1κατ’ ἀγορὰν. De Grieken bragten een groot gedeelte van den dag op de markt door, waar zij elkander ontmoetten en allerlei dingen verhandelden. Zij leefden veel meer buiten dan binnen ’s huis.↑2Hier wordt waarschijnlijk gedoeld op den slag vanCorinthe, die geleverd is in het jaar 394 van onze tijdrekening tusschen de Atheners, Corinthiers en hunne bondgenooten aan den eenen, en deLacedaemoniersen hunne partij aan den anderen kant. Deze slag had plaats, nadatAgesilausreeds uitAziewas wedergekeerd, zoodat hij de tijding er van teAmphipolisontving.↑3Theaetetuswas, zooals wij later zien zullen, reeds in zijne jeugd bekend om zijnen goeden aanleg en vlijt, en had zeer goed onderwijs genoten, zoodat men alles goeds van hem verwachten kon.↑4δῆταbehoort bijἀνεμνήσθηνenἐθαύμασα.↑5φύσιςbeteekent soms de natuur in het algemeen, soms de natuur, de wezenheid van eenig ding in het bijzonder.↑6διελέχθη. Het werkwoordδιαλέγομαιbehoort onder de Deponentia passiva, dat is zulke, die eenen aor. pass. met active beteekenis hebben. Overigens isκαὶvoorμάλα ἀξίουςte verklaren uit het voorgaandeοὓς διελέχθη αὐτῷ, daar die woorden te zamen dezelfde kracht als een adjectivum of participium hebben, zoodat danμάλα ἀξίουςals het tweede adjectivum bijλόγουςkan beschouwd worden.↑7ἐλλόγιμοςis hij, die medegerekend en niet achter de bank geschoven of vergeten wordt.↑8De leerlingen vanSocratesnamen na den dood huns meesters gretig alle gelegenheden waar, om zijne nagedachtenis hulde te doen. Hetzelfde edele streven openbaart zich bij de onmiddellijke leerlingen vanKrause. Zoo besluit onder anderenLindemannzijne verdediging vanKrause’sstelsel (voorkomende in hetZeitschrift für Philosophie und spekulative Theologie, uitgegeven doorJ. H. Fichte, XV. 1), met deze merkwaardige woorden:„Had ik nu tegenover zulke nietige tegenwerpingen ongelijk, toen ik in het begin dezer verhandeling de bewering nederschreef, dat de tegenstanders het Krausische stelsel meestal niet bestuderen, maar meer uit nieuwsgierigheid, of omdat het nu niet langer kan overgeslagen worden, doorlezen? Ja, heb ik ongelijk, wanneer ik hier bijvoeg, dat zij het meest met vooroordeel er tegen, of hoogstens daarom in de hand nemen, om het van hun standpunt uit door de spitsroeden te laten loopen; zoo toch schijnen tot nog toe de meeste tegenwerpingen daartegen ontstaan te zijn. Vandaar ook de meest verkeerde oordeelvellingen over dit stelsel, dat niet behoeft te vreezen voor eene echte en redelijke kritiek, en daarvoor gaarne de onvolkomenheden, die er aan kleven, wil afleggen. Zulke geestelijke mishandelingen van eenen[12]grootendoode die zich niet meer kan verdedigen, tegen te gaan, zal ik van nu af als mijnen heiligen pligt beschouwen. De dankbaarheid jegens mijnen geestelijken vader, aan wien ik mijne wedergeboorte, het herleven van mijnen zielevrede en van mijn kinderlijk vertrouwen op God, de voortdurende geestdrift voor al het hoogere, en de verzoening met de rampen des levens te danken heb, roepen mij daartoe op, hoezeer anders mijn geheele gemoed afkeerig is van den strijd. En dit is geenszins de gedwongene gelofte en bekentenis van eenen dweepzieken jongeling, maar van eenen man, die reeds het midden des levens voorbij is, en die van kindsbeen af vele beproevingen had te verduren.” Hierbij heb ik slechts dit te voegen, dat eene echte en redelijke kritiek, zoo alsLindemannvoor het stelsel vanKrausewenscht, onlangs door Mr.Opzoomergeleverd is, en dat ik in de meeste punten met die kritiek instem, alleen aanmerkende, dat ik de door hem op blz. 75 inKrause’sstelsel gegispte fout, reeds op de aldaar aangehaalde blz. van mijnOpklimmend deel der Wijsbegeerteheb pogen te verbeteren, gelijk uit eene opmerkzame lezing dier bladzijde blijken kan; en datKrause’sleer van het Opperwezen God, naar mijn inzien, niet eindig maakt, daar God in dat leerstuk niet naar zijne geheele wezenheid beschouwd wordt. God als Opperwezen beteekent, naar mijne opvatting, bijKrausehetzelfde, als God de Vader bij de Hegelianen der regter zijde.↑9διηγήσασθαιbeteekent eigenlijk uitvoerig verhalen, zoodat al de bijzonderheden behoorlijk in het licht gesteld worden.↑10γέγραπται. Het Grieksche perfectum heeft meestal de beteekenis van eenen tegenwoordigen toestand, die het gevolg is eener volvoerde handeling.↑11Eene plaats aldus genoemd, digt bijEleusis.↑12ἅμαduidt hier de gelijktijdigheid van het rusten en voorlezen aan.↑13ἐγραψάμην—διαλεχθῆναι. Ik geloof, dat achterτὸν λόγονeen colon staan moest, zoodat hetgeen dan volgt, de ontwikkeling is van het doorοὑτωσὶaangeduide.↑14περὶ τοῦ ἀποκρινομένου. ὁ ἀποκρινόμενοςis de tweede spreker in een wijsgeerig gesprek, dat door den eersten geleid wordt. Het wordt ook bij disputeren van den defendendus gebezigd. Overigens blijkt hier, hoe lastig de door de gewoonte aangenomene schrijftrant (in dialogen) tusschen beide voorPlatowas. Zou het hier voorkomende ook tot hulpmiddel kunnen dienen, om de voor en na den Theaetetus geschrevene dialogen van elkander te onderscheiden?↑15φιλοσοφία. De ouden waren zeer mild met dit woord. Zoo noemtStrabode aardrijkskunde philosophie, enHippocratesde medicijnen.↑16ἐκείνους ἢ τούσδε.ὅδεwordt hier in denzelfden zin alsοὗτοςgebezigd, zoodat het, tegenoverἔκεινοςgeplaatst, de naastbijzijnde,ἔκεινοςde verste beteekent.↑17μειράκιον. TeAthenewerd een jongen tot op zijn 14ejaarμειράκιονgeheeten.↑18Het is bekend, dat inGriekenland, vooral teAthene, eene betrekking tusschen mannen en jongelingen bestond, die geheel met onze zeden in strijd is, doch daar als iets zeer gewoons beschouwd werd. ZiePaulusbrief aan de Romeinen, Hoofdstuk I. vs. 26 en 27.↑19πεφυκότα. Hier wordt vooral de natuurlijke geaardheid bedoeld, hetgeen bevestigd wordt door bet woordφύσις,natuur, dat van dit werkwoord is afgeleid.↑20Men denke hier vooral aan iemand, die tegen geene moeite opziet en niet bang is om te werken; iets, dat nog tegenwoordig tot de zeldzaamheden behoort.↑21ὀξύῤῥοποςwordt gezegd van alles, wat ligt het evenwigt verliest en naar de eene of andere zijde overhelt.↑22ἀπταίστως, eigenlijk: zonder zich te stooten.↑23van het gymnasium. Het geheele gesprek wordt voorgesteld als in een gymnasium plaats hebbende. Men denke hierbij aan de oorspronkelijke beteekenis des woords: die van eene school voor ligchaamsoefeningen.↑24De Grieken maakten veel gebruik van olie, om hunne leden lenig en buigzaam en daardoor meer geschikt voor vlugge beweging te maken.↑25ἠλείφοντοenἀλειψάμενοι. Het imperfectum duidt eene in het verledene voortdurende handeling aan; de aoristus geeft hier te kennen, dat die handeling voleindigd is. Zoo hier een perfectum stond, zou daarmede te kennen gegeven worden, dat het gevolg dier handeling nog voortduurde. Zoo zou men, om te zeggen:Hij is gereed voor de gymnastische oefeningen, want hij is met olie ingewreven, in het Grieksch nietἠλείψατο, maarἤλειπταιbezigen. ZieButtmann, Gr. Gr. § 137.↑26Suniumwas de naam van een voorgebergte in het zuiden vanAttica, tegenwoordig KaapColonna, waarop een gehucht en een tempel vanAthenewas. Overigens was het bekend, dat alle inwoners vanAtticahet burgerregt vanAthenehadden, en dus als Atheners beschouwd werden.↑27Het schijnt, dat de Atheensche wetgeving geen voldoende waarborgen gaf tegen het verkeerd besturen der geldmiddelen van weezen door voogden.Demostheneshad zich over hetzelfde te beklagen alsTheaetetus, maar wist reeds op zijn 18ejaar, door eene welsprekende en bondige pleitrede tegen zijne voogden, althans een deel van zijn goed terug te bekomen.↑28Γεννικὸν λέγεις τὸν ἄνδρα. Γεννικὸνis de tweede accusativus achterλέγεις.↑29Eigenlijk:zoo gevonden hadden. De Grieken spraken ten opzigte van de tijdsbepaling naauwkeuriger dan wij.↑30εἰδὲναι. Dit gebruik van den infinitivus is zeer gewoon. ZieButtmann, Gr. Gr. § 140. 6. aanm., 5.↑31ἄξιον. Hoewelἄξιοςeigenlijkwaardigbeteekent, kan het ook absoluut geplaatst worden, en beteekent dan:betamelijk,goed,behoorlijk.↑32De hier voorkomende constructie is hetgeenDe Sacyzou noemen: eeneproposition nominale, dat is een volzin zonder werkwoord, waarin het werkwoordzijnuit het verband moet aangevuld worden. Het is genoeg bekend, dat dergelijke constructies bijPlatotelkens voorkomen.↑33Platoschijnt hier op zijne eigene reis naarCyrenete doelen.↑34μετρίωςheeft de beteekenis van aan de vereischte maat te beantwoorden, te zijn zoo als het behoort.↑35Men denke bijσόφοςaan door studie verkregene kennis, niet zoo zeer aan gezond verstand of practische bekwaamheid.↑36ἀπορέωis eigenlijkgeen doorgang zienen is als zoodanig intransitief. Daarom geloof ik, dat, wanneer dit werkwoord met eenen accusativus geconstrueerd wordt, deze behoort tot die soort van accusativen, die gewoonlijk door het uitgelatene voorzetselκατὰverklaard worden.↑37Deze uitdrukking is wel zinnebeeldig, maar toch zeer juist. Een duister begrip zweeft voor onzen geest; telkens schijnt het wat naar voren te komen, maar zoodra wij het zoeken te vatten, ontglipt het ons weder.↑38Socratesroept allen, die tegenwoordig zijn, op, om hun gevoelen te openbaren, maar niemand verroert zich.↑39ἀεὶ,telkens.Xenophon, Anab. IV. c. VII. 23.οἱ ἀεὶ ἐπιόντες ἔθεον δρόμῳ ἐπὶ τοὺς ἀεὶ βοῶντας.Buttmann, Gr. Gr. § 150, p. 470.↑40ἀποκρίνεσθαι. Dit woord is hinderlijk. Een antwoord is natuurlijk nooit geheel willekeurig, maar hangt altijd van de vraag af. Ik geloof, dat het moet worden uitgeworpen, of dat men lezen moet:ἐπιτάξει ὅ τιἂνβούληται ἐρωτᾶν ἀποκρίνεσθαι.↑41διάλεκτοςbeteekent oorspronkelijk: eenvoudig gesprek; de beteekenis van tongval is eene afgeleide.↑42Theaetetusbegaat hier de gewone fout, die de medesprekers in de dialogen vanPlatobegaan. Zij zoeken zich gewoonlijk met voorbeelden te behelpen, wanneer zij om eene bepaling worden aangesproken.Aristotelesberigt ook, dat het geven van bepalingen eene der voornaamste ontdekkingen vanSocratesis.↑43Οὐδὲ τοῦτο. Dit moet verklaard worden door de uitlating der woorden:οὐδὲ τοῦτο λέγων ἄλλο τι λέγω ἢ κ. τ. λ.↑44γνῶναιhangt af vanβουλόμενοι.↑45ἐπιστήμηνis de accusativus vanγνῶναι.αὐτὸis neutrum per attractionem; de constructie is dus:βουλόμενοι γνῶναι ἐπιστήμην ὅ, τι ποτ’ αὐτὸ ἐστιν.↑46ἢ οἴει, τίς τι. Hier is eigenlijk eene vraag door een asyndeton in twee vragen opgelost.↑47ἐπιστήμην ὑποδημάτων. Het is duidelijk, dat hier bedoeld wordt:wat deze woorden beteekenen.↑48Wij zouden hier andere voorbeelden gebezigd hebben, daar wij gewoon zijn, de hier vermelde vakken volstrekt niet als theoretisch, maar slechts als eene soort van handigheid te beschouwen. Overigens ziet men in de soort van voorbeelden, die hier, en ook elders bijPlatoenXenophon, doorSocratesworden aangehaald, duidelijk het democratische element vanAthenedoorschijnen.↑49ἐξόν, accusativus absolutus. ZieButtmann, Gr. Gr. § 145. Aanm. 7.↑50τὸ ὅτου. Zulke soort van uitdrukkingen komen dikwijls bij de Grieksche wijsgeeren voor. Zoo lezen wij bijAristotelesdikwijls:τὸ πῶς, τὸ τι, τὸ διά τιen wij zeggen eveneens:het hoe, het wat, het waarom, enz. Deze spreekwijs mist het latijn, omdat het geen lidwoord heeft.