HOOFDSTUK IX.

„Hi was minnera,And hi was betera”....

„Hi was minnera,And hi was betera”....

Haar stem was zwak en beverig, maar terwijl zij zong scheen die toe te nemen in kracht. En opnieuw klonk het:

„Kerl, hi was minnera,And hi was beteraHi stifte and sterdeTriwa ande werdeAnde hi sette thera Kenega jeft,Ande allere liude leestAnd LondriuchtAnde allera londe eccum sinriucht.[5]

„Kerl, hi was minnera,And hi was beteraHi stifte and sterdeTriwa ande werdeAnde hi sette thera Kenega jeft,Ande allere liude leestAnd LondriuchtAnde allera londe eccum sinriucht.[5]

Een breede schaduwplek viel op den zonneschijn aan haar voet. Hoog te paard zag zij den landheer.

„Lisa, oude heks, wat durft gij daar zingen?”

„Wat ieder zong toen de Denen het land verwoestten, voor de eerste maal, heer, voor het eerst. Toen begrepen de menschen pas wat keizer Karel was geweest, toen begrepen zij het.”

Recht zag Lisa voor zich uit met onverschillig, strak gezicht en toch wist zij hoe de trekken van Rolfr Jarl vreeselijk waren om aan te zien, nog eer zij hem hoorde bulderen:

„Oude tooverkol! Ik moest je levend laten verbranden. En, als ik niet wist, dat je gek waart, gebeurde dat vandaag nog.”

„Ga uw gang, heer! Nooit zal ik meer kunnen lijden dan ik reeds geleden heb. Mijn leven is zoo lang geweest en even lang mijn verdriet. Dus, als ’t nu gedaan kon raken, dan was het goed.”

Besluiteloos zag hij haar een oogenblik aan. Hoe hier te treffen?

Toen viel hem iets in.

„Lisa, gij hebt vlijtig gewerkt op het veld dit jaar. Ik weet, dat gij een vollen zak gerst bezit, om van uw wikken en rapen niet eens te spreken. Ge kunt dus ruim brood bakken, maar waar maalt gij die gerst tot meel?”

Verschrikt zag zij op. ’t Was of haar kleur verschoot onder het tanige vel.

„Heer, heer, laat me niet van honger sterven! Dan maar verbranden! Ik kneusde mijn gerst tusschen twee steenen, heer! Ik heb geen gereede penningen, geen enkele! Hoe zou ik dan het maalgeld kunnen betalen! Hoe zou ik!”

Zij zag, dat hier geen genade was te wachten. Een snik schoot uit haar keel, zij wrong de handen, radeloos.

„Uw gerst is verbeurd, verstaat gij? Gij hebt den wind bestolen van uw heer. Wees dankbaar, dat ik je niet den hongerdood laat sterven in een kerker van den Ravenhorst, maar je overlaat aan de hongertering in je eigen krot.”

„Heer, o, heer! Dan maar verbranden, dan is het uit! Dan is het uit! Ik wist niet”....

„Gij wist wèl, dat de molen van den Ravenhorst een dwangmolen is. Niemand van mijn onderzaten, vrijen of hoorigen heeft het recht elders te doenmalen.”[7]

Lisa barstte uit in een schellen lach: „En nu zeggen ze, dat ik zooveel voorrechten heb, omdat ik vrij ben en de hoorigen benijden me!”

Hij werd bang voor het woeste flikkeren van haar oogen. Menigeen noemde haar gek. Als ze hem eens aanvloog! Gekken hebben immers dubbele kracht.... Vaak spraken door hen de goden.

„Luister Lisa,” hernam hij wat zachter. „Ik zal u geen kwaad doen. Gij kunt uw gerst malen waar gij wilt. ’k Zal u zelfs nog een kruik olie laten brengen uit mijn spijker, om koeken te bakken.”

„Heer, o, heer! Wat zijt gij goed!”

Zij boog zich voor hem neer en kuste zijn handen.

„Maar onder een voorwaarde Lisa, onder een voorwaarde.”

Vragend wachtte zij.

„Gij zult niet meer naar de kerk op den Hohorst mogen gaan, nooit meer, verstaat gij mij goed? Nooit meer. En overal moet je vertellen, dat ge daar niet meer komt, omdat gij er den duivel gezien hebt.”

Lisa richtte haar kleine gestalte op met groote waardigheid.

„Bisschop Ansfried en de zendelingen hebben mij gezegd, dat ik een ziel had. Vroeger wist ik dat niet en het is zulk een voorrecht om te kunnen denken, dat daar” — zij wees met de magere hand omhoog — „alle tranen zullen worden afgewischt, die hier op aarde zijn gestort. Dat te weten maakt het leven tot een lust in plaats van een last.

Uit het verdriet en de ellende van dit leven zweef ik dan, hoog boven de wolken, de gouden stad binnen en ieder, die daar mag komen, heeft de onsterfelijkheid ontvangen en is gelukkig voor altijd, in het eeuwig licht. Daar zie ik dan de engelen; schitterend wit glanzen hun vleugels, zij zingen met gouden stem, de klank hunner harpen vervult het Paradijs en de zweep van den meier en de kerkers van den Ravenhorst zijn er niet meer.

Dat heb ik geleerd in de kerk op den Hohorst, daarom zeg ik nooit wat gij mij beveelt, heer, noòit. Want iets zeggen, dat de waarheid niet is, staat gelijk met groote zonde, zegt de bisschop. En ik wil geen zonde doen. Ik heb liever een onsterfelijke ziel dan olie voor koeken.”

Rolfr Jarl glimlachte niet om het verhevene en alledaagsche, dat hier werd dooreengemengd. Hij fronste opnieuw de wenkbrauwen:

„Goed Lisa, goed, gij hebt gekozen, wacht dan nu de gevolgen maar af.”

Zij zag hem na met donkeren blik.

„De Ravenhorst is hoog, maar hij kan tòch vallen. Niets is tegen het vuur bestand.”

Nog uit de verte hoorde hij haar schamperen lach.

„Oude tooverkol, ’k zal je wel vinden!” De sprake ging immers, dat zij kon sluipen door het kleinste sleutelgat — alzoo was zij een heks. — Hij zòu haar vinden.

„Niets is bestand tegen het vuur,” had zij geroepen. Dat was een bedreiging tegen den Ravenhorst.

„Niets bestand tegen het vuur!”

Zij zou het ervaren aan hut en lijf.

Vaster omklemde zijn vuist de greep van zijn zwaard. Met geheimvolle runen was het ingelegd, wondere kracht bezat het breede lemmet. Want was het niet gesmeed op den dag aan Wodan gewijd, den vierden van iedere week, en bevond zich tusschen de runen geen houtsplinter, gezegend door Donars hamerslag: uit een door den bliksem getroffen boom was die splinter gesneden.

Rolfr wist hoe hij werd gevreesd om dat zwaard: de mare ging, dat het ieder wapen, waarmee het zich kruiste, in stukken deed springen.

Een welgevallige glimlach speelde om zijn mond: geen menschelijk wezen was in staat hem een wond toe te brengen: onder zijn rinkelend maliënkleed droeg hij een slangenhuid aan Loki, den helgod gewijd....

Dien morgen wierp Henno, de visscher, zijn lijn in een plas tusschen den Ravenhorst en den Hohorst. Half verborgen tusschen riet en lisch lag hij en wachtte af wat de dag verder hem schenken zou. Hij was een groote, sterke boer met vlasblond haar, dat hij, naar oud vaderlijk gebruik nog meer bleekte door het te besprenkelen met kalkwater. Zijn wambuis en hozen waren van hertevel — zelf had hij het wild geschoten — onbedekt was zijn hoofd. Vergenoegd floot hij tusschen de tanden — hij had reeds een voordeelige vangst gehad — toen de Jarl verscheen, geharnast van zijn schedel tot den voetzool.

Henno zong — latere eeuwen zouden op deze wijze overzetten het oude volkslied —

„Hi woonde na dien tideop sinen ouden casteelegheen langde dagen meer:den kerker bleefer gesloten,de linden standen te groene,den eenen steene vieleroppe den anderen neer”....

„Hi woonde na dien tideop sinen ouden casteelegheen langde dagen meer:den kerker bleefer gesloten,de linden standen te groene,den eenen steene vieleroppe den anderen neer”....

