Chapter 6

Theaet.Dat is duidelijk, zou men zeggen.So.Dus is het niet mogelijk, het niet zijnde te meenen, noch ten aanzien van [andere] dingen, noch op zich zelf.Theaet.Het schijnt van neen.So.Dus is het koesteren van valsche meening wat anders, dan het meenen van het niet zijnde.Theaet.Het schijnt wat anders.So.Dus is alzoo evenmin, als gelijk wij het daareven[153]beschouwden, valsche meening in ons aanwezig.Theaet.Dat is zij niet.XXXII.So.Maar ontstaat ook hetgeen wij dien naam geven misschien aldus381?Theaet.Hoe?So.Geven wij den naam van valsche meening ook aan eene verwisseling van begrippen382, wanneer iemand een der bestaande dingen voor een ander der bestaande dingen houdt, die in zijne meening verwisselende? Alzoo toch meent hij altijd een zijnde, maar het ééne in plaats van het andere, en wanneer hij het bedoelde niet treft, kan hij teregt als valsche meening koesterend beschouwd worden.Theaet.Nu geloof ik, dat gij het opperbest gezegd hebt. Want zoo iemand iets dat schoon is voor leelijk, of iets dat leelijk is voor schoon houdt383, dan koestert hij in waarheid valsche meening.So.Ik merk,Theaetetus! dat gij niet schroomt mij voor den gek te houden.[154]Theaet.Hoe dat?So.Gij denkt, geloof ik, dat ik niet vallen zal over die in waarheid valsche meening, u vragende, of het mogelijk is, dat het snelle traag, of het ligte zwaar, of eenig ander lid eener tegenstelling niet naar zijnen aard, maar naar dien van het andere, het tegenovergestelde van zich zelf wordt384. Doch hier wil ik over heen stappen om u niet te ontmoedigen. Het is dus, zoo als gij zegt, uwe meening, dat het koesteren van valsche meening verwisselen van meening is?Theaet.Ja.So.Dus is het naar uw gevoelen mogelijk385, iets als386iets anders en niet als dat [wat het is] in de gedachte te stellen.Theaet.Dat is zoo.So.Wanneer dus iemand dit in de gedachte doet,[155]is het dan niet noodig, dat hij beide of althans het ééne denkt?Theaet.Wel zeker.So.En wel tegelijk of beurtelings387?Theaet.Opperbest.So.Maar vat gij nu het denken even zoo op als ik388?Theaet.Hoe vat gij het op?So.Als een gesprek, dat de ziel met zich zelve houdt over hetgeen zij onderzoekt. Ik geef u echter deze verklaring voor hetgeen zij is389. Want ik geloof, dat de ziel, wanneer zij denkt, niets anders doet dan een gesprek voeren, zich zelve vragende en antwoordende, en toestemmende en ontkennende390. Wanneer zij nu, hetzij met veel, hetzij met weinig moeite, eene bepaling gegeven hebbende, zich bij hetzelfde houdt en niet twijfelt, dan noemen wij dat hare meening. Zoo noem ik dan het meenen spreken, en meening [de slotsom van]391een gesprek,[156]dat niet met een ander en door middel der stem, maar in stilte door de ziel met zich zelve gehouden wordt. En hoe doet gij?Theaet.Even zóó.So.Wanneer dan nu iemand het ééne voor iets anders houdt, dan zegt hij ook, naar het schijnt, tot zich zelven, dat het ééne het andere is.Theaet.Ongetwijfeld.So.Herinner u dan nu eens, of gij ooit tot u zelven gezegd hebt, dat stellig het schoone leelijk is, of het onregtvaardige regtvaardig, of, om het in eens392te zeggen, onderzoek eens, of gij ooit u zelven hebt zoeken te overreden, dat stellig het ééne het andere is; en of gij niet integendeel zelfs in den slaap nooit tot u zelven hebt durven zeggen, dat het onevene stellig even is, of iets anders dergelijks.Theaet.Gij zegt de waarheid.So.Of gelooft gij, dat iemand anders, hetzij hij bij zijne zinnen is of niet, in ernst tot zich zelven zou durven393zeggen, en zich wijsmaken, dat noodzakelijk een os een paard is, of twee één.[157]Theaet.Wel neenik.So.Wanneer dus het spreken tot zich zelf meenen394is, dan zou niemand, beiden zeggende en meenende en met de ziel aanrakende, zeggen en meenen, dat het ééne het andere is. Dus moet gij van het ééne die uitdrukking niet meer bezigen395. Want ik beweer, dat niemand meent, dat het leelijke schoon is, of iets anders dergelijks396.Theaet.Dat zal ik dan maar niet meer doen,Socrates! want ik ben het met u eens.So.Dus is het onmogelijk, wanneer men beiden[158]voor den geest heeft, te meenen, dat het ééne het andere is.Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar iemand, die alleen het ééne voordengeest heeft en het andere volstrekt niet, zal nooit meenen, dat het ééne het andere is.Theaet.Gij zegt de waarheid; want hij zou gedwongen worden, datgene voor den geest te hebben, wat hij niet voor den geest heeft.So.Dus is het verwisselen der begrippen niet mogelijk, wanneer men beiden; en ook niet, wanneer men één van beiden voor den geest heeft; weshalve iemand, die de valsche meening als het verwisselen van begrippen bepaalde, niets zou zeggen. Want noch aldus, noch volgens het vorige, schijnt er valsche meening in ons te bestaan.Theaet.Het schijnt van neen.XXXIII.So.Maar waarlijk,Theaetetus! zoo dat397niet schijnt te bestaan, dan zullen wij in de noodzakelijkheid zijn, vele dwaze dingen toe te stemmen.Theaet.Welke dan?So.Ik zal het u niet zeggen, voordat ik het van alle kanten beschouwd en onderzocht heb. Want ik zou mij over ons schamen, zoo wij ten opzigte van het voor ons duistere punt gedwongen werden, wat ik bedoel, toe te stemmen398. Maar zoo wij het vinden[159]en vrij worden, dan zullen wij, zelve voor bespotting veilig, over de anderen spreken, die in dien toestand zijn399; en zoo wij er volstrekt geen raad op weten, dan zullen wij, denk ik, vernederd zijnde, ons door de redekaveling, als zeereizigers [in eenen storm, door de matrozen] laten met voeten treden en naar willekeur behandelen400. Hoor dan nu eens, hoe ik nog eenigen raad voor ons onderzoek meen te vinden.Theaet.Zeg maar op.So.Ik zal ontkennen, dat wij teregt hebben toegestemd, toen wij toestemden, dat het onmogelijk is, dat iemand hetgeen hij kent houdt voor hetgeen hij niet kent, en zich daarin vergist; maar [zal beweren], dat zulks in sommige opzigten mogelijk is.Theaet.Meent ge welligt, dat het zoo is, als ik, toen wij dat zeiden, reeds vermoedde, [namelijk] dat ik somtijds, [hoewel]Socrateskennende, wanneer ik van verre iemand anders zie, dien ik niet ken, dien voorSocratesaanzie, dien ik wel ken. Want in zulk een geval gebeurt hetgeen gij zegt.So.Hebben wij dat niet laten varen, omdat het, wat wij kennen, hoewel wij het kennen, niet401deed kennen?[160]Theaet.Juist.So.Laat ons het dan niet zóó stellen, maar op deze wijs; en misschien zal het ons gunstig, misschien ongunstig zijn. Maar wij zijn in zulk eenen toestand, waarin het noodig is alle redekaveling van alle kanten402te onderzoeken. Zie dan [eens], of ik iets zeg. Is het mogelijk iets, dat men niet weet, later te leeren?Theaet.Wel zekerSo.Dus ook even zoo wat anders en weer wat anders?Theaet.Waarom niet?So.Stel dan nu eens om der wille van de redekaveling, dat in onze ziel een stuk was403is, bij den eenen grooter, bij den anderen kleiner; en[161]bij den eenen van zuiverder was, bij den anderen van onzuiverder en harder, en bij sommigen vochtiger [dan bij anderen], bij eenigen404van de behoorlijke maat.Theaet.Ik stel het.So.Laat ons dan zeggen, dat dit een geschenk is vanMnemosyne, de moeder der Muzen, en dat wij, hetgeen wij gehoord of zelve bedacht hebben en willen onthouden, in hetzelve afbeelden, door het onder de zinnelijke indrukken of gedachten te plaatsen, als of wij er zegels in afdrukten. En dat wij wat er in afgedrukt is, onthouden en weten, zoo lang als zijn beeld er in is, maar, wanneer het is uitgewischt of er niet in kon afgedrukt worden, vergeten zijn en niet weten.Theaet.Het zij zoo.So.Zie dan nu eens, of iemand, wanneer hij iets, dat hij kent, uit de dingen, die hij ziet of hoort, beschouwt, ook op deze wijs valsche meening zou kunnen koesteren405.Theaet.Op welke wijs?So.Wanneer hij, hetgeen hij kent, dan eens houdt[162]voor hetgeen hij kent, dan eens voor hetgeen hij niet kent. Dit toch hebben wij in het vorige verkeerdelijk voor onmogelijk verklaard.Theaet.Maar hoe zegt gij dan nu?So.Wij moeten het van voren af aan alzoo uiteenzetten, dat het niet mogelijk is, wat men kent, en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waarneemt, te houden voor iets anders van hetgeen men insgelijks kent en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waarneemt. Noch ook wat men kent te houden voor hetgeen men niet kent en niet heeft afgedrukt; noch wat men niet kent voor hetgeen men niet kent; noch wat men niet kent voor hetgeen men kent; noch wat men waarneemt voor iets anders van hetgeen men waarneemt; noch wat men waarneemt voor iets anders, dat men niet waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets dat men niet waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets, dat men waarneemt. En schier406nog onmogelijker is het, datgene wat men kent en waarneemt en overeenkomstig[163]met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, te houden voor iets anders, dat men kent en waarneemt, en insgelijks overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt. En het is ook onmogelijk, wat men kent en waarneemt en goed407heeft afgedrukt, te houden voor hetgeen men kent; en wat men kent en waarneemt, en evenzoo408heeft voor hetgeen men waarneemt: en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent noch waarneemt; en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent; en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet waarneemt. Dit alles onderscheidt zich door de onmogelijkheid om daarin valsche meening te koesteren. Na blijft echter nog over, dat het, zoo ergens, dan hierin plaats heeft.Theaet.Waarin dan? [misschien zal ik er vrede meê hebben] zoo ik er wat meer van geleerd heb; want nu kan ik het niet volgen.So.In hetgeen men kent, maar voor iets anders houdt van hetgeen men kent en waarneemt, of van hetgeen men niet kent, maar waarneemt; of in hetgeen men kent en waarneemt, maar voor iets anders houdt, dat men ook kent en waarneemt409.[164]XXXIV.Theaet.Nu kan ik u nog veel minder volgen dan vroeger.So.Hoor het dan nu nog eens op deze wijs. Wanneer ikTheodorusken en mij herinner, hoe hij is, enTheaetetuseven zoo, dan zie ik ze immers somtijds en somtijds niet, en betast ze somtijds en somtijds niet, en neem ze somtijds met het gehoor of eenigen anderen zin waar, terwijl ik somtijds van u volstrekt geene waarneming heb, en mij u niettemin herinner en u bij mij zelven ken?Theaet.Dat is waar.So.Begrijp dan nu uit hetgeen ik wil duidelijk maken, vooreerst dit, dat het mogelijk is, wat men kent, niet waar te nemen, en ook het wel waar te nemen.Theaet.Dat is zoo.So.En het gebeurt immers ook dikwijls, dat, wat men niet kent, tevens niet wordt waargenomen, en ook dikwijls, dat het alleen wordt waargenomen.Theaet.Ja.So.Zie dan eens, of gij het nu meer volgen kunt.SocrateskentTheodorusenTheaetetus, maar ziet ze geen van beiden, en heeft van hen ook geene andere waarneming. [In dat geval] zou hij nooit bij zich zelven meenen, datTheaetetusTheodorusis. Zeg ik iets of niets?Theaet.Gij zegt de waarheid.So.Dit nu was het eerste van hetgeen ik zeide.[165]Theaet.Dat was het.So.En het tweede, dat ik den eenen uwer kennende en den anderen niet, en geen van beiden waarnemende, nooit zou meenen, dat hij, dien ik ken, degeen is, dien ik niet ken.Theaet.Juist.So.En het derde, dat ik geen van beiden kennende noch waarnemende, niet meenen zou, dat hij, dien ik ken, een ander is, dien ik niet ken. En houd nu al die vorige [gevallen] maar voor gehoord, waarin ik nooit over u enTheodorusvalsche meening zal koesteren, hetzij ik beiden ken, of niet ken, of den eenen wel, den anderen niet. En evenzoo over de zinnelijke waarnemingen, zoo gij het volgen kunt.Theaet.Ik kan het volgen.So.Dus blijft dan het koesteren van valsche meening nog hierin, wanneer ik u enTheodoruskennende, en in dat stuk was, van u beiden als van zegels de afdrukken hebbende, u beiden op eenen afstand en niet behoorlijk ziende, ieders eigen beeld met zijne gedaante410begeerde411zamen te brengen, door haar[166]als in hare [vroeger achtergelatene] sporen te doen gaan, opdat er herkenning plaats hebbe; en nu daarin mistast, en als zij, die de schoenen om en om dragen, de gedaante van den eenen met die van den anderen verwissel en bij het beeld van die andere breng, of ook in hetzelfde geval verkeerende als het gezigt bij de spiegels, dat van regts en links wordt412, [daardoor] tot dwaling kom: in dat geval is het verwisselen der meeningen en het koesteren van valsche meening mogelijk.Theaet.Hetgeen met de meening gebeurt,Socrates! gelijkt bijzonder veel op hetgeen gij zegt.So.En ook, wanneer ik beiden kennende, den eenen nog daarenboven waarneem, en den anderen niet, maar de kennis van den eenen niet overeenkomstig met de waarneming heb, zooals ik in het vorige zeide, toen gij mij niet hebt begrepen.Theaet.Ja, dat begreep ik niet.So.Dit nu zeide ik, dat hij, die iemand kent en waarneemt, en de kennis van hem overeenkomstig met de waarneming heeft, nooit meenen zal, dat hij een ander is dan degeen, dien hij kent en waarneemt[167]en wiens kennis hij insgelijks overeenkomstig met de waarneming heeft. Dit was het immers?Theaet.Ja.So.Er toen bleef nog over wat wij nu zeggen, namelijk, dat de valsche meening ontstaat, wanneer men beiden kent en beiden ziet, of er eenige andere waarneming van heeft, doch beider beelden niet ieder overeenkomstig met zijne waarneming heeft, maar als een slechte boogschutter in het schieten voorbij het doel treft en mist, hetgeen toch den naam draagt van valschheid413.Theaet.Het schijnt althans zoo.So.En wanneer nu bij het een der beelden de waarneming aanwezig is, bij het andere niet, en de ziel het beeld der afwezige waarneming bij de aanwezige brengt, in al die opzigten bedriegt zij zich. En met één woord, hetgeen iemand niet kent, noch ooit heeft waargenomen, daaromtrent kan, naar het schijnt, geene valschheid of valsche meening bestaan, zoo wij [ten minste] nu iets goeds414zeggen; maar wat betreft hetgeen wij kennen en waarnemen, daarin wendt en keert zich de meening en wordt valsch en waar;waar, zoo zij de afbeeldsels en het afgebeelde regelregt en in hun behoorlijk verband te zamen[168]brengt;valsch, zoo zij dit schuins en scheef doet415.Theaet.Zegt men dat dan niet met regt,Socrates?So.Gij zult nog meer in dier voege spreken, wanneer gij het volgende gehoord hebt. Ware meening te koesteren is immers schoon, en valsche leelijk?Theaet.Natuurlijk.So.Dit nu zegt men, dat daardoor geschiedt. Wanneer het was in iemands ziel diep, en overvloedig, en glad, en behoorlijk gekneed is416, [dan wordt] hetgeen door de zinnen gaande wordt afgebeeld in dat was in de ziel, hetwelk reeds in duistere bewoordingen doorHomerusis aangeduid417,[169]dan worden ook bij hen de afdrukken, die zuiver en van behoorlijke diepte gemaakt worden, voor langen duur geschikt, en zulke personen zijn vooreerst vlug van bevatting, ten andere vast van geheugen, ten derde verwisselen zij de afdrukken der waarnemingen niet, maar hebben ware meening. Want daar die afdrukken duidelijk en in genoegzame ruimte zijn, rigten zij ze spoedig ieder op zijn origineel, dat het zijnde genoemd wordt; en [om die bekwaamheid] worden zij wijzen genoemd. Of dunkt u dit niet?Theaet.Wel zeker.So.Wanneer nu het was bij iemand ruig is, hetgeen de in alles bedrevene dichter geprezen heeft418, of wanneer het vuil en van niet gezuiverde stof is, of zeer vochtig of hard419, [dan zijn zij], wier [was] vochtig is, wel bevattelijk maar vergeetachtig, en zij, wier was hard is, het tegendeel. En zij, die het ruig en ruw en steenachtig hebben, doordien er aarde of vuiligheid onder vermengd is, hebben onduidelijke afdruksels. Dit is ook het geval met hen, die harde was hebben420, daar er geene diepte in de afdruksels[170]is, en met hem, die vochtige was hebben, daar de afdruksels spoedig zamenvloeijen en onduidelijk worden. Maar zoo nu [die afdruksels] bovendien in een klein zieltje door gebrek aan plaats op elkander vallen, dan wordt hunne onduidelijkheid nog erger. Deze allen nu zijn vatbaar voor valsche meening; want wanneer zij iets zien, of hooren, of bedenken, kunnen zij niet aanstonds iederen [afdruk] op zijn (origineel) te huis brengen, maar uit domheid daarin mistastende, zien, hooren en denken zij meestal verkeerd, en worden bij gevolg dwalend en onwetend genoemd.Theaet.Gij zegt opperbest,Socrates!So.Moeten wij dus zeggen, dat in ons valsche meening bestaat?Theaet.Ongetwijfeld,So.En ware toch ook?Theaet.Ook ware.So.Hebben wij dan nu niet met regt toegestemd, dat beide soorten van meening zekerlijk bestaan?Theaet.Met volkomen regt.XXXV.So.Een praatziek mensch,Theaetetus! is toch waarlijk iets ergs en onaangenaams.Theaet.Hoe zoo? Waarop doelt gij hiermede?So.Ik ben boos op mijne eigene onbevattelijkheid en echte praatzucht. Welken anderen naam toch kan men er aan geven, wanneer iemand door onbevattelijkheid[171]zich niet laat overtuigen, maar iedere redekaveling heen en weêr trekt en er maar niet van scheiden kan?Theaet.Waarom zijt gij dan boos?So.Ik ben niet alleen boos, maar ook bevreesd, [dat ik niet zal weten], wat ik zeggen moet, wanneer iemand mij vraagt:Socrates! gij hebt immers gevonden, dat valsche meening noch in de onderlinge betrekking van de waarnemingen der zinnen, noch in de gedachte aanwezig is, maar wel in de verbinding van zinnelijke waarneming en gedachte? Ik zal dan, meen ik, ja zeggen, en mij er nog op verheffen421, dat wij zulk eene schoone ontdekking gedaan hebben.Theaet.Maar,Socrates! ik vind het nu bewezene dan toch ook niet leelijk.So.Dus beweert gij dan, zal hij zeggen, dat wij eenen mensch, dien wij ons alleen voorstellen, maar niet zien, nooit voor een paard kunnen houden, dat wij ook niet zien, noch betasten, maar ons alleen voorstellen en verder volstrekt niet waarnemen?Theaet.En te regt.So.Maar, zal hij zeggen, zou dan iemand volgens die redenering nooit een getal, b. v. elf, wanneer hij het zich alleen voorstelt, voor een ander getal, dat hij zich ook alleen voorstelt, b. v. twaalf houden? Komaan! antwoord gij eens.Theaet.Dan zal ik antwoorden, dat iemand, elf ziende of betastende, ze voor twaalf zou kunnen houden,[172]maar dat, voor zoo ver hij ze zich alleen voorstelt, hij er nooit zoo iets van zal meenen.So.Wat nu? gelooft gij, dat, wanneer iemand zich heeft voorgenomen vijf en zeven te beschouwen (ik spreek nu niet van vijf en zeven menschen of iets anders dergelijks, maar van de getallen vijf en zeven zelve, die wij daareven voor afdruksels in het was verklaarden, waarbij het niet mogelijk was valsche meening te hebben), zoo nu eenig mensch deze beschouwt en tot zich zelven de vraag rigt, hoeveel zij te zamen zijn, en de een elf zegt en de ander twaalf, of zeggen en meenen allen, dat zij te zamen twaalf zijn422?Theaet.Wel neen zij: maar velen elf. En zoo iemand dit onderzoek bij een grooter getal tot stand brengt, maakt hij nog meer fouten. Want ik geloof, dat gij eigenlijk van alle getallen in het algemeen spreekt.So.Daar hebt gij gelijk in. En bedenk dan nu[173]eens, of er wel iets anders gebeurt, dan dat de twaalf zelf, die in het was zijn afgedrukt, voor elf gehouden worden?Theaet.Dat schijnt zoo.So.Dus zijn wij weder tot het daareven gezegde gekomen423. Hij toch, met wien dat gebeurd is, houdt hetgeen hij weet, voor iets anders van hetgeen hij weet, hetgeen wij voor onmogelijk hielden en waaruit wij zelfs hebben willen bewijzen, dat er geene valsche meening bestaat, om de noodzakelijkheid te vermijden, dat dezelfde hetzelfde tegelijk niet en wel zou kennen.Theaet.Dat is zeer waar.So.Dus moeten wij eene andere bepaling van de valsche meening geven, dan dat zij bestaat in het verkeerd te huis brengen van gedachten op zinnelijke waarnemingen424. Want zoo het dit was, dan zouden wij nooit dwalen in de bloote gedachten425; maar nu[174]is er óf geen valsche meening, óf het is mogelijk, datgene niet te kennen wat men wel kent; welke van die twee verkiest gij?Theaet.Gij stelt mij daar eene moeijelijke keus voor,Socrates!So.Maar het schijnt toch, dat de redekaveling niet beiden zal toelaten. Doch, want wij moeten alles beproeven, wat zoudt gij er van zeggen, zoo wij eens onbeschaamd poogden te wezen?Theaet.Hoe meent gij426?So.Zoo wij ons verstoutten te zeggen, wat kennen is?Theaet.En wat is daarin voor onbeschaamdheid?So.Gij schijnt u niet te herinneren, dat onze geheele redekaveling van den beginne af een onderzoek naar de kennis is, daar wij niet wisten, waarin zij eigenlijk bestaat.Theaet.Ja, dat herinner ik mij wel.So.Maar vindt gij het dan427niet