Aldus leeft wie de ware liefde bezit voor het geluk zijner medemenschen, zooals hij dit voorheen deed voor zich zelven. Het is de zwaarste taak voor den mensch, die tracht „volmaakt te zijn, gelijk ook zijn Vader in de hemelen volmaakt is”, want het zondig beginsel blijft en werkt, zoolang hij hier op aarde leeft en brengt hem in onafgebroken strijd. „Indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven,” zegt wederom de Apostel. Want, Olaf, al vormt het menschelijk lichaam met zijn verschillende onderdeden éen geheel, en lijden, als een lid pijn heeft, al de leden, toch kan men het splitsen in twee deelen: ziel en lijf. Het laatste behoort aan dit leven, aan de onsterfelijkheid de eerste. Het is het inwendige bewustzijn, dat onzichtbaar toch de handelingen van het zichtbare lichaam bestuurt, handelingen wier beteekenis ver over het graf heenreikt. Aan de vruchten kent men den boom, den mensch aan zijn daden, waarvan eenmaal de eeuwigheid de vrucht schenkt in onvergankelijk geluk of in eindelooze smart. Want de mensch bewijst wie hij is, uit zijn werken en evenals het geloof zonder de werken slechts een luid klinkende schel is, toonen werken, die niet uit het geloof, niet uit liefde tot God hun oorsprong nemen, dat zij ontwellen aan onzuivere bron, die der zelfzucht, niet achtend Christus’ woord:
„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op!”....
De bisschop zweeg, en Olaf verborg het hoofd in de handen. Hij wilde niet zien wat om hem was, maar den blik slaan in zijn binnenste, tot ernstig zelfonderzoek, en nadenken, voor de eerste maal. Het warrelde in zijn hoofd. De nieuwe gedachten, die ongekende voorstellingen wekten, lieten zich niet in enkele oogenblikken verwerken. Welk een volkomen tegenstelling vormde de godsdienst der christenen, waarop hij tot nu toe met zooveel geringschatting had neergezien — met het geloof aan de goden, waarin hij was opgevoed! Een schare van kloeke helden vormden dezen, tuk op eer en roem en macht. Uit vreemde, verre streken heetten zij eenmaal te zijn aangekomen in het hooge Noorden. Hun stamboomen bezaten zij evenals aardsche vorsten. Een strijdros, dat een naam droeg, was hun eigendom. Verschillende dieren en vogels waren hun gewijd. En het Walhalla — was het niet gelijk aan een strijdperk van ruwe krijgers, krijgers vol ontembare kracht, vervuld met woeste doodsverachting?
Wel moest een veroveraar, begeerig een aardsche wereld te winnen, het eerst den volken het bestaan dezer goden hebben geleerd, om hen te lokken tot krijgstochten, die de geheime voorbereiding waren van zijn eerzuchtige heerschersdroomen.
En de leer der christenen!....
Eer, noch macht, noch roem begeerden zijn aanhangers. Zelfverloochening! luidde de eisch van hun Heer, den eenigen Almachtigen Schepper van hemel en aarde. Zalig sprak Hij niet hen die groote, roemvolle, maar die goede, edele daden verrichtten, uit liefde tot Hem en hun medemenschen. En wanneer hun aardsche loopbaan was geloopen, dan nam Hij allen, die Hem liefhadden en Zijn geboden hadden volbracht, zoover hun zwakke kracht dit toeliet, op in Zijn eeuwig huis. Geen woest strijdperk van een tot god verheven verdelger, als Odin, maar een hemel badend in heilig licht waar liefde en vrede heerschten en de zegepalmen werden gereikt, ieder die hier op aarde zijn goeden strijd had gestreden ten einde toe....
Vaster drukte Olaf de handen tegen het gloeiend gelaat. Hij voelde tranen branden achter zijn gesloten oogleden — de eerste, sinds zijn kinderjaren. Het was of een geheele omkeer plaats greep in zijn voelen, wenschen, denken, plotseling met een schok, als of hij werd vervoerd door een wonderbare macht, die alles deed verzinken waar hij tot nu toe tegen op had gezien, dat hij gewijd had geloofd en waar. Een macht, die hem dwong zich in eerbied te buigen voor denkbeelden, te voren slechts met een verachtelijk schouderophalen begroet.
„Wat is waarheid?” Niet langer beefde die vraag op zijn lippen; hij wist waar zij werd gevonden en —
En toen rees hij op, verwilderd. Zacht was de deur geopend en gesloten, terwijl hij neerzat en met zich zelven worstelde en streed. Hij had het niet opgemerkt, evenmin als hij zich thans alleen wist. Zijn blik staarde in het verleden, in het zijne. Hij zag een bloedig slagveld. Hoog wapperde Odins zegevierend vaandel tegen het blauw der lucht, luid schetterden de horens, juichend werden als overwinnaars gehuldigd door hun strijdgezellen, allen even dapper als woest, Rolfr Jarl en Olaf Erikson...
Rolfr Jarl en hij! Een rilling liep door zijn leden. Want hij zag een strook lang wuivend gras, hooggehouden op de spits van glinsterende speren en daaronder traden de overwinnaars der christenen: Rolfr Jarl en hij. En toen reten beiden den rechterarm open en zij vermengden hun bloed, dat afdruppelde op de groene zode, gespreid voor hun voet. De legerdrommen juichten... Bloedsbroeders waren thans de beide aanvoerders, de een zette zijn leven voor den andere, trouw tot in den dood, zelfs tegenover eigen verwanten en vrienden. Want wie zijn bloedsbroeder verliet in voor- of in tegenspoed, gaf zich zelven den goden der benedenwereld prijs in de toekomst, die werd geschuwd als eerloos, als meineedig veracht door strijder en Skald, bij hamerworp en harpslag te zee en te land. En thans: De Denen kwamen, om te verwoesten en te verkeeren der christenen land, om te dooden wie de leer beleed van den Gekruisigde. En trouw tot in, tot over het graf, dat eischte de bloedsbroeders-eed!...
Plotseling rees hij op, met een kreet. Want, daar buiten glinsterden speren, daar sloeg een banier haar banen uit, hoog tegen ’s hemels blauw, maar niet van de drakenschepen flikkerden de doodelijke wapens, niet Odins bloedroode vaan zag hij.
Hij zag een banier wapperen, met het beeld van den held, die eenmaal zijn mantel deelde met een armen voetknecht.
De mannen van Sint Maarten kwamen, in rechtmatigen toorn ontstoken, nu hun bisschop en heer de gevangene was van een tuchteloozen vasal. De overgang was zoo plotseling, zoo snel, dat hij Olaf als bedwelmde, vele oogenblikken.
Wie hen had gewaarschuwd, wakker geschud uit hun doffen angst voor eigen lot, wie allen had gewezen op hun plicht, behoefde hij evenwel niet te vragen.
Aan de spits der kloeke schaar reed een boer, blootshoofds, gekleed in grof wadmer, met oogen donker van zorg en angst — Henno.