Rolfr Jarl hechtte sinds den vorigen avond aan voorteekens, al wilde hij dit zich zelven niet bekennen. Oude Lisa had hem bijna hetzelfde nageroepen wat Henno zong. Vroeger zou hij er de schouders over hebben opgehaald, nu verschrikte het hem.

Hij vergat, dat het niet de dingen zelf zijn, die vrees aanjagen, doch de wijze waarop zij worden opgevat.

„Je bent vroolijk, Henno!” Norsch riep hij het hem toe.

Zoodra de visscher hem zag stond hij rechtop. Wel was hij een vrije, maar zijn hoeve had alleen — naar vaderlijke zede — den haag en den sluitbalk als verweermiddel en de tijden waren onrustig, steeds dreigde gevaar. Meer dan eens was hij genoodzaakt geweest met zijn tilbare have een schuilplaats te zoeken op den Ravenhorst.

„Wat stemt u zoo blij? Er is anders niet veel reden toe, dunkt me.”

Henno verschrok van den dreigenden blik, die de woorden onderstreepte. Het was of een mes hem stak. Wat had de Jarl in ’t zin?

„Wees gegroet, heer.” Schier beschroomd klonk zijn stem.

„Heer! Ben ik dat nog? Ik heb u allen beschermd en gevoed als overstrooming dreigde of de krijg ontbrandde. Als de graaf van Kennemerland een inval deed of de keizer kwam met heircracht, als de graaf van Hamelant of Megingos van Gelre stroopte, dan hadt gij mij noodig, dan was ik uw heer. Maar nu ik beleedigd word en bestolen, nu is er niemand, die het voor mij opneemt. Schimpwoorden, spotzangen, dat is mijn dank.”

„Wat is er dan gebeurd, heer?” vroeg Henno verbaasd.

„Moet jij dat nog vragen, lompe dorper! Heb je soms gisteren avond niet mee loopen galmen met een kaars in je knuisten!”

„Hebt gij alleen, heer, dan de vurige roede niet gezien?”

„Even goed als ieder ander, maar mij jaagt men geen schrik aan of er een paar sterren meer of minder aan de lucht staan.”

„Mij ook niet: bisschop Ansfried zegt”....

„Spreek nog eens dien naam uit voor mijn ooren en gij hangt aan den Noorderboom.”

„Ik ben een vrijgeboren man, heer.”

„Ja, dat weet ik wel. Halfr, waar gij van afstamt, kwam met mijn voorvader Roruk in het land. Hij was zijn schilddrager en bleef zijn Jarl trouw.”

Henno wendde den blik af, de herinnering knaagde. Rolfr ging voort:

„Ik geloof niet, dat iemand mij kan veroordeelen, omdat ik het volk tracht terug te brengen tot het oude geloof.”

„Gij doet het op een zachtzinnige wijze. Wie zich tegen u verzet, ondervindt wat dit beteekent,” waagde de visscher te mompelen.

„Je zoudt zeker willen, dat ik niets te zeggen had op mijn eigen goederen?”

Henno had nu zijn mond vol touw; hij knoopte aan een vischnet; hij moest daarom wel zwijgen.

„’t Is een fraaie leer, die zoo’n bisschop verkondigt. „Hebt elkander lief!” Wel aardig om aan te hooren voor een jong paar in de Winnemonath! Maar werd de macht der Noormannen en die van keizer Karel groot door liefde of door geweld en kracht?”

Henno zuchtte: „Dat heb ik niet beleefd, heer! Daar weet ik niet van.”

„En met al dat liefdegepreek is er twist in iedere woning.”

Henno keek in zijn vischkorf.

„’t Is jelui schuld niet, dat je gevangen werdt beestjes. De koorden van het net trokken je en toen was je bij elkaar. Zoo doet bisschop Ansfried ook, Jarl, hij weet het volk bij elkaar te houden, als schapen den herder loopt het hem na. Hoe komt hij aan die macht, heer? Hoe komt hij er aan?

Hij hitst nooit de honden op iemand aan, hij scheldt noch noemt ons „slechte dieven.” Menschen, die vroeger elkander stug voorbij gingen maakt hij tot vrienden en de welgestelden onder ons leert hij de armen te helpen en de vrijen niet laag neer te zien op de hoorigen, omdat God ons allen heeft geschapen.”

„Hm, hm! Dus gij kiest ook de zijde van dien christen? Gij eert het geloof van uw voorgeslacht, noch vreest meer zijn vloek, als gij eens zult verschijnen in Walhalla? Het is ver met u gekomen, Henno. De man die zijn vaderen vergeet heeft geen recht meer iets te verwachten voor zijn zonen.”

De oude Noorsche spreuk, als heilig overgeleverd van geslacht tot geslacht, was hier zoo behendig aangewend, dat de eenvoudige visscher van kleur verschoot. Hij verwachtte zooveel van het leven voor zijn eenig kind! Alles wat dit leven hem zelf had onthouden, hoopte hij voor zijn zoon.

Berouwvol zag hij voor zich:

„Wat wilt gij, dat ik zal doen, Rolfr Jarl?” Deemoedig klonk zijn vraag. Rolfr beproefde een welwillenden klank te leggen in zijn norsche stem:

„Henno, luister eens. Gij zijt verkeerd ingelicht en een man van invloed en gezag in deze streek. Gij behoort tot de oudsten. De raad, dien gij geeft, wordt gevolgd.” — Henno glimlachte gevleid — „En nu weet ge evengoed als ik, wat er tegenwoordig op den Hohorst gebeurt; ge weet hoe dat stuk land met den heuvel mij onwettig wordt onthouden.”

Henno wist niets, maar hij vond het aangenaam gewichtig te schijnen en knikte daarom veelbeteekenend.

„Ongelukkig de man, die wordt vervolgd door den haat van een machtige,” hernam Rolfr bijna vertrouwelijk. „Uit eigenbelang bewerkt de bisschop u allen met mooie woorden; uit hebzucht, om van zijn heerschzucht te zwijgen, heeft hij mij bij den keizer belasterd. Hij wil hier heer zijn, bevelen wil hij op mijn gebied. Daarom vroeg en verkreeg hij den Hohorst.” Weer knikte Henno. Toch antwoordde hij aarzelend:

„De bisschop is een goed man, dat blijft waar. Hij helpt ieder, die het noodig heeft, gevraagd of ongevraagd. De armen uit den omtrek mogen hun middagmaal komen halen op den Hohorst, iederen dag heer, iederen dag! En, om hun te kunnen geven onthoudt de bisschop zich zelven het noodigste. Wie heeft dat voor hem ooit gedaan, wie?”

Rolfr beet zich op de lippen. Hij zeker niet; als slaven, aan lastdieren gelijk, hield hij zijn hoorigen. Dikwerf hadden zij geen middagmaal, dat wist hij, maar als er iets verdween uit spijker of schuur van den Ravenhorst, dan hield hij een drijfjacht op zijn „menschelijk vee”, waarbij vaak schuldeloozen met hun leven voor de schuldigen moesten boeten. Hij drong zijn gedachten terug, en vervolgde streng:

„Niemand heeft ooit durven doen wat de bisschop waagt, dat is waar. Niemand heeft ooit getracht op den aan Wodan gewijden Hohorst een christenkerk te bouwen. Henno, toen Halfr, uw voorvader oud en grijs was geworden en alle hoop hem begaf, dat de schildmaagden hem zouden voeren naar Alvaders hal, uit het heetst van den slag, toen liet hij zich dragen naar den Hohorst. Hij zag de offervlammen opstijgen, hij hoorde den reizang der priesters, toen kleurde zich zijn speerspits met den gloed van de vlam: zij zocht en vond zijn hart. Doorstoken had hij zich met zijn laatste kracht, niet den stroodood wilde hij sterven. Maar toen zijn zonen zich over hem bogen, treurend om zijn einde, op zijn heldendaad fier, toen vingen zij zijn laatste woord op:

„Blijft trouw den goden, trouw onzen Jarl!”

Met zijn zwaard wees Rolfr naar den Ravenhorst, die forsch en machtig oprees tusschen de donkere sparren. Het dichte scherm hunner takken belette zelfs de morgenzon haar gouden lichtsprankels te werpen op het mos. Het was daar donker.