onbeschaamd, dat wij, niet wetende, waarin de kennis eigenlijk bestaat, [zoeken] aan te toonen, wat kennis is? Maar,Theaetetus! wij hebben reeds veelmalen verkeerd gesproken. Want wij hebben duizend maal gesproken van kennen en niet kennen, en weten en niet weten, even als of wij elkander konden verstaan, zonder te weten[175]wat kennis is. Ja, zoo gij wilt, hebben wij op het oogenblik nog gesproken van niet weten en verstaan, even als of wij, zonder kennis te hebben, die woorden mogten gebruiken428.Theaet.Maar hoe zult gij dan spreken,Socrates! zoo gij u daarvan onthoudt?So.Ik voor mij zie er geen middel op. Maar zoo ik een twistredenaar was429, [zou het wel gaan], en zoo zulk een man hier was, zou hij beweren, zich daarvan te onthouden, en ons hevige verwijten doen over hetgeen ik zeg. Doch daar wij slechts gewone menschen zijn, wil ik mij nu maar verstouten te zeggen, wat kennen is; want ik geloof, dat wij er eenigen baat bij zullen hebben.Theaet.Verstout er u dan maar toe, bijZeus! En zoo gij u van die woorden niet onthoudt, zal het u niet kwalijk genomen worden.XXXVI.So.Hebt gij dan ook gehoord, wat men tegenwoordig zegt, dat het kennen is?430[176]Theaet.Misschien wel, maar op het oogenblik herinner ik het mij niet.So.Men zegt, dat het is: het hebben431van kennis.Theaet.Dat is waar.So.Laten wij het echter een weinig veranderen en zeggen: het bezitten van kennis.Theaet.Maar welk onderscheid zegt gij dan, dat tusschen die twee bestaat?So.Misschien geen; maar onderzoek eens met mij het onderscheid, dat ik er in meen te vinden.Theaet.Zoo ik daartoe ten minste in staat ben.So.Ik houd dan bezitten en hebben niet voor hetzelfde. Bij voorbeeld, wanneer iemand een kleed gekocht en in zijne magt had, maar het niet droeg, dan zouden wij zeggen, dat hij het wel bezat, maar het niet had.Theaet.En te regt.So.Zie dan nu eens, of het mogelijk is, aldus kennis te bezitten, maar niet te hebben432; gelijk[177]wanneer iemand, wilde vogels, duiven bij voorbeeld, gevangen hebbende, dezelve voedde in eene kooi, die hij in zijn huis had laten maken. In zekeren zin toch zouden wij zeggen, dat hij ze altijd had, omdat hij ze bezat, niet waar?Theaet.Ja.So.In een anderen zin echter [zouden wij zeggen], dat hij er geen een’ had, maar dat hij ten opzigte van dezelve in staat was, daar hij ze in zijn huis had opgesloten, om ze te vatten en te hebben wanneer hij wilde, daar hij naar willekeur ieder derzelve, zoo vaak hem goeddacht, kon vangen en weder loslaten.Theaet.Dat is zoo.So.Laat ons dan, zooals wij in het vorige eene figuur van was in de zielen gemaakt hebben, nu integendeel433in iedere ziel eene kooi maken met allerlei vogels, die deels bij afgezonderde troepen, deels met weinigen te zamen zijn, deels ieder voor zich door al de anderen, naar het uitkomt, heenvliegen.Theaet.Zij is gemaakt. Maar wat nu?So.Nu moet men zeggen, dat in onze jeugd die[178]kooi nog ledig is, namelijk van kundigheden, die men hier in plaats van vogels moet denken; en zoo iemand eene kundigheid heeft bekomen en in die kooi opgesloten, dan zegge men, dat hij het voorwerp dier kundigheid geleerd of uitgevonden heeft, en dat dit kennen is.Theaet.Het zij zoo.So.Zie dan nu eens, welke namen voor het naar verkiezing weder vangen, en vatten, en hebben, en weêr loslaten van die kundigheden noodig zijn, hetzij dezelfde als vroeger, toen men ze verwierf, of andere. Maar gij zult hieruit duidelijker inzien, wat ik zeg. Gij erkent immers de rekenkunst voor eene kundigheid434?Theaet.Ja.So.Beschouw deze dan nu als het vangen van de kundigheden van al het evene en onevene.Theaet.Ik beschouw haar aldus.So.Door die kundigheid nu heeft, geloof ik, [hij[179]die haar bezit]435de kundigheden der getallen in zijne magt, en deelt ze aan anderen mede.Theaet.Juist.So.En wij noemen436het mededeelen onderwijzen, het aannemen leeren, het bezitten, doordien men ze in die kooi heeft opgesloten, kennen.Theaet.Ongetwijfeld.So.Let nu eens op hetgeen hieruit volgt. Een volmaakt rekenkundige kent immers alle getallen? want van alle getallen zijn de kundigheden in zijne ziel.Theaet.Natuurlijk.So.Zou dan nu zoodanig iemand ooit óf iets bij zich zelven, óf iets van de uitwendige aan getal onderworpene dingen berekenen?437Theaet.Waarom niet?So.En wij zullen toch het rekenen niet anders bepalen, dan als het onderzoeken, hoe groot het een of ander getal is.[180]Theaet.Zoo [zullen wij doen].So.Wat hij dus kent, schijnt hij te onderzoeken, als het niet kennende, hoewel wij hebben toegestemd, dat hij alle getallen kent. Want gij zijt immers met dergelijke vraagstukken bekend438?Theaet.Ja zeker.XXXVII.So.Dus zullen wij, onze vergelijking van het bekomen en vangen der duiven ontleenende, zeggen, dat er eene dubbele vangst is, namelijk, deels die vóór het bekomen, om ze te bekomen; deels die na het bekomen, om het reeds bekomene te vatten en in de handen te hebben. Alzoo kan iemand hetzelfde, waarvan hij de kundigheden reeds lang te voren had opgedaan, en dat hij dus kende, weder leeren, door elke dier kundigheden op te nemen en dus datgene te hebben, wat hij reeds lang bezat, maar op het oogenblik niet voor zijn bewustzijn had439.Theaet.Dat is waar.So.Dit nu was wat ik vroeg: hoe wij het noemen moeten, wanneer een rekenkundige gaat rekenen, of een taalkundige bij zich zelven overdenkt, hoe[181]hij schrijven moet440. In zulk een geval toch gaat hij weder441van zich zelven leeren, wat hij reeds kent.Theaet.Maar dat is toch wat gek,Socrates!So.Maar moeten wij dan zeggen, dat zij, wat zij niet kennen, gaan berekenen of overdenken, terwijl wij toch gesteld hebben, dat zij de geheele kennis der getallen of van de taal hebben?Theaet.Dat gaat evenmin.So.Willen wij dan nu maar zeggen, dat het ons volstrekt niet raakt, hoe iemand de woorden kennen en leeren wil mishandelen, maar dat wij, onderscheid makende tusschen het bezitten en het hebben van kennis, geene mogelijkheid zien, dat iemand, wat hij bezit, niet zou bezitten, en dus evenmin, dat hij niet zou kennen, wat hij wel kent; maar dat het toch wel mogelijk is, daaromtrent valsche meening te bekomen; want dat het gebeuren kan, dat hij niet442[182]de kundigheid [die hij hebben moet], maar eene andere vasthoudt, wanneer hij dezelve, terwijl zij [door de kooi in zijne ziel] rondvliegt443zoekt te vangen, maar bij vergissing de eene in plaats van de andere grijpt, en alzoo bij voorbeeld elf voor twaalf houdt, door de kundigheid444van elf in plaats van die van twaalf te grijpen, alsof hij in die kooi eene tortelduif in plaats van eene woudduif beetpakte.Theaet.Dat gaat op.So.En dat, wanneer hij de gezochte grijpt, geene valsche, maar ware meening door hem wordt opgevat, en dat alzoo ware en valsche meening bestaan, en de vorige moeijelijkheden hier in het geheel niet hinderen. Misschien zult gij mij toestemmen, of hoe zult gij doen?Theaet.Aldus.So.Wij zijn dan ook verlost van dat niet te kennen wat men wel kent, want, of men zich vergist of niet, het niet bezitten van hetgeen men wel bezit komt niet meer in aanmerking. Ik zie echter een ander vrij wat erger geval voor den dag komen.Theaet.Wat dan?So.Of het verwisselen der kundigheden wel ooit valsche meening worden kan.Theaet.Hoe zoo?So.Vooreerst, dat men, van iets kennis hebbende,[183]datzelfde niet kent; en wel niet door onkunde, maar door zijne kennis; verder, dat men dit voor iets anders houdt en het andere voor dat, is zulks niet wat heel gek? daar dan door de aanwezigheid van kennis de ziel niets kent, maar van alles onkundig is? Volgens die redenering toch belet niets, dat het bijkomen van onkunde iets doet kennen, en van blindheid iets doet zien; zoo althans ooit kennis de oorzaak is, dat wij iets niet kennen445.Theaet.[Dat is toch nog wel te redden]446,Socrates! want misschien hebben wij verkeerdelijk die vogels alleen als kundigheden gesteld, daar wij ook onkundigheden447moesten stellen, die te gelijk met dezelve[184]door de ziel vliegen, zoodat hij, die ze poogt te vangen, dan eens eene kundigheid, dan eens eene onkundigheid aangaande hetzelfde grijpende, door de onkundigheid valsche, door de kundigheid ware meening bekomt.So.Het is moeijelijk,Theaetetus! u niet te prijzen. Bezie echter het gezegde nog eens. Het zij, gelijk gij beweert. Gij zegt dan, dat degeen, die eene onkundigheid gegrepen heeft, valsche meening zal hebben, niet waar?Theaet.Ja.So.Maar hij zal zijne meening niet voor valsch houden.Theaet.Hoe zou hij daartoe komen?So.Voor waar dus; en hij zal zich verbeelden, datgene te kennen, waaromtrent hij dwaalt.Theaet.Natuurlijk.So.Dus zal hij meenen, eene kundigheid, geene onkundigheid gevangen te hebben.Theaet.Dat spreekt.So.Dus zijn wij, na eenen langen omweg, weêr bij de eerste zwarigheid aangeland. Die vitter toch zal lagchende zeggen: hoe nu, mijne vrienden! houdt iemand, èn de kundigheid èn de onkundigheid kennende, die welke hij kent voor de andere, die hij ook kent? of zal hij, geene van beide kennende, de ééne, die hij niet kent, voor de andere houden, die hij ook niet kent? of de ééne kennende en de andere niet, die welke hij kent voor die welke hij niet kent? of zal hij[185]die, welke hij niet kent, houden voor die, welke hij kent, of zult gij mij wederom zeggen, dat er van die kundigheden en onkundigheden nog eens kundigheden zijn, die men, ze bekomen hebbende, in andere belagchelijke kooijen of stukken was opsluit, en alzoo kent als men ze bezit, ook zonder ze voor het bewustzijn te hebben? en zult gij aldus in de noodzakelijkheid komen, om duizendmaal denzelfden weg te gaan, zonder iets te vorderen?Theaetetus!wat zullen wij daarop antwoorden?Theaet.Waarlijk,Socrates! ik heb er niets op te zeggen.So.Jongelief! bestraft ons de redekaveling dan niet te regt, door aan den dag te brengen, dat wij verkeerdelijk de valsche meening vóór de kennis zochten, en die laatste verwaarloosden? En dit448kan men toch onmogelijk kennen, voor men behoorlijk de kennis heeft gevat, wat zij eigenlijk is449.Theaet.Het is op het oogenblik onvermijdelijk,Socrates! zoo te oordeelen als gij daar zegt.450[186]XXXVIII.So.Welke bepaling zal dan nu, [om] nog eens van voren [te beginnen], van de kennis gegeven worden? want wij zullen het toch niet opgeven.451Theaet.Wel neen! zoo gij er ten minste u niet aan onttrekt.So.Zeg dan eens, met welke bepaling wij ons zelve het minst zouden tegenspreken?Theaet.Met de vroeger gegevene,Socrates! ik althans heb geene andere.So.Welke?Theaet.Dat de kennis ware meening is. De ware meening toch is vrij van dwaling, en al wat door haar gedaan wordt, is schoon en goed.So.De wegwijzer [in de fabel] zegt,452dat de diepte van het water zichzelve zal bekend maken, en zoo zal ook, zoo wij dit gaan onderzoeken, het gezochte misschien van zelfs voor den dag komen, maar zoo wij stil staan, wordt er zeker niets opgehelderd.[187]Theaet.Gij zegt goed; komaan dan! laat ons het onderzoeken.So.Hier is geen omslagtig onderzoek noodig, want eene geheele kunst strekt ten blijk, dat dit niet de bepaling der kennis is.Theaet.Hoe zoo? wat is dat voor eene kunst?So.Die van de knapste lieden, namelijk van de redenaars in de volksvergadering en de pleitzaal. Zij toch brengen door hunne overredingskunst geene kennis, maar de meening, welke zij verkiezen, te weeg. Of gelooft gij aan het bestaan van zulke bekwame leermeesters, die iemand de ware toedragt van eenen diefstal of eene andere gewelddadige handeling, die hij niet heeft bijgewoond, onder het wegloopen van een weinig water kunnen doen kennen453?Theaet.Wel neen! meer dan overreden kunnen zij niet.So.Maar is nu overreden niet het te weeg brengen van meening?Theaet.Natuurlijk.So.Wanneer dus regters, op eene billijke wijs overreed zijnde van iets, hetwelk men alleen door het zien[188]en anders niet kan weten, dit op het gehoor beoordeelen, dan oordeelen zij, zoo zij goed regtspreken, zonder kennis, doch naar ware meening, daar zij goed overreed zijn.454Theaet.Ongetwijfeld.So.Maar, mijn vriend! zoo ware meening en kennis hetzelfde was, zou een goed regter nooit ware meening zonder kennis hebben; weshalve zij van elkander schijnen te verschillen455.Theaet.Ik herinner mij nu iets,Socrates, dat ik iemand heb hooren zeggen, maar dat mij ontgaan was456. Hij toch zeide, dat ware meening met bepaling kennis is, maar dat zij zonder bepaling op dien naam geen aanspraak heeft; en wat buiten de bepaling valt, noemde hij457onkenbaar, maar wat er binnen valt, kenbaar.[189]So.Dat zegt gij goed. Maar zeg dan nu eens, hoe hij die kenbare en onkenbare dingen verdeelde, [opdat wij weten], of gij en ik het op dezelfde wijs gehoord hebben.Theaet.Maar ik weet niet, of ik het mij wel zal te binnen brengen458. Ik zou het echter, denk ik, wel kunnen volgen, wanneer een ander het zeide.XXXIX.So.Hoor dan nu eens den eenen droom in plaats van den anderen. Want ik meen ook van iemand gehoord te hebben, dat de grondbestanddeelen, waaruit wij en al het overige zijn zamengesteld, door geene bepaling bevat worden. Want dat het alleen mogelijk is, ieder hunner bij zijn eigen naam te noemen, zonder er eenige andere eigenschap aan toe te kennen of te ontzeggen, daar dan zijn of niet zijn er aan zou toegekend worden, terwijl men er niets mag bijbrengen, zoo men het alleen en op zich zelf wil uitspreken. Dat men bijgevolg459de woordenzelf,dit,dat,ieder,alleen, enz. er niet op mag toepassen, daar die beurtelings op alles toegepast worden, en verschillend zijn van hetgeen, waarop men ze toepast, maar dat, zoo het mogelijk was, ze460te[190]bepalen en er eene eigene bepaling van te geven, men ze zonder al die andere moest uitspreken. Dat het nu echter onmogelijk is, eene bepaling van een dier grondbestanddeelen te geven, want dat men ze alleen kan noemen, daar zij bloot eenen naam hebben, maar [dat] hetgeen daaruit, door hunne namen zóó te verbinden als zij zelve verbonden zijn, is zamengesteld, eene bepaling is; daar deze alleen door het verbinden der verschillende praedicaten kan tot stand komen. Dat alzoo de grondbestanddeelen buiten de bepaling en de kennis vallen, maar moeten waargenomen worden; doch dat hunne verbindingen kenbaar en uitspreekbaar en door ware meening te vatten zijn. Dat nu, wanneer iemand zonder bepaling de ware meening over eene zaak opvat, zijne ziel daarvan wel de waarheid bezit, maar ze toch niet kent, want dat hij, die [eene zaak] niet kan bepalen, daarvan461geene kennis heeft, maar dat hij, die er eene bepaling bij bekomen heeft, daartoe in staat is, en volkomen is in de kennis. Hebt gij den droom zóó of anders gehoord?Theaet.Volkomen zóó.So.Behaagt het u dus, en stelt gij het zóó, dat ware meening met bepaling kennis is?Theaet.Ongetwijfeld.462[191]So.Wel,Theaetetus! hebben wij dan alzoo heden gevat, wat vele wijzen hun geheele leven door vergeefs gezocht hebben?Theaet.Ik geloof althans,Socrates! dat het nu gezegde goed gezegd is.So.En dat het zoo is, heeft ook veel schijn; want hoe zou kennis kunnen bestaan zonder bepaling en ware meening? In het gezegde is echter één ding, dat mij niet bevalt.Theaet.Wat dan?So.Juist hetgeen de meeste vertooning maakt, namelijk dat de grondbestanddeelen onkenbaar, maar de verbindingen kenbaar zijn.Theaet.Welke?So.De grondbestanddeelen [der woorden] en hunne verbindingen. Of gelooft gij, dat hij, die het vermelde gezegd heeft, daarbij op iets anders het oog had?463Theaet.Neen, maar daarop.XL.So.Laat ons dan dit nog eens ophalen, of laat ons liever ons zelven onderzoeken, of wij alzoo of anders lezen geleerd hebben. Zeg mij eerst dit.[192]De verbindingen zijn dus voor bepaling vatbaar, maar de grondbestanddeelen niet?Theaet.Het schijnt zoo.So.Ik ben ook geheel van die meening. Wanneer dan nu iemand naar de eerste lettergreep van [het woord]Socratesvroeg, zeggende:Theaetetus! zeg eens, wat is so? wat zoudt gij antwoorden?Theaet.Ik zou zeggenseno.So.Dit is dus uwe bepaling van die lettergreep?Theaet.Ja.So.Komaan! zeg dan zoo ook eens de bepaling van des.Theaet.Maar hoe zal iemand de grondbestanddeelen der grondbestanddeelen zeggen? Want,Socrates! desbehoort onder de medeklinkers, en is slechts eene soort van gesis der tong, terwijl bij decen de meeste andere zelfs dit niet gevonden wordt. Derhalve is het zeer juist, ze buiten de bepaling te stellen, daar die vijf, welke nog het meeste hebben in te brengen, alleen eenen klank hebben, maar geene bepaling toelaten464.So.Dus, mijn beste! zijn wij aangaande de kennis hiermede klaar gekomen.Theaet.Het schijnt zoo.[193]So.Maar hebben wij dan nu behoorlijk bewezen, dat de grondbestanddeelen niet kenbaar zijn, en de verbindingen wel?Theaet.Het schijnt van ja.So.Zeg dan nu eens, of wij de beide letters grondbestanddeelen en, zoo er meer dan twee zijn, die allenlettergreep(verbinding) noemen, of dat wij daar ééne zaak mede bedoelen, die door hunne zamenstelling ontstaat?Theaet.Ik geloof, dat wij die allen bedoelen.So.Zie het dan eens aan twee, desen deo. Zij beiden maken toch de eerste lettergreep van mijnen naam uit. Die nu die lettergreep kent, kent ze immers beiden?Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus kent hij desen deo?Theaet.Ja.So.Maar kent hij ze nu ieder op zich zelf niet, zoodat hij, geen van beiden kennende, ze beiden kent?Theaet.Dat zou dwaas en ongerijmd zijn,Socrates!So.Edoch zoo het, om ze beiden te kennen, noodig is ieder op zich zelf te kennen, dan is het volstrekt noodig voor iemand, die ooit de lettergreep zal kennen, eerst de letters te kennen, en zoo gaat dan die schoone redekaveling ons in eens ontvlugten.Theaet.En dat zoo onverwacht!So.Wij passen er ook niet goed op. Want misschien was het beter, de lettergreep niet met de letters gelijk te stellen, maar met ééne zaak, die daaruit ontstaat, hare eigene wezenheid heeft, en van de letters onderscheiden is.Theaet.Ik geloof ook [dat wij er niet goed op passen;][194]en misschien draagt het zich meer aldus toe, dan op de eerst genoemde wijs.So.Wij moeten het onderzoeken en eene belangrijke en fraaije redekaveling niet zoo maar laten loopen.Theaet.Wel neen.So.Laat het dan eens zijn, zoo als wij zeggen, dat de verbinding ééne zaak is, die uit de vereeniging van al de grondbestanddeelen ontstaat, zoowel bij de woorden, als bij alle andere dingen.Theaet.Het zij zoo.So.Maar moet die dan geen deelen hebben?Theaet.Hoe zoo?So.Omdat, waar deelen zijn, het geheel noodzakelijk uit al de deelen bestaat. Of houdt gij het geheel, dat uit die deelen ontstaan is, voor iets anders dan al die deelen te zamen?Theaet.Ja.So.Maar houdt gij nu het al en het geheel voor hetzelfde of voor twee verschillende dingen?Theaet.Ik zie het wel niet duidelijk in, maar omdat gij wilt, dat ik vrijmoedig antwoorde, zoo wil ik er naar raden en zeggen: voor twee verschillende dingen.So.Die vrijmoedigheid is goed,Theaetetus, maar of het antwoord zulks ook is, zullen wij zien.Theaet.Dat spreekt.XLI.So.Dus zou dan, volgens onze tegenwoordige redekaveling, het geheel en het al verschillen?Theaet.Ja.So.Maar verschillen dan nu ook al de deelen en het al? bij voorbeeld, wanneer wij zeggen: één, twee,[195]drie, vier, vijf, zes465, of twee maal drie, of drie maal twee, of vier en twee, of drie en twee en één, of vijf en één, zeggen wij dan bij die allen hetzelfde of iets anders?Theaet.Hetzelfde.So.Is het wel iets anders dan zes?Theaet.Neen.So.Dus hebben wij door ieder dier spreekwijzen al dezesuitgedrukt.Theaet.Ja.So.Maar als wij nu [in dit geval] van hetalspreken, zeggen wij toch ook iets466?Theaet.Wel zeker.So.Iets anders dan de zes?Theaet.Neen.So.Dus houden wij althans in de getallen467het al en al de deelen voor hetzelfde.Theaet.Het schijnt zoo.So.Dit is dan ook de gewone wijs van spreken.[196]Zoo beteekent ook het getal [voeten] eener roede en de roede hetzelfde, niet waar?Theaet.Ja.So.En evenzoo [is het] met de mijl?Theaet.Ja.So.En zoo ook met het getal [soldaten] eens legers en het leger, en al het dergelijke eveneens. Het getal van al de deelen toch is het al van ieder hunner.Theaet.Ja.So.En het getal van al die deelen is toch niets anders dan de deelen zelve?Theaet.Wel neen.So.Maar wat nu deelen heeft, bestaat uit die deelen.Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar nu wordt toegestemd, dat al die deelen het al zijn, zoo ten minste het getal deelen [eener zaak haar] al is468.Theaet.Juist.So.Maar dan bestaat ook het geheel niet uit deelen; want dan zou hetzelve al de deelen en dus het al zijn?Theaet.Het schijnt van neen.So.Maar kan nu een deel van iets anders deel wezen, dan van het geheel?Theaet.Immers van het al.