„Te hulp! Onzen heer te hulp!” riep hij luid. Van alle zijden werd die kreet herhaald. Hij klonk uit den mond der mannen van Utrecht, het landvolk ving hem op en droeg hem van hoeve tot hoeve, hij werd teruggekaatst door de gevels van het slot Bacheforth, tegen de half verbrande muren van den Stuthenborch, verder golfde hij met den breeden stroom langs weide en woud.
„Te hulp tegen Rolfr Jarl! Te hulp!” Het was of plotseling de vrees verdween, die den geduchten Jarl zijn kracht schonk. De mannen van Sint Maarten waren gekomen, in de schaduw der banier van hem, dapper en edelmoedig krijgsoverste — eer hij zich wijdde aan den dienst der kerk — waren zij veilig.
„Te hulp! Redt onzen bisschop!” Want, was ook deze niet aan Sint-Maarten gelijk, deelde hij niet evenzóó met de armen en lijdenden wat hij bezat?
„Redding voor bisschop Ansfried!”
Oorverdoovend werd de kreet, kodde en herdersstaf, sikkel en dorschvlegel werden gegrepen door gespierde, bruine handen, dreigend werden zij opgeheven naast de flikkerende speren der wapenknechten.
Als een springvloed door dijken noch dammen te stuiten viel het landvolk — nu sterk, omdat het werd gesteund, aan op de boogschutters van den Ravenhorst. Overrompeld werden de ruiters, die de wacht hielden op de kruiswegen, doorschoten de voorbeenen der paarden van aanvallers of vluchtelingen, met pijlen even scherp als wel gericht.
Een vreeselijk treffen ving aan, niet reusachtig door het getal der strijders, doch moorddadig in zijn woestheid en ontzettenden ernst.
Toen, reeds bijna een uur duurde de kamp, drong een man hoog te paard door den warrelklomp der strijders, een geheel geharnaste forsche gestalte:
„Hier, laffe wapenknechten! Uw heer beveelt! Graaf Ansfried vrij!.... Dat nooit! De dood hale hem! Slaat u door of ik vel u met eigen hand!”
Rolfr Jarl brulde het meer dan hij sprak in razenden toorn. Hij streed vol woeste doodsverachting als nimmer te voren, zijn bijlslag suisde, in zijn vuist blonk het zwaard, zijn werpspies trof wien hij koos tot zijn wit. Verdubbelen deed zijn komst het geroep en gedruisch, de wilde strijdkreten, de doodelijke slagen. Tot waanzin schier steeg de woede aan beide zijden. Henno stiet terwijl hij trachtte den Jarl te bereiken op Sven Persen. Als roofdieren stortten zij op elkander en vielen, na een moorddadig tweegevecht, bloedend, kreunend naast elkaar, de een zijn verwenschingen slingerend naar den andere met bezwijmende kracht.
„Sterf, hond!” brulde in het eigen oogenblik Walger, zijn dorschvlegel zwaaiend. De doodelijke stoot, die hem trof als antwoord, kwam van Harald, den Skald; met bloedig schuim op de lippen zonk hij neer om niet meer op te staan.
„Een boot! Een plank slechts om den stroom over te zwemmen!” riep Unruoch. Als voortgezweept ging hij op en neer op den Hohorst, hij wierp zijn rusting af om zonder wapen of verweermiddel zich van de hoogte in de golven te storten. De weinige ruiters, die waren ontkomen aan het bloedbad bij den grafheuvel, wilden hem volgen. Slechts door een streng bevel kon de bisschop allen terughouden: want diep was de stroom, hun dood gewis, indien zij er zich in wierpen.
„De Heer kastijdt ons met een zeer zware beproeving!” jammerde broeder Johannes met opgeheven handen. Toen, ze als een roeper aan den mond brengend, gillend tot de mannen van Sint Maarten:
„Slaat dood! Slaat dood! Vraagt niet naar heiden of christen! De Heer beschermt de zijnen, slaat toe!”
„Broeder, zwijg!” Bevelend klonk bisschop Ansfrieds ernstige stem. „Dit is godslastering. Het zijn menschen! Bid voor de dwalenden, die Wodan aanroepen en zijn heir van booze geesten. Vervloek ze niet!”
In zijn vertrek wrong Olaf de handen:
„Mijn bloedsbroeder delft het onderspit en ik lijd niet om hem, en geen droefheid is in mijn hart, omdat ik hier machteloos, weerloos sta! Een meineedige — ik!”
Zijn hoofd zonk op de borst, zijn lippen fluisterden:
„Alvader vergeef!... Wijs mij den weg dien ik gaan moet.... eeuwig God!”...
Op de hoogte verscheen opnieuw de bisschop, voor iederen pijl een weerlooze prooi, niet achtend het gevaar, dat hem dreigde:
„Vrede! Vrede! Staakt dit moorden! Houdt op! Ik wil het!”....
Als een roepende in de woestijn was zijn stem, overstemd door strijdgerucht en wapengekletter, door het wraakgehuil, dat den smaad gold hem aangedaan.
„Berg uw lijf! De pijlen der Denen worden alle op u gericht!”
Heesch stiet Unruoch de woorden uit; tegen diens wil sleepte hij zijn vaderlijken vriend mee. Olaf zag het met een zucht van verlichting.
Maar opnieuw drong een kreet in zijn ooren van smart en van toorn, door merg en been ging de snijdende klank. Hij klemde zich aan het kleine venster, hij zag Rolfr Jarl wegdragen, zag Unruoch zegevierend — zijn pijl had gemikt en doel getroffen — over het breede golvenvlak.
Nog eenmaal vlogen links en rechts de pijlen, en sloegen opnieuw de speren hun bijtende wonden. Menige krijger zonk ineen op het veld. Wild door elkaar warrelden, streden de laatst overgebleven Denen tot zij hun Jarl en heer zagen wegdragen. Toen klonk een gehuil aan het brullen van een wouddier gelijk, toen vluchtten „de zonen van Odin” en wapperde zegepralend de banier van Sint Maarten boven de hoofden der overwinnaars, knielend op het veld:
„Heer, U zij de eere! Heil onzen bisschop”.... Hoe ras was de boot bemand, die hem veilig droeg in hun midden, veilig en vrij!
Met jubelenden heilzang, met vochtige oogen begroetten hem de stoere strijders van daareven. In hoog aanzien stond hij bij allen, maar de eerbied en liefde, die hem werden gewijd, overtroffen het ontzag, omdat hij heerschte door goedheid en ieder zijner daden een zegening was.
„Naar Utrecht voeren wij u! Wij brengen u in veilige rust!”
Doch waarschuwend hief hij de hand op: „Staakt dien jubel! Hier voegt de stilte: onze gebeden vragen de dooden, de gewonden onzen bijstand!”....
Een draagstoel werd aangebracht, toen deze eerste plicht was vervuld. De bisschop steeg in.
In ’t zelfde oogenblik sloeg een hand het gordijn terug: „Ik ben uw gevangene. Beschik over mijn lot!”
Bisschop Ansfried schudde het hoofd en zag den spreker meewarig aan: „Ga in vrede, mijn zoon! Gij zijt vrij!”
