[18]Wat hierboven gaat, is een nauwkeurige beschrijving der Denenvloot waarmee Canut van Denemarken in 1017 koers zette naar Engeland.[19]Vloot van Canut.[20]Idem (Bolhuis).[21]Job, K. 5.
[18]Wat hierboven gaat, is een nauwkeurige beschrijving der Denenvloot waarmee Canut van Denemarken in 1017 koers zette naar Engeland.
[19]Vloot van Canut.
[20]Idem (Bolhuis).
[21]Job, K. 5.
Op de muren en wallen van Utrecht stonden de bisschoppelijke boogschutters en hielden scherp wacht. Op het plein voor den Dom oefenden zich de burgensen met schild en speer. De tijding van de nadering der Denen had nieuwe, hevige onrust gewekt in de gemoederen, waarin reeds zooveel angst heerschte. Een renbode bracht het bericht, dat reeds meer dan één kustplaats door hen was geplunderd en het platte land bij Leithen afgestroopt. Niemand bood tegenstand, rillend van vrees vluchtte het landvolk reeds op het eerste gezicht der drakenschepen. Duchtten allen, dat de riemen met ijzeren roeipennen zouden worden omgevormd tot doodelijke wapens, gericht op hun hart? Waanden zij, dat de schilden, opgehangen langs het scheepsboord, de vijanden zouden beschermen voor iederen aanval, dat de geheimzinnige runen gegrift in elken boeg zooveel tooverteekenen zouden blijken?....
Verwenschingen golden de regentes van Kennemerland, die steeds in veete met West-Friezen of Vlamingen onbeschermd de kusten en vaste plaatsen liet van eigen gebied. Wat baatte het? De Denen waren gelijk aan de zee bij stormvloed, wie kon hun macht keeren? Heeren, vrije boeren en eigenhoorigen uit den wijden omtrek vluchtten naar Utrecht om achter de stevige wallen het lijf te bergen, om — de heerschende onrust en verwarring nog tienvoud te vergrooten.
Maar daar waren nog anderen dan radelooze vluchtelingen of in boete en gebed verzonken vrouwen, die zelfs boven de Denen den wereldbrand vreesden. Krachtige mannen, uit wier mond een kreet van woede en wraak opging, toen zij hoorden van een nieuwen inval der gehate Noormannen. Want de lijdenskelk sinds twee eeuwen den landzaten door dit volk gereikt, was boordevol. De oogen der mannen gloeiden van toorn, de gebalde hand omklemde een wapen. Een oproeping tot den strijd weerklonk en werd alom herhaald. Boden renden door het land, van stad tot stad, over velden en door wouden. Van de hoogten der Kennemerduinen klonk die krijgskreet, voort rolde hij over de bosschen en weiden van Masaland. Over de Drenthsche heidevelden dreunde hij, in kracht aan den stormwind gelijk. Te wapen riep hij de stoere Friezen aan gene zij van het Almere, dat even rusteloos knaagde aan hun land, als de Denen aan zijn welvaart.
Pas negen jaren vroeger had koning Sven van Denemarken al hun kustplaatsen geplunderd zonder onderscheid, en Staverun, de bloeiende stad, gelijk gemaakt met den grond. Ongewroken bleef, tot nu toe, die inval. Waren de nakomelingen verbasterd van het heldenras, dat een eeuw te voren den geesel der christenen, den geduchten Bioern, „met de ijzeren rib” neersloeg en zijn ontembare legerdrommen verwon?
Van Bioern, die altijd ongeharnast ten strijde trok, ging de mare, dat hij door de toovermiddelen zijner moeder onkwetsbaar was, behalve aan de rechterzijde, daarom bedekt met een ijzeren plaat. Toch hadden zij die plek weten te treffen, toen hij uit Italië keerend, Friesland trachtte uit te plunderen. De Friezen herinnerden zich dien dag van zegepraal, zij grepen schild en speer en verlieten hun ontoegankelijke moerassen om den vijand op te zoeken eer hij hen vond, om zich op Sven te wreken gelijk zij dit eenmaal deden opBioern.[22]
Thiel, de rijke koopstad sloot haar poorten en hield scherp wacht, maar de geringe bevolking, die te Wyc leefde op de puinhoopen van het eens zoo machtige Dorestad, vluchtte weeklagend naar Utrecht. Heeren waakten op hun burcht en spijker en lieten de pekpannen — waarschuwend sein — vlammen bij dag en bij nacht; velen beloofden hun eigenhoorigen de vrijheid, indien zij moedig stand hielden in den komenden strijd. En de hoop op vrijheid, met den wensch om de gehate indringers te verdrijven, vormde zelfs die verachte door hun meesters met voeten getreden eigenhoorigen tot helden, die onverschrokken zouden standhouden, gevaren schuwend noch den dood vreezend. Maar uit iedere landstreek rende bode op bode naar Utrecht, naar den bisschop, die, nu graaf Frethibold afwezig was, de zorgen van den staat droeg met die der kerk.
Het was bijna of de vrees voor het eene gevaar de gedachte aan het andere op den achtergrond drong. Bisschop Ansfried zag het met voldoening. Boven iedere uitlegging van het Evangelie gold bij hem steeds het woord van Christus: „Deze dag en deze ure weet niemand.” En, waar hij zich niet geheel kon losmaken van het ontroerende denkbeeld, dat zijn tijd beheerschte, bleef hij het echter veroordeelen: Gods woord was hem meer dan de meening der menschen.
Nauwkeurig zag hij toe, dat ieder de plichten vervulde, die zijn hand vond om te doen. Zelf gaf hij het voorbeeld om, schier zonder zich bij dag of nacht rust te gunnen, alle maatregelen te nemen, die noodig waren om de geduchte vijanden te weerstaan. En de verweermiddelen waren even beperkt als de tijd kort: indien de Denen niet door nieuwe strooptochten den tijd lieten voorbijgaan, konden er nauwelijks drie dagen verloopen tusschen het eerste bericht hunner nadering en hun komst voor Utrechts poorten. Iederen ochtend predikte hij intusschen in den Dom, voor een elkander verdringende menigte, allen vermanend te vertrouwen op Gods liefde en erbarming, Die uitkomst kan geven uit elk gevaar en nooit verlaat wie op Hem vertrouwen. Waar hij hoofden van bleeke boetelingen zag met asch bestrooid, sidderend voor het jongste gericht, vermaande hij tot werken zoolang het dag was, moedig het kruis te dragen tot het einde toe; waar hij krachtige mannen aanschouwde met van wrok verwrongen gelaatstrekken, die den naderenden vijand gold, drong hij hun het gewijde woord niet te vergeten: „Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden,” ook als zij hun leven waagden voor het hoogste aardsche goed: vrijheid van volk en land.