↑51Wat doet hier:maar?Theaetetushad in het gesprek, dat hij hier vermeldt, gemerkt, hoe moeijelijk het geven van juiste bepalingen is, al scheen het nu nog zoo gemakkelijk.↑52Wij moeten dit aldus opvatten:De verhoudingen der getallen kunnen door figuren worden opgehelderd. Nu is de wortel van een getal, een ander getal, dat, met zich zelf vermenigvuldigd zijnde, het eerste getal geeft, en dat eerste getal is dan de magt van dien wortel. Dit wordt in figuren aldus afgebeeld, dat, de lengte van een vierkant gelijk zijnde aan de breedte, de lengte of breedte den wortel, en de inhoud de tweede magt van dien wortel uitdrukt. Dus heeft een vierkant van 4 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 2 voet; een vierkant van 9 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 3 voet, enz.Dus zijn de zijden van een vierkant van 4 of van 9 vierkante voeten door eene lijn van éénen voet meetbaar. De zijden echter van een vierkant van 3 of van 5 vierkante voeten zijn niet meetbaar met éénen voet; of, zoo men de figuur zóó wil maken, dat de zijden door éénen voet meetbaar worden, dan moet men het opgeven een volkomen vierkant te krijgen, maar de lengte en de breedte ongelijk maken, waardoor de figuur langwerpig wordt. Hierdoor bekomen wij van zelfs twee soorten van getallen, die wij naar de figuren, waarmede zij worden opgehelderd, vierkant of langwerpig kunnen noemen. Daar verder, zoo beide soorten met vierkanten worden afgebeeld, de zijden der vierkanten van de ééne soort geheele getallen geven, en die van de andere soort door de eenheid niet meetbaar zijn; met andere woorden, daar de wortels van 4, 9 enz. door geheelen, die van 2, 3, enz. alleen door gebrokens kunnen worden uitgedrukt, zoo kunnen die zijden en de getallen, die de zijden uitdrukken, zoowel als de inhouden en de getallen, welke met die inhouden overeenkomen, in twee soorten verdeeld worden.↑53τοῦvoorτινὸς. Deze genitivus moet verklaard worden door het begrip van comparativus, dat inἡττᾶσθαιbesloten ligt.↑54De constructie is:Ἀλλὰ οἴειεἶναισμικρόν τι καὶ οὐ τῶν πάντῃ ἄκρων ἐξευρεῖν τὴν ἐπιστήμην,ὥσπερ νῦνδὴ ἐγὼ ἔλεγον.τῶνπάντῃἄκρωνis de genitivus partitivus:één van de alleruitersten in moeijelijkheid.↑55Zie Act. Apost. V. 36. „Want vóór deze dagen stondTheudasop,λέγωνεἶναιτινα ἑαυτόν,” hetgeen doorVan der Palmvertaald is:zeggende van zich dat hij iets groots was.↑56ἀπαλλαγῆναι τοῦ μέλλειν. Eigenlijk:los worden van het zullen, dat is: het voornemen, om het nog eens te beproeven, laten varen. Overigens is het duidelijk, datἀπαλλαγῆναιvanδύναμαιafhangt.↑57Het Perfectum duidt aan, dat de gevolgen eener verledene handeling tegenwoordig voortduren. Zoo isοἶδαeigenlijk het perfectum vanεἴδωen beteekent:ik heb het gezien, dat is:ik weet het, enπέπονθα, het perfectum vanπάσχω, beteekent:ik heb ondergaan, dat is:ik ben in den toestand, die een gevolg is van dat ondergaan.↑58καταγέλαστε. Men neme dit woord niet in de sterke beteekenis, die het oorspronkelijk heeft. De geheele toon van het gesprek geeft geene reden voor zulk eene scherpe uitdrukking.↑59Achterὅτιmoet uit het vorige in de gedachte worden aangevuld:τὴναὐτὴντέχνην ἐπιτηδεύω.↑60ἅτεis de accusativus, die gewoonlijk doorκατάverklaard wordt. Het is welligt beter eenen aldus gebezigden accusativus den casus adverbialis te noemen, daar het woord, dat daarin geplaatst is, de kracht bekomt van een bijwoord. Men kan hiermede de adverbiale complementen in het Hebreeuwsch vergelijken. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 95. 20.↑61Die anderen.↑
1κατ’ ἀγορὰν. De Grieken bragten een groot gedeelte van den dag op de markt door, waar zij elkander ontmoetten en allerlei dingen verhandelden. Zij leefden veel meer buiten dan binnen ’s huis.↑2Hier wordt waarschijnlijk gedoeld op den slag vanCorinthe, die geleverd is in het jaar 394 van onze tijdrekening tusschen de Atheners, Corinthiers en hunne bondgenooten aan den eenen, en deLacedaemoniersen hunne partij aan den anderen kant. Deze slag had plaats, nadatAgesilausreeds uitAziewas wedergekeerd, zoodat hij de tijding er van teAmphipolisontving.↑3Theaetetuswas, zooals wij later zien zullen, reeds in zijne jeugd bekend om zijnen goeden aanleg en vlijt, en had zeer goed onderwijs genoten, zoodat men alles goeds van hem verwachten kon.↑4δῆταbehoort bijἀνεμνήσθηνenἐθαύμασα.↑5φύσιςbeteekent soms de natuur in het algemeen, soms de natuur, de wezenheid van eenig ding in het bijzonder.↑6διελέχθη. Het werkwoordδιαλέγομαιbehoort onder de Deponentia passiva, dat is zulke, die eenen aor. pass. met active beteekenis hebben. Overigens isκαὶvoorμάλα ἀξίουςte verklaren uit het voorgaandeοὓς διελέχθη αὐτῷ, daar die woorden te zamen dezelfde kracht als een adjectivum of participium hebben, zoodat danμάλα ἀξίουςals het tweede adjectivum bijλόγουςkan beschouwd worden.↑7ἐλλόγιμοςis hij, die medegerekend en niet achter de bank geschoven of vergeten wordt.↑8De leerlingen vanSocratesnamen na den dood huns meesters gretig alle gelegenheden waar, om zijne nagedachtenis hulde te doen. Hetzelfde edele streven openbaart zich bij de onmiddellijke leerlingen vanKrause. Zoo besluit onder anderenLindemannzijne verdediging vanKrause’sstelsel (voorkomende in hetZeitschrift für Philosophie und spekulative Theologie, uitgegeven doorJ. H. Fichte, XV. 1), met deze merkwaardige woorden:„Had ik nu tegenover zulke nietige tegenwerpingen ongelijk, toen ik in het begin dezer verhandeling de bewering nederschreef, dat de tegenstanders het Krausische stelsel meestal niet bestuderen, maar meer uit nieuwsgierigheid, of omdat het nu niet langer kan overgeslagen worden, doorlezen? Ja, heb ik ongelijk, wanneer ik hier bijvoeg, dat zij het meest met vooroordeel er tegen, of hoogstens daarom in de hand nemen, om het van hun standpunt uit door de spitsroeden te laten loopen; zoo toch schijnen tot nog toe de meeste tegenwerpingen daartegen ontstaan te zijn. Vandaar ook de meest verkeerde oordeelvellingen over dit stelsel, dat niet behoeft te vreezen voor eene echte en redelijke kritiek, en daarvoor gaarne de onvolkomenheden, die er aan kleven, wil afleggen. Zulke geestelijke mishandelingen van eenen[12]grootendoode die zich niet meer kan verdedigen, tegen te gaan, zal ik van nu af als mijnen heiligen pligt beschouwen. De dankbaarheid jegens mijnen geestelijken vader, aan wien ik mijne wedergeboorte, het herleven van mijnen zielevrede en van mijn kinderlijk vertrouwen op God, de voortdurende geestdrift voor al het hoogere, en de verzoening met de rampen des levens te danken heb, roepen mij daartoe op, hoezeer anders mijn geheele gemoed afkeerig is van den strijd. En dit is geenszins de gedwongene gelofte en bekentenis van eenen dweepzieken jongeling, maar van eenen man, die reeds het midden des levens voorbij is, en die van kindsbeen af vele beproevingen had te verduren.” Hierbij heb ik slechts dit te voegen, dat eene echte en redelijke kritiek, zoo alsLindemannvoor het stelsel vanKrausewenscht, onlangs door Mr.Opzoomergeleverd is, en dat ik in de meeste punten met die kritiek instem, alleen aanmerkende, dat ik de door hem op blz. 75 inKrause’sstelsel gegispte fout, reeds op de aldaar aangehaalde blz. van mijnOpklimmend deel der Wijsbegeerteheb pogen te verbeteren, gelijk uit eene opmerkzame lezing dier bladzijde blijken kan; en datKrause’sleer van het Opperwezen God, naar mijn inzien, niet eindig maakt, daar God in dat leerstuk niet naar zijne geheele wezenheid beschouwd wordt. God als Opperwezen beteekent, naar mijne opvatting, bijKrausehetzelfde, als God de Vader bij de Hegelianen der regter zijde.↑9διηγήσασθαιbeteekent eigenlijk uitvoerig verhalen, zoodat al de bijzonderheden behoorlijk in het licht gesteld worden.↑10γέγραπται. Het Grieksche perfectum heeft meestal de beteekenis van eenen tegenwoordigen toestand, die het gevolg is eener volvoerde handeling.↑11Eene plaats aldus genoemd, digt bijEleusis.↑12ἅμαduidt hier de gelijktijdigheid van het rusten en voorlezen aan.↑13ἐγραψάμην—διαλεχθῆναι. Ik geloof, dat achterτὸν λόγονeen colon staan moest, zoodat hetgeen dan volgt, de ontwikkeling is van het doorοὑτωσὶaangeduide.↑14περὶ τοῦ ἀποκρινομένου. ὁ ἀποκρινόμενοςis de tweede spreker in een wijsgeerig gesprek, dat door den eersten geleid wordt. Het wordt ook bij disputeren van den defendendus gebezigd. Overigens blijkt hier, hoe lastig de door de gewoonte aangenomene schrijftrant (in dialogen) tusschen beide voorPlatowas. Zou het hier voorkomende ook tot hulpmiddel kunnen dienen, om de voor en na den Theaetetus geschrevene dialogen van elkander te onderscheiden?↑15φιλοσοφία. De ouden waren zeer mild met dit woord. Zoo noemtStrabode aardrijkskunde philosophie, enHippocratesde medicijnen.↑16ἐκείνους ἢ τούσδε.ὅδεwordt hier in denzelfden zin alsοὗτοςgebezigd, zoodat het, tegenoverἔκεινοςgeplaatst, de naastbijzijnde,ἔκεινοςde verste beteekent.↑17μειράκιον. TeAthenewerd een jongen tot op zijn 14ejaarμειράκιονgeheeten.↑18Het is bekend, dat inGriekenland, vooral teAthene, eene betrekking tusschen mannen en jongelingen bestond, die geheel met onze zeden in strijd is, doch daar als iets zeer gewoons beschouwd werd. ZiePaulusbrief aan de Romeinen, Hoofdstuk I. vs. 26 en 27.↑19πεφυκότα. Hier wordt vooral de natuurlijke geaardheid bedoeld, hetgeen bevestigd wordt door bet woordφύσις,natuur, dat van dit werkwoord is afgeleid.↑20Men denke hier vooral aan iemand, die tegen geene moeite opziet en niet bang is om te werken; iets, dat nog tegenwoordig tot de zeldzaamheden behoort.↑21ὀξύῤῥοποςwordt gezegd van alles, wat ligt het evenwigt verliest en naar de eene of andere zijde overhelt.↑22ἀπταίστως, eigenlijk: zonder zich te stooten.↑23van het gymnasium. Het geheele gesprek wordt voorgesteld als in een gymnasium plaats hebbende. Men denke hierbij aan de oorspronkelijke beteekenis des woords: die van eene school voor ligchaamsoefeningen.↑24De Grieken maakten veel gebruik van olie, om hunne leden lenig en buigzaam en daardoor meer geschikt voor vlugge beweging te maken.↑25ἠλείφοντοenἀλειψάμενοι. Het imperfectum duidt eene in het verledene voortdurende handeling aan; de aoristus geeft hier te kennen, dat die handeling voleindigd is. Zoo hier een perfectum stond, zou daarmede te kennen gegeven worden, dat het gevolg dier handeling nog voortduurde. Zoo zou men, om te zeggen:Hij is gereed voor de gymnastische oefeningen, want hij is met olie ingewreven, in het Grieksch nietἠλείψατο, maarἤλειπταιbezigen. ZieButtmann, Gr. Gr. § 137.↑26Suniumwas de naam van een voorgebergte in het zuiden vanAttica, tegenwoordig KaapColonna, waarop een gehucht en een tempel vanAthenewas. Overigens was het bekend, dat alle inwoners vanAtticahet burgerregt vanAthenehadden, en dus als Atheners beschouwd werden.