HOOFDSTUK XI.

De man, die moedig droeg den last der jaren en de lasten van zijn ambt, naast een wicht van wijsheid, van meer waarde dan menige van edelsteenen flonkerende kroon, bisschop Ansfried van Utrecht, was alleen in zijn eenvoudig vertrek, in zijn nauwelijks voltooid „zendingshuis” op den Hohorst. Het scheen weinig geschikt als verblijf voor iemand wien het oppergezag der christelijke kerk was toevertrouwd in de lage landen, ombruist door de wilde Noordzee. Voor hem, die eenmaal de eerste was geweest naast den troon van den keizer, wiens gevleugeld woord menigmaal den doorslag gaf in den rijksdag, evenals zijn machtig zwaard dikwerf het gevecht besliste, toen hij als graaf van Teisterbant onafhankelijker was dan de opperste landheer, eer en roem zijn wapens kroonden, de faam haar lauwerkrans vlocht om zijn schedel.

Thans sierde musiefarbeid de wanden noch beeldhouwwerk de vensternis van zijn kamer; de vloer prijkte niet met in sterren en ruiten gelegde tegels; geen gebeeldhouwde zetel stond naast den bronzen disch. Slechts een enkele plank aan den wand verhaalde van weelde. Daar lagen latijnsche handschriften opgestapeld, het persoonlijk eigendom van den bisschop, een zeldzame en kostbare schat.

De vier Evangeliën en een drieledig psalter behoorden er toe, de Homiliën van Johannes Chrysostomus werden er niet te vergeefs gezocht. Het Leven van Karel den Groote, door Eginhard beschreven, stond tusschen de werken van Seneca en Boëthius’ Troost der Wijsbegeerte, daarnaast lagen de Aphorismen van Hippocrates — een werk van onschatbare waarde voor de geneeskunde van den tijd.

Maar de bisschop had geen van die zeldzame kwartijnen van hun plaats genomen, zelfs de Walthariuslegende noch het epos van Béowulf trokken zijn aandacht; „De Thebaansche oorlog” van Statius werd niet aangeraakt, maar op de perkamenten en brieven, waarmee de tafel als bedekt was, lag „Het boek der voorspellingen,” van Julianus, den Pelagiaanschen bisschop uit de vijfde eeuw. De echtheid van dit werk werd toen nog geenszins betwijfeld, maar het schonk geen licht voor de brandende vragen van den dag....

Met het hoofd in de hand geleund zat bisschop Ansfried neer, vele oogenblikken. Diepe stilte lag over woud en water, het morgenkoeltje streek door het geopend venster, de zon deed gouden lichtvonken zweven over de golven van de Eem. Hij sloeg acht op het eene noch op het andere. Het was alsof hij het heden vergat, alsof zijn ernstige oogen niet wat om hem was aanschouwden, maar alsof zij staarden ver in het verschiet. In het verleden, in dat van zijn eigen leven, wellicht? Hoog in de kroon der linde floot de merel haar welluidend lied; een flauwe glimlach speelde om de peinzend geplooide lippen van den eenzamen man, zijn voorhoofd, dat van den denker en den edeldenkenden mensch, ontplooide zich.

Zoo liefelijk, even welluidend had ook de merel gefloten op dien lachenden Meimorgen, — meer dan veertig malen was de lente sinds gekomen en gegaan. Met bloesemgeur was de lucht beladen, seringen en meidoorns vlochten kransen tusschen het struikgewas, de woudduif gaf kirrend het antwoord aan den jubelzang der lijsters. Wijdgeopend stonden de donkere poorten van Keulen, de grijze rijksstad, naar buiten stroomden edelvrouwen en ridders, poorters en nijvere handwerksgezellen.

Naar buiten gingen zij in den lachenden zonneschijn van den wolkenloozen lentedag, om het blijde Meifeest te vieren met zang en rondedans, onder den bloeienden meidoorn, nu, na harden wintertijd de aarde was gewekt tot nieuw leven, de menschen als begiftigd met nieuwen levensmoed. Ook de leerlingen der vermaarde Schola Palatina mengden zich onder de blijde menigte. Kenbaar waren zij aan hun gewaad, met eerbied werden zij begroet, terwijl zij verder gingen in lange, vroolijke rij.

„’t Is een geluk, dat onze aartsbisschop de Kathedraalschool weer heeft geopend. Die cnapen brengen nog eens wat vertier in de brouwerij,” merkte een stevige poorter welgevallig aan.

„Gij slijt er tenminste menig tonneke bier door,” antwoordde zijn metgezel met lichten spot. De dikke brouwer knikte.

„Gelukkig, ja. ’t Is ook wel noodig, dat ons de tasch wordt gestijfd bij al de troebelen en veeten, waarin wij leven. Wanneer zal er toch eens een eind komen aan al die oorlogen en plundertochten? Alle handel en welvaart wordt er door vernietigd.”

„Wanneer alle menschen de goede en wijze dingen doen, die in de perkamenten staan, zooals de cnapen en clerken, ze nu in de Schola Palatina leeren, als dat leeren hen brengt tot nadenken en dit hun handelingen bestuurt. Alleen wanneer de menschen werkelijk beseffen, dat oorlogvoeren moorden is op groote schaal, zullen zij de schuld gevoelen, die zij op zich laden, hun krijgsroem verachten en den krijg bannen van de aarde. En, dat leeren zij uit de perkamenten, waarin de groote denkers en dichters der oudheid hun edelste gedachten neerlegden.”

De brouwer zag den ernstigen geestelijke, die zich plotseling mengde in het gesprek, niet zonder schroom aan.

„Ik kan niet goed volgen wat gij daar zegt. Gij zijt zelf ook zoo geleerd, dat is waar. Zeker nog wel meer dan die beide cnapen daar. Zie, zij groeten u. Wie zijn dat?”

„Twee van de beste leerlingen der school. Die met de donkere oogen en het blonde haar zal het ver brengen.”

„Wie is dat?”

„Hij heet Ansfried en is de zoon van graaf Lambert van Leuven en Teisterbant. Zijn moeder, vrouw Gerberga, is een dochter van hertog Karel van Lotharingen.”

„Dus behoort hij van moederszijde tot het Fransche koningshuis?”

Vol ontzag staarde de brouwer naar de bevallige, jonge gestalte.

Een heldere straal schoot uit de ernstige oogen van den geestelijke.

„De hoogheid der aarde is hem geen struikelblok, dat hem verhindert den berg te bestijgen der heiligmaking. Hij draagt het Evangeliewoord in het hart:

„Wie de meeste onder u wil zijn, zij aller dienaar. Geen wonder, dat hij de lieveling is van den aartsbisschop.”

„Die is ook erg geleerd niet waar?”

„Aartsbisschop Bruno heet met recht het wonder van onzen tijd. Hij weet alles wat den mensch gegeven is te weten. Hij is de rechterhand van zijn broeder, keizer Otto den Groote.

„Gelukkig voor ons, dat die hooge heeren zoo eensgezind zijn,” zei de brouwer droog.

„De keizer volgt bijna altijd zijn raad. Nu heeft de aartsbisschop heer Otto den jongen graaf Ansfried aanbevolen. Men zegt, dat de keizer hem zal meenemen op zijn krijgstocht naar Italië. Het doet mij leed. Niet om den keizer, die zal zelden trouwer volgeling vinden, maar om de school. Ansfried van Teisterbant belooft haar roem en glorie te worden. Had de aartsbisschop dien andere maar aangewezen, maar misschien is het ook beter niet — voor heer Otto.”

„Wien meent ge?”

„De jonge Rolfr, die naast hem loopt.”

„Wie is dat?”

„Dat weet ik zelf niet goed. Het is een Deen”....

De brouwer deed ontsteld een stap achterwaarts. „Heer, bewaar ons in onzen bitteren nood, voor de mannen der grimma hjerna!” als mijn Friesche moeder altijd zei,” prevelde hij zacht.

De andere glimlachte.

„Wees gerust. Hij is hier maar alleen: niet aan het hoofd eener Vikingervloot is hij Keulen binnen gezeild. Ook is hij gedoopt.”

„Mijn moeder bad dat altijd als zij iets hoorde van de Denen,” hernam de brouwer verontschuldigend. „Maar hoe komt een Deen hier?”

„Hij is ouderloos en een verre verwant, ergens in Friesland of in Kennemerland, laat hem hier opvoeden. Hij moet den Ravenhorst van hem erven, een groot goed, dat ligt”....

„Op den weg naar Utrecht, daar ben ik eens in de verte voorbij gevaren met een lading bier,” viel de andere in. „Toen huisden daar in de bosschen ook al weer die vervloekte Denen. Mijn bier zwolgen zij in, mij sloegen zij bont en blauw, toen lieten zij mij voor dood liggen. O, dat gespuis! Dat adderengebroedsel!....” Toornig, vol wrok, balde hij dreigend de vuist.

„Stil, stil!” hernam de geestelijke vermanend. „Ook wat door de menschen tot ons komt, komt van God. Kan Hij die beproeving niet over u hebben gebracht, omdat gij te veel uw vertrouwen steldet op vergankelijk goed?”

„Teem niet als een oud wijf, eerwaarde!” gromde de brouwer. „Ik zal de Denen vervloeken, zoolang ik leef!”

Velen deden dit als hij en niet zonder reden. Vermanend fluisterde echter de geestelijke: „Het is lichter, dat een kemel ga door het oog eener naald”.... en de brouwer beet zich op de lippen. Hij voelde zich doorzien. Niet den verdelgers van zijn volk en land gold zijn haat, maar den roovers van zijn goud en goed.

