet zoo is, of, indien gij wilt, wordt, opdat wij hen339niet door onze woorden tot stilstand nopen.Theod.Gij zegt goed.So.Behalve,Theodorus! dat ik sprak van zóó en niet zóó. Want340wij moeten dat woordzóóniet[133]eens bezigen; want als het zóó was, dan was het niet meer in beweging; noch ookniet-zóó, want ook dit is geene beweging; maar wij moeten voor hen, die deze leer verkondigen, eene andere uitdrukking verzinnen, daar zij voor hunne meening geen woorden hebben, behalve misschien:in het geheel niet. Dit toch zou hun nog het beste passen, wanneer het zoo onbepaald mogelijk genomen werd.Theod.Deze uitdrukking past hun ten minste vrij goed.So.Dus,Theodorus! wij zijn met uwen vriend klaar gekomen, en geven hem nog niet toe, dat ieder mensch, ook de onverstandige, de maat is van alle dingen; en volgens de leer, dat alles beweegt, zullen wij niet toestemmen, dat het gevoel kennis is. OfTheaetetusmoest iets anders zeggen.Theod.Socrates!gij zegt daar iets heel goeds, want nu dit klaar is, moet ook ik volgens de overeenkomst341er van af zijn om u te antwoorden, daar de redekaveling overProtagorasuit is.XXIX.Theaet.Och neen,Theodorus! niet voordatSocratesen gij ook hen, die alles doen stil staan, gelijk gij daareven voornemens waart342, hebt behandeld.[134]Theod.Theaetetus!leert gij, die nog zoo jong zijt, andere menschen onregt plegen en hunne overeenkomsten overtreden? [Dat zal niet gebeuren], maar houd u gereed, omSocratesover de rest te woord te staan.Theaet.Wanneer hij ten minste wil. Ik zou echter daarover liever hooren.Theod.Gij roept ruiters in de vlakte343, zoo gijSocratestot redekavelingen roept: vraag dan maar op, en gij zult het hooren.So.[Dat is waar],Theodorus! en toch heb ik geen plan, aan het verzoek vanTheaetetusgehoor te geven.Theod.Waarom niet?So.Hoewel ik door schaamte weêrhouden werd, omMelissusen de anderen, die leeren, dat het al één en stilstaand is, oppervlakkig te beoordeelen, heb ik echter voor hen allen nog minder eerbied dan voorParmenidesalleen.Parmenidestoch schijnt mij, om metHomeruste spreken, te gelijk eerwaardig en ontzaginboezemend. Want, toen ik nog zeer jong was en hij reeds zeer oud, heb ik hem ontmoet, en het kwam mij voor, dat hij begaafd was met echte diepzinnigheid344.[135]Daarom vrees ik, dat wij de woorden niet zouden verstaan en den zin nog veel minder vatten345, en wat het ergste is, dat het eigenlijke doel onzer redekaveling, de vraag wat kennis is, zoo wij ons aan de zich indringende redekavelingen stoorden346, onbehandeld zou blijven; vooral daar het uitgebreide onderwerp, dat wij daareven aanroerden, in het voorbijgaan niet behoorlijk kan behandeld worden, en zoo het behoorlijk behandeld werd, door zijnen omvang het onderzoek naar de kennis zou in de schaduw stellen. Geen van beiden echter mag plaats hebben, maar wij moeten347Theaetetusdoor onze vroedkunst pogen[136]te verlossen van hetgeen, waarvan hij ten opzigte der kennis zwanger is.Theod.Wij moeten dan maar zóó doen, indien gij het goedvindt.So.Theaetetus!onderzoek dan nog eens dit aangaande het gezegde. Gij hebt immers geantwoord, dat kennis gevoel is?Theaet.Ja.So.Zoo dan nu iemand u aldus vroeg: Waarmede ziet iemand het witte en het zwarte, en waarmede hoort hij het hooge en het lage? dan zoudt gij, geloof ik, zeggen: met zijne oogen en ooren.Theaet.Ja.So.Over het geheel nu is het een bewijs van vrijzinnigheid, wanneer men gemakkelijk is omtrent woorden en uitdrukkingen, en die niet naauwkeurig uitpluist, daar veeleer het tegenovergestelde een blijk is van bekrompenheid; maar soms348is dit noodzakelijk, gelijk het nu noodig is, uw antwoord, voor zoo ver het niet juist is, te gispen349: want zie eens, welk antwoord juister is: dat de oogen dat zijn, waarmede, of dat, waardoorwij zien; en de ooren dat, waarmede, of dat, waardoor350wij hooren?[137]Theaet.Socrates! ik houd dat waardoor, voor juister, dan dat waarmede wij alles waarnemen.So.Het zou dan ook erg zijn, jongelief! zoo in ons, als in houten paarden351, zinnen zaten, en niet dit alles op één wezen, het moge dan ziel heeten of iets anders, zamenliep, waarmede wij door die dingen352als door werktuigen alles waarnemen, wat zinnelijk waarneembaar is.Theaet.Ik geloof dan ook het laatste meer dan het eerste.So.Maar waarom behandel ik dit voor u zoo uitvoerig? [Om te onderzoeken], of wij met één en hetzelfde deel van ons wezen353door de oogen het witte en het zwarte bereiken, en door de andere [zintuigen][138]andere dingen; en of gij, er naar gevraagd zijnde, dit alles op het ligchaam zoudt kunnen te huis brengen. Maar misschien is het beter, dat gij het liever354zelf door uwe antwoorden te kennen geeft, dan dat ik mij om u vermoei. Zeg mij dan: hetgeen, waardoor gij het warme en harde en ligte en zoete waarneemt, houdt gij dat alles voor tot het ligchaam behoorend, of tot iets anders?Theaet.Tot niets anders.So.Zoudt gij ook willen toestemmen, dat het onmogelijk is, wat gij door den éénen zin waarneemt, door den anderen waar te nemen, bij voorbeeld, wat gij door het gehoor waarneemt, door het gezigt, of wat gij door het gezigt waarneemt, door het gehoor?Theaet.Waarom niet?So.Zoo gij dus iets omtrent beiden denkt, zoudt gij dat noch door het ééne, noch door het andere zintuig van beiden kunnen waarnemen.Theaet.Wel neen.[139]So.Maar gij denkt toch aangaande geluid en kleur vooreerst ditzelfde van beiden, dat beidenzijn?Theaet.Ja.So.Immers ook, dat ieder, ten opzigte van den anderen, wat anders, ten opzigte van zich zelven hetzelfde is?Theaet.Natuurlijk.So.En dat zij te zamen twee zijn, en ieder afzonderlijk één is?Theaet.Ook dat.So.Kunt gij ook beschouwen, of zij ongelijk of gelijk aan elkander zijn?Theaet.Misschien wel.So.Waardoor nu denkt gij dat alles aangaande hen? Want het is toch niet mogelijk, door het gehoor of gezigt het algemeene in beiden te vatten355. Want zoo het mogelijk was beiden te onderzoeken, of zij zout zijn of niet, dan zoudt gij wel zeker in staat zijn te zeggen, waarmede gij het zoudt onderzoeken; en dat schijnt geen gezigt of gehoor, maar iets anders te wezen.Theaet.Natuurlijk: te weten de zin, die in de tong is gevestigd.So.Dat zegt gij goed. Maar welke zin maakt u nu bekend met het aan allen en [dus] ook aan deze gemeenschappelijke, namelijk met het zijn en niet zijn[140]en wat wij daareven verder over dezelve vroegen356? Welke zintuigen zult gij voor dit alles opgeven, door welke datgene ze waarneemt, wat in ons alles waarneemt?Theaet.Gij meent het zijn en niet zijn, de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit en onderscheidenheid357, de eenheid en de andere hoeveelheden,[141][die wij] van dezelve [opgeven]. Natuurlijk vraagt gij ook, door welk zintuig wij toch het evene en onevene, en wat daar verder bij hoort, met de ziel waarnemen358?So.Theaetetus!gij volgt mij uitstekend, want dit is juist hetgeen ik vraag.Theaet.Maar waarlijk,Socrates! ik kan niet anders zeggen, dan dat, naar mij voorkomt, daarvoor in het geheel geen afzonderlijk zintuig bestaat, zooals voor die anderen, maar dat de ziel zelve door zich zelve die algemeene op alles toepasselijke dingen beschouwt.So.[Ik heb schik in u],Theaetetus! want gij zijt schoon359, en niet leelijk, zooalsTheodoruszeide. Hij toch, die schoon kan spreken, is schoon en goed. En behalve dat schoone [in uw antwoord], hebt gij goed[142]gedaan, door mij van eene zeer lange redekaveling te verlossen, zoo het u voorkomt, dat de ziel het eene zelve door zich zelve waarneemt, het andere door de zintuigen. Dit toch kwam mij zoo voor, maar ik wilde, dat het ook u zoo voorkwam360.Theaet.Welnu, het komt mij zoo voor.XXX.So.Tot welke soort nu rekent gij het zijn? Dit toch is het meest algemeene.Theaet.Tot die dingen, welke de ziel zelve op zich zelve bereikt.So.Rekent gij daartoe ook de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit en onderscheidenheid?Theaet.Ja.So.En de schoonheid en de leelijkheid, de goedheid en de kwaadheid?Theaet.Ik geloof, dat de ziel ook vooral hunne wezenheid361beschouwt, wanneer zij bij zich zelve het[143]verledene en tegenwoordige in betrekking tot elkander en tot het toekomstige beschouwt362.So.Houd op363! [en antwoord mij liever op deze vraag]. Neemt zij niet de hardheid van het harde door den tastzin waar, en de zachtheid van het zachte insgelijks?Theaet.Ja.So.Maar het zijn, en de wezenheid, en de onderlinge tegenstelling, en de wezenheid der tegenstelling zoekt onze ziel zelve te beoordeelen, door zich tot die dingen te wenden en ze met elkander te vergelijken.Theaet.Zeer zeker.So.Is het nu niet door de natuur aan menschen en dieren gegeven, sommige dingen terstond na hunne geboorte waar te nemen, [namelijk] al de aandoeningen, die door het ligchaam tot de ziel komen; terwijl de redeneringen over hunne wezenheid en nuttigheid moeijelijk en langzaam en met veel arbeid en[144]studie het deel worden van die [weinigen], wier deel zij worden?Theaet.Zeer zeker.So.Is het nu mogelijk, dat hij, die de waarheid bereikt, de wezenheid niet [bereiken kan]?Theaet.Neen.So.Maar kan iemand ooit datgene kennen, waarvan hij de wezenheid niet bereiken kan?Theaet.Hoe zou dat mogelijk zijn,Socrates?So.Dus is er geene kennis in de aandoeningen der zinnen, maar in de redekaveling over dezelve364: want in de laatste is het mogelijk de wezenheid en de waarheid te bereiken, maar in de eerste niet.Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar noemt gij nu die twee, die zoo verschillen365, hetzelfde?Theaet.Dat zou onbillijk zijn.[145]So.Welken naam geeft gij nu aan het zien, hooren, rieken, koud of warm zijn?Theaet.Geen anderen dan dien van gevoelsaandoeningen.So.Dus noemt gij ze met één woord: gevoel.Theaet.Dat is noodzakelijk.So.En dit kan de waarheid niet bereiken, daar het de wezenheid niet bereiken kan?Theaet.Neen.So.Dus ook de kennis niet?Theaet.Neen.So.Dus,Theaetetus! kan gevoel en kennis nooit hetzelfde zijn?Theaet.Het schijnt van neen,Socrates! en vooral door het laatste is het zeer duidelijk geworden, dat kennis iets anders is dan gevoel.So.Maar wij zijn geenszins daarom aan het onderzoeken gegaan, opdat wij vinden zouden, wat de kennisnietis, maar wat zijwelis366. Wij zijn echter zooveel gevorderd, dat wij haar in het geheel niet meer in het gevoel zoeken, maar in datgene, wat de ziel heeft, wanneer zij zelve op zich zelve met het zijnde bezig is.Theaet.Dit nu,Socrates! wordt, geloof ik, meening genoemd.[146]So.Uw geloof is goed, mijn waarde367! En onderzoek dan nu eens van voren af aan, met wegdenking368van al het vorige, of gij nu iets meer ziet, nadat gij zoover gevorderd zijt, en zeg wederom, wat kennis is.XXXI.Theaet.Het is onmogelijk,Socrates! alle meening voor kennis te verklaren, daar er ook valsche meening is; maar de ware meening schijnt kennis te wezen, en dit zij dan mijn antwoord. Want zoo dit evenmin als het vorige tegen verder onderzoek bestand is, dan zullen wij trachten iets anders te zeggen.So.Het is beter,Theaetetus! zoo bereidwillig uwe meening te zeggen, dan, gelijk in den beginne, met antwoord geven te talmen. Want zoo wij alzoo doen, dan [zal] een van beiden [gebeuren]: óf wij zullen vinden, waar wij naar streven, óf wij zullen minder meenen te weten, wat wij volstrekt niet weten; en zulk een loon zou toch niet verwerpelijk wezen. Wat zegt gij dan nu? Bepaalt gij, na de meening in twee soorten, de ware en de valsche, verdeeld te hebben, de ware meening als kennis?[147]Theaet.Ja: want dit komt mij nu zoo voor.So.Is het dan nu niet noodig, de meening nog eens van voren af aan te onderzoeken369?Theaet.Hoe meent gij dat?So.Nu en bij andere gelegenheden word ik dikwijls in onzekerheid gebragt, wat ik denken en spreken moet, doordien ik niet in staat ben te zeggen, wat dat voor eene aandoening in ons is, en hoe zij ontstaat370.Theaet.Wat meent gij toch?So.Het hebben van valsche meening. Ik ben het dan ook nu nog niet met mij zelven eens, of wij het moeten laten rusten, of het op eene andere wijs dan daareven beschouwen.Theaet.Waarom [zoudt gij het laatste] niet [doen],[148]Socrates? Houdt gij het er niet voor, dat wij het, hoe dan ook, moeten onderzoeken? Daareven toch hebt gij,Theodorusvan den ledigen tijd sprekende, zoo goed gezegd, dat bij zulke dingen niets ons dringt.So.Dat brengt gij mij juist van pas te binnen. Want misschien is het niet ondienstig, als het ware onze voetstappen nog eens langs te gaan. Want het is toch beter, een weinig goed, dan veel niet behoorlijk tot stand te brengen371.Theaet.Ongetwijfeld.So.Hoe zeggen wij dan nu? Immers, dat er telkens valsche meeningen zijn, en dat de een onzer het valsche, de ander het ware tot voorwerp zijner meening heeft, daar beiden werkelijk bestaan.372Theaet.Ja, dat zeggen wij.So.373Geldt nu niet voor ons ten opzigte van alle[149]dingen, dat wij ze óf kennen óf niet kennen? Want leeren en vergeten, die tusschen die twee inliggen, laat ik voor het tegenwoordige rusten; want zij zijn ons nu niet dienstig voor de redekaveling374.Theaet.Waarlijk,Socrates! dan blijft er voor ieder niets anders over dan kennen of niet kennen.So.Dus is het dan nu noodig, dat hij, die meent, meening koestert aangaande dingen, die hij kent of niet kent.Theaet.Noodzakelijk.So.Edoch iets kennende, datzelfde niet te kennen, of niet kennende, te kennen, is onmogelijk.Theaet.Hoe zou dat anders?So.Maar wanneer nu iemand valsche meening koestert, gelooft hij dan, dat hetgeen hij kent, niet dat is, maar iets anders, uit de dingen, die hij kent; zoodat hij beiden kennende, ze beiden wederom niet kent?Theaet.Dat is onmogelijk,Socrates!So.Maar houdt hij dan, hetgeen hij niet kent, voor iets anders, dat hij ook niet kent, en is375het[150]voor iemand, die nochTheaetetusnochSocrateskent, mogelijk, in zijne hersens te krijgen, datSocratesTheaetetusofTheaetetusSocratesis?Theaet.Wel neen.So.Maar wat iemand kent, houdt hij toch niet voor hetgeen hij niet kent, noch wat hij niet kent voor hetgeen hij kent.Theaet.Dat zou wel een wonder zijn.So.Hoe kan iemand dan nog valsche meening koesteren? Want het is toch niet mogelijk, buitendien nog meening te koesteren, daar wij alles kennen of niet kennen, en het daarbij nergens mogelijk schijnt, valsche meening te koesteren.Theaet.Dat is volkomen waar.So.Willen wij nu hetgeen wij zoeken, eens beschouwen, niet naar het weten en niet weten, maar naar het zijn en niet zijn?Theaet.Hoe zegt gij?So.Of het niet zonder uitzondering waar376is, dat hij, die over iets het niet zijnde meent, onvermijdelijk valsche meening koestert, hoe het ook overigens met zijn verstand gesteld is.Theaet.Dat schijnt zoo,Socrates.So.Wat zouden wij dan nu zeggen,Theaetetus![151]zoo iemand ons vroeg: is hetgeen gij daar zegt377voor iemand mogelijk, en kan eenig stervelinghetniet zijnde tot voorwerp zijner meening nemen, hetzij met betrekking tot eenig ander ding, hetzij op zich zelf? Zouden wij niet waarschijnlijk daarop zeggen: wanneer hij, geloovende ware meening te hebben, die niet heeft. Of hoe zullen wij zeggen?Theaet.Zóó.So.Heeft dit nu ergens elders plaats?Theaet.Wat?So.Bij voorbeeld, dat iemand iets ziet en toch niets ziet378.Theaet.Hoe zou dat kunnen?So.Edoch, zoo hij het één of ander ding ziet, dan ziet hij iets dat is. Of rekent gij zulk een ding onder het niet zijnde379?Theaet.Wel neen.So.Die dus iets ziet, ziet iets dat is.Theaet.Het schijnt zoo.[152]So.En die dus iets hoort, hoort het een of ander, en iets dat is.Theaet.Ja.So.En die iets betast, betast een of ander ding, en bij gevolg iets dat is.Theaet.Ook dit.So.En die meent, meent immers het een of ander?Theaet.Toegestemd.So.Nu meent immers hij, die het niet zijnde meent, niets380?Theaet.Ik geloof neen.So.Maar die niets meent, meent eigenlijk in het geheel niet?