Twee groote tranen sprongen Olaf uit de oogen. Aan zijn bloedseed gedachtig moest hij terugkeeren, zijn bloedsbroeder te hulp. En hij wist thans wat dat beduidde!
En het werd stil in zijn hart, dat daar even nog jagend geklopt had — verstijvend stil.
Het was nog vroeg in den morgen. De hanen begroetten met luid gekraai de zon en de torenwachter van den Sint Maarten wekte de slapers uit hun rust.
Door middel van zijn langen horen verkondigde hij schetterend het aanbreken van den nieuwen dag. Met meer genoegen dan de sluimeraars, hoorden de wachters aan de stadspoorten die schelle tonen. Ongeduldig zagen zij uit naar de morgenwacht, die hen moest komen aflossen.
Een verren weg had deze daartoe niet af te leggen. Utrecht was nog klein van omvang, al had bisschop Balderic gedaan wat in zijn vermogen was, om de stad eenigszins te herstellen van de verwoesting der Denen. Een met keien geplaveide steenweg leidde door het benedengedeelte naar de bovenstad, over de brug der Oude gracht. Daar verhief zich het statige gebouw, waarvan de grondslagen reeds waren gelegd door de Friesche vorsten, die eenmaal „Trecht” hadden beheerscht en er een koninklijken burcht stichtten.
Thans waren — naar luid der kroniek — „deselfs muren niet min cierlyck als constigh en sterck.” Het Friesche koningsslot was een keizerlijk paleis geworden, dat keizer Otto „ter handhaving van zijn staat en recht” den trouwen vriend van zijn huis, bisschop Ansfried, tot verblijf had geschonken.
Statig verhieven zich gevel en torentransen van het hechte gebouw. Hun breede schaduw werd opgevangen door de kroongewelven der zware boomen in den hof; ter zijde rees de Sint Maarten, de dom bij uitnemendheid, niet ver van de kerk van Sint Salvator, die het stof bewaarde van dezen grooten geloofsheld. Want alle eer van menschen, alle macht verbonden aan zijn rang, wierp hij van zich. Naar Friesland trok hij langs onherbergzame paden, omringd door een vijandige bevolking, om ieder, die daar den god Stavo eerde met menschenoffers, de leer der liefde te prediken: het Evangelie. Hij ging en won de gloriekroon van den martelaar: onder de knotsslagen der Friezen viel hij, stervend zijn God nog lovend. Naast den vromen Gregorius, die, toen zijn doodsstrijd aanving, met zijn laatste kracht fluisterde, hem te brengen naar des Heeren huis om daar te sterven, werd hij ter ruste gelegd. De tombe van bisschop Frederic, getroffen terwijl hij bad, door het staal van een Deenschen sluipmoordenaar, rees niet ver van de zijne...
Uit het bloed der martelaren was ook hier de bloem van het geloof ontsproten. Want geweld noch machtsvertoon der Noorsche vijanden bleken ooit meer in staat het volk, dat zulke voorbeelden bezat, tot afval te brengen van het christendom.
En thans hoopte Rolfr Jarl, dat hem zou gelukken wat zijn voorgangers in een vroegere eeuw tevergeefs hadden gewenscht, als hij de oorlogsfakkel slingerde in de met stroo gedekte woningen van Utrecht. Want de houten of met rieten daken voorziene huizen der stad hadden nog geheel den bouwvorm behouden van vroegere eeuwen.
De ringmuur en bolwerken mochten hecht zijn en hoog, de Tolsteegpoort reeds van verre schitteren door haar roode kleur, de huizen zonder dakgoten of waterafleidingen vormden nog even zelden straten, als zij zich rondden tot een plein. Gelijk de hoeven buiten de poort, hadden zij een laagafhangend dak en werd ieder erf door een boomgaard of akkers omringd, op hun beurt door stevig paalwerk ingesloten. Slechts enkele der voornaamste huizingen bezaten een steenen onderbouw en eenige traptreden van blauwe zerken, die naar de hoog aangebrachte voordeur voerden. In den hof wroetten ongehinderd de varkens, daar kakelden kippen en snaterden ganzen.
Naast de hooischelf strekte een kleine hoogte, vereerd met den naam van „’t land verbeteren”, niet zeer tot verfraaiing van het geheel.
Doch dezen ochtend, terwijl de dagwacht zich grommig gereed maakte voor zijn taak en de nachtwacht ongeduldig werd, omdat hij nog niet was afgelost, liet de horenblazer het niet bij een enkel sein. Korte stooten wisselden de langschetterende tonen af. De wachter op den Baldericstoren begreep het eerst, dat er iets buitengewoons plaats vond. Spiedend, de hand boven de oogen, zag hij den Rijn af en den weg, die kronkelde met den stroom. Toen klonk een kreet van vreugde, weldra voortgeplant van wacht tot wacht. Als op den adem van den storm vloog het bericht door de stad, dat ginds, op den heirweg, het vaandel van Sint Maarten wapperde, dat zij kwamen, de mannen van Utrecht met den bisschop, in het midden, met Unruoch, zijn pleegzoon, met de broeders van den Hohorst, allen gered uit den ijzeren greep van Rolfr, den — Antichrist.
Want zoo was, niet zonder schroom, Rolfr Jarl fluisterend genoemd in Utrecht, toen Henno ademloos den vorigen dag het bericht bracht wat deze had gewaagd.
Geen der drie jaarmarkten — het recht der stad — was aangekondigd, het roode kruis niet aangeslagen bij de brug aan de Tolsteegpoort tot een bewijs, dat iedere reiziger vrijgeleide had om te komen en te gaan. Alzoo was het geen vreemdeling veroorloofd zijn nachtverblijf binnen de omwalling der stad te houden, zonder dat hij twee borgen stelde — niemand dacht hier ditmaal aan. Ademloos werd Henno omringd en aangehoord, tot een dichte menigte hem voerde naar den proost van Sint Maarten. Het bleeke kind en de verweerde wapentuur, die bij hem waren — om strijd boden de burgensen aan, zonder te vragen vanwaar zij kwamen, hen te herbergen.
De bisschop was in gevaar en nood. Hij, de goede, edele, vader Ansfried... Wie behalve de Antichrist zou durven wagen de hand aan den gezalfde des Heeren te slaan?... Werd hiermee opnieuw niet de profetie vervuld uit het boek der Openbaring:
„Het duizend-jarig rijk — de Antichrist omgaande als een brullende leeuw, vervuld met plannen van schuld en misdaad — dan het bazuingeschal der engelen en de Heer komend op de wolken om te richten de levenden en de dooden!”....
Een plotselinge angst, angst reeds zoo menigwerf gewekt, dikwerf slechts met geweld onderdrukt, overviel allen. Als schapen zonder herder voelden zij zich... Gegrepen werd speer en boog, schild en scharmsax — de geduchte knots met ijzeren spits. Nauwelijks bleef een voldoende bezetting achter ter bewaking van brug en poort. Voort stormden Utrechts weerbare mannen — voort. En thans, na een nacht van vrees en onzekerheid, zagen zij hem keeren, gered, ongedeerd.... Als zilver glinsterden in de morgenzon de langgolvende lokken, die het eerwaardige gelaat omlijstten van den grijsaard. En toen ratelend de brug omlaag ging en hij reed door de breede poort en de oogen op hen rustten, wier blik onvergeetlijk bleef voor ieder, die hem eenmaal zag, toen losten vrees en vreugde zich op in een snik, die een zegenbede insloot.
