[24]Ons leven is, op aard ten deel slechts leven,Wij zien den dood gestadig ons omgeven,Wie schenkt ons kracht in ’t uur der scheidingssmart,Dan Gij, o, Heer, gij rechter van ons hart?Heilig God!”
[24]
Ons leven is, op aard ten deel slechts leven,Wij zien den dood gestadig ons omgeven,Wie schenkt ons kracht in ’t uur der scheidingssmart,Dan Gij, o, Heer, gij rechter van ons hart?Heilig God!”
Ons leven is, op aard ten deel slechts leven,Wij zien den dood gestadig ons omgeven,Wie schenkt ons kracht in ’t uur der scheidingssmart,Dan Gij, o, Heer, gij rechter van ons hart?Heilig God!”
De avond daalde over de heide, scherp teekenden zich de bruine lijnen van het landschap af tegen het koepelgewelf der lucht. Het laatste, gloeiend purper was reeds lang uitgewischt, thans werden de wolken gekleurd door een vreemden, rossen gloed. Het was alsof het uitspansel plotseling zou worden verduisterd, bloedig scheen de hemel door een opkomenden lichten nevel.
Niemand der bestormers van den Ravenhorst sloeg er acht op. De breede voorpoort van de buitenste gracht werd, na veel inspanning, opengerammeid, neergelaten de onverdedigde brug. Thans was het zegevierende landvolk de tweede gracht overgetrokken en dreunde onder zijn bijlslagen de zware haldeur, waarachter de geringe bezetting bescherming had gezocht, die met een flauwe poging tot verweer, haar geringen voorraad pijlen afschoot door de smalle muuropeningen, meer schietgaten dan vensters.
De bestormers waren aanmerkelijk versterkt. Graaf Balderik van Hamalant, de bewindvoerder van Drenthe, had zich met een gedeelte zijner wapenknechten bij hen gevoegd, de overigen vervolgden op koggen en schuiten het overschot der Denenvloot, dat door de Eem het Almere trachtte te bereiken.
Vrouw Sigrid zag het eene aan en het andere — krampachtig waren haar handen saamgewrongen, haar scherpe tanden knersten op elkaar. Zij stond op den toren van het landkasteel, dat zoo menige bange klacht had gesmoord achter zijn zware kerkermuren. Den wachter had zij weggedreven met een snerpend:
„Ga naar beneden! Verdedig je lijf, als je niet even laf bent als die daar!”
Haar hand wees naar de ontredderde, vluchtende Denenvloot. Met een woeste beweging streek zij zich de grijze haren uit het gezicht, zij zag de golven van de Eem, wonderlijk rood in de weerkaatsing der vreemd gekleurde lucht.
„Ik wou, dat ze allen verbrandden!” Haar stem werd verstikt door machtelooze woede, zij zag, dat alles verloren was.
Langzaam ging zij de steenen trap af, naar beneden, duizelend, tastend naar een steun, zij, de vrouw, wier geestkracht steeds die van menigen man had overtroffen. Zij had alles verwacht van de aarde en nu de aardsche macht haar ontzonk, blikte zij in de leege ruimte, zocht zij tevergeefs naar een staf om op te steunen.
Zij begreep, dat het volk algemeen in opstand was gekomen tegen de vermetele indringers. Plotseling zag zij allen, op wier bijstand zij vast had gerekend, tegen zich gekant. Van een gravinnekroon had zij gedroomd, als de regentes Luitgarde van Kennemerland sierde en de werkelijkheid zou haar aanschouwen als gevangene of vervolgde vluchtelinge....
Het was haar eensklaps of zij door vlammen werd omringd, een verterend vuur, dat zij zelf had ontstoken. Een donkere gloed trok bij dit denkbeeld over haar strenge trekken — wees het haar een uitweg?
Zij trad in de hal, waar zij de verdedigers vond van haar huis, moedeloos, tot onderhandelen met de bestormers bereid — hun laatste pijlen waren verschoten.
Swanwitha zag zij er bleek, gelaten tusschen de jammerende vrouwen. Olaf, ernstig en kalm, bevond zich aan haar zijde. Hij had de kortstondige verdediging bestuurd, nadat de aanval, op last van vrouw Sigrid zelf, zijn kerker had ontsloten. Nu beraadslaagde hij zacht met Lars, den ouden slotvoogd.
Zij zag hem aan zooals een jager dat een gewonden wolf zou doen. Moet hij den genadestoot nog hebben of heeft hij dien al beet?....
Maar geen radeloosheid, wel berusting las zij op zijn trekken. Het zou dus aan haar zijn, hem dien stoot te geven.
Zij wenkte hem met den slotvoogd haar te volgen, Swanwitha nam zij bij de hand. Naar het kleine torenvertrek ging zij hen voor. Het eenige venster gaf het uitzicht op het voorplein, zij aanschouwden den dichten drom der bestormers. Weldra zou de poort bezwijken.
„Ik heb heden een brandend schip gezien” — ving zij aan. „Ik benijdde allen, die zich er op bevonden. Zij vallen niet in de handen van dàt gespuis.”
Verachtelijk wees haar hand naar beneden. Zij wist niet wie zich had bevonden op dat brandende schip! Bitter ging zij voort:
„Ik kon hun dood niet deelen, maar ik wensch voor mijzelve een gelijk einde. Ik zal nooit als gevangene staan voor dien christen-bisschop. Er zijn pekkransen en teertonnen en ontvlambare stoffen genoeg in de kelders.”
Zij wendde zich tot Lars, gebogen door de jaren, door den druk der dienstbaarheid.
„Hoop ze op en steek ze aan. Gelast allen hier bijeen te komen. De christenen mogen ervaren, dat niet slechts Odins zonen dapper en onversaagd weten te sterven, maar, dat ook de vrouwen der Noormannen de kracht bezitten om kloekmoedig hun lot tot het hare te maken.”
Zij was altijd een onverschrokken vrouw geweest, zij bleef zichzelve gelijk tot het bitter einde. Olaf voelde de bewondering, die moed altijd verwekt, maar met meewarigheid vermengd — het was een wanhoopsdaad uit trots en zelfzucht geboren. Ernstig zag hij haar aan:
„Wat gij van plan zijt is misdadig. Gij hebt u zelve het leven niet gegeven, het behoort u niet toe. Zegt de stem van uw geweten u dan nooit, dat het leven u werd toevertrouwd als een gift van omhoog, als een ernstige plicht, die vervuld moet worden tot den laatsten ademtocht, die u wordt geschonken! Geleend goed is ons aardsch bestaan, wie heeft recht het te beschouwen als zijn eigendom? De Almachtige, die den mensch het leven gaf snijdt het af, als Hij de ure gekomen acht, en Hij, die de ziel terugeischt voor hooger bestaan, zal ook eenmaal zijn schepselen oordeelen naar hun daden.”
Sprakeloos had zij hem aangestaard, hem laten uitspreken, als verstond zij de woorden niet, die in haar oor drongen. Met een schier waanzinnigen blik zag zij op tot de hooge gestalte van den jongen Viking. Op Olafs edel gevormd voorhoofd las zij met den moed om pal te staan voor zijn overtuiging, onwrikbare wilskracht. Hier zou bedreiging baten noch bede, zij begreep het. Woede over het mislukken van haar plan met den eigenzinnigen trots, die nadenkt noch denkt aan toegeven, namen bezit van haar geheel.
Minachtend zag zij Olaf aan:
„U veracht ik, want gij zijt een christen. Eerder had ik verwacht, dat Muspelheims vuurvonken zouden neervallen om ons allen in vlammen te doen opgaan, dan, stoute Viking van weleer, dit te vernemen van u! Gij een slaaf van den witten Christus, gij!”
Zij slingerde hem haar woorden tegen, als wilde zij hem geeselen met het scherpste wapen, dat bestaat: de tong.
Maar hij hief de hand op ernstig, waardig:
„Geen slaaf, maar een mensch van eerbied doordrongen voor de hooge, edele leer van den Gekruiste. Wat acht gij meer verheven: het leven te ontvluchten door een lafhartigen zelfmoord of boete te doen voor begaan onrecht en het aardsche bestaan te maken tot voorbereiding voor de onsterfelijkheid, weggelegd voor allen, die God liefhebben boven alles en hun naasten als zich zelven?”
Geen antwoord keurde zij hem waardig, den slotvoogd dreef zij voort met een kort bevel. Olaf trad haar in den weg:
„Het zal niet geschieden! Gij moogt deze menschenlevens, — de meesten zijn vrouwen en kinderen — niet opofferen aan uw waanzinnigen trots!”
„Wat deren mij die wezens! Alles heb ik gewaagd om groot te zijn en de heerschappij ontvalt mij nu ik haar gegrepen waande. Men zal mij bespotten, en — vergeten. En, dàt duld ik niet — nòòit! — Ik zal mij gehaat maken in den dood, meer dan ooit in het leven. Zoo zal ik voortbestaan in de herinnering van dit volk. Mijn naam zal slechts met afgrijzen worden geuit, maar hij zal worden meegedeeld aan de geslachten, die thans nog niet zijn. Voortleven zal ik, beladen met een vloek en — dat is de onuitwischbaarste herinnering.”
Welk een verschrikkelijk gesprek in dit vreeselijk oogenblik! Het was te veel!
Schreiend klemde Swanwitha zich aan haar vast:
„Grootmoeder! Grootmoeder, heb medelijden met ons — met u zelve!”
Met een ruk stiet vrouw Sigrid haar terug:
„Ga weg! Smoor in de vlammen mijnentwege. Hoe heb ik je altijd gehaat! Je te zien was een onafgebroken marteling, want in iedere lijn van je wit gezicht geleek je háár. Weg, kleindochter van Hereswit van Strijen! Weg!”....
Haar laatste woorden smoorden in een oorverdoovend gekraak.
Een dichte wolk van smook dwarrelde naar boven. In het vertrek werd het tot stikkens toe benauwd, de hitte kwam nader....
„Lars heeft mijn bevel volvoerd! Weldra verbranden wij met dit geheele onzalige ravennest tot asch!”
Een krijschende lach vergezelde haar woorden. Vastbesloten greep Olaf Swanwitha’s hand.
„Kom mee, naar beneden! Ik zal u trachten te redden!”
Toen keerde hij zich nog eens, reeds bijna op den drempel van het vertrek, tot vrouw Sigrid.
„Gij zult geen nieuwe schuld op u laden! Ik zal het voorkomen!”
„Mij belet niemand wat ik wil!”
Zij was hem voor geweest bij de deur, nu werd die met een slag dichtgeworpen.
„Verbrandt dan samen! Voor de Denen is alleen de naam van christen reeds een doodvonnis!”
In een schamperen lach smoorden haar woorden. Haar vaste schreden klonken op de steenen wenteltrap. Zij ging om te zien haar triomf, de zegepraal van een demon.
Ook Swanwitha hoorde het knappen van hout, het knetteren van het vuur, zij wist, dat haar dood nabij was en, dat zij dan zou staan tegenover God. Zij voelde wel de hitte naderkomen, de laaiende hitte maar het verschrikte haar bijna niet, zij dacht alleen aan het einde, dat zoo snel naderde, dacht, dat zij dan haar ziel zou teruggeven aan Hem, Die haar had geroepen in het leven. En zij voelde zich als een slaaf, die zijn ketenen afwerpt, als een vlinder jubelend opstijgend in het zonlicht, na duisternis en winterkou.
„Het scheiden is niet zwaar,” fluisterde zij voor zich heen. „Waarom vreezen wie God liefhebben den dood? Zij gaan toch uit de duisternis naar het licht?”
Door haar gedachtenstroom drongen de verwarde strijdkreten, het kletteren der wapens, vermengd met triomfgeroep en wraakgeschreeuw — de droevige klanken der aarde. Het was haar of al dat tumult ineenvloeide en zich vormde tot een enkelen kreet: die der gehoonde menschheid en zij dacht, dat het leven veel zwaarder was dan het sterven. Waarom was dit zoo, waarom?
Dichtbij, héél dicht, hoorde zij nu al het woeste gedruisch, dat gevecht en dood vergezelde, maar daartusschen klonk iets anders.
Het was of een plechtige stem tot haar sprak, langzaam, duidelijk, of zij het verstond boven het geraas van den strijd:
„Wat het leven zoo zwaar en bitter maakt is, dat de menschen elkander haten in plaats van liefhebben. En wanneer iemand sterft, dan wordt alle haat uitgewischt; daarom is de dood minder hard dan het leven, daarom is de liefde sterker dan de dood, want zij alleen is het die hem heeft overwonnen.”
Toen zij dat zachte woord had verstaan, werd een plank der deur ingetrapt, splinters en spaanders stoven rond, een bijlslag vergrootte de gemaakte opening, gepantserde gestalten drongen binnen, Unruoch bevond zich aan hun hoofd. Met een snelle beweging nam hij Swanwitha in zijn sterke armen en droeg haar de nog veilige steenen trap af naar beneden, waar zijn strijdbende trachtte de vlammen te dooven.
Naar buiten bracht hij haar. Onder zijn bijlslagen was de voor poort bezweken — zij was gered.
Unruoch zag om zich heen, de weinige verdedigers van den burcht, allen gewond, drongen op elkaar, de vrouwen klemden hun schreiende kinderen vaster in de armen.
Uit de groep trad Olaf naar voren, recht toe op den aanvoerder:
„Schenk jonkvrouw Swanwitha goed geleide en de vrijheid om te gaan waar zij wil. Zij is onschuldig aan al deze gruwelen. Wat mij betreft: ik geef mij aan u over. Het is niet mannelijk, maar lafhartig menschenlevens of zich zelven noodeloos op te offeren voor een verloren zaak. Wie beslist welke taak mij nog is bereid in het leven? Ik zal het afwachten.”
Een stem schor van haat en woede brak zijn woorden af.
„Ontvang je loon nog voor je taak aanvangt. Daar, dáár!”
Vrouw Sigrid had een weggeworpen mes gegrepen; wit van drift slingerde zij het Olaf naar het hoofd. Het trof zijn hals, zijn bloed vloeide. Swanwitha strekte de armen naar hem uit, vrijwillig voor de eerste maal.
„Mijn lieve zuster, heb dank.” Fluisterend klonk het, en het was Olaf bij die woorden, alsof hij nu in waarheid geheelen afstand van haar had gedaan. Maar in de droefheid, die opnieuw bezit van hem nam, mengde zich nog een ander gevoel. Hij wist nu, dat de godsdienst der christenen niet alleen groot, maar ook dat hij goed was. Want wie, die zich zelven zocht, was dit ooit? En deze godsdienst eischte geheelen afstand van eigen ik, van alle aardsche verwachtingen en wenschen. „De liefde zoekt zichzelve niet.” Eens had hij die woorden gehoord, nú begreep hij ze geheel.
Maar de opschudding door vrouw Sigrids woeste daad ontstaan, voerde hem terug tot de bittere werkelijkheid.
Met een vasten greep had Unruoch haar hand omklemd. Want weer had zij het mes opgeraapt van den grond.
„Bind haar!” klonk nu zijn kort bevel; zij verweerde zich met vuisten en tanden, wit schuim beefde op haar vertrokken lippen.
„Geef mij een mes, een zwaard! Doorsteek mij, laat mij het mij zelve doen! Ik wil niet als gevangene naar.... Ik wíl niet!”...
„Zij is razend!” mompelden de speerknechten, die haar in hun midden namen en trachtten weg te brengen op Unruochs last.
Niemand sloeg langer acht op haar woorden of bevelen! Dit deed den beker overloopen voor de trotsche vrouw, bewusteloos sloeg zij neer.
Unruoch had intusschen bevel gegeven de kerkers te openen. Onder de bevrijden was ook Yglo. — Nu wendde hij zich tot de droevige groep, waarvan Swanwitha en Olaf het middelpunt vormden. Ook in zijn borst streden plichten en wenschen om den voorrang. De eerste verwonnen.
„Ik zal voor hem doen wat ik kan bij den bisschop. Gaat nu beiden mee, mijn boogschutters zullen hem dragen,” sprak hij tot Swanwitha.
Hij wilde haar met geen enkel woord herinneren aan de eens in een wonderzalig uur afgelegde gelofte. Was voor haar slechts kinderlijk spel geweest, wat voor hem hooge levensernst was geworden? Hij wist het niet, hij vroeg het niet, hij voelde de hand van den plicht, die hem voerde op zijn levensweg....
De sombere stoet van menschen met gezengde haren, bloedend uit meer dan één wond, of afgemat door kamp en strijd, trok over de brug van den Ravenhorst. Aan het hoofd reed Unruoch; op zijn bevel was ook voor Swanwitha een paard gebracht, zwijgend ging zij voort aan zijn zijde. Op een baar, gevormd door gekruiste speren, met een wijden mantel bedekt, rustte Olaf. Een ruiter had vrouw Sigrid, nog steeds bewusteloos, voor zich op het paard gelegd. Diep haalde menige vrouw van het burchtgezin adem, toen zij zich bevrijd zag uit het verschrikkelijk verblijf, waar soms nog kleine vlammen opflikkerden als zooveel vurige tongen.
„Hij alleen heeft ons gered van den vuurdood!” fluisterde er een op Unruoch wijzend.
„Maar hij wilde het ook doen,” hernam een ander en dankbare blikken gleden over Olafs kleurloos gelaat.
Ja, gered waren zij, gered!
Zij stonden en zagen het welbekende landschap, zoo rustig nu en vredig: de heidehoogten met donkere dennen begroeid, het zilveren water van de Eem. Een overweldigend gevoel van verlossing en bevrijding rees in aller hart. Slechts enkele vluchtige oogenblikken.
Eensklaps begon het te druppelen uit de wolken met hun vreemden rossen gloed. Ruischend viel plotseling de regen neer, een regen rood als bloed. De doodsverf der ontzetting streek zelfs over de aangezichten der ruwste krijgers, een steunend geluid drong uit menige dappere borst, het vreeselijk wonder deed het bloed stollen in ieders aderen.
De ondergang der wereld! Zij hadden de steeds met zooveel angst aangehoorde voorspelling vergeten in de hitte van het gevecht, bij de woede der vervolging.
Doch zoo was het dan waar, wààr! Zoo was thans het uur aangebroken, juist als werd voorspeld, met den langsten dag, die ten einde neigde. Als middernacht aanbrak dan.... Doodsangst vereende zich in één enkelen, door merg en been dringenden kreet. Het was of een schot vloog uit ieders keel. En de regen ruischte, ruischte aldoor.... de bloedregen! Steeds grooter werden de druppels, rood verfden zij heide en struikgewas, rood de sidderende aangezichten en angstvol opgeheven handen der menschen. Op de knieën zonken allen, snikkend, kermend, rillend van vrees meer dan ooit te voren. Wanhoopskreten met tranen en afgebroken gebeden vermengd stegen op naar de wolken:
„O, Heer, wees ons genadig! Erbarm u onzer, o, Heer!”
Een gedaante, als uit den grond opgerezen, stond eensklaps tusschen de knielende, in radeloozen angst saamgedrongen menigte.
Niemand herkende in het eerste oogenblik de oude Lisa, die altijd zoo gebogen en droevig rondsloop. Zij droeg een schoonen hoofddoek en stond rechtop vol kalmen ernst. Haar oogen, anders meestal neergeslagen, zochten nu de door doodsangst verwrongen trekken van het knielende volk. Een ongewoon zachte uitdrukking lag op haar gerimpeld gezicht, toen zij sprak — sommigen meenden, dat zij tranen in de oogen had:
„Ik ben gekomen om u allen te zeggen, dat gij niet bang behoeft te zijn, want de Heer Jezus leeft en Hij zal over ons waken. Hij zal in het verschrikkelijke oogenblik zijn engelen zenden om ons te voeren naar een betere wereld. Komt, gaat allen mee, dáárheen! Daar bidden zij en wie bidt heeft niets te vreezen, want onze God is de hoorder der gebeden!”
Zij hief de hand op en aller oog volgde zonder onderscheid, die beweging. Hoog op den heuvel zagen zij den Hohorst met de kleine kerk, geblakerd en zwart geschroeid door een plunderende Denenhorde, maar toch onaangetast door het vuur, dat het woongebouw verteerd had. Helder licht straalde uit de kleine vensters, de klok begon te kleppen met zilveren klank....
„Daarheen! Daarheen!”....
Met hijgend verlangen, als zagen zij een vluchthaven ter redding en veiligheid in den uitersten nood, richtten de in ’t stof gebogenen zich op.
Van enkele op de Denen veroverde schepen was reeds te voren een brug gevormd, dwars in de rivier, op Unruochs bevel, toen hij bisschop Ansfried in veiligheid bracht uit het krijgstumult van het slagveld. Over die wiegelende bodems stroomden thans allen....
De zware strijd was volstreden, de kamp, met zooveel zorg tegemoet gezien, beslecht, maar geen juichtoon werd aangeheven, geen overwinningskreet geslaakt door de kloeke krijgers. En de ouderen van jaren, van wie meer dan een neerzonk van vermoeidheid — zij dachten aan rust noch sluimering.
De roode regen viel, het begin van het einde, de laatste nacht van het laatste jaar was daar. — —
Snel had zich door de gansche landstreek het gerucht verspreid van den ondergang der gevreesde Denenvloot. De vrouwen riepen het elkander toe met hijgende stem, zij brachten het verder — want strijdend waren nog de mannen — en zoo bereikte de blijmare ook Utrecht. De wachters bij brug en poort vernamen haar het eerst, in overweldigende blijdschap wierpen zij schild en speer van zich: „Daar was immers niets meer te vreezen, niets meer!”....
Ademloos berichtten zij het vrouw en kinderen, die baden in den Dom. Maar dof sprak een der vrouwen:
„Waartoe die vreugde, als de aarde toch vergaat, over enkele uren reeds?” Toen liep opnieuw een rilling ieder, die het verstond door de leden. Zij zagen om zich als misten zij iets. De diepe Romaansche gewelven, waarin het flikkerde van wemelend kaarslicht, schenen eensklaps duister.
„Onze bisschop!.... Wij moeten zijn waar hij is, als het bazuingeschal der engelen weerklinkt! Hij zal ons voorgaan in het gebed en genade voor ons afsmeeken van den Heer!”
„En hij zal Gods barmhartige liefde over ons inroepen, door Wiens hulp heden ook de Denen werden verslagen”....
„En de Antichrist.” Onhoorbaar bijna was het gefluisterd, maar het werd herhaald en geloofd.
Toen was het eensklaps of een schok voer door de geheele schare.
Alles verhief zich, mannen, vrouwen en kinderen en in plechtigen optocht trokken allen de stadspoort uit om bisschop Ansfried op te zoeken. Hij wist immers steeds een uitweg wanneer allen versaagden, hij had woorden van opbeuring en troost als ieder vertwijfelde, ook nu zou hij kalmte en vertrouwen weten te storten in harten, die sloegen tot berstens toe.
„Naar hem! Naar onzen bisschop!”
Niemand dacht aan den langen weg, die voor hen lag. Naar den Hohorst stroomden Utrechts inwoners te paard, op wagens of te voet om daar het einde af te wachten. Voelden zij instinctmatig, dat de man bij wien zij schuts zochten en steun voor de vreeselijke ontknooping, die naderde onverbiddelijk en snel, zoo hoog boven hen stond, omdat het leed der wereld hem niet meer kon deren, nadat hij zijn zwaarste leed geleden had en de woorden uit de Bekentenissen van Augustinus gemaakt tot de zijne:
„De mensch keert zich naar alle zijden, naar hier en daar, en alle dingen zijn hard en bitter voor hem. Want alleen in U o, God, is ruste. Waarheen de ziel des menschen zich wendt, overal vindt zij smart dan bij U alleen”....
En zoo, biddend, psalmzingend, de kracht overspannend uit vrees van te laat te komen, soms rustend als de angst sterker bleek dan zelfs die opgeschroefde kracht, bereikten zij de hoogte door de Eem bespoeld, schier ter zelfder tijd, dat van de andere zijde de zegevierende overwinnaars in den slag naderstormden als sidderende vluchtelingen. Vluchtelingen voor den rooden regen, waarvan de eerste neervallende druppels ook de naderende burgensen het bloed hadden doen stollen in de aderen.
Het was een verwarde, van ontzetting verbijsterde menigte, die de kleine kerk bereikte, die elkander verdrong om daarbinnen een plaats te bemachtigen, waarin slechts het geringste gedeelte slaagde. Toen schoolden de overigen samen tusschen de geblakerde ten deele daklooze muren van het woongebouw, allen trachtend om door de deuropening, verwijd door het vuur, een blik, slechts één enkelen op te vangen van den bisschop. Maar velen, zeer velen moesten buiten blijven, waar de duisternis zonk op de aarde en de roode regen teekende hen als met bloed.
Dachten zij toen aan hen die geworpen zouden worden in de buitenste duisternis, omdat zij Gods wil hadden veracht in het leven, dat hun was geschonken als een voorbereiding tot hooger bestaan?
Het waren zeer bleeke aangezichten, die het gelaat van bisschop Ansfried zochten, want hij bezat het geloof, dat velen nu begeerden, die vroeger, bij de beslommeringen van het dagelijksche leven, geen tijd hadden gevonden om te trachten het te verwerven.
„Zoekt den Heer terwijl Hij te vinden is!”.... Klonk dit ernstig woord hun waarschuwend tegen uit den ruischenden waterstroom?
Het dichte wolkendak had zich opgestapeld tot reuzenhooge berggevaarten — nu scheurden zij vaneen, plotseling. Het was of vlammende lemmetten elkander kruisten, een schorre donderslag, hol nadreunend met dof geluid, volgde op het oogverblindend licht. De aangewakkerde wind verhief zich tot een storm, huilend, bulderend.... In stijgenden angst werden de handen opgeheven naar den dreigenden hemel. Waanden de gespitste ooren reeds het schallen te vernemen der bazuinen van het jongste gericht? Maar alles werd weer stil toen de geweldige slag was weggestorven, alleen de stemmen der menschen klonken, samensmeltend in denzelfden zielskreet:
„Heer, ontferm U onzer! Erbarm U onzer, o, Heer!”
Vrouwen schreiden, mannen sloegen zich op de borst, vreemden bekenden elkander zonden, steeds verborgen gehouden als een streng geheim. Hun ringen van rood goud — het kostbaarste wat zij bezaten — beloofden de vrouwen van welvarende hoevenaars aan de kerk op den Hohorst, de mannen voegden er al hun landbezit bij.... Wat baatte het? Wat kòn het nog baten? De boeken zouden immers worden geopend? Wenschte thans menigeen, dat zijn levensboek een anderen inhoud mocht bezitten?
Maar niet bij allen had de vertwijfeling den boventoon. Enkelen knielden, de oogen omhoog geslagen, de bleeke aangezichten rustig, in groot vertrouwen, in vast geloof.
Onder dezen bevonden zich Trutha en Yglo, hand in hand knielden zij.
„God is goed,” fluisterde het meisje. „Hij zal ons niet scheiden in Zijn eeuwig huis, nu Hij ons hier vereenigd heeft, in ons laatste levensuur.”
Yglo drukte haar hand zonder te kunnen spreken. Hij voelde zich zwak en duizelig, de kerker van den Ravenhorst was hard en diep geweest, maar te midden der duisternis, die hem omringde, was het licht geworden voor zijn ziel. Hij vreesde den dood minder dan het leven. Zijn vader en oude Lisa baden, geknield naast hem, en de kleine, bruine hand van Trutha hield hij in de zijne. Hij gevoelde den grooten zegen, die hem werd geschonken: niet alleen en verlaten behoefde hij te sterven. Door liefde omringd zou hij gaan naar de plaats van eeuwige liefde en eindelooze zaligheid.
De roode regen had opgehouden neer te druppelen, maar de storm loeide en de bliksem teekende de duistere wolken met zijn gloeiend schrift. Opnieuw liep een siddering, die zich oploste in dof angstgeschrei, door de neergebogen schare. Daar klonk op eenmaal een stem, de bekende, geliefde stem, in den aanvang zacht als harpgesuis, dan zich verheffend, aanzwellend gelijk plechtig psalmgezang, rust schenkend, vrede brengend ook aan het felst geschokt gemoed. Op het door teer waslicht overgoten altaar stond de bisschop en het was alsof het licht, dat hem omgaf van hemzelf afstraalde, of het blonk van zijn gelaat, waarop zielevrede zetelde, dat door onwrikbaar geloofsvertrouwen werd gestempeld.
En het was allen of zijn stem de ruimte vulde met de gewijde belofte: „Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.”
Vreest niet nu de duisternis dreigt, gelooft alleenlijk!”
Had hij dien ochtend meer geleken op den krijgsaanvoerder van weleer, toen hij in vlammende woorden de burgensen aanvuurde om hun plicht te volbrengen mannelijk, onversaagd, ten einde toe in den naderenden strijd, thans, wachtende op de hemelsche heirscharen, bereidde hij zijn gemeente met waardigen ernst voor om moedig, geloovend den dood tegen te gaan, pleitend op Gods beloften op den zoendood van Christus....
Een zucht van ontspanning ontwelde aan menige borst, van angst verduisterde oogen vulden zich met tranen, handen, eerst krampachtig saamgewrongen, werden zacht gevouwen ten gebede. Buiten scheen het onweer af te nemen, plechtig psalmgezang verhief zich in de kleine kerk na de woorden van den bisschop, die waren geweest als het suizen eener zachte koelte te midden van den storm. Het kaarslicht flikkerde zacht, rooden gloed wierpen de ontstoken toortsen, fluisterend klonken de gebeden der menschen.
Zoo ging meer dan een uur voorbij, middernacht kwam nader, ongedacht snel, nog enkele oogenblikken, dan....
Unruoch boog zich tot Swanwitha en zag haar onderzoekend in het gelaat.
„Zijt ge bang?” vroeg hij zacht.
Zij opende het in perkament gebonden boek, waarom zij de handen vouwde en wees hem een teekening op matgouden grond. Het was die van den Goeden herder. Toen glimlachte zij o, zoo vertrouwend en berustend door haar tranen heen....