Zoo zijn zij,Theodorus! en wilt gij nu, dat wij de mannen van onze partij beschrijven, of dat wij ze voorbijgaan en ons terstond weder tot onze redekaveling wenden264, ten einde niet, gelijk wij daareven zeiden, wat veel misbruik te maken van de vrijheid om het voorwerp der redekaveling te veranderen?Theod.Wel neen,Socrates! maar wij moeten ze beschrijven. Want gij hebt zeer juist aangemerkt,[105]dat wij niet zulke dienaars der redekaveling zijn als de menschen van die partij265, maar de redekavelingen zijd ons als het ware dienstbaar, en elke daarvan wacht om voleindigd te worden tot het ons goeddunkt, want bij ons is geen regter of toeschouwer (als bij de dichters)266, om ons te berispen en te besturen.XXIV.So.Laat ons dan, zoo als betamelijk is, daar gij het goedvindt, over de aanvoerders spreken; want waarom zou iemand spreken van hen, die zich flaauw op de wijsbegeerte toeleggen? Zij nu weten van hunne jeugd af aan, vooreerst den weg niet naar de markt, noch waar de regtbank of het raadhuis of eenige andere vergaderplaats van den staat is; en wetten of besluiten, die verhandeld worden of vroeger geschreven zijn, zien zij niet in, noch hooren er naar267. Het streven naar vereenigingen tot het[106]bekomen van posten en het houden van staatkundige bijeenkomsten en maaltijden en feesten met fluitspeelsters komt hen in den droom niet op268. En of iemand in de stad van aanzienlijke of geringe afkomst is, of er aan iemand van zijne voorouders, van vaders- of moeders- kant eenige smet kleeft, dat weet hij nog minder, dan hoeveel emmers water in de zee gaan. En hij weet niet eens, dat hij dat alles niet weet, want hij onthoudt er zich niet van uit eerzucht269, maar in waarheid is alleen zijn ligchaam in den staat aanwezig en woont daar, maar zijn geest, die dit alles voor weinig, ja voor niets acht, veracht het en zweeft volgensPindarusoveral heen, hetgeen onder de aarde en op dezelve is, berekenend, en de bovenste streken des hemels270aan sterrekundig onderzoek onderwerpend, en de algemeene wezenheid, al wat ergens bestaat, onderzoekend271, zonder zich tot een der nabijgelegene dingen af te laten.[107]Theod.Hoe meent gij dat,Socrates?So.Eveneens,Theodorus! als toen, naar men verhaalt, eene geestige en aardige Thracische slavinThales, die de sterren bestudeerde en naar boven keek en in een’ put viel, bespotte, omdat hij begeerde te weten, wat in den hemel was, maar hetgeen voor hem en bij zijne voeten was, niet wist. Want waarlijk is aan zoo iemand zijn naaste buurman onbekend, niet alleen in hetgeen hij doet, maar bijna of hij een mensch is of eenig ander wezen; maar wat toch de mensch is, en wat zulk een wezen meer dan andere moet doen en lijden, dat onderzoekt hij en legt er zich op toe, om dat uit te vorschen. Gij begrijpt toch [wat ik meen], niet waar,Theodorus?Theod.Ja zeker, en gij zegt de waarheid.So.Daarom, mijn vriend! wanneer zoo iemand, met wien dan ook, in het bijzondere of openbare leven te doen krijgt, zoo als ik in den beginne272zeide, wanneer hij in het regthuis of elders over hetgeen voor de voeten en voor oogen ligt moet spreken, dan verwekt hij gelach, niet slechts bij: Thracische[108]slavinnen, maar ook bij de andere menigte, daar hij door gebrek aan oefening273in putten en allerlei verlegenheid valt, en een gek figuur maakt, waardoor hij voor onbeschaafd wordt gehouden. Want bij het doen van verwijtingen kan hij niemand zijne bijzondere gebreken verwijten, daar hij van niemand eenig kwaad weet, omdat bij daarvan geen werk gemaakt heeft274; weshalve hij door zijne verlegenheid bespottelijk schijnt; en bij de loftuitingen en de pralerijen van anderen, blijkt het, dat hij daarover niet uiterlijk, maar in zijnen geest lacht, waardoor hij een dwaas275schijnt te wezen. Want wanneer hij eenen vorst of koning hoort gelukkig noemen, meent hij eenen herder, b. v. een zwijnendrijver, schapenhoeder of koeboer, die dapper melkt, gelukkig te hooren noemen, behalve dat zij een lastiger en weêrspanniger dier hoeden en melken, maar [hij oordeelt], dat zoodanig iemand door gebrek aan tijd niet minder boersch en onbeschaafd moet worden, dan de herders, terwijl hij zich, als in eene schaapskooi op een’ berg,[109]in zijnen burg opsluit. En wanneer hij tienduizend bunders of nog meer eene verwonderlijk groote bezitting hoort noemen276, dan meent hij zeer weinig te hooren, daar hij gewoon is, de geheele aarde te beschouwen. En de loftuiting van hen, die de aanzienlijke geslachten prijzen, [zeggende], dat iemand welgeboren is, die zeven rijke voorvaders kan aanwijzen, houdt hij voor [de taal]277van menschen, die stomp en bekrompen van gezigt zijn, daar zij door onkunde278niet in staat zijn, steeds het geheel in het oog te vatten, en te beredeneren, dat ieder ontelbaar vele duizenden279van voorouders heeft, waaronder[110]voor ieder vele duizenden rijken en armen, koningen en slaven, Barbaren en Grieken zijn; en zoo sommigen zich op een lijn van 21 voorouders verheffen en hun geslacht uitrekenen tot opHercules, den zoon vanAmphitryon, schijnt hem dat eene ongerijmde kleingeestigheid, en hij lacht, omdat zij niet inzien, dat de 25evanAmphitryonopwaarts zoo was als het toeval meêbragt, en evenzoo de 50evan dezen opwaarts gerekend, en omdat zij de opgeblazenheid hunner dwaze ziel niet kunnen afleggen. In al deze punten nu wordt zoo iemand door de menigte uitgelagchen, daar hij deels zich trotschelijk schijnt aan te stellen, deels hetgeen voor de voeten ligt niet te kennen, en telkens in de war te wezen.Theod.Gij zegt het juist zoo als het gebeurt,Socrates!XXV.So.Maar, mijn vriend! wanneer hij nu zelf iemand naar boven trekt, en wil, dat die van het klagen over aangedaan onregt280zich wende tot het beschouwen van de regtvaardigheid en onregtvaardigheid zelve, wat ieder derzelve is, en waarin zij van andere dingen of van elkaar verschillen, of van het gelukkig prijzen der koningen281en rijken tot het beschouwen van het koningrijk en van het menschelijk[111]geluk en ongeluk in het algemeen, wat zij zijn en hoe het met de natuur282van den mensch overeenkomt, het eene na te jagen, het andere te ontvlugten: wanneer die kleingeestige, scherpe, twistgierige mensch van dat alles rekenschap moet geven, dan is het zijne beurt, en daar hij duizelend, van de hoogte waarop hij geplaatst is, naar beneden ziet en door ongewoonte geen raad weet, en in benaauwdheid zit, en onzin spreekt, verwekt hij gelach, niet bij Thracische slavinnen en andere ongeleerde menschen, die het niet eens merken; maar bij allen, die anders dan slaven zijn opgevoed. Dit is beider levenswijs,Theodorus! de ééne van iemand, die waarlijk in vrijheid en ledigen tijd is opgevoed, wien gij den naam geeft van wijsgeer, die geen verwijt verdient283, omdat hij dom en nietswaardig schijnt, wanneer hij met slaafsche werkzaamheden in aanraking komt, en b. v. geen reiskoffer pakken, of taarten bakken, of pluimstrijken kan: de andere van iemand, die dat alles glad en spoedig kan uitvoeren, maar niet in staat is, zich behoorlijk voor te doen, of met betamelijke woorden de Goden en het ware levensgeluk der menschen te bezingen.Theod.Socrates!wanneer gij allen, evenzeer als mij, overtuigdet van hetgeen gij zegt, dan zou er meer vrede en minder ellende onder de menschen zijn.[112]So.Maar het is onmogelijk, dat het kwaad verga,Theodorus! daar er steeds een tegenhanger van het goed moet wezen; of dat het in de Godheid gegrond is: maar naar de wet der noodzakelijkheid kleeft het aan de menschelijke natuur en aan dezelfde plaats284. Daarom moet men ook pogen, zoo spoedig mogelijk van hier derwaarts285te vlugten. Deze vlugt bestaat in het zooveel mogelijk gelijk worden aan God286, en die gelijkheid bestaat in regtvaardig en heilig en wijs te worden. Doch, mijn beste! daar287het niet zeer gemakkelijk is [de menschen] te overtuigen, dat men[113]niet om de reden, die de menigte voor het ontvlugten der zonde en het najagen der deugd opgeeft, namelijk om niet kwaad maar goed te schijnen, de eene moet beoefenen en de andere niet, dewijl dit, naar mijn inzien, oudewijvenpraat is; zoo willen wij de waarheid op deze wijs in het licht stellen. God is volstrekt in geen opzigt onregtvaardig, maar zoo regtvaardig mogelijk; en niemand is meer aan hem gelijk, dan wie onder ons het regtvaardigste wordt. Hieraan288moet de waarachtige voortreffelijkheid, nietswaardigheid en flaauwheid van een mensch gemeten worden289. De kennis toch hiervan is waarachtige wijsheid en deugd, en de onkunde klaarblijkelijke onwetendheid en slechtheid290; maar de andere schijnbare[114]voortreffelijkheid en wijsheid is op staatkundig en wetenschappelijk gebied slechts laag en zonder waarde. Dus is het voor hem, die onregt doet en met woord of daad heiligschennis pleegt, verre het beste, hem niet toe te laten zich door onregt te laten gelden291. Want zij verheffen zich op de schande en meenen van zich te hooren zeggen, dat zij geen beuzelaars en ballasten der aarde zijn, maar mannen zooals het behoort; die zich in de maatschappij292weten te handhaven. Dus moet men de waarheid zeggen, [namelijk], dat zij meer zijn wat zij meenen niet te zijn, naarmate zij dit minder meenen, daar zij die straf der onregtvaardigheid niet kennen, die het minst onbekend mag blijven. Want het is niet die, welke zij meenen, geeselslagen en dood, waarvan soms ook volkomen onschuldigen hun deel krijgen293, maar eene straf, die niet kan ontweken worden.[115]Theod.Welke meent gij dan?So.Deze, mijn vriend! dat, terwijl er in de denkbeeldige wereld294twee toonbeelden zijn, het eene van den aan God gelijkvormigen en tevens zeer gelukkigen, het andere van den goddeloozen en tevens zeer ongelukkigen, zij, deze waarheid niet inziende, door hunne domheid en uiterste onkunde niet merken, dat zij aan het tweede door hunne onregtvaardige daden gelijk worden, en ongelijk aan het eerste, waarvoor zij dan boeten door het leiden van een leven, overeenkomstig met het toonbeeld, waarop zij gelijken. En295zoo wij zeggen, dat, zoo zij hunne bedrevenheid niet afleggen, ook na hunnen dood die van alle kwaad zuivere plaats296hen niet zal opnemen, maar dat zij in het andere leven steeds [een lot] zullen hebben, aan hunne handelwijze gelijk297, daar zij, zelve boos zijnde, alleen met boozen zullen omgaan, dan zullen zij in hunne hooge wijsheid zeker meenen de taal van krankzinnigen te hooren.Theod.Ongetwijfeld,Socrates![116]So.Ik ben er zeker van overtuigd, mijn vriend! Één ding echter gebeurt hun zeker298, [namelijk,] dat, zoo zij in een gesprek299rekenschap moeten geven en ontvangen over hetgeen zij berispen, en dit moedig een geruimen tijd willen volhouden, en niet laf op den loop gaan, eindelijk, mijn vriend! hetgeen zij zeggen hunzelven niet meer voldoet, en hunne beroemde welsprekendheid zoo zeer verwelkt, dat zij niet van kinderen schijnen te verschillen. Laat ons nu hierover, daar wij het slechts als bijzaak behandelen, uitscheiden; [want] zoo [wij dat] niet [doen], zal er steeds meer bijkomen en onze oorspronkelijke redekaveling verstikken; maar laat ons tot het vorige terugkeeren, zoo het ook u goeddunkt.Theod.Socrates!ik hoor zulke dingen niet minder gaarne; want het is voor iemand van mijne jaren gemakkelijker te volgen; zoo gij het echter verlangt, laat ons dan [tot ons onderwerp] terugkeeren.XXVI.So.Wij waren dan in onze redekaveling gekomen tot het punt, waarop wij oordeelden300,[117]dat de voorstanders der aanhoudende beweging van het zijnde301, en der waarheid van iedere meening voor den meenenden, in andere dingen, vooral in regt en onregt, willen staande houden, dat ongetwijfeld, wat een staat als zijn oordeel vaststelt, ook voor hem, zoolang het vastgesteld blijft, regt is; maar dat niemand nog moedig genoeg is, om van het goede te durven beweren, dat, wat een staat nuttig meenende, voor zich vaststelt, ook nuttig is, zoolang als het vastgesteld blijft, behalve zoo men den naam meende; maar dat zou spotten zijn met hetgeen wij zeggen302.Theod.Dat zou het.So.Men moet niet spreken van den naam, maar van de zaak in questie, die door dien naam wordt aangeduid.Theod.Natuurlijk.So.Maar zoo nu de staat iets nuttig303noemt, en dit door eene wet vaststelt, dan streeft hij daarbij naar het nuttige, en maakt alle wetten, naar zijn beste weten en vermogen, zoo nuttig mogelijk voor[118]zich zelven. Of maakt hij wel wetten met eenig ander doel?Theod.Wel neen.So.En bereikt elke staat dat doel telkens, of wordt het dikwijls gemist?Theod.Ik geloof, dat het ook wel gemist wordt.So.Nu zouden allen ditzelfde nog eerder uit dit oogpunt toestemmen, zoo men het vroeg van het geheele geslacht, waartoe ook het nuttige behoort, [namelijk], van het gebied der toekomst304. Want wanneer wij wetten maken, dan stellen wij die vast, opdat zij voor den volgenden tijd nuttig mogen zijn; en dit kunnen wij met regt het gebied der toekomst heeten.Theod.Ongetwijfeld.So.Komaan! laten wij danProtagorasof eenen anderen uit degenen, die met hem instemmen, aldus ondervragen.Protagoras!de mensch is immers,[119]volgens uwe leer, de maat van alle dingen, van het witte, zware, ligte, ja van al wat van die soort is? Want daarvan het kenmerk in zich hebbende, daar hij oordeelt zooals hij gevoelt, oordeelt hij zooals het voor hem waar en werkelijk is, niet waar?Theod.Ja.So.Maar,Protagoras! zullen wij zeggen, heeft hij dan ook het kenmerk van de toekomst in zich, en, zooals hij meent dat het wezen zal, is het ook alzoo voor den meenenden? b. v. wat het heete betreft, wanneer een ongeleerde meent, dat hij de koorts zal krijgen, en dat dus die hitte zal plaats hebben; en een ander, een arts, het tegenovergestelde meent, naar wiens meening moeten wij dan zeggen, dat het toekomstige zal uitvallen? toch niet naar die van beiden, zoodat hij voor den geneesheer niet heet noch koortsig zal worden, maar voor zich zelven beide?Theod.Dat zou inderdaad bespottelijk zijn.So.[En hierbij blijft het niet]305, maar ik meen, dat [ook] over de toekomstige zoetheid of zuurte van wijn, de meening van den landman en niet die van den harpspeler de baas is.Theod.Natuurlijk.So.En over hetgeen goed of kwaad zal klinken, zou een schoolmeester niet beter kunnen oordeelen, dan een musicus, zelfs over hetgeen de schoolmeester zelf later goed of kwalijk klinkend zal vinden.[120]Theod.Wel neen!So.Dus is ook het oordeel van eenen, die smullen zal, maar geene kookkunst verstaat, bij het bereiden van het feest, ten opzigte van den toekomstigen lekkeren smaak, van minder belang dan dat van den pasteibakker. Want wij willen nu over hetgeen voor ieder lekker is of geweest is volstrekt niet met het stelsel twisten, maar, of ieder voor zich zelven de beste beoordeelaar is van hetgeen voor hem zal schijnen en zijn. Zoudt gij,Protagoras! niet beter dan eenig ongeleerde te voren kunnen oordeelen, wat in eene geregtelijke redevoering ieder onzer geloofwaardig zal voorkomen?Theod.Wel zeker,Socrates! juist hierin beweerde hij ver boven allen uit te munten.So.BijZeus, mijn waardste! niemand zou zijn onderwijs voor veel geld gezocht hebben, zoo hij zijne leerlingen had overtuigd, dat ook hetgeen zou wezen en schijnen, door geen wigchelaar of iemand anders beter zou kunnen beoordeeld worden, dan door ieder voor zich zelven306.[121]Theod.Dat is zeer waar.So.Dus stellen de wetgevingen zich het nut in de toekomst voor, en ieder moet toestemmen307, dat een staat, die wetten maakt, noodzakelijk dikwijls het nuttigste niet treffen kan.Theod.Ongetwijfeld.So.Dus zullen wij met regt uwen leermeester oproepen om toe te stemmen, dat de een wijzer dan de ander is, en dat de zoodanige maat is; maar dat ik, die onkundig ben, volstrekt niet in de noodzakelijkheid ben van maat te worden, hoewel in de daareven voor hem gehoudene pleitrede beweerd werd, dat ik zulks willens of onwillens wezen moest.Theod.Ik geloof,Socrates! dat zijn stelsel vooral hierin mank gaat, en tevens daarin, dat het ook de gevoelens der anderen, die zijne meeningen, zoo als wij zagen, verwerpen, als waar moet erkennen.So.Zulk een stelsel,Theodorus! gaat nog in vele andere punten mank, [daar het telkens blijkt,] dat niet alle meeningen, die ieder koestert, waar zijn; maar van de uit ieders tegenwoordigen toestand308ontspruitende[122]gevoelsaandoeningen en de daaraan zich hechtende meeningen is het moeijelijker te bewijzen, dat zij niet waar309zijn. Misschien echter zeg ik niets310, daar zij welligt onwederlegbaar zijn, en degenen, die ze voor klaarblijkelijke kennis houden, misschien de waarheid zeggen, en onzeTheaetetusniet mis geoordeeld heeft, toen hij gevoel en kennis hetzelfde noemde. Dus moeten wij naderbij komen, gelijk de verdedigingsrede vanProtagorasvoorschreef, en die leer der eeuwige beweging onderzoeken, daartegen kloppende, [om te hooren] of zij eenen zuiveren of eenen zieken klank geeft311. En de strijd hierover is niet gering en niet tegen weinigen.XXVII.Theod.Het is er ver van af, dat de strijd tegen die meening gering is, daar zij integendeel in de streken vanJoniezeer bloeit, want de navolgers vanHeraclietstaan dezelve krachtig voor.So.Daarom, mijn waardeTheodorus! moeten wij haar des te meer beschouwen en wel van voren af aan, gelijk zij voorgaan.[123]Theod.Dat is opperbest. Want,Socrates! wat die navolgers vanHeracliet, of, zoo als gij zegt, vanHomerus312en van nog ouderen aangaat, met die teEphesus, welke voorwenden deze leer te verstaan, is het niet méér mogelijk te spreken dan met razenden. Want zij zijn in waarheid even bewegelijk als zij schrijven, en bij eene stelling of een vraagstuk te blijven en kalm op hunne beurt te antwoorden en te vragen, wordt onder hen in het minst niet gevonden; ja, rust is in hen nog minder dan in het geheel niet, maar, zoo gij iemand [hunner] iets vraagt, haalt hij als uit een’ pijlkoker korte raadselachtige gezegden en schiet die af, en zoo gij hem rekenschap vraagt, wat hij gezegd heeft, dan wordt gij getroffen313met een ander van vreemde beteekenis, maar gij zult met niemand hunner ooit iets vorderen, en ook zij met elkander niet; maar zij zorgen wel, noch in hunne woorden, noch in hunne zielen iets bestendigs te laten, daar zij dat, geloof ik, voor stilstand houden, waartegen zij met geweld strijden en dien zij zoo veel mogelijk overal uitwerpen.So.Misschien,Theodorus! hebt gij die menschen al strijdend bijgewoond, maar ze niet in vrede gevonden; want zij zijn uwe vrienden niet314. Maar ik geloof,[124]dat zij die dingen aan hunne leerlingen, die zij aan zich gelijk willen maken, op hun gemak uitleggen.Theod.Wat leerlingen! mijn vriend! Bij hen is niemand leerling van een ander, maar zij komen van zelfs op, naarmate ieder hunner den geest krijgt, en de een houdt den ander voor een weetniet. Van hen nu, zoo als ik zeide, zoudt gij nooit goedschiks of kwaadschiks315rekenschap krijgen; maar men moet hen zelven als vraagstuk nemen316en onderzoeken.So.Dat zegt gij goed. Maar hebben wij niet het vraagstuk ontvangen van de ouden, die in een dichterlijk kleed voor de menigte verborgen317, dat de oorsprong van alles, Oceaan en Tethys, stroomen zijn, en dat niets staat, en van de lateren, die het, daar zij geleerder waren, openlijk verkondigden, opdat ook de schoenlappers318, dat hoorende, hunne wijsheid zouden[125]overnemen, en niet langer in hunne onnoozelheid zouden meenen, dat sommige dingen stilstaan en andere zich bewegen, maar geleerd hebbende, dat alles in beweging is, hen zouden vereeren? Maar,Theodorus! ik was bijna vergeten, dat anderen het tegendeel hiervan hebben beweerd, [namelijk,] dat aan het al slechts de naam van het onveranderlijk zijn toekomt319, en dat, gelijkMelissusenParmenidestegen al dat [vorige] volhouden, het al één is, en in zich zelf gegrond vaststaat, zonder plaats om in te bewegen. Mijn vriend! hoe zullen wij ons omtrent die allen gedragen? want terwijl wij langzaam voortgingen, zijn wij ongevoelig tusschen die twee partijen ingekomen,320en zoo wij ons er niet door weten te slaan, zullen wij boeten, gelijk zij, die bij de ligchaamsoefeningen al spelend op den streep komen en door den troep aan weerskanten gegrepen, naar twee verschillende zijden getrokken worden321. Ik ben dus[126]van oordeel, dat wij eerst die partij moeten beschouwen, waarmede wij nu bezig zijn, [namelijk] de vloeijenden. En zoo zij iets van belang schijnen te zeggen, zullen wij ons zelven met hen mede laten trekken en de anderen pogen te ontvlugten; maar zoo zij, die het al doen stil staan, meer waarheid schijnen te spreken, zullen wij tot hen vlugten en diegenen ontwijken, die zelfs het onbeweeglijke bewegen. Maar zoo geen van beiden iets goeds schijnt te zeggen, dan staan wij bloot aan bespotting, daar wij, geringe lieden, zelve iets meenen te zeggen en zulke oude en doorgeleerde menschen verwerpen. Zie nu eens,Theodorus! of het de moeite waard is, zich aan zulk een gevaar bloot te stellen.Theod.Socrates!wij moeten volstrekt niet dralen met te onderzoeken, wat beide partijen zeggen.XXVIII.So.Wanneer gij er zoo zeer naar verlangt, moet het onderzocht worden. Ik geloof dus, dat het begin van het onderzoek naar de beweging moet gemaakt worden [met de vraag], wat toch zij meenen, die beweren, dat alles in beweging is322. Dit nu is hetgeen ik bedoel: of zij van ééne soort derzelve, of, gelijk mij voorkomt, van twee soorten spreken. Doch dit moet niet aan mij alleen zoo voorkomen, maar neem gij er deel aan, opdat, zoo het noodig is, wij ons lot deelen, en zeg mij: noemt gij het geen bewegen, wanneer iets de eene plaats met de andere verruilt,[127]of wanneer het zich in dezelfde plaats omwentelt?323Theod.Dat doe ik.So.Dit zij dan de ééne soort. Maar wanneer nu [iets] op dezelfde plaats blijft, maar oud, of van wit zwart, of van zacht hard wordt, of op eenige andere wijs verandert, wordt dat dan niet met regt als eene andere soort van beweging beschouwd?Theod.Ik geloof van ja.So.Het kan niet anders. Dus noem ik deze twee soorten van beweging: verandering en de andere plaatsverwisseling324.Theod.Dat zegt gij goed.