Zij omringden hem met jubelende woorden. In triomf omgaven de dichte drommen zijn draagstoel, voerden zij hem naar het bisschopshof:
Zonder vragen of verlof waren vele burgensen de groote zaal mee binnengegaan — in oogenblikken van diepe ontroering verliezen wereldsche vormen hun kracht. Nu verdrongen de inwoners zich in de meer lange dan hooge zaal met haar Romaansche rondbogen en de dubbele rij houten, kleurrijk beschilderde pilaren. Op zijn hoogzetel, door een kunstig besneden, door zuilen gesteunden baldakijn overwelfd, had de bisschop plaats genomen.
Thans drong Petrus, de proost van Sint Maarten, naar voren uit de zacht fluisterende groepen.
„Hoogeerwaarde, voor deze grove beleediging u aangedaan geldt slechts een woord: wraak!”
De diep beleedigde grijsaard schudde het hoofd:
„Laat de wraak aan God over en aan den keizer, dien Hij heeft gesteld op zijn hooge plaats om het wereldrijk recht te beschermen met de scherpte van het zwaard. Mij voegt alleen te waken voor rust en recht door de kracht van woord en gebed.”
„Wat baten die tegenover Rolfr, den Deen?” De scherpe oogen van den proost flikkerden. „Heer, was hij niet te allen tijde uw bitterste vijand?”
De ernstige blik van bisschop Ansfried rustte op hem waarschuwend, vermanend:
„Gij weet, dat die man veel leed over mij bracht en wilt mij thans wraak als plicht voorstellen, door den hartstocht te prikkelen, die vergelding heet en sluimert in iedere door onrecht getroffen ziel. Maar zwaar zou ik zondigen, indien ik hier vergelding zocht, mijn vergelding.”
„Maar uw ambtsplicht, heer! Werd de handhaving van het recht in het bisdom u niet toevertrouwd?”
„Waar plicht en lust samen strijdvoeren, is het plicht te doen wat ons het minst behaagt. En daar het mij zwaar valt hier werkeloos af te wachten, zoo beschouw ik dit als wereldsche zin, als strijdlust, die ik boet door te wachten.”
Hij drukte de hand tegen de borst, hoe heftig klopte nog het hart van den ridder onder de breede plooien van zijn geestelijk kleed!
„Nog is de oude mensch niet dood, éen woord en hij wordt gewekt in mijn binnenste. Heer, vergeef!” klonk het in zijn hart.
Het was of de storm, ontketend in zijn ziel, hem schudde. Hij trad aan een venster en zag naar buiten met dwalenden blik. Niet lang. Een man stormde over de brug, ademloos, het stof van den heirweg bedekte zijn versleten kolder. Zijn paard struikelde bij iederen tred, toch dreef hij het voort, voort. Hij was reeds de zaal binnen gedrongen, eer nog het gemurmel van teleurstelling zweeg, uitgelokt door de beslissing van den bisschop.
„Dat is de vreemde wapentuur, die gisteren met den visscher van den Ravenhorst hier kwam. Hij is straks niet teruggekeerd van den Hohorst met onze mannen,” mompelden verscheidene stemmen. Barrevoets, blootshoofds, hijgend naar adem viel de onbekende den bisschop te voet:
„Heer, heer! Wapen u! Laat uw dienstmannen zich gorden ten strijde! Odins bloedroode vaan wappert van den Ravenhorst als welkomstgroet aan de Vikingervloot, die de rivier opzeilt, reeds nu met buit beladen!”
Toen hief de bisschop beide handen op, gevouwen:
„Heer, nu ken ik Uw wil! Dat is Uw vingerwijzing! Wie zijn aardschen vorst niet bijstaat in nood en dood, pleegt félonie, wie niet pal staat als een rots, waar het geldt het geloof aan U, den Heer van hemel en aarde, en de eer Uwer kerk te verdedigen, is een afvallige gelijk!” Zijn oogen vlamden als in vroegere jaren toen hij zich tot de burgensen wendde:
„Mijne kinderen, gordt u het zwaard aan! Op Gods bevel ten strijd! Het is voor Zijn kerk, voor de vrijheid van dit land! Het zij zege of ondergang ons deel wordt, weerstaat de Deensche roovers, die het heiligste vertreden in grimmigen haat. Deze strijd is zondig noch misdadig, hij geldt ons hoogste goed, geldt vrijheid, geloof en recht! Te wapen!”
Een doffe stem brak zijn woorden af, een stem met sidderenden klank. Een bejaard man trad naar voren, een der invloedrijkste inwoners der stad. Sneeuwwit was zijn kruin, moede van het staren op véél onrecht zijn oogen:
„Hoogeerwaarde, waartoe thans nog bloed en strijd? Over eenige weken, dagen wellicht — wie beslist het — is het immers met alles voorbij. Ach, laat ons biddend ondergaan, niet bloedvergietend!”
De bisschop maakte een afwerend gebaar. De oude moed van den held, die eenmaal gansche legerscharen bezielde door zijn voorbeeld, lichtte uit zijn oogen. In zijn volle lengte richtte hij zich op:
„Zwijg over deze geruchten en wacht af, wat God over ons beslist, niet alleen biddend, maar ook wakend, hetzij, dat de groote, geweldige dag komt, of dat de Heer in Zijn oneindige goedheid de wereld nog laat voortbestaan. Geschiedt het eerste, zorgt dan, dat uw laatste daad op aarde niets met lafhartigheid gemeen heeft. Beschermt de kerken, opdat God u vinden moge biddend in Zijn huis. Doch, drijven deze dagen van angst en onzekerheid voorbij gelijk stormwolken en wordt de aarde als gewekt tot nieuw leven, bewaart dan u zelven voor de wroeging, dat gij niet hebt volhard ten einde toe tegen de Deensche heiligschenners, dat ook door uw toedoen de asch werd verstrooid van geloofshelden en martelaren en vrees ketenen klonk voor ons vrije volk!
Ten strijde alzoo! De Heer trekt ons voor! God wil het!”
Met honderdvoudige echo werd dit woord herhaald. Haastig verspreidde zich de menigte. Allen wilden het eerst gereed zijn om tegen de Denen op te trekken. Terwijl de bisschop, op Unruoch leunend, terugkeerde naar zijn bijzonder vertrek en eenigen der voornaamste burgers hem op zijn verzoek volgden, — plannen moesten worden gemaakt voor de verdediging der stad — rustte de blik van den „vreemden wapentuur” lang op beiden.
„Wie is die jonge ridder?” vroeg hij broeder Johannes. Het was of hij in Unruochs regelmatige trekken een gelijkenis zocht en die ook vond.