↑27Het schijnt, dat de Atheensche wetgeving geen voldoende waarborgen gaf tegen het verkeerd besturen der geldmiddelen van weezen door voogden.Demostheneshad zich over hetzelfde te beklagen alsTheaetetus, maar wist reeds op zijn 18ejaar, door eene welsprekende en bondige pleitrede tegen zijne voogden, althans een deel van zijn goed terug te bekomen.↑28Γεννικὸν λέγεις τὸν ἄνδρα. Γεννικὸνis de tweede accusativus achterλέγεις.↑29Eigenlijk:zoo gevonden hadden. De Grieken spraken ten opzigte van de tijdsbepaling naauwkeuriger dan wij.↑30εἰδὲναι. Dit gebruik van den infinitivus is zeer gewoon. ZieButtmann, Gr. Gr. § 140. 6. aanm., 5.↑31ἄξιον. Hoewelἄξιοςeigenlijkwaardigbeteekent, kan het ook absoluut geplaatst worden, en beteekent dan:betamelijk,goed,behoorlijk.↑32De hier voorkomende constructie is hetgeenDe Sacyzou noemen: eeneproposition nominale, dat is een volzin zonder werkwoord, waarin het werkwoordzijnuit het verband moet aangevuld worden. Het is genoeg bekend, dat dergelijke constructies bijPlatotelkens voorkomen.↑33Platoschijnt hier op zijne eigene reis naarCyrenete doelen.↑34μετρίωςheeft de beteekenis van aan de vereischte maat te beantwoorden, te zijn zoo als het behoort.↑35Men denke bijσόφοςaan door studie verkregene kennis, niet zoo zeer aan gezond verstand of practische bekwaamheid.↑36ἀπορέωis eigenlijkgeen doorgang zienen is als zoodanig intransitief. Daarom geloof ik, dat, wanneer dit werkwoord met eenen accusativus geconstrueerd wordt, deze behoort tot die soort van accusativen, die gewoonlijk door het uitgelatene voorzetselκατὰverklaard worden.↑37Deze uitdrukking is wel zinnebeeldig, maar toch zeer juist. Een duister begrip zweeft voor onzen geest; telkens schijnt het wat naar voren te komen, maar zoodra wij het zoeken te vatten, ontglipt het ons weder.↑38Socratesroept allen, die tegenwoordig zijn, op, om hun gevoelen te openbaren, maar niemand verroert zich.↑39ἀεὶ,telkens.Xenophon, Anab. IV. c. VII. 23.οἱ ἀεὶ ἐπιόντες ἔθεον δρόμῳ ἐπὶ τοὺς ἀεὶ βοῶντας.Buttmann, Gr. Gr. § 150, p. 470.↑40ἀποκρίνεσθαι. Dit woord is hinderlijk. Een antwoord is natuurlijk nooit geheel willekeurig, maar hangt altijd van de vraag af. Ik geloof, dat het moet worden uitgeworpen, of dat men lezen moet:ἐπιτάξει ὅ τιἂνβούληται ἐρωτᾶν ἀποκρίνεσθαι.↑41διάλεκτοςbeteekent oorspronkelijk: eenvoudig gesprek; de beteekenis van tongval is eene afgeleide.↑42Theaetetusbegaat hier de gewone fout, die de medesprekers in de dialogen vanPlatobegaan. Zij zoeken zich gewoonlijk met voorbeelden te behelpen, wanneer zij om eene bepaling worden aangesproken.Aristotelesberigt ook, dat het geven van bepalingen eene der voornaamste ontdekkingen vanSocratesis.↑43Οὐδὲ τοῦτο. Dit moet verklaard worden door de uitlating der woorden:οὐδὲ τοῦτο λέγων ἄλλο τι λέγω ἢ κ. τ. λ.↑44γνῶναιhangt af vanβουλόμενοι.↑45ἐπιστήμηνis de accusativus vanγνῶναι.αὐτὸis neutrum per attractionem; de constructie is dus:βουλόμενοι γνῶναι ἐπιστήμην ὅ, τι ποτ’ αὐτὸ ἐστιν.↑46ἢ οἴει, τίς τι. Hier is eigenlijk eene vraag door een asyndeton in twee vragen opgelost.↑47ἐπιστήμην ὑποδημάτων. Het is duidelijk, dat hier bedoeld wordt:wat deze woorden beteekenen.↑48Wij zouden hier andere voorbeelden gebezigd hebben, daar wij gewoon zijn, de hier vermelde vakken volstrekt niet als theoretisch, maar slechts als eene soort van handigheid te beschouwen. Overigens ziet men in de soort van voorbeelden, die hier, en ook elders bijPlatoenXenophon, doorSocratesworden aangehaald, duidelijk het democratische element vanAthenedoorschijnen.↑49ἐξόν, accusativus absolutus. ZieButtmann, Gr. Gr. § 145. Aanm. 7.↑50τὸ ὅτου. Zulke soort van uitdrukkingen komen dikwijls bij de Grieksche wijsgeeren voor. Zoo lezen wij bijAristotelesdikwijls:τὸ πῶς, τὸ τι, τὸ διά τιen wij zeggen eveneens:het hoe, het wat, het waarom, enz. Deze spreekwijs mist het latijn, omdat het geen lidwoord heeft.↑51Wat doet hier:maar?Theaetetushad in het gesprek, dat hij hier vermeldt, gemerkt, hoe moeijelijk het geven van juiste bepalingen is, al scheen het nu nog zoo gemakkelijk.↑52Wij moeten dit aldus opvatten:De verhoudingen der getallen kunnen door figuren worden opgehelderd. Nu is de wortel van een getal, een ander getal, dat, met zich zelf vermenigvuldigd zijnde, het eerste getal geeft, en dat eerste getal is dan de magt van dien wortel. Dit wordt in figuren aldus afgebeeld, dat, de lengte van een vierkant gelijk zijnde aan de breedte, de lengte of breedte den wortel, en de inhoud de tweede magt van dien wortel uitdrukt. Dus heeft een vierkant van 4 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 2 voet; een vierkant van 9 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 3 voet, enz.Dus zijn de zijden van een vierkant van 4 of van 9 vierkante voeten door eene lijn van éénen voet meetbaar. De zijden echter van een vierkant van 3 of van 5 vierkante voeten zijn niet meetbaar met éénen voet; of, zoo men de figuur zóó wil maken, dat de zijden door éénen voet meetbaar worden, dan moet men het opgeven een volkomen vierkant te krijgen, maar de lengte en de breedte ongelijk maken, waardoor de figuur langwerpig wordt. Hierdoor bekomen wij van zelfs twee soorten van getallen, die wij naar de figuren, waarmede zij worden opgehelderd, vierkant of langwerpig kunnen noemen. Daar verder, zoo beide soorten met vierkanten worden afgebeeld, de zijden der vierkanten van de ééne soort geheele getallen geven, en die van de andere soort door de eenheid niet meetbaar zijn; met andere woorden, daar de wortels van 4, 9 enz. door geheelen, die van 2, 3, enz. alleen door gebrokens kunnen worden uitgedrukt, zoo kunnen die zijden en de getallen, die de zijden uitdrukken, zoowel als de inhouden en de getallen, welke met die inhouden overeenkomen, in twee soorten verdeeld worden.↑53τοῦvoorτινὸς. Deze genitivus moet verklaard worden door het begrip van comparativus, dat inἡττᾶσθαιbesloten ligt.↑54De constructie is:Ἀλλὰ οἴειεἶναισμικρόν τι καὶ οὐ τῶν πάντῃ ἄκρων ἐξευρεῖν τὴν ἐπιστήμην,ὥσπερ νῦνδὴ ἐγὼ ἔλεγον.τῶνπάντῃἄκρωνis de genitivus partitivus:één van de alleruitersten in moeijelijkheid.↑55Zie Act. Apost. V. 36. „Want vóór deze dagen stondTheudasop,λέγωνεἶναιτινα ἑαυτόν,” hetgeen doorVan der Palmvertaald is:zeggende van zich dat hij iets groots was.↑56ἀπαλλαγῆναι τοῦ μέλλειν. Eigenlijk:los worden van het zullen, dat is: het voornemen, om het nog eens te beproeven, laten varen. Overigens is het duidelijk, datἀπαλλαγῆναιvanδύναμαιafhangt.↑57Het Perfectum duidt aan, dat de gevolgen eener verledene handeling tegenwoordig voortduren. Zoo isοἶδαeigenlijk het perfectum vanεἴδωen beteekent:ik heb het gezien, dat is:ik weet het, enπέπονθα, het perfectum vanπάσχω, beteekent:ik heb ondergaan, dat is:ik ben in den toestand, die een gevolg is van dat ondergaan.↑58καταγέλαστε. Men neme dit woord niet in de sterke beteekenis, die het oorspronkelijk heeft. De geheele toon van het gesprek geeft geene reden voor zulk eene scherpe uitdrukking.↑59Achterὅτιmoet uit het vorige in de gedachte worden aangevuld:τὴναὐτὴντέχνην ἐπιτηδεύω.↑60ἅτεis de accusativus, die gewoonlijk doorκατάverklaard wordt. Het is welligt beter eenen aldus gebezigden accusativus den casus adverbialis te noemen, daar het woord, dat daarin geplaatst is, de kracht bekomt van een bijwoord. Men kan hiermede de adverbiale complementen in het Hebreeuwsch vergelijken. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 95. 20.↑61Die anderen.↑
1κατ’ ἀγορὰν. De Grieken bragten een groot gedeelte van den dag op de markt door, waar zij elkander ontmoetten en allerlei dingen verhandelden. Zij leefden veel meer buiten dan binnen ’s huis.↑2Hier wordt waarschijnlijk gedoeld op den slag vanCorinthe, die geleverd is in het jaar 394 van onze tijdrekening tusschen de Atheners, Corinthiers en hunne bondgenooten aan den eenen, en deLacedaemoniersen hunne partij aan den anderen kant. Deze slag had plaats, nadatAgesilausreeds uitAziewas wedergekeerd, zoodat hij de tijding er van teAmphipolisontving.↑3Theaetetuswas, zooals wij later zien zullen, reeds in zijne jeugd bekend om zijnen goeden aanleg en vlijt, en had zeer goed onderwijs genoten, zoodat men alles goeds van hem verwachten kon.↑4δῆταbehoort bijἀνεμνήσθηνenἐθαύμασα.↑5φύσιςbeteekent soms de natuur in het algemeen, soms de natuur, de wezenheid van eenig ding in het bijzonder.↑6διελέχθη. Het werkwoordδιαλέγομαιbehoort onder de Deponentia passiva, dat is zulke, die eenen aor. pass. met active beteekenis hebben. Overigens isκαὶvoorμάλα ἀξίουςte verklaren uit het voorgaandeοὓς διελέχθη αὐτῷ, daar die woorden te zamen dezelfde kracht als een adjectivum of participium hebben, zoodat danμάλα ἀξίουςals het tweede adjectivum bijλόγουςkan beschouwd worden.↑7ἐλλόγιμοςis hij, die medegerekend en niet achter de bank geschoven of vergeten wordt.↑8De leerlingen vanSocratesnamen na den dood huns meesters gretig alle gelegenheden waar, om zijne nagedachtenis hulde te doen. Hetzelfde edele streven openbaart zich bij de onmiddellijke leerlingen vanKrause. Zoo besluit onder anderenLindemannzijne verdediging vanKrause’sstelsel (voorkomende in hetZeitschrift für Philosophie und spekulative Theologie, uitgegeven doorJ. H. Fichte, XV. 1), met deze merkwaardige woorden:„Had ik nu tegenover zulke nietige tegenwerpingen ongelijk, toen ik in het begin dezer verhandeling de bewering nederschreef, dat de tegenstanders het Krausische stelsel meestal niet bestuderen, maar meer uit nieuwsgierigheid, of omdat het nu niet langer kan overgeslagen worden, doorlezen? Ja, heb ik ongelijk, wanneer ik hier bijvoeg, dat zij het meest met vooroordeel er tegen, of hoogstens daarom in de hand nemen, om het van hun standpunt uit door de spitsroeden te laten loopen; zoo toch schijnen tot nog toe de meeste tegenwerpingen daartegen ontstaan te zijn. Vandaar ook de meest verkeerde oordeelvellingen over dit stelsel, dat niet behoeft te vreezen voor eene echte en redelijke kritiek, en daarvoor gaarne de onvolkomenheden, die er aan kleven, wil afleggen. Zulke geestelijke mishandelingen van eenen[12]grootendoode die zich niet meer kan verdedigen, tegen te gaan, zal ik van nu af als mijnen heiligen pligt beschouwen. De dankbaarheid jegens mijnen geestelijken vader, aan wien ik mijne wedergeboorte, het herleven van mijnen zielevrede en van mijn kinderlijk vertrouwen op God, de voortdurende geestdrift voor al het hoogere, en de verzoening met de rampen des levens te danken heb, roepen mij daartoe op, hoezeer anders mijn geheele gemoed afkeerig is van den strijd. En dit is geenszins de gedwongene gelofte en bekentenis van eenen dweepzieken jongeling, maar van eenen man, die reeds het midden des levens voorbij is, en die van kindsbeen af vele beproevingen had te verduren.” Hierbij heb ik slechts dit te voegen, dat eene echte en redelijke kritiek, zoo alsLindemannvoor het stelsel vanKrausewenscht, onlangs door Mr.Opzoomergeleverd is, en dat ik in de meeste punten met die kritiek instem, alleen aanmerkende, dat ik de door hem op blz. 75 inKrause’sstelsel gegispte fout, reeds op de aldaar aangehaalde blz. van mijnOpklimmend deel der Wijsbegeerteheb pogen te verbeteren, gelijk uit eene opmerkzame lezing dier bladzijde blijken kan; en datKrause’sleer van het Opperwezen God, naar mijn inzien, niet eindig maakt, daar God in dat leerstuk niet naar zijne geheele wezenheid beschouwd wordt. God als Opperwezen beteekent, naar mijne opvatting, bijKrausehetzelfde, als God de Vader bij de Hegelianen der regter zijde.