[128]So.Laat ons nu, na dit alzoo verdeeld te hebben, hen aanspreken, die zeggen, dat alles in beweging is, en hen vragen: zegt gij, dat alles op beide wijzen in beweging is, en dus tevens van plaats verwisselt en verandert? of het eene op beide wijzen, het andere op ééne der twee?Theod.BijZeus! ik weet niet, wat ik zeggen moet, maar ik geloof, dat zij zeggen zouden: op beide wijzen.So.Zoo zij dat niet doen, mijn vriend! dan zal het hun schijnen te bewegen en stil te staan, en het zal niet beter zijn te zeggen, dat alles in beweging is, dan dat alles stil staat325.Theod.Gij zegt volkomen de waarheid.So.Daar het dus in beweging moet zijn en het niet in beweging zijn nergens wezen mag, wordt alles altijd volgens beide soort van beweging326bewogen.Theod.Dat is noodig.So.Onderzoek er dan nog eens dit van. Zeiden wij niet327, dat wij den oorsprong van warmte, of[129]witheid, of wat dan ook aldus stellen, dat ieder dier dingen tegelijk met de waarneming zich tusschen het bedrijvende en het lijdende beweegt, zoodat het lijdende waarnemend, maar daarom nog niet waarneming wordt, en het bedrijvende hoedanig, maar niet hoedanigheid? Misschien echter schijnt het woordhoedanigheid328u vreemd, zoodat gij die algemeene uitdrukking niet vat. Ik wil het u dan met voorbeelden ophelderen329. Het bedrijvende wordt geen warmte of witheid, maar warm of wit, en het overige even zoo. Want gij herinnert u wel, dat wij in het vorige alzoo zeiden: dat niets op zich zelf is, noch het bedrijvende, noch het lijdende, maar dat zij, door hunne zamenkomst de gevoelsaandoeningen en de gevoelde dingen330voortbrengende, deels met eene bepaalde hoedanigheid voorzien, deels voelend worden331.[130]Theod.Ik herinner het mij; hoe zou ik het vergeten zijn?332So.Laat ons dus het andere laten rusten, [en niet onderzoeken,] of zij dat anders of aldus meenen, maar nu alleen datgene in het oog houden, waarover333wij spreken, vragende: alles is, naar gij zegt, in beweging en vloeijing, niet waar?Theod.Ja.So.Dus met beide bewegingen, waarin wij het verdeeld hebben, [namelijk] de plaatsverwisseling en de verandering?Theod.Natuurlijk: daar het volkomen in beweging moet wezen.So.Zoo het nu alleen van plaats wisselde, en niet veranderde, dan zouden wij kunnen zeggen, welke bewogene dingen van plaats wisselen, of hoe zeggen wij?334Theod.Alzoo.So.Maar daar nu zelfs dit niet blijft, dat b. v. het witte van plaats wisselt, maar verandert, zoodat[131]ook de witheid zelve wegvloeit en in eene andere kleur overgaat, om niet in dat opzigt stil te staan, is het dan mogelijk, eenige kleur met eenen goeden naam te bestempelen?Theod.Hoe is dat hiervan of van eenige andere dergelijke zaak mogelijk,Socrates! daar het in beweging zijnde steeds aan den sprekende ontvliedt335?So.Maar wat zullen wij nu van elke gevoelsaandoening zeggen, b. v., van het zien of hooren? Dat zij ooit blijft wat zij is, namelijk zien of hooren336?Theod.Daar alles in beweging is, mag dat niet.So.Dus mogen wij ook, wanneer alles in alle opzigten in beweging is, het woordzienniet meer bezigen dan het woordniet zien, en van niet ééne gevoelsaandoening meer dan van de tegenovergestelde spreken.Theod.Wel neen.So.Edoch gevoel is kennis337, zoo als ik enTheaetetusbeweerd hebben.[132]Theod.Ja.So.Dus hebben wij op de vraag, wat kennis is, een antwoord gegeven, dat zoowel kennis als niet-kennis uitdrukt.Theod.Dat schijnt zoo.So.Dus hebben wij eene fraaije bevestiging van ons antwoord338gekregen, daar wij, om dat antwoord te kunnen redden, poogden aan te toonen, dat alles in beweging is. Want nu schijnt het uitgemaakt, dat, zoo alles in beweging is, ieder antwoord, op elke vraag, even waar is, en dat wij mogen zeggen, dat het zoo is en niet zoo is, of, indien gij wilt, wordt, opdat wij hen339niet door onze woorden tot stilstand nopen.Theod.Gij zegt goed.So.Behalve,Theodorus! dat ik sprak van zóó en niet zóó. Want340wij moeten dat woordzóóniet[133]eens bezigen; want als het zóó was, dan was het niet meer in beweging; noch ookniet-zóó, want ook dit is geene beweging; maar wij moeten voor hen, die deze leer verkondigen, eene andere uitdrukking verzinnen, daar zij voor hunne meening geen woorden hebben, behalve misschien:in het geheel niet. Dit toch zou hun nog het beste passen, wanneer het zoo onbepaald mogelijk genomen werd.Theod.Deze uitdrukking past hun ten minste vrij goed.So.Dus,Theodorus! wij zijn met uwen vriend klaar gekomen, en geven hem nog niet toe, dat ieder mensch, ook de onverstandige, de maat is van alle dingen; en volgens de leer, dat alles beweegt, zullen wij niet toestemmen, dat het gevoel kennis is. OfTheaetetusmoest iets anders zeggen.Theod.Socrates!gij zegt daar iets heel goeds, want nu dit klaar is, moet ook ik volgens de overeenkomst341er van af zijn om u te antwoorden, daar de redekaveling overProtagorasuit is.XXIX.Theaet.Och neen,Theodorus! niet voordatSocratesen gij ook hen, die alles doen stil staan, gelijk gij daareven voornemens waart342, hebt behandeld.[134]Theod.Theaetetus!leert gij, die nog zoo jong zijt, andere menschen onregt plegen en hunne overeenkomsten overtreden? [Dat zal niet gebeuren], maar houd u gereed, omSocratesover de rest te woord te staan.Theaet.Wanneer hij ten minste wil. Ik zou echter daarover liever hooren.Theod.Gij roept ruiters in de vlakte343, zoo gijSocratestot redekavelingen roept: vraag dan maar op, en gij zult het hooren.So.[Dat is waar],Theodorus! en toch heb ik geen plan, aan het verzoek vanTheaetetusgehoor te geven.Theod.Waarom niet?So.Hoewel ik door schaamte weêrhouden werd, omMelissusen de anderen, die leeren, dat het al één en stilstaand is, oppervlakkig te beoordeelen, heb ik echter voor hen allen nog minder eerbied dan voorParmenidesalleen.Parmenidestoch schijnt mij, om metHomeruste spreken, te gelijk eerwaardig en ontzaginboezemend. Want, toen ik nog zeer jong was en hij reeds zeer oud, heb ik hem ontmoet, en het kwam mij voor, dat hij begaafd was met echte diepzinnigheid344.[135]Daarom vrees ik, dat wij de woorden niet zouden verstaan en den zin nog veel minder vatten345, en wat het ergste is, dat het eigenlijke doel onzer redekaveling, de vraag wat kennis is, zoo wij ons aan de zich indringende redekavelingen stoorden346, onbehandeld zou blijven; vooral daar het uitgebreide onderwerp, dat wij daareven aanroerden, in het voorbijgaan niet behoorlijk kan behandeld worden, en zoo het behoorlijk behandeld werd, door zijnen omvang het onderzoek naar de kennis zou in de schaduw stellen. Geen van beiden echter mag plaats hebben, maar wij moeten347Theaetetusdoor onze vroedkunst pogen[136]te verlossen van hetgeen, waarvan hij ten opzigte der kennis zwanger is.Theod.Wij moeten dan maar zóó doen, indien gij het goedvindt.So.Theaetetus!onderzoek dan nog eens dit aangaande het gezegde. Gij hebt immers geantwoord, dat kennis gevoel is?Theaet.Ja.So.Zoo dan nu iemand u aldus vroeg: Waarmede ziet iemand het witte en het zwarte, en waarmede hoort hij het hooge en het lage? dan zoudt gij, geloof ik, zeggen: met zijne oogen en ooren.Theaet.Ja.So.Over het geheel nu is het een bewijs van vrijzinnigheid, wanneer men gemakkelijk is omtrent woorden en uitdrukkingen, en die niet naauwkeurig uitpluist, daar veeleer het tegenovergestelde een blijk is van bekrompenheid; maar soms348is dit noodzakelijk, gelijk het nu noodig is, uw antwoord, voor zoo ver het niet juist is, te gispen349: want zie eens, welk antwoord juister is: dat de oogen dat zijn, waarmede, of dat, waardoorwij zien; en de ooren dat, waarmede, of dat, waardoor350wij hooren?[137]Theaet.Socrates! ik houd dat waardoor, voor juister, dan dat waarmede wij alles waarnemen.So.Het zou dan ook erg zijn, jongelief! zoo in ons, als in houten paarden351, zinnen zaten, en niet dit alles op één wezen, het moge dan ziel heeten of iets anders, zamenliep, waarmede wij door die dingen352als door werktuigen alles waarnemen, wat zinnelijk waarneembaar is.Theaet.Ik geloof dan ook het laatste meer dan het eerste.So.Maar waarom behandel ik dit voor u zoo uitvoerig? [Om te onderzoeken], of wij met één en hetzelfde deel van ons wezen353door de oogen het witte en het zwarte bereiken, en door de andere [zintuigen][138]andere dingen; en of gij, er naar gevraagd zijnde, dit alles op het ligchaam zoudt kunnen te huis brengen. Maar misschien is het beter, dat gij het liever354zelf door uwe antwoorden te kennen geeft, dan dat ik mij om u vermoei. Zeg mij dan: hetgeen, waardoor gij het warme en harde en ligte en zoete waarneemt, houdt gij dat alles voor tot het ligchaam behoorend, of tot iets anders?Theaet.Tot niets anders.So.Zoudt gij ook willen toestemmen, dat het onmogelijk is, wat gij door den éénen zin waarneemt, door den anderen waar te nemen, bij voorbeeld, wat gij door het gehoor waarneemt, door het gezigt, of wat gij door het gezigt waarneemt, door het gehoor?Theaet.Waarom niet?So.Zoo gij dus iets omtrent beiden denkt, zoudt gij dat noch door het ééne, noch door het andere zintuig van beiden kunnen waarnemen.Theaet.Wel neen.[139]So.Maar gij denkt toch aangaande geluid en kleur vooreerst ditzelfde van beiden, dat beidenzijn?Theaet.Ja.So.Immers ook, dat ieder, ten opzigte van den anderen, wat anders, ten opzigte van zich zelven hetzelfde is?Theaet.Natuurlijk.So.En dat zij te zamen twee zijn, en ieder afzonderlijk één is?Theaet.Ook dat.So.Kunt gij ook beschouwen, of zij ongelijk of gelijk aan elkander zijn?Theaet.Misschien wel.So.Waardoor nu denkt gij dat alles aangaande hen? Want het is toch niet mogelijk, door het gehoor of gezigt het algemeene in beiden te vatten355. Want zoo het mogelijk was beiden te onderzoeken, of zij zout zijn of niet, dan zoudt gij wel zeker in staat zijn te zeggen, waarmede gij het zoudt onderzoeken; en dat schijnt geen gezigt of gehoor, maar iets anders te wezen.Theaet.Natuurlijk: te weten de zin, die in de tong is gevestigd.So.Dat zegt gij goed. Maar welke zin maakt u nu bekend met het aan allen en [dus] ook aan deze gemeenschappelijke, namelijk met het zijn en niet zijn[140]en wat wij daareven verder over dezelve vroegen356? Welke zintuigen zult gij voor dit alles opgeven, door welke datgene ze waarneemt, wat in ons alles waarneemt?Theaet.Gij meent het zijn en niet zijn, de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit en onderscheidenheid357, de eenheid en de andere hoeveelheden,[141][die wij] van dezelve [opgeven]. Natuurlijk vraagt gij ook, door welk zintuig wij toch het evene en onevene, en wat daar verder bij hoort, met de ziel waarnemen358?So.Theaetetus!gij volgt mij uitstekend, want dit is juist hetgeen ik vraag.Theaet.Maar waarlijk,Socrates! ik kan niet anders zeggen, dan dat, naar mij voorkomt, daarvoor in het geheel geen afzonderlijk zintuig bestaat, zooals voor die anderen, maar dat de ziel zelve door zich zelve die algemeene op alles toepasselijke dingen beschouwt.So.[Ik heb schik in u],Theaetetus! want gij zijt schoon359, en niet leelijk, zooalsTheodoruszeide. Hij toch, die schoon kan spreken, is schoon en goed. En behalve dat schoone [in uw antwoord], hebt gij goed[142]gedaan, door mij van eene zeer lange redekaveling te verlossen, zoo het u voorkomt, dat de ziel het eene zelve door zich zelve waarneemt, het andere door de zintuigen. Dit toch kwam mij zoo voor, maar ik wilde, dat het ook u zoo voorkwam360.Theaet.Welnu, het komt mij zoo voor.XXX.So.Tot welke soort nu rekent gij het zijn? Dit toch is het meest algemeene.Theaet.Tot die dingen, welke de ziel zelve op zich zelve bereikt.So.Rekent gij daartoe ook de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit en onderscheidenheid?Theaet.Ja.So.En de schoonheid en de leelijkheid, de goedheid en de kwaadheid?Theaet.Ik geloof, dat de ziel ook vooral hunne wezenheid361beschouwt, wanneer zij bij zich zelve het[143]verledene en tegenwoordige in betrekking tot elkander en tot het toekomstige beschouwt362.So.Houd op363! [en antwoord mij liever op deze vraag]. Neemt zij niet de hardheid van het harde door den tastzin waar, en de zachtheid van het zachte insgelijks?Theaet.Ja.So.Maar het zijn, en de wezenheid, en de onderlinge tegenstelling, en de wezenheid der tegenstelling zoekt onze ziel zelve te beoordeelen, door zich tot die dingen te wenden en ze met elkander te vergelijken.Theaet.Zeer zeker.So.Is het nu niet door de natuur aan menschen en dieren gegeven, sommige dingen terstond na hunne geboorte waar te nemen, [namelijk] al de aandoeningen, die door het ligchaam tot de ziel komen; terwijl de redeneringen over hunne wezenheid en nuttigheid moeijelijk en langzaam en met veel arbeid en[144]studie het deel worden van die [weinigen], wier deel zij worden?Theaet.Zeer zeker.So.Is het nu mogelijk, dat hij, die de waarheid bereikt, de wezenheid niet [bereiken kan]?Theaet.Neen.So.Maar kan iemand ooit datgene kennen, waarvan hij de wezenheid niet bereiken kan?Theaet.Hoe zou dat mogelijk zijn,Socrates?So.Dus is er geene kennis in de aandoeningen der zinnen, maar in de redekaveling over dezelve364: want in de laatste is het mogelijk de wezenheid en de waarheid te bereiken, maar in de eerste niet.Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar noemt gij nu die twee, die zoo verschillen365, hetzelfde?Theaet.Dat zou onbillijk zijn.[145]So.Welken naam geeft gij nu aan het zien, hooren, rieken, koud of warm zijn?Theaet.Geen anderen dan dien van gevoelsaandoeningen.So.Dus noemt gij ze met één woord: gevoel.Theaet.Dat is noodzakelijk.So.En dit kan de waarheid niet bereiken, daar het de wezenheid niet bereiken kan?Theaet.Neen.So.Dus ook de kennis niet?Theaet.Neen.So.Dus,Theaetetus! kan gevoel en kennis nooit hetzelfde zijn?Theaet.Het schijnt van neen,Socrates! en vooral door het laatste is het zeer duidelijk geworden, dat kennis iets anders is dan gevoel.So.Maar wij zijn geenszins daarom aan het onderzoeken gegaan, opdat wij vinden zouden, wat de kennisnietis, maar wat zijwelis366. Wij zijn echter zooveel gevorderd, dat wij haar in het geheel niet meer in het gevoel zoeken, maar in datgene, wat de ziel heeft, wanneer zij zelve op zich zelve met het zijnde bezig is.Theaet.Dit nu,Socrates! wordt, geloof ik, meening genoemd.[146]So.Uw geloof is goed, mijn waarde367! En onderzoek dan nu eens van voren af aan, met wegdenking368van al het vorige, of gij nu iets meer ziet, nadat gij zoover gevorderd zijt, en zeg wederom, wat kennis is.XXXI.Theaet.Het is onmogelijk,Socrates! alle meening voor kennis te verklaren, daar er ook valsche meening is; maar de ware meening schijnt kennis te wezen, en dit zij dan mijn antwoord. Want zoo dit evenmin als het vorige tegen verder onderzoek bestand is, dan zullen wij trachten iets anders te zeggen.So.Het is beter,Theaetetus! zoo bereidwillig uwe meening te zeggen, dan, gelijk in den beginne, met antwoord geven te talmen. Want zoo wij alzoo doen, dan [zal] een van beiden [gebeuren]: óf wij zullen vinden, waar wij naar streven, óf wij zullen minder meenen te weten, wat wij volstrekt niet weten; en zulk een loon zou toch niet verwerpelijk wezen. Wat zegt gij dan nu? Bepaalt gij, na de meening in twee soorten, de ware en de valsche, verdeeld te hebben, de ware meening als kennis?[147]Theaet.Ja: want dit komt mij nu zoo voor.So.Is het dan nu niet noodig, de meening nog eens van voren af aan te onderzoeken369?Theaet.Hoe meent gij dat?So.Nu en bij andere gelegenheden word ik dikwijls in onzekerheid gebragt, wat ik denken en spreken moet, doordien ik niet in staat ben te zeggen, wat dat voor eene aandoening in ons is, en hoe zij ontstaat370.Theaet.Wat meent gij toch?So.Het hebben van valsche meening. Ik ben het dan ook nu nog niet met mij zelven eens, of wij het moeten laten rusten, of het op eene andere wijs dan daareven beschouwen.Theaet.Waarom [zoudt gij het laatste] niet [doen],[148]Socrates? Houdt gij het er niet voor, dat wij het, hoe dan ook, moeten onderzoeken? Daareven toch hebt gij,Theodorusvan den ledigen tijd sprekende, zoo goed gezegd, dat bij zulke dingen niets ons dringt.So.Dat brengt gij mij juist van pas te binnen. Want misschien is het niet ondienstig, als het ware onze voetstappen nog eens langs te gaan. Want het is toch beter, een weinig goed, dan veel niet behoorlijk tot stand te brengen371.Theaet.Ongetwijfeld.So.Hoe zeggen wij dan nu? Immers, dat er telkens valsche meeningen zijn, en dat de een onzer het valsche, de ander het ware tot voorwerp zijner meening heeft, daar beiden werkelijk bestaan.372Theaet.Ja, dat zeggen wij.So.373Geldt nu niet voor ons ten opzigte van alle[149]dingen, dat wij ze óf kennen óf niet kennen? Want leeren en vergeten, die tusschen die twee inliggen, laat ik voor het tegenwoordige rusten; want zij zijn ons nu niet dienstig voor de redekaveling374.Theaet.Waarlijk,Socrates! dan blijft er voor ieder niets anders over dan kennen of niet kennen.So.Dus is het dan nu noodig, dat hij, die meent, meening koestert aangaande dingen, die hij kent of niet kent.Theaet.Noodzakelijk.So.Edoch iets kennende, datzelfde niet te kennen, of niet kennende, te kennen, is onmogelijk.Theaet.Hoe zou dat anders?So.Maar wanneer nu iemand valsche meening koestert, gelooft hij dan, dat hetgeen hij kent, niet dat is, maar iets anders, uit de dingen, die hij kent; zoodat hij beiden kennende, ze beiden wederom niet kent?Theaet.Dat is onmogelijk,Socrates!So.Maar houdt hij dan, hetgeen hij niet kent, voor iets anders, dat hij ook niet kent, en is375het[150]voor iemand, die nochTheaetetusnochSocrateskent, mogelijk, in zijne hersens te krijgen, datSocratesTheaetetusofTheaetetusSocratesis?Theaet.Wel neen.So.Maar wat iemand kent, houdt hij toch niet voor hetgeen hij niet kent, noch wat hij niet kent voor hetgeen hij kent.Theaet.Dat zou wel een wonder zijn.So.Hoe kan iemand dan nog valsche meening koesteren? Want het is toch niet mogelijk, buitendien nog meening te koesteren, daar wij alles kennen of niet kennen, en het daarbij nergens mogelijk schijnt, valsche meening te koesteren.Theaet.Dat is volkomen waar.So.Willen wij nu hetgeen wij zoeken, eens beschouwen, niet naar het weten en niet weten, maar naar het zijn en niet zijn?Theaet.Hoe zegt gij?So.Of het niet zonder uitzondering waar376is, dat hij, die over iets het niet zijnde meent, onvermijdelijk valsche meening koestert, hoe het ook overigens met zijn verstand gesteld is.Theaet.Dat schijnt zoo,Socrates.So.Wat zouden wij dan nu zeggen,Theaetetus![151]zoo iemand ons vroeg: is hetgeen gij daar zegt377voor iemand mogelijk, en kan eenig stervelinghetniet zijnde tot voorwerp zijner meening nemen, hetzij met betrekking tot eenig ander ding, hetzij op zich zelf? Zouden wij niet waarschijnlijk daarop zeggen: wanneer hij, geloovende ware meening te hebben, die niet heeft. Of hoe zullen wij zeggen?Theaet.Zóó.So.Heeft dit nu ergens elders plaats?Theaet.Wat?So.Bij voorbeeld, dat iemand iets ziet en toch niets ziet378.Theaet.Hoe zou dat kunnen?So.Edoch, zoo hij het één of ander ding ziet, dan ziet hij iets dat is. Of rekent gij zulk een ding onder het niet zijnde379?Theaet.Wel neen.So.Die dus iets ziet, ziet iets dat is.Theaet.Het schijnt zoo.[152]So.En die dus iets hoort, hoort het een of ander, en iets dat is.Theaet.Ja.So.En die iets betast, betast een of ander ding, en bij gevolg iets dat is.Theaet.Ook dit.So.En die meent, meent immers het een of ander?Theaet.Toegestemd.So.Nu meent immers hij, die het niet zijnde meent, niets380?Theaet.Ik geloof neen.So.Maar die niets meent, meent eigenlijk in het geheel niet?