„Hij heet Unruoch van Teisterbant. Door bisschop Ansfried werd hij aangenomen als zoon, maar hij is hem niet verwant, naar men zegt. Vrouwe Benedicta, de dochter van den bisschop, heeft hem opgenomen als vondeling.”
De andere schudde het hoofd:
„Een vondeling? Neen, dat is hij niet. Mijn vrouw heeft stervend het kind toevertrouwd aan de abdis van Thorn. Dat heb ik veel jaren later gehoord”....
De proost van Sint Maarten liet hem niet uitspreken. Hij had verstaan.... „Volg mij!” beval hij kort.
De zon was ondergegaan, de eerste sterren zouden weldra schijnen uit een donkere wolkenlijst, de avondwind begroette ruischend de slotbron, toen Olaf Swanwitha vond in den hof. Het was slechts een klein plekje, haar afgestaan binnen de omheining van den Ravenhorst, maar zorgvuldig was iedere voet gronds gebruikt om den kruidtuin te vormen, waaruit de geneeskunst de middelen trok om kwalen en ziekten te bestrijden. De witte lelies — waarvan vrouw Sigrid de bladeren in azijn bewaarde om wonden te genezen of van de bloemen een zalf kookte als een onschatbaar middel bij kneuzingen, bloeiden er naast de verwarmende venkel en de donkergroene rosmarijn. Haar lichtblauwe bloemen werden gebruikt om het verstand te verhelderen en de zinnen scherp te maken. De ruite vormde een onschatbaar middel tegen besmetting en heette, met zout vermengd, onfeilbaar tegen vergif. De purperen gladiolen-wortel werd met wijn gezoden voor pijlwonden gebezigd en de bladeren der rozen dienden niet slechts om hart en leven te versterken, maar waren ook een uitstekend middel tegen de koorts. Zij bloeiden in een groot aantal, iedere struik prijkte met zijn mantel van groen en een bedwelmend zoete geur steeg op uit de wijdgeopende knoppen. Op de doornige twijgen wiegelde zich de kleine, bruine nachtegaal, door de Noren hun god Balder toegewijd, den zachtzinnigen god van lente en licht. Zijn zilveren zang vervulde trillend de lucht. Of Swanwitha dacht aan een anderen avond, toen ook de nachtegaal zong?
Langzaam ging Olaf voort. Het zachte mos dempte zijn tred. Hij zag haar, die zijn bruid heette, op een kunstmatig aangelegd, met rozen begroeid heuveltje. Weer dacht hij, dat zij zelve een witte bloem geleek tusschen de rozen, weer omgolfden haar de gouden haren als een glinsterende mantel, juist als op den morgen toen hij haar voor het eerst zag.
Hij streek zich met de hand over de oogen — alles was gelijk het geweest was, alleen hij zelf was een andere geworden. Toen hij Swanwitha in het liefelijk gelaat zag, had hij met onstuimigen hartslag begeerd haar de zijne te noemen, zonder daarbij te onderzoeken of zijn wenschen de hare ontmoetten — alleen aan zijn eigen geluk had hij gedacht. En thans had een machtige stem geklonken, die doordrong tot zijn ziel:
„Zelfverloochening eischt de godsdienst der Christenen. Wie eigen wenschen het zwijgen weet op te leggen, waar het geldt het geluk te bevorderen van anderen, die alleen is een held.”
Van dat oogenblik wist hij, dat het Christendom stond boven zijn geloof aan de goden, even hoog als de zon schitterde boven de grijze zee.
„Wraak, vergelding, zoek de vervulling uwer eigen wenschen”....
Dit waren de levenslessen, tot nu toe door hem opgedolven uit de spreuken en sagen der Edda.... Gelijk ieder hooggestemd karakter voelde Olaf diepen eerbied voor alles wat verheven was en groot. Met ontzag begon hij, denkend, steeds denkend over alles wat de bisschop hem had gezegd, op te zien tot een leer, die zulke hooge eischen stelde, eer hij nog geleerd had Hem aan te hangen, in Wiens leven van liefde en erbarming, in Wiens kruisdood van lijden en overwinning, de zelfverloochening zich had belichaamd, den Christus, Die de verschrikkingen der hel had te niet gedaan, gezegepraald op een lauwe of vijandige wereld en de hemelen geopend, voor wie trachtten Hem na te volgen met oprecht gemoed.
Voorzichtig boog Olaf de takken der „gelukbrengende” berken en de twijgen van den „heiligen” vlier, uit elkaar. Hij glimlachte nu om dit geloof van zijn volk. Een boom of heester door menschen den goden gewijd, en daarna de stichter van hun geluk!.... En als de oude wereld was voorbijgegaan zou Odin een nieuw menschengeslacht scheppen op de nieuwe aarde, de man uit den esch, de vrouw uit elzenhout!
Een donkere blos steeg in zijn gelaat. Dàt had hij geloofd! Was hij tot nu toe een kind gelijk geweest in zijn denken en droomen? Indien Gods toorn den ondergang beval eener in zonden verzonken wereld, dan was alleen de eindelooze liefde van den gekruisigden Christus in staat, de menschheid veilig te voeren door de loeiende vlammenzee naar de nieuwe aarde van zegepralend geloof, dat werd tot zalig aanschouwen, waar het witte kleed zou bekleeden het verheerlijkte lichaam en de van iedere smet gereinigde ziel....
Hij vergat opnieuw bijna, meegesleept door zijn gloeiende gedachten, waarvoor hij was gekomen. Doch nu wendde Swanwitha het hoofd om en in den glans van het zinkend avondrood zag hij haar oogen vochtig. Hij gevoelde, dat het geen lenigende tranen waren, verkwikkend als de zilveren dauw voor de velden, na den zonnebrand van den dag. Brandend, een verterenden gloed gelijk, moesten zij voor haar zijn, want met een plotselinge beweging van schrik stond zij op, krampachtig trokken haar lippen — zij zag hèm.
Hij stak haar beide handen toe en toen zij aarzelde er de hare in te leggen, greep hij ze. De angstige blik, waarmee zij hem aanzag, zonk tot in zijn ziel. Welke kluisters hij haar had aangelegd begreep hij in zijn geheelen omvang, thans, voor de eerste maal, nu hij niet aan zich zelven dacht.
„Schrik niet voor mij terug, Swanwitha! Ik kom niet meer om u Freya’s minne toe te drinken uit den zilveren hoorn. Neem uw ring weer” — hij gaf haar den smallen, glinsterenden band. — „Ik weet nu, dat liefde niet door dwang wordt verkregen, dat de ring niet het onderpand van verkoop is, maar die der trouw behoort te zijn.
Wie liefde dwingen wil zoekt de zon bij nacht, dat heb ik ingezien, gelukkig nog niet te laat. Niet wie alleen is op aarde, maar wie werd gescheiden van wat hij liefhad, is eenzaam en verlaten. Vergeef daarom wat ik u aandeed. Ik zal u niet scheiden van hem naar wien uw hart verlangt. Vind eenmaal het geluk, dat”....
