Achtste hoofdstuk.De Donau en Sewastopol.Voordat ik met het verhaal van dit tijdvak begin, acht ik het noodig eenige woorden over den loop der politieke gebeurtenissen te zeggen, in verband waarmede ook de veranderingen in het leven van Leo Tolstoi plaats vonden.De laatste jaren Van Keizer Nikolaas’ regeering zijn gekomen. De machtsinspanning heeft haar hoogsten trap bereikt, en de druk van het volk en de hoogere klassen der maatschappij heeft reeds een krachtig protest tegen een en ander verwekt. Zooals altijd, stort de overheid, die instinctmatig het haar dreigende gevaar gevoelt, zich in buitenlandsche avonturen, terwijl zij de opgehoopte volkskracht ontlaadt in de bloedige slachting van eene gehoorzame kudde soldaten, wier eenige opvoeding hierin bestaat, dat zij de steun van het gezag kunnen en willen zijn in de moeilijke uren van zijn misdadig leven. Ook het volk en de hoogere klassen storten zich in zulke slachtingen, evenals een mensch die verdriet heeft in elken walgelijken roes stilling zoekt voor zijne kwelling.Zoo verklaart dan Rusland, door de tyrannie van Nikolaas I ondermijnd en zedelijk bedorven, op 4 November 1853 Turkije den oorlog. Den eersten tijd zijn de Russische troepen voorspoedig; zij overschrijden de Turksche grenzen, bezetten Moldavië, en de Zwarte-Zee-vloot, onder bevel van den vermaarden Nachimoff, vernietigt de Turksche scheepsmacht bij Sinope.Dan mengen de Europeesche machten—Engeland en Frankrijk—zich in dien krijg, waarmede tegelijk de bekende Krim-oorlog een’ aanvang neemt, die met de heldhaftige verdediging van Sewastopol, zonder voorbeeld in de geschiedenis, besloten wordt. En zooals steeds in dergelijke gevallen, houdt het gemoedsleven in de harten der betere menschen, zoowel bij het volk als bij de hoogere standen, gelijken tred met de luidruchtige openbaringen van het leven daarbuiten; openbaart zich in het vormen van nieuwe idealen, en uit zich onvermijdelijk—zij het ook zwak—in liberale maatschappijke hervormingen. Die beide verschijnselen: de ontlading der volkskracht in heldendaden, en het zich verheffen van den volksgeest in de onthulling van nieuwe idealen, hebben ook op Tolstoi’s letterkundigen arbeid uit dien tijd hun’ stempel gedrukt.En daar deze twee belangwekkende verschijnselen onmiddellijk met elkander in tweestrijd kwamen, nam die arbeid den vorm aan eener hooge tragische poëzie, waardoor zijne Sewastopol’sche verhalen zich kenmerken.Toen Tolstoi, naar wij boven hebben meegedeeld, zijne bloedverwanten bezocht had, ging hij het eerst naar het Donau-leger.Na aankomst te Boecharest schreef hij zijne tante Tatjana een’ brief in den vorm van een dagboek, in drie gedeelten, met eene korte beschrijving der reis en den eersten indruk bij de aankomst.13 Maart. “Van Koersk heb ik bijna 2000 wersten afgelegd in plaats van 1000, zooals ik dacht, en ben over Poltawa, Balta, Kischineff, en niet over Kieff gegaan, hetgeen een omweg zou geweest zijn. Tot aan het gouvernement Cherson had ik eene uitmuntende slede; maar daar was ik genoodzaakt haar achter te laten, en 1000 werst in een’ wagen af te leggen, langs een afschuwelijken weg tot aan de grens en van de grens tot Boecharest. Die weg is onmogelijkte beschrijven; men moet er van genoten hebben, om te begrijpen hoe pleizierig het is 1000 werst af te leggen in een wagen, kleiner en slechter dan die, waarin men bij ons den mest vervoert. Ik verstond geen woord Moldavisch, vond niemand die Russisch verstond, en betaalde daarenboven voor acht paarden in plaats van voor twee. Ofschoon mijne reis slechts 9 dagen geduurd heeft, heb ik meer dan 200 roebels uitgegeven, en ben ik bijna ziek van vermoeienis aangekomen.”17 Maart. “Vorst Gortschakoff was niet hier. Gisteren kwam hij en ben ik bij hem geweest. Hij heeft mij beter ontvangen dan ik dacht—alsof ik een bloedverwant was. Hij heeft mij omhelsd, mij uitgenoodigd om dagelijks bij hem te komen eten, en wil mij bij zich houden; maar dit is nog niet uitgemaakt.“Vergeef mij, beste tante, dat ik u zoo weinig schrijf; ik ben nog niet geheel op mijn verhaal. De groote en fraaie stad, al die voorstellingen, de Italiaansche opera, de Fransche schouwburg, de twee jonge Gortschakoff’s, die zeer flinke jongelieden zijn,—dat alles maakt, dat ik geen twee uren thuis ben gebleven en niet aan mijne bezigheden gedacht heb.”22 Maart. “Gisteren heb ik gehoord, dat ik niet bij den vorst blijf, maar naar Oltenitza ga, om mij bij mijne batterij te voegen.”Eenigen tijd later schreef hij opnieuw, in eene andere stemming:“Terwijl men denkt, dat ik aan alle gevaren van den oorlog blootgesteld ben, heb ik nog geen Turksch kruit geroken, en zit ik rustig te Boecharest, doe wandelingen, maak muziek en eet porties ijs. Werkelijk ben ik al dien tijd te Boecharest gebleven (behalve twee weken, die ik te Oltenitza heb doorgebracht, waar ik bij eene batterij geplaatst was, en één week, die ik aan strooptochten door Moldavië, Walachije en Bessarabiëbesteed heb, op last van generaal Sersjpoetowski, aan wien ik tegenwoordig voor speciale diensten ben toegevoegd), en om u de gulle waarheid te zeggen, staat deze eenigszins losse, geheel werkelooze en zeer kostbare leefwijze mij bijster tegen. Eerst was het de dienst, die mij hier terughield; maar nu ben ik er bijna drie weken geweest ten gevolge van eene koorts, die ik op reis heb opgedaan, doch waarvan ik, Gode zij dank, voor het oogenblik voldoende hersteld ben om binnen 2 of 3 dagen naar mijn’ generaal te gaan, die in het kamp bij Silistria is. Van mijn’ generaal gesproken: deze ziet er uit als een zeer dapper man, en schijnt, hoewel wij elkander zeer weinig kennen, mij wel genegen te zijn. Ook is het aangenaam, dat zijn staf meerendeels uit zeer gedistingeerde jongelieden bestaat. De twee zoons van prins Sergius, die ik hier ontmoet heb, zijn flinke jongens; vooral de jongste, die, al heeft hij het kruit niet uitgevonden, een zeer edel karakter en een uitmuntend hart bezit. Ik mag hem zeer graag lijden.”Vervolgens citeeren wij een’ brief, die, ofschoon uit Sewastopol geschreven, betrekking heeft op de gebeurtenissen aan den Donau. Zooals de lezer zien zal, is deze brief door Tolstoi eerst aan zijne tante Tatjana gericht, en dan aan zijn’ broeder Nikolaas. Naar onze meening moest deze brief eene bladzijde vormen in de geschiedenis van Rusland.“Ik zal u dan over het verledene spreken, over mijne herinneringen uit Silistria. Ik heb er zooveel belangwekkende, dichterlijke en treffende dingen gezien, dat de tijd, dien ik er heb doorgebracht, nooit uit mijn geheugen zal gaan. Ons kamp was aan gene zijde van den Donau, namelijk aan den rechter oever opgeslagen, op een zeer hoog terrein te midden van prachtige tuinen, toebehoorende aan Moestafa Pasha, den gouverneur van Silistria. Het uitzicht van die plek was nietalleen prachtig, maar voor ons allen van het hoogste gewicht. Zonder te spreken van den Donau, zijne eilanden en oevers, die gedeeltelijk door ons, gedeeltelijk door de Turken bezet waren, zag men de stad, de vesting en de kleine forten van Silistria als een schilderij voor zich liggen. Men hoorde het kanon- en geweervuur, dat dag noch nacht ophield; en met een’ verrekijker kon men de Turksche soldaten onderscheiden. Ofschoon het een zonderling genoegen is menschen elkander te zien dooden, begaf ik mij toch elken ochtend en avond naar mijn post en bleef daar uren kijken. En ik was niet de eenige die dat deed. Het schouwspel was werkelijk mooi, vooral des nachts. Gedurende den nacht gingen mijne soldaten gewoonlijk aan de loopgraven werken, en wierpen de Turken zich op hen, om dit te beletten. Dan moest men dat geweervuur eens zien en hooren! Den eersten nacht, dien ik in het kamp doorbracht, heeft dat vreeselijke rumoer mij wakker gemaakt en verschrikt; ik meende dat men ten aanval ging, en zette mijn paard in vollen galop; maar zij, die reeds eenigen tijd in het kamp hadden vertoefd, zeiden mij, dat ik mij kalm moest houden: dat dit kanon- en geweervuur een gewoon verschijnsel was, hetwelk men schertsenderwijze ‘Allah’ noemde. Toen ging ik weer liggen; maar wijl ik toch niet kon slapen, vermaakte ik mij door, met een horloge in de hand, de kanonschoten te tellen, die ik hoorde; en zoo heb ik er 110 in den tijd van eene minuut geteld. Toch zag dit alles er van nabij niet zoo schrikwekkend uit, als het wel lijkt. Des nachts, wanneer men toch niets ziet, was het eenvoudig de quaestie wie het meeste kruit zou verspillen; en met die duizenden kanonnen doodde men hoogstens een dertigtal manschappen aan weerszijden.“Gij zult mij wel toestaan, beste tante, dat ik in dezen brief het woord richt tot Nikolaas; want nu ik eenmaal begonnen ben met bijzonderheden uit den oorlog te vertellen, wenschteik wel voort te gaan en aan een’ man te schrijven, die mij begrijpt en u opheldering kan geven over hetgeen u onduidelijk toeschijnt.“Dat was dus een gewoon dagelijksch schouwspel voor ons, en waarin ook ik mijn deel had, als men mij niet met orders naar de loopgraven zond; maar wij hadden ook buitengewone tooneelen, zooalsbijv.den avond vóór de bestorming, toen men onder een der vijandelijke bastions eene mijn met 240 poed kruit heeft laten springen.1Op den morgen van dien dag was de vorst met zijn geheele staf (daar de generaal, bij wien ik was, er ook toe behoort, ben ik er óók geweest) in de loopgraven geweest, om de noodige schikkingen te treffen voor de bestorming van den volgenden dag. Het plan der bestorming (dat te uitvoerig is om het u hier te vertellen) was zóó goed gemaakt, alles was zóó wel voorzien, dat niemand aan den uitslag twijfelde. Wat dit betreft, moet ik u nog zeggen, dat ik bewondering voor den vorst begon te gevoelen. Trouwens, men moet eens onder officieren en soldaten over hem hooren spreken; niet alleen heb ik nooit kwaad van hem hooren zeggen, maar in ’t algemeen aanbidt men hem. Dien morgen heb ik hem voor het eerst in ’t vuur gezien.“Men moet hem zien, die ietwat belachelijke figuur, met zijn hooge gestalte, de handen op den rug, de pet naar achteren, een’ bril op den neus en met een toon van spreken als van een kalkoenschen haan! Het is hem aan te zien, dat de algemeene loop van zaken hem zoozeer bezig houdt, dat kogels en bommen voor hem niet meer bestaan; hij stelt zich zoo gewoon aan het gevaar bloot, dat men zou zeggen dat hij er geen begrip van heeft, en dat men onwillekeurig meer voor hem bevreesd is, dan voor zichzelf. En hoe helder en juist geeft hij daarbij zijne bevelen, terwijl hij altijd minzaam is tegenelk! Hij is een groot man, dat wil zeggen een bekwaam en eerlijk man, zooals ik dit woord opvat: een man, die zijn geheele leven aan den dienst van zijn land heeft gewijd—niet uit eerzucht, maar uit plicht!“Ik zal u een staaltje van hem vertellen, hetwelk verband houdt met de geschiedenis der bestorming, die ik zoo even begon te vertellen. Op den namiddag van denzelfden dag heeft men de mijn doen springen en hebben bijna 600 stukken geschut het fort beschoten, dat men wilde nemen. Den ganschen nacht is dit bombardement voortgezet; het was een dier vuurgevechten, een dier emotiën welke men nimmer vergeet. Des avonds is de vorst opnieuw in de loopgraven gekomen, en heeft zich hier te midden van het kanongebulder te slapen gelegd, om zelf de bestorming te leiden, welke dien nacht te 3 uren zou beginnen. Wij waren er allen; en zooals steeds aan den vooravond van een’ slag, nam elk den schijn aan alsof hij aan den volgenden dag als aan een gewonen dacht. Toch ben ik er in den grond van mijn hart zeker van, dat allen bij de gedachte aan de bestorming eene zekere beklemming voelden, en niet eene lichte, maar eene hevige.“Zooals je weet, Nikolaas, is de tijd die aan een gevecht voorafgaat de meest onaangename; hij is de eenige waarin men tijd heeft om vrees te koesteren; en vrees is een der onaangenaamste gewaarwordingen. Tegen den morgen nam de vrees af, hoe meer het oogenblik naderde; en toen wij allen tegen 3 uren op het afsteken van den bundel vuurpijlen wachtten, dat het sein tot den aanval zou wezen, was ik zóó wel gestemd, alsof men mij was komen zeggen, dat de bestorming niet zou plaats hebben, wat mij zeer gespeten zou hebben.... En zie: juist een uur vóór het oogenblik der bestorming komt een adjudant van den maarschalk met bevel het beleg van Silistria op te breken!“Zonder vrees van mij te bedriegen, durf ik zeggen, dat deze tijding door allen—soldaten, officieren en generaals—als eene ware Jobstijding werd ontvangen: te meer, omdat men van spionnen uit Silistria, die ons dikwijls in handen vielen en met wie ik zelf menigmaal gelegenheid had te spreken, gehoord had, dat na de verovering van dit fort (waaraan niemand twijfelde), Silistria het geen 2 of 3 dagen meer zou kunnen houden. Maar zoo er iemand door deze tijding getroffen moest worden, dan was het zeker de vorst, die gedurende den geheelen veldtocht alles ten beste beschikt had, en nu te midden van den strijd den maarschalk zag komen om de zaken te bederven, en tegenbevel ontving op het oogenblik dat hij eene bestorming zou beginnen, die hij als de eenige kans beschouwde om onze tegenspoeden goed te maken. Toch heeft de vorst, zoo vatbaar voor indrukken, geen oogenblik van slechte luim gehad; integendeel, hij was verheugd de slachting te kunnen vermijden, waarvan hij alle verantwoordelijkheid moest dragen; en zoolang de terugtocht duurde, dien hij zelf geleid heeft, wijl hij met den laatsten soldaat over de rivier wilde trekken, en die in opmerkelijke orde en juistheid volbracht werd,—is hij opgeruimder geweest dan ooit te voren. Tot die goede luim droeg niet weinig bij de uittocht van bijna 9000 Bulgaarsche gezinnen, die wij medenamen, gedachtig aan de wreedheid der Turken, waaraan ik, trots mijne ongeloovigheid op dit punt, wel genoodzaakt werd te gaan gelooven. Zoodra wij de verschillende door ons bezette Bulgaarsche dorpen verlaten hadden, kwamen de Turken er terug en joegen allen die zij er vonden over de kling, behalve de vrouwen die nog jong genoeg waren om voor een’ harem te dienen. Zoo was o.a. een dorp, waarheen ik mij uit het kamp begeven had om melk en vruchten te halen, op deze wijze uitgemoord.“Niet zoodra had de vorst den Bulgaren doen weten, datallen die het wilden met het leger over den Donau konden trekken en Russische onderdanen worden, of het geheele land kwam in opschudding, en allen togen met vrouwen, kinderen, paarden en vee naar de brug. Daar het echter onmogelijk was om allen mee te nemen, was de vorst genoodzaakt de laatst aangekomenen af te wijzen. En men had eens moeten zien, hoezeer hem dit hinderde! Hij ontving alle deputatiën, welke deze arme lieden hem zonden, sprak met ieder, trachtte hun het onmogelijke van de zaak onder het oog te brengen, en stelde hun voor om zonder wagens en zonder vee den overtocht te doen. Zelfs nam hij op zich om voor hun onderhoud te zorgen totdat zij in Rusland waren gekomen, betaalde uit eigen middelen particuliere vaartuigen om hen te vervoeren—in één woord: hij deed al zijn best om de menschen goed te doen.“Ja, beste tante, ik wenschte wel dat uwe profetie bewaarheid werd. Waar ik het meest naar streef is, adjudant te worden van een man als hij, dien ik in den grond van mijn hart liefheb en acht. Vaarwel, beste en goede tante, ik kus u de hand.”2Te midden van die hevige en nieuwe gemoedsbewegingen, liet Tolstoi ook zijn voortdurenden arbeid—den innerlijken arbeid aan zichzelf—niet rusten. Die arbeid weerspiegelt zich in de gedenkschriften uit zijn dagboek.7 Juli. “Bescheidenheid bezit ik niet! Ziedaar mijn groot gebrek. Wat ben ik eigenlijk? Een van de vier zoons van een gepensionneerd luitenant-kolonel, die, op 7-jarigen leeftijd ouderloos geworden, onder voogdijschap van vrouwen en vreemden kwam; die geen wereldsche en geen wetenschappelijke opleiding ontving, en ten speelbal van zijne 17 jaren de wereld inging. Iemand zonder groot fortuin, zonder eenige maatschappelijkepositie en, voornamelijk, zonder beginselen; die al zijne zaken in de war stuurde en de beste jaren zijns levens doelloos en zonder genot doorbracht; iemand, ten slotte, die zich naar den Kaukasus verbande, om zijne schulden en vooral zijne gewoonten te ontloopen; doch na twist te hebben gezocht om zekere betrekkingen, die tusschen zijn vader en den legercommandant bestaan hadden, op 26-jarigen leeftijd vandaar als vaandrig naar het Donau-leger ging, met bijna geen andere middelen dan zijn salaris, daar hij het geld, dat hij bezat, voor het betalen van achterstallige schulden moest besteden. Iemand zonder protectie, zonder wereldkennis, zonder kennis van den dienst, zonder practischen aanleg—maar met eene kolossale eigenliefde! Ja, zoo is mijn maatschappelijke toestand! Laat ons nu eens zien, hoe mijn persoon is.“Ik ben leelijk, onhandig, onzindelijk, en zonder maatschappelijke vormen. Ik ben prikkelbaar, lastig voor anderen, onbescheiden, onverdraagzaam en schuchter als een kind. Bijna ben ik een droomer. Wat ik weet, heb ik slordig geleerd, op eigen houtje, in mijn vrijen tijd, zonder verband, zonder zin en dan nog zoo weinig! Ik ben niet ingetogen, besluiteloos, onbestendig, dom, ijdel en opvliegend, evenals alle karakterlooze lieden. Ook heb ik geen moed, leid geen ordelijk leven en ben zóó traag, dat nietsdoen eene bijna onoverwinnelijke gewoonte voor mij geworden is.“Ik heb verstand; maar nog nooit is mijn verstand grondig in iets beproefd geworden. Praktisch verstand en verstand van wereldsche dingen of van zaken heb ik niet.“Ik ben oprecht, dat wil zeggen: ik bemin het goede en heb mij die zucht tot eene gewoonte gemaakt. En wijk ik daar somtijds van af, dan ben ik ontevreden over mijzelf en keer er met blijdschap toe terug. Maar er is iets, waarvan ik meer houd dan het goede—namelijk de roem. Ik ben zoo eerzuchtig en aan dien hartstocht is zoo weinig voldaan, datik dikwijls vrees in staat te zullen zijn om tusschen eerzucht en deugd de eerste te kiezen, indien ik eens voor die keus gesteld werd.“Ja, ik ben niet bescheiden; vandaar dat ik trotsch op mijzelf, maar schuchter en verlegen in de wereld ben.”Soms werd hij door een dichterlijken geest bezield en schetste dan tafereeltjes, waarin ware kunst schuilt.Wegens dienstzaken toefde hij eens in een klein Roemeensch stadje, waar hij op een avond in eene wonderlijke gemoedsstemming kwam, die zich in dezen vorm uitte:“Na het middagmaal ging ik op de ellebogen over het balkon leunen, en keek met welgevallen naar mijne lantaarn die zoo kranig onder den boom brandde. Vandaag waren er eenige donderwolken komen opzetten, die zich boven de aarde ontlast hadden, terwijl één groote wolk het geheele zuiderdeel des hemels bleef bedekken. Wat was het toen frisch en aangenaam in de lucht! Het aardige dochtertje van mijn’ hospes lag ook, evenals ik, op de ellebogen in het venster. Op straat ging een draaiorgel voorbij; en toen nu de tonen van de lustige, ouderwetsche wals zich meer en meer verwijderden en eindelijk wegstierven, zuchtte het meisje uit het diepst van haar hart, richtte zich op en verliet ijlings het venster. Het was mij zoo droef en toch zoo wel te moede, dat ik onwillekeurig glimlachte: en nog lang keek ik naar mijne lantaarn, waarvan het licht soms wegschool achter de takken, die de wind bewoog, keek naar den boom, de schutting, den hemel—en dit alles was mij nog liever dan eerst.”De vruchtelooze Donau-campagne, de terugtocht van het leger, het vervelende stafleven—dit alles bevredigde Tolstoi niet; hij zocht meer spannenden arbeid,sterkere emotiën, en vroeg om overplaatsing naar het Krimleger.Den 20enJuli, na den terugtocht van Silistria, vertrok hij naar de Krim. Zijn weg liep over de steden Tekoetschi, Berlad, Jassy, Cherson, Odessa, Sewastopol, waar hij den 7denNovember 1854 aankwam. Onderweg werd hij ziek en kwam hij in het hospitaal, hetgeen zulk eene lange reis verklaarbaar maakt.Bij aankomst te Sewastopol werd hij ingedeeld bij de 3delichte batterij der 14debrigade artillerie.Hier ontving hij zulk eene menigte nieuwe indrukken, dat hij er niet zoo spoedig in thuis kon raken; en twee weken later, op 20 November, schreef hij eindelijk aan zijn’ broeder Sergius:“Beste broeder Sergius!“God weet hoe schuldig ik jegens u allen ben sedert het oogenblik van mijn vertrek; en hoe dit gekomen is, weet ik zelf niet; deels door het onbestendige leven, mijne vervelende positie, de inkwartiering; deels door den oorlog of andere belemmerende oorzaken, enz. enz.Maar de voornaamste reden is het leven met zijne verstrooiingen en rijkdom van indrukken. Ik heb dit jaar zooveel nieuwe dingen geleerd, zooveel nieuwe ervaringen en zielsindrukken opgedaan, dat ik waarlijk niet weet wat het eerst te zullen beschrijven; ook zou ik het niet kunnen zooals ik wel wilde. Aan tante schreef ik over Silistria, maar jou en Nikolaas zal ik zoo niet schrijven. Wèl wenschte ik u de dingen zóó te vertellen, dat gij mij begreept, gelijk ik wil. Silistria heeft nu afgedaan, en Sewastopol komt aan de beurt. Ik denk dat gij dit wel met dezelfde angstige spanning zult lezen, als ik zelf het vier dagen geleden heb doorleefd. Hoe zal ik je alles vertellen, wat ik daar zag, waar ik geweest ben, wat ik deed, wat de Fransche en Engelsche gewonden en gevangenen zeggen,wat deze menschen geleden hebben, en welke helden onze vijanden zijn! Ik zal dit alles later in Jasnaja of in Pirogoff vertellen; en veel zult ge door de pers van mij te weten komen. Op welke manier, dat zal ik later zeggen; nu zal ik alleen een begrip geven van den stand van onze zaken te Sewastopol. De stad is aan één zijde belegerd, nl. aan de zuidzijde, waar wij geen versterkingen hadden toen de vijand haar naderde. Thans hebben wij aan dien kant 500 kanonnen van groot kaliber en eenige reeksen aarden versterkingen, die beslist onneembaar zijn. Ik heb eene week lang in de vesting doorgebracht en in dien doolhof van batterijen als in een bosch rondgezworven. De vijand is op één plek in drie weken tijds 160 meter genaderd, en komt niet verder; bij de minste voorwaartsche beweging wordt hij met eene hagelbui van granaten begroet.“De geest onzer troepen gaat alle beschrijving te boven. In de dagen van het oude Griekenland was er zulk een heldenmoed niet. Toen Korniloff voorbij de troepen reed, zeide hij niet: ‘Houdt jelui goed, jongens!’, maar: ‘Jongens, weet jelui te sterven, als het moet?’—En donderend klonk het antwoord: ‘Wij zullen sterven, Excellentie! Hoera!’—En dit was geen effectbejag, want op ieders gelaat was te zien, dat het geen scherts maar ernst was, en reeds hebben 22,000 man hunne belofte vervuld!“Een gewonde soldaat, die bijna stervende was, vertelde mij met tranen in de oogen, dat zij den 24enNov. eene Fransche batterij genomen hadden, maar dat men hun geen versterking had gezonden.—Eene compagnie zeesoldaten sloeg bijna aan ’t muiten, omdat men hen bij eene batterij wilde aflossen, waar zij 30 dagen onder den bommenregen hadden gestaan. De soldaten rukten de lonten uit de bommen. Vrouwen droegen water naar de bastions. Reeds tellen wijvele dooden en gewonden. Priesters loopen met het kruis op de bastions, en zeggen te midden van het vuur gebeden op. Bij één brigade, de 24ste, waren 160 gewonden die het front niet wilden verlaten.“Wonderlijke tijd! Overigens hebben wij het thans, na den 24en, wat rustiger gekregen, en is het heerlijk in Sewastopol geworden. De vijand vuurt bijna niet, en allen zijn overtuigd dat hij de stad niet zal nemen. Werkelijk is dit onmogelijk. Omtrent ’s vijands plannen bestaan hier drie meeningen: òf hij zal eene bestorming doen; òf hij zal ons bij verrassing trachten te nemen; òf hij zal zich versterken en overwinteren. Het eerste is minder, maar het tweede het meest waarschijnlijk. Ik heb geen enkele maal het geluk gehad in gevecht te komen; maar ik dank God, dat ik deze mannen gezien heb en dezen schoonen tijd medeleef.“Het bombardement van den 5endezer zal het schitterendste en beroemdste feit zijn, niet alleen in de Russische, maar ook in de wereldgeschiedenis. Meer dan 1500 kanonnen hebben twee dagen lang de stad beschoten, zonder een enkele van onze 200 batterijen tot zwijgen te brengen, laat staan de vesting tot overgave te dwingen. Zoo men al in Rusland, naar het mij voorkomt, ongunstig over deze campagne denkt, de nakomelingschap zal haar boven alle andere stellen. Vergeet niet, dat wij bij gelijke, ja zelfs bij mindere krachten, alleen met ouderwetsche wapenen en met de slechtste troepen uit het Russische leger (zooals het 6decorps) strijden tegen een talrijken vijand, die eene vloot met 3000 vuurmonden bezit, die uitstekend gewapend is met karabijnen en zijne beste troepen in het vuur heeft. Nu spreek ik nog niet eens van het betere gehalte zijner generaals.“Alleenonsleger kan onder zulke omstandigheden pal staan en overwinnen; want dàt wij overwinnen zullen, daar ben ikvan overtuigd. Men moet die Fransche en Engelsche gevangenen eens zien: allen jonge mannen, en physiek zoowel als moreel kloek en dapper. De Kozakken zeggen zelfs, dat het jammer is er op in te hakken. Daar moet men onze helden eens naast zien staan, vooral zoo’n kleinen, smerigen, gerimpelden!“Nu zal ik gaan vertellen op welke wijze je van mij in de pers van de heldendaden diersmerige, gerimpeldehelden lezen zult. Onder het personeel onzer artillerie dat, zooals ik je, geloof ik, geschreven heb, uit zeer flinke en knappe lieden bestaat, is het denkbeeld ontstaan om een tijdschrift over den oorlog uit te geven, met het doel den goeden geest onder de troepen te bewaren: en wel een goedkoop (3 roebel) en populair blad, opdat de soldaten het lezen kunnen. Wij hebben een plan voor dit blad opgesteld en het den vorst aangeboden. Deze was met het denkbeeld zeer ingenomen, en heeft het plan met een proefnummer, dat wij tegelijk hadden saamgesteld, aan het besluit des Keizers onderworpen. De kosten van uitgaaf zullen Stolipin en ik voorschieten. Ik ben tot redacteur gekozen, tegelijk met zekeren heer Konstantinoff, die denKaukasusheeft uitgegeven en op dit punt een man van ondervinding is. In het blad zullen beschrijvingen van veldslagen worden opgenomen, maar geen droge en leugenachtige, zooals in andere bladen. Daden van moed, levensbeschrijvingen en necrologieën van kloeke mannen, vooral van minderen, krijgsverhalen, soldaten-liederen, populaire bijdragen over ingenieurs- en artilleriewetenschap,enz.De zaak staat mij zeer aan: ten eerste houd ik van zulke bezigheid, en ten tweede hoop ik, dat het blad nut zal stichten en niet geheel verwerpelijk zal zijn.“Dit alles is nog maar onderstelling, zoolang wij het antwoord van den Keizer niet weten; maar ik vrees er voor, dat wil ik bekennen. In het proefnummer, dat naar Petersburgis gezonden, zijn wij zoo onvoorzichtig geweest twee artikels te plaatsen—een van mij en het tweede van Rostoftseff—die niet geheelorthodoxzijn. Voor deze zaak heb ik 1500 roebel noodig, die ik Walerian verzocht heb mij toe te zenden. Nu ik er jou iets van verklapt heb, kan je het hem overbrengen.Wladimir Joeschkoff, Leo Tolstoi’s oom.—Blz. 96.Wladimir Joeschkoff, Leo Tolstoi’s oom.—Blz.96.“Ik ben, Goddank, gezond, en heb een vroolijk, aangenaam leven, sedert ik over de grenzen ben getrokken. In ’t algemeen laat mijn verblijf bij het leger zich in twee perioden verdeelen: eene vervelende vóór de grens (want ik was toen ziek, arm en alleen), en eene aangename binnen de grens, want nu ben ik gezond, heb goede vrienden, maar ben nog arm, wijl het geld hier wegvliegt.