Zoo zijn zij,Theodorus! en wilt gij nu, dat wij de mannen van onze partij beschrijven, of dat wij ze voorbijgaan en ons terstond weder tot onze redekaveling wenden264, ten einde niet, gelijk wij daareven zeiden, wat veel misbruik te maken van de vrijheid om het voorwerp der redekaveling te veranderen?Theod.Wel neen,Socrates! maar wij moeten ze beschrijven. Want gij hebt zeer juist aangemerkt,[105]dat wij niet zulke dienaars der redekaveling zijn als de menschen van die partij265, maar de redekavelingen zijd ons als het ware dienstbaar, en elke daarvan wacht om voleindigd te worden tot het ons goeddunkt, want bij ons is geen regter of toeschouwer (als bij de dichters)266, om ons te berispen en te besturen.XXIV.So.Laat ons dan, zoo als betamelijk is, daar gij het goedvindt, over de aanvoerders spreken; want waarom zou iemand spreken van hen, die zich flaauw op de wijsbegeerte toeleggen? Zij nu weten van hunne jeugd af aan, vooreerst den weg niet naar de markt, noch waar de regtbank of het raadhuis of eenige andere vergaderplaats van den staat is; en wetten of besluiten, die verhandeld worden of vroeger geschreven zijn, zien zij niet in, noch hooren er naar267. Het streven naar vereenigingen tot het[106]bekomen van posten en het houden van staatkundige bijeenkomsten en maaltijden en feesten met fluitspeelsters komt hen in den droom niet op268. En of iemand in de stad van aanzienlijke of geringe afkomst is, of er aan iemand van zijne voorouders, van vaders- of moeders- kant eenige smet kleeft, dat weet hij nog minder, dan hoeveel emmers water in de zee gaan. En hij weet niet eens, dat hij dat alles niet weet, want hij onthoudt er zich niet van uit eerzucht269, maar in waarheid is alleen zijn ligchaam in den staat aanwezig en woont daar, maar zijn geest, die dit alles voor weinig, ja voor niets acht, veracht het en zweeft volgensPindarusoveral heen, hetgeen onder de aarde en op dezelve is, berekenend, en de bovenste streken des hemels270aan sterrekundig onderzoek onderwerpend, en de algemeene wezenheid, al wat ergens bestaat, onderzoekend271, zonder zich tot een der nabijgelegene dingen af te laten.[107]Theod.Hoe meent gij dat,Socrates?So.Eveneens,Theodorus! als toen, naar men verhaalt, eene geestige en aardige Thracische slavinThales, die de sterren bestudeerde en naar boven keek en in een’ put viel, bespotte, omdat hij begeerde te weten, wat in den hemel was, maar hetgeen voor hem en bij zijne voeten was, niet wist. Want waarlijk is aan zoo iemand zijn naaste buurman onbekend, niet alleen in hetgeen hij doet, maar bijna of hij een mensch is of eenig ander wezen; maar wat toch de mensch is, en wat zulk een wezen meer dan andere moet doen en lijden, dat onderzoekt hij en legt er zich op toe, om dat uit te vorschen. Gij begrijpt toch [wat ik meen], niet waar,Theodorus?Theod.Ja zeker, en gij zegt de waarheid.So.Daarom, mijn vriend! wanneer zoo iemand, met wien dan ook, in het bijzondere of openbare leven te doen krijgt, zoo als ik in den beginne272zeide, wanneer hij in het regthuis of elders over hetgeen voor de voeten en voor oogen ligt moet spreken, dan verwekt hij gelach, niet slechts bij: Thracische[108]slavinnen, maar ook bij de andere menigte, daar hij door gebrek aan oefening273in putten en allerlei verlegenheid valt, en een gek figuur maakt, waardoor hij voor onbeschaafd wordt gehouden. Want bij het doen van verwijtingen kan hij niemand zijne bijzondere gebreken verwijten, daar hij van niemand eenig kwaad weet, omdat bij daarvan geen werk gemaakt heeft274; weshalve hij door zijne verlegenheid bespottelijk schijnt; en bij de loftuitingen en de pralerijen van anderen, blijkt het, dat hij daarover niet uiterlijk, maar in zijnen geest lacht, waardoor hij een dwaas275schijnt te wezen. Want wanneer hij eenen vorst of koning hoort gelukkig noemen, meent hij eenen herder, b. v. een zwijnendrijver, schapenhoeder of koeboer, die dapper melkt, gelukkig te hooren noemen, behalve dat zij een lastiger en weêrspanniger dier hoeden en melken, maar [hij oordeelt], dat zoodanig iemand door gebrek aan tijd niet minder boersch en onbeschaafd moet worden, dan de herders, terwijl hij zich, als in eene schaapskooi op een’ berg,[109]in zijnen burg opsluit. En wanneer hij tienduizend bunders of nog meer eene verwonderlijk groote bezitting hoort noemen276, dan meent hij zeer weinig te hooren, daar hij gewoon is, de geheele aarde te beschouwen. En de loftuiting van hen, die de aanzienlijke geslachten prijzen, [zeggende], dat iemand welgeboren is, die zeven rijke voorvaders kan aanwijzen, houdt hij voor [de taal]277van menschen, die stomp en bekrompen van gezigt zijn, daar zij door onkunde278niet in staat zijn, steeds het geheel in het oog te vatten, en te beredeneren, dat ieder ontelbaar vele duizenden279van voorouders heeft, waaronder[110]voor ieder vele duizenden rijken en armen, koningen en slaven, Barbaren en Grieken zijn; en zoo sommigen zich op een lijn van 21 voorouders verheffen en hun geslacht uitrekenen tot opHercules, den zoon vanAmphitryon, schijnt hem dat eene ongerijmde kleingeestigheid, en hij lacht, omdat zij niet inzien, dat de 25evanAmphitryonopwaarts zoo was als het toeval meêbragt, en evenzoo de 50evan dezen opwaarts gerekend, en omdat zij de opgeblazenheid hunner dwaze ziel niet kunnen afleggen. In al deze punten nu wordt zoo iemand door de menigte uitgelagchen, daar hij deels zich trotschelijk schijnt aan te stellen, deels hetgeen voor de voeten ligt niet te kennen, en telkens in de war te wezen.Theod.Gij zegt het juist zoo als het gebeurt,Socrates!XXV.So.Maar, mijn vriend! wanneer hij nu zelf iemand naar boven trekt, en wil, dat die van het klagen over aangedaan onregt280zich wende tot het beschouwen van de regtvaardigheid en onregtvaardigheid zelve, wat ieder derzelve is, en waarin zij van andere dingen of van elkaar verschillen, of van het gelukkig prijzen der koningen281en rijken tot het beschouwen van het koningrijk en van het menschelijk[111]geluk en ongeluk in het algemeen, wat zij zijn en hoe het met de natuur282van den mensch overeenkomt, het eene na te jagen, het andere te ontvlugten: wanneer die kleingeestige, scherpe, twistgierige mensch van dat alles rekenschap moet geven, dan is het zijne beurt, en daar hij duizelend, van de hoogte waarop hij geplaatst is, naar beneden ziet en door ongewoonte geen raad weet, en in benaauwdheid zit, en onzin spreekt, verwekt hij gelach, niet bij Thracische slavinnen en andere ongeleerde menschen, die het niet eens merken; maar bij allen, die anders dan slaven zijn opgevoed. Dit is beider levenswijs,Theodorus! de ééne van iemand, die waarlijk in vrijheid en ledigen tijd is opgevoed, wien gij den naam geeft van wijsgeer, die geen verwijt verdient283, omdat hij dom en nietswaardig schijnt, wanneer hij met slaafsche werkzaamheden in aanraking komt, en b. v. geen reiskoffer pakken, of taarten bakken, of pluimstrijken kan: de andere van iemand, die dat alles glad en spoedig kan uitvoeren, maar niet in staat is, zich behoorlijk voor te doen, of met betamelijke woorden de Goden en het ware levensgeluk der menschen te bezingen.Theod.Socrates!wanneer gij allen, evenzeer als mij, overtuigdet van hetgeen gij zegt, dan zou er meer vrede en minder ellende onder de menschen zijn.[112]So.Maar het is onmogelijk, dat het kwaad verga,Theodorus! daar er steeds een tegenhanger van het goed moet wezen; of dat het in de Godheid gegrond is: maar naar de wet der noodzakelijkheid kleeft het aan de menschelijke natuur en aan dezelfde plaats284. Daarom moet men ook pogen, zoo spoedig mogelijk van hier derwaarts285te vlugten. Deze vlugt bestaat in het zooveel mogelijk gelijk worden aan God286, en die gelijkheid bestaat in regtvaardig en heilig en wijs te worden. Doch, mijn beste! daar287het niet zeer gemakkelijk is [de menschen] te overtuigen, dat men[113]niet om de reden, die de menigte voor het ontvlugten der zonde en het najagen der deugd opgeeft, namelijk om niet kwaad maar goed te schijnen, de eene moet beoefenen en de andere niet, dewijl dit, naar mijn inzien, oudewijvenpraat is; zoo willen wij de waarheid op deze wijs in het licht stellen. God is volstrekt in geen opzigt onregtvaardig, maar zoo regtvaardig mogelijk; en niemand is meer aan hem gelijk, dan wie onder ons het regtvaardigste wordt. Hieraan288moet de waarachtige voortreffelijkheid, nietswaardigheid en flaauwheid van een mensch gemeten worden289. De kennis toch hiervan is waarachtige wijsheid en deugd, en de onkunde klaarblijkelijke onwetendheid en slechtheid290; maar de andere schijnbare[114]voortreffelijkheid en wijsheid is op staatkundig en wetenschappelijk gebied slechts laag en zonder waarde. Dus is het voor hem, die onregt doet en met woord of daad heiligschennis pleegt, verre het beste, hem niet toe te laten zich door onregt te laten gelden291. Want zij verheffen zich op de schande en meenen van zich te hooren zeggen, dat zij geen beuzelaars en ballasten der aarde zijn, maar mannen zooals het behoort; die zich in de maatschappij292weten te handhaven. Dus moet men de waarheid zeggen, [namelijk], dat zij meer zijn wat zij meenen niet te zijn, naarmate zij dit minder meenen, daar zij die straf der onregtvaardigheid niet kennen, die het minst onbekend mag blijven. Want het is niet die, welke zij meenen, geeselslagen en dood, waarvan soms ook volkomen onschuldigen hun deel krijgen293, maar eene straf, die niet kan ontweken worden.[115]Theod.Welke meent gij dan?So.Deze, mijn vriend! dat, terwijl er in de denkbeeldige wereld294twee toonbeelden zijn, het eene van den aan God gelijkvormigen en tevens zeer gelukkigen, het andere van den goddeloozen en tevens zeer ongelukkigen, zij, deze waarheid niet inziende, door hunne domheid en uiterste onkunde niet merken, dat zij aan het tweede door hunne onregtvaardige daden gelijk worden, en ongelijk aan het eerste, waarvoor zij dan boeten door het leiden van een leven, overeenkomstig met het toonbeeld, waarop zij gelijken. En295zoo wij zeggen, dat, zoo zij hunne bedrevenheid niet afleggen, ook na hunnen dood die van alle kwaad zuivere plaats296hen niet zal opnemen, maar dat zij in het andere leven steeds [een lot] zullen hebben, aan hunne handelwijze gelijk297, daar zij, zelve boos zijnde, alleen met boozen zullen omgaan, dan zullen zij in hunne hooge wijsheid zeker meenen de taal van krankzinnigen te hooren.Theod.Ongetwijfeld,Socrates![116]So.Ik ben er zeker van overtuigd, mijn vriend! Één ding echter gebeurt hun zeker298, [namelijk,] dat, zoo zij in een gesprek299rekenschap moeten geven en ontvangen over hetgeen zij berispen, en dit moedig een geruimen tijd willen volhouden, en niet laf op den loop gaan, eindelijk, mijn vriend! hetgeen zij zeggen hunzelven niet meer voldoet, en hunne beroemde welsprekendheid zoo zeer verwelkt, dat zij niet van kinderen schijnen te verschillen. Laat ons nu hierover, daar wij het slechts als bijzaak behandelen, uitscheiden; [want] zoo [wij dat] niet [doen], zal er steeds meer bijkomen en onze oorspronkelijke redekaveling verstikken; maar laat ons tot het vorige terugkeeren, zoo het ook u goeddunkt.Theod.Socrates!ik hoor zulke dingen niet minder gaarne; want het is voor iemand van mijne jaren gemakkelijker te volgen; zoo gij het echter verlangt, laat ons dan [tot ons onderwerp] terugkeeren.XXVI.So.Wij waren dan in onze redekaveling gekomen tot het punt, waarop wij oordeelden300,[117]dat de voorstanders der aanhoudende beweging van het zijnde301, en der waarheid van iedere meening voor den meenenden, in andere dingen, vooral in regt en onregt, willen staande houden, dat ongetwijfeld, wat een staat als zijn oordeel vaststelt, ook voor hem, zoolang het vastgesteld blijft, regt is; maar dat niemand nog moedig genoeg is, om van het goede te durven beweren, dat, wat een staat nuttig meenende, voor zich vaststelt, ook nuttig is, zoolang als het vastgesteld blijft, behalve zoo men den naam meende; maar dat zou spotten zijn met hetgeen wij zeggen302.Theod.Dat zou het.So.Men moet niet spreken van den naam, maar van de zaak in questie, die door dien naam wordt aangeduid.Theod.Natuurlijk.So.Maar zoo nu de staat iets nuttig303noemt, en dit door eene wet vaststelt, dan streeft hij daarbij naar het nuttige, en maakt alle wetten, naar zijn beste weten en vermogen, zoo nuttig mogelijk voor[118]zich zelven. Of maakt hij wel wetten met eenig ander doel?Theod.Wel neen.So.En bereikt elke staat dat doel telkens, of wordt het dikwijls gemist?Theod.Ik geloof, dat het ook wel gemist wordt.So.Nu zouden allen ditzelfde nog eerder uit dit oogpunt toestemmen, zoo men het vroeg van het geheele geslacht, waartoe ook het nuttige behoort, [namelijk], van het gebied der toekomst304. Want wanneer wij wetten maken, dan stellen wij die vast, opdat zij voor den volgenden tijd nuttig mogen zijn; en dit kunnen wij met regt het gebied der toekomst heeten.Theod.Ongetwijfeld.So.Komaan! laten wij danProtagorasof eenen anderen uit degenen, die met hem instemmen, aldus ondervragen.Protagoras!de mensch is immers,[119]volgens uwe leer, de maat van alle dingen, van het witte, zware, ligte, ja van al wat van die soort is? Want daarvan het kenmerk in zich hebbende, daar hij oordeelt zooals hij gevoelt, oordeelt hij zooals het voor hem waar en werkelijk is, niet waar?Theod.Ja.So.Maar,Protagoras! zullen wij zeggen, heeft hij dan ook het kenmerk van de toekomst in zich, en, zooals hij meent dat het wezen zal, is het ook alzoo voor den meenenden? b. v. wat het heete betreft, wanneer een ongeleerde meent, dat hij de koorts zal krijgen, en dat dus die hitte zal plaats hebben; en een ander, een arts, het tegenovergestelde meent, naar wiens meening moeten wij dan zeggen, dat het toekomstige zal uitvallen? toch niet naar die van beiden, zoodat hij voor den geneesheer niet heet noch koortsig zal worden, maar voor zich zelven beide?Theod.Dat zou inderdaad bespottelijk zijn.So.[En hierbij blijft het niet]305, maar ik meen, dat [ook] over de toekomstige zoetheid of zuurte van wijn, de meening van den landman en niet die van den harpspeler de baas is.Theod.Natuurlijk.So.En over hetgeen goed of kwaad zal klinken, zou een schoolmeester niet beter kunnen oordeelen, dan een musicus, zelfs over hetgeen de schoolmeester zelf later goed of kwalijk klinkend zal vinden.[120]Theod.Wel neen!So.Dus is ook het oordeel van eenen, die smullen zal, maar geene kookkunst verstaat, bij het bereiden van het feest, ten opzigte van den toekomstigen lekkeren smaak, van minder belang dan dat van den pasteibakker. Want wij willen nu over hetgeen voor ieder lekker is of geweest is volstrekt niet met het stelsel twisten, maar, of ieder voor zich zelven de beste beoordeelaar is van hetgeen voor hem zal schijnen en zijn. Zoudt gij,Protagoras! niet beter dan eenig ongeleerde te voren kunnen oordeelen, wat in eene geregtelijke redevoering ieder onzer geloofwaardig zal voorkomen?Theod.Wel zeker,Socrates! juist hierin beweerde hij ver boven allen uit te munten.So.BijZeus, mijn waardste! niemand zou zijn onderwijs voor veel geld gezocht hebben, zoo hij zijne leerlingen had overtuigd, dat ook hetgeen zou wezen en schijnen, door geen wigchelaar of iemand anders beter zou kunnen beoordeeld worden, dan door ieder voor zich zelven306.