Hij wendde zich af, haperend. Zijn kloeke gestalte beefde.
Wèl stelde de „witte Christus”, op Wien Odins zonen met zooveel minachting neerzagen, hóoge eischen aan Zijn volgelingen. Zich zelven overwinnen in ernstigen, stillen strijd met eigen wenschen of den vijand tegenstormen met heirbijl en speer te midden van het opwindend strijdgewoel — hij wist nu wat het zwaarst viel. Maar hij hoorde een snik van verlossing, schier van bevrijding....
„Vaarwel!” mompelde hij nog eens, „vaarwel!”
Nu omklemde zij zijn hand, met haar gloeiende vingers.
„Olaf, dank, o dank! Wat ben ik u dankbaar! Vrij!”.... Als een jubelkreet klonk het. Toen vervolgde zij aarzelend:
„Maar, weet mijn grootvader”....
„Ik zal hem alles zeggen, wees niet bang. Niemand heeft het recht u te verkoopen naar ziel en lichaam. Ik begrijp het nu. ’t Is of mij een blinddoek is ontvallen, of ik van een last, die mijn denken benevelde, ben bevrijd. Zie, Witha, op den Hohorst was ik gevangen en daar werd ik waarlijk vrij! Wel mag die plaats de „Heilige berg” heeten, sinds bisschop Ansfried daar heerscht, niet door het geweld van den sterkste maar door de macht der hoogste liefde, die niet zich zelve zoekt.”
Welk een ongeveinsde verbazing las hij op haar trekken!
Eenvoudig en eerlijk volgens zijn karakter, hernam hij:
„Ik ben nog geen christen, maar ik hoop het eenmaal te worden, als God mij helpen wil. O, Witha, welk een geluk van Hem kracht te ontvangen, om den Gekruisigden Christus te kunnen navolgen! Alleen kan ik het niet, het is een zware weg.”
„O, Olaf, wat zijt ge toch goed!”
Zij schreide om hem! — Een gevoel sloop zijn hart binnen, dat geen geluk was, zooals hij dit vroeger had begrepen, maar, dat daar ver boven was verheven.
„De God, die mijn moeder liefhad, zegene u! Hij zal ook ùw God worden!” fluisterde zij opnieuw in een grooten snik.
Toen legde zij nog eenmaal haar hand in de zijne en terwijl zij scheidden voor het leven, wisten zij, dat zij elkander hadden begrepen — voor het eerst.
Een nieuwe dag was verrezen. Gouden pijlen schoten naar de witte nevelen. Rood gloeiend werden zij, als waren zij gewond, in bloed gedoopt, tot zij eindelijk zich oplosten in licht en glans. De dag had gezegepraald. Waarop zouden zijn stralen vallen? Op een lachend tafreel van vrede en geluk, op een gruwzaam tooneel van strijd en verwoesting?
Op een schouwspel van trotsche macht en wemelende kleuren-schittering viel de eerste zonnegloed. De golven van de breede Eem rezen en daalden met goudvonken overstrooid. De Ravenhorst weerspiegelde zijn transen in het effen vlak — hij niet alleen.
Een welbewapende vloot dreef nader. Ronde schilden blonken langs het scheepsboord en weerkaatsten den gloed der zon; gouden leeuwen met opgeheven klauwen, als gereed tot den beslissenden sprong, prijkten op den achtersteven. Banieren en vaandels wapperden van mast en stengen. Breed spreidde een zilveren adelaar de trotsche vleugels uit op den top van elke groote mast. Door de wendingen hunner wieken waren zij in staat iedere verandering van den wind aan te geven. Met fiere voldoening hing het oog van den vervaardiger aan zijn kunstwerk — nu droeg hij pijl en boog en berekende, welk deel van het land, dat de dichtbemande vloot ging veroveren, zijn loon zou wezen.
Toch moest de bewondering, welke zijn arbeid vond, wijken voor die welke den draak ten deel viel op het grootste schip. Als een visioen van dreigende macht gleed hij voorbij, vlammend goud blonk het geschubde lijf, hel opgloeiend tegen een bloedrood zeil. De draak — de groote Midgardslang, die de wereld omkronkelde, waren zij niet één? Was het niet als verrees het verleden — het geloof aan de goden — dat den strijd wagen ging met den godsdienst der toekomst — het Christendom. Vreesaanjagend, zelfs voor die stoere krijgers, was het verschrikkelijke dier, vuur schoot uit zijn muil, dreigend rekten zich door een kunstig, inwendig samenstel zijn klauwen....
Maar een volgend vaartuig vroeg de aandacht. Een stier met blanken zilverglans stond, als levend, op de voorplecht. Een bloedige flikkering gleed lichtuitstralend uit de oogen van karbonkels, opgeheven was de breede kop als ten doodelijken stoot. Zou hij den strijd winnen of zelf zinken in den afgrond van het niets — dien der vergetelheid.
Als een reuzenbloem uit een ver wonderland dreef ieder schip op de klare golven. Hier verscheen een vurig roode roos, ginds dreef een lelie met donkeren oranjegloed. De kleurschakeeringen waren met zorg gekozen. Tintelend van licht blonk de glans der verf van dek en boord, de tapijten werden er in weerkaatst, waarmee de banken waren belegd langs de verschansing.
Opgehouden door vergulde lansen, saamgesnoerd onder een gouden kroon, rees op ieder achterdek een paviljoen van karmozijnroode zijde. Hier bevond zich de gezaghebber met zijn bloedsbroeders en schildgenooten, hier sloegen de Skalden hun harpen en het was of op het dek in een golvende en dalende zee dolfijnen van electrum de koppen ophieven, luisterend naar den wonderen zang, aangeheven ter eere van goden en helden. Een zee van zijde was het, blauw als de wateren, die de geheimzinnige, altijd groene eilanden omruischten, in het verreGrecaland.[18]
En op het dek schaarden zich de weerbare strijders. Hun schilden glinsterden in den zonneschijn. Ieder harnas omgaf een held, elke zwaardknop kletterde tegen een maliënpantser en een onverschrokken hart.
Verder zeilde de trotsche vloot, versierd om den hoogtijd der zegepraal te vieren. Reeds kwamen de torentransen van den Ravenhorst in het gezicht, waar boogschutters en dienstmannen, hun wapen in de vuist, gereed stonden, om, als het bevel klonk uit den mond van hun Jarl, met hem de vloot tegemoet te gaan. Den soudenieren, die in een der beide houten torens op den muur naast de poort de wacht hielden, was gelast het sein te geven.
„Zouden de schepen hier alle voor anker komen?” vroeg een der beide schildwachten zijn makker. Deze haalde de schouders op:
„Dan zal, in ieder geval, het oponthoud hier niet lang duren, wij zullen wel gauw gezamenlijk naar Utrecht oprukken.”
„Als er nog meer krijgers noodig zijn! Ieder verdek wemelt van helmen en harnassen.”
„En van pracht en praal! ’t Is, uit de verte gezien of de schepen in vlam staan! De kleurengloed overtreft nog het geflikker der blanke wapens, van gouden beeldwerk op den voorsteven en van zilver op het achterdek derschepen.[19]Als de Denen het onderspit delven doen de onzen een goede vangst.”