Theaet.Dat is duidelijk, zou men zeggen.So.Dus is het niet mogelijk, het niet zijnde te meenen, noch ten aanzien van [andere] dingen, noch op zich zelf.Theaet.Het schijnt van neen.So.Dus is het koesteren van valsche meening wat anders, dan het meenen van het niet zijnde.Theaet.Het schijnt wat anders.So.Dus is alzoo evenmin, als gelijk wij het daareven[153]beschouwden, valsche meening in ons aanwezig.Theaet.Dat is zij niet.XXXII.So.Maar ontstaat ook hetgeen wij dien naam geven misschien aldus381?Theaet.Hoe?So.Geven wij den naam van valsche meening ook aan eene verwisseling van begrippen382, wanneer iemand een der bestaande dingen voor een ander der bestaande dingen houdt, die in zijne meening verwisselende? Alzoo toch meent hij altijd een zijnde, maar het ééne in plaats van het andere, en wanneer hij het bedoelde niet treft, kan hij teregt als valsche meening koesterend beschouwd worden.Theaet.Nu geloof ik, dat gij het opperbest gezegd hebt. Want zoo iemand iets dat schoon is voor leelijk, of iets dat leelijk is voor schoon houdt383, dan koestert hij in waarheid valsche meening.So.Ik merk,Theaetetus! dat gij niet schroomt mij voor den gek te houden.[154]Theaet.Hoe dat?So.Gij denkt, geloof ik, dat ik niet vallen zal over die in waarheid valsche meening, u vragende, of het mogelijk is, dat het snelle traag, of het ligte zwaar, of eenig ander lid eener tegenstelling niet naar zijnen aard, maar naar dien van het andere, het tegenovergestelde van zich zelf wordt384. Doch hier wil ik over heen stappen om u niet te ontmoedigen. Het is dus, zoo als gij zegt, uwe meening, dat het koesteren van valsche meening verwisselen van meening is?Theaet.Ja.So.Dus is het naar uw gevoelen mogelijk385, iets als386iets anders en niet als dat [wat het is] in de gedachte te stellen.Theaet.Dat is zoo.So.Wanneer dus iemand dit in de gedachte doet,[155]is het dan niet noodig, dat hij beide of althans het ééne denkt?Theaet.Wel zeker.So.En wel tegelijk of beurtelings387?Theaet.Opperbest.So.Maar vat gij nu het denken even zoo op als ik388?Theaet.Hoe vat gij het op?So.Als een gesprek, dat de ziel met zich zelve houdt over hetgeen zij onderzoekt. Ik geef u echter deze verklaring voor hetgeen zij is389. Want ik geloof, dat de ziel, wanneer zij denkt, niets anders doet dan een gesprek voeren, zich zelve vragende en antwoordende, en toestemmende en ontkennende390. Wanneer zij nu, hetzij met veel, hetzij met weinig moeite, eene bepaling gegeven hebbende, zich bij hetzelfde houdt en niet twijfelt, dan noemen wij dat hare meening. Zoo noem ik dan het meenen spreken, en meening [de slotsom van]391een gesprek,[156]dat niet met een ander en door middel der stem, maar in stilte door de ziel met zich zelve gehouden wordt. En hoe doet gij?Theaet.Even zóó.So.Wanneer dan nu iemand het ééne voor iets anders houdt, dan zegt hij ook, naar het schijnt, tot zich zelven, dat het ééne het andere is.Theaet.Ongetwijfeld.So.Herinner u dan nu eens, of gij ooit tot u zelven gezegd hebt, dat stellig het schoone leelijk is, of het onregtvaardige regtvaardig, of, om het in eens392te zeggen, onderzoek eens, of gij ooit u zelven hebt zoeken te overreden, dat stellig het ééne het andere is; en of gij niet integendeel zelfs in den slaap nooit tot u zelven hebt durven zeggen, dat het onevene stellig even is, of iets anders dergelijks.Theaet.Gij zegt de waarheid.So.Of gelooft gij, dat iemand anders, hetzij hij bij zijne zinnen is of niet, in ernst tot zich zelven zou durven393zeggen, en zich wijsmaken, dat noodzakelijk een os een paard is, of twee één.[157]Theaet.Wel neenik.So.Wanneer dus het spreken tot zich zelf meenen394is, dan zou niemand, beiden zeggende en meenende en met de ziel aanrakende, zeggen en meenen, dat het ééne het andere is. Dus moet gij van het ééne die uitdrukking niet meer bezigen395. Want ik beweer, dat niemand meent, dat het leelijke schoon is, of iets anders dergelijks396.Theaet.Dat zal ik dan maar niet meer doen,Socrates! want ik ben het met u eens.So.Dus is het onmogelijk, wanneer men beiden[158]voor den geest heeft, te meenen, dat het ééne het andere is.Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar iemand, die alleen het ééne voordengeest heeft en het andere volstrekt niet, zal nooit meenen, dat het ééne het andere is.Theaet.Gij zegt de waarheid; want hij zou gedwongen worden, datgene voor den geest te hebben, wat hij niet voor den geest heeft.So.Dus is het verwisselen der begrippen niet mogelijk, wanneer men beiden; en ook niet, wanneer men één van beiden voor den geest heeft; weshalve iemand, die de valsche meening als het verwisselen van begrippen bepaalde, niets zou zeggen. Want noch aldus, noch volgens het vorige, schijnt er valsche meening in ons te bestaan.Theaet.Het schijnt van neen.XXXIII.So.Maar waarlijk,Theaetetus! zoo dat397niet schijnt te bestaan, dan zullen wij in de noodzakelijkheid zijn, vele dwaze dingen toe te stemmen.Theaet.Welke dan?So.Ik zal het u niet zeggen, voordat ik het van alle kanten beschouwd en onderzocht heb. Want ik zou mij over ons schamen, zoo wij ten opzigte van het voor ons duistere punt gedwongen werden, wat ik bedoel, toe te stemmen398. Maar zoo wij het vinden[159]en vrij worden, dan zullen wij, zelve voor bespotting veilig, over de anderen spreken, die in dien toestand zijn399; en zoo wij er volstrekt geen raad op weten, dan zullen wij, denk ik, vernederd zijnde, ons door de redekaveling, als zeereizigers [in eenen storm, door de matrozen] laten met voeten treden en naar willekeur behandelen400. Hoor dan nu eens, hoe ik nog eenigen raad voor ons onderzoek meen te vinden.Theaet.Zeg maar op.So.Ik zal ontkennen, dat wij teregt hebben toegestemd, toen wij toestemden, dat het onmogelijk is, dat iemand hetgeen hij kent houdt voor hetgeen hij niet kent, en zich daarin vergist; maar [zal beweren], dat zulks in sommige opzigten mogelijk is.Theaet.Meent ge welligt, dat het zoo is, als ik, toen wij dat zeiden, reeds vermoedde, [namelijk] dat ik somtijds, [hoewel]Socrateskennende, wanneer ik van verre iemand anders zie, dien ik niet ken, dien voorSocratesaanzie, dien ik wel ken. Want in zulk een geval gebeurt hetgeen gij zegt.So.Hebben wij dat niet laten varen, omdat het, wat wij kennen, hoewel wij het kennen, niet401deed kennen?[160]Theaet.Juist.So.Laat ons het dan niet zóó stellen, maar op deze wijs; en misschien zal het ons gunstig, misschien ongunstig zijn. Maar wij zijn in zulk eenen toestand, waarin het noodig is alle redekaveling van alle kanten402te onderzoeken. Zie dan [eens], of ik iets zeg. Is het mogelijk iets, dat men niet weet, later te leeren?Theaet.Wel zekerSo.Dus ook even zoo wat anders en weer wat anders?Theaet.Waarom niet?So.Stel dan nu eens om der wille van de redekaveling, dat in onze ziel een stuk was403is, bij den eenen grooter, bij den anderen kleiner; en[161]bij den eenen van zuiverder was, bij den anderen van onzuiverder en harder, en bij sommigen vochtiger [dan bij anderen], bij eenigen404van de behoorlijke maat.Theaet.Ik stel het.So.Laat ons dan zeggen, dat dit een geschenk is vanMnemosyne, de moeder der Muzen, en dat wij, hetgeen wij gehoord of zelve bedacht hebben en willen onthouden, in hetzelve afbeelden, door het onder de zinnelijke indrukken of gedachten te plaatsen, als of wij er zegels in afdrukten. En dat wij wat er in afgedrukt is, onthouden en weten, zoo lang als zijn beeld er in is, maar, wanneer het is uitgewischt of er niet in kon afgedrukt worden, vergeten zijn en niet weten.Theaet.Het zij zoo.So.Zie dan nu eens, of iemand, wanneer hij iets, dat hij kent, uit de dingen, die hij ziet of hoort, beschouwt, ook op deze wijs valsche meening zou kunnen koesteren405.Theaet.Op welke wijs?So.Wanneer hij, hetgeen hij kent, dan eens houdt[162]voor hetgeen hij kent, dan eens voor hetgeen hij niet kent. Dit toch hebben wij in het vorige verkeerdelijk voor onmogelijk verklaard.Theaet.Maar hoe zegt gij dan nu?So.Wij moeten het van voren af aan alzoo uiteenzetten, dat het niet mogelijk is, wat men kent, en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waarneemt, te houden voor iets anders van hetgeen men insgelijks kent en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waarneemt. Noch ook wat men kent te houden voor hetgeen men niet kent en niet heeft afgedrukt; noch wat men niet kent voor hetgeen men niet kent; noch wat men niet kent voor hetgeen men kent; noch wat men waarneemt voor iets anders van hetgeen men waarneemt; noch wat men waarneemt voor iets anders, dat men niet waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets dat men niet waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets, dat men waarneemt. En schier406nog onmogelijker is het, datgene wat men kent en waarneemt en overeenkomstig[163]met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, te houden voor iets anders, dat men kent en waarneemt, en insgelijks overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt. En het is ook onmogelijk, wat men kent en waarneemt en goed407heeft afgedrukt, te houden voor hetgeen men kent; en wat men kent en waarneemt, en evenzoo408heeft voor hetgeen men waarneemt: en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent noch waarneemt; en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent; en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet waarneemt. Dit alles onderscheidt zich door de onmogelijkheid om daarin valsche meening te koesteren. Na blijft echter nog over, dat het, zoo ergens, dan hierin plaats heeft.Theaet.Waarin dan? [misschien zal ik er vrede meê hebben] zoo ik er wat meer van geleerd heb; want nu kan ik het niet volgen.So.In hetgeen men kent, maar voor iets anders houdt van hetgeen men kent en waarneemt, of van hetgeen men niet kent, maar waarneemt; of in hetgeen men kent en waarneemt, maar voor iets anders houdt, dat men ook kent en waarneemt409.[164]XXXIV.Theaet.Nu kan ik u nog veel minder volgen dan vroeger.So.Hoor het dan nu nog eens op deze wijs. Wanneer ikTheodorusken en mij herinner, hoe hij is, enTheaetetuseven zoo, dan zie ik ze immers somtijds en somtijds niet, en betast ze somtijds en somtijds niet, en neem ze somtijds met het gehoor of eenigen anderen zin waar, terwijl ik somtijds van u volstrekt geene waarneming heb, en mij u niettemin herinner en u bij mij zelven ken?Theaet.Dat is waar.So.Begrijp dan nu uit hetgeen ik wil duidelijk maken, vooreerst dit, dat het mogelijk is, wat men kent, niet waar te nemen, en ook het wel waar te nemen.Theaet.Dat is zoo.So.En het gebeurt immers ook dikwijls, dat, wat men niet kent, tevens niet wordt waargenomen, en ook dikwijls, dat het alleen wordt waargenomen.Theaet.Ja.So.Zie dan eens, of gij het nu meer volgen kunt.SocrateskentTheodorusenTheaetetus, maar ziet ze geen van beiden, en heeft van hen ook geene andere waarneming. [In dat geval] zou hij nooit bij zich zelven meenen, datTheaetetusTheodorusis. Zeg ik iets of niets?Theaet.Gij zegt de waarheid.So.Dit nu was het eerste van hetgeen ik zeide.[165]Theaet.Dat was het.So.En het tweede, dat ik den eenen uwer kennende en den anderen niet, en geen van beiden waarnemende, nooit zou meenen, dat hij, dien ik ken, degeen is, dien ik niet ken.Theaet.Juist.So.En het derde, dat ik geen van beiden kennende noch waarnemende, niet meenen zou, dat hij, dien ik ken, een ander is, dien ik niet ken. En houd nu al die vorige [gevallen] maar voor gehoord, waarin ik nooit over u enTheodorusvalsche meening zal koesteren, hetzij ik beiden ken, of niet ken, of den eenen wel, den anderen niet. En evenzoo over de zinnelijke waarnemingen, zoo gij het volgen kunt.Theaet.Ik kan het volgen.So.Dus blijft dan het koesteren van valsche meening nog hierin, wanneer ik u enTheodoruskennende, en in dat stuk was, van u beiden als van zegels de afdrukken hebbende, u beiden op eenen afstand en niet behoorlijk ziende, ieders eigen beeld met zijne gedaante410begeerde411zamen te brengen, door haar[166]als in hare [vroeger achtergelatene] sporen te doen gaan, opdat er herkenning plaats hebbe; en nu daarin mistast, en als zij, die de schoenen om en om dragen, de gedaante van den eenen met die van den anderen verwissel en bij het beeld van die andere breng, of ook in hetzelfde geval verkeerende als het gezigt bij de spiegels, dat van regts en links wordt412, [daardoor] tot dwaling kom: in dat geval is het verwisselen der meeningen en het koesteren van valsche meening mogelijk.Theaet.Hetgeen met de meening gebeurt,Socrates! gelijkt bijzonder veel op hetgeen gij zegt.So.En ook, wanneer ik beiden kennende, den eenen nog daarenboven waarneem, en den anderen niet, maar de kennis van den eenen niet overeenkomstig met de waarneming heb, zooals ik in het vorige zeide, toen gij mij niet hebt begrepen.Theaet.Ja, dat begreep ik niet.So.Dit nu zeide ik, dat hij, die iemand kent en waarneemt, en de kennis van hem overeenkomstig met de waarneming heeft, nooit meenen zal, dat hij een ander is dan degeen, dien hij kent en waarneemt[167]en wiens kennis hij insgelijks overeenkomstig met de waarneming heeft. Dit was het immers?Theaet.Ja.So.Er toen bleef nog over wat wij nu zeggen, namelijk, dat de valsche meening ontstaat, wanneer men beiden kent en beiden ziet, of er eenige andere waarneming van heeft, doch beider beelden niet ieder overeenkomstig met zijne waarneming heeft, maar als een slechte boogschutter in het schieten voorbij het doel treft en mist, hetgeen toch den naam draagt van valschheid413.Theaet.Het schijnt althans zoo.So.En wanneer nu bij het een der beelden de waarneming aanwezig is, bij het andere niet, en de ziel het beeld der afwezige waarneming bij de aanwezige brengt, in al die opzigten bedriegt zij zich. En met één woord, hetgeen iemand niet kent, noch ooit heeft waargenomen, daaromtrent kan, naar het schijnt, geene valschheid of valsche meening bestaan, zoo wij [ten minste] nu iets goeds414zeggen; maar wat betreft hetgeen wij kennen en waarnemen, daarin wendt en keert zich de meening en wordt valsch en waar;waar, zoo zij de afbeeldsels en het afgebeelde regelregt en in hun behoorlijk verband te zamen[168]brengt;valsch, zoo zij dit schuins en scheef doet415.Theaet.Zegt men dat dan niet met regt,Socrates?So.Gij zult nog meer in dier voege spreken, wanneer gij het volgende gehoord hebt. Ware meening te koesteren is immers schoon, en valsche leelijk?Theaet.Natuurlijk.So.Dit nu zegt men, dat daardoor geschiedt. Wanneer het was in iemands ziel diep, en overvloedig, en glad, en behoorlijk gekneed is416, [dan wordt] hetgeen door de zinnen gaande wordt afgebeeld in dat was in de ziel, hetwelk reeds in duistere bewoordingen doorHomerusis aangeduid417,[169]dan worden ook bij hen de afdrukken, die zuiver en van behoorlijke diepte gemaakt worden, voor langen duur geschikt, en zulke personen zijn vooreerst vlug van bevatting, ten andere vast van geheugen, ten derde verwisselen zij de afdrukken der waarnemingen niet, maar hebben ware meening. Want daar die afdrukken duidelijk en in genoegzame ruimte zijn, rigten zij ze spoedig ieder op zijn origineel, dat het zijnde genoemd wordt; en [om die bekwaamheid] worden zij wijzen genoemd. Of dunkt u dit niet?Theaet.Wel zeker.So.Wanneer nu het was bij iemand ruig is, hetgeen de in alles bedrevene dichter geprezen heeft418, of wanneer het vuil en van niet gezuiverde stof is, of zeer vochtig of hard419, [dan zijn zij], wier [was] vochtig is, wel bevattelijk maar vergeetachtig, en zij, wier was hard is, het tegendeel. En zij, die het ruig en ruw en steenachtig hebben, doordien er aarde of vuiligheid onder vermengd is, hebben onduidelijke afdruksels. Dit is ook het geval met hen, die harde was hebben420, daar er geene diepte in de afdruksels[170]is, en met hem, die vochtige was hebben, daar de afdruksels spoedig zamenvloeijen en onduidelijk worden. Maar zoo nu [die afdruksels] bovendien in een klein zieltje door gebrek aan plaats op elkander vallen, dan wordt hunne onduidelijkheid nog erger. Deze allen nu zijn vatbaar voor valsche meening; want wanneer zij iets zien, of hooren, of bedenken, kunnen zij niet aanstonds iederen [afdruk] op zijn (origineel) te huis brengen, maar uit domheid daarin mistastende, zien, hooren en denken zij meestal verkeerd, en worden bij gevolg dwalend en onwetend genoemd.Theaet.Gij zegt opperbest,Socrates!So.Moeten wij dus zeggen, dat in ons valsche meening bestaat?Theaet.Ongetwijfeld,So.En ware toch ook?Theaet.Ook ware.So.Hebben wij dan nu niet met regt toegestemd, dat beide soorten van meening zekerlijk bestaan?Theaet.Met volkomen regt.XXXV.So.Een praatziek mensch,Theaetetus! is toch waarlijk iets ergs en onaangenaams.Theaet.Hoe zoo? Waarop doelt gij hiermede?So.Ik ben boos op mijne eigene onbevattelijkheid en echte praatzucht. Welken anderen naam toch kan men er aan geven, wanneer iemand door onbevattelijkheid[171]zich niet laat overtuigen, maar iedere redekaveling heen en weêr trekt en er maar niet van scheiden kan?Theaet.Waarom zijt gij dan boos?So.Ik ben niet alleen boos, maar ook bevreesd, [dat ik niet zal weten], wat ik zeggen moet, wanneer iemand mij vraagt:Socrates! gij hebt immers gevonden, dat valsche meening noch in de onderlinge betrekking van de waarnemingen der zinnen, noch in de gedachte aanwezig is, maar wel in de verbinding van zinnelijke waarneming en gedachte? Ik zal dan, meen ik, ja zeggen, en mij er nog op verheffen421, dat wij zulk eene schoone ontdekking gedaan hebben.Theaet.Maar,Socrates! ik vind het nu bewezene dan toch ook niet leelijk.So.Dus beweert gij dan, zal hij zeggen, dat wij eenen mensch, dien wij ons alleen voorstellen, maar niet zien, nooit voor een paard kunnen houden, dat wij ook niet zien, noch betasten, maar ons alleen voorstellen en verder volstrekt niet waarnemen?Theaet.En te regt.So.Maar, zal hij zeggen, zou dan iemand volgens die redenering nooit een getal, b. v. elf, wanneer hij het zich alleen voorstelt, voor een ander getal, dat hij zich ook alleen voorstelt, b. v. twaalf houden? Komaan! antwoord gij eens.Theaet.Dan zal ik antwoorden, dat iemand, elf ziende of betastende, ze voor twaalf zou kunnen houden,[172]maar dat, voor zoo ver hij ze zich alleen voorstelt, hij er nooit zoo iets van zal meenen.So.Wat nu? gelooft gij, dat, wanneer iemand zich heeft voorgenomen vijf en zeven te beschouwen (ik spreek nu niet van vijf en zeven menschen of iets anders dergelijks, maar van de getallen vijf en zeven zelve, die wij daareven voor afdruksels in het was verklaarden, waarbij het niet mogelijk was valsche meening te hebben), zoo nu eenig mensch deze beschouwt en tot zich zelven de vraag rigt, hoeveel zij te zamen zijn, en de een elf zegt en de ander twaalf, of zeggen en meenen allen, dat zij te zamen twaalf zijn422?Theaet.Wel neen zij: maar velen elf. En zoo iemand dit onderzoek bij een grooter getal tot stand brengt, maakt hij nog meer fouten. Want ik geloof, dat gij eigenlijk van alle getallen in het algemeen spreekt.So.Daar hebt gij gelijk in. En bedenk dan nu[173]eens, of er wel iets anders gebeurt, dan dat de twaalf zelf, die in het was zijn afgedrukt, voor elf gehouden worden?Theaet.Dat schijnt zoo.So.Dus zijn wij weder tot het daareven gezegde gekomen423. Hij toch, met wien dat gebeurd is, houdt hetgeen hij weet, voor iets anders van hetgeen hij weet, hetgeen wij voor onmogelijk hielden en waaruit wij zelfs hebben willen bewijzen, dat er geene valsche meening bestaat, om de noodzakelijkheid te vermijden, dat dezelfde hetzelfde tegelijk niet en wel zou kennen.Theaet.Dat is zeer waar.So.Dus moeten wij eene andere bepaling van de valsche meening geven, dan dat zij bestaat in het verkeerd te huis brengen van gedachten op zinnelijke waarnemingen424. Want zoo het dit was, dan zouden wij nooit dwalen in de bloote gedachten425; maar nu[174]is er óf geen valsche meening, óf het is mogelijk, datgene niet te kennen wat men wel kent; welke van die twee verkiest gij?Theaet.Gij stelt mij daar eene moeijelijke keus voor,Socrates!So.Maar het schijnt toch, dat de redekaveling niet beiden zal toelaten. Doch, want wij moeten alles beproeven, wat zoudt gij er van zeggen, zoo wij eens onbeschaamd poogden te wezen?Theaet.Hoe meent gij426?So.Zoo wij ons verstoutten te zeggen, wat kennen is?Theaet.En wat is daarin voor onbeschaamdheid?So.Gij schijnt u niet te herinneren, dat onze geheele redekaveling van den beginne af een onderzoek naar de kennis is, daar wij niet wisten, waarin zij eigenlijk bestaat.Theaet.Ja, dat herinner ik mij wel.So.Maar vindt gij het dan427niet