[121]Theod.Dat is zeer waar.So.Dus stellen de wetgevingen zich het nut in de toekomst voor, en ieder moet toestemmen307, dat een staat, die wetten maakt, noodzakelijk dikwijls het nuttigste niet treffen kan.Theod.Ongetwijfeld.So.Dus zullen wij met regt uwen leermeester oproepen om toe te stemmen, dat de een wijzer dan de ander is, en dat de zoodanige maat is; maar dat ik, die onkundig ben, volstrekt niet in de noodzakelijkheid ben van maat te worden, hoewel in de daareven voor hem gehoudene pleitrede beweerd werd, dat ik zulks willens of onwillens wezen moest.Theod.Ik geloof,Socrates! dat zijn stelsel vooral hierin mank gaat, en tevens daarin, dat het ook de gevoelens der anderen, die zijne meeningen, zoo als wij zagen, verwerpen, als waar moet erkennen.So.Zulk een stelsel,Theodorus! gaat nog in vele andere punten mank, [daar het telkens blijkt,] dat niet alle meeningen, die ieder koestert, waar zijn; maar van de uit ieders tegenwoordigen toestand308ontspruitende[122]gevoelsaandoeningen en de daaraan zich hechtende meeningen is het moeijelijker te bewijzen, dat zij niet waar309zijn. Misschien echter zeg ik niets310, daar zij welligt onwederlegbaar zijn, en degenen, die ze voor klaarblijkelijke kennis houden, misschien de waarheid zeggen, en onzeTheaetetusniet mis geoordeeld heeft, toen hij gevoel en kennis hetzelfde noemde. Dus moeten wij naderbij komen, gelijk de verdedigingsrede vanProtagorasvoorschreef, en die leer der eeuwige beweging onderzoeken, daartegen kloppende, [om te hooren] of zij eenen zuiveren of eenen zieken klank geeft311. En de strijd hierover is niet gering en niet tegen weinigen.XXVII.Theod.Het is er ver van af, dat de strijd tegen die meening gering is, daar zij integendeel in de streken vanJoniezeer bloeit, want de navolgers vanHeraclietstaan dezelve krachtig voor.So.Daarom, mijn waardeTheodorus! moeten wij haar des te meer beschouwen en wel van voren af aan, gelijk zij voorgaan.[123]Theod.Dat is opperbest. Want,Socrates! wat die navolgers vanHeracliet, of, zoo als gij zegt, vanHomerus312en van nog ouderen aangaat, met die teEphesus, welke voorwenden deze leer te verstaan, is het niet méér mogelijk te spreken dan met razenden. Want zij zijn in waarheid even bewegelijk als zij schrijven, en bij eene stelling of een vraagstuk te blijven en kalm op hunne beurt te antwoorden en te vragen, wordt onder hen in het minst niet gevonden; ja, rust is in hen nog minder dan in het geheel niet, maar, zoo gij iemand [hunner] iets vraagt, haalt hij als uit een’ pijlkoker korte raadselachtige gezegden en schiet die af, en zoo gij hem rekenschap vraagt, wat hij gezegd heeft, dan wordt gij getroffen313met een ander van vreemde beteekenis, maar gij zult met niemand hunner ooit iets vorderen, en ook zij met elkander niet; maar zij zorgen wel, noch in hunne woorden, noch in hunne zielen iets bestendigs te laten, daar zij dat, geloof ik, voor stilstand houden, waartegen zij met geweld strijden en dien zij zoo veel mogelijk overal uitwerpen.So.Misschien,Theodorus! hebt gij die menschen al strijdend bijgewoond, maar ze niet in vrede gevonden; want zij zijn uwe vrienden niet314. Maar ik geloof,[124]dat zij die dingen aan hunne leerlingen, die zij aan zich gelijk willen maken, op hun gemak uitleggen.Theod.Wat leerlingen! mijn vriend! Bij hen is niemand leerling van een ander, maar zij komen van zelfs op, naarmate ieder hunner den geest krijgt, en de een houdt den ander voor een weetniet. Van hen nu, zoo als ik zeide, zoudt gij nooit goedschiks of kwaadschiks315rekenschap krijgen; maar men moet hen zelven als vraagstuk nemen316en onderzoeken.So.Dat zegt gij goed. Maar hebben wij niet het vraagstuk ontvangen van de ouden, die in een dichterlijk kleed voor de menigte verborgen317, dat de oorsprong van alles, Oceaan en Tethys, stroomen zijn, en dat niets staat, en van de lateren, die het, daar zij geleerder waren, openlijk verkondigden, opdat ook de schoenlappers318, dat hoorende, hunne wijsheid zouden[125]overnemen, en niet langer in hunne onnoozelheid zouden meenen, dat sommige dingen stilstaan en andere zich bewegen, maar geleerd hebbende, dat alles in beweging is, hen zouden vereeren? Maar,Theodorus! ik was bijna vergeten, dat anderen het tegendeel hiervan hebben beweerd, [namelijk,] dat aan het al slechts de naam van het onveranderlijk zijn toekomt319, en dat, gelijkMelissusenParmenidestegen al dat [vorige] volhouden, het al één is, en in zich zelf gegrond vaststaat, zonder plaats om in te bewegen. Mijn vriend! hoe zullen wij ons omtrent die allen gedragen? want terwijl wij langzaam voortgingen, zijn wij ongevoelig tusschen die twee partijen ingekomen,320en zoo wij ons er niet door weten te slaan, zullen wij boeten, gelijk zij, die bij de ligchaamsoefeningen al spelend op den streep komen en door den troep aan weerskanten gegrepen, naar twee verschillende zijden getrokken worden321. Ik ben dus[126]van oordeel, dat wij eerst die partij moeten beschouwen, waarmede wij nu bezig zijn, [namelijk] de vloeijenden. En zoo zij iets van belang schijnen te zeggen, zullen wij ons zelven met hen mede laten trekken en de anderen pogen te ontvlugten; maar zoo zij, die het al doen stil staan, meer waarheid schijnen te spreken, zullen wij tot hen vlugten en diegenen ontwijken, die zelfs het onbeweeglijke bewegen. Maar zoo geen van beiden iets goeds schijnt te zeggen, dan staan wij bloot aan bespotting, daar wij, geringe lieden, zelve iets meenen te zeggen en zulke oude en doorgeleerde menschen verwerpen. Zie nu eens,Theodorus! of het de moeite waard is, zich aan zulk een gevaar bloot te stellen.Theod.Socrates!wij moeten volstrekt niet dralen met te onderzoeken, wat beide partijen zeggen.XXVIII.So.Wanneer gij er zoo zeer naar verlangt, moet het onderzocht worden. Ik geloof dus, dat het begin van het onderzoek naar de beweging moet gemaakt worden [met de vraag], wat toch zij meenen, die beweren, dat alles in beweging is322. Dit nu is hetgeen ik bedoel: of zij van ééne soort derzelve, of, gelijk mij voorkomt, van twee soorten spreken. Doch dit moet niet aan mij alleen zoo voorkomen, maar neem gij er deel aan, opdat, zoo het noodig is, wij ons lot deelen, en zeg mij: noemt gij het geen bewegen, wanneer iets de eene plaats met de andere verruilt,[127]of wanneer het zich in dezelfde plaats omwentelt?323Theod.Dat doe ik.So.Dit zij dan de ééne soort. Maar wanneer nu [iets] op dezelfde plaats blijft, maar oud, of van wit zwart, of van zacht hard wordt, of op eenige andere wijs verandert, wordt dat dan niet met regt als eene andere soort van beweging beschouwd?Theod.Ik geloof van ja.So.Het kan niet anders. Dus noem ik deze twee soorten van beweging: verandering en de andere plaatsverwisseling324.Theod.Dat zegt gij goed.[128]So.Laat ons nu, na dit alzoo verdeeld te hebben, hen aanspreken, die zeggen, dat alles in beweging is, en hen vragen: zegt gij, dat alles op beide wijzen in beweging is, en dus tevens van plaats verwisselt en verandert? of het eene op beide wijzen, het andere op ééne der twee?Theod.BijZeus! ik weet niet, wat ik zeggen moet, maar ik geloof, dat zij zeggen zouden: op beide wijzen.So.Zoo zij dat niet doen, mijn vriend! dan zal het hun schijnen te bewegen en stil te staan, en het zal niet beter zijn te zeggen, dat alles in beweging is, dan dat alles stil staat325.Theod.Gij zegt volkomen de waarheid.So.Daar het dus in beweging moet zijn en het niet in beweging zijn nergens wezen mag, wordt alles altijd volgens beide soort van beweging326bewogen.Theod.Dat is noodig.So.Onderzoek er dan nog eens dit van. Zeiden wij niet327, dat wij den oorsprong van warmte, of[129]witheid, of wat dan ook aldus stellen, dat ieder dier dingen tegelijk met de waarneming zich tusschen het bedrijvende en het lijdende beweegt, zoodat het lijdende waarnemend, maar daarom nog niet waarneming wordt, en het bedrijvende hoedanig, maar niet hoedanigheid? Misschien echter schijnt het woordhoedanigheid328u vreemd, zoodat gij die algemeene uitdrukking niet vat. Ik wil het u dan met voorbeelden ophelderen329. Het bedrijvende wordt geen warmte of witheid, maar warm of wit, en het overige even zoo. Want gij herinnert u wel, dat wij in het vorige alzoo zeiden: dat niets op zich zelf is, noch het bedrijvende, noch het lijdende, maar dat zij, door hunne zamenkomst de gevoelsaandoeningen en de gevoelde dingen330voortbrengende, deels met eene bepaalde hoedanigheid voorzien, deels voelend worden331.[130]Theod.Ik herinner het mij; hoe zou ik het vergeten zijn?332So.Laat ons dus het andere laten rusten, [en niet onderzoeken,] of zij dat anders of aldus meenen, maar nu alleen datgene in het oog houden, waarover333wij spreken, vragende: alles is, naar gij zegt, in beweging en vloeijing, niet waar?Theod.Ja.So.Dus met beide bewegingen, waarin wij het verdeeld hebben, [namelijk] de plaatsverwisseling en de verandering?Theod.Natuurlijk: daar het volkomen in beweging moet wezen.So.Zoo het nu alleen van plaats wisselde, en niet veranderde, dan zouden wij kunnen zeggen, welke bewogene dingen van plaats wisselen, of hoe zeggen wij?334Theod.Alzoo.So.Maar daar nu zelfs dit niet blijft, dat b. v. het witte van plaats wisselt, maar verandert, zoodat[131]ook de witheid zelve wegvloeit en in eene andere kleur overgaat, om niet in dat opzigt stil te staan, is het dan mogelijk, eenige kleur met eenen goeden naam te bestempelen?Theod.Hoe is dat hiervan of van eenige andere dergelijke zaak mogelijk,Socrates! daar het in beweging zijnde steeds aan den sprekende ontvliedt335?So.Maar wat zullen wij nu van elke gevoelsaandoening zeggen, b. v., van het zien of hooren? Dat zij ooit blijft wat zij is, namelijk zien of hooren336?Theod.Daar alles in beweging is, mag dat niet.So.Dus mogen wij ook, wanneer alles in alle opzigten in beweging is, het woordzienniet meer bezigen dan het woordniet zien, en van niet ééne gevoelsaandoening meer dan van de tegenovergestelde spreken.Theod.Wel neen.So.Edoch gevoel is kennis337, zoo als ik enTheaetetusbeweerd hebben.[132]Theod.Ja.So.Dus hebben wij op de vraag, wat kennis is, een antwoord gegeven, dat zoowel kennis als niet-kennis uitdrukt.Theod.Dat schijnt zoo.So.Dus hebben wij eene fraaije bevestiging van ons antwoord338gekregen, daar wij, om dat antwoord te kunnen redden, poogden aan te toonen, dat alles in beweging is. Want nu schijnt het uitgemaakt, dat, zoo alles in beweging is, ieder antwoord, op elke vraag, even waar is, en dat wij mogen zeggen, dat het zoo is en niet zoo is, of, indien gij wilt, wordt, opdat wij hen339niet door onze woorden tot stilstand nopen.Theod.Gij zegt goed.So.Behalve,Theodorus! dat ik sprak van zóó en niet zóó. Want340wij moeten dat woordzóóniet[133]eens bezigen; want als het zóó was, dan was het niet meer in beweging; noch ookniet-zóó, want ook dit is geene beweging; maar wij moeten voor hen, die deze leer verkondigen, eene andere uitdrukking verzinnen, daar zij voor hunne meening geen woorden hebben, behalve misschien:in het geheel niet. Dit toch zou hun nog het beste passen, wanneer het zoo onbepaald mogelijk genomen werd.Theod.Deze uitdrukking past hun ten minste vrij goed.So.Dus,Theodorus! wij zijn met uwen vriend klaar gekomen, en geven hem nog niet toe, dat ieder mensch, ook de onverstandige, de maat is van alle dingen; en volgens de leer, dat alles beweegt, zullen wij niet toestemmen, dat het gevoel kennis is. OfTheaetetusmoest iets anders zeggen.Theod.Socrates!gij zegt daar iets heel goeds, want nu dit klaar is, moet ook ik volgens de overeenkomst341er van af zijn om u te antwoorden, daar de redekaveling overProtagorasuit is.XXIX.Theaet.Och neen,Theodorus! niet voordatSocratesen gij ook hen, die alles doen stil staan, gelijk gij daareven voornemens waart342, hebt behandeld.[134]Theod.Theaetetus!leert gij, die nog zoo jong zijt, andere menschen onregt plegen en hunne overeenkomsten overtreden? [Dat zal niet gebeuren], maar houd u gereed, omSocratesover de rest te woord te staan.Theaet.Wanneer hij ten minste wil. Ik zou echter daarover liever hooren.Theod.Gij roept ruiters in de vlakte343, zoo gijSocratestot redekavelingen roept: vraag dan maar op, en gij zult het hooren.So.[Dat is waar],Theodorus! en toch heb ik geen plan, aan het verzoek vanTheaetetusgehoor te geven.Theod.Waarom niet?So.Hoewel ik door schaamte weêrhouden werd, omMelissusen de anderen, die leeren, dat het al één en stilstaand is, oppervlakkig te beoordeelen, heb ik echter voor hen allen nog minder eerbied dan voorParmenidesalleen.Parmenidestoch schijnt mij, om metHomeruste spreken, te gelijk eerwaardig en ontzaginboezemend. Want, toen ik nog zeer jong was en hij reeds zeer oud, heb ik hem ontmoet, en het kwam mij voor, dat hij begaafd was met echte diepzinnigheid344.[135]Daarom vrees ik, dat wij de woorden niet zouden verstaan en den zin nog veel minder vatten345, en wat het ergste is, dat het eigenlijke doel onzer redekaveling, de vraag wat kennis is, zoo wij ons aan de zich indringende redekavelingen stoorden346, onbehandeld zou blijven; vooral daar het uitgebreide onderwerp, dat wij daareven aanroerden, in het voorbijgaan niet behoorlijk kan behandeld worden, en zoo het behoorlijk behandeld werd, door zijnen omvang het onderzoek naar de kennis zou in de schaduw stellen. Geen van beiden echter mag plaats hebben, maar wij moeten347Theaetetusdoor onze vroedkunst pogen[136]te verlossen van hetgeen, waarvan hij ten opzigte der kennis zwanger is.Theod.Wij moeten dan maar zóó doen, indien gij het goedvindt.So.Theaetetus!onderzoek dan nog eens dit aangaande het gezegde. Gij hebt immers geantwoord, dat kennis gevoel is?Theaet.Ja.So.Zoo dan nu iemand u aldus vroeg: Waarmede ziet iemand het witte en het zwarte, en waarmede hoort hij het hooge en het lage? dan zoudt gij, geloof ik, zeggen: met zijne oogen en ooren.Theaet.Ja.So.Over het geheel nu is het een bewijs van vrijzinnigheid, wanneer men gemakkelijk is omtrent woorden en uitdrukkingen, en die niet naauwkeurig uitpluist, daar veeleer het tegenovergestelde een blijk is van bekrompenheid; maar soms348is dit noodzakelijk, gelijk het nu noodig is, uw antwoord, voor zoo ver het niet juist is, te gispen349: want zie eens, welk antwoord juister is: dat de oogen dat zijn, waarmede, of dat, waardoorwij zien; en de ooren dat, waarmede, of dat, waardoor350wij hooren?[137]Theaet.Socrates! ik houd dat waardoor, voor juister, dan dat waarmede wij alles waarnemen.So.Het zou dan ook erg zijn, jongelief! zoo in ons, als in houten paarden351, zinnen zaten, en niet dit alles op één wezen, het moge dan ziel heeten of iets anders, zamenliep, waarmede wij door die dingen352als door werktuigen alles waarnemen, wat zinnelijk waarneembaar is.Theaet.Ik geloof dan ook het laatste meer dan het eerste.So.Maar waarom behandel ik dit voor u zoo uitvoerig? [Om te onderzoeken], of wij met één en hetzelfde deel van ons wezen353door de oogen het witte en het zwarte bereiken, en door de andere [zintuigen][138]andere dingen; en of gij, er naar gevraagd zijnde, dit alles op het ligchaam zoudt kunnen te huis brengen. Maar misschien is het beter, dat gij het liever354zelf door uwe antwoorden te kennen geeft, dan dat ik mij om u vermoei. Zeg mij dan: hetgeen, waardoor gij het warme en harde en ligte en zoete waarneemt, houdt gij dat alles voor tot het ligchaam behoorend, of tot iets anders?Theaet.Tot niets anders.So.Zoudt gij ook willen toestemmen, dat het onmogelijk is, wat gij door den éénen zin waarneemt, door den anderen waar te nemen, bij voorbeeld, wat gij door het gehoor waarneemt, door het gezigt, of wat gij door het gezigt waarneemt, door het gehoor?Theaet.Waarom niet?So.Zoo gij dus iets omtrent beiden denkt, zoudt gij dat noch door het ééne, noch door het andere zintuig van beiden kunnen waarnemen.Theaet.Wel neen.[139]So.Maar gij denkt toch aangaande geluid en kleur vooreerst ditzelfde van beiden, dat beidenzijn?Theaet.Ja.So.Immers ook, dat ieder, ten opzigte van den anderen, wat anders, ten opzigte van zich zelven hetzelfde is?Theaet.Natuurlijk.So.En dat zij te zamen twee zijn, en ieder afzonderlijk één is?Theaet.Ook dat.So.Kunt gij ook beschouwen, of zij ongelijk of gelijk aan elkander zijn?Theaet.Misschien wel.So.Waardoor nu denkt gij dat alles aangaande hen? Want het is toch niet mogelijk, door het gehoor of gezigt het algemeene in beiden te vatten355. Want zoo het mogelijk was beiden te onderzoeken, of zij zout zijn of niet, dan zoudt gij wel zeker in staat zijn te zeggen, waarmede gij het zoudt onderzoeken; en dat schijnt geen gezigt of gehoor, maar iets anders te wezen.Theaet.Natuurlijk: te weten de zin, die in de tong is gevestigd.So.Dat zegt gij goed. Maar welke zin maakt u nu bekend met het aan allen en [dus] ook aan deze gemeenschappelijke, namelijk met het zijn en niet zijn[140]en wat wij daareven verder over dezelve vroegen356? Welke zintuigen zult gij voor dit alles opgeven, door welke datgene ze waarneemt, wat in ons alles waarneemt?Theaet.Gij meent het zijn en niet zijn, de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit en onderscheidenheid357, de eenheid en de andere hoeveelheden,[141][die wij] van dezelve [opgeven]. Natuurlijk vraagt gij ook, door welk zintuig wij toch het evene en onevene, en wat daar verder bij hoort, met de ziel waarnemen358?So.Theaetetus!gij volgt mij uitstekend, want dit is juist hetgeen ik vraag.Theaet.Maar waarlijk,Socrates! ik kan niet anders zeggen, dan dat, naar mij voorkomt, daarvoor in het geheel geen afzonderlijk zintuig bestaat, zooals voor die anderen, maar dat de ziel zelve door zich zelve die algemeene op alles toepasselijke dingen beschouwt.So.