„Henno, ik ben het geloof mijner voorvaderen trouw gebleven, maar gij Henno, gij?” De machtige stem van den Jarl maakte indruk op den visscher. Hij liet het hoofd op de borst zinken.

„Jarl, het hamerteeken of het kruis, ’t is haast hetzelfde. En verleden winter was mijn vrouw ziek en de bisschop gaf haar medicijnen en heeft voor haar gebeden en toen genas zij. Mijn vader en grootvader waren toch ook christenen.”

Als verontschuldigend voegde hij dit er bij.

„Dan rust op u, Henno, een dubbele plicht. Gij moet de goden verzoenen, boete doen ook voor de schuld uwer vaderen. Ik handhaaf op den Ravenhorst het oude geloof en gij, de nakomeling van Halfr, den schilddrager van Roruk, bidt in een christenkerk.”

Henno zag voor zich, berouwvol.

„Dat doen zij tegenwoordig allen. Zij zeggen, dat het oude geloof voorbij is en dan” — tot geheimzinnig gefluister daalde zijn stem — „als het waar is, dat de wereld moet vergaan”....

„Dan is dit het oordeel van Wodan, den oppergod en van Donar, den Donderaar. Geen wonder is het, dat het koren en vlas drijft op het land en de schepen vergaan op de kust. ’t Is de straf van Donar voor de afvalligen. ’t Is de aanvang van de straffen waarmee hij de wereld zal kastijden. De aanvang.”

Het gezicht van den visscher werd wit van angst.

„Zoudt gij dat denken, Jarl! Gelooft gij waarlijk, dat”....

„Dat de wereld zal vergaan door den toorn der goden, ja, dat wéet ik. ’t Is alles leugen wat de christenen zeggen. Donar, de machtige met den vlammenrooden baard, is mij verschenen. Daarom: doe boete, gij redt niet uw eigen leven alleen.”

„Mijn zwakke vrouw en Yglo, mijn zoon! Hij is mijn eenige nu.”

„Doe boete, als in het bijzijn der goden en Yglo zal eens mijn schilddrager wezen.”

„Hij kan zijn ouden vader niet verlaten; scheid ons niet heer, doe ons dat niet aan!”

„Dan zal ik hem breede roeden uitmeten, naast zijn vaders land en Trutha zal vrij zijn om de vrouw te kunnen worden van een vrij man.”

„Heer! O, Jarl! Wat zijt gij goed!” — Het was de tweede maal, dat hij dit hoorde dien morgen. — „Hoe zal ik dit ooit vergelden”....

„Dat zult gij hooren.”

Toen ontwikkelde de Jarl zijn plan en Henno luisterde en boog het hoofd. Waarom liep een rilling door zijn leden?....

Een gillend gezang klonk Rolfr tegen toen hij het erf opreed van een welvarende hoeve, kort nadat hij Henno verlaten en diens belofte had ontvangen. Een stapel honigkoeken lag op den disch van ongeschaafd hout; groote, ruw bewerkte drinkhoorns schuimden gevuld met bruin gerstebier; visch roosterde op een walmend kolenvuur. Het gaf een ondraaglijke lucht in het lage vertrek, waar toch de smook reeds dicht opklom tegen de bruine balken. Niemand sloeg hier acht op of dacht er aan de tafel naar buiten te dragen in de schaduw van olm en esch, naast de frissche bron. Ongeschoeide voeten trappelden dansend op den bodem van vastgestampte klei; ruwe stemmen zongen krijschend....

„Wat is hier te doen?” vroeg de Jarl verwonderd.

„Vrouw, den grooten hoorn, schenk den hoorn van mijn oudvader vol! Wij zullen den Jarl toedrinken, voor ’t laatst. Heil Rolfr Jarl! Het verga hem goed bij Wodan als de Ravenhorst brandt!”

Weer hetzelfde! Voor de derde maal! Bezwerend maakte Rolfr Jarl het hamerteeken.

„Wat voert gij allen uit?” vroeg hij nog eens.

„Pleizier maken, zoolang de wereld nog staat, waar zij stond. Die barst nu toch gauw uit mekaar, zeggen ze!”

Rolfr zag doodsangst flikkeren in de oogen, die hem aanstaarden door het masker der brooddronkenheid. En weer zong en joelde de dolle bende en allen dronken en klonken op het vergaan der wereld.

„Walger, dat geraas moet ophouden, dadelijk! Ik kan mijn eigen woorden niet verstaan,” beval hij den boer.

„Vrouw, jongens, scheid uit! Heidaar, jullie meiden!” — dit tot zijn dochters en vrouwelijke verwanten — ransel je met mijn zweep het erf af als je niet zwijgt! De Jarl heeft wat te zeggen!”

„Wat geven wij daarom! Laat hij zijn mond houden! ’t Is toch met ons gedaan!” Onverschillig klonk het terug.

De diepliggende oogen van Rolfr kregen weer den stekenden blik, dien ieder in den omtrek kende en vreesde.

„’t Zal zeker gauw gedaan zijn, maar eer de wereld vergaat, heeft mijn beul nog wel den tijd u allen te roosteren als nu die visch daar!”

De vrouw van Walger verschoot van kleur.

„Jarl, o, Jarl! Doe ons toch geen kwaad! Uit angst zijn wij vroolijk. Denk toch aan die vreeselijke ster met de roede van vuur! Iederen dag groeit die aan zeggen ze, en eindelijk steekt zij de wereld in brand. O, o!”....

„Jarl, ik heb een gouden spang. Gevonden heb ik die in....”

„Gestolen, meent ge!” Grimmig sneed Rolfr aan Imma, de dochter van Walger, het woord af.

„Neen, Jarl, waarlijk.... bij de rivier”....

„Dan behoort ze mij. Alles wat wordt gevonden op het land of in het vischwater van den landheer komt hem alleen toe. Branden zult ge dievegge en hangen er bij!”

„O, heer, heer! Erbarming, genade!”....

De nieuwe schrik maakte den geheelen troep nuchter. Zij kropen voor hem in het stof. Rolfr zag het met welgevallen. Om ze nu te kunnen vertrappen, allemaal die ellendige boeren! Maar hij had ze noodig, vooralsnog.

„Luistert, gij allen. Of de wereld zal vergaan of behouden blijven, dat ligt in uw eigen macht.”

„Wij, wij! Wat zouden wij arme stakkerds daaraan kunnen doen!”

„Ja, dat kunt gij wèl, als gij doet wat ik zeg. Keert weer tot de oude goden, dan is alle gevaar voorbij. Om den afval van hun geloof dreigen zij de wereld met ondergang, de menschen met den dood.

Komt alzoo hedenavond bij den grafheuvel van Roruk en gij zult allen hooren wat u te doen staat om eigen leven te redden en de wereld er bij. Wees niet bang” — dit tot Imma, die nog altijd voor hem knielde — „die spang moogt ge houden, ik vraag niet meer naar de herkomst. Daar hebt ge nog een ring van roodgoud er bij.” Hij wierp haar een ring toe en ontving van de gedachtelooze bende de belofte, die hij begeerde.

Het opnieuw brullend uitgeschreeuwde lied van Wodans wilde jacht dreef zelfs hem op de vlucht....

Yglo, Henno’s zoon, kwam dien middag thuis van de jacht. Een reebok hing dwars over zijn schouder. Hij was een kloeke, jonge man, twee heldere oogen lichtten als sterren in zijn schrander gelaat. Hij vond zijn vader bezig het oude, roestige zwaard op te poetsen van Halfr, den schilddrager.

„Wat zijt gij van plan, vader? Is er een inval van de Denen te vreezen?”

Henno schudde zuchtend het hoofd:

„Dat was nog het ergste niet. Maar Yglo, dat andere, je weet wel. Gisteren zijn wij allen als boetelingen naar de kerk gegaan van den bisschop en nu zegt Rolfr Jarl, dat het de goden zijn die toornen, en dat daarom de wereld.... O, Yglo, ik ben oud en afgeleefd en als ik vergaan moet dan zal ik vergaan, Alvader moge mij richten, maar dat jij, zoo jong, in den bloei van je leven.... En ik had zoo gehoopt jou althans gelukkig te zien.

Je bent de eenige van mijn kinderen, die ik mocht behouden. En, dat is nu alles om den afval onzer vaderen van het oude geloof.”