onbeschaamd, dat wij, niet wetende, waarin de kennis eigenlijk bestaat, [zoeken] aan te toonen, wat kennis is? Maar,Theaetetus! wij hebben reeds veelmalen verkeerd gesproken. Want wij hebben duizend maal gesproken van kennen en niet kennen, en weten en niet weten, even als of wij elkander konden verstaan, zonder te weten[175]wat kennis is. Ja, zoo gij wilt, hebben wij op het oogenblik nog gesproken van niet weten en verstaan, even als of wij, zonder kennis te hebben, die woorden mogten gebruiken428.Theaet.Maar hoe zult gij dan spreken,Socrates! zoo gij u daarvan onthoudt?So.Ik voor mij zie er geen middel op. Maar zoo ik een twistredenaar was429, [zou het wel gaan], en zoo zulk een man hier was, zou hij beweren, zich daarvan te onthouden, en ons hevige verwijten doen over hetgeen ik zeg. Doch daar wij slechts gewone menschen zijn, wil ik mij nu maar verstouten te zeggen, wat kennen is; want ik geloof, dat wij er eenigen baat bij zullen hebben.Theaet.Verstout er u dan maar toe, bijZeus! En zoo gij u van die woorden niet onthoudt, zal het u niet kwalijk genomen worden.XXXVI.So.Hebt gij dan ook gehoord, wat men tegenwoordig zegt, dat het kennen is?430[176]Theaet.Misschien wel, maar op het oogenblik herinner ik het mij niet.So.Men zegt, dat het is: het hebben431van kennis.Theaet.Dat is waar.So.Laten wij het echter een weinig veranderen en zeggen: het bezitten van kennis.Theaet.Maar welk onderscheid zegt gij dan, dat tusschen die twee bestaat?So.Misschien geen; maar onderzoek eens met mij het onderscheid, dat ik er in meen te vinden.Theaet.Zoo ik daartoe ten minste in staat ben.So.Ik houd dan bezitten en hebben niet voor hetzelfde. Bij voorbeeld, wanneer iemand een kleed gekocht en in zijne magt had, maar het niet droeg, dan zouden wij zeggen, dat hij het wel bezat, maar het niet had.Theaet.En te regt.So.Zie dan nu eens, of het mogelijk is, aldus kennis te bezitten, maar niet te hebben432; gelijk[177]wanneer iemand, wilde vogels, duiven bij voorbeeld, gevangen hebbende, dezelve voedde in eene kooi, die hij in zijn huis had laten maken. In zekeren zin toch zouden wij zeggen, dat hij ze altijd had, omdat hij ze bezat, niet waar?Theaet.Ja.So.In een anderen zin echter [zouden wij zeggen], dat hij er geen een’ had, maar dat hij ten opzigte van dezelve in staat was, daar hij ze in zijn huis had opgesloten, om ze te vatten en te hebben wanneer hij wilde, daar hij naar willekeur ieder derzelve, zoo vaak hem goeddacht, kon vangen en weder loslaten.Theaet.Dat is zoo.So.Laat ons dan, zooals wij in het vorige eene figuur van was in de zielen gemaakt hebben, nu integendeel433in iedere ziel eene kooi maken met allerlei vogels, die deels bij afgezonderde troepen, deels met weinigen te zamen zijn, deels ieder voor zich door al de anderen, naar het uitkomt, heenvliegen.Theaet.Zij is gemaakt. Maar wat nu?So.Nu moet men zeggen, dat in onze jeugd die[178]kooi nog ledig is, namelijk van kundigheden, die men hier in plaats van vogels moet denken; en zoo iemand eene kundigheid heeft bekomen en in die kooi opgesloten, dan zegge men, dat hij het voorwerp dier kundigheid geleerd of uitgevonden heeft, en dat dit kennen is.Theaet.Het zij zoo.So.Zie dan nu eens, welke namen voor het naar verkiezing weder vangen, en vatten, en hebben, en weêr loslaten van die kundigheden noodig zijn, hetzij dezelfde als vroeger, toen men ze verwierf, of andere. Maar gij zult hieruit duidelijker inzien, wat ik zeg. Gij erkent immers de rekenkunst voor eene kundigheid434?Theaet.Ja.So.Beschouw deze dan nu als het vangen van de kundigheden van al het evene en onevene.Theaet.Ik beschouw haar aldus.So.Door die kundigheid nu heeft, geloof ik, [hij[179]die haar bezit]435de kundigheden der getallen in zijne magt, en deelt ze aan anderen mede.Theaet.Juist.So.En wij noemen436het mededeelen onderwijzen, het aannemen leeren, het bezitten, doordien men ze in die kooi heeft opgesloten, kennen.Theaet.Ongetwijfeld.So.Let nu eens op hetgeen hieruit volgt. Een volmaakt rekenkundige kent immers alle getallen? want van alle getallen zijn de kundigheden in zijne ziel.Theaet.Natuurlijk.So.Zou dan nu zoodanig iemand ooit óf iets bij zich zelven, óf iets van de uitwendige aan getal onderworpene dingen berekenen?437Theaet.Waarom niet?So.En wij zullen toch het rekenen niet anders bepalen, dan als het onderzoeken, hoe groot het een of ander getal is.[180]Theaet.Zoo [zullen wij doen].So.Wat hij dus kent, schijnt hij te onderzoeken, als het niet kennende, hoewel wij hebben toegestemd, dat hij alle getallen kent. Want gij zijt immers met dergelijke vraagstukken bekend438?Theaet.Ja zeker.XXXVII.So.Dus zullen wij, onze vergelijking van het bekomen en vangen der duiven ontleenende, zeggen, dat er eene dubbele vangst is, namelijk, deels die vóór het bekomen, om ze te bekomen; deels die na het bekomen, om het reeds bekomene te vatten en in de handen te hebben. Alzoo kan iemand hetzelfde, waarvan hij de kundigheden reeds lang te voren had opgedaan, en dat hij dus kende, weder leeren, door elke dier kundigheden op te nemen en dus datgene te hebben, wat hij reeds lang bezat, maar op het oogenblik niet voor zijn bewustzijn had439.Theaet.Dat is waar.So.Dit nu was wat ik vroeg: hoe wij het noemen moeten, wanneer een rekenkundige gaat rekenen, of een taalkundige bij zich zelven overdenkt, hoe[181]hij schrijven moet440. In zulk een geval toch gaat hij weder441van zich zelven leeren, wat hij reeds kent.Theaet.Maar dat is toch wat gek,Socrates!So.Maar moeten wij dan zeggen, dat zij, wat zij niet kennen, gaan berekenen of overdenken, terwijl wij toch gesteld hebben, dat zij de geheele kennis der getallen of van de taal hebben?Theaet.Dat gaat evenmin.So.Willen wij dan nu maar zeggen, dat het ons volstrekt niet raakt, hoe iemand de woorden kennen en leeren wil mishandelen, maar dat wij, onderscheid makende tusschen het bezitten en het hebben van kennis, geene mogelijkheid zien, dat iemand, wat hij bezit, niet zou bezitten, en dus evenmin, dat hij niet zou kennen, wat hij wel kent; maar dat het toch wel mogelijk is, daaromtrent valsche meening te bekomen; want dat het gebeuren kan, dat hij niet442[182]de kundigheid [die hij hebben moet], maar eene andere vasthoudt, wanneer hij dezelve, terwijl zij [door de kooi in zijne ziel] rondvliegt443zoekt te vangen, maar bij vergissing de eene in plaats van de andere grijpt, en alzoo bij voorbeeld elf voor twaalf houdt, door de kundigheid444van elf in plaats van die van twaalf te grijpen, alsof hij in die kooi eene tortelduif in plaats van eene woudduif beetpakte.Theaet.Dat gaat op.So.En dat, wanneer hij de gezochte grijpt, geene valsche, maar ware meening door hem wordt opgevat, en dat alzoo ware en valsche meening bestaan, en de vorige moeijelijkheden hier in het geheel niet hinderen. Misschien zult gij mij toestemmen, of hoe zult gij doen?Theaet.Aldus.So.Wij zijn dan ook verlost van dat niet te kennen wat men wel kent, want, of men zich vergist of niet, het niet bezitten van hetgeen men wel bezit komt niet meer in aanmerking. Ik zie echter een ander vrij wat erger geval voor den dag komen.Theaet.Wat dan?So.Of het verwisselen der kundigheden wel ooit valsche meening worden kan.Theaet.Hoe zoo?So.Vooreerst, dat men, van iets kennis hebbende,[183]datzelfde niet kent; en wel niet door onkunde, maar door zijne kennis; verder, dat men dit voor iets anders houdt en het andere voor dat, is zulks niet wat heel gek? daar dan door de aanwezigheid van kennis de ziel niets kent, maar van alles onkundig is? Volgens die redenering toch belet niets, dat het bijkomen van onkunde iets doet kennen, en van blindheid iets doet zien; zoo althans ooit kennis de oorzaak is, dat wij iets niet kennen445.Theaet.[Dat is toch nog wel te redden]446,Socrates! want misschien hebben wij verkeerdelijk die vogels alleen als kundigheden gesteld, daar wij ook onkundigheden447moesten stellen, die te gelijk met dezelve[184]door de ziel vliegen, zoodat hij, die ze poogt te vangen, dan eens eene kundigheid, dan eens eene onkundigheid aangaande hetzelfde grijpende, door de onkundigheid valsche, door de kundigheid ware meening bekomt.So.Het is moeijelijk,Theaetetus! u niet te prijzen. Bezie echter het gezegde nog eens. Het zij, gelijk gij beweert. Gij zegt dan, dat degeen, die eene onkundigheid gegrepen heeft, valsche meening zal hebben, niet waar?Theaet.Ja.So.Maar hij zal zijne meening niet voor valsch houden.Theaet.Hoe zou hij daartoe komen?So.Voor waar dus; en hij zal zich verbeelden, datgene te kennen, waaromtrent hij dwaalt.Theaet.Natuurlijk.So.Dus zal hij meenen, eene kundigheid, geene onkundigheid gevangen te hebben.Theaet.Dat spreekt.So.Dus zijn wij, na eenen langen omweg, weêr bij de eerste zwarigheid aangeland. Die vitter toch zal lagchende zeggen: hoe nu, mijne vrienden! houdt iemand, èn de kundigheid èn de onkundigheid kennende, die welke hij kent voor de andere, die hij ook kent? of zal hij, geene van beide kennende, de ééne, die hij niet kent, voor de andere houden, die hij ook niet kent? of de ééne kennende en de andere niet, die welke hij kent voor die welke hij niet kent? of zal hij[185]die, welke hij niet kent, houden voor die, welke hij kent, of zult gij mij wederom zeggen, dat er van die kundigheden en onkundigheden nog eens kundigheden zijn, die men, ze bekomen hebbende, in andere belagchelijke kooijen of stukken was opsluit, en alzoo kent als men ze bezit, ook zonder ze voor het bewustzijn te hebben? en zult gij aldus in de noodzakelijkheid komen, om duizendmaal denzelfden weg te gaan, zonder iets te vorderen?Theaetetus!wat zullen wij daarop antwoorden?Theaet.Waarlijk,Socrates! ik heb er niets op te zeggen.So.Jongelief! bestraft ons de redekaveling dan niet te regt, door aan den dag te brengen, dat wij verkeerdelijk de valsche meening vóór de kennis zochten, en die laatste verwaarloosden? En dit448kan men toch onmogelijk kennen, voor men behoorlijk de kennis heeft gevat, wat zij eigenlijk is449.Theaet.Het is op het oogenblik onvermijdelijk,Socrates! zoo te oordeelen als gij daar zegt.450[186]XXXVIII.So.Welke bepaling zal dan nu, [om] nog eens van voren [te beginnen], van de kennis gegeven worden? want wij zullen het toch niet opgeven.451Theaet.Wel neen! zoo gij er ten minste u niet aan onttrekt.So.Zeg dan eens, met welke bepaling wij ons zelve het minst zouden tegenspreken?Theaet.Met de vroeger gegevene,Socrates! ik althans heb geene andere.So.Welke?Theaet.Dat de kennis ware meening is. De ware meening toch is vrij van dwaling, en al wat door haar gedaan wordt, is schoon en goed.So.De wegwijzer [in de fabel] zegt,452dat de diepte van het water zichzelve zal bekend maken, en zoo zal ook, zoo wij dit gaan onderzoeken, het gezochte misschien van zelfs voor den dag komen, maar zoo wij stil staan, wordt er zeker niets opgehelderd.[187]Theaet.Gij zegt goed; komaan dan! laat ons het onderzoeken.So.Hier is geen omslagtig onderzoek noodig, want eene geheele kunst strekt ten blijk, dat dit niet de bepaling der kennis is.Theaet.Hoe zoo? wat is dat voor eene kunst?So.Die van de knapste lieden, namelijk van de redenaars in de volksvergadering en de pleitzaal. Zij toch brengen door hunne overredingskunst geene kennis, maar de meening, welke zij verkiezen, te weeg. Of gelooft gij aan het bestaan van zulke bekwame leermeesters, die iemand de ware toedragt van eenen diefstal of eene andere gewelddadige handeling, die hij niet heeft bijgewoond, onder het wegloopen van een weinig water kunnen doen kennen453?Theaet.Wel neen! meer dan overreden kunnen zij niet.So.Maar is nu overreden niet het te weeg brengen van meening?Theaet.Natuurlijk.So.Wanneer dus regters, op eene billijke wijs overreed zijnde van iets, hetwelk men alleen door het zien[188]en anders niet kan weten, dit op het gehoor beoordeelen, dan oordeelen zij, zoo zij goed regtspreken, zonder kennis, doch naar ware meening, daar zij goed overreed zijn.454Theaet.Ongetwijfeld.So.Maar, mijn vriend! zoo ware meening en kennis hetzelfde was, zou een goed regter nooit ware meening zonder kennis hebben; weshalve zij van elkander schijnen te verschillen455.Theaet.Ik herinner mij nu iets,Socrates, dat ik iemand heb hooren zeggen, maar dat mij ontgaan was456. Hij toch zeide, dat ware meening met bepaling kennis is, maar dat zij zonder bepaling op dien naam geen aanspraak heeft; en wat buiten de bepaling valt, noemde hij457onkenbaar, maar wat er binnen valt, kenbaar.[189]So.Dat zegt gij goed. Maar zeg dan nu eens, hoe hij die kenbare en onkenbare dingen verdeelde, [opdat wij weten], of gij en ik het op dezelfde wijs gehoord hebben.Theaet.Maar ik weet niet, of ik het mij wel zal te binnen brengen458. Ik zou het echter, denk ik, wel kunnen volgen, wanneer een ander het zeide.XXXIX.So.Hoor dan nu eens den eenen droom in plaats van den anderen. Want ik meen ook van iemand gehoord te hebben, dat de grondbestanddeelen, waaruit wij en al het overige zijn zamengesteld, door geene bepaling bevat worden. Want dat het alleen mogelijk is, ieder hunner bij zijn eigen naam te noemen, zonder er eenige andere eigenschap aan toe te kennen of te ontzeggen, daar dan zijn of niet zijn er aan zou toegekend worden, terwijl men er niets mag bijbrengen, zoo men het alleen en op zich zelf wil uitspreken. Dat men bijgevolg459de woordenzelf,dit,dat,ieder,alleen, enz. er niet op mag toepassen, daar die beurtelings op alles toegepast worden, en verschillend zijn van hetgeen, waarop men ze toepast, maar dat, zoo het mogelijk was, ze460te[190]bepalen en er eene eigene bepaling van te geven, men ze zonder al die andere moest uitspreken. Dat het nu echter onmogelijk is, eene bepaling van een dier grondbestanddeelen te geven, want dat men ze alleen kan noemen, daar zij bloot eenen naam hebben, maar [dat] hetgeen daaruit, door hunne namen zóó te verbinden als zij zelve verbonden zijn, is zamengesteld, eene bepaling is; daar deze alleen door het verbinden der verschillende praedicaten kan tot stand komen. Dat alzoo de grondbestanddeelen buiten de bepaling en de kennis vallen, maar moeten waargenomen worden; doch dat hunne verbindingen kenbaar en uitspreekbaar en door ware meening te vatten zijn. Dat nu, wanneer iemand zonder bepaling de ware meening over eene zaak opvat, zijne ziel daarvan wel de waarheid bezit, maar ze toch niet kent, want dat hij, die [eene zaak] niet kan bepalen, daarvan461geene kennis heeft, maar dat hij, die er eene bepaling bij bekomen heeft, daartoe in staat is, en volkomen is in de kennis. Hebt gij den droom zóó of anders gehoord?Theaet.Volkomen zóó.So.Behaagt het u dus, en stelt gij het zóó, dat ware meening met bepaling kennis is?Theaet.Ongetwijfeld.462[191]So.Wel,Theaetetus! hebben wij dan alzoo heden gevat, wat vele wijzen hun geheele leven door vergeefs gezocht hebben?Theaet.Ik geloof althans,Socrates! dat het nu gezegde goed gezegd is.So.En dat het zoo is, heeft ook veel schijn; want hoe zou kennis kunnen bestaan zonder bepaling en ware meening? In het gezegde is echter één ding, dat mij niet bevalt.Theaet.Wat dan?So.Juist hetgeen de meeste vertooning maakt, namelijk dat de grondbestanddeelen onkenbaar, maar de verbindingen kenbaar zijn.Theaet.Welke?So.De grondbestanddeelen [der woorden] en hunne verbindingen. Of gelooft gij, dat hij, die het vermelde gezegd heeft, daarbij op iets anders het oog had?463Theaet.Neen, maar daarop.XL.So.Laat ons dan dit nog eens ophalen, of laat ons liever ons zelven onderzoeken, of wij alzoo of anders lezen geleerd hebben. Zeg mij eerst dit.[192]De verbindingen zijn dus voor bepaling vatbaar, maar de grondbestanddeelen niet?Theaet.Het schijnt zoo.So.Ik ben ook geheel van die meening. Wanneer dan nu iemand naar de eerste lettergreep van [het woord]Socratesvroeg, zeggende:Theaetetus! zeg eens, wat is so? wat zoudt gij antwoorden?Theaet.Ik zou zeggenseno.So.Dit is dus uwe bepaling van die lettergreep?Theaet.Ja.So.Komaan! zeg dan zoo ook eens de bepaling van des.Theaet.Maar hoe zal iemand de grondbestanddeelen der grondbestanddeelen zeggen? Want,Socrates! desbehoort onder de medeklinkers, en is slechts eene soort van gesis der tong, terwijl bij decen de meeste andere zelfs dit niet gevonden wordt. Derhalve is het zeer juist, ze buiten de bepaling te stellen, daar die vijf, welke nog het meeste hebben in te brengen, alleen eenen klank hebben, maar geene bepaling toelaten464.So.Dus, mijn beste! zijn wij aangaande de kennis hiermede klaar gekomen.Theaet.Het schijnt zoo.[193]So.Maar hebben wij dan nu behoorlijk bewezen, dat de grondbestanddeelen niet kenbaar zijn, en de verbindingen wel?Theaet.Het schijnt van ja.So.Zeg dan nu eens, of wij de beide letters grondbestanddeelen en, zoo er meer dan twee zijn, die allenlettergreep(verbinding) noemen, of dat wij daar ééne zaak mede bedoelen, die door hunne zamenstelling ontstaat?Theaet.Ik geloof, dat wij die allen bedoelen.So.Zie het dan eens aan twee, desen deo. Zij beiden maken toch de eerste lettergreep van mijnen naam uit. Die nu die lettergreep kent, kent ze immers beiden?Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus kent hij desen deo?Theaet.Ja.So.Maar kent hij ze nu ieder op zich zelf niet, zoodat hij, geen van beiden kennende, ze beiden kent?Theaet.Dat zou dwaas en ongerijmd zijn,Socrates!So.Edoch zoo het, om ze beiden te kennen, noodig is ieder op zich zelf te kennen, dan is het volstrekt noodig voor iemand, die ooit de lettergreep zal kennen, eerst de letters te kennen, en zoo gaat dan die schoone redekaveling ons in eens ontvlugten.Theaet.En dat zoo onverwacht!So.Wij passen er ook niet goed op. Want misschien was het beter, de lettergreep niet met de letters gelijk te stellen, maar met ééne zaak, die daaruit ontstaat, hare eigene wezenheid heeft, en van de letters onderscheiden is.Theaet.Ik geloof ook [dat wij er niet goed op passen;][194]en misschien draagt het zich meer aldus toe, dan op de eerst genoemde wijs.So.Wij moeten het onderzoeken en eene belangrijke en fraaije redekaveling niet zoo maar laten loopen.Theaet.Wel neen.So.Laat het dan eens zijn, zoo als wij zeggen, dat de verbinding ééne zaak is, die uit de vereeniging van al de grondbestanddeelen ontstaat, zoowel bij de woorden, als bij alle andere dingen.Theaet.Het zij zoo.So.Maar moet die dan geen deelen hebben?Theaet.Hoe zoo?So.Omdat, waar deelen zijn, het geheel noodzakelijk uit al de deelen bestaat. Of houdt gij het geheel, dat uit die deelen ontstaan is, voor iets anders dan al die deelen te zamen?Theaet.Ja.So.Maar houdt gij nu het al en het geheel voor hetzelfde of voor twee verschillende dingen?Theaet.Ik zie het wel niet duidelijk in, maar omdat gij wilt, dat ik vrijmoedig antwoorde, zoo wil ik er naar raden en zeggen: voor twee verschillende dingen.So.Die vrijmoedigheid is goed,Theaetetus, maar of het antwoord zulks ook is, zullen wij zien.Theaet.Dat spreekt.XLI.So.Dus zou dan, volgens onze tegenwoordige redekaveling, het geheel en het al verschillen?Theaet.Ja.So.Maar verschillen dan nu ook al de deelen en het al? bij voorbeeld, wanneer wij zeggen: één, twee,[195]drie, vier, vijf, zes465, of twee maal drie, of drie maal twee, of vier en twee, of drie en twee en één, of vijf en één, zeggen wij dan bij die allen hetzelfde of iets anders?Theaet.Hetzelfde.So.Is het wel iets anders dan zes?Theaet.Neen.So.Dus hebben wij door ieder dier spreekwijzen al dezesuitgedrukt.Theaet.Ja.So.Maar als wij nu [in dit geval] van hetalspreken, zeggen wij toch ook iets466?Theaet.Wel zeker.So.Iets anders dan de zes?Theaet.Neen.So.Dus houden wij althans in de getallen467het al en al de deelen voor hetzelfde.Theaet.Het schijnt zoo.So.Dit is dan ook de gewone wijs van spreken.[196]Zoo beteekent ook het getal [voeten] eener roede en de roede hetzelfde, niet waar?Theaet.Ja.So.En evenzoo [is het] met de mijl?Theaet.Ja.So.En zoo ook met het getal [soldaten] eens legers en het leger, en al het dergelijke eveneens. Het getal van al de deelen toch is het al van ieder hunner.Theaet.Ja.So.En het getal van al die deelen is toch niets anders dan de deelen zelve?Theaet.Wel neen.So.Maar wat nu deelen heeft, bestaat uit die deelen.Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar nu wordt toegestemd, dat al die deelen het al zijn, zoo ten minste het getal deelen [eener zaak haar] al is468.Theaet.Juist.So.Maar dan bestaat ook het geheel niet uit deelen; want dan zou hetzelve al de deelen en dus het al zijn?Theaet.Het schijnt van neen.So.Maar kan nu een deel van iets anders deel wezen, dan van het geheel?Theaet.Immers van het al.