↑9διηγήσασθαιbeteekent eigenlijk uitvoerig verhalen, zoodat al de bijzonderheden behoorlijk in het licht gesteld worden.↑10γέγραπται. Het Grieksche perfectum heeft meestal de beteekenis van eenen tegenwoordigen toestand, die het gevolg is eener volvoerde handeling.↑11Eene plaats aldus genoemd, digt bijEleusis.↑12ἅμαduidt hier de gelijktijdigheid van het rusten en voorlezen aan.↑13ἐγραψάμην—διαλεχθῆναι. Ik geloof, dat achterτὸν λόγονeen colon staan moest, zoodat hetgeen dan volgt, de ontwikkeling is van het doorοὑτωσὶaangeduide.↑14περὶ τοῦ ἀποκρινομένου. ὁ ἀποκρινόμενοςis de tweede spreker in een wijsgeerig gesprek, dat door den eersten geleid wordt. Het wordt ook bij disputeren van den defendendus gebezigd. Overigens blijkt hier, hoe lastig de door de gewoonte aangenomene schrijftrant (in dialogen) tusschen beide voorPlatowas. Zou het hier voorkomende ook tot hulpmiddel kunnen dienen, om de voor en na den Theaetetus geschrevene dialogen van elkander te onderscheiden?↑15φιλοσοφία. De ouden waren zeer mild met dit woord. Zoo noemtStrabode aardrijkskunde philosophie, enHippocratesde medicijnen.↑16ἐκείνους ἢ τούσδε.ὅδεwordt hier in denzelfden zin alsοὗτοςgebezigd, zoodat het, tegenoverἔκεινοςgeplaatst, de naastbijzijnde,ἔκεινοςde verste beteekent.↑17μειράκιον. TeAthenewerd een jongen tot op zijn 14ejaarμειράκιονgeheeten.↑18Het is bekend, dat inGriekenland, vooral teAthene, eene betrekking tusschen mannen en jongelingen bestond, die geheel met onze zeden in strijd is, doch daar als iets zeer gewoons beschouwd werd. ZiePaulusbrief aan de Romeinen, Hoofdstuk I. vs. 26 en 27.↑19πεφυκότα. Hier wordt vooral de natuurlijke geaardheid bedoeld, hetgeen bevestigd wordt door bet woordφύσις,natuur, dat van dit werkwoord is afgeleid.↑20Men denke hier vooral aan iemand, die tegen geene moeite opziet en niet bang is om te werken; iets, dat nog tegenwoordig tot de zeldzaamheden behoort.↑21ὀξύῤῥοποςwordt gezegd van alles, wat ligt het evenwigt verliest en naar de eene of andere zijde overhelt.↑22ἀπταίστως, eigenlijk: zonder zich te stooten.↑23van het gymnasium. Het geheele gesprek wordt voorgesteld als in een gymnasium plaats hebbende. Men denke hierbij aan de oorspronkelijke beteekenis des woords: die van eene school voor ligchaamsoefeningen.↑24De Grieken maakten veel gebruik van olie, om hunne leden lenig en buigzaam en daardoor meer geschikt voor vlugge beweging te maken.↑25ἠλείφοντοenἀλειψάμενοι. Het imperfectum duidt eene in het verledene voortdurende handeling aan; de aoristus geeft hier te kennen, dat die handeling voleindigd is. Zoo hier een perfectum stond, zou daarmede te kennen gegeven worden, dat het gevolg dier handeling nog voortduurde. Zoo zou men, om te zeggen:Hij is gereed voor de gymnastische oefeningen, want hij is met olie ingewreven, in het Grieksch nietἠλείψατο, maarἤλειπταιbezigen. ZieButtmann, Gr. Gr. § 137.↑26Suniumwas de naam van een voorgebergte in het zuiden vanAttica, tegenwoordig KaapColonna, waarop een gehucht en een tempel vanAthenewas. Overigens was het bekend, dat alle inwoners vanAtticahet burgerregt vanAthenehadden, en dus als Atheners beschouwd werden.↑27Het schijnt, dat de Atheensche wetgeving geen voldoende waarborgen gaf tegen het verkeerd besturen der geldmiddelen van weezen door voogden.Demostheneshad zich over hetzelfde te beklagen alsTheaetetus, maar wist reeds op zijn 18ejaar, door eene welsprekende en bondige pleitrede tegen zijne voogden, althans een deel van zijn goed terug te bekomen.↑28Γεννικὸν λέγεις τὸν ἄνδρα. Γεννικὸνis de tweede accusativus achterλέγεις.↑29Eigenlijk:zoo gevonden hadden. De Grieken spraken ten opzigte van de tijdsbepaling naauwkeuriger dan wij.↑30εἰδὲναι. Dit gebruik van den infinitivus is zeer gewoon. ZieButtmann, Gr. Gr. § 140. 6. aanm., 5.↑31ἄξιον. Hoewelἄξιοςeigenlijkwaardigbeteekent, kan het ook absoluut geplaatst worden, en beteekent dan:betamelijk,goed,behoorlijk.↑32De hier voorkomende constructie is hetgeenDe Sacyzou noemen: eeneproposition nominale, dat is een volzin zonder werkwoord, waarin het werkwoordzijnuit het verband moet aangevuld worden. Het is genoeg bekend, dat dergelijke constructies bijPlatotelkens voorkomen.↑33Platoschijnt hier op zijne eigene reis naarCyrenete doelen.↑34μετρίωςheeft de beteekenis van aan de vereischte maat te beantwoorden, te zijn zoo als het behoort.↑35Men denke bijσόφοςaan door studie verkregene kennis, niet zoo zeer aan gezond verstand of practische bekwaamheid.↑36ἀπορέωis eigenlijkgeen doorgang zienen is als zoodanig intransitief. Daarom geloof ik, dat, wanneer dit werkwoord met eenen accusativus geconstrueerd wordt, deze behoort tot die soort van accusativen, die gewoonlijk door het uitgelatene voorzetselκατὰverklaard worden.↑37Deze uitdrukking is wel zinnebeeldig, maar toch zeer juist. Een duister begrip zweeft voor onzen geest; telkens schijnt het wat naar voren te komen, maar zoodra wij het zoeken te vatten, ontglipt het ons weder.↑38Socratesroept allen, die tegenwoordig zijn, op, om hun gevoelen te openbaren, maar niemand verroert zich.↑39ἀεὶ,telkens.Xenophon, Anab. IV. c. VII. 23.οἱ ἀεὶ ἐπιόντες ἔθεον δρόμῳ ἐπὶ τοὺς ἀεὶ βοῶντας.Buttmann, Gr. Gr. § 150, p. 470.↑40ἀποκρίνεσθαι. Dit woord is hinderlijk. Een antwoord is natuurlijk nooit geheel willekeurig, maar hangt altijd van de vraag af. Ik geloof, dat het moet worden uitgeworpen, of dat men lezen moet:ἐπιτάξει ὅ τιἂνβούληται ἐρωτᾶν ἀποκρίνεσθαι.↑41διάλεκτοςbeteekent oorspronkelijk: eenvoudig gesprek; de beteekenis van tongval is eene afgeleide.↑42Theaetetusbegaat hier de gewone fout, die de medesprekers in de dialogen vanPlatobegaan. Zij zoeken zich gewoonlijk met voorbeelden te behelpen, wanneer zij om eene bepaling worden aangesproken.Aristotelesberigt ook, dat het geven van bepalingen eene der voornaamste ontdekkingen vanSocratesis.↑43Οὐδὲ τοῦτο. Dit moet verklaard worden door de uitlating der woorden:οὐδὲ τοῦτο λέγων ἄλλο τι λέγω ἢ κ. τ. λ.↑44γνῶναιhangt af vanβουλόμενοι.↑45ἐπιστήμηνis de accusativus vanγνῶναι.αὐτὸis neutrum per attractionem; de constructie is dus:βουλόμενοι γνῶναι ἐπιστήμην ὅ, τι ποτ’ αὐτὸ ἐστιν.↑46ἢ οἴει, τίς τι. Hier is eigenlijk eene vraag door een asyndeton in twee vragen opgelost.↑47ἐπιστήμην ὑποδημάτων. Het is duidelijk, dat hier bedoeld wordt:wat deze woorden beteekenen.↑48Wij zouden hier andere voorbeelden gebezigd hebben, daar wij gewoon zijn, de hier vermelde vakken volstrekt niet als theoretisch, maar slechts als eene soort van handigheid te beschouwen. Overigens ziet men in de soort van voorbeelden, die hier, en ook elders bijPlatoenXenophon, doorSocratesworden aangehaald, duidelijk het democratische element vanAthenedoorschijnen.↑49ἐξόν, accusativus absolutus. ZieButtmann, Gr. Gr. § 145. Aanm. 7.↑50τὸ ὅτου. Zulke soort van uitdrukkingen komen dikwijls bij de Grieksche wijsgeeren voor. Zoo lezen wij bijAristotelesdikwijls:τὸ πῶς, τὸ τι, τὸ διά τιen wij zeggen eveneens:het hoe, het wat, het waarom, enz. Deze spreekwijs mist het latijn, omdat het geen lidwoord heeft.↑51Wat doet hier:maar?Theaetetushad in het gesprek, dat hij hier vermeldt, gemerkt, hoe moeijelijk het geven van juiste bepalingen is, al scheen het nu nog zoo gemakkelijk.↑52Wij moeten dit aldus opvatten:De verhoudingen der getallen kunnen door figuren worden opgehelderd. Nu is de wortel van een getal, een ander getal, dat, met zich zelf vermenigvuldigd zijnde, het eerste getal geeft, en dat eerste getal is dan de magt van dien wortel. Dit wordt in figuren aldus afgebeeld, dat, de lengte van een vierkant gelijk zijnde aan de breedte, de lengte of breedte den wortel, en de inhoud de tweede magt van dien wortel uitdrukt. Dus heeft een vierkant van 4 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 2 voet; een vierkant van 9 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 3 voet, enz.Dus zijn de zijden van een vierkant van 4 of van 9 vierkante voeten door eene lijn van éénen voet meetbaar. De zijden echter van een vierkant van 3 of van 5 vierkante voeten zijn niet meetbaar met éénen voet; of, zoo men de figuur zóó wil maken, dat de zijden door éénen voet meetbaar worden, dan moet men het opgeven een volkomen vierkant te krijgen, maar de lengte en de breedte ongelijk maken, waardoor de figuur langwerpig wordt. Hierdoor bekomen wij van zelfs twee soorten van getallen, die wij naar de figuren, waarmede zij worden opgehelderd, vierkant of langwerpig kunnen noemen. Daar verder, zoo beide soorten met vierkanten worden afgebeeld, de zijden der vierkanten van de ééne soort geheele getallen geven, en die van de andere soort door de eenheid niet meetbaar zijn; met andere woorden, daar de wortels van 4, 9 enz. door geheelen, die van 2, 3, enz. alleen door gebrokens kunnen worden uitgedrukt, zoo kunnen die zijden en de getallen, die de zijden uitdrukken, zoowel als de inhouden en de getallen, welke met die inhouden overeenkomen, in twee soorten verdeeld worden.↑53τοῦvoorτινὸς. Deze genitivus moet verklaard worden door het begrip van comparativus, dat inἡττᾶσθαιbesloten ligt.↑54De constructie is:Ἀλλὰ οἴειεἶναισμικρόν τι καὶ οὐ τῶν πάντῃ ἄκρων ἐξευρεῖν τὴν ἐπιστήμην,ὥσπερ νῦνδὴ ἐγὼ ἔλεγον.τῶνπάντῃἄκρωνis de genitivus partitivus:één van de alleruitersten in moeijelijkheid.↑55Zie Act. Apost. V. 36. „Want vóór deze dagen stondTheudasop,λέγωνεἶναιτινα ἑαυτόν,” hetgeen doorVan der Palmvertaald is:zeggende van zich dat hij iets groots was.↑56ἀπαλλαγῆναι τοῦ μέλλειν. Eigenlijk:los worden van het zullen, dat is: het voornemen, om het nog eens te beproeven, laten varen. Overigens is het duidelijk, datἀπαλλαγῆναιvanδύναμαιafhangt.↑57Het Perfectum duidt aan, dat de gevolgen eener verledene handeling tegenwoordig voortduren. Zoo isοἶδαeigenlijk het perfectum vanεἴδωen beteekent:ik heb het gezien, dat is:ik weet het, enπέπονθα, het perfectum vanπάσχω, beteekent:ik heb ondergaan, dat is:ik ben in den toestand, die een gevolg is van dat ondergaan.↑58καταγέλαστε. Men neme dit woord niet in de sterke beteekenis, die het oorspronkelijk heeft. De geheele toon van het gesprek geeft geene reden voor zulk eene scherpe uitdrukking.↑59Achterὅτιmoet uit het vorige in de gedachte worden aangevuld:τὴναὐτὴντέχνην ἐπιτηδεύω.↑60ἅτεis de accusativus, die gewoonlijk doorκατάverklaard wordt. Het is welligt beter eenen aldus gebezigden accusativus den casus adverbialis te noemen, daar het woord, dat daarin geplaatst is, de kracht bekomt van een bijwoord. Men kan hiermede de adverbiale complementen in het Hebreeuwsch vergelijken. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 95. 20.↑61Die anderen.↑