De eerlijke stem van Henno stierf weg, gesmoord in snikken. De droefheid, die zijn welmeenend, braaf gezicht teekende, was deerniswaardig.

Yglo had zwijgend geluisterd, eerst niet recht begrijpend, nu sloeg hij zijn door verdriet neergebogen vader den arm om den schouder.

„Vader, bedaar, kom tot u zelven. Wat over ons is besloten kan wanhoop noch vrees van ons afwenden. Houd echter moed. Heeft bisschop Ansfried ons niet geleerd, hoe de Heer zelf heeft gezegd: „Van dezen dag en deze ure weet niemand.” Hoe kunnen dan menschen een gebeurtenis bepalen, die zelfs verborgen bleef voor Gods eigen Zoon?”

„Maar omdat ons voorgeslacht, ten tijde van keizer Karel, van de goden is afgevallen, komt thans het oordeel over ons. Het christendom is het rechte geloof niet, zegt Rolfr Jarl. En die weet zooveel, hij is overal geweest in de wereld.”

„Wat aan koren gelijk is, zou Rolfr van den Ravenhorst gaarne tot onkruid maken. Vader, kunt gij nog hechten aan de heidensche dwalingen?”

„Wat zou Rolfr Jarl er dan mee voor hebben om ons te waarschuwen?”

„Kunnen wij beoordeelen wat hem drijft? Medelijden met ons lot zeker niet. Daar heeft hij nooit blijk van gegeven.”

Yglo had met diepen wrok gesproken, zijn vader wist de reden. De blonde Trutha was hofhoorige op den Ravenhorst. Tevergeefs had de visscher aangeboden het vereischte losgeld voor haar te betalen: twee koeien en een weldoorvoed schaap. De eisch van Rolfr Jarl luidde, dat Yglo zich zou voegen tot dezelfde hoorigheid als Trutha, dan alleen wilde hij zijn toestemming geven tot hethuwelijk[8]. De tranen van Trutha hadden wellicht bewerkt, dat Yglo zich driemaal boog onder den galg op den Ravenhorst, dat hij, de vrij geborene, zich daar het hoofd liet scheren, wat hem voor altijd tot den gelijke zou maken der eigenhoorigen — de wanhoop van zijn vader hield hem terug.

„De gelijke van een lagen knecht, een strik van hennep om den hals, gij! Wel zijn wij, door den nood der tijden, gedaald, doch onze stamvader droeg een Viking het schild, hij was hem het naast in den slag. Yglo, heb geduld tot gij mij ter ruste legt aan den rand van het vrijthof. Het zal niet lang meer duren.” — —

En Yglo boog het hoofd, met de gelofte zijn vader een smart te besparen, die zijn leven zou breken, maar somber werd zijn blik, vastopelkaar geklemd bleven zijn lippen, die tot wit verschoten toen de meier van den Ravenhorst hem meedeelde, dat Rolfr Jarl op het Midzomerfeest Trutha zou toewijzen aan een zijner keurmedigen. Wat kon, bij verzet, voor haar volgen dan de dood? Rolfr Jarl bezat de macht en het recht, zijn hoorigen te dwingen tot slaafsche gehoorzaamheid. Trutha’s blos verbleekte, geen lied klonk meer uit haar mond, wellicht was zij dichter bij het vrijthof dan Yglo’s oude vader.... Hoeveel levensgeluk Rolfr Jarl verwoestte door éen norsch bevel, hoeveel levensleed hij veroorzaakte — wie vroeg daarnaar? Hij bezat de macht....

En thans was hij gekomen en Trutha zou vrij zijn, vrij als de vogel in de struiken, als, als.... Fluisterend, aarzelend schier, deelde Henno zijn zoon mee wat van hem werd verlangd en, gebroken door den tweestrijd, die woelde in zijn borst, nam hij eindelijk het zwaard, dat zijn vader hem reikte en deze zegende hem, maar zijn kranke moeder — zwijgend had zij alles aangehoord — schreide....

Van hoeve tot hoeve ging Yglo, bij al de vrijen in den omtrek tot zelfs naar Bacheforth om hen te nooden, het zwaard in de hand, naar oud vaderlijke zede, bij den grafheuvel van Roruk, dien avond als de maan zou zijn gerezen boven de toppen der boomen.

Hij kwam voorbij den grafheuvel. Hoog lagen de zware steenblokken opgestapeld. Reuzen hadden hem eenmaal gebouwd, naar het volk geloofde. De sporen hunner vingers, waar zij de steenen hadden aangevat, waren nog zichtbaar.

Streng was door de geestelijken der christelijke kerk daar het offeren verboden. „Een werk des duivels,” noemden zij die oude grafheuvels.

En thans ging Yglo de hoevelingen oproepen om zich te verzamelen op die verboden plaats....

Onrustig sloeg zijn hart; een misdadiger voelde hij zich — hij, een christen, zou.... Met geweld verdreef hij die gedachte. Het gold immers zijn levensgeluk, het gold Trutha te redden van een lot wreeder dan de dood.

„Wat baat het een mensch of hij de gansche wereld wint en schade lijdt aan zijn ziel?”....

Waarom kon hij dat heilige woord niet vergeten? Stond het te lezen op het glinsterend watervlak van de Eem, schreef de zon het met gouden lichtvonken op de bladeren der boomen, las hij het op de steenen aan zijn voet?

„Wat baat het een mensch”.... Ook Trutha was een christin, niet slechts met de lippen, dat wist hij. „Wat baat het een mensch”....

Sneller ging hij voort, het zwaard brandde in zijn vuist, heftiger sloegen zijn polsen, maar verder ging hij, volgens Rolfr Jarls wil en bevel, verder....

[5]Karel, hij was de geliefdsteEn hij was de beste.Hij stichtte en stierdeTrouwe en waarheid,En hij zette der koningengiften,[6]En aller lieden keurenEn LandrechtEn alle landen elk zijn recht.[6]„Hij stelde koninklijke vergunningen vast, gaf ons belangrijke rechten en vrijheden.”In het oude Hunsingoërlandrecht van 1252 vindt men in de voorrede dit fragment van een oud Friesch volkslied, dat blijkbaar veel ouder is dan de kronieken en boeken, waarin het voor het eerst werd opgeteekend.[7]Noordewier. Nederl. Rechtsoudheden.[8]Noordewier: Ned. Rechtsoudh. 126.

[5]

Karel, hij was de geliefdsteEn hij was de beste.Hij stichtte en stierdeTrouwe en waarheid,En hij zette der koningengiften,[6]En aller lieden keurenEn LandrechtEn alle landen elk zijn recht.

Karel, hij was de geliefdsteEn hij was de beste.Hij stichtte en stierdeTrouwe en waarheid,En hij zette der koningengiften,[6]En aller lieden keurenEn LandrechtEn alle landen elk zijn recht.

[6]„Hij stelde koninklijke vergunningen vast, gaf ons belangrijke rechten en vrijheden.”

In het oude Hunsingoërlandrecht van 1252 vindt men in de voorrede dit fragment van een oud Friesch volkslied, dat blijkbaar veel ouder is dan de kronieken en boeken, waarin het voor het eerst werd opgeteekend.

[7]Noordewier. Nederl. Rechtsoudheden.

[8]Noordewier: Ned. Rechtsoudh. 126.

Blonde Trutha dwaalde in haar wit geplooid lijfje en zelfgeweven rok van grof wadmer langs de smalle paden van moeras en bosch. Haar kleine voeten waren bloot; kortgeknipt — wat haar als onvrije kenmerkte — de kroezende haren. Om kruiden te zoeken was zij uitgezonden door vrouw Sigrid — niemand in de gansche streek kon beter artsenijen mengen dan zij. Het deed de bijgeloovige vrees, die het landvolk voor haar koesterde, nog toenemen.

Een zwaren bundel had Trutha reeds bijeengegaard. Een vroolijk lentelied klonk van haar lippen, het eerste sinds vele maanden. Zij wist reeds van den omkeer in haar lot: Yglo had haar het groote, gelukkige nieuws verteld, haperend, vol vreugd en — vol geheimen angst.

Trutha zong: de hemel zag zoo lachend blauw en de velden bloeiden. O, die schoone aarde, zij kòn immers niet vergaan! God was zoo goed, Hij maakte haar zoo gelukkig. Waarom zou Hij dat niet Zijn heele wereld doen?