Theaet.Dat is duidelijk, zou men zeggen.So.Dus is het niet mogelijk, het niet zijnde te meenen, noch ten aanzien van [andere] dingen, noch op zich zelf.Theaet.Het schijnt van neen.So.Dus is het koesteren van valsche meening wat anders, dan het meenen van het niet zijnde.Theaet.Het schijnt wat anders.So.Dus is alzoo evenmin, als gelijk wij het daareven[153]beschouwden, valsche meening in ons aanwezig.Theaet.Dat is zij niet.XXXII.So.Maar ontstaat ook hetgeen wij dien naam geven misschien aldus381?Theaet.Hoe?So.Geven wij den naam van valsche meening ook aan eene verwisseling van begrippen382, wanneer iemand een der bestaande dingen voor een ander der bestaande dingen houdt, die in zijne meening verwisselende? Alzoo toch meent hij altijd een zijnde, maar het ééne in plaats van het andere, en wanneer hij het bedoelde niet treft, kan hij teregt als valsche meening koesterend beschouwd worden.Theaet.Nu geloof ik, dat gij het opperbest gezegd hebt. Want zoo iemand iets dat schoon is voor leelijk, of iets dat leelijk is voor schoon houdt383, dan koestert hij in waarheid valsche meening.So.Ik merk,Theaetetus! dat gij niet schroomt mij voor den gek te houden.[154]Theaet.Hoe dat?So.Gij denkt, geloof ik, dat ik niet vallen zal over die in waarheid valsche meening, u vragende, of het mogelijk is, dat het snelle traag, of het ligte zwaar, of eenig ander lid eener tegenstelling niet naar zijnen aard, maar naar dien van het andere, het tegenovergestelde van zich zelf wordt384. Doch hier wil ik over heen stappen om u niet te ontmoedigen. Het is dus, zoo als gij zegt, uwe meening, dat het koesteren van valsche meening verwisselen van meening is?Theaet.Ja.So.Dus is het naar uw gevoelen mogelijk385, iets als386iets anders en niet als dat [wat het is] in de gedachte te stellen.Theaet.Dat is zoo.So.Wanneer dus iemand dit in de gedachte doet,[155]is het dan niet noodig, dat hij beide of althans het ééne denkt?Theaet.Wel zeker.So.En wel tegelijk of beurtelings387?Theaet.Opperbest.So.Maar vat gij nu het denken even zoo op als ik388?Theaet.Hoe vat gij het op?So.Als een gesprek, dat de ziel met zich zelve houdt over hetgeen zij onderzoekt. Ik geef u echter deze verklaring voor hetgeen zij is389. Want ik geloof, dat de ziel, wanneer zij denkt, niets anders doet dan een gesprek voeren, zich zelve vragende en antwoordende, en toestemmende en ontkennende390. Wanneer zij nu, hetzij met veel, hetzij met weinig moeite, eene bepaling gegeven hebbende, zich bij hetzelfde houdt en niet twijfelt, dan noemen wij dat hare meening. Zoo noem ik dan het meenen spreken, en meening [de slotsom van]391een gesprek,[156]dat niet met een ander en door middel der stem, maar in stilte door de ziel met zich zelve gehouden wordt. En hoe doet gij?Theaet.Even zóó.So.Wanneer dan nu iemand het ééne voor iets anders houdt, dan zegt hij ook, naar het schijnt, tot zich zelven, dat het ééne het andere is.Theaet.Ongetwijfeld.So.Herinner u dan nu eens, of gij ooit tot u zelven gezegd hebt, dat stellig het schoone leelijk is, of het onregtvaardige regtvaardig, of, om het in eens392te zeggen, onderzoek eens, of gij ooit u zelven hebt zoeken te overreden, dat stellig het ééne het andere is; en of gij niet integendeel zelfs in den slaap nooit tot u zelven hebt durven zeggen, dat het onevene stellig even is, of iets anders dergelijks.Theaet.Gij zegt de waarheid.So.Of gelooft gij, dat iemand anders, hetzij hij bij zijne zinnen is of niet, in ernst tot zich zelven zou durven393zeggen, en zich wijsmaken, dat noodzakelijk een os een paard is, of twee één.[157]Theaet.Wel neenik.So.Wanneer dus het spreken tot zich zelf meenen394is, dan zou niemand, beiden zeggende en meenende en met de ziel aanrakende, zeggen en meenen, dat het ééne het andere is. Dus moet gij van het ééne die uitdrukking niet meer bezigen395. Want ik beweer, dat niemand meent, dat het leelijke schoon is, of iets anders dergelijks396.Theaet.Dat zal ik dan maar niet meer doen,Socrates! want ik ben het met u eens.So.Dus is het onmogelijk, wanneer men beiden[158]voor den geest heeft, te meenen, dat het ééne het andere is.Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar iemand, die alleen het ééne voordengeest heeft en het andere volstrekt niet, zal nooit meenen, dat het ééne het andere is.Theaet.Gij zegt de waarheid; want hij zou gedwongen worden, datgene voor den geest te hebben, wat hij niet voor den geest heeft.So.Dus is het verwisselen der begrippen niet mogelijk, wanneer men beiden; en ook niet, wanneer men één van beiden voor den geest heeft; weshalve iemand, die de valsche meening als het verwisselen van begrippen bepaalde, niets zou zeggen. Want noch aldus, noch volgens het vorige, schijnt er valsche meening in ons te bestaan.Theaet.Het schijnt van neen.XXXIII.So.Maar waarlijk,Theaetetus! zoo dat397niet schijnt te bestaan, dan zullen wij in de noodzakelijkheid zijn, vele dwaze dingen toe te stemmen.Theaet.Welke dan?So.Ik zal het u niet zeggen, voordat ik het van alle kanten beschouwd en onderzocht heb. Want ik zou mij over ons schamen, zoo wij ten opzigte van het voor ons duistere punt gedwongen werden, wat ik bedoel, toe te stemmen398. Maar zoo wij het vinden[159]en vrij worden, dan zullen wij, zelve voor bespotting veilig, over de anderen spreken, die in dien toestand zijn399; en zoo wij er volstrekt geen raad op weten, dan zullen wij, denk ik, vernederd zijnde, ons door de redekaveling, als zeereizigers [in eenen storm, door de matrozen] laten met voeten treden en naar willekeur behandelen400. Hoor dan nu eens, hoe ik nog eenigen raad voor ons onderzoek meen te vinden.Theaet.Zeg maar op.So.Ik zal ontkennen, dat wij teregt hebben toegestemd, toen wij toestemden, dat het onmogelijk is, dat iemand hetgeen hij kent houdt voor hetgeen hij niet kent, en zich daarin vergist; maar [zal beweren], dat zulks in sommige opzigten mogelijk is.Theaet.Meent ge welligt, dat het zoo is, als ik, toen wij dat zeiden, reeds vermoedde, [namelijk] dat ik somtijds, [hoewel]Socrateskennende, wanneer ik van verre iemand anders zie, dien ik niet ken, dien voorSocratesaanzie, dien ik wel ken. Want in zulk een geval gebeurt hetgeen gij zegt.So.Hebben wij dat niet laten varen, omdat het, wat wij kennen, hoewel wij het kennen, niet401deed kennen?[160]Theaet.Juist.So.Laat ons het dan niet zóó stellen, maar op deze wijs; en misschien zal het ons gunstig, misschien ongunstig zijn. Maar wij zijn in zulk eenen toestand, waarin het noodig is alle redekaveling van alle kanten402te onderzoeken. Zie dan [eens], of ik iets zeg. Is het mogelijk iets, dat men niet weet, later te leeren?Theaet.Wel zekerSo.Dus ook even zoo wat anders en weer wat anders?Theaet.Waarom niet?So.Stel dan nu eens om der wille van de redekaveling, dat in onze ziel een stuk was403is, bij den eenen grooter, bij den anderen kleiner; en[161]bij den eenen van zuiverder was, bij den anderen van onzuiverder en harder, en bij sommigen vochtiger [dan bij anderen], bij eenigen404van de behoorlijke maat.Theaet.Ik stel het.So.Laat ons dan zeggen, dat dit een geschenk is vanMnemosyne, de moeder der Muzen, en dat wij, hetgeen wij gehoord of zelve bedacht hebben en willen onthouden, in hetzelve afbeelden, door het onder de zinnelijke indrukken of gedachten te plaatsen, als of wij er zegels in afdrukten. En dat wij wat er in afgedrukt is, onthouden en weten, zoo lang als zijn beeld er in is, maar, wanneer het is uitgewischt of er niet in kon afgedrukt worden, vergeten zijn en niet weten.Theaet.Het zij zoo.So.Zie dan nu eens, of iemand, wanneer hij iets, dat hij kent, uit de dingen, die hij ziet of hoort, beschouwt, ook op deze wijs valsche meening zou kunnen koesteren405.Theaet.Op welke wijs?So.Wanneer hij, hetgeen hij kent, dan eens houdt[162]voor hetgeen hij kent, dan eens voor hetgeen hij niet kent. Dit toch hebben wij in het vorige verkeerdelijk voor onmogelijk verklaard.Theaet.Maar hoe zegt gij dan nu?So.Wij moeten het van voren af aan alzoo uiteenzetten, dat het niet mogelijk is, wat men kent, en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waarneemt, te houden voor iets anders van hetgeen men insgelijks kent en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waarneemt. Noch ook wat men kent te houden voor hetgeen men niet kent en niet heeft afgedrukt; noch wat men niet kent voor hetgeen men niet kent; noch wat men niet kent voor hetgeen men kent; noch wat men waarneemt voor iets anders van hetgeen men waarneemt; noch wat men waarneemt voor iets anders, dat men niet waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets dat men niet waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets, dat men waarneemt. En schier406nog onmogelijker is het, datgene wat men kent en waarneemt en overeenkomstig[163]met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, te houden voor iets anders, dat men kent en waarneemt, en insgelijks overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt. En het is ook onmogelijk, wat men kent en waarneemt en goed407heeft afgedrukt, te houden voor hetgeen men kent; en wat men kent en waarneemt, en evenzoo408heeft voor hetgeen men waarneemt: en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent noch waarneemt; en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent; en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet waarneemt. Dit alles onderscheidt zich door de onmogelijkheid om daarin valsche meening te koesteren. Na blijft echter nog over, dat het, zoo ergens, dan hierin plaats heeft.Theaet.Waarin dan? [misschien zal ik er vrede meê hebben] zoo ik er wat meer van geleerd heb; want nu kan ik het niet volgen.So.In hetgeen men kent, maar voor iets anders houdt van hetgeen men kent en waarneemt, of van hetgeen men niet kent, maar waarneemt; of in hetgeen men kent en waarneemt, maar voor iets anders houdt, dat men ook kent en waarneemt409.[164]XXXIV.Theaet.Nu kan ik u nog veel minder volgen dan vroeger.So.Hoor het dan nu nog eens op deze wijs. Wanneer ikTheodorusken en mij herinner, hoe hij is, enTheaetetuseven zoo, dan zie ik ze immers somtijds en somtijds niet, en betast ze somtijds en somtijds niet, en neem ze somtijds met het gehoor of eenigen anderen zin waar, terwijl ik somtijds van u volstrekt geene waarneming heb, en mij u niettemin herinner en u bij mij zelven ken?Theaet.Dat is waar.So.Begrijp dan nu uit hetgeen ik wil duidelijk maken, vooreerst dit, dat het mogelijk is, wat men kent, niet waar te nemen, en ook het wel waar te nemen.Theaet.Dat is zoo.So.En het gebeurt immers ook dikwijls, dat, wat men niet kent, tevens niet wordt waargenomen, en ook dikwijls, dat het alleen wordt waargenomen.Theaet.Ja.So.Zie dan eens, of gij het nu meer volgen kunt.SocrateskentTheodorusenTheaetetus, maar ziet ze geen van beiden, en heeft van hen ook geene andere waarneming. [In dat geval] zou hij nooit bij zich zelven meenen, datTheaetetusTheodorusis. Zeg ik iets of niets?Theaet.Gij zegt de waarheid.So.Dit nu was het eerste van hetgeen ik zeide.[165]Theaet.Dat was het.So.En het tweede, dat ik den eenen uwer kennende en den anderen niet, en geen van beiden waarnemende, nooit zou meenen, dat hij, dien ik ken, degeen is, dien ik niet ken.Theaet.Juist.So.En het derde, dat ik geen van beiden kennende noch waarnemende, niet meenen zou, dat hij, dien ik ken, een ander is, dien ik niet ken. En houd nu al die vorige [gevallen] maar voor gehoord, waarin ik nooit over u enTheodorusvalsche meening zal koesteren, hetzij ik beiden ken, of niet ken, of den eenen wel, den anderen niet. En evenzoo over de zinnelijke waarnemingen, zoo gij het volgen kunt.Theaet.Ik kan het volgen.So.Dus blijft dan het koesteren van valsche meening nog hierin, wanneer ik u enTheodoruskennende, en in dat stuk was, van u beiden als van zegels de afdrukken hebbende, u beiden op eenen afstand en niet behoorlijk ziende, ieders eigen beeld met zijne gedaante410begeerde411zamen te brengen, door haar[166]als in hare [vroeger achtergelatene] sporen te doen gaan, opdat er herkenning plaats hebbe; en nu daarin mistast, en als zij, die de schoenen om en om dragen, de gedaante van den eenen met die van den anderen verwissel en bij het beeld van die andere breng, of ook in hetzelfde geval verkeerende als het gezigt bij de spiegels, dat van regts en links wordt412, [daardoor] tot dwaling kom: in dat geval is het verwisselen der meeningen en het koesteren van valsche meening mogelijk.Theaet.Hetgeen met de meening gebeurt,Socrates! gelijkt bijzonder veel op hetgeen gij zegt.So.En ook, wanneer ik beiden kennende, den eenen nog daarenboven waarneem, en den anderen niet, maar de kennis van den eenen niet overeenkomstig met de waarneming heb, zooals ik in het vorige zeide, toen gij mij niet hebt begrepen.Theaet.Ja, dat begreep ik niet.So.Dit nu zeide ik, dat hij, die iemand kent en waarneemt, en de kennis van hem overeenkomstig met de waarneming heeft, nooit meenen zal, dat hij een ander is dan degeen, dien hij kent en waarneemt[167]en wiens kennis hij insgelijks overeenkomstig met de waarneming heeft. Dit was het immers?Theaet.Ja.So.Er toen bleef nog over wat wij nu zeggen, namelijk, dat de valsche meening ontstaat, wanneer men beiden kent en beiden ziet, of er eenige andere waarneming van heeft, doch beider beelden niet ieder overeenkomstig met zijne waarneming heeft, maar als een slechte boogschutter in het schieten voorbij het doel treft en mist, hetgeen toch den naam draagt van valschheid413.Theaet.Het schijnt althans zoo.So.En wanneer nu bij het een der beelden de waarneming aanwezig is, bij het andere niet, en de ziel het beeld der afwezige waarneming bij de aanwezige brengt, in al die opzigten bedriegt zij zich. En met één woord, hetgeen iemand niet kent, noch ooit heeft waargenomen, daaromtrent kan, naar het schijnt, geene valschheid of valsche meening bestaan, zoo wij [ten minste] nu iets goeds414zeggen; maar wat betreft hetgeen wij kennen en waarnemen, daarin wendt en keert zich de meening en wordt valsch en waar;waar, zoo zij de afbeeldsels en het afgebeelde regelregt en in hun behoorlijk verband te zamen[168]brengt;valsch, zoo zij dit schuins en scheef doet415.Theaet.Zegt men dat dan niet met regt,Socrates?So.Gij zult nog meer in dier voege spreken, wanneer gij het volgende gehoord hebt. Ware meening te koesteren is immers schoon, en valsche leelijk?Theaet.Natuurlijk.So.Dit nu zegt men, dat daardoor geschiedt. Wanneer het was in iemands ziel diep, en overvloedig, en glad, en behoorlijk gekneed is416, [dan wordt] hetgeen door de zinnen gaande wordt afgebeeld in dat was in de ziel, hetwelk reeds in duistere bewoordingen doorHomerusis aangeduid417,[169]dan worden ook bij hen de afdrukken, die zuiver en van behoorlijke diepte gemaakt worden, voor langen duur geschikt, en zulke personen zijn vooreerst vlug van bevatting, ten andere vast van geheugen, ten derde verwisselen zij de afdrukken der waarnemingen niet, maar hebben ware meening. Want daar die afdrukken duidelijk en in genoegzame ruimte zijn, rigten zij ze spoedig ieder op zijn origineel, dat het zijnde genoemd wordt; en [om die bekwaamheid] worden zij wijzen genoemd. Of dunkt u dit niet?Theaet.Wel zeker.So.Wanneer nu het was bij iemand ruig is, hetgeen de in alles bedrevene dichter geprezen heeft418, of wanneer het vuil en van niet gezuiverde stof is, of zeer vochtig of hard419, [dan zijn zij], wier [was] vochtig is, wel bevattelijk maar vergeetachtig, en zij, wier was hard is, het tegendeel. En zij, die het ruig en ruw en steenachtig hebben, doordien er aarde of vuiligheid onder vermengd is, hebben onduidelijke afdruksels. Dit is ook het geval met hen, die harde was hebben420, daar er geene diepte in de afdruksels[170]is, en met hem, die vochtige was hebben, daar de afdruksels spoedig zamenvloeijen en onduidelijk worden. Maar zoo nu [die afdruksels] bovendien in een klein zieltje door gebrek aan plaats op elkander vallen, dan wordt hunne onduidelijkheid nog erger. Deze allen nu zijn vatbaar voor valsche meening; want wanneer zij iets zien, of hooren, of bedenken, kunnen zij niet aanstonds iederen [afdruk] op zijn (origineel) te huis brengen, maar uit domheid daarin mistastende, zien, hooren en denken zij meestal verkeerd, en worden bij gevolg dwalend en onwetend genoemd.Theaet.Gij zegt opperbest,Socrates!So.Moeten wij dus zeggen, dat in ons valsche meening bestaat?Theaet.Ongetwijfeld,So.En ware toch ook?Theaet.Ook ware.So.Hebben wij dan nu niet met regt toegestemd, dat beide soorten van meening zekerlijk bestaan?Theaet.Met volkomen regt.XXXV.So.Een praatziek mensch,Theaetetus! is toch waarlijk iets ergs en onaangenaams.Theaet.Hoe zoo? Waarop doelt gij hiermede?So.Ik ben boos op mijne eigene onbevattelijkheid en echte praatzucht. Welken anderen naam toch kan men er aan geven, wanneer iemand door onbevattelijkheid[171]zich niet laat overtuigen, maar iedere redekaveling heen en weêr trekt en er maar niet van scheiden kan?Theaet.Waarom zijt gij dan boos?So.Ik ben niet alleen boos, maar ook bevreesd, [dat ik niet zal weten], wat ik zeggen moet, wanneer iemand mij vraagt:Socrates! gij hebt immers gevonden, dat valsche meening noch in de onderlinge betrekking van de waarnemingen der zinnen, noch in de gedachte aanwezig is, maar wel in de verbinding van zinnelijke waarneming en gedachte? Ik zal dan, meen ik, ja zeggen, en mij er nog op verheffen421, dat wij zulk eene schoone ontdekking gedaan hebben.Theaet.Maar,Socrates! ik vind het nu bewezene dan toch ook niet leelijk.So.Dus beweert gij dan, zal hij zeggen, dat wij eenen mensch, dien wij ons alleen voorstellen, maar niet zien, nooit voor een paard kunnen houden, dat wij ook niet zien, noch betasten, maar ons alleen voorstellen en verder volstrekt niet waarnemen?Theaet.En te regt.So.Maar, zal hij zeggen, zou dan iemand volgens die redenering nooit een getal, b. v. elf, wanneer hij het zich alleen voorstelt, voor een ander getal, dat hij zich ook alleen voorstelt, b. v. twaalf houden? Komaan! antwoord gij eens.Theaet.Dan zal ik antwoorden, dat iemand, elf ziende of betastende, ze voor twaalf zou kunnen houden,[172]maar dat, voor zoo ver hij ze zich alleen voorstelt, hij er nooit zoo iets van zal meenen.So.Wat nu? gelooft gij, dat, wanneer iemand zich heeft voorgenomen vijf en zeven te beschouwen (ik spreek nu niet van vijf en zeven menschen of iets anders dergelijks, maar van de getallen vijf en zeven zelve, die wij daareven voor afdruksels in het was verklaarden, waarbij het niet mogelijk was valsche meening te hebben), zoo nu eenig mensch deze beschouwt en tot zich zelven de vraag rigt, hoeveel zij te zamen zijn, en de een elf zegt en de ander twaalf, of zeggen en meenen allen, dat zij te zamen twaalf zijn422?Theaet.Wel neen zij: maar velen elf. En zoo iemand dit onderzoek bij een grooter getal tot stand brengt, maakt hij nog meer fouten. Want ik geloof, dat gij eigenlijk van alle getallen in het algemeen spreekt.So.Daar hebt gij gelijk in. En bedenk dan nu[173]eens, of er wel iets anders gebeurt, dan dat de twaalf zelf, die in het was zijn afgedrukt, voor elf gehouden worden?Theaet.Dat schijnt zoo.So.Dus zijn wij weder tot het daareven gezegde gekomen423. Hij toch, met wien dat gebeurd is, houdt hetgeen hij weet, voor iets anders van hetgeen hij weet, hetgeen wij voor onmogelijk hielden en waaruit wij zelfs hebben willen bewijzen, dat er geene valsche meening bestaat, om de noodzakelijkheid te vermijden, dat dezelfde hetzelfde tegelijk niet en wel zou kennen.Theaet.Dat is zeer waar.So.Dus moeten wij eene andere bepaling van de valsche meening geven, dan dat zij bestaat in het verkeerd te huis brengen van gedachten op zinnelijke waarnemingen424. Want zoo het dit was, dan zouden wij nooit dwalen in de bloote gedachten425; maar nu[174]is er óf geen valsche meening, óf het is mogelijk, datgene niet te kennen wat men wel kent; welke van die twee verkiest gij?Theaet.Gij stelt mij daar eene moeijelijke keus voor,Socrates!So.Maar het schijnt toch, dat de redekaveling niet beiden zal toelaten. Doch, want wij moeten alles beproeven, wat zoudt gij er van zeggen, zoo wij eens onbeschaamd poogden te wezen?Theaet.Hoe meent gij426?So.Zoo wij ons verstoutten te zeggen, wat kennen is?Theaet.En wat is daarin voor onbeschaamdheid?So.Gij schijnt u niet te herinneren, dat onze geheele redekaveling van den beginne af een onderzoek naar de kennis is, daar wij niet wisten, waarin zij eigenlijk bestaat.Theaet.Ja, dat herinner ik mij wel.So.Maar vindt