[Ik heb schik in u],Theaetetus! want gij zijt schoon359, en niet leelijk, zooalsTheodoruszeide. Hij toch, die schoon kan spreken, is schoon en goed. En behalve dat schoone [in uw antwoord], hebt gij goed[142]gedaan, door mij van eene zeer lange redekaveling te verlossen, zoo het u voorkomt, dat de ziel het eene zelve door zich zelve waarneemt, het andere door de zintuigen. Dit toch kwam mij zoo voor, maar ik wilde, dat het ook u zoo voorkwam360.Theaet.Welnu, het komt mij zoo voor.XXX.So.Tot welke soort nu rekent gij het zijn? Dit toch is het meest algemeene.Theaet.Tot die dingen, welke de ziel zelve op zich zelve bereikt.So.Rekent gij daartoe ook de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit en onderscheidenheid?Theaet.Ja.So.En de schoonheid en de leelijkheid, de goedheid en de kwaadheid?Theaet.Ik geloof, dat de ziel ook vooral hunne wezenheid361beschouwt, wanneer zij bij zich zelve het[143]verledene en tegenwoordige in betrekking tot elkander en tot het toekomstige beschouwt362.So.Houd op363! [en antwoord mij liever op deze vraag]. Neemt zij niet de hardheid van het harde door den tastzin waar, en de zachtheid van het zachte insgelijks?Theaet.Ja.So.Maar het zijn, en de wezenheid, en de onderlinge tegenstelling, en de wezenheid der tegenstelling zoekt onze ziel zelve te beoordeelen, door zich tot die dingen te wenden en ze met elkander te vergelijken.Theaet.Zeer zeker.So.Is het nu niet door de natuur aan menschen en dieren gegeven, sommige dingen terstond na hunne geboorte waar te nemen, [namelijk] al de aandoeningen, die door het ligchaam tot de ziel komen; terwijl de redeneringen over hunne wezenheid en nuttigheid moeijelijk en langzaam en met veel arbeid en[144]studie het deel worden van die [weinigen], wier deel zij worden?Theaet.Zeer zeker.So.Is het nu mogelijk, dat hij, die de waarheid bereikt, de wezenheid niet [bereiken kan]?Theaet.Neen.So.Maar kan iemand ooit datgene kennen, waarvan hij de wezenheid niet bereiken kan?Theaet.Hoe zou dat mogelijk zijn,Socrates?So.Dus is er geene kennis in de aandoeningen der zinnen, maar in de redekaveling over dezelve364: want in de laatste is het mogelijk de wezenheid en de waarheid te bereiken, maar in de eerste niet.Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar noemt gij nu die twee, die zoo verschillen365, hetzelfde?Theaet.Dat zou onbillijk zijn.[145]So.Welken naam geeft gij nu aan het zien, hooren, rieken, koud of warm zijn?Theaet.Geen anderen dan dien van gevoelsaandoeningen.So.Dus noemt gij ze met één woord: gevoel.Theaet.Dat is noodzakelijk.So.En dit kan de waarheid niet bereiken, daar het de wezenheid niet bereiken kan?Theaet.Neen.So.Dus ook de kennis niet?Theaet.Neen.So.Dus,Theaetetus! kan gevoel en kennis nooit hetzelfde zijn?Theaet.Het schijnt van neen,Socrates! en vooral door het laatste is het zeer duidelijk geworden, dat kennis iets anders is dan gevoel.So.Maar wij zijn geenszins daarom aan het onderzoeken gegaan, opdat wij vinden zouden, wat de kennisnietis, maar wat zijwelis366. Wij zijn echter zooveel gevorderd, dat wij haar in het geheel niet meer in het gevoel zoeken, maar in datgene, wat de ziel heeft, wanneer zij zelve op zich zelve met het zijnde bezig is.Theaet.Dit nu,Socrates! wordt, geloof ik, meening genoemd.[146]So.Uw geloof is goed, mijn waarde367! En onderzoek dan nu eens van voren af aan, met wegdenking368van al het vorige, of gij nu iets meer ziet, nadat gij zoover gevorderd zijt, en zeg wederom, wat kennis is.XXXI.Theaet.Het is onmogelijk,Socrates! alle meening voor kennis te verklaren, daar er ook valsche meening is; maar de ware meening schijnt kennis te wezen, en dit zij dan mijn antwoord. Want zoo dit evenmin als het vorige tegen verder onderzoek bestand is, dan zullen wij trachten iets anders te zeggen.So.Het is beter,Theaetetus! zoo bereidwillig uwe meening te zeggen, dan, gelijk in den beginne, met antwoord geven te talmen. Want zoo wij alzoo doen, dan [zal] een van beiden [gebeuren]: óf wij zullen vinden, waar wij naar streven, óf wij zullen minder meenen te weten, wat wij volstrekt niet weten; en zulk een loon zou toch niet verwerpelijk wezen. Wat zegt gij dan nu? Bepaalt gij, na de meening in twee soorten, de ware en de valsche, verdeeld te hebben, de ware meening als kennis?[147]Theaet.Ja: want dit komt mij nu zoo voor.So.Is het dan nu niet noodig, de meening nog eens van voren af aan te onderzoeken369?Theaet.Hoe meent gij dat?So.Nu en bij andere gelegenheden word ik dikwijls in onzekerheid gebragt, wat ik denken en spreken moet, doordien ik niet in staat ben te zeggen, wat dat voor eene aandoening in ons is, en hoe zij ontstaat370.Theaet.Wat meent gij toch?So.Het hebben van valsche meening. Ik ben het dan ook nu nog niet met mij zelven eens, of wij het moeten laten rusten, of het op eene andere wijs dan daareven beschouwen.Theaet.Waarom [zoudt gij het laatste] niet [doen],[148]Socrates? Houdt gij het er niet voor, dat wij het, hoe dan ook, moeten onderzoeken? Daareven toch hebt gij,Theodorusvan den ledigen tijd sprekende, zoo goed gezegd, dat bij zulke dingen niets ons dringt.So.Dat brengt gij mij juist van pas te binnen. Want misschien is het niet ondienstig, als het ware onze voetstappen nog eens langs te gaan. Want het is toch beter, een weinig goed, dan veel niet behoorlijk tot stand te brengen371.Theaet.Ongetwijfeld.So.Hoe zeggen wij dan nu? Immers, dat er telkens valsche meeningen zijn, en dat de een onzer het valsche, de ander het ware tot voorwerp zijner meening heeft, daar beiden werkelijk bestaan.372Theaet.Ja, dat zeggen wij.So.373Geldt nu niet voor ons ten opzigte van alle[149]dingen, dat wij ze óf kennen óf niet kennen? Want leeren en vergeten, die tusschen die twee inliggen, laat ik voor het tegenwoordige rusten; want zij zijn ons nu niet dienstig voor de redekaveling374.Theaet.Waarlijk,Socrates! dan blijft er voor ieder niets anders over dan kennen of niet kennen.So.Dus is het dan nu noodig, dat hij, die meent, meening koestert aangaande dingen, die hij kent of niet kent.Theaet.Noodzakelijk.So.Edoch iets kennende, datzelfde niet te kennen, of niet kennende, te kennen, is onmogelijk.Theaet.Hoe zou dat anders?So.Maar wanneer nu iemand valsche meening koestert, gelooft hij dan, dat hetgeen hij kent, niet dat is, maar iets anders, uit de dingen, die hij kent; zoodat hij beiden kennende, ze beiden wederom niet kent?Theaet.Dat is onmogelijk,Socrates!So.Maar houdt hij dan, hetgeen hij niet kent, voor iets anders, dat hij ook niet kent, en is375het[150]voor iemand, die nochTheaetetusnochSocrateskent, mogelijk, in zijne hersens te krijgen, datSocratesTheaetetusofTheaetetusSocratesis?Theaet.Wel neen.So.Maar wat iemand kent, houdt hij toch niet voor hetgeen hij niet kent, noch wat hij niet kent voor hetgeen hij kent.Theaet.Dat zou wel een wonder zijn.So.Hoe kan iemand dan nog valsche meening koesteren? Want het is toch niet mogelijk, buitendien nog meening te koesteren, daar wij alles kennen of niet kennen, en het daarbij nergens mogelijk schijnt, valsche meening te koesteren.Theaet.Dat is volkomen waar.So.Willen wij nu hetgeen wij zoeken, eens beschouwen, niet naar het weten en niet weten, maar naar het zijn en niet zijn?Theaet.Hoe zegt gij?So.Of het niet zonder uitzondering waar376is, dat hij, die over iets het niet zijnde meent, onvermijdelijk valsche meening koestert, hoe het ook overigens met zijn verstand gesteld is.Theaet.Dat schijnt zoo,Socrates.So.Wat zouden wij dan nu zeggen,Theaetetus![151]zoo iemand ons vroeg: is hetgeen gij daar zegt377voor iemand mogelijk, en kan eenig stervelinghetniet zijnde tot voorwerp zijner meening nemen, hetzij met betrekking tot eenig ander ding, hetzij op zich zelf? Zouden wij niet waarschijnlijk daarop zeggen: wanneer hij, geloovende ware meening te hebben, die niet heeft. Of hoe zullen wij zeggen?Theaet.Zóó.So.Heeft dit nu ergens elders plaats?Theaet.Wat?So.Bij voorbeeld, dat iemand iets ziet en toch niets ziet378.Theaet.Hoe zou dat kunnen?So.Edoch, zoo hij het één of ander ding ziet, dan ziet hij iets dat is. Of rekent gij zulk een ding onder het niet zijnde379?Theaet.Wel neen.So.Die dus iets ziet, ziet iets dat is.Theaet.Het schijnt zoo.[152]So.En die dus iets hoort, hoort het een of ander, en iets dat is.Theaet.Ja.So.En die iets betast, betast een of ander ding, en bij gevolg iets dat is.Theaet.Ook dit.So.En die meent, meent immers het een of ander?Theaet.Toegestemd.So.Nu meent immers hij, die het niet zijnde meent, niets380?Theaet.Ik geloof neen.So.Maar die niets meent, meent eigenlijk in het geheel niet?
Zoo zijn zij,Theodorus! en wilt gij nu, dat wij de mannen van onze partij beschrijven, of dat wij ze voorbijgaan en ons terstond weder tot onze redekaveling wenden264, ten einde niet, gelijk wij daareven zeiden, wat veel misbruik te maken van de vrijheid om het voorwerp der redekaveling te veranderen?
Theod.Wel neen,Socrates! maar wij moeten ze beschrijven. Want gij hebt zeer juist aangemerkt,[105]dat wij niet zulke dienaars der redekaveling zijn als de menschen van die partij265, maar de redekavelingen zijd ons als het ware dienstbaar, en elke daarvan wacht om voleindigd te worden tot het ons goeddunkt, want bij ons is geen regter of toeschouwer (als bij de dichters)266, om ons te berispen en te besturen.
XXIV.So.Laat ons dan, zoo als betamelijk is, daar gij het goedvindt, over de aanvoerders spreken; want waarom zou iemand spreken van hen, die zich flaauw op de wijsbegeerte toeleggen? Zij nu weten van hunne jeugd af aan, vooreerst den weg niet naar de markt, noch waar de regtbank of het raadhuis of eenige andere vergaderplaats van den staat is; en wetten of besluiten, die verhandeld worden of vroeger geschreven zijn, zien zij niet in, noch hooren er naar267. Het streven naar vereenigingen tot het[106]bekomen van posten en het houden van staatkundige bijeenkomsten en maaltijden en feesten met fluitspeelsters komt hen in den droom niet op268. En of iemand in de stad van aanzienlijke of geringe afkomst is, of er aan iemand van zijne voorouders, van vaders- of moeders- kant eenige smet kleeft, dat weet hij nog minder, dan hoeveel emmers water in de zee gaan. En hij weet niet eens, dat hij dat alles niet weet, want hij onthoudt er zich niet van uit eerzucht269, maar in waarheid is alleen zijn ligchaam in den staat aanwezig en woont daar, maar zijn geest, die dit alles voor weinig, ja voor niets acht, veracht het en zweeft volgensPindarusoveral heen, hetgeen onder de aarde en op dezelve is, berekenend, en de bovenste streken des hemels270aan sterrekundig onderzoek onderwerpend, en de algemeene wezenheid, al wat ergens bestaat, onderzoekend271, zonder zich tot een der nabijgelegene dingen af te laten.[107]
Theod.Hoe meent gij dat,Socrates?
So.Eveneens,Theodorus! als toen, naar men verhaalt, eene geestige en aardige Thracische slavinThales, die de sterren bestudeerde en naar boven keek en in een’ put viel, bespotte, omdat hij begeerde te weten, wat in den hemel was, maar hetgeen voor hem en bij zijne voeten was, niet wist. Want waarlijk is aan zoo iemand zijn naaste buurman onbekend, niet alleen in hetgeen hij doet, maar bijna of hij een mensch is of eenig ander wezen; maar wat toch de mensch is, en wat zulk een wezen meer dan andere moet doen en lijden, dat onderzoekt hij en legt er zich op toe, om dat uit te vorschen. Gij begrijpt toch [wat ik meen], niet waar,Theodorus?
Theod.Ja zeker, en gij zegt de waarheid.
So.Daarom, mijn vriend! wanneer zoo iemand, met wien dan ook, in het bijzondere of openbare leven te doen krijgt, zoo als ik in den beginne272zeide, wanneer hij in het regthuis of elders over hetgeen voor de voeten en voor oogen ligt moet spreken, dan verwekt hij gelach, niet slechts bij: Thracische[108]slavinnen, maar ook bij de andere menigte, daar hij door gebrek aan oefening273in putten en allerlei verlegenheid valt, en een gek figuur maakt, waardoor hij voor onbeschaafd wordt gehouden. Want bij het doen van verwijtingen kan hij niemand zijne bijzondere gebreken verwijten, daar hij van niemand eenig kwaad weet, omdat bij daarvan geen werk gemaakt heeft274; weshalve hij door zijne verlegenheid bespottelijk schijnt; en bij de loftuitingen en de pralerijen van anderen, blijkt het, dat hij daarover niet uiterlijk, maar in zijnen geest lacht, waardoor hij een dwaas275schijnt te wezen. Want wanneer hij eenen vorst of koning hoort gelukkig noemen, meent hij eenen herder, b. v. een zwijnendrijver, schapenhoeder of koeboer, die dapper melkt, gelukkig te hooren noemen, behalve dat zij een lastiger en weêrspanniger dier hoeden en melken, maar [hij oordeelt], dat zoodanig iemand door gebrek aan tijd niet minder boersch en onbeschaafd moet worden, dan de herders, terwijl hij zich, als in eene schaapskooi op een’ berg,[109]in zijnen burg opsluit. En wanneer hij tienduizend bunders of nog meer eene verwonderlijk groote bezitting hoort noemen276, dan meent hij zeer weinig te hooren, daar hij gewoon is, de geheele aarde te beschouwen. En de loftuiting van hen, die de aanzienlijke geslachten prijzen, [zeggende], dat iemand welgeboren is, die zeven rijke voorvaders kan aanwijzen, houdt hij voor [de taal]277van menschen, die stomp en bekrompen van gezigt zijn, daar zij door onkunde278niet in staat zijn, steeds het geheel in het oog te vatten, en te beredeneren, dat ieder ontelbaar vele duizenden279van voorouders heeft, waaronder[110]voor ieder vele duizenden rijken en armen, koningen en slaven, Barbaren en Grieken zijn; en zoo sommigen zich op een lijn van 21 voorouders verheffen en hun geslacht uitrekenen tot opHercules, den zoon vanAmphitryon, schijnt hem dat eene ongerijmde kleingeestigheid, en hij lacht, omdat zij niet inzien, dat de 25evanAmphitryonopwaarts zoo was als het toeval meêbragt, en evenzoo de 50evan dezen opwaarts gerekend, en omdat zij de opgeblazenheid hunner dwaze ziel niet kunnen afleggen. In al deze punten nu wordt zoo iemand door de menigte uitgelagchen, daar hij deels zich trotschelijk schijnt aan te stellen, deels hetgeen voor de voeten ligt niet te kennen, en telkens in de war te wezen.
Theod.Gij zegt het juist zoo als het gebeurt,Socrates!
XXV.So.Maar, mijn vriend! wanneer hij nu zelf iemand naar boven trekt, en wil, dat die van het klagen over aangedaan onregt280zich wende tot het beschouwen van de regtvaardigheid en onregtvaardigheid zelve, wat ieder derzelve is, en waarin zij van andere dingen of van elkaar verschillen, of van het gelukkig prijzen der koningen281en rijken tot het beschouwen van het koningrijk en van het menschelijk[111]geluk en ongeluk in het algemeen, wat zij zijn en hoe het met de natuur282van den mensch overeenkomt, het eene na te jagen, het andere te ontvlugten: wanneer die kleingeestige, scherpe, twistgierige mensch van dat alles rekenschap moet geven, dan is het zijne beurt, en daar hij duizelend, van de hoogte waarop hij geplaatst is, naar beneden ziet en door ongewoonte geen raad weet, en in benaauwdheid zit, en onzin spreekt, verwekt hij gelach, niet bij Thracische slavinnen en andere ongeleerde menschen, die het niet eens merken; maar bij allen, die anders dan slaven zijn opgevoed. Dit is beider levenswijs,Theodorus! de ééne van iemand, die waarlijk in vrijheid en ledigen tijd is opgevoed, wien gij den naam geeft van wijsgeer, die geen verwijt verdient283, omdat hij dom en nietswaardig schijnt, wanneer hij met slaafsche werkzaamheden in aanraking komt, en b. v. geen reiskoffer pakken, of taarten bakken, of pluimstrijken kan: de andere van iemand, die dat alles glad en spoedig kan uitvoeren, maar niet in staat is, zich behoorlijk voor te doen, of met betamelijke woorden de Goden en het ware levensgeluk der menschen te bezingen.