Verachtelijk zag de andere — een woeste Wend — hem aan:
„Hoe durf je zoo iets alleen maar dènken! Wie zou die verschrikkelijke, van goud schitterende leeuwen, die metalen menschenbeelden met hun dreigende houding, die draken van zuiver goud, kunnen, zelfs durven weerstaan!”
„Om van de stieren met gouden hoornen en bliksemende oogen, niet eens te spreken! Hoort, hoe zebrullen!”[20]viel een derde in.
„Laat je niet verblinden door den schijn! Als die je reeds zooveel schrik aanjaagt wat moet dan de werkelijkheid zijn. Die ziet gij dáár!”
De oude speerknecht wees naar een kleine groep aanvoerders, in ernstig gesprek op de voorplecht van het grootste schip. Hun wapens schoten vonken in het helle ochtendlicht, breed uitgespreide vleugels van den zilvergier vormden hun helmtooi. De scharlaken mantels waren als een vlam, boven hun door den zonneglans als met vurige vonken overstrooide ringkragen.
„En gij denkt, dat zulke reuzen door het landvolk hier overwonnen zullen worden, diè!”....
De ongeveinsde verbazing van den schildwacht evenaarde zijn verontwaardiging en weer hingen zijn oogen als geboeid aan het schitterend schouwspel.
Hij was de eenige niet. Geheel in ’t rinkelend harnas, gewapend tot de tanden, stond Rolfr Jarl voor het middelvenster der hal en fronste ongeduldig de wenkbrauwen:
„Waar blijft Olaf?” — Over den kronkelenden stroom gleed zijn blik. — „De vloot ankert, eer gindsche waskaars is opgebrand, wij moeten haar tegemoet. Het is hoog tijd.”
Hij zette zijn zilveren fluitje aan de lippen, voor zijn lijfdienaar een welbekend teeken, maar eer hij het sein kon geven stond de met zooveel ongeduld verwachte voor hem. Onhoorbaar was de deur open gegaan, ook Olafs blik zocht de brandende kaars, waarmee de tijd werd afgemeten.
„Hebben wij nog eenige oogenblikken tijd?” Dof klonk zijn stem, bleek waren zijn trekken.
„Wat scheelt je, Olaf?”
Wrevelig klonk het antwoord van den Jarl.
„Verbleek je op het gezicht der drakenschepen? Mag zoo een aanvoerder den strijd tegengaan, waarin hij mòet zegevieren?”
Olaf tastte met de hand naar zijn voorhoofd.
„Dat kleurgewemel schrijnt, het is of die wapens mij alle in het hart treffen.”
„Olaf!”....
Deze streek zich met de hand over de oogen.
„Het is alles uitgekomen, zooals ik voorgevoelde, toen ik dit vredige landschap zag — voor de eerste maal. Herinnert gij u nog wat ik zei?”
„Ja, en ik hoop, dat gij mijn antwoord niet zijt vergeten!”
Hoe bijtend klonk het!
„Voorheen, Olaf, waart gij altijd de eerste, die op den vijand instormde, zonder te vragen wat zijn lot worden zou.”
Met snelle schreden mat de jonge Viking het vertrek. Zwaar legde een hand zich op zijn arm, een forsche hand.
„Olaf, laat ons gaan! Voor de eer van Alvader en van alle Asen trekken wij het zwaard!”
„Neen!” klonk het in hevige gemoedsbeweging terug. „Het is tegen Zijn wil en leer. God is liefde. Vrede gebiedt Hij. Vrede op aarde.”
„God!” — Rolfr Jarl herhaalde dat woord en dof gaf de holle zaal den klank terug. Het klonk als een waarschuwing. Een oogenblik zagen beiden elkander aan, als wilde de een de gedachten peilen van den andere. Toen barstte Rolfr los:
„Ha! Nu begrijp ik! Gij waart op den Hohorst!.... Vervloekt zij”....
„Gezegend moge de geest zijn, die van daar uitgaat. Daar klinkt het: „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen!”
Is dat geloof niet bergen hoog verheven boven Odins leer? Zijn zonen strijden om macht en goud, en brengen verschrikking, verwoesting en dood waar zij verschijnen. Ik weet niet of de geweldige dag, waarin ieder zal geoordeeld worden naar zijn werken, aanstaande is, maar dit weet ik: dat ieder zijn onsterfelijke ziel moet redden en, dat dit nooit kan geschieden langs den weg van bloed en moord.”
„Gij, een christen! Gij!”
Kort en beslist klonk het bevestigend antwoord van twee lippen, die beefden — niet van vrees.
Toen weergalmde een dreunend gekraak. Met een slag had Rolfr zijn vuist laten neerkomen op de tafel — het blad was gespleten. Woeste haat flikkerde Olaf tegen onder de borstelige wenkbrauwen. Grauw werd de kleur van zijn gezicht. Met van toorn half verstikte stem barstte hij los:
„Dan vloek ik de hand, die eens de uwe drukte als bloedsbroeder, dan roep ik Odins vergelding in over uw hoofd! Verlamme uw kracht, verwarre uw brein, vergeten zij uw leven en uw dood! Odin is rechtvaardig, hij zal uw afval richten. Ga dan naar uw nieuwe vrienden, laat mij alleen, laat mij alleen! Overwinnen zal ik toch, mij de zege, u de verachting voor uw meineed en verraad! Als de bazuinen schallen mij ter eer dan verslinde u de diepte van Hel!”...
Olaf had hem zijn woede laten uitrazen. Te midden van den overstelpenden woordenvloed trok, als in een visioen, het geweld van den slag, de macht der aarde hem voorbij. Banieren wapperden, klaroenen werden gestoken, paarden trappelden en brieschten bij den woesten wedloop hunner ruiters om het eerst hun doel te bereiken: de gouden kroon, het symbool der macht, opgeheven door de hand der schoonste vrouw, die den overwinnaar zou toebehooren met het schier tot de wolken rijzende burchtslot, waaruit hij zou beheerschen het aan zijn wil en wet onderworpen land.
Over dooden en gewonden ging hun weg, gruwelen, de ellende van duizenden waren hun trawanten, niemand sloeg er acht op. Aller oog hing in deemoedigen eerbied aan hem, die de macht had veroverd voor zich alleen. Voor hem bogen de heerschers en knielden de volken.
Slechts een enkele vrouw niet, een enkele, stille, fiere vrouw. Verlaten stond zij aan een hoek van den heirweg, droevig rustten haar oogen op de weegschaal in haar hand: „Gewogen en te licht bevonden,” sprak haar ernstige stem. Maar in Olafs hart klonk het: „Ik wil u dienen, u: het Recht, vertrapt zoo dikwerf en veracht. Nimmermeer buig ik mij voor het geweld, al wordt dit door de macht gekroond met de overwinningslauweren der aarde.”