En dan, als te midden der zorgen van den dag: onderhandelingen met den stadstimmerman of den wapensmid over het versterken der poorten of de levering van stormkappen — angstige gestalten het Bisschopshof binnenwankelden en smeekende stemmen fluisterden:
„Vraag voor mij een oogenblik gehoor! Ik wenschte mijn goederen en eigenhoorigen aan de kerk te schenken tot rust mijner ziel, nu het einde nadert,” dan vergat hij alle aardsche zorgen om met gloeiende welsprekendheid de milde gevers te wijzen op hun dwaalbegrippen:
„Gelooft gij uw Schepper te kunnen omkoopen, door Hem aan te bieden, wat Hij u hier op aarde leende? Denkt gij door zoogenaamde goede werken den hemel te verdienen, vergetend, dat geschreven staat:
„Wij worden uit genade zalig, opdat niemand roeme.” Ik zeg u, dat het geloof zonder de werken dood is en de werken zonder waar geloof met zonde zijn besmet. Of ontspruit uw vroomheid uit zuivere bron? Angst voor het komend oordeel maakt u mild, geen zelfverloochenende liefde, die wil ontberen om het geluk van anderen te verhoogen. Gaat en onderzoekt u zelven, voor gij hier terugkeert!”
Menigeen ging met gebogen hoofd, beschaamd door de woorden van hem, die de menschen kende en de roerselen peilde hunner daden, maar broeder Johannes mompelde meer dan eens voor zich heen:
„Goed, dat volgens de kerkelijke wet de bisschop geen schenkingen mag weigeren. Het schijnt of hij besmet is met ketterij. Mogen wij dan heilige stichtingen geen goed en goud geven, om daardoor de voorspraak der heiligen te verwerven bij den Hemelheer?”
Welke verkeerde voorstellingen hij zich vormde en welk een ergerlijke zedenleer hij voorstond, begreep broeder Johannes evenmin als zijn tijd, die deze denkbeelden huldigde.
Intusschen zag de bisschop vol ongeduld uit naar den terugkeer van graaf Frethibold. Waarom bleef hij zoo lang uit? Reeds was hem een renbode tegemoet gezonden. Hulp van den keizer moèst komen, kón immers niet uitblijven. Dan zouden de mannen van Sint Maarten zelf aanvallend kunnen optreden tegen de Denen, die hij nu genoodzaakt was af te wachten achter de muren van Utrecht, dat, werd het bestormd, misschien opnieuw zou worden verwoest. Zijn macht was te zwak om de stoute aanvallers met eenige hoop op goeden uitslag te kunnen weerstaan.
En terwijl zoo vele leden zijner gemeente zich in de kerken verdrongen, kermend, biddend, gelaten afwachtend wat komen zou of in doodsangst de handen wringend bij de gedachte aan het snel naderend einde, deed de bisschop zijn plicht. Niet alleen zorgde hij voor de geestelijke zaken van zijn ambt, ook de wereldsche kwam hij nauwgezet na.
„Wie trouw blijft ook in het kleine, alledaagsche, is Gode meer welgevallig dan hij die vast en zich op de borst slaat, zonder te doen wat hij moet verrichten,” luidde steeds zijn woord.
En zijn voorbeeld gaf velen de beradenheid en kalmte van geest terug, die zoo noodig waren in deze dagen van angst en spanning. Zijn vast vertrouwen op Gods vergevende liefde hergaf de rust aan fel geschokte gemoederen, zijn onvermoeide ijver wekte in de harten van allen, die zijn gloedvolle predikingen hoorden in den Dom, het vurig verlangen om te helpen, te redden, de hand aan den ploeg te slaan als hij.
Zoo herstelde het voorbeeld van een enkele de rust in een door de meest tegenovergestelde gevoelens geslingerde menigte, die thans de overvolle stad herbergde.
Maar de tijd drong. Nieuwe vluchtelingen brachten nieuwe onheilstijdingen. Roovend en plunderend trokken de Denen door het land. Tevergeefs had Rolfr Jarl, zoodra hij zich aan hun hoofd stelde, aangedrongen in den krijgsraad om terstond naar Utrecht op te rukken.
Over den ganschen omtrek scheen de adem des doods te zijn heengestreken: platgebrande velden, het gezaaide en bloeiende vertreden, de woningen verwoest, de menschen verjaagd of gedood.... Het deed den bisschop met stijgend verlangen uitzien naar den terugkeer van graaf Frethibold. Hij moest immers komen aan het hoofd van een welgewapend heir....
De toppen van beuk en linde in den tuin van het Bisschopshof werden rood gekleurd door het licht der scheidende zon, toen de vurig verwachte eindelijk keerde — slechts door zijn lijfwacht vergezeld. In hevige gemoedsbeweging zag bisschop Ansfried hem komen, met uitgestrekte hand ging hij hem tegemoet. Men zag het noch aan zijn uiterlijk noch aan zijn bewegingen, dat hij de laatste dagen zelfs bij nacht geen rust had gekend.
„Frethibold, gij zijt alleen? Welke tijding brengt gij? Volgt u een leger? Het is hoog tijd, zal dit land niet geheel verwoest en deze stad behouden blijven.”
Frethibold schudde het hoofd. Nieuwe kracht rustte op zijn gelaat. Blijkbaar had de afwisseling der reis hem gestaald. De blik zijner oogen echter werd grenzeloos weemoedig bij ’s bisschops vraag.
„Heer, al mijn pleiten, mijn aandringen op hulp bleef tevergeefs. De jonge keizer gelooft vast, dat weldra de wereld in vlammen zal opgaan. Zijn hofgezin gelijkt een schare boetelingen, hijzelf, de eigen kleinzoon van Otto den Groote, geeselt zich driemaal daags ten bloede toe en bidt aan het graf van keizer Karel te Aken.
Kluizenaars en pelgrims uit Italië, waaruit hij sinds enkele weken terugkeerde, wisten tot hem door te dringen, nadat zij op de straten van Rome en Parijs de onheilsmare hadden verkondigd. Mannen, vrouwen en kinderen volgen in onafzienbare rijen, met gescheurde kleederen, de hoofden met asch bestrooid, huilend, kermend of biddend. Iedereen denkt, vol angst, alleen aan de naaste toekomst; het heden heeft voor allen zijn beteekenis verloren.
„Hulp vraagt gij mij tegen de Denen? Weet gij dan niet, hoe in mijn Duitsche gouwen boeren en hoorigen roovend en moordend het land afloopen, zonder dat ik mijn krijgsbenden tegen hen uitzend? Waarvoor zou het baten? Over enkele dagen is alles voorbij.... Red daarom uw ziel, graaf Frethibold! Schud van u de wereld en haar zorgen!
Gij wilt tegen de Denen optrekken? Ik zeg u, dat het de duivel met zijn booze geesten zelf is, die zich vermommen in hun gedaante! Weersta hen niet, vlied hen en doe boete!.... Red uw ziel!”.... Zijn oogen, de schitterende blauwe oogen, die ook Otto de Groote bezat, gloeiden mij tegen als twee vurige kolen, diep lagen zij gezonken in de kassen. Geeselslagen striemden onafgebroken zijn rug, in stroomen vloeide zijn bloed, tot zijn brandende oogleden zich sloten en hij nog eenmaal fluisterde met bezwijkende, klanklooze stem:
„Het oordeel komt, graaf Frethibold! Doe boete!”... Terwijl de artsen kwamen om den keizer bij te brengen werd ik naar buiten gevoerd. Ook daar klonken slechts geween en jammerkreten; de Dom en de kruisgangen waren overvol door een saamgedrongen, wanhopige menigte.
De zendeling Athanasius predikte: uit Italië is hij te voet alle Duitsche gouwen, waardoor zijn weg voerde, doorgetrokken om het naderend oordeel te verkondigen. Vele honderden zijn hem gevolgd, biddend, kermend, honger en dorst verdurend, zware ketenen achter zich aan sleepend bij dag, psalmen zingend in den donkeren nacht. Sommigen kruipen op de knieën langs den weg, barrevoets, bloothoofds zijn allen. Zij gaan tot hun voeten hen niet meer kunnen dragen, zij zingen tot de stem hun den dienst weigert, zij staren biddend omhoog tot hun slapen bonzen en het hun duizelt voor de oogen.
„Boet uw zonden! Bekeert u! Het laatste oordeel naakt!” luidt de kreet duizendmaal herhaald, voortgeplant langs de wegen door alle boetelingen, wier stemmen smoren in krampachtig snikken. En hoe verder men komt in Duitschland, hoe dieper men in Frankrijk doordringt, hoe grooter ook de tooneelen van angst en wanhoop worden, naar men mij verhaalde. In Italië stijgt de vrees schier tot razernij, evenals bij den jongen keizer. In onze landstreken is het betrekkelijk rustig vergeleken bij de radeloosheid, die in de zuidelijke landen allen heeft bevangen. Sinds daar de schrikmare werd verspreid, hebben de volken zich op het einde voorbereid en gebeden bij dag en bij nacht. Elders trekken troepen gewapende boeren en weggeloopen hoorigen rond. Zij rooven en plunderen wat zij begeeren en geven zich aan de meest uitgelaten brooddronkenheid over.
„Genieten, eer wij vergaan!” luidt hun leus en de ergerlijkste tooneelen verdringen elkander.
Dat zijn de berichten en ervaringen die ik meebreng van mijn reis. Treurig zijn zij gewis.” Peinzend zag hij voor zich: „Een keizer, die zijn kracht verteert in boetedoeningen, een radelooze menigte, die zijn voorbeeld volgt, kluizenaars schier waanzinnig van dweepzucht, brooddronken plunderaars, aan alle uitspattingen overgegeven — daaruit bestaat thans de wereld, die haar plichten vergeet en haar schuld vergroot. O, was ik slechts in staat die verblinden de oogen te openen! Mijn leven zou ik er voor willen geven!”
Opmerkzaam zag bisschop Ansfried hem aan. Zijn gelaat was gebruind door wind en weer, kloek hield hij het hoofd opgeheven, een heldere blik tintelde in zijn oogen.
De bisschop trad op hem toe en legde de hand op zijn arm:
„Frethibold, vruchteloos schijnt uw reis en toch was zij een gezegende. Gij hebt bij het zien der ellende van anderen uw eigen leed leeren vergeten. Omgord met nieuwe kracht heeft u dit gevoel. Dank God daarvoor. Wie zijn leven zal willen verliezen zal het behouden, wie zich zelven kan verloochenen wordt door God gezocht. Gij zijt als gewekt tot nieuw leven. Dank den Heer!”
Bewogen drukte graaf Frethibold den spreker de hand:
„Gij hebt gelijk, God is goed. Hij heeft mij het beste gegeven: zelfvergetelheid. Nu kan ik Hem danken als het einde daar is.”
„En tot die ure komt, waarvan niemand weet dan de Vader alleen” — hoe beteekenisvol werd het opnieuw gezegd — „zullen wij allen volharden zoowel in onze kleine, dagelijksche plichten als in de groote, die het leven van ons eischt. Wie waagt te beslissen wat bij God groot is of klein?
Niet uit waken en bidden alleen bestaat het leven. God vraagt onze daden zoolang Hij ons hier op aarde laat. En wie zijn bestaan wil geven voor de vrijheid van het volk waartoe hij behoort, wie bereid is te vallen voor zijn aardsch vaderland, vervult een hoogen plicht.
„Volhardt ten einde toe!” luidt de eisch van den Heer. Laat ons dit woord opvolgen met Zijn hulp, alsof ons nog vele jaren wachten op aarde, zonder echter Hem te vergeten, Die ons wellicht oproept uit den strijd nog voor het einde komt voor alle levens. Zijn wij te midden van het leven niet altijd in den dood? Waartoe dan die onrust: geheel ons lot is in Zijn hand.” Hij voerde Frethibold naar het venster: een donkerroode gloed kleurde aan den horizon den avondhemel.
„Ginds rooven en moorden de Denen. Bij Leithen zijn zij Kennemerland binnengevallen, Aemstelland en Amuda werden door hen gebrandschat, daarna zijn zij door het Almeri langs de kust van Nardengerland de Eem opgezeild naar den Ravenhorst, waar Rolfr Jarl zich met zijn soudenieren bij hen heeft aangesloten.
Vurig had ik gehoopt hen met voldoende heirkracht te kunnen tegentrekken — het was tevergeefs. Misschien hechtte ik te veel aan hulp van menschen. Moge thans God ons schild zijn, ons wapen ons goed recht.
Morgen bij het rijzen der zon dagen wij hen in het open veld uit tot den strijd. Ik heb mijn ridderzwaard neergelegd op het altaar, toen ik tot den dienst der kerk werd gewijd, thans echter in dezen grooten nood gevoel ik, dat God mij terugroept in het leger. Maak dus uw toebereidselen; op u rust de plicht de krijgsbenden aan te voeren.
„Heer bisschop, u behoort die eer!”
„Mij zult gij vinden waar het gevaar het grootst is. Laat mij thans echter alleen: straks moet ik de gemeente voorgaan in den Dom; ik hoop ook u daar niet te missen.”
Terwijl Frethibold ging zag de bisschop hem ernstig na:
„Is het mijn plicht het hem nu te zeggen?” Zware tweestrijd deed hem weifelen, vele oogenblikken, toen was zijn besluit genomen: „Neen, thans niet. Na den strijd. Het zou hem nu aftrekken van zijn plicht.”
[22]Var Bier sen volt returnerE vers Danemarche siglerKar oies aveit novelesDe le qui mult li erent belesUn mult gros vent e une biseLe rameine tut dreit en FriseLa ariva la pristrent prozLà dit l’estorie quil fu morz.(Chronique M. S. de Normandie de Benoit de Saint Maur.)
[22]
Var Bier sen volt returnerE vers Danemarche siglerKar oies aveit novelesDe le qui mult li erent belesUn mult gros vent e une biseLe rameine tut dreit en FriseLa ariva la pristrent prozLà dit l’estorie quil fu morz.
Var Bier sen volt returnerE vers Danemarche siglerKar oies aveit novelesDe le qui mult li erent belesUn mult gros vent e une biseLe rameine tut dreit en FriseLa ariva la pristrent prozLà dit l’estorie quil fu morz.
(Chronique M. S. de Normandie de Benoit de Saint Maur.)
De nacht was voorbijgekropen onder angstig bidden en berouwvolle klachten of doorgebracht met lofzangen van vast vertrouwen en geloof. Vergeten was alles wat behoorde tot de aarde. De overtalrijke bevolking, die Utrecht thans omsloot met haar paalwal en poorten, was opnieuw saamgestroomd in de verschillende kerken der stad, de Dom kon niet allen bevatten. Thans rees de nieuwe morgen — de laatste welke de oude aarde zou aanschouwen.
Want de langste dag was aangebroken!
„Ik zal heden ingaan in Gods heerlijkheid! Geprezen zij Zijn naam!” prevelde oude Lisa. Zij lag geknield in het voorportaal van den Dom. Trutha bevond zich naast haar.
„Lisa, o, Lisa.... Zal de Heer ook Yglo verlossen uit den kerker?”
„Zeker doet Hij dat, kind! Hij verlaat nooit wie op Hem vertrouwen.”
„Dan” — fluisterde de bleeke Trutha, „ben ik blij, dat het einde komt!” Een weinig verder hief Henno de gevouwen handen op:
„Laat mij niet zoo sterven, Heer! gescheiden van mijn kind! Wees barmhartig, laat mij hem mogen verlossen uit dat donkere burchtverlies.... Hand in hand wachten wij dan uw komst af bij het bazuingeschal der engelen”....
Weerklonk dat reeds nu? Luid schetterende tonen deden de knielende menigte ontsteld overeind rijzen, in de grootst mogelijke spanning, in verbijsterende verwarring. Het snikken der vrouwen en kinderen vermengde zich met de gebeden van geestelijken en leeken. Maar in de geopende kerkdeur klonk een vaste stem:
„Mannen van Utrecht, te wapen! De bisschop beveelt het! Grijpt schild en speer! Op! De Denen tegemoet!”
Verbaasd richtten zich aller blikken op den spreker: Unruoch van Teisterbant. Zijn oogen schitterden hun tegen onder den glanzenden helm, zijn ijzeren rusting rinkelde, het breede slagzwaard blonk in zijn vuist als het wapen van het recht.
„Op, wakkere mannen! De soudenieren van het Sticht scharen zich reeds in slagorde, de bisschop zelf stelt zich aan hun hoofd. Komt, om de vijanden van ons geloof, de belagers van ons volksbestaan te helpen verdrijven uit ons land!”
Zij zagen zijn bezielden, van strijdlust gloeienden blik en — ontstelden schier.
„Jonker Unruoch!” riep een oud man, — „strijden op den laatsten dag! Laat ons in vrede bidden, eer wij sterven!....”
Tot eenig antwoord hief Unruoch zijn zwaard op, helle vonken schoot het in het morgenlicht.
„Bidden wilt gij? Waarvoor? Om vergeving af te smeeken voor uw lauwheid en plichtverzuim? Ginds” — met zijn zwaard wees hij de richting aan — „plunderen en stroopen de Denen. Indien zij het platte land niet hadden afgeloopen en verwoest, lagen zij reeds voor de poort. Voorwaarts alzoo! Hun macht vernietigd eer zij hier de kerken in een vuurgloed doen verteren en ons de lansenmis zingen! God ziet u! En, wanneer gij de Denen verslaat, wie zegt, dat gij dan niet den Antichrist velt met zijn heir van booze geesten?”
Als een schok doortintelde ieder dit laatste woord. De Antichrist zou verschijnen eer het einde kwam, zoo was het voorspeld.... Door hem te weerstaan werd zonde en schuld geboet. God wilde het! Was niet reeds door menigeen de woeste Rolfr Jarl vereenzelvigd met den Antichrist? Vastberaden, als gewekt uit een verdooving, stormden de mannen naar buiten. Het zou een ontembare schaar zijn, die Unruoch in het veld voerde. Graaf Frethibold zag hem zijn manschappen opstellen voor het Bisschopshof. Het was een zonderlinge strijdbende: ieder voerde het wapen, dat hij bezat, zonder eenige regelmaat of orde, maar dezelfde moed en strijdlust blonk uit aller oog.
Hij zag den slanken jongeling vol gloeienden ijver, allen bezielend door voorbeeld en woord....
„Zoo als hij zou thans mijn zoon zijn geweest! Ach, waarom word ik steeds opnieuw herinnerd aan mijn verlies!” Een gesmoorde zucht ontsnapte zijn lippen, toen richtte hij het gebogen hoofd op:
„Het was Gods wil. Ik had mij moeten buigen en ik liet mij breken door het lot, dat mij door Hem werd opgelegd. Heer, vergeef, en laat mij weldra mijn lieve vrouw, mijn dierbaar kind hervinden bij U!”....
Hij wendde zich af en gaf den boogschutters zijn bevelen.
Aan de spits der ridders en ruiters van het bisdom verscheen de bisschop zelf. Niet als een held die heenrijdt naar het slagveld. Harnas noch pantser omgordde zijn leden, uit geen blinkenden helm golfden de zilveren haren van den grijsaard, die fier en ongebogen zijn ros in toom hield met vaste hand. In breede plooien viel het violetkleurig opperkleed van satijndamast met goud passement geboord hem over de schouders, zijn rechterhand hield den kromstaf, zijn vinger droeg den gewijden ring. Langzaam reed hij langs de opgestelde gelederen.
„Mijne kinderen, ik groet en zegen u in des Heeren naam! Denkt aan het woord van Joab: Weest sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor de steden onzesGods!”[23]Volbrengt uw plicht tot uw laatsten ademtocht, maar koestert haat noch oefent wraak! Gerechtigheid zij uw wapen, het geloof in Gods albestuur uw schild. Voorwaarts thans! Ik voer u niet aan in den strijd, maar ga u voor in den slag!”
„Heer bisschop, zonder wapen! U treffen de Denen het eerst!”
„Wie door God wordt beschermd is welbewaard. Bekommert u niet om mij. Laat God zorgen en doet uw plicht. Voorwaarts kinderen! Te hulp hen, die vergaan! Wyc staat in brand, bewaart Utrecht voor hetzelfde lot! God bescherme onzen tocht!”
„God bescherme ons!” herhaalden allen. Over de ratelend neergelaten brug volgden soudenieren en burgensen bisschop Ansfried in het vrije veld. Wonderbare kracht, die uitging van een enkel man, welke zijn plicht hooger stelde dan het leven! Terneer gebogenen richtte hij op, van vreesachtigen vormde hij helden, zij, die daareven sidderden voor den dood, deed hij thans den dood in het aangezicht zien, onverschrokken, vast besloten stand te houden tot het uiterste voor de heiligdommen en voor huis en haard.
[23]2 Samuel 10 vers 12.
[23]2 Samuel 10 vers 12.
Ondanks het heftig verzet van Rolfr Jarl was het gansche platte land om Wyc en ten laatste die stad zelf, door de Denen geplunderd en gebrandschat. Tevergeefs had hij geraden, gedrongen om terstond naar Utrecht op te rukken, had hij gewaarschuwd voor de voortvarendheid van bisschop Ansfried. Niemand der strijders, brooddronken van roof en gemakkelijk vergaarden buit, sloeg acht op zijn woorden. Zelfs de voor dezen tocht door hen gekozen „zeekoning”, Viking Harald Sigvatr, haalde de forsche schouders op.
„Laat hen! Wij zijn sterk genoeg om over eenige dagen ook Utrecht in te nemen en plat te branden. Nu Wyc in puin ligt kunnen wij het immers gemakkelijk bereiken, zegt gij. Gun hun dus dit tijdverdrijf, zij hebben een zware zeereis doorgemaakt.”
Rolfr Jarl was genoodzaakt toe te geven. Het kostte hem reeds moeite genoeg den Viking te doen gelooven, dat Olaf door ongesteldheid werd weerhouden zich bij het leger te voegen.
„Een Noorman is niet ziek, maar strijdt tot hij sterft om door Walküren te worden gevoerd in Alvaders hal.”
Met verstoord wenkbrauwfronsen had Harald Sigvatr zich afgewend, terwijl hij dit antwoord gaf en ten tweeden male was Rolfr verplicht te zwijgen.
Zoo waren drie dagen voorbijgegaan. Thans verrees de zon omgolfd door breede stralenbundels van purper en goud, een wonderschoone dag was verrezen. De Noormannen juichten. Midzomer was daar. Nog dien eigen avond zouden ruiters en rossen den sprong wagen over het hoogvlammende vuur. Gelukte die sprong, een jaar van heil wachtte den voorspoedigen ruiter. Bij harpslag en bekerklank werd hij gehuldigd, heil hem toegedronken bij het schallen der horens. Maar eerst zou de rijzende dag allen voeren ten bloedigen wapendans....
De laatste hoeven gingen in vlammen op, nog een enkel uur was allen toegestaan om de waarderobe te vergrooten, die reeds in het scheepsruim was geborgen, dan gold voor het leger Utrecht als eerste doel van den verderen tocht, terwijl de vloot verder zou opzeilen. Reeds werden de ankers gelicht, ongeduldig wachtte de man aan het roer op het sein van vertrek.... „De wind, die den wil der goden weet, wijst den weg, welgevallig blaast hij bollend de zeilen”.... zong bij zijn harp Rolfrs grijze Skald...
Eenige uren waren voorbijgegaan, weldra zou de zon haar hoogste punt bereiken, gloeiend als een gouden brand waren haar stralen, zij verzengden het gras, en bedwelmden de menschen. Keerde daarom een kleine bende, die had gezwermd door het veld, zoo overhaast terug? Zocht zij de schaduw der boomen bij den middaggloed, of was daar een andere reden?
Onder de groene bladerzee van een breeden eik ging Rolfr Jarl ongeduldig op en neer. Ademloos berichtte hem de aanvoerder der bende:
„Jarl, een talrijke krijgsmacht rukt aan op den heirweg. Zij komt van de zijde waar Utrecht ligt. Een grijsaard rijdt aan de spits naast een gepantserden ridder, boven hun hoofd wordt de banier van Sint Maarten geheven, violetkleurig is de mantel van den grijsaard”....
Een met moeite bedwongen kreet ontsnapte Rolfr.
„Hij of ik! Lang geleden heb ik het gezworen, nu is het uur aangebroken!”
Het was of hij voor het laatst zijn woest, teugelloos leven langs zich zag voorbij trekken, met de eenige taak, die hij zich ooit had gesteld. Medelijden met den man, dien hij reeds zooveel leed had berokkend, kende hij niet. De schande die hij, bij nederlaag, over zijn eigen hoofd bracht deerde hem evenmin, de verachting der menschen was hem onverschillig. Wraak riep hem en voor die roepstem was hij nooit doof geweest of had hij geaarzeld met zijn antwoord.