Theod.Socrates!wanneer gij allen, evenzeer als mij, overtuigdet van hetgeen gij zegt, dan zou er meer vrede en minder ellende onder de menschen zijn.[112]
So.Maar het is onmogelijk, dat het kwaad verga,Theodorus! daar er steeds een tegenhanger van het goed moet wezen; of dat het in de Godheid gegrond is: maar naar de wet der noodzakelijkheid kleeft het aan de menschelijke natuur en aan dezelfde plaats284. Daarom moet men ook pogen, zoo spoedig mogelijk van hier derwaarts285te vlugten. Deze vlugt bestaat in het zooveel mogelijk gelijk worden aan God286, en die gelijkheid bestaat in regtvaardig en heilig en wijs te worden. Doch, mijn beste! daar287het niet zeer gemakkelijk is [de menschen] te overtuigen, dat men[113]niet om de reden, die de menigte voor het ontvlugten der zonde en het najagen der deugd opgeeft, namelijk om niet kwaad maar goed te schijnen, de eene moet beoefenen en de andere niet, dewijl dit, naar mijn inzien, oudewijvenpraat is; zoo willen wij de waarheid op deze wijs in het licht stellen. God is volstrekt in geen opzigt onregtvaardig, maar zoo regtvaardig mogelijk; en niemand is meer aan hem gelijk, dan wie onder ons het regtvaardigste wordt. Hieraan288moet de waarachtige voortreffelijkheid, nietswaardigheid en flaauwheid van een mensch gemeten worden289. De kennis toch hiervan is waarachtige wijsheid en deugd, en de onkunde klaarblijkelijke onwetendheid en slechtheid290; maar de andere schijnbare[114]voortreffelijkheid en wijsheid is op staatkundig en wetenschappelijk gebied slechts laag en zonder waarde. Dus is het voor hem, die onregt doet en met woord of daad heiligschennis pleegt, verre het beste, hem niet toe te laten zich door onregt te laten gelden291. Want zij verheffen zich op de schande en meenen van zich te hooren zeggen, dat zij geen beuzelaars en ballasten der aarde zijn, maar mannen zooals het behoort; die zich in de maatschappij292weten te handhaven. Dus moet men de waarheid zeggen, [namelijk], dat zij meer zijn wat zij meenen niet te zijn, naarmate zij dit minder meenen, daar zij die straf der onregtvaardigheid niet kennen, die het minst onbekend mag blijven. Want het is niet die, welke zij meenen, geeselslagen en dood, waarvan soms ook volkomen onschuldigen hun deel krijgen293, maar eene straf, die niet kan ontweken worden.[115]
Theod.Welke meent gij dan?
So.Deze, mijn vriend! dat, terwijl er in de denkbeeldige wereld294twee toonbeelden zijn, het eene van den aan God gelijkvormigen en tevens zeer gelukkigen, het andere van den goddeloozen en tevens zeer ongelukkigen, zij, deze waarheid niet inziende, door hunne domheid en uiterste onkunde niet merken, dat zij aan het tweede door hunne onregtvaardige daden gelijk worden, en ongelijk aan het eerste, waarvoor zij dan boeten door het leiden van een leven, overeenkomstig met het toonbeeld, waarop zij gelijken. En295zoo wij zeggen, dat, zoo zij hunne bedrevenheid niet afleggen, ook na hunnen dood die van alle kwaad zuivere plaats296hen niet zal opnemen, maar dat zij in het andere leven steeds [een lot] zullen hebben, aan hunne handelwijze gelijk297, daar zij, zelve boos zijnde, alleen met boozen zullen omgaan, dan zullen zij in hunne hooge wijsheid zeker meenen de taal van krankzinnigen te hooren.
Theod.Ongetwijfeld,Socrates![116]
So.Ik ben er zeker van overtuigd, mijn vriend! Één ding echter gebeurt hun zeker298, [namelijk,] dat, zoo zij in een gesprek299rekenschap moeten geven en ontvangen over hetgeen zij berispen, en dit moedig een geruimen tijd willen volhouden, en niet laf op den loop gaan, eindelijk, mijn vriend! hetgeen zij zeggen hunzelven niet meer voldoet, en hunne beroemde welsprekendheid zoo zeer verwelkt, dat zij niet van kinderen schijnen te verschillen. Laat ons nu hierover, daar wij het slechts als bijzaak behandelen, uitscheiden; [want] zoo [wij dat] niet [doen], zal er steeds meer bijkomen en onze oorspronkelijke redekaveling verstikken; maar laat ons tot het vorige terugkeeren, zoo het ook u goeddunkt.
Theod.Socrates!ik hoor zulke dingen niet minder gaarne; want het is voor iemand van mijne jaren gemakkelijker te volgen; zoo gij het echter verlangt, laat ons dan [tot ons onderwerp] terugkeeren.
XXVI.So.Wij waren dan in onze redekaveling gekomen tot het punt, waarop wij oordeelden300,[117]dat de voorstanders der aanhoudende beweging van het zijnde301, en der waarheid van iedere meening voor den meenenden, in andere dingen, vooral in regt en onregt, willen staande houden, dat ongetwijfeld, wat een staat als zijn oordeel vaststelt, ook voor hem, zoolang het vastgesteld blijft, regt is; maar dat niemand nog moedig genoeg is, om van het goede te durven beweren, dat, wat een staat nuttig meenende, voor zich vaststelt, ook nuttig is, zoolang als het vastgesteld blijft, behalve zoo men den naam meende; maar dat zou spotten zijn met hetgeen wij zeggen302.
Theod.Dat zou het.
So.Men moet niet spreken van den naam, maar van de zaak in questie, die door dien naam wordt aangeduid.
Theod.Natuurlijk.
So.Maar zoo nu de staat iets nuttig303noemt, en dit door eene wet vaststelt, dan streeft hij daarbij naar het nuttige, en maakt alle wetten, naar zijn beste weten en vermogen, zoo nuttig mogelijk voor[118]zich zelven. Of maakt hij wel wetten met eenig ander doel?
Theod.Wel neen.
So.En bereikt elke staat dat doel telkens, of wordt het dikwijls gemist?
Theod.Ik geloof, dat het ook wel gemist wordt.
So.Nu zouden allen ditzelfde nog eerder uit dit oogpunt toestemmen, zoo men het vroeg van het geheele geslacht, waartoe ook het nuttige behoort, [namelijk], van het gebied der toekomst304. Want wanneer wij wetten maken, dan stellen wij die vast, opdat zij voor den volgenden tijd nuttig mogen zijn; en dit kunnen wij met regt het gebied der toekomst heeten.
Theod.Ongetwijfeld.
So.Komaan! laten wij danProtagorasof eenen anderen uit degenen, die met hem instemmen, aldus ondervragen.Protagoras!de mensch is immers,[119]volgens uwe leer, de maat van alle dingen, van het witte, zware, ligte, ja van al wat van die soort is? Want daarvan het kenmerk in zich hebbende, daar hij oordeelt zooals hij gevoelt, oordeelt hij zooals het voor hem waar en werkelijk is, niet waar?
Theod.Ja.
So.Maar,Protagoras! zullen wij zeggen, heeft hij dan ook het kenmerk van de toekomst in zich, en, zooals hij meent dat het wezen zal, is het ook alzoo voor den meenenden? b. v. wat het heete betreft, wanneer een ongeleerde meent, dat hij de koorts zal krijgen, en dat dus die hitte zal plaats hebben; en een ander, een arts, het tegenovergestelde meent, naar wiens meening moeten wij dan zeggen, dat het toekomstige zal uitvallen? toch niet naar die van beiden, zoodat hij voor den geneesheer niet heet noch koortsig zal worden, maar voor zich zelven beide?
Theod.Dat zou inderdaad bespottelijk zijn.
So.[En hierbij blijft het niet]305, maar ik meen, dat [ook] over de toekomstige zoetheid of zuurte van wijn, de meening van den landman en niet die van den harpspeler de baas is.
Theod.Natuurlijk.
So.En over hetgeen goed of kwaad zal klinken, zou een schoolmeester niet beter kunnen oordeelen, dan een musicus, zelfs over hetgeen de schoolmeester zelf later goed of kwalijk klinkend zal vinden.[120]
Theod.Wel neen!
So.Dus is ook het oordeel van eenen, die smullen zal, maar geene kookkunst verstaat, bij het bereiden van het feest, ten opzigte van den toekomstigen lekkeren smaak, van minder belang dan dat van den pasteibakker. Want wij willen nu over hetgeen voor ieder lekker is of geweest is volstrekt niet met het stelsel twisten, maar, of ieder voor zich zelven de beste beoordeelaar is van hetgeen voor hem zal schijnen en zijn. Zoudt gij,Protagoras! niet beter dan eenig ongeleerde te voren kunnen oordeelen, wat in eene geregtelijke redevoering ieder onzer geloofwaardig zal voorkomen?
Theod.Wel zeker,Socrates! juist hierin beweerde hij ver boven allen uit te munten.
So.BijZeus, mijn waardste! niemand zou zijn onderwijs voor veel geld gezocht hebben, zoo hij zijne leerlingen had overtuigd, dat ook hetgeen zou wezen en schijnen, door geen wigchelaar of iemand anders beter zou kunnen beoordeeld worden, dan door ieder voor zich zelven306.[121]
Theod.Dat is zeer waar.
So.Dus stellen de wetgevingen zich het nut in de toekomst voor, en ieder moet toestemmen307, dat een staat, die wetten maakt, noodzakelijk dikwijls het nuttigste niet treffen kan.
Theod.Ongetwijfeld.
So.Dus zullen wij met regt uwen leermeester oproepen om toe te stemmen, dat de een wijzer dan de ander is, en dat de zoodanige maat is; maar dat ik, die onkundig ben, volstrekt niet in de noodzakelijkheid ben van maat te worden, hoewel in de daareven voor hem gehoudene pleitrede beweerd werd, dat ik zulks willens of onwillens wezen moest.
Theod.Ik geloof,Socrates! dat zijn stelsel vooral hierin mank gaat, en tevens daarin, dat het ook de gevoelens der anderen, die zijne meeningen, zoo als wij zagen, verwerpen, als waar moet erkennen.
So.Zulk een stelsel,Theodorus! gaat nog in vele andere punten mank, [daar het telkens blijkt,] dat niet alle meeningen, die ieder koestert, waar zijn; maar van de uit ieders tegenwoordigen toestand308ontspruitende[122]gevoelsaandoeningen en de daaraan zich hechtende meeningen is het moeijelijker te bewijzen, dat zij niet waar309zijn. Misschien echter zeg ik niets310, daar zij welligt onwederlegbaar zijn, en degenen, die ze voor klaarblijkelijke kennis houden, misschien de waarheid zeggen, en onzeTheaetetusniet mis geoordeeld heeft, toen hij gevoel en kennis hetzelfde noemde. Dus moeten wij naderbij komen, gelijk de verdedigingsrede vanProtagorasvoorschreef, en die leer der eeuwige beweging onderzoeken, daartegen kloppende, [om te hooren] of zij eenen zuiveren of eenen zieken klank geeft311. En de strijd hierover is niet gering en niet tegen weinigen.
XXVII.Theod.Het is er ver van af, dat de strijd tegen die meening gering is, daar zij integendeel in de streken vanJoniezeer bloeit, want de navolgers vanHeraclietstaan dezelve krachtig voor.
So.Daarom, mijn waardeTheodorus! moeten wij haar des te meer beschouwen en wel van voren af aan, gelijk zij voorgaan.[123]
Theod.Dat is opperbest. Want,Socrates! wat die navolgers vanHeracliet, of, zoo als gij zegt, vanHomerus312en van nog ouderen aangaat, met die teEphesus, welke voorwenden deze leer te verstaan, is het niet méér mogelijk te spreken dan met razenden. Want zij zijn in waarheid even bewegelijk als zij schrijven, en bij eene stelling of een vraagstuk te blijven en kalm op hunne beurt te antwoorden en te vragen, wordt onder hen in het minst niet gevonden; ja, rust is in hen nog minder dan in het geheel niet, maar, zoo gij iemand [hunner] iets vraagt, haalt hij als uit een’ pijlkoker korte raadselachtige gezegden en schiet die af, en zoo gij hem rekenschap vraagt, wat hij gezegd heeft, dan wordt gij getroffen313met een ander van vreemde beteekenis, maar gij zult met niemand hunner ooit iets vorderen, en ook zij met elkander niet; maar zij zorgen wel, noch in hunne woorden, noch in hunne zielen iets bestendigs te laten, daar zij dat, geloof ik, voor stilstand houden, waartegen zij met geweld strijden en dien zij zoo veel mogelijk overal uitwerpen.
So.Misschien,Theodorus! hebt gij die menschen al strijdend bijgewoond, maar ze niet in vrede gevonden; want zij zijn uwe vrienden niet314. Maar ik geloof,[124]dat zij die dingen aan hunne leerlingen, die zij aan zich gelijk willen maken, op hun gemak uitleggen.
Theod.Wat leerlingen! mijn vriend! Bij hen is niemand leerling van een ander, maar zij komen van zelfs op, naarmate ieder hunner den geest krijgt, en de een houdt den ander voor een weetniet. Van hen nu, zoo als ik zeide, zoudt gij nooit goedschiks of kwaadschiks315rekenschap krijgen; maar men moet hen zelven als vraagstuk nemen316en onderzoeken.
So.Dat zegt gij goed. Maar hebben wij niet het vraagstuk ontvangen van de ouden, die in een dichterlijk kleed voor de menigte verborgen317, dat de oorsprong van alles, Oceaan en Tethys, stroomen zijn, en dat niets staat, en van de lateren, die het, daar zij geleerder waren, openlijk verkondigden, opdat ook de schoenlappers318, dat hoorende, hunne wijsheid zouden[125]overnemen, en niet langer in hunne onnoozelheid zouden meenen, dat sommige dingen stilstaan en andere zich bewegen, maar geleerd hebbende, dat alles in beweging is, hen zouden vereeren? Maar,Theodorus! ik was bijna vergeten, dat anderen het tegendeel hiervan hebben beweerd, [namelijk,] dat aan het al slechts de naam van het onveranderlijk zijn toekomt319, en dat, gelijkMelissusenParmenidestegen al dat [vorige] volhouden, het al één is, en in zich zelf gegrond vaststaat, zonder plaats om in te bewegen. Mijn vriend! hoe zullen wij ons omtrent die allen gedragen? want terwijl wij langzaam voortgingen, zijn wij ongevoelig tusschen die twee partijen ingekomen,320en zoo wij ons er niet door weten te slaan, zullen wij boeten, gelijk zij, die bij de ligchaamsoefeningen al spelend op den streep komen en door den troep aan weerskanten gegrepen, naar twee verschillende zijden getrokken worden321. Ik ben dus[126]van oordeel, dat wij eerst die partij moeten beschouwen, waarmede wij nu bezig zijn, [namelijk] de vloeijenden. En zoo zij iets van belang schijnen te zeggen, zullen wij ons zelven met hen mede laten trekken en de anderen pogen te ontvlugten; maar zoo zij, die het al doen stil staan, meer waarheid schijnen te spreken, zullen wij tot hen vlugten en diegenen ontwijken, die zelfs het onbeweeglijke bewegen. Maar zoo geen van beiden iets goeds schijnt te zeggen, dan staan wij bloot aan bespotting, daar wij, geringe lieden, zelve iets meenen te zeggen en zulke oude en doorgeleerde menschen verwerpen. Zie nu eens,Theodorus! of het de moeite waard is, zich aan zulk een gevaar bloot te stellen.
Theod.Socrates!wij moeten volstrekt niet dralen met te onderzoeken, wat beide partijen zeggen.
XXVIII.So.Wanneer gij er zoo zeer naar verlangt, moet het onderzocht worden. Ik geloof dus, dat het begin van het onderzoek naar de beweging moet gemaakt worden [met de vraag], wat toch zij meenen, die beweren, dat alles in beweging is322. Dit nu is hetgeen ik bedoel: of zij van ééne soort derzelve, of, gelijk mij voorkomt, van twee soorten spreken. Doch dit moet niet aan mij alleen zoo voorkomen, maar neem gij er deel aan, opdat, zoo het noodig is, wij ons lot deelen, en zeg mij: noemt gij het geen bewegen, wanneer iets de eene plaats met de andere verruilt,[127]of wanneer het zich in dezelfde plaats omwentelt?323
Theod.Dat doe ik.
So.Dit zij dan de ééne soort. Maar wanneer nu [iets] op dezelfde plaats blijft, maar oud, of van wit zwart, of van zacht hard wordt, of op eenige andere wijs verandert, wordt dat dan niet met regt als eene andere soort van beweging beschouwd?
Theod.Ik geloof van ja.
So.Het kan niet anders. Dus noem ik deze twee soorten van beweging: verandering en de andere plaatsverwisseling324.
Theod.Dat zegt gij goed.[128]
So.Laat ons nu, na dit alzoo verdeeld te hebben, hen aanspreken, die zeggen, dat alles in beweging is, en hen vragen: zegt gij, dat alles op beide wijzen in beweging is, en dus tevens van plaats verwisselt en verandert? of het eene op beide wijzen, het andere op ééne der twee?
Theod.BijZeus! ik weet niet, wat ik zeggen moet, maar ik geloof, dat zij zeggen zouden: op beide wijzen.
So.Zoo zij dat niet doen, mijn vriend! dan zal het hun schijnen te bewegen en stil te staan, en het zal niet beter zijn te zeggen, dat alles in beweging is, dan dat alles stil staat325.
Theod.Gij zegt volkomen de waarheid.
So.Daar het dus in beweging moet zijn en het niet in beweging zijn nergens wezen mag, wordt alles altijd volgens beide soort van beweging326bewogen.
Theod.Dat is noodig.
So.Onderzoek er dan nog eens dit van. Zeiden wij niet327, dat wij den oorsprong van warmte, of[129]witheid, of wat dan ook aldus stellen, dat ieder dier dingen tegelijk met de waarneming zich tusschen het bedrijvende en het lijdende beweegt, zoodat het lijdende waarnemend, maar daarom nog niet waarneming wordt, en het bedrijvende hoedanig, maar niet hoedanigheid? Misschien echter schijnt het woordhoedanigheid328u vreemd, zoodat gij die algemeene uitdrukking niet vat. Ik wil het u dan met voorbeelden ophelderen329. Het bedrijvende wordt geen warmte of witheid, maar warm of wit, en het overige even zoo. Want gij herinnert u wel, dat wij in het vorige alzoo zeiden: dat niets op zich zelf is, noch het bedrijvende, noch het lijdende, maar dat zij, door hunne zamenkomst de gevoelsaandoeningen en de gevoelde dingen330voortbrengende, deels met eene bepaalde hoedanigheid voorzien, deels voelend worden331.[130]
Theod.Ik herinner het mij; hoe zou ik het vergeten zijn?332
So.Laat ons dus het andere laten rusten, [en niet onderzoeken,] of zij dat anders of aldus meenen, maar nu alleen datgene in het oog houden, waarover333wij spreken, vragende: alles is, naar gij zegt, in beweging en vloeijing, niet waar?
Theod.Ja.
So.Dus met beide bewegingen, waarin wij het verdeeld hebben, [namelijk] de plaatsverwisseling en de verandering?
Theod.Natuurlijk: daar het volkomen in beweging moet wezen.
So.Zoo het nu alleen van plaats wisselde, en niet veranderde, dan zouden wij kunnen zeggen, welke bewogene dingen van plaats wisselen, of hoe zeggen wij?334
Theod.Alzoo.
So.Maar daar nu zelfs dit niet blijft, dat b. v. het witte van plaats wisselt, maar verandert, zoodat[131]ook de witheid zelve wegvloeit en in eene andere kleur overgaat, om niet in dat opzigt stil te staan, is het dan mogelijk, eenige kleur met eenen goeden naam te bestempelen?