1κατ’ ἀγορὰν. De Grieken bragten een groot gedeelte van den dag op de markt door, waar zij elkander ontmoetten en allerlei dingen verhandelden. Zij leefden veel meer buiten dan binnen ’s huis.↑2Hier wordt waarschijnlijk gedoeld op den slag vanCorinthe, die geleverd is in het jaar 394 van onze tijdrekening tusschen de Atheners, Corinthiers en hunne bondgenooten aan den eenen, en deLacedaemoniersen hunne partij aan den anderen kant. Deze slag had plaats, nadatAgesilausreeds uitAziewas wedergekeerd, zoodat hij de tijding er van teAmphipolisontving.↑3Theaetetuswas, zooals wij later zien zullen, reeds in zijne jeugd bekend om zijnen goeden aanleg en vlijt, en had zeer goed onderwijs genoten, zoodat men alles goeds van hem verwachten kon.↑4δῆταbehoort bijἀνεμνήσθηνenἐθαύμασα.↑5φύσιςbeteekent soms de natuur in het algemeen, soms de natuur, de wezenheid van eenig ding in het bijzonder.↑6διελέχθη. Het werkwoordδιαλέγομαιbehoort onder de Deponentia passiva, dat is zulke, die eenen aor. pass. met active beteekenis hebben. Overigens isκαὶvoorμάλα ἀξίουςte verklaren uit het voorgaandeοὓς διελέχθη αὐτῷ, daar die woorden te zamen dezelfde kracht als een adjectivum of participium hebben, zoodat danμάλα ἀξίουςals het tweede adjectivum bijλόγουςkan beschouwd worden.↑7ἐλλόγιμοςis hij, die medegerekend en niet achter de bank geschoven of vergeten wordt.↑8De leerlingen vanSocratesnamen na den dood huns meesters gretig alle gelegenheden waar, om zijne nagedachtenis hulde te doen. Hetzelfde edele streven openbaart zich bij de onmiddellijke leerlingen vanKrause. Zoo besluit onder anderenLindemannzijne verdediging vanKrause’sstelsel (voorkomende in hetZeitschrift für Philosophie und spekulative Theologie, uitgegeven doorJ. H. Fichte, XV. 1), met deze merkwaardige woorden:„Had ik nu tegenover zulke nietige tegenwerpingen ongelijk, toen ik in het begin dezer verhandeling de bewering nederschreef, dat de tegenstanders het Krausische stelsel meestal niet bestuderen, maar meer uit nieuwsgierigheid, of omdat het nu niet langer kan overgeslagen worden, doorlezen? Ja, heb ik ongelijk, wanneer ik hier bijvoeg, dat zij het meest met vooroordeel er tegen, of hoogstens daarom in de hand nemen, om het van hun standpunt uit door de spitsroeden te laten loopen; zoo toch schijnen tot nog toe de meeste tegenwerpingen daartegen ontstaan te zijn. Vandaar ook de meest verkeerde oordeelvellingen over dit stelsel, dat niet behoeft te vreezen voor eene echte en redelijke kritiek, en daarvoor gaarne de onvolkomenheden, die er aan kleven, wil afleggen. Zulke geestelijke mishandelingen van eenen[12]grootendoode die zich niet meer kan verdedigen, tegen te gaan, zal ik van nu af als mijnen heiligen pligt beschouwen. De dankbaarheid jegens mijnen geestelijken vader, aan wien ik mijne wedergeboorte, het herleven van mijnen zielevrede en van mijn kinderlijk vertrouwen op God, de voortdurende geestdrift voor al het hoogere, en de verzoening met de rampen des levens te danken heb, roepen mij daartoe op, hoezeer anders mijn geheele gemoed afkeerig is van den strijd. En dit is geenszins de gedwongene gelofte en bekentenis van eenen dweepzieken jongeling, maar van eenen man, die reeds het midden des levens voorbij is, en die van kindsbeen af vele beproevingen had te verduren.” Hierbij heb ik slechts dit te voegen, dat eene echte en redelijke kritiek, zoo alsLindemannvoor het stelsel vanKrausewenscht, onlangs door Mr.Opzoomergeleverd is, en dat ik in de meeste punten met die kritiek instem, alleen aanmerkende, dat ik de door hem op blz. 75 inKrause’sstelsel gegispte fout, reeds op de aldaar aangehaalde blz. van mijnOpklimmend deel der Wijsbegeerteheb pogen te verbeteren, gelijk uit eene opmerkzame lezing dier bladzijde blijken kan; en datKrause’sleer van het Opperwezen God, naar mijn inzien, niet eindig maakt, daar God in dat leerstuk niet naar zijne geheele wezenheid beschouwd wordt. God als Opperwezen beteekent, naar mijne opvatting, bijKrausehetzelfde, als God de Vader bij de Hegelianen der regter zijde.↑9διηγήσασθαιbeteekent eigenlijk uitvoerig verhalen, zoodat al de bijzonderheden behoorlijk in het licht gesteld worden.↑10γέγραπται. Het Grieksche perfectum heeft meestal de beteekenis van eenen tegenwoordigen toestand, die het gevolg is eener volvoerde handeling.↑11Eene plaats aldus genoemd, digt bijEleusis.↑12ἅμαduidt hier de gelijktijdigheid van het rusten en voorlezen aan.↑13ἐγραψάμην—διαλεχθῆναι. Ik geloof, dat achterτὸν λόγονeen colon staan moest, zoodat hetgeen dan volgt, de ontwikkeling is van het doorοὑτωσὶaangeduide.↑14περὶ τοῦ ἀποκρινομένου. ὁ ἀποκρινόμενοςis de tweede spreker in een wijsgeerig gesprek, dat door den eersten geleid wordt. Het wordt ook bij disputeren van den defendendus gebezigd. Overigens blijkt hier, hoe lastig de door de gewoonte aangenomene schrijftrant (in dialogen) tusschen beide voorPlatowas. Zou het hier voorkomende ook tot hulpmiddel kunnen dienen, om de voor en na den Theaetetus geschrevene dialogen van elkander te onderscheiden?↑15φιλοσοφία. De ouden waren zeer mild met dit woord. Zoo noemtStrabode aardrijkskunde philosophie, enHippocratesde medicijnen.↑16ἐκείνους ἢ τούσδε.ὅδεwordt hier in denzelfden zin alsοὗτοςgebezigd, zoodat het, tegenoverἔκεινοςgeplaatst, de naastbijzijnde,ἔκεινοςde verste beteekent.↑17μειράκιον. TeAthenewerd een jongen tot op zijn 14ejaarμειράκιονgeheeten.↑18Het is bekend, dat inGriekenland, vooral teAthene, eene betrekking tusschen mannen en jongelingen bestond, die geheel met onze zeden in strijd is, doch daar als iets zeer gewoons beschouwd werd. ZiePaulusbrief aan de Romeinen, Hoofdstuk I. vs. 26 en 27.↑19πεφυκότα. Hier wordt vooral de natuurlijke geaardheid bedoeld, hetgeen bevestigd wordt door bet woordφύσις,natuur, dat van dit werkwoord is afgeleid.↑20Men denke hier vooral aan iemand, die tegen geene moeite opziet en niet bang is om te werken; iets, dat nog tegenwoordig tot de zeldzaamheden behoort.↑21ὀξύῤῥοποςwordt gezegd van alles, wat ligt het evenwigt verliest en naar de eene of andere zijde overhelt.↑22ἀπταίστως, eigenlijk: zonder zich te stooten.↑23van het gymnasium. Het geheele gesprek wordt voorgesteld als in een gymnasium plaats hebbende. Men denke hierbij aan de oorspronkelijke beteekenis des woords: die van eene school voor ligchaamsoefeningen.↑24De Grieken maakten veel gebruik van olie, om hunne leden lenig en buigzaam en daardoor meer geschikt voor vlugge beweging te maken.↑25ἠλείφοντοenἀλειψάμενοι. Het imperfectum duidt eene in het verledene voortdurende handeling aan; de aoristus geeft hier te kennen, dat die handeling voleindigd is. Zoo hier een perfectum stond, zou daarmede te kennen gegeven worden, dat het gevolg dier handeling nog voortduurde. Zoo zou men, om te zeggen:Hij is gereed voor de gymnastische oefeningen, want hij is met olie ingewreven, in het Grieksch nietἠλείψατο, maarἤλειπταιbezigen. ZieButtmann, Gr. Gr. § 137.↑26Suniumwas de naam van een voorgebergte in het zuiden vanAttica, tegenwoordig KaapColonna, waarop een gehucht en een tempel vanAthenewas. Overigens was het bekend, dat alle inwoners vanAtticahet burgerregt vanAthenehadden, en dus als Atheners beschouwd werden.↑27Het schijnt, dat de Atheensche wetgeving geen voldoende waarborgen gaf tegen het verkeerd besturen der geldmiddelen van weezen door voogden.Demostheneshad zich over hetzelfde te beklagen alsTheaetetus, maar wist reeds op zijn 18ejaar, door eene welsprekende en bondige pleitrede tegen zijne voogden, althans een deel van zijn goed terug te bekomen.↑28Γεννικὸν λέγεις τὸν ἄνδρα. Γεννικὸνis de tweede accusativus achterλέγεις.↑29Eigenlijk:zoo gevonden hadden. De Grieken spraken ten opzigte van de tijdsbepaling naauwkeuriger dan wij.↑30εἰδὲναι. Dit gebruik van den infinitivus is zeer gewoon. ZieButtmann, Gr. Gr. § 140. 6. aanm., 5.↑31ἄξιον. Hoewelἄξιοςeigenlijkwaardigbeteekent, kan het ook absoluut geplaatst worden, en beteekent dan:betamelijk,goed,behoorlijk.↑32De hier voorkomende constructie is hetgeenDe Sacyzou noemen: eeneproposition nominale, dat is een volzin zonder werkwoord, waarin het werkwoordzijnuit het verband moet aangevuld worden. Het is genoeg bekend, dat dergelijke constructies bijPlatotelkens voorkomen.↑33Platoschijnt hier op zijne eigene reis naarCyrenete doelen.↑34μετρίωςheeft de beteekenis van aan de vereischte maat te beantwoorden, te zijn zoo als het behoort.↑35Men denke bijσόφοςaan door studie verkregene kennis, niet zoo zeer aan gezond verstand of practische bekwaamheid.↑36ἀπορέωis eigenlijkgeen doorgang zienen is als zoodanig intransitief. Daarom geloof ik, dat, wanneer dit werkwoord met eenen accusativus geconstrueerd wordt, deze behoort tot die soort van accusativen, die gewoonlijk door het uitgelatene voorzetselκατὰverklaard worden.↑37Deze uitdrukking is wel zinnebeeldig, maar toch zeer juist. Een duister begrip zweeft voor onzen geest; telkens schijnt het wat naar voren te komen, maar zoodra wij het zoeken te vatten, ontglipt het ons weder.↑38Socratesroept allen, die tegenwoordig zijn, op, om hun gevoelen te openbaren, maar niemand verroert zich.↑39ἀεὶ,telkens.Xenophon, Anab. IV. c. VII. 23.οἱ ἀεὶ ἐπιόντες ἔθεον δρόμῳ ἐπὶ τοὺς ἀεὶ βοῶντας.Buttmann, Gr. Gr. § 150, p. 470.↑40ἀποκρίνεσθαι. Dit woord is hinderlijk. Een antwoord is natuurlijk nooit geheel willekeurig, maar hangt altijd van de vraag af. Ik geloof, dat het moet worden uitgeworpen, of dat men lezen moet:ἐπιτάξει ὅ τιἂνβούληται ἐρωτᾶν ἀποκρίνεσθαι.↑41διάλεκτοςbeteekent oorspronkelijk: eenvoudig gesprek; de beteekenis van tongval is eene afgeleide.↑42Theaetetusbegaat hier de gewone fout, die de medesprekers in de dialogen vanPlatobegaan. Zij zoeken zich gewoonlijk met voorbeelden te behelpen, wanneer zij om eene bepaling worden aangesproken.Aristotelesberigt ook, dat het geven van bepalingen eene der voornaamste ontdekkingen vanSocratesis.↑43Οὐδὲ τοῦτο. Dit moet verklaard worden door de uitlating der woorden:οὐδὲ τοῦτο λέγων ἄλλο τι λέγω ἢ κ. τ. λ.↑44γνῶναιhangt af vanβουλόμενοι.↑45ἐπιστήμηνis de accusativus vanγνῶναι.αὐτὸis neutrum per attractionem; de constructie is dus:βουλόμενοι γνῶναι ἐπιστήμην ὅ, τι ποτ’ αὐτὸ ἐστιν.↑46ἢ οἴει, τίς τι. Hier is eigenlijk eene vraag door een asyndeton in twee vragen opgelost.↑47ἐπιστήμην ὑποδημάτων. Het is duidelijk, dat hier bedoeld wordt:wat deze woorden beteekenen.↑48Wij zouden hier andere voorbeelden gebezigd hebben, daar wij gewoon zijn, de hier vermelde vakken volstrekt niet als theoretisch, maar slechts als eene soort van handigheid te beschouwen. Overigens ziet men in de soort van voorbeelden, die hier, en ook elders bijPlatoenXenophon, doorSocratesworden aangehaald, duidelijk het democratische element vanAthenedoorschijnen.↑49ἐξόν, accusativus absolutus. ZieButtmann, Gr. Gr. § 145. Aanm. 7.↑50τὸ ὅτου. Zulke soort van uitdrukkingen komen dikwijls bij de Grieksche wijsgeeren voor. Zoo lezen wij bijAristotelesdikwijls:τὸ πῶς, τὸ τι, τὸ διά τιen wij zeggen eveneens:het hoe, het wat, het waarom, enz. Deze spreekwijs mist het latijn, omdat het geen lidwoord heeft.