gij het dan427niet onbeschaamd, dat wij, niet wetende, waarin de kennis eigenlijk bestaat, [zoeken] aan te toonen, wat kennis is? Maar,Theaetetus! wij hebben reeds veelmalen verkeerd gesproken. Want wij hebben duizend maal gesproken van kennen en niet kennen, en weten en niet weten, even als of wij elkander konden verstaan, zonder te weten[175]wat kennis is. Ja, zoo gij wilt, hebben wij op het oogenblik nog gesproken van niet weten en verstaan, even als of wij, zonder kennis te hebben, die woorden mogten gebruiken428.Theaet.Maar hoe zult gij dan spreken,Socrates! zoo gij u daarvan onthoudt?So.Ik voor mij zie er geen middel op. Maar zoo ik een twistredenaar was429, [zou het wel gaan], en zoo zulk een man hier was, zou hij beweren, zich daarvan te onthouden, en ons hevige verwijten doen over hetgeen ik zeg. Doch daar wij slechts gewone menschen zijn, wil ik mij nu maar verstouten te zeggen, wat kennen is; want ik geloof, dat wij er eenigen baat bij zullen hebben.Theaet.Verstout er u dan maar toe, bijZeus! En zoo gij u van die woorden niet onthoudt, zal het u niet kwalijk genomen worden.XXXVI.So.Hebt gij dan ook gehoord, wat men tegenwoordig zegt, dat het kennen is?430[176]Theaet.Misschien wel, maar op het oogenblik herinner ik het mij niet.So.Men zegt, dat het is: het hebben431van kennis.Theaet.Dat is waar.So.Laten wij het echter een weinig veranderen en zeggen: het bezitten van kennis.Theaet.Maar welk onderscheid zegt gij dan, dat tusschen die twee bestaat?So.Misschien geen; maar onderzoek eens met mij het onderscheid, dat ik er in meen te vinden.Theaet.Zoo ik daartoe ten minste in staat ben.So.Ik houd dan bezitten en hebben niet voor hetzelfde. Bij voorbeeld, wanneer iemand een kleed gekocht en in zijne magt had, maar het niet droeg, dan zouden wij zeggen, dat hij het wel bezat, maar het niet had.Theaet.En te regt.So.Zie dan nu eens, of het mogelijk is, aldus kennis te bezitten, maar niet te hebben432; gelijk[177]wanneer iemand, wilde vogels, duiven bij voorbeeld, gevangen hebbende, dezelve voedde in eene kooi, die hij in zijn huis had laten maken. In zekeren zin toch zouden wij zeggen, dat hij ze altijd had, omdat hij ze bezat, niet waar?Theaet.Ja.So.In een anderen zin echter [zouden wij zeggen], dat hij er geen een’ had, maar dat hij ten opzigte van dezelve in staat was, daar hij ze in zijn huis had opgesloten, om ze te vatten en te hebben wanneer hij wilde, daar hij naar willekeur ieder derzelve, zoo vaak hem goeddacht, kon vangen en weder loslaten.Theaet.Dat is zoo.So.Laat ons dan, zooals wij in het vorige eene figuur van was in de zielen gemaakt hebben, nu integendeel433in iedere ziel eene kooi maken met allerlei vogels, die deels bij afgezonderde troepen, deels met weinigen te zamen zijn, deels ieder voor zich door al de anderen, naar het uitkomt, heenvliegen.Theaet.Zij is gemaakt. Maar wat nu?So.Nu moet men zeggen, dat in onze jeugd die[178]kooi nog ledig is, namelijk van kundigheden, die men hier in plaats van vogels moet denken; en zoo iemand eene kundigheid heeft bekomen en in die kooi opgesloten, dan zegge men, dat hij het voorwerp dier kundigheid geleerd of uitgevonden heeft, en dat dit kennen is.Theaet.Het zij zoo.So.Zie dan nu eens, welke namen voor het naar verkiezing weder vangen, en vatten, en hebben, en weêr loslaten van die kundigheden noodig zijn, hetzij dezelfde als vroeger, toen men ze verwierf, of andere. Maar gij zult hieruit duidelijker inzien, wat ik zeg. Gij erkent immers de rekenkunst voor eene kundigheid434?Theaet.Ja.So.Beschouw deze dan nu als het vangen van de kundigheden van al het evene en onevene.Theaet.Ik beschouw haar aldus.So.Door die kundigheid nu heeft, geloof ik, [hij[179]die haar bezit]435de kundigheden der getallen in zijne magt, en deelt ze aan anderen mede.Theaet.Juist.So.En wij noemen436het mededeelen onderwijzen, het aannemen leeren, het bezitten, doordien men ze in die kooi heeft opgesloten, kennen.Theaet.Ongetwijfeld.So.Let nu eens op hetgeen hieruit volgt. Een volmaakt rekenkundige kent immers alle getallen? want van alle getallen zijn de kundigheden in zijne ziel.Theaet.Natuurlijk.So.Zou dan nu zoodanig iemand ooit óf iets bij zich zelven, óf iets van de uitwendige aan getal onderworpene dingen berekenen?437Theaet.Waarom niet?So.En wij zullen toch het rekenen niet anders bepalen, dan als het onderzoeken, hoe groot het een of ander getal is.[180]Theaet.Zoo [zullen wij doen].So.Wat hij dus kent, schijnt hij te onderzoeken, als het niet kennende, hoewel wij hebben toegestemd, dat hij alle getallen kent. Want gij zijt immers met dergelijke vraagstukken bekend438?Theaet.Ja zeker.XXXVII.So.Dus zullen wij, onze vergelijking van het bekomen en vangen der duiven ontleenende, zeggen, dat er eene dubbele vangst is, namelijk, deels die vóór het bekomen, om ze te bekomen; deels die na het bekomen, om het reeds bekomene te vatten en in de handen te hebben. Alzoo kan iemand hetzelfde, waarvan hij de kundigheden reeds lang te voren had opgedaan, en dat hij dus kende, weder leeren, door elke dier kundigheden op te nemen en dus datgene te hebben, wat hij reeds lang bezat, maar op het oogenblik niet voor zijn bewustzijn had439.Theaet.Dat is waar.So.Dit nu was wat ik vroeg: hoe wij het noemen moeten, wanneer een rekenkundige gaat rekenen, of een taalkundige bij zich zelven overdenkt, hoe[181]hij schrijven moet440. In zulk een geval toch gaat hij weder441van zich zelven leeren, wat hij reeds kent.Theaet.Maar dat is toch wat gek,Socrates!So.Maar moeten wij dan zeggen, dat zij, wat zij niet kennen, gaan berekenen of overdenken, terwijl wij toch gesteld hebben, dat zij de geheele kennis der getallen of van de taal hebben?Theaet.Dat gaat evenmin.So.Willen wij dan nu maar zeggen, dat het ons volstrekt niet raakt, hoe iemand de woorden kennen en leeren wil mishandelen, maar dat wij, onderscheid makende tusschen het bezitten en het hebben van kennis, geene mogelijkheid zien, dat iemand, wat hij bezit, niet zou bezitten, en dus evenmin, dat hij niet zou kennen, wat hij wel kent; maar dat het toch wel mogelijk is, daaromtrent valsche meening te bekomen; want dat het gebeuren kan, dat hij niet442[182]de kundigheid [die hij hebben moet], maar eene andere vasthoudt, wanneer hij dezelve, terwijl zij [door de kooi in zijne ziel] rondvliegt443zoekt te vangen, maar bij vergissing de eene in plaats van de andere grijpt, en alzoo bij voorbeeld elf voor twaalf houdt, door de kundigheid444van elf in plaats van die van twaalf te grijpen, alsof hij in die kooi eene tortelduif in plaats van eene woudduif beetpakte.Theaet.Dat gaat op.So.En dat, wanneer hij de gezochte grijpt, geene valsche, maar ware meening door hem wordt opgevat, en dat alzoo ware en valsche meening bestaan, en de vorige moeijelijkheden hier in het geheel niet hinderen. Misschien zult gij mij toestemmen, of hoe zult gij doen?Theaet.Aldus.So.Wij zijn dan ook verlost van dat niet te kennen wat men wel kent, want, of men zich vergist of niet, het niet bezitten van hetgeen men wel bezit komt niet meer in aanmerking. Ik zie echter een ander vrij wat erger geval voor den dag komen.Theaet.Wat dan?So.Of het verwisselen der kundigheden wel ooit valsche meening worden kan.Theaet.Hoe zoo?So.Vooreerst, dat men, van iets kennis hebbende,[183]datzelfde niet kent; en wel niet door onkunde, maar door zijne kennis; verder, dat men dit voor iets anders houdt en het andere voor dat, is zulks niet wat heel gek? daar dan door de aanwezigheid van kennis de ziel niets kent, maar van alles onkundig is? Volgens die redenering toch belet niets, dat het bijkomen van onkunde iets doet kennen, en van blindheid iets doet zien; zoo althans ooit kennis de oorzaak is, dat wij iets niet kennen445.Theaet.[Dat is toch nog wel te redden]446,Socrates! want misschien hebben wij verkeerdelijk die vogels alleen als kundigheden gesteld, daar wij ook onkundigheden447moesten stellen, die te gelijk met dezelve[184]door de ziel vliegen, zoodat hij, die ze poogt te vangen, dan eens eene kundigheid, dan eens eene onkundigheid aangaande hetzelfde grijpende, door de onkundigheid valsche, door de kundigheid ware meening bekomt.So.Het is moeijelijk,Theaetetus! u niet te prijzen. Bezie echter het gezegde nog eens. Het zij, gelijk gij beweert. Gij zegt dan, dat degeen, die eene onkundigheid gegrepen heeft, valsche meening zal hebben, niet waar?Theaet.Ja.So.Maar hij zal zijne meening niet voor valsch houden.Theaet.Hoe zou hij daartoe komen?So.Voor waar dus; en hij zal zich verbeelden, datgene te kennen, waaromtrent hij dwaalt.Theaet.Natuurlijk.So.Dus zal hij meenen, eene kundigheid, geene onkundigheid gevangen te hebben.Theaet.Dat spreekt.So.Dus zijn wij, na eenen langen omweg, weêr bij de eerste zwarigheid aangeland. Die vitter toch zal lagchende zeggen: hoe nu, mijne vrienden! houdt iemand, èn de kundigheid èn de onkundigheid kennende, die welke hij kent voor de andere, die hij ook kent? of zal hij, geene van beide kennende, de ééne, die hij niet kent, voor de andere houden, die hij ook niet kent? of de ééne kennende en de andere niet, die welke hij kent voor die welke hij niet kent? of zal hij[185]die, welke hij niet kent, houden voor die, welke hij kent, of zult gij mij wederom zeggen, dat er van die kundigheden en onkundigheden nog eens kundigheden zijn, die men, ze bekomen hebbende, in andere belagchelijke kooijen of stukken was opsluit, en alzoo kent als men ze bezit, ook zonder ze voor het bewustzijn te hebben? en zult gij aldus in de noodzakelijkheid komen, om duizendmaal denzelfden weg te gaan, zonder iets te vorderen?Theaetetus!wat zullen wij daarop antwoorden?Theaet.Waarlijk,Socrates! ik heb er niets op te zeggen.So.Jongelief! bestraft ons de redekaveling dan niet te regt, door aan den dag te brengen, dat wij verkeerdelijk de valsche meening vóór de kennis zochten, en die laatste verwaarloosden? En dit448kan men toch onmogelijk kennen, voor men behoorlijk de kennis heeft gevat, wat zij eigenlijk is449.Theaet.Het is op het oogenblik onvermijdelijk,Socrates! zoo te oordeelen als gij daar zegt.450[186]XXXVIII.So.Welke bepaling zal dan nu, [om] nog eens van voren [te beginnen], van de kennis gegeven worden? want wij zullen het toch niet opgeven.451Theaet.Wel neen! zoo gij er ten minste u niet aan onttrekt.So.Zeg dan eens, met welke bepaling wij ons zelve het minst zouden tegenspreken?Theaet.Met de vroeger gegevene,Socrates! ik althans heb geene andere.So.Welke?Theaet.Dat de kennis ware meening is. De ware meening toch is vrij van dwaling, en al wat door haar gedaan wordt, is schoon en goed.So.De wegwijzer [in de fabel] zegt,452dat de diepte van het water zichzelve zal bekend maken, en zoo zal ook, zoo wij dit gaan onderzoeken, het gezochte misschien van zelfs voor den dag komen, maar zoo wij stil staan, wordt er zeker niets opgehelderd.[187]Theaet.Gij zegt goed; komaan dan! laat ons het onderzoeken.So.Hier is geen omslagtig onderzoek noodig, want eene geheele kunst strekt ten blijk, dat dit niet de bepaling der kennis is.Theaet.Hoe zoo? wat is dat voor eene kunst?So.Die van de knapste lieden, namelijk van de redenaars in de volksvergadering en de pleitzaal. Zij toch brengen door hunne overredingskunst geene kennis, maar de meening, welke zij verkiezen, te weeg. Of gelooft gij aan het bestaan van zulke bekwame leermeesters, die iemand de ware toedragt van eenen diefstal of eene andere gewelddadige handeling, die hij niet heeft bijgewoond, onder het wegloopen van een weinig water kunnen doen kennen453?Theaet.Wel neen! meer dan overreden kunnen zij niet.So.Maar is nu overreden niet het te weeg brengen van meening?Theaet.Natuurlijk.So.Wanneer dus regters, op eene billijke wijs overreed zijnde van iets, hetwelk men alleen door het zien[188]en anders niet kan weten, dit op het gehoor beoordeelen, dan oordeelen zij, zoo zij goed regtspreken, zonder kennis, doch naar ware meening, daar zij goed overreed zijn.454Theaet.Ongetwijfeld.So.Maar, mijn vriend! zoo ware meening en kennis hetzelfde was, zou een goed regter nooit ware meening zonder kennis hebben; weshalve zij van elkander schijnen te verschillen455.Theaet.Ik herinner mij nu iets,Socrates, dat ik iemand heb hooren zeggen, maar dat mij ontgaan was456. Hij toch zeide, dat ware meening met bepaling kennis is, maar dat zij zonder bepaling op dien naam geen aanspraak heeft; en wat buiten de bepaling valt, noemde hij457onkenbaar, maar wat er binnen valt, kenbaar.[189]So.Dat zegt gij goed. Maar zeg dan nu eens, hoe hij die kenbare en onkenbare dingen verdeelde, [opdat wij weten], of gij en ik het op dezelfde wijs gehoord hebben.Theaet.Maar ik weet niet, of ik het mij wel zal te binnen brengen458. Ik zou het echter, denk ik, wel kunnen volgen, wanneer een ander het zeide.XXXIX.So.Hoor dan nu eens den eenen droom in plaats van den anderen. Want ik meen ook van iemand gehoord te hebben, dat de grondbestanddeelen, waaruit wij en al het overige zijn zamengesteld, door geene bepaling bevat worden. Want dat het alleen mogelijk is, ieder hunner bij zijn eigen naam te noemen, zonder er eenige andere eigenschap aan toe te kennen of te ontzeggen, daar dan zijn of niet zijn er aan zou toegekend worden, terwijl men er niets mag bijbrengen, zoo men het alleen en op zich zelf wil uitspreken. Dat men bijgevolg459de woordenzelf,dit,dat,ieder,alleen, enz. er niet op mag toepassen, daar die beurtelings op alles toegepast worden, en verschillend zijn van hetgeen, waarop men ze toepast, maar dat, zoo het mogelijk was, ze460te[190]bepalen en er eene eigene bepaling van te geven, men ze zonder al die andere moest uitspreken. Dat het nu echter onmogelijk is, eene bepaling van een dier grondbestanddeelen te geven, want dat men ze alleen kan noemen, daar zij bloot eenen naam hebben, maar [dat] hetgeen daaruit, door hunne namen zóó te verbinden als zij zelve verbonden zijn, is zamengesteld, eene bepaling is; daar deze alleen door het verbinden der verschillende praedicaten kan tot stand komen. Dat alzoo de grondbestanddeelen buiten de bepaling en de kennis vallen, maar moeten waargenomen worden; doch dat hunne verbindingen kenbaar en uitspreekbaar en door ware meening te vatten zijn. Dat nu, wanneer iemand zonder bepaling de ware meening over eene zaak opvat, zijne ziel daarvan wel de waarheid bezit, maar ze toch niet kent, want dat hij, die [eene zaak] niet kan bepalen, daarvan461geene kennis heeft, maar dat hij, die er eene bepaling bij bekomen heeft, daartoe in staat is, en volkomen is in de kennis. Hebt gij den droom zóó of anders gehoord?Theaet.Volkomen zóó.So.Behaagt het u dus, en stelt gij het zóó, dat ware meening met bepaling kennis is?Theaet.Ongetwijfeld.462[191]So.Wel,Theaetetus! hebben wij dan alzoo heden gevat, wat vele wijzen hun geheele leven door vergeefs gezocht hebben?Theaet.Ik geloof althans,Socrates! dat het nu gezegde goed gezegd is.So.En dat het zoo is, heeft ook veel schijn; want hoe zou kennis kunnen bestaan zonder bepaling en ware meening? In het gezegde is echter één ding, dat mij niet bevalt.Theaet.Wat dan?So.Juist hetgeen de meeste vertooning maakt, namelijk dat de grondbestanddeelen onkenbaar, maar de verbindingen kenbaar zijn.Theaet.Welke?So.De grondbestanddeelen [der woorden] en hunne verbindingen. Of gelooft gij, dat hij, die het vermelde gezegd heeft, daarbij op iets anders het oog had?463Theaet.Neen, maar daarop.XL.So.Laat ons dan dit nog eens ophalen, of laat ons liever ons zelven onderzoeken, of wij alzoo of anders lezen geleerd hebben. Zeg mij eerst dit.[192]De verbindingen zijn dus voor bepaling vatbaar, maar de grondbestanddeelen niet?Theaet.Het schijnt zoo.So.Ik ben ook geheel van die meening. Wanneer dan nu iemand naar de eerste lettergreep van [het woord]Socratesvroeg, zeggende:Theaetetus! zeg eens, wat is so? wat zoudt gij antwoorden?Theaet.Ik zou zeggenseno.So.Dit is dus uwe bepaling van die lettergreep?Theaet.Ja.So.Komaan! zeg dan zoo ook eens de bepaling van des.Theaet.Maar hoe zal iemand de grondbestanddeelen der grondbestanddeelen zeggen? Want,Socrates! desbehoort onder de medeklinkers, en is slechts eene soort van gesis der tong, terwijl bij decen de meeste andere zelfs dit niet gevonden wordt. Derhalve is het zeer juist, ze buiten de bepaling te stellen, daar die vijf, welke nog het meeste hebben in te brengen, alleen eenen klank hebben, maar geene bepaling toelaten464.So.Dus, mijn beste! zijn wij aangaande de kennis hiermede klaar gekomen.Theaet.Het schijnt zoo.[193]So.Maar hebben wij dan nu behoorlijk bewezen, dat de grondbestanddeelen niet kenbaar zijn, en de verbindingen wel?Theaet.Het schijnt van ja.So.Zeg dan nu eens, of wij de beide letters grondbestanddeelen en, zoo er meer dan twee zijn, die allenlettergreep(verbinding) noemen, of dat wij daar ééne zaak mede bedoelen, die door hunne zamenstelling ontstaat?Theaet.Ik geloof, dat wij die allen bedoelen.So.Zie het dan eens aan twee, desen deo. Zij beiden maken toch de eerste lettergreep van mijnen naam uit. Die nu die lettergreep kent, kent ze immers beiden?Theaet.Ongetwijfeld.So.Dus kent hij desen deo?Theaet.Ja.So.Maar kent hij ze nu ieder op zich zelf niet, zoodat hij, geen van beiden kennende, ze beiden kent?Theaet.Dat zou dwaas en ongerijmd zijn,Socrates!So.Edoch zoo het, om ze beiden te kennen, noodig is ieder op zich zelf te kennen, dan is het volstrekt noodig voor iemand, die ooit de lettergreep zal kennen, eerst de letters te kennen, en zoo gaat dan die schoone redekaveling ons in eens ontvlugten.Theaet.En dat zoo onverwacht!So.Wij passen er ook niet goed op. Want misschien was het beter, de lettergreep niet met de letters gelijk te stellen, maar met ééne zaak, die daaruit ontstaat, hare eigene wezenheid heeft, en van de letters onderscheiden is.Theaet.Ik geloof ook [dat wij er niet goed op passen;][194]en misschien draagt het zich meer aldus toe, dan op de eerst genoemde wijs.So.Wij moeten het onderzoeken en eene belangrijke en fraaije redekaveling niet zoo maar laten loopen.Theaet.Wel neen.So.Laat het dan eens zijn, zoo als wij zeggen, dat de verbinding ééne zaak is, die uit de vereeniging van al de grondbestanddeelen ontstaat, zoowel bij de woorden, als bij alle andere dingen.Theaet.Het zij zoo.So.Maar moet die dan geen deelen hebben?Theaet.Hoe zoo?So.Omdat, waar deelen zijn, het geheel noodzakelijk uit al de deelen bestaat. Of houdt gij het geheel, dat uit die deelen ontstaan is, voor iets anders dan al die deelen te zamen?Theaet.Ja.So.Maar houdt gij nu het al en het geheel voor hetzelfde of voor twee verschillende dingen?Theaet.Ik zie het wel niet duidelijk in, maar omdat gij wilt, dat ik vrijmoedig antwoorde, zoo wil ik er naar raden en zeggen: voor twee verschillende dingen.So.Die vrijmoedigheid is goed,Theaetetus, maar of het antwoord zulks ook is, zullen wij zien.Theaet.Dat spreekt.XLI.So.Dus zou dan, volgens onze tegenwoordige redekaveling, het geheel en het al verschillen?Theaet.Ja.So.Maar verschillen dan nu ook al de deelen en het al? bij voorbeeld, wanneer wij zeggen: één, twee,[195]drie, vier, vijf, zes465, of twee maal drie, of drie maal twee, of vier en twee, of drie en twee en één, of vijf en één, zeggen wij dan bij die allen hetzelfde of iets anders?Theaet.Hetzelfde.So.Is het wel iets anders dan zes?Theaet.Neen.So.Dus hebben wij door ieder dier spreekwijzen al dezesuitgedrukt.Theaet.Ja.So.Maar als wij nu [in dit geval] van hetalspreken, zeggen wij toch ook iets466?Theaet.Wel zeker.So.Iets anders dan de zes?Theaet.Neen.So.Dus houden wij althans in de getallen467het al en al de deelen voor hetzelfde.Theaet.Het schijnt zoo.So.Dit is dan ook de gewone wijs van spreken.[196]Zoo beteekent ook het getal [voeten] eener roede en de roede hetzelfde, niet waar?Theaet.Ja.So.En evenzoo [is het] met de mijl?Theaet.Ja.So.En zoo ook met het getal [soldaten] eens legers en het leger, en al het dergelijke eveneens. Het getal van al de deelen toch is het al van ieder hunner.Theaet.Ja.So.En het getal van al die deelen is toch niets anders dan de deelen zelve?Theaet.Wel neen.So.Maar wat nu deelen heeft, bestaat uit die deelen.Theaet.Het schijnt zoo.So.Maar nu wordt toegestemd, dat al die deelen het al zijn, zoo ten minste het getal deelen [eener zaak haar] al is468.Theaet.Juist.So.Maar dan bestaat ook het geheel niet uit deelen; want dan zou hetzelve al de deelen en dus het al zijn?Theaet.Het schijnt van neen.So.Maar kan nu een deel van iets anders deel wezen, dan van het geheel?Theaet.Immers van het al.