Ook thans zette hij zijn horen aan den mond, ver in het rond schalde de toon. Hij wist, dat de Denen hun tegenstanders ver in aantal overtroffen, hij voelde zijn macht, dàt was leven.... „Rolfr Jarl geneest heden zijn wonden, al bekoopt hij het met den dood,” mompelde hij voor zich heen. Toen zond hij zijn ruiters weg om plunderaars op te vangen, om anderen, die mondvoorraad roofden, te zoeken. De bewakers der vloot werden gewaarschuwd, de voetknechten in slagorde gesteld. Weldra zetten zij den weg af of lagen verborgen tusschen het kreupelhout, waardoor de heirbaan werd omzoomd. Zoo wachtten de Denen de mannen van Sint Maarten af. Nog enkele oogenblikken en een plechtige zang golfde hun tegen. Door de geestelijken werd hij aangeheven, die de banier hoog hielden boven het hoofd van den bisschop. Voor zoover zij latijn verstonden vielen de leeken mee in:
„Media vita in morte sumus,quem quaerimus adjutorem,nisi te domine, qui pro peccatisnostris juste irascerisSancteDeus[24]
„Media vita in morte sumus,quem quaerimus adjutorem,nisi te domine, qui pro peccatisnostris juste irascerisSancteDeus[24]
Terwijl ruiters en voetknechten in dichte gelederen naderkwamen, zagen zij de donkere menschenschaduwen op het groene veld. Wapens flikkerden en daarboven straalde de zon en weerkaatste haar glans in die werktuigen des doods.
„Unruoch, hoe groot schat gij den vijand?” vroeg de bisschop.
Unruoch hief zich op in de stijgbeugels:
„Het kreupelhout glinstert van wapens, de heirweg en de stroom zijn vol helmen en houwers, vele honderden in aantal, gewis. En ginds rent een dicht aaneengesloten bende het veld in en vele schepen der vloot varen met hun bemanning rustig verder. Daar wordt geen boogschot gedaan, geen pees gespannen. Willen de Denen ons omsingelen of den terugweg afsluiten?”
„Dat moet hun worden belet!”
De stem van den bisschop klonk boven gedruisch en wapengekletter als vele jaren vroeger, toen zij haar bevelen gaf in het ruitergevecht. Hij wenkte graaf Frethibold aan zijn zijde. Zacht maar zakelijk klonken zijn woorden. Toen werd Henno, wiens reis naar Aken niet noodig was geweest, met Gerlach, waarmee hij groote vriendschap had gesloten, teruggezonden naar Utrecht.
„Het is hoog tijd, dat wij komen!” riep Unruoch weer. „Ziet dien rooden gloed in de verte! Weer branden er hoeven!”
„Daar ligt, geloof ik de Hohorst; heer bisschop, red uw stichting!” viel graaf Frethibold in.
Bisschop Ansfried schudde het hoofd: „Wij mogen onze geringe strijdmacht niet verbrokkelen. God zelf zal haar beschermen, redden wij de vrouwen en kinderen, die te Utrecht weerloos achterbleven voor het geweld der Denen!
„Ziet, daar rennen reeds de voorste ruiters!” hernam Unruoch. Hij rukte zijn zwaard uit de scheede en zwaaide de kling boven zijn hoofd.
Graaf Frethibold smoorde een bitteren uitroep: in hun aanvoerder had hij Rolfr, „den Deen” herkend.
„Groote God, sta ons bij in den ongelijken strijd!” fluisterde bisschop Ansfried. Want de vijanden overtroffen ver in aantal zijn geringe macht van te voet vechtende soudenieren en den slechts half voltalligen heerban.
„Wij strijden voor vrijheid en recht. Die wetenschap schenkt iederen arm tienvoudige kracht!” riep Unruoch, met gloeiende trekken.
„Steekt de horens, zwaait de banier! Laat een zang van zege en glorie weerklinken!” klonk het bevel van den bisschop.
„Wie weet hoe ras overstemd door de bazuin van het jongste gericht,” mompelde graaf Frethibold zacht. Maar hij gaf het verlangde teeken. Van beide zijden suisden de eerste pijlen, zij troffen geen wit. Als verbijsterd was de kleine ruiterbende, hiermee ook het voetvolk in verwarring brengend, teruggedrongen op het gezicht van de breede gevechtslinie der Denen. Toch zagen zij die niet geheel. De linkervleugel werd verborgen door bosch en kreupelhout, zoodat het gedeelte, door graaf Frethibold als uiterste stelling aangezien, alleen het centrum vormde. Een derde der tegenstanders bleef zijn geringe macht op deze wijze onbekend — tot haar geluk.
„Voorwaarts kinderen! Waarvoor zoudt gij vreezen? Met dien ongeregelden hoop komen wij spoedig klaar!”
Door Unruoch en zijn onmiddellijk gevolg omringd snelde hij zoo onstuimig voorwaarts, dat de aarzelende ruiters, die nu weer stand hielden, zich nauwelijks bij hem konden aansluiten.
Zonder zich te verroeren wachtten de in kamp en strijd vergrijsde Denen — Harald Sigvatr en Rolfr Jarl bevonden zich aan hun hoofd — de naderstormenden af. Zonder een speer te werpen of een boog te richten, lieten voetvolk en ruiters — het waren meest in ’t land geroofde paarden, die de Denen bezaten — hun tegenstanders naderen.
„Schiet nu! Stoot toe!” beval Harald. En met de snelheid van het weerlicht wierp zich het geheele centrum op ruiters en rossen. De schok was geweldig; de voetknechten sneden de pezen der paarden door, om daarna handgemeen te worden, de ruiters bekampten elkander met het zwaard. Maar kloek hielden de burgensen stand.
„Vooruit kinderen! Houdt u goed! De zege is ons!” riep hun aanvoerder. Zijn blinkend zwaard schoot vonken, allen vooruit drong hij in op den vijand. Met verbazing zag de bisschop het. Was dat de sombere, hopelooze gouwgraaf van weleer? Dicht aaneengesloten volgden hem de soudenieren, als een hagelstorm bij winternacht snorden hun pijlen van den boog. Eensklaps dreef een gepantserde gestalte zijn paard door den warrelklomp van strijders. Het was Rolfr Jarl. Hij had den veel gehate, lang gezochte in het oog gekregen. Trotsch strekte hij zijn hand uit, het was als wilde hij haar leggen niet op den man, voor hem, maar op de macht, die dezen behoorde. Zijn stem klonk hijgend:
„Laat mij door! Een zwaardslag moge eindelijk tusschen ons beslissen! Laat zien of zijn witte afgod hem beschermt!”
Met een forschen sprong van zijn vurig paard brak hij zich baan en bereikte den bisschop, die hem afwachtte ongewapend, onbevreesd.
„Sterf christen!” hoonde de Noorman, en hief met beide handen zijn breed slagzwaard op.
„Maar gij het eerst!” dreigde graaf Frethibold, naderspringend op zijn zwarten hengst. Meteen stiet hij zijn zwaard in de okselholte van Rolfrs pantser, waar dit onbeschermd was door den hoogopgeheven arm, die het zwaard richtte. Het wapen ontviel de geweldige vuist van den Noorman, kermend stortte hij uit den zadel, paardenhoeven gingen over hem heen. Verbijsterd van schrik zagen zijn ruiters hem vallen.
„Rolfr Jarl, de onkwetsbare en reeds nu, bij het eerste treffen!”
In verwarring wendden zij hun paarden, sleepten anderen mee. Het gevecht dreigde te ontaarden in een wilde vlucht.
Harald Sigvatr zag het. Hoog zijn reusachtige gestalte opheffend, trachtte hij de vluchtelingen tot staan te brengen met beloften en dreigende woorden.
„Vernietigt hen of zij doen het u! Op! Den vijand tegen! Hij vlucht reeds op uw gezicht!”
„Zegevader, bij u is de overwinning!” juichten vele stemmen. Terwijl op zijn bevel het beweginglooze lichaam van Rolfr Jarl naar een der schepen werd gedragen, volgden de Denen opnieuw hun onverschrokken Viking. Uit het kreupelhout vloog thans een wolk van pijlen.
„Knielt! Dan snorren zij over uw hoofden heen! Mikt op het kreupelhout, daar glinstert het van stormkappen en wapens!” beval graaf Frethibold. Het was of hij in zijn borst al de pijlen wilde opvangen, die zijn soudenieren moesten treffen.
Te midden der wilde, vernieuwde worsteling stormde een kleine drom Deensche voetknechten onstuimig op hem in. De beide eersten reed hij omver met zijn paard, doch in het eigen oogenblik suisde een speer: op de voegen van zijn rusting, bij den halsberg was zij gericht. De stoot zou doodelijk zijn geweest, indien Unruochs zwaardhouw de spits niet had gescheiden van de schacht. Hoog wierp hij haar over de rijen der strijders, toen stiet hij den voorsten aanvaller terug en reed diens makkers onder den voet. Verschrikt vluchtten de overigen, graaf Frethibold greep de hand van Unruoch:
„Hoe zal ik u ooit kunnen danken, gij hebt mijn leven gered!”
„Spreek daar niet over! Gij zoudt hetzelfde voor mij hebben gedaan!”
Beider oogen ontmoetten elkaar en de gouwgraaf verbleekte. Moest hij zelfs te midden van het rumoer van den slag worden herinnerd aan zijn verloren geluk? Lang geleden had hij dien zelfden blik gezien — in de zielvolle oogen zijner vrouw.
Maar thans gonsden opnieuw uit het kreupelhout aan weerszijden van den weg de pijlen in zulk een dichte menigte, dat zij vriend en vijand tegelijk troffen. Onafgebroken klonk het snorren der pezen, het suizen der pijlen. Menige strijder viel, de ruiters met hun paarden, de voetknechten waar zij stonden.
Rondom de banier, die nog steeds boven het hoofd van den bisschop haar breede banen uitsloeg, had zich een uitgelezen groep geschaard. Het werd een zware kamp. Met woord en voorbeeld moedigde Harald Sigvatr zijn Denen aan, zelf stormde hij aan hun hoofd los op de ijzeren haag van schilden en speren. De levenlooze lichamen der neergehouwen helden van beide zijden lagen dooreen in groot aantal. Het bracht niemand aan het wankelen. De dooden hadden hun plicht gedaan. Vol mannenmoed volgden de levenden hun voorbeeld. Het zwaard van Harald deed opnieuw een bloedstroom vloeien, zijn oog en doel bleef de verachte bisschop der christenen, en de banier met het kruis. Tot nu toe was zijn aanval op dit symbool der christenheid tevergeefs geweest, het zou niet langer zijn. Zijn hand greep de gewijde vaan, een krakende slag spleet reeds de schacht, toen een luid geschreeuw op den heirweg hem het hoofd deed omwenden. Die beweging, vluchtig als een ademtocht, besliste den strijd. Met beide handen zijn geweldig zwaard opheffend, scheidde de gouwgraaf met een enkelen dreunenden slag hem het hoofd van den romp en terwijl de Denen, in verbijstering over den dood van hun aanvoerder, de wapens neerwierpen, greep Unruoch het paard van den bisschop in den teugel en voerde hem weg uit het woest tumult naar veiliger, vrediger oord: den Hohorst. Op den heirweg vertrapten in wilde vlucht de Denen elkander in hun waanzinnige haast om op de schepen hun leven te redden. Want de achterste gelederen keerden zich tegen de voorste en versperden dezen den doortocht. Als een verward kluwen betwistten de Denen elkander iedere schrede, het dreigend geroep herhaalde zich: een kleine bende landbewoners uit den omtrek, door Henno aangevoerd, stormde onder luide verwenschingen in op de achterste gelederen. Sommigen van hen waren tegenwoordig geweest bij het offer, door Rolfr Jarl gebracht. Zij herinnerden zich de woorden, door hem bij den grafheuvel van Roruk gesproken — dat was dan de uitkomst van zijn voorzeggingen en beloften! Een nieuwe inval der moordende en plunderende Deensche benden!.... Haat en woede maakte van geringe vrijen, van de meest verachte eigenhoorigen helden. Zij volgden Henno, die zich aan hun hoofd stelde zonder beraad. Zwervend door het veld, beroofd van hun ellendige woning of geringe have, hadden zij, zonder aanvoerder zelf geen aanvallers durven zijn. Blootshoofds, barrevoets volgden zij hem, gewapend met kodde en herdersstaf, met woesten wrok in het hart. En hun aanval bracht de verwarring te weeg — die hier de aanvang werd van de volkomen nederlaag der Denen: beroofd van hun dapperen aanvoerder kozen zij de vlucht als eenige uitkomst.
Voort joegen zij, voort, naar de schepen, thans hun redding; vergetend, dat hun nederlaag in zegepraal zou kunnen eindigen, als zij Utrecht, het nu geheel van verdedigers ontbloote Utrecht konden bereiken. Voort renden zij, voort, hun laatsten pijl afschietend, zich met de vuisten een weg banend, elkander iederen duimbreed gronds betwistend. Dwars over de velden stormden zij, vluchtend door het rietgras, dat menigmaal met zijn sierlijk wuivende pluimen het verraderlijk moeras bedekte, waardoor ieder, die waagde zijn vrijen grond te drukken, werd meegesleurd naar de diepte. Geduchter ketenen voor den vermetele dan boeien van ijzer ooit konden zijn. Het moeras voerde de vluchtenden in den dood en die achter hen waren snelden over hen heen of zonken, om een gelijk lot te vinden, in de taaie modder, waar hun de genadeslag wachtte der mannen van Utrecht.