“Ik zal tante niet schrijven, doch wil eens beproeven of zij mij er toe aanspoort. Wat mij ongerust maakt, is dat ik vier jaar lang zonder vrouwelijk gezelschap leef; zoodoende kan ik geheel verharden en ongeschikt worden voor het familieleven, dat mij zoo dierbaar is.“Vaarwel! God weet, wanneer wij elkander weerzien; tenzij dat jij en Nikolaas er aan denken mochten eens een verren jachttocht te ondernemen, en van uit Tamboff een uitstapje naar het hoofdkwartier te doen.”Ik heb dezen merkwaardigen brief in zijn geheel geciteerd. Er blijkt uit, hoe jong van hart Tolstoi destijds was, hoe vatbaar om zich te laten meesleepen, en hoe dit laatste hem voor een deel belette eene duidelijke voorstelling te krijgen van al wat om hem heen gebeurde. Des te sterker, daarentegen, kwamen op dien achtergrond de flikkeringen uit van een klaar bewustzijn en eene profetische bezieling.Blijkbaar was Tolstoi’s gemoed, ondanks de sterke indrukken van buiten, niet geheel daarvan vervuld. In de eenzaamheid, bij het schrijven van zijn dagboek, mogelijk achter de blindeeringvan het 4debataillon, bleef hij dezelfde naar idealen zoekende en strevende mensch, die hij altijd geweest is en nòg is.Zijne gemoedsstemming in die dagen uitte zich in dezen dichterlijken vorm:“Wanneer zal ik toch eindelijk niet langerMijn leven zonder doel en hartstocht slijten:Eene diepe wonde in ’t harte gevoelen,En het middel niet kennen om haar te genezen?Wie sloeg deze wonde? God slechts weet het!Maar van mijne geboorte pijnigt mijEen bitter besef van mijne nietigheid,Een kwellend verdriet en twijfel.”Den 23stenNovember vertrok hij naar Simferopol.Op 6 Januari 1855 schreef hij zijne tante Tatjana een geruststellenden Franschen brief:“Ik heb aan de twee bloedige veldslagen, die in de Krim hebben plaats gehad, geen deel genomen, maar ben terstond na dien van den 24stenin Sewastopol gekomen en daar eene maand gebleven. Om den winter, die vooral nu buitengewoon streng is, wordt in het open veld niet meer gevochten; maar het beleg duurt voort. Hoe de afloop van dezen veldtocht zal zijn weet God alleen: maar in elk geval moet de Krim-campagne op de eene of andere wijze binnen 3 of 4 maanden eindigen. Doch helaas, het einde van de Krim-campagne beteekent niet het einde van den oorlog, die integendeel nog zeer lang zal duren.“Naar ik meen, heb ik in mijne brieven aan Sergius en Walerian gesproken over eene bezigheid, waarop ik het oog had en die mij zeer toelachte. Nu de zaak beslist is, kan ik het zeggen. Ik was voornemens een militair tijdschrift op te richten. Dit plan, waaraan ik met medewerking van vele uitstekende mannen gewerkt heb, werd door den vorstgoedgekeurd en aan Zijne Majesteit ter beoordeeling gezonden. Maar wijl men in ons land tegen alles intrigeert, zijn er lieden geweest die de concurrentie van dit blad duchtten; misschien ook dat het plan niet met de inzichten der regeering strookte—om kort te gaan: de Keizer heeft geweigerd.“Ik beken u: deze nederlaag heeft mij oneindig veel verdriet gedaan en mijne plannen zeer veranderd. Indien God wil dat de Krim-campagne goed afloopt, en als ik geen plaatsing krijg die mij voldoet; als Rusland daarenboven niet langer in oorlog is, zal ik het leger verlaten om naar de militaire academie in Petersburg te gaan. Ik heb dit besluit om deze redenen genomen:“1º. Omdat ik de letterkunde niet zou willen laten varen, waarmee ik mij in dit kampleven onmogelijk kan bezighouden.“2º. Omdat ik, naar het schijnt, eerzuchtig begin te worden, namelijk in dien zin, dat ik goed zou willen doen; maar daarvoor moet men meer dan tweede luitenant zijn.“3º. Om u allen en al mijne vrienden weer te zien. Nikolaas schrijft mij, dat Toerghenjeff met Maria heeft kennis gemaakt; dat verheugt mij. Indien gij hem eens thuis ziet, zeg hem dan, dat, ofschoon ik hem slechts bij geschrifte ken, ik hem tal van dingen te vertellen heb.”De onmiddellijk daarop volgende periode van zijn leven schetst Tolstoi zeer mooi in een’ brief aan zijn’ broeder, geschreven in Mei 1855, waarin hij een chronologisch overzicht geeft van de feiten uit zijn krijgsmansleven gedurende den winter van 1854 op 1855.“Ofschoon je stellig van de onzen gehoord zult hebben, waar ik geweest ben en wat ik gedaan heb, zal ik je mijne avonturen van Kischineff af op nieuw vertellen, te meer, omdat het misschien interessant voor je zal zijn,hoeik ze vertel; en daar mijn lot altijd op de eene of andere wijze verandert,zul je dus vernemen, aan welke wisselingen ik heb blootgestaan. Van Kischineff uit solliciteerde ik op 1 November naar de Krim, deels om den oorlog te zien, deels om mij aan den staf van Serzjpoetowski te onttrekken, die mij niet aanstond, maar het meest uit vaderlandsliefde, die—ik beken het—destijds sterk in mij gloeide. Ik solliciteerde niet naar eene bepaalde plaats, doch liet het aan de superieuren over om mijn lot te bepalen.“In de Krim werd ik geplaatst bij eene batterij in Sewastopol, waar ik eene maand zeer aangenaam heb doorgebracht in een club van eenvoudige, goede kameraden, die zich in den oorlog en in het gevaar bijzonder onderscheidden. In December zond men onze batterij naar Simferopol, waar ik 1½ maand in het geriefelijke huis van een’ landeigenaar woonde, met jonge dames danste en piano speelde, en met een gezelschap ambtenaren wilde geiten jaagde op den Tschatir-Dagh.“In Januari was er opnieuw verwisseling van officieren en werd ik overgeplaatst bij eene batterij, welke op 10 werst van Sewastopol aan den Belbek geposteerd was. Daar heb ik kennis gemaakt met de ellendigste club officieren van de batterij; de commandant was een goed, maar onbeschaafd man, en de barakken waren koud en zonder gerief. Geen enkel boek, geen enkel mensch met wien ik praten kon. Hier ontving ik de 1500 roebel voor het dagblad, dat reeds geweigerd was, doch verloor 2500 roebel met spelen en bewees daarmee aan de geheele wereld, dat ik nog steeds een onbeduidende kwajongen was; want al kon het bovenstaande als verzachtende omstandigheden gelden, zoo was het toch schandelijk.“In Maart werd het warmer en kwam Brenewski, een aangenaam en voortreffelijk mensch, bij de batterij; ik begon meer op mijn verhaal te komen, toen onze batterij op 1 April, te midden van het bombardement, naar Sewastopol vertrok,waar ik geheel op dreef kwam. Het is waar, dat ik hier in ernstig gevaar verkeerde—want om de 4 dagen had ik achtmaal wachtdienst bij de batterij van het 4debastion—maar het was hier tot 15 Mei prachtig lenteweder. Overvloed van menschen en indrukken, alle gemakken des levens en een gezellig clubje kameradencomme il faut—dat alles was oorzaak, dat die anderhalve maand een mijner aangenaamste herinneringen zal blijven.“Den 15denMei viel het Gortschakoff of den commandant der artillerie in, mij met de vorming en het commando over eene berg-compagnie aan den Belbek te belasten, welke op 20 werst van Sewastopol gelegen is. Tot nu toe ben ik in vele opzichten daarover zeer tevreden geweest. Ziehier de algemeene beschrijving; in een volgenden brief zal ik meer bijzonderheden over het tegenwoordige schrijven.”Wij kunnen aan deze korte beschrijving toevoegen, dat de schertsende toon van den brief niet in overeenstemming is met de ideeën en gevoelens, welke Tolstoi destijds vervulden.In zijn dagboek, dato 5 Maart 1855, staat de volgende profetie over zichzelf geschreven:“Een gesprek over de Godheid en het geloof heeft mij op een groot, machtig denkbeeld gebracht, en ik voel mij in staat aan de verwezenlijking daarvan mijn leven te wijden. Dit denkbeeld is de grondlegging van een nieuwen godsdienst, in overeenstemming met de ontwikkeling van het menschdom: den godsdienst van Christus, maar gezuiverd van dogma en mysticisme: een praktischen godsdienst, die geen gelukzaligheid belooft in de toekomst, maar gelukzaligheid geeft op aarde. Ik zie wel in, dat dit denkbeeld alleen ten uitvoer kan worden gebracht door geslachten, die bewust aan dit doel arbeiden. Het eene geslacht zal het aan het volgende vermaken, en den een of anderen tijd zal fantasieof gezond verstand het ten uitvoer brengen.Bewusthandelen in samenwerking met lieden van godsdienst—ziedaar de grondslag van de gedachte, die mij, hoop ik, zal blijven medesleepen.”Het is wel duidelijk, dat een man, die 50 jaar geleden deze regelen neerschreef en sedert met zulk eene kracht en volharding den grond is blijven leggen om dit denkbeeld te verwezenlijken,—dat zulk een man niet bij de artillerie thuis behoort.Hij had daarvan een vaag besef, en in zijne gedenkschriften duikt van tijd tot tijd het bewustzijn op, dat hij niet geschapen is voor de militaire loopbaan, maar voor de letterkunde.Hij heeft dan ook al dien tijd zijn letterkundigen arbeid niet laten varen.Reeds op weg van Roemenië naar Sewastopol voltooide hij:Het houthakken. Later, in Sewastopol, begon hij aanJongelingsjarenen schreef hij deVerhalen van Sewastopol.Van 11 tot 14 April was hij op het 4debastion. Het besef van gevaar voerde zijne ziel omhoog, en hij wendde zich tot God met dit gebed: “God, ik dank U voor Uwe voortdurende bescherming. Hoe juist leidt Gij mij naar het goede. En welk een nietig schepsel zou ik zijn, indien Gij mij verliet. Verlaat mij niet, o God; geef mij Uw’ zegen op mijn’ weg, en bevredig mijne nietige wenschen niet, opdat ik bereike het eeuwige en grootsche, onbekende, maar mij toch bewuste levensdoel.”Den 4denAugustus 1855 nam Tolstoi, schoon indirect, deel aan den slag bij de Tschernaja. Hij haastte zich zijne bloedverwanten gerust te stellen, en in een’ brief aan zijn’ broeder van 7 Augustus 1855 schreef hij, onder andere:“Ik schrijf je eenige regels, om je omtrent mij gerust te stellen naar aanleiding van den slag van den 4den, waarinik ongedeerd ben gebleven; ik heb trouwens niets gedaan, omdat mijn berggeschut niet behoefde te vuren.”Zooals blijkt uit eene briefwisseling tusschen Tolstoi en Njekrassoff volgde de graaf tegelijk den loop der Russische letterkunde, en steunde hij ijverig de redactie van denSawremjennik, waarvoor hij te Sewastopol een clubje medewerkers had gevonden. Hij schrijft Njekrassoff het volgende:“Waarde heer Nikolaas Alexejewitsch!“Gij zult mijne belofte voor een stuk:Sewastopol in Decemberen een artikel van Stolipin wel reeds ontvangen hebben. Hier zijn zij. Ondanks de overhaaste, slordige spelling van dit manuscript, moet gij uw best doen het te corrigeeren, zal het zonder doorhalingen van de censuur, welke de schrijver met alle macht heeft pogen te vermijden, gedrukt worden. Gij zult het wel met mij eens zijn, hoop ik, dat zulke verhandelingen over krijgszaken in ons land, helaas, maar zelden of nooit gedrukt worden. Misschien wordt met denzelfden koerier eene bijdrage van Sacken verzonden, waarvan ik niets zeg, en die gij, hoop ik, ook zult drukken. De verbeteringen in Stolipin’s artikel zijn door Chroeljeff met zwarten inkt en met de linkerhand gedaan, omdat zijne rechter gewond is. Stolipin verzoekt die in noten onder of naast den tekst te plaatsen. Wees zoo goed om zoowel mijn als Stolipin’s artikel, indien het kan, in de Juni-aflevering te zetten.“Nu hebben wij ons allen aaneengesloten, en begint de letterkundige vereeniging van het mislukte tijdschrift zich te organiseeren. Zooals ik u schreef, zult gij maandelijks 2, 3 of 4 bijdragen van actueelen inhoud over den oorlog van mij ontvangen. De twee beste medewerkers, Bakoenin en Rostoftseff, zijn nog niet met hunne opstellen gereed.“Wees zoo goed mij te antwoorden en in ’t algemeen uwe brieven mee te geven aan dezen koerier, adjudant van Gortschakoff,of aan de volgenden, die voortdurend tusschen u en hier heen en weer rennen.”Den 15enJuni ontving hij te Bachtschisarai een’ brief van Panajeff en de aflevering van denSawremjennik, waarin het verhaalSewastopol in Decembergedrukt stond. Uit den brief vernam hij, dat Keizer Alexander II zijn verhaal gelezen had.Blijkbaar had dit verhaal grooten indruk op den Keizer gemaakt, daar hij last gaf het in ’t Fransch te vertalen. In Juni voltooide TolstoiHet houthakken, dat hij naar denSawremjennikstuurde, en in Juli een nieuw verhaal,Sewastopol in Mei, dat eveneens naar de redactie werd gezonden.Met dit verhaal had het volgende plaats, zooals Panajeff in zijn’ brief aan Tolstoi dezen mededeelt.“In mijn’ brief aan u, welke u door tusschenkomst van Stolipin gewerd, schreef ik u, dat uwe bijdrage met onbeteekenende veranderingen door de Censuur was doorgelaten, en verzocht ik u mij niet kwalijk te nemen, dat aan het slot eenige woorden moesten worden toegevoegd, ter verzachting van de uitdrukking.... Het opstelEen nacht in Sewastopol3was reeds in 3000 exemplaren geheel gedrukt, toen de Censuur het eensklaps van de drukkerij opvroeg en de uitgaaf van het nummer tegenhield. Dientengevolge verscheen de Augustus-aflevering in Petersburg eerst op 16 Augustus. Tijdens mijne afwezigheid uit Petersburg (ik was voor eenige dagen op reis naar Moskou) bood zij het toen ter lezing aan den president van het censuur-comité, den u uit Kazan bekenden Poeschkin. Indien gij Poeschkin kent, kunt gij u gedeeltelijk voorstellen, wat toen volgde. Hij werd woedend, viel de Censuur aan en toen mij, dat ik zulke opstellen aan de Censuur aanbood, en maakte het eigenhandig over. Inmiddels keerde ik naar Petersburg terug, zag die veranderingen schrok. Ik had de verhandeling in ’t geheel niet willen drukken, maar Poeschkin legde mij de zaak uit, zeggende dat ikverplichtwas haar te drukken zooals zij was overgemaakt. Er was niets aan te doen, en uwe verminkte bijdrage verschijnt nu in de September-aflevering, doch zonder de letters L. N. T., die ik er later niet meer onder zag. Toch was het opstel zóó goed, dat ik het, zelfs na de totale omwerking door de Censuur, aan Miljoekoff, Krasnokoetski en anderen ter lezing heb gegeven. Het bevalt iedereen, en Miljoekoff schreef mij, dat het jammer zou zijn indien ik den lezers dit opstel onthield en het (zelfs in dezen vorm) niet liet drukken.“Wijt het in elk geval niet aan mij, dat uwe verhandeling in dezen vorm gedrukt is. Ik werd genoodzaakt het te doen. Indien God wil dat wij elkander eens ontmoeten (wat ik zeer wensch), zal ik u deze geschiedenis nader verklaren. Nu slechts een paar woorden over den indruk, dien uw verhaal(Een nacht in Sewastopol)in zijn oorspronkelijken vorm op ons te weeg brengt, en in ’t algemeen op ieder, dien ik het voorlees.... Van censuur is hier geen sprake.“Ieder vindt dit verhaal krachtiger dan het eerste, zoowel in toon en diepte van onderzoek der gemoedsbewegingen en aandoeningen bij menschen, die steeds den dood voor oogen hebben,—als in de juistheid, waarmee de typen van officieren zijn weergegeven, hun omgang met de aristokraten en hunne verhouding onderling; in één woord: alles is voortreffelijk en meesterlijk geschetst. Maar het geheel is zóózeer met bitterheid vervuld, alles is zóó scherp en giftig, wreed en troosteloos, dat de indruk op heden, nu de plaats der handeling van het verhaal bijna een heiligdom is, pijnlijk is voor menschen, die er ver van af zijn; het verhaal zou zelfs een zeer onaangenamen indruk kunnen maken.“Het houthakken, met een opdracht aan Toerghenjeff, verschijntook in September. Tusschen twee haakjes: Toerghenjeff verzoekt mij dringend u zeer voor de herinnering aan en de attentie jegens hem te bedanken.... Ook in dit verhaal, dat drie censuren ondergaan heeft: 1º. in den Kaukasus (censor de staatssecretaris Boetkoff), 2º. de militaire (generaal-majoor Stephen), en 3º. onze burgerlijke (mijne censuur en die van Poeschkin)—zijn helaas de typen van officieren en meer andere dingen geschrapt.”In September schreef Njekrassoff aan Tolstoi:“St.-Petersburg.“Waarde heer Tolstoi!“Half Augustus kwam ik te Petersburg, onder voor denSawremjennikzeer ongunstige omstandigheden. De ergerlijke wijze, waarop uwe bijdrage verminkt is geworden,4heeft mijn bloed in opstand gebracht. Tot heden kan ik er niet zonder ergernis en woede aan denken. Toch is uw werk niet geheel verloren, en zal het steeds getuigen van eene kracht, die hare vatbaarheid voor zulke diepe en nuchtere waarheid heeft behouden, onder omstandigheden waarin menigeen haar zou verliezen. Ik zal niet zeggen hoe hoog ik deze verhandeling stel, en wat de algemeene richting is van uw talent, maar alleen waarin dit nieuw en krachtig is. En juist dit is het, wat de Russische samenleving tegenwoordig behoeft: waarheid, de waarheid, waarvan sedert Gogol’s dood zoo weinig in de Russische literatuur is overgebleven.“Deze waarheid in den vorm, waarin gij haar in onze letterkunde inleidt, is bij ons iets geheel nieuws. Ik ken tegenwoordig geen auteur, die zooveel liefde en warme sympathie afdwingt als degeen aan wien ik schrijf. Alleen vrees ik, dat de tijd en de afschuwelijke werkelijkheid, de doove en stommeomgeving met u hetzelfde zullen doen, als met de meesten onzer: dat zij uwe energie zullen dooden, die geen schrijver kan missen, althans geen schrijver zooals Rusland thans behoeft.“Gij zijt jong; er zullen eenige veranderingen komen, die—willen wij hopen—goed zullen eindigen; en mogelijk ligt eene schitterende loopbaan vóór u. Uw begin is van dien aard, dat gij de voorzichtigste lieden noopt zich in hunne verwachtingen zeer ver te laten meesleepen.“Doch ik dwaal van het doel van mijn schrijven af. Ik zal u niet troosten met de verzekering, dat velen ook de gedrukte fragmenten uwer verhandeling uitstekend vinden; voor lieden, die haar in den tegenwoordigen vorm kennen, is zij niet meer dan eene verzameling woorden zonder zin en innerlijke beteekenis. Maar, er is niets aan te doen. Ik zeg alleen, dat het opstel niet gedrukt zou zijn, indien dit niet noodzakelijk was geweest. Uw naam staat er echter niet onder.“Het houthakkenliep vlot van stapel, ofschoon ook hieruit eenige kostbare regels zijn weggevallen. Mijne meening over dit onderwerp is deze: wat vorm betreft, doet het denken aan Toerghenjeff, doch daarmee houdt ook de vergelijking op; al het overige behoort u, en zou door niemand geschreven kunnen zijn, behalve door u. In deze schets staan eene menigte wonderlijk juiste opmerkingen, en het geheel is nieuw, interessant en waar. Versmaad dergelijke schetsen niet; van den soldaat heeft onze literatuur tot heden niet anders dan platheden gezegd. Ge zijt eerst aan het begin, en onverschillig in welken vorm gij datgene bekend maakt, wat ge van dit onderwerp weet,—alles zal ten hoogste interessant en nuttig zijn.“Panajeff heeft mij uw’ brief ter hand gesteld, waarin gij ons de spoedige toezending vanJongelingsjarenbelooft. Wees zoo goed het te zenden. Afgescheiden van het tijdschrift, stelik persoonlijk belang in de voortzetting van uw’ eersten arbeid. Wij zullen voorJongelingsjareneene plaats reserveeren in de 10deof 11deaflevering, naar gelang van den tijd dat het ontvangen wordt.“Het geld zal u dezer dagen gezonden worden. Des winters woon ik te Petersburg, en het zal mij aangenaam zijn, zoo u mij bij gelegenheid eenige regelen wilt schrijven.“Ontvang de verzekering van mijne oprechte hoogachting.“N. Njekrassoff.”Zooals van zelf spreekt, bracht Tolstoi zijn’ tijd niet in hoofdzaak met letterkundige bezigheden door. Hij leidde het gewone leven van een’ officier en was, volgens getuigenis zijner tijdgenooten en wapenbroeders, een goed kameraad.In de gedenkschriften van Nazarjeff komt een verhaal voor van een van Tolstoi’s vroegere makkers, die met zichtbaar welgevallen aan hem en aan den tijd terugdenkt, dien zij bij dezelfde batterij hadden doorgebracht. Hij had zich zelfs in een der helden uit de Sewastopol’sche verhalen herkend.“Zoo bezielde Tolstoi,” verhaalt de grijsaard met een vergenoegden glimlach, “in de moeilijke tijden van het krijgsmansleven allen en ieder door zijne vertellingen en in haast saamgestelde verzen. Hij was in den vollen zin des woords de ziel der batterij. Zoolang Tolstoi bij ons was, vloog de tijd voorbij en was er geen einde aan de algemeene vroolijkheid; doch nauwelijks was de graaf weg en naar Simferopol gegaan, of allen lieten het hoofd hangen. Zoo verliepen er een dag of twee, drie.... Eindelijk kwam hij terug.... precies als de verloren zoon: droefgeestig, vermagerd, misnoegd op zichzelf.... Hij nam mij terzijde, en begon kort daarna te biechten. Alles vertelde hij: zijn dolle uitgaan, zijn spelen, waar hij zijne dagen en nachten had doorgebracht, en—men zal het nauwelijks gelooven—daarbij had hij berouwen pijnigde hij zich als een werkelijk zondaar. Het was zelfs treurig hem aan te zien—zoo gebroken was hij. Was hij dezelfde man van vroeger? In één woord: het was zonderling en voor mij totaal onbegrijpelijk. Aan den anderen kant was hij een zeldzaam kameraad, een zeer oprechte ziel; en het zou mij onmogelijk zijn hem te vergeten.”Tolstoi’s gedrag als een dapper officier, en zijne relatiën met de hoogere kringen hadden hem eene voorspoedige militaire loopbaan kunnen verzekeren. Daartoe werkte ook mede het in druk verschijnen van zijneSewastopol’sche schetsen, welke de aandacht trokken van Keizer Nikolaas en Keizerin Alexandra Fedorowna. Men zegt, dat laatstgenoemde schreide, toen zij het eerste verhaal las. Maar diezelfde letterkundige gave heeft ook dien voorspoed belemmerd; want deSewastopol’sche liederenwaren een hinderpaal voor eene schitterende carrière.Een dergenen, die aan de samenstelling van deze liederen hadden deelgenomen, deelt, als persoonlijke getuige, het volgende mede.Gedurende den Krim-oorlog vereenigden zich dikwijls, ja bijna alle avonden, de leden van den staf der artillerie en eenige andere officieren bij het hoofd van dien staf, Krizjanowski.Gewoonlijk ging luitenant-kolonel Baljoezek voor de piano zitten; de andere stonden er in een kring omheen, en men improviseerde liederen. Elk droeg zijn woord en gedachte bij; ook graaf Tolstoi, maar niet altijd. Daarom kan gezegd worden, dat deze improvisatiën een algemeen karakter droegen, hetwelk de stemming der militaire clubs weergaf.Als men aan de omstandigheden denkt, waaronder deze liedjes gemaakt werden: al die verschrikkingen van den dood, het kermen der gewonden, die stroomen bloed, de branden en moorden, waarvan de dampkring te Sewastopol als bezwangerd was—dan moet men zich over die geestkrachtverwonderen, welke ruimte liet voor gemoedelijke grappen over supérieuren, onder het voortdurende gevaar van dood of verwonding!Intusschen verwierf Tolstoi in den kring der Petersburger letterkundigen meer en meer bekendheid. Een’ zijner scherpste critici, Toerghenjeff, had hij overwonnen. De lezers zullen zich uit een vorig hoofdstuk mevrouw Golowatschewa Panajewa herinneren, en hoe Toerghenjeff Panajeff om zijne geestdrift wat voor den gek hield.In het jaar 1854 schrijft hij o.a. uit Spasskoje aan E. Ja. Kolbasin, een der medewerkers van denSawremjennik:“Zeer verheugd ben ik over het succes vanJongensjaren. God geve, dat Tolstoi in leven blijve, want, naar ik hoop, zal hij ons allen nog verbazen; hij is een genie van den eersten rang. Ik heb hier met zijne zuster kennis gemaakt, eene zeer lieve, sympathieke vrouw, die ook met een’ graaf Tolstoi gehuwd is.”5Reeds bij het verschijnen der Sewastopol’sche verhalen geraakte Toerghenjeff in verrukking, en in een’ brief aan Panajeff uit hij die op de volgende wijze:“Tolstoi’s bijdrage over Sewastopol is een wonder! Bij het lezen er van werd ik tot schreiens toe bewogen, en riep ik: hoera! Ik ben zeer geneigd hem mijn nieuw verhaal op te dragen. De aankondiging over denSawremjennikheb ik in deMoskousche Courantgelezen. De hemel geve, dat gij uwe beloften kunt houden, namelijk, dat de bijdragen worden toegelaten, dat Tolstoi niet gedood worde, enz. Dit zal voor u eene heele steun zijn. Tolstoi’s opstellen hebben hier een algemeenen bijval verworven....“Spasskoje, 10 Juni 1855.”In ’t algemeen stond Tolstoi reeds na het verschijnen derSewastopol’sche verhalen op de hoogte der schrijvers van den eersten rang. Eene belangwekkende uitspraak van Pissemski over deze verhalen wordt door A. F. Koni in de levensbeschrijving van I. F. Gorboenoff aangehaald:“Omstreeks dien tijd,” zegt hij “sprak Pissemski, die toen dat belangrijke werkDuizend zielenhad geschreven, met Gorboenoff overeen in zijn opkomst zijnden grooten Russischen schrijver, naar aanleiding derSewastopol’-sche verhalen, waarvan hij juist eenige fragmenten had hooren voordragen.Dit officiertje zal ons allen verdringen, zooals men eene pen wegwerpt....”Na de overgave van Sewastopol werd Tolstoi als koerier naar Petersburg gezonden.Vóór zijn vertrek uit Sewastopol moest Tolstoi zijne literaire krachten wijden aan de samenstelling van een rapport over den laatsten veldslag. In zijne bijdrageEenige woorden naar aanleiding van Oorlog en Vrede, maakte de schrijver van dit rapport aldus melding:“Na het verlies van Sewastopol zond de artillerie-commandant Krizjanowski mij de rapporten der artillerie-officieren van alle bastions, en verzocht mij uit al die meer dan 20 rapporten, er één samen te stellen. Het spijt mij, dat ik die rapporten niet overgeschreven heb. Zij waren het beste voorbeeld van die naïeve, onvermijdelijke krijgsleugens, waaruit zulke beschrijvingen worden saamgesteld. Ik veronderstel, dat vele mijner kameraden, die toen deze rapporten hebben opgemaakt, bij het lezen van deze regelen zullen lachen bij de herinnering, dat zij op last van superieuren over dingen schreven, welke zij niet weten konden.”Zoolang Tolstoi in krijgsdienst was, leidde zijn liefde voor de rechtvaardigheid menigmaal tot botsingen met zijne superieuren en wapenbroeders.De Universiteit te Kazan, toen Tolstoi er studeerde.—Blz. 116.De Universiteit te Kazan, toen Tolstoi er studeerde.—Blz.116.Volgens de toenmalige gewoonte mochten de sectie-commandanten,en daaronder ook de batterij-commandant, bij het ontvangen van de rijksgelden voor het onderhoud der batterij al wat zij bespaarden voor zich behouden. Dit vormde voor de meeste commandanten vrij aardige inkomsten, maar leidde natuurlijk tot vele misbruiken.Als Tolstoi bij het opmaken der rekeningen een overschot in geld ontdekte, boekte hij dit op de ontvangst, d.w.z. hij weigerde het. Natuurlijk wekte deze handelwijze het misnoegen der andere commandanten. Generaal Krizjanowski liet hem roepen en gaf hem daarover eene berisping.Dit laatste bericht ons N. A. Kriloff, die in 1856 bij de batterij was overgeplaatst, welke Tolstoi kort te voren verlaten had, in zijnGedenkschriften:“Bij de brigade had hij de herinnering achtergelaten van een goed ruiter, een opgeruimd man en van een athleet. Zoo ging hij b.v. op den grond liggen, liet een’ man van ruim 80 kilo op zijn handen staan, strekte deze uit, en hief den man omhoog. Op den stok was niemand tegen hem opgewassen. Ook heeft hij vele anecdoten achtergelaten, die hij meesterlijk vertelde.... Men heeft den graaf er van beschuldigd, dat hij den officieren voorpredikte om, als een officierspaard niet had opgegeten wat er volgens de lijst voor uitgetrokken was, zelfs dan de overgeschoten fourage-gelden weer in de kas te storten.”In Petersburg wachtte Tolstoi een geheel ander leven, waaraan hij zich dan ook met al de jeugdige veerkracht die hem eigen was, wijdde.1Een poed is 16 kilo, 379 gram.2Al deze brieven zijn in het handschrift in het Fransch aangehaald.3Zoo heette toen het verhaalSewastopol in Mei.4Blijkbaar is hier sprake van Tolstoi’s verhaalSewastopol in Mei 1855.5Eerste bundel geschriften van J. S. Toerghenjeff.