En weer dacht hij aan dien gloeienden zomerdag, toen hij op een zijner zwerftochten in het Italiaansche land het beeld der vrouw, met de weegschaal van het recht, in steen gehouwen had aanschouwd in den trotschen Romaburg. Een waarschuwing scheen het hem, dat zij thans voorbij zijn geestesoog trok — als in een visioen. Hij dacht aan den christen-bisschop, wiens woorden vol ontzagwekkenden ernst van zoo grooten invloed waren geweest op zijn zieleleven — hij wist nu waar hij het recht zou vinden, door wien het werd gediend.
Dreef die wetenschap hem tot het antwoord: meer een antwoord op zijn eigen gedachten dan op de woorden van Rolfr Jarl:
„Verwacht niet te veel, roem niet te vroeg. Gij kent uw tegenstander. De hand van den graaf van Teisterbant voerde steeds een wapen van ijzer al is zijn hart van goud. Hij zal strijden voor geloof en recht tot zijn laatsten ademtocht.”
„De strijd dien gij, meineedige, weigert. Ook wij kampen voor ons geloof!”
„Maar wat wij beoogen is ongerecht en laag. Ik weiger daarom echter niet uw leven te beschermen met het mijne. Uw schilddrager wil ik zijn, iederen slag zal ik opvangen, die op u is gemunt. Zoo volbreng ik de gelofte eens aan u als bloedsbroeder afgelegd en schiet ik niet te kort waar het mijn hoogsten plicht geldt. Geen zwaardslag sla ik, maar ook geen helm behoede mijn hoofd, geen harnas mijn hart.”
Toen klonk weer die harde lach:
„Dichterlijk en schoon, mijn jonge Skald, alleen — onuitvoerbaar, gelijk alles wat tot dat gebied behoort. De eene aanvoerder is nooit de schilddrager van den anderen. Ook zou uw strijdbende wanen, dat ik u blootstelde aan de pijlen om niet met u macht en buit te moeten deelen.”
„Op een andere voorwaarde weiger ik u te vergezellen!”
„Dat is weer zijn werk! Vervloekt! Ansfried, altijd Ansfried! Het is zijn invloed!”
Hij drukte de handen tegen het hoofd en mompelde, alleen voor zich zelven verstaanbaar: „Ha! Ik hoor ze lachen, de wraakgodinnen! Die hoon geldt mij! Ik waande hem te treffen en het wapen wondde de hand, die het voerde.”
De toorn, die in hem woelde en bruiste, maakte plaats voor een ander gevoel; een smart ongeneeslijk en brandend, na zoovele jaren nog, schrijnde en dreef hem tot den uitroep:
„Gij vraagt of ik zijn hand ken? Ja, reeds lang voor gij geboren werdt greep die storend in mijn leven en verwoestte wat in waarheid dien naam verdiende. O, noch het dreunend geraas van den slag, noch het bruisen der zee te midden van den orkaan konden voor mij de gelofte van trouw verdooven, die Hereswit van Strijen aflegde voor het altaar met haar zachte, zilveren stem aan de zijde van graaf Ansfried van Teisterbant. Hoor, hoe ik mij wreekte! Of ik hem ken? Jà, en hij mij!”
Toen verdrongen zich de woorden op zijn lippen, een gloeiende vuurstroom geleken zij, waaruit de vlammen opstegen van den haat.
Olaf luisterde zwijgend, maar in zijn hart klonk het:
„Vergeef uw vijand zeventig maal zevenmaal”....
Het was hem of engelenhanden gouden harpen sloegen, of hun gestalten hem omzweefden, blinkend wit, terwijl hun lippen fluisterend herhaalden dat ééne woord:
„Zeventig maal zevenmaal!”....
O, hoe hoog stond de godsdienst der christenen boven dien zijner vaderen! Zeventig maal zevenmaal... Wreekt u zelven niet.”....
En, was hier gezondigd? Bestond de schuld, die Rolfr Jarl vervolgd had en gewroken gedurende zijn gansche bestaan, niet in zijn verbeelding, in zijn gekwetste eigenliefde en teleurgestelde wenschen?
Die gedachte deed Olaf vragen:
„En áls het oordeel daar is, gelijk zoovelen gelooven met den aanstaanden zonnestilstand en de eeuwige Rechter, dien gij Alvader noemt, verschijnt op de wolken, durft gij dan voor hem bestaan, bezwaard met den last van zulk een schuld, met zooveel haat in uw hart? Want, was het recht wat gij deedt? Kan Alvader uw daden goedkeuren, of Balder de liefelijke, zachtzinnige, en Thor, de vreeselijke maar rechtvaardige god? De Edda verbiedt alle onrecht. Gij hebt het bedreven, uw gansche leven en waar een rechter verschijnt oefent hij recht.”
De aderen aan Rolfrs slapen zwollen.
„Dat wil wijsheid opdisschen! Wel zeker! Wij schenden den bloedseed, wij vertreden eer en trouw en janken met christenhonden over het vergaan der wereld op den avond van den langsten dag! Nu, gij zult uw langsten dag gezien hebben!”
Hij rukte een verborgen deur open en stiet Olaf, voor deze er op verdacht was, in de diepte. „Hier ongeluksprofeet, haal je profetenloon!”
De deur dreunde dicht. Een horensein schalde.
„De vloot is daar! Thans voorwaarts ten strijd en ten zege!”
Hij gordde zich het zwaard dichter en toen was het hem eensklaps als werd het vuurvlammend heden, de in gouden glorie gehulde toekomst bedekt door een grijzen sluier — dien van het verleden. Veertig jaren weken terug, hij zag zich weer, als jongeling zonder macht of aanzien in de Schola Palatina te Keulen. De ernstige stem van aartsbisschop Bruno waarschuwde:
„Den dwaze brengt de toorn om en de ijver doodt denslechte.”[21]
Waarom kwamen die woorden thans terug in zijn geheugen, na zooveel jaren van vergetelheid, waarom?
Vrouw Sigrid stond voor hem. Op den toren had zij gewacht en gestaard in de verte, vele uren sinds vele dagen.
De raven hadden gezweefd boven haar hoofd, hun krijschende kreten uitstootend, de wind haar de grijze lokken losgewoeld, de regen haar geslagen in het onbewogen gelaat; zij had het eene bemerkt noch het andere. Thans echter kwam een zegevierende trek om de dunne lippen, bijna het eenige wat van haar gelaat te zien was; een zwarte mantel hing haar van den hals tot de voeten, somber als de nachtzwarte vlerken der raven; de kap verborg haar hoofd.
„De vloot nadert. Laat thans de vergelding de schuld evenaren. Triomfeer en leef. Van de zwakke eischt Odin den dood, in uw hand legt hij de wraak. Grijp den bisschop levend, hij sterve op het toppunt zijner macht aan den Noorderboom als een ellendige slaaf.”
Zij hief de armen omhoog en sloeg de kap terug, de grijze haren zwierden haar om hals en schouders, in de holle oogen gloeide het als een verterend vuur.
Rolfr Jarl, die nooit had gevreesd, huiverde. Het was hem als werd hij voortgedreven door de geduchte schikgodinnen van zijn volk — waarheen, waarheen?