Met zijn stok sloeg hij naar de meidoorns, met zijn oogen volgde hij de beide jongelieden, die als aanleiding hadden gegolden tot het gesprek.

Zij hadden hun tred verhaast en waren nu bijna de eersten, die de landkapel bereikten waar de plechtige „Mei”-dienst zou worden gehouden.

De hagerozen bloeiden, hun bleekroode bloesems waren overal, hun groene doorntwijgen slingerden door het struikgewas, zij omvlochten ook de kleine kapel als met een net van bloesempracht en lenteglans. Langs de bogen klommen zij op, zij tikten met hun groene vingers tegen de kunstelooze glasrosetten, rood en blauw, blauw en rood, gelegd in eenvoudige sterren. Purperen en azuurkleurige lichtjes wierpen zij op den ongelijken bodem. Maar ook over het omhoog geheven gelaat van het jonge meisje, dat knielde op de blauwe zerken van het kleine bedehuis, viel hun wemelende gloed. Rein als klokgelui klonk zacht haar stem:

„Heer, leid mij in Uwe waarheid!”....

Zij zag de naderkomenden niet, stil vouwde zij de handen, den blik omhoog gericht, omhóog.

Als aan den grond gekluisterd stond Ansfried van Teisterbant. Hij zag niet het blank, zuiver ovaal gelaat, niet de groote donkerblauwe oogen met hun stralenden blik, hij zag alleen de reine ziel, die blonk uit dat schoone omhulsel.

Waarheid! Vol listen en lagen was zijn tijd, vervuld met wreedheid en ruw geweld, de vorsten waadden door bloed om hun heerschzuchtige plannen te verwezenlijken, de volken trachtten elkander te verdelgen. Waarheid.... Zij scheen gebannen van de aarde, wie bad haar nog af van zijn Schepper, wie smeekte om het licht Zijner waarheid? Met vroegrijp denken begreep de schranderste leerling van de Schola Palatina hoe anders de wereld zou zijn, indien de menschen de waarheid zochten, haar liefhadden als een der hoogste gaven hun van God geschonken.

Had hij zelf niet dikwerf gewenscht, vurig begeerd om te bezitten de macht van het woord, gelijk hij de kracht van het geloof in zich voelde, om de menschen te kunnen wijzen op het eene noodige: waar te zijn en goed, God lief te hebben boven alles en hun naasten als zich zelven? Zou dan de wereld niet als een nieuwe gedaante ontvangen? En de menschheid zelf?.... Maar, wanneer hij soms schuchter zijn denkbeelden onder woorden bracht, te midden van den woeligen kring zijner medescholieren, allen jong als hij, in wier hand eens de macht der aarde zou worden gelegd, vorstenzonen, hertogskinderen als zij door geboorte waren, dan ontmoette hij hier glimlachend schouderophalen, daar bijtenden spot. Zij wezen hem op de kerkvaders, op de geschiedenis van vroeger en later tijd. Wat was geworden van dwepers en wereldverbeteraars?

„Heerschen door de macht van staal en ijzer, dat is het eenige wat ons overblijft, Ansfried! Woorden zijn klanken; bespiegelingen slechts droomen. Wij leven in een ijzeren tijd!”

Meer dan eens was hem dit spottend geantwoord en dan had hij gedacht, dat wanneer ieder in zijn eigen kring Gods geboden volgde, deed wat zijn hand vond om te doen, hoe dan de aarde toch anders zijn zou, de menschen beter.

En thans vond hij hier de zusterziel, die smachtte naar waarheid, die bad zooals hij gebeden had, sinds zijn vroegste jeugd....

Hij wenkte zijn vriend met hem terug te gaan, hier mocht geen stoornis zijn.

„Kent gij die jonkvrouw, Rolfr?” vroeg hij, toen zij weer buiten stonden. Met een vreemden, loerenden blik in zijn diepliggende oogen zag deze hem aan.

„Het is Hereswit, de dochter van den graaf van Strijen. Haar erfgoed en het uwe liggen naast elkaar. Dat treft goed.”

Verwonderd zag Ansfried op. Wat meende hij? Wat — toen hij hem hoorde mompelen:

„Het geluk bestaat, gelijk uw schaduw bestaat. Grijpen kunt gij haar noch vatten.” Hij zag Ansfrieds vragenden blik, toen klonk het wrevelig:

„Ik sprak niet van u, erfgraaf van Hoei en Teisterbant. Voor u bestaan geen schaduwen”....

Hoe vele, vele jaren lagen tusschen dien zonnigen Meimorgen en het heden! Een weemoedige glimlach speelde om de lippen van den grijsaard, toch was in zijn oogen een herinneringsblik van geluk. De belofte van die lente was werkelijkheid geworden: weinige jaren later had hij de schoone Hereswit van Strijen gevoerd naar zijn hechten burcht te Casallum, als zijn lieve vrouw.

Maar daartusschen lagen jaren vol onrust en moeite, van zware plichten en grooter verantwoordelijkheid.

Een ander tafereel doemde voor hem op:

Avondwolken met gouden randen omzoomd dreven langs de lucht, het flikkerlicht der lange flambouwen verdrong den laatsten schijn van het daglicht in de gewelfde Romaansche zaal van het aartsbisschoppelijk paleis te Keulen. Aartsbisschop Bruno zat in zijn hoogen zetel, geplaatst naast den keizerstroon van zijn broeder, Otto den Eerste.

Banderollen en vlaggen wapperden van de torentin, vroolijk klaroengeschal klonk op het voorplein, speerknechten waakten in voorhal en poortgewelf.... Waartoe? Zij behoefden immers geen wachters, de fiere keizer, de groote kerkvorst, te midden der getrouwen, die hen omgaven. Ridders hoog van moed, edel van wapen waren het, saamgestroomd uit al de gouwen van het uitgestrekte Duitsche rijk. Gevolgd door hun stoet van dienstmannen, stonden zij gereed moedig in ’t harnas te sterven voor de eer van koning en rijk.

Want een nieuwe krijgstocht werd door heer Otto voorbereid. Over eenige weken reeds zou hij zijn leger over schier onbegaanbare bergpassen voeren naar Italië, het steeds oproerige land. Zou zijn tot nu toe steeds zegepralende krijgsmacht nieuwe overwinningen tegengaan of wachtte haar wellicht nederlaag, verraad en dood? Bijna geheel het verscheurde, verdeelde Italië kantte zich thans, zeldzaam eensgezind, tegen zijn gezag. Hij zou Lombardije eerst moeten onderwerpen, voor hij tot koning der Longobarden kon worden gekroond en zijn vijanden zouden dolk noch gif sparen om hem te beletten zich te Rome de keizerskroon te verwerven, die eens Karel de Groote bezat. Uit den Italiaanschen hemel, zoo wolkenloos blauw, schoot menigwerf een doodelijke bliksemschicht, en de bodem met bloemen bedekt, welfde zich boven meer dan een laaienden vulkaan....

Deed die gedachte menig oog vol zorg staren op de toekomst, die weldra het heden zou zijn? Legde zij die ernstige wolk over het hooge voorhoofd van den aartsbisschop?

Zij hadden elkander lief, de beide groote zonen van Hendrik den Vogelaar, lief van hun vroegste jeugd, toen reeds het jonge, vurige bloed hen gloeiend naar het hoofd vloeide met droomen van eer en macht, tot een teere moederhand dien onstuimigen gedachtenstroom leidde in kalmer bedding, tot niet langer hun hoofd brandde, doch hun hart gloeide van verlangen om liefde te vinden, om die te winnen van hun volk door voorbeeld en daad. En thans lag alle aardsche macht in hun hand en zij besteedden die tot heil van hun land, tot zegen der kerk, tot ontwikkeling van hun volk en — veel tegenkanting, veel miskenning werd dikwerf hun loon.

En nu wenkte de tocht naar Italië met de duisternis van onbekende gevaren en de bliksemschichten van den haat!...

Ieder feestgedruisch was verstomd in de hooge hallen van het paleis. Geen harnassen blonken meer half verborgen door met goudborduursel omzoomde riddermantels. Verstomd waren de tonen van harp en luit. De bloemfestoenen, liefelijken feesttooi slingerend om pilaren en vensterboog, hingen verflenst neer; vertreden lagen het dennengroen en de biezen van den vloer. Stilte heerschte, de nacht gebood.

Maar in de vermaarde librye van den aartsbisschop — diens liefste vertrek — stond een jongeling met gloeiend gelaat voor heer Otto, wiens heerschersblik een zachtere uitdrukking ontving, terwijl hij rustte op het van blijde verrassing stralend gelaat.

Want, klonk niet de ernstige stem van aartsbisschop Bruno:

„Mijn broeder, dat is de zanger, wiens schoone stem u trof te midden van het koor. Ik sta u hem af, mijn meest geliefden leerling, omdat ik weet, dat gij een zwaarddrager behoeft als hij zich toonen zal. Het is mij bekend, dat vruchtelooze eerzucht wraakplannen smeedt, die u gelden, dat list en verraad u omringen. Hij zal trouw zijn bij anderer ontrouw, waakzaam als ieder sluimert. Spreek, mijn Ansfried, heb ik te veel gezegd?”

Een blos brandde op het voorhoofd van den jongeling. Daar was een stem in zijn hart, die pleitte om te blijven, een andere, die hem wees op zijn plicht, hem dwong tot gaan. De laatste verwon, zijn lippen spraken:

„Mijn heer is zeer genadig. Ik zal doen wat ik kan, zoo waarlijk moge God mij helpen.”

Welgevallig volgde beider blik hem enkele oogenblikken later, toen hij het vertrek verliet.