↑51Wat doet hier:maar?Theaetetushad in het gesprek, dat hij hier vermeldt, gemerkt, hoe moeijelijk het geven van juiste bepalingen is, al scheen het nu nog zoo gemakkelijk.↑52Wij moeten dit aldus opvatten:De verhoudingen der getallen kunnen door figuren worden opgehelderd. Nu is de wortel van een getal, een ander getal, dat, met zich zelf vermenigvuldigd zijnde, het eerste getal geeft, en dat eerste getal is dan de magt van dien wortel. Dit wordt in figuren aldus afgebeeld, dat, de lengte van een vierkant gelijk zijnde aan de breedte, de lengte of breedte den wortel, en de inhoud de tweede magt van dien wortel uitdrukt. Dus heeft een vierkant van 4 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 2 voet; een vierkant van 9 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 3 voet, enz.Dus zijn de zijden van een vierkant van 4 of van 9 vierkante voeten door eene lijn van éénen voet meetbaar. De zijden echter van een vierkant van 3 of van 5 vierkante voeten zijn niet meetbaar met éénen voet; of, zoo men de figuur zóó wil maken, dat de zijden door éénen voet meetbaar worden, dan moet men het opgeven een volkomen vierkant te krijgen, maar de lengte en de breedte ongelijk maken, waardoor de figuur langwerpig wordt. Hierdoor bekomen wij van zelfs twee soorten van getallen, die wij naar de figuren, waarmede zij worden opgehelderd, vierkant of langwerpig kunnen noemen. Daar verder, zoo beide soorten met vierkanten worden afgebeeld, de zijden der vierkanten van de ééne soort geheele getallen geven, en die van de andere soort door de eenheid niet meetbaar zijn; met andere woorden, daar de wortels van 4, 9 enz. door geheelen, die van 2, 3, enz. alleen door gebrokens kunnen worden uitgedrukt, zoo kunnen die zijden en de getallen, die de zijden uitdrukken, zoowel als de inhouden en de getallen, welke met die inhouden overeenkomen, in twee soorten verdeeld worden.↑53τοῦvoorτινὸς. Deze genitivus moet verklaard worden door het begrip van comparativus, dat inἡττᾶσθαιbesloten ligt.↑54De constructie is:Ἀλλὰ οἴειεἶναισμικρόν τι καὶ οὐ τῶν πάντῃ ἄκρων ἐξευρεῖν τὴν ἐπιστήμην,ὥσπερ νῦνδὴ ἐγὼ ἔλεγον.τῶνπάντῃἄκρωνis de genitivus partitivus:één van de alleruitersten in moeijelijkheid.↑55Zie Act. Apost. V. 36. „Want vóór deze dagen stondTheudasop,λέγωνεἶναιτινα ἑαυτόν,” hetgeen doorVan der Palmvertaald is:zeggende van zich dat hij iets groots was.↑56ἀπαλλαγῆναι τοῦ μέλλειν. Eigenlijk:los worden van het zullen, dat is: het voornemen, om het nog eens te beproeven, laten varen. Overigens is het duidelijk, datἀπαλλαγῆναιvanδύναμαιafhangt.↑57Het Perfectum duidt aan, dat de gevolgen eener verledene handeling tegenwoordig voortduren. Zoo isοἶδαeigenlijk het perfectum vanεἴδωen beteekent:ik heb het gezien, dat is:ik weet het, enπέπονθα, het perfectum vanπάσχω, beteekent:ik heb ondergaan, dat is:ik ben in den toestand, die een gevolg is van dat ondergaan.↑58καταγέλαστε. Men neme dit woord niet in de sterke beteekenis, die het oorspronkelijk heeft. De geheele toon van het gesprek geeft geene reden voor zulk eene scherpe uitdrukking.↑59Achterὅτιmoet uit het vorige in de gedachte worden aangevuld:τὴναὐτὴντέχνην ἐπιτηδεύω.↑60ἅτεis de accusativus, die gewoonlijk doorκατάverklaard wordt. Het is welligt beter eenen aldus gebezigden accusativus den casus adverbialis te noemen, daar het woord, dat daarin geplaatst is, de kracht bekomt van een bijwoord. Men kan hiermede de adverbiale complementen in het Hebreeuwsch vergelijken. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 95. 20.↑61Die anderen.↑
1κατ’ ἀγορὰν. De Grieken bragten een groot gedeelte van den dag op de markt door, waar zij elkander ontmoetten en allerlei dingen verhandelden. Zij leefden veel meer buiten dan binnen ’s huis.↑
1κατ’ ἀγορὰν. De Grieken bragten een groot gedeelte van den dag op de markt door, waar zij elkander ontmoetten en allerlei dingen verhandelden. Zij leefden veel meer buiten dan binnen ’s huis.↑
2Hier wordt waarschijnlijk gedoeld op den slag vanCorinthe, die geleverd is in het jaar 394 van onze tijdrekening tusschen de Atheners, Corinthiers en hunne bondgenooten aan den eenen, en deLacedaemoniersen hunne partij aan den anderen kant. Deze slag had plaats, nadatAgesilausreeds uitAziewas wedergekeerd, zoodat hij de tijding er van teAmphipolisontving.↑
2Hier wordt waarschijnlijk gedoeld op den slag vanCorinthe, die geleverd is in het jaar 394 van onze tijdrekening tusschen de Atheners, Corinthiers en hunne bondgenooten aan den eenen, en deLacedaemoniersen hunne partij aan den anderen kant. Deze slag had plaats, nadatAgesilausreeds uitAziewas wedergekeerd, zoodat hij de tijding er van teAmphipolisontving.↑
3Theaetetuswas, zooals wij later zien zullen, reeds in zijne jeugd bekend om zijnen goeden aanleg en vlijt, en had zeer goed onderwijs genoten, zoodat men alles goeds van hem verwachten kon.↑
3Theaetetuswas, zooals wij later zien zullen, reeds in zijne jeugd bekend om zijnen goeden aanleg en vlijt, en had zeer goed onderwijs genoten, zoodat men alles goeds van hem verwachten kon.↑
4δῆταbehoort bijἀνεμνήσθηνenἐθαύμασα.↑
4δῆταbehoort bijἀνεμνήσθηνenἐθαύμασα.↑
5φύσιςbeteekent soms de natuur in het algemeen, soms de natuur, de wezenheid van eenig ding in het bijzonder.↑
5φύσιςbeteekent soms de natuur in het algemeen, soms de natuur, de wezenheid van eenig ding in het bijzonder.↑
6διελέχθη. Het werkwoordδιαλέγομαιbehoort onder de Deponentia passiva, dat is zulke, die eenen aor. pass. met active beteekenis hebben. Overigens isκαὶvoorμάλα ἀξίουςte verklaren uit het voorgaandeοὓς διελέχθη αὐτῷ, daar die woorden te zamen dezelfde kracht als een adjectivum of participium hebben, zoodat danμάλα ἀξίουςals het tweede adjectivum bijλόγουςkan beschouwd worden.↑
6διελέχθη. Het werkwoordδιαλέγομαιbehoort onder de Deponentia passiva, dat is zulke, die eenen aor. pass. met active beteekenis hebben. Overigens isκαὶvoorμάλα ἀξίουςte verklaren uit het voorgaandeοὓς διελέχθη αὐτῷ, daar die woorden te zamen dezelfde kracht als een adjectivum of participium hebben, zoodat danμάλα ἀξίουςals het tweede adjectivum bijλόγουςkan beschouwd worden.↑
7ἐλλόγιμοςis hij, die medegerekend en niet achter de bank geschoven of vergeten wordt.↑
7ἐλλόγιμοςis hij, die medegerekend en niet achter de bank geschoven of vergeten wordt.↑
8De leerlingen vanSocratesnamen na den dood huns meesters gretig alle gelegenheden waar, om zijne nagedachtenis hulde te doen. Hetzelfde edele streven openbaart zich bij de onmiddellijke leerlingen vanKrause. Zoo besluit onder anderenLindemannzijne verdediging vanKrause’sstelsel (voorkomende in hetZeitschrift für Philosophie und spekulative Theologie, uitgegeven doorJ. H. Fichte, XV. 1), met deze merkwaardige woorden:„Had ik nu tegenover zulke nietige tegenwerpingen ongelijk, toen ik in het begin dezer verhandeling de bewering nederschreef, dat de tegenstanders het Krausische stelsel meestal niet bestuderen, maar meer uit nieuwsgierigheid, of omdat het nu niet langer kan overgeslagen worden, doorlezen? Ja, heb ik ongelijk, wanneer ik hier bijvoeg, dat zij het meest met vooroordeel er tegen, of hoogstens daarom in de hand nemen, om het van hun standpunt uit door de spitsroeden te laten loopen; zoo toch schijnen tot nog toe de meeste tegenwerpingen daartegen ontstaan te zijn. Vandaar ook de meest verkeerde oordeelvellingen over dit stelsel, dat niet behoeft te vreezen voor eene echte en redelijke kritiek, en daarvoor gaarne de onvolkomenheden, die er aan kleven, wil afleggen. Zulke geestelijke mishandelingen van eenen[12]grootendoode die zich niet meer kan verdedigen, tegen te gaan, zal ik van nu af als mijnen heiligen pligt beschouwen. De dankbaarheid jegens mijnen geestelijken vader, aan wien ik mijne wedergeboorte, het herleven van mijnen zielevrede en van mijn kinderlijk vertrouwen op God, de voortdurende geestdrift voor al het hoogere, en de verzoening met de rampen des levens te danken heb, roepen mij daartoe op, hoezeer anders mijn geheele gemoed afkeerig is van den strijd. En dit is geenszins de gedwongene gelofte en bekentenis van eenen dweepzieken jongeling, maar van eenen man, die reeds het midden des levens voorbij is, en die van kindsbeen af vele beproevingen had te verduren.” Hierbij heb ik slechts dit te voegen, dat eene echte en redelijke kritiek, zoo alsLindemannvoor het stelsel vanKrausewenscht, onlangs door Mr.Opzoomergeleverd is, en dat ik in de meeste punten met die kritiek instem, alleen aanmerkende, dat ik de door hem op blz. 75 inKrause’sstelsel gegispte fout, reeds op de aldaar aangehaalde blz. van mijnOpklimmend deel der Wijsbegeerteheb pogen te verbeteren, gelijk uit eene opmerkzame lezing dier bladzijde blijken kan; en datKrause’sleer van het Opperwezen God, naar mijn inzien, niet eindig maakt, daar God in dat leerstuk niet naar zijne geheele wezenheid beschouwd wordt. God als Opperwezen beteekent, naar mijne opvatting, bijKrausehetzelfde, als God de Vader bij de Hegelianen der regter zijde.↑
8De leerlingen vanSocratesnamen na den dood huns meesters gretig alle gelegenheden waar, om zijne nagedachtenis hulde te doen. Hetzelfde edele streven openbaart zich bij de onmiddellijke leerlingen vanKrause. Zoo besluit onder anderenLindemannzijne verdediging vanKrause’sstelsel (voorkomende in hetZeitschrift für Philosophie und spekulative Theologie, uitgegeven doorJ. H. Fichte, XV. 1), met deze merkwaardige woorden:
„Had ik nu tegenover zulke nietige tegenwerpingen ongelijk, toen ik in het begin dezer verhandeling de bewering nederschreef, dat de tegenstanders het Krausische stelsel meestal niet bestuderen, maar meer uit nieuwsgierigheid, of omdat het nu niet langer kan overgeslagen worden, doorlezen? Ja, heb ik ongelijk, wanneer ik hier bijvoeg, dat zij het meest met vooroordeel er tegen, of hoogstens daarom in de hand nemen, om het van hun standpunt uit door de spitsroeden te laten loopen; zoo toch schijnen tot nog toe de meeste tegenwerpingen daartegen ontstaan te zijn. Vandaar ook de meest verkeerde oordeelvellingen over dit stelsel, dat niet behoeft te vreezen voor eene echte en redelijke kritiek, en daarvoor gaarne de onvolkomenheden, die er aan kleven, wil afleggen. Zulke geestelijke mishandelingen van eenen[12]grootendoode die zich niet meer kan verdedigen, tegen te gaan, zal ik van nu af als mijnen heiligen pligt beschouwen. De dankbaarheid jegens mijnen geestelijken vader, aan wien ik mijne wedergeboorte, het herleven van mijnen zielevrede en van mijn kinderlijk vertrouwen op God, de voortdurende geestdrift voor al het hoogere, en de verzoening met de rampen des levens te danken heb, roepen mij daartoe op, hoezeer anders mijn geheele gemoed afkeerig is van den strijd. En dit is geenszins de gedwongene gelofte en bekentenis van eenen dweepzieken jongeling, maar van eenen man, die reeds het midden des levens voorbij is, en die van kindsbeen af vele beproevingen had te verduren.” Hierbij heb ik slechts dit te voegen, dat eene echte en redelijke kritiek, zoo alsLindemannvoor het stelsel vanKrausewenscht, onlangs door Mr.Opzoomergeleverd is, en dat ik in de meeste punten met die kritiek instem, alleen aanmerkende, dat ik de door hem op blz. 75 inKrause’sstelsel gegispte fout, reeds op de aldaar aangehaalde blz. van mijnOpklimmend deel der Wijsbegeerteheb pogen te verbeteren, gelijk uit eene opmerkzame lezing dier bladzijde blijken kan; en datKrause’sleer van het Opperwezen God, naar mijn inzien, niet eindig maakt, daar God in dat leerstuk niet naar zijne geheele wezenheid beschouwd wordt. God als Opperwezen beteekent, naar mijne opvatting, bijKrausehetzelfde, als God de Vader bij de Hegelianen der regter zijde.↑
9διηγήσασθαιbeteekent eigenlijk uitvoerig verhalen, zoodat al de bijzonderheden behoorlijk in het licht gesteld worden.↑
9διηγήσασθαιbeteekent eigenlijk uitvoerig verhalen, zoodat al de bijzonderheden behoorlijk in het licht gesteld worden.↑
10γέγραπται. Het Grieksche perfectum heeft meestal de beteekenis van eenen tegenwoordigen toestand, die het gevolg is eener volvoerde handeling.↑
10γέγραπται. Het Grieksche perfectum heeft meestal de beteekenis van eenen tegenwoordigen toestand, die het gevolg is eener volvoerde handeling.↑
11Eene plaats aldus genoemd, digt bijEleusis.↑
11Eene plaats aldus genoemd, digt bijEleusis.↑
12ἅμαduidt hier de gelijktijdigheid van het rusten en voorlezen aan.↑
12ἅμαduidt hier de gelijktijdigheid van het rusten en voorlezen aan.↑
13ἐγραψάμην—διαλεχθῆναι. Ik geloof, dat achterτὸν λόγονeen colon staan moest, zoodat hetgeen dan volgt, de ontwikkeling is van het doorοὑτωσὶaangeduide.↑
13ἐγραψάμην—διαλεχθῆναι. Ik geloof, dat achterτὸν λόγονeen colon staan moest, zoodat hetgeen dan volgt, de ontwikkeling is van het doorοὑτωσὶaangeduide.↑
14περὶ τοῦ ἀποκρινομένου. ὁ ἀποκρινόμενοςis de tweede spreker in een wijsgeerig gesprek, dat door den eersten geleid wordt. Het wordt ook bij disputeren van den defendendus gebezigd. Overigens blijkt hier, hoe lastig de door de gewoonte aangenomene schrijftrant (in dialogen) tusschen beide voorPlatowas. Zou het hier voorkomende ook tot hulpmiddel kunnen dienen, om de voor en na den Theaetetus geschrevene dialogen van elkander te onderscheiden?↑
14περὶ τοῦ ἀποκρινομένου. ὁ ἀποκρινόμενοςis de tweede spreker in een wijsgeerig gesprek, dat door den eersten geleid wordt. Het wordt ook bij disputeren van den defendendus gebezigd. Overigens blijkt hier, hoe lastig de door de gewoonte aangenomene schrijftrant (in dialogen) tusschen beide voorPlatowas. Zou het hier voorkomende ook tot hulpmiddel kunnen dienen, om de voor en na den Theaetetus geschrevene dialogen van elkander te onderscheiden?↑
15φιλοσοφία. De ouden waren zeer mild met dit woord. Zoo noemtStrabode aardrijkskunde philosophie, enHippocratesde medicijnen.↑
15φιλοσοφία. De ouden waren zeer mild met dit woord. Zoo noemtStrabode aardrijkskunde philosophie, enHippocratesde medicijnen.↑
16ἐκείνους ἢ τούσδε.ὅδεwordt hier in denzelfden zin alsοὗτοςgebezigd, zoodat het, tegenoverἔκεινοςgeplaatst, de naastbijzijnde,ἔκεινοςde verste beteekent.↑
16ἐκείνους ἢ τούσδε.ὅδεwordt hier in denzelfden zin alsοὗτοςgebezigd, zoodat het, tegenoverἔκεινοςgeplaatst, de naastbijzijnde,ἔκεινοςde verste beteekent.↑
17μειράκιον. TeAthenewerd een jongen tot op zijn 14ejaarμειράκιονgeheeten.↑
17μειράκιον. TeAthenewerd een jongen tot op zijn 14ejaarμειράκιονgeheeten.↑
18Het is bekend, dat inGriekenland, vooral teAthene, eene betrekking tusschen mannen en jongelingen bestond, die geheel met onze zeden in strijd is, doch daar als iets zeer gewoons beschouwd werd. ZiePaulusbrief aan de Romeinen, Hoofdstuk I. vs. 26 en 27.↑
18Het is bekend, dat inGriekenland, vooral teAthene, eene betrekking tusschen mannen en jongelingen bestond, die geheel met onze zeden in strijd is, doch daar als iets zeer gewoons beschouwd werd. ZiePaulusbrief aan de Romeinen, Hoofdstuk I. vs. 26 en 27.↑
19πεφυκότα. Hier wordt vooral de natuurlijke geaardheid bedoeld, hetgeen bevestigd wordt door bet woordφύσις,natuur, dat van dit werkwoord is afgeleid.↑
19πεφυκότα. Hier wordt vooral de natuurlijke geaardheid bedoeld, hetgeen bevestigd wordt door bet woordφύσις,natuur, dat van dit werkwoord is afgeleid.↑
20Men denke hier vooral aan iemand, die tegen geene moeite opziet en niet bang is om te werken; iets, dat nog tegenwoordig tot de zeldzaamheden behoort.↑
20Men denke hier vooral aan iemand, die tegen geene moeite opziet en niet bang is om te werken; iets, dat nog tegenwoordig tot de zeldzaamheden behoort.↑
21ὀξύῤῥοποςwordt gezegd van alles, wat ligt het evenwigt verliest en naar de eene of andere zijde overhelt.↑
21ὀξύῤῥοποςwordt gezegd van alles, wat ligt het evenwigt verliest en naar de eene of andere zijde overhelt.↑
22ἀπταίστως, eigenlijk: zonder zich te stooten.↑
22ἀπταίστως, eigenlijk: zonder zich te stooten.↑
23van het gymnasium. Het geheele gesprek wordt voorgesteld als in een gymnasium plaats hebbende. Men denke hierbij aan de oorspronkelijke beteekenis des woords: die van eene school voor ligchaamsoefeningen.↑
23van het gymnasium. Het geheele gesprek wordt voorgesteld als in een gymnasium plaats hebbende. Men denke hierbij aan de oorspronkelijke beteekenis des woords: die van eene school voor ligchaamsoefeningen.↑
24De Grieken maakten veel gebruik van olie, om hunne leden lenig en buigzaam en daardoor meer geschikt voor vlugge beweging te maken.↑
24De Grieken maakten veel gebruik van olie, om hunne leden lenig en buigzaam en daardoor meer geschikt voor vlugge beweging te maken.↑
25ἠλείφοντοenἀλειψάμενοι. Het imperfectum duidt eene in het verledene voortdurende handeling aan; de aoristus geeft hier te kennen, dat die handeling voleindigd is. Zoo hier een perfectum stond, zou daarmede te kennen gegeven worden, dat het gevolg dier handeling nog voortduurde. Zoo zou men, om te zeggen:Hij is gereed voor de gymnastische oefeningen, want hij is met olie ingewreven, in het Grieksch nietἠλείψατο, maarἤλειπταιbezigen. ZieButtmann, Gr. Gr. § 137.↑
25ἠλείφοντοenἀλειψάμενοι. Het imperfectum duidt eene in het verledene voortdurende handeling aan; de aoristus geeft hier te kennen, dat die handeling voleindigd is. Zoo hier een perfectum stond, zou daarmede te kennen gegeven worden, dat het gevolg dier handeling nog voortduurde. Zoo zou men, om te zeggen:Hij is gereed voor de gymnastische oefeningen, want hij is met olie ingewreven, in het Grieksch nietἠλείψατο, maarἤλειπταιbezigen. ZieButtmann, Gr. Gr. § 137.↑
26Suniumwas de naam van een voorgebergte in het zuiden vanAttica, tegenwoordig KaapColonna, waarop een gehucht en een tempel vanAthenewas. Overigens was het bekend, dat alle inwoners vanAtticahet burgerregt vanAthenehadden, en dus als Atheners beschouwd werden.↑
26Suniumwas de naam van een voorgebergte in het zuiden vanAttica, tegenwoordig KaapColonna, waarop een gehucht en een tempel vanAthenewas. Overigens was het bekend, dat alle inwoners vanAtticahet burgerregt vanAthenehadden, en dus als Atheners beschouwd werden.↑
27Het schijnt, dat de Atheensche wetgeving geen voldoende waarborgen gaf tegen het verkeerd besturen der geldmiddelen van weezen door voogden.Demostheneshad zich over hetzelfde te beklagen alsTheaetetus, maar wist reeds op zijn 18ejaar, door eene welsprekende en bondige pleitrede tegen zijne voogden, althans een deel van zijn goed terug te bekomen.↑
27Het schijnt, dat de Atheensche wetgeving geen voldoende waarborgen gaf tegen het verkeerd besturen der geldmiddelen van weezen door voogden.Demostheneshad zich over hetzelfde te beklagen alsTheaetetus, maar wist reeds op zijn 18ejaar, door eene welsprekende en bondige pleitrede tegen zijne voogden, althans een deel van zijn goed terug te bekomen.↑
28Γεννικὸν λέγεις τὸν ἄνδρα. Γεννικὸνis de tweede accusativus achterλέγεις.↑
28Γεννικὸν λέγεις τὸν ἄνδρα. Γεννικὸνis de tweede accusativus achterλέγεις.↑
29Eigenlijk:zoo gevonden hadden. De Grieken spraken ten opzigte van de tijdsbepaling naauwkeuriger dan wij.↑
29Eigenlijk:zoo gevonden hadden. De Grieken spraken ten opzigte van de tijdsbepaling naauwkeuriger dan wij.↑
30εἰδὲναι. Dit gebruik van den infinitivus is zeer gewoon. ZieButtmann, Gr. Gr. § 140. 6. aanm., 5.↑
30εἰδὲναι. Dit gebruik van den infinitivus is zeer gewoon. ZieButtmann, Gr. Gr. § 140. 6. aanm., 5.↑
31ἄξιον. Hoewelἄξιοςeigenlijkwaardigbeteekent, kan het ook absoluut geplaatst worden, en beteekent dan:betamelijk,goed,behoorlijk.↑
31ἄξιον. Hoewelἄξιοςeigenlijkwaardigbeteekent, kan het ook absoluut geplaatst worden, en beteekent dan:betamelijk,goed,behoorlijk.↑
32De hier voorkomende constructie is hetgeenDe Sacyzou noemen: eeneproposition nominale, dat is een volzin zonder werkwoord, waarin het werkwoordzijnuit het verband moet aangevuld worden. Het is genoeg bekend, dat dergelijke constructies bijPlatotelkens voorkomen.↑
32De hier voorkomende constructie is hetgeenDe Sacyzou noemen: eeneproposition nominale, dat is een volzin zonder werkwoord, waarin het werkwoordzijnuit het verband moet aangevuld worden. Het is genoeg bekend, dat dergelijke constructies bijPlatotelkens voorkomen.↑
33Platoschijnt hier op zijne eigene reis naarCyrenete doelen.↑
33Platoschijnt hier op zijne eigene reis naarCyrenete doelen.↑
34μετρίωςheeft de beteekenis van aan de vereischte maat te beantwoorden, te zijn zoo als het behoort.↑
34μετρίωςheeft de beteekenis van aan de vereischte maat te beantwoorden, te zijn zoo als het behoort.↑
35Men denke bijσόφοςaan door studie verkregene kennis, niet zoo zeer aan gezond verstand of practische bekwaamheid.↑
35Men denke bijσόφοςaan door studie verkregene kennis, niet zoo zeer aan gezond verstand of practische bekwaamheid.↑
36ἀπορέωis eigenlijkgeen doorgang zienen is als zoodanig intransitief. Daarom geloof ik, dat, wanneer dit werkwoord met eenen accusativus geconstrueerd wordt, deze behoort tot die soort van accusativen, die gewoonlijk door het uitgelatene voorzetselκατὰverklaard worden.↑
36ἀπορέωis eigenlijkgeen doorgang zienen is als zoodanig intransitief. Daarom geloof ik, dat, wanneer dit werkwoord met eenen accusativus geconstrueerd wordt, deze behoort tot die soort van accusativen, die gewoonlijk door het uitgelatene voorzetselκατὰverklaard worden.↑
37Deze uitdrukking is wel zinnebeeldig, maar toch zeer juist. Een duister begrip zweeft voor onzen geest; telkens schijnt het wat naar voren te komen, maar zoodra wij het zoeken te vatten, ontglipt het ons weder.↑
37Deze uitdrukking is wel zinnebeeldig, maar toch zeer juist. Een duister begrip zweeft voor onzen geest; telkens schijnt het wat naar voren te komen, maar zoodra wij het zoeken te vatten, ontglipt het ons weder.↑
38Socratesroept allen, die tegenwoordig zijn, op, om hun gevoelen te openbaren, maar niemand verroert zich.↑
38Socratesroept allen, die tegenwoordig zijn, op, om hun gevoelen te openbaren, maar niemand verroert zich.↑
39ἀεὶ,telkens.Xenophon, Anab. IV. c. VII. 23.οἱ ἀεὶ ἐπιόντες ἔθεον δρόμῳ ἐπὶ τοὺς ἀεὶ βοῶντας.Buttmann, Gr. Gr. § 150, p. 470.↑
39ἀεὶ,telkens.Xenophon, Anab. IV. c. VII. 23.οἱ ἀεὶ ἐπιόντες ἔθεον δρόμῳ ἐπὶ τοὺς ἀεὶ βοῶντας.Buttmann, Gr. Gr. § 150, p. 470.↑
40ἀποκρίνεσθαι. Dit woord is hinderlijk. Een antwoord is natuurlijk nooit geheel willekeurig, maar hangt altijd van de vraag af. Ik geloof, dat het moet worden uitgeworpen, of dat men lezen moet:ἐπιτάξει ὅ τιἂνβούληται ἐρωτᾶν ἀποκρίνεσθαι.↑
40ἀποκρίνεσθαι. Dit woord is hinderlijk. Een antwoord is natuurlijk nooit geheel willekeurig, maar hangt altijd van de vraag af. Ik geloof, dat het moet worden uitgeworpen, of dat men lezen moet:ἐπιτάξει ὅ τιἂνβούληται ἐρωτᾶν ἀποκρίνεσθαι.↑
41διάλεκτοςbeteekent oorspronkelijk: eenvoudig gesprek; de beteekenis van tongval is eene afgeleide.↑
41διάλεκτοςbeteekent oorspronkelijk: eenvoudig gesprek; de beteekenis van tongval is eene afgeleide.↑
42Theaetetusbegaat hier de gewone fout, die de medesprekers in de dialogen vanPlatobegaan. Zij zoeken zich gewoonlijk met voorbeelden te behelpen, wanneer zij om eene bepaling worden aangesproken.Aristotelesberigt ook, dat het geven van bepalingen eene der voornaamste ontdekkingen vanSocratesis.↑
42Theaetetusbegaat hier de gewone fout, die de medesprekers in de dialogen vanPlatobegaan. Zij zoeken zich gewoonlijk met voorbeelden te behelpen, wanneer zij om eene bepaling worden aangesproken.Aristotelesberigt ook, dat het geven van bepalingen eene der voornaamste ontdekkingen vanSocratesis.↑
43Οὐδὲ τοῦτο. Dit moet verklaard worden door de uitlating der woorden:οὐδὲ τοῦτο λέγων ἄλλο τι λέγω ἢ κ. τ. λ.↑
43Οὐδὲ τοῦτο. Dit moet verklaard worden door de uitlating der woorden:οὐδὲ τοῦτο λέγων ἄλλο τι λέγω ἢ κ. τ. λ.↑
44γνῶναιhangt af vanβουλόμενοι.↑
44γνῶναιhangt af vanβουλόμενοι.↑
45ἐπιστήμηνis de accusativus vanγνῶναι.αὐτὸis neutrum per attractionem; de constructie is dus:βουλόμενοι γνῶναι ἐπιστήμην ὅ, τι ποτ’ αὐτὸ ἐστιν.↑
45ἐπιστήμηνis de accusativus vanγνῶναι.αὐτὸis neutrum per attractionem; de constructie is dus:βουλόμενοι γνῶναι ἐπιστήμην ὅ, τι ποτ’ αὐτὸ ἐστιν.↑
46ἢ οἴει, τίς τι. Hier is eigenlijk eene vraag door een asyndeton in twee vragen opgelost.↑
46ἢ οἴει, τίς τι. Hier is eigenlijk eene vraag door een asyndeton in twee vragen opgelost.↑
47ἐπιστήμην ὑποδημάτων. Het is duidelijk, dat hier bedoeld wordt:wat deze woorden beteekenen.↑
47ἐπιστήμην ὑποδημάτων. Het is duidelijk, dat hier bedoeld wordt:wat deze woorden beteekenen.↑
48Wij zouden hier andere voorbeelden gebezigd hebben, daar wij gewoon zijn, de hier vermelde vakken volstrekt niet als theoretisch, maar slechts als eene soort van handigheid te beschouwen. Overigens ziet men in de soort van voorbeelden, die hier, en ook elders bijPlatoenXenophon, doorSocratesworden aangehaald, duidelijk het democratische element vanAthenedoorschijnen.↑
48Wij zouden hier andere voorbeelden gebezigd hebben, daar wij gewoon zijn, de hier vermelde vakken volstrekt niet als theoretisch, maar slechts als eene soort van handigheid te beschouwen. Overigens ziet men in de soort van voorbeelden, die hier, en ook elders bijPlatoenXenophon, doorSocratesworden aangehaald, duidelijk het democratische element vanAthenedoorschijnen.↑
49ἐξόν, accusativus absolutus. ZieButtmann, Gr. Gr. § 145. Aanm. 7.↑
49ἐξόν, accusativus absolutus. ZieButtmann, Gr. Gr. § 145. Aanm. 7.↑
50τὸ ὅτου. Zulke soort van uitdrukkingen komen dikwijls bij de Grieksche wijsgeeren voor. Zoo lezen wij bijAristotelesdikwijls:τὸ πῶς, τὸ τι, τὸ διά τιen wij zeggen eveneens:het hoe, het wat, het waarom, enz. Deze spreekwijs mist het latijn, omdat het geen lidwoord heeft.↑
50τὸ ὅτου. Zulke soort van uitdrukkingen komen dikwijls bij de Grieksche wijsgeeren voor. Zoo lezen wij bijAristotelesdikwijls:τὸ πῶς, τὸ τι, τὸ διά τιen wij zeggen eveneens:het hoe, het wat, het waarom, enz. Deze spreekwijs mist het latijn, omdat het geen lidwoord heeft.↑
51Wat doet hier:maar?Theaetetushad in het gesprek, dat hij hier vermeldt, gemerkt, hoe moeijelijk het geven van juiste bepalingen is, al scheen het nu nog zoo gemakkelijk.↑
51Wat doet hier:maar?Theaetetushad in het gesprek, dat hij hier vermeldt, gemerkt, hoe moeijelijk het geven van juiste bepalingen is, al scheen het nu nog zoo gemakkelijk.↑
52Wij moeten dit aldus opvatten:De verhoudingen der getallen kunnen door figuren worden opgehelderd. Nu is de wortel van een getal, een ander getal, dat, met zich zelf vermenigvuldigd zijnde, het eerste getal geeft, en dat eerste getal is dan de magt van dien wortel. Dit wordt in figuren aldus afgebeeld, dat, de lengte van een vierkant gelijk zijnde aan de breedte, de lengte of breedte den wortel, en de inhoud de tweede magt van dien wortel uitdrukt. Dus heeft een vierkant van 4 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 2 voet; een vierkant van 9 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 3 voet, enz.Dus zijn de zijden van een vierkant van 4 of van 9 vierkante voeten door eene lijn van éénen voet meetbaar. De zijden echter van een vierkant van 3 of van 5 vierkante voeten zijn niet meetbaar met éénen voet; of, zoo men de figuur zóó wil maken, dat de zijden door éénen voet meetbaar worden, dan moet men het opgeven een volkomen vierkant te krijgen, maar de lengte en de breedte ongelijk maken, waardoor de figuur langwerpig wordt. Hierdoor bekomen wij van zelfs twee soorten van getallen, die wij naar de figuren, waarmede zij worden opgehelderd, vierkant of langwerpig kunnen noemen. Daar verder, zoo beide soorten met vierkanten worden afgebeeld, de zijden der vierkanten van de ééne soort geheele getallen geven, en die van de andere soort door de eenheid niet meetbaar zijn; met andere woorden, daar de wortels van 4, 9 enz. door geheelen, die van 2, 3, enz. alleen door gebrokens kunnen worden uitgedrukt, zoo kunnen die zijden en de getallen, die de zijden uitdrukken, zoowel als de inhouden en de getallen, welke met die inhouden overeenkomen, in twee soorten verdeeld worden.↑
52Wij moeten dit aldus opvatten:
De verhoudingen der getallen kunnen door figuren worden opgehelderd. Nu is de wortel van een getal, een ander getal, dat, met zich zelf vermenigvuldigd zijnde, het eerste getal geeft, en dat eerste getal is dan de magt van dien wortel. Dit wordt in figuren aldus afgebeeld, dat, de lengte van een vierkant gelijk zijnde aan de breedte, de lengte of breedte den wortel, en de inhoud de tweede magt van dien wortel uitdrukt. Dus heeft een vierkant van 4 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 2 voet; een vierkant van 9 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 3 voet, enz.
Dus zijn de zijden van een vierkant van 4 of van 9 vierkante voeten door eene lijn van éénen voet meetbaar. De zijden echter van een vierkant van 3 of van 5 vierkante voeten zijn niet meetbaar met éénen voet; of, zoo men de figuur zóó wil maken, dat de zijden door éénen voet meetbaar worden, dan moet men het opgeven een volkomen vierkant te krijgen, maar de lengte en de breedte ongelijk maken, waardoor de figuur langwerpig wordt. Hierdoor bekomen wij van zelfs twee soorten van getallen, die wij naar de figuren, waarmede zij worden opgehelderd, vierkant of langwerpig kunnen noemen. Daar verder, zoo beide soorten met vierkanten worden afgebeeld, de zijden der vierkanten van de ééne soort geheele getallen geven, en die van de andere soort door de eenheid niet meetbaar zijn; met andere woorden, daar de wortels van 4, 9 enz. door geheelen, die van 2, 3, enz. alleen door gebrokens kunnen worden uitgedrukt, zoo kunnen die zijden en de getallen, die de zijden uitdrukken, zoowel als de inhouden en de getallen, welke met die inhouden overeenkomen, in twee soorten verdeeld worden.↑
53τοῦvoorτινὸς. Deze genitivus moet verklaard worden door het begrip van comparativus, dat inἡττᾶσθαιbesloten ligt.↑
53τοῦvoorτινὸς. Deze genitivus moet verklaard worden door het begrip van comparativus, dat inἡττᾶσθαιbesloten ligt.↑
54De constructie is:Ἀλλὰ οἴειεἶναισμικρόν τι καὶ οὐ τῶν πάντῃ ἄκρων ἐξευρεῖν τὴν ἐπιστήμην,ὥσπερ νῦνδὴ ἐγὼ ἔλεγον.τῶνπάντῃἄκρωνis de genitivus partitivus:één van de alleruitersten in moeijelijkheid.↑
54De constructie is:Ἀλλὰ οἴειεἶναισμικρόν τι καὶ οὐ τῶν πάντῃ ἄκρων ἐξευρεῖν τὴν ἐπιστήμην,ὥσπερ νῦνδὴ ἐγὼ ἔλεγον.
τῶνπάντῃἄκρωνis de genitivus partitivus:één van de alleruitersten in moeijelijkheid.↑
55Zie Act. Apost. V. 36. „Want vóór deze dagen stondTheudasop,λέγωνεἶναιτινα ἑαυτόν,” hetgeen doorVan der Palmvertaald is:zeggende van zich dat hij iets groots was.↑
55Zie Act. Apost. V. 36. „Want vóór deze dagen stondTheudasop,λέγωνεἶναιτινα ἑαυτόν,” hetgeen doorVan der Palmvertaald is:zeggende van zich dat hij iets groots was.↑
56ἀπαλλαγῆναι τοῦ μέλλειν. Eigenlijk:los worden van het zullen, dat is: het voornemen, om het nog eens te beproeven, laten varen. Overigens is het duidelijk, datἀπαλλαγῆναιvanδύναμαιafhangt.↑
56ἀπαλλαγῆναι τοῦ μέλλειν. Eigenlijk:los worden van het zullen, dat is: het voornemen, om het nog eens te beproeven, laten varen. Overigens is het duidelijk, datἀπαλλαγῆναιvanδύναμαιafhangt.↑
57Het Perfectum duidt aan, dat de gevolgen eener verledene handeling tegenwoordig voortduren. Zoo isοἶδαeigenlijk het perfectum vanεἴδωen beteekent:ik heb het gezien, dat is:ik weet het, enπέπονθα, het perfectum vanπάσχω, beteekent:ik heb ondergaan, dat is:ik ben in den toestand, die een gevolg is van dat ondergaan.↑
57Het Perfectum duidt aan, dat de gevolgen eener verledene handeling tegenwoordig voortduren. Zoo isοἶδαeigenlijk het perfectum vanεἴδωen beteekent:ik heb het gezien, dat is:ik weet het, enπέπονθα, het perfectum vanπάσχω, beteekent:ik heb ondergaan, dat is:ik ben in den toestand, die een gevolg is van dat ondergaan.↑
58καταγέλαστε. Men neme dit woord niet in de sterke beteekenis, die het oorspronkelijk heeft. De geheele toon van het gesprek geeft geene reden voor zulk eene scherpe uitdrukking.↑
58καταγέλαστε. Men neme dit woord niet in de sterke beteekenis, die het oorspronkelijk heeft. De geheele toon van het gesprek geeft geene reden voor zulk eene scherpe uitdrukking.↑
59Achterὅτιmoet uit het vorige in de gedachte worden aangevuld:τὴναὐτὴντέχνην ἐπιτηδεύω.↑
59Achterὅτιmoet uit het vorige in de gedachte worden aangevuld:τὴναὐτὴντέχνην ἐπιτηδεύω.↑
60ἅτεis de accusativus, die gewoonlijk doorκατάverklaard wordt. Het is welligt beter eenen aldus gebezigden accusativus den casus adverbialis te noemen, daar het woord, dat daarin geplaatst is, de kracht bekomt van een bijwoord. Men kan hiermede de adverbiale complementen in het Hebreeuwsch vergelijken. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 95. 20.↑
60ἅτεis de accusativus, die gewoonlijk doorκατάverklaard wordt. Het is welligt beter eenen aldus gebezigden accusativus den casus adverbialis te noemen, daar het woord, dat daarin geplaatst is, de kracht bekomt van een bijwoord. Men kan hiermede de adverbiale complementen in het Hebreeuwsch vergelijken. ZieVeth,Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 95. 20.↑
61Die anderen.↑
61Die anderen.↑