Hij klemde haar hand in de zijne, hij zag aan de uitdrukking van haar gelaat, dat zij afstand had gedaan van alle levenshoop en hoop op levensgeluk, maar als een ademtocht gleed het van haar lippen: „God is barmhartig, wij mogen samen sterven. Wat verder komen zal ligt in Zijn hand.”
Een felle bliksemstraal, die de donkere wolken kliefde deed haar zwijgen. De stormwind zwiepte opnieuw de takken der boomen, kletterend stoven de regendruppels tegen de ramen der kerk.
Unruoch had een gevoel of de aarde zich voor zijn voeten zou openen. Met geweld bedwong hij zijn ontroering. Als beschermend sloeg hij den arm om Swanwitha heen, zij leunde haar blond hoofd tegen zijn schouder. Zoo wachtten zij. Zacht bewogen zich beider lippen in stil gebed....
Olaf staarde strak omhoog naar de zwarte wolken, zonder acht te slaan op wat geschiedde om hem heen.
„Heer, ik ben bereid om te sterven, maar laat mij mogen strijden met de booze machten ten einde toe. Een Noorman draagt niet tevergeefs zijn zwaard!”
Het flitste langs de sterrenlooze lucht. Was het een antwoord uit den hooge? In vervoering trok hij zijn wapen.
„Olaf, doorsteek mij! Ik wil naar Nevelheim! Daar is mijn gansche voorgeslacht. Bij de christenen wil ik niet wezen, nooit! In hun hemel noch in hun hel!” mompelde vrouw Sigrid. Zij zag zich, ontwaakt uit haar verdooving, omringd door krijgsknechten. Ontsnappen was onmogelijk. Haar mond verwrong zich van machtelooze woede.
Het antwoord bleef Olaf, in wiens hart afkeer streed met medelijden, bespaard.
Met statigen galm klonk een heldere slag, plechtig, langzaam. Als een mes doorsneed hij de ruimte en de ademlooze stilte waarmee zijn geluid werd aangehoord. De eerste der twaalf slagen van zoo ontzaglijke beteekenis, in schier verstikkend zwijgen verbeid!....
Nog een oogenblik heerschte de looden stilte, toen klonk een tweede slag, een derde, toen blonk een roode gloed door de boomen als een kolom van vlammen. Een zacht suizen verhief zich, dat toenam in kracht, dat naderkwam met snelle vaart, met schier huilend geluid. Schrik en verlammende ontsteltenis teekende ieders aangezicht: de ure was daar!
Tusschen de boomen nam de vurige gloed toe met ieder oogenblik; was het de naderende wereldbrand? Dichter drong de menigte opeen, vijanden drukten elkander als vrienden de hand, moeders klemden hun kinderen in de armen, allen baden overluid....
Tusschen de snikkend geuite gebeden, mengden zich radeloos hulpgeroep, woeste jammertonen, toen viel plotseling een nieuwe stilte in. Het was of de verstijvende adem des doods reeds ieder beroerde.
„Bidden, laat ons bidden!” hijgde, snakkend naar adem een vrouw. Het was haar laatste woord. Voorover plofte zij, levenloos van schrik.
Maar niemand verroerde zich, zelfs niet bij dit vreeselijk gezicht. Allen zwegen en wachtten met gebogen hoofd, want het huilend geluid werd tot een razenden storm, de boomtakken schudden wild heen en weer, schor rolde de donder. Door de lucht klonken lang aangehouden, snerpende kreten.... Henno mompelde op hollen toon:
„Nù komt het!”
„Stil! Stil!” werd hem toegefluisterd van allen kant. Een man hief de vuist tegen hem op, hem dreigend met een slag. En al het volk zweeg, ademloos. Maar buiten weergalmde opnieuw het jankend gehuil, waartusschen schel blaffen, gillend krijschen zich mengde. Het was alsof het voortstoof door de lucht, in wedstrijd met de jagende wolken, hoog boven de hoofden der in ’t stof gebogen menschen.
„Wodans wilde jacht! Zijn gehelmde helden, de razende reuzen!” schreeuwde een oude boer. Zijn gezicht was vertrokken, zijn oogen staarden, zonder eenig geluid meer te kunnen geven viel hij als een paal op den grond. Maar Lisa riep:
„De overste der duivelen is het met zijn gansche heir!”
Want weer joeg het over hen heen met gillen en fluiten en de menschen trokken de schouders op als kinderen, die een doodelijken slag vreezen en de kinderen zochten een schuilplaats bij hen. Maar plechtig als psalmgezang boven het razen van den storm, klonk de stem van bisschop Ansfried:
„Roept Hem aan in den dag der benauwdheid”....
En opnieuw verdrongen gebeden de angstkreten. En daartusschen dreunde de donder en schoot de bliksem neer in verblindend licht. En geen oogenblik bedaarde het loeien van den orkaan, het gillen der duivels met suizenden vleugelslag in de wolken, het stampen, razen en kermen van het heir der booze geesten. Hun hoeven sloegen tegen het dak der kerk tot zij werden verdrongen door een nieuwe schaar demonen, wier vlerken schier zwiepend klapwiekten tusschen het gebulder van den wind. Het scheen of de lucht dreunde, alsof de kerkmuren wankelden en de aarde beefde....
„Waar blijven de reddende engelen? Opent alleen de hel zijn kaken om ons te verslinden?”
Vraag vol doodsangst, die te lezen stond op van ontzetting schier verstijfde aangezichten. En buiten antwoordden vleermuizen en katuilen met krijschende kreten, met gillend lachen.
Verlamd, verbijsterd, als wezenloos knielden allen op den grond, die onder hen scheen te trillen.
„Nu worden wij verpletterd, nu komt de groote brand, de sulfer en de vuurregen!”
De vrouw van Bachevorth kermde het, haar bevende hand wees naar den rooden gloed in het verschiet, achter de nachtzwarte boomen, heller van gloor met ieder oogenblik. Zij rukte haar gouden ketenen, de schitterende spang, die haar mantel bijeenhield, af en slingerde ze ver van zich:
„Daar, duivels, dáár! God, ik voel Uw gericht! Het rust op mij, zwaar als lood, als lood! Wees mijn arme ziel genadig!” In snikken smoorde haar klacht.
„Ik dacht altijd het meest aan mijn eigen verdriet, omdat Yglo gevangen was!” kreunde Henno met zijn gezicht stijf tegen den bodem. „Als ik verpletterd moet worden, laat het dan niet lang meer duren! Ik sterf, ik sterf van angst!”
„In de hel zal altijd die angst wezen,” mompelde iemand aan zijn oor en Henno wrong de handen en verdubbelde zijn gebeden, terwijl de storm raasde en het weer was alsof het over hen heentrok met gillen en fluiten, paardenhoeven dreunden, zwartalven stoven krijschend voorbij en wolven jankten met schel geblaf.
Gerlach boog het hoofd, hijgend, zijn gezicht was vaal, krampachtig trokken zijn lippen.
„Dat is de dood!”
En weer ruischten als liefelijk harpgesuis te midden van den orkaan, terwijl de kleine kerkvensters in gloed werden gezet door het licht van den bliksem, dat flitste langs het donkere gewelf, de zachte woorden, die toch drongen in ieders hart:
„Mijne kinderen, het sterven is gewin. Wie in God gelooft stijgt op tot Hem, ook al dreigt duisternis en dood. Daar zal geen duivelenheir u meer deren. Wat uw ondergang scheen, kan uw redding worden in Zijn hand.”
De grijze bisschop stond daar zoo kalm, er ging zulk een rust van hem uit, het was of de zielevrede die blonk op zijn gelaat nogmaals de van vertwijfeling verwrongen trekken der aanwezigen effende, er kwam weer een weinig licht in de doffe oogen. Een zucht van verademing ontwelde aller borst, de lucht scheen nu niet meer vervuld met een duivelenheir aan den zwavelpoel ontstegen, dat hun ondergang zocht, om hen te kunnen pijnigen.
En in volle kracht verhief zich nogmaals de stem van bisschop Ansfried en zijn woorden gloeiden thans in hun hart, brandend als het laaiend vuur, waarvan zij den gloed zagen in de verte, te midden der zwijgende duisternis, maar louterend tevens. Hij wees op de verschrikkingen, die ieder wachtten, welke thans berouw toonde alleen uit angst voor wat komen ging, hij toonde het heil weggelegd voor allen, die niet met de lippen maar uit den grond huns harten beleden:
„De Heer is mijn Herder!”....
Het was hun bij die woorden of zij uit het bulderen van den orkaan, uit de zengende hitte der vlammen, die reeds naar hen grepen, kwamen in de liefelijke stilte van het koele woud, waar de lofzang der vogelen trilde en de reukoffers der bloemen omhoog stegen, waar de Gekruiste Christus de armen uitbreidde naar allen, die vermoeid en beladen vluchtten tot Hem, die alleen der gejaagde menschheid veiligheid kon geven en redding uit ieder gevaar, waarmee haar het leven bedreigde of de dood.
Tranen stroomden over de wangen der vrouwen, hooger gloeiden de gelaatstrekken der mannen, stemmen bevend van ontroering zegenden bisschop Ansfried, die allen den rechten weg had gewezen, die ieders leidsman wilde zijn.
„Niet mij! Kiest Christus tot uw Leidsman! „Ik ben de weg, de waarheid en het leven!” Zoo luiden Zijn heilige woorden. Wat zoekt gij dan bij menschen heul?”
Het was of een groote beweging ging door gansch de saamgedrongen schare. Allen schenen gevonden te hebben wat zij zochten, ieder wilde zich bekeeren tot God. Menig roodgeweend oog zocht opnieuw den bisschop.
„Vader Ansfried,”.... fluisterde veler trillende stem. En toen dachten allen aan het verleden; aan het hunne. Hij had hun de leer der liefde gepredikt en zij hadden zoo menigwerf niet geluisterd, hij had hun zachtheid geleerd — wanneer had die hemelgave hun woorden en daden bestuurd? Barmhartigheid ook jegens vijanden luidde zijn eisch, haat en wrok gaven hem het antwoord. En thans, nu zij ieder oogenblik verwachtten de bazuin te hooren weerklinken van het jongste gericht, nu de boeken zouden worden geopend en elk zich geoordeeld zou zien naar zijn werken, de gloeiende zwavelstroom dreigde en het vuur en sulfer, die de gansche aarde zouden verzwelgen, gelijk eenmaal Sodom en Gomorrha werden weggevaagd, nu de vertwijfeling over hen kwam van het onherroepelijk: „Te laat!”.... klonk zijn stem boven het bulderen van den orkaan en het rollen van den donder als een lied van vrede en hope, een psalm van heilig gelooven te midden van den zwarten nacht:
„Het is niet te laat! Het is nooit te laat! Gods hand rust zwaar op de zondaren, maar opent zich mild voor allen, die Zijn zegen vragen, die in Hem gelooven, en weten, dat wij allen uit genade zalig worden, opdat niemand roeme! Hebt Hem lief, hebt Hem lief, zoekt alleen in Hem uw rust en gij zult haar zeker vinden tot in alle eeuwigheid!”
Bisschop Ansfrieds woorden zwegen, maar het was allen of het plechtig psalmgezang voortduurde, hymne van zielevrede en geloof, stammend uit beter, heiliger oord, die het woest geweld der aarde breidelde, vredig als de zilverschijn van het maanlicht, wanneer dit valt door voortgezweepte stormwolken.
Een groote kalmte daalde in de harten der fel geschokte menschen.
„Heilige woorden, ruischend van den Heiligen berg,” fluisterde Swanwitha’s zachte stem en het diep bewogen woord repte zich als gevleugeld door het gansche kerkgebouw. Stil werd het binnen, waar allen zich voelden beschermd en bewaard door de tegenwoordigheid van een enkele die — als eenmaal Henoch — wandelde met God, die voor hen bad. Stil werd het buiten, waar de storm zich legde en het gerommel van het onweer nog slechts uit de verte werd gehoord.
Geruime tijd ging onder dezelfde ademlooze stilte voorbij... Was het duivelenheir overwonnen door de engelen, die zouden komen en de menschheid voeren ten gericht?
Maar geen bazuingeschal weerklonk, geen geruisch van blanke serafwieken werd vernomen...
Stil bleef het, ademloos stil. Bisschop Ansfried zag neer op een in gebed verzonken gemeente...
Niemand waagde zich te verroeren, maar toen eindelijk, eindelijk Olaf moedig de deur openstiet, waarbij hij zoolang had geknield op den grond, ontdekte ieders verbaasde blik de zon, die langzaam en statig zich losmaakte uit de nevelen, welke haar glans onderschepten. Zij zagen den bodem vast, onbewogen — zij zagen, dat de aarde nog bestond.
Naar buiten snelden allen, wankelend, — als in een droom. Zij zagen de verwoesting aangericht door den storm, de gevallen boomen, de doode vogels, vleermuizen met uitgespreide vlerken, katuilen met ronde, starende oogen, zij zagen een wolf, gewond, soms nog flauw jankend en blazend, waarschijnlijk vluchtend voor het weer, getroffen door een vallenden boomstam, op den grond liggen met gebroken poot... Dat waren de krijschende geluiden geweest, die zij hadden toegeschreven aan helsche geesten, voortgebracht hadden hen de dieren van het woud, en de uit angst voor het noodweer opgejaagde vogels. En toen gleed de door dankbare tranen gesluierde blik der geredden over het glanzend golvenvlak van de Eem en zij zagen het overschot der voor weinige dagen zoo machtige Denenvloot teruggeslagen door den storm, ontredderd drijven — iedere bodem thans een wrak. Waren nog enkele schepen ontkomen? Zij wisten het niet, zij vroegen het niet, zij zagen eigen leven gered, maar meer dan dit, bevrijd hun volk en vaderland. Toen zocht menig oog de plek, van waar zooveel onheil was uitgegaan, waar de eerste schakel gesmeed was van den keten, die hen moest omknellen voor altijd — en zij zagen den Ravenhorst, zwart verbrand, een vormlooze steenklomp.
Had de bliksem zijn hooge transen neergeslagen, was het vuur op last van vrouw Sigrid ontstoken, opnieuw aangewakkerd door den vliegenden storm en had dit zijn werk verricht?
Niemand vroeg het. Met lippen, die een dankgebed stamelden, zagen vrijen en hoorigen den dwangburcht vernietigd, die een schaduw des doods had geworpen op geheel het omliggende land.
In het oosten kleurde een roode gloed den hemel en deed zijn koepelgewelf opvlammen en stralen van licht.
Gezegend, heilig licht! Het gloeide op de kroongewelven der eiken, het straalde tusschen de donkere takken der dennen, het glansde over weide en veld. De schaduwplekken baadden in gloed, de wolken werden omzoomd met een gouden glorie, en de golven der rivier weerkaatsten het vlekkeloos blauw van den hemel. Licht was alles, enkel licht...
De grijze bisschop hief beide handen op, zegenend. Ook zijn gelaat straalde als verheerlijkt, toen hij omgolfd door het licht, dat neergleed van omhoog uitriep:
„De donkere nacht van vrees en verschrikkingen is voorbij, het is of de aarde werd herboren. Mijne kinderen, houdt de gelofte afgelegd in het geweldig uur, toen gij dacht weldra te zullen staan voor uw eeuwigen Rechter, toen de buitenste duisternis dreigde en gij Zijn genade hebt ingeroepen om Jezus Christus’ wil. Hecht nimmermeer geloof aan menschenwoord, zoekt steeds uw rust in dat van God: „Deze dag en deze ure weet niemand.”
En thans, dankt allen met mij onzen God, Die ons als een nieuw leven schenkt op een nieuwe aarde.” Op de knieën zonken allen overweldigd door wonderbare aandoening. Met een huivering van ontzag gevoelde ieder de wijding van het oogenblik, niemand waagde bijna zich te bewegen. Weer was het een oogenblik ademloos stil als dien eigen nacht. Toen echter heerschte het zwijgen van den doodsangst, nu een onbeschrijfelijk gevoel van verlossing en redding.
Aangezichten bleek van aandoening zochten den hemel, waaraan de zon opging, eerst wemelend in teere ochtendtinten van opaal en rozerood, dan opgloeiend in glanzend lila, in stralenbundels van vlammend karmozijn. Het was alsof het rijzend licht in waarheid een nieuwen hemel deed baden in gloed, of zijn goudglans viel op een nieuwe aarde.
En onder dien hemel, schitterend blauw met zacht verder drijvende zilverwolken boog zich de gansche saamgestroomde menigte met tranen van een geluk, dat de woorden miste om zich te uiten. Maar in vervoering hief bisschop Ansfried de rechterhand op, omhoog wees hij, omhóóg.
„Ziet daarheen! Aanschouwt het licht! Geloofd hebt gij allen, dat de aarde ten ondergang was gedoemd, een rilling van ontzetting, die de voorbode scheen des doods, ging door uw leden en — nu!.... Ziet daarheen!
Thans is ieder hart een tempel des gebeds, en de hemelen schijnen geopend. Het is of de wolken als zilveren booten zeilen langs de stralende lucht. Engelen omzweven ons, hoort hun wiekslag! Neer dalen zij terwille van allen, die bereid zijn hun goeden strijd te strijden ten einde toe, wier namen zijn geschreven in het boek des levens.
Mijn verloste kinderen, toen de duisternis dreigde, hebt gij God gezocht; vergeet Hem niet, vergeet Hem nimmermeer, nu het licht voor u werd en gij Zijn eindelooze liefde ervaart met zijn grenzenlooze erbarming. Houdt Hem vast, houdt Hem vast in leven en dood, Hij verlaat nooit wie op Hem vertrouwen. Dan dragen u eenmaal de engelen in Zijn eeuwig huis, waar de onsterfelijkheid uw deel, de oneindigheid uw woning en de eindelooze gelukzaligheid uw toekomst zal zijn!”
Slechts tranen gaven hem het antwoord, zwijgende gelofte afgelegd in het onvergeetlijk levensuur van allen, die de heilige woorden van geloof en liefde en hope opvingen, ruischend als met engelenstem van den Heiligen berg.
Tot die zwijgende gelofte overging in stil gebed, zich oploste in den als bij ingeving door allen, die de woorden machtig waren, aangeheven jubelzang: