Negende hoofdstuk.St.-Petersburg.Als koerier naar Petersburg gezonden, werd Tolstoi bij eene veldbatterij geplaatst, onder bevel van generaal Konstantinoff, en keerde niet weer naar het leger terug.Bij zijne aankomst te Petersburg op 21 November 1855 bezocht hij onmiddellijk den letterkundigen kring van denSawremjenniken werd hier met open armen ontvangen.Tolstoi doet ons een verhaal van dien tijd in zijneBiechtdat aldus luidt:“Destijds begon ik te schrijven uit ijdelheid, eigenbelang en trots. In mijne geschriften deed ik hetzelfde, als in het leven. Om naam en geld te krijgen, ter wille waarvan ik schreef, moest ik het goede bemantelen en het kwade bekend maken; en dat hèb ik gedaan. Hoe dikwijls heb ik op listige wijze, in den vorm van onverschilligheid en zelfs van lichte spotzucht, in mijne geschriften die neigingen tot het goede verborgen, welke den zin mijns levens vormden. En dit heb ik bereikt: men heeft mij geprezen.“Op den leeftijd van 27 jaren kwam ik, na afloop van den oorlog, te Petersburg met schrijvers tezamen. Men ontving mij als een der hunnen en vleide mij.”Natuurlijk werd Tolstoi, 20 jaren na het schrijven van deze regelen, door andere gevoelens bestormd; maar de kiemen van het scepticisme, van dit wreede, onmeedoogende zelfonderzoek hebben zich reedstoengeopenbaard en zijne collega’s verbaasd.DeSawremjennikwas een tijdschrift, opgericht door A. N. Poeschkin en Pletnjeff. Het eerste nummer er van verscheen in 1836; na Poeschkin’s dood zette Pletnjeff, van 1838 tot 1846, de uitgaaf voort; maar hierna zweeg het blad geheel. In 1847 werd het recht van uitgaaf verkregen door I. I. Panajeff en N. A. Njekrassoff, die, in vereeniging met den bekenden criticus Belinski, weldra de beste litteraire krachten tot medewerking aan het blad wisten te bewegen; en tot het jaar 1866, toen het op last der autoriteiten geschorst werd, is het blad het vooruitstrevende hoofdorgaan geweest op het gebied van fraaie letteren en kritiek.Bij Tolstoi’s komst te Petersburg bestond de meer intieme kring van denSawremjennikuit letterkundigen, die in de twee in dit werk voorkomende groepen worden voorgesteld, te weten: Panajeff, Njekrassoff, Toerghenjeff, Tolstoi, Droezjinin, Ostrowski, Gontscharoff, Grigorowitsch en Sollogoeb. Van hen die niet in deze groepen figureeren, kunnen genoemd worden: W. P. Botkin, Fet en anderen.De hoofdmedewerkers van denSawremjennikwaren, wat de deelneming aan het tijdschrift en de verdeeling van het honorarium betrof, door zekereartél-verplichtingen1gebonden. Dikwijls bezwaarden die verplichtingen de deelnemers en waren dan oorzaak van allerlei onaangename conflicten in den letterkundigen kring. Uitgevers en redacteuren van andere tijdschriften vroegen vermaarde schrijvers om letterkundige bijdragen, waardoor de administratie van denSawremjennikzich gekrenkt voelde, en wederkeerig. De Duitsche schrijver Löwenfeld deelt van een dezer conflicten het volgende mede:“Tusschen Toerghenjeff en Katkoff was een twist ontstaan, waarin ook Tolstoi gemengd werd—zij het dan voor een deel door eigen schuld. Toerghenjeff was eerst de vlijtige medewerker van Katkoff geweest, en voor laatstgenoemde was het natuurlijk onaangenaam zulk een uitstekenden schrijver te verliezen. Hij droeg zijn broeder op de beide jonge auteurs dagelijks te bezoeken, en hun om bijdragen voor zijn tijdschrift te vragen. Toerghenjeff, die eindelooze aanvragen moede, beloofde op zekeren dag iets voor Katkoff te zullen meegeven, doch kon deze belofte niet nakomen. Katkoff ontstak in hevige woede en begon Toerghenjeff openlijk te beleedigen, zich beklagende, dat Toerghenjeff eenmaal beloofd had aan zijn blad te zullen medewerken, en bijgevolg niet het recht had om zijne pennevruchten uitsluitend aan denSawremjennikte geven. Aan den anderen kant had hij, als lid van de artélSawremjennik, niet het recht te beloven, dat hij voor Katkoff’s tijdschrift zou werken. Zijn zachte, toegevende aard had hem ditmaal een slechten dienst bewezen.“Tolstoi nam het voor zijn’ vriend op. Hij schreef Katkoff een langen brief om Toerghenjeff te rechtvaardigen.—‘De zachtmoedigheid van Toerghenjeff, zijne minzaamheid,’ schreef Tolstoi, ‘hadden hem bewogen aan twee kanten beloften te doen.’ Hij verzocht Katkoff dezen verweerbrief openbaar te maken. Katkoff stemde toe, maar onder voorwaarde dat ook zijn antwoord zou worden gepubliceerd, en zond Tolstoi het ontwerp van zijn’ brief. De inhoud van dit antwoord was echter van dien aard, dat Tolstoi er de voorkeur aan gaf zich aan de inmenging te onttrekken.”2De artél van denSawremjennikhield niet lang stand en ging in eene gewone tijdschrift-organisatie over.Tolstoi heeft Belinski niet bij denSawremjennikontmoet. Naar men weet, was Belinski in 1848 gestorven, na zich voor de instandhouding van het tijdschrift veel moeite te hebben gegeven. Zijn enthousiasme had dit stervende blad met nieuw leven bezield en het bestaan er van voor langen tijd verzekerd. Op Tolstoi is echter een rechtstreeksche invloed van Belinski niet merkbaar geweest.Eenerzijds lag de oorzaak hierin, dat zij menschen waren van verschillende tijdperken. Belinski was in den waren zin des woords een man uit den tijd van ’40; en Tolstoi, die eerst in de jaren na ’50 de letterkundige loopbaan betrad, vond slechts volgers van Belinski, die de aantrekkingskracht van hun’ voorganger misten. Aan den anderen kant was de sfeer, waarin Tolstoi was groot gebracht, niet gunstig voor zijne aanraking met de letterkundigeonadellijken, gelijk zij zich zelven noemden. Hij hield zich bij den kring van personen die hem meer in opvoeding nabij kwamen, en zelfs onder dezen was hij altijd afgescheiden, onafhankelijk,—iemand die wel de meeste tegenstanders influënceerde, doch weinig vatbaar was voor invloed van buiten. Men kan ook eene veel diepere, eene principiëele oorzaak aanwijzen. Ofschoon zich in de jaren na ’50 bij Tolstoi nog geen bepaalde wereldbeschouwing gevormd had, heeft de richting van denSawremjennikhem toch nooit aangetrokken. Eindelijk hebben, volgens Tolstoi’s eigen bekentenis, genieën op het gebied der fraaie letteren altijd meer invloed op zijn letterkundigen arbeid gehad, dan genieën op het gebied der journalistiek.Op wijsgeerig gebied ondervond hij in zijne jeugd den meesten invloed van de zijde van Rousseau.In een gesprek over de Fransche literatuur met denParijschen hoogleeraar Boyer, die hem in de lente van het jaar 1901 een bezoek bracht, drukte Tolstoi zich over zijne beide leermeesters, Rousseau en Stendhal, uit als volgt:“Tegenover Rousseau is men onbillijk geweest; de grootheid van zijne idee is niet erkend, en op alle mogelijke wijzen heeft men hem belasterd. Ik heb den geheelen Rousseau gelezen: alle 20 deelen, waaronder hetWoordenboek der Muziek. Hij heeft mij in verrukking gebracht—meer nog, ik heb hem vergood. Toen ik 15 jaar oud was, droeg ik in stede van een kruis op de borst, een medaillon om den hals met zijn portret. Vele bladzijden uit zijne werken staan zóó diep in mijne ziel gegrift, dat het mij toeschijnt of ik ze zelf geschreven heb.“Wat Stendhal betreft,” ging Tolstoi voort, “van hem zal ik alleen spreken, als van den schrijver vanLa Chartreuse de ParmeenRouge et Noir. Dit zijn twee groote, onnavolgbare voortbrengselen der fraaie letteren. Aan Stendhal ben ik meer verschuldigd, dan aan iemand anders. Hij heeft mij den oorlog leeren begrijpen. Lees eens inLa Chartreuse de Parmehet verhaal van den slag bij Waterloo! Wie heeft, vóór hem, den oorlog zóó beschreven: namelijk zoo, als hij in werkelijkheid is? Denk aan Fabricius, die over het slagveld rijdt, en ernietsvan begrijpt! Later heeft mijn broeder, die vóór mij in den Kaukasus gediend heeft, mij de juistheid van Stendhal’s beschrijvingen bevestigd. Hij hield veel van den oorlog, maar behoorde niet tot hen, die gelooven aan de brug van Arcola. ‘Dit alles is fraaiigheid,’ zeide hij mij, ‘maar in den oorlog bestaat geen fraaiigheid’. Spoedig daarna viel het mij in de Krim gemakkelijk dit alles met eigen oogen te zien. Doch ik herhaal u: al wat ik van den oorlog weet, heb ik te voren reeds van Stendhal geleerd.”3Laat ons nog de titels van de letterkundige producten noemen, welke in de reeds gedeeltelijk door ons opgenomen lijst voorkomen en op het nu omschreven tijdvak betrekking hebben.In het tijdvak van zijn 20stetot zijn 25stelevensjaar hebben de volgende geschriften den grootsten invloed op Tolstoi gehad:Titels der geschriften.Graad van invloed.Goethe,Hermann und DorotheaZeer groot.V. Hugo,Notre-Dame de ParisZeer groot.Tjoetscheff,GedichtenGroot.Koltzoff,GedichtenGroot.Fet,GedichtenGroot.Plato (Vertaling van Cousin).PhaedoenSymposionZeer groot.De Odysseaende Ilias, in ’t Russisch gelezenZeer groot.Hierdoor krijgen wij een min of meer volledig beeld van Tolstoi’s letterkundige opvoeding.In den kring der Petersburgsche letterkundigen bracht Tolstoi zijne krachtige, aesthetische, aantrekkelijke natuur en zijn onbuigzaam, vaak twistziek karakter mede, en verwekte een’ storm in dat kalme, bezadigde gezelschap.Ziehier hoe Fet in zijneHerinneringenTolstoi’s verschijnen in Petersburg vertelt:“Toerghenjefif stond zeer vroeg op en dronk (op zijn Petersburgsch) zeer vroeg thee. In den korten tijd dat ik in de hoofdstad was, kwam ik dagelijks tegen 10 uren bij hem, om in onzen vrijen tijd wat te praten. Toen Zachar, Toerghenjeff’s huisknecht, den tweeden dag de deur der voorkamer voor mij opende, zag ik in een’ hoek eene korte sabel met het Sint-Anna-lint.“‘Wat is dat voor eene sabel?’ vroeg ik, tegelijk naar de deur van het salon gaande.“‘Wees zoo goed en kom hierheen,’ fluisterde Zachar, terwijlhij links naar de gang wees. ‘Die korte sabel is van graaf Tolstoi, die heden nacht in het salon is blijven slapen. Iwan Serghejewitsch zit op het oogenblik in zijn kabinet thee te drinken.’“In het uur dat ik bij Toerghenjeff doorbracht, spraken wij fluisterend, uit vrees den graaf wakker te maken, die achter de deur sliep.“‘Dat gaat maar steeds zoo door,’ zeide Toerghenjeff glimlachend. ‘Van zijne batterij uit Sewastopol teruggekeerd, is hij bij mij afgestapt en geheel uit den band gesprongen. Drinkgelagen, uitgaan, den geheelen nacht kaarten, en dan tot twee uur des namiddags slapen. Eerst trachtte ik hem daarvan terug te houden, maar nu heb ik het opgegeven.’“Gedurende dit bezoek maakte ik ook met Tolstoi kennis, maar deze kennismaking was geheel vormelijk, daar ik tot dien tijd nog geen enkelen regel van hem gelezen en zelfs zijn’ naam als letterkundige nooit gehoord had, ofschoon Toerghenjeff over zijne verhalen uitKinderjarengesproken had. Maar van het eerste oogenblik af bespeurde ik bij den jongen Tolstoi een onwillekeurig verzet tegen al wat op het gebied der meeningen algemeen gebruikelijk is. In dien korten tijd zag ik hem slechts een enkelen avond bij Njekrassoff, in onzen kring van celibataire letterkundigen, en was ik hier getuige van een voorval, waarbij Toerghenjeff, kokend en buiten adem door zijn dispuut, over de schijnbaar ingetogen, maar des te bijtender uitdrukkingen van Tolstoi haast wanhopig werd.“‘Ik kan niet erkennen,’ zeide Tolstoi, ‘dat ge overtuigd zijt van hetgeen ge daar zegt. Als ik met een dolk of sabel aan de deur ga staan en zeg: “Zoolang ik leef, komt hier niemand binnen!”, dan is dat mijne overtuiging. Maar gij tracht het wezen uwer ideeën tegenover elkaar te verbergen, en noemt dat “overtuiging”.’“‘Waarom komt ge dan bij ons?’ sprak Toerghenjeff, ademloos en met eene stem, die in een fijnen, valschen diskant overging (bij heftige twisten was dit steeds het geval). ‘Hier is uw vaandel niet. Ga naar prinses B-i-b-i.’“‘Waarom mij hier te vragen, waar ik heen zal gaan! Ook de onnutte gesprekken over mijn komen hier en daar zullen niet in overtuiging veranderen!’“Nu ik deze geenszins op zichzelf staande botsing tusschen Tolstoi en Toerghenjeff, waarvan ik destijds getuige was, in herinnering breng, kan ik niet nalaten te zeggen, dat, ofschoon ik begreep dat er hier van politieke overtuiging sprake was, deze quaestie mij zoo weinig interesseerde, dat ik niet trachtte dieper in den aard er van door te dringen. Ik ga verder. Op gezag van allen, die ik in onzen kring gehoord heb, vermoed ik dat Tolstoi gelijk had, en dat, indien personen die zich door de tegenwoordige orde van zaken bezwaard gevoelen, genoodzaakt werden hun ideaal uit te spreken, zij in de grootste verlegenheid zouden verkeeren hoe hunne wenschen te formuleeren.“Wie onzer kende destijds niet dien vroolijken metgezel, dien makker in allerlei guitenstreken en meester in het vertellen van grappige anecdoten: Dmitri Wasiljewitsch Grigorowitsch, zoo geroemd om zijne verhalen en romans? Ziehier wat onder anderen deze Grigorowitsch mij gezegd heeft van de botsing tusschen Tolstoi en Toerghenjeff, ten huize van Njekrassoff.“‘Waarde vriend’, sprak hij, stikkend en met tranen in de oogen van het lachen, terwijl hij over mijn schouder keek, ‘gij kunt u niet voorstellen, welke scènes hier al geweest zijn. Ach, mijn hemel! Toerghenjeff krijscht, knijpt met de hand zijn keel toe en fluistert met de oogen eener stervende gazelle: “Ik kan niet meer! Ik heb bronchitis!” Vervolgens gaat hij met reusachtige stappen de drie kamers op en neerloopen—“Bronchitis!” bromt Tolstoi onmiddellijk daarop “bronchitis is eene denkbeeldige ziekte. Bronchitis stamt af van brons, en brons is een metaal!”—Natuurlijk verkeert de gastheer Njekrassoff in angst: hij vreest zoowel Toerghenjeff als Tolstoi te moeten missen, in wien hij een kapitalen steun voor denSawremjennikheeft ontdekt. Hij moet laveeren. Wij zijn allen in opgewonden stemming en weten niet wat te zeggen. Tolstoi ligt met een opgezet gelaat op een marokijnlederen sofa in de middelste kamer, terwijl Toerghenjefif, met de panden van zijn korte jas op zijde geslagen en de handen in de zakken, voortdurend de drie kamers op en neer loopt. Om onheilen te voorkomen, ga ik naar de sofa en zeg: “Beste vriend Tolstoi, wind u niet op! Ge weet niet hoezeer hij u waardeert en hoe hij u lijden mag!”’“‘Ik kan niet dulden,’ zegt Tolstoi met trillende neusvleugels, ‘dat hij mij ergert! Zie eens, hoe hij daar opzettelijk voor mij heen en weer loopt en met zijne democratische heupen draait.’”4De zoo even genoemde Grigorowitsch verhaalt in zijneLetterkundige Herinneringenvan eene dergelijke episode uit den tijd van Tolstoi’s eerste kennismaking met de Petersburgsche letterkundigen.“Bij mijn’ terugkeer uit Marjinski, te Petersburg ontmoette ik graaf Leo Tolstoi; mijne kennismaking met hem was echter reeds te Moskou bij de Soeschkoff’s begonnen, toen hij de militaire tenue droeg. Hij woonde te Petersburg in de Officiers-straat, op de onderste étage van een niet groot huis, juist tegenover de kamer van den letterkundige M. L. Michaïloff. Hij scheen dezen niet te kennen.“Van den eersten dag af had Petersburg niet alleen nietsaantrekkelijks voor hem, maar het geheele leven aldaar werkte merkbaar ontstemmend op hem.“Toen ik op den dag van mijn bezoek van hem vernam, dat hij dien middag bij de redactie van denSawremjennikte eten was gevraagd, en dat hij daar niemand van nabij kende, niettegenstaande hij reeds bijdragen aan het blad geleverd had, besloot ik met hem mee te gaan. Onderweg achtte ik het noodig hem te waarschuwen, dat hij daar enkele quaestiën niet moest aanroeren en zich vooral onthouden van aanvallen op George Sand, van wie hij (Tolstoi) zeer afkeerig was, terwijl destijds vele leden der redactie integendeel met haar dweepten. Het middagmaal verliep in goede orde; Tolstoi was tamelijk stil, doch op het eind hield hij zich niet in. Toen hij een nieuwen roman van George Sand hoorde prijzen, verklaarde hij beslist haar te haten, er bijvoegende dat de heldinnen harer romans, zoo die in werkelijkheid bestonden, op den schandwagen gebonden, en te pronk door de straten van Petersburg geleid moesten worden. Reeds in die dagen vormde zich bij hem die eigenaardige meening omtrent de de vrouwen en de vrouwen-quaestie, welke zich later op zoo klare wijze in den romanAnna Karjeninaheeft uitgesproken.“De scène bij de redactie heeft mogelijk zijne verbittering opgewekt tegen al wat Petersburgsch was,—maar nog het meest zijne zucht tot tegenspraak. Welke meening de persoon, tot wien hij sprak, ook uitte, en hoe gezagvoller die persoon hem toescheen, des te heftiger prikkelde hem dit om het tegenovergestelde te zeggen en over woorden te gaan strijden. Zag men hoe hij luisterde, hoe doordringend hij den ander uit de grijze, diep verborgen oogen aankeek, en hoe spottend zich zijne lippen krulden, dan had men kunnen denken dat hij reeds vooraf, zoo niet een rechtstreeksch antwoord, dan toch eene meening overdacht, die door hareonverwachtheid moest overbluffen, en dadelijk uit het veld slaan.“Zoo kwam Tolstoi mij in zijne jongelingsjaren voor. In disputen ging hij soms tot uitersten over. Eens bevond ik mij in eene aangrenzende kamer, toen er tusschen hem en Toerghenjeff een twist ontstond. Daar ik hoorde schreeuwen, ging ik naar de twistenden toe. Toerghenjeff stapte van den eenen hoek naar den anderen, en vertoonde alle teekenen van de hevigste opwinding; hij maakte van de open deur gebruik en verdween onmiddellijk. Tolstoi lag op de sofa; maar ook zijne opwinding was zoo groot, dat het niet weinig moeite kostte hem te kalmeeren en naar huis te brengen. Het onderwerp van den twist is mij tot heden onbekend gebleven.”5Tolstoi’s geest van tegenspraak blijkt nog uit het volgende voorval, dat in de herinneringen van G. P. Danilewski verhaald wordt.“Ik heb met Tolstoi kennis gemaakt tegen het jaar 1860, in het gezin van een bekenden beeldhouwer. De schrijver der Sewastopol’sche verhalen was toen juist in Petersburg gekomen, en was een jong, flink gebouwd artillerie-officier. Zijn zeer gelijkend portret uit dien tijd komt voor in de bekende photographische groep van Lewitski, waar hij tegelijk met Toerghenjeff, Gontscharoff, Grigorowitsch, Ostrowski en Droezjinin wordt voorgesteld. Naar ik mij herinner, kwam graaf Tolstoi toen juist het salon der gastvrouw binnen op het oogenblik, dat een nieuw werk van Herzen6werd voorgelezen. Hij ging stil achter den stoel van denlezer staan, wachtte tot deze geëindigd had, en viel toen eerst zacht en ingetogen, maar vervolgens zoo heftig en driest over Herzen uit, en over de algemeene geestdrift die zijne werken destijds verwekten, sprak met zulk eene oprechtheid en betoogkracht, dat ik in het vervolg geen werk van Herzen in dit gezin meer heb aangetroffen.”7Wij weten, dat Tolstoi in lateren tijd omtrent Herzen van meening veranderd is, en zullen te gelegener tijd daarvan spreken.E. Garschin verhaalt in zijneHerinneringen aan Toerghenjeffde volgende belangwekkende meening van dezen auteur over Tolstoi, die ons reeds vroegtijdig het element van oneenigheid doet zien, dat hunne verstandhouding bijna tot een noodlottig einde voerde.“Bij Tolstoi,” verhaalde Toerghenjeff, “openbaarde zich al vroeg de trek, die later ten grondslag lag aan zijne geheele vrij duistere levensbeschouwing, welke in de eerste plaats hemzelven heeft gekweld. Hij geloofde nooit aan de oprechtheid der menschen. Elke gemoedsbeweging scheen hem valsch, en hij had de gewoonte iemand met zijne doordringenden blik als ’t ware te doorboren, wanneer het hem toescheen dat die persoon huichelde of onoprecht was. Toerghenjeff zeide mij, dat hij nooit in zijn leven iets pijnlijkers gevoeld had dan dien uitvorschenden blik, die, gevoegd bij twee of drie woorden die een giftige opmerking inhielden, wel geschikt was om ieder mensch met geringe zelfbeheersching tot razernij te brengen. Als voorwerp van zijne onderzoekingen koos graaf Tolstoi onder anderen (en bijna uitsluitend) zijn’ vriend Toerghenjeff. De bekende zelfbeheersching van dezen schrijver en zijne gelijkmoedigheid in dat levenstijdperk, toen zijn letterkundige arbeid op schitterende wijze ontbloeide, schonkenTolstoi geen rust; en het scheen wel of deze zich ten doel stelde den kalmen, goedhartigen man, die met overtuiging zijn werk ten uitvoer bracht, buiten zichzelven te brengen van drift. Maar tevens was het ongelukkig, dat Tolstoi dit volstrekt niet geloofde, en dat in zijn oog menschen die wij als goed beschouwen, het goede huichelen of die eigenschap voorwenden: dat zij overtuiging veinzen in het belang van quaestiën, waarin zij betrokken zijn.“Toerghenjeff begreep duidelijk op welk standpunt Tolstoi zich tegenover hem plaatste, doch wilde zijn karakter tot elken prijs handhaven en zijne zelfbeheersching bewaren. Hij begon Tolstoi te ontwijken, vertrok opzettelijk naar Moskou en vervolgens naar zijn buitenverblijf; maar Tolstoi volgde hem op den voet,evenals eene verliefde vrouw, gelijk Toerghenjeff zich uitdrukte, toen hij deze geheele geschiedenis verhaalde.”8Uit al deze aanwijzingen over de wederzijdsche verhouding der twee schrijvers kunnen wij zien, dat eene werkelijke geestelijke verwantschap tusschen hen onmogelijk was. Maar de vloed van den bevrijdingsstroom voerde beiden in dezelfde richting, en volgens hun werk beschouwden zij zich als kameraden. Daarenboven werden zij door de omstandigheid dat zij tot de hoogere, gepriviligeerde klasse behoorden, door hunne opvoeding en het overwicht hunner talenten te midden van hun’ schrijverskring onwillekeurig en voor den uiterlijken vorm tot elkander gebracht. Maar, zooals de lezers uit het volgende verhaal zullen zien, niet zoodra poogden zij deze kameraadschappelijke grens te overschrijden, of er ontstond eene botsing, die hunne carrière somtijds in gevaar bracht. De waarheid eischt hier te vermelden, dat zij tegen elkanderen tegenover derden rond voor hunne uiteenloopende karakters uitkwamen en—wat nog loffelijker is—dat zij zich veel zedelijk geweld aandeden om, zij het geen vriendschappelijke, dan toch goede betrekkingen te onderhouden, die op wederzijdsche achting berustten. En in dit opzicht kunnen zij een leerzaam voorbeeld geven aan latere geslachten.Ziehier nog een verhaal van Golowatschewa Panajewa, die getuige was van de eerste kennismaking van Toerghenjeff met Tolstoi, welk verhaal de zooeven uitgesproken meening bevestigt:“Ik moet eenige schreden in mijn verhaal teruggaan en spreken over graaf Tolstoi’s verschijning in den kring van denSawremjennik. Hij was toen nog officier en de eenige medewerker van genoemd blad, die de uniform droeg. Zijn letterkundig talent was zoozeer aan ’t licht gekomen, dat alle corypheeën der letterkunde hem als hun gelijke moesten erkennen. De graaf behoorde overigens niet tot de beschroomde lieden, maar was zich de macht van zijn talent bewust, en gedroeg zich dus, gelijk mij toen bleek, zelfs met zekere vrijmoedige ongedwongenheid.“Wanneer de letterkundigen bij ons vergaderd waren, mengde ik mij nooit in hunne gesprekken, maar luisterde zwijgend toe en sloeg allen gade. Vooral interesseerde het mij Toerghenjeff en Tolstoi te volgen, als dezen elkander ontmoetten, disputeerden of wederzijdsche opmerkingen maakten, daar beide mannen zeer schrander en gevat waren.“Tolstoi’s meening over Toerghenjeff heb ik nooit gehoord, en in ’t algemeen sprak hij over geen enkelen letterkundige zijne meening uit, vooral niet wanneer ik er bij was. Daarentegen had Toerghenjeff er behoefte aan over elk zijne opmerkingen te zeggen.“Niet zoodra had Toerghenjeff met Tolstoi kennis gemaakt, of hij zeide van hem:“‘Geen enkel woord, geen enkele beweging is natuurlijk bij hem. Hij poseert zich altijd voor ons; en ik kan maar niet verklaren, hoe een schrander man, als hij, zoo dom trotsch kan zijn op een mager graafschap.’“‘Ik heb dit bij Tolstoi niet opgemerkt,’ zeide Panajeff.“‘Nu, dan merk je niet veel op,’ antwoordde Toerghenjeff,“Eenigen tijd later vond Toerghenjeff dat Tolstoi zich eenigszins op zijn Don Juan’schap liet voorstaan. Tolstoi had namelijk op zekeren dag eenige interessante voorvallen uit zijn krijgsmansleven verhaald. Toen Toerghenjeff die gehoord had, zeide hij:“‘Al kookt men een Russischen officier drie dagen in de wasch, toch kookt men er den jonkers-overmoed niet uit, en met welk vernis van beschaving zulk personage ook gepolitoerd wordt, toch schemert zijne brutaliteit er doorheen.’“En Toerghenjeff begon elken volzin van Tolstoi, den toon zijner stem, de uitdrukking van zijn gezicht te critiseeren, en eindigde met de woorden:“‘Geloof mij, dit alles is brutaliteit, en spruit slechts voort uit den wensch om eene onderscheiding te krijgen.’“‘Wil ik je eens wat zeggen, Toerghenjeff,’ merkte Panajeff op. ‘Indien ik je niet zoo goed kende, zou ik bij het hooren van al je uitvallen over Tolstoi denken, dat je hem benijdt.’“‘Waarom zou ik hem kunnen benijden? Zeg eens, waarom?’ riep Toerghenjeff uit.“‘Inderdaad, eigenlijk om niets, want jouw talent evenaart het zijne... maar toch kan men denken...’“Toerghenjeff begon te lachen en sprak met zeker medelijden in zijn stem:“‘Panajeff, je bent een goed opmerker bij het kaartspel, doch ik raad je geen opmerkingen te willen maken over dingen, die buiten dat gebied staan.’“Panajeff voelde zich gekrenkt.“‘Ik heb je die opmerking gemaakt in je eigen belang,’ zeide hij en ging heen.“Toerghenjeff’s opgewondenheid duurde voort, en wrevelig zeide hij:“‘Alleen in het brein van iemand als Panajeff kan het ongerijmde denkbeeld opkomen, dat ik Tolstoi kan benijden. Misschien om zijn graafschap?’“Al dien tijd had Njekrassoff weinig gezegd, omdat eene keelziekte hem geheel terneer drukte. Alleen merkte hij tegen Toerghenjeff op:“‘Denk eens goed na over hetgeen je Panajeff hebt believen te zeggen. Eigenlijk zou men jou van zulk eene ongerijmdheid kunnen beschuldigen.’”9Als eerlijk, waarheidlievend man, heeft Toerghenjeff zijn’ eerbied voor Tolstoi’s talent meermalen in ’t openbaar betuigd, en in een gesprek met een Franschen uitgever bezigde hij zelfs de uitdrukking van Johannes den Dooper, die tot Christus zeide: “Ik ben niet waardig Uwe schoenriemen te binden.” Niettemin is hunne verhouding nooit hartelijk of intiem geweest.Alleen toen hij, op zijn sterfbed liggend,10in zijn laatsten brief graaf Tolstoi met aandoening en warmte verzocht om tot den letterkundigen arbeid terug te keeren, gaf hij hem een naam, die nog geen enkel Russisch schrijver hem had toegevoegd: den naam vaneen groot Russisch schrijver. En die beroemde naam zal voortleven tot in het verre nageslacht!Om den lezer een denkbeeld te geven van de verstandhouding, die tusschen Tolstoi en Toerghenjeff in de eerste dagen hunner kennismaking bestaan heeft, zullen wij in ons verhaal wat vooruit moeten loopen en enkele brieven citeeren, welke Toerghenjeff in dat jaar aan Tolstoi geschreven heeft.Tolstoi in de dagen dat hij de Universiteit verliet.—Blz. 123.Tolstoi in de dagen dat hij de Universiteit verliet.—Blz.123.Parijs, 16 November 1856.“Aan N. L. Tolstoi.“Amice Tolstoi!“Uw brief van 15 October heeft eene geheele maand noodig gehad om mij te bereiken, want ik ontving hem eerst gisteren. Ik heb goed nagedacht over hetgeen gij mij hebt geschreven—en het komt mij voor, dat ge ongelijk hadt. Ik kan namelijk niet geheel oprecht tegen u zijn, omdat ik niet geheel vrijmoedig kan wezen. Naar ik geloof, hebben wij onbeholpen en te onpas kennis gemaakt, en als wij elkander weerzien, zal de zaak veel lichter en vlotter gaan.... Ik gevoel, dat ik u als mensch mag lijden (als schrijver, daarover spreek ik niet); maar veel heeft mij in u teleurgesteld, en ten slotte vind ik het beter mij wat van u te verwijderen. Bij onze samenkomst zullen wij weer trachten hand aan hand te gaan: misschien lukt het beter; hoe vreemd het ook moge klinken, op een’ afstand verlangt mijn hart naar u, als naar een’ broeder, en voel ik zelfs genegenheid voor u. In één woord: ik mag u lijden, dat staat vast; misschien zal hieruit mettertijd nog alle goeds voortkomen.“Ik heb van uwe ziekte gehoord, en dit heeft mij bedroefd; nu moest gij alle herinneringen daaraan uit uw hoofd zetten. Gij zijt zwaarmoedig en denkt aan tering; maar geloof mij, die hebt ge niet.“Het spijt mij zeer van uwe zuster. Wie zou gezond moeten zijn, als zij het niet is? Daarmee wil ik zeggen dat, indien iemand verdient gezond te wezen, het uwe zuster is; en in stede daarvan, staat zij zooveel pijnen uit. Het zou gelukkig zijn, indien de kuur te Moskou haar hielp! Waarom schrijft ge uw’ broeder niet om thuis te komen? Wat heeft hij er aan om in den Kaukasus te zitten? Wil hij soms een groot krijgsman worden? Mijn oom berichtte mij, dat gij reeds allen naar Moskou waart gegaan; en daarom stuur ik ook dezen brief naar Moskou, aan het adres van Botkin....“De Fransche oppervlakkigheid staat mij al evenzeer tegen als u; en nooit is Parijs mij zoo prozaïsch voorgekomen. Ik heb het op andere tijden gezien, en durf zeggen dat het mij toen beter beviel. Wat mij hier houdt, is eene oude, onverbreekbare band met eene Fransche familie, en mijn dochtertje waaraan ik zeer gehecht ben; zij is een lief en schrander meisje. Ware dit niet het geval, dan zou ik reeds lang naar Njekrassoff in Rome gegaan zijn. Ik heb twee brieven van hem uit Rome ontvangen. Hij verveelt zich daar eenigszins, en dat is begrijpelijk. In Rome is alles grootsch, maar het omringt hem slechts: hij leeft er niet in, en zich lang te vergenoegen met de enkele oogenblikken van begrijpen en bewonderen is onmogelijk. Overigens gevoelt hij er meer verlichting dan te Petersburg, en zijne gezondheid is beterende. Fet is daar op het oogenblik bij hem; hij heeft eenige gracieuze verzen geschreven en uitvoerige reisherinneringen, waarin veel kinderlijks, maar ook veel verstandige en degelijke taal staat. En welk eene treffend naïeve oprechtheid in het schetsen van zijne indrukken! Hij is, zooals ge hem terecht noemt, een best mensch!“Ge hebt het eerste deel vanJongelingsjarenvoltooid. Mooi zoo! Hoe jammer, dat ik het niet hooren kan. Zoo ge niet van den rechten weg afdwaalt (en ik geloof, dat er geen reden bestaat om dit te onderstellen) zult ge het zeer ver brengen. Ik wensch u gezondheid, energie—en vrijheid, vrijheid van geest.“Wat mijn’Faustbetreft, ik denk niet dat die u zeer bevallen zal. Mijn werk kon u bevallen—en mogelijk heeft het eenigen invloed op u gehad—slechts zoolang tot gij zelfstandig waart geworden. Nu zult ge er niets uit leeren, alleen verschil in manieren, en gebreken en verzuimen zien. Aan u de taak om den mensch, zijn hart, en de werkelijk groote schrijvers te leeren kennen. Ik ben een schrijver vanden overgangstijd, en deug slechts voor menschen die zich in een overgangs-toestand bevinden. Nu, vaarwel en houd je goed! Schrijf mij eens. Mijn adres is tegenwoordig Rue de Rivoli no. 206.“Ik dank uwe zuster voor de paar toegevoegde woorden. Groet haar en haar echtgenoot. Dank Warenka, dat zij mij niet vergeet.“Gaarne zou ik u iets van de auteurs hier vertellen, maar dan op een anderen keer. Ik druk u stevig de hand.“Ik zal dezen brief niet frankeeren, doe gij ook zoo.”11Den 8stenDecember 1856 schreef hij aan Tolstoi:“Waarde Tolstoi!“Gisterenavond voerde mijn goede genius mij langs het postkantoor, en kwam het in ’t voorbijgaan bij mij op te vragen, of er soms een briefposte restantevoor mij was,—ofschoon, volgens mijne berekening, al mijne vrienden reeds lang mijn adres te Parijs moeten kennen. Zoo vond ik uw’ brief, waarin ge mij over mijn’Faustspreekt. Ge zult licht begrijpen, hoe aangenaam het mij was dit te lezen. Uwe sympathie heeft mij oprecht en innig verheugd. Maar bovendien lag er in uw brief iets zachts en openhartigs, een zweem van vriendschappelijke kalmte. Nu is het mijn plicht u de hand te reiken over den afgrond heen, die sedert lang tot eene nauw merkbare kloof is geworden; doch daar zelfs dát woord te veel zegt moeten wij er maar niet meer over spreken.“Ik vrees u over eene omstandigheid te spreken, die terloops door u is aangeroerd. Zulke delicate zaken kunnen door woorden verwelken, zoolang zij niet rijp zijn; maar zijn zij rijp, dan laten zij zich niet met een’ hamer verbrijzelen. God geve,dat alles gelukkig en naar behooren geschikt wordt; het kan u dan dat vaste geestelijke arbeidsveld verschaffen, waaraan ge behoefte hadt toen ik u leerde kennen. Ik zie nu, dat gij het zeer met Droezjinin eens zijt, en onder zijn’ invloed staat. Dat is goed; maar zorg dan, dat ge niet te veel van hem aanneemt. Toen ik op uwen leeftijd was, hadden alleen enthousiaste naturen invloed op mij; doch gij zijt een ander mensch dan ik, en mogelijk is er nu een andere tijd aangebroken.