Een schaduw viel over den rozelaar, waarvan zij de bleekroode bloemen plukte; met porceleine en honig gekookt zouden zij een veel begeerd middel schenken voor de gevreesde koorts, waartegen zoo menigmaal bezweringen noch aderlaten hielpen.

Zij zag op, een uitroep van eerbied waarin genegenheid zich mengde, ontsnapte haar:

„De bisschop!....”

Bisschop Ansfried glimlachte. Hij droeg weer het eenvoudige, zwarte ordekleed. Zijn forsche gestalte scheen meer die van een krijgsman dan van een geestelijke, maar slechts goedheid was in den glimlach, waarmee hij zich tot het meisje wendde.

„Uw lied lokte mij hierheen. Ik verheugde mij er over, want een opgewekte christenzin is God aangenaam. Wat stemt u zoo blij, mijn kind?”

Het stralend gezichtje werd tot hem opgeheven, de roode lippen fluisterden: „Heer bisschop, ik ben zoo gelukkig.”

„Gelukkig is ieder, die Gods wegen gaat, niet zijn eigen weg. Doet ge dat ook, mijn dochter?”

Trutha bloosde, zij dacht aan Yglo’s woorden en aan Rolfr Jarls eisch. Wist de bisschop?.... Of kon hij lezen in de harten der menschen, zooals soms werd gefluisterd, en was wat anderen dachten hem bekend?

Zij geloofde het nu. Antwoordde zij daarom zonder te weten, dat zij dit deed op haar eigen gedachten: „Niets kan het gemis vergoeden van iemand dien men zoo echt lief heeft. Ik ben zoo bedroefd geweest, zoo lang, en nu....”

„Nu zult ge misschien nog meer tranen storten, arm kind! Als gij God verlaat om aardsch geluk, dan zal dat geluk u verlaten.”

Het was waar: bisschop Ansfried wist alles! Dan wist hij ook, dat Yglo bij den ouden grafheuvel....

Het was of er iets schreide in haar hart; zij behoorde tot de christengemeente evenals Yglo, evenals hij!... Hoe menigmaal had hun bij het verdriet, dat hen overstelpte, de gedachte kracht ingestort en nieuwen moed, dat God hun levenslot bestuurde. En thans.... Mochten zij om aardsch geluk vergeten wat onvergankelijk was en eeuwig? Het natuurkind kon niet onder woorden brengen, wat zij diep gevoelde, maar zij wist, dat thans berekening haar daden bestuurde — brak er iets in haar binnenste?

Zacht raakte de hand van den bisschop haar schouder aan.

„Mijn kind, het leven is maar kort. Het gaat voorbij als een nevel en al zijn moeiten en teleurstellingen zullen zoo nietig schijnen, als zij worden gemeten met de maat der eeuwigheid. Thans ligt dat leven nog zoo lang voor u, maar als gij er eens op terugziet in uw grijsheid zult ge zeggen: „Het was een schaduw op den wand der oneindigheid.” En al uw wenschen en uw plannen, gevormd in de jaren, die dan lang, lang voorbij zijn, zullen zoo onbeduidend lijken bij de groote eeuwigheid, die ons wacht en allen, die Gods wil deden op aarde, het geluk schenkt, dat geen einde meer nemen zal. Wie God vasthoudt heeft niets verloren, al begeeft de geheele wereld hem, doch wie Hem verlaat, verliest alles.”

Trutha liet het hoofdje hangen, de overgang was zoo groot, zoo plotseling. Maar, wat haar te doen stond zag zij duidelijk — al was het bitter en zwaar — omdat zij in haar schuldeloos hart voelde wat recht was en plicht. Eenvoudig en dapper nam zij haar besluit, maar het scheen ineens donker voor haar oogen en de tranen schoten haar in de keel.

„O, heer bisschop, ik zal mijn best doen, dat zal ik waarlijk om niet meer het meest te denken aan Yglo en aan ons geluk. Maar het was zoo heerlijk en de zon scheen en nu lijkt alles zwart en ’t is of ik loop op brandnetels of die steken in mijn hart. Het doet zoo’n pijn. Overal is onkruid waar vroeger bloemen bloeiden. ’t Is zoo erg alles te moeten opgeven, nu ik dacht, dat het geluk was gekomen. Dan blijf ik een hoorige en dan is alles verdriet, mijn heele leven!...

O, maar ik zal doen wat ik kan, om geduldig te wezen; God weet alleen wat goed voor mij is, als Hij mij dan maar wil helpen.” — —

Snikken braken haar woorden. Meer bewogen dan hij wilde schijnen legde de bisschop haar de hand op het voorhoofd en het was Trutha of een wolk van zegen op haar neerdaalde:

„Mijn kleine heldin, houd moed en wees goed. Gods wegen zijn niet onze wegen, maar wat ons nu een last lijkt, zal eenmaal wellicht blijken een licht te zijn geweest, dat ons den weg wees naar huis.

God geeft niemand te veel om te dragen en als wij ons eenzaam voelen en zielsbedroefd zijn, is het om ons te brengen tot Hem. Doe wat Hij wil, niet wat gij wilt, dan is het goed, hier op aarde en in het eeuwige land.”

Het werd reeds minder donker voor Trutha’s oogen: ook de nacht bezit zijn sterren. Zij dacht aan de dwalende lichten, die zij soms had zien zweven boven het moeras: was zóó het geluk geweest, dat zij had verwacht? Vluchtig, tijdelijk, verschenen en verdwenen....

Haar zachte oogen zochten den hemel waaraan het groote licht straalde, de flauwe afschaduwing der Onsterfelijke Liefde. Neen, het was niet alleen duisternis meer.

„God zal mij helpen, ik wil sterk zijn en goed”....

Zij boog het jonge hoofd, evenals de zwakke korenaar, die den storm voelt naderen.

Maar de orkaan spaart, als hij den forschen eik ontwortelt, de gouden garven, die lijdzaam buigen voor zijn macht.

Alleen in het midden van den zomer, als de zon het hoogst aan den hemel stond, verhelderden haar stralen de geheimzinnige schaduwen, die zweefden boven den grafheuvel van Roruk. Hier vlochten donkere beukentakken en dicht eikenloof een verward net, terwijl, schier verborgen door die groene bladerenzee, een half verdroogde bron murmelde met gedempt ruischen. Het klonk als geheimzinnige stemmen uit het ver weleer.

Een man stond op die plek, door ieder voor wien de overleveringen uit den heidenschen tijd nog waarde bezaten, gevreesd als een verzamelplaats der geduchte zwartalven, door de christenen vermeden als een vereenigingsoord van booze geesten.

Want donker en vol bijgeloof was de tijd en de geestelijken, waarvan velen in verlichting en ontwikkeling den leeken slechts weinig vooruit waren, geloofden zelf aan het bestaan van booze geesten en beschouwden de voormalige heidensche vrijthoven en offerplaatsen, — waarheen het iederen leek streng was verboden zich te begeven, om de herinnering aan den vroegeren eeredienst te eerder uit te roeien, als hun natuurlijke verzamelplaats. En thans stond op de plek, waarboven sage en overlevering hun dichten sluier weefden, die de eenvoudige landbewoners zelfs vermeden bij lichten dag, de eenzame gestalte van een man in het geheimzinnig uur, dat de maan haar zilverschijn goot over de toppen der boomen. Het was Rolfr Jarl. Zijn linker hand leunde op een der reusachtige steenen, ieder op zich zelf een rotsblok gelijk, de andere omklemde het zwaard. Over de vlakte zwierven zijn oogen. In een wijden cirkel had zich, aan den boschrand, zijn lijfwacht opgesteld, tot de tanden gewapend met schild en speer, met zwaard en heirbijl; dicht genoeg bij den grafheuvel om elken onbescheiden indringer te weren, op een voldoenden afstand om geen woord te kunnen opvangen der beraadslagingen. Zij bleven niet de eenige menschelijke wezens op die stille plaats bij het weifelend maanlicht:

Wemelende stralen gloeiden op tusschen de dennen of wierpen vonken over de slingerende, slechts den ingewijde bekende paden van het moeras. Omstraald door den glans der toortsen, die zij droegen, naderden de vrije hoevelingen van den ganschen omtrek. Yglo had zijn taak goed volbracht. Opontboden in naam van Rolfr Jarl kwamen allen. Uit vrees de meesten, uit nieuwsgierigheid velen, enkelen uit belangstelling. Hij zag het. Hooger scheen zijn gestalte te rijzen, terwijl zijn hand zich vaster legde op den kouden, eens door reuzen gehouwen en opgestapelden steen. Gevoelde hij, dat ook hij reuzenkracht zou behoeven bij het waagstuk, dat hij ging volvoeren? Zijn lippen prevelden:

„Zal ik slagen? De christelijke godsdienst heerscht, dat is een onloochenbaar feit. De domme menigte ziet met een eerbied, die grenst aan ontzag, op tot de christenpredikers, als tot lieden van een hoogere orde. Zij gelooft, dat die God nader staan dan de overige menschheid en vrees volbrengt vaak wat zachtheid te vergeefs vroeg.”