Achtste hoofdstuk.De Donau en Sewastopol.Voordat ik met het verhaal van dit tijdvak begin, acht ik het noodig eenige woorden over den loop der politieke gebeurtenissen te zeggen, in verband waarmede ook de veranderingen in het leven van Leo Tolstoi plaats vonden.De laatste jaren Van Keizer Nikolaas’ regeering zijn gekomen. De machtsinspanning heeft haar hoogsten trap bereikt, en de druk van het volk en de hoogere klassen der maatschappij heeft reeds een krachtig protest tegen een en ander verwekt. Zooals altijd, stort de overheid, die instinctmatig het haar dreigende gevaar gevoelt, zich in buitenlandsche avonturen, terwijl zij de opgehoopte volkskracht ontlaadt in de bloedige slachting van eene gehoorzame kudde soldaten, wier eenige opvoeding hierin bestaat, dat zij de steun van het gezag kunnen en willen zijn in de moeilijke uren van zijn misdadig leven. Ook het volk en de hoogere klassen storten zich in zulke slachtingen, evenals een mensch die verdriet heeft in elken walgelijken roes stilling zoekt voor zijne kwelling.Zoo verklaart dan Rusland, door de tyrannie van Nikolaas I ondermijnd en zedelijk bedorven, op 4 November 1853 Turkije den oorlog. Den eersten tijd zijn de Russische troepen voorspoedig; zij overschrijden de Turksche grenzen, bezetten Moldavië, en de Zwarte-Zee-vloot, onder bevel van den vermaarden Nachimoff, vernietigt de Turksche scheepsmacht bij Sinope.Dan mengen de Europeesche machten—Engeland en Frankrijk—zich in dien krijg, waarmede tegelijk de bekende Krim-oorlog een’ aanvang neemt, die met de heldhaftige verdediging van Sewastopol, zonder voorbeeld in de geschiedenis, besloten wordt. En zooals steeds in dergelijke gevallen, houdt het gemoedsleven in de harten der betere menschen, zoowel bij het volk als bij de hoogere standen, gelijken tred met de luidruchtige openbaringen van het leven daarbuiten; openbaart zich in het vormen van nieuwe idealen, en uit zich onvermijdelijk—zij het ook zwak—in liberale maatschappijke hervormingen. Die beide verschijnselen: de ontlading der volkskracht in heldendaden, en het zich verheffen van den volksgeest in de onthulling van nieuwe idealen, hebben ook op Tolstoi’s letterkundigen arbeid uit dien tijd hun’ stempel gedrukt.En daar deze twee belangwekkende verschijnselen onmiddellijk met elkander in tweestrijd kwamen, nam die arbeid den vorm aan eener hooge tragische poëzie, waardoor zijne Sewastopol’sche verhalen zich kenmerken.Toen Tolstoi, naar wij boven hebben meegedeeld, zijne bloedverwanten bezocht had, ging hij het eerst naar het Donau-leger.Na aankomst te Boecharest schreef hij zijne tante Tatjana een’ brief in den vorm van een dagboek, in drie gedeelten, met eene korte beschrijving der reis en den eersten indruk bij de aankomst.13 Maart. “Van Koersk heb ik bijna 2000 wersten afgelegd in plaats van 1000, zooals ik dacht, en ben over Poltawa, Balta, Kischineff, en niet over Kieff gegaan, hetgeen een omweg zou geweest zijn. Tot aan het gouvernement Cherson had ik eene uitmuntende slede; maar daar was ik genoodzaakt haar achter te laten, en 1000 werst in een’ wagen af te leggen, langs een afschuwelijken weg tot aan de grens en van de grens tot Boecharest. Die weg is onmogelijkte beschrijven; men moet er van genoten hebben, om te begrijpen hoe pleizierig het is 1000 werst af te leggen in een wagen, kleiner en slechter dan die, waarin men bij ons den mest vervoert. Ik verstond geen woord Moldavisch, vond niemand die Russisch verstond, en betaalde daarenboven voor acht paarden in plaats van voor twee. Ofschoon mijne reis slechts 9 dagen geduurd heeft, heb ik meer dan 200 roebels uitgegeven, en ben ik bijna ziek van vermoeienis aangekomen.”17 Maart. “Vorst Gortschakoff was niet hier. Gisteren kwam hij en ben ik bij hem geweest. Hij heeft mij beter ontvangen dan ik dacht—alsof ik een bloedverwant was. Hij heeft mij omhelsd, mij uitgenoodigd om dagelijks bij hem te komen eten, en wil mij bij zich houden; maar dit is nog niet uitgemaakt.“Vergeef mij, beste tante, dat ik u zoo weinig schrijf; ik ben nog niet geheel op mijn verhaal. De groote en fraaie stad, al die voorstellingen, de Italiaansche opera, de Fransche schouwburg, de twee jonge Gortschakoff’s, die zeer flinke jongelieden zijn,—dat alles maakt, dat ik geen twee uren thuis ben gebleven en niet aan mijne bezigheden gedacht heb.”22 Maart. “Gisteren heb ik gehoord, dat ik niet bij den vorst blijf, maar naar Oltenitza ga, om mij bij mijne batterij te voegen.”Eenigen tijd later schreef hij opnieuw, in eene andere stemming:“Terwijl men denkt, dat ik aan alle gevaren van den oorlog blootgesteld ben, heb ik nog geen Turksch kruit geroken, en zit ik rustig te Boecharest, doe wandelingen, maak muziek en eet porties ijs. Werkelijk ben ik al dien tijd te Boecharest gebleven (behalve twee weken, die ik te Oltenitza heb doorgebracht, waar ik bij eene batterij geplaatst was, en één week, die ik aan strooptochten door Moldavië, Walachije en Bessarabiëbesteed heb, op last van generaal Sersjpoetowski, aan wien ik tegenwoordig voor speciale diensten ben toegevoegd), en om u de gulle waarheid te zeggen, staat deze eenigszins losse, geheel werkelooze en zeer kostbare leefwijze mij bijster tegen. Eerst was het de dienst, die mij hier terughield; maar nu ben ik er bijna drie weken geweest ten gevolge van eene koorts, die ik op reis heb opgedaan, doch waarvan ik, Gode zij dank, voor het oogenblik voldoende hersteld ben om binnen 2 of 3 dagen naar mijn’ generaal te gaan, die in het kamp bij Silistria is. Van mijn’ generaal gesproken: deze ziet er uit als een zeer dapper man, en schijnt, hoewel wij elkander zeer weinig kennen, mij wel genegen te zijn. Ook is het aangenaam, dat zijn staf meerendeels uit zeer gedistingeerde jongelieden bestaat. De twee zoons van prins Sergius, die ik hier ontmoet heb, zijn flinke jongens; vooral de jongste, die, al heeft hij het kruit niet uitgevonden, een zeer edel karakter en een uitmuntend hart bezit. Ik mag hem zeer graag lijden.”Vervolgens citeeren wij een’ brief, die, ofschoon uit Sewastopol geschreven, betrekking heeft op de gebeurtenissen aan den Donau. Zooals de lezer zien zal, is deze brief door Tolstoi eerst aan zijne tante Tatjana gericht, en dan aan zijn’ broeder Nikolaas. Naar onze meening moest deze brief eene bladzijde vormen in de geschiedenis van Rusland.“Ik zal u dan over het verledene spreken, over mijne herinneringen uit Silistria. Ik heb er zooveel belangwekkende, dichterlijke en treffende dingen gezien, dat de tijd, dien ik er heb doorgebracht, nooit uit mijn geheugen zal gaan. Ons kamp was aan gene zijde van den Donau, namelijk aan den rechter oever opgeslagen, op een zeer hoog terrein te midden van prachtige tuinen, toebehoorende aan Moestafa Pasha, den gouverneur van Silistria. Het uitzicht van die plek was nietalleen prachtig, maar voor ons allen van het hoogste gewicht. Zonder te spreken van den Donau, zijne eilanden en oevers, die gedeeltelijk door ons, gedeeltelijk door de Turken bezet waren, zag men de stad, de vesting en de kleine forten van Silistria als een schilderij voor zich liggen. Men hoorde het kanon- en geweervuur, dat dag noch nacht ophield; en met een’ verrekijker kon men de Turksche soldaten onderscheiden. Ofschoon het een zonderling genoegen is menschen elkander te zien dooden, begaf ik mij toch elken ochtend en avond naar mijn post en bleef daar uren kijken. En ik was niet de eenige die dat deed. Het schouwspel was werkelijk mooi, vooral des nachts. Gedurende den nacht gingen mijne soldaten gewoonlijk aan de loopgraven werken, en wierpen de Turken zich op hen, om dit te beletten. Dan moest men dat geweervuur eens zien en hooren! Den eersten nacht, dien ik in het kamp doorbracht, heeft dat vreeselijke rumoer mij wakker gemaakt en verschrikt; ik meende dat men ten aanval ging, en zette mijn paard in vollen galop; maar zij, die reeds eenigen tijd in het kamp hadden vertoefd, zeiden mij, dat ik mij kalm moest houden: dat dit kanon- en geweervuur een gewoon verschijnsel was, hetwelk men schertsenderwijze ‘Allah’ noemde. Toen ging ik weer liggen; maar wijl ik toch niet kon slapen, vermaakte ik mij door, met een horloge in de hand, de kanonschoten te tellen, die ik hoorde; en zoo heb ik er 110 in den tijd van eene minuut geteld. Toch zag dit alles er van nabij niet zoo schrikwekkend uit, als het wel lijkt. Des nachts, wanneer men toch niets ziet, was het eenvoudig de quaestie wie het meeste kruit zou verspillen; en met die duizenden kanonnen doodde men hoogstens een dertigtal manschappen aan weerszijden.“Gij zult mij wel toestaan, beste tante, dat ik in dezen brief het woord richt tot Nikolaas; want nu ik eenmaal begonnen ben met bijzonderheden uit den oorlog te vertellen, wenschteik wel voort te gaan en aan een’ man te schrijven, die mij begrijpt en u opheldering kan geven over hetgeen u onduidelijk toeschijnt.“Dat was dus een gewoon dagelijksch schouwspel voor ons, en waarin ook ik mijn deel had, als men mij niet met orders naar de loopgraven zond; maar wij hadden ook buitengewone tooneelen, zooalsbijv.den avond vóór de bestorming, toen men onder een der vijandelijke bastions eene mijn met 240 poed kruit heeft laten springen.1Op den morgen van dien dag was de vorst met zijn geheele staf (daar de generaal, bij wien ik was, er ook toe behoort, ben ik er óók geweest) in de loopgraven geweest, om de noodige schikkingen te treffen voor de bestorming van den volgenden dag. Het plan der bestorming (dat te uitvoerig is om het u hier te vertellen) was zóó goed gemaakt, alles was zóó wel voorzien, dat niemand aan den uitslag twijfelde. Wat dit betreft, moet ik u nog zeggen, dat ik bewondering voor den vorst begon te gevoelen. Trouwens, men moet eens onder officieren en soldaten over hem hooren spreken; niet alleen heb ik nooit kwaad van hem hooren zeggen, maar in ’t algemeen aanbidt men hem. Dien morgen heb ik hem voor het eerst in ’t vuur gezien.“Men moet hem zien, die ietwat belachelijke figuur, met zijn hooge gestalte, de handen op den rug, de pet naar achteren, een’ bril op den neus en met een toon van spreken als van een kalkoenschen haan! Het is hem aan te zien, dat de algemeene loop van zaken hem zoozeer bezig houdt, dat kogels en bommen voor hem niet meer bestaan; hij stelt zich zoo gewoon aan het gevaar bloot, dat men zou zeggen dat hij er geen begrip van heeft, en dat men onwillekeurig meer voor hem bevreesd is, dan voor zichzelf. En hoe helder en juist geeft hij daarbij zijne bevelen, terwijl hij altijd minzaam is tegenelk! Hij is een groot man, dat wil zeggen een bekwaam en eerlijk man, zooals ik dit woord opvat: een man, die zijn geheele leven aan den dienst van zijn land heeft gewijd—niet uit eerzucht, maar uit plicht!“Ik zal u een staaltje van hem vertellen, hetwelk verband houdt met de geschiedenis der bestorming, die ik zoo even begon te vertellen. Op den namiddag van denzelfden dag heeft men de mijn doen springen en hebben bijna 600 stukken geschut het fort beschoten, dat men wilde nemen. Den ganschen nacht is dit bombardement voortgezet; het was een dier vuurgevechten, een dier emotiën welke men nimmer vergeet. Des avonds is de vorst opnieuw in de loopgraven gekomen, en heeft zich hier te midden van het kanongebulder te slapen gelegd, om zelf de bestorming te leiden, welke dien nacht te 3 uren zou beginnen. Wij waren er allen; en zooals steeds aan den vooravond van een’ slag, nam elk den schijn aan alsof hij aan den volgenden dag als aan een gewonen dacht. Toch ben ik er in den grond van mijn hart zeker van, dat allen bij de gedachte aan de bestorming eene zekere beklemming voelden, en niet eene lichte, maar eene hevige.“Zooals je weet, Nikolaas, is de tijd die aan een gevecht voorafgaat de meest onaangename; hij is de eenige waarin men tijd heeft om vrees te koesteren; en vrees is een der onaangenaamste gewaarwordingen. Tegen den morgen nam de vrees af, hoe meer het oogenblik naderde; en toen wij allen tegen 3 uren op het afsteken van den bundel vuurpijlen wachtten, dat het sein tot den aanval zou wezen, was ik zóó wel gestemd, alsof men mij was komen zeggen, dat de bestorming niet zou plaats hebben, wat mij zeer gespeten zou hebben.... En zie: juist een uur vóór het oogenblik der bestorming komt een adjudant van den maarschalk met bevel het beleg van Silistria op te breken!“Zonder vrees van mij te bedriegen, durf ik zeggen, dat deze tijding door allen—soldaten, officieren en generaals—als eene ware Jobstijding werd ontvangen: te meer, omdat men van spionnen uit Silistria, die ons dikwijls in handen vielen en met wie ik zelf menigmaal gelegenheid had te spreken, gehoord had, dat na de verovering van dit fort (waaraan niemand twijfelde), Silistria het geen 2 of 3 dagen meer zou kunnen houden. Maar zoo er iemand door deze tijding getroffen moest worden, dan was het zeker de vorst, die gedurende den geheelen veldtocht alles ten beste beschikt had, en nu te midden van den strijd den maarschalk zag komen om de zaken te bederven, en tegenbevel ontving op het oogenblik dat hij eene bestorming zou beginnen, die hij als de eenige kans beschouwde om onze tegenspoeden goed te maken. Toch heeft de vorst, zoo vatbaar voor indrukken, geen oogenblik van slechte luim gehad; integendeel, hij was verheugd de slachting te kunnen vermijden, waarvan hij alle verantwoordelijkheid moest dragen; en zoolang de terugtocht duurde, dien hij zelf geleid heeft, wijl hij met den laatsten soldaat over de rivier wilde trekken, en die in opmerkelijke orde en juistheid volbracht werd,—is hij opgeruimder geweest dan ooit te voren. Tot die goede luim droeg niet weinig bij de uittocht van bijna 9000 Bulgaarsche gezinnen, die wij medenamen, gedachtig aan de wreedheid der Turken, waaraan ik, trots mijne ongeloovigheid op dit punt, wel genoodzaakt werd te gaan gelooven. Zoodra wij de verschillende door ons bezette Bulgaarsche dorpen verlaten hadden, kwamen de Turken er terug en joegen allen die zij er vonden over de kling, behalve de vrouwen die nog jong genoeg waren om voor een’ harem te dienen. Zoo was o.a. een dorp, waarheen ik mij uit het kamp begeven had om melk en vruchten te halen, op deze wijze uitgemoord.“Niet zoodra had de vorst den Bulgaren doen weten, datallen die het wilden met het leger over den Donau konden trekken en Russische onderdanen worden, of het geheele land kwam in opschudding, en allen togen met vrouwen, kinderen, paarden en vee naar de brug. Daar het echter onmogelijk was om allen mee te nemen, was de vorst genoodzaakt de laatst aangekomenen af te wijzen. En men had eens moeten zien, hoezeer hem dit hinderde! Hij ontving alle deputatiën, welke deze arme lieden hem zonden, sprak met ieder, trachtte hun het onmogelijke van de zaak onder het oog te brengen, en stelde hun voor om zonder wagens en zonder vee den overtocht te doen. Zelfs nam hij op zich om voor hun onderhoud te zorgen totdat zij in Rusland waren gekomen, betaalde uit eigen middelen particuliere vaartuigen om hen te vervoeren—in één woord: hij deed al zijn best om de menschen goed te doen.“Ja, beste tante, ik wenschte wel dat uwe profetie bewaarheid werd. Waar ik het meest naar streef is, adjudant te worden van een man als hij, dien ik in den grond van mijn hart liefheb en acht. Vaarwel, beste en goede tante, ik kus u de hand.”2Te midden van die hevige en nieuwe gemoedsbewegingen, liet Tolstoi ook zijn voortdurenden arbeid—den innerlijken arbeid aan zichzelf—niet rusten. Die arbeid weerspiegelt zich in de gedenkschriften uit zijn dagboek.7 Juli. “Bescheidenheid bezit ik niet! Ziedaar mijn groot gebrek. Wat ben ik eigenlijk? Een van de vier zoons van een gepensionneerd luitenant-kolonel, die, op 7-jarigen leeftijd ouderloos geworden, onder voogdijschap van vrouwen en vreemden kwam; die geen wereldsche en geen wetenschappelijke opleiding ontving, en ten speelbal van zijne 17 jaren de wereld inging. Iemand zonder groot fortuin, zonder eenige maatschappelijkepositie en, voornamelijk, zonder beginselen; die al zijne zaken in de war stuurde en de beste jaren zijns levens doelloos en zonder genot doorbracht; iemand, ten slotte, die zich naar den Kaukasus verbande, om zijne schulden en vooral zijne gewoonten te ontloopen; doch na twist te hebben gezocht om zekere betrekkingen, die tusschen zijn vader en den legercommandant bestaan hadden, op 26-jarigen leeftijd vandaar als vaandrig naar het Donau-leger ging, met bijna geen andere middelen dan zijn salaris, daar hij het geld, dat hij bezat, voor het betalen van achterstallige schulden moest besteden. Iemand zonder protectie, zonder wereldkennis, zonder kennis van den dienst, zonder practischen aanleg—maar met eene kolossale eigenliefde! Ja, zoo is mijn maatschappelijke toestand! Laat ons nu eens zien, hoe mijn persoon is.“Ik ben leelijk, onhandig, onzindelijk, en zonder maatschappelijke vormen. Ik ben prikkelbaar, lastig voor anderen, onbescheiden, onverdraagzaam en schuchter als een kind. Bijna ben ik een droomer. Wat ik weet, heb ik slordig geleerd, op eigen houtje, in mijn vrijen tijd, zonder verband, zonder zin en dan nog zoo weinig! Ik ben niet ingetogen, besluiteloos, onbestendig, dom, ijdel en opvliegend, evenals alle karakterlooze lieden. Ook heb ik geen moed, leid geen ordelijk leven en ben zóó traag, dat nietsdoen eene bijna onoverwinnelijke gewoonte voor mij geworden is.“Ik heb verstand; maar nog nooit is mijn verstand grondig in iets beproefd geworden. Praktisch verstand en verstand van wereldsche dingen of van zaken heb ik niet.“Ik ben oprecht, dat wil zeggen: ik bemin het goede en heb mij die zucht tot eene gewoonte gemaakt. En wijk ik daar somtijds van af, dan ben ik ontevreden over mijzelf en keer er met blijdschap toe terug. Maar er is iets, waarvan ik meer houd dan het goede—namelijk de roem. Ik ben zoo eerzuchtig en aan dien hartstocht is zoo weinig voldaan, datik dikwijls vrees in staat te zullen zijn om tusschen eerzucht en deugd de eerste te kiezen, indien ik eens voor die keus gesteld werd.“Ja, ik ben niet bescheiden; vandaar dat ik trotsch op mijzelf, maar schuchter en verlegen in de wereld ben.”Soms werd hij door een dichterlijken geest bezield en schetste dan tafereeltjes, waarin ware kunst schuilt.Wegens dienstzaken toefde hij eens in een klein Roemeensch stadje, waar hij op een avond in eene wonderlijke gemoedsstemming kwam, die zich in dezen vorm uitte:“Na het middagmaal ging ik op de ellebogen over het balkon leunen, en keek met welgevallen naar mijne lantaarn die zoo kranig onder den boom brandde. Vandaag waren er eenige donderwolken komen opzetten, die zich boven de aarde ontlast hadden, terwijl één groote wolk het geheele zuiderdeel des hemels bleef bedekken. Wat was het toen frisch en aangenaam in de lucht! Het aardige dochtertje van mijn’ hospes lag ook, evenals ik, op de ellebogen in het venster. Op straat ging een draaiorgel voorbij; en toen nu de tonen van de lustige, ouderwetsche wals zich meer en meer verwijderden en eindelijk wegstierven, zuchtte het meisje uit het diepst van haar hart, richtte zich op en verliet ijlings het venster. Het was mij zoo droef en toch zoo wel te moede, dat ik onwillekeurig glimlachte: en nog lang keek ik naar mijne lantaarn, waarvan het licht soms wegschool achter de takken, die de wind bewoog, keek naar den boom, de schutting, den hemel—en dit alles was mij nog liever dan eerst.”De vruchtelooze Donau-campagne, de terugtocht van het leger, het vervelende stafleven—dit alles bevredigde Tolstoi niet; hij zocht meer spannenden arbeid,sterkere emotiën, en vroeg om overplaatsing naar het Krimleger.Den 20enJuli, na den terugtocht van Silistria, vertrok hij naar de Krim. Zijn weg liep over de steden Tekoetschi, Berlad, Jassy, Cherson, Odessa, Sewastopol, waar hij den 7denNovember 1854 aankwam. Onderweg werd hij ziek en kwam hij in het hospitaal, hetgeen zulk eene lange reis verklaarbaar maakt.Bij aankomst te Sewastopol werd hij ingedeeld bij de 3delichte batterij der 14debrigade artillerie.Hier ontving hij zulk eene menigte nieuwe indrukken, dat hij er niet zoo spoedig in thuis kon raken; en twee weken later, op 20 November, schreef hij eindelijk aan zijn’ broeder Sergius:“Beste broeder Sergius!“God weet hoe schuldig ik jegens u allen ben sedert het oogenblik van mijn vertrek; en hoe dit gekomen is, weet ik zelf niet; deels door het onbestendige leven, mijne vervelende positie, de inkwartiering; deels door den oorlog of andere belemmerende oorzaken, enz. enz.Maar de voornaamste reden is het leven met zijne verstrooiingen en rijkdom van indrukken. Ik heb dit jaar zooveel nieuwe dingen geleerd, zooveel nieuwe ervaringen en zielsindrukken opgedaan, dat ik waarlijk niet weet wat het eerst te zullen beschrijven; ook zou ik het niet kunnen zooals ik wel wilde. Aan tante schreef ik over Silistria, maar jou en Nikolaas zal ik zoo niet schrijven. Wèl wenschte ik u de dingen zóó te vertellen, dat gij mij begreept, gelijk ik wil. Silistria heeft nu afgedaan, en Sewastopol komt aan de beurt. Ik denk dat gij dit wel met dezelfde angstige spanning zult lezen, als ik zelf het vier dagen geleden heb doorleefd. Hoe zal ik je alles vertellen, wat ik daar zag, waar ik geweest ben, wat ik deed, wat de Fransche en Engelsche gewonden en gevangenen zeggen,wat deze menschen geleden hebben, en welke helden onze vijanden zijn! Ik zal dit alles later in Jasnaja of in Pirogoff vertellen; en veel zult ge door de pers van mij te weten komen. Op welke manier, dat zal ik later zeggen; nu zal ik alleen een begrip geven van den stand van onze zaken te Sewastopol. De stad is aan één zijde belegerd, nl. aan de zuidzijde, waar wij geen versterkingen hadden toen de vijand haar naderde. Thans hebben wij aan dien kant 500 kanonnen van groot kaliber en eenige reeksen aarden versterkingen, die beslist onneembaar zijn. Ik heb eene week lang in de vesting doorgebracht en in dien doolhof van batterijen als in een bosch rondgezworven. De vijand is op één plek in drie weken tijds 160 meter genaderd, en komt niet verder; bij de minste voorwaartsche beweging wordt hij met eene hagelbui van granaten begroet.“De geest onzer troepen gaat alle beschrijving te boven. In de dagen van het oude Griekenland was er zulk een heldenmoed niet. Toen Korniloff voorbij de troepen reed, zeide hij niet: ‘Houdt jelui goed, jongens!’, maar: ‘Jongens, weet jelui te sterven, als het moet?’—En donderend klonk het antwoord: ‘Wij zullen sterven, Excellentie! Hoera!’—En dit was geen effectbejag, want op ieders gelaat was te zien, dat het geen scherts maar ernst was, en reeds hebben 22,000 man hunne belofte vervuld!“Een gewonde soldaat, die bijna stervende was, vertelde mij met tranen in de oogen, dat zij den 24enNov. eene Fransche batterij genomen hadden, maar dat men hun geen versterking had gezonden.—Eene compagnie zeesoldaten sloeg bijna aan ’t muiten, omdat men hen bij eene batterij wilde aflossen, waar zij 30 dagen onder den bommenregen hadden gestaan. De soldaten rukten de lonten uit de bommen. Vrouwen droegen water naar de bastions. Reeds tellen wijvele dooden en gewonden. Priesters loopen met het kruis op de bastions, en zeggen te midden van het vuur gebeden op. Bij één brigade, de 24ste, waren 160 gewonden die het front niet wilden verlaten.“Wonderlijke tijd! Overigens hebben wij het thans, na den 24en, wat rustiger gekregen, en is het heerlijk in Sewastopol geworden. De vijand vuurt bijna niet, en allen zijn overtuigd dat hij de stad niet zal nemen. Werkelijk is dit onmogelijk. Omtrent ’s vijands plannen bestaan hier drie meeningen: òf hij zal eene bestorming doen; òf hij zal ons bij verrassing trachten te nemen; òf hij zal zich versterken en overwinteren. Het eerste is minder, maar het tweede het meest waarschijnlijk. Ik heb geen enkele maal het geluk gehad in gevecht te komen; maar ik dank God, dat ik deze mannen gezien heb en dezen schoonen tijd medeleef.“Het bombardement van den 5endezer zal het schitterendste en beroemdste feit zijn, niet alleen in de Russische, maar ook in de wereldgeschiedenis. Meer dan 1500 kanonnen hebben twee dagen lang de stad beschoten, zonder een enkele van onze 200 batterijen tot zwijgen te brengen, laat staan de vesting tot overgave te dwingen. Zoo men al in Rusland, naar het mij voorkomt, ongunstig over deze campagne denkt, de nakomelingschap zal haar boven alle andere stellen. Vergeet niet, dat wij bij gelijke, ja zelfs bij mindere krachten, alleen met ouderwetsche wapenen en met de slechtste troepen uit het Russische leger (zooals het 6decorps) strijden tegen een talrijken vijand, die eene vloot met 3000 vuurmonden bezit, die uitstekend gewapend is met karabijnen en zijne beste troepen in het vuur heeft. Nu spreek ik nog niet eens van het betere gehalte zijner generaals.“Alleenonsleger kan onder zulke omstandigheden pal staan en overwinnen; want dàt wij overwinnen zullen, daar ben ikvan overtuigd. Men moet die Fransche en Engelsche gevangenen eens zien: allen jonge mannen, en physiek zoowel als moreel kloek en dapper. De Kozakken zeggen zelfs, dat het jammer is er op in te hakken. Daar moet men onze helden eens naast zien staan, vooral zoo’n kleinen, smerigen, gerimpelden!“Nu zal ik gaan vertellen op welke wijze je van mij in de pers van de heldendaden diersmerige, gerimpeldehelden lezen zult. Onder het personeel onzer artillerie dat, zooals ik je, geloof ik, geschreven heb, uit zeer flinke en knappe lieden bestaat, is het denkbeeld ontstaan om een tijdschrift over den oorlog uit te geven, met het doel den goeden geest onder de troepen te bewaren: en wel een goedkoop (3 roebel) en populair blad, opdat de soldaten het lezen kunnen. Wij hebben een plan voor dit blad opgesteld en het den vorst aangeboden. Deze was met het denkbeeld zeer ingenomen, en heeft het plan met een proefnummer, dat wij tegelijk hadden saamgesteld, aan het besluit des Keizers onderworpen. De kosten van uitgaaf zullen Stolipin en ik voorschieten. Ik ben tot redacteur gekozen, tegelijk met zekeren heer Konstantinoff, die denKaukasusheeft uitgegeven en op dit punt een man van ondervinding is. In het blad zullen beschrijvingen van veldslagen worden opgenomen, maar geen droge en leugenachtige, zooals in andere bladen. Daden van moed, levensbeschrijvingen en necrologieën van kloeke mannen, vooral van minderen, krijgsverhalen, soldaten-liederen, populaire bijdragen over ingenieurs- en artilleriewetenschap,enz.De zaak staat mij zeer aan: ten eerste houd ik van zulke bezigheid, en ten tweede hoop ik, dat het blad nut zal stichten en niet geheel verwerpelijk zal zijn.“Dit alles is nog maar onderstelling, zoolang wij het antwoord van den Keizer niet weten; maar ik vrees er voor, dat wil ik bekennen. In het proefnummer, dat naar Petersburgis gezonden, zijn wij zoo onvoorzichtig geweest twee artikels te plaatsen—een van mij en het tweede van Rostoftseff—die niet geheelorthodoxzijn. Voor deze zaak heb ik 1500 roebel noodig, die ik Walerian verzocht heb mij toe te zenden. Nu ik er jou iets van verklapt heb, kan je het hem overbrengen.Wladimir Joeschkoff, Leo Tolstoi’s oom.—Blz. 96.Wladimir Joeschkoff, Leo Tolstoi’s oom.—Blz.96.“Ik ben, Goddank, gezond, en heb een vroolijk, aangenaam leven, sedert ik over de grenzen ben getrokken. In ’t algemeen laat mijn verblijf bij het leger zich in twee perioden verdeelen: eene vervelende vóór de grens (want ik was toen ziek, arm en alleen), en eene aangename binnen de grens, want nu ben ik gezond, heb goede vrienden, maar ben nog arm, wijl het geld hier wegvliegt.