“Met ongeduld verbeid ik de toezending van deLeesbibliotheek, en ik wil gaarne de verhandeling van Belinski lezen, hoewel zij mij vermoedelijk weinig genot zal verschaffen. Dat deSawremjennikin slechte handen is, valt niet te betwijfelen. In den beginne schreef Panajeff mij meermalen, verzekerde mij dat hij niet ‘lichtvaardig’ zou handelen, en onderstreepte zelfs dit woord; maar nu is hij stil geworden en zwijgt als een kind dat voor de tafel zit en zijn broekje heeft bevuild. Ik heb Njekrassoff te Rome uitvoerig over alles geschreven en het kan zeer wel gebeuren dat dit hem noopt vroeger terug te keeren dan hij vermoed had. Schrijf mij eens, in welk nommer van denSawremjennikuw verhaalJongelingsjarenvoorkomt, en meld mij bij gelegenheid uw definitieven indruk betreffendeKing Lear, dat gij waarschijnlijk gelezen zult hebben, al was het maar ter wille van Droezjinin.”12Wij hebben geen zekere aanwijzingen, welke meening Tolstoi had over Droezjinin’s vertaling vanKing Lear, maar in een’ brief, dien wij hieronder citeeren, van Botkin aan Droezjinin, kan men zien, dat de vertaling Tolstoi beviel:“Welk succes uwKoning Learook moge hebben,” schrijft Botkin, “voor mij is de vertaling ongetwijfeld geslaagd. Maar hoezeer is mijne blijdschap toegenomen, nu deze innerlijkeovertuiging door de werkelijkheid bevestigd wordt. Denk aan Tolstoi’s bekenden afkeer van Shakespeare, waartegen Toerghenjeff zoo te velde is getrokken! Wel moet ik eerlijk erkennen, overtuigd te zijn geweest, dat die antipathie bij de eerste de beste gelegenheid zou verdwijnen; maar het doet mij genoegen, dat uwe uitstekende vertaling zelf die gelegenheid verschaft.”Het komt ons intusschen voor, dat Botkin’s blijdschap te overijld was, daar Tolstoi nog lang zijn’ afkeer van Shakespeare behouden heeft. Maar over dit feit zullen wij in een der volgende hoofdstukken spreken.In December schreef Toerghenjeff uit Parijs aan Droezjinin onder andere:“Men zegt, dat gij en Tolstoi zeer harmoniëert, en dat hij zeer vriendelijk en openhartig is geworden. Als die jonge wijn eens uitgist, zal er een vocht uit ontstaan, den goden waardig. Hoe staat het toch met zijnJongelingsjaren, dat u ter beoordeeling is gezonden?”13Het handschrift was werkelijk aan Droezjinin gezonden. Hij las het geheel door en antwoordde met den volgenden interessanten brief:“OverJongelingsjarendient men een twintigtal bladzijden te schrijven. Ik heb het met ergernis, met uitroepen en verwenschingen gelezen—niet wegens de letterkundige waarde er van, maar om het handschrift. Die vermenging van twee handen, eene bekende en eene onbekende, leidden mijne aandacht af en beletten de geregelde lectuur. Het was of twee stemmen in mijn oor schreeuwden en mij opzettelijk afleidden, waardoor, naar ik weet, de indruk niet geheel tot zijn recht kwam. Toch zal ik u zoo goed mogelijk mijn oordeel zeggen. Uwe taak is ontzettend geweest, en ge hebtdie zeer goed volbracht. Niet een van de hedendaagsche schrijvers had dat bruisende en onzinnige tijdperk der jeugd zoo breed kunnen opvatten en schetsen, als gij. Aan ontwikkelde personen verschaftJongelingsjareneen groot genot; en zoo iemand u zegt, dat dit werk slechter is danKinderjarenenJongensjaren, kunt ge hem in ’t gezicht spuwen. Er ligt een schat van poëzie in uw werk; al de eerste hoofdstukken zijn voortreffelijk; alleen is de inleiding droog, tot aan de beschrijving van de lente en het wegnemen van de ramen. Verder zijn uitstekend: de aankomst buiten, voorafgegaan door de beschrijving der familie Nechljoedoff, de verklaring van den vader vóór het sluiten van het huwelijk, en de hoofdstukken:Nieuwe KameradenenIk ben gezakt. Uit vele bladzijden komt de poëzie van het oude Moskou u tegemoet, waarop nog door niemand behoorlijk acht is geslagen. De koetsier van baron Z. is bewonderenswaardig (ik spreek altijd van het standpunt van lieden, die het onderwerp begrijpen). Eenige hoofdstukken zijn droog en lang, bij voorbeeld alle onderhandelingen met Dmitri Nechljoedoff, de beschrijving van zijne verhouding tot Warenka, en dat waarin over het begrip huiselijkheid gesproken wordt. Ook is te lang het feestje bij Jar en het voorafgaande bezoek van den graaf met Iljenka. De rekrutentijd van Semjonoff is niet geschikt voor de censuur.“Voor de bespiegelende gedeelten behoeft gij niet bang te zijn: zij zijn alle verstandig en origineel. Gij bezit neiging tot eene buitengewone fijnheid van onderzoek, die tot een groot gebrek kan aangroeien. Soms drijft uwe zucht naar onderzoek tot het bezigen van uitdrukkingen of vergelijkingen, die in het dagelijksch leven vreemd en onverstaanbaar klinken. Die neiging moet gij bedwingen, doch haar om niets ter wereld geheel verstikken. Al uw werk in dit genre moet boven uwe analyse staan. Elk uwer gebreken heeft zijn deelvan kracht en schoonheid; bijna elke uwer aantrekkelijke eigenschappen sluit de kiemen van gebreken in zich.“Geheel hetzelfde kan men van uw’ stijl zeggen. Gij zijt zeer ongeletterd; nu eens is uwe ongeschooldheid die van een nieuwen leider en van een forschen dichter, die de taal steeds naar zijne versmaat omwerkt, dan weer die van een’ officier, die ergens achter eene blindeering aan een’ makker schrijft. Met zekerheid kan men zeggen, dat alle bladzijden die gij met liefde geschreven hebt, uitstekend zijn; maar nauwelijks koelt ge af, of uw stijl wordt verward, en helsche zinswendingen komen te voorschijn. Daarom ware het noodig, dat stukken die zonder vuur geschreven zijn, werden nagezien en verbeterd. Hier en daar heb ik getracht ze te verbeteren of wilde ze eenvoudig schrappen, maar dit werk kunt en moet gij zelf doen. De hoofdzaak is echter, dat ge lange zinnen vermijdt. Splits ze in tweeën en in drieën, en wees niet zuinig met de punten.... Handel met zinsdeelen zonder plichtplegingen, en schrap de woordendat, dieenditbij tientallen. Stuit ge op moeielijkheden, neem dan den zin en stel u voor, dat ge dien in vloeiende conversatie-taal aan iemand wilt vertellen.“Het is tijd om te eindigen; en toch zou ik u nog zeer veel moeten zeggen. Aan een groot aantal onontwikkelde lezers zalJongelingsjarenveel minder bevallen danKinderjarenenJongensjaren. Voor deze beide geschriften pleiten hun geringe omvang en eenige episoden in den trant van het verhaalKarl Iwanowitsch. De oppervlakkigste mensch bewaart nog eenige herinneringen uit zijne kinderjaren, en verheugt zich als men hem de poëzie er van verklaart; maar de periode der jeugd (die woelige, onzinnige jongelingstijd, zoo rijk aan teleurstellingen en vernederingen, die gij ons onthult) verbergt zich gewoonlijk in de ziel, verduistert en wordt vergeten.“Uw werk kan door een zeer langen arbeid, met twee of drie onderhoudende episoden, enz. voor een groot aantal lezers begrijpelijk worden gemaakt; maar bijna niemand is in staat het volkomen naar den smaak van het groote publiek te maken.“Opzet en wezen zullen uw werkJongelingsjarentot een gastronomisch brokje maken alleen voor zulke personen, die denken en gevoel hebben voor poëzie.“Meld mij of ik het manuscript aan u moet zenden of aan Panajeff ter hand stellen. Gij hebt er geen grooten stap mee gedaan in de eene of andere richting, maar getoond wat er in u zit en wat er nog van u te verwachten is.”Reeds het feit, dat Droezjinin zóó aan Tolstoi kon schrijven, bewijst dat er werkelijk intieme betrekkingen tusschen hen bestaan hebben, en dat Droezjinin grooten invloed op Tolstoi heeft gehad.Tolstoi’s verblijf te Petersburg van November tot Mei werd, wegens familie-omstandigheden, door eene kortstondige reis naar Orel afgebroken.Den 2denFebruari kreeg hij bericht, dat zijn broederDmitriwas overleden. Deze persoon wordt door Tolstoi duidelijk omschreven in zijne herinneringen, die door ons in het hoofdstukJongelingsjarenzijn medegedeeld. Hier halen wij slechts het tweede gedeelte dezer herinneringen aan, welke betrekking hebben op zijn volgend leven, zijne ziekte en dood.“Toen wij tot eene deeling kwamen, gaf men mij, volgens gebruik, het landgoed Jasnaja Paljana, waarop wij woonden. Sergius kreeg Pirogoff, omdat hij een liefhebber van paarden was en Pirogoff eene stoeterij bezat; hij had dit ook gewenscht. Dmitri en Nikolaas gaf men de twee overige bezittingen: laatstgenoemden Nikolskoje, den eersten het landgoedSchtscherbatschefka, in Koersk gelegen en ons door Perowska vermaakt.“Ik bezit thans een memorandum van Dmitri, waaruit blijkt hoe hij over de lijfeigenschap dacht. Het begrip, dat zoo iets niet geoorloofd was en men hen moest vrijlaten, bestond, bij ons omstreeks ’40 in het geheel niet. Het bezit van lijfeigenen door erfenis was eene onvermijdelijke conditie, en al wat men doen kon om de slechte gevolgen er van te voorkomen was, dat men niet alleen zorgde voor den stoffelijken, maar ook voor den zedelijken toestand der boeren. En in dien zin was ook het memorandum van Dmitri zeer ernstig, naïef en oprecht geschreven.“Nog geen twintig jaren oud (na afloop van zijn studie) nam hij, in de meening dat dit zoo behoorde, de verplichting op zich om het zedelijke leven van honderden boerengezinnen te leiden; en dit deed hij door bedreiging met en de werkelijke toepassing van straffen, omdat dit bij Gogol, in een brief aan een grondbezitter, geschreven stond. Naar ik mij herinner, had Dmitri deze brieven gelezen, doordien een gevangenis-priester hem er op gewezen had. Zoo begon mijn broeder dan zijne plichten als grondbezitter te vervullen; doch behalve die van den landeigenaar tegenover zijne lijfeigenen, bestond in die dagen nog een andere plicht, waarvan de niet-nakoming ondenkbaar scheen: dat was de krijgs- of civiele staatsdienst.“Toen Dmitri zijne studie geëindigd had, besloot hij in civielen dienst te gaan. Om nu te weten, welken dienst hij zou kiezen, kocht hij een adresboek, keek alle takken van den civielen dienst na, kwam tot de slotsom dat de rechtspleging van het meeste gewicht was—en koos de laatste. Hij vertrok naar Petersburg en ging bij den staats-secretaris der 2deAfdeeling op audiëntie.“Ik stel mij de verbazing van Tanjejeff voor, toen hij onderde sollicitanten verschijnen zag een langen, eenigszins gebochelden en slordig gekleeden man (Dmitri kleedde zich altijd zoo, om zijne figuur te verbergen), met rustige, heldere oogen, die, op zijne vraag wat hij wilde, ten antwoord gaf, dat hij een Russisch edelman was, die de studie achter den rug had, en, het vaderland nuttig willende zijn, de wetgeving tot zijn arbeidsveld gekozen had.“‘Uw naam?’“‘Graaf Tolstoi.’“‘Heeft u nooit gediend?’“‘Ik heb pas mijne studie achter den rug, en wensch alleen nuttig te zijn.’“‘Welke betrekking wil u hebben?’“‘Dat is mij onverschillig, mits het er eene is waar ik nuttig kan zijn.’“Zijn ernst en oprechtheid troffen Tanjejeff zoozeer, dat hijDmitrinaar de 2deAfdeeling bracht en ter beschikking van den ambtenaar stelde.“Mogelijk heeft de verhouding der ambtenaren tot hem, en vooral hunne wijze van werken Dmitri niet aangestaan; zooveel is zeker: hij is niet in de 2deAfdeeling gebleven. Te Petersburg had mijn broeder geen enkelen bekende, behalve den rechtsgeleerde D. A. Obolenski, die gedurende ons verblijf te Kazan daar advocaat was. Dezen Obolenski ging Dmitri op zijne buitenplaats bezoeken. De rechtsgeleerde heeft mij dat half lachend verhaald.“Obolenski was een man met aristocratische manieren, voorkomend doch eerzuchtig. Hij vertelde mij, dat op zekeren dag, toen hij gasten had (waarschijnlijk uit den hoogen kring waarin Obolenski zich steeds bewoog), Dmitri met eene muts op en een Nankin’schen paletot aan door den tuin naar hem toe kwam. ‘Eerst kende ik hem niet; maar toen ik wist wie hij was, poogde ik hem op zijn gemak te zetten, steldehem aan de gasten voor en verzocht hem zijn jas uit te trekken. Het bleek echter, dat hij geen andere jas daaronder droeg. Dat vond hij overbodig. Hij ging zitten en wendde zich, zonder zich aan de tegenwoordigheid der gasten te storen, tot Obolenski met dezelfde vraag, als tot Tanjejeff: “Waar kan ik het best dienen, om nuttig te zijn?”’“Obolenski, met zijne eigen inzichten van den dienst, die voor hem slechts het middel was om zijne eerzucht te bevredigen, had waarschijnlijk nooit zulk eene vraag te beantwoorden gehad. Doch met den hem eigen tact, gevoegd bij eene oprechte goedhartigheid, noemde hij verschillende postjes op en bood zijne diensten aan. Blijkbaar is Dmitri noch over Obolenski, noch over Tanjejeff voldaan geweest; althans hij verliet Petersburg, zonder hier gediend te hebben. Hij keerde naar zijn landgoed terug, schijnt in Soedzj een adellijk ambt aanvaard, en zich met oeconomische, vooral boeren-aangelegenheden te hebben beziggehouden.“Nadat mijn broeder en ik de universiteit verlaten hadden, heb ik hem uit ’t oog verloren. Maar ik weet, dat hij hetzelfde strenge, ingetogen leven geleid heeft tot zijn 26stejaar: niet hield van rooken, van wijn en vooral niet van vrouwen, hetgeen in die dagen eene groote zeldzaamheid was. Ook weet ik, dat hij samenkomsten had met monnikken en pelgrims, en veel omgang hield met een zeer origineelen man, die bij mijn’ voogd Woijekoff woonde en wiens afkomst niemand kende. Men noemde hem ‘Vader Lukas.’ Hij liep in een korten priesterrok, was zeer mismaakt (klein van gestalte, scheef en monsterachtig leelijk), maar zeer zindelijk en buitengewoon sterk. Als hij iemand de hand drukte, was het of hij die met eene nijptang greep; en altijd sprak hij op een gewichtigen en raadselachtigen toon. Hij woonde bij de molen van Woijekoff, waar hij een huisje gebouwd en een bijzonder fraaien bloemtuin aangelegd had. Met dezenVader Lukas ging mijn broeder om. Naar ik gehoord heb, had hij nog kennis aan een grijsaard van den zeer ouden stempel: een spaarzamen grondbezitter en een buurman van Samoiloff.“Ik geloof, dat ik reeds in den Kaukasus was, toen er in Dmitri een buitengewone omkeer plaats had. Plotseling begon hij te drinken, te rooken, geld te verspillen en de vrouwen na te loopen. Hoe dat zoo gebeurd is, weet ik niet, want destijds heb ik hem niet gezien. Alleen weet ik, dat zijn verleider was een naar het uiterlijk zeer aantrekkelijk, maar zedelijk diep gezonken man, de jongste zoon van Isljeneff. Over hem zal ik later schrijven, zoo ik gelegenheid heb. Ook onder deze omstandigheden was mijn broeder dezelfde ernstige, godsdienstige man, die hij in alles geweest is. Maria, de geprostitueerde vrouw, die hij het eerst leerde kennen, kocht hij vrij en nam haar bij zich in huis. Overigens heeft dit leven echter niet lang geduurd. Ik geloof, dat niet zoozeer het slechte, ongezonde bestaan, dat hij eenige maanden lang te Moskou gevoerd heeft, als wel de innerlijke strijd, de verwijten van zijn geweten dit krachtige organisme zoo spoedig hebben verwoest.“Hij kreeg de tering, ging naar buiten, liet zich in verschillende steden behandelen, en kwam ziek te liggen in Orel, waar ik hem het laatst gezien heb, na het beleg van Sewastopol. Zijn aanblik was vreeselijk: de reusachtige handen waren krampachtig om de beide ellebogen geslagen, het aangezicht was geheel verteerd; alleen de oogen waren nog even schoon en ernstig, maar blikten nu uitvorschend. Hij hoestte en spuwde zonder ophouden, en wilde niet sterven—wilde niet gelooven, dat hij zou sterven. De pokdalige, door hem losgekochte Maria stond met een doek om het hoofd bij hem en paste hem op. Op zijn verlangen werd er een wonderdoend heiligenbeeld bij hem gebracht. Ik herinner mij de uitdrukking van zijn gelaat, toen hij tot dit beeld bad.“In dien tijd was mijn gedrag afschuwelijk, monsterachtig. Uit Petersburg, waar ik een wereldsch leven leidde, ijdel en roemzuchtig, kwam ik bij mijn zieken broeder in Orel. Ik had medelijden met hem, maar niet diep. In Orel maakte ik rechtsomkeert, ging heen... en eenige dagen later stierf hij.“Inderdaad schandelijk! Wat ik bij zijn’ dood het meest betreurd heb, was, dat deze mij verhinderde de tooneeluitvoeringen aan het Hof bij te wonen, die toen georganiseerd werden en waar ik bij genoodigd was....”14Den eersten Maart werd de vrede gesloten, en deze gebeurtenis maakte het voor Tolstoi gemakkelijker om verlof te krijgen.Van zijne letterkundige geschriften voltooide hij dien winterDe Sneeuwstorm,De twee Huzaren,Eene ontmoeting in het DetachementenEen morgen van een’ landheer. Tolstoi moest zijne werken over drie tijdschriften verdeelen; zoo zijn de eerste twee verhalen nog in denSawremjennikgedrukt, het derde inDe Leesbibliotheek, en het vierde in deNationale Gedenkschriften.In dien tijd schreef Tolstoi onder andere aan zijne tante Tatjana:“Ik heb mijn verhaalDe twee Huzarenvoltooid, maar ben nog niet aan een nieuw begonnen. Nu Toerghenjeff vertrokken is, gevoel ik dat ik hem zeer mocht lijden, niettegenstaande dat wij altijd aan het twisten waren. Zoodoende verveel ik mij verschrikkelijk....”Uit dezen brief blijkt, dat Tolstoi’s gezindheid jegens Toerghenjeff aan gestadige veranderingen onderhevig was.Het Petersburgsche leven schijnt Tolstoi niet voldaan te hebben. Spoedig na zijne aankomst begon hij stappen tedoen voor zijn ontslag uit den dienst en aanstalten te maken tot eene buitenlandsche reis.In een’ brief aan zijn’ broeder Sergius van 25 Maart 1856 schrijft hij, onder andere:“Ik ga voor 8 maanden het land uit; als men mij ontslag geeft, ga ik heen. Ik heb er Nikolaas over geschreven en hem verzocht om mee te gaan. Indien wij met ons drieën konden gaan, zou dat uitstekend wezen. Als elk 1000roeb.meeneemt, zouden wij een mooi reisje kunnen doen.—Schrijf mij eens, hoe is je mijnSneeuwstormbevallen? In allen ernst, ik ben er niet over tevreden. Nu zou ik nog wel meer willen schrijven, maar stellig nooit meer in dit verwenschte Petersburg. Hetzij men mij al dan niet verlof geeft om naar het buitenland te gaan, heb ik toch plan om in April ontslag te vragen en buiten te gaan wonen.”Den 12denMei, toen hij zich nog te Petersburg bevond, schreef hij in zijn dagboek:“Een krachtig middel om tot het ware geluk te geraken in ’t leven, bestaat hierin, dat men, gelijk eene spin, naar alle kanten een net om zich heen spant,—doch een net van liefde, waarin men vasthoudt allen, die er in geraken: èn ouderen van dagen èn jongeren, èn vriend èn vijand.”Wij hebben reden te gelooven, dat de omstandigheden bij denSawremjennik, zoo op stoffelijk als letterkundig gebied, de hoofdmedewerkers van het tijdschrift weinig hebben bevredigd. De oorzaak daarvan moet voornamelijk worden gezocht in het individueele verschil van overtuiging, inzichten, gewoonten en opvoeding, die steeds belemmerend zijn voor eene algemeene zaak, door intelligente personen op touw gezet. In elken intellectueelen kring ontstaat zeer spoedig eene verdeeling in groepen; die verhouding, eerst geduld, verandert weldra in onverschilligheid; daarna ontstaat mededinging,die ten slotte overslaat tot openbare vijandschap. Zoo ging het ook met denSawremjennik.Reeds in het jaar 1856 rees bij enkele medewerkers het denkbeeld van eene scheiding en het oprichten van een nieuw tijdschrift. Dit blijkt uit een brief van Droezjinin aan Tolstoi, waarin hij onder andere schrijft:“Gretig maak ik van deze toenemende energie gebruik en haast mij u over eene zaak te spreken, waarover wij het bij onze laatste samenkomst gehad hebben en die op het oogenblik vele onzer collega’s te Petersburg bezighoudt. De behoefte aan een zuiver letterkundig tijdschrift met kritiek, dat aan alle polemiek en schandalen van den tegenwoordigen tijd krachtig het hoofd biedt, wordt in sterke mate gevoeld. Reeds hebben Gontscharoff, Jermin, Annenkoff, Maikoff, Michailoff, Awdjejeff en vele anderen dit denkbeeld met grooten bijval begroet. Indien gij, Ostrowski, Toerghenjeff en mogelijk ook onze beschroomde Grigorowitsch (ofschoon deze ook wel gemist kan worden) zich bij deze club aansluiten, kan met zekerheid gezegd worden, dat het heele gebied der fraaie letteren eindelijk in één tijdschrift vereenigd is. Van welken aard dit orgaan zal zijn: een nieuw tijdschrift of eene leesbibliotheek, die door het genootschap in pacht zal worden genomen, verzoek ik u eens te overwegen en dan uw voorstel mee te deelen. Hier is de meerderheid geneigd tot eene pacht, en de uitgever bereid tot een matigen prijs. Van mijn’ kant spreek ik vóór noch tegen deze zaak, maar stel mij geheel ten dienste van een zuiver letterkundig blad, op welke grondslagen het ook mocht worden opgericht.“Voor het geleerde of wetenschappelijke gedeelte kunnen als ijverige medewerkers of eenvoudig als leden genoemd worden de professoren: Gorloff, Oestrjaloff, Blagoweschtschenski, Berezin, Zernin en de tegenwoordige medewerkers (ik noem slechts de begaafdsten): Lawroff, Lchowski, Kenjewitsch,Wodowozoff en Doemnin. Toerghenjeff zal, ofschoon men als medewerker niet vast op hem rekenen kan, een voortreffelijk man zijn om zijn’ ijver, zijne veelzijdige kennis en in ’t algemeen om zijne plaats in de letterkunde. Doch voor ’t oogenblik geen bijzonderheden; de hoofdzaak is, dat er algemeene instemming zij en de fundamenteele punten worden vastgesteld.Tolstoi, toen hij naar den Kaukasus vertrok.—Blz. 155.Tolstoi, toen hij naar den Kaukasus vertrok.—Blz.155.“Naar de belangstelling te oordeelen, die gij voor elke zaak aan den dag legt, reken ik er op van u te vernemen, hoe gij over dit plan denkt. Onder andere, doe ik u het volgende verzoek: daar ik toch bij mijne tegenwoordige bezigheden blijf, en de oprichting van een nieuw tijdschrift nog lang kan duren, vraag ik u inmiddels verlof om u onder het getal medewerkers vanDe Leesbibliotheekte mogen opnemen. Beschik niet over uwe bijdragen, zonder dat gij tegen den herfst er ook eene voor mij hebt overgelaten—naar uwe eigen keuze en op de voorwaarden die gij goedvindt. Ik zal er u echter niet om lastig vallen, daar ik weet dat gij, ook zonder mijn verzoek, alles voor mij doen zult wat van uw’ wil afhankelijk is.“Schrijf mij eenige woorden over al deze dingen en in ’t algemeen over uw tegenwoordig leven, uwe plannen en over de gezondheid van Maria Nikolajewna, aan wie gij mijne beleefde en hartelijke groete moet overbrengen. Meld mij ook uw adres. Over het nieuwe tijdschrift moeten wij noodzakelijk correspondeeren; anders vrees ik dat de krachten, waarvan wij nu juist voor een nieuwe uitgaaf genoeg hebben, opnieuw versnipperd zullen worden. Het is onverschillig op welken grondslag de onderneming wordt ontworpen, zoo wij er maar allen in betrokken zijn. Tracht dus, nu gij Toerghenjeff dezen zomer dikwijls zien zult, invloed op hem te krijgen en dezen vriendelijken, maar wankelmoedigen man voor dit algemeene doel te winnen. Te oordeelen naar al wat hij mijhonderdmaal gezegd heeft, moet de gedachte aan zulk een blad hem wel eens bezighouden; maar op zijne woorden valt zoo weinig staat te maken! Laat hij eens bedenken, tot welk ellendig peil onze tijdschriften door versnippering van krachten gedaald zijn; alleen deRussische Bodeheeft zich goed gehouden, maar hij viel bij de afscheiding van hetAthenaeum, dat op zijne beurt verflauwd is.“Over Petersburg valt niets te zeggen.”Den 17denMei vertrok Tolstoi naar Moskou.Op 26 Mei bracht hij een dag door in het gezin van Dr. Behrs, die gehuwd was met mej. Isljenewa, eene vriendin uit Tolstoi’s kinderjaren, en toen een landgoed te Pokrowski niet ver van Moskou bewoonde. In Tolstoi’s dagboek staat deze korte frase over dit bezoek: “De kinderen wachtten ons op; welke lieve, vroolijke meisjes!”—Een van deze meisjes werd zes jaren later zijne vrouw.Daarna vervolgde hij zijne reis en kwam den 28stenMei in Jasnaja Paljana.Den volgenden dag schreef hij zijn’ broeder Sergius een’ brief, waarin hij, onder andere, het volgende zegt:“In Moskou heb ik 10 dagen bijzonder aangenaam doorgebracht zonder champagne of zigeuners, maar eenigszins verliefd—waarover ik je later zal schrijven.”Na zijne aankomst in Jasnaja bracht hij bezoeken bij zijne zuster Maria Nikolajewna, Toerghenjeff en anderen.In de twee volgende brieven aan zijn’ broeder bespeuren wij, dat Tolstoi op het einde van den zomer door een ernstige ziekte werd aangetast. In het begin van September 1856 schrijft hij:“Eerst heden, Maandagavond te 9 uren, kan ik je een goed antwoord geven. Mijn toestand was gaandeweg verergerd; twee doctoren zijn er bij geweest, men heeft nog veertigbloedzuigers gezet; daarop ben ik dadelijk in slaap gevallen, en toen ik ontwaakte gevoelde ik mij veel beter. Eerder dan over een dag of vijf, zes, zal ik echter niet kunnen reizen. Tot weerziens dus. Meld mij s.v.p. wanneer je gaat, en of er groote verzuimen in je huishoudelijk bestuur aanwezig zijn. Verlaat de plaats niet voordat ik er ben. Morgen zal ik je misschien de honden sturen.”In een’ brief van 15 September meldt hij:“Beste broeder Sergius!“Mijne gezondheid is nog niet verbeterd. Ziek ben ik niet, er is ook geen ontsteking, maar ik heb een drukkend gevoel op de borst, steken in de zijde, en tegen den avond heb ik pijn. Misschien zal het langzamerhand van zelf verdwijnen: toch zal ik niet spoedig naar Koersk gaan. Zoo het over een week of twee niet beter is, zal ik er in ’t geheel niet heen gaan, maar in Moskou komen.”Spoedig keerde hij weer naar Petersburg terug, en schreef vandaar op 10 November 1856:“Neem mij niet kwalijk, beste broeder Sergius, dat ik zoo weinig schrijf Ik heb geen tijd gehad. Sedert mijn vertrek heb ik niets dan tegenspoed ondervonden, en hier heb ik niemand dien ik mag lijden. Men zegt, dat ik in deNationale Gedenkschriftenom mijne verhalen over den oorlog ben doorgehaald. Ik heb dat nog niet gelezen, maar—en dit is hoofdzaak—Konstantinoff heeft mij dadelijk na mijne aankomst verteld, dat grootvorst Michaël, toen hij vernam dat ik een gedicht zou maken, er zeer over ontstemd was dat ik pogingen deed om de soldaten te onderrichten. Dat is afschuwelijk! Ik heb den commandant van den staf de zaak uitgelegd. Het is nog maar een geluk, dat mijne gezondheidgoed is, en dat Schipoelinski gezegd heeft, dat mijne borst beterende is.”Op 26 November 1856 verliet Tolstoi den krijgsdienst. Het is hier de plaats om eene goede daad te vermelden, die hij op het einde van zijn’ diensttijd verricht heeft.De staf-commandant Korenitzki, onder wien Tolstoi gediend had, had na afloop van den oorlog voor een krijgsraad behooren terecht te staan, maar dank zij den invloed en de bemoeiingen van graaf Tolstoi bleef hij daarvan verschoond.Van het oogenblik dat Tolstoi den dienst vaarwel zegt, breekt een nieuw levenstijdperk voor hem aan: het letterkundig-maatschappelijke, waarbij het streven naar persoonlijk geluk zich baan breekt.Ondanks de scherpe beoordeelingen en de miskenning van den kant der autoriteiten, was Tolstoi toch een gewenschte gast en een voortreffelijk lid van het letterkundig gezelschap, denSawremjennik.Deze omgeving was echter op verre na niet geschikt om Tolstoi te bevredigen. En dat kon ook niet anders. Men moet de herinneringen der letterkundigen van dien tijd lezen, bijv. Herzen, Panajeff, Fet en anderen van de meest verschillende richtingen, om tot zeer treurige gevolgtrekkingen te komen wat de zedelijke zwakheid dezer lieden betreft, die zich inbeeldden leiders van het menschdom te zijn. Denk aan de maaltijden van Njekrassoff, de drinkgelagen van Herzen, Ketscher en Ogarjeff, den verfijnden smaak van een’ Toerghenjeff! Al die vriendschappelijke samenkomsten waren toen ondenkbaar zonder champagne, hartstocht, kaartspel en dergelijke. En ergerlijk waren de luiheid en de nietswaardige belangen dezer lieden, die al het kwade dier slemppartijen niet zagen, vermengd als zij waren met het prediken over volksliefde en allerlei denkbeelden van vooruitgang. Te midden van deze onbeschaamdheid, die mogelijk in een anderen vorm nog totheden voortbestaat, heeft nog slechts één enkele overtuigende en geeselende stem geklonken van een’ man, wiens ziel dit zelfbedrog niet dulden kon. Dat was de stem van Leo Tolstoi!In zijn werkBiechthangt hij een levendig tafereel op van de zeden der letterkundige wereld in dien tijd, dat is omstreeks het jaar ’60. Ziehier zijne woorden:“Ik heb nog geen overzicht gegeven van de wijze, waarop ik de levensbeschouwingen der personen met wie ik tezamen kwam tot de mijne maakte, en hoe zij al mijne vroegere pogingen om beter te worden geheel deden mislukken. Deze beschouwingen vormden den theoretischen grondslag voor het zedenbederf van mijn leven, waardoor dit verontschuldigd werd.“De levensbeschouwingen van die personen—mijne collega’s letterkundigen—bestonden hierin, dat het leven zich in ’t algemeen ontwikkelt, dat wij, de mannen der gedachte, het hoofdaandeel in die ontwikkeling hebben, en dat onder die mannen der gedachte wij, bellettristen en dichters, den meesten invloed hebben. Onze roeping is: de menschen te onderrichten. Maar om de vraag te vermijden: ‘wat weet men en wie moet men onderrichten?’, werd in die theorie verklaard, dat zulke kennis ook niet noodzakelijk is, en datbellettristenen dichtersonbewustonderrichten. Ik ging door voor een uitstekend bellettrist en dichter, en daarom was het zeer natuurlijk, dat ik die theorie tot de mijne maakte. Ik, een bellettrist en dichter, schreef en onderrichtte—ik wist zelf niet wat. Men gaf er mij geld voor, ik had uitstekende spijzen, eene positie, vrouwen, gezelschap; ik had naam. Bijgevolg moest hetgeen ik onderwees wel zeer goed zijn.“Dat geloof in de beteekenis der poëzie en in de ontwikkeling van het leven was een werkelijk geloof; en ik was een der priesters er van. Het bewustzijn priester te zijn waszeer aangenaam en voordeelig. En vrij lang heb ik in dat geloof geleefd, zonder aan de waarheid er van te twijfelen. Maar in het tweede, en vooral in het derde jaar van dit leven begon ik aan de onfeilbaarheid van dat geloof te twijfelen, en ging ik het onderzoeken. De eerste aanleiding tot twijfel was, dat ik begon op te merken, dat de priesters het niet allen samen eens waren. Enkelen zeiden: ‘wijzijn de beste en nuttigste leermeesters;wijleeren wat noodig is, en wat anderen leeren is onjuist.’—Anderen zeiden: ‘neen,wijzijn de ware, en gij onderwijst niet juist.’—En zij disputeerden, twistten, scholden, bedrogen elkander, en misdroegen zich.“Daarenboven waren er velen onder ons, die er zich niet om bekommerden wie gelijk of wie ongelijk had, en eenvoudig door middel van onzen arbeid hun baatzuchtig doel bereikten. Dat alles bewoog mij aan de waarheid van ons geloof te gaan twijfelen.“Meer nog: toen ik eenmaal aan de waarheid van het geloof eens schrijvers twijfelde, begon ik eens de priesters van dat geloof met meer aandacht gade te slaan, en overtuigde mij toen, dat bijna allen—de schrijvers—onzedelijke lieden waren, voor het meerendeel slecht en met een nietswaardig karakter. Dat zij veel lager stonden dan de personen, die ik in mijn vroeger ongeregeld krijgsmansleven had ontmoet, maar dat zij zelfvertrouwen hadden en evenzoo over zich zelven tevreden waren, als volslagen heilige personen of als zoodanigen, die niet weten wat heiligheid is. Die lieden walgden mij, en ik begreep dat dit geloof bedrog was.“Maar zonderling is het dat, ofschoon ik dit leugenachtige geloof spoedig begreep en er mij aan onttrok, ik mij niet onttrok aan de positie, die mij door deze lieden gegeven was: de positie van bellettrist, van dichter en leeraar. Op naïeve wijze verbeeldde ik mij, als dichter en bellettrist iedereen tekunnen onderwijzen, ofschoon ik zelf niet wist wie ik onderwees. En zoo heb ik gehandeld.“Uit den omgang met die personen ontwikkelde zich bij mij eene nieuwe ondeugd,—een trots, die overging in de ziekelijke, krankzinnige overtuiging dat ik geroepen was te onderwijzen, zonder te weten wat.”15Niettemin werd Tolstoi, door zijn verkeer in den kring dier personen, van hunne belangen doordrongen en is hij een der werkzaamste deelnemers geweest aan hunne kameraadschappelijke ondernemingen. Zoo is een der belangrijkste letterkundige instellingen:Het Genootschap tot ondersteuning van Letterkundigen en Geleerden, het zoogenaamdeFonds voor Letterkundigen, veel aan hem verplicht geweest. Gewoonlijk wordt Droezjinin als de stichter van dit fonds beschouwd, maar in het dagboek van Tolstoi vinden wij de volgende aanteekening:“3 Januari 1857.“Ik heb bij Droezjinin het ontwerp van het fonds opgesteld.”Tolstoi kan dus met het volste recht tot de stichters van dit fonds gerekend worden.Ongeveer in dezen tijd moet Tolstoi op meer grondige wijze hebben kennis gemaakt met de geschriften van Poeschkin, die hem zeer aantrokken.Uit zijne verhalen blijkt, dat hij Poeschkin, na diens gedichtDe Zigeunersin de Fransche vertaling van Mérimée gelezen te hebben, hoog waardeerde. Het lezen van dit gedicht, door den vertaler in proza weergegeven, openbaarde Tolstoi al de kracht van Poeschkin’s dichterlijk talent.In zijn dagboek van 4 Januari 1857 vinden wij de volgende aanteekening:“Ik heb bij Botkin gedineerd, in gezelschap van Panajeff, die mij Poeschkin heeft voorgelezen. Daarop begaf ik mij naar Botkin’s kamer, schreef een brief aan Toerghenjeff, ging op de sofa zitten en begon luid te weenen; het waren tranen zonder reden ... dichtertranen, die mij zalig stemden. Al dien tijd voelde ik mij bepaald gelukkig, en was ik in een’ roes van ‘snellen zedelijken vooruitgang’.”Die “snelle zedelijke vooruitgang” was oorzaak, dat Tolstoi zich niet lang met dit gezelschap en dezen werkkring kon tevreden stellen; en gretig zocht hij naar een middel om er uit te geraken. En daar een bewegelijke geest ook in zijne uiterlijke handelingen steeds onrust laat blijken, zoo legde ook Tolstoi eene rustelooze werkzaamheid aan den dag, eene energie, waarvan een der uitingen was zijne buitenlandsche reis, die blijkbaar zonder bepaald doel is ondernomen. Ziehier wat hij daarvan in zijneBiechtzegt, met de hem eigen oprechtheid zichzelf en zijne omgeving beoordeelende:“Zoo heb ik nog zes jaren, tot aan mijn huwelijk, aan dit onverstandige leven besteed. In dien tijd ging ik buitenslands. Het leven in Europa en mijne nadere kennismaking met vermaarde en geleerde Europeesche personen versterkten mij meer en meer in het geloof van volmaking in ’t algemeen, waarin ik leefde, omdat ik ook bij hen datzelfde geloof vond. Dit geloof nam bij mij den gewonen vorm aan, dien het bij de meeste beschaafde lieden van mijn’ tijd bezit, en werd door het woordvooruitganguitgedrukt. Het kwam mij toen voor, dat er in dat woord eene zekere beteekenis lag. Ik begreep toen nog niet dat ik, gekweld, als ieder levend wezen, door de vraag: ‘hoe leef ik het best?’, en daarop antwoordende: ‘leef overeenkomstig den vooruitgang’, een antwoord gaf volkomen gelijk aan dat van iemand, die in eene boot gezeten, ten spel aan wind en golven, op deeenige vraag die hij zich stellen kan: ‘waar moet ik heenvaren?’, eenvoudig zegt: ‘ik zal wel ergens belanden.’”Niet voordat deze buitenlandsche reis achter den rug was, zou Tolstoi de schatting betalen voor zijn zoeken naar persoonlijk huiselijk geluk.1EeneArtélis een genootschap van soldaten, arbeiders, handwerkslieden, enz., die eene gemeenschappelijke tafel, dikwijls ook eene gemeenschappelijke kas hebben, en meestal samenwonen. In de groote steden bestaan artélen met gecompliceerde organisaties, groote kapitalen en vèrstrekkende macht, waarbij het genootschap solidair borg blijft en waakt voor de belangen van elk zijner leden. Zoo bijv. de beurs-artélen te Petersburg en Moskou, die de geheele koopmanschap met hoogere en lagere beambten omvatten.2R. Löwenfeld,Graaf L. N. Tolstoi.3Paul Boyer,Le Temps, 28 Aug. 1901.4A. Fet.Mijne herinneringen, Deel 1, Bladz. 105.5De volledige werken van D. W. Grigorowitsch, Deel XII.6Alexander Iwanowitsch Herzen (1812–1870) was de natuurlijke zoon van een rijken edelman Jakofleff en ontleende zijn’ naam aanHerzens-kind. Zijne moeder was eene Duitsche: Luise Haag.7G. P. Danilewski,Reis naar Jasnaja Paljana, in de Geschiedkundige Mededeelingen van Maart 1886.8E. Garschin.Herinneringen aan I. S. Toerghenjeff, in de Geschiedkundige Mededeelingen, November 1883.9Herinneringenvan A. Golowatschewa Panajewa.10Toerghenjeff stierf in 1883.11Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Bladz. 27.12Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff, Blz. 33.13Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Blz. 32.14Uit de gedenkschriften van Tolstoi.15Biecht.