„Verwacht van hem geen groote woorden; zijn daden zullen spreken, hoe jong hij ook nog is. Hij zal groot en aanzienlijk worden, omdat hij de macht slechts begeert om het goede te kunnen doen,” sprak de aartsbisschop eindelijk.

Zijn broeder drukte hem de hand:

„Ik dank u voor wat gij mij afstaat. Gij geeft mij véél.”

Zijn menschenkennis — van menige bittere ervaring de vrucht — zou heer Otto ook ditmaal niet bedriegen, maar in de welgevulde leerzaal der Schola Palatina verwekte het nieuws, dat Ansfried was gekozen om den koning als zwaarddrager te vergezellen op een reis, die dezen de keizerskroon schenken moest, geen geringe opschudding. Zoowel toekomstige legeraanvoerders en vorsten, als aanstaande hooge geestelijken onder de scholieren, verdrongen zich om het nieuws te hooren. Want de kathedraalschool vormde beiden: Ovidius en Cicero werden er gelezen, maar ook de Kerkvaders.

Het was of dezelfde toekomst allen wachtte als zij in koor hun stemmen vereenden tot een statig psalmgezang. Toch hield de aanstaande ridder, die zich eenmaal geharnast zou werpen in het dichtste slaggewoel, de hand aan het gezangboek tegelijk met een vriend, wien het kerkelijk leven wachtte. Maakte die tweeledige opleiding de laatsten evenzeer geschikt voor een gewichtige staatsbetrekking? Want mannen van de daad, die hun tijd noodig had en die hun tijd begrepen, vormde de Schola Palatina. Zij verlieten het altaar voor het slagveld, die wakkere kerkvorsten, of verwisselden de ernstige kapittelvergaderingen met een luidruchtigen rijksdag. Zij verklaarden hun leeken het Evangelie en drongen hen de hand aan den ploeg te slaan — in werkelijken zin. De handel werd door hen beschermd en aangemoedigd, zoover als het mogelijk was in die onrustige eeuw; burchten en sterkten werden opgericht ter beveiliging van hun gebied. Aartsbisschop Bruno gaf hierin het voorbeeld. Zijn practische blik — een gave door slechts weinige geniaal aangelegde naturen met hem gedeeld — had hem ook ditmaal gevoerd tot de keus met zooveel verbazing of ijverzucht door alle scholieren vernomen.

Terwijl de vragen en antwoorden elkander kruisten, hier werd gefluisterd van vorstengunst, en van krijgseer of hofglans elders, was er een enkele stem, die zich niet mengde in het luidruchtig koor. Zijn eigenaar bleef gebogen over een perkamentrol. Het scheen, dat ingespannen, geestelijke arbeid hem geheel in beslag nam. Het was een gelaat, dat zich niet gemakkelijk doorgronden liet. De wenkbrauwen vormden bijna een enkele streep op het breede voorhoofd. Van ingehouden hartstocht beefde het om de hoeken van den mond. Een beschroomde, jonge geleerde scheen hij, in zich zelf verzonken, in zijn werk verdiept. Doch toen een vroolijke, jonge Rijnlander hem een slag op den schouder gaf, met een half lachend, half spottend: „Rolfr, wat zeg jij van de zaak? Ben je de eenige, die Ansfried niet benijdt? Verdiept ge je daarom zoo vol ijver in de Homiliën van Chrysostomus? Als het Ovidius nog was, maar die grommige strafredenaar!”.... Toen werd eensklaps het gebogen hoofd opgeheven, de oogen met hun ondoorgrondelijken blik zochten den veel benijden jongen zwaarddrager en in hun diepten gloeide het van wrok.

De Rijnlander barstte uit in een schaterenden lach:

„Dat lijkt weinig op vriendschap! En Ansfried is nog wel je kamergenoot en je waart altijd samen te vinden!”

„Ik wensch hem gaarne al het geluk, dat hij verdient. Wie de lieveling der vrouwen is, moet ook wel die der goden zijn,” klonk het bitter terug en om den mond van den spreker beefde het opnieuw van hevigen, nauw onderdrukten hartstocht. Verwonderd trad Ansfried op hem toe:

„Rolfr, heer Otto heeft meer getrouwen noodig, zal ik je ook aanbevelen in zijn gunst?”

Norsch stiet Rolfr de hand terug, die de zijne zocht.

„Mijn daden zullen mijn aanbeveling zijn, de uwe heb ik niet noodig!”

Toornig stormde hij heen. Plagend riep de jonge Rijnlander hem na:

„Lees de invectieven van Gregorius er nog eens op na. Je zult er schimpwoorden genoeg in vinden, als je daar Ansfried liever mee verblijdt dan met een gelukwensch!”

Er volgde geen antwoord, maar de kloof dien dag ontstaan tusschen Ansfried van Teisterbant en Rolfr „den Deen”, zou nimmermeer worden overwelfd, verbreed wèl....

Een ander beeld uit het ver weleer:

Weer waren vele maanden voorbijgegaan. De zware tocht over den Brenner was door Otto den Groote volbracht. Gevaren hadden hem omringd; hij had ze overwonnen. Iedere strijd had hem nieuwe zegepraal geschonken. Thans rustte de ijzeren kroon der Longobarden op zijn hoofd, thans wenkte hem de keizersdiadeem van Karel den Groote. Morgen, over weinige uren reeds, zou zij neerdalen op zijn golvende lokken, dit symbool der hoogste, aardsche macht. In de stilte van den nacht bad de jonge heerscher in het kerkgebouw, dat het stof van den Apostel Petrus bewaarde, om kracht voor de hooge plichten, onafscheidbaar van de uitgebreide rechten, die hem zouden worden toevertrouwd.

Donker was het in het, door marmeren zuilen geschraagde bedehuis, de eenige, altijd brandende lamp gaf slechts een flauwen schijn. Haar licht deed de duisternis nog meer uitkomen, die heerschte in de hoeken en als scheen op te klimmen naar de gewelven, schitterend van zilveren arabesken en kostbaren mozaïekarbeid. Door een gebroken wolk gleden de stralen der maan naar binnen. Aan den nachtelijken hemel waakten de gouden sterrenoogen over het sluimerende Rome. Zagen zij wat gistte en woelde in de groote stad? Het verraad, dat den dolk ophief in het duister, de trouweloosheid, die haar offer zocht, de blinde eerzucht, bereid anderer leven af te snijden ter bereiking van eigen doel? De gouden sterrenoogen waakten.... Zij niet alleen. In gebed verzonken knielde koning Otto, God, Die hem had gesteld op zijn hooge plaats, smeekend hem een heerscher te doen zijn naar Zijn wil, hem in staat te stellen de rechten zijner volken te handhaven, hun vrijheden te bewaren voor iedere aanranding. Omhoog geheven was zijn blik, omhoog. Nooit zou de keizerskroon schitteren boven edeler voorhoofd, noch het purper van den Cesar zich hebben geplooid om vorstelijker gestalte. Nooit had het volk van Rome fierder heerscher begroet....

Met een warm gevoel, waarin liefde zich aan eerbied paarde, dacht dit de jongeling, die kloek, rechtop stond achter den knielenden vorst. Een ontbloot slagzwaard blonk in zijn hand, onbeweeglijk hield hij het uitgestrekt boven het hoofd van den in het gebed verzonken heerscher. Want nog schuifelde de adder onder de bloemen van het weelderige Italië, nog dreigde een bliksemschicht uit de effen blauwe lucht. De adder van het verraad, de bliksems van den haat, zij zochten hem, die was geroepen om den keizersschepter te voeren. Daar werd gemompeld van een samenzwering, die het verijdelen der kroning beoogde, daar werd gefluisterd, dat „de koning der Duitschers” het gebed niet ten einde zou brengen aan Petrus’ graf. In navolging van Karel den Groote was hij verplicht, dat te verrichten in de kerk der Apostelen, wilde hij zich als diens opvolger zien erkend.

De groote Karolinger gold nog steeds als de heros van de roemrijkste historie zijner volken. Iedere belofte van geluk, die het leven voor de toekomst schenken kon, vlocht zich bij de toenmalige menschheid ineen met deze herinnering aan het groot verleden. Daar waren er nog zeer velen, die geloofden aan de wederkomst van „keizer Karel”, dien sage en legende reeds omvlochten met hun nimbus. Een nieuw rijk zou hij stichten, waarin vrede en gerechtigheid zouden heerschen, eer de ure aanbrak, welke het einde zou zien van al wat behoorde tot de aarde. Want het gerucht deed de rondte, reeds toen, hier aangehoord met heftigen angst, daar ontvangen met ongeloovig schouderophalen, dat de groote wereldbrand, de ondergang van al wat ademde zou plaats hebben in het eerste jaar der komende eeuw.

Maakte die gedachte het gebed van heer Otto zoo ernstig, zoo langdurig?

Gevoelde hij geheel den omvang der zware plichten die hem wachtten: tot het keizerlijk purper geroepen in zijn tijd?

In schemerschijn gehuld lagen de diepe gewelven; al het licht scheen zich samen te trekken boven het gebogen hoofd van den knielenden vorst, boven de zwaardspits van den jongeling, die stond en voor hem waakte. Deed Ansfried dit inderdaad? Of dwaalden een oogenblik zijn gedachten ver weg naar den groenen Rijnzoom, naar de woudbeschaduwde landkapel dicht bij het grijze Keulen? Hij had haar teruggezien, de slanke Hereswit van Strijen, meermalen, tot hij eindelijk, weinige dagen voor hij optrok met het leger, zich wendde tot haar vader: „Uw dochter is mijn levensgeluk, weiger haar mij niet!”