“Ik zal tante niet schrijven, doch wil eens beproeven of zij mij er toe aanspoort. Wat mij ongerust maakt, is dat ik vier jaar lang zonder vrouwelijk gezelschap leef; zoodoende kan ik geheel verharden en ongeschikt worden voor het familieleven, dat mij zoo dierbaar is.“Vaarwel! God weet, wanneer wij elkander weerzien; tenzij dat jij en Nikolaas er aan denken mochten eens een verren jachttocht te ondernemen, en van uit Tamboff een uitstapje naar het hoofdkwartier te doen.”Ik heb dezen merkwaardigen brief in zijn geheel geciteerd. Er blijkt uit, hoe jong van hart Tolstoi destijds was, hoe vatbaar om zich te laten meesleepen, en hoe dit laatste hem voor een deel belette eene duidelijke voorstelling te krijgen van al wat om hem heen gebeurde. Des te sterker, daarentegen, kwamen op dien achtergrond de flikkeringen uit van een klaar bewustzijn en eene profetische bezieling.Blijkbaar was Tolstoi’s gemoed, ondanks de sterke indrukken van buiten, niet geheel daarvan vervuld. In de eenzaamheid, bij het schrijven van zijn dagboek, mogelijk achter de blindeeringvan het 4debataillon, bleef hij dezelfde naar idealen zoekende en strevende mensch, die hij altijd geweest is en nòg is.Zijne gemoedsstemming in die dagen uitte zich in dezen dichterlijken vorm:“Wanneer zal ik toch eindelijk niet langerMijn leven zonder doel en hartstocht slijten:Eene diepe wonde in ’t harte gevoelen,En het middel niet kennen om haar te genezen?Wie sloeg deze wonde? God slechts weet het!Maar van mijne geboorte pijnigt mijEen bitter besef van mijne nietigheid,Een kwellend verdriet en twijfel.”Den 23stenNovember vertrok hij naar Simferopol.Op 6 Januari 1855 schreef hij zijne tante Tatjana een geruststellenden Franschen brief:“Ik heb aan de twee bloedige veldslagen, die in de Krim hebben plaats gehad, geen deel genomen, maar ben terstond na dien van den 24stenin Sewastopol gekomen en daar eene maand gebleven. Om den winter, die vooral nu buitengewoon streng is, wordt in het open veld niet meer gevochten; maar het beleg duurt voort. Hoe de afloop van dezen veldtocht zal zijn weet God alleen: maar in elk geval moet de Krim-campagne op de eene of andere wijze binnen 3 of 4 maanden eindigen. Doch helaas, het einde van de Krim-campagne beteekent niet het einde van den oorlog, die integendeel nog zeer lang zal duren.“Naar ik meen, heb ik in mijne brieven aan Sergius en Walerian gesproken over eene bezigheid, waarop ik het oog had en die mij zeer toelachte. Nu de zaak beslist is, kan ik het zeggen. Ik was voornemens een militair tijdschrift op te richten. Dit plan, waaraan ik met medewerking van vele uitstekende mannen gewerkt heb, werd door den vorstgoedgekeurd en aan Zijne Majesteit ter beoordeeling gezonden. Maar wijl men in ons land tegen alles intrigeert, zijn er lieden geweest die de concurrentie van dit blad duchtten; misschien ook dat het plan niet met de inzichten der regeering strookte—om kort te gaan: de Keizer heeft geweigerd.“Ik beken u: deze nederlaag heeft mij oneindig veel verdriet gedaan en mijne plannen zeer veranderd. Indien God wil dat de Krim-campagne goed afloopt, en als ik geen plaatsing krijg die mij voldoet; als Rusland daarenboven niet langer in oorlog is, zal ik het leger verlaten om naar de militaire academie in Petersburg te gaan. Ik heb dit besluit om deze redenen genomen:“1º. Omdat ik de letterkunde niet zou willen laten varen, waarmee ik mij in dit kampleven onmogelijk kan bezighouden.“2º. Omdat ik, naar het schijnt, eerzuchtig begin te worden, namelijk in dien zin, dat ik goed zou willen doen; maar daarvoor moet men meer dan tweede luitenant zijn.“3º. Om u allen en al mijne vrienden weer te zien. Nikolaas schrijft mij, dat Toerghenjeff met Maria heeft kennis gemaakt; dat verheugt mij. Indien gij hem eens thuis ziet, zeg hem dan, dat, ofschoon ik hem slechts bij geschrifte ken, ik hem tal van dingen te vertellen heb.”De onmiddellijk daarop volgende periode van zijn leven schetst Tolstoi zeer mooi in een’ brief aan zijn’ broeder, geschreven in Mei 1855, waarin hij een chronologisch overzicht geeft van de feiten uit zijn krijgsmansleven gedurende den winter van 1854 op 1855.“Ofschoon je stellig van de onzen gehoord zult hebben, waar ik geweest ben en wat ik gedaan heb, zal ik je mijne avonturen van Kischineff af op nieuw vertellen, te meer, omdat het misschien interessant voor je zal zijn,hoeik ze vertel; en daar mijn lot altijd op de eene of andere wijze verandert,zul je dus vernemen, aan welke wisselingen ik heb blootgestaan. Van Kischineff uit solliciteerde ik op 1 November naar de Krim, deels om den oorlog te zien, deels om mij aan den staf van Serzjpoetowski te onttrekken, die mij niet aanstond, maar het meest uit vaderlandsliefde, die—ik beken het—destijds sterk in mij gloeide. Ik solliciteerde niet naar eene bepaalde plaats, doch liet het aan de superieuren over om mijn lot te bepalen.“In de Krim werd ik geplaatst bij eene batterij in Sewastopol, waar ik eene maand zeer aangenaam heb doorgebracht in een club van eenvoudige, goede kameraden, die zich in den oorlog en in het gevaar bijzonder onderscheidden. In December zond men onze batterij naar Simferopol, waar ik 1½ maand in het geriefelijke huis van een’ landeigenaar woonde, met jonge dames danste en piano speelde, en met een gezelschap ambtenaren wilde geiten jaagde op den Tschatir-Dagh.“In Januari was er opnieuw verwisseling van officieren en werd ik overgeplaatst bij eene batterij, welke op 10 werst van Sewastopol aan den Belbek geposteerd was. Daar heb ik kennis gemaakt met de ellendigste club officieren van de batterij; de commandant was een goed, maar onbeschaafd man, en de barakken waren koud en zonder gerief. Geen enkel boek, geen enkel mensch met wien ik praten kon. Hier ontving ik de 1500 roebel voor het dagblad, dat reeds geweigerd was, doch verloor 2500 roebel met spelen en bewees daarmee aan de geheele wereld, dat ik nog steeds een onbeduidende kwajongen was; want al kon het bovenstaande als verzachtende omstandigheden gelden, zoo was het toch schandelijk.“In Maart werd het warmer en kwam Brenewski, een aangenaam en voortreffelijk mensch, bij de batterij; ik begon meer op mijn verhaal te komen, toen onze batterij op 1 April, te midden van het bombardement, naar Sewastopol vertrok,waar ik geheel op dreef kwam. Het is waar, dat ik hier in ernstig gevaar verkeerde—want om de 4 dagen had ik achtmaal wachtdienst bij de batterij van het 4debastion—maar het was hier tot 15 Mei prachtig lenteweder. Overvloed van menschen en indrukken, alle gemakken des levens en een gezellig clubje kameradencomme il faut—dat alles was oorzaak, dat die anderhalve maand een mijner aangenaamste herinneringen zal blijven.“Den 15denMei viel het Gortschakoff of den commandant der artillerie in, mij met de vorming en het commando over eene berg-compagnie aan den Belbek te belasten, welke op 20 werst van Sewastopol gelegen is. Tot nu toe ben ik in vele opzichten daarover zeer tevreden geweest. Ziehier de algemeene beschrijving; in een volgenden brief zal ik meer bijzonderheden over het tegenwoordige schrijven.”Wij kunnen aan deze korte beschrijving toevoegen, dat de schertsende toon van den brief niet in overeenstemming is met de ideeën en gevoelens, welke Tolstoi destijds vervulden.In zijn dagboek, dato 5 Maart 1855, staat de volgende profetie over zichzelf geschreven:“Een gesprek over de Godheid en het geloof heeft mij op een groot, machtig denkbeeld gebracht, en ik voel mij in staat aan de verwezenlijking daarvan mijn leven te wijden. Dit denkbeeld is de grondlegging van een nieuwen godsdienst, in overeenstemming met de ontwikkeling van het menschdom: den godsdienst van Christus, maar gezuiverd van dogma en mysticisme: een praktischen godsdienst, die geen gelukzaligheid belooft in de toekomst, maar gelukzaligheid geeft op aarde. Ik zie wel in, dat dit denkbeeld alleen ten uitvoer kan worden gebracht door geslachten, die bewust aan dit doel arbeiden. Het eene geslacht zal het aan het volgende vermaken, en den een of anderen tijd zal fantasieof gezond verstand het ten uitvoer brengen.Bewusthandelen in samenwerking met lieden van godsdienst—ziedaar de grondslag van de gedachte, die mij, hoop ik, zal blijven medesleepen.”Het is wel duidelijk, dat een man, die 50 jaar geleden deze regelen neerschreef en sedert met zulk eene kracht en volharding den grond is blijven leggen om dit denkbeeld te verwezenlijken,—dat zulk een man niet bij de artillerie thuis behoort.Hij had daarvan een vaag besef, en in zijne gedenkschriften duikt van tijd tot tijd het bewustzijn op, dat hij niet geschapen is voor de militaire loopbaan, maar voor de letterkunde.Hij heeft dan ook al dien tijd zijn letterkundigen arbeid niet laten varen.Reeds op weg van Roemenië naar Sewastopol voltooide hij:Het houthakken. Later, in Sewastopol, begon hij aanJongelingsjarenen schreef hij deVerhalen van Sewastopol.Van 11 tot 14 April was hij op het 4debastion. Het besef van gevaar voerde zijne ziel omhoog, en hij wendde zich tot God met dit gebed: “God, ik dank U voor Uwe voortdurende bescherming. Hoe juist leidt Gij mij naar het goede. En welk een nietig schepsel zou ik zijn, indien Gij mij verliet. Verlaat mij niet, o God; geef mij Uw’ zegen op mijn’ weg, en bevredig mijne nietige wenschen niet, opdat ik bereike het eeuwige en grootsche, onbekende, maar mij toch bewuste levensdoel.”Den 4denAugustus 1855 nam Tolstoi, schoon indirect, deel aan den slag bij de Tschernaja. Hij haastte zich zijne bloedverwanten gerust te stellen, en in een’ brief aan zijn’ broeder van 7 Augustus 1855 schreef hij, onder andere:“Ik schrijf je eenige regels, om je omtrent mij gerust te stellen naar aanleiding van den slag van den 4den, waarinik ongedeerd ben gebleven; ik heb trouwens niets gedaan, omdat mijn berggeschut niet behoefde te vuren.”Zooals blijkt uit eene briefwisseling tusschen Tolstoi en Njekrassoff volgde de graaf tegelijk den loop der Russische letterkunde, en steunde hij ijverig de redactie van denSawremjennik, waarvoor hij te Sewastopol een clubje medewerkers had gevonden. Hij schrijft Njekrassoff het volgende:“Waarde heer Nikolaas Alexejewitsch!“Gij zult mijne belofte voor een stuk:Sewastopol in Decemberen een artikel van Stolipin wel reeds ontvangen hebben. Hier zijn zij. Ondanks de overhaaste, slordige spelling van dit manuscript, moet gij uw best doen het te corrigeeren, zal het zonder doorhalingen van de censuur, welke de schrijver met alle macht heeft pogen te vermijden, gedrukt worden. Gij zult het wel met mij eens zijn, hoop ik, dat zulke verhandelingen over krijgszaken in ons land, helaas, maar zelden of nooit gedrukt worden. Misschien wordt met denzelfden koerier eene bijdrage van Sacken verzonden, waarvan ik niets zeg, en die gij, hoop ik, ook zult drukken. De verbeteringen in Stolipin’s artikel zijn door Chroeljeff met zwarten inkt en met de linkerhand gedaan, omdat zijne rechter gewond is. Stolipin verzoekt die in noten onder of naast den tekst te plaatsen. Wees zoo goed om zoowel mijn als Stolipin’s artikel, indien het kan, in de Juni-aflevering te zetten.“Nu hebben wij ons allen aaneengesloten, en begint de letterkundige vereeniging van het mislukte tijdschrift zich te organiseeren. Zooals ik u schreef, zult gij maandelijks 2, 3 of 4 bijdragen van actueelen inhoud over den oorlog van mij ontvangen. De twee beste medewerkers, Bakoenin en Rostoftseff, zijn nog niet met hunne opstellen gereed.“Wees zoo goed mij te antwoorden en in ’t algemeen uwe brieven mee te geven aan dezen koerier, adjudant van Gortschakoff,of aan de volgenden, die voortdurend tusschen u en hier heen en weer rennen.”Den 15enJuni ontving hij te Bachtschisarai een’ brief van Panajeff en de aflevering van denSawremjennik, waarin het verhaalSewastopol in Decembergedrukt stond. Uit den brief vernam hij, dat Keizer Alexander II zijn verhaal gelezen had.Blijkbaar had dit verhaal grooten indruk op den Keizer gemaakt, daar hij last gaf het in ’t Fransch te vertalen. In Juni voltooide TolstoiHet houthakken, dat hij naar denSawremjennikstuurde, en in Juli een nieuw verhaal,Sewastopol in Mei, dat eveneens naar de redactie werd gezonden.Met dit verhaal had het volgende plaats, zooals Panajeff in zijn’ brief aan Tolstoi dezen mededeelt.“In mijn’ brief aan u, welke u door tusschenkomst van Stolipin gewerd, schreef ik u, dat uwe bijdrage met onbeteekenende veranderingen door de Censuur was doorgelaten, en verzocht ik u mij niet kwalijk te nemen, dat aan het slot eenige woorden moesten worden toegevoegd, ter verzachting van de uitdrukking.... Het opstelEen nacht in Sewastopol3was reeds in 3000 exemplaren geheel gedrukt, toen de Censuur het eensklaps van de drukkerij opvroeg en de uitgaaf van het nummer tegenhield. Dientengevolge verscheen de Augustus-aflevering in Petersburg eerst op 16 Augustus. Tijdens mijne afwezigheid uit Petersburg (ik was voor eenige dagen op reis naar Moskou) bood zij het toen ter lezing aan den president van het censuur-comité, den u uit Kazan bekenden Poeschkin. Indien gij Poeschkin kent, kunt gij u gedeeltelijk voorstellen, wat toen volgde. Hij werd woedend, viel de Censuur aan en toen mij, dat ik zulke opstellen aan de Censuur aanbood, en maakte het eigenhandig over. Inmiddels keerde ik naar Petersburg terug, zag die veranderingen schrok. Ik had de verhandeling in ’t geheel niet willen drukken, maar Poeschkin legde mij de zaak uit, zeggende dat ikverplichtwas haar te drukken zooals zij was overgemaakt. Er was niets aan te doen, en uwe verminkte bijdrage verschijnt nu in de September-aflevering, doch zonder de letters L. N. T., die ik er later niet meer onder zag. Toch was het opstel zóó goed, dat ik het, zelfs na de totale omwerking door de Censuur, aan Miljoekoff, Krasnokoetski en anderen ter lezing heb gegeven. Het bevalt iedereen, en Miljoekoff schreef mij, dat het jammer zou zijn indien ik den lezers dit opstel onthield en het (zelfs in dezen vorm) niet liet drukken.“Wijt het in elk geval niet aan mij, dat uwe verhandeling in dezen vorm gedrukt is. Ik werd genoodzaakt het te doen. Indien God wil dat wij elkander eens ontmoeten (wat ik zeer wensch), zal ik u deze geschiedenis nader verklaren. Nu slechts een paar woorden over den indruk, dien uw verhaal(Een nacht in Sewastopol)in zijn oorspronkelijken vorm op ons te weeg brengt, en in ’t algemeen op ieder, dien ik het voorlees.... Van censuur is hier geen sprake.“Ieder vindt dit verhaal krachtiger dan het eerste, zoowel in toon en diepte van onderzoek der gemoedsbewegingen en aandoeningen bij menschen, die steeds den dood voor oogen hebben,—als in de juistheid, waarmee de typen van officieren zijn weergegeven, hun omgang met de aristokraten en hunne verhouding onderling; in één woord: alles is voortreffelijk en meesterlijk geschetst. Maar het geheel is zóózeer met bitterheid vervuld, alles is zóó scherp en giftig, wreed en troosteloos, dat de indruk op heden, nu de plaats der handeling van het verhaal bijna een heiligdom is, pijnlijk is voor menschen, die er ver van af zijn; het verhaal zou zelfs een zeer onaangenamen indruk kunnen maken.“Het houthakken, met een opdracht aan Toerghenjeff, verschijntook in September. Tusschen twee haakjes: Toerghenjeff verzoekt mij dringend u zeer voor de herinnering aan en de attentie jegens hem te bedanken.... Ook in dit verhaal, dat drie censuren ondergaan heeft: 1º. in den Kaukasus (censor de staatssecretaris Boetkoff), 2º. de militaire (generaal-majoor Stephen), en 3º. onze burgerlijke (mijne censuur en die van Poeschkin)—zijn helaas de typen van officieren en meer andere dingen geschrapt.”In September schreef Njekrassoff aan Tolstoi:“St.-Petersburg.“Waarde heer Tolstoi!“Half Augustus kwam ik te Petersburg, onder voor denSawremjennikzeer ongunstige omstandigheden. De ergerlijke wijze, waarop uwe bijdrage verminkt is geworden,4heeft mijn bloed in opstand gebracht. Tot heden kan ik er niet zonder ergernis en woede aan denken. Toch is uw werk niet geheel verloren, en zal het steeds getuigen van eene kracht, die hare vatbaarheid voor zulke diepe en nuchtere waarheid heeft behouden, onder omstandigheden waarin menigeen haar zou verliezen. Ik zal niet zeggen hoe hoog ik deze verhandeling stel, en wat de algemeene richting is van uw talent, maar alleen waarin dit nieuw en krachtig is. En juist dit is het, wat de Russische samenleving tegenwoordig behoeft: waarheid, de waarheid, waarvan sedert Gogol’s dood zoo weinig in de Russische literatuur is overgebleven.“Deze waarheid in den vorm, waarin gij haar in onze letterkunde inleidt, is bij ons iets geheel nieuws. Ik ken tegenwoordig geen auteur, die zooveel liefde en warme sympathie afdwingt als degeen aan wien ik schrijf. Alleen vrees ik, dat de tijd en de afschuwelijke werkelijkheid, de doove en stommeomgeving met u hetzelfde zullen doen, als met de meesten onzer: dat zij uwe energie zullen dooden, die geen schrijver kan missen, althans geen schrijver zooals Rusland thans behoeft.“Gij zijt jong; er zullen eenige veranderingen komen, die—willen wij hopen—goed zullen eindigen; en mogelijk ligt eene schitterende loopbaan vóór u. Uw begin is van dien aard, dat gij de voorzichtigste lieden noopt zich in hunne verwachtingen zeer ver te laten meesleepen.“Doch ik dwaal van het doel van mijn schrijven af. Ik zal u niet troosten met de verzekering, dat velen ook de gedrukte fragmenten uwer verhandeling uitstekend vinden; voor lieden, die haar in den tegenwoordigen vorm kennen, is zij niet meer dan eene verzameling woorden zonder zin en innerlijke beteekenis. Maar, er is niets aan te doen. Ik zeg alleen, dat het opstel niet gedrukt zou zijn, indien dit niet noodzakelijk was geweest. Uw naam staat er echter niet onder.“Het houthakkenliep vlot van stapel, ofschoon ook hieruit eenige kostbare regels zijn weggevallen. Mijne meening over dit onderwerp is deze: wat vorm betreft, doet het denken aan Toerghenjeff, doch daarmee houdt ook de vergelijking op; al het overige behoort u, en zou door niemand geschreven kunnen zijn, behalve door u. In deze schets staan eene menigte wonderlijk juiste opmerkingen, en het geheel is nieuw, interessant en waar. Versmaad dergelijke schetsen niet; van den soldaat heeft onze literatuur tot heden niet anders dan platheden gezegd. Ge zijt eerst aan het begin, en onverschillig in welken vorm gij datgene bekend maakt, wat ge van dit onderwerp weet,—alles zal ten hoogste interessant en nuttig zijn.“Panajeff heeft mij uw’ brief ter hand gesteld, waarin gij ons de spoedige toezending vanJongelingsjarenbelooft. Wees zoo goed het te zenden. Afgescheiden van het tijdschrift, stelik persoonlijk belang in de voortzetting van uw’ eersten arbeid. Wij zullen voorJongelingsjareneene plaats reserveeren in de 10deof 11deaflevering, naar gelang van den tijd dat het ontvangen wordt.“Het geld zal u dezer dagen gezonden worden. Des winters woon ik te Petersburg, en het zal mij aangenaam zijn, zoo u mij bij gelegenheid eenige regelen wilt schrijven.“Ontvang de verzekering van mijne oprechte hoogachting.“N. Njekrassoff.”Zooals van zelf spreekt, bracht Tolstoi zijn’ tijd niet in hoofdzaak met letterkundige bezigheden door. Hij leidde het gewone leven van een’ officier en was, volgens getuigenis zijner tijdgenooten en wapenbroeders, een goed kameraad.In de gedenkschriften van Nazarjeff komt een verhaal voor van een van Tolstoi’s vroegere makkers, die met zichtbaar welgevallen aan hem en aan den tijd terugdenkt, dien zij bij dezelfde batterij hadden doorgebracht. Hij had zich zelfs in een der helden uit de Sewastopol’sche verhalen herkend.“Zoo bezielde Tolstoi,” verhaalt de grijsaard met een vergenoegden glimlach, “in de moeilijke tijden van het krijgsmansleven allen en ieder door zijne vertellingen en in haast saamgestelde verzen. Hij was in den vollen zin des woords de ziel der batterij. Zoolang Tolstoi bij ons was, vloog de tijd voorbij en was er geen einde aan de algemeene vroolijkheid; doch nauwelijks was de graaf weg en naar Simferopol gegaan, of allen lieten het hoofd hangen. Zoo verliepen er een dag of twee, drie.... Eindelijk kwam hij terug.... precies als de verloren zoon: droefgeestig, vermagerd, misnoegd op zichzelf.... Hij nam mij terzijde, en begon kort daarna te biechten. Alles vertelde hij: zijn dolle uitgaan, zijn spelen, waar hij zijne dagen en nachten had doorgebracht, en—men zal het nauwelijks gelooven—daarbij had hij berouwen pijnigde hij zich als een werkelijk zondaar. Het was zelfs treurig hem aan te zien—zoo gebroken was hij. Was hij dezelfde man van vroeger? In één woord: het was zonderling en voor mij totaal onbegrijpelijk. Aan den anderen kant was hij een zeldzaam kameraad, een zeer oprechte ziel; en het zou mij onmogelijk zijn hem te vergeten.”Tolstoi’s gedrag als een dapper officier, en zijne relatiën met de hoogere kringen hadden hem eene voorspoedige militaire loopbaan kunnen verzekeren. Daartoe werkte ook mede het in druk verschijnen van zijneSewastopol’sche schetsen, welke de aandacht trokken van Keizer Nikolaas en Keizerin Alexandra Fedorowna. Men zegt, dat laatstgenoemde schreide, toen zij het eerste verhaal las. Maar diezelfde letterkundige gave heeft ook dien voorspoed belemmerd; want deSewastopol’sche liederenwaren een hinderpaal voor eene schitterende carrière.Een dergenen, die aan de samenstelling van deze liederen hadden deelgenomen, deelt, als persoonlijke getuige, het volgende mede.Gedurende den Krim-oorlog vereenigden zich dikwijls, ja bijna alle avonden, de leden van den staf der artillerie en eenige andere officieren bij het hoofd van dien staf, Krizjanowski.Gewoonlijk ging luitenant-kolonel Baljoezek voor de piano zitten; de andere stonden er in een kring omheen, en men improviseerde liederen. Elk droeg zijn woord en gedachte bij; ook graaf Tolstoi, maar niet altijd. Daarom kan gezegd worden, dat deze improvisatiën een algemeen karakter droegen, hetwelk de stemming der militaire clubs weergaf.Als men aan de omstandigheden denkt, waaronder deze liedjes gemaakt werden: al die verschrikkingen van den dood, het kermen der gewonden, die stroomen bloed, de branden en moorden, waarvan de dampkring te Sewastopol als bezwangerd was—dan moet men zich over die geestkrachtverwonderen, welke ruimte liet voor gemoedelijke grappen over supérieuren, onder het voortdurende gevaar van dood of verwonding!Intusschen verwierf Tolstoi in den kring der Petersburger letterkundigen meer en meer bekendheid. Een’ zijner scherpste critici, Toerghenjeff, had hij overwonnen. De lezers zullen zich uit een vorig hoofdstuk mevrouw Golowatschewa Panajewa herinneren, en hoe Toerghenjeff Panajeff om zijne geestdrift wat voor den gek hield.In het jaar 1854 schrijft hij o.a. uit Spasskoje aan E. Ja. Kolbasin, een der medewerkers van denSawremjennik:“Zeer verheugd ben ik over het succes vanJongensjaren. God geve, dat Tolstoi in leven blijve, want, naar ik hoop, zal hij ons allen nog verbazen; hij is een genie van den eersten rang. Ik heb hier met zijne zuster kennis gemaakt, eene zeer lieve, sympathieke vrouw, die ook met een’ graaf Tolstoi gehuwd is.”5Reeds bij het verschijnen der Sewastopol’sche verhalen geraakte Toerghenjeff in verrukking, en in een’ brief aan Panajeff uit hij die op de volgende wijze:“Tolstoi’s bijdrage over Sewastopol is een wonder! Bij het lezen er van werd ik tot schreiens toe bewogen, en riep ik: hoera! Ik ben zeer geneigd hem mijn nieuw verhaal op te dragen. De aankondiging over denSawremjennikheb ik in deMoskousche Courantgelezen. De hemel geve, dat gij uwe beloften kunt houden, namelijk, dat de bijdragen worden toegelaten, dat Tolstoi niet gedood worde, enz. Dit zal voor u eene heele steun zijn. Tolstoi’s opstellen hebben hier een algemeenen bijval verworven....“Spasskoje, 10 Juni 1855.”In ’t algemeen stond Tolstoi reeds na het verschijnen derSewastopol’sche verhalen op de hoogte der schrijvers van den eersten rang. Eene belangwekkende uitspraak van Pissemski over deze verhalen wordt door A. F. Koni in de levensbeschrijving van I. F. Gorboenoff aangehaald:“Omstreeks dien tijd,” zegt hij “sprak Pissemski, die toen dat belangrijke werkDuizend zielenhad geschreven, met Gorboenoff overeen in zijn opkomst zijnden grooten Russischen schrijver, naar aanleiding derSewastopol’-sche verhalen, waarvan hij juist eenige fragmenten had hooren voordragen.Dit officiertje zal ons allen verdringen, zooals men eene pen wegwerpt....”Na de overgave van Sewastopol werd Tolstoi als koerier naar Petersburg gezonden.Vóór zijn vertrek uit Sewastopol moest Tolstoi zijne literaire krachten wijden aan de samenstelling van een rapport over den laatsten veldslag. In zijne bijdrageEenige woorden naar aanleiding van Oorlog en Vrede, maakte de schrijver van dit rapport aldus melding:“Na het verlies van Sewastopol zond de artillerie-commandant Krizjanowski mij de rapporten der artillerie-officieren van alle bastions, en verzocht mij uit al die meer dan 20 rapporten, er één samen te stellen. Het spijt mij, dat ik die rapporten niet overgeschreven heb. Zij waren het beste voorbeeld van die naïeve, onvermijdelijke krijgsleugens, waaruit zulke beschrijvingen worden saamgesteld. Ik veronderstel, dat vele mijner kameraden, die toen deze rapporten hebben opgemaakt, bij het lezen van deze regelen zullen lachen bij de herinnering, dat zij op last van superieuren over dingen schreven, welke zij niet weten konden.”Zoolang Tolstoi in krijgsdienst was, leidde zijn liefde voor de rechtvaardigheid menigmaal tot botsingen met zijne superieuren en wapenbroeders.De Universiteit te Kazan, toen Tolstoi er studeerde.—Blz. 116.De Universiteit te Kazan, toen Tolstoi er studeerde.—Blz.116.Volgens de toenmalige gewoonte mochten de sectie-commandanten,en daaronder ook de batterij-commandant, bij het ontvangen van de rijksgelden voor het onderhoud der batterij al wat zij bespaarden voor zich behouden. Dit vormde voor de meeste commandanten vrij aardige inkomsten, maar leidde natuurlijk tot vele misbruiken.Als Tolstoi bij het opmaken der rekeningen een overschot in geld ontdekte, boekte hij dit op de ontvangst, d.w.z. hij weigerde het. Natuurlijk wekte deze handelwijze het misnoegen der andere commandanten. Generaal Krizjanowski liet hem roepen en gaf hem daarover eene berisping.Dit laatste bericht ons N. A. Kriloff, die in 1856 bij de batterij was overgeplaatst, welke Tolstoi kort te voren verlaten had, in zijnGedenkschriften:“Bij de brigade had hij de herinnering achtergelaten van een goed ruiter, een opgeruimd man en van een athleet. Zoo ging hij b.v. op den grond liggen, liet een’ man van ruim 80 kilo op zijn handen staan, strekte deze uit, en hief den man omhoog. Op den stok was niemand tegen hem opgewassen. Ook heeft hij vele anecdoten achtergelaten, die hij meesterlijk vertelde.... Men heeft den graaf er van beschuldigd, dat hij den officieren voorpredikte om, als een officierspaard niet had opgegeten wat er volgens de lijst voor uitgetrokken was, zelfs dan de overgeschoten fourage-gelden weer in de kas te storten.”In Petersburg wachtte Tolstoi een geheel ander leven, waaraan hij zich dan ook met al de jeugdige veerkracht die hem eigen was, wijdde.1Een poed is 16 kilo, 379 gram.2Al deze brieven zijn in het handschrift in het Fransch aangehaald.3Zoo heette toen het verhaalSewastopol in Mei.4Blijkbaar is hier sprake van Tolstoi’s verhaalSewastopol in Mei 1855.5Eerste bundel geschriften van J. S. Toerghenjeff.
Achtste hoofdstuk.De Donau en Sewastopol.Voordat ik met het verhaal van dit tijdvak begin, acht ik het noodig eenige woorden over den loop der politieke gebeurtenissen te zeggen, in verband waarmede ook de veranderingen in het leven van Leo Tolstoi plaats vonden.De laatste jaren Van Keizer Nikolaas’ regeering zijn gekomen. De machtsinspanning heeft haar hoogsten trap bereikt, en de druk van het volk en de hoogere klassen der maatschappij heeft reeds een krachtig protest tegen een en ander verwekt. Zooals altijd, stort de overheid, die instinctmatig het haar dreigende gevaar gevoelt, zich in buitenlandsche avonturen, terwijl zij de opgehoopte volkskracht ontlaadt in de bloedige slachting van eene gehoorzame kudde soldaten, wier eenige opvoeding hierin bestaat, dat zij de steun van het gezag kunnen en willen zijn in de moeilijke uren van zijn misdadig leven. Ook het volk en de hoogere klassen storten zich in zulke slachtingen, evenals een mensch die verdriet heeft in elken walgelijken roes stilling zoekt voor zijne kwelling.Zoo verklaart dan Rusland, door de tyrannie van Nikolaas I ondermijnd en zedelijk bedorven, op 4 November 1853 Turkije den oorlog. Den eersten tijd zijn de Russische troepen voorspoedig; zij overschrijden de Turksche grenzen, bezetten Moldavië, en de Zwarte-Zee-vloot, onder bevel van den vermaarden Nachimoff, vernietigt de Turksche scheepsmacht bij Sinope.Dan mengen de Europeesche machten—Engeland en Frankrijk—zich in dien krijg, waarmede tegelijk de bekende Krim-oorlog een’ aanvang neemt, die met de heldhaftige verdediging van Sewastopol, zonder voorbeeld in de geschiedenis, besloten wordt. En zooals steeds in dergelijke gevallen, houdt het gemoedsleven in de harten der betere menschen, zoowel bij het volk als bij de hoogere standen, gelijken tred met de luidruchtige openbaringen van het leven daarbuiten; openbaart zich in het vormen van nieuwe idealen, en uit zich onvermijdelijk—zij het ook zwak—in liberale maatschappijke hervormingen. Die beide verschijnselen: de ontlading der volkskracht in heldendaden, en het zich verheffen van den volksgeest in de onthulling van nieuwe idealen, hebben ook op Tolstoi’s letterkundigen arbeid uit dien tijd hun’ stempel gedrukt.En daar deze twee belangwekkende verschijnselen onmiddellijk met elkander in tweestrijd kwamen, nam die arbeid den vorm aan eener hooge tragische poëzie, waardoor zijne Sewastopol’sche verhalen zich kenmerken.Toen Tolstoi, naar wij boven hebben meegedeeld, zijne bloedverwanten bezocht had, ging hij het eerst naar het Donau-leger.Na aankomst te Boecharest schreef hij zijne tante Tatjana een’ brief in den vorm van een dagboek, in drie gedeelten, met eene korte beschrijving der reis en den eersten indruk bij de aankomst.13 Maart. “Van Koersk heb ik bijna 2000 wersten afgelegd in plaats van 1000, zooals ik dacht, en ben over Poltawa, Balta, Kischineff, en niet over Kieff gegaan, hetgeen een omweg zou geweest zijn. Tot aan het gouvernement Cherson had ik eene uitmuntende slede; maar daar was ik genoodzaakt haar achter te laten, en 1000 werst in een’ wagen af te leggen, langs een afschuwelijken weg tot aan de grens en van de grens tot Boecharest. Die weg is onmogelijkte beschrijven; men moet er van genoten hebben, om te begrijpen hoe pleizierig het is 1000 werst af te leggen in een wagen, kleiner en slechter dan die, waarin men bij ons den mest vervoert. Ik verstond geen woord Moldavisch, vond niemand die Russisch verstond, en betaalde daarenboven voor acht paarden in plaats van voor twee. Ofschoon mijne reis slechts 9 dagen geduurd heeft, heb ik meer dan 200 roebels uitgegeven, en ben ik bijna ziek van vermoeienis aangekomen.”17 Maart. “Vorst Gortschakoff was niet hier. Gisteren kwam hij en ben ik bij hem geweest. Hij heeft mij beter ontvangen dan ik dacht—alsof ik een bloedverwant was. Hij heeft mij omhelsd, mij uitgenoodigd om dagelijks bij hem te komen eten, en wil mij bij zich houden; maar dit is nog niet uitgemaakt.“Vergeef mij, beste tante, dat ik u zoo weinig schrijf; ik ben nog niet geheel op mijn verhaal. De groote en fraaie stad, al die voorstellingen, de Italiaansche opera, de Fransche schouwburg, de twee jonge Gortschakoff’s, die zeer flinke jongelieden zijn,—dat alles maakt, dat ik geen twee uren thuis ben gebleven en niet aan mijne bezigheden gedacht heb.”22 Maart. “Gisteren heb ik gehoord, dat ik niet bij den vorst blijf, maar naar Oltenitza ga, om mij bij mijne batterij te voegen.”Eenigen tijd later schreef hij opnieuw, in eene andere stemming:“Terwijl men denkt, dat ik aan alle gevaren van den oorlog blootgesteld ben, heb ik nog geen Turksch kruit geroken, en zit ik rustig te Boecharest, doe wandelingen, maak muziek en eet porties ijs. Werkelijk ben ik al dien tijd te Boecharest gebleven (behalve twee weken, die ik te Oltenitza heb doorgebracht, waar ik bij eene batterij geplaatst was, en één week, die ik aan strooptochten door Moldavië, Walachije en Bessarabiëbesteed heb, op last van generaal Sersjpoetowski, aan wien ik tegenwoordig voor speciale diensten ben toegevoegd), en om u de gulle waarheid te zeggen, staat deze eenigszins losse, geheel werkelooze en zeer kostbare leefwijze mij bijster tegen. Eerst was het de dienst, die mij hier terughield; maar nu ben ik er bijna drie weken geweest ten gevolge van eene koorts, die ik op reis heb opgedaan, doch waarvan ik, Gode zij dank, voor het oogenblik voldoende hersteld ben om binnen 2 of 3 dagen naar mijn’ generaal te gaan, die in het kamp bij Silistria is. Van mijn’ generaal gesproken: deze ziet er uit als een zeer dapper man, en schijnt, hoewel wij elkander zeer weinig kennen, mij wel genegen te zijn. Ook is het aangenaam, dat zijn staf meerendeels uit zeer gedistingeerde jongelieden bestaat. De twee zoons van prins Sergius, die ik hier ontmoet heb, zijn flinke jongens; vooral de jongste, die, al heeft hij het kruit niet uitgevonden, een zeer edel karakter en een uitmuntend hart bezit. Ik mag hem zeer graag lijden.”Vervolgens citeeren wij een’ brief, die, ofschoon uit Sewastopol geschreven, betrekking heeft op de gebeurtenissen aan den Donau. Zooals de lezer zien zal, is deze brief door Tolstoi eerst aan zijne tante Tatjana gericht, en dan aan zijn’ broeder Nikolaas. Naar onze meening moest deze brief eene bladzijde vormen in de geschiedenis van Rusland.“Ik zal u dan over het verledene spreken, over mijne herinneringen uit Silistria. Ik heb er zooveel belangwekkende, dichterlijke en treffende dingen gezien, dat de tijd, dien ik er heb doorgebracht, nooit uit mijn geheugen zal gaan. Ons kamp was aan gene zijde van den Donau, namelijk aan den rechter oever opgeslagen, op een zeer hoog terrein te midden van prachtige tuinen, toebehoorende aan Moestafa Pasha, den gouverneur van Silistria. Het uitzicht van die plek was nietalleen prachtig, maar voor ons allen van het hoogste gewicht. Zonder te spreken van den Donau, zijne eilanden en oevers, die gedeeltelijk door ons, gedeeltelijk door de Turken bezet waren, zag men de stad, de vesting en de kleine forten van Silistria als een schilderij voor zich liggen. Men hoorde het kanon- en geweervuur, dat dag noch nacht ophield; en met een’ verrekijker kon men de Turksche soldaten onderscheiden. Ofschoon het een zonderling genoegen is menschen elkander te zien dooden, begaf ik mij toch elken ochtend en avond naar mijn post en bleef daar uren kijken. En ik was niet de eenige die dat deed. Het schouwspel was werkelijk mooi, vooral des nachts. Gedurende den nacht gingen mijne soldaten gewoonlijk aan de loopgraven werken, en wierpen de Turken zich op hen, om dit te beletten. Dan moest men dat geweervuur eens zien en hooren! Den eersten nacht, dien ik in het kamp doorbracht, heeft dat vreeselijke rumoer mij wakker gemaakt en verschrikt; ik meende dat men ten aanval ging, en zette mijn paard in vollen galop; maar zij, die reeds eenigen tijd in het kamp hadden vertoefd, zeiden mij, dat ik mij kalm moest houden: dat dit kanon- en geweervuur een gewoon verschijnsel was, hetwelk men schertsenderwijze ‘Allah’ noemde. Toen ging ik weer liggen; maar wijl ik toch niet kon slapen, vermaakte ik mij door, met een horloge in de hand, de kanonschoten te tellen, die ik hoorde; en zoo heb ik er 110 in den tijd van eene minuut geteld. Toch zag dit alles er van nabij niet zoo schrikwekkend uit, als het wel lijkt. Des nachts, wanneer men toch niets ziet, was het eenvoudig de quaestie wie het meeste kruit zou verspillen; en met die duizenden kanonnen doodde men hoogstens een dertigtal manschappen aan weerszijden.“Gij zult mij wel toestaan, beste tante, dat ik in dezen brief het woord richt tot Nikolaas; want nu ik eenmaal begonnen ben met bijzonderheden uit den oorlog te vertellen, wenschteik wel voort te gaan en aan een’ man te schrijven, die mij begrijpt en u opheldering kan geven over hetgeen u onduidelijk toeschijnt.“Dat was dus een gewoon dagelijksch schouwspel voor ons, en waarin ook ik mijn deel had, als men mij niet met orders naar de loopgraven zond; maar wij hadden ook buitengewone tooneelen, zooalsbijv.den avond vóór de bestorming, toen men onder een der vijandelijke bastions eene mijn met 240 poed kruit heeft laten springen.1Op den morgen van dien dag was de vorst met zijn geheele staf (daar de generaal, bij wien ik was, er ook toe behoort, ben ik er óók geweest) in de loopgraven geweest, om de noodige schikkingen te treffen voor de bestorming van den volgenden dag. Het plan der bestorming (dat te uitvoerig is om het u hier te vertellen) was zóó goed gemaakt, alles was zóó wel voorzien, dat niemand aan den uitslag twijfelde. Wat dit betreft, moet ik u nog zeggen, dat ik bewondering voor den vorst begon te gevoelen. Trouwens, men moet eens onder officieren en soldaten over hem hooren spreken; niet alleen heb ik nooit kwaad van hem hooren zeggen, maar in ’t algemeen aanbidt men hem. Dien morgen heb ik hem voor het eerst in ’t vuur gezien.“Men moet hem zien, die ietwat belachelijke figuur, met zijn hooge gestalte, de handen op den rug, de pet naar achteren, een’ bril op den neus en met een toon van spreken als van een kalkoenschen haan! Het is hem aan te zien, dat de algemeene loop van zaken hem zoozeer bezig houdt, dat kogels en bommen voor hem niet meer bestaan; hij stelt zich zoo gewoon aan het gevaar bloot, dat men zou zeggen dat hij er geen begrip van heeft, en dat men onwillekeurig meer voor hem bevreesd is, dan voor zichzelf. En hoe helder en juist geeft hij daarbij zijne bevelen, terwijl hij altijd minzaam is tegenelk! Hij is een groot man, dat wil zeggen een bekwaam en eerlijk man, zooals ik dit woord opvat: een man, die zijn geheele leven aan den dienst van zijn land heeft gewijd—niet uit eerzucht, maar uit plicht!“Ik zal u een staaltje van hem vertellen, hetwelk verband houdt met de geschiedenis der bestorming, die ik zoo even begon te vertellen. Op den namiddag van denzelfden dag heeft men de mijn doen springen en hebben bijna 600 stukken geschut het fort beschoten, dat men wilde nemen. Den ganschen nacht is dit bombardement voortgezet; het was een dier vuurgevechten, een dier emotiën welke men nimmer vergeet. Des avonds is de vorst opnieuw in de loopgraven gekomen, en heeft zich hier te midden van het kanongebulder te slapen gelegd, om zelf de bestorming te leiden, welke dien nacht te 3 uren zou beginnen. Wij waren er allen; en zooals steeds aan den vooravond van een’ slag, nam elk den schijn aan alsof hij aan den volgenden dag als aan een gewonen dacht. Toch ben ik er in den grond van mijn hart zeker van, dat allen bij de gedachte aan de bestorming eene zekere beklemming voelden, en niet eene lichte, maar eene hevige.“Zooals je weet, Nikolaas, is de tijd die aan een gevecht voorafgaat de meest onaangename; hij is de eenige waarin men tijd heeft om vrees te koesteren; en vrees is een der onaangenaamste gewaarwordingen. Tegen den morgen nam de vrees af, hoe meer het oogenblik naderde; en toen wij allen tegen 3 uren op het afsteken van den bundel vuurpijlen wachtten, dat het sein tot den aanval zou wezen, was ik zóó wel gestemd, alsof men mij was komen zeggen, dat de bestorming niet zou plaats hebben, wat mij zeer gespeten zou hebben.... En zie: juist een uur vóór het oogenblik der bestorming komt een adjudant van den maarschalk met bevel het beleg van Silistria op te breken!“Zonder vrees van mij te bedriegen, durf ik zeggen, dat deze tijding door allen—soldaten, officieren en generaals—als eene ware Jobstijding werd ontvangen: te meer, omdat men van spionnen uit Silistria, die ons dikwijls in handen vielen en met wie ik zelf menigmaal gelegenheid had te spreken, gehoord had, dat na de verovering van dit fort (waaraan niemand twijfelde), Silistria het geen 2 of 3 dagen meer zou kunnen houden. Maar zoo er iemand door deze tijding getroffen moest worden, dan was het zeker de vorst, die gedurende den geheelen veldtocht alles ten beste beschikt had, en nu te midden van den strijd den maarschalk zag komen om de zaken te bederven, en tegenbevel ontving op het oogenblik dat hij eene bestorming zou beginnen, die hij als de eenige kans beschouwde om onze tegenspoeden goed te maken. Toch heeft de vorst, zoo vatbaar voor indrukken, geen oogenblik van slechte luim gehad; integendeel, hij was verheugd de slachting te kunnen vermijden, waarvan hij alle verantwoordelijkheid moest dragen; en zoolang de terugtocht duurde, dien hij zelf geleid heeft, wijl hij met den laatsten soldaat over de rivier wilde trekken, en die in opmerkelijke orde en juistheid volbracht werd,—is hij opgeruimder geweest dan ooit te voren. Tot die goede luim droeg niet weinig bij de uittocht van bijna 9000 Bulgaarsche gezinnen, die wij medenamen, gedachtig aan de wreedheid der Turken, waaraan ik, trots mijne ongeloovigheid op dit punt, wel genoodzaakt werd te gaan gelooven. Zoodra wij de verschillende door ons bezette Bulgaarsche dorpen verlaten hadden, kwamen de Turken er terug en joegen allen die zij er vonden over de kling, behalve de vrouwen die nog jong genoeg waren om voor een’ harem te dienen. Zoo was o.a. een dorp, waarheen ik mij uit het kamp begeven had om melk en vruchten te halen, op deze wijze uitgemoord.“Niet zoodra had de vorst den Bulgaren doen weten, datallen die het wilden met het leger over den Donau konden trekken en Russische onderdanen worden, of het geheele land kwam in opschudding, en allen togen met vrouwen, kinderen, paarden en vee naar de brug. Daar het echter onmogelijk was om allen mee te nemen, was de vorst genoodzaakt de laatst aangekomenen af te wijzen. En men had eens moeten zien, hoezeer hem dit hinderde! Hij ontving alle deputatiën, welke deze arme lieden hem zonden, sprak met ieder, trachtte hun het onmogelijke van de zaak onder het oog te brengen, en stelde hun voor om zonder wagens en zonder vee den overtocht te doen. Zelfs nam hij op zich om voor hun onderhoud te zorgen totdat zij in Rusland waren gekomen, betaalde uit eigen middelen particuliere vaartuigen om hen te vervoeren—in één woord: hij deed al zijn best om de menschen goed te doen.“Ja, beste tante, ik wenschte wel dat uwe profetie bewaarheid werd. Waar ik het meest naar streef is, adjudant te worden van een man als hij, dien ik in den grond van mijn hart liefheb en acht. Vaarwel, beste en goede tante, ik kus u de hand.”2Te midden van die hevige en nieuwe gemoedsbewegingen, liet Tolstoi ook zijn voortdurenden arbeid—den innerlijken arbeid aan zichzelf—niet rusten. Die arbeid weerspiegelt zich in de gedenkschriften uit zijn dagboek.7 Juli. “Bescheidenheid bezit ik niet! Ziedaar mijn groot gebrek. Wat ben ik eigenlijk? Een van de vier zoons van een gepensionneerd luitenant-kolonel, die, op 7-jarigen leeftijd ouderloos geworden, onder voogdijschap van vrouwen en vreemden kwam; die geen wereldsche en geen wetenschappelijke opleiding ontving, en ten speelbal van zijne 17 jaren de wereld inging. Iemand zonder groot fortuin, zonder eenige maatschappelijkepositie en, voornamelijk, zonder beginselen; die al zijne zaken in de war stuurde en de beste jaren zijns levens doelloos en zonder genot doorbracht; iemand, ten slotte, die zich naar den Kaukasus verbande, om zijne schulden en vooral zijne gewoonten te ontloopen; doch na twist te hebben gezocht om zekere betrekkingen, die tusschen zijn vader en den legercommandant bestaan hadden, op 26-jarigen leeftijd vandaar als vaandrig naar het Donau-leger ging, met bijna geen andere middelen dan zijn salaris, daar hij het geld, dat hij bezat, voor het betalen van achterstallige schulden moest besteden. Iemand zonder protectie, zonder wereldkennis, zonder kennis van den dienst, zonder practischen aanleg—maar met eene kolossale eigenliefde! Ja, zoo is mijn maatschappelijke toestand! Laat ons nu eens zien, hoe mijn persoon is.“Ik ben leelijk, onhandig, onzindelijk, en zonder maatschappelijke vormen. Ik ben prikkelbaar, lastig voor anderen, onbescheiden, onverdraagzaam en schuchter als een kind. Bijna ben ik een droomer. Wat ik weet, heb ik slordig geleerd, op eigen houtje, in mijn vrijen tijd, zonder verband, zonder zin en dan nog zoo weinig! Ik ben niet ingetogen, besluiteloos, onbestendig, dom, ijdel en opvliegend, evenals alle karakterlooze lieden. Ook heb ik geen moed, leid geen ordelijk leven en ben zóó traag, dat nietsdoen eene bijna onoverwinnelijke gewoonte voor mij geworden is.“Ik heb verstand; maar nog nooit is mijn verstand grondig in iets beproefd geworden. Praktisch verstand en verstand van wereldsche dingen of van zaken heb ik niet.“Ik ben oprecht, dat wil zeggen: ik bemin het goede en heb mij die zucht tot eene gewoonte gemaakt. En wijk ik daar somtijds van af, dan ben ik ontevreden over mijzelf en keer er met blijdschap toe terug. Maar er is iets, waarvan ik meer houd dan het goede—namelijk de roem. Ik ben zoo eerzuchtig en aan dien hartstocht is zoo weinig voldaan, datik dikwijls vrees in staat te zullen zijn om tusschen eerzucht en deugd de eerste te kiezen, indien ik eens voor die keus gesteld werd.“Ja, ik ben niet bescheiden; vandaar dat ik trotsch op mijzelf, maar schuchter en verlegen in de wereld ben.”Soms werd hij door een dichterlijken geest bezield en schetste dan tafereeltjes, waarin ware kunst schuilt.Wegens dienstzaken toefde hij eens in een klein Roemeensch stadje, waar hij op een avond in eene wonderlijke gemoedsstemming kwam, die zich in dezen vorm uitte:“Na het middagmaal ging ik op de ellebogen over het balkon leunen, en keek met welgevallen naar mijne lantaarn die zoo kranig onder den boom brandde. Vandaag waren er eenige donderwolken komen opzetten, die zich boven de aarde ontlast hadden, terwijl één groote wolk het geheele zuiderdeel des hemels bleef bedekken. Wat was het toen frisch en aangenaam in de lucht! Het aardige dochtertje van mijn’ hospes lag ook, evenals ik, op de ellebogen in het venster. Op straat ging een draaiorgel voorbij; en toen nu de tonen van de lustige, ouderwetsche wals zich meer en meer verwijderden en eindelijk wegstierven, zuchtte het meisje uit het diepst van haar hart, richtte zich op en verliet ijlings het venster. Het was mij zoo droef en toch zoo wel te moede, dat ik onwillekeurig glimlachte: en nog lang keek ik naar mijne lantaarn, waarvan het licht soms wegschool achter de takken, die de wind bewoog, keek naar den boom, de schutting, den hemel—en dit alles was mij nog liever dan eerst.”De vruchtelooze Donau-campagne, de terugtocht van het leger, het vervelende stafleven—dit alles bevredigde Tolstoi niet; hij zocht meer spannenden arbeid,sterkere emotiën, en vroeg om overplaatsing naar het Krimleger.Den 20enJuli, na den terugtocht van Silistria, vertrok hij naar de Krim. Zijn weg liep over de steden Tekoetschi, Berlad, Jassy, Cherson, Odessa, Sewastopol, waar hij den 7denNovember 1854 aankwam. Onderweg werd hij ziek en kwam hij in het hospitaal, hetgeen zulk eene lange reis verklaarbaar maakt.Bij aankomst te Sewastopol werd hij ingedeeld bij de 3delichte batterij der 14debrigade artillerie.Hier ontving hij zulk eene menigte nieuwe indrukken, dat hij er niet zoo spoedig in thuis kon raken; en twee weken later, op 20 November, schreef hij eindelijk aan zijn’ broeder Sergius:“Beste broeder Sergius!“God weet hoe schuldig ik jegens u allen ben sedert het oogenblik van mijn vertrek; en hoe dit gekomen is, weet ik zelf niet; deels door het onbestendige leven, mijne vervelende positie, de inkwartiering; deels door den oorlog of andere belemmerende oorzaken, enz. enz.Maar de voornaamste reden is het leven met zijne verstrooiingen en rijkdom van indrukken. Ik heb dit jaar zooveel nieuwe dingen geleerd, zooveel nieuwe ervaringen en zielsindrukken opgedaan, dat ik waarlijk niet weet wat het eerst te zullen beschrijven; ook zou ik het niet kunnen zooals ik wel wilde. Aan tante schreef ik over Silistria, maar jou en Nikolaas zal ik zoo niet schrijven. Wèl wenschte ik u de dingen zóó te vertellen, dat gij mij begreept, gelijk ik wil. Silistria heeft nu afgedaan, en Sewastopol komt aan de beurt. Ik denk dat gij dit wel met dezelfde angstige spanning zult lezen, als ik zelf het vier dagen geleden heb doorleefd. Hoe zal ik je alles vertellen, wat ik daar zag, waar ik geweest ben, wat ik deed, wat de Fransche en Engelsche gewonden en gevangenen zeggen,wat deze menschen geleden hebben, en welke helden onze vijanden zijn! Ik zal dit alles later in Jasnaja of in Pirogoff vertellen; en veel zult ge door de pers van mij te weten komen. Op welke manier, dat zal ik later zeggen; nu zal ik alleen een begrip geven van den stand van onze zaken te Sewastopol. De stad is aan één zijde belegerd, nl. aan de zuidzijde, waar wij geen versterkingen hadden toen de vijand haar naderde. Thans hebben wij aan dien kant 500 kanonnen van groot kaliber en eenige reeksen aarden versterkingen, die beslist onneembaar zijn. Ik heb eene week lang in de vesting doorgebracht en in dien doolhof van batterijen als in een bosch rondgezworven. De vijand is op één plek in drie weken tijds 160 meter genaderd, en komt niet verder; bij de minste voorwaartsche beweging wordt hij met eene hagelbui van granaten begroet.“De geest onzer troepen gaat alle beschrijving te boven. In de dagen van het oude Griekenland was er zulk een heldenmoed niet. Toen Korniloff voorbij de troepen reed, zeide hij niet: ‘Houdt jelui goed, jongens!’, maar: ‘Jongens, weet jelui te sterven, als het moet?’—En donderend klonk het antwoord: ‘Wij zullen sterven, Excellentie! Hoera!’—En dit was geen effectbejag, want op ieders gelaat was te zien, dat het geen scherts maar ernst was, en reeds hebben 22,000 man hunne belofte vervuld!“Een gewonde soldaat, die bijna stervende was, vertelde mij met tranen in de oogen, dat zij den 24enNov. eene Fransche batterij genomen hadden, maar dat men hun geen versterking had gezonden.—Eene compagnie zeesoldaten sloeg bijna aan ’t muiten, omdat men hen bij eene batterij wilde aflossen, waar zij 30 dagen onder den bommenregen hadden gestaan. De soldaten rukten de lonten uit de bommen. Vrouwen droegen water naar de bastions. Reeds tellen wijvele dooden en gewonden. Priesters loopen met het kruis op de bastions, en zeggen te midden van het vuur gebeden op. Bij één brigade, de 24ste, waren 160 gewonden die het front niet wilden verlaten.“Wonderlijke tijd! Overigens hebben wij het thans, na den 24en, wat rustiger gekregen, en is het heerlijk in Sewastopol geworden. De vijand vuurt bijna niet, en allen zijn overtuigd dat hij de stad niet zal nemen. Werkelijk is dit onmogelijk. Omtrent ’s vijands plannen bestaan hier drie meeningen: òf hij zal eene bestorming doen; òf hij zal ons bij verrassing trachten te nemen; òf hij zal zich versterken en overwinteren. Het eerste is minder, maar het tweede het meest waarschijnlijk. Ik heb geen enkele maal het geluk gehad in gevecht te komen; maar ik dank God, dat ik deze mannen gezien heb en dezen schoonen tijd medeleef.“Het bombardement van den 5endezer zal het schitterendste en beroemdste feit zijn, niet alleen in de Russische, maar ook in de wereldgeschiedenis. Meer dan 1500 kanonnen hebben twee dagen lang de stad beschoten, zonder een enkele van onze 200 batterijen tot zwijgen te brengen, laat staan de vesting tot overgave te dwingen. Zoo men al in Rusland, naar het mij voorkomt, ongunstig over deze campagne denkt, de nakomelingschap zal haar boven alle andere stellen. Vergeet niet, dat wij bij gelijke, ja zelfs bij mindere krachten, alleen met ouderwetsche wapenen en met de slechtste troepen uit het Russische leger (zooals het 6decorps) strijden tegen een talrijken vijand, die eene vloot met 3000 vuurmonden bezit, die uitstekend gewapend is met karabijnen en zijne beste troepen in het vuur heeft. Nu spreek ik nog niet eens van het betere gehalte zijner generaals.“Alleenonsleger kan onder zulke omstandigheden pal staan en overwinnen; want dàt wij overwinnen zullen, daar ben ikvan overtuigd. Men moet die Fransche en Engelsche gevangenen eens zien: allen jonge mannen, en physiek zoowel als moreel kloek en dapper. De Kozakken zeggen zelfs, dat het jammer is er op in te hakken. Daar moet men onze helden eens naast zien staan, vooral zoo’n kleinen, smerigen, gerimpelden!“Nu zal ik gaan vertellen op welke wijze je van mij in de pers van de heldendaden diersmerige, gerimpeldehelden lezen zult. Onder het personeel onzer artillerie dat, zooals ik je, geloof ik, geschreven heb, uit zeer flinke en knappe lieden bestaat, is het denkbeeld ontstaan om een tijdschrift over den oorlog uit te geven, met het doel den goeden geest onder de troepen te bewaren: en wel een goedkoop (3 roebel) en populair blad, opdat de soldaten het lezen kunnen. Wij hebben een plan voor dit blad opgesteld en het den vorst aangeboden. Deze was met het denkbeeld zeer ingenomen, en heeft het plan met een proefnummer, dat wij tegelijk hadden saamgesteld, aan het besluit des Keizers onderworpen. De kosten van uitgaaf zullen Stolipin en ik voorschieten. Ik ben tot redacteur gekozen, tegelijk met zekeren heer Konstantinoff, die denKaukasusheeft uitgegeven en op dit punt een man van ondervinding is. In het blad zullen beschrijvingen van veldslagen worden opgenomen, maar geen droge en leugenachtige, zooals in andere bladen. Daden van moed, levensbeschrijvingen en necrologieën van kloeke mannen, vooral van minderen, krijgsverhalen, soldaten-liederen, populaire bijdragen over ingenieurs- en artilleriewetenschap,enz.De zaak staat mij zeer aan: ten eerste houd ik van zulke bezigheid, en ten tweede hoop ik, dat het blad nut zal stichten en niet geheel verwerpelijk zal zijn.“Dit alles is nog maar onderstelling, zoolang wij het antwoord van den Keizer niet weten; maar ik vrees er voor, dat wil ik bekennen. In het proefnummer, dat naar Petersburgis gezonden, zijn wij zoo onvoorzichtig geweest twee artikels te plaatsen—een van mij en het tweede van Rostoftseff—die niet geheelorthodoxzijn. Voor deze zaak heb ik 1500 roebel noodig, die ik Walerian verzocht heb mij toe te zenden. Nu ik er jou iets van verklapt heb, kan je het hem overbrengen.Wladimir Joeschkoff, Leo Tolstoi’s oom.—Blz. 96.Wladimir Joeschkoff, Leo Tolstoi’s oom.—Blz.96.“Ik ben, Goddank, gezond, en heb een vroolijk, aangenaam leven, sedert ik over de grenzen ben getrokken. In ’t algemeen laat mijn verblijf bij het leger zich in twee perioden verdeelen: eene vervelende vóór de grens (want ik was toen ziek, arm en alleen), en eene aangename binnen de grens, want nu ben ik gezond, heb goede vrienden, maar ben nog arm, wijl het geld hier wegvliegt.“Ik zal tante niet schrijven, doch wil eens beproeven of zij mij er toe aanspoort. Wat mij ongerust maakt, is dat ik vier jaar lang zonder vrouwelijk gezelschap leef; zoodoende kan ik geheel verharden en ongeschikt worden voor het familieleven, dat mij zoo dierbaar is.“Vaarwel! God weet, wanneer wij elkander weerzien; tenzij dat jij en Nikolaas er aan denken mochten eens een verren jachttocht te ondernemen, en van uit Tamboff een uitstapje naar het hoofdkwartier te doen.”Ik heb dezen merkwaardigen brief in zijn geheel geciteerd. Er blijkt uit, hoe jong van hart Tolstoi destijds was, hoe vatbaar om zich te laten meesleepen, en hoe dit laatste hem voor een deel belette eene duidelijke voorstelling te krijgen van al wat om hem heen gebeurde. Des te sterker, daarentegen, kwamen op dien achtergrond de flikkeringen uit van een klaar bewustzijn en eene profetische bezieling.Blijkbaar was Tolstoi’s gemoed, ondanks de sterke indrukken van buiten, niet geheel daarvan vervuld. In de eenzaamheid, bij het schrijven van zijn dagboek, mogelijk achter de blindeeringvan het 4debataillon, bleef hij dezelfde naar idealen zoekende en strevende mensch, die hij altijd geweest is en nòg is.Zijne gemoedsstemming in die dagen uitte zich in dezen dichterlijken vorm:“Wanneer zal ik toch eindelijk niet langerMijn leven zonder doel en hartstocht slijten:Eene diepe wonde in ’t harte gevoelen,En het middel niet kennen om haar te genezen?Wie sloeg deze wonde? God slechts weet het!Maar van mijne geboorte pijnigt mijEen bitter besef van mijne nietigheid,Een kwellend verdriet en twijfel.”Den 23stenNovember vertrok hij naar Simferopol.Op 6 Januari 1855 schreef hij zijne tante Tatjana een geruststellenden Franschen brief:“Ik heb aan de twee bloedige veldslagen, die in de Krim hebben plaats gehad, geen deel genomen, maar ben terstond na dien van den 24stenin Sewastopol gekomen en daar eene maand gebleven. Om den winter, die vooral nu buitengewoon streng is, wordt in het open veld niet meer gevochten; maar het beleg duurt voort. Hoe de afloop van dezen veldtocht zal zijn weet God alleen: maar in elk geval moet de Krim-campagne op de eene of andere wijze binnen 3 of 4 maanden eindigen. Doch helaas, het einde van de Krim-campagne beteekent niet het einde van den oorlog, die integendeel nog zeer lang zal duren.“Naar ik meen, heb ik in mijne brieven aan Sergius en Walerian gesproken over eene bezigheid, waarop ik het oog had en die mij zeer toelachte. Nu de zaak beslist is, kan ik het zeggen. Ik was voornemens een militair tijdschrift op te richten. Dit plan, waaraan ik met medewerking van vele uitstekende mannen gewerkt heb, werd door den vorstgoedgekeurd en aan Zijne Majesteit ter beoordeeling gezonden. Maar wijl men in ons land tegen alles intrigeert, zijn er lieden geweest die de concurrentie van dit blad duchtten; misschien ook dat het plan niet met de inzichten der regeering strookte—om kort te gaan: de Keizer heeft geweigerd.“Ik beken u: deze nederlaag heeft mij oneindig veel verdriet gedaan en mijne plannen zeer veranderd. Indien God wil dat de Krim-campagne goed afloopt, en als ik geen plaatsing krijg die mij voldoet; als Rusland daarenboven niet langer in oorlog is, zal ik het leger verlaten om naar de militaire academie in Petersburg te gaan. Ik heb dit besluit om deze redenen genomen:“1º. Omdat ik de letterkunde niet zou willen laten varen, waarmee ik mij in dit kampleven onmogelijk kan bezighouden.“2º. Omdat ik, naar het schijnt, eerzuchtig begin te worden, namelijk in dien zin, dat ik goed zou willen doen; maar daarvoor moet men meer dan tweede luitenant zijn.“3º. Om u allen en al mijne vrienden weer te zien. Nikolaas schrijft mij, dat Toerghenjeff met Maria heeft kennis gemaakt; dat verheugt mij. Indien gij hem eens thuis ziet, zeg hem dan, dat, ofschoon ik hem slechts bij geschrifte ken, ik hem tal van dingen te vertellen heb.”De onmiddellijk daarop volgende periode van zijn leven schetst Tolstoi zeer mooi in een’ brief aan zijn’ broeder, geschreven in Mei 1855, waarin hij een chronologisch overzicht geeft van de feiten uit zijn krijgsmansleven gedurende den winter van 1854 op 1855.“Ofschoon je stellig van de onzen gehoord zult hebben, waar ik geweest ben en wat ik gedaan heb, zal ik je mijne avonturen van Kischineff af op nieuw vertellen, te meer, omdat het misschien interessant voor je zal zijn,hoeik ze vertel; en daar mijn lot altijd op de eene of andere wijze verandert,zul je dus vernemen, aan welke wisselingen ik heb blootgestaan. Van Kischineff uit solliciteerde ik op 1 November naar de Krim, deels om den oorlog te zien, deels om mij aan den staf van Serzjpoetowski te onttrekken, die mij niet aanstond, maar het meest uit vaderlandsliefde, die—ik beken het—destijds sterk in mij gloeide. Ik solliciteerde niet naar eene bepaalde plaats, doch liet het aan de superieuren over om mijn lot te bepalen.“In de Krim werd ik geplaatst bij eene batterij in Sewastopol, waar ik eene maand zeer aangenaam heb doorgebracht in een club van eenvoudige, goede kameraden, die zich in den oorlog en in het gevaar bijzonder onderscheidden. In December zond men onze batterij naar Simferopol, waar ik 1½ maand in het geriefelijke huis van een’ landeigenaar woonde, met jonge dames danste en piano speelde, en met een gezelschap ambtenaren wilde geiten jaagde op den Tschatir-Dagh.“In Januari was er opnieuw verwisseling van officieren en werd ik overgeplaatst bij eene batterij, welke op 10 werst van Sewastopol aan den Belbek geposteerd was. Daar heb ik kennis gemaakt met de ellendigste club officieren van de batterij; de commandant was een goed, maar onbeschaafd man, en de barakken waren koud en zonder gerief. Geen enkel boek, geen enkel mensch met wien ik praten kon. Hier ontving ik de 1500 roebel voor het dagblad, dat reeds geweigerd was, doch verloor 2500 roebel met spelen en bewees daarmee aan de geheele wereld, dat ik nog steeds een onbeduidende kwajongen was; want al kon het bovenstaande als verzachtende omstandigheden gelden, zoo was het toch schandelijk.“In Maart werd het warmer en kwam Brenewski, een aangenaam en voortreffelijk mensch, bij de batterij; ik begon meer op mijn verhaal te komen, toen onze batterij op 1 April, te midden van het bombardement, naar Sewastopol vertrok,waar ik geheel op dreef kwam. Het is waar, dat ik hier in ernstig gevaar verkeerde—want om de 4 dagen had ik achtmaal wachtdienst bij de batterij van het 4debastion—maar het was hier tot 15 Mei prachtig lenteweder. Overvloed van menschen en indrukken, alle gemakken des levens en een gezellig clubje kameradencomme il faut—dat alles was oorzaak, dat die anderhalve maand een mijner aangenaamste herinneringen zal blijven.“Den 15denMei viel het Gortschakoff of den commandant der artillerie in, mij met de vorming en het commando over eene berg-compagnie aan den Belbek te belasten, welke op 20 werst van Sewastopol gelegen is. Tot nu toe ben ik in vele opzichten daarover zeer tevreden geweest. Ziehier de algemeene beschrijving; in een volgenden brief zal ik meer bijzonderheden over het tegenwoordige schrijven.”Wij kunnen aan deze korte beschrijving toevoegen, dat de schertsende toon van den brief niet in overeenstemming is met de ideeën en gevoelens, welke Tolstoi destijds vervulden.In zijn dagboek, dato 5 Maart 1855, staat de volgende profetie over zichzelf geschreven:“Een gesprek over de Godheid en het geloof heeft mij op een groot, machtig denkbeeld gebracht, en ik voel mij in staat aan de verwezenlijking daarvan mijn leven te wijden. Dit denkbeeld is de grondlegging van een nieuwen godsdienst, in overeenstemming met de ontwikkeling van het menschdom: den godsdienst van Christus, maar gezuiverd van dogma en mysticisme: een praktischen godsdienst, die geen gelukzaligheid belooft in de toekomst, maar gelukzaligheid geeft op aarde. Ik zie wel in, dat dit denkbeeld alleen ten uitvoer kan worden gebracht door geslachten, die bewust aan dit doel arbeiden. Het eene geslacht zal het aan het volgende vermaken, en den een of anderen tijd zal fantasieof gezond verstand het ten uitvoer brengen.Bewusthandelen in samenwerking met lieden van godsdienst—ziedaar de grondslag van de gedachte, die mij, hoop ik, zal blijven medesleepen.”Het is wel duidelijk, dat een man, die 50 jaar geleden deze regelen neerschreef en sedert met zulk eene kracht en volharding den grond is blijven leggen om dit denkbeeld te verwezenlijken,—dat zulk een man niet bij de artillerie thuis behoort.Hij had daarvan een vaag besef, en in zijne gedenkschriften duikt van tijd tot tijd het bewustzijn op, dat hij niet geschapen is voor de militaire loopbaan, maar voor de letterkunde.Hij heeft dan ook al dien tijd zijn letterkundigen arbeid niet laten varen.Reeds op weg van Roemenië naar Sewastopol voltooide hij:Het houthakken. Later, in Sewastopol, begon hij aanJongelingsjarenen schreef hij deVerhalen van Sewastopol.Van 11 tot 14 April was hij op het 4debastion. Het besef van gevaar voerde zijne ziel omhoog, en hij wendde zich tot God met dit gebed: “God, ik dank U voor Uwe voortdurende bescherming. Hoe juist leidt Gij mij naar het goede. En welk een nietig schepsel zou ik zijn, indien Gij mij verliet. Verlaat mij niet, o God; geef mij Uw’ zegen op mijn’ weg, en bevredig mijne nietige wenschen niet, opdat ik bereike het eeuwige en grootsche, onbekende, maar mij toch bewuste levensdoel.”Den 4denAugustus 1855 nam Tolstoi, schoon indirect, deel aan den slag bij de Tschernaja. Hij haastte zich zijne bloedverwanten gerust te stellen, en in een’ brief aan zijn’ broeder van 7 Augustus 1855 schreef hij, onder andere:“Ik schrijf je eenige regels, om je omtrent mij gerust te stellen naar aanleiding van den slag van den 4den, waarinik ongedeerd ben gebleven; ik heb trouwens niets gedaan, omdat mijn berggeschut niet behoefde te vuren.”Zooals blijkt uit eene briefwisseling tusschen Tolstoi en Njekrassoff volgde de graaf tegelijk den loop der Russische letterkunde, en steunde hij ijverig de redactie van denSawremjennik, waarvoor hij te Sewastopol een clubje medewerkers had gevonden. Hij schrijft Njekrassoff het volgende:“Waarde heer Nikolaas Alexejewitsch!“Gij zult mijne belofte voor een stuk:Sewastopol in Decemberen een artikel van Stolipin wel reeds ontvangen hebben. Hier zijn zij. Ondanks de overhaaste, slordige spelling van dit manuscript, moet gij uw best doen het te corrigeeren, zal het zonder doorhalingen van de censuur, welke de schrijver met alle macht heeft pogen te vermijden, gedrukt worden. Gij zult het wel met mij eens zijn, hoop ik, dat zulke verhandelingen over krijgszaken in ons land, helaas, maar zelden of nooit gedrukt worden. Misschien wordt met denzelfden koerier eene bijdrage van Sacken verzonden, waarvan ik niets zeg, en die gij, hoop ik, ook zult drukken. De verbeteringen in Stolipin’s artikel zijn door Chroeljeff met zwarten inkt en met de linkerhand gedaan, omdat zijne rechter gewond is. Stolipin verzoekt die in noten onder of naast den tekst te plaatsen. Wees zoo goed om zoowel mijn als Stolipin’s artikel, indien het kan, in de Juni-aflevering te zetten.“Nu hebben wij ons allen aaneengesloten, en begint de letterkundige vereeniging van het mislukte tijdschrift zich te organiseeren. Zooals ik u schreef, zult gij maandelijks 2, 3 of 4 bijdragen van actueelen inhoud over den oorlog van mij ontvangen. De twee beste medewerkers, Bakoenin en Rostoftseff, zijn nog niet met hunne opstellen gereed.“Wees zoo goed mij te antwoorden en in ’t algemeen uwe brieven mee te geven aan dezen koerier, adjudant van Gortschakoff,of aan de volgenden, die voortdurend tusschen u en hier heen en weer rennen.”Den 15enJuni ontving hij te Bachtschisarai een’ brief van Panajeff en de aflevering van denSawremjennik, waarin het verhaalSewastopol in Decembergedrukt stond. Uit den brief vernam hij, dat Keizer Alexander II zijn verhaal gelezen had.Blijkbaar had dit verhaal grooten indruk op den Keizer gemaakt, daar hij last gaf het in ’t Fransch te vertalen. In Juni voltooide TolstoiHet houthakken, dat hij naar denSawremjennikstuurde, en in Juli een nieuw verhaal,Sewastopol in Mei, dat eveneens naar de redactie werd gezonden.Met dit verhaal had het volgende plaats, zooals Panajeff in zijn’ brief aan Tolstoi dezen mededeelt.“In mijn’ brief aan u, welke u door tusschenkomst van Stolipin gewerd, schreef ik u, dat uwe bijdrage met onbeteekenende veranderingen door de Censuur was doorgelaten, en verzocht ik u mij niet kwalijk te nemen, dat aan het slot eenige woorden moesten worden toegevoegd, ter verzachting van de uitdrukking.... Het opstelEen nacht in Sewastopol3was reeds in 3000 exemplaren geheel gedrukt, toen de Censuur het eensklaps van de drukkerij opvroeg en de uitgaaf van het nummer tegenhield. Dientengevolge verscheen de Augustus-aflevering in Petersburg eerst op 16 Augustus. Tijdens mijne afwezigheid uit Petersburg (ik was voor eenige dagen op reis naar Moskou) bood zij het toen ter lezing aan den president van het censuur-comité, den u uit Kazan bekenden Poeschkin. Indien gij Poeschkin kent, kunt gij u gedeeltelijk voorstellen, wat toen volgde. Hij werd woedend, viel de Censuur aan en toen mij, dat ik zulke opstellen aan de Censuur aanbood, en maakte het eigenhandig over. Inmiddels keerde ik naar Petersburg terug, zag die veranderingen schrok. Ik had de verhandeling in ’t geheel niet willen drukken, maar Poeschkin legde mij de zaak uit, zeggende dat ikverplichtwas haar te drukken zooals zij was overgemaakt. Er was niets aan te doen, en uwe verminkte bijdrage verschijnt nu in de September-aflevering, doch zonder de letters L. N. T., die ik er later niet meer onder zag. Toch was het opstel zóó goed, dat ik het, zelfs na de totale omwerking door de Censuur, aan Miljoekoff, Krasnokoetski en anderen ter lezing heb gegeven. Het bevalt iedereen, en Miljoekoff schreef mij, dat het jammer zou zijn indien ik den lezers dit opstel onthield en het (zelfs in dezen vorm) niet liet drukken.“Wijt het in elk geval niet aan mij, dat uwe verhandeling in dezen vorm gedrukt is. Ik werd genoodzaakt het te doen. Indien God wil dat wij elkander eens ontmoeten (wat ik zeer wensch), zal ik u deze geschiedenis nader verklaren. Nu slechts een paar woorden over den indruk, dien uw verhaal(Een nacht in Sewastopol)in zijn oorspronkelijken vorm op ons te weeg brengt, en in ’t algemeen op ieder, dien ik het voorlees.... Van censuur is hier geen sprake.“Ieder vindt dit verhaal krachtiger dan het eerste, zoowel in toon en diepte van onderzoek der gemoedsbewegingen en aandoeningen bij menschen, die steeds den dood voor oogen hebben,—als in de juistheid, waarmee de typen van officieren zijn weergegeven, hun omgang met de aristokraten en hunne verhouding onderling; in één woord: alles is voortreffelijk en meesterlijk geschetst. Maar het geheel is zóózeer met bitterheid vervuld, alles is zóó scherp en giftig, wreed en troosteloos, dat de indruk op heden, nu de plaats der handeling van het verhaal bijna een heiligdom is, pijnlijk is voor menschen, die er ver van af zijn; het verhaal zou zelfs een zeer onaangenamen indruk kunnen maken.“Het houthakken, met een opdracht aan Toerghenjeff, verschijntook in September. Tusschen twee haakjes: Toerghenjeff verzoekt mij dringend u zeer voor de herinnering aan en de attentie jegens hem te bedanken.... Ook in dit verhaal, dat drie censuren ondergaan heeft: 1º. in den Kaukasus (censor de staatssecretaris Boetkoff), 2º. de militaire (generaal-majoor Stephen), en 3º. onze burgerlijke (mijne censuur en die van Poeschkin)—zijn helaas de typen van officieren en meer andere dingen geschrapt.”In September schreef Njekrassoff aan Tolstoi:“St.-Petersburg.“Waarde heer Tolstoi!“Half Augustus kwam ik te Petersburg, onder voor denSawremjennikzeer ongunstige omstandigheden. De ergerlijke wijze, waarop uwe bijdrage verminkt is geworden,4heeft mijn bloed in opstand gebracht. Tot heden kan ik er niet zonder ergernis en woede aan denken. Toch is uw werk niet geheel verloren, en zal het steeds getuigen van eene kracht, die hare vatbaarheid voor zulke diepe en nuchtere waarheid heeft behouden, onder omstandigheden waarin menigeen haar zou verliezen. Ik zal niet zeggen hoe hoog ik deze verhandeling stel, en wat de algemeene richting is van uw talent, maar alleen waarin dit nieuw en krachtig is. En juist dit is het, wat de Russische samenleving tegenwoordig behoeft: waarheid, de waarheid, waarvan sedert Gogol’s dood zoo weinig in de Russische literatuur is overgebleven.“Deze waarheid in den vorm, waarin gij haar in onze letterkunde inleidt, is bij ons iets geheel nieuws. Ik ken tegenwoordig geen auteur, die zooveel liefde en warme sympathie afdwingt als degeen aan wien ik schrijf. Alleen vrees ik, dat de tijd en de afschuwelijke werkelijkheid, de doove en stommeomgeving met u hetzelfde zullen doen, als met de meesten onzer: dat zij uwe energie zullen dooden, die geen schrijver kan missen, althans geen schrijver zooals Rusland thans behoeft.“Gij zijt jong; er zullen eenige veranderingen komen, die—willen wij hopen—goed zullen eindigen; en mogelijk ligt eene schitterende loopbaan vóór u. Uw begin is van dien aard, dat gij de voorzichtigste lieden noopt zich in hunne verwachtingen zeer ver te laten meesleepen.“Doch ik dwaal van het doel van mijn schrijven af. Ik zal u niet troosten met de verzekering, dat velen ook de gedrukte fragmenten uwer verhandeling uitstekend vinden; voor lieden, die haar in den tegenwoordigen vorm kennen, is zij niet meer dan eene verzameling woorden zonder zin en innerlijke beteekenis. Maar, er is niets aan te doen. Ik zeg alleen, dat het opstel niet gedrukt zou zijn, indien dit niet noodzakelijk was geweest. Uw naam staat er echter niet onder.“Het houthakkenliep vlot van stapel, ofschoon ook hieruit eenige kostbare regels zijn weggevallen. Mijne meening over dit onderwerp is deze: wat vorm betreft, doet het denken aan Toerghenjeff, doch daarmee houdt ook de vergelijking op; al het overige behoort u, en zou door niemand geschreven kunnen zijn, behalve door u. In deze schets staan eene menigte wonderlijk juiste opmerkingen, en het geheel is nieuw, interessant en waar. Versmaad dergelijke schetsen niet; van den soldaat heeft onze literatuur tot heden niet anders dan platheden gezegd. Ge zijt eerst aan het begin, en onverschillig in welken vorm gij datgene bekend maakt, wat ge van dit onderwerp weet,—alles zal ten hoogste interessant en nuttig zijn.“Panajeff heeft mij uw’ brief ter hand gesteld, waarin gij ons de spoedige toezending vanJongelingsjarenbelooft. Wees zoo goed het te zenden. Afgescheiden van het tijdschrift, stelik persoonlijk belang in de voortzetting van uw’ eersten arbeid. Wij zullen voorJongelingsjareneene plaats reserveeren in de 10deof 11deaflevering, naar gelang van den tijd dat het ontvangen wordt.“Het geld zal u dezer dagen gezonden worden. Des winters woon ik te Petersburg, en het zal mij aangenaam zijn, zoo u mij bij gelegenheid eenige regelen wilt schrijven.“Ontvang de verzekering van mijne oprechte hoogachting.“N. Njekrassoff.”Zooals van zelf spreekt, bracht Tolstoi zijn’ tijd niet in hoofdzaak met letterkundige bezigheden door. Hij leidde het gewone leven van een’ officier en was, volgens getuigenis zijner tijdgenooten en wapenbroeders, een goed kameraad.In de gedenkschriften van Nazarjeff komt een verhaal voor van een van Tolstoi’s vroegere makkers, die met zichtbaar welgevallen aan hem en aan den tijd terugdenkt, dien zij bij dezelfde batterij hadden doorgebracht. Hij had zich zelfs in een der helden uit de Sewastopol’sche verhalen herkend.“Zoo bezielde Tolstoi,” verhaalt de grijsaard met een vergenoegden glimlach, “in de moeilijke tijden van het krijgsmansleven allen en ieder door zijne vertellingen en in haast saamgestelde verzen. Hij was in den vollen zin des woords de ziel der batterij. Zoolang Tolstoi bij ons was, vloog de tijd voorbij en was er geen einde aan de algemeene vroolijkheid; doch nauwelijks was de graaf weg en naar Simferopol gegaan, of allen lieten het hoofd hangen. Zoo verliepen er een dag of twee, drie.... Eindelijk kwam hij terug.... precies als de verloren zoon: droefgeestig, vermagerd, misnoegd op zichzelf.... Hij nam mij terzijde, en begon kort daarna te biechten. Alles vertelde hij: zijn dolle uitgaan, zijn spelen, waar hij zijne dagen en nachten had doorgebracht, en—men zal het nauwelijks gelooven—daarbij had hij berouwen pijnigde hij zich als een werkelijk zondaar. Het was zelfs treurig hem aan te zien—zoo gebroken was hij. Was hij dezelfde man van vroeger? In één woord: het was zonderling en voor mij totaal onbegrijpelijk. Aan den anderen kant was hij een zeldzaam kameraad, een zeer oprechte ziel; en het zou mij onmogelijk zijn hem te vergeten.”Tolstoi’s gedrag als een dapper officier, en zijne relatiën met de hoogere kringen hadden hem eene voorspoedige militaire loopbaan kunnen verzekeren. Daartoe werkte ook mede het in druk verschijnen van zijneSewastopol’sche schetsen, welke de aandacht trokken van Keizer Nikolaas en Keizerin Alexandra Fedorowna. Men zegt, dat laatstgenoemde schreide, toen zij het eerste verhaal las. Maar diezelfde letterkundige gave heeft ook dien voorspoed belemmerd; want deSewastopol’sche liederenwaren een hinderpaal voor eene schitterende carrière.Een dergenen, die aan de samenstelling van deze liederen hadden deelgenomen, deelt, als persoonlijke getuige, het volgende mede.Gedurende den Krim-oorlog vereenigden zich dikwijls, ja bijna alle avonden, de leden van den staf der artillerie en eenige andere officieren bij het hoofd van dien staf, Krizjanowski.Gewoonlijk ging luitenant-kolonel Baljoezek voor de piano zitten; de andere stonden er in een kring omheen, en men improviseerde liederen. Elk droeg zijn woord en gedachte bij; ook graaf Tolstoi, maar niet altijd. Daarom kan gezegd worden, dat deze improvisatiën een algemeen karakter droegen, hetwelk de stemming der militaire clubs weergaf.Als men aan de omstandigheden denkt, waaronder deze liedjes gemaakt werden: al die verschrikkingen van den dood, het kermen der gewonden, die stroomen bloed, de branden en moorden, waarvan de dampkring te Sewastopol als bezwangerd was—dan moet men zich over die geestkrachtverwonderen, welke ruimte liet voor gemoedelijke grappen over supérieuren, onder het voortdurende gevaar van dood of verwonding!Intusschen verwierf Tolstoi in den kring der Petersburger letterkundigen meer en meer bekendheid. Een’ zijner scherpste critici, Toerghenjeff, had hij overwonnen. De lezers zullen zich uit een vorig hoofdstuk mevrouw Golowatschewa Panajewa herinneren, en hoe Toerghenjeff Panajeff om zijne geestdrift wat voor den gek hield.In het jaar 1854 schrijft hij o.a. uit Spasskoje aan E. Ja. Kolbasin, een der medewerkers van denSawremjennik:“Zeer verheugd ben ik over het succes vanJongensjaren. God geve, dat Tolstoi in leven blijve, want, naar ik hoop, zal hij ons allen nog verbazen; hij is een genie van den eersten rang. Ik heb hier met zijne zuster kennis gemaakt, eene zeer lieve, sympathieke vrouw, die ook met een’ graaf Tolstoi gehuwd is.”5Reeds bij het verschijnen der Sewastopol’sche verhalen geraakte Toerghenjeff in verrukking, en in een’ brief aan Panajeff uit hij die op de volgende wijze:“Tolstoi’s bijdrage over Sewastopol is een wonder! Bij het lezen er van werd ik tot schreiens toe bewogen, en riep ik: hoera! Ik ben zeer geneigd hem mijn nieuw verhaal op te dragen. De aankondiging over denSawremjennikheb ik in deMoskousche Courantgelezen. De hemel geve, dat gij uwe beloften kunt houden, namelijk, dat de bijdragen worden toegelaten, dat Tolstoi niet gedood worde, enz. Dit zal voor u eene heele steun zijn. Tolstoi’s opstellen hebben hier een algemeenen bijval verworven....“Spasskoje, 10 Juni 1855.”In ’t algemeen stond Tolstoi reeds na het verschijnen derSewastopol’sche verhalen op de hoogte der schrijvers van den eersten rang. Eene belangwekkende uitspraak van Pissemski over deze verhalen wordt door A. F. Koni in de levensbeschrijving van I. F. Gorboenoff aangehaald:“Omstreeks dien tijd,” zegt hij “sprak Pissemski, die toen dat belangrijke werkDuizend zielenhad geschreven, met Gorboenoff overeen in zijn opkomst zijnden grooten Russischen schrijver, naar aanleiding derSewastopol’-sche verhalen, waarvan hij juist eenige fragmenten had hooren voordragen.Dit officiertje zal ons allen verdringen, zooals men eene pen wegwerpt....”Na de overgave van Sewastopol werd Tolstoi als koerier naar Petersburg gezonden.Vóór zijn vertrek uit Sewastopol moest Tolstoi zijne literaire krachten wijden aan de samenstelling van een rapport over den laatsten veldslag. In zijne bijdrageEenige woorden naar aanleiding van Oorlog en Vrede, maakte de schrijver van dit rapport aldus melding:“Na het verlies van Sewastopol zond de artillerie-commandant Krizjanowski mij de rapporten der artillerie-officieren van alle bastions, en verzocht mij uit al die meer dan 20 rapporten, er één samen te stellen. Het spijt mij, dat ik die rapporten niet overgeschreven heb. Zij waren het beste voorbeeld van die naïeve, onvermijdelijke krijgsleugens, waaruit zulke beschrijvingen worden saamgesteld. Ik veronderstel, dat vele mijner kameraden, die toen deze rapporten hebben opgemaakt, bij het lezen van deze regelen zullen lachen bij de herinnering, dat zij op last van superieuren over dingen schreven, welke zij niet weten konden.”Zoolang Tolstoi in krijgsdienst was, leidde zijn liefde voor de rechtvaardigheid menigmaal tot botsingen met zijne superieuren en wapenbroeders.De Universiteit te Kazan, toen Tolstoi er studeerde.—Blz. 116.De Universiteit te Kazan, toen Tolstoi er studeerde.—Blz.116.Volgens de toenmalige gewoonte mochten de sectie-commandanten,en daaronder ook de batterij-commandant, bij het ontvangen van de rijksgelden voor het onderhoud der batterij al wat zij bespaarden voor zich behouden. Dit vormde voor de meeste commandanten vrij aardige inkomsten, maar leidde natuurlijk tot vele misbruiken.Als Tolstoi bij het opmaken der rekeningen een overschot in geld ontdekte, boekte hij dit op de ontvangst, d.w.z. hij weigerde het. Natuurlijk wekte deze handelwijze het misnoegen der andere commandanten. Generaal Krizjanowski liet hem roepen en gaf hem daarover eene berisping.Dit laatste bericht ons N. A. Kriloff, die in 1856 bij de batterij was overgeplaatst, welke Tolstoi kort te voren verlaten had, in zijnGedenkschriften:“Bij de brigade had hij de herinnering achtergelaten van een goed ruiter, een opgeruimd man en van een athleet. Zoo ging hij b.v. op den grond liggen, liet een’ man van ruim 80 kilo op zijn handen staan, strekte deze uit, en hief den man omhoog. Op den stok was niemand tegen hem opgewassen. Ook heeft hij vele anecdoten achtergelaten, die hij meesterlijk vertelde.... Men heeft den graaf er van beschuldigd, dat hij den officieren voorpredikte om, als een officierspaard niet had opgegeten wat er volgens de lijst voor uitgetrokken was, zelfs dan de overgeschoten fourage-gelden weer in de kas te storten.”In Petersburg wachtte Tolstoi een geheel ander leven, waaraan hij zich dan ook met al de jeugdige veerkracht die hem eigen was, wijdde.1Een poed is 16 kilo, 379 gram.2Al deze brieven zijn in het handschrift in het Fransch aangehaald.3Zoo heette toen het verhaalSewastopol in Mei.4Blijkbaar is hier sprake van Tolstoi’s verhaalSewastopol in Mei 1855.5Eerste bundel geschriften van J. S. Toerghenjeff.
Voordat ik met het verhaal van dit tijdvak begin, acht ik het noodig eenige woorden over den loop der politieke gebeurtenissen te zeggen, in verband waarmede ook de veranderingen in het leven van Leo Tolstoi plaats vonden.
De laatste jaren Van Keizer Nikolaas’ regeering zijn gekomen. De machtsinspanning heeft haar hoogsten trap bereikt, en de druk van het volk en de hoogere klassen der maatschappij heeft reeds een krachtig protest tegen een en ander verwekt. Zooals altijd, stort de overheid, die instinctmatig het haar dreigende gevaar gevoelt, zich in buitenlandsche avonturen, terwijl zij de opgehoopte volkskracht ontlaadt in de bloedige slachting van eene gehoorzame kudde soldaten, wier eenige opvoeding hierin bestaat, dat zij de steun van het gezag kunnen en willen zijn in de moeilijke uren van zijn misdadig leven. Ook het volk en de hoogere klassen storten zich in zulke slachtingen, evenals een mensch die verdriet heeft in elken walgelijken roes stilling zoekt voor zijne kwelling.
Zoo verklaart dan Rusland, door de tyrannie van Nikolaas I ondermijnd en zedelijk bedorven, op 4 November 1853 Turkije den oorlog. Den eersten tijd zijn de Russische troepen voorspoedig; zij overschrijden de Turksche grenzen, bezetten Moldavië, en de Zwarte-Zee-vloot, onder bevel van den vermaarden Nachimoff, vernietigt de Turksche scheepsmacht bij Sinope.
Dan mengen de Europeesche machten—Engeland en Frankrijk—zich in dien krijg, waarmede tegelijk de bekende Krim-oorlog een’ aanvang neemt, die met de heldhaftige verdediging van Sewastopol, zonder voorbeeld in de geschiedenis, besloten wordt. En zooals steeds in dergelijke gevallen, houdt het gemoedsleven in de harten der betere menschen, zoowel bij het volk als bij de hoogere standen, gelijken tred met de luidruchtige openbaringen van het leven daarbuiten; openbaart zich in het vormen van nieuwe idealen, en uit zich onvermijdelijk—zij het ook zwak—in liberale maatschappijke hervormingen. Die beide verschijnselen: de ontlading der volkskracht in heldendaden, en het zich verheffen van den volksgeest in de onthulling van nieuwe idealen, hebben ook op Tolstoi’s letterkundigen arbeid uit dien tijd hun’ stempel gedrukt.
En daar deze twee belangwekkende verschijnselen onmiddellijk met elkander in tweestrijd kwamen, nam die arbeid den vorm aan eener hooge tragische poëzie, waardoor zijne Sewastopol’sche verhalen zich kenmerken.
Toen Tolstoi, naar wij boven hebben meegedeeld, zijne bloedverwanten bezocht had, ging hij het eerst naar het Donau-leger.
Na aankomst te Boecharest schreef hij zijne tante Tatjana een’ brief in den vorm van een dagboek, in drie gedeelten, met eene korte beschrijving der reis en den eersten indruk bij de aankomst.
13 Maart. “Van Koersk heb ik bijna 2000 wersten afgelegd in plaats van 1000, zooals ik dacht, en ben over Poltawa, Balta, Kischineff, en niet over Kieff gegaan, hetgeen een omweg zou geweest zijn. Tot aan het gouvernement Cherson had ik eene uitmuntende slede; maar daar was ik genoodzaakt haar achter te laten, en 1000 werst in een’ wagen af te leggen, langs een afschuwelijken weg tot aan de grens en van de grens tot Boecharest. Die weg is onmogelijkte beschrijven; men moet er van genoten hebben, om te begrijpen hoe pleizierig het is 1000 werst af te leggen in een wagen, kleiner en slechter dan die, waarin men bij ons den mest vervoert. Ik verstond geen woord Moldavisch, vond niemand die Russisch verstond, en betaalde daarenboven voor acht paarden in plaats van voor twee. Ofschoon mijne reis slechts 9 dagen geduurd heeft, heb ik meer dan 200 roebels uitgegeven, en ben ik bijna ziek van vermoeienis aangekomen.”
17 Maart. “Vorst Gortschakoff was niet hier. Gisteren kwam hij en ben ik bij hem geweest. Hij heeft mij beter ontvangen dan ik dacht—alsof ik een bloedverwant was. Hij heeft mij omhelsd, mij uitgenoodigd om dagelijks bij hem te komen eten, en wil mij bij zich houden; maar dit is nog niet uitgemaakt.
“Vergeef mij, beste tante, dat ik u zoo weinig schrijf; ik ben nog niet geheel op mijn verhaal. De groote en fraaie stad, al die voorstellingen, de Italiaansche opera, de Fransche schouwburg, de twee jonge Gortschakoff’s, die zeer flinke jongelieden zijn,—dat alles maakt, dat ik geen twee uren thuis ben gebleven en niet aan mijne bezigheden gedacht heb.”
22 Maart. “Gisteren heb ik gehoord, dat ik niet bij den vorst blijf, maar naar Oltenitza ga, om mij bij mijne batterij te voegen.”
Eenigen tijd later schreef hij opnieuw, in eene andere stemming:
“Terwijl men denkt, dat ik aan alle gevaren van den oorlog blootgesteld ben, heb ik nog geen Turksch kruit geroken, en zit ik rustig te Boecharest, doe wandelingen, maak muziek en eet porties ijs. Werkelijk ben ik al dien tijd te Boecharest gebleven (behalve twee weken, die ik te Oltenitza heb doorgebracht, waar ik bij eene batterij geplaatst was, en één week, die ik aan strooptochten door Moldavië, Walachije en Bessarabiëbesteed heb, op last van generaal Sersjpoetowski, aan wien ik tegenwoordig voor speciale diensten ben toegevoegd), en om u de gulle waarheid te zeggen, staat deze eenigszins losse, geheel werkelooze en zeer kostbare leefwijze mij bijster tegen. Eerst was het de dienst, die mij hier terughield; maar nu ben ik er bijna drie weken geweest ten gevolge van eene koorts, die ik op reis heb opgedaan, doch waarvan ik, Gode zij dank, voor het oogenblik voldoende hersteld ben om binnen 2 of 3 dagen naar mijn’ generaal te gaan, die in het kamp bij Silistria is. Van mijn’ generaal gesproken: deze ziet er uit als een zeer dapper man, en schijnt, hoewel wij elkander zeer weinig kennen, mij wel genegen te zijn. Ook is het aangenaam, dat zijn staf meerendeels uit zeer gedistingeerde jongelieden bestaat. De twee zoons van prins Sergius, die ik hier ontmoet heb, zijn flinke jongens; vooral de jongste, die, al heeft hij het kruit niet uitgevonden, een zeer edel karakter en een uitmuntend hart bezit. Ik mag hem zeer graag lijden.”
Vervolgens citeeren wij een’ brief, die, ofschoon uit Sewastopol geschreven, betrekking heeft op de gebeurtenissen aan den Donau. Zooals de lezer zien zal, is deze brief door Tolstoi eerst aan zijne tante Tatjana gericht, en dan aan zijn’ broeder Nikolaas. Naar onze meening moest deze brief eene bladzijde vormen in de geschiedenis van Rusland.
“Ik zal u dan over het verledene spreken, over mijne herinneringen uit Silistria. Ik heb er zooveel belangwekkende, dichterlijke en treffende dingen gezien, dat de tijd, dien ik er heb doorgebracht, nooit uit mijn geheugen zal gaan. Ons kamp was aan gene zijde van den Donau, namelijk aan den rechter oever opgeslagen, op een zeer hoog terrein te midden van prachtige tuinen, toebehoorende aan Moestafa Pasha, den gouverneur van Silistria. Het uitzicht van die plek was nietalleen prachtig, maar voor ons allen van het hoogste gewicht. Zonder te spreken van den Donau, zijne eilanden en oevers, die gedeeltelijk door ons, gedeeltelijk door de Turken bezet waren, zag men de stad, de vesting en de kleine forten van Silistria als een schilderij voor zich liggen. Men hoorde het kanon- en geweervuur, dat dag noch nacht ophield; en met een’ verrekijker kon men de Turksche soldaten onderscheiden. Ofschoon het een zonderling genoegen is menschen elkander te zien dooden, begaf ik mij toch elken ochtend en avond naar mijn post en bleef daar uren kijken. En ik was niet de eenige die dat deed. Het schouwspel was werkelijk mooi, vooral des nachts. Gedurende den nacht gingen mijne soldaten gewoonlijk aan de loopgraven werken, en wierpen de Turken zich op hen, om dit te beletten. Dan moest men dat geweervuur eens zien en hooren! Den eersten nacht, dien ik in het kamp doorbracht, heeft dat vreeselijke rumoer mij wakker gemaakt en verschrikt; ik meende dat men ten aanval ging, en zette mijn paard in vollen galop; maar zij, die reeds eenigen tijd in het kamp hadden vertoefd, zeiden mij, dat ik mij kalm moest houden: dat dit kanon- en geweervuur een gewoon verschijnsel was, hetwelk men schertsenderwijze ‘Allah’ noemde. Toen ging ik weer liggen; maar wijl ik toch niet kon slapen, vermaakte ik mij door, met een horloge in de hand, de kanonschoten te tellen, die ik hoorde; en zoo heb ik er 110 in den tijd van eene minuut geteld. Toch zag dit alles er van nabij niet zoo schrikwekkend uit, als het wel lijkt. Des nachts, wanneer men toch niets ziet, was het eenvoudig de quaestie wie het meeste kruit zou verspillen; en met die duizenden kanonnen doodde men hoogstens een dertigtal manschappen aan weerszijden.
“Gij zult mij wel toestaan, beste tante, dat ik in dezen brief het woord richt tot Nikolaas; want nu ik eenmaal begonnen ben met bijzonderheden uit den oorlog te vertellen, wenschteik wel voort te gaan en aan een’ man te schrijven, die mij begrijpt en u opheldering kan geven over hetgeen u onduidelijk toeschijnt.
“Dat was dus een gewoon dagelijksch schouwspel voor ons, en waarin ook ik mijn deel had, als men mij niet met orders naar de loopgraven zond; maar wij hadden ook buitengewone tooneelen, zooalsbijv.den avond vóór de bestorming, toen men onder een der vijandelijke bastions eene mijn met 240 poed kruit heeft laten springen.1Op den morgen van dien dag was de vorst met zijn geheele staf (daar de generaal, bij wien ik was, er ook toe behoort, ben ik er óók geweest) in de loopgraven geweest, om de noodige schikkingen te treffen voor de bestorming van den volgenden dag. Het plan der bestorming (dat te uitvoerig is om het u hier te vertellen) was zóó goed gemaakt, alles was zóó wel voorzien, dat niemand aan den uitslag twijfelde. Wat dit betreft, moet ik u nog zeggen, dat ik bewondering voor den vorst begon te gevoelen. Trouwens, men moet eens onder officieren en soldaten over hem hooren spreken; niet alleen heb ik nooit kwaad van hem hooren zeggen, maar in ’t algemeen aanbidt men hem. Dien morgen heb ik hem voor het eerst in ’t vuur gezien.
“Men moet hem zien, die ietwat belachelijke figuur, met zijn hooge gestalte, de handen op den rug, de pet naar achteren, een’ bril op den neus en met een toon van spreken als van een kalkoenschen haan! Het is hem aan te zien, dat de algemeene loop van zaken hem zoozeer bezig houdt, dat kogels en bommen voor hem niet meer bestaan; hij stelt zich zoo gewoon aan het gevaar bloot, dat men zou zeggen dat hij er geen begrip van heeft, en dat men onwillekeurig meer voor hem bevreesd is, dan voor zichzelf. En hoe helder en juist geeft hij daarbij zijne bevelen, terwijl hij altijd minzaam is tegenelk! Hij is een groot man, dat wil zeggen een bekwaam en eerlijk man, zooals ik dit woord opvat: een man, die zijn geheele leven aan den dienst van zijn land heeft gewijd—niet uit eerzucht, maar uit plicht!
“Ik zal u een staaltje van hem vertellen, hetwelk verband houdt met de geschiedenis der bestorming, die ik zoo even begon te vertellen. Op den namiddag van denzelfden dag heeft men de mijn doen springen en hebben bijna 600 stukken geschut het fort beschoten, dat men wilde nemen. Den ganschen nacht is dit bombardement voortgezet; het was een dier vuurgevechten, een dier emotiën welke men nimmer vergeet. Des avonds is de vorst opnieuw in de loopgraven gekomen, en heeft zich hier te midden van het kanongebulder te slapen gelegd, om zelf de bestorming te leiden, welke dien nacht te 3 uren zou beginnen. Wij waren er allen; en zooals steeds aan den vooravond van een’ slag, nam elk den schijn aan alsof hij aan den volgenden dag als aan een gewonen dacht. Toch ben ik er in den grond van mijn hart zeker van, dat allen bij de gedachte aan de bestorming eene zekere beklemming voelden, en niet eene lichte, maar eene hevige.
“Zooals je weet, Nikolaas, is de tijd die aan een gevecht voorafgaat de meest onaangename; hij is de eenige waarin men tijd heeft om vrees te koesteren; en vrees is een der onaangenaamste gewaarwordingen. Tegen den morgen nam de vrees af, hoe meer het oogenblik naderde; en toen wij allen tegen 3 uren op het afsteken van den bundel vuurpijlen wachtten, dat het sein tot den aanval zou wezen, was ik zóó wel gestemd, alsof men mij was komen zeggen, dat de bestorming niet zou plaats hebben, wat mij zeer gespeten zou hebben.... En zie: juist een uur vóór het oogenblik der bestorming komt een adjudant van den maarschalk met bevel het beleg van Silistria op te breken!
“Zonder vrees van mij te bedriegen, durf ik zeggen, dat deze tijding door allen—soldaten, officieren en generaals—als eene ware Jobstijding werd ontvangen: te meer, omdat men van spionnen uit Silistria, die ons dikwijls in handen vielen en met wie ik zelf menigmaal gelegenheid had te spreken, gehoord had, dat na de verovering van dit fort (waaraan niemand twijfelde), Silistria het geen 2 of 3 dagen meer zou kunnen houden. Maar zoo er iemand door deze tijding getroffen moest worden, dan was het zeker de vorst, die gedurende den geheelen veldtocht alles ten beste beschikt had, en nu te midden van den strijd den maarschalk zag komen om de zaken te bederven, en tegenbevel ontving op het oogenblik dat hij eene bestorming zou beginnen, die hij als de eenige kans beschouwde om onze tegenspoeden goed te maken. Toch heeft de vorst, zoo vatbaar voor indrukken, geen oogenblik van slechte luim gehad; integendeel, hij was verheugd de slachting te kunnen vermijden, waarvan hij alle verantwoordelijkheid moest dragen; en zoolang de terugtocht duurde, dien hij zelf geleid heeft, wijl hij met den laatsten soldaat over de rivier wilde trekken, en die in opmerkelijke orde en juistheid volbracht werd,—is hij opgeruimder geweest dan ooit te voren. Tot die goede luim droeg niet weinig bij de uittocht van bijna 9000 Bulgaarsche gezinnen, die wij medenamen, gedachtig aan de wreedheid der Turken, waaraan ik, trots mijne ongeloovigheid op dit punt, wel genoodzaakt werd te gaan gelooven. Zoodra wij de verschillende door ons bezette Bulgaarsche dorpen verlaten hadden, kwamen de Turken er terug en joegen allen die zij er vonden over de kling, behalve de vrouwen die nog jong genoeg waren om voor een’ harem te dienen. Zoo was o.a. een dorp, waarheen ik mij uit het kamp begeven had om melk en vruchten te halen, op deze wijze uitgemoord.
“Niet zoodra had de vorst den Bulgaren doen weten, datallen die het wilden met het leger over den Donau konden trekken en Russische onderdanen worden, of het geheele land kwam in opschudding, en allen togen met vrouwen, kinderen, paarden en vee naar de brug. Daar het echter onmogelijk was om allen mee te nemen, was de vorst genoodzaakt de laatst aangekomenen af te wijzen. En men had eens moeten zien, hoezeer hem dit hinderde! Hij ontving alle deputatiën, welke deze arme lieden hem zonden, sprak met ieder, trachtte hun het onmogelijke van de zaak onder het oog te brengen, en stelde hun voor om zonder wagens en zonder vee den overtocht te doen. Zelfs nam hij op zich om voor hun onderhoud te zorgen totdat zij in Rusland waren gekomen, betaalde uit eigen middelen particuliere vaartuigen om hen te vervoeren—in één woord: hij deed al zijn best om de menschen goed te doen.
“Ja, beste tante, ik wenschte wel dat uwe profetie bewaarheid werd. Waar ik het meest naar streef is, adjudant te worden van een man als hij, dien ik in den grond van mijn hart liefheb en acht. Vaarwel, beste en goede tante, ik kus u de hand.”2
Te midden van die hevige en nieuwe gemoedsbewegingen, liet Tolstoi ook zijn voortdurenden arbeid—den innerlijken arbeid aan zichzelf—niet rusten. Die arbeid weerspiegelt zich in de gedenkschriften uit zijn dagboek.
7 Juli. “Bescheidenheid bezit ik niet! Ziedaar mijn groot gebrek. Wat ben ik eigenlijk? Een van de vier zoons van een gepensionneerd luitenant-kolonel, die, op 7-jarigen leeftijd ouderloos geworden, onder voogdijschap van vrouwen en vreemden kwam; die geen wereldsche en geen wetenschappelijke opleiding ontving, en ten speelbal van zijne 17 jaren de wereld inging. Iemand zonder groot fortuin, zonder eenige maatschappelijkepositie en, voornamelijk, zonder beginselen; die al zijne zaken in de war stuurde en de beste jaren zijns levens doelloos en zonder genot doorbracht; iemand, ten slotte, die zich naar den Kaukasus verbande, om zijne schulden en vooral zijne gewoonten te ontloopen; doch na twist te hebben gezocht om zekere betrekkingen, die tusschen zijn vader en den legercommandant bestaan hadden, op 26-jarigen leeftijd vandaar als vaandrig naar het Donau-leger ging, met bijna geen andere middelen dan zijn salaris, daar hij het geld, dat hij bezat, voor het betalen van achterstallige schulden moest besteden. Iemand zonder protectie, zonder wereldkennis, zonder kennis van den dienst, zonder practischen aanleg—maar met eene kolossale eigenliefde! Ja, zoo is mijn maatschappelijke toestand! Laat ons nu eens zien, hoe mijn persoon is.
“Ik ben leelijk, onhandig, onzindelijk, en zonder maatschappelijke vormen. Ik ben prikkelbaar, lastig voor anderen, onbescheiden, onverdraagzaam en schuchter als een kind. Bijna ben ik een droomer. Wat ik weet, heb ik slordig geleerd, op eigen houtje, in mijn vrijen tijd, zonder verband, zonder zin en dan nog zoo weinig! Ik ben niet ingetogen, besluiteloos, onbestendig, dom, ijdel en opvliegend, evenals alle karakterlooze lieden. Ook heb ik geen moed, leid geen ordelijk leven en ben zóó traag, dat nietsdoen eene bijna onoverwinnelijke gewoonte voor mij geworden is.
“Ik heb verstand; maar nog nooit is mijn verstand grondig in iets beproefd geworden. Praktisch verstand en verstand van wereldsche dingen of van zaken heb ik niet.
“Ik ben oprecht, dat wil zeggen: ik bemin het goede en heb mij die zucht tot eene gewoonte gemaakt. En wijk ik daar somtijds van af, dan ben ik ontevreden over mijzelf en keer er met blijdschap toe terug. Maar er is iets, waarvan ik meer houd dan het goede—namelijk de roem. Ik ben zoo eerzuchtig en aan dien hartstocht is zoo weinig voldaan, datik dikwijls vrees in staat te zullen zijn om tusschen eerzucht en deugd de eerste te kiezen, indien ik eens voor die keus gesteld werd.
“Ja, ik ben niet bescheiden; vandaar dat ik trotsch op mijzelf, maar schuchter en verlegen in de wereld ben.”
Soms werd hij door een dichterlijken geest bezield en schetste dan tafereeltjes, waarin ware kunst schuilt.
Wegens dienstzaken toefde hij eens in een klein Roemeensch stadje, waar hij op een avond in eene wonderlijke gemoedsstemming kwam, die zich in dezen vorm uitte:
“Na het middagmaal ging ik op de ellebogen over het balkon leunen, en keek met welgevallen naar mijne lantaarn die zoo kranig onder den boom brandde. Vandaag waren er eenige donderwolken komen opzetten, die zich boven de aarde ontlast hadden, terwijl één groote wolk het geheele zuiderdeel des hemels bleef bedekken. Wat was het toen frisch en aangenaam in de lucht! Het aardige dochtertje van mijn’ hospes lag ook, evenals ik, op de ellebogen in het venster. Op straat ging een draaiorgel voorbij; en toen nu de tonen van de lustige, ouderwetsche wals zich meer en meer verwijderden en eindelijk wegstierven, zuchtte het meisje uit het diepst van haar hart, richtte zich op en verliet ijlings het venster. Het was mij zoo droef en toch zoo wel te moede, dat ik onwillekeurig glimlachte: en nog lang keek ik naar mijne lantaarn, waarvan het licht soms wegschool achter de takken, die de wind bewoog, keek naar den boom, de schutting, den hemel—en dit alles was mij nog liever dan eerst.”
De vruchtelooze Donau-campagne, de terugtocht van het leger, het vervelende stafleven—dit alles bevredigde Tolstoi niet; hij zocht meer spannenden arbeid,sterkere emotiën, en vroeg om overplaatsing naar het Krimleger.
Den 20enJuli, na den terugtocht van Silistria, vertrok hij naar de Krim. Zijn weg liep over de steden Tekoetschi, Berlad, Jassy, Cherson, Odessa, Sewastopol, waar hij den 7denNovember 1854 aankwam. Onderweg werd hij ziek en kwam hij in het hospitaal, hetgeen zulk eene lange reis verklaarbaar maakt.
Bij aankomst te Sewastopol werd hij ingedeeld bij de 3delichte batterij der 14debrigade artillerie.
Hier ontving hij zulk eene menigte nieuwe indrukken, dat hij er niet zoo spoedig in thuis kon raken; en twee weken later, op 20 November, schreef hij eindelijk aan zijn’ broeder Sergius:
“Beste broeder Sergius!
“God weet hoe schuldig ik jegens u allen ben sedert het oogenblik van mijn vertrek; en hoe dit gekomen is, weet ik zelf niet; deels door het onbestendige leven, mijne vervelende positie, de inkwartiering; deels door den oorlog of andere belemmerende oorzaken, enz. enz.Maar de voornaamste reden is het leven met zijne verstrooiingen en rijkdom van indrukken. Ik heb dit jaar zooveel nieuwe dingen geleerd, zooveel nieuwe ervaringen en zielsindrukken opgedaan, dat ik waarlijk niet weet wat het eerst te zullen beschrijven; ook zou ik het niet kunnen zooals ik wel wilde. Aan tante schreef ik over Silistria, maar jou en Nikolaas zal ik zoo niet schrijven. Wèl wenschte ik u de dingen zóó te vertellen, dat gij mij begreept, gelijk ik wil. Silistria heeft nu afgedaan, en Sewastopol komt aan de beurt. Ik denk dat gij dit wel met dezelfde angstige spanning zult lezen, als ik zelf het vier dagen geleden heb doorleefd. Hoe zal ik je alles vertellen, wat ik daar zag, waar ik geweest ben, wat ik deed, wat de Fransche en Engelsche gewonden en gevangenen zeggen,wat deze menschen geleden hebben, en welke helden onze vijanden zijn! Ik zal dit alles later in Jasnaja of in Pirogoff vertellen; en veel zult ge door de pers van mij te weten komen. Op welke manier, dat zal ik later zeggen; nu zal ik alleen een begrip geven van den stand van onze zaken te Sewastopol. De stad is aan één zijde belegerd, nl. aan de zuidzijde, waar wij geen versterkingen hadden toen de vijand haar naderde. Thans hebben wij aan dien kant 500 kanonnen van groot kaliber en eenige reeksen aarden versterkingen, die beslist onneembaar zijn. Ik heb eene week lang in de vesting doorgebracht en in dien doolhof van batterijen als in een bosch rondgezworven. De vijand is op één plek in drie weken tijds 160 meter genaderd, en komt niet verder; bij de minste voorwaartsche beweging wordt hij met eene hagelbui van granaten begroet.
“De geest onzer troepen gaat alle beschrijving te boven. In de dagen van het oude Griekenland was er zulk een heldenmoed niet. Toen Korniloff voorbij de troepen reed, zeide hij niet: ‘Houdt jelui goed, jongens!’, maar: ‘Jongens, weet jelui te sterven, als het moet?’—En donderend klonk het antwoord: ‘Wij zullen sterven, Excellentie! Hoera!’—En dit was geen effectbejag, want op ieders gelaat was te zien, dat het geen scherts maar ernst was, en reeds hebben 22,000 man hunne belofte vervuld!
“Een gewonde soldaat, die bijna stervende was, vertelde mij met tranen in de oogen, dat zij den 24enNov. eene Fransche batterij genomen hadden, maar dat men hun geen versterking had gezonden.—Eene compagnie zeesoldaten sloeg bijna aan ’t muiten, omdat men hen bij eene batterij wilde aflossen, waar zij 30 dagen onder den bommenregen hadden gestaan. De soldaten rukten de lonten uit de bommen. Vrouwen droegen water naar de bastions. Reeds tellen wijvele dooden en gewonden. Priesters loopen met het kruis op de bastions, en zeggen te midden van het vuur gebeden op. Bij één brigade, de 24ste, waren 160 gewonden die het front niet wilden verlaten.
“Wonderlijke tijd! Overigens hebben wij het thans, na den 24en, wat rustiger gekregen, en is het heerlijk in Sewastopol geworden. De vijand vuurt bijna niet, en allen zijn overtuigd dat hij de stad niet zal nemen. Werkelijk is dit onmogelijk. Omtrent ’s vijands plannen bestaan hier drie meeningen: òf hij zal eene bestorming doen; òf hij zal ons bij verrassing trachten te nemen; òf hij zal zich versterken en overwinteren. Het eerste is minder, maar het tweede het meest waarschijnlijk. Ik heb geen enkele maal het geluk gehad in gevecht te komen; maar ik dank God, dat ik deze mannen gezien heb en dezen schoonen tijd medeleef.
“Het bombardement van den 5endezer zal het schitterendste en beroemdste feit zijn, niet alleen in de Russische, maar ook in de wereldgeschiedenis. Meer dan 1500 kanonnen hebben twee dagen lang de stad beschoten, zonder een enkele van onze 200 batterijen tot zwijgen te brengen, laat staan de vesting tot overgave te dwingen. Zoo men al in Rusland, naar het mij voorkomt, ongunstig over deze campagne denkt, de nakomelingschap zal haar boven alle andere stellen. Vergeet niet, dat wij bij gelijke, ja zelfs bij mindere krachten, alleen met ouderwetsche wapenen en met de slechtste troepen uit het Russische leger (zooals het 6decorps) strijden tegen een talrijken vijand, die eene vloot met 3000 vuurmonden bezit, die uitstekend gewapend is met karabijnen en zijne beste troepen in het vuur heeft. Nu spreek ik nog niet eens van het betere gehalte zijner generaals.
“Alleenonsleger kan onder zulke omstandigheden pal staan en overwinnen; want dàt wij overwinnen zullen, daar ben ikvan overtuigd. Men moet die Fransche en Engelsche gevangenen eens zien: allen jonge mannen, en physiek zoowel als moreel kloek en dapper. De Kozakken zeggen zelfs, dat het jammer is er op in te hakken. Daar moet men onze helden eens naast zien staan, vooral zoo’n kleinen, smerigen, gerimpelden!
“Nu zal ik gaan vertellen op welke wijze je van mij in de pers van de heldendaden diersmerige, gerimpeldehelden lezen zult. Onder het personeel onzer artillerie dat, zooals ik je, geloof ik, geschreven heb, uit zeer flinke en knappe lieden bestaat, is het denkbeeld ontstaan om een tijdschrift over den oorlog uit te geven, met het doel den goeden geest onder de troepen te bewaren: en wel een goedkoop (3 roebel) en populair blad, opdat de soldaten het lezen kunnen. Wij hebben een plan voor dit blad opgesteld en het den vorst aangeboden. Deze was met het denkbeeld zeer ingenomen, en heeft het plan met een proefnummer, dat wij tegelijk hadden saamgesteld, aan het besluit des Keizers onderworpen. De kosten van uitgaaf zullen Stolipin en ik voorschieten. Ik ben tot redacteur gekozen, tegelijk met zekeren heer Konstantinoff, die denKaukasusheeft uitgegeven en op dit punt een man van ondervinding is. In het blad zullen beschrijvingen van veldslagen worden opgenomen, maar geen droge en leugenachtige, zooals in andere bladen. Daden van moed, levensbeschrijvingen en necrologieën van kloeke mannen, vooral van minderen, krijgsverhalen, soldaten-liederen, populaire bijdragen over ingenieurs- en artilleriewetenschap,enz.De zaak staat mij zeer aan: ten eerste houd ik van zulke bezigheid, en ten tweede hoop ik, dat het blad nut zal stichten en niet geheel verwerpelijk zal zijn.
“Dit alles is nog maar onderstelling, zoolang wij het antwoord van den Keizer niet weten; maar ik vrees er voor, dat wil ik bekennen. In het proefnummer, dat naar Petersburgis gezonden, zijn wij zoo onvoorzichtig geweest twee artikels te plaatsen—een van mij en het tweede van Rostoftseff—die niet geheelorthodoxzijn. Voor deze zaak heb ik 1500 roebel noodig, die ik Walerian verzocht heb mij toe te zenden. Nu ik er jou iets van verklapt heb, kan je het hem overbrengen.
Wladimir Joeschkoff, Leo Tolstoi’s oom.—Blz. 96.Wladimir Joeschkoff, Leo Tolstoi’s oom.—Blz.96.
Wladimir Joeschkoff, Leo Tolstoi’s oom.—Blz.96.
“Ik ben, Goddank, gezond, en heb een vroolijk, aangenaam leven, sedert ik over de grenzen ben getrokken. In ’t algemeen laat mijn verblijf bij het leger zich in twee perioden verdeelen: eene vervelende vóór de grens (want ik was toen ziek, arm en alleen), en eene aangename binnen de grens, want nu ben ik gezond, heb goede vrienden, maar ben nog arm, wijl het geld hier wegvliegt.
“Ik zal tante niet schrijven, doch wil eens beproeven of zij mij er toe aanspoort. Wat mij ongerust maakt, is dat ik vier jaar lang zonder vrouwelijk gezelschap leef; zoodoende kan ik geheel verharden en ongeschikt worden voor het familieleven, dat mij zoo dierbaar is.
“Vaarwel! God weet, wanneer wij elkander weerzien; tenzij dat jij en Nikolaas er aan denken mochten eens een verren jachttocht te ondernemen, en van uit Tamboff een uitstapje naar het hoofdkwartier te doen.”
Ik heb dezen merkwaardigen brief in zijn geheel geciteerd. Er blijkt uit, hoe jong van hart Tolstoi destijds was, hoe vatbaar om zich te laten meesleepen, en hoe dit laatste hem voor een deel belette eene duidelijke voorstelling te krijgen van al wat om hem heen gebeurde. Des te sterker, daarentegen, kwamen op dien achtergrond de flikkeringen uit van een klaar bewustzijn en eene profetische bezieling.
Blijkbaar was Tolstoi’s gemoed, ondanks de sterke indrukken van buiten, niet geheel daarvan vervuld. In de eenzaamheid, bij het schrijven van zijn dagboek, mogelijk achter de blindeeringvan het 4debataillon, bleef hij dezelfde naar idealen zoekende en strevende mensch, die hij altijd geweest is en nòg is.
Zijne gemoedsstemming in die dagen uitte zich in dezen dichterlijken vorm:
“Wanneer zal ik toch eindelijk niet langerMijn leven zonder doel en hartstocht slijten:Eene diepe wonde in ’t harte gevoelen,En het middel niet kennen om haar te genezen?Wie sloeg deze wonde? God slechts weet het!Maar van mijne geboorte pijnigt mijEen bitter besef van mijne nietigheid,Een kwellend verdriet en twijfel.”
“Wanneer zal ik toch eindelijk niet langerMijn leven zonder doel en hartstocht slijten:Eene diepe wonde in ’t harte gevoelen,En het middel niet kennen om haar te genezen?Wie sloeg deze wonde? God slechts weet het!Maar van mijne geboorte pijnigt mijEen bitter besef van mijne nietigheid,Een kwellend verdriet en twijfel.”
“Wanneer zal ik toch eindelijk niet langer
Mijn leven zonder doel en hartstocht slijten:
Eene diepe wonde in ’t harte gevoelen,
En het middel niet kennen om haar te genezen?
Wie sloeg deze wonde? God slechts weet het!
Maar van mijne geboorte pijnigt mij
Een bitter besef van mijne nietigheid,
Een kwellend verdriet en twijfel.”
Den 23stenNovember vertrok hij naar Simferopol.
Op 6 Januari 1855 schreef hij zijne tante Tatjana een geruststellenden Franschen brief:
“Ik heb aan de twee bloedige veldslagen, die in de Krim hebben plaats gehad, geen deel genomen, maar ben terstond na dien van den 24stenin Sewastopol gekomen en daar eene maand gebleven. Om den winter, die vooral nu buitengewoon streng is, wordt in het open veld niet meer gevochten; maar het beleg duurt voort. Hoe de afloop van dezen veldtocht zal zijn weet God alleen: maar in elk geval moet de Krim-campagne op de eene of andere wijze binnen 3 of 4 maanden eindigen. Doch helaas, het einde van de Krim-campagne beteekent niet het einde van den oorlog, die integendeel nog zeer lang zal duren.
“Naar ik meen, heb ik in mijne brieven aan Sergius en Walerian gesproken over eene bezigheid, waarop ik het oog had en die mij zeer toelachte. Nu de zaak beslist is, kan ik het zeggen. Ik was voornemens een militair tijdschrift op te richten. Dit plan, waaraan ik met medewerking van vele uitstekende mannen gewerkt heb, werd door den vorstgoedgekeurd en aan Zijne Majesteit ter beoordeeling gezonden. Maar wijl men in ons land tegen alles intrigeert, zijn er lieden geweest die de concurrentie van dit blad duchtten; misschien ook dat het plan niet met de inzichten der regeering strookte—om kort te gaan: de Keizer heeft geweigerd.
“Ik beken u: deze nederlaag heeft mij oneindig veel verdriet gedaan en mijne plannen zeer veranderd. Indien God wil dat de Krim-campagne goed afloopt, en als ik geen plaatsing krijg die mij voldoet; als Rusland daarenboven niet langer in oorlog is, zal ik het leger verlaten om naar de militaire academie in Petersburg te gaan. Ik heb dit besluit om deze redenen genomen:
“1º. Omdat ik de letterkunde niet zou willen laten varen, waarmee ik mij in dit kampleven onmogelijk kan bezighouden.
“2º. Omdat ik, naar het schijnt, eerzuchtig begin te worden, namelijk in dien zin, dat ik goed zou willen doen; maar daarvoor moet men meer dan tweede luitenant zijn.
“3º. Om u allen en al mijne vrienden weer te zien. Nikolaas schrijft mij, dat Toerghenjeff met Maria heeft kennis gemaakt; dat verheugt mij. Indien gij hem eens thuis ziet, zeg hem dan, dat, ofschoon ik hem slechts bij geschrifte ken, ik hem tal van dingen te vertellen heb.”
De onmiddellijk daarop volgende periode van zijn leven schetst Tolstoi zeer mooi in een’ brief aan zijn’ broeder, geschreven in Mei 1855, waarin hij een chronologisch overzicht geeft van de feiten uit zijn krijgsmansleven gedurende den winter van 1854 op 1855.
“Ofschoon je stellig van de onzen gehoord zult hebben, waar ik geweest ben en wat ik gedaan heb, zal ik je mijne avonturen van Kischineff af op nieuw vertellen, te meer, omdat het misschien interessant voor je zal zijn,hoeik ze vertel; en daar mijn lot altijd op de eene of andere wijze verandert,zul je dus vernemen, aan welke wisselingen ik heb blootgestaan. Van Kischineff uit solliciteerde ik op 1 November naar de Krim, deels om den oorlog te zien, deels om mij aan den staf van Serzjpoetowski te onttrekken, die mij niet aanstond, maar het meest uit vaderlandsliefde, die—ik beken het—destijds sterk in mij gloeide. Ik solliciteerde niet naar eene bepaalde plaats, doch liet het aan de superieuren over om mijn lot te bepalen.
“In de Krim werd ik geplaatst bij eene batterij in Sewastopol, waar ik eene maand zeer aangenaam heb doorgebracht in een club van eenvoudige, goede kameraden, die zich in den oorlog en in het gevaar bijzonder onderscheidden. In December zond men onze batterij naar Simferopol, waar ik 1½ maand in het geriefelijke huis van een’ landeigenaar woonde, met jonge dames danste en piano speelde, en met een gezelschap ambtenaren wilde geiten jaagde op den Tschatir-Dagh.
“In Januari was er opnieuw verwisseling van officieren en werd ik overgeplaatst bij eene batterij, welke op 10 werst van Sewastopol aan den Belbek geposteerd was. Daar heb ik kennis gemaakt met de ellendigste club officieren van de batterij; de commandant was een goed, maar onbeschaafd man, en de barakken waren koud en zonder gerief. Geen enkel boek, geen enkel mensch met wien ik praten kon. Hier ontving ik de 1500 roebel voor het dagblad, dat reeds geweigerd was, doch verloor 2500 roebel met spelen en bewees daarmee aan de geheele wereld, dat ik nog steeds een onbeduidende kwajongen was; want al kon het bovenstaande als verzachtende omstandigheden gelden, zoo was het toch schandelijk.
“In Maart werd het warmer en kwam Brenewski, een aangenaam en voortreffelijk mensch, bij de batterij; ik begon meer op mijn verhaal te komen, toen onze batterij op 1 April, te midden van het bombardement, naar Sewastopol vertrok,waar ik geheel op dreef kwam. Het is waar, dat ik hier in ernstig gevaar verkeerde—want om de 4 dagen had ik achtmaal wachtdienst bij de batterij van het 4debastion—maar het was hier tot 15 Mei prachtig lenteweder. Overvloed van menschen en indrukken, alle gemakken des levens en een gezellig clubje kameradencomme il faut—dat alles was oorzaak, dat die anderhalve maand een mijner aangenaamste herinneringen zal blijven.
“Den 15denMei viel het Gortschakoff of den commandant der artillerie in, mij met de vorming en het commando over eene berg-compagnie aan den Belbek te belasten, welke op 20 werst van Sewastopol gelegen is. Tot nu toe ben ik in vele opzichten daarover zeer tevreden geweest. Ziehier de algemeene beschrijving; in een volgenden brief zal ik meer bijzonderheden over het tegenwoordige schrijven.”
Wij kunnen aan deze korte beschrijving toevoegen, dat de schertsende toon van den brief niet in overeenstemming is met de ideeën en gevoelens, welke Tolstoi destijds vervulden.
In zijn dagboek, dato 5 Maart 1855, staat de volgende profetie over zichzelf geschreven:
“Een gesprek over de Godheid en het geloof heeft mij op een groot, machtig denkbeeld gebracht, en ik voel mij in staat aan de verwezenlijking daarvan mijn leven te wijden. Dit denkbeeld is de grondlegging van een nieuwen godsdienst, in overeenstemming met de ontwikkeling van het menschdom: den godsdienst van Christus, maar gezuiverd van dogma en mysticisme: een praktischen godsdienst, die geen gelukzaligheid belooft in de toekomst, maar gelukzaligheid geeft op aarde. Ik zie wel in, dat dit denkbeeld alleen ten uitvoer kan worden gebracht door geslachten, die bewust aan dit doel arbeiden. Het eene geslacht zal het aan het volgende vermaken, en den een of anderen tijd zal fantasieof gezond verstand het ten uitvoer brengen.Bewusthandelen in samenwerking met lieden van godsdienst—ziedaar de grondslag van de gedachte, die mij, hoop ik, zal blijven medesleepen.”
Het is wel duidelijk, dat een man, die 50 jaar geleden deze regelen neerschreef en sedert met zulk eene kracht en volharding den grond is blijven leggen om dit denkbeeld te verwezenlijken,—dat zulk een man niet bij de artillerie thuis behoort.
Hij had daarvan een vaag besef, en in zijne gedenkschriften duikt van tijd tot tijd het bewustzijn op, dat hij niet geschapen is voor de militaire loopbaan, maar voor de letterkunde.
Hij heeft dan ook al dien tijd zijn letterkundigen arbeid niet laten varen.
Reeds op weg van Roemenië naar Sewastopol voltooide hij:Het houthakken. Later, in Sewastopol, begon hij aanJongelingsjarenen schreef hij deVerhalen van Sewastopol.
Van 11 tot 14 April was hij op het 4debastion. Het besef van gevaar voerde zijne ziel omhoog, en hij wendde zich tot God met dit gebed: “God, ik dank U voor Uwe voortdurende bescherming. Hoe juist leidt Gij mij naar het goede. En welk een nietig schepsel zou ik zijn, indien Gij mij verliet. Verlaat mij niet, o God; geef mij Uw’ zegen op mijn’ weg, en bevredig mijne nietige wenschen niet, opdat ik bereike het eeuwige en grootsche, onbekende, maar mij toch bewuste levensdoel.”
Den 4denAugustus 1855 nam Tolstoi, schoon indirect, deel aan den slag bij de Tschernaja. Hij haastte zich zijne bloedverwanten gerust te stellen, en in een’ brief aan zijn’ broeder van 7 Augustus 1855 schreef hij, onder andere:
“Ik schrijf je eenige regels, om je omtrent mij gerust te stellen naar aanleiding van den slag van den 4den, waarinik ongedeerd ben gebleven; ik heb trouwens niets gedaan, omdat mijn berggeschut niet behoefde te vuren.”
Zooals blijkt uit eene briefwisseling tusschen Tolstoi en Njekrassoff volgde de graaf tegelijk den loop der Russische letterkunde, en steunde hij ijverig de redactie van denSawremjennik, waarvoor hij te Sewastopol een clubje medewerkers had gevonden. Hij schrijft Njekrassoff het volgende:
“Waarde heer Nikolaas Alexejewitsch!
“Gij zult mijne belofte voor een stuk:Sewastopol in Decemberen een artikel van Stolipin wel reeds ontvangen hebben. Hier zijn zij. Ondanks de overhaaste, slordige spelling van dit manuscript, moet gij uw best doen het te corrigeeren, zal het zonder doorhalingen van de censuur, welke de schrijver met alle macht heeft pogen te vermijden, gedrukt worden. Gij zult het wel met mij eens zijn, hoop ik, dat zulke verhandelingen over krijgszaken in ons land, helaas, maar zelden of nooit gedrukt worden. Misschien wordt met denzelfden koerier eene bijdrage van Sacken verzonden, waarvan ik niets zeg, en die gij, hoop ik, ook zult drukken. De verbeteringen in Stolipin’s artikel zijn door Chroeljeff met zwarten inkt en met de linkerhand gedaan, omdat zijne rechter gewond is. Stolipin verzoekt die in noten onder of naast den tekst te plaatsen. Wees zoo goed om zoowel mijn als Stolipin’s artikel, indien het kan, in de Juni-aflevering te zetten.
“Nu hebben wij ons allen aaneengesloten, en begint de letterkundige vereeniging van het mislukte tijdschrift zich te organiseeren. Zooals ik u schreef, zult gij maandelijks 2, 3 of 4 bijdragen van actueelen inhoud over den oorlog van mij ontvangen. De twee beste medewerkers, Bakoenin en Rostoftseff, zijn nog niet met hunne opstellen gereed.
“Wees zoo goed mij te antwoorden en in ’t algemeen uwe brieven mee te geven aan dezen koerier, adjudant van Gortschakoff,of aan de volgenden, die voortdurend tusschen u en hier heen en weer rennen.”
Den 15enJuni ontving hij te Bachtschisarai een’ brief van Panajeff en de aflevering van denSawremjennik, waarin het verhaalSewastopol in Decembergedrukt stond. Uit den brief vernam hij, dat Keizer Alexander II zijn verhaal gelezen had.
Blijkbaar had dit verhaal grooten indruk op den Keizer gemaakt, daar hij last gaf het in ’t Fransch te vertalen. In Juni voltooide TolstoiHet houthakken, dat hij naar denSawremjennikstuurde, en in Juli een nieuw verhaal,Sewastopol in Mei, dat eveneens naar de redactie werd gezonden.
Met dit verhaal had het volgende plaats, zooals Panajeff in zijn’ brief aan Tolstoi dezen mededeelt.
“In mijn’ brief aan u, welke u door tusschenkomst van Stolipin gewerd, schreef ik u, dat uwe bijdrage met onbeteekenende veranderingen door de Censuur was doorgelaten, en verzocht ik u mij niet kwalijk te nemen, dat aan het slot eenige woorden moesten worden toegevoegd, ter verzachting van de uitdrukking.... Het opstelEen nacht in Sewastopol3was reeds in 3000 exemplaren geheel gedrukt, toen de Censuur het eensklaps van de drukkerij opvroeg en de uitgaaf van het nummer tegenhield. Dientengevolge verscheen de Augustus-aflevering in Petersburg eerst op 16 Augustus. Tijdens mijne afwezigheid uit Petersburg (ik was voor eenige dagen op reis naar Moskou) bood zij het toen ter lezing aan den president van het censuur-comité, den u uit Kazan bekenden Poeschkin. Indien gij Poeschkin kent, kunt gij u gedeeltelijk voorstellen, wat toen volgde. Hij werd woedend, viel de Censuur aan en toen mij, dat ik zulke opstellen aan de Censuur aanbood, en maakte het eigenhandig over. Inmiddels keerde ik naar Petersburg terug, zag die veranderingen schrok. Ik had de verhandeling in ’t geheel niet willen drukken, maar Poeschkin legde mij de zaak uit, zeggende dat ikverplichtwas haar te drukken zooals zij was overgemaakt. Er was niets aan te doen, en uwe verminkte bijdrage verschijnt nu in de September-aflevering, doch zonder de letters L. N. T., die ik er later niet meer onder zag. Toch was het opstel zóó goed, dat ik het, zelfs na de totale omwerking door de Censuur, aan Miljoekoff, Krasnokoetski en anderen ter lezing heb gegeven. Het bevalt iedereen, en Miljoekoff schreef mij, dat het jammer zou zijn indien ik den lezers dit opstel onthield en het (zelfs in dezen vorm) niet liet drukken.
“Wijt het in elk geval niet aan mij, dat uwe verhandeling in dezen vorm gedrukt is. Ik werd genoodzaakt het te doen. Indien God wil dat wij elkander eens ontmoeten (wat ik zeer wensch), zal ik u deze geschiedenis nader verklaren. Nu slechts een paar woorden over den indruk, dien uw verhaal(Een nacht in Sewastopol)in zijn oorspronkelijken vorm op ons te weeg brengt, en in ’t algemeen op ieder, dien ik het voorlees.... Van censuur is hier geen sprake.
“Ieder vindt dit verhaal krachtiger dan het eerste, zoowel in toon en diepte van onderzoek der gemoedsbewegingen en aandoeningen bij menschen, die steeds den dood voor oogen hebben,—als in de juistheid, waarmee de typen van officieren zijn weergegeven, hun omgang met de aristokraten en hunne verhouding onderling; in één woord: alles is voortreffelijk en meesterlijk geschetst. Maar het geheel is zóózeer met bitterheid vervuld, alles is zóó scherp en giftig, wreed en troosteloos, dat de indruk op heden, nu de plaats der handeling van het verhaal bijna een heiligdom is, pijnlijk is voor menschen, die er ver van af zijn; het verhaal zou zelfs een zeer onaangenamen indruk kunnen maken.
“Het houthakken, met een opdracht aan Toerghenjeff, verschijntook in September. Tusschen twee haakjes: Toerghenjeff verzoekt mij dringend u zeer voor de herinnering aan en de attentie jegens hem te bedanken.... Ook in dit verhaal, dat drie censuren ondergaan heeft: 1º. in den Kaukasus (censor de staatssecretaris Boetkoff), 2º. de militaire (generaal-majoor Stephen), en 3º. onze burgerlijke (mijne censuur en die van Poeschkin)—zijn helaas de typen van officieren en meer andere dingen geschrapt.”
In September schreef Njekrassoff aan Tolstoi:
“St.-Petersburg.“Waarde heer Tolstoi!“Half Augustus kwam ik te Petersburg, onder voor denSawremjennikzeer ongunstige omstandigheden. De ergerlijke wijze, waarop uwe bijdrage verminkt is geworden,4heeft mijn bloed in opstand gebracht. Tot heden kan ik er niet zonder ergernis en woede aan denken. Toch is uw werk niet geheel verloren, en zal het steeds getuigen van eene kracht, die hare vatbaarheid voor zulke diepe en nuchtere waarheid heeft behouden, onder omstandigheden waarin menigeen haar zou verliezen. Ik zal niet zeggen hoe hoog ik deze verhandeling stel, en wat de algemeene richting is van uw talent, maar alleen waarin dit nieuw en krachtig is. En juist dit is het, wat de Russische samenleving tegenwoordig behoeft: waarheid, de waarheid, waarvan sedert Gogol’s dood zoo weinig in de Russische literatuur is overgebleven.“Deze waarheid in den vorm, waarin gij haar in onze letterkunde inleidt, is bij ons iets geheel nieuws. Ik ken tegenwoordig geen auteur, die zooveel liefde en warme sympathie afdwingt als degeen aan wien ik schrijf. Alleen vrees ik, dat de tijd en de afschuwelijke werkelijkheid, de doove en stommeomgeving met u hetzelfde zullen doen, als met de meesten onzer: dat zij uwe energie zullen dooden, die geen schrijver kan missen, althans geen schrijver zooals Rusland thans behoeft.“Gij zijt jong; er zullen eenige veranderingen komen, die—willen wij hopen—goed zullen eindigen; en mogelijk ligt eene schitterende loopbaan vóór u. Uw begin is van dien aard, dat gij de voorzichtigste lieden noopt zich in hunne verwachtingen zeer ver te laten meesleepen.“Doch ik dwaal van het doel van mijn schrijven af. Ik zal u niet troosten met de verzekering, dat velen ook de gedrukte fragmenten uwer verhandeling uitstekend vinden; voor lieden, die haar in den tegenwoordigen vorm kennen, is zij niet meer dan eene verzameling woorden zonder zin en innerlijke beteekenis. Maar, er is niets aan te doen. Ik zeg alleen, dat het opstel niet gedrukt zou zijn, indien dit niet noodzakelijk was geweest. Uw naam staat er echter niet onder.“Het houthakkenliep vlot van stapel, ofschoon ook hieruit eenige kostbare regels zijn weggevallen. Mijne meening over dit onderwerp is deze: wat vorm betreft, doet het denken aan Toerghenjeff, doch daarmee houdt ook de vergelijking op; al het overige behoort u, en zou door niemand geschreven kunnen zijn, behalve door u. In deze schets staan eene menigte wonderlijk juiste opmerkingen, en het geheel is nieuw, interessant en waar. Versmaad dergelijke schetsen niet; van den soldaat heeft onze literatuur tot heden niet anders dan platheden gezegd. Ge zijt eerst aan het begin, en onverschillig in welken vorm gij datgene bekend maakt, wat ge van dit onderwerp weet,—alles zal ten hoogste interessant en nuttig zijn.“Panajeff heeft mij uw’ brief ter hand gesteld, waarin gij ons de spoedige toezending vanJongelingsjarenbelooft. Wees zoo goed het te zenden. Afgescheiden van het tijdschrift, stelik persoonlijk belang in de voortzetting van uw’ eersten arbeid. Wij zullen voorJongelingsjareneene plaats reserveeren in de 10deof 11deaflevering, naar gelang van den tijd dat het ontvangen wordt.“Het geld zal u dezer dagen gezonden worden. Des winters woon ik te Petersburg, en het zal mij aangenaam zijn, zoo u mij bij gelegenheid eenige regelen wilt schrijven.“Ontvang de verzekering van mijne oprechte hoogachting.“N. Njekrassoff.”
“St.-Petersburg.“Waarde heer Tolstoi!“Half Augustus kwam ik te Petersburg, onder voor denSawremjennikzeer ongunstige omstandigheden. De ergerlijke wijze, waarop uwe bijdrage verminkt is geworden,4heeft mijn bloed in opstand gebracht. Tot heden kan ik er niet zonder ergernis en woede aan denken. Toch is uw werk niet geheel verloren, en zal het steeds getuigen van eene kracht, die hare vatbaarheid voor zulke diepe en nuchtere waarheid heeft behouden, onder omstandigheden waarin menigeen haar zou verliezen. Ik zal niet zeggen hoe hoog ik deze verhandeling stel, en wat de algemeene richting is van uw talent, maar alleen waarin dit nieuw en krachtig is. En juist dit is het, wat de Russische samenleving tegenwoordig behoeft: waarheid, de waarheid, waarvan sedert Gogol’s dood zoo weinig in de Russische literatuur is overgebleven.“Deze waarheid in den vorm, waarin gij haar in onze letterkunde inleidt, is bij ons iets geheel nieuws. Ik ken tegenwoordig geen auteur, die zooveel liefde en warme sympathie afdwingt als degeen aan wien ik schrijf. Alleen vrees ik, dat de tijd en de afschuwelijke werkelijkheid, de doove en stommeomgeving met u hetzelfde zullen doen, als met de meesten onzer: dat zij uwe energie zullen dooden, die geen schrijver kan missen, althans geen schrijver zooals Rusland thans behoeft.“Gij zijt jong; er zullen eenige veranderingen komen, die—willen wij hopen—goed zullen eindigen; en mogelijk ligt eene schitterende loopbaan vóór u. Uw begin is van dien aard, dat gij de voorzichtigste lieden noopt zich in hunne verwachtingen zeer ver te laten meesleepen.“Doch ik dwaal van het doel van mijn schrijven af. Ik zal u niet troosten met de verzekering, dat velen ook de gedrukte fragmenten uwer verhandeling uitstekend vinden; voor lieden, die haar in den tegenwoordigen vorm kennen, is zij niet meer dan eene verzameling woorden zonder zin en innerlijke beteekenis. Maar, er is niets aan te doen. Ik zeg alleen, dat het opstel niet gedrukt zou zijn, indien dit niet noodzakelijk was geweest. Uw naam staat er echter niet onder.“Het houthakkenliep vlot van stapel, ofschoon ook hieruit eenige kostbare regels zijn weggevallen. Mijne meening over dit onderwerp is deze: wat vorm betreft, doet het denken aan Toerghenjeff, doch daarmee houdt ook de vergelijking op; al het overige behoort u, en zou door niemand geschreven kunnen zijn, behalve door u. In deze schets staan eene menigte wonderlijk juiste opmerkingen, en het geheel is nieuw, interessant en waar. Versmaad dergelijke schetsen niet; van den soldaat heeft onze literatuur tot heden niet anders dan platheden gezegd. Ge zijt eerst aan het begin, en onverschillig in welken vorm gij datgene bekend maakt, wat ge van dit onderwerp weet,—alles zal ten hoogste interessant en nuttig zijn.“Panajeff heeft mij uw’ brief ter hand gesteld, waarin gij ons de spoedige toezending vanJongelingsjarenbelooft. Wees zoo goed het te zenden. Afgescheiden van het tijdschrift, stelik persoonlijk belang in de voortzetting van uw’ eersten arbeid. Wij zullen voorJongelingsjareneene plaats reserveeren in de 10deof 11deaflevering, naar gelang van den tijd dat het ontvangen wordt.“Het geld zal u dezer dagen gezonden worden. Des winters woon ik te Petersburg, en het zal mij aangenaam zijn, zoo u mij bij gelegenheid eenige regelen wilt schrijven.“Ontvang de verzekering van mijne oprechte hoogachting.“N. Njekrassoff.”
“St.-Petersburg.
“Waarde heer Tolstoi!
“Half Augustus kwam ik te Petersburg, onder voor denSawremjennikzeer ongunstige omstandigheden. De ergerlijke wijze, waarop uwe bijdrage verminkt is geworden,4heeft mijn bloed in opstand gebracht. Tot heden kan ik er niet zonder ergernis en woede aan denken. Toch is uw werk niet geheel verloren, en zal het steeds getuigen van eene kracht, die hare vatbaarheid voor zulke diepe en nuchtere waarheid heeft behouden, onder omstandigheden waarin menigeen haar zou verliezen. Ik zal niet zeggen hoe hoog ik deze verhandeling stel, en wat de algemeene richting is van uw talent, maar alleen waarin dit nieuw en krachtig is. En juist dit is het, wat de Russische samenleving tegenwoordig behoeft: waarheid, de waarheid, waarvan sedert Gogol’s dood zoo weinig in de Russische literatuur is overgebleven.
“Deze waarheid in den vorm, waarin gij haar in onze letterkunde inleidt, is bij ons iets geheel nieuws. Ik ken tegenwoordig geen auteur, die zooveel liefde en warme sympathie afdwingt als degeen aan wien ik schrijf. Alleen vrees ik, dat de tijd en de afschuwelijke werkelijkheid, de doove en stommeomgeving met u hetzelfde zullen doen, als met de meesten onzer: dat zij uwe energie zullen dooden, die geen schrijver kan missen, althans geen schrijver zooals Rusland thans behoeft.
“Gij zijt jong; er zullen eenige veranderingen komen, die—willen wij hopen—goed zullen eindigen; en mogelijk ligt eene schitterende loopbaan vóór u. Uw begin is van dien aard, dat gij de voorzichtigste lieden noopt zich in hunne verwachtingen zeer ver te laten meesleepen.
“Doch ik dwaal van het doel van mijn schrijven af. Ik zal u niet troosten met de verzekering, dat velen ook de gedrukte fragmenten uwer verhandeling uitstekend vinden; voor lieden, die haar in den tegenwoordigen vorm kennen, is zij niet meer dan eene verzameling woorden zonder zin en innerlijke beteekenis. Maar, er is niets aan te doen. Ik zeg alleen, dat het opstel niet gedrukt zou zijn, indien dit niet noodzakelijk was geweest. Uw naam staat er echter niet onder.
“Het houthakkenliep vlot van stapel, ofschoon ook hieruit eenige kostbare regels zijn weggevallen. Mijne meening over dit onderwerp is deze: wat vorm betreft, doet het denken aan Toerghenjeff, doch daarmee houdt ook de vergelijking op; al het overige behoort u, en zou door niemand geschreven kunnen zijn, behalve door u. In deze schets staan eene menigte wonderlijk juiste opmerkingen, en het geheel is nieuw, interessant en waar. Versmaad dergelijke schetsen niet; van den soldaat heeft onze literatuur tot heden niet anders dan platheden gezegd. Ge zijt eerst aan het begin, en onverschillig in welken vorm gij datgene bekend maakt, wat ge van dit onderwerp weet,—alles zal ten hoogste interessant en nuttig zijn.
“Panajeff heeft mij uw’ brief ter hand gesteld, waarin gij ons de spoedige toezending vanJongelingsjarenbelooft. Wees zoo goed het te zenden. Afgescheiden van het tijdschrift, stelik persoonlijk belang in de voortzetting van uw’ eersten arbeid. Wij zullen voorJongelingsjareneene plaats reserveeren in de 10deof 11deaflevering, naar gelang van den tijd dat het ontvangen wordt.
“Het geld zal u dezer dagen gezonden worden. Des winters woon ik te Petersburg, en het zal mij aangenaam zijn, zoo u mij bij gelegenheid eenige regelen wilt schrijven.
“Ontvang de verzekering van mijne oprechte hoogachting.
“N. Njekrassoff.”
Zooals van zelf spreekt, bracht Tolstoi zijn’ tijd niet in hoofdzaak met letterkundige bezigheden door. Hij leidde het gewone leven van een’ officier en was, volgens getuigenis zijner tijdgenooten en wapenbroeders, een goed kameraad.
In de gedenkschriften van Nazarjeff komt een verhaal voor van een van Tolstoi’s vroegere makkers, die met zichtbaar welgevallen aan hem en aan den tijd terugdenkt, dien zij bij dezelfde batterij hadden doorgebracht. Hij had zich zelfs in een der helden uit de Sewastopol’sche verhalen herkend.
“Zoo bezielde Tolstoi,” verhaalt de grijsaard met een vergenoegden glimlach, “in de moeilijke tijden van het krijgsmansleven allen en ieder door zijne vertellingen en in haast saamgestelde verzen. Hij was in den vollen zin des woords de ziel der batterij. Zoolang Tolstoi bij ons was, vloog de tijd voorbij en was er geen einde aan de algemeene vroolijkheid; doch nauwelijks was de graaf weg en naar Simferopol gegaan, of allen lieten het hoofd hangen. Zoo verliepen er een dag of twee, drie.... Eindelijk kwam hij terug.... precies als de verloren zoon: droefgeestig, vermagerd, misnoegd op zichzelf.... Hij nam mij terzijde, en begon kort daarna te biechten. Alles vertelde hij: zijn dolle uitgaan, zijn spelen, waar hij zijne dagen en nachten had doorgebracht, en—men zal het nauwelijks gelooven—daarbij had hij berouwen pijnigde hij zich als een werkelijk zondaar. Het was zelfs treurig hem aan te zien—zoo gebroken was hij. Was hij dezelfde man van vroeger? In één woord: het was zonderling en voor mij totaal onbegrijpelijk. Aan den anderen kant was hij een zeldzaam kameraad, een zeer oprechte ziel; en het zou mij onmogelijk zijn hem te vergeten.”
Tolstoi’s gedrag als een dapper officier, en zijne relatiën met de hoogere kringen hadden hem eene voorspoedige militaire loopbaan kunnen verzekeren. Daartoe werkte ook mede het in druk verschijnen van zijneSewastopol’sche schetsen, welke de aandacht trokken van Keizer Nikolaas en Keizerin Alexandra Fedorowna. Men zegt, dat laatstgenoemde schreide, toen zij het eerste verhaal las. Maar diezelfde letterkundige gave heeft ook dien voorspoed belemmerd; want deSewastopol’sche liederenwaren een hinderpaal voor eene schitterende carrière.
Een dergenen, die aan de samenstelling van deze liederen hadden deelgenomen, deelt, als persoonlijke getuige, het volgende mede.
Gedurende den Krim-oorlog vereenigden zich dikwijls, ja bijna alle avonden, de leden van den staf der artillerie en eenige andere officieren bij het hoofd van dien staf, Krizjanowski.
Gewoonlijk ging luitenant-kolonel Baljoezek voor de piano zitten; de andere stonden er in een kring omheen, en men improviseerde liederen. Elk droeg zijn woord en gedachte bij; ook graaf Tolstoi, maar niet altijd. Daarom kan gezegd worden, dat deze improvisatiën een algemeen karakter droegen, hetwelk de stemming der militaire clubs weergaf.
Als men aan de omstandigheden denkt, waaronder deze liedjes gemaakt werden: al die verschrikkingen van den dood, het kermen der gewonden, die stroomen bloed, de branden en moorden, waarvan de dampkring te Sewastopol als bezwangerd was—dan moet men zich over die geestkrachtverwonderen, welke ruimte liet voor gemoedelijke grappen over supérieuren, onder het voortdurende gevaar van dood of verwonding!
Intusschen verwierf Tolstoi in den kring der Petersburger letterkundigen meer en meer bekendheid. Een’ zijner scherpste critici, Toerghenjeff, had hij overwonnen. De lezers zullen zich uit een vorig hoofdstuk mevrouw Golowatschewa Panajewa herinneren, en hoe Toerghenjeff Panajeff om zijne geestdrift wat voor den gek hield.
In het jaar 1854 schrijft hij o.a. uit Spasskoje aan E. Ja. Kolbasin, een der medewerkers van denSawremjennik:
“Zeer verheugd ben ik over het succes vanJongensjaren. God geve, dat Tolstoi in leven blijve, want, naar ik hoop, zal hij ons allen nog verbazen; hij is een genie van den eersten rang. Ik heb hier met zijne zuster kennis gemaakt, eene zeer lieve, sympathieke vrouw, die ook met een’ graaf Tolstoi gehuwd is.”5
Reeds bij het verschijnen der Sewastopol’sche verhalen geraakte Toerghenjeff in verrukking, en in een’ brief aan Panajeff uit hij die op de volgende wijze:
“Tolstoi’s bijdrage over Sewastopol is een wonder! Bij het lezen er van werd ik tot schreiens toe bewogen, en riep ik: hoera! Ik ben zeer geneigd hem mijn nieuw verhaal op te dragen. De aankondiging over denSawremjennikheb ik in deMoskousche Courantgelezen. De hemel geve, dat gij uwe beloften kunt houden, namelijk, dat de bijdragen worden toegelaten, dat Tolstoi niet gedood worde, enz. Dit zal voor u eene heele steun zijn. Tolstoi’s opstellen hebben hier een algemeenen bijval verworven....
“Spasskoje, 10 Juni 1855.”
In ’t algemeen stond Tolstoi reeds na het verschijnen derSewastopol’sche verhalen op de hoogte der schrijvers van den eersten rang. Eene belangwekkende uitspraak van Pissemski over deze verhalen wordt door A. F. Koni in de levensbeschrijving van I. F. Gorboenoff aangehaald:
“Omstreeks dien tijd,” zegt hij “sprak Pissemski, die toen dat belangrijke werkDuizend zielenhad geschreven, met Gorboenoff overeen in zijn opkomst zijnden grooten Russischen schrijver, naar aanleiding derSewastopol’-sche verhalen, waarvan hij juist eenige fragmenten had hooren voordragen.Dit officiertje zal ons allen verdringen, zooals men eene pen wegwerpt....”
Na de overgave van Sewastopol werd Tolstoi als koerier naar Petersburg gezonden.
Vóór zijn vertrek uit Sewastopol moest Tolstoi zijne literaire krachten wijden aan de samenstelling van een rapport over den laatsten veldslag. In zijne bijdrageEenige woorden naar aanleiding van Oorlog en Vrede, maakte de schrijver van dit rapport aldus melding:
“Na het verlies van Sewastopol zond de artillerie-commandant Krizjanowski mij de rapporten der artillerie-officieren van alle bastions, en verzocht mij uit al die meer dan 20 rapporten, er één samen te stellen. Het spijt mij, dat ik die rapporten niet overgeschreven heb. Zij waren het beste voorbeeld van die naïeve, onvermijdelijke krijgsleugens, waaruit zulke beschrijvingen worden saamgesteld. Ik veronderstel, dat vele mijner kameraden, die toen deze rapporten hebben opgemaakt, bij het lezen van deze regelen zullen lachen bij de herinnering, dat zij op last van superieuren over dingen schreven, welke zij niet weten konden.”
Zoolang Tolstoi in krijgsdienst was, leidde zijn liefde voor de rechtvaardigheid menigmaal tot botsingen met zijne superieuren en wapenbroeders.
De Universiteit te Kazan, toen Tolstoi er studeerde.—Blz. 116.De Universiteit te Kazan, toen Tolstoi er studeerde.—Blz.116.
De Universiteit te Kazan, toen Tolstoi er studeerde.—Blz.116.
Volgens de toenmalige gewoonte mochten de sectie-commandanten,en daaronder ook de batterij-commandant, bij het ontvangen van de rijksgelden voor het onderhoud der batterij al wat zij bespaarden voor zich behouden. Dit vormde voor de meeste commandanten vrij aardige inkomsten, maar leidde natuurlijk tot vele misbruiken.
Als Tolstoi bij het opmaken der rekeningen een overschot in geld ontdekte, boekte hij dit op de ontvangst, d.w.z. hij weigerde het. Natuurlijk wekte deze handelwijze het misnoegen der andere commandanten. Generaal Krizjanowski liet hem roepen en gaf hem daarover eene berisping.
Dit laatste bericht ons N. A. Kriloff, die in 1856 bij de batterij was overgeplaatst, welke Tolstoi kort te voren verlaten had, in zijnGedenkschriften:
“Bij de brigade had hij de herinnering achtergelaten van een goed ruiter, een opgeruimd man en van een athleet. Zoo ging hij b.v. op den grond liggen, liet een’ man van ruim 80 kilo op zijn handen staan, strekte deze uit, en hief den man omhoog. Op den stok was niemand tegen hem opgewassen. Ook heeft hij vele anecdoten achtergelaten, die hij meesterlijk vertelde.... Men heeft den graaf er van beschuldigd, dat hij den officieren voorpredikte om, als een officierspaard niet had opgegeten wat er volgens de lijst voor uitgetrokken was, zelfs dan de overgeschoten fourage-gelden weer in de kas te storten.”
In Petersburg wachtte Tolstoi een geheel ander leven, waaraan hij zich dan ook met al de jeugdige veerkracht die hem eigen was, wijdde.
1Een poed is 16 kilo, 379 gram.2Al deze brieven zijn in het handschrift in het Fransch aangehaald.3Zoo heette toen het verhaalSewastopol in Mei.4Blijkbaar is hier sprake van Tolstoi’s verhaalSewastopol in Mei 1855.5Eerste bundel geschriften van J. S. Toerghenjeff.
1Een poed is 16 kilo, 379 gram.
2Al deze brieven zijn in het handschrift in het Fransch aangehaald.
3Zoo heette toen het verhaalSewastopol in Mei.
4Blijkbaar is hier sprake van Tolstoi’s verhaalSewastopol in Mei 1855.
5Eerste bundel geschriften van J. S. Toerghenjeff.