Negende hoofdstuk.St.-Petersburg.Als koerier naar Petersburg gezonden, werd Tolstoi bij eene veldbatterij geplaatst, onder bevel van generaal Konstantinoff, en keerde niet weer naar het leger terug.Bij zijne aankomst te Petersburg op 21 November 1855 bezocht hij onmiddellijk den letterkundigen kring van denSawremjenniken werd hier met open armen ontvangen.Tolstoi doet ons een verhaal van dien tijd in zijneBiechtdat aldus luidt:“Destijds begon ik te schrijven uit ijdelheid, eigenbelang en trots. In mijne geschriften deed ik hetzelfde, als in het leven. Om naam en geld te krijgen, ter wille waarvan ik schreef, moest ik het goede bemantelen en het kwade bekend maken; en dat hèb ik gedaan. Hoe dikwijls heb ik op listige wijze, in den vorm van onverschilligheid en zelfs van lichte spotzucht, in mijne geschriften die neigingen tot het goede verborgen, welke den zin mijns levens vormden. En dit heb ik bereikt: men heeft mij geprezen.“Op den leeftijd van 27 jaren kwam ik, na afloop van den oorlog, te Petersburg met schrijvers tezamen. Men ontving mij als een der hunnen en vleide mij.”Natuurlijk werd Tolstoi, 20 jaren na het schrijven van deze regelen, door andere gevoelens bestormd; maar de kiemen van het scepticisme, van dit wreede, onmeedoogende zelfonderzoek hebben zich reedstoengeopenbaard en zijne collega’s verbaasd.DeSawremjennikwas een tijdschrift, opgericht door A. N. Poeschkin en Pletnjeff. Het eerste nummer er van verscheen in 1836; na Poeschkin’s dood zette Pletnjeff, van 1838 tot 1846, de uitgaaf voort; maar hierna zweeg het blad geheel. In 1847 werd het recht van uitgaaf verkregen door I. I. Panajeff en N. A. Njekrassoff, die, in vereeniging met den bekenden criticus Belinski, weldra de beste litteraire krachten tot medewerking aan het blad wisten te bewegen; en tot het jaar 1866, toen het op last der autoriteiten geschorst werd, is het blad het vooruitstrevende hoofdorgaan geweest op het gebied van fraaie letteren en kritiek.Bij Tolstoi’s komst te Petersburg bestond de meer intieme kring van denSawremjennikuit letterkundigen, die in de twee in dit werk voorkomende groepen worden voorgesteld, te weten: Panajeff, Njekrassoff, Toerghenjeff, Tolstoi, Droezjinin, Ostrowski, Gontscharoff, Grigorowitsch en Sollogoeb. Van hen die niet in deze groepen figureeren, kunnen genoemd worden: W. P. Botkin, Fet en anderen.De hoofdmedewerkers van denSawremjennikwaren, wat de deelneming aan het tijdschrift en de verdeeling van het honorarium betrof, door zekereartél-verplichtingen1gebonden. Dikwijls bezwaarden die verplichtingen de deelnemers en waren dan oorzaak van allerlei onaangename conflicten in den letterkundigen kring. Uitgevers en redacteuren van andere tijdschriften vroegen vermaarde schrijvers om letterkundige bijdragen, waardoor de administratie van denSawremjennikzich gekrenkt voelde, en wederkeerig. De Duitsche schrijver Löwenfeld deelt van een dezer conflicten het volgende mede:“Tusschen Toerghenjeff en Katkoff was een twist ontstaan, waarin ook Tolstoi gemengd werd—zij het dan voor een deel door eigen schuld. Toerghenjeff was eerst de vlijtige medewerker van Katkoff geweest, en voor laatstgenoemde was het natuurlijk onaangenaam zulk een uitstekenden schrijver te verliezen. Hij droeg zijn broeder op de beide jonge auteurs dagelijks te bezoeken, en hun om bijdragen voor zijn tijdschrift te vragen. Toerghenjeff, die eindelooze aanvragen moede, beloofde op zekeren dag iets voor Katkoff te zullen meegeven, doch kon deze belofte niet nakomen. Katkoff ontstak in hevige woede en begon Toerghenjeff openlijk te beleedigen, zich beklagende, dat Toerghenjeff eenmaal beloofd had aan zijn blad te zullen medewerken, en bijgevolg niet het recht had om zijne pennevruchten uitsluitend aan denSawremjennikte geven. Aan den anderen kant had hij, als lid van de artélSawremjennik, niet het recht te beloven, dat hij voor Katkoff’s tijdschrift zou werken. Zijn zachte, toegevende aard had hem ditmaal een slechten dienst bewezen.“Tolstoi nam het voor zijn’ vriend op. Hij schreef Katkoff een langen brief om Toerghenjeff te rechtvaardigen.—‘De zachtmoedigheid van Toerghenjeff, zijne minzaamheid,’ schreef Tolstoi, ‘hadden hem bewogen aan twee kanten beloften te doen.’ Hij verzocht Katkoff dezen verweerbrief openbaar te maken. Katkoff stemde toe, maar onder voorwaarde dat ook zijn antwoord zou worden gepubliceerd, en zond Tolstoi het ontwerp van zijn’ brief. De inhoud van dit antwoord was echter van dien aard, dat Tolstoi er de voorkeur aan gaf zich aan de inmenging te onttrekken.”2De artél van denSawremjennikhield niet lang stand en ging in eene gewone tijdschrift-organisatie over.Tolstoi heeft Belinski niet bij denSawremjennikontmoet. Naar men weet, was Belinski in 1848 gestorven, na zich voor de instandhouding van het tijdschrift veel moeite te hebben gegeven. Zijn enthousiasme had dit stervende blad met nieuw leven bezield en het bestaan er van voor langen tijd verzekerd. Op Tolstoi is echter een rechtstreeksche invloed van Belinski niet merkbaar geweest.Eenerzijds lag de oorzaak hierin, dat zij menschen waren van verschillende tijdperken. Belinski was in den waren zin des woords een man uit den tijd van ’40; en Tolstoi, die eerst in de jaren na ’50 de letterkundige loopbaan betrad, vond slechts volgers van Belinski, die de aantrekkingskracht van hun’ voorganger misten. Aan den anderen kant was de sfeer, waarin Tolstoi was groot gebracht, niet gunstig voor zijne aanraking met de letterkundigeonadellijken, gelijk zij zich zelven noemden. Hij hield zich bij den kring van personen die hem meer in opvoeding nabij kwamen, en zelfs onder dezen was hij altijd afgescheiden, onafhankelijk,—iemand die wel de meeste tegenstanders influënceerde, doch weinig vatbaar was voor invloed van buiten. Men kan ook eene veel diepere, eene principiëele oorzaak aanwijzen. Ofschoon zich in de jaren na ’50 bij Tolstoi nog geen bepaalde wereldbeschouwing gevormd had, heeft de richting van denSawremjennikhem toch nooit aangetrokken. Eindelijk hebben, volgens Tolstoi’s eigen bekentenis, genieën op het gebied der fraaie letteren altijd meer invloed op zijn letterkundigen arbeid gehad, dan genieën op het gebied der journalistiek.Op wijsgeerig gebied ondervond hij in zijne jeugd den meesten invloed van de zijde van Rousseau.In een gesprek over de Fransche literatuur met denParijschen hoogleeraar Boyer, die hem in de lente van het jaar 1901 een bezoek bracht, drukte Tolstoi zich over zijne beide leermeesters, Rousseau en Stendhal, uit als volgt:“Tegenover Rousseau is men onbillijk geweest; de grootheid van zijne idee is niet erkend, en op alle mogelijke wijzen heeft men hem belasterd. Ik heb den geheelen Rousseau gelezen: alle 20 deelen, waaronder hetWoordenboek der Muziek. Hij heeft mij in verrukking gebracht—meer nog, ik heb hem vergood. Toen ik 15 jaar oud was, droeg ik in stede van een kruis op de borst, een medaillon om den hals met zijn portret. Vele bladzijden uit zijne werken staan zóó diep in mijne ziel gegrift, dat het mij toeschijnt of ik ze zelf geschreven heb.“Wat Stendhal betreft,” ging Tolstoi voort, “van hem zal ik alleen spreken, als van den schrijver vanLa Chartreuse de ParmeenRouge et Noir. Dit zijn twee groote, onnavolgbare voortbrengselen der fraaie letteren. Aan Stendhal ben ik meer verschuldigd, dan aan iemand anders. Hij heeft mij den oorlog leeren begrijpen. Lees eens inLa Chartreuse de Parmehet verhaal van den slag bij Waterloo! Wie heeft, vóór hem, den oorlog zóó beschreven: namelijk zoo, als hij in werkelijkheid is? Denk aan Fabricius, die over het slagveld rijdt, en ernietsvan begrijpt! Later heeft mijn broeder, die vóór mij in den Kaukasus gediend heeft, mij de juistheid van Stendhal’s beschrijvingen bevestigd. Hij hield veel van den oorlog, maar behoorde niet tot hen, die gelooven aan de brug van Arcola. ‘Dit alles is fraaiigheid,’ zeide hij mij, ‘maar in den oorlog bestaat geen fraaiigheid’. Spoedig daarna viel het mij in de Krim gemakkelijk dit alles met eigen oogen te zien. Doch ik herhaal u: al wat ik van den oorlog weet, heb ik te voren reeds van Stendhal geleerd.”3Laat ons nog de titels van de letterkundige producten noemen, welke in de reeds gedeeltelijk door ons opgenomen lijst voorkomen en op het nu omschreven tijdvak betrekking hebben.In het tijdvak van zijn 20stetot zijn 25stelevensjaar hebben de volgende geschriften den grootsten invloed op Tolstoi gehad:Titels der geschriften.Graad van invloed.Goethe,Hermann und DorotheaZeer groot.V. Hugo,Notre-Dame de ParisZeer groot.Tjoetscheff,GedichtenGroot.Koltzoff,GedichtenGroot.Fet,GedichtenGroot.Plato (Vertaling van Cousin).PhaedoenSymposionZeer groot.De Odysseaende Ilias, in ’t Russisch gelezenZeer groot.Hierdoor krijgen wij een min of meer volledig beeld van Tolstoi’s letterkundige opvoeding.In den kring der Petersburgsche letterkundigen bracht Tolstoi zijne krachtige, aesthetische, aantrekkelijke natuur en zijn onbuigzaam, vaak twistziek karakter mede, en verwekte een’ storm in dat kalme, bezadigde gezelschap.Ziehier hoe Fet in zijneHerinneringenTolstoi’s verschijnen in Petersburg vertelt:“Toerghenjefif stond zeer vroeg op en dronk (op zijn Petersburgsch) zeer vroeg thee. In den korten tijd dat ik in de hoofdstad was, kwam ik dagelijks tegen 10 uren bij hem, om in onzen vrijen tijd wat te praten. Toen Zachar, Toerghenjeff’s huisknecht, den tweeden dag de deur der voorkamer voor mij opende, zag ik in een’ hoek eene korte sabel met het Sint-Anna-lint.“‘Wat is dat voor eene sabel?’ vroeg ik, tegelijk naar de deur van het salon gaande.“‘Wees zoo goed en kom hierheen,’ fluisterde Zachar, terwijlhij links naar de gang wees. ‘Die korte sabel is van graaf Tolstoi, die heden nacht in het salon is blijven slapen. Iwan Serghejewitsch zit op het oogenblik in zijn kabinet thee te drinken.’“In het uur dat ik bij Toerghenjeff doorbracht, spraken wij fluisterend, uit vrees den graaf wakker te maken, die achter de deur sliep.“‘Dat gaat maar steeds zoo door,’ zeide Toerghenjeff glimlachend. ‘Van zijne batterij uit Sewastopol teruggekeerd, is hij bij mij afgestapt en geheel uit den band gesprongen. Drinkgelagen, uitgaan, den geheelen nacht kaarten, en dan tot twee uur des namiddags slapen. Eerst trachtte ik hem daarvan terug te houden, maar nu heb ik het opgegeven.’“Gedurende dit bezoek maakte ik ook met Tolstoi kennis, maar deze kennismaking was geheel vormelijk, daar ik tot dien tijd nog geen enkelen regel van hem gelezen en zelfs zijn’ naam als letterkundige nooit gehoord had, ofschoon Toerghenjeff over zijne verhalen uitKinderjarengesproken had. Maar van het eerste oogenblik af bespeurde ik bij den jongen Tolstoi een onwillekeurig verzet tegen al wat op het gebied der meeningen algemeen gebruikelijk is. In dien korten tijd zag ik hem slechts een enkelen avond bij Njekrassoff, in onzen kring van celibataire letterkundigen, en was ik hier getuige van een voorval, waarbij Toerghenjeff, kokend en buiten adem door zijn dispuut, over de schijnbaar ingetogen, maar des te bijtender uitdrukkingen van Tolstoi haast wanhopig werd.“‘Ik kan niet erkennen,’ zeide Tolstoi, ‘dat ge overtuigd zijt van hetgeen ge daar zegt. Als ik met een dolk of sabel aan de deur ga staan en zeg: “Zoolang ik leef, komt hier niemand binnen!”, dan is dat mijne overtuiging. Maar gij tracht het wezen uwer ideeën tegenover elkaar te verbergen, en noemt dat “overtuiging”.’“‘Waarom komt ge dan bij ons?’ sprak Toerghenjeff, ademloos en met eene stem, die in een fijnen, valschen diskant overging (bij heftige twisten was dit steeds het geval). ‘Hier is uw vaandel niet. Ga naar prinses B-i-b-i.’“‘Waarom mij hier te vragen, waar ik heen zal gaan! Ook de onnutte gesprekken over mijn komen hier en daar zullen niet in overtuiging veranderen!’“Nu ik deze geenszins op zichzelf staande botsing tusschen Tolstoi en Toerghenjeff, waarvan ik destijds getuige was, in herinnering breng, kan ik niet nalaten te zeggen, dat, ofschoon ik begreep dat er hier van politieke overtuiging sprake was, deze quaestie mij zoo weinig interesseerde, dat ik niet trachtte dieper in den aard er van door te dringen. Ik ga verder. Op gezag van allen, die ik in onzen kring gehoord heb, vermoed ik dat Tolstoi gelijk had, en dat, indien personen die zich door de tegenwoordige orde van zaken bezwaard gevoelen, genoodzaakt werden hun ideaal uit te spreken, zij in de grootste verlegenheid zouden verkeeren hoe hunne wenschen te formuleeren.“Wie onzer kende destijds niet dien vroolijken metgezel, dien makker in allerlei guitenstreken en meester in het vertellen van grappige anecdoten: Dmitri Wasiljewitsch Grigorowitsch, zoo geroemd om zijne verhalen en romans? Ziehier wat onder anderen deze Grigorowitsch mij gezegd heeft van de botsing tusschen Tolstoi en Toerghenjeff, ten huize van Njekrassoff.“‘Waarde vriend’, sprak hij, stikkend en met tranen in de oogen van het lachen, terwijl hij over mijn schouder keek, ‘gij kunt u niet voorstellen, welke scènes hier al geweest zijn. Ach, mijn hemel! Toerghenjeff krijscht, knijpt met de hand zijn keel toe en fluistert met de oogen eener stervende gazelle: “Ik kan niet meer! Ik heb bronchitis!” Vervolgens gaat hij met reusachtige stappen de drie kamers op en neerloopen—“Bronchitis!” bromt Tolstoi onmiddellijk daarop “bronchitis is eene denkbeeldige ziekte. Bronchitis stamt af van brons, en brons is een metaal!”—Natuurlijk verkeert de gastheer Njekrassoff in angst: hij vreest zoowel Toerghenjeff als Tolstoi te moeten missen, in wien hij een kapitalen steun voor denSawremjennikheeft ontdekt. Hij moet laveeren. Wij zijn allen in opgewonden stemming en weten niet wat te zeggen. Tolstoi ligt met een opgezet gelaat op een marokijnlederen sofa in de middelste kamer, terwijl Toerghenjefif, met de panden van zijn korte jas op zijde geslagen en de handen in de zakken, voortdurend de drie kamers op en neer loopt. Om onheilen te voorkomen, ga ik naar de sofa en zeg: “Beste vriend Tolstoi, wind u niet op! Ge weet niet hoezeer hij u waardeert en hoe hij u lijden mag!”’“‘Ik kan niet dulden,’ zegt Tolstoi met trillende neusvleugels, ‘dat hij mij ergert! Zie eens, hoe hij daar opzettelijk voor mij heen en weer loopt en met zijne democratische heupen draait.’”4De zoo even genoemde Grigorowitsch verhaalt in zijneLetterkundige Herinneringenvan eene dergelijke episode uit den tijd van Tolstoi’s eerste kennismaking met de Petersburgsche letterkundigen.“Bij mijn’ terugkeer uit Marjinski, te Petersburg ontmoette ik graaf Leo Tolstoi; mijne kennismaking met hem was echter reeds te Moskou bij de Soeschkoff’s begonnen, toen hij de militaire tenue droeg. Hij woonde te Petersburg in de Officiers-straat, op de onderste étage van een niet groot huis, juist tegenover de kamer van den letterkundige M. L. Michaïloff. Hij scheen dezen niet te kennen.“Van den eersten dag af had Petersburg niet alleen nietsaantrekkelijks voor hem, maar het geheele leven aldaar werkte merkbaar ontstemmend op hem.“Toen ik op den dag van mijn bezoek van hem vernam, dat hij dien middag bij de redactie van denSawremjennikte eten was gevraagd, en dat hij daar niemand van nabij kende, niettegenstaande hij reeds bijdragen aan het blad geleverd had, besloot ik met hem mee te gaan. Onderweg achtte ik het noodig hem te waarschuwen, dat hij daar enkele quaestiën niet moest aanroeren en zich vooral onthouden van aanvallen op George Sand, van wie hij (Tolstoi) zeer afkeerig was, terwijl destijds vele leden der redactie integendeel met haar dweepten. Het middagmaal verliep in goede orde; Tolstoi was tamelijk stil, doch op het eind hield hij zich niet in. Toen hij een nieuwen roman van George Sand hoorde prijzen, verklaarde hij beslist haar te haten, er bijvoegende dat de heldinnen harer romans, zoo die in werkelijkheid bestonden, op den schandwagen gebonden, en te pronk door de straten van Petersburg geleid moesten worden. Reeds in die dagen vormde zich bij hem die eigenaardige meening omtrent de de vrouwen en de vrouwen-quaestie, welke zich later op zoo klare wijze in den romanAnna Karjeninaheeft uitgesproken.“De scène bij de redactie heeft mogelijk zijne verbittering opgewekt tegen al wat Petersburgsch was,—maar nog het meest zijne zucht tot tegenspraak. Welke meening de persoon, tot wien hij sprak, ook uitte, en hoe gezagvoller die persoon hem toescheen, des te heftiger prikkelde hem dit om het tegenovergestelde te zeggen en over woorden te gaan strijden. Zag men hoe hij luisterde, hoe doordringend hij den ander uit de grijze, diep verborgen oogen aankeek, en hoe spottend zich zijne lippen krulden, dan had men kunnen denken dat hij reeds vooraf, zoo niet een rechtstreeksch antwoord, dan toch eene meening overdacht, die door hareonverwachtheid moest overbluffen, en dadelijk uit het veld slaan.“Zoo kwam Tolstoi mij in zijne jongelingsjaren voor. In disputen ging hij soms tot uitersten over. Eens bevond ik mij in eene aangrenzende kamer, toen er tusschen hem en Toerghenjeff een twist ontstond. Daar ik hoorde schreeuwen, ging ik naar de twistenden toe. Toerghenjeff stapte van den eenen hoek naar den anderen, en vertoonde alle teekenen van de hevigste opwinding; hij maakte van de open deur gebruik en verdween onmiddellijk. Tolstoi lag op de sofa; maar ook zijne opwinding was zoo groot, dat het niet weinig moeite kostte hem te kalmeeren en naar huis te brengen. Het onderwerp van den twist is mij tot heden onbekend gebleven.”5Tolstoi’s geest van tegenspraak blijkt nog uit het volgende voorval, dat in de herinneringen van G. P. Danilewski verhaald wordt.“Ik heb met Tolstoi kennis gemaakt tegen het jaar 1860, in het gezin van een bekenden beeldhouwer. De schrijver der Sewastopol’sche verhalen was toen juist in Petersburg gekomen, en was een jong, flink gebouwd artillerie-officier. Zijn zeer gelijkend portret uit dien tijd komt voor in de bekende photographische groep van Lewitski, waar hij tegelijk met Toerghenjeff, Gontscharoff, Grigorowitsch, Ostrowski en Droezjinin wordt voorgesteld. Naar ik mij herinner, kwam graaf Tolstoi toen juist het salon der gastvrouw binnen op het oogenblik, dat een nieuw werk van Herzen6werd voorgelezen. Hij ging stil achter den stoel van denlezer staan, wachtte tot deze geëindigd had, en viel toen eerst zacht en ingetogen, maar vervolgens zoo heftig en driest over Herzen uit, en over de algemeene geestdrift die zijne werken destijds verwekten, sprak met zulk eene oprechtheid en betoogkracht, dat ik in het vervolg geen werk van Herzen in dit gezin meer heb aangetroffen.”7Wij weten, dat Tolstoi in lateren tijd omtrent Herzen van meening veranderd is, en zullen te gelegener tijd daarvan spreken.E. Garschin verhaalt in zijneHerinneringen aan Toerghenjeffde volgende belangwekkende meening van dezen auteur over Tolstoi, die ons reeds vroegtijdig het element van oneenigheid doet zien, dat hunne verstandhouding bijna tot een noodlottig einde voerde.“Bij Tolstoi,” verhaalde Toerghenjeff, “openbaarde zich al vroeg de trek, die later ten grondslag lag aan zijne geheele vrij duistere levensbeschouwing, welke in de eerste plaats hemzelven heeft gekweld. Hij geloofde nooit aan de oprechtheid der menschen. Elke gemoedsbeweging scheen hem valsch, en hij had de gewoonte iemand met zijne doordringenden blik als ’t ware te doorboren, wanneer het hem toescheen dat die persoon huichelde of onoprecht was. Toerghenjeff zeide mij, dat hij nooit in zijn leven iets pijnlijkers gevoeld had dan dien uitvorschenden blik, die, gevoegd bij twee of drie woorden die een giftige opmerking inhielden, wel geschikt was om ieder mensch met geringe zelfbeheersching tot razernij te brengen. Als voorwerp van zijne onderzoekingen koos graaf Tolstoi onder anderen (en bijna uitsluitend) zijn’ vriend Toerghenjeff. De bekende zelfbeheersching van dezen schrijver en zijne gelijkmoedigheid in dat levenstijdperk, toen zijn letterkundige arbeid op schitterende wijze ontbloeide, schonkenTolstoi geen rust; en het scheen wel of deze zich ten doel stelde den kalmen, goedhartigen man, die met overtuiging zijn werk ten uitvoer bracht, buiten zichzelven te brengen van drift. Maar tevens was het ongelukkig, dat Tolstoi dit volstrekt niet geloofde, en dat in zijn oog menschen die wij als goed beschouwen, het goede huichelen of die eigenschap voorwenden: dat zij overtuiging veinzen in het belang van quaestiën, waarin zij betrokken zijn.“Toerghenjeff begreep duidelijk op welk standpunt Tolstoi zich tegenover hem plaatste, doch wilde zijn karakter tot elken prijs handhaven en zijne zelfbeheersching bewaren. Hij begon Tolstoi te ontwijken, vertrok opzettelijk naar Moskou en vervolgens naar zijn buitenverblijf; maar Tolstoi volgde hem op den voet,evenals eene verliefde vrouw, gelijk Toerghenjeff zich uitdrukte, toen hij deze geheele geschiedenis verhaalde.”8Uit al deze aanwijzingen over de wederzijdsche verhouding der twee schrijvers kunnen wij zien, dat eene werkelijke geestelijke verwantschap tusschen hen onmogelijk was. Maar de vloed van den bevrijdingsstroom voerde beiden in dezelfde richting, en volgens hun werk beschouwden zij zich als kameraden. Daarenboven werden zij door de omstandigheid dat zij tot de hoogere, gepriviligeerde klasse behoorden, door hunne opvoeding en het overwicht hunner talenten te midden van hun’ schrijverskring onwillekeurig en voor den uiterlijken vorm tot elkander gebracht. Maar, zooals de lezers uit het volgende verhaal zullen zien, niet zoodra poogden zij deze kameraadschappelijke grens te overschrijden, of er ontstond eene botsing, die hunne carrière somtijds in gevaar bracht. De waarheid eischt hier te vermelden, dat zij tegen elkanderen tegenover derden rond voor hunne uiteenloopende karakters uitkwamen en—wat nog loffelijker is—dat zij zich veel zedelijk geweld aandeden om, zij het geen vriendschappelijke, dan toch goede betrekkingen te onderhouden, die op wederzijdsche achting berustten. En in dit opzicht kunnen zij een leerzaam voorbeeld geven aan latere geslachten.Ziehier nog een verhaal van Golowatschewa Panajewa, die getuige was van de eerste kennismaking van Toerghenjeff met Tolstoi, welk verhaal de zooeven uitgesproken meening bevestigt:“Ik moet eenige schreden in mijn verhaal teruggaan en spreken over graaf Tolstoi’s verschijning in den kring van denSawremjennik. Hij was toen nog officier en de eenige medewerker van genoemd blad, die de uniform droeg. Zijn letterkundig talent was zoozeer aan ’t licht gekomen, dat alle corypheeën der letterkunde hem als hun gelijke moesten erkennen. De graaf behoorde overigens niet tot de beschroomde lieden, maar was zich de macht van zijn talent bewust, en gedroeg zich dus, gelijk mij toen bleek, zelfs met zekere vrijmoedige ongedwongenheid.“Wanneer de letterkundigen bij ons vergaderd waren, mengde ik mij nooit in hunne gesprekken, maar luisterde zwijgend toe en sloeg allen gade. Vooral interesseerde het mij Toerghenjeff en Tolstoi te volgen, als dezen elkander ontmoetten, disputeerden of wederzijdsche opmerkingen maakten, daar beide mannen zeer schrander en gevat waren.“Tolstoi’s meening over Toerghenjeff heb ik nooit gehoord, en in ’t algemeen sprak hij over geen enkelen letterkundige zijne meening uit, vooral niet wanneer ik er bij was. Daarentegen had Toerghenjeff er behoefte aan over elk zijne opmerkingen te zeggen.“Niet zoodra had Toerghenjeff met Tolstoi kennis gemaakt, of hij zeide van hem:“‘Geen enkel woord, geen enkele beweging is natuurlijk bij hem. Hij poseert zich altijd voor ons; en ik kan maar niet verklaren, hoe een schrander man, als hij, zoo dom trotsch kan zijn op een mager graafschap.’“‘Ik heb dit bij Tolstoi niet opgemerkt,’ zeide Panajeff.“‘Nu, dan merk je niet veel op,’ antwoordde Toerghenjeff,“Eenigen tijd later vond Toerghenjeff dat Tolstoi zich eenigszins op zijn Don Juan’schap liet voorstaan. Tolstoi had namelijk op zekeren dag eenige interessante voorvallen uit zijn krijgsmansleven verhaald. Toen Toerghenjeff die gehoord had, zeide hij:“‘Al kookt men een Russischen officier drie dagen in de wasch, toch kookt men er den jonkers-overmoed niet uit, en met welk vernis van beschaving zulk personage ook gepolitoerd wordt, toch schemert zijne brutaliteit er doorheen.’“En Toerghenjeff begon elken volzin van Tolstoi, den toon zijner stem, de uitdrukking van zijn gezicht te critiseeren, en eindigde met de woorden:“‘Geloof mij, dit alles is brutaliteit, en spruit slechts voort uit den wensch om eene onderscheiding te krijgen.’“‘Wil ik je eens wat zeggen, Toerghenjeff,’ merkte Panajeff op. ‘Indien ik je niet zoo goed kende, zou ik bij het hooren van al je uitvallen over Tolstoi denken, dat je hem benijdt.’“‘Waarom zou ik hem kunnen benijden? Zeg eens, waarom?’ riep Toerghenjeff uit.“‘Inderdaad, eigenlijk om niets, want jouw talent evenaart het zijne... maar toch kan men denken...’“Toerghenjeff begon te lachen en sprak met zeker medelijden in zijn stem:“‘Panajeff, je bent een goed opmerker bij het kaartspel, doch ik raad je geen opmerkingen te willen maken over dingen, die buiten dat gebied staan.’“Panajeff voelde zich gekrenkt.“‘Ik heb je die opmerking gemaakt in je eigen belang,’ zeide hij en ging heen.“Toerghenjeff’s opgewondenheid duurde voort, en wrevelig zeide hij:“‘Alleen in het brein van iemand als Panajeff kan het ongerijmde denkbeeld opkomen, dat ik Tolstoi kan benijden. Misschien om zijn graafschap?’“Al dien tijd had Njekrassoff weinig gezegd, omdat eene keelziekte hem geheel terneer drukte. Alleen merkte hij tegen Toerghenjeff op:“‘Denk eens goed na over hetgeen je Panajeff hebt believen te zeggen. Eigenlijk zou men jou van zulk eene ongerijmdheid kunnen beschuldigen.’”9Als eerlijk, waarheidlievend man, heeft Toerghenjeff zijn’ eerbied voor Tolstoi’s talent meermalen in ’t openbaar betuigd, en in een gesprek met een Franschen uitgever bezigde hij zelfs de uitdrukking van Johannes den Dooper, die tot Christus zeide: “Ik ben niet waardig Uwe schoenriemen te binden.” Niettemin is hunne verhouding nooit hartelijk of intiem geweest.Alleen toen hij, op zijn sterfbed liggend,10in zijn laatsten brief graaf Tolstoi met aandoening en warmte verzocht om tot den letterkundigen arbeid terug te keeren, gaf hij hem een naam, die nog geen enkel Russisch schrijver hem had toegevoegd: den naam vaneen groot Russisch schrijver. En die beroemde naam zal voortleven tot in het verre nageslacht!Om den lezer een denkbeeld te geven van de verstandhouding, die tusschen Tolstoi en Toerghenjeff in de eerste dagen hunner kennismaking bestaan heeft, zullen wij in ons verhaal wat vooruit moeten loopen en enkele brieven citeeren, welke Toerghenjeff in dat jaar aan Tolstoi geschreven heeft.Tolstoi in de dagen dat hij de Universiteit verliet.—Blz. 123.Tolstoi in de dagen dat hij de Universiteit verliet.—Blz.123.Parijs, 16 November 1856.“Aan N. L. Tolstoi.“Amice Tolstoi!“Uw brief van 15 October heeft eene geheele maand noodig gehad om mij te bereiken, want ik ontving hem eerst gisteren. Ik heb goed nagedacht over hetgeen gij mij hebt geschreven—en het komt mij voor, dat ge ongelijk hadt. Ik kan namelijk niet geheel oprecht tegen u zijn, omdat ik niet geheel vrijmoedig kan wezen. Naar ik geloof, hebben wij onbeholpen en te onpas kennis gemaakt, en als wij elkander weerzien, zal de zaak veel lichter en vlotter gaan.... Ik gevoel, dat ik u als mensch mag lijden (als schrijver, daarover spreek ik niet); maar veel heeft mij in u teleurgesteld, en ten slotte vind ik het beter mij wat van u te verwijderen. Bij onze samenkomst zullen wij weer trachten hand aan hand te gaan: misschien lukt het beter; hoe vreemd het ook moge klinken, op een’ afstand verlangt mijn hart naar u, als naar een’ broeder, en voel ik zelfs genegenheid voor u. In één woord: ik mag u lijden, dat staat vast; misschien zal hieruit mettertijd nog alle goeds voortkomen.“Ik heb van uwe ziekte gehoord, en dit heeft mij bedroefd; nu moest gij alle herinneringen daaraan uit uw hoofd zetten. Gij zijt zwaarmoedig en denkt aan tering; maar geloof mij, die hebt ge niet.“Het spijt mij zeer van uwe zuster. Wie zou gezond moeten zijn, als zij het niet is? Daarmee wil ik zeggen dat, indien iemand verdient gezond te wezen, het uwe zuster is; en in stede daarvan, staat zij zooveel pijnen uit. Het zou gelukkig zijn, indien de kuur te Moskou haar hielp! Waarom schrijft ge uw’ broeder niet om thuis te komen? Wat heeft hij er aan om in den Kaukasus te zitten? Wil hij soms een groot krijgsman worden? Mijn oom berichtte mij, dat gij reeds allen naar Moskou waart gegaan; en daarom stuur ik ook dezen brief naar Moskou, aan het adres van Botkin....