Theaet.Dat is duidelijk, zou men zeggen.

So.Dus is het niet mogelijk, het niet zijnde te meenen, noch ten aanzien van [andere] dingen, noch op zich zelf.

Theaet.Het schijnt van neen.

So.Dus is het koesteren van valsche meening wat anders, dan het meenen van het niet zijnde.

Theaet.Het schijnt wat anders.

So.Dus is alzoo evenmin, als gelijk wij het daareven[153]beschouwden, valsche meening in ons aanwezig.

Theaet.Dat is zij niet.

XXXII.So.Maar ontstaat ook hetgeen wij dien naam geven misschien aldus381?

Theaet.Hoe?

So.Geven wij den naam van valsche meening ook aan eene verwisseling van begrippen382, wanneer iemand een der bestaande dingen voor een ander der bestaande dingen houdt, die in zijne meening verwisselende? Alzoo toch meent hij altijd een zijnde, maar het ééne in plaats van het andere, en wanneer hij het bedoelde niet treft, kan hij teregt als valsche meening koesterend beschouwd worden.

Theaet.Nu geloof ik, dat gij het opperbest gezegd hebt. Want zoo iemand iets dat schoon is voor leelijk, of iets dat leelijk is voor schoon houdt383, dan koestert hij in waarheid valsche meening.

So.Ik merk,Theaetetus! dat gij niet schroomt mij voor den gek te houden.[154]

Theaet.Hoe dat?

So.Gij denkt, geloof ik, dat ik niet vallen zal over die in waarheid valsche meening, u vragende, of het mogelijk is, dat het snelle traag, of het ligte zwaar, of eenig ander lid eener tegenstelling niet naar zijnen aard, maar naar dien van het andere, het tegenovergestelde van zich zelf wordt384. Doch hier wil ik over heen stappen om u niet te ontmoedigen. Het is dus, zoo als gij zegt, uwe meening, dat het koesteren van valsche meening verwisselen van meening is?

Theaet.Ja.

So.Dus is het naar uw gevoelen mogelijk385, iets als386iets anders en niet als dat [wat het is] in de gedachte te stellen.

Theaet.Dat is zoo.

So.Wanneer dus iemand dit in de gedachte doet,[155]is het dan niet noodig, dat hij beide of althans het ééne denkt?

Theaet.Wel zeker.

So.En wel tegelijk of beurtelings387?

Theaet.Opperbest.

So.Maar vat gij nu het denken even zoo op als ik388?

Theaet.Hoe vat gij het op?

So.Als een gesprek, dat de ziel met zich zelve houdt over hetgeen zij onderzoekt. Ik geef u echter deze verklaring voor hetgeen zij is389. Want ik geloof, dat de ziel, wanneer zij denkt, niets anders doet dan een gesprek voeren, zich zelve vragende en antwoordende, en toestemmende en ontkennende390. Wanneer zij nu, hetzij met veel, hetzij met weinig moeite, eene bepaling gegeven hebbende, zich bij hetzelfde houdt en niet twijfelt, dan noemen wij dat hare meening. Zoo noem ik dan het meenen spreken, en meening [de slotsom van]391een gesprek,[156]dat niet met een ander en door middel der stem, maar in stilte door de ziel met zich zelve gehouden wordt. En hoe doet gij?

Theaet.Even zóó.

So.Wanneer dan nu iemand het ééne voor iets anders houdt, dan zegt hij ook, naar het schijnt, tot zich zelven, dat het ééne het andere is.

Theaet.Ongetwijfeld.

So.Herinner u dan nu eens, of gij ooit tot u zelven gezegd hebt, dat stellig het schoone leelijk is, of het onregtvaardige regtvaardig, of, om het in eens392te zeggen, onderzoek eens, of gij ooit u zelven hebt zoeken te overreden, dat stellig het ééne het andere is; en of gij niet integendeel zelfs in den slaap nooit tot u zelven hebt durven zeggen, dat het onevene stellig even is, of iets anders dergelijks.

Theaet.Gij zegt de waarheid.

So.Of gelooft gij, dat iemand anders, hetzij hij bij zijne zinnen is of niet, in ernst tot zich zelven zou durven393zeggen, en zich wijsmaken, dat noodzakelijk een os een paard is, of twee één.[157]

Theaet.Wel neenik.

So.Wanneer dus het spreken tot zich zelf meenen394is, dan zou niemand, beiden zeggende en meenende en met de ziel aanrakende, zeggen en meenen, dat het ééne het andere is. Dus moet gij van het ééne die uitdrukking niet meer bezigen395. Want ik beweer, dat niemand meent, dat het leelijke schoon is, of iets anders dergelijks396.

Theaet.Dat zal ik dan maar niet meer doen,Socrates! want ik ben het met u eens.

So.Dus is het onmogelijk, wanneer men beiden[158]voor den geest heeft, te meenen, dat het ééne het andere is.

Theaet.Het schijnt zoo.

So.Maar iemand, die alleen het ééne voordengeest heeft en het andere volstrekt niet, zal nooit meenen, dat het ééne het andere is.

Theaet.Gij zegt de waarheid; want hij zou gedwongen worden, datgene voor den geest te hebben, wat hij niet voor den geest heeft.

So.Dus is het verwisselen der begrippen niet mogelijk, wanneer men beiden; en ook niet, wanneer men één van beiden voor den geest heeft; weshalve iemand, die de valsche meening als het verwisselen van begrippen bepaalde, niets zou zeggen. Want noch aldus, noch volgens het vorige, schijnt er valsche meening in ons te bestaan.

Theaet.Het schijnt van neen.

XXXIII.So.Maar waarlijk,Theaetetus! zoo dat397niet schijnt te bestaan, dan zullen wij in de noodzakelijkheid zijn, vele dwaze dingen toe te stemmen.

Theaet.Welke dan?

So.Ik zal het u niet zeggen, voordat ik het van alle kanten beschouwd en onderzocht heb. Want ik zou mij over ons schamen, zoo wij ten opzigte van het voor ons duistere punt gedwongen werden, wat ik bedoel, toe te stemmen398. Maar zoo wij het vinden[159]en vrij worden, dan zullen wij, zelve voor bespotting veilig, over de anderen spreken, die in dien toestand zijn399; en zoo wij er volstrekt geen raad op weten, dan zullen wij, denk ik, vernederd zijnde, ons door de redekaveling, als zeereizigers [in eenen storm, door de matrozen] laten met voeten treden en naar willekeur behandelen400. Hoor dan nu eens, hoe ik nog eenigen raad voor ons onderzoek meen te vinden.

Theaet.Zeg maar op.

So.Ik zal ontkennen, dat wij teregt hebben toegestemd, toen wij toestemden, dat het onmogelijk is, dat iemand hetgeen hij kent houdt voor hetgeen hij niet kent, en zich daarin vergist; maar [zal beweren], dat zulks in sommige opzigten mogelijk is.

Theaet.Meent ge welligt, dat het zoo is, als ik, toen wij dat zeiden, reeds vermoedde, [namelijk] dat ik somtijds, [hoewel]Socrateskennende, wanneer ik van verre iemand anders zie, dien ik niet ken, dien voorSocratesaanzie, dien ik wel ken. Want in zulk een geval gebeurt hetgeen gij zegt.

So.Hebben wij dat niet laten varen, omdat het, wat wij kennen, hoewel wij het kennen, niet401deed kennen?[160]

Theaet.Juist.

So.Laat ons het dan niet zóó stellen, maar op deze wijs; en misschien zal het ons gunstig, misschien ongunstig zijn. Maar wij zijn in zulk eenen toestand, waarin het noodig is alle redekaveling van alle kanten402te onderzoeken. Zie dan [eens], of ik iets zeg. Is het mogelijk iets, dat men niet weet, later te leeren?

Theaet.Wel zeker

So.Dus ook even zoo wat anders en weer wat anders?

Theaet.Waarom niet?

So.Stel dan nu eens om der wille van de redekaveling, dat in onze ziel een stuk was403is, bij den eenen grooter, bij den anderen kleiner; en[161]bij den eenen van zuiverder was, bij den anderen van onzuiverder en harder, en bij sommigen vochtiger [dan bij anderen], bij eenigen404van de behoorlijke maat.

Theaet.Ik stel het.

So.Laat ons dan zeggen, dat dit een geschenk is vanMnemosyne, de moeder der Muzen, en dat wij, hetgeen wij gehoord of zelve bedacht hebben en willen onthouden, in hetzelve afbeelden, door het onder de zinnelijke indrukken of gedachten te plaatsen, als of wij er zegels in afdrukten. En dat wij wat er in afgedrukt is, onthouden en weten, zoo lang als zijn beeld er in is, maar, wanneer het is uitgewischt of er niet in kon afgedrukt worden, vergeten zijn en niet weten.

Theaet.Het zij zoo.

So.Zie dan nu eens, of iemand, wanneer hij iets, dat hij kent, uit de dingen, die hij ziet of hoort, beschouwt, ook op deze wijs valsche meening zou kunnen koesteren405.

Theaet.Op welke wijs?

So.Wanneer hij, hetgeen hij kent, dan eens houdt[162]voor hetgeen hij kent, dan eens voor hetgeen hij niet kent. Dit toch hebben wij in het vorige verkeerdelijk voor onmogelijk verklaard.

Theaet.Maar hoe zegt gij dan nu?

So.Wij moeten het van voren af aan alzoo uiteenzetten, dat het niet mogelijk is, wat men kent, en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waarneemt, te houden voor iets anders van hetgeen men insgelijks kent en in de ziel heeft afgedrukt, maar niet waarneemt. Noch ook wat men kent te houden voor hetgeen men niet kent en niet heeft afgedrukt; noch wat men niet kent voor hetgeen men niet kent; noch wat men niet kent voor hetgeen men kent; noch wat men waarneemt voor iets anders van hetgeen men waarneemt; noch wat men waarneemt voor iets anders, dat men niet waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets dat men niet waarneemt; noch wat men niet waarneemt voor iets, dat men waarneemt. En schier406nog onmogelijker is het, datgene wat men kent en waarneemt en overeenkomstig[163]met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, te houden voor iets anders, dat men kent en waarneemt, en insgelijks overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt. En het is ook onmogelijk, wat men kent en waarneemt en goed407heeft afgedrukt, te houden voor hetgeen men kent; en wat men kent en waarneemt, en evenzoo408heeft voor hetgeen men waarneemt: en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent noch waarneemt; en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet kent; en wat men niet kent noch waarneemt voor hetgeen men niet waarneemt. Dit alles onderscheidt zich door de onmogelijkheid om daarin valsche meening te koesteren. Na blijft echter nog over, dat het, zoo ergens, dan hierin plaats heeft.

Theaet.Waarin dan? [misschien zal ik er vrede meê hebben] zoo ik er wat meer van geleerd heb; want nu kan ik het niet volgen.

So.In hetgeen men kent, maar voor iets anders houdt van hetgeen men kent en waarneemt, of van hetgeen men niet kent, maar waarneemt; of in hetgeen men kent en waarneemt, maar voor iets anders houdt, dat men ook kent en waarneemt409.[164]

XXXIV.Theaet.Nu kan ik u nog veel minder volgen dan vroeger.

So.Hoor het dan nu nog eens op deze wijs. Wanneer ikTheodorusken en mij herinner, hoe hij is, enTheaetetuseven zoo, dan zie ik ze immers somtijds en somtijds niet, en betast ze somtijds en somtijds niet, en neem ze somtijds met het gehoor of eenigen anderen zin waar, terwijl ik somtijds van u volstrekt geene waarneming heb, en mij u niettemin herinner en u bij mij zelven ken?

Theaet.Dat is waar.

So.Begrijp dan nu uit hetgeen ik wil duidelijk maken, vooreerst dit, dat het mogelijk is, wat men kent, niet waar te nemen, en ook het wel waar te nemen.

Theaet.Dat is zoo.

So.En het gebeurt immers ook dikwijls, dat, wat men niet kent, tevens niet wordt waargenomen, en ook dikwijls, dat het alleen wordt waargenomen.

Theaet.Ja.

So.Zie dan eens, of gij het nu meer volgen kunt.SocrateskentTheodorusenTheaetetus, maar ziet ze geen van beiden, en heeft van hen ook geene andere waarneming. [In dat geval] zou hij nooit bij zich zelven meenen, datTheaetetusTheodorusis. Zeg ik iets of niets?

Theaet.Gij zegt de waarheid.

So.Dit nu was het eerste van hetgeen ik zeide.[165]

Theaet.Dat was het.

So.En het tweede, dat ik den eenen uwer kennende en den anderen niet, en geen van beiden waarnemende, nooit zou meenen, dat hij, dien ik ken, degeen is, dien ik niet ken.

Theaet.Juist.

So.En het derde, dat ik geen van beiden kennende noch waarnemende, niet meenen zou, dat hij, dien ik ken, een ander is, dien ik niet ken. En houd nu al die vorige [gevallen] maar voor gehoord, waarin ik nooit over u enTheodorusvalsche meening zal koesteren, hetzij ik beiden ken, of niet ken, of den eenen wel, den anderen niet. En evenzoo over de zinnelijke waarnemingen, zoo gij het volgen kunt.

Theaet.Ik kan het volgen.

So.Dus blijft dan het koesteren van valsche meening nog hierin, wanneer ik u enTheodoruskennende, en in dat stuk was, van u beiden als van zegels de afdrukken hebbende, u beiden op eenen afstand en niet behoorlijk ziende, ieders eigen beeld met zijne gedaante410begeerde411zamen te brengen, door haar[166]als in hare [vroeger achtergelatene] sporen te doen gaan, opdat er herkenning plaats hebbe; en nu daarin mistast, en als zij, die de schoenen om en om dragen, de gedaante van den eenen met die van den anderen verwissel en bij het beeld van die andere breng, of ook in hetzelfde geval verkeerende als het gezigt bij de spiegels, dat van regts en links wordt412, [daardoor] tot dwaling kom: in dat geval is het verwisselen der meeningen en het koesteren van valsche meening mogelijk.

Theaet.Hetgeen met de meening gebeurt,Socrates! gelijkt bijzonder veel op hetgeen gij zegt.

So.En ook, wanneer ik beiden kennende, den eenen nog daarenboven waarneem, en den anderen niet, maar de kennis van den eenen niet overeenkomstig met de waarneming heb, zooals ik in het vorige zeide, toen gij mij niet hebt begrepen.

Theaet.Ja, dat begreep ik niet.

So.Dit nu zeide ik, dat hij, die iemand kent en waarneemt, en de kennis van hem overeenkomstig met de waarneming heeft, nooit meenen zal, dat hij een ander is dan degeen, dien hij kent en waarneemt[167]en wiens kennis hij insgelijks overeenkomstig met de waarneming heeft. Dit was het immers?

Theaet.Ja.

So.Er toen bleef nog over wat wij nu zeggen, namelijk, dat de valsche meening ontstaat, wanneer men beiden kent en beiden ziet, of er eenige andere waarneming van heeft, doch beider beelden niet ieder overeenkomstig met zijne waarneming heeft, maar als een slechte boogschutter in het schieten voorbij het doel treft en mist, hetgeen toch den naam draagt van valschheid413.

Theaet.Het schijnt althans zoo.

So.En wanneer nu bij het een der beelden de waarneming aanwezig is, bij het andere niet, en de ziel het beeld der afwezige waarneming bij de aanwezige brengt, in al die opzigten bedriegt zij zich. En met één woord, hetgeen iemand niet kent, noch ooit heeft waargenomen, daaromtrent kan, naar het schijnt, geene valschheid of valsche meening bestaan, zoo wij [ten minste] nu iets goeds414zeggen; maar wat betreft hetgeen wij kennen en waarnemen, daarin wendt en keert zich de meening en wordt valsch en waar;waar, zoo zij de afbeeldsels en het afgebeelde regelregt en in hun behoorlijk verband te zamen[168]brengt;valsch, zoo zij dit schuins en scheef doet415.

Theaet.Zegt men dat dan niet met regt,Socrates?

So.Gij zult nog meer in dier voege spreken, wanneer gij het volgende gehoord hebt. Ware meening te koesteren is immers schoon, en valsche leelijk?

Theaet.Natuurlijk.

So.Dit nu zegt men, dat daardoor geschiedt. Wanneer het was in iemands ziel diep, en overvloedig, en glad, en behoorlijk gekneed is416, [dan wordt] hetgeen door de zinnen gaande wordt afgebeeld in dat was in de ziel, hetwelk reeds in duistere bewoordingen doorHomerusis aangeduid417,[169]dan worden ook bij hen de afdrukken, die zuiver en van behoorlijke diepte gemaakt worden, voor langen duur geschikt, en zulke personen zijn vooreerst vlug van bevatting, ten andere vast van geheugen, ten derde verwisselen zij de afdrukken der waarnemingen niet, maar hebben ware meening. Want daar die afdrukken duidelijk en in genoegzame ruimte zijn, rigten zij ze spoedig ieder op zijn origineel, dat het zijnde genoemd wordt; en [om die bekwaamheid] worden zij wijzen genoemd. Of dunkt u dit niet?

Theaet.Wel zeker.

So.Wanneer nu het was bij iemand ruig is, hetgeen de in alles bedrevene dichter geprezen heeft418, of wanneer het vuil en van niet gezuiverde stof is, of zeer vochtig of hard419, [dan zijn zij], wier [was] vochtig is, wel bevattelijk maar vergeetachtig, en zij, wier was hard is, het tegendeel. En zij, die het ruig en ruw en steenachtig hebben, doordien er aarde of vuiligheid onder vermengd is, hebben onduidelijke afdruksels. Dit is ook het geval met hen, die harde was hebben420, daar er geene diepte in de afdruksels[170]is, en met hem, die vochtige was hebben, daar de afdruksels spoedig zamenvloeijen en onduidelijk worden. Maar zoo nu [die afdruksels] bovendien in een klein zieltje door gebrek aan plaats op elkander vallen, dan wordt hunne onduidelijkheid nog erger. Deze allen nu zijn vatbaar voor valsche meening; want wanneer zij iets zien, of hooren, of bedenken, kunnen zij niet aanstonds iederen [afdruk] op zijn (origineel) te huis brengen, maar uit domheid daarin mistastende, zien, hooren en denken zij meestal verkeerd, en worden bij gevolg dwalend en onwetend genoemd.

Theaet.Gij zegt opperbest,Socrates!

So.Moeten wij dus zeggen, dat in ons valsche meening bestaat?

Theaet.Ongetwijfeld,

So.En ware toch ook?

Theaet.Ook ware.

So.Hebben wij dan nu niet met regt toegestemd, dat beide soorten van meening zekerlijk bestaan?

Theaet.Met volkomen regt.

XXXV.So.Een praatziek mensch,Theaetetus! is toch waarlijk iets ergs en onaangenaams.

Theaet.Hoe zoo? Waarop doelt gij hiermede?

So.Ik ben boos op mijne eigene onbevattelijkheid en echte praatzucht. Welken anderen naam toch kan men er aan geven, wanneer iemand door onbevattelijkheid[171]zich niet laat overtuigen, maar iedere redekaveling heen en weêr trekt en er maar niet van scheiden kan?

Theaet.Waarom zijt gij dan boos?

So.Ik ben niet alleen boos, maar ook bevreesd, [dat ik niet zal weten], wat ik zeggen moet, wanneer iemand mij vraagt:Socrates! gij hebt immers gevonden, dat valsche meening noch in de onderlinge betrekking van de waarnemingen der zinnen, noch in de gedachte aanwezig is, maar wel in de verbinding van zinnelijke waarneming en gedachte? Ik zal dan, meen ik, ja zeggen, en mij er nog op verheffen421, dat wij zulk eene schoone ontdekking gedaan hebben.

Theaet.Maar,Socrates! ik vind het nu bewezene dan toch ook niet leelijk.

So.Dus beweert gij dan, zal hij zeggen, dat wij eenen mensch, dien wij ons alleen voorstellen, maar niet zien, nooit voor een paard kunnen houden, dat wij ook niet zien, noch betasten, maar ons alleen voorstellen en verder volstrekt niet waarnemen?

Theaet.En te regt.

So.Maar, zal hij zeggen, zou dan iemand volgens die redenering nooit een getal, b. v. elf, wanneer hij het zich alleen voorstelt, voor een ander getal, dat hij zich ook alleen voorstelt, b. v. twaalf houden? Komaan! antwoord gij eens.

Theaet.Dan zal ik antwoorden, dat iemand, elf ziende of betastende, ze voor twaalf zou kunnen houden,[172]maar dat, voor zoo ver hij ze zich alleen voorstelt, hij er nooit zoo iets van zal meenen.

So.Wat nu? gelooft gij, dat, wanneer iemand zich heeft voorgenomen vijf en zeven te beschouwen (ik spreek nu niet van vijf en zeven menschen of iets anders dergelijks, maar van de getallen vijf en zeven zelve, die wij daareven voor afdruksels in het was verklaarden, waarbij het niet mogelijk was valsche meening te hebben), zoo nu eenig mensch deze beschouwt en tot zich zelven de vraag rigt, hoeveel zij te zamen zijn, en de een elf zegt en de ander twaalf, of zeggen en meenen allen, dat zij te zamen twaalf zijn422?

Theaet.Wel neen zij: maar velen elf. En zoo iemand dit onderzoek bij een grooter getal tot stand brengt, maakt hij nog meer fouten. Want ik geloof, dat gij eigenlijk van alle getallen in het algemeen spreekt.

So.Daar hebt gij gelijk in. En bedenk dan nu[173]eens, of er wel iets anders gebeurt, dan dat de twaalf zelf, die in het was zijn afgedrukt, voor elf gehouden worden?

Theaet.Dat schijnt zoo.

So.Dus zijn wij weder tot het daareven gezegde gekomen423. Hij toch, met wien dat gebeurd is, houdt hetgeen hij weet, voor iets anders van hetgeen hij weet, hetgeen wij voor onmogelijk hielden en waaruit wij zelfs hebben willen bewijzen, dat er geene valsche meening bestaat, om de noodzakelijkheid te vermijden, dat dezelfde hetzelfde tegelijk niet en wel zou kennen.

Theaet.Dat is zeer waar.

So.Dus moeten wij eene andere bepaling van de valsche meening geven, dan dat zij bestaat in het verkeerd te huis brengen van gedachten op zinnelijke waarnemingen424. Want zoo het dit was, dan zouden wij nooit dwalen in de bloote gedachten425; maar nu[174]is er óf geen valsche meening, óf het is mogelijk, datgene niet te kennen wat men wel kent; welke van die twee verkiest gij?

Theaet.Gij stelt mij daar eene moeijelijke keus voor,Socrates!

So.Maar het schijnt toch, dat de redekaveling niet beiden zal toelaten. Doch, want wij moeten alles beproeven, wat zoudt gij er van zeggen, zoo wij eens onbeschaamd poogden te wezen?

Theaet.Hoe meent gij426?

So.Zoo wij ons verstoutten te zeggen, wat kennen is?

Theaet.En wat is daarin voor onbeschaamdheid?

So.Gij schijnt u niet te herinneren, dat onze geheele redekaveling van den beginne af een onderzoek naar de kennis is, daar wij niet wisten, waarin zij eigenlijk bestaat.

Theaet.Ja, dat herinner ik mij wel.

So.Maar vindt gij het dan427niet onbeschaamd, dat wij, niet wetende, waarin de kennis eigenlijk bestaat, [zoeken] aan te toonen, wat kennis is? Maar,Theaetetus! wij hebben reeds veelmalen verkeerd gesproken. Want wij hebben duizend maal gesproken van kennen en niet kennen, en weten en niet weten, even als of wij elkander konden verstaan, zonder te weten[175]wat kennis is. Ja, zoo gij wilt, hebben wij op het oogenblik nog gesproken van niet weten en verstaan, even als of wij, zonder kennis te hebben, die woorden mogten gebruiken428.

Theaet.Maar hoe zult gij dan spreken,Socrates! zoo gij u daarvan onthoudt?