In spanning wachtte hij, de beslissing vreezend. Maar een welgevallige glimlach krulde de trotsche lippen van den graaf Van Strijen:

„Toon u het vertrouwen waardig, dat heer Otto in u stelt, en, na het einde van zijn tocht naar Italië, wacht u mijn dochter als bruid!”

Dacht hij aan die belofte, aan de zon van het leven, die zou opgaan voor hem, waarvan hij reeds de stralen zag rijzen? Vergat hij daarom het heden met zijn strengen plicht?

Niemand scheen aanwezig in het eenzaam gewelf, nog waren de deuren niet geopend, nog was het uur niet daar voor den plechtigen dienst, die geheel de bevolking van Rome zou zien toestroomen.

Niemand bewoog zich. Heer Otto bad, zijn zwaarddrager droomde....

Toch: er ritselde iets tusschen de pijlers, een voetstap sloop nader met langzamen, schuifelenden tred, in blauwen staalgloed glinsterde een hooggeheven dolk....

„Sterf!” Het snijdend uitgesproken woord was gericht tot den koning, de dolk werd gezwaaid boven zijn hoofd, twee oogen waarin het gloeide van een verterend vuur zochten de plek, bestemd voor den doodelijken stoot. Met een rauwen kreet ontwaakte Ansfried uit zijn droom.

Zijn eene hand greep den uitgestrekten arm van den sluipmoordenaar, zijn zwaard wondde hem in het gelaat....

„Vervloekt!” Schor klonk het; maar ondanks den sluier, die de trekken van den aanvaller onzichtbaar maakte, het geluid dempte, meende Ansfried de stem te herkennen....

„Rolfr!” stiet hij uit. Twee gloeiende oogen boorden in de zijne door de openingen in het sluierdoek. Een worsteling volgde, slechts enkele oogenblikken, toen ontrukte zich de aanvaller met de kracht der vertwijfeling aan zijn greep, toen werden de deuren geopend en begonnen de klokken te luiden. De bevolking van Rome stroomde binnen voor den plechtigen dienst en in de verwarring liet men den moordenaar ontsnappen. Waren tijd en uur van aanval te voren bepaald? Daar liep zoo menig gerucht....

Maar nu juichte het volk den redder toe van den nieuwen keizer en deze dankte hem met blik en woord....

Het eerste morgenlicht deed den glans der sterren verbleeken, de rijzende zon bescheen een stad, badend in luister en glans; de kroningsstoet werd opgesteld in feestelijke praal.

Maar in de tent van heer Otto knielde een jongeling, wien de bitterste tranen in de oogen gloeiden, tranen van smart, van schaamte over zich zelven.

„Heer, gij hebt mij lof gebracht, maar uw vonnis verdien ik. Ver af dwaalden mijn gedachten, terwijl gij uw leven hadt toevertrouwd aan mijn waakzaamheid. Niet de daad alleen maakt schuldig. Leg mij de boete op, die ik verdien en dan.... dat God mij genadig zij!”....

In een gesmoorden snik eindigden zijn woorden. Hij zag in den geheelen omvang de gevolgen, die zijn verzuim na zich had kunnen sleepen voor het leven van den vorst, voor het bestaan zijner volken.

De groote schuld en het vluchtig verzuim, de gevolgen afgewend door Hooger hand, doch de schuld gebleven....

Maar heer Otto hief de in het stof gebogen gestalte op, een milde glans lichtte over zijn heerscherstrekken:

„Deze schuldbekentenis delgt uw schuld. Wie zijn vergrijp durft bekennen is een held, wie geen vrees voor de gevolgen doet afwijken van de waarheid, werd door God begenadigd. Sta op! Voortaan zal uw tent tegenover de mijne worden geplaatst in het legerkamp, want zelfs wanneer allen mij mochten begeven zult gij trouw blijven, omdat gij waar zijt.”....

Weer een ander beeld:

Reusachtig rees, niet ver van Roermond, boven het laag golvende heideland de burcht Casallum. Hecht en hoog verhieven zich zijn torentransen. Ver zagen zijn vensters, als trouwe wachters, over het omliggende land. Een landstreek, waarin rust en veiligheid heerschten, bij al het krijgstumult en de verdeeldheid van rijken en staten onderling, die de wereld in vlam dreigden te zetten.

Graaf Ansfried van Teisterbant gebood hier als heer, doch geen symbool van heerschzucht was zijn slot met den versterkten toren en de breede, dubbele gracht. Wijd werd de voorpoort geopend voor ieder, die hulp behoefde; de harnasschoen der speerknechten dreunde slechts op de brug, wanneer de grenzen werden bedreigd van het uitgestrekte graafschap.

Hier gold het woord, dat de reiziger, die zijn goud verloor, het een jaar daarna op dezelfde plaats onaangeroerd kon terugvinden; dat geen koopman het geweld der roofridders had te duchten: onbezorgd kon hij zijn handelswaren verzenden langs heirweg of stroom. Graaf Ansfried heerschte door recht; zijn schoone vrouw, gravin Hereswit, deed het door liefde. Voor haar waren de menschen niet verdeeld in heeren en slaven, zij beschouwde hen als pelgrims reizend naar één Vaderhuis. Het beeld der eerste christengemeente, waarvan de leden kwamen en wat zij bezaten legden aan de voeten der Apostelen, werd haar ideaal. In haar huis waar geloof en liefde de richtsnoeren waren van gedachten en daden, heerschte de vrede, welken de wereld niet kent, doch dien zij te midden van haar zorg en onrust voor wat vergankelijk is, benijdt en — vruchteloos zoekt.

„Kon zooveel geluk, steeds beschenen door de voorspoedszon, van langen duur zijn?” Soms vroeg „de heer van vijftien graafschappen” — gelijk graaf Ansfried werd genoemd, — zich dit af, wanneer hij zijn levenslot vergeleek met dat van veel, zéér veel anderen. Vooral bij vroegere studiegenooten wijlden vaak zijn gedachten, bij dien eenen niet het minst, dien hij voor het laatst had gezien in de schemering van een kerkgebouw, den opgeheven moorddolk in de vuist. Met een huivering herinnerde hij zich steeds dat vreeselijk oogenblik, tot de onbeantwoorde vraag rees: Wat werd van Rolfr, „den Deen”? Behelsde het gerucht waarheid, dat hij was gezien op een Vikingervloot, dat hij opnieuw Thor den beker plengde en zwoer bij Odins speer, in vlammen deed opgaan de kerken, waarin hij vroeger had gebeden?

Het werd verhaald op een rijksdag, waar de keizer, gekroond met roem en eer, omstraald door geheel zijn vorstelijken luister, door de keurvorsten omstuwd, zat op zijn troon; waar de vrije ridders kwamen, evenals de rijksgraven, aan het hoofd van hun stoet, waar harnassen schitterden en de hooge geestelijkheid verscheen in statig plechtgewaad. En daar was het, dat allen luisterden naar het woord, van den heer der „vijftien graafschappen”, naar zijn raadgevingen, hoe het best een nieuwen inval der Noormannen, in de Rijnstreek, te weerstaan, beraamd — naar werd gemompeld — door den geduchten Viking, Rolfr, wiens naam slechts werd geuit met een rilling van afschuw of een verwensching. En toen, na het zegevierend einde van den geduchten krijgstocht tegen de vermetele zeeschuimers, graaf Ansfried oorlof vroeg van den keizer, meer zijn vriend dan zijn heer, en terugkeerde naar zijn bezittingen, die hij terugvond aangevallen, verarmd, doch geheel uitgeplunderd, uitgemoord niet, en hij zijn vrouw zag, bloeiend als hij haar verliet, terwijl zijn dochtertje hem tegentrippelde met rozige wangen en zonnige oogen, vond hij zich toen niet opnieuw gezegend boven duizenden? Niet over een pas gedolven graf, het stof bevattend, van een hem dierbaarder dan eigen leven, voerde zijn weg naar huis.

Stoffelijke verliezen had hij geleden door den inval der Denen, zijn vrienden wendden zich tot hem met deelnemend woord.... Waarom? Het kostbaarste was hem immers gebleven. Daar was geen leege plaats in zijn hart....

Met purperen rozen was zijn pad bestrooid, zijn levensbeker schuimde van kristalheldere druppels; maar onder bloemen schuifelt de adder en in den doorzichtig klaren drank schuilt vaak gif — niet onder den stralend blauwen Italiaanschen hemel alleen.

Eenige weken waren voorbijgegaan. De avondwind klaagde om de hoektorens van het kasteel; alleen, in zijn bijzonder vertrek, bevond zich de burchtheer.

Een perkament met roode koorden omstrikt, voorzien van het groote, afhangende keizerlijk zegel, lag ontrold voor hem op den eikenhouten disch. Een woord van hulde, hem gebracht door heer Otto, met den dank van het rijk voor zijn krijgsbeleid, zijn moed in de zware dagen, nog zoo nabij voor ieders ontstelde herinnering,... een nieuwe schenking van land en goed....

„Waartoe zooveel zegen? Mijn God, wie ben ik, dat ik dit verdien? Deden niet allen hun plicht van den geringste tot den hoogste? Wat verrichtte ik meer?”

Deemoed overmeesterde hem terwijl de menschen hem verhieven, de levensrozen voor hem geurden.... Toen schuifelde de slang....

„Edele heer, vergunt gij ook uw nederigen dienaar een gelukwensch?”

Een vleiende stem lispelde het woord. Met den avonddronk kwam Diederik, sinds enkele jaren zijn hofmeester. Het gezicht van dien man stond hem tegen, maar Hereswit had hem aanbevolen. Arm, uitgeschud, gebroken door het leven, had hij eens haar bescherming ingeroepen en bekwaam bleek hij voor de taak, die hem werd toevertrouwd. Ook ditmaal stond hij in nederige, bescheiden houding — afwachtend. Zijn heer nam den beker, met welwillend woord, om er terstond op te laten volgen:

„Waar is de gravin?”