“De Fransche oppervlakkigheid staat mij al evenzeer tegen als u; en nooit is Parijs mij zoo prozaïsch voorgekomen. Ik heb het op andere tijden gezien, en durf zeggen dat het mij toen beter beviel. Wat mij hier houdt, is eene oude, onverbreekbare band met eene Fransche familie, en mijn dochtertje waaraan ik zeer gehecht ben; zij is een lief en schrander meisje. Ware dit niet het geval, dan zou ik reeds lang naar Njekrassoff in Rome gegaan zijn. Ik heb twee brieven van hem uit Rome ontvangen. Hij verveelt zich daar eenigszins, en dat is begrijpelijk. In Rome is alles grootsch, maar het omringt hem slechts: hij leeft er niet in, en zich lang te vergenoegen met de enkele oogenblikken van begrijpen en bewonderen is onmogelijk. Overigens gevoelt hij er meer verlichting dan te Petersburg, en zijne gezondheid is beterende. Fet is daar op het oogenblik bij hem; hij heeft eenige gracieuze verzen geschreven en uitvoerige reisherinneringen, waarin veel kinderlijks, maar ook veel verstandige en degelijke taal staat. En welk eene treffend naïeve oprechtheid in het schetsen van zijne indrukken! Hij is, zooals ge hem terecht noemt, een best mensch!“Ge hebt het eerste deel vanJongelingsjarenvoltooid. Mooi zoo! Hoe jammer, dat ik het niet hooren kan. Zoo ge niet van den rechten weg afdwaalt (en ik geloof, dat er geen reden bestaat om dit te onderstellen) zult ge het zeer ver brengen. Ik wensch u gezondheid, energie—en vrijheid, vrijheid van geest.“Wat mijn’Faustbetreft, ik denk niet dat die u zeer bevallen zal. Mijn werk kon u bevallen—en mogelijk heeft het eenigen invloed op u gehad—slechts zoolang tot gij zelfstandig waart geworden. Nu zult ge er niets uit leeren, alleen verschil in manieren, en gebreken en verzuimen zien. Aan u de taak om den mensch, zijn hart, en de werkelijk groote schrijvers te leeren kennen. Ik ben een schrijver vanden overgangstijd, en deug slechts voor menschen die zich in een overgangs-toestand bevinden. Nu, vaarwel en houd je goed! Schrijf mij eens. Mijn adres is tegenwoordig Rue de Rivoli no. 206.“Ik dank uwe zuster voor de paar toegevoegde woorden. Groet haar en haar echtgenoot. Dank Warenka, dat zij mij niet vergeet.“Gaarne zou ik u iets van de auteurs hier vertellen, maar dan op een anderen keer. Ik druk u stevig de hand.“Ik zal dezen brief niet frankeeren, doe gij ook zoo.”11Den 8stenDecember 1856 schreef hij aan Tolstoi:“Waarde Tolstoi!“Gisterenavond voerde mijn goede genius mij langs het postkantoor, en kwam het in ’t voorbijgaan bij mij op te vragen, of er soms een briefposte restantevoor mij was,—ofschoon, volgens mijne berekening, al mijne vrienden reeds lang mijn adres te Parijs moeten kennen. Zoo vond ik uw’ brief, waarin ge mij over mijn’Faustspreekt. Ge zult licht begrijpen, hoe aangenaam het mij was dit te lezen. Uwe sympathie heeft mij oprecht en innig verheugd. Maar bovendien lag er in uw brief iets zachts en openhartigs, een zweem van vriendschappelijke kalmte. Nu is het mijn plicht u de hand te reiken over den afgrond heen, die sedert lang tot eene nauw merkbare kloof is geworden; doch daar zelfs dát woord te veel zegt moeten wij er maar niet meer over spreken.“Ik vrees u over eene omstandigheid te spreken, die terloops door u is aangeroerd. Zulke delicate zaken kunnen door woorden verwelken, zoolang zij niet rijp zijn; maar zijn zij rijp, dan laten zij zich niet met een’ hamer verbrijzelen. God geve,dat alles gelukkig en naar behooren geschikt wordt; het kan u dan dat vaste geestelijke arbeidsveld verschaffen, waaraan ge behoefte hadt toen ik u leerde kennen. Ik zie nu, dat gij het zeer met Droezjinin eens zijt, en onder zijn’ invloed staat. Dat is goed; maar zorg dan, dat ge niet te veel van hem aanneemt. Toen ik op uwen leeftijd was, hadden alleen enthousiaste naturen invloed op mij; doch gij zijt een ander mensch dan ik, en mogelijk is er nu een andere tijd aangebroken.“Met ongeduld verbeid ik de toezending van deLeesbibliotheek, en ik wil gaarne de verhandeling van Belinski lezen, hoewel zij mij vermoedelijk weinig genot zal verschaffen. Dat deSawremjennikin slechte handen is, valt niet te betwijfelen. In den beginne schreef Panajeff mij meermalen, verzekerde mij dat hij niet ‘lichtvaardig’ zou handelen, en onderstreepte zelfs dit woord; maar nu is hij stil geworden en zwijgt als een kind dat voor de tafel zit en zijn broekje heeft bevuild. Ik heb Njekrassoff te Rome uitvoerig over alles geschreven en het kan zeer wel gebeuren dat dit hem noopt vroeger terug te keeren dan hij vermoed had. Schrijf mij eens, in welk nommer van denSawremjennikuw verhaalJongelingsjarenvoorkomt, en meld mij bij gelegenheid uw definitieven indruk betreffendeKing Lear, dat gij waarschijnlijk gelezen zult hebben, al was het maar ter wille van Droezjinin.”12Wij hebben geen zekere aanwijzingen, welke meening Tolstoi had over Droezjinin’s vertaling vanKing Lear, maar in een’ brief, dien wij hieronder citeeren, van Botkin aan Droezjinin, kan men zien, dat de vertaling Tolstoi beviel:“Welk succes uwKoning Learook moge hebben,” schrijft Botkin, “voor mij is de vertaling ongetwijfeld geslaagd. Maar hoezeer is mijne blijdschap toegenomen, nu deze innerlijkeovertuiging door de werkelijkheid bevestigd wordt. Denk aan Tolstoi’s bekenden afkeer van Shakespeare, waartegen Toerghenjeff zoo te velde is getrokken! Wel moet ik eerlijk erkennen, overtuigd te zijn geweest, dat die antipathie bij de eerste de beste gelegenheid zou verdwijnen; maar het doet mij genoegen, dat uwe uitstekende vertaling zelf die gelegenheid verschaft.”Het komt ons intusschen voor, dat Botkin’s blijdschap te overijld was, daar Tolstoi nog lang zijn’ afkeer van Shakespeare behouden heeft. Maar over dit feit zullen wij in een der volgende hoofdstukken spreken.In December schreef Toerghenjeff uit Parijs aan Droezjinin onder andere:“Men zegt, dat gij en Tolstoi zeer harmoniëert, en dat hij zeer vriendelijk en openhartig is geworden. Als die jonge wijn eens uitgist, zal er een vocht uit ontstaan, den goden waardig. Hoe staat het toch met zijnJongelingsjaren, dat u ter beoordeeling is gezonden?”13Het handschrift was werkelijk aan Droezjinin gezonden. Hij las het geheel door en antwoordde met den volgenden interessanten brief:“OverJongelingsjarendient men een twintigtal bladzijden te schrijven. Ik heb het met ergernis, met uitroepen en verwenschingen gelezen—niet wegens de letterkundige waarde er van, maar om het handschrift. Die vermenging van twee handen, eene bekende en eene onbekende, leidden mijne aandacht af en beletten de geregelde lectuur. Het was of twee stemmen in mijn oor schreeuwden en mij opzettelijk afleidden, waardoor, naar ik weet, de indruk niet geheel tot zijn recht kwam. Toch zal ik u zoo goed mogelijk mijn oordeel zeggen. Uwe taak is ontzettend geweest, en ge hebtdie zeer goed volbracht. Niet een van de hedendaagsche schrijvers had dat bruisende en onzinnige tijdperk der jeugd zoo breed kunnen opvatten en schetsen, als gij. Aan ontwikkelde personen verschaftJongelingsjareneen groot genot; en zoo iemand u zegt, dat dit werk slechter is danKinderjarenenJongensjaren, kunt ge hem in ’t gezicht spuwen. Er ligt een schat van poëzie in uw werk; al de eerste hoofdstukken zijn voortreffelijk; alleen is de inleiding droog, tot aan de beschrijving van de lente en het wegnemen van de ramen. Verder zijn uitstekend: de aankomst buiten, voorafgegaan door de beschrijving der familie Nechljoedoff, de verklaring van den vader vóór het sluiten van het huwelijk, en de hoofdstukken:Nieuwe KameradenenIk ben gezakt. Uit vele bladzijden komt de poëzie van het oude Moskou u tegemoet, waarop nog door niemand behoorlijk acht is geslagen. De koetsier van baron Z. is bewonderenswaardig (ik spreek altijd van het standpunt van lieden, die het onderwerp begrijpen). Eenige hoofdstukken zijn droog en lang, bij voorbeeld alle onderhandelingen met Dmitri Nechljoedoff, de beschrijving van zijne verhouding tot Warenka, en dat waarin over het begrip huiselijkheid gesproken wordt. Ook is te lang het feestje bij Jar en het voorafgaande bezoek van den graaf met Iljenka. De rekrutentijd van Semjonoff is niet geschikt voor de censuur.“Voor de bespiegelende gedeelten behoeft gij niet bang te zijn: zij zijn alle verstandig en origineel. Gij bezit neiging tot eene buitengewone fijnheid van onderzoek, die tot een groot gebrek kan aangroeien. Soms drijft uwe zucht naar onderzoek tot het bezigen van uitdrukkingen of vergelijkingen, die in het dagelijksch leven vreemd en onverstaanbaar klinken. Die neiging moet gij bedwingen, doch haar om niets ter wereld geheel verstikken. Al uw werk in dit genre moet boven uwe analyse staan. Elk uwer gebreken heeft zijn deelvan kracht en schoonheid; bijna elke uwer aantrekkelijke eigenschappen sluit de kiemen van gebreken in zich.“Geheel hetzelfde kan men van uw’ stijl zeggen. Gij zijt zeer ongeletterd; nu eens is uwe ongeschooldheid die van een nieuwen leider en van een forschen dichter, die de taal steeds naar zijne versmaat omwerkt, dan weer die van een’ officier, die ergens achter eene blindeering aan een’ makker schrijft. Met zekerheid kan men zeggen, dat alle bladzijden die gij met liefde geschreven hebt, uitstekend zijn; maar nauwelijks koelt ge af, of uw stijl wordt verward, en helsche zinswendingen komen te voorschijn. Daarom ware het noodig, dat stukken die zonder vuur geschreven zijn, werden nagezien en verbeterd. Hier en daar heb ik getracht ze te verbeteren of wilde ze eenvoudig schrappen, maar dit werk kunt en moet gij zelf doen. De hoofdzaak is echter, dat ge lange zinnen vermijdt. Splits ze in tweeën en in drieën, en wees niet zuinig met de punten.... Handel met zinsdeelen zonder plichtplegingen, en schrap de woordendat, dieenditbij tientallen. Stuit ge op moeielijkheden, neem dan den zin en stel u voor, dat ge dien in vloeiende conversatie-taal aan iemand wilt vertellen.“Het is tijd om te eindigen; en toch zou ik u nog zeer veel moeten zeggen. Aan een groot aantal onontwikkelde lezers zalJongelingsjarenveel minder bevallen danKinderjarenenJongensjaren. Voor deze beide geschriften pleiten hun geringe omvang en eenige episoden in den trant van het verhaalKarl Iwanowitsch. De oppervlakkigste mensch bewaart nog eenige herinneringen uit zijne kinderjaren, en verheugt zich als men hem de poëzie er van verklaart; maar de periode der jeugd (die woelige, onzinnige jongelingstijd, zoo rijk aan teleurstellingen en vernederingen, die gij ons onthult) verbergt zich gewoonlijk in de ziel, verduistert en wordt vergeten.“Uw werk kan door een zeer langen arbeid, met twee of drie onderhoudende episoden, enz. voor een groot aantal lezers begrijpelijk worden gemaakt; maar bijna niemand is in staat het volkomen naar den smaak van het groote publiek te maken.“Opzet en wezen zullen uw werkJongelingsjarentot een gastronomisch brokje maken alleen voor zulke personen, die denken en gevoel hebben voor poëzie.“Meld mij of ik het manuscript aan u moet zenden of aan Panajeff ter hand stellen. Gij hebt er geen grooten stap mee gedaan in de eene of andere richting, maar getoond wat er in u zit en wat er nog van u te verwachten is.”Reeds het feit, dat Droezjinin zóó aan Tolstoi kon schrijven, bewijst dat er werkelijk intieme betrekkingen tusschen hen bestaan hebben, en dat Droezjinin grooten invloed op Tolstoi heeft gehad.Tolstoi’s verblijf te Petersburg van November tot Mei werd, wegens familie-omstandigheden, door eene kortstondige reis naar Orel afgebroken.Den 2denFebruari kreeg hij bericht, dat zijn broederDmitriwas overleden. Deze persoon wordt door Tolstoi duidelijk omschreven in zijne herinneringen, die door ons in het hoofdstukJongelingsjarenzijn medegedeeld. Hier halen wij slechts het tweede gedeelte dezer herinneringen aan, welke betrekking hebben op zijn volgend leven, zijne ziekte en dood.“Toen wij tot eene deeling kwamen, gaf men mij, volgens gebruik, het landgoed Jasnaja Paljana, waarop wij woonden. Sergius kreeg Pirogoff, omdat hij een liefhebber van paarden was en Pirogoff eene stoeterij bezat; hij had dit ook gewenscht. Dmitri en Nikolaas gaf men de twee overige bezittingen: laatstgenoemden Nikolskoje, den eersten het landgoedSchtscherbatschefka, in Koersk gelegen en ons door Perowska vermaakt.“Ik bezit thans een memorandum van Dmitri, waaruit blijkt hoe hij over de lijfeigenschap dacht. Het begrip, dat zoo iets niet geoorloofd was en men hen moest vrijlaten, bestond, bij ons omstreeks ’40 in het geheel niet. Het bezit van lijfeigenen door erfenis was eene onvermijdelijke conditie, en al wat men doen kon om de slechte gevolgen er van te voorkomen was, dat men niet alleen zorgde voor den stoffelijken, maar ook voor den zedelijken toestand der boeren. En in dien zin was ook het memorandum van Dmitri zeer ernstig, naïef en oprecht geschreven.“Nog geen twintig jaren oud (na afloop van zijn studie) nam hij, in de meening dat dit zoo behoorde, de verplichting op zich om het zedelijke leven van honderden boerengezinnen te leiden; en dit deed hij door bedreiging met en de werkelijke toepassing van straffen, omdat dit bij Gogol, in een brief aan een grondbezitter, geschreven stond. Naar ik mij herinner, had Dmitri deze brieven gelezen, doordien een gevangenis-priester hem er op gewezen had. Zoo begon mijn broeder dan zijne plichten als grondbezitter te vervullen; doch behalve die van den landeigenaar tegenover zijne lijfeigenen, bestond in die dagen nog een andere plicht, waarvan de niet-nakoming ondenkbaar scheen: dat was de krijgs- of civiele staatsdienst.“Toen Dmitri zijne studie geëindigd had, besloot hij in civielen dienst te gaan. Om nu te weten, welken dienst hij zou kiezen, kocht hij een adresboek, keek alle takken van den civielen dienst na, kwam tot de slotsom dat de rechtspleging van het meeste gewicht was—en koos de laatste. Hij vertrok naar Petersburg en ging bij den staats-secretaris der 2deAfdeeling op audiëntie.“Ik stel mij de verbazing van Tanjejeff voor, toen hij onderde sollicitanten verschijnen zag een langen, eenigszins gebochelden en slordig gekleeden man (Dmitri kleedde zich altijd zoo, om zijne figuur te verbergen), met rustige, heldere oogen, die, op zijne vraag wat hij wilde, ten antwoord gaf, dat hij een Russisch edelman was, die de studie achter den rug had, en, het vaderland nuttig willende zijn, de wetgeving tot zijn arbeidsveld gekozen had.“‘Uw naam?’“‘Graaf Tolstoi.’“‘Heeft u nooit gediend?’“‘Ik heb pas mijne studie achter den rug, en wensch alleen nuttig te zijn.’“‘Welke betrekking wil u hebben?’“‘Dat is mij onverschillig, mits het er eene is waar ik nuttig kan zijn.’“Zijn ernst en oprechtheid troffen Tanjejeff zoozeer, dat hijDmitrinaar de 2deAfdeeling bracht en ter beschikking van den ambtenaar stelde.“Mogelijk heeft de verhouding der ambtenaren tot hem, en vooral hunne wijze van werken Dmitri niet aangestaan; zooveel is zeker: hij is niet in de 2deAfdeeling gebleven. Te Petersburg had mijn broeder geen enkelen bekende, behalve den rechtsgeleerde D. A. Obolenski, die gedurende ons verblijf te Kazan daar advocaat was. Dezen Obolenski ging Dmitri op zijne buitenplaats bezoeken. De rechtsgeleerde heeft mij dat half lachend verhaald.“Obolenski was een man met aristocratische manieren, voorkomend doch eerzuchtig. Hij vertelde mij, dat op zekeren dag, toen hij gasten had (waarschijnlijk uit den hoogen kring waarin Obolenski zich steeds bewoog), Dmitri met eene muts op en een Nankin’schen paletot aan door den tuin naar hem toe kwam. ‘Eerst kende ik hem niet; maar toen ik wist wie hij was, poogde ik hem op zijn gemak te zetten, steldehem aan de gasten voor en verzocht hem zijn jas uit te trekken. Het bleek echter, dat hij geen andere jas daaronder droeg. Dat vond hij overbodig. Hij ging zitten en wendde zich, zonder zich aan de tegenwoordigheid der gasten te storen, tot Obolenski met dezelfde vraag, als tot Tanjejeff: “Waar kan ik het best dienen, om nuttig te zijn?”’“Obolenski, met zijne eigen inzichten van den dienst, die voor hem slechts het middel was om zijne eerzucht te bevredigen, had waarschijnlijk nooit zulk eene vraag te beantwoorden gehad. Doch met den hem eigen tact, gevoegd bij eene oprechte goedhartigheid, noemde hij verschillende postjes op en bood zijne diensten aan. Blijkbaar is Dmitri noch over Obolenski, noch over Tanjejeff voldaan geweest; althans hij verliet Petersburg, zonder hier gediend te hebben. Hij keerde naar zijn landgoed terug, schijnt in Soedzj een adellijk ambt aanvaard, en zich met oeconomische, vooral boeren-aangelegenheden te hebben beziggehouden.“Nadat mijn broeder en ik de universiteit verlaten hadden, heb ik hem uit ’t oog verloren. Maar ik weet, dat hij hetzelfde strenge, ingetogen leven geleid heeft tot zijn 26stejaar: niet hield van rooken, van wijn en vooral niet van vrouwen, hetgeen in die dagen eene groote zeldzaamheid was. Ook weet ik, dat hij samenkomsten had met monnikken en pelgrims, en veel omgang hield met een zeer origineelen man, die bij mijn’ voogd Woijekoff woonde en wiens afkomst niemand kende. Men noemde hem ‘Vader Lukas.’ Hij liep in een korten priesterrok, was zeer mismaakt (klein van gestalte, scheef en monsterachtig leelijk), maar zeer zindelijk en buitengewoon sterk. Als hij iemand de hand drukte, was het of hij die met eene nijptang greep; en altijd sprak hij op een gewichtigen en raadselachtigen toon. Hij woonde bij de molen van Woijekoff, waar hij een huisje gebouwd en een bijzonder fraaien bloemtuin aangelegd had. Met dezenVader Lukas ging mijn broeder om. Naar ik gehoord heb, had hij nog kennis aan een grijsaard van den zeer ouden stempel: een spaarzamen grondbezitter en een buurman van Samoiloff.“Ik geloof, dat ik reeds in den Kaukasus was, toen er in Dmitri een buitengewone omkeer plaats had. Plotseling begon hij te drinken, te rooken, geld te verspillen en de vrouwen na te loopen. Hoe dat zoo gebeurd is, weet ik niet, want destijds heb ik hem niet gezien. Alleen weet ik, dat zijn verleider was een naar het uiterlijk zeer aantrekkelijk, maar zedelijk diep gezonken man, de jongste zoon van Isljeneff. Over hem zal ik later schrijven, zoo ik gelegenheid heb. Ook onder deze omstandigheden was mijn broeder dezelfde ernstige, godsdienstige man, die hij in alles geweest is. Maria, de geprostitueerde vrouw, die hij het eerst leerde kennen, kocht hij vrij en nam haar bij zich in huis. Overigens heeft dit leven echter niet lang geduurd. Ik geloof, dat niet zoozeer het slechte, ongezonde bestaan, dat hij eenige maanden lang te Moskou gevoerd heeft, als wel de innerlijke strijd, de verwijten van zijn geweten dit krachtige organisme zoo spoedig hebben verwoest.“Hij kreeg de tering, ging naar buiten, liet zich in verschillende steden behandelen, en kwam ziek te liggen in Orel, waar ik hem het laatst gezien heb, na het beleg van Sewastopol. Zijn aanblik was vreeselijk: de reusachtige handen waren krampachtig om de beide ellebogen geslagen, het aangezicht was geheel verteerd; alleen de oogen waren nog even schoon en ernstig, maar blikten nu uitvorschend. Hij hoestte en spuwde zonder ophouden, en wilde niet sterven—wilde niet gelooven, dat hij zou sterven. De pokdalige, door hem losgekochte Maria stond met een doek om het hoofd bij hem en paste hem op. Op zijn verlangen werd er een wonderdoend heiligenbeeld bij hem gebracht. Ik herinner mij de uitdrukking van zijn gelaat, toen hij tot dit beeld bad.“In dien tijd was mijn gedrag afschuwelijk, monsterachtig. Uit Petersburg, waar ik een wereldsch leven leidde, ijdel en roemzuchtig, kwam ik bij mijn zieken broeder in Orel. Ik had medelijden met hem, maar niet diep. In Orel maakte ik rechtsomkeert, ging heen... en eenige dagen later stierf hij.“Inderdaad schandelijk! Wat ik bij zijn’ dood het meest betreurd heb, was, dat deze mij verhinderde de tooneeluitvoeringen aan het Hof bij te wonen, die toen georganiseerd werden en waar ik bij genoodigd was....”14Den eersten Maart werd de vrede gesloten, en deze gebeurtenis maakte het voor Tolstoi gemakkelijker om verlof te krijgen.Van zijne letterkundige geschriften voltooide hij dien winterDe Sneeuwstorm,De twee Huzaren,Eene ontmoeting in het DetachementenEen morgen van een’ landheer. Tolstoi moest zijne werken over drie tijdschriften verdeelen; zoo zijn de eerste twee verhalen nog in denSawremjennikgedrukt, het derde inDe Leesbibliotheek, en het vierde in deNationale Gedenkschriften.In dien tijd schreef Tolstoi onder andere aan zijne tante Tatjana:“Ik heb mijn verhaalDe twee Huzarenvoltooid, maar ben nog niet aan een nieuw begonnen. Nu Toerghenjeff vertrokken is, gevoel ik dat ik hem zeer mocht lijden, niettegenstaande dat wij altijd aan het twisten waren. Zoodoende verveel ik mij verschrikkelijk....”Uit dezen brief blijkt, dat Tolstoi’s gezindheid jegens Toerghenjeff aan gestadige veranderingen onderhevig was.Het Petersburgsche leven schijnt Tolstoi niet voldaan te hebben. Spoedig na zijne aankomst begon hij stappen tedoen voor zijn ontslag uit den dienst en aanstalten te maken tot eene buitenlandsche reis.In een’ brief aan zijn’ broeder Sergius van 25 Maart 1856 schrijft hij, onder andere:“Ik ga voor 8 maanden het land uit; als men mij ontslag geeft, ga ik heen. Ik heb er Nikolaas over geschreven en hem verzocht om mee te gaan. Indien wij met ons drieën konden gaan, zou dat uitstekend wezen. Als elk 1000roeb.meeneemt, zouden wij een mooi reisje kunnen doen.—Schrijf mij eens, hoe is je mijnSneeuwstormbevallen? In allen ernst, ik ben er niet over tevreden. Nu zou ik nog wel meer willen schrijven, maar stellig nooit meer in dit verwenschte Petersburg. Hetzij men mij al dan niet verlof geeft om naar het buitenland te gaan, heb ik toch plan om in April ontslag te vragen en buiten te gaan wonen.”Den 12denMei, toen hij zich nog te Petersburg bevond, schreef hij in zijn dagboek:“Een krachtig middel om tot het ware geluk te geraken in ’t leven, bestaat hierin, dat men, gelijk eene spin, naar alle kanten een net om zich heen spant,—doch een net van liefde, waarin men vasthoudt allen, die er in geraken: èn ouderen van dagen èn jongeren, èn vriend èn vijand.”Wij hebben reden te gelooven, dat de omstandigheden bij denSawremjennik, zoo op stoffelijk als letterkundig gebied, de hoofdmedewerkers van het tijdschrift weinig hebben bevredigd. De oorzaak daarvan moet voornamelijk worden gezocht in het individueele verschil van overtuiging, inzichten, gewoonten en opvoeding, die steeds belemmerend zijn voor eene algemeene zaak, door intelligente personen op touw gezet. In elken intellectueelen kring ontstaat zeer spoedig eene verdeeling in groepen; die verhouding, eerst geduld, verandert weldra in onverschilligheid; daarna ontstaat mededinging,die ten slotte overslaat tot openbare vijandschap. Zoo ging het ook met denSawremjennik.Reeds in het jaar 1856 rees bij enkele medewerkers het denkbeeld van eene scheiding en het oprichten van een nieuw tijdschrift. Dit blijkt uit een brief van Droezjinin aan Tolstoi, waarin hij onder andere schrijft:“Gretig maak ik van deze toenemende energie gebruik en haast mij u over eene zaak te spreken, waarover wij het bij onze laatste samenkomst gehad hebben en die op het oogenblik vele onzer collega’s te Petersburg bezighoudt. De behoefte aan een zuiver letterkundig tijdschrift met kritiek, dat aan alle polemiek en schandalen van den tegenwoordigen tijd krachtig het hoofd biedt, wordt in sterke mate gevoeld. Reeds hebben Gontscharoff, Jermin, Annenkoff, Maikoff, Michailoff, Awdjejeff en vele anderen dit denkbeeld met grooten bijval begroet. Indien gij, Ostrowski, Toerghenjeff en mogelijk ook onze beschroomde Grigorowitsch (ofschoon deze ook wel gemist kan worden) zich bij deze club aansluiten, kan met zekerheid gezegd worden, dat het heele gebied der fraaie letteren eindelijk in één tijdschrift vereenigd is. Van welken aard dit orgaan zal zijn: een nieuw tijdschrift of eene leesbibliotheek, die door het genootschap in pacht zal worden genomen, verzoek ik u eens te overwegen en dan uw voorstel mee te deelen. Hier is de meerderheid geneigd tot eene pacht, en de uitgever bereid tot een matigen prijs. Van mijn’ kant spreek ik vóór noch tegen deze zaak, maar stel mij geheel ten dienste van een zuiver letterkundig blad, op welke grondslagen het ook mocht worden opgericht.“Voor het geleerde of wetenschappelijke gedeelte kunnen als ijverige medewerkers of eenvoudig als leden genoemd worden de professoren: Gorloff, Oestrjaloff, Blagoweschtschenski, Berezin, Zernin en de tegenwoordige medewerkers (ik noem slechts de begaafdsten): Lawroff, Lchowski, Kenjewitsch,Wodowozoff en Doemnin. Toerghenjeff zal, ofschoon men als medewerker niet vast op hem rekenen kan, een voortreffelijk man zijn om zijn’ ijver, zijne veelzijdige kennis en in ’t algemeen om zijne plaats in de letterkunde. Doch voor ’t oogenblik geen bijzonderheden; de hoofdzaak is, dat er algemeene instemming zij en de fundamenteele punten worden vastgesteld.Tolstoi, toen hij naar den Kaukasus vertrok.—Blz. 155.Tolstoi, toen hij naar den Kaukasus vertrok.—Blz.155.“Naar de belangstelling te oordeelen, die gij voor elke zaak aan den dag legt, reken ik er op van u te vernemen, hoe gij over dit plan denkt. Onder andere, doe ik u het volgende verzoek: daar ik toch bij mijne tegenwoordige bezigheden blijf, en de oprichting van een nieuw tijdschrift nog lang kan duren, vraag ik u inmiddels verlof om u onder het getal medewerkers vanDe Leesbibliotheekte mogen opnemen. Beschik niet over uwe bijdragen, zonder dat gij tegen den herfst er ook eene voor mij hebt overgelaten—naar uwe eigen keuze en op de voorwaarden die gij goedvindt. Ik zal er u echter niet om lastig vallen, daar ik weet dat gij, ook zonder mijn verzoek, alles voor mij doen zult wat van uw’ wil afhankelijk is.“Schrijf mij eenige woorden over al deze dingen en in ’t algemeen over uw tegenwoordig leven, uwe plannen en over de gezondheid van Maria Nikolajewna, aan wie gij mijne beleefde en hartelijke groete moet overbrengen. Meld mij ook uw adres. Over het nieuwe tijdschrift moeten wij noodzakelijk correspondeeren; anders vrees ik dat de krachten, waarvan wij nu juist voor een nieuwe uitgaaf genoeg hebben, opnieuw versnipperd zullen worden. Het is onverschillig op welken grondslag de onderneming wordt ontworpen, zoo wij er maar allen in betrokken zijn. Tracht dus, nu gij Toerghenjeff dezen zomer dikwijls zien zult, invloed op hem te krijgen en dezen vriendelijken, maar wankelmoedigen man voor dit algemeene doel te winnen. Te oordeelen naar al wat hij mijhonderdmaal gezegd heeft, moet de gedachte aan zulk een blad hem wel eens bezighouden; maar op zijne woorden valt zoo weinig staat te maken! Laat hij eens bedenken, tot welk ellendig peil onze tijdschriften door versnippering van krachten gedaald zijn; alleen deRussische Bodeheeft zich goed gehouden, maar hij viel bij de afscheiding van hetAthenaeum, dat op zijne beurt verflauwd is.“Over Petersburg valt niets te zeggen.”Den 17denMei vertrok Tolstoi naar Moskou.Op 26 Mei bracht hij een dag door in het gezin van Dr. Behrs, die gehuwd was met mej. Isljenewa, eene vriendin uit Tolstoi’s kinderjaren, en toen een landgoed te Pokrowski niet ver van Moskou bewoonde. In Tolstoi’s dagboek staat deze korte frase over dit bezoek: “De kinderen wachtten ons op; welke lieve, vroolijke meisjes!”—Een van deze meisjes werd zes jaren later zijne vrouw.Daarna vervolgde hij zijne reis en kwam den 28stenMei in Jasnaja Paljana.Den volgenden dag schreef hij zijn’ broeder Sergius een’ brief, waarin hij, onder andere, het volgende zegt:“In Moskou heb ik 10 dagen bijzonder aangenaam doorgebracht zonder champagne of zigeuners, maar eenigszins verliefd—waarover ik je later zal schrijven.”Na zijne aankomst in Jasnaja bracht hij bezoeken bij zijne zuster Maria Nikolajewna, Toerghenjeff en anderen.In de twee volgende brieven aan zijn’ broeder bespeuren wij, dat Tolstoi op het einde van den zomer door een ernstige ziekte werd aangetast. In het begin van September 1856 schrijft hij:“Eerst heden, Maandagavond te 9 uren, kan ik je een goed antwoord geven. Mijn toestand was gaandeweg verergerd; twee doctoren zijn er bij geweest, men heeft nog veertigbloedzuigers gezet; daarop ben ik dadelijk in slaap gevallen, en toen ik ontwaakte gevoelde ik mij veel beter. Eerder dan over een dag of vijf, zes, zal ik echter niet kunnen reizen. Tot weerziens dus. Meld mij s.v.p. wanneer je gaat, en of er groote verzuimen in je huishoudelijk bestuur aanwezig zijn. Verlaat de plaats niet voordat ik er ben. Morgen zal ik je misschien de honden sturen.”In een’ brief van 15 September meldt hij:“Beste broeder Sergius!