Anderen, gelukkiger, slaagden er in over den heirweg naar de schepen te ontkomen. Zij waadden door den stroom, riemen werden hun toegestoken, zij werkten zich aan boord... „Gered!” klonk de schorre juichkreet honderdwerf herhaald. Zij grepen roer en touwen, spanden de zeilen, nieuwe vluchtelingen kwamen... „Naar Utrecht!” luidde de algemeene kreet, door een nieuwen pijlenzwerm gevolgd, nu afgeschoten van het veilige dek.
Graaf Frethibold zag het rustig aan, de pijlen troffen geen doel en de wind blies niet in de zeilen in de gewenschte richting. Zwaar zou het den afgematten strijders vallen alleen met behulp der riemen eerst het Almere en dan, door de Vecht, Utrecht te bereiken; àls zij dit bereikten. Want reeds moest Gerlach, op zijn last teruggekeerd, daar over den heirweg zijn aangekomen. En de weinige achtergebleven wachters hadden thans gewis zijn bevel reeds volvoerd om alle beschikbare schuiten en koggen dwars in de rivier te laten zinken. Dit zou de nadering onmogelijk maken voor iederen vijand.
Een woest gehuil, opklinkend van een der grootste schepen, voerde zijn gedachten terug, een kreet van ontzetting ontsnapte ook zijn lippen. Rolfr Jarl, ontwaakt uit zijn bezwijming, stond bij het roer van het bevelhebbersschip. Zijn eigenaar, de gevallen Viking, verbloedde verlaten op het veld. Vertrapt was zijn lichaam door vluchtende menschen en steigerende paarden. In ongeregelde drommen, met opgeheven armen, de wapens wegwerpend, vluchtten nog altijd de Denen verder landwaarts in of bestormden zij de schepen, over lijken of met bloed doorweekt slijk, achtervolgd door een schier razende menigte. Tusschen de angstkreten der vluchtenden en het gekerm der gewonden rezen de juichkreten der overwinnaars.
Rolfr ving beide op. Sloeg de gewisheid, dat alles verloren was voor zijn volk, voor hem, ook zijn geregeld denken in boeien?
Met een brandende toorts rende hij langs het scheepsboord, de helm was hem ontvallen, wild zwierden de dichte haren hem langs het woest gelaat.
„Lafaards! Vluchtende gezellen, gaat! Van hier! Vlucht ook van hier! Ik wil het! Laat mij alleen, ook in den dood alleen!”
Als een razende zwaaide hij de brandende pijnhoutspaan. De spattende vonken vielen overal, weldra dansten vurige vlammentongen om het droge touwwerk en over de opgetaste waarderobe op het dek. Tevergeefs trachtten de schepelingen hem de brandende fakkel te ontrukken, of de vlammen, die de opstekende wind aanwakkerde, te dooven. Met de reuzenkracht van den waanzinnige sloeg hij de helpende handen van zich, zengde hij met de gloeiende toorts zijn redders haren en gelaat. Zij moesten het allen opgeven tegen dien eene, die niets menschelijks meer bezat, die hen vervolgde, voortdreef over het schip in stormende vaart, onder het uitstooten van rauwe kreten, een roofdier der wouden gelijk.
De in den krijg geharde mannen zwichtten voor deze overmacht, zij sprongen over boord, om zwemmend een der overige schepen te bereiken of bij hun vernieuwde vlucht te vallen onder de pijlen der Utrechtsche burgensen.
Nog eenmaal klonk Rolfrs honende schaterlach. Hij stond op de voorplecht alleen, om hem sloegen reeds de vlammen, die hoog opkringelden om den mast.
„Lafaards, gij allen! Weest vervloekt! Ik blijf en ga onder in den vuurdood. Dan stijg ik op tot de goden, doch gij, nietswaardige vluchtelingen, daalt af in den nacht! In hel zinkt gij, in hel!”
Weer zwaaide hij in krankzinnige woede zijn toorts, hooger verhieven zich de rosse vlammen, vleugels van vuur geleken de strakgespannen zeilen. De wind wakkerde aan; met scherpen ademtocht blies en huilde hij, driftige storm wolken met een eigenaardigen rooden gloed, joegen donker langs het zwerk. Voort, op de vleugelen van den wind dreef het drakenschip, voort.... Onbeweeglijk met door bloed beloopen oogen zag Rolfr het aan. De gouden dolfijnen werden tot een vormloozen klomp, de blinkende schilden langs het scheepsboord zwart van den rook, de zeilen van zeehondenvel een hoogslaande vuurzuil, de geroofde schatten verbrandden tot asch.
Hij lachte, als het huilen van een demon klonk het. Want de vonkenregen spatte over op de andere schepen, en de strijders van daareven met hun bloedende handen, hun gewonde, van vermoeidheid bevende armen haastten zich te blusschen, te redden wat nog te redden scheen.
Rolfr Jarl lachte, zegevierend. Hij alleen stond in de vlammen, hij vreesde noch bluschte ze. Nog eenmaal, toen de wind het gordijn van vuur en rook terugsloeg, werd zijn forsche gestalte zichtbaar. Weggeworpen had hij de vonkenspattende toorts, zijn geweldigen hamer met de zegerunen zwaaide hij boven zijn hoofd als daagde hij een geheele vijandige wereld uit ten kamp en strijd — nog een oogenblik, toen viel krakend de brandende mast neer met dof gedreun. De Noorman wankelde en plofte voorover in den gloed, de vlammende zeilen bedekten hem geheel.... Op de vleugelen van den wind vloog de vurige scheepsromp verder, altijd verder naar de zijde van den Ravenhorst.
Het landvolk uit den omtrek, wier ingrijpen de zege had beslist, die terstond verder waren getrokken naar den gehaten dwangburcht en nu de breede, gesloten poort rameiden van het schijnbaar verlaten slot, snelden toe. Met haken en kodden gelukte het hun, na menige vergeefsche poging, het gloeiende, half uitgedoofde wrak aan land te trekken en den brand geheel te blusschen. Zij riepen en vroegen, maar aan boord gaf niemand antwoord.
In de verte zagen zij het overschot der ontredderde vloot. De gedunde bemanning roeiend met al de kracht, die haar restte om het land te ontvluchten, dat zij hadden willen maken tot hun roof en buit, tot een vernederd wingewest.