Hereswit was altijd de eerste, die hem tegemoet trad bij vreugde of rouw. Zij was, zij bleef de eerste voor hem; thans miste hij haar gelukwensch.

Een geheimzinnige uitdrukking gleed over Diederiks trekken:

„Mevrouwe bidt in de kapel bij de rivier, zij bidt daar dikwijls heer, in den laatsten tijd. Zeer dikwijls.”

Een sluwe blik begeleidde zijn woorden, een ernstige het antwoord:

„Voegt het u zoo te spreken van de gravin, die uw redster is geweest?”

„Ik ben mevrouwe dankbaar, maar, mag ik daarom der waarheid te kort doen?”

Twee oogen zagen hem aan, waarschuwend, doordringend:

„Wat wilt gij zeggen? Er ligt een bedoeling in uw woorden? Spreek!”

In zijn hart klonk het:

„Wat kan Hereswit bewegen zoo laat en in ’t geheim haar huis te verlaten? Heeft zij verdriet, dat zij verbergt?”

Hij dacht er aan, dat geen zoon hun was geboren, zij leden er door, maar zij leden samen.

Maar de oogen van zijn dienaar kregen weer dien zonderlingen blik. En plotseling kwam een vreemde gewaarwording over hem, gelijk hij eens had gevoeld in Italië, toen de bodem onder hem wankelde. Het was of een nevel voor zijn oogen kwam of iets hem werd ontrukt, dat hem dierbaarder was geweest dan eigen leven. Donker werd die nevel — nacht. En te midden der duisternis, verstikkend, beklemmend, drongen woorden tot hem door zonder samenhang, vol ontzettende beteekenis toch. Woorden, die behoorden tot den nacht.

Maar hij beheerschte zich, wees den dienaar terug met een gebiedend: „Zwijg! Ga!”

Zoo straf had tot dusver nooit een woord geklonken van zijn lippen. En Diederik ging onderdanig, sluipend, maar hij glimlachte toen zich de gesloten deur bevond tusschen zijn heer en hem.

Deze was alleen achtergebleven, alleen. Verbijsterd zag hij om zich, als wezenloos. Een rilling liep door zijn leden, het was of hij van zich schudde wat hij had gehoord, wat hij niet gelooven wilde, nu niet, nòoit. Hereswit zoo open, zoo waar....

Gaan mocht zij waar zij wilde, hij zou haar laten bespieden noch volgen. De kleine zijpoort zou nu evenmin worden afgesloten als te voren, — evenmin. De ridder met gesloten vizier, gezien door de landlieden, door het burchtgezin, toen hij streed ver van huis, hij zou vragen naar zijn naam noch blazoen, eer deze dit zelf bekend maakte. Ongehinderd zou hij de kapel kunnen binnentreden als te voren, ook wanneer zijn vrouw daar bad — alleen, in den nacht.

De duisternis was om hem, de wind loeide. Het scheen hem of zijn keel werd dichtgeknepen. Bleef hij daarom zwijgen, zwijgen ook toen hij meer dan een uur later de witte gestalte zag, zoo rank, zoo schoon, die ging door de kleine zijpoort en stil den voorhof betrad....

Hij verried met geen enkelen klank wat schrijnde in zijn borst met knagende, ondraaglijke pijn, maar het gif van het wantrouwen werkte. Hij begon Hereswit te bespieden, aan ieder woord, elk gebaar schonk hij beteekenis. Hij vond haar anders dan te voren. ’s Nachts stond hij aan het venster, wakend, met bonzende slapen en dan zag hij haar gaan door de kleine zijpoort en dan zag hij haar terugkeeren bij den eersten, bleekrooden schijn van den rijzenden dag. De schroeiende pijn, als van een brandwond, verliet hem geen enkel oogenblik, bij dag noch bij nacht — maar hij zweeg.

Toen klonk de lispelende stem opnieuw:

„Heer, kort recht, goed recht! Is het ditmaal geen plicht uw eigen rechter te zijn? Behoort gij niet te waken voor de eer van uw naam, als anderen die vergeten?”

Een handbeweging wees den hofmeester terug, maar opnieuw alleen gebleven streek hij zich de klamme druppels van het voorhoofd. Ja, het was zijn plicht, zijn ijzeren tijd wrong hem het wapen in de vuist; zou hij echter ooit kunnen vergelden wat hij zelf had doorgeleden? Feller dan een dolkstoot wondt trouweloosheid.

Hij zag Hereswit gaan, opnieuw gaan en hij volgde haar langzaam, zonder omzien of aarzelen. Langs het eenzame veldpad begaf hij zich naar den boschrand, die zwart scheen in de schaduwen van den nacht.

In de verte schemerden de golven der rivier. Daar waren de schaduwen minder dicht, daar verrees met muren, wit glinsterend in de duisternis, het nederige kerkje, half verborgen onder het breede kroongewelf van een eik, in wiens ruwe schors vervlogen eeuwen hun stempel drukten.

De nachtelijke nevel werd uiteengevaagd; dooreen drijvende wolk viel de zilverschijn der maan. Zij goot haar licht door de geopende kerkdeur, over de witte gestalte, die nu zacht over den drempel trad. De man, die roerloos stond, tusschen het struikgewas, smoorde een kreet, waarin woede, wanhoop en hartstocht samensmolten. Met een ruk trok hij zijn zwaard, zijn oogen zagen in de leegte, toen hij het boschpad afstormde, dat hem scheidde van zijn wraak.

Wild sloeg de deur open, het zwaard zocht zijn doel: het hart van een mensch en — werd teruggetrokken, de vlijmende spits omlaag.

Voor het altaar knielde een vrouw. Haar gelaat was omhoog geheven. In zacht gebed bewogen zich de lippen. De blanke luister van het maanlicht, dat door het kleine venster viel, scheen terug te stralen van haar voorhoofd.

Zoo als zij had gewis ook eenmaal Hanna gebeden in Jeruzalems tempel...

zwaardtrekkende ridder en biddende dame

De man, die kwam met dood en vergelding in het hart, stond bewegingloos, minutenlang. De wolk van bloed, die zoo vele weken had geschemerd voor zijn oogen, werd uitgewischt door het licht, dat neergleed uit den hooge. Het was of zijn eigen ik hem ontzonk. Hij zag alleen de bleeke vrouw, die aan den vluchtenden tijd, aan zich zelve ontvoerd, bad, als aanschouwde zij reeds de zaligheid van het eeuwige land harer onsterfelijke toekomst.

Hij durfde haar bijna niet aanzien; hij waagde niet zich te bewegen. De haat, het wantrouwen, de ijverzucht, zoo lang door hem gekoesterd, hoe verdwenen zij nu voor de werkelijkheid, als de nachtelijke nevelen voor het licht, dat thans blonk door de donkere wolken, ze omzoomde met zilveren glans. Geen onrustige flikkerschijn van purper en blauw, van flonkervolle regenboogstralen: alles sereen en puur — als de in het witte kleed gehulde, in het gebed verzonken vrouw, wier woorden en daden steeds voor hem waren geweest doorzichtig als glas, en die hij had verdacht in zijn ijverzucht van een laaienden hartstocht, donker als de nacht, waarop geen hemellichten hun helderen glans laten vallen.

Zijn geweldige, harde tijd had hem het wapen gewrongen in de vuist; het was zijn goed recht, het was hooge plicht zijn gehoonde eer te wreken, snel, onherroepelijk te wreken.

En thans — het ontbloote zwaard — schrille tegenstelling met den gewijden vrede, dien het verbrak, ontzonk de saamgenepen vuist, die het voerde; kletterend rinkelde het neer op de groote steenen van den bodem. Op dezen wanklank der aarde wendde de knielende vrouw langzaam het hoofd om. De blik harer oogen scheen hem een azuren wonder. Als een zachte ademtocht klonk haar verwonderde stem:

„O, wat is dat! Waarom een wapen hier?”

Hij boog het hoofd op de borst, boog zich voor zijn jonge vrouw met haar kalme onschuld-oogen, voor haar, die stond in het volle licht.

„Dood mij! Gij hebt er het recht toe! Ik”....

Onsamenhangend beefden hem de woorden van de lippen, die haar verhaalden, hoe diep gezonken hij haar had geloofd.

Zij luisterde zwijgend, met, o, zulk een droevigen trek om den kleinen mond!

„En dat hebt gij kùnnen gelooven! Gij kent mij toch, zooveel jaren reeds!”

Het gif van argwaan en ijverzucht werkt snel, hij wist het thans. Het was of het nu licht werd voor zijn blik. Ook hij trad uit de duisternis — nog niet volkomen.

„Ik zal u wreken met bloedig, snel recht. Diederik boet met zijn leven zijn schuld, nog vóór de dag aanbreekt!”

Welke oogen zagen hem aan, oogen vol hemelglans!

„Indien hij waarheid had gesproken, was het uw recht geweest mij te doen boeten met den dood; nu is het mijn recht hier te beslissen. Er staat geschreven: „Wreekt uzelven niet!”

Stil boog zij het hoofd, in haar oogen lag een gebed. Hij wist, dat zij genade afsmeekte voor den man, die haar meer had pogen te ontnemen, dan het leven alleen.

„Mijn lelie, het is te veel!”

Zijn stem beefde, hij zag tot haar op als tot een hooger wezen, ver verheven boven alles wat behoorde tot de aarde.... Maar haar glimlach welsprekender dan een woordenstroom, herhaalde: „Genade!”....

En het geschiedde naar haar wil. Maar toen hij Diederik ontsloeg zonder een woord van verwijt, hem alleen zeggend aan wier voorspraak hij zijn verachtelijk leven dankte; hem alleen de waarheid afeischend, wat hem had gedreven tot zijn daad, toen klonk het hem tegen in een angst, te wanhopig om naar nieuwe uitvluchten te kunnen zoeken:

„De Deensche aanvoerder, die hier plunderend het land afliep, toen gij, heer, streedt aan den Rijn, gaf mij goud, veel goud op voorwaarde”....

Het heete bloed steeg graaf Ansfried opnieuw naar de bonzende slapen. Rolfr, altijd Rolfr! Hij had ook eenmaal gedongen naar de gunst der schoone Hereswit van Strijen — vruchteloos. Sinds zocht hij zijn wraak. Zou die thans voldaan zijn of....

Opnieuw waren vele jaren opgeteekend in de geschiedrollen van het verleden. Aan een stormenden springvloed gelijk bleef het onrustige jaarhonderd. Veel krachtsinspanning vorderde het van denkende hoofden en moedige handen, van graaf Ansfried bovenal. Raadsheer van den keizer, veldheer in den slag, beslechter van meer dan één twist tusschen naijverige prelaten... het leven stelde hem zware eischen. Doch hij telde geen moeite, geen dagen van onrust, geen weken van strijd of overwinning, van bezwaren of nederlaag. Als hooge plicht lag het leven voor hem. Hij wist wie hem den weg gewezen had.

Maar eens, toen hij opnieuw terugkeerde, na maandenlang afzijn hijgend naar rust, naar huis, toen vlamde de avondlucht donkerrood, als laaiend van wreede zegepraal, daar waar de torenspitsen van zijn slot zich ophieven aan den horizon. Hoog rezen en daalden de vlammen met den gloed van een smeltoven. Tot wilder ren spoorde hij zijn paard. Zijn ridders en speerknechten volgden hem als in wedloop met den wind en toen zij eindelijk Casallum bereikten, eindelijk! — in slechts weinig minuten was het laatste gedeelte van den weg afgelegd, maar dat korte tijdsverloop besloot het leed van jaren — toen vond hij zijn vrouw met Benedicta, zijn oudste dochter, handenwringend om het verlies der jongste. Gisela was in de vlammen omgekomen, maar vruchteloos werd haar lijk gezocht....

Wie droeg schuld aan de nieuwe misdaad? Een puinhoop was Casallum nu. Of was alleen een ongeluk oorzaak van de ramp?

Weer vlogen zijn gedachten naar Rolfr, den Deen. Rolfr Jarl, luidde thans zijn naam. Hij was de zwaardgenoot geweest van een der Noorsche koningen, vele jaren, bij menigen woesten krijgstocht. Dat schonk hem dien titel. Doch sinds eenigen tijd bezat hij de goederen van zijn bloedverwant. Toen had hij zich laten doopen en de nieuwe keizer, wien de kracht en onverschrokkenheid van Otto den Groote vreemd waren, begeerig om een geduchten Viking te herscheppen in een gehoorzamen onderdaan, had vergeten en zijn hulde en manschap aangenomen.

Thans leefde Rolfr Jarl op zijn bezittingen eenige uren van Utrecht, maar er werd gemompeld, dat het beeld van Odin met de opgeheven speer achter een gordijn was verborgen in zijn vertrek, naast dat van Thor met den geduchten hamer....

Er waren evenwel aanduidingen noch bewijzen omtrent den brand....

Casallum was zoo afgelegen, niemand kon beslissen over de oorzaak van het onheil. Maar de beroofde moeder, in het hart getroffen, treurde gelijk eenmaal Rachel deed. Welke uitdrukking lag in de diepte van haar oogen, wat was in elk harer bewegingen, dat wien haar zag de keel als toesnoerde?

En eens, toen buiten de zomernacht glansde en de maan een breed tapijt van zilver ontrolde over weide en woud, stond zij voor hem, een blank perkament in haar gevouwen witte handen. Haar stille oogen vestigden zich op hem met ernstigen blik, haar stem klonk schier klankloos, als van een die heeft geleden en gestreden, maandenlang.

„Wilt gij dit lezen?”

Zij gaf hem het perkament. Hij voelde een schok door zijn leden gaan.

Hij las. Het scheen hem of het maanwitte veld donker werd of de sterren hun glans verloren.

„Gij wilt van mij gaan! En Benedicta nam den sluier, en Gisela”.... Zijn krachtige stem beefde, het scheen hem zoo zwaar, een leven geheel verlaten, zonder liefde, zonder geluk.... Zij vouwde haar handen om zijn arm en begroef haar gelaat tegen zijn schouder met smeekend, droevig gebaar. Maar de vaste overtuiging van haar hart was in haar stem, toen zij antwoordde:

„God geeft ons zooveel en wij doen zoo weinig om Hem onze dankbaarheid te toonen. Soms vraag ik mij af:

„Leefden wij ook te veel voor ons zelven, voor ons geluk en werd daarom”....

Haar stem brak, zij kòn den naam niet uiten van het kind, dat haar was ontroofd.

„God alleen geeft mij kracht om het vreeselijke te dragen. Hij heeft gegeven, Hij heeft genomen, geloofd zij Zijn naam. Maar o, laat mij de levensjaren, die mij nog geschonken zullen worden, geheel wijden aan Zijn dienst, evenals ik eens Hem de uren offerde van mijn nachtelijke rust. Laat mij mogen bidden voor mijn arm kind. Waar moet ik het zoeken, bij de levenden, bij de dooden?.... Ik weet het niet. Hem alleen is het bekend, Die beslist over der menschen leven en lot.”

Haar denkbeelden waren geheel volgens den geest van den tijd, die het geestelijke leven stelde ver boven het wereldsche. Zijn hart, zijn moedig krijgsmanshart, brak van deernis bij haar klacht, brak in medeleed. Opnieuw zag hij het perkament in. Het behelsde de schenkingsoorkonde aan het klooster van Thorn, waar Benedicta de gelofte had afgelegd, der uitgestrekte bezittingen van Hereswit van Strijen.

Rondom was stilte, ook in het vertrek, vele, vele oogenblikken. Ten laatste hernam hij:

„Over uw bezittingen kunt gij niet beter beschikken dan ter uitbreiding van Gods kerk op aarde. Maar gij zelve wilt u afscheiden van de wereld, mij verlaten voor de dood ons scheidt? Dat pijnt.”

Haar stem klonk dof van overstelpend leed:

„Christus gaf Zijn leven voor ons, mogen wij Hem dan niet offeren ons levensgeluk? Volg mijn voorbeeld, scheid van de wereld, wijd uw verder leven aan den dienst van God. Wie beslist of de ure niet spoedig zal daar zijn, waarin Hij ons roept voor Zijn gericht? Nadert niet het jaar duizend?”

Hij begreep haar zinspeling. Reeds nu stroomde het volk naar de kerken en namen met den dag de schenkingen toe, die aanvingen: „Voor de rust mijner ziel, bij het aanstaande vergaan der wereld....” En velen zagen in de verwoestende invallen der Denen een teeken der nadering van den Antichrist....

Maar langzaam vloeiden de tranen door de half geloken oogleden der beroofde moeder, toen zij stil hernam:

„Geloof niet, dat ik mij wil wijden aan den dienst van God uit angst voor Zijn naderend oordeel. Het is ook niet, omdat mijn hart ziek is van leed of omdat ik u niet meer liefheb als uw vrouw. Dat is het niet, maar de aarde en de hemel hebben met elkander gestreden in mijn hart en de hemel heeft overwonnen.”

Hij zweeg een wijle:

„Geef mij tijd om na te denken, ik zeg u dan later mijn besluit.”

Toen legde zij haar handen in de zijne, vertrouwend, vol overgave, maar uit den kus dien zij elkander gaven, eer zij hem verliet, was iedere hartstocht geweken, alleen de liefde was er in over gebleven, die niet zich zelve zoekt, die, diep en onpeilbaar als de zee, geen woorden bezit om zich te uiten.

Doch, toen na vele dagen van strijd en zelfonderzoek, haar zijn besluit tegenklonk:

„Wij zullen elkander niet terugzien in deze wereld. Mogen wij elkander eens hervinden in hooger bestaan;” toen zweefde de doodsengel over zijn drempel en diens aanraking was hier de heelende balsem voor een gebroken moederhart.

En toen, kort na dien dag, die hem het liefste ontnam wat hij bezat, de graaf van Teisterbant zich gereed maakte zelf afstand te doen van de wereld, van aardsche macht en aanzien, toen stonden daar de afgevaardigden van den keizer en riepen hem tot het hoogste kerkelijk ambt in zijn vaderland, tot plichten zwaarder dan eenig wereldlijk gezag kon insluiten. Geroepen werd hij om den ledigstaanden zetel te bekleeden van den bisschop van Utrecht.

Niet in stille afzondering, bij bespiegeling en gebed, tusschen zwijgende kloostermuren; te midden van het volle leven eischte God zijn toewijding, zijn kracht.

Hij aanvaardde de gewichtige taak hem toevertrouwd door Hooger hand.

En thans voerde in zijn nieuwen werkkring het leven hem nogmaals tegenover zijn ouden tegenstander: Rolfr, den Deen....

Dien avond, toen Rolfr Jarl de landbewoners uit den omtrek had bevolen bij den grafheuvel van Roruk, bleef Yglo’s moeder alleen achter in het woonvertrek harer hoeve.

Zij rilde, de koorts steeg met den nacht; een benauwde hoest deed haar kreunen van pijn. Haar man, haar zoon had zij zien heengaan op bevel van den gevreesden Jarl. Nu was de eenzaamheid om haar heen. Zij kroop naar het vuur, klappertandend.

„Och Heer, help! Geef uitkomst! Doe het nu!”

Haar stem smoorde in een rauwen hoest, zij zweeg en wachtte, — wachtte.

Maar de tijd ging voort, hij duurde zoo lang. Klamme druppels parelden de kranke op het koude voorhoofd:

„Als ik nu eens stierf, alleen... en zij bij het offervuur van een heidenschen afgod! Och, lieve Heer, help!”

Een voetstap kraakte op het zand. In de deur stond een gebogen gedaante. Een doffe stem vroeg:

„Hoe gaat het, moeder Anna? ’k Had een gevoel of ik hier noodig was. Ik wist er al van. Rolfr Jarl... vloek over hem en de Denen. Sinds zij in ’t land kwamen is mijn woning gelijk aan het hol van een beer of vos, wordt het voedsel, dat ik zelf verdiende of opgaarde, mij nog betwist.”

„Lisa, o, Lisa, denk toch niet het meest om de tijdelijke dingen! Dezen nacht wordt er geofferd aan Wodan! Henno is er bij en Yglo en de bisschop zegt, dat de Heer gebiedt: „Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. O, Lisa!”

Met bevende hand streek de bleeke vrouw zich het grijze haar uit het koude gelaat. De hoest verscheurde opnieuw haar borst. Tusschen hijgend ademhalen klonk het:

„Ik sterf en zij zijn dààr... bij het vuur”....

O, de wanhoop van die uitgemergelde trekken! Oude Lisa’s hart, zoolang versteend in eigen leed, brak van medelijden.

Zij zag naar buiten: de nevel hing als een zilveren wade over het veld. Hoog door de lucht trok een vogelzwerm met vreemde klaagklanken.

Vogels aan den linkerkant! Angstig sloeg zij een kruis... Toen zag zij nog eens naar het veld en de kronkelende paden.

De weg zou lang zijn en zwaar voor iemand als zij met zulk een strompelenden gang, maar die radelooze vrouw voor haar met het gelaat van een stervende... „Ik zal gaan en hen halen! Houd je goed, buurvrouw, houd moed!”

Zij greep haar stok, maar de kranke trachtte zich op te richten met haar laatste kracht:

„Laat me niet alleen sterven, geheel alleen!... Bid; God zal helpen!”...

En beiden fluisterden, de eene het schier verleerde, de andere het nooit vergeten gebed:

„Onze vader, die in de hemelen zijt”... Maar toen Yglo’s moeder sprak met bezwijkende kracht: „Uw wil geschiede!” toen haperde haar stem en boog zij het hoofd op de borst en wachtte af wat die wil zijn zou.

Een zacht gedruisch. In de deuropening stond Trutha, omgolfd door het zilveren licht der maan, dat den nevel had doen wijken. Aan haar oogen was het te zien, dat zij had geschreid, maar groote zielevrede rustte op haar jong gezichtje. Nog voor zij een woord kon zeggen, omknelde oude Lisa haar hand:

„Trutha! Trutha! goed dat je komt! Roep Henno en Yglo! Zij zijn bij den grafheuvel op bevel van den Jarl!” Haar hand wees naar de half bezwijmde vrouw. Trutha begreep en snelde heen.

„Zij zal er eerder komen dan ik, rap als een hinde gaat zij over den weg,” prevelde Lisa. Toen zonk zij op de knieën:

„Ik zal nooit meer twijfelen aan uw goedheid, Heer! Gij zelf hebt haar gezonden!”

Bewusteloos lag Yglo’s moeder, het vredige, witte licht omzweefde haar.

Door de velden snelde Trutha. Tusschen de dichte bladerengewelven der boomen hing de lucht donker en zwaar. Groote schaduwplekken wierpen de eikenkruinen tot ver over den woudzoom. Behoedzaam verliet zij het veldpad, dat zich slingerde in het licht als een zilveren lint; voorzichtig zocht zij de schaduw der boomen. Indien de Jarl eens wachten had uitgezet en die haar zagen of als zij trapte op een der kringen door de gevreesde zwartalven achtergelaten op het grazige pad!.... Zij wist immers, dat men elvenblad mocht afsnijden, noch vee in de weide laten, na zonsondergang. Want het nachtkruid behoorde aan de alven en wie het plukte moeststerven.[9]Evenmin als een der overige landbewoners zou zij daarom ooit hebben gewaagd in een weide te slapen. Wanne Thekla, de alvenkoningin zou uit haar luchtschip — de drijvende wolken — een onzichtbaren pijl hebben afgeschoten op den vermetele, die den alven belette hun rijen te dansen bij helderen nacht. Lokken zouden zij hem in het moeras met hun dwalende lichten.

Bevreesd voor de geheimzinnige wezens, die haar ook nu gewis omgaven, ging Trutha verder. De eene angstige gedachte verdrong de andere, tot zij eensklaps werden vervangen door een herinnering, die met zich voerde een wonder gevoel van vrede en rust; het was of het suizen van een zachte koelte haar omgaf na het branden van den gloeienden middaggloed. Klonk inderdaad de stem van bisschop Ansfried of rees een vervlogen, nooit vergeten uur op voor haar geest: „De Heer is mijn herder”....

Zoo had hij eens gezegd.

De Heer! De Schepper van het eindeloos heelal, Die zonnen en sterren hun banen voorschreef, die werelden te voorschijn riep uit het niet, Hij was haar herder, Hij vergat ook haar, Zijn arm kind niet, dat dwaalde door nacht en nevel, alleen. Hij was haar nabij. Mocht zij dan nog vreezen voor nachtgeesten en zwartalven?

Diep ademhalend, herademend verhaastte zij haar tred. In de schaduw door de forsche stammen geworpen slingerde nu de weg, dien zij gaan moest, dien zij ging zonder vrees of aarzeling. En toch hoe donker was het nu weer. Zij kon op kringen trappen.... Nu glimlachte zij er bijna om: als de alven die hadden achtergelaten, waren zij toch niet dè machtigsten. Eén”....

Plotseling stond zij stil, met een uitroep van schrik. Wat lag daar voor haar, dwars op den weg? Een mensch, een boomstam.... beiden? Zij boog zich voorover om te zien en haar ademhaling ging gejaagd en krampachtig klemde zij de handen ineen. In de nabijheid ruischt een beekje met zacht geklater, de trillers van den nachtegaal klinken wonderzoet, het licht rijst hooger, dat de duisternis verdrijft en in haar hart is het nacht. Want daar ligt hij voor haar, Yglo, bloedend, bewusteloos, dood misschien, klaarblijkelijk gestruikeld over den boomstam, dien de storm had geworpen op het pad, slechts weinige dagen te voren.

Trutha weende noch wrong de handen. Zij deed wat haar hand vond om te doen. En het verband, dat zij legde om het voorhoofd van den gewonde, dat zij verkreeg door een stuk af te scheuren van haar eigen kleed; het water, dat zij voor hem schepte uit de beek, koel, reddend water, brachten hem bij, na vele oogenblikken, waarin de levende meer leed dan hij die schijnbaar neerlag als een doode.

Langzaam opende Yglo de oogen. Voor de spanning van Trutha’s zielsangst scheen het, dat uren voorbij waren gegaan, sinds zij hem vond.

Nog altijd drong geen geluid over zijn lippen, weer verdubbelde zij haar pogingen, ook toen hij opnieuw neerlag, strak en roerloos. En de frissche waterdruppels brachten ook hier redding aan, nog een korte poos, toen zag hij met bewustzijn om zich heen, zocht zijn blik zijn redster, met klaar begrip.

Trutha’s oogen lichtten, haar stem had den diepen klank van een dankbaarheid, die moeite heeft om woorden te vinden, toen zij snikte:

„O, God hoe zal ik U danken, hoe kan ik het ooit!”

Zij stond rechtop, de handen gevouwen, haar blik zag omhoog. Toen doortrilde haar een schok; in de wazige verte begon het te kleuren van rosachtig licht en lichtend rood, de blanke nevel vlamde. Nu hief Rolfr Jarl gewis de van bloed druipende handen op bij het onheilig offervuur. De roode schijn in de verte wees Yglo den weg en herinnerde haar waarom zij hier was gekomen. Zij hielp hem zich oprichten in haar krachtige, jonge armen.

„Yglo, kom mee, je moeder roept je! Zij is erg ziek.”

Hij schudde het hoofd, zijn hand hief zich op naar den weerschijn van den vuurgloed in de verte.

„Ik moet dáárheen. Je weet het, Trutha. Anders blijven wij gescheiden, ons gansche leven.”

Zij zag hem aan, ernstig, droevig, met de rust van een groot besluit in haar schuchtere oogen. Toen verhaalde zij hem alles wat de bisschop had gezegd. Diep bedroefd had hij geluisterd:

„Rolfr Jarl vergeeft nooit iets. Vader is daar en Walger en al de vrijen uit den omtrek. Als ik ontbreek dan”....

Zij vouwde de handen om zijn arm met hartstochtelijk smeekgebaar:

„Laat alles komen zoo als het moet. Doe wat God wil, denk niet langer om wat wij zelf wenschen. Dan zal alles goed wezen, misschien niet hier, maar zeker toch in het andere leven. God alleen weet wat best is. Doe nooit — al denkt gij er ook alles bij te verliezen — wat gij weet, dat Hij afkeurt. Dat heeft de bisschop mij gezegd.”

Het was hem of een engel tot hem sprak door haar mond:

„Denk je, dat het toeval was, die boomstam op den weg, waardoor je bent gestruikeld?

Kom mee naar huis, uw moeder is erg ziek, heel erg. Zij roept om je”....

Met een schok leunde Yglo op haar arm. Zijn oogen brandden van angst. Nu begreep hij — een vaste trek kwam op zijn jong gezicht. Zij vingen den terugweg aan. Rondom was stilte en het suizen van het woud. De roode schijn van het offervuur verglom in de verte....

Een nieuwe morgen lichtte. Rozeroode wolkjes dreven langs de lucht. De velden ontvingen glans en kleur. Maar uit de hoeve van Henno klonken droeve klaagzangen. In den donkersten hoek van het woonvertrek lichtte iets, schemerwit: een laken gespreid over een strooleger, over een roerlooze gestalte. Twee kaarsen ontstoken aan het hoofdeinde, dienden om de booze geesten te verjagen. Aan het voeteneinde zaten de klaagvrouwen. Met oogen overwolkt van droefheid knielden Trutha en Yglo naast de doode. Zij had beiden gezegend met haar laatste kracht en tot haar zoon gefluisterd:

„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op”.... om te vervolgen met schier onhoorbare stem:

„Mijne kinderen, gij behoeft uw kruisweg niet alleen te gaan. Een Machtige leidt u en gaat u voor. Volgt den Heer, dan komt gij waarheen ik nu ga, in Zijn eeuwig huis.”

Tranen hadden beider stem verstikt, maar een glimlach, verhalend van een vrede, die niet behoorde tot dèze wereld, speelde over het gelaat der doode. Kende zij de stille gelofte, afgelegd in twee diep bewogen jonge harten? Snelle voetstappen knarsten op het zand, een vaalbleek gelaat verscheen in de deuropening. Radeloos wrong Henno de handen op het gezicht der doode, op dat der levenden.

„O, vrouw! o, kinderen! o, vrouw!”.... Hopeloos herhaalde hij aldoor hetzelfde, toen sprong hij toe op de deur om den grendel er voor te schuiven, om den schutbalk in de opening van de haag te leggen, als wilde hij een dreigend gevaar buiten sluiten. Maar met een schreeuw deinsde hij terug:

„Daar is het al! Daar komt het! Genade, o, genade!”

Verbaasd zag Swanwitha, die nu binnentrad, naar den man, die zich in ’t stof wrong aan haar voet. Waarom deed haar komst hem zoo ontstellen?

„Henno, bedaar toch! Ik kwam nog eens naar moeder Anna zien, ik wist niet dat zij reeds”....

Haar zachte blik, rustend op het witte leger in den donkeren hoek, vulde haar woorden aan, haar gelaat scheen bijna even kleurloos als dat der ontslapene. Henno kermde:

„Komt gij dan niet op last van den Jarl? Yglo was niet bij het offer, dezen nacht. Toen heeft de Jarl gezworen hem levend te zullen spietsen. O, Yglo, mijn zoon, mijn zoon! Eerst mijn vrouw, mijn kind nu.... mijn eenige.... o, Yglo, Yglo!”

Die hartbrekende jammer op dat van smart verteerde gezicht! Tranen druppelden door Swanwitha’s oogleden.

„Henno, zeg mij alles; misschien weet ik nog een middel,” sprak zij zacht. In korte, afgebroken woorden werd haar alles meegedeeld. Eentonig zongen daar tusschen de klaagvrouwen haar refrein, zacht flikkerden de kaarsen, wit was het gelaat der doode. Maar toen Henno zweeg, sloeg Swanwitha de oogen naar hem op en haar blik glansde door haar tranen heen. Beslist sprak zij:

„Yglo en Trutha, gij moet terstond vluchten. Mijn heer grootvader heeft mij vier eigenhoorige maagden afgestaan om mij te volgen, na mijn huwelijk” — hoe aarzelend klonk dit laatste woord — „waar ik ga. Gij, Trutha behoort er toe. Ik schenk u de vrijheid. Ga waar de weg en de zon u voeren, als vrije vrouw.

Laat lang groeien uw lokken, ten teeken, dat niemand het recht heeft de hand op u te leggen, om u te verklaren voor belmundig of eigenhoorig.”

Maar terwijl Yglo zijn verbaasden dank stamelde, en Trutha zich neerwierp om den zoom te kussen van het gewaad der jonkvrouw, ging Henno’s ademhaling hijgend. Zijn oogen waren op zijn zoon gericht, vol angst:

„Jonkvrouw, wij weten het allen hier in den omtrek, hoe velen gij hebt bijgestaan in dagen van ziekte en tegenspoed. Zij leven op aarde om u te zegenen of zullen u eens welkom heeten in — het andere land.” — Aarzelend werden de laatste woorden geuit. Dien nacht had hij verloochend, waarin hij eens had geloofd. — Maar weer waren zijn oogen op zijn zoon, en hij hernam:

„Thans doet gij meer dan een van ons zou kunnen hopen of wenschen. Trutha geeft gij de vrijheid, hooger gift dan het leven, maar o, bloedbloemen vlecht gij haar als bruidskrans door het haar!”

„Bloedbloemen?” — De jongelieden herhaalden het verschrikt, schuw fluisterden de klaagvrouwen, die nog steeds de wacht hielden bij het lijk.

„Zal Rolfr Jarl hen verschoonen, haar en hem? Nooit zal hij uw besluit goedkeuren, beweren zal hij, dat Yglo zijn bruid heeft ontvoerd en dan”.... Zijn doffe blik week niet van zijns zoons gezicht, al de verschrikkingen, die de folterkelder van den Ravenhorst verborg in zijn donkere diepte, zag hij voor zich. Koude druppels gleden langs zijn grijze haren af langs zijn slapen.

„Vader, kom tot u zelven! De Jarl zal ons niets doen, als gij hem tot erfgenaam maakt uwer vrije, vererfbare hoeve.” Liefkoozend streek Yglo hem het vochtige haar van het voorhoofd, ook zijn krachtige hand beefde.

„Ons huis, onze eigen vrije woning! Mijn moeder stierf er in, zooals nu de uwe en gij werdt hier geboren.”

O, die wanhoop op dat dierbare, oude gelaat! Het was meer dan Yglo kon dragen! Toch was het de eenige uitweg. Vastbesloten nam hij een stroohalm van den vloer en wierp dien ver van zich.

„Hier doe ik afstand van mijns vaders huis en goed, volgens de zede der vaderen,” sprak hij overluid. Zijn oogen volgden den kring, dien de stroohalm beschreef, ver van hem verwijderd viel hij neer. Hij had zich losgemaakt van zijn erfdeel. Henno zag het, nu was het beslist. Hij hief de hand op:

„Zoo zijt gij vrij van huis en hof, van vliet en veld. Ga waar de wind u voert en de weg u leidt.”

„Houdt u schuil te Utrecht een jaar en een dag. Dan kan geen enkele rechtsvordering meer tegen u gelden. Stadrecht breektlandrecht.[10]De bisschop zal u beschermen.”

In de stilte, die volgde op Swanwitha’s woorden, die vooraf gingen aan het bitter vaarwel, mengde zich het gedruisch van vele paardenhoeven, het zwol aan, kwam nader...

„De speerruiters van den Ravenhorst rijden! Yglo, zij zoeken u! De Jarl heeft het gedreigd, dezen nacht: Hij zag te vergeefs naar u uit!”

Bijna zinneloos van schrik, kwamen Henno hortend en stootend de woorden over de lippen.

Luid jammerend wierp hij zich op den grond.

„Vlucht naar den Hohorst, door kreupelbosch en moeras. Daar kunnen zij u niet volgen. Het altaar is een vrijplaats. Haast u! Verlaat de hoeve aan de achterzijde, daar staan de boomen dicht!”

De beide vluchtelingen konden slechts snikken tot Swanwitha:

„O, onze redster, onze redster! Wees gezegend met den zegen dien gij verspreidt!”... Toen omarmden zij krampachtig den levende en de doode en gingen het onbekende tegen.

Slechts weinige uren later brandde het dak boven Henno’s hoofd. En, toen hij zich naar buiten sleepte, in de armen het levenloos overschot zijner vrouw, toen stonden daar de speerruiters als een ijzeren haag en wierpen haar terug in de vlammen en voerden hem mee naar den Ravenhorst. Gesnoerd met koorden, die scherp sneden in zijn lichaam, werd hij aan „de kaeck” gesteld op den blauwen steen. Hoelang zou deze eerste foltering duren? „Tot regen en zon uw gebeente verbleeken,” had Rolfr Jarl gezegd, met zijn wreeden lach en verschrikkelijk was zijn gelaat geweest om aan te zien bij dat woord. Hij was niet de eenige, die werd getuchtigd. De vrouw van Walger werd, tot straf, dat zij zich had verzet tegen den gang van haar man naar het offervuur, achterwaarts op een ezel gebonden, geleid van hoeve tot hoeve. De smadelijkste tocht, die bestond voor een vrijgeboren vrouw. Eigenhoorigen van den Ravenhorst braken de helft van het dak af harer woning; de straf voor een tweedrachtig echtpaar.

Walger zelf hing onderwijl in een mand boven de gracht van den Ravenhorst. Hij zou de touwen van die mand zelf moeten afsnijden en, na zijn val in het water — als hij nog levend den oever bereikte — vernemen welke straf hem verder wachtte.

Op Yglo’s hoofd was een bloedprijs gesteld, veroordeeld tot de put werd Trutha...

Rolfrs lippen krulden zich zegevierend, terwijl hij op en neer ging in zijn hooge hal. Hij zag zijn slachtoffers en was voldaan.


Back to IndexNext