“Mijne gezondheid is nog niet verbeterd. Ziek ben ik niet, er is ook geen ontsteking, maar ik heb een drukkend gevoel op de borst, steken in de zijde, en tegen den avond heb ik pijn. Misschien zal het langzamerhand van zelf verdwijnen: toch zal ik niet spoedig naar Koersk gaan. Zoo het over een week of twee niet beter is, zal ik er in ’t geheel niet heen gaan, maar in Moskou komen.”Spoedig keerde hij weer naar Petersburg terug, en schreef vandaar op 10 November 1856:“Neem mij niet kwalijk, beste broeder Sergius, dat ik zoo weinig schrijf Ik heb geen tijd gehad. Sedert mijn vertrek heb ik niets dan tegenspoed ondervonden, en hier heb ik niemand dien ik mag lijden. Men zegt, dat ik in deNationale Gedenkschriftenom mijne verhalen over den oorlog ben doorgehaald. Ik heb dat nog niet gelezen, maar—en dit is hoofdzaak—Konstantinoff heeft mij dadelijk na mijne aankomst verteld, dat grootvorst Michaël, toen hij vernam dat ik een gedicht zou maken, er zeer over ontstemd was dat ik pogingen deed om de soldaten te onderrichten. Dat is afschuwelijk! Ik heb den commandant van den staf de zaak uitgelegd. Het is nog maar een geluk, dat mijne gezondheidgoed is, en dat Schipoelinski gezegd heeft, dat mijne borst beterende is.”Op 26 November 1856 verliet Tolstoi den krijgsdienst. Het is hier de plaats om eene goede daad te vermelden, die hij op het einde van zijn’ diensttijd verricht heeft.De staf-commandant Korenitzki, onder wien Tolstoi gediend had, had na afloop van den oorlog voor een krijgsraad behooren terecht te staan, maar dank zij den invloed en de bemoeiingen van graaf Tolstoi bleef hij daarvan verschoond.Van het oogenblik dat Tolstoi den dienst vaarwel zegt, breekt een nieuw levenstijdperk voor hem aan: het letterkundig-maatschappelijke, waarbij het streven naar persoonlijk geluk zich baan breekt.Ondanks de scherpe beoordeelingen en de miskenning van den kant der autoriteiten, was Tolstoi toch een gewenschte gast en een voortreffelijk lid van het letterkundig gezelschap, denSawremjennik.Deze omgeving was echter op verre na niet geschikt om Tolstoi te bevredigen. En dat kon ook niet anders. Men moet de herinneringen der letterkundigen van dien tijd lezen, bijv. Herzen, Panajeff, Fet en anderen van de meest verschillende richtingen, om tot zeer treurige gevolgtrekkingen te komen wat de zedelijke zwakheid dezer lieden betreft, die zich inbeeldden leiders van het menschdom te zijn. Denk aan de maaltijden van Njekrassoff, de drinkgelagen van Herzen, Ketscher en Ogarjeff, den verfijnden smaak van een’ Toerghenjeff! Al die vriendschappelijke samenkomsten waren toen ondenkbaar zonder champagne, hartstocht, kaartspel en dergelijke. En ergerlijk waren de luiheid en de nietswaardige belangen dezer lieden, die al het kwade dier slemppartijen niet zagen, vermengd als zij waren met het prediken over volksliefde en allerlei denkbeelden van vooruitgang. Te midden van deze onbeschaamdheid, die mogelijk in een anderen vorm nog totheden voortbestaat, heeft nog slechts één enkele overtuigende en geeselende stem geklonken van een’ man, wiens ziel dit zelfbedrog niet dulden kon. Dat was de stem van Leo Tolstoi!In zijn werkBiechthangt hij een levendig tafereel op van de zeden der letterkundige wereld in dien tijd, dat is omstreeks het jaar ’60. Ziehier zijne woorden:“Ik heb nog geen overzicht gegeven van de wijze, waarop ik de levensbeschouwingen der personen met wie ik tezamen kwam tot de mijne maakte, en hoe zij al mijne vroegere pogingen om beter te worden geheel deden mislukken. Deze beschouwingen vormden den theoretischen grondslag voor het zedenbederf van mijn leven, waardoor dit verontschuldigd werd.“De levensbeschouwingen van die personen—mijne collega’s letterkundigen—bestonden hierin, dat het leven zich in ’t algemeen ontwikkelt, dat wij, de mannen der gedachte, het hoofdaandeel in die ontwikkeling hebben, en dat onder die mannen der gedachte wij, bellettristen en dichters, den meesten invloed hebben. Onze roeping is: de menschen te onderrichten. Maar om de vraag te vermijden: ‘wat weet men en wie moet men onderrichten?’, werd in die theorie verklaard, dat zulke kennis ook niet noodzakelijk is, en datbellettristenen dichtersonbewustonderrichten. Ik ging door voor een uitstekend bellettrist en dichter, en daarom was het zeer natuurlijk, dat ik die theorie tot de mijne maakte. Ik, een bellettrist en dichter, schreef en onderrichtte—ik wist zelf niet wat. Men gaf er mij geld voor, ik had uitstekende spijzen, eene positie, vrouwen, gezelschap; ik had naam. Bijgevolg moest hetgeen ik onderwees wel zeer goed zijn.“Dat geloof in de beteekenis der poëzie en in de ontwikkeling van het leven was een werkelijk geloof; en ik was een der priesters er van. Het bewustzijn priester te zijn waszeer aangenaam en voordeelig. En vrij lang heb ik in dat geloof geleefd, zonder aan de waarheid er van te twijfelen. Maar in het tweede, en vooral in het derde jaar van dit leven begon ik aan de onfeilbaarheid van dat geloof te twijfelen, en ging ik het onderzoeken. De eerste aanleiding tot twijfel was, dat ik begon op te merken, dat de priesters het niet allen samen eens waren. Enkelen zeiden: ‘wijzijn de beste en nuttigste leermeesters;wijleeren wat noodig is, en wat anderen leeren is onjuist.’—Anderen zeiden: ‘neen,wijzijn de ware, en gij onderwijst niet juist.’—En zij disputeerden, twistten, scholden, bedrogen elkander, en misdroegen zich.“Daarenboven waren er velen onder ons, die er zich niet om bekommerden wie gelijk of wie ongelijk had, en eenvoudig door middel van onzen arbeid hun baatzuchtig doel bereikten. Dat alles bewoog mij aan de waarheid van ons geloof te gaan twijfelen.“Meer nog: toen ik eenmaal aan de waarheid van het geloof eens schrijvers twijfelde, begon ik eens de priesters van dat geloof met meer aandacht gade te slaan, en overtuigde mij toen, dat bijna allen—de schrijvers—onzedelijke lieden waren, voor het meerendeel slecht en met een nietswaardig karakter. Dat zij veel lager stonden dan de personen, die ik in mijn vroeger ongeregeld krijgsmansleven had ontmoet, maar dat zij zelfvertrouwen hadden en evenzoo over zich zelven tevreden waren, als volslagen heilige personen of als zoodanigen, die niet weten wat heiligheid is. Die lieden walgden mij, en ik begreep dat dit geloof bedrog was.“Maar zonderling is het dat, ofschoon ik dit leugenachtige geloof spoedig begreep en er mij aan onttrok, ik mij niet onttrok aan de positie, die mij door deze lieden gegeven was: de positie van bellettrist, van dichter en leeraar. Op naïeve wijze verbeeldde ik mij, als dichter en bellettrist iedereen tekunnen onderwijzen, ofschoon ik zelf niet wist wie ik onderwees. En zoo heb ik gehandeld.“Uit den omgang met die personen ontwikkelde zich bij mij eene nieuwe ondeugd,—een trots, die overging in de ziekelijke, krankzinnige overtuiging dat ik geroepen was te onderwijzen, zonder te weten wat.”15Niettemin werd Tolstoi, door zijn verkeer in den kring dier personen, van hunne belangen doordrongen en is hij een der werkzaamste deelnemers geweest aan hunne kameraadschappelijke ondernemingen. Zoo is een der belangrijkste letterkundige instellingen:Het Genootschap tot ondersteuning van Letterkundigen en Geleerden, het zoogenaamdeFonds voor Letterkundigen, veel aan hem verplicht geweest. Gewoonlijk wordt Droezjinin als de stichter van dit fonds beschouwd, maar in het dagboek van Tolstoi vinden wij de volgende aanteekening:“3 Januari 1857.“Ik heb bij Droezjinin het ontwerp van het fonds opgesteld.”Tolstoi kan dus met het volste recht tot de stichters van dit fonds gerekend worden.Ongeveer in dezen tijd moet Tolstoi op meer grondige wijze hebben kennis gemaakt met de geschriften van Poeschkin, die hem zeer aantrokken.Uit zijne verhalen blijkt, dat hij Poeschkin, na diens gedichtDe Zigeunersin de Fransche vertaling van Mérimée gelezen te hebben, hoog waardeerde. Het lezen van dit gedicht, door den vertaler in proza weergegeven, openbaarde Tolstoi al de kracht van Poeschkin’s dichterlijk talent.In zijn dagboek van 4 Januari 1857 vinden wij de volgende aanteekening:“Ik heb bij Botkin gedineerd, in gezelschap van Panajeff, die mij Poeschkin heeft voorgelezen. Daarop begaf ik mij naar Botkin’s kamer, schreef een brief aan Toerghenjeff, ging op de sofa zitten en begon luid te weenen; het waren tranen zonder reden ... dichtertranen, die mij zalig stemden. Al dien tijd voelde ik mij bepaald gelukkig, en was ik in een’ roes van ‘snellen zedelijken vooruitgang’.”Die “snelle zedelijke vooruitgang” was oorzaak, dat Tolstoi zich niet lang met dit gezelschap en dezen werkkring kon tevreden stellen; en gretig zocht hij naar een middel om er uit te geraken. En daar een bewegelijke geest ook in zijne uiterlijke handelingen steeds onrust laat blijken, zoo legde ook Tolstoi eene rustelooze werkzaamheid aan den dag, eene energie, waarvan een der uitingen was zijne buitenlandsche reis, die blijkbaar zonder bepaald doel is ondernomen. Ziehier wat hij daarvan in zijneBiechtzegt, met de hem eigen oprechtheid zichzelf en zijne omgeving beoordeelende:“Zoo heb ik nog zes jaren, tot aan mijn huwelijk, aan dit onverstandige leven besteed. In dien tijd ging ik buitenslands. Het leven in Europa en mijne nadere kennismaking met vermaarde en geleerde Europeesche personen versterkten mij meer en meer in het geloof van volmaking in ’t algemeen, waarin ik leefde, omdat ik ook bij hen datzelfde geloof vond. Dit geloof nam bij mij den gewonen vorm aan, dien het bij de meeste beschaafde lieden van mijn’ tijd bezit, en werd door het woordvooruitganguitgedrukt. Het kwam mij toen voor, dat er in dat woord eene zekere beteekenis lag. Ik begreep toen nog niet dat ik, gekweld, als ieder levend wezen, door de vraag: ‘hoe leef ik het best?’, en daarop antwoordende: ‘leef overeenkomstig den vooruitgang’, een antwoord gaf volkomen gelijk aan dat van iemand, die in eene boot gezeten, ten spel aan wind en golven, op deeenige vraag die hij zich stellen kan: ‘waar moet ik heenvaren?’, eenvoudig zegt: ‘ik zal wel ergens belanden.’”Niet voordat deze buitenlandsche reis achter den rug was, zou Tolstoi de schatting betalen voor zijn zoeken naar persoonlijk huiselijk geluk.1EeneArtélis een genootschap van soldaten, arbeiders, handwerkslieden, enz., die eene gemeenschappelijke tafel, dikwijls ook eene gemeenschappelijke kas hebben, en meestal samenwonen. In de groote steden bestaan artélen met gecompliceerde organisaties, groote kapitalen en vèrstrekkende macht, waarbij het genootschap solidair borg blijft en waakt voor de belangen van elk zijner leden. Zoo bijv. de beurs-artélen te Petersburg en Moskou, die de geheele koopmanschap met hoogere en lagere beambten omvatten.2R. Löwenfeld,Graaf L. N. Tolstoi.3Paul Boyer,Le Temps, 28 Aug. 1901.4A. Fet.Mijne herinneringen, Deel 1, Bladz. 105.5De volledige werken van D. W. Grigorowitsch, Deel XII.6Alexander Iwanowitsch Herzen (1812–1870) was de natuurlijke zoon van een rijken edelman Jakofleff en ontleende zijn’ naam aanHerzens-kind. Zijne moeder was eene Duitsche: Luise Haag.7G. P. Danilewski,Reis naar Jasnaja Paljana, in de Geschiedkundige Mededeelingen van Maart 1886.8E. Garschin.Herinneringen aan I. S. Toerghenjeff, in de Geschiedkundige Mededeelingen, November 1883.9Herinneringenvan A. Golowatschewa Panajewa.10Toerghenjeff stierf in 1883.11Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Bladz. 27.12Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff, Blz. 33.13Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Blz. 32.14Uit de gedenkschriften van Tolstoi.15Biecht.
Negende hoofdstuk.St.-Petersburg.Als koerier naar Petersburg gezonden, werd Tolstoi bij eene veldbatterij geplaatst, onder bevel van generaal Konstantinoff, en keerde niet weer naar het leger terug.Bij zijne aankomst te Petersburg op 21 November 1855 bezocht hij onmiddellijk den letterkundigen kring van denSawremjenniken werd hier met open armen ontvangen.Tolstoi doet ons een verhaal van dien tijd in zijneBiechtdat aldus luidt:“Destijds begon ik te schrijven uit ijdelheid, eigenbelang en trots. In mijne geschriften deed ik hetzelfde, als in het leven. Om naam en geld te krijgen, ter wille waarvan ik schreef, moest ik het goede bemantelen en het kwade bekend maken; en dat hèb ik gedaan. Hoe dikwijls heb ik op listige wijze, in den vorm van onverschilligheid en zelfs van lichte spotzucht, in mijne geschriften die neigingen tot het goede verborgen, welke den zin mijns levens vormden. En dit heb ik bereikt: men heeft mij geprezen.“Op den leeftijd van 27 jaren kwam ik, na afloop van den oorlog, te Petersburg met schrijvers tezamen. Men ontving mij als een der hunnen en vleide mij.”Natuurlijk werd Tolstoi, 20 jaren na het schrijven van deze regelen, door andere gevoelens bestormd; maar de kiemen van het scepticisme, van dit wreede, onmeedoogende zelfonderzoek hebben zich reedstoengeopenbaard en zijne collega’s verbaasd.DeSawremjennikwas een tijdschrift, opgericht door A. N. Poeschkin en Pletnjeff. Het eerste nummer er van verscheen in 1836; na Poeschkin’s dood zette Pletnjeff, van 1838 tot 1846, de uitgaaf voort; maar hierna zweeg het blad geheel. In 1847 werd het recht van uitgaaf verkregen door I. I. Panajeff en N. A. Njekrassoff, die, in vereeniging met den bekenden criticus Belinski, weldra de beste litteraire krachten tot medewerking aan het blad wisten te bewegen; en tot het jaar 1866, toen het op last der autoriteiten geschorst werd, is het blad het vooruitstrevende hoofdorgaan geweest op het gebied van fraaie letteren en kritiek.Bij Tolstoi’s komst te Petersburg bestond de meer intieme kring van denSawremjennikuit letterkundigen, die in de twee in dit werk voorkomende groepen worden voorgesteld, te weten: Panajeff, Njekrassoff, Toerghenjeff, Tolstoi, Droezjinin, Ostrowski, Gontscharoff, Grigorowitsch en Sollogoeb. Van hen die niet in deze groepen figureeren, kunnen genoemd worden: W. P. Botkin, Fet en anderen.De hoofdmedewerkers van denSawremjennikwaren, wat de deelneming aan het tijdschrift en de verdeeling van het honorarium betrof, door zekereartél-verplichtingen1gebonden. Dikwijls bezwaarden die verplichtingen de deelnemers en waren dan oorzaak van allerlei onaangename conflicten in den letterkundigen kring. Uitgevers en redacteuren van andere tijdschriften vroegen vermaarde schrijvers om letterkundige bijdragen, waardoor de administratie van denSawremjennikzich gekrenkt voelde, en wederkeerig. De Duitsche schrijver Löwenfeld deelt van een dezer conflicten het volgende mede:“Tusschen Toerghenjeff en Katkoff was een twist ontstaan, waarin ook Tolstoi gemengd werd—zij het dan voor een deel door eigen schuld. Toerghenjeff was eerst de vlijtige medewerker van Katkoff geweest, en voor laatstgenoemde was het natuurlijk onaangenaam zulk een uitstekenden schrijver te verliezen. Hij droeg zijn broeder op de beide jonge auteurs dagelijks te bezoeken, en hun om bijdragen voor zijn tijdschrift te vragen. Toerghenjeff, die eindelooze aanvragen moede, beloofde op zekeren dag iets voor Katkoff te zullen meegeven, doch kon deze belofte niet nakomen. Katkoff ontstak in hevige woede en begon Toerghenjeff openlijk te beleedigen, zich beklagende, dat Toerghenjeff eenmaal beloofd had aan zijn blad te zullen medewerken, en bijgevolg niet het recht had om zijne pennevruchten uitsluitend aan denSawremjennikte geven. Aan den anderen kant had hij, als lid van de artélSawremjennik, niet het recht te beloven, dat hij voor Katkoff’s tijdschrift zou werken. Zijn zachte, toegevende aard had hem ditmaal een slechten dienst bewezen.“Tolstoi nam het voor zijn’ vriend op. Hij schreef Katkoff een langen brief om Toerghenjeff te rechtvaardigen.—‘De zachtmoedigheid van Toerghenjeff, zijne minzaamheid,’ schreef Tolstoi, ‘hadden hem bewogen aan twee kanten beloften te doen.’ Hij verzocht Katkoff dezen verweerbrief openbaar te maken. Katkoff stemde toe, maar onder voorwaarde dat ook zijn antwoord zou worden gepubliceerd, en zond Tolstoi het ontwerp van zijn’ brief. De inhoud van dit antwoord was echter van dien aard, dat Tolstoi er de voorkeur aan gaf zich aan de inmenging te onttrekken.”2De artél van denSawremjennikhield niet lang stand en ging in eene gewone tijdschrift-organisatie over.Tolstoi heeft Belinski niet bij denSawremjennikontmoet. Naar men weet, was Belinski in 1848 gestorven, na zich voor de instandhouding van het tijdschrift veel moeite te hebben gegeven. Zijn enthousiasme had dit stervende blad met nieuw leven bezield en het bestaan er van voor langen tijd verzekerd. Op Tolstoi is echter een rechtstreeksche invloed van Belinski niet merkbaar geweest.Eenerzijds lag de oorzaak hierin, dat zij menschen waren van verschillende tijdperken. Belinski was in den waren zin des woords een man uit den tijd van ’40; en Tolstoi, die eerst in de jaren na ’50 de letterkundige loopbaan betrad, vond slechts volgers van Belinski, die de aantrekkingskracht van hun’ voorganger misten. Aan den anderen kant was de sfeer, waarin Tolstoi was groot gebracht, niet gunstig voor zijne aanraking met de letterkundigeonadellijken, gelijk zij zich zelven noemden. Hij hield zich bij den kring van personen die hem meer in opvoeding nabij kwamen, en zelfs onder dezen was hij altijd afgescheiden, onafhankelijk,—iemand die wel de meeste tegenstanders influënceerde, doch weinig vatbaar was voor invloed van buiten. Men kan ook eene veel diepere, eene principiëele oorzaak aanwijzen. Ofschoon zich in de jaren na ’50 bij Tolstoi nog geen bepaalde wereldbeschouwing gevormd had, heeft de richting van denSawremjennikhem toch nooit aangetrokken. Eindelijk hebben, volgens Tolstoi’s eigen bekentenis, genieën op het gebied der fraaie letteren altijd meer invloed op zijn letterkundigen arbeid gehad, dan genieën op het gebied der journalistiek.Op wijsgeerig gebied ondervond hij in zijne jeugd den meesten invloed van de zijde van Rousseau.In een gesprek over de Fransche literatuur met denParijschen hoogleeraar Boyer, die hem in de lente van het jaar 1901 een bezoek bracht, drukte Tolstoi zich over zijne beide leermeesters, Rousseau en Stendhal, uit als volgt:“Tegenover Rousseau is men onbillijk geweest; de grootheid van zijne idee is niet erkend, en op alle mogelijke wijzen heeft men hem belasterd. Ik heb den geheelen Rousseau gelezen: alle 20 deelen, waaronder hetWoordenboek der Muziek. Hij heeft mij in verrukking gebracht—meer nog, ik heb hem vergood. Toen ik 15 jaar oud was, droeg ik in stede van een kruis op de borst, een medaillon om den hals met zijn portret. Vele bladzijden uit zijne werken staan zóó diep in mijne ziel gegrift, dat het mij toeschijnt of ik ze zelf geschreven heb.“Wat Stendhal betreft,” ging Tolstoi voort, “van hem zal ik alleen spreken, als van den schrijver vanLa Chartreuse de ParmeenRouge et Noir. Dit zijn twee groote, onnavolgbare voortbrengselen der fraaie letteren. Aan Stendhal ben ik meer verschuldigd, dan aan iemand anders. Hij heeft mij den oorlog leeren begrijpen. Lees eens inLa Chartreuse de Parmehet verhaal van den slag bij Waterloo! Wie heeft, vóór hem, den oorlog zóó beschreven: namelijk zoo, als hij in werkelijkheid is? Denk aan Fabricius, die over het slagveld rijdt, en ernietsvan begrijpt! Later heeft mijn broeder, die vóór mij in den Kaukasus gediend heeft, mij de juistheid van Stendhal’s beschrijvingen bevestigd. Hij hield veel van den oorlog, maar behoorde niet tot hen, die gelooven aan de brug van Arcola. ‘Dit alles is fraaiigheid,’ zeide hij mij, ‘maar in den oorlog bestaat geen fraaiigheid’. Spoedig daarna viel het mij in de Krim gemakkelijk dit alles met eigen oogen te zien. Doch ik herhaal u: al wat ik van den oorlog weet, heb ik te voren reeds van Stendhal geleerd.”3Laat ons nog de titels van de letterkundige producten noemen, welke in de reeds gedeeltelijk door ons opgenomen lijst voorkomen en op het nu omschreven tijdvak betrekking hebben.In het tijdvak van zijn 20stetot zijn 25stelevensjaar hebben de volgende geschriften den grootsten invloed op Tolstoi gehad:Titels der geschriften.Graad van invloed.Goethe,Hermann und DorotheaZeer groot.V. Hugo,Notre-Dame de ParisZeer groot.Tjoetscheff,GedichtenGroot.Koltzoff,GedichtenGroot.Fet,GedichtenGroot.Plato (Vertaling van Cousin).PhaedoenSymposionZeer groot.De Odysseaende Ilias, in ’t Russisch gelezenZeer groot.Hierdoor krijgen wij een min of meer volledig beeld van Tolstoi’s letterkundige opvoeding.In den kring der Petersburgsche letterkundigen bracht Tolstoi zijne krachtige, aesthetische, aantrekkelijke natuur en zijn onbuigzaam, vaak twistziek karakter mede, en verwekte een’ storm in dat kalme, bezadigde gezelschap.Ziehier hoe Fet in zijneHerinneringenTolstoi’s verschijnen in Petersburg vertelt:“Toerghenjefif stond zeer vroeg op en dronk (op zijn Petersburgsch) zeer vroeg thee. In den korten tijd dat ik in de hoofdstad was, kwam ik dagelijks tegen 10 uren bij hem, om in onzen vrijen tijd wat te praten. Toen Zachar, Toerghenjeff’s huisknecht, den tweeden dag de deur der voorkamer voor mij opende, zag ik in een’ hoek eene korte sabel met het Sint-Anna-lint.“‘Wat is dat voor eene sabel?’ vroeg ik, tegelijk naar de deur van het salon gaande.“‘Wees zoo goed en kom hierheen,’ fluisterde Zachar, terwijlhij links naar de gang wees. ‘Die korte sabel is van graaf Tolstoi, die heden nacht in het salon is blijven slapen. Iwan Serghejewitsch zit op het oogenblik in zijn kabinet thee te drinken.’“In het uur dat ik bij Toerghenjeff doorbracht, spraken wij fluisterend, uit vrees den graaf wakker te maken, die achter de deur sliep.“‘Dat gaat maar steeds zoo door,’ zeide Toerghenjeff glimlachend. ‘Van zijne batterij uit Sewastopol teruggekeerd, is hij bij mij afgestapt en geheel uit den band gesprongen. Drinkgelagen, uitgaan, den geheelen nacht kaarten, en dan tot twee uur des namiddags slapen. Eerst trachtte ik hem daarvan terug te houden, maar nu heb ik het opgegeven.’“Gedurende dit bezoek maakte ik ook met Tolstoi kennis, maar deze kennismaking was geheel vormelijk, daar ik tot dien tijd nog geen enkelen regel van hem gelezen en zelfs zijn’ naam als letterkundige nooit gehoord had, ofschoon Toerghenjeff over zijne verhalen uitKinderjarengesproken had. Maar van het eerste oogenblik af bespeurde ik bij den jongen Tolstoi een onwillekeurig verzet tegen al wat op het gebied der meeningen algemeen gebruikelijk is. In dien korten tijd zag ik hem slechts een enkelen avond bij Njekrassoff, in onzen kring van celibataire letterkundigen, en was ik hier getuige van een voorval, waarbij Toerghenjeff, kokend en buiten adem door zijn dispuut, over de schijnbaar ingetogen, maar des te bijtender uitdrukkingen van Tolstoi haast wanhopig werd.“‘Ik kan niet erkennen,’ zeide Tolstoi, ‘dat ge overtuigd zijt van hetgeen ge daar zegt. Als ik met een dolk of sabel aan de deur ga staan en zeg: “Zoolang ik leef, komt hier niemand binnen!”, dan is dat mijne overtuiging. Maar gij tracht het wezen uwer ideeën tegenover elkaar te verbergen, en noemt dat “overtuiging”.’“‘Waarom komt ge dan bij ons?’ sprak Toerghenjeff, ademloos en met eene stem, die in een fijnen, valschen diskant overging (bij heftige twisten was dit steeds het geval). ‘Hier is uw vaandel niet. Ga naar prinses B-i-b-i.’“‘Waarom mij hier te vragen, waar ik heen zal gaan! Ook de onnutte gesprekken over mijn komen hier en daar zullen niet in overtuiging veranderen!’“Nu ik deze geenszins op zichzelf staande botsing tusschen Tolstoi en Toerghenjeff, waarvan ik destijds getuige was, in herinnering breng, kan ik niet nalaten te zeggen, dat, ofschoon ik begreep dat er hier van politieke overtuiging sprake was, deze quaestie mij zoo weinig interesseerde, dat ik niet trachtte dieper in den aard er van door te dringen. Ik ga verder. Op gezag van allen, die ik in onzen kring gehoord heb, vermoed ik dat Tolstoi gelijk had, en dat, indien personen die zich door de tegenwoordige orde van zaken bezwaard gevoelen, genoodzaakt werden hun ideaal uit te spreken, zij in de grootste verlegenheid zouden verkeeren hoe hunne wenschen te formuleeren.“Wie onzer kende destijds niet dien vroolijken metgezel, dien makker in allerlei guitenstreken en meester in het vertellen van grappige anecdoten: Dmitri Wasiljewitsch Grigorowitsch, zoo geroemd om zijne verhalen en romans? Ziehier wat onder anderen deze Grigorowitsch mij gezegd heeft van de botsing tusschen Tolstoi en Toerghenjeff, ten huize van Njekrassoff.“‘Waarde vriend’, sprak hij, stikkend en met tranen in de oogen van het lachen, terwijl hij over mijn schouder keek, ‘gij kunt u niet voorstellen, welke scènes hier al geweest zijn. Ach, mijn hemel! Toerghenjeff krijscht, knijpt met de hand zijn keel toe en fluistert met de oogen eener stervende gazelle: “Ik kan niet meer! Ik heb bronchitis!” Vervolgens gaat hij met reusachtige stappen de drie kamers op en neerloopen—“Bronchitis!” bromt Tolstoi onmiddellijk daarop “bronchitis is eene denkbeeldige ziekte. Bronchitis stamt af van brons, en brons is een metaal!”—Natuurlijk verkeert de gastheer Njekrassoff in angst: hij vreest zoowel Toerghenjeff als Tolstoi te moeten missen, in wien hij een kapitalen steun voor denSawremjennikheeft ontdekt. Hij moet laveeren. Wij zijn allen in opgewonden stemming en weten niet wat te zeggen. Tolstoi ligt met een opgezet gelaat op een marokijnlederen sofa in de middelste kamer, terwijl Toerghenjefif, met de panden van zijn korte jas op zijde geslagen en de handen in de zakken, voortdurend de drie kamers op en neer loopt. Om onheilen te voorkomen, ga ik naar de sofa en zeg: “Beste vriend Tolstoi, wind u niet op! Ge weet niet hoezeer hij u waardeert en hoe hij u lijden mag!”’“‘Ik kan niet dulden,’ zegt Tolstoi met trillende neusvleugels, ‘dat hij mij ergert! Zie eens, hoe hij daar opzettelijk voor mij heen en weer loopt en met zijne democratische heupen draait.’”4De zoo even genoemde Grigorowitsch verhaalt in zijneLetterkundige Herinneringenvan eene dergelijke episode uit den tijd van Tolstoi’s eerste kennismaking met de Petersburgsche letterkundigen.“Bij mijn’ terugkeer uit Marjinski, te Petersburg ontmoette ik graaf Leo Tolstoi; mijne kennismaking met hem was echter reeds te Moskou bij de Soeschkoff’s begonnen, toen hij de militaire tenue droeg. Hij woonde te Petersburg in de Officiers-straat, op de onderste étage van een niet groot huis, juist tegenover de kamer van den letterkundige M. L. Michaïloff. Hij scheen dezen niet te kennen.“Van den eersten dag af had Petersburg niet alleen nietsaantrekkelijks voor hem, maar het geheele leven aldaar werkte merkbaar ontstemmend op hem.“Toen ik op den dag van mijn bezoek van hem vernam, dat hij dien middag bij de redactie van denSawremjennikte eten was gevraagd, en dat hij daar niemand van nabij kende, niettegenstaande hij reeds bijdragen aan het blad geleverd had, besloot ik met hem mee te gaan. Onderweg achtte ik het noodig hem te waarschuwen, dat hij daar enkele quaestiën niet moest aanroeren en zich vooral onthouden van aanvallen op George Sand, van wie hij (Tolstoi) zeer afkeerig was, terwijl destijds vele leden der redactie integendeel met haar dweepten. Het middagmaal verliep in goede orde; Tolstoi was tamelijk stil, doch op het eind hield hij zich niet in. Toen hij een nieuwen roman van George Sand hoorde prijzen, verklaarde hij beslist haar te haten, er bijvoegende dat de heldinnen harer romans, zoo die in werkelijkheid bestonden, op den schandwagen gebonden, en te pronk door de straten van Petersburg geleid moesten worden. Reeds in die dagen vormde zich bij hem die eigenaardige meening omtrent de de vrouwen en de vrouwen-quaestie, welke zich later op zoo klare wijze in den romanAnna Karjeninaheeft uitgesproken.“De scène bij de redactie heeft mogelijk zijne verbittering opgewekt tegen al wat Petersburgsch was,—maar nog het meest zijne zucht tot tegenspraak. Welke meening de persoon, tot wien hij sprak, ook uitte, en hoe gezagvoller die persoon hem toescheen, des te heftiger prikkelde hem dit om het tegenovergestelde te zeggen en over woorden te gaan strijden. Zag men hoe hij luisterde, hoe doordringend hij den ander uit de grijze, diep verborgen oogen aankeek, en hoe spottend zich zijne lippen krulden, dan had men kunnen denken dat hij reeds vooraf, zoo niet een rechtstreeksch antwoord, dan toch eene meening overdacht, die door hareonverwachtheid moest overbluffen, en dadelijk uit het veld slaan.“Zoo kwam Tolstoi mij in zijne jongelingsjaren voor. In disputen ging hij soms tot uitersten over. Eens bevond ik mij in eene aangrenzende kamer, toen er tusschen hem en Toerghenjeff een twist ontstond. Daar ik hoorde schreeuwen, ging ik naar de twistenden toe. Toerghenjeff stapte van den eenen hoek naar den anderen, en vertoonde alle teekenen van de hevigste opwinding; hij maakte van de open deur gebruik en verdween onmiddellijk. Tolstoi lag op de sofa; maar ook zijne opwinding was zoo groot, dat het niet weinig moeite kostte hem te kalmeeren en naar huis te brengen. Het onderwerp van den twist is mij tot heden onbekend gebleven.”5Tolstoi’s geest van tegenspraak blijkt nog uit het volgende voorval, dat in de herinneringen van G. P. Danilewski verhaald wordt.“Ik heb met Tolstoi kennis gemaakt tegen het jaar 1860, in het gezin van een bekenden beeldhouwer. De schrijver der Sewastopol’sche verhalen was toen juist in Petersburg gekomen, en was een jong, flink gebouwd artillerie-officier. Zijn zeer gelijkend portret uit dien tijd komt voor in de bekende photographische groep van Lewitski, waar hij tegelijk met Toerghenjeff, Gontscharoff, Grigorowitsch, Ostrowski en Droezjinin wordt voorgesteld. Naar ik mij herinner, kwam graaf Tolstoi toen juist het salon der gastvrouw binnen op het oogenblik, dat een nieuw werk van Herzen6werd voorgelezen. Hij ging stil achter den stoel van denlezer staan, wachtte tot deze geëindigd had, en viel toen eerst zacht en ingetogen, maar vervolgens zoo heftig en driest over Herzen uit, en over de algemeene geestdrift die zijne werken destijds verwekten, sprak met zulk eene oprechtheid en betoogkracht, dat ik in het vervolg geen werk van Herzen in dit gezin meer heb aangetroffen.”7Wij weten, dat Tolstoi in lateren tijd omtrent Herzen van meening veranderd is, en zullen te gelegener tijd daarvan spreken.E. Garschin verhaalt in zijneHerinneringen aan Toerghenjeffde volgende belangwekkende meening van dezen auteur over Tolstoi, die ons reeds vroegtijdig het element van oneenigheid doet zien, dat hunne verstandhouding bijna tot een noodlottig einde voerde.“Bij Tolstoi,” verhaalde Toerghenjeff, “openbaarde zich al vroeg de trek, die later ten grondslag lag aan zijne geheele vrij duistere levensbeschouwing, welke in de eerste plaats hemzelven heeft gekweld. Hij geloofde nooit aan de oprechtheid der menschen. Elke gemoedsbeweging scheen hem valsch, en hij had de gewoonte iemand met zijne doordringenden blik als ’t ware te doorboren, wanneer het hem toescheen dat die persoon huichelde of onoprecht was. Toerghenjeff zeide mij, dat hij nooit in zijn leven iets pijnlijkers gevoeld had dan dien uitvorschenden blik, die, gevoegd bij twee of drie woorden die een giftige opmerking inhielden, wel geschikt was om ieder mensch met geringe zelfbeheersching tot razernij te brengen. Als voorwerp van zijne onderzoekingen koos graaf Tolstoi onder anderen (en bijna uitsluitend) zijn’ vriend Toerghenjeff. De bekende zelfbeheersching van dezen schrijver en zijne gelijkmoedigheid in dat levenstijdperk, toen zijn letterkundige arbeid op schitterende wijze ontbloeide, schonkenTolstoi geen rust; en het scheen wel of deze zich ten doel stelde den kalmen, goedhartigen man, die met overtuiging zijn werk ten uitvoer bracht, buiten zichzelven te brengen van drift. Maar tevens was het ongelukkig, dat Tolstoi dit volstrekt niet geloofde, en dat in zijn oog menschen die wij als goed beschouwen, het goede huichelen of die eigenschap voorwenden: dat zij overtuiging veinzen in het belang van quaestiën, waarin zij betrokken zijn.“Toerghenjeff begreep duidelijk op welk standpunt Tolstoi zich tegenover hem plaatste, doch wilde zijn karakter tot elken prijs handhaven en zijne zelfbeheersching bewaren. Hij begon Tolstoi te ontwijken, vertrok opzettelijk naar Moskou en vervolgens naar zijn buitenverblijf; maar Tolstoi volgde hem op den voet,evenals eene verliefde vrouw, gelijk Toerghenjeff zich uitdrukte, toen hij deze geheele geschiedenis verhaalde.”8Uit al deze aanwijzingen over de wederzijdsche verhouding der twee schrijvers kunnen wij zien, dat eene werkelijke geestelijke verwantschap tusschen hen onmogelijk was. Maar de vloed van den bevrijdingsstroom voerde beiden in dezelfde richting, en volgens hun werk beschouwden zij zich als kameraden. Daarenboven werden zij door de omstandigheid dat zij tot de hoogere, gepriviligeerde klasse behoorden, door hunne opvoeding en het overwicht hunner talenten te midden van hun’ schrijverskring onwillekeurig en voor den uiterlijken vorm tot elkander gebracht. Maar, zooals de lezers uit het volgende verhaal zullen zien, niet zoodra poogden zij deze kameraadschappelijke grens te overschrijden, of er ontstond eene botsing, die hunne carrière somtijds in gevaar bracht. De waarheid eischt hier te vermelden, dat zij tegen elkanderen tegenover derden rond voor hunne uiteenloopende karakters uitkwamen en—wat nog loffelijker is—dat zij zich veel zedelijk geweld aandeden om, zij het geen vriendschappelijke, dan toch goede betrekkingen te onderhouden, die op wederzijdsche achting berustten. En in dit opzicht kunnen zij een leerzaam voorbeeld geven aan latere geslachten.Ziehier nog een verhaal van Golowatschewa Panajewa, die getuige was van de eerste kennismaking van Toerghenjeff met Tolstoi, welk verhaal de zooeven uitgesproken meening bevestigt:“Ik moet eenige schreden in mijn verhaal teruggaan en spreken over graaf Tolstoi’s verschijning in den kring van denSawremjennik. Hij was toen nog officier en de eenige medewerker van genoemd blad, die de uniform droeg. Zijn letterkundig talent was zoozeer aan ’t licht gekomen, dat alle corypheeën der letterkunde hem als hun gelijke moesten erkennen. De graaf behoorde overigens niet tot de beschroomde lieden, maar was zich de macht van zijn talent bewust, en gedroeg zich dus, gelijk mij toen bleek, zelfs met zekere vrijmoedige ongedwongenheid.“Wanneer de letterkundigen bij ons vergaderd waren, mengde ik mij nooit in hunne gesprekken, maar luisterde zwijgend toe en sloeg allen gade. Vooral interesseerde het mij Toerghenjeff en Tolstoi te volgen, als dezen elkander ontmoetten, disputeerden of wederzijdsche opmerkingen maakten, daar beide mannen zeer schrander en gevat waren.“Tolstoi’s meening over Toerghenjeff heb ik nooit gehoord, en in ’t algemeen sprak hij over geen enkelen letterkundige zijne meening uit, vooral niet wanneer ik er bij was. Daarentegen had Toerghenjeff er behoefte aan over elk zijne opmerkingen te zeggen.“Niet zoodra had Toerghenjeff met Tolstoi kennis gemaakt, of hij zeide van hem:“‘Geen enkel woord, geen enkele beweging is natuurlijk bij hem. Hij poseert zich altijd voor ons; en ik kan maar niet verklaren, hoe een schrander man, als hij, zoo dom trotsch kan zijn op een mager graafschap.’“‘Ik heb dit bij Tolstoi niet opgemerkt,’ zeide Panajeff.“‘Nu, dan merk je niet veel op,’ antwoordde Toerghenjeff,“Eenigen tijd later vond Toerghenjeff dat Tolstoi zich eenigszins op zijn Don Juan’schap liet voorstaan. Tolstoi had namelijk op zekeren dag eenige interessante voorvallen uit zijn krijgsmansleven verhaald. Toen Toerghenjeff die gehoord had, zeide hij:“‘Al kookt men een Russischen officier drie dagen in de wasch, toch kookt men er den jonkers-overmoed niet uit, en met welk vernis van beschaving zulk personage ook gepolitoerd wordt, toch schemert zijne brutaliteit er doorheen.’“En Toerghenjeff begon elken volzin van Tolstoi, den toon zijner stem, de uitdrukking van zijn gezicht te critiseeren, en eindigde met de woorden:“‘Geloof mij, dit alles is brutaliteit, en spruit slechts voort uit den wensch om eene onderscheiding te krijgen.’“‘Wil ik je eens wat zeggen, Toerghenjeff,’ merkte Panajeff op. ‘Indien ik je niet zoo goed kende, zou ik bij het hooren van al je uitvallen over Tolstoi denken, dat je hem benijdt.’“‘Waarom zou ik hem kunnen benijden? Zeg eens, waarom?’ riep Toerghenjeff uit.“‘Inderdaad, eigenlijk om niets, want jouw talent evenaart het zijne... maar toch kan men denken...’“Toerghenjeff begon te lachen en sprak met zeker medelijden in zijn stem:“‘Panajeff, je bent een goed opmerker bij het kaartspel, doch ik raad je geen opmerkingen te willen maken over dingen, die buiten dat gebied staan.’“Panajeff voelde zich gekrenkt.“‘Ik heb je die opmerking gemaakt in je eigen belang,’ zeide hij en ging heen.“Toerghenjeff’s opgewondenheid duurde voort, en wrevelig zeide hij:“‘Alleen in het brein van iemand als Panajeff kan het ongerijmde denkbeeld opkomen, dat ik Tolstoi kan benijden. Misschien om zijn graafschap?’“Al dien tijd had Njekrassoff weinig gezegd, omdat eene keelziekte hem geheel terneer drukte. Alleen merkte hij tegen Toerghenjeff op:“‘Denk eens goed na over hetgeen je Panajeff hebt believen te zeggen. Eigenlijk zou men jou van zulk eene ongerijmdheid kunnen beschuldigen.’”9Als eerlijk, waarheidlievend man, heeft Toerghenjeff zijn’ eerbied voor Tolstoi’s talent meermalen in ’t openbaar betuigd, en in een gesprek met een Franschen uitgever bezigde hij zelfs de uitdrukking van Johannes den Dooper, die tot Christus zeide: “Ik ben niet waardig Uwe schoenriemen te binden.” Niettemin is hunne verhouding nooit hartelijk of intiem geweest.Alleen toen hij, op zijn sterfbed liggend,10in zijn laatsten brief graaf Tolstoi met aandoening en warmte verzocht om tot den letterkundigen arbeid terug te keeren, gaf hij hem een naam, die nog geen enkel Russisch schrijver hem had toegevoegd: den naam vaneen groot Russisch schrijver. En die beroemde naam zal voortleven tot in het verre nageslacht!Om den lezer een denkbeeld te geven van de verstandhouding, die tusschen Tolstoi en Toerghenjeff in de eerste dagen hunner kennismaking bestaan heeft, zullen wij in ons verhaal wat vooruit moeten loopen en enkele brieven citeeren, welke Toerghenjeff in dat jaar aan Tolstoi geschreven heeft.Tolstoi in de dagen dat hij de Universiteit verliet.—Blz. 123.Tolstoi in de dagen dat hij de Universiteit verliet.—Blz.123.Parijs, 16 November 1856.“Aan N. L. Tolstoi.“Amice Tolstoi!“Uw brief van 15 October heeft eene geheele maand noodig gehad om mij te bereiken, want ik ontving hem eerst gisteren. Ik heb goed nagedacht over hetgeen gij mij hebt geschreven—en het komt mij voor, dat ge ongelijk hadt. Ik kan namelijk niet geheel oprecht tegen u zijn, omdat ik niet geheel vrijmoedig kan wezen. Naar ik geloof, hebben wij onbeholpen en te onpas kennis gemaakt, en als wij elkander weerzien, zal de zaak veel lichter en vlotter gaan.... Ik gevoel, dat ik u als mensch mag lijden (als schrijver, daarover spreek ik niet); maar veel heeft mij in u teleurgesteld, en ten slotte vind ik het beter mij wat van u te verwijderen. Bij onze samenkomst zullen wij weer trachten hand aan hand te gaan: misschien lukt het beter; hoe vreemd het ook moge klinken, op een’ afstand verlangt mijn hart naar u, als naar een’ broeder, en voel ik zelfs genegenheid voor u. In één woord: ik mag u lijden, dat staat vast; misschien zal hieruit mettertijd nog alle goeds voortkomen.“Ik heb van uwe ziekte gehoord, en dit heeft mij bedroefd; nu moest gij alle herinneringen daaraan uit uw hoofd zetten. Gij zijt zwaarmoedig en denkt aan tering; maar geloof mij, die hebt ge niet.“Het spijt mij zeer van uwe zuster. Wie zou gezond moeten zijn, als zij het niet is? Daarmee wil ik zeggen dat, indien iemand verdient gezond te wezen, het uwe zuster is; en in stede daarvan, staat zij zooveel pijnen uit. Het zou gelukkig zijn, indien de kuur te Moskou haar hielp! Waarom schrijft ge uw’ broeder niet om thuis te komen? Wat heeft hij er aan om in den Kaukasus te zitten? Wil hij soms een groot krijgsman worden? Mijn oom berichtte mij, dat gij reeds allen naar Moskou waart gegaan; en daarom stuur ik ook dezen brief naar Moskou, aan het adres van Botkin....“De Fransche oppervlakkigheid staat mij al evenzeer tegen als u; en nooit is Parijs mij zoo prozaïsch voorgekomen. Ik heb het op andere tijden gezien, en durf zeggen dat het mij toen beter beviel. Wat mij hier houdt, is eene oude, onverbreekbare band met eene Fransche familie, en mijn dochtertje waaraan ik zeer gehecht ben; zij is een lief en schrander meisje. Ware dit niet het geval, dan zou ik reeds lang naar Njekrassoff in Rome gegaan zijn. Ik heb twee brieven van hem uit Rome ontvangen. Hij verveelt zich daar eenigszins, en dat is begrijpelijk. In Rome is alles grootsch, maar het omringt hem slechts: hij leeft er niet in, en zich lang te vergenoegen met de enkele oogenblikken van begrijpen en bewonderen is onmogelijk. Overigens gevoelt hij er meer verlichting dan te Petersburg, en zijne gezondheid is beterende. Fet is daar op het oogenblik bij hem; hij heeft eenige gracieuze verzen geschreven en uitvoerige reisherinneringen, waarin veel kinderlijks, maar ook veel verstandige en degelijke taal staat. En welk eene treffend naïeve oprechtheid in het schetsen van zijne indrukken! Hij is, zooals ge hem terecht noemt, een best mensch!“Ge hebt het eerste deel vanJongelingsjarenvoltooid. Mooi zoo! Hoe jammer, dat ik het niet hooren kan. Zoo ge niet van den rechten weg afdwaalt (en ik geloof, dat er geen reden bestaat om dit te onderstellen) zult ge het zeer ver brengen. Ik wensch u gezondheid, energie—en vrijheid, vrijheid van geest.“Wat mijn’Faustbetreft, ik denk niet dat die u zeer bevallen zal. Mijn werk kon u bevallen—en mogelijk heeft het eenigen invloed op u gehad—slechts zoolang tot gij zelfstandig waart geworden. Nu zult ge er niets uit leeren, alleen verschil in manieren, en gebreken en verzuimen zien. Aan u de taak om den mensch, zijn hart, en de werkelijk groote schrijvers te leeren kennen. Ik ben een schrijver vanden overgangstijd, en deug slechts voor menschen die zich in een overgangs-toestand bevinden. Nu, vaarwel en houd je goed! Schrijf mij eens. Mijn adres is tegenwoordig Rue de Rivoli no. 206.“Ik dank uwe zuster voor de paar toegevoegde woorden. Groet haar en haar echtgenoot. Dank Warenka, dat zij mij niet vergeet.“Gaarne zou ik u iets van de auteurs hier vertellen, maar dan op een anderen keer. Ik druk u stevig de hand.“Ik zal dezen brief niet frankeeren, doe gij ook zoo.”11Den 8stenDecember 1856 schreef hij aan Tolstoi:“Waarde Tolstoi!“Gisterenavond voerde mijn goede genius mij langs het postkantoor, en kwam het in ’t voorbijgaan bij mij op te vragen, of er soms een briefposte restantevoor mij was,—ofschoon, volgens mijne berekening, al mijne vrienden reeds lang mijn adres te Parijs moeten kennen. Zoo vond ik uw’ brief, waarin ge mij over mijn’Faustspreekt. Ge zult licht begrijpen, hoe aangenaam het mij was dit te lezen. Uwe sympathie heeft mij oprecht en innig verheugd. Maar bovendien lag er in uw brief iets zachts en openhartigs, een zweem van vriendschappelijke kalmte. Nu is het mijn plicht u de hand te reiken over den afgrond heen, die sedert lang tot eene nauw merkbare kloof is geworden; doch daar zelfs dát woord te veel zegt moeten wij er maar niet meer over spreken.“Ik vrees u over eene omstandigheid te spreken, die terloops door u is aangeroerd. Zulke delicate zaken kunnen door woorden verwelken, zoolang zij niet rijp zijn; maar zijn zij rijp, dan laten zij zich niet met een’ hamer verbrijzelen. God geve,dat alles gelukkig en naar behooren geschikt wordt; het kan u dan dat vaste geestelijke arbeidsveld verschaffen, waaraan ge behoefte hadt toen ik u leerde kennen. Ik zie nu, dat gij het zeer met Droezjinin eens zijt, en onder zijn’ invloed staat. Dat is goed; maar zorg dan, dat ge niet te veel van hem aanneemt. Toen ik op uwen leeftijd was, hadden alleen enthousiaste naturen invloed op mij; doch gij zijt een ander mensch dan ik, en mogelijk is er nu een andere tijd aangebroken.“Met ongeduld verbeid ik de toezending van deLeesbibliotheek, en ik wil gaarne de verhandeling van Belinski lezen, hoewel zij mij vermoedelijk weinig genot zal verschaffen. Dat deSawremjennikin slechte handen is, valt niet te betwijfelen. In den beginne schreef Panajeff mij meermalen, verzekerde mij dat hij niet ‘lichtvaardig’ zou handelen, en onderstreepte zelfs dit woord; maar nu is hij stil geworden en zwijgt als een kind dat voor de tafel zit en zijn broekje heeft bevuild. Ik heb Njekrassoff te Rome uitvoerig over alles geschreven en het kan zeer wel gebeuren dat dit hem noopt vroeger terug te keeren dan hij vermoed had. Schrijf mij eens, in welk nommer van denSawremjennikuw verhaalJongelingsjarenvoorkomt, en meld mij bij gelegenheid uw definitieven indruk betreffendeKing Lear, dat gij waarschijnlijk gelezen zult hebben, al was het maar ter wille van Droezjinin.”12Wij hebben geen zekere aanwijzingen, welke meening Tolstoi had over Droezjinin’s vertaling vanKing Lear, maar in een’ brief, dien wij hieronder citeeren, van Botkin aan Droezjinin, kan men zien, dat de vertaling Tolstoi beviel:“Welk succes uwKoning Learook moge hebben,” schrijft Botkin, “voor mij is de vertaling ongetwijfeld geslaagd. Maar hoezeer is mijne blijdschap toegenomen, nu deze innerlijkeovertuiging door de werkelijkheid bevestigd wordt. Denk aan Tolstoi’s bekenden afkeer van Shakespeare, waartegen Toerghenjeff zoo te velde is getrokken! Wel moet ik eerlijk erkennen, overtuigd te zijn geweest, dat die antipathie bij de eerste de beste gelegenheid zou verdwijnen; maar het doet mij genoegen, dat uwe uitstekende vertaling zelf die gelegenheid verschaft.”Het komt ons intusschen voor, dat Botkin’s blijdschap te overijld was, daar Tolstoi nog lang zijn’ afkeer van Shakespeare behouden heeft. Maar over dit feit zullen wij in een der volgende hoofdstukken spreken.In December schreef Toerghenjeff uit Parijs aan Droezjinin onder andere:“Men zegt, dat gij en Tolstoi zeer harmoniëert, en dat hij zeer vriendelijk en openhartig is geworden. Als die jonge wijn eens uitgist, zal er een vocht uit ontstaan, den goden waardig. Hoe staat het toch met zijnJongelingsjaren, dat u ter beoordeeling is gezonden?”13Het handschrift was werkelijk aan Droezjinin gezonden. Hij las het geheel door en antwoordde met den volgenden interessanten brief:“OverJongelingsjarendient men een twintigtal bladzijden te schrijven. Ik heb het met ergernis, met uitroepen en verwenschingen gelezen—niet wegens de letterkundige waarde er van, maar om het handschrift. Die vermenging van twee handen, eene bekende en eene onbekende, leidden mijne aandacht af en beletten de geregelde lectuur. Het was of twee stemmen in mijn oor schreeuwden en mij opzettelijk afleidden, waardoor, naar ik weet, de indruk niet geheel tot zijn recht kwam. Toch zal ik u zoo goed mogelijk mijn oordeel zeggen. Uwe taak is ontzettend geweest, en ge hebtdie zeer goed volbracht. Niet een van de hedendaagsche schrijvers had dat bruisende en onzinnige tijdperk der jeugd zoo breed kunnen opvatten en schetsen, als gij. Aan ontwikkelde personen verschaftJongelingsjareneen groot genot; en zoo iemand u zegt, dat dit werk slechter is danKinderjarenenJongensjaren, kunt ge hem in ’t gezicht spuwen. Er ligt een schat van poëzie in uw werk; al de eerste hoofdstukken zijn voortreffelijk; alleen is de inleiding droog, tot aan de beschrijving van de lente en het wegnemen van de ramen. Verder zijn uitstekend: de aankomst buiten, voorafgegaan door de beschrijving der familie Nechljoedoff, de verklaring van den vader vóór het sluiten van het huwelijk, en de hoofdstukken:Nieuwe KameradenenIk ben gezakt. Uit vele bladzijden komt de poëzie van het oude Moskou u tegemoet, waarop nog door niemand behoorlijk acht is geslagen. De koetsier van baron Z. is bewonderenswaardig (ik spreek altijd van het standpunt van lieden, die het onderwerp begrijpen). Eenige hoofdstukken zijn droog en lang, bij voorbeeld alle onderhandelingen met Dmitri Nechljoedoff, de beschrijving van zijne verhouding tot Warenka, en dat waarin over het begrip huiselijkheid gesproken wordt. Ook is te lang het feestje bij Jar en het voorafgaande bezoek van den graaf met Iljenka. De rekrutentijd van Semjonoff is niet geschikt voor de censuur.“Voor de bespiegelende gedeelten behoeft gij niet bang te zijn: zij zijn alle verstandig en origineel. Gij bezit neiging tot eene buitengewone fijnheid van onderzoek, die tot een groot gebrek kan aangroeien. Soms drijft uwe zucht naar onderzoek tot het bezigen van uitdrukkingen of vergelijkingen, die in het dagelijksch leven vreemd en onverstaanbaar klinken. Die neiging moet gij bedwingen, doch haar om niets ter wereld geheel verstikken. Al uw werk in dit genre moet boven uwe analyse staan. Elk uwer gebreken heeft zijn deelvan kracht en schoonheid; bijna elke uwer aantrekkelijke eigenschappen sluit de kiemen van gebreken in zich.“Geheel hetzelfde kan men van uw’ stijl zeggen. Gij zijt zeer ongeletterd; nu eens is uwe ongeschooldheid die van een nieuwen leider en van een forschen dichter, die de taal steeds naar zijne versmaat omwerkt, dan weer die van een’ officier, die ergens achter eene blindeering aan een’ makker schrijft. Met zekerheid kan men zeggen, dat alle bladzijden die gij met liefde geschreven hebt, uitstekend zijn; maar nauwelijks koelt ge af, of uw stijl wordt verward, en helsche zinswendingen komen te voorschijn. Daarom ware het noodig, dat stukken die zonder vuur geschreven zijn, werden nagezien en verbeterd. Hier en daar heb ik getracht ze te verbeteren of wilde ze eenvoudig schrappen, maar dit werk kunt en moet gij zelf doen. De hoofdzaak is echter, dat ge lange zinnen vermijdt. Splits ze in tweeën en in drieën, en wees niet zuinig met de punten.... Handel met zinsdeelen zonder plichtplegingen, en schrap de woordendat, dieenditbij tientallen. Stuit ge op moeielijkheden, neem dan den zin en stel u voor, dat ge dien in vloeiende conversatie-taal aan iemand wilt vertellen.“Het is tijd om te eindigen; en toch zou ik u nog zeer veel moeten zeggen. Aan een groot aantal onontwikkelde lezers zalJongelingsjarenveel minder bevallen danKinderjarenenJongensjaren. Voor deze beide geschriften pleiten hun geringe omvang en eenige episoden in den trant van het verhaalKarl Iwanowitsch. De oppervlakkigste mensch bewaart nog eenige herinneringen uit zijne kinderjaren, en verheugt zich als men hem de poëzie er van verklaart; maar de periode der jeugd (die woelige, onzinnige jongelingstijd, zoo rijk aan teleurstellingen en vernederingen, die gij ons onthult) verbergt zich gewoonlijk in de ziel, verduistert en wordt vergeten.“Uw werk kan door een zeer langen arbeid, met twee of drie onderhoudende episoden, enz. voor een groot aantal lezers begrijpelijk worden gemaakt; maar bijna niemand is in staat het volkomen naar den smaak van het groote publiek te maken.“Opzet en wezen zullen uw werkJongelingsjarentot een gastronomisch brokje maken alleen voor zulke personen, die denken en gevoel hebben voor poëzie.“Meld mij of ik het manuscript aan u moet zenden of aan Panajeff ter hand stellen. Gij hebt er geen grooten stap mee gedaan in de eene of andere richting, maar getoond wat er in u zit en wat er nog van u te verwachten is.”Reeds het feit, dat Droezjinin zóó aan Tolstoi kon schrijven, bewijst dat er werkelijk intieme betrekkingen tusschen hen bestaan hebben, en dat Droezjinin grooten invloed op Tolstoi heeft gehad.Tolstoi’s verblijf te Petersburg van November tot Mei werd, wegens familie-omstandigheden, door eene kortstondige reis naar Orel afgebroken.Den 2denFebruari kreeg hij bericht, dat zijn broederDmitriwas overleden. Deze persoon wordt door Tolstoi duidelijk omschreven in zijne herinneringen, die door ons in het hoofdstukJongelingsjarenzijn medegedeeld. Hier halen wij slechts het tweede gedeelte dezer herinneringen aan, welke betrekking hebben op zijn volgend leven, zijne ziekte en dood.“Toen wij tot eene deeling kwamen, gaf men mij, volgens gebruik, het landgoed Jasnaja Paljana, waarop wij woonden. Sergius kreeg Pirogoff, omdat hij een liefhebber van paarden was en Pirogoff eene stoeterij bezat; hij had dit ook gewenscht. Dmitri en Nikolaas gaf men de twee overige bezittingen: laatstgenoemden Nikolskoje, den eersten het landgoedSchtscherbatschefka, in Koersk gelegen en ons door Perowska vermaakt.“Ik bezit thans een memorandum van Dmitri, waaruit blijkt hoe hij over de lijfeigenschap dacht. Het begrip, dat zoo iets niet geoorloofd was en men hen moest vrijlaten, bestond, bij ons omstreeks ’40 in het geheel niet. Het bezit van lijfeigenen door erfenis was eene onvermijdelijke conditie, en al wat men doen kon om de slechte gevolgen er van te voorkomen was, dat men niet alleen zorgde voor den stoffelijken, maar ook voor den zedelijken toestand der boeren. En in dien zin was ook het memorandum van Dmitri zeer ernstig, naïef en oprecht geschreven.“Nog geen twintig jaren oud (na afloop van zijn studie) nam hij, in de meening dat dit zoo behoorde, de verplichting op zich om het zedelijke leven van honderden boerengezinnen te leiden; en dit deed hij door bedreiging met en de werkelijke toepassing van straffen, omdat dit bij Gogol, in een brief aan een grondbezitter, geschreven stond. Naar ik mij herinner, had Dmitri deze brieven gelezen, doordien een gevangenis-priester hem er op gewezen had. Zoo begon mijn broeder dan zijne plichten als grondbezitter te vervullen; doch behalve die van den landeigenaar tegenover zijne lijfeigenen, bestond in die dagen nog een andere plicht, waarvan de niet-nakoming ondenkbaar scheen: dat was de krijgs- of civiele staatsdienst.“Toen Dmitri zijne studie geëindigd had, besloot hij in civielen dienst te gaan. Om nu te weten, welken dienst hij zou kiezen, kocht hij een adresboek, keek alle takken van den civielen dienst na, kwam tot de slotsom dat de rechtspleging van het meeste gewicht was—en koos de laatste. Hij vertrok naar Petersburg en ging bij den staats-secretaris der 2deAfdeeling op audiëntie.“Ik stel mij de verbazing van Tanjejeff voor, toen hij onderde sollicitanten verschijnen zag een langen, eenigszins gebochelden en slordig gekleeden man (Dmitri kleedde zich altijd zoo, om zijne figuur te verbergen), met rustige, heldere oogen, die, op zijne vraag wat hij wilde, ten antwoord gaf, dat hij een Russisch edelman was, die de studie achter den rug had, en, het vaderland nuttig willende zijn, de wetgeving tot zijn arbeidsveld gekozen had.“‘Uw naam?’“‘Graaf Tolstoi.’“‘Heeft u nooit gediend?’“‘Ik heb pas mijne studie achter den rug, en wensch alleen nuttig te zijn.’“‘Welke betrekking wil u hebben?’“‘Dat is mij onverschillig, mits het er eene is waar ik nuttig kan zijn.’“Zijn ernst en oprechtheid troffen Tanjejeff zoozeer, dat hijDmitrinaar de 2deAfdeeling bracht en ter beschikking van den ambtenaar stelde.“Mogelijk heeft de verhouding der ambtenaren tot hem, en vooral hunne wijze van werken Dmitri niet aangestaan; zooveel is zeker: hij is niet in de 2deAfdeeling gebleven. Te Petersburg had mijn broeder geen enkelen bekende, behalve den rechtsgeleerde D. A. Obolenski, die gedurende ons verblijf te Kazan daar advocaat was. Dezen Obolenski ging Dmitri op zijne buitenplaats bezoeken. De rechtsgeleerde heeft mij dat half lachend verhaald.“Obolenski was een man met aristocratische manieren, voorkomend doch eerzuchtig. Hij vertelde mij, dat op zekeren dag, toen hij gasten had (waarschijnlijk uit den hoogen kring waarin Obolenski zich steeds bewoog), Dmitri met eene muts op en een Nankin’schen paletot aan door den tuin naar hem toe kwam. ‘Eerst kende ik hem niet; maar toen ik wist wie hij was, poogde ik hem op zijn gemak te zetten, steldehem aan de gasten voor en verzocht hem zijn jas uit te trekken. Het bleek echter, dat hij geen andere jas daaronder droeg. Dat vond hij overbodig. Hij ging zitten en wendde zich, zonder zich aan de tegenwoordigheid der gasten te storen, tot Obolenski met dezelfde vraag, als tot Tanjejeff: “Waar kan ik het best dienen, om nuttig te zijn?”’“Obolenski, met zijne eigen inzichten van den dienst, die voor hem slechts het middel was om zijne eerzucht te bevredigen, had waarschijnlijk nooit zulk eene vraag te beantwoorden gehad. Doch met den hem eigen tact, gevoegd bij eene oprechte goedhartigheid, noemde hij verschillende postjes op en bood zijne diensten aan. Blijkbaar is Dmitri noch over Obolenski, noch over Tanjejeff voldaan geweest; althans hij verliet Petersburg, zonder hier gediend te hebben. Hij keerde naar zijn landgoed terug, schijnt in Soedzj een adellijk ambt aanvaard, en zich met oeconomische, vooral boeren-aangelegenheden te hebben beziggehouden.“Nadat mijn broeder en ik de universiteit verlaten hadden, heb ik hem uit ’t oog verloren. Maar ik weet, dat hij hetzelfde strenge, ingetogen leven geleid heeft tot zijn 26stejaar: niet hield van rooken, van wijn en vooral niet van vrouwen, hetgeen in die dagen eene groote zeldzaamheid was. Ook weet ik, dat hij samenkomsten had met monnikken en pelgrims, en veel omgang hield met een zeer origineelen man, die bij mijn’ voogd Woijekoff woonde en wiens afkomst niemand kende. Men noemde hem ‘Vader Lukas.’ Hij liep in een korten priesterrok, was zeer mismaakt (klein van gestalte, scheef en monsterachtig leelijk), maar zeer zindelijk en buitengewoon sterk. Als hij iemand de hand drukte, was het of hij die met eene nijptang greep; en altijd sprak hij op een gewichtigen en raadselachtigen toon. Hij woonde bij de molen van Woijekoff, waar hij een huisje gebouwd en een bijzonder fraaien bloemtuin aangelegd had. Met dezenVader Lukas ging mijn broeder om. Naar ik gehoord heb, had hij nog kennis aan een grijsaard van den zeer ouden stempel: een spaarzamen grondbezitter en een buurman van Samoiloff.