So.Ik voor mij zie er geen middel op. Maar zoo ik een twistredenaar was429, [zou het wel gaan], en zoo zulk een man hier was, zou hij beweren, zich daarvan te onthouden, en ons hevige verwijten doen over hetgeen ik zeg. Doch daar wij slechts gewone menschen zijn, wil ik mij nu maar verstouten te zeggen, wat kennen is; want ik geloof, dat wij er eenigen baat bij zullen hebben.

Theaet.Verstout er u dan maar toe, bijZeus! En zoo gij u van die woorden niet onthoudt, zal het u niet kwalijk genomen worden.

XXXVI.So.Hebt gij dan ook gehoord, wat men tegenwoordig zegt, dat het kennen is?430[176]

Theaet.Misschien wel, maar op het oogenblik herinner ik het mij niet.

So.Men zegt, dat het is: het hebben431van kennis.

Theaet.Dat is waar.

So.Laten wij het echter een weinig veranderen en zeggen: het bezitten van kennis.

Theaet.Maar welk onderscheid zegt gij dan, dat tusschen die twee bestaat?

So.Misschien geen; maar onderzoek eens met mij het onderscheid, dat ik er in meen te vinden.

Theaet.Zoo ik daartoe ten minste in staat ben.

So.Ik houd dan bezitten en hebben niet voor hetzelfde. Bij voorbeeld, wanneer iemand een kleed gekocht en in zijne magt had, maar het niet droeg, dan zouden wij zeggen, dat hij het wel bezat, maar het niet had.

Theaet.En te regt.

So.Zie dan nu eens, of het mogelijk is, aldus kennis te bezitten, maar niet te hebben432; gelijk[177]wanneer iemand, wilde vogels, duiven bij voorbeeld, gevangen hebbende, dezelve voedde in eene kooi, die hij in zijn huis had laten maken. In zekeren zin toch zouden wij zeggen, dat hij ze altijd had, omdat hij ze bezat, niet waar?

Theaet.Ja.

So.In een anderen zin echter [zouden wij zeggen], dat hij er geen een’ had, maar dat hij ten opzigte van dezelve in staat was, daar hij ze in zijn huis had opgesloten, om ze te vatten en te hebben wanneer hij wilde, daar hij naar willekeur ieder derzelve, zoo vaak hem goeddacht, kon vangen en weder loslaten.

Theaet.Dat is zoo.

So.Laat ons dan, zooals wij in het vorige eene figuur van was in de zielen gemaakt hebben, nu integendeel433in iedere ziel eene kooi maken met allerlei vogels, die deels bij afgezonderde troepen, deels met weinigen te zamen zijn, deels ieder voor zich door al de anderen, naar het uitkomt, heenvliegen.

Theaet.Zij is gemaakt. Maar wat nu?

So.Nu moet men zeggen, dat in onze jeugd die[178]kooi nog ledig is, namelijk van kundigheden, die men hier in plaats van vogels moet denken; en zoo iemand eene kundigheid heeft bekomen en in die kooi opgesloten, dan zegge men, dat hij het voorwerp dier kundigheid geleerd of uitgevonden heeft, en dat dit kennen is.

Theaet.Het zij zoo.

So.Zie dan nu eens, welke namen voor het naar verkiezing weder vangen, en vatten, en hebben, en weêr loslaten van die kundigheden noodig zijn, hetzij dezelfde als vroeger, toen men ze verwierf, of andere. Maar gij zult hieruit duidelijker inzien, wat ik zeg. Gij erkent immers de rekenkunst voor eene kundigheid434?

Theaet.Ja.

So.Beschouw deze dan nu als het vangen van de kundigheden van al het evene en onevene.

Theaet.Ik beschouw haar aldus.

So.Door die kundigheid nu heeft, geloof ik, [hij[179]die haar bezit]435de kundigheden der getallen in zijne magt, en deelt ze aan anderen mede.

Theaet.Juist.

So.En wij noemen436het mededeelen onderwijzen, het aannemen leeren, het bezitten, doordien men ze in die kooi heeft opgesloten, kennen.

Theaet.Ongetwijfeld.

So.Let nu eens op hetgeen hieruit volgt. Een volmaakt rekenkundige kent immers alle getallen? want van alle getallen zijn de kundigheden in zijne ziel.

Theaet.Natuurlijk.

So.Zou dan nu zoodanig iemand ooit óf iets bij zich zelven, óf iets van de uitwendige aan getal onderworpene dingen berekenen?437

Theaet.Waarom niet?

So.En wij zullen toch het rekenen niet anders bepalen, dan als het onderzoeken, hoe groot het een of ander getal is.[180]

Theaet.Zoo [zullen wij doen].

So.Wat hij dus kent, schijnt hij te onderzoeken, als het niet kennende, hoewel wij hebben toegestemd, dat hij alle getallen kent. Want gij zijt immers met dergelijke vraagstukken bekend438?

Theaet.Ja zeker.

XXXVII.So.Dus zullen wij, onze vergelijking van het bekomen en vangen der duiven ontleenende, zeggen, dat er eene dubbele vangst is, namelijk, deels die vóór het bekomen, om ze te bekomen; deels die na het bekomen, om het reeds bekomene te vatten en in de handen te hebben. Alzoo kan iemand hetzelfde, waarvan hij de kundigheden reeds lang te voren had opgedaan, en dat hij dus kende, weder leeren, door elke dier kundigheden op te nemen en dus datgene te hebben, wat hij reeds lang bezat, maar op het oogenblik niet voor zijn bewustzijn had439.

Theaet.Dat is waar.

So.Dit nu was wat ik vroeg: hoe wij het noemen moeten, wanneer een rekenkundige gaat rekenen, of een taalkundige bij zich zelven overdenkt, hoe[181]hij schrijven moet440. In zulk een geval toch gaat hij weder441van zich zelven leeren, wat hij reeds kent.

Theaet.Maar dat is toch wat gek,Socrates!

So.Maar moeten wij dan zeggen, dat zij, wat zij niet kennen, gaan berekenen of overdenken, terwijl wij toch gesteld hebben, dat zij de geheele kennis der getallen of van de taal hebben?

Theaet.Dat gaat evenmin.

So.Willen wij dan nu maar zeggen, dat het ons volstrekt niet raakt, hoe iemand de woorden kennen en leeren wil mishandelen, maar dat wij, onderscheid makende tusschen het bezitten en het hebben van kennis, geene mogelijkheid zien, dat iemand, wat hij bezit, niet zou bezitten, en dus evenmin, dat hij niet zou kennen, wat hij wel kent; maar dat het toch wel mogelijk is, daaromtrent valsche meening te bekomen; want dat het gebeuren kan, dat hij niet442[182]de kundigheid [die hij hebben moet], maar eene andere vasthoudt, wanneer hij dezelve, terwijl zij [door de kooi in zijne ziel] rondvliegt443zoekt te vangen, maar bij vergissing de eene in plaats van de andere grijpt, en alzoo bij voorbeeld elf voor twaalf houdt, door de kundigheid444van elf in plaats van die van twaalf te grijpen, alsof hij in die kooi eene tortelduif in plaats van eene woudduif beetpakte.

Theaet.Dat gaat op.

So.En dat, wanneer hij de gezochte grijpt, geene valsche, maar ware meening door hem wordt opgevat, en dat alzoo ware en valsche meening bestaan, en de vorige moeijelijkheden hier in het geheel niet hinderen. Misschien zult gij mij toestemmen, of hoe zult gij doen?

Theaet.Aldus.

So.Wij zijn dan ook verlost van dat niet te kennen wat men wel kent, want, of men zich vergist of niet, het niet bezitten van hetgeen men wel bezit komt niet meer in aanmerking. Ik zie echter een ander vrij wat erger geval voor den dag komen.

Theaet.Wat dan?

So.Of het verwisselen der kundigheden wel ooit valsche meening worden kan.

Theaet.Hoe zoo?

So.Vooreerst, dat men, van iets kennis hebbende,[183]datzelfde niet kent; en wel niet door onkunde, maar door zijne kennis; verder, dat men dit voor iets anders houdt en het andere voor dat, is zulks niet wat heel gek? daar dan door de aanwezigheid van kennis de ziel niets kent, maar van alles onkundig is? Volgens die redenering toch belet niets, dat het bijkomen van onkunde iets doet kennen, en van blindheid iets doet zien; zoo althans ooit kennis de oorzaak is, dat wij iets niet kennen445.

Theaet.[Dat is toch nog wel te redden]446,Socrates! want misschien hebben wij verkeerdelijk die vogels alleen als kundigheden gesteld, daar wij ook onkundigheden447moesten stellen, die te gelijk met dezelve[184]door de ziel vliegen, zoodat hij, die ze poogt te vangen, dan eens eene kundigheid, dan eens eene onkundigheid aangaande hetzelfde grijpende, door de onkundigheid valsche, door de kundigheid ware meening bekomt.

So.Het is moeijelijk,Theaetetus! u niet te prijzen. Bezie echter het gezegde nog eens. Het zij, gelijk gij beweert. Gij zegt dan, dat degeen, die eene onkundigheid gegrepen heeft, valsche meening zal hebben, niet waar?

Theaet.Ja.

So.Maar hij zal zijne meening niet voor valsch houden.

Theaet.Hoe zou hij daartoe komen?

So.Voor waar dus; en hij zal zich verbeelden, datgene te kennen, waaromtrent hij dwaalt.

Theaet.Natuurlijk.

So.Dus zal hij meenen, eene kundigheid, geene onkundigheid gevangen te hebben.

Theaet.Dat spreekt.

So.Dus zijn wij, na eenen langen omweg, weêr bij de eerste zwarigheid aangeland. Die vitter toch zal lagchende zeggen: hoe nu, mijne vrienden! houdt iemand, èn de kundigheid èn de onkundigheid kennende, die welke hij kent voor de andere, die hij ook kent? of zal hij, geene van beide kennende, de ééne, die hij niet kent, voor de andere houden, die hij ook niet kent? of de ééne kennende en de andere niet, die welke hij kent voor die welke hij niet kent? of zal hij[185]die, welke hij niet kent, houden voor die, welke hij kent, of zult gij mij wederom zeggen, dat er van die kundigheden en onkundigheden nog eens kundigheden zijn, die men, ze bekomen hebbende, in andere belagchelijke kooijen of stukken was opsluit, en alzoo kent als men ze bezit, ook zonder ze voor het bewustzijn te hebben? en zult gij aldus in de noodzakelijkheid komen, om duizendmaal denzelfden weg te gaan, zonder iets te vorderen?Theaetetus!wat zullen wij daarop antwoorden?

Theaet.Waarlijk,Socrates! ik heb er niets op te zeggen.

So.Jongelief! bestraft ons de redekaveling dan niet te regt, door aan den dag te brengen, dat wij verkeerdelijk de valsche meening vóór de kennis zochten, en die laatste verwaarloosden? En dit448kan men toch onmogelijk kennen, voor men behoorlijk de kennis heeft gevat, wat zij eigenlijk is449.

Theaet.Het is op het oogenblik onvermijdelijk,Socrates! zoo te oordeelen als gij daar zegt.450[186]

XXXVIII.So.Welke bepaling zal dan nu, [om] nog eens van voren [te beginnen], van de kennis gegeven worden? want wij zullen het toch niet opgeven.451

Theaet.Wel neen! zoo gij er ten minste u niet aan onttrekt.

So.Zeg dan eens, met welke bepaling wij ons zelve het minst zouden tegenspreken?

Theaet.Met de vroeger gegevene,Socrates! ik althans heb geene andere.

So.Welke?

Theaet.Dat de kennis ware meening is. De ware meening toch is vrij van dwaling, en al wat door haar gedaan wordt, is schoon en goed.

So.De wegwijzer [in de fabel] zegt,452dat de diepte van het water zichzelve zal bekend maken, en zoo zal ook, zoo wij dit gaan onderzoeken, het gezochte misschien van zelfs voor den dag komen, maar zoo wij stil staan, wordt er zeker niets opgehelderd.[187]

Theaet.Gij zegt goed; komaan dan! laat ons het onderzoeken.

So.Hier is geen omslagtig onderzoek noodig, want eene geheele kunst strekt ten blijk, dat dit niet de bepaling der kennis is.

Theaet.Hoe zoo? wat is dat voor eene kunst?

So.Die van de knapste lieden, namelijk van de redenaars in de volksvergadering en de pleitzaal. Zij toch brengen door hunne overredingskunst geene kennis, maar de meening, welke zij verkiezen, te weeg. Of gelooft gij aan het bestaan van zulke bekwame leermeesters, die iemand de ware toedragt van eenen diefstal of eene andere gewelddadige handeling, die hij niet heeft bijgewoond, onder het wegloopen van een weinig water kunnen doen kennen453?

Theaet.Wel neen! meer dan overreden kunnen zij niet.

So.Maar is nu overreden niet het te weeg brengen van meening?

Theaet.Natuurlijk.

So.Wanneer dus regters, op eene billijke wijs overreed zijnde van iets, hetwelk men alleen door het zien[188]en anders niet kan weten, dit op het gehoor beoordeelen, dan oordeelen zij, zoo zij goed regtspreken, zonder kennis, doch naar ware meening, daar zij goed overreed zijn.454

Theaet.Ongetwijfeld.

So.Maar, mijn vriend! zoo ware meening en kennis hetzelfde was, zou een goed regter nooit ware meening zonder kennis hebben; weshalve zij van elkander schijnen te verschillen455.

Theaet.Ik herinner mij nu iets,Socrates, dat ik iemand heb hooren zeggen, maar dat mij ontgaan was456. Hij toch zeide, dat ware meening met bepaling kennis is, maar dat zij zonder bepaling op dien naam geen aanspraak heeft; en wat buiten de bepaling valt, noemde hij457onkenbaar, maar wat er binnen valt, kenbaar.[189]

So.Dat zegt gij goed. Maar zeg dan nu eens, hoe hij die kenbare en onkenbare dingen verdeelde, [opdat wij weten], of gij en ik het op dezelfde wijs gehoord hebben.

Theaet.Maar ik weet niet, of ik het mij wel zal te binnen brengen458. Ik zou het echter, denk ik, wel kunnen volgen, wanneer een ander het zeide.

XXXIX.So.Hoor dan nu eens den eenen droom in plaats van den anderen. Want ik meen ook van iemand gehoord te hebben, dat de grondbestanddeelen, waaruit wij en al het overige zijn zamengesteld, door geene bepaling bevat worden. Want dat het alleen mogelijk is, ieder hunner bij zijn eigen naam te noemen, zonder er eenige andere eigenschap aan toe te kennen of te ontzeggen, daar dan zijn of niet zijn er aan zou toegekend worden, terwijl men er niets mag bijbrengen, zoo men het alleen en op zich zelf wil uitspreken. Dat men bijgevolg459de woordenzelf,dit,dat,ieder,alleen, enz. er niet op mag toepassen, daar die beurtelings op alles toegepast worden, en verschillend zijn van hetgeen, waarop men ze toepast, maar dat, zoo het mogelijk was, ze460te[190]bepalen en er eene eigene bepaling van te geven, men ze zonder al die andere moest uitspreken. Dat het nu echter onmogelijk is, eene bepaling van een dier grondbestanddeelen te geven, want dat men ze alleen kan noemen, daar zij bloot eenen naam hebben, maar [dat] hetgeen daaruit, door hunne namen zóó te verbinden als zij zelve verbonden zijn, is zamengesteld, eene bepaling is; daar deze alleen door het verbinden der verschillende praedicaten kan tot stand komen. Dat alzoo de grondbestanddeelen buiten de bepaling en de kennis vallen, maar moeten waargenomen worden; doch dat hunne verbindingen kenbaar en uitspreekbaar en door ware meening te vatten zijn. Dat nu, wanneer iemand zonder bepaling de ware meening over eene zaak opvat, zijne ziel daarvan wel de waarheid bezit, maar ze toch niet kent, want dat hij, die [eene zaak] niet kan bepalen, daarvan461geene kennis heeft, maar dat hij, die er eene bepaling bij bekomen heeft, daartoe in staat is, en volkomen is in de kennis. Hebt gij den droom zóó of anders gehoord?

Theaet.Volkomen zóó.

So.Behaagt het u dus, en stelt gij het zóó, dat ware meening met bepaling kennis is?

Theaet.Ongetwijfeld.462[191]

So.Wel,Theaetetus! hebben wij dan alzoo heden gevat, wat vele wijzen hun geheele leven door vergeefs gezocht hebben?

Theaet.Ik geloof althans,Socrates! dat het nu gezegde goed gezegd is.

So.En dat het zoo is, heeft ook veel schijn; want hoe zou kennis kunnen bestaan zonder bepaling en ware meening? In het gezegde is echter één ding, dat mij niet bevalt.

Theaet.Wat dan?

So.Juist hetgeen de meeste vertooning maakt, namelijk dat de grondbestanddeelen onkenbaar, maar de verbindingen kenbaar zijn.

Theaet.Welke?

So.De grondbestanddeelen [der woorden] en hunne verbindingen. Of gelooft gij, dat hij, die het vermelde gezegd heeft, daarbij op iets anders het oog had?463

Theaet.Neen, maar daarop.

XL.So.Laat ons dan dit nog eens ophalen, of laat ons liever ons zelven onderzoeken, of wij alzoo of anders lezen geleerd hebben. Zeg mij eerst dit.[192]De verbindingen zijn dus voor bepaling vatbaar, maar de grondbestanddeelen niet?

Theaet.Het schijnt zoo.

So.Ik ben ook geheel van die meening. Wanneer dan nu iemand naar de eerste lettergreep van [het woord]Socratesvroeg, zeggende:Theaetetus! zeg eens, wat is so? wat zoudt gij antwoorden?

Theaet.Ik zou zeggenseno.

So.Dit is dus uwe bepaling van die lettergreep?

Theaet.Ja.

So.Komaan! zeg dan zoo ook eens de bepaling van des.

Theaet.Maar hoe zal iemand de grondbestanddeelen der grondbestanddeelen zeggen? Want,Socrates! desbehoort onder de medeklinkers, en is slechts eene soort van gesis der tong, terwijl bij decen de meeste andere zelfs dit niet gevonden wordt. Derhalve is het zeer juist, ze buiten de bepaling te stellen, daar die vijf, welke nog het meeste hebben in te brengen, alleen eenen klank hebben, maar geene bepaling toelaten464.

So.Dus, mijn beste! zijn wij aangaande de kennis hiermede klaar gekomen.

Theaet.Het schijnt zoo.[193]

So.Maar hebben wij dan nu behoorlijk bewezen, dat de grondbestanddeelen niet kenbaar zijn, en de verbindingen wel?

Theaet.Het schijnt van ja.

So.Zeg dan nu eens, of wij de beide letters grondbestanddeelen en, zoo er meer dan twee zijn, die allenlettergreep(verbinding) noemen, of dat wij daar ééne zaak mede bedoelen, die door hunne zamenstelling ontstaat?

Theaet.Ik geloof, dat wij die allen bedoelen.

So.Zie het dan eens aan twee, desen deo. Zij beiden maken toch de eerste lettergreep van mijnen naam uit. Die nu die lettergreep kent, kent ze immers beiden?

Theaet.Ongetwijfeld.

So.Dus kent hij desen deo?

Theaet.Ja.

So.Maar kent hij ze nu ieder op zich zelf niet, zoodat hij, geen van beiden kennende, ze beiden kent?

Theaet.Dat zou dwaas en ongerijmd zijn,Socrates!

So.Edoch zoo het, om ze beiden te kennen, noodig is ieder op zich zelf te kennen, dan is het volstrekt noodig voor iemand, die ooit de lettergreep zal kennen, eerst de letters te kennen, en zoo gaat dan die schoone redekaveling ons in eens ontvlugten.

Theaet.En dat zoo onverwacht!

So.Wij passen er ook niet goed op. Want misschien was het beter, de lettergreep niet met de letters gelijk te stellen, maar met ééne zaak, die daaruit ontstaat, hare eigene wezenheid heeft, en van de letters onderscheiden is.

Theaet.Ik geloof ook [dat wij er niet goed op passen;][194]en misschien draagt het zich meer aldus toe, dan op de eerst genoemde wijs.

So.Wij moeten het onderzoeken en eene belangrijke en fraaije redekaveling niet zoo maar laten loopen.

Theaet.Wel neen.

So.Laat het dan eens zijn, zoo als wij zeggen, dat de verbinding ééne zaak is, die uit de vereeniging van al de grondbestanddeelen ontstaat, zoowel bij de woorden, als bij alle andere dingen.

Theaet.Het zij zoo.

So.Maar moet die dan geen deelen hebben?

Theaet.Hoe zoo?

So.Omdat, waar deelen zijn, het geheel noodzakelijk uit al de deelen bestaat. Of houdt gij het geheel, dat uit die deelen ontstaan is, voor iets anders dan al die deelen te zamen?

Theaet.Ja.

So.Maar houdt gij nu het al en het geheel voor hetzelfde of voor twee verschillende dingen?

Theaet.Ik zie het wel niet duidelijk in, maar omdat gij wilt, dat ik vrijmoedig antwoorde, zoo wil ik er naar raden en zeggen: voor twee verschillende dingen.

So.Die vrijmoedigheid is goed,Theaetetus, maar of het antwoord zulks ook is, zullen wij zien.

Theaet.Dat spreekt.

XLI.So.Dus zou dan, volgens onze tegenwoordige redekaveling, het geheel en het al verschillen?

Theaet.Ja.

So.Maar verschillen dan nu ook al de deelen en het al? bij voorbeeld, wanneer wij zeggen: één, twee,[195]drie, vier, vijf, zes465, of twee maal drie, of drie maal twee, of vier en twee, of drie en twee en één, of vijf en één, zeggen wij dan bij die allen hetzelfde of iets anders?

Theaet.Hetzelfde.

So.Is het wel iets anders dan zes?

Theaet.Neen.

So.Dus hebben wij door ieder dier spreekwijzen al dezesuitgedrukt.

Theaet.Ja.

So.Maar als wij nu [in dit geval] van hetalspreken, zeggen wij toch ook iets466?

Theaet.Wel zeker.

So.Iets anders dan de zes?

Theaet.Neen.

So.Dus houden wij althans in de getallen467het al en al de deelen voor hetzelfde.

Theaet.Het schijnt zoo.

So.Dit is dan ook de gewone wijs van spreken.[196]Zoo beteekent ook het getal [voeten] eener roede en de roede hetzelfde, niet waar?

Theaet.Ja.

So.En evenzoo [is het] met de mijl?

Theaet.Ja.

So.En zoo ook met het getal [soldaten] eens legers en het leger, en al het dergelijke eveneens. Het getal van al de deelen toch is het al van ieder hunner.

Theaet.Ja.

So.En het getal van al die deelen is toch niets anders dan de deelen zelve?

Theaet.Wel neen.

So.Maar wat nu deelen heeft, bestaat uit die deelen.

Theaet.Het schijnt zoo.

So.Maar nu wordt toegestemd, dat al die deelen het al zijn, zoo ten minste het getal deelen [eener zaak haar] al is468.

Theaet.Juist.

So.Maar dan bestaat ook het geheel niet uit deelen; want dan zou hetzelve al de deelen en dus het al zijn?

Theaet.Het schijnt van neen.

So.Maar kan nu een deel van iets anders deel wezen, dan van het geheel?

Theaet.Immers van het al.


Back to IndexNext