Theod.Hoe is dat hiervan of van eenige andere dergelijke zaak mogelijk,Socrates! daar het in beweging zijnde steeds aan den sprekende ontvliedt335?
So.Maar wat zullen wij nu van elke gevoelsaandoening zeggen, b. v., van het zien of hooren? Dat zij ooit blijft wat zij is, namelijk zien of hooren336?
Theod.Daar alles in beweging is, mag dat niet.
So.Dus mogen wij ook, wanneer alles in alle opzigten in beweging is, het woordzienniet meer bezigen dan het woordniet zien, en van niet ééne gevoelsaandoening meer dan van de tegenovergestelde spreken.
Theod.Wel neen.
So.Edoch gevoel is kennis337, zoo als ik enTheaetetusbeweerd hebben.[132]
Theod.Ja.
So.Dus hebben wij op de vraag, wat kennis is, een antwoord gegeven, dat zoowel kennis als niet-kennis uitdrukt.
Theod.Dat schijnt zoo.
So.Dus hebben wij eene fraaije bevestiging van ons antwoord338gekregen, daar wij, om dat antwoord te kunnen redden, poogden aan te toonen, dat alles in beweging is. Want nu schijnt het uitgemaakt, dat, zoo alles in beweging is, ieder antwoord, op elke vraag, even waar is, en dat wij mogen zeggen, dat het zoo is en niet zoo is, of, indien gij wilt, wordt, opdat wij hen339niet door onze woorden tot stilstand nopen.
Theod.Gij zegt goed.
So.Behalve,Theodorus! dat ik sprak van zóó en niet zóó. Want340wij moeten dat woordzóóniet[133]eens bezigen; want als het zóó was, dan was het niet meer in beweging; noch ookniet-zóó, want ook dit is geene beweging; maar wij moeten voor hen, die deze leer verkondigen, eene andere uitdrukking verzinnen, daar zij voor hunne meening geen woorden hebben, behalve misschien:in het geheel niet. Dit toch zou hun nog het beste passen, wanneer het zoo onbepaald mogelijk genomen werd.
Theod.Deze uitdrukking past hun ten minste vrij goed.
So.Dus,Theodorus! wij zijn met uwen vriend klaar gekomen, en geven hem nog niet toe, dat ieder mensch, ook de onverstandige, de maat is van alle dingen; en volgens de leer, dat alles beweegt, zullen wij niet toestemmen, dat het gevoel kennis is. OfTheaetetusmoest iets anders zeggen.
Theod.Socrates!gij zegt daar iets heel goeds, want nu dit klaar is, moet ook ik volgens de overeenkomst341er van af zijn om u te antwoorden, daar de redekaveling overProtagorasuit is.
XXIX.Theaet.Och neen,Theodorus! niet voordatSocratesen gij ook hen, die alles doen stil staan, gelijk gij daareven voornemens waart342, hebt behandeld.[134]
Theod.Theaetetus!leert gij, die nog zoo jong zijt, andere menschen onregt plegen en hunne overeenkomsten overtreden? [Dat zal niet gebeuren], maar houd u gereed, omSocratesover de rest te woord te staan.
Theaet.Wanneer hij ten minste wil. Ik zou echter daarover liever hooren.
Theod.Gij roept ruiters in de vlakte343, zoo gijSocratestot redekavelingen roept: vraag dan maar op, en gij zult het hooren.
So.[Dat is waar],Theodorus! en toch heb ik geen plan, aan het verzoek vanTheaetetusgehoor te geven.
Theod.Waarom niet?
So.Hoewel ik door schaamte weêrhouden werd, omMelissusen de anderen, die leeren, dat het al één en stilstaand is, oppervlakkig te beoordeelen, heb ik echter voor hen allen nog minder eerbied dan voorParmenidesalleen.Parmenidestoch schijnt mij, om metHomeruste spreken, te gelijk eerwaardig en ontzaginboezemend. Want, toen ik nog zeer jong was en hij reeds zeer oud, heb ik hem ontmoet, en het kwam mij voor, dat hij begaafd was met echte diepzinnigheid344.[135]Daarom vrees ik, dat wij de woorden niet zouden verstaan en den zin nog veel minder vatten345, en wat het ergste is, dat het eigenlijke doel onzer redekaveling, de vraag wat kennis is, zoo wij ons aan de zich indringende redekavelingen stoorden346, onbehandeld zou blijven; vooral daar het uitgebreide onderwerp, dat wij daareven aanroerden, in het voorbijgaan niet behoorlijk kan behandeld worden, en zoo het behoorlijk behandeld werd, door zijnen omvang het onderzoek naar de kennis zou in de schaduw stellen. Geen van beiden echter mag plaats hebben, maar wij moeten347Theaetetusdoor onze vroedkunst pogen[136]te verlossen van hetgeen, waarvan hij ten opzigte der kennis zwanger is.
Theod.Wij moeten dan maar zóó doen, indien gij het goedvindt.
So.Theaetetus!onderzoek dan nog eens dit aangaande het gezegde. Gij hebt immers geantwoord, dat kennis gevoel is?
Theaet.Ja.
So.Zoo dan nu iemand u aldus vroeg: Waarmede ziet iemand het witte en het zwarte, en waarmede hoort hij het hooge en het lage? dan zoudt gij, geloof ik, zeggen: met zijne oogen en ooren.
Theaet.Ja.
So.Over het geheel nu is het een bewijs van vrijzinnigheid, wanneer men gemakkelijk is omtrent woorden en uitdrukkingen, en die niet naauwkeurig uitpluist, daar veeleer het tegenovergestelde een blijk is van bekrompenheid; maar soms348is dit noodzakelijk, gelijk het nu noodig is, uw antwoord, voor zoo ver het niet juist is, te gispen349: want zie eens, welk antwoord juister is: dat de oogen dat zijn, waarmede, of dat, waardoorwij zien; en de ooren dat, waarmede, of dat, waardoor350wij hooren?[137]
Theaet.Socrates! ik houd dat waardoor, voor juister, dan dat waarmede wij alles waarnemen.
So.Het zou dan ook erg zijn, jongelief! zoo in ons, als in houten paarden351, zinnen zaten, en niet dit alles op één wezen, het moge dan ziel heeten of iets anders, zamenliep, waarmede wij door die dingen352als door werktuigen alles waarnemen, wat zinnelijk waarneembaar is.
Theaet.Ik geloof dan ook het laatste meer dan het eerste.
So.Maar waarom behandel ik dit voor u zoo uitvoerig? [Om te onderzoeken], of wij met één en hetzelfde deel van ons wezen353door de oogen het witte en het zwarte bereiken, en door de andere [zintuigen][138]andere dingen; en of gij, er naar gevraagd zijnde, dit alles op het ligchaam zoudt kunnen te huis brengen. Maar misschien is het beter, dat gij het liever354zelf door uwe antwoorden te kennen geeft, dan dat ik mij om u vermoei. Zeg mij dan: hetgeen, waardoor gij het warme en harde en ligte en zoete waarneemt, houdt gij dat alles voor tot het ligchaam behoorend, of tot iets anders?
Theaet.Tot niets anders.
So.Zoudt gij ook willen toestemmen, dat het onmogelijk is, wat gij door den éénen zin waarneemt, door den anderen waar te nemen, bij voorbeeld, wat gij door het gehoor waarneemt, door het gezigt, of wat gij door het gezigt waarneemt, door het gehoor?
Theaet.Waarom niet?
So.Zoo gij dus iets omtrent beiden denkt, zoudt gij dat noch door het ééne, noch door het andere zintuig van beiden kunnen waarnemen.
Theaet.Wel neen.[139]
So.Maar gij denkt toch aangaande geluid en kleur vooreerst ditzelfde van beiden, dat beidenzijn?
Theaet.Ja.
So.Immers ook, dat ieder, ten opzigte van den anderen, wat anders, ten opzigte van zich zelven hetzelfde is?
Theaet.Natuurlijk.
So.En dat zij te zamen twee zijn, en ieder afzonderlijk één is?
Theaet.Ook dat.
So.Kunt gij ook beschouwen, of zij ongelijk of gelijk aan elkander zijn?
Theaet.Misschien wel.
So.Waardoor nu denkt gij dat alles aangaande hen? Want het is toch niet mogelijk, door het gehoor of gezigt het algemeene in beiden te vatten355. Want zoo het mogelijk was beiden te onderzoeken, of zij zout zijn of niet, dan zoudt gij wel zeker in staat zijn te zeggen, waarmede gij het zoudt onderzoeken; en dat schijnt geen gezigt of gehoor, maar iets anders te wezen.
Theaet.Natuurlijk: te weten de zin, die in de tong is gevestigd.
So.Dat zegt gij goed. Maar welke zin maakt u nu bekend met het aan allen en [dus] ook aan deze gemeenschappelijke, namelijk met het zijn en niet zijn[140]en wat wij daareven verder over dezelve vroegen356? Welke zintuigen zult gij voor dit alles opgeven, door welke datgene ze waarneemt, wat in ons alles waarneemt?
Theaet.Gij meent het zijn en niet zijn, de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit en onderscheidenheid357, de eenheid en de andere hoeveelheden,[141][die wij] van dezelve [opgeven]. Natuurlijk vraagt gij ook, door welk zintuig wij toch het evene en onevene, en wat daar verder bij hoort, met de ziel waarnemen358?
So.Theaetetus!gij volgt mij uitstekend, want dit is juist hetgeen ik vraag.
Theaet.Maar waarlijk,Socrates! ik kan niet anders zeggen, dan dat, naar mij voorkomt, daarvoor in het geheel geen afzonderlijk zintuig bestaat, zooals voor die anderen, maar dat de ziel zelve door zich zelve die algemeene op alles toepasselijke dingen beschouwt.
So.[Ik heb schik in u],Theaetetus! want gij zijt schoon359, en niet leelijk, zooalsTheodoruszeide. Hij toch, die schoon kan spreken, is schoon en goed. En behalve dat schoone [in uw antwoord], hebt gij goed[142]gedaan, door mij van eene zeer lange redekaveling te verlossen, zoo het u voorkomt, dat de ziel het eene zelve door zich zelve waarneemt, het andere door de zintuigen. Dit toch kwam mij zoo voor, maar ik wilde, dat het ook u zoo voorkwam360.
Theaet.Welnu, het komt mij zoo voor.
XXX.So.Tot welke soort nu rekent gij het zijn? Dit toch is het meest algemeene.
Theaet.Tot die dingen, welke de ziel zelve op zich zelve bereikt.
So.Rekent gij daartoe ook de gelijkheid en ongelijkheid, de identiteit en onderscheidenheid?
Theaet.Ja.
So.En de schoonheid en de leelijkheid, de goedheid en de kwaadheid?
Theaet.Ik geloof, dat de ziel ook vooral hunne wezenheid361beschouwt, wanneer zij bij zich zelve het[143]verledene en tegenwoordige in betrekking tot elkander en tot het toekomstige beschouwt362.
So.Houd op363! [en antwoord mij liever op deze vraag]. Neemt zij niet de hardheid van het harde door den tastzin waar, en de zachtheid van het zachte insgelijks?
Theaet.Ja.
So.Maar het zijn, en de wezenheid, en de onderlinge tegenstelling, en de wezenheid der tegenstelling zoekt onze ziel zelve te beoordeelen, door zich tot die dingen te wenden en ze met elkander te vergelijken.
Theaet.Zeer zeker.
So.Is het nu niet door de natuur aan menschen en dieren gegeven, sommige dingen terstond na hunne geboorte waar te nemen, [namelijk] al de aandoeningen, die door het ligchaam tot de ziel komen; terwijl de redeneringen over hunne wezenheid en nuttigheid moeijelijk en langzaam en met veel arbeid en[144]studie het deel worden van die [weinigen], wier deel zij worden?
Theaet.Zeer zeker.
So.Is het nu mogelijk, dat hij, die de waarheid bereikt, de wezenheid niet [bereiken kan]?
Theaet.Neen.
So.Maar kan iemand ooit datgene kennen, waarvan hij de wezenheid niet bereiken kan?
Theaet.Hoe zou dat mogelijk zijn,Socrates?
So.Dus is er geene kennis in de aandoeningen der zinnen, maar in de redekaveling over dezelve364: want in de laatste is het mogelijk de wezenheid en de waarheid te bereiken, maar in de eerste niet.
Theaet.Het schijnt zoo.
So.Maar noemt gij nu die twee, die zoo verschillen365, hetzelfde?
Theaet.Dat zou onbillijk zijn.[145]
So.Welken naam geeft gij nu aan het zien, hooren, rieken, koud of warm zijn?
Theaet.Geen anderen dan dien van gevoelsaandoeningen.
So.Dus noemt gij ze met één woord: gevoel.
Theaet.Dat is noodzakelijk.
So.En dit kan de waarheid niet bereiken, daar het de wezenheid niet bereiken kan?
Theaet.Neen.
So.Dus ook de kennis niet?
Theaet.Neen.
So.Dus,Theaetetus! kan gevoel en kennis nooit hetzelfde zijn?
Theaet.Het schijnt van neen,Socrates! en vooral door het laatste is het zeer duidelijk geworden, dat kennis iets anders is dan gevoel.
So.Maar wij zijn geenszins daarom aan het onderzoeken gegaan, opdat wij vinden zouden, wat de kennisnietis, maar wat zijwelis366. Wij zijn echter zooveel gevorderd, dat wij haar in het geheel niet meer in het gevoel zoeken, maar in datgene, wat de ziel heeft, wanneer zij zelve op zich zelve met het zijnde bezig is.
Theaet.Dit nu,Socrates! wordt, geloof ik, meening genoemd.[146]
So.Uw geloof is goed, mijn waarde367! En onderzoek dan nu eens van voren af aan, met wegdenking368van al het vorige, of gij nu iets meer ziet, nadat gij zoover gevorderd zijt, en zeg wederom, wat kennis is.
XXXI.Theaet.Het is onmogelijk,Socrates! alle meening voor kennis te verklaren, daar er ook valsche meening is; maar de ware meening schijnt kennis te wezen, en dit zij dan mijn antwoord. Want zoo dit evenmin als het vorige tegen verder onderzoek bestand is, dan zullen wij trachten iets anders te zeggen.
So.Het is beter,Theaetetus! zoo bereidwillig uwe meening te zeggen, dan, gelijk in den beginne, met antwoord geven te talmen. Want zoo wij alzoo doen, dan [zal] een van beiden [gebeuren]: óf wij zullen vinden, waar wij naar streven, óf wij zullen minder meenen te weten, wat wij volstrekt niet weten; en zulk een loon zou toch niet verwerpelijk wezen. Wat zegt gij dan nu? Bepaalt gij, na de meening in twee soorten, de ware en de valsche, verdeeld te hebben, de ware meening als kennis?[147]
Theaet.Ja: want dit komt mij nu zoo voor.
So.Is het dan nu niet noodig, de meening nog eens van voren af aan te onderzoeken369?
Theaet.Hoe meent gij dat?
So.Nu en bij andere gelegenheden word ik dikwijls in onzekerheid gebragt, wat ik denken en spreken moet, doordien ik niet in staat ben te zeggen, wat dat voor eene aandoening in ons is, en hoe zij ontstaat370.
Theaet.Wat meent gij toch?
So.Het hebben van valsche meening. Ik ben het dan ook nu nog niet met mij zelven eens, of wij het moeten laten rusten, of het op eene andere wijs dan daareven beschouwen.
Theaet.Waarom [zoudt gij het laatste] niet [doen],[148]Socrates? Houdt gij het er niet voor, dat wij het, hoe dan ook, moeten onderzoeken? Daareven toch hebt gij,Theodorusvan den ledigen tijd sprekende, zoo goed gezegd, dat bij zulke dingen niets ons dringt.
So.Dat brengt gij mij juist van pas te binnen. Want misschien is het niet ondienstig, als het ware onze voetstappen nog eens langs te gaan. Want het is toch beter, een weinig goed, dan veel niet behoorlijk tot stand te brengen371.
Theaet.Ongetwijfeld.
So.Hoe zeggen wij dan nu? Immers, dat er telkens valsche meeningen zijn, en dat de een onzer het valsche, de ander het ware tot voorwerp zijner meening heeft, daar beiden werkelijk bestaan.372
Theaet.Ja, dat zeggen wij.
So.373Geldt nu niet voor ons ten opzigte van alle[149]dingen, dat wij ze óf kennen óf niet kennen? Want leeren en vergeten, die tusschen die twee inliggen, laat ik voor het tegenwoordige rusten; want zij zijn ons nu niet dienstig voor de redekaveling374.
Theaet.Waarlijk,Socrates! dan blijft er voor ieder niets anders over dan kennen of niet kennen.
So.Dus is het dan nu noodig, dat hij, die meent, meening koestert aangaande dingen, die hij kent of niet kent.
Theaet.Noodzakelijk.
So.Edoch iets kennende, datzelfde niet te kennen, of niet kennende, te kennen, is onmogelijk.
Theaet.Hoe zou dat anders?
So.Maar wanneer nu iemand valsche meening koestert, gelooft hij dan, dat hetgeen hij kent, niet dat is, maar iets anders, uit de dingen, die hij kent; zoodat hij beiden kennende, ze beiden wederom niet kent?
Theaet.Dat is onmogelijk,Socrates!
So.Maar houdt hij dan, hetgeen hij niet kent, voor iets anders, dat hij ook niet kent, en is375het[150]voor iemand, die nochTheaetetusnochSocrateskent, mogelijk, in zijne hersens te krijgen, datSocratesTheaetetusofTheaetetusSocratesis?
Theaet.Wel neen.
So.Maar wat iemand kent, houdt hij toch niet voor hetgeen hij niet kent, noch wat hij niet kent voor hetgeen hij kent.
Theaet.Dat zou wel een wonder zijn.
So.Hoe kan iemand dan nog valsche meening koesteren? Want het is toch niet mogelijk, buitendien nog meening te koesteren, daar wij alles kennen of niet kennen, en het daarbij nergens mogelijk schijnt, valsche meening te koesteren.
Theaet.Dat is volkomen waar.
So.Willen wij nu hetgeen wij zoeken, eens beschouwen, niet naar het weten en niet weten, maar naar het zijn en niet zijn?
Theaet.Hoe zegt gij?
So.Of het niet zonder uitzondering waar376is, dat hij, die over iets het niet zijnde meent, onvermijdelijk valsche meening koestert, hoe het ook overigens met zijn verstand gesteld is.
Theaet.Dat schijnt zoo,Socrates.
So.Wat zouden wij dan nu zeggen,Theaetetus![151]zoo iemand ons vroeg: is hetgeen gij daar zegt377voor iemand mogelijk, en kan eenig stervelinghetniet zijnde tot voorwerp zijner meening nemen, hetzij met betrekking tot eenig ander ding, hetzij op zich zelf? Zouden wij niet waarschijnlijk daarop zeggen: wanneer hij, geloovende ware meening te hebben, die niet heeft. Of hoe zullen wij zeggen?
Theaet.Zóó.
So.Heeft dit nu ergens elders plaats?
Theaet.Wat?
So.Bij voorbeeld, dat iemand iets ziet en toch niets ziet378.
Theaet.Hoe zou dat kunnen?
So.Edoch, zoo hij het één of ander ding ziet, dan ziet hij iets dat is. Of rekent gij zulk een ding onder het niet zijnde379?
Theaet.Wel neen.
So.Die dus iets ziet, ziet iets dat is.
Theaet.Het schijnt zoo.[152]
So.En die dus iets hoort, hoort het een of ander, en iets dat is.
Theaet.Ja.
So.En die iets betast, betast een of ander ding, en bij gevolg iets dat is.
Theaet.Ook dit.
So.En die meent, meent immers het een of ander?
Theaet.Toegestemd.
So.Nu meent immers hij, die het niet zijnde meent, niets380?
Theaet.Ik geloof neen.
So.Maar die niets meent, meent eigenlijk in het geheel niet?