“Ik geloof, dat ik reeds in den Kaukasus was, toen er in Dmitri een buitengewone omkeer plaats had. Plotseling begon hij te drinken, te rooken, geld te verspillen en de vrouwen na te loopen. Hoe dat zoo gebeurd is, weet ik niet, want destijds heb ik hem niet gezien. Alleen weet ik, dat zijn verleider was een naar het uiterlijk zeer aantrekkelijk, maar zedelijk diep gezonken man, de jongste zoon van Isljeneff. Over hem zal ik later schrijven, zoo ik gelegenheid heb. Ook onder deze omstandigheden was mijn broeder dezelfde ernstige, godsdienstige man, die hij in alles geweest is. Maria, de geprostitueerde vrouw, die hij het eerst leerde kennen, kocht hij vrij en nam haar bij zich in huis. Overigens heeft dit leven echter niet lang geduurd. Ik geloof, dat niet zoozeer het slechte, ongezonde bestaan, dat hij eenige maanden lang te Moskou gevoerd heeft, als wel de innerlijke strijd, de verwijten van zijn geweten dit krachtige organisme zoo spoedig hebben verwoest.“Hij kreeg de tering, ging naar buiten, liet zich in verschillende steden behandelen, en kwam ziek te liggen in Orel, waar ik hem het laatst gezien heb, na het beleg van Sewastopol. Zijn aanblik was vreeselijk: de reusachtige handen waren krampachtig om de beide ellebogen geslagen, het aangezicht was geheel verteerd; alleen de oogen waren nog even schoon en ernstig, maar blikten nu uitvorschend. Hij hoestte en spuwde zonder ophouden, en wilde niet sterven—wilde niet gelooven, dat hij zou sterven. De pokdalige, door hem losgekochte Maria stond met een doek om het hoofd bij hem en paste hem op. Op zijn verlangen werd er een wonderdoend heiligenbeeld bij hem gebracht. Ik herinner mij de uitdrukking van zijn gelaat, toen hij tot dit beeld bad.“In dien tijd was mijn gedrag afschuwelijk, monsterachtig. Uit Petersburg, waar ik een wereldsch leven leidde, ijdel en roemzuchtig, kwam ik bij mijn zieken broeder in Orel. Ik had medelijden met hem, maar niet diep. In Orel maakte ik rechtsomkeert, ging heen... en eenige dagen later stierf hij.“Inderdaad schandelijk! Wat ik bij zijn’ dood het meest betreurd heb, was, dat deze mij verhinderde de tooneeluitvoeringen aan het Hof bij te wonen, die toen georganiseerd werden en waar ik bij genoodigd was....”14Den eersten Maart werd de vrede gesloten, en deze gebeurtenis maakte het voor Tolstoi gemakkelijker om verlof te krijgen.Van zijne letterkundige geschriften voltooide hij dien winterDe Sneeuwstorm,De twee Huzaren,Eene ontmoeting in het DetachementenEen morgen van een’ landheer. Tolstoi moest zijne werken over drie tijdschriften verdeelen; zoo zijn de eerste twee verhalen nog in denSawremjennikgedrukt, het derde inDe Leesbibliotheek, en het vierde in deNationale Gedenkschriften.In dien tijd schreef Tolstoi onder andere aan zijne tante Tatjana:“Ik heb mijn verhaalDe twee Huzarenvoltooid, maar ben nog niet aan een nieuw begonnen. Nu Toerghenjeff vertrokken is, gevoel ik dat ik hem zeer mocht lijden, niettegenstaande dat wij altijd aan het twisten waren. Zoodoende verveel ik mij verschrikkelijk....”Uit dezen brief blijkt, dat Tolstoi’s gezindheid jegens Toerghenjeff aan gestadige veranderingen onderhevig was.Het Petersburgsche leven schijnt Tolstoi niet voldaan te hebben. Spoedig na zijne aankomst begon hij stappen tedoen voor zijn ontslag uit den dienst en aanstalten te maken tot eene buitenlandsche reis.In een’ brief aan zijn’ broeder Sergius van 25 Maart 1856 schrijft hij, onder andere:“Ik ga voor 8 maanden het land uit; als men mij ontslag geeft, ga ik heen. Ik heb er Nikolaas over geschreven en hem verzocht om mee te gaan. Indien wij met ons drieën konden gaan, zou dat uitstekend wezen. Als elk 1000roeb.meeneemt, zouden wij een mooi reisje kunnen doen.—Schrijf mij eens, hoe is je mijnSneeuwstormbevallen? In allen ernst, ik ben er niet over tevreden. Nu zou ik nog wel meer willen schrijven, maar stellig nooit meer in dit verwenschte Petersburg. Hetzij men mij al dan niet verlof geeft om naar het buitenland te gaan, heb ik toch plan om in April ontslag te vragen en buiten te gaan wonen.”Den 12denMei, toen hij zich nog te Petersburg bevond, schreef hij in zijn dagboek:“Een krachtig middel om tot het ware geluk te geraken in ’t leven, bestaat hierin, dat men, gelijk eene spin, naar alle kanten een net om zich heen spant,—doch een net van liefde, waarin men vasthoudt allen, die er in geraken: èn ouderen van dagen èn jongeren, èn vriend èn vijand.”Wij hebben reden te gelooven, dat de omstandigheden bij denSawremjennik, zoo op stoffelijk als letterkundig gebied, de hoofdmedewerkers van het tijdschrift weinig hebben bevredigd. De oorzaak daarvan moet voornamelijk worden gezocht in het individueele verschil van overtuiging, inzichten, gewoonten en opvoeding, die steeds belemmerend zijn voor eene algemeene zaak, door intelligente personen op touw gezet. In elken intellectueelen kring ontstaat zeer spoedig eene verdeeling in groepen; die verhouding, eerst geduld, verandert weldra in onverschilligheid; daarna ontstaat mededinging,die ten slotte overslaat tot openbare vijandschap. Zoo ging het ook met denSawremjennik.Reeds in het jaar 1856 rees bij enkele medewerkers het denkbeeld van eene scheiding en het oprichten van een nieuw tijdschrift. Dit blijkt uit een brief van Droezjinin aan Tolstoi, waarin hij onder andere schrijft:“Gretig maak ik van deze toenemende energie gebruik en haast mij u over eene zaak te spreken, waarover wij het bij onze laatste samenkomst gehad hebben en die op het oogenblik vele onzer collega’s te Petersburg bezighoudt. De behoefte aan een zuiver letterkundig tijdschrift met kritiek, dat aan alle polemiek en schandalen van den tegenwoordigen tijd krachtig het hoofd biedt, wordt in sterke mate gevoeld. Reeds hebben Gontscharoff, Jermin, Annenkoff, Maikoff, Michailoff, Awdjejeff en vele anderen dit denkbeeld met grooten bijval begroet. Indien gij, Ostrowski, Toerghenjeff en mogelijk ook onze beschroomde Grigorowitsch (ofschoon deze ook wel gemist kan worden) zich bij deze club aansluiten, kan met zekerheid gezegd worden, dat het heele gebied der fraaie letteren eindelijk in één tijdschrift vereenigd is. Van welken aard dit orgaan zal zijn: een nieuw tijdschrift of eene leesbibliotheek, die door het genootschap in pacht zal worden genomen, verzoek ik u eens te overwegen en dan uw voorstel mee te deelen. Hier is de meerderheid geneigd tot eene pacht, en de uitgever bereid tot een matigen prijs. Van mijn’ kant spreek ik vóór noch tegen deze zaak, maar stel mij geheel ten dienste van een zuiver letterkundig blad, op welke grondslagen het ook mocht worden opgericht.“Voor het geleerde of wetenschappelijke gedeelte kunnen als ijverige medewerkers of eenvoudig als leden genoemd worden de professoren: Gorloff, Oestrjaloff, Blagoweschtschenski, Berezin, Zernin en de tegenwoordige medewerkers (ik noem slechts de begaafdsten): Lawroff, Lchowski, Kenjewitsch,Wodowozoff en Doemnin. Toerghenjeff zal, ofschoon men als medewerker niet vast op hem rekenen kan, een voortreffelijk man zijn om zijn’ ijver, zijne veelzijdige kennis en in ’t algemeen om zijne plaats in de letterkunde. Doch voor ’t oogenblik geen bijzonderheden; de hoofdzaak is, dat er algemeene instemming zij en de fundamenteele punten worden vastgesteld.Tolstoi, toen hij naar den Kaukasus vertrok.—Blz. 155.Tolstoi, toen hij naar den Kaukasus vertrok.—Blz.155.“Naar de belangstelling te oordeelen, die gij voor elke zaak aan den dag legt, reken ik er op van u te vernemen, hoe gij over dit plan denkt. Onder andere, doe ik u het volgende verzoek: daar ik toch bij mijne tegenwoordige bezigheden blijf, en de oprichting van een nieuw tijdschrift nog lang kan duren, vraag ik u inmiddels verlof om u onder het getal medewerkers vanDe Leesbibliotheekte mogen opnemen. Beschik niet over uwe bijdragen, zonder dat gij tegen den herfst er ook eene voor mij hebt overgelaten—naar uwe eigen keuze en op de voorwaarden die gij goedvindt. Ik zal er u echter niet om lastig vallen, daar ik weet dat gij, ook zonder mijn verzoek, alles voor mij doen zult wat van uw’ wil afhankelijk is.“Schrijf mij eenige woorden over al deze dingen en in ’t algemeen over uw tegenwoordig leven, uwe plannen en over de gezondheid van Maria Nikolajewna, aan wie gij mijne beleefde en hartelijke groete moet overbrengen. Meld mij ook uw adres. Over het nieuwe tijdschrift moeten wij noodzakelijk correspondeeren; anders vrees ik dat de krachten, waarvan wij nu juist voor een nieuwe uitgaaf genoeg hebben, opnieuw versnipperd zullen worden. Het is onverschillig op welken grondslag de onderneming wordt ontworpen, zoo wij er maar allen in betrokken zijn. Tracht dus, nu gij Toerghenjeff dezen zomer dikwijls zien zult, invloed op hem te krijgen en dezen vriendelijken, maar wankelmoedigen man voor dit algemeene doel te winnen. Te oordeelen naar al wat hij mijhonderdmaal gezegd heeft, moet de gedachte aan zulk een blad hem wel eens bezighouden; maar op zijne woorden valt zoo weinig staat te maken! Laat hij eens bedenken, tot welk ellendig peil onze tijdschriften door versnippering van krachten gedaald zijn; alleen deRussische Bodeheeft zich goed gehouden, maar hij viel bij de afscheiding van hetAthenaeum, dat op zijne beurt verflauwd is.“Over Petersburg valt niets te zeggen.”Den 17denMei vertrok Tolstoi naar Moskou.Op 26 Mei bracht hij een dag door in het gezin van Dr. Behrs, die gehuwd was met mej. Isljenewa, eene vriendin uit Tolstoi’s kinderjaren, en toen een landgoed te Pokrowski niet ver van Moskou bewoonde. In Tolstoi’s dagboek staat deze korte frase over dit bezoek: “De kinderen wachtten ons op; welke lieve, vroolijke meisjes!”—Een van deze meisjes werd zes jaren later zijne vrouw.Daarna vervolgde hij zijne reis en kwam den 28stenMei in Jasnaja Paljana.Den volgenden dag schreef hij zijn’ broeder Sergius een’ brief, waarin hij, onder andere, het volgende zegt:“In Moskou heb ik 10 dagen bijzonder aangenaam doorgebracht zonder champagne of zigeuners, maar eenigszins verliefd—waarover ik je later zal schrijven.”Na zijne aankomst in Jasnaja bracht hij bezoeken bij zijne zuster Maria Nikolajewna, Toerghenjeff en anderen.In de twee volgende brieven aan zijn’ broeder bespeuren wij, dat Tolstoi op het einde van den zomer door een ernstige ziekte werd aangetast. In het begin van September 1856 schrijft hij:“Eerst heden, Maandagavond te 9 uren, kan ik je een goed antwoord geven. Mijn toestand was gaandeweg verergerd; twee doctoren zijn er bij geweest, men heeft nog veertigbloedzuigers gezet; daarop ben ik dadelijk in slaap gevallen, en toen ik ontwaakte gevoelde ik mij veel beter. Eerder dan over een dag of vijf, zes, zal ik echter niet kunnen reizen. Tot weerziens dus. Meld mij s.v.p. wanneer je gaat, en of er groote verzuimen in je huishoudelijk bestuur aanwezig zijn. Verlaat de plaats niet voordat ik er ben. Morgen zal ik je misschien de honden sturen.”In een’ brief van 15 September meldt hij:“Beste broeder Sergius!“Mijne gezondheid is nog niet verbeterd. Ziek ben ik niet, er is ook geen ontsteking, maar ik heb een drukkend gevoel op de borst, steken in de zijde, en tegen den avond heb ik pijn. Misschien zal het langzamerhand van zelf verdwijnen: toch zal ik niet spoedig naar Koersk gaan. Zoo het over een week of twee niet beter is, zal ik er in ’t geheel niet heen gaan, maar in Moskou komen.”Spoedig keerde hij weer naar Petersburg terug, en schreef vandaar op 10 November 1856:“Neem mij niet kwalijk, beste broeder Sergius, dat ik zoo weinig schrijf Ik heb geen tijd gehad. Sedert mijn vertrek heb ik niets dan tegenspoed ondervonden, en hier heb ik niemand dien ik mag lijden. Men zegt, dat ik in deNationale Gedenkschriftenom mijne verhalen over den oorlog ben doorgehaald. Ik heb dat nog niet gelezen, maar—en dit is hoofdzaak—Konstantinoff heeft mij dadelijk na mijne aankomst verteld, dat grootvorst Michaël, toen hij vernam dat ik een gedicht zou maken, er zeer over ontstemd was dat ik pogingen deed om de soldaten te onderrichten. Dat is afschuwelijk! Ik heb den commandant van den staf de zaak uitgelegd. Het is nog maar een geluk, dat mijne gezondheidgoed is, en dat Schipoelinski gezegd heeft, dat mijne borst beterende is.”Op 26 November 1856 verliet Tolstoi den krijgsdienst. Het is hier de plaats om eene goede daad te vermelden, die hij op het einde van zijn’ diensttijd verricht heeft.De staf-commandant Korenitzki, onder wien Tolstoi gediend had, had na afloop van den oorlog voor een krijgsraad behooren terecht te staan, maar dank zij den invloed en de bemoeiingen van graaf Tolstoi bleef hij daarvan verschoond.Van het oogenblik dat Tolstoi den dienst vaarwel zegt, breekt een nieuw levenstijdperk voor hem aan: het letterkundig-maatschappelijke, waarbij het streven naar persoonlijk geluk zich baan breekt.Ondanks de scherpe beoordeelingen en de miskenning van den kant der autoriteiten, was Tolstoi toch een gewenschte gast en een voortreffelijk lid van het letterkundig gezelschap, denSawremjennik.Deze omgeving was echter op verre na niet geschikt om Tolstoi te bevredigen. En dat kon ook niet anders. Men moet de herinneringen der letterkundigen van dien tijd lezen, bijv. Herzen, Panajeff, Fet en anderen van de meest verschillende richtingen, om tot zeer treurige gevolgtrekkingen te komen wat de zedelijke zwakheid dezer lieden betreft, die zich inbeeldden leiders van het menschdom te zijn. Denk aan de maaltijden van Njekrassoff, de drinkgelagen van Herzen, Ketscher en Ogarjeff, den verfijnden smaak van een’ Toerghenjeff! Al die vriendschappelijke samenkomsten waren toen ondenkbaar zonder champagne, hartstocht, kaartspel en dergelijke. En ergerlijk waren de luiheid en de nietswaardige belangen dezer lieden, die al het kwade dier slemppartijen niet zagen, vermengd als zij waren met het prediken over volksliefde en allerlei denkbeelden van vooruitgang. Te midden van deze onbeschaamdheid, die mogelijk in een anderen vorm nog totheden voortbestaat, heeft nog slechts één enkele overtuigende en geeselende stem geklonken van een’ man, wiens ziel dit zelfbedrog niet dulden kon. Dat was de stem van Leo Tolstoi!In zijn werkBiechthangt hij een levendig tafereel op van de zeden der letterkundige wereld in dien tijd, dat is omstreeks het jaar ’60. Ziehier zijne woorden:“Ik heb nog geen overzicht gegeven van de wijze, waarop ik de levensbeschouwingen der personen met wie ik tezamen kwam tot de mijne maakte, en hoe zij al mijne vroegere pogingen om beter te worden geheel deden mislukken. Deze beschouwingen vormden den theoretischen grondslag voor het zedenbederf van mijn leven, waardoor dit verontschuldigd werd.“De levensbeschouwingen van die personen—mijne collega’s letterkundigen—bestonden hierin, dat het leven zich in ’t algemeen ontwikkelt, dat wij, de mannen der gedachte, het hoofdaandeel in die ontwikkeling hebben, en dat onder die mannen der gedachte wij, bellettristen en dichters, den meesten invloed hebben. Onze roeping is: de menschen te onderrichten. Maar om de vraag te vermijden: ‘wat weet men en wie moet men onderrichten?’, werd in die theorie verklaard, dat zulke kennis ook niet noodzakelijk is, en datbellettristenen dichtersonbewustonderrichten. Ik ging door voor een uitstekend bellettrist en dichter, en daarom was het zeer natuurlijk, dat ik die theorie tot de mijne maakte. Ik, een bellettrist en dichter, schreef en onderrichtte—ik wist zelf niet wat. Men gaf er mij geld voor, ik had uitstekende spijzen, eene positie, vrouwen, gezelschap; ik had naam. Bijgevolg moest hetgeen ik onderwees wel zeer goed zijn.“Dat geloof in de beteekenis der poëzie en in de ontwikkeling van het leven was een werkelijk geloof; en ik was een der priesters er van. Het bewustzijn priester te zijn waszeer aangenaam en voordeelig. En vrij lang heb ik in dat geloof geleefd, zonder aan de waarheid er van te twijfelen. Maar in het tweede, en vooral in het derde jaar van dit leven begon ik aan de onfeilbaarheid van dat geloof te twijfelen, en ging ik het onderzoeken. De eerste aanleiding tot twijfel was, dat ik begon op te merken, dat de priesters het niet allen samen eens waren. Enkelen zeiden: ‘wijzijn de beste en nuttigste leermeesters;wijleeren wat noodig is, en wat anderen leeren is onjuist.’—Anderen zeiden: ‘neen,wijzijn de ware, en gij onderwijst niet juist.’—En zij disputeerden, twistten, scholden, bedrogen elkander, en misdroegen zich.“Daarenboven waren er velen onder ons, die er zich niet om bekommerden wie gelijk of wie ongelijk had, en eenvoudig door middel van onzen arbeid hun baatzuchtig doel bereikten. Dat alles bewoog mij aan de waarheid van ons geloof te gaan twijfelen.“Meer nog: toen ik eenmaal aan de waarheid van het geloof eens schrijvers twijfelde, begon ik eens de priesters van dat geloof met meer aandacht gade te slaan, en overtuigde mij toen, dat bijna allen—de schrijvers—onzedelijke lieden waren, voor het meerendeel slecht en met een nietswaardig karakter. Dat zij veel lager stonden dan de personen, die ik in mijn vroeger ongeregeld krijgsmansleven had ontmoet, maar dat zij zelfvertrouwen hadden en evenzoo over zich zelven tevreden waren, als volslagen heilige personen of als zoodanigen, die niet weten wat heiligheid is. Die lieden walgden mij, en ik begreep dat dit geloof bedrog was.“Maar zonderling is het dat, ofschoon ik dit leugenachtige geloof spoedig begreep en er mij aan onttrok, ik mij niet onttrok aan de positie, die mij door deze lieden gegeven was: de positie van bellettrist, van dichter en leeraar. Op naïeve wijze verbeeldde ik mij, als dichter en bellettrist iedereen tekunnen onderwijzen, ofschoon ik zelf niet wist wie ik onderwees. En zoo heb ik gehandeld.“Uit den omgang met die personen ontwikkelde zich bij mij eene nieuwe ondeugd,—een trots, die overging in de ziekelijke, krankzinnige overtuiging dat ik geroepen was te onderwijzen, zonder te weten wat.”15Niettemin werd Tolstoi, door zijn verkeer in den kring dier personen, van hunne belangen doordrongen en is hij een der werkzaamste deelnemers geweest aan hunne kameraadschappelijke ondernemingen. Zoo is een der belangrijkste letterkundige instellingen:Het Genootschap tot ondersteuning van Letterkundigen en Geleerden, het zoogenaamdeFonds voor Letterkundigen, veel aan hem verplicht geweest. Gewoonlijk wordt Droezjinin als de stichter van dit fonds beschouwd, maar in het dagboek van Tolstoi vinden wij de volgende aanteekening:“3 Januari 1857.“Ik heb bij Droezjinin het ontwerp van het fonds opgesteld.”Tolstoi kan dus met het volste recht tot de stichters van dit fonds gerekend worden.Ongeveer in dezen tijd moet Tolstoi op meer grondige wijze hebben kennis gemaakt met de geschriften van Poeschkin, die hem zeer aantrokken.Uit zijne verhalen blijkt, dat hij Poeschkin, na diens gedichtDe Zigeunersin de Fransche vertaling van Mérimée gelezen te hebben, hoog waardeerde. Het lezen van dit gedicht, door den vertaler in proza weergegeven, openbaarde Tolstoi al de kracht van Poeschkin’s dichterlijk talent.In zijn dagboek van 4 Januari 1857 vinden wij de volgende aanteekening:“Ik heb bij Botkin gedineerd, in gezelschap van Panajeff, die mij Poeschkin heeft voorgelezen. Daarop begaf ik mij naar Botkin’s kamer, schreef een brief aan Toerghenjeff, ging op de sofa zitten en begon luid te weenen; het waren tranen zonder reden ... dichtertranen, die mij zalig stemden. Al dien tijd voelde ik mij bepaald gelukkig, en was ik in een’ roes van ‘snellen zedelijken vooruitgang’.”Die “snelle zedelijke vooruitgang” was oorzaak, dat Tolstoi zich niet lang met dit gezelschap en dezen werkkring kon tevreden stellen; en gretig zocht hij naar een middel om er uit te geraken. En daar een bewegelijke geest ook in zijne uiterlijke handelingen steeds onrust laat blijken, zoo legde ook Tolstoi eene rustelooze werkzaamheid aan den dag, eene energie, waarvan een der uitingen was zijne buitenlandsche reis, die blijkbaar zonder bepaald doel is ondernomen. Ziehier wat hij daarvan in zijneBiechtzegt, met de hem eigen oprechtheid zichzelf en zijne omgeving beoordeelende:“Zoo heb ik nog zes jaren, tot aan mijn huwelijk, aan dit onverstandige leven besteed. In dien tijd ging ik buitenslands. Het leven in Europa en mijne nadere kennismaking met vermaarde en geleerde Europeesche personen versterkten mij meer en meer in het geloof van volmaking in ’t algemeen, waarin ik leefde, omdat ik ook bij hen datzelfde geloof vond. Dit geloof nam bij mij den gewonen vorm aan, dien het bij de meeste beschaafde lieden van mijn’ tijd bezit, en werd door het woordvooruitganguitgedrukt. Het kwam mij toen voor, dat er in dat woord eene zekere beteekenis lag. Ik begreep toen nog niet dat ik, gekweld, als ieder levend wezen, door de vraag: ‘hoe leef ik het best?’, en daarop antwoordende: ‘leef overeenkomstig den vooruitgang’, een antwoord gaf volkomen gelijk aan dat van iemand, die in eene boot gezeten, ten spel aan wind en golven, op deeenige vraag die hij zich stellen kan: ‘waar moet ik heenvaren?’, eenvoudig zegt: ‘ik zal wel ergens belanden.’”Niet voordat deze buitenlandsche reis achter den rug was, zou Tolstoi de schatting betalen voor zijn zoeken naar persoonlijk huiselijk geluk.1EeneArtélis een genootschap van soldaten, arbeiders, handwerkslieden, enz., die eene gemeenschappelijke tafel, dikwijls ook eene gemeenschappelijke kas hebben, en meestal samenwonen. In de groote steden bestaan artélen met gecompliceerde organisaties, groote kapitalen en vèrstrekkende macht, waarbij het genootschap solidair borg blijft en waakt voor de belangen van elk zijner leden. Zoo bijv. de beurs-artélen te Petersburg en Moskou, die de geheele koopmanschap met hoogere en lagere beambten omvatten.2R. Löwenfeld,Graaf L. N. Tolstoi.3Paul Boyer,Le Temps, 28 Aug. 1901.4A. Fet.Mijne herinneringen, Deel 1, Bladz. 105.5De volledige werken van D. W. Grigorowitsch, Deel XII.6Alexander Iwanowitsch Herzen (1812–1870) was de natuurlijke zoon van een rijken edelman Jakofleff en ontleende zijn’ naam aanHerzens-kind. Zijne moeder was eene Duitsche: Luise Haag.7G. P. Danilewski,Reis naar Jasnaja Paljana, in de Geschiedkundige Mededeelingen van Maart 1886.8E. Garschin.Herinneringen aan I. S. Toerghenjeff, in de Geschiedkundige Mededeelingen, November 1883.9Herinneringenvan A. Golowatschewa Panajewa.10Toerghenjeff stierf in 1883.11Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Bladz. 27.12Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff, Blz. 33.13Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Blz. 32.14Uit de gedenkschriften van Tolstoi.15Biecht.
Als koerier naar Petersburg gezonden, werd Tolstoi bij eene veldbatterij geplaatst, onder bevel van generaal Konstantinoff, en keerde niet weer naar het leger terug.
Bij zijne aankomst te Petersburg op 21 November 1855 bezocht hij onmiddellijk den letterkundigen kring van denSawremjenniken werd hier met open armen ontvangen.
Tolstoi doet ons een verhaal van dien tijd in zijneBiechtdat aldus luidt:
“Destijds begon ik te schrijven uit ijdelheid, eigenbelang en trots. In mijne geschriften deed ik hetzelfde, als in het leven. Om naam en geld te krijgen, ter wille waarvan ik schreef, moest ik het goede bemantelen en het kwade bekend maken; en dat hèb ik gedaan. Hoe dikwijls heb ik op listige wijze, in den vorm van onverschilligheid en zelfs van lichte spotzucht, in mijne geschriften die neigingen tot het goede verborgen, welke den zin mijns levens vormden. En dit heb ik bereikt: men heeft mij geprezen.
“Op den leeftijd van 27 jaren kwam ik, na afloop van den oorlog, te Petersburg met schrijvers tezamen. Men ontving mij als een der hunnen en vleide mij.”
Natuurlijk werd Tolstoi, 20 jaren na het schrijven van deze regelen, door andere gevoelens bestormd; maar de kiemen van het scepticisme, van dit wreede, onmeedoogende zelfonderzoek hebben zich reedstoengeopenbaard en zijne collega’s verbaasd.
DeSawremjennikwas een tijdschrift, opgericht door A. N. Poeschkin en Pletnjeff. Het eerste nummer er van verscheen in 1836; na Poeschkin’s dood zette Pletnjeff, van 1838 tot 1846, de uitgaaf voort; maar hierna zweeg het blad geheel. In 1847 werd het recht van uitgaaf verkregen door I. I. Panajeff en N. A. Njekrassoff, die, in vereeniging met den bekenden criticus Belinski, weldra de beste litteraire krachten tot medewerking aan het blad wisten te bewegen; en tot het jaar 1866, toen het op last der autoriteiten geschorst werd, is het blad het vooruitstrevende hoofdorgaan geweest op het gebied van fraaie letteren en kritiek.
Bij Tolstoi’s komst te Petersburg bestond de meer intieme kring van denSawremjennikuit letterkundigen, die in de twee in dit werk voorkomende groepen worden voorgesteld, te weten: Panajeff, Njekrassoff, Toerghenjeff, Tolstoi, Droezjinin, Ostrowski, Gontscharoff, Grigorowitsch en Sollogoeb. Van hen die niet in deze groepen figureeren, kunnen genoemd worden: W. P. Botkin, Fet en anderen.
De hoofdmedewerkers van denSawremjennikwaren, wat de deelneming aan het tijdschrift en de verdeeling van het honorarium betrof, door zekereartél-verplichtingen1gebonden. Dikwijls bezwaarden die verplichtingen de deelnemers en waren dan oorzaak van allerlei onaangename conflicten in den letterkundigen kring. Uitgevers en redacteuren van andere tijdschriften vroegen vermaarde schrijvers om letterkundige bijdragen, waardoor de administratie van denSawremjennikzich gekrenkt voelde, en wederkeerig. De Duitsche schrijver Löwenfeld deelt van een dezer conflicten het volgende mede:
“Tusschen Toerghenjeff en Katkoff was een twist ontstaan, waarin ook Tolstoi gemengd werd—zij het dan voor een deel door eigen schuld. Toerghenjeff was eerst de vlijtige medewerker van Katkoff geweest, en voor laatstgenoemde was het natuurlijk onaangenaam zulk een uitstekenden schrijver te verliezen. Hij droeg zijn broeder op de beide jonge auteurs dagelijks te bezoeken, en hun om bijdragen voor zijn tijdschrift te vragen. Toerghenjeff, die eindelooze aanvragen moede, beloofde op zekeren dag iets voor Katkoff te zullen meegeven, doch kon deze belofte niet nakomen. Katkoff ontstak in hevige woede en begon Toerghenjeff openlijk te beleedigen, zich beklagende, dat Toerghenjeff eenmaal beloofd had aan zijn blad te zullen medewerken, en bijgevolg niet het recht had om zijne pennevruchten uitsluitend aan denSawremjennikte geven. Aan den anderen kant had hij, als lid van de artélSawremjennik, niet het recht te beloven, dat hij voor Katkoff’s tijdschrift zou werken. Zijn zachte, toegevende aard had hem ditmaal een slechten dienst bewezen.
“Tolstoi nam het voor zijn’ vriend op. Hij schreef Katkoff een langen brief om Toerghenjeff te rechtvaardigen.—‘De zachtmoedigheid van Toerghenjeff, zijne minzaamheid,’ schreef Tolstoi, ‘hadden hem bewogen aan twee kanten beloften te doen.’ Hij verzocht Katkoff dezen verweerbrief openbaar te maken. Katkoff stemde toe, maar onder voorwaarde dat ook zijn antwoord zou worden gepubliceerd, en zond Tolstoi het ontwerp van zijn’ brief. De inhoud van dit antwoord was echter van dien aard, dat Tolstoi er de voorkeur aan gaf zich aan de inmenging te onttrekken.”2
De artél van denSawremjennikhield niet lang stand en ging in eene gewone tijdschrift-organisatie over.
Tolstoi heeft Belinski niet bij denSawremjennikontmoet. Naar men weet, was Belinski in 1848 gestorven, na zich voor de instandhouding van het tijdschrift veel moeite te hebben gegeven. Zijn enthousiasme had dit stervende blad met nieuw leven bezield en het bestaan er van voor langen tijd verzekerd. Op Tolstoi is echter een rechtstreeksche invloed van Belinski niet merkbaar geweest.
Eenerzijds lag de oorzaak hierin, dat zij menschen waren van verschillende tijdperken. Belinski was in den waren zin des woords een man uit den tijd van ’40; en Tolstoi, die eerst in de jaren na ’50 de letterkundige loopbaan betrad, vond slechts volgers van Belinski, die de aantrekkingskracht van hun’ voorganger misten. Aan den anderen kant was de sfeer, waarin Tolstoi was groot gebracht, niet gunstig voor zijne aanraking met de letterkundigeonadellijken, gelijk zij zich zelven noemden. Hij hield zich bij den kring van personen die hem meer in opvoeding nabij kwamen, en zelfs onder dezen was hij altijd afgescheiden, onafhankelijk,—iemand die wel de meeste tegenstanders influënceerde, doch weinig vatbaar was voor invloed van buiten. Men kan ook eene veel diepere, eene principiëele oorzaak aanwijzen. Ofschoon zich in de jaren na ’50 bij Tolstoi nog geen bepaalde wereldbeschouwing gevormd had, heeft de richting van denSawremjennikhem toch nooit aangetrokken. Eindelijk hebben, volgens Tolstoi’s eigen bekentenis, genieën op het gebied der fraaie letteren altijd meer invloed op zijn letterkundigen arbeid gehad, dan genieën op het gebied der journalistiek.