Hij balde de vuist:

„O, kon ik hen evenzoo voor mij doen vreezen, doen kruipen voor mijn wil. Maar allen zijn verdeeld, weifelachtig de meesten.”

„Zijt gij een man, die woorden van aarzeling spreekt, in dit uur? Wie twijfelt aan zich zelven, aan zijn zaak, lijdt de nederlaag.” Een doffe stem sprak langzaam, doordringend die woorden. Zij gingen hem door merg en been; verschrikt wendde hij zich om. Een vrouw stond voor hem, dichtgesluierd, lange, grijze haren zwierden haar ordeloos over den rug, in de hand hield zij een knoestigen staf door een slangenhuid omwonden, een eikenkrans ritselde om haar slapen.

Rolfr Jarl was stoutmoedig gelijk zijn gansche volk, thans echter beklemde hem het bovennatuurlijke.

„Wie zijt gij?” vroeg hij ontzet.

„Een der ziensters van het volk, dat eenmaal gehuld in zijn stierenhuid, de rosse lokken ongeschoren, trad door de wouden van dit land als meester en heer.”

„Een Druïde alzoo!”

Reeds boog zich de trotsche Jarl aan den voet der witte vrouw.

Zij ontrukte hem verachtelijk den zoom van haar kleed.

„Raak mij niet aan, nietige sterveling! Uw weifelen, uw aarzelende woorden, hier, op deze plaats den voorvaderen heilig, wekten mij uit een rust van eeuwen her.

Lafaard! Waad door bloed als het moet, maar bereik uw doel. Zijt gij een man, die zich zwak voelt op het beslissende oogenblik? Waant gij, dat de goden zulk een erbarmelijk wezen als gij zijt, zullen steunen?”

Het gezicht van Rolfr Jarl vertrok van woede bij dien smaad, het scheen een oogenblik alsof hij zich op de vrouw zou werpen, die waagde hem te beschimpen, gelijk het roofdier zich werpt op zijn prooi. Slechts éen oogenblik: het ontzag voor de zienster, dat hij met alle Germaansche volken deelde, bedwong ook hem. Hij, wiens zwaard uit de scheede vloog bij het minste verzet van bloedmaag of strijdgenoot, deed, wat hij tot nu toe voor onmogelijk zou hebben gehouden: opnieuw boog hij zich voor de onbekende, die hem haar verachting tegenslingerde.

„Machtige zienster! Wat eischen de goden?”

Hoe deemoedig klonk die trotsche stem!

„Dat gij uw jammerklachten staakt en gelooft aan uw roeping. Dit is de eerste eisch tot welslagen. Spreek tot het volk in naam der goden en zij, de geduchten, zullen u de kracht leeren kennen van het gevleugeld woord. Bij u berust de macht om de vereering, die zoo velen koesteren voor dien christenbisschop op den Hohorst, te doen verkeeren in afschuw en haat. En kiest gij het rechte woord, zoo verschijn ik ter rechter tijd, wanneer, onverhoopt, de zege u nog dreigt te ontgaan.”

Met de hand wees zij naar het struikgewas. Een jong rund zag hij, de hoornen omwonden met veelkleurige linten, met kransen omstrikt, door roode koorden gebonden aan een boomstam. „Het offer aan de goden! Breng het trouw, naar recht en rede, gebruik en zede der vroede vaderen, opdat de goden geven goede gaven, zegenen in huis en have, wie verwachten vreugd en voorspoed van hun wil en macht!”

Haar woorden behelsden alleen een belofte van aardschen voorspoed en geluk. Maar dat begreep de spreekster evenmin als Rolfr Jarl, die, terwijl zij met een vluchtig handgebaar verdween tusschen de struiken, zich voelde aangegord met dubbele kracht. Rechtop stond hij als een overwinnaar en — de strijd lag nog voor hem. Door een gebroken wolk viel het maanlicht op zijn forsche trekken. De landbewoners, die nu in den kring der eiken traden, zagen tot hem op met schuwe vrees. Zij gevoelden, dat hij geloofde aan zich zelven en zijn kracht, maar ook, dat hij zou vertreden en omverwerpen zonder genade of recht wat hem in den weg stond.

Als machthebbende hief hij de hand op, zijn woorden dreunden, het was of de geheimzinnige stemmen van het woud ze terugkaatsten met onheilspellenden klank:

„Ik heb u allen hier geroepen, omdat een geweldige beslissing ons wacht. Voelt gij hem niet op deze heilige plek: Wodans ademtocht; is het u niet of een bedreiging klinkt in het geluid van den nachtwind? Kan het anders? Welk licht lokt en vleit, dwalend over de vlakte, heenschemerend door de boomen als wilde het u allen wenken tot uw verderf?”

Zijn zwaardspits wees de richting aan, zij zagen allen het licht, dat blonk op de hoogte, dat straalde in den nacht als een eenzame ster.

„Daar ligt de Hohorst, de heuvel van Wodan! De eeuwen door werd hij daar vereerd, de machtige, te midden der plechtige stilte van het ruischende woud. Daarheen riepen de priesters het volk, om het te brengen, als voor het aangezicht der goden, wanneer de vlammen rezen bij het plechtig offer hun gewijd.

En thans?

Vergruisd ligt Wodans heilig beeld en wanneer iemand nog hierheen zijn schreden richt, dan rijst minachting in zijn blik of krult de spot zijn lippen voor den „heidenschen” afgod! Waar zijn de geloovigen, die in vroegere eeuwen opgingen met juichend hoorngeschal en plechtige reizangen Alvader ter eere? Waar zijn zij?

Is het wonder, dat de goden u willen verdelgen, nu gij hen vergeet en de wereld hen met u? Door wiens schuld? Wie hebben de beelden der goden verbrand, de menschen, die hun offerden verdelgd van den aardbodem, te vuur en te zwaard? De Franken! De belijders van den Gekruisigde, de Evangeliedienaars, gesteund door het zwaard en de speer der machtige Frankische vorsten. De dooden uit de geslachten, die u voorgingen, mochten niet meer worden neergevlijd op den houtmijt, als het leven was gebluscht in hun blik; begraven werden zij op last van den Frank en ieder lichaam, dat zij de zuiverende vlammen weigerden, droeg de bloedige litteekens van de felle worsteling, eens door den levende gestreden, voor de vrijheid der vaderen, voor hun geloof in de eeuwige goden. De Franken versloegen de vrije mannen, allen. Op last der dienaars eener leer, welke zij het Evangelie der liefde en der barmhartigheid noemen, deden zij dat. Een geheel geslacht roept tot u om wraak en gij aarzelt nog, gij aarzelt?”

Als in razenden hartstocht, gedreven door vlammenden toorn, hief hij de handen op naar den maanlichten avondhemel:

„Wodan, hoor mij, gij machtige, alwetende! Fosite, rechter der goden en der menschen richt ook mij! Werp mij Höller, den helgod, voor als aas, richt uw donderkeil en tref mijn schuldig hoofd, o, Donar, wanneer ik ooit mijn eed breek! Hoort hem: „Niet rusten zal ik bij dag of bij nacht, de slaap zal mijn sponde vlieden, spijs noch drank aanraken mijn lippen, eer ik u heb gewroken aan hen, die zich verbonden tegen u! Weg met de christenen! Uitgeroeid zullen zij worden als giftig addergebroed, als het woud, dat opgaat in vuur, wanneer Donar zijn bliksem slingert in de dichte stammen. Hoort mij, geweldige goden, hoort mij! Wanneer de vereering voor u is gebluscht in de harten der menschen, zoo zal ik alleen den strijd wagen, en gij zult mijn arm sterken, opdat allen erkennen dat gij zijt de machtigste, de hoogste!” Plechtig, doordringend had zijn stem geklonken, thans zweeg hij uitgeput, maar een storm van bijval verhief zich onder de ademloos luisterenden, een loeiende storm.

Wakker geschud hadden zijn woorden de herinnering aan verdrukking en onnoemelijk lijden, waarvan het verhaal die eenvoudigen was overgeleverd van geslacht tot geslacht. Hun voorvaderen hadden den godsdienst der christenen gehaat, omdat die hun was opgedrongen door vreemdelingen, welke zij vereenzelvigden met de Franken, hun vreemde overheerschers. In de tijden van verdrukking en vervolging, die aanvingen met den eersten inval der Denen in de pas gekerstende, nauwelijks tot rust gekomen landstreken, hadden zeer velen den nieuwen godsdienst vergeten: slechts met de lippen waren zij belijders geweest — uit vrees. Het geheimzinnige waas, dat den naam Wodan omgeven had, bleef zijn invloed behouden. Nog altijd luisterden velen, zeer velen vol eerbied naar de overleveringen, die verhaalden van zijn grootheid en wondermacht. Hij was de Alvader, de wilde jager, die de aarde zegende als hij voorbijjoeg, gehuld in zijn wolkenmantel, aan het hoofd van zijn godenstoet, in den bruisenden storm van den lentenacht. Anderen vereerden de oude goden onder nieuwe namen. Niet Freya’s beeld werd meer in de Meimaand met bloemen omvlochten; op het altaar van Maria werden de geurige bloesemkransen gelegd. Alvader heette voortaan God, Höller, de helgod, werd vereenzelvigd met den duivel der christelijke leer. Slechts in weinige harten viel het zaad van het zuivere Evangelie, om opwassend dikwerf te worden verstikt door het onkruid van het bijgeloof. Somber was de tijd en duisternis heerschte in de harten der menschen.

En thans zou de wereld vergaan om hun afval en redden konden zij hun bedreigd bestaan, en de wereld bewaren voor ondergang als, als....

O, verwarring van gedachten, o, aarzeling van plannen en wenschen, gewekt door radeloozen twijfel en doodsangst voor het dreigend, met iederen dag meer naderkomend gevaar!....

Walger was de eerste die sprak. Met zijn ruwen lach barstte hij los:

„Wat kunnen wij nog verwachten van Wodan? Hij is dood. Als hij leefde zou hij reeds lang zijn macht hebben getoond. Sinds twee eeuwen is hij gezwicht voor de christenen. Wat vermogen de dooden? Hij is dood!”....

„Dood!”.... Holle stemmen herhaalden beteekenisvol het ontzagwekkende woord en het was alsof zij een echo opriepen in de wijde verte, in het donkere woud.

Rolfr Jarl hief de hand op. Was het een waarschuwing of een bedreiging?

„Dood, zegt gij, Wodan dood? Ja, voor u ongeloovige lafaard, maar herleven zal hij om u te straffen voor dien hoon!”

„Hoe weet gij dat, edele Jarl?”

„Voor mij, Wodans gunstgenoot, is niets verborgen.”

Zegevierend zag de Jarl in het rond, maar Walgers grove stem antwoordde spottend:

„Waarom raadpleegt gij dan het offer nog? Ik zie het offerdier reeds gereed staan.”

„Om zinneloozen, als gij zijt, te overtuigen, om hen te redden van Wodans vergelding en van Donars wraak.”

Maar weer haalde Walger hardnekkig de schouders op:

„Als gij alles weet, is het u ook bekend of ik nog voor overtuiging vatbaar ben. Mijn vrouw zegt — en die wou niet, dat ik hierheen ging — als de wereld verbrandt, dan doet ze dat, en als ze blijft bestaan, dan doet ze dat niet. ’t Is alles zooals ’t is.”

„Gij spot met Wodans macht. Hij zal zich wreken!” hernam Rolfr Jarl gestreng. „Ik zie uw noodlot naderen! Wee u! Wee!”....

Zijn oogen staarden in de verte, afwerend strekten zich zijn handen uit.

Opnieuw opende Walger den mond voor een onverschillig antwoord, maar verschrikte handen trokken hem terug, het verder spreken werd hem belet door een stem schor van angst, dof van ontzetting. Een der wachten, die aan den boschrand op post stond, kwam; bijna kermend riep hij:

„De vlammende roede! Daar is zij weer, dáár!”....

Strakke oogen, met levenloozen blik, zochten den nachthemel, waaraan opnieuw de gevreesde komeet fonkelde. Ter aarde bogen zich de hoofden, de handen woelden krampachtig in het stof van den bodem en dezelfde lippen die, een etmaal te voren, hadden gebeden in de kerk der christenen, riepen thans tot Wodan om bijstand en redding, met stemmen onverstaanbaar van vrees en wanhoop.

Een zegevierende glimlach speelde om de dunne lippen van Rolfr Jarl. De doodsangst van het volk bevorderde zijn plannen....

„Vreest niet! Wodan redt wie op hem vertrouwt! Zijn vlammende speer — gij ziet haar tusschen Muspelheims vuurvonken — treft alleen de ongeloovigen.”

Zijn luide stem klonk boven het kermen en de radelooze kreten der van ontzetting schier verstijfde menigte. Maar de uitroep van jubel en verlossing, die hij verwachtte, bleef uit. Kwam het, doordat Henno, alles vergetend wat de Jarl had beloofd, plotseling, vastbesloten — legde het vlammende zwaard in de wolken hem zijn woorden op de lippen? — stond te midden van het knielende volk.

„Gij kunt beweren wat gij wilt, maar ik geloof in Gods almacht, waaraan iedere macht der wereld is onderworpen, ook Wodans macht, zooals die vroeger bestond.”

„Gij zùlt overtuigd worden, willooze twijfelaar. Te laat zult gij uw aarzeling beklagen! Geen oogenblik blijft gij uzelf gelijk!”

Als het weerlicht, verzengend wat het aanraakt, was de stem van den Jarl.

„Henno! Henno! nog dezen middag kwam Yglo, uw zoon, tot ons met uw goedkeuring!”

Bevende stemmen riepen het verbijsterd; allen zagen het vreeselijke teeken aan de lucht. En weer klonk de stem van Rolfr Jarl met dreunende klem:

„Vreest niet, gij allen! Ik weet wat Henno denkt. Voor de twijfelenden met oprecht hart is vergeving bij den Alvader.”

„Alvader moest wel blind zijn, als hij niet zag hoe ieder twijfelt of slechts uit doodsangst zich tot gelooven dwingt,” mompelde Henno.

Weer scheen een vuurstraal uit de oogen te schieten van den Jarl.

„Uw ongeloof ontvangt weldra haar loon. Het zal Wodan niet zwaar vallen u te vernietigen!”

Zijn stem overheerschte opnieuw elk geluid, en te midden eener nu invallende doodsche stilte, trad hij toe op het uit graszoden opgehoogde altaar. Het waren zeer bleeke gelaatstrekken, die tot hem werden opgeheven en ieder zijner bewegingen volgden.

„Heer, smeek Alvader voor ons! Wij twijfelen niet langer aan zijn bestaan!” mompelde een grijsaard, bevend.

Hij begreep niet welk een waarheid hij uitte in gebrekkigen vorm. Rolfr antwoordde niet. Hoog zwaaide zijn hand het offermes, het lemmet weerspiegelde den vuurgloed. Als een bliksemstraal schoot het lemmet door de keel van het met linten en bloemen versierde rund, dof brullend stortte het stuiptrekkend neer. Onder het uitstooten van onsamenhangende, op vreemden, half zingenden toon geuite kreten, wroette de Jarl met het staal in de lillende ingewanden. Langzaam legde hij ze bloot, een stroom drabbig bloed vloeide neer, zorgvuldig ving hij dit op in een glinsterend bekken. Onder ademlooze stilte zag het volk hoe hij de ingewanden nauwkeurig onderzocht. Het was of zijn oogen hierbij grooter werden, of zij strak werden in hun staren.... Toen boog hij zich plotseling neer, de handen in vervoering opgeheven, dwependen gloed in zijn blik:

„Heil u allen, heil! Wodan neemt uw offer aan; de teekenen zijn gunstig! Buigt u voor hem in het stof, herbouwt zijn tempels, Alvader ter eere!

Wodan, machtige, steun ons, red ons!”

„Welke redding smeekt Rolfr Jarl af van Wodan?”

Hoog klonk de onverwachte stem, die dit vroeg, als kwam zij uit de hoogte. Zware rookwolken dwarrelden op boven het vuur, en hingen boven de hoofden der knielenden als een donkere nevel, maar daartusschen blonk de blanke schittering van een wit vrouwenkleed, breed uitwaaiend, en de glans van een golvenden, zilverkleurigen sluier. Eensklaps verdeelden zich de rookwolken, het vuur rees, daalde weer, nu opflikkerend, dan verdoovend. Het was of uit zijn gloed de vrouw verscheen, die thans stond in den kring der onthutste mannen. Sneller joegen de polsen, beklemd werd ieders ademhaling, niemand bewoog zich. Alleen het vuur knetterde, het offervleesch siste, donker dwarrelde de rook. In een stilte, aan waanzinnigen eerbied grenzend, zagen allen naar de onbekende, de gevreesde verschijning.

Was het een der Druïden, der ziensters van weleer, van wie zij bij overlevering wisten.... Op de vlakte, onder de boomen heerschte doodsche stilte, zelfs de nachtwind hield zijn adem in, alleen de woorden der zienster schenen te worden weerkaatst door de echo’s van het woud. De speren en heirbijlen der opgestelde wachten flikkerden geheimzinnig, en over de sidderend bijeengedrongen menschen wierp het vuur zijn hellen gloed.

Al het opgehoopte sprokkelhout had nu vlam gevat, begeerig lekten de roode vuurtongen naar buit.

„Zonen van Wodan!” — plechtig klonk de stem der als uit den grond opgerezen zienster — „kinderen van den Alvader, hoort wat hij u heeft te zeggen door mij!”

Een siddering liep door de leden der landbewoners. Vrees voor de toekomst, de streng door Rolfr van den Ravenhorst gehandhaafde overlevering, verbonden aan den grafheuvel van Roruk, als plaats van godsdienstige vereering weleer, het nachtelijk uur en de angst voor het onbekende, alles werkte mee om den indruk te weeg te brengen, dien de Druïde verlangde en verwachtte.

„Wodan, gij eeuwige! schenk mijn tong de taal, die haar voegt, om te verheffen uw eer en uw lof!

Alwijze, gij dreigt met ondergang de aarde en de menschen die afvielen van u. Dan, als de maat is volgemeten stormen razende reuzen op tegen den regenboogbrug, den toegang tot Alvaders gouden zaal. Goede geesten hadden hen gesloten in boeien, zij verbraken die ketenen met hun alles kneuzende kracht. Dan ontbrandt de felle strijd tusschen goden en reuzen, een worsteling, waarbij ook de wereld moet opgaan in vlammen en gloed.

Maar Alvader zal aan zijn zijde voeren, door zijn macht, de goeden en getrouwen onder de kinderen der menschen. Met zijn hooggehelmde helden zullen zij kampen tegen de reuzen in de woeste worsteling. En de goden, de hoogen, de heerlijken, zullen bijstaan de getrouwen, die hen bleven eeren bij den afval en het verraad eener halve wereld.

Donar, de oorlogsgod, zal nederstormen uit zijn ijsbergen, met dreunend gedruisch. Miölner, zijn geduchten hamer, dien boozen noch reuzen kunnen weerstaan, zwaait hij vuurschietend boven zijn hel flikkerenden helm. Hoort gij niet het rollen der raderen van zijn wagen in het dreunen van den donder, ziet gij niet den vuurgloed van zijn golvenden baard in het flikkeren van het weerlicht? Luistert naar zijn stem, machtig, meesleepend:

„Kracht beheerscht het aardrijk, kracht en geweld. Medelijden, liefde is zwakheid, onverzettelijkheid zegepraalt in den geweldigen wereldstrijd.

Daarom, laat af van de leer van den bleeken God der christenen, Hij moet ondergaan, want liefde luidt zijn eisch en slechts kracht kan bestaan!”

Gordt u aan, gij allen, die mij hoort, om te kampen met de goede, de heerlijke goden, die spreken uit mijn mond. Dan zal, na strijd en wereldbrand, verrijzen de nieuwe, goudglanzende aarde en daarop zult gij leven voor altijd, in voorspoed en heil met de goden, wien gij trouw bleeft, die hoog zullen loonen uw heldenmoed.

Maar de slechten en afvalligen, zij vergaan met de oude aarde en nimmermeer wordt hun naam genoemd, bij de levenden noch bij de dooden. Ondergang werd hun vloek, vergetelheid hun deel!”

De onbekende sprak als in geestvervoering, het volmaakte den indruk, die haar verschijning te weeg bracht. Met verbazing zagen allen hoe de machtige heer van den Ravenhorst knielend den zoom aanraakte van haar gewaad, zij zagen de vlammen van het offervuur recht omhoog stijgen, aan een eerezuil gelijk. Wodan nam het offer aan!

Opgeheven werden de handen, als gedreven door hetzelfde gevoel riepen vele stemmen:

„Wodan, Wodan! Alvader, u zij de eere, u alleen! Wij aanbidden voortaan slechts u en vervolgen wie u afvalt en veracht!”

De boomen wierpen trillende schaduwen, omhoog, naar Walhalla wees de gloeiende vlammenzuil; de stem der onbekende zienster vulde de ruimte:

„Hoort! Hoort! Muspelheims vonken, de sterren, zingen, de goden zeggen het! U, Alvader, behoort de macht! Gij redt van ondergang en wereldbrand wie op u vertrouwt! Wie u weerstaat treedt gij onder den voet, de aarde is u onderworpen, uw kracht zegeviert over uw vijanden! Alles buigt zich voor u neer en heerschen zal met u tot het einde der dagen, wie volbrengt uw wil en houdt uw wet! Wee, wee den afvalligen! Heil den getrouwen, heil duizendvoud!”

Zij had als bezwerend de armen opgeheven bij haar laatste woorden. „Wodan, kom mij te hulp!” smeekte zij nu zacht, toch drong haar stem door tot aller hart. Nu strooide haar hand de runen, roode en zwarte, in smalle stukjes eikenhout gesneden op een wit kleed, reeds te voren door Rolfr gespreid aan haar voet.

„Urd, Vernandi en Skuld, alwijze Nornen, weefsters van der menschen lot, wijst mij den weg!”

Zacht gleed haar hand over de runen: „Goed zijn de goden gezind wie het goede wenscht, het goede volbrengt volgens Alvaders wil! Wodan, Wodan, heil!”

„Wodan heil!” herhaalden schier al de aanwezigen, de speren werden geschud, vonken schoten de heirbijlen in den gloed van het vuur, ontroerd drukten vrienden en vreemden elkander de hand.

Maar toen eindelijk ieders oog opnieuw de zienster zocht, ontdekte niemand haar meer.

Verdwenen was de witte gedaante plotseling gelijk zij verscheen, als in den grond gezonken.

.............

Vrouw Sigrid zag Rolfr Jarl keeren in den witten maannacht, die de toppen der boomen verzilverde.

Haar langslepend Druïdekleed, de glinsterende sluier met den ruischenden eikenkrans lagen nog in een hoek. Verachtelijk schopte zij ze weg, toen vertrad zij met haar voet den groenen krans en het witte gewaad.

„Zal ik slagen?” prevelden haar dunne lippen. „Zal ik mij kunnen wreken eindelijk, eindelijk — op hém?”

Vele jaren doorvlogen haar gedachten, jaren, die voorbij waren gekropen, gedrenkt in haat en bitter leed. Zij was weer jong, zij zag zich de speelnoote van Hereswit van Strijen, zij droomde een droom van geluk en hij, wien die droom gold, reikte Hereswit de hand voor het leven. Toen huwde zij Rolfr, den Deen. Onverschillig was hij haar, maar hij zou haar kunnen wreken, hij alleen.

Jaren bij jaren had zij haar dag afgewacht. Zou die thans rijzen?....


Back to IndexNext