Op wijsgeerig gebied ondervond hij in zijne jeugd den meesten invloed van de zijde van Rousseau.
In een gesprek over de Fransche literatuur met denParijschen hoogleeraar Boyer, die hem in de lente van het jaar 1901 een bezoek bracht, drukte Tolstoi zich over zijne beide leermeesters, Rousseau en Stendhal, uit als volgt:
“Tegenover Rousseau is men onbillijk geweest; de grootheid van zijne idee is niet erkend, en op alle mogelijke wijzen heeft men hem belasterd. Ik heb den geheelen Rousseau gelezen: alle 20 deelen, waaronder hetWoordenboek der Muziek. Hij heeft mij in verrukking gebracht—meer nog, ik heb hem vergood. Toen ik 15 jaar oud was, droeg ik in stede van een kruis op de borst, een medaillon om den hals met zijn portret. Vele bladzijden uit zijne werken staan zóó diep in mijne ziel gegrift, dat het mij toeschijnt of ik ze zelf geschreven heb.
“Wat Stendhal betreft,” ging Tolstoi voort, “van hem zal ik alleen spreken, als van den schrijver vanLa Chartreuse de ParmeenRouge et Noir. Dit zijn twee groote, onnavolgbare voortbrengselen der fraaie letteren. Aan Stendhal ben ik meer verschuldigd, dan aan iemand anders. Hij heeft mij den oorlog leeren begrijpen. Lees eens inLa Chartreuse de Parmehet verhaal van den slag bij Waterloo! Wie heeft, vóór hem, den oorlog zóó beschreven: namelijk zoo, als hij in werkelijkheid is? Denk aan Fabricius, die over het slagveld rijdt, en ernietsvan begrijpt! Later heeft mijn broeder, die vóór mij in den Kaukasus gediend heeft, mij de juistheid van Stendhal’s beschrijvingen bevestigd. Hij hield veel van den oorlog, maar behoorde niet tot hen, die gelooven aan de brug van Arcola. ‘Dit alles is fraaiigheid,’ zeide hij mij, ‘maar in den oorlog bestaat geen fraaiigheid’. Spoedig daarna viel het mij in de Krim gemakkelijk dit alles met eigen oogen te zien. Doch ik herhaal u: al wat ik van den oorlog weet, heb ik te voren reeds van Stendhal geleerd.”3
Laat ons nog de titels van de letterkundige producten noemen, welke in de reeds gedeeltelijk door ons opgenomen lijst voorkomen en op het nu omschreven tijdvak betrekking hebben.
In het tijdvak van zijn 20stetot zijn 25stelevensjaar hebben de volgende geschriften den grootsten invloed op Tolstoi gehad:
Titels der geschriften.Graad van invloed.Goethe,Hermann und DorotheaZeer groot.V. Hugo,Notre-Dame de ParisZeer groot.Tjoetscheff,GedichtenGroot.Koltzoff,GedichtenGroot.Fet,GedichtenGroot.Plato (Vertaling van Cousin).PhaedoenSymposionZeer groot.De Odysseaende Ilias, in ’t Russisch gelezenZeer groot.
Hierdoor krijgen wij een min of meer volledig beeld van Tolstoi’s letterkundige opvoeding.
In den kring der Petersburgsche letterkundigen bracht Tolstoi zijne krachtige, aesthetische, aantrekkelijke natuur en zijn onbuigzaam, vaak twistziek karakter mede, en verwekte een’ storm in dat kalme, bezadigde gezelschap.
Ziehier hoe Fet in zijneHerinneringenTolstoi’s verschijnen in Petersburg vertelt:
“Toerghenjefif stond zeer vroeg op en dronk (op zijn Petersburgsch) zeer vroeg thee. In den korten tijd dat ik in de hoofdstad was, kwam ik dagelijks tegen 10 uren bij hem, om in onzen vrijen tijd wat te praten. Toen Zachar, Toerghenjeff’s huisknecht, den tweeden dag de deur der voorkamer voor mij opende, zag ik in een’ hoek eene korte sabel met het Sint-Anna-lint.
“‘Wat is dat voor eene sabel?’ vroeg ik, tegelijk naar de deur van het salon gaande.
“‘Wees zoo goed en kom hierheen,’ fluisterde Zachar, terwijlhij links naar de gang wees. ‘Die korte sabel is van graaf Tolstoi, die heden nacht in het salon is blijven slapen. Iwan Serghejewitsch zit op het oogenblik in zijn kabinet thee te drinken.’
“In het uur dat ik bij Toerghenjeff doorbracht, spraken wij fluisterend, uit vrees den graaf wakker te maken, die achter de deur sliep.
“‘Dat gaat maar steeds zoo door,’ zeide Toerghenjeff glimlachend. ‘Van zijne batterij uit Sewastopol teruggekeerd, is hij bij mij afgestapt en geheel uit den band gesprongen. Drinkgelagen, uitgaan, den geheelen nacht kaarten, en dan tot twee uur des namiddags slapen. Eerst trachtte ik hem daarvan terug te houden, maar nu heb ik het opgegeven.’
“Gedurende dit bezoek maakte ik ook met Tolstoi kennis, maar deze kennismaking was geheel vormelijk, daar ik tot dien tijd nog geen enkelen regel van hem gelezen en zelfs zijn’ naam als letterkundige nooit gehoord had, ofschoon Toerghenjeff over zijne verhalen uitKinderjarengesproken had. Maar van het eerste oogenblik af bespeurde ik bij den jongen Tolstoi een onwillekeurig verzet tegen al wat op het gebied der meeningen algemeen gebruikelijk is. In dien korten tijd zag ik hem slechts een enkelen avond bij Njekrassoff, in onzen kring van celibataire letterkundigen, en was ik hier getuige van een voorval, waarbij Toerghenjeff, kokend en buiten adem door zijn dispuut, over de schijnbaar ingetogen, maar des te bijtender uitdrukkingen van Tolstoi haast wanhopig werd.
“‘Ik kan niet erkennen,’ zeide Tolstoi, ‘dat ge overtuigd zijt van hetgeen ge daar zegt. Als ik met een dolk of sabel aan de deur ga staan en zeg: “Zoolang ik leef, komt hier niemand binnen!”, dan is dat mijne overtuiging. Maar gij tracht het wezen uwer ideeën tegenover elkaar te verbergen, en noemt dat “overtuiging”.’
“‘Waarom komt ge dan bij ons?’ sprak Toerghenjeff, ademloos en met eene stem, die in een fijnen, valschen diskant overging (bij heftige twisten was dit steeds het geval). ‘Hier is uw vaandel niet. Ga naar prinses B-i-b-i.’
“‘Waarom mij hier te vragen, waar ik heen zal gaan! Ook de onnutte gesprekken over mijn komen hier en daar zullen niet in overtuiging veranderen!’
“Nu ik deze geenszins op zichzelf staande botsing tusschen Tolstoi en Toerghenjeff, waarvan ik destijds getuige was, in herinnering breng, kan ik niet nalaten te zeggen, dat, ofschoon ik begreep dat er hier van politieke overtuiging sprake was, deze quaestie mij zoo weinig interesseerde, dat ik niet trachtte dieper in den aard er van door te dringen. Ik ga verder. Op gezag van allen, die ik in onzen kring gehoord heb, vermoed ik dat Tolstoi gelijk had, en dat, indien personen die zich door de tegenwoordige orde van zaken bezwaard gevoelen, genoodzaakt werden hun ideaal uit te spreken, zij in de grootste verlegenheid zouden verkeeren hoe hunne wenschen te formuleeren.
“Wie onzer kende destijds niet dien vroolijken metgezel, dien makker in allerlei guitenstreken en meester in het vertellen van grappige anecdoten: Dmitri Wasiljewitsch Grigorowitsch, zoo geroemd om zijne verhalen en romans? Ziehier wat onder anderen deze Grigorowitsch mij gezegd heeft van de botsing tusschen Tolstoi en Toerghenjeff, ten huize van Njekrassoff.
“‘Waarde vriend’, sprak hij, stikkend en met tranen in de oogen van het lachen, terwijl hij over mijn schouder keek, ‘gij kunt u niet voorstellen, welke scènes hier al geweest zijn. Ach, mijn hemel! Toerghenjeff krijscht, knijpt met de hand zijn keel toe en fluistert met de oogen eener stervende gazelle: “Ik kan niet meer! Ik heb bronchitis!” Vervolgens gaat hij met reusachtige stappen de drie kamers op en neerloopen—“Bronchitis!” bromt Tolstoi onmiddellijk daarop “bronchitis is eene denkbeeldige ziekte. Bronchitis stamt af van brons, en brons is een metaal!”—Natuurlijk verkeert de gastheer Njekrassoff in angst: hij vreest zoowel Toerghenjeff als Tolstoi te moeten missen, in wien hij een kapitalen steun voor denSawremjennikheeft ontdekt. Hij moet laveeren. Wij zijn allen in opgewonden stemming en weten niet wat te zeggen. Tolstoi ligt met een opgezet gelaat op een marokijnlederen sofa in de middelste kamer, terwijl Toerghenjefif, met de panden van zijn korte jas op zijde geslagen en de handen in de zakken, voortdurend de drie kamers op en neer loopt. Om onheilen te voorkomen, ga ik naar de sofa en zeg: “Beste vriend Tolstoi, wind u niet op! Ge weet niet hoezeer hij u waardeert en hoe hij u lijden mag!”’
“‘Ik kan niet dulden,’ zegt Tolstoi met trillende neusvleugels, ‘dat hij mij ergert! Zie eens, hoe hij daar opzettelijk voor mij heen en weer loopt en met zijne democratische heupen draait.’”4
De zoo even genoemde Grigorowitsch verhaalt in zijneLetterkundige Herinneringenvan eene dergelijke episode uit den tijd van Tolstoi’s eerste kennismaking met de Petersburgsche letterkundigen.
“Bij mijn’ terugkeer uit Marjinski, te Petersburg ontmoette ik graaf Leo Tolstoi; mijne kennismaking met hem was echter reeds te Moskou bij de Soeschkoff’s begonnen, toen hij de militaire tenue droeg. Hij woonde te Petersburg in de Officiers-straat, op de onderste étage van een niet groot huis, juist tegenover de kamer van den letterkundige M. L. Michaïloff. Hij scheen dezen niet te kennen.
“Van den eersten dag af had Petersburg niet alleen nietsaantrekkelijks voor hem, maar het geheele leven aldaar werkte merkbaar ontstemmend op hem.
“Toen ik op den dag van mijn bezoek van hem vernam, dat hij dien middag bij de redactie van denSawremjennikte eten was gevraagd, en dat hij daar niemand van nabij kende, niettegenstaande hij reeds bijdragen aan het blad geleverd had, besloot ik met hem mee te gaan. Onderweg achtte ik het noodig hem te waarschuwen, dat hij daar enkele quaestiën niet moest aanroeren en zich vooral onthouden van aanvallen op George Sand, van wie hij (Tolstoi) zeer afkeerig was, terwijl destijds vele leden der redactie integendeel met haar dweepten. Het middagmaal verliep in goede orde; Tolstoi was tamelijk stil, doch op het eind hield hij zich niet in. Toen hij een nieuwen roman van George Sand hoorde prijzen, verklaarde hij beslist haar te haten, er bijvoegende dat de heldinnen harer romans, zoo die in werkelijkheid bestonden, op den schandwagen gebonden, en te pronk door de straten van Petersburg geleid moesten worden. Reeds in die dagen vormde zich bij hem die eigenaardige meening omtrent de de vrouwen en de vrouwen-quaestie, welke zich later op zoo klare wijze in den romanAnna Karjeninaheeft uitgesproken.
“De scène bij de redactie heeft mogelijk zijne verbittering opgewekt tegen al wat Petersburgsch was,—maar nog het meest zijne zucht tot tegenspraak. Welke meening de persoon, tot wien hij sprak, ook uitte, en hoe gezagvoller die persoon hem toescheen, des te heftiger prikkelde hem dit om het tegenovergestelde te zeggen en over woorden te gaan strijden. Zag men hoe hij luisterde, hoe doordringend hij den ander uit de grijze, diep verborgen oogen aankeek, en hoe spottend zich zijne lippen krulden, dan had men kunnen denken dat hij reeds vooraf, zoo niet een rechtstreeksch antwoord, dan toch eene meening overdacht, die door hareonverwachtheid moest overbluffen, en dadelijk uit het veld slaan.
“Zoo kwam Tolstoi mij in zijne jongelingsjaren voor. In disputen ging hij soms tot uitersten over. Eens bevond ik mij in eene aangrenzende kamer, toen er tusschen hem en Toerghenjeff een twist ontstond. Daar ik hoorde schreeuwen, ging ik naar de twistenden toe. Toerghenjeff stapte van den eenen hoek naar den anderen, en vertoonde alle teekenen van de hevigste opwinding; hij maakte van de open deur gebruik en verdween onmiddellijk. Tolstoi lag op de sofa; maar ook zijne opwinding was zoo groot, dat het niet weinig moeite kostte hem te kalmeeren en naar huis te brengen. Het onderwerp van den twist is mij tot heden onbekend gebleven.”5
Tolstoi’s geest van tegenspraak blijkt nog uit het volgende voorval, dat in de herinneringen van G. P. Danilewski verhaald wordt.
“Ik heb met Tolstoi kennis gemaakt tegen het jaar 1860, in het gezin van een bekenden beeldhouwer. De schrijver der Sewastopol’sche verhalen was toen juist in Petersburg gekomen, en was een jong, flink gebouwd artillerie-officier. Zijn zeer gelijkend portret uit dien tijd komt voor in de bekende photographische groep van Lewitski, waar hij tegelijk met Toerghenjeff, Gontscharoff, Grigorowitsch, Ostrowski en Droezjinin wordt voorgesteld. Naar ik mij herinner, kwam graaf Tolstoi toen juist het salon der gastvrouw binnen op het oogenblik, dat een nieuw werk van Herzen6werd voorgelezen. Hij ging stil achter den stoel van denlezer staan, wachtte tot deze geëindigd had, en viel toen eerst zacht en ingetogen, maar vervolgens zoo heftig en driest over Herzen uit, en over de algemeene geestdrift die zijne werken destijds verwekten, sprak met zulk eene oprechtheid en betoogkracht, dat ik in het vervolg geen werk van Herzen in dit gezin meer heb aangetroffen.”7
Wij weten, dat Tolstoi in lateren tijd omtrent Herzen van meening veranderd is, en zullen te gelegener tijd daarvan spreken.
E. Garschin verhaalt in zijneHerinneringen aan Toerghenjeffde volgende belangwekkende meening van dezen auteur over Tolstoi, die ons reeds vroegtijdig het element van oneenigheid doet zien, dat hunne verstandhouding bijna tot een noodlottig einde voerde.
“Bij Tolstoi,” verhaalde Toerghenjeff, “openbaarde zich al vroeg de trek, die later ten grondslag lag aan zijne geheele vrij duistere levensbeschouwing, welke in de eerste plaats hemzelven heeft gekweld. Hij geloofde nooit aan de oprechtheid der menschen. Elke gemoedsbeweging scheen hem valsch, en hij had de gewoonte iemand met zijne doordringenden blik als ’t ware te doorboren, wanneer het hem toescheen dat die persoon huichelde of onoprecht was. Toerghenjeff zeide mij, dat hij nooit in zijn leven iets pijnlijkers gevoeld had dan dien uitvorschenden blik, die, gevoegd bij twee of drie woorden die een giftige opmerking inhielden, wel geschikt was om ieder mensch met geringe zelfbeheersching tot razernij te brengen. Als voorwerp van zijne onderzoekingen koos graaf Tolstoi onder anderen (en bijna uitsluitend) zijn’ vriend Toerghenjeff. De bekende zelfbeheersching van dezen schrijver en zijne gelijkmoedigheid in dat levenstijdperk, toen zijn letterkundige arbeid op schitterende wijze ontbloeide, schonkenTolstoi geen rust; en het scheen wel of deze zich ten doel stelde den kalmen, goedhartigen man, die met overtuiging zijn werk ten uitvoer bracht, buiten zichzelven te brengen van drift. Maar tevens was het ongelukkig, dat Tolstoi dit volstrekt niet geloofde, en dat in zijn oog menschen die wij als goed beschouwen, het goede huichelen of die eigenschap voorwenden: dat zij overtuiging veinzen in het belang van quaestiën, waarin zij betrokken zijn.
“Toerghenjeff begreep duidelijk op welk standpunt Tolstoi zich tegenover hem plaatste, doch wilde zijn karakter tot elken prijs handhaven en zijne zelfbeheersching bewaren. Hij begon Tolstoi te ontwijken, vertrok opzettelijk naar Moskou en vervolgens naar zijn buitenverblijf; maar Tolstoi volgde hem op den voet,evenals eene verliefde vrouw, gelijk Toerghenjeff zich uitdrukte, toen hij deze geheele geschiedenis verhaalde.”8
Uit al deze aanwijzingen over de wederzijdsche verhouding der twee schrijvers kunnen wij zien, dat eene werkelijke geestelijke verwantschap tusschen hen onmogelijk was. Maar de vloed van den bevrijdingsstroom voerde beiden in dezelfde richting, en volgens hun werk beschouwden zij zich als kameraden. Daarenboven werden zij door de omstandigheid dat zij tot de hoogere, gepriviligeerde klasse behoorden, door hunne opvoeding en het overwicht hunner talenten te midden van hun’ schrijverskring onwillekeurig en voor den uiterlijken vorm tot elkander gebracht. Maar, zooals de lezers uit het volgende verhaal zullen zien, niet zoodra poogden zij deze kameraadschappelijke grens te overschrijden, of er ontstond eene botsing, die hunne carrière somtijds in gevaar bracht. De waarheid eischt hier te vermelden, dat zij tegen elkanderen tegenover derden rond voor hunne uiteenloopende karakters uitkwamen en—wat nog loffelijker is—dat zij zich veel zedelijk geweld aandeden om, zij het geen vriendschappelijke, dan toch goede betrekkingen te onderhouden, die op wederzijdsche achting berustten. En in dit opzicht kunnen zij een leerzaam voorbeeld geven aan latere geslachten.
Ziehier nog een verhaal van Golowatschewa Panajewa, die getuige was van de eerste kennismaking van Toerghenjeff met Tolstoi, welk verhaal de zooeven uitgesproken meening bevestigt:
“Ik moet eenige schreden in mijn verhaal teruggaan en spreken over graaf Tolstoi’s verschijning in den kring van denSawremjennik. Hij was toen nog officier en de eenige medewerker van genoemd blad, die de uniform droeg. Zijn letterkundig talent was zoozeer aan ’t licht gekomen, dat alle corypheeën der letterkunde hem als hun gelijke moesten erkennen. De graaf behoorde overigens niet tot de beschroomde lieden, maar was zich de macht van zijn talent bewust, en gedroeg zich dus, gelijk mij toen bleek, zelfs met zekere vrijmoedige ongedwongenheid.
“Wanneer de letterkundigen bij ons vergaderd waren, mengde ik mij nooit in hunne gesprekken, maar luisterde zwijgend toe en sloeg allen gade. Vooral interesseerde het mij Toerghenjeff en Tolstoi te volgen, als dezen elkander ontmoetten, disputeerden of wederzijdsche opmerkingen maakten, daar beide mannen zeer schrander en gevat waren.
“Tolstoi’s meening over Toerghenjeff heb ik nooit gehoord, en in ’t algemeen sprak hij over geen enkelen letterkundige zijne meening uit, vooral niet wanneer ik er bij was. Daarentegen had Toerghenjeff er behoefte aan over elk zijne opmerkingen te zeggen.
“Niet zoodra had Toerghenjeff met Tolstoi kennis gemaakt, of hij zeide van hem:
“‘Geen enkel woord, geen enkele beweging is natuurlijk bij hem. Hij poseert zich altijd voor ons; en ik kan maar niet verklaren, hoe een schrander man, als hij, zoo dom trotsch kan zijn op een mager graafschap.’
“‘Ik heb dit bij Tolstoi niet opgemerkt,’ zeide Panajeff.
“‘Nu, dan merk je niet veel op,’ antwoordde Toerghenjeff,
“Eenigen tijd later vond Toerghenjeff dat Tolstoi zich eenigszins op zijn Don Juan’schap liet voorstaan. Tolstoi had namelijk op zekeren dag eenige interessante voorvallen uit zijn krijgsmansleven verhaald. Toen Toerghenjeff die gehoord had, zeide hij:
“‘Al kookt men een Russischen officier drie dagen in de wasch, toch kookt men er den jonkers-overmoed niet uit, en met welk vernis van beschaving zulk personage ook gepolitoerd wordt, toch schemert zijne brutaliteit er doorheen.’
“En Toerghenjeff begon elken volzin van Tolstoi, den toon zijner stem, de uitdrukking van zijn gezicht te critiseeren, en eindigde met de woorden:
“‘Geloof mij, dit alles is brutaliteit, en spruit slechts voort uit den wensch om eene onderscheiding te krijgen.’
“‘Wil ik je eens wat zeggen, Toerghenjeff,’ merkte Panajeff op. ‘Indien ik je niet zoo goed kende, zou ik bij het hooren van al je uitvallen over Tolstoi denken, dat je hem benijdt.’
“‘Waarom zou ik hem kunnen benijden? Zeg eens, waarom?’ riep Toerghenjeff uit.
“‘Inderdaad, eigenlijk om niets, want jouw talent evenaart het zijne... maar toch kan men denken...’
“Toerghenjeff begon te lachen en sprak met zeker medelijden in zijn stem:
“‘Panajeff, je bent een goed opmerker bij het kaartspel, doch ik raad je geen opmerkingen te willen maken over dingen, die buiten dat gebied staan.’
“Panajeff voelde zich gekrenkt.
“‘Ik heb je die opmerking gemaakt in je eigen belang,’ zeide hij en ging heen.
“Toerghenjeff’s opgewondenheid duurde voort, en wrevelig zeide hij:
“‘Alleen in het brein van iemand als Panajeff kan het ongerijmde denkbeeld opkomen, dat ik Tolstoi kan benijden. Misschien om zijn graafschap?’
“Al dien tijd had Njekrassoff weinig gezegd, omdat eene keelziekte hem geheel terneer drukte. Alleen merkte hij tegen Toerghenjeff op:
“‘Denk eens goed na over hetgeen je Panajeff hebt believen te zeggen. Eigenlijk zou men jou van zulk eene ongerijmdheid kunnen beschuldigen.’”9
Als eerlijk, waarheidlievend man, heeft Toerghenjeff zijn’ eerbied voor Tolstoi’s talent meermalen in ’t openbaar betuigd, en in een gesprek met een Franschen uitgever bezigde hij zelfs de uitdrukking van Johannes den Dooper, die tot Christus zeide: “Ik ben niet waardig Uwe schoenriemen te binden.” Niettemin is hunne verhouding nooit hartelijk of intiem geweest.
Alleen toen hij, op zijn sterfbed liggend,10in zijn laatsten brief graaf Tolstoi met aandoening en warmte verzocht om tot den letterkundigen arbeid terug te keeren, gaf hij hem een naam, die nog geen enkel Russisch schrijver hem had toegevoegd: den naam vaneen groot Russisch schrijver. En die beroemde naam zal voortleven tot in het verre nageslacht!
Om den lezer een denkbeeld te geven van de verstandhouding, die tusschen Tolstoi en Toerghenjeff in de eerste dagen hunner kennismaking bestaan heeft, zullen wij in ons verhaal wat vooruit moeten loopen en enkele brieven citeeren, welke Toerghenjeff in dat jaar aan Tolstoi geschreven heeft.
Tolstoi in de dagen dat hij de Universiteit verliet.—Blz. 123.Tolstoi in de dagen dat hij de Universiteit verliet.—Blz.123.
Tolstoi in de dagen dat hij de Universiteit verliet.—Blz.123.
Parijs, 16 November 1856.“Aan N. L. Tolstoi.“Amice Tolstoi!“Uw brief van 15 October heeft eene geheele maand noodig gehad om mij te bereiken, want ik ontving hem eerst gisteren. Ik heb goed nagedacht over hetgeen gij mij hebt geschreven—en het komt mij voor, dat ge ongelijk hadt. Ik kan namelijk niet geheel oprecht tegen u zijn, omdat ik niet geheel vrijmoedig kan wezen. Naar ik geloof, hebben wij onbeholpen en te onpas kennis gemaakt, en als wij elkander weerzien, zal de zaak veel lichter en vlotter gaan.... Ik gevoel, dat ik u als mensch mag lijden (als schrijver, daarover spreek ik niet); maar veel heeft mij in u teleurgesteld, en ten slotte vind ik het beter mij wat van u te verwijderen. Bij onze samenkomst zullen wij weer trachten hand aan hand te gaan: misschien lukt het beter; hoe vreemd het ook moge klinken, op een’ afstand verlangt mijn hart naar u, als naar een’ broeder, en voel ik zelfs genegenheid voor u. In één woord: ik mag u lijden, dat staat vast; misschien zal hieruit mettertijd nog alle goeds voortkomen.“Ik heb van uwe ziekte gehoord, en dit heeft mij bedroefd; nu moest gij alle herinneringen daaraan uit uw hoofd zetten. Gij zijt zwaarmoedig en denkt aan tering; maar geloof mij, die hebt ge niet.“Het spijt mij zeer van uwe zuster. Wie zou gezond moeten zijn, als zij het niet is? Daarmee wil ik zeggen dat, indien iemand verdient gezond te wezen, het uwe zuster is; en in stede daarvan, staat zij zooveel pijnen uit. Het zou gelukkig zijn, indien de kuur te Moskou haar hielp! Waarom schrijft ge uw’ broeder niet om thuis te komen? Wat heeft hij er aan om in den Kaukasus te zitten? Wil hij soms een groot krijgsman worden? Mijn oom berichtte mij, dat gij reeds allen naar Moskou waart gegaan; en daarom stuur ik ook dezen brief naar Moskou, aan het adres van Botkin....“De Fransche oppervlakkigheid staat mij al evenzeer tegen als u; en nooit is Parijs mij zoo prozaïsch voorgekomen. Ik heb het op andere tijden gezien, en durf zeggen dat het mij toen beter beviel. Wat mij hier houdt, is eene oude, onverbreekbare band met eene Fransche familie, en mijn dochtertje waaraan ik zeer gehecht ben; zij is een lief en schrander meisje. Ware dit niet het geval, dan zou ik reeds lang naar Njekrassoff in Rome gegaan zijn. Ik heb twee brieven van hem uit Rome ontvangen. Hij verveelt zich daar eenigszins, en dat is begrijpelijk. In Rome is alles grootsch, maar het omringt hem slechts: hij leeft er niet in, en zich lang te vergenoegen met de enkele oogenblikken van begrijpen en bewonderen is onmogelijk. Overigens gevoelt hij er meer verlichting dan te Petersburg, en zijne gezondheid is beterende. Fet is daar op het oogenblik bij hem; hij heeft eenige gracieuze verzen geschreven en uitvoerige reisherinneringen, waarin veel kinderlijks, maar ook veel verstandige en degelijke taal staat. En welk eene treffend naïeve oprechtheid in het schetsen van zijne indrukken! Hij is, zooals ge hem terecht noemt, een best mensch!“Ge hebt het eerste deel vanJongelingsjarenvoltooid. Mooi zoo! Hoe jammer, dat ik het niet hooren kan. Zoo ge niet van den rechten weg afdwaalt (en ik geloof, dat er geen reden bestaat om dit te onderstellen) zult ge het zeer ver brengen. Ik wensch u gezondheid, energie—en vrijheid, vrijheid van geest.“Wat mijn’Faustbetreft, ik denk niet dat die u zeer bevallen zal. Mijn werk kon u bevallen—en mogelijk heeft het eenigen invloed op u gehad—slechts zoolang tot gij zelfstandig waart geworden. Nu zult ge er niets uit leeren, alleen verschil in manieren, en gebreken en verzuimen zien. Aan u de taak om den mensch, zijn hart, en de werkelijk groote schrijvers te leeren kennen. Ik ben een schrijver vanden overgangstijd, en deug slechts voor menschen die zich in een overgangs-toestand bevinden. Nu, vaarwel en houd je goed! Schrijf mij eens. Mijn adres is tegenwoordig Rue de Rivoli no. 206.“Ik dank uwe zuster voor de paar toegevoegde woorden. Groet haar en haar echtgenoot. Dank Warenka, dat zij mij niet vergeet.“Gaarne zou ik u iets van de auteurs hier vertellen, maar dan op een anderen keer. Ik druk u stevig de hand.“Ik zal dezen brief niet frankeeren, doe gij ook zoo.”11
Parijs, 16 November 1856.“Aan N. L. Tolstoi.“Amice Tolstoi!“Uw brief van 15 October heeft eene geheele maand noodig gehad om mij te bereiken, want ik ontving hem eerst gisteren. Ik heb goed nagedacht over hetgeen gij mij hebt geschreven—en het komt mij voor, dat ge ongelijk hadt. Ik kan namelijk niet geheel oprecht tegen u zijn, omdat ik niet geheel vrijmoedig kan wezen. Naar ik geloof, hebben wij onbeholpen en te onpas kennis gemaakt, en als wij elkander weerzien, zal de zaak veel lichter en vlotter gaan.... Ik gevoel, dat ik u als mensch mag lijden (als schrijver, daarover spreek ik niet); maar veel heeft mij in u teleurgesteld, en ten slotte vind ik het beter mij wat van u te verwijderen. Bij onze samenkomst zullen wij weer trachten hand aan hand te gaan: misschien lukt het beter; hoe vreemd het ook moge klinken, op een’ afstand verlangt mijn hart naar u, als naar een’ broeder, en voel ik zelfs genegenheid voor u. In één woord: ik mag u lijden, dat staat vast; misschien zal hieruit mettertijd nog alle goeds voortkomen.“Ik heb van uwe ziekte gehoord, en dit heeft mij bedroefd; nu moest gij alle herinneringen daaraan uit uw hoofd zetten. Gij zijt zwaarmoedig en denkt aan tering; maar geloof mij, die hebt ge niet.“Het spijt mij zeer van uwe zuster. Wie zou gezond moeten zijn, als zij het niet is? Daarmee wil ik zeggen dat, indien iemand verdient gezond te wezen, het uwe zuster is; en in stede daarvan, staat zij zooveel pijnen uit. Het zou gelukkig zijn, indien de kuur te Moskou haar hielp! Waarom schrijft ge uw’ broeder niet om thuis te komen? Wat heeft hij er aan om in den Kaukasus te zitten? Wil hij soms een groot krijgsman worden? Mijn oom berichtte mij, dat gij reeds allen naar Moskou waart gegaan; en daarom stuur ik ook dezen brief naar Moskou, aan het adres van Botkin....“De Fransche oppervlakkigheid staat mij al evenzeer tegen als u; en nooit is Parijs mij zoo prozaïsch voorgekomen. Ik heb het op andere tijden gezien, en durf zeggen dat het mij toen beter beviel. Wat mij hier houdt, is eene oude, onverbreekbare band met eene Fransche familie, en mijn dochtertje waaraan ik zeer gehecht ben; zij is een lief en schrander meisje. Ware dit niet het geval, dan zou ik reeds lang naar Njekrassoff in Rome gegaan zijn. Ik heb twee brieven van hem uit Rome ontvangen. Hij verveelt zich daar eenigszins, en dat is begrijpelijk. In Rome is alles grootsch, maar het omringt hem slechts: hij leeft er niet in, en zich lang te vergenoegen met de enkele oogenblikken van begrijpen en bewonderen is onmogelijk. Overigens gevoelt hij er meer verlichting dan te Petersburg, en zijne gezondheid is beterende. Fet is daar op het oogenblik bij hem; hij heeft eenige gracieuze verzen geschreven en uitvoerige reisherinneringen, waarin veel kinderlijks, maar ook veel verstandige en degelijke taal staat. En welk eene treffend naïeve oprechtheid in het schetsen van zijne indrukken! Hij is, zooals ge hem terecht noemt, een best mensch!“Ge hebt het eerste deel vanJongelingsjarenvoltooid. Mooi zoo! Hoe jammer, dat ik het niet hooren kan. Zoo ge niet van den rechten weg afdwaalt (en ik geloof, dat er geen reden bestaat om dit te onderstellen) zult ge het zeer ver brengen. Ik wensch u gezondheid, energie—en vrijheid, vrijheid van geest.“Wat mijn’Faustbetreft, ik denk niet dat die u zeer bevallen zal. Mijn werk kon u bevallen—en mogelijk heeft het eenigen invloed op u gehad—slechts zoolang tot gij zelfstandig waart geworden. Nu zult ge er niets uit leeren, alleen verschil in manieren, en gebreken en verzuimen zien. Aan u de taak om den mensch, zijn hart, en de werkelijk groote schrijvers te leeren kennen. Ik ben een schrijver vanden overgangstijd, en deug slechts voor menschen die zich in een overgangs-toestand bevinden. Nu, vaarwel en houd je goed! Schrijf mij eens. Mijn adres is tegenwoordig Rue de Rivoli no. 206.“Ik dank uwe zuster voor de paar toegevoegde woorden. Groet haar en haar echtgenoot. Dank Warenka, dat zij mij niet vergeet.“Gaarne zou ik u iets van de auteurs hier vertellen, maar dan op een anderen keer. Ik druk u stevig de hand.“Ik zal dezen brief niet frankeeren, doe gij ook zoo.”11
Parijs, 16 November 1856.
“Aan N. L. Tolstoi.
“Amice Tolstoi!
“Uw brief van 15 October heeft eene geheele maand noodig gehad om mij te bereiken, want ik ontving hem eerst gisteren. Ik heb goed nagedacht over hetgeen gij mij hebt geschreven—en het komt mij voor, dat ge ongelijk hadt. Ik kan namelijk niet geheel oprecht tegen u zijn, omdat ik niet geheel vrijmoedig kan wezen. Naar ik geloof, hebben wij onbeholpen en te onpas kennis gemaakt, en als wij elkander weerzien, zal de zaak veel lichter en vlotter gaan.... Ik gevoel, dat ik u als mensch mag lijden (als schrijver, daarover spreek ik niet); maar veel heeft mij in u teleurgesteld, en ten slotte vind ik het beter mij wat van u te verwijderen. Bij onze samenkomst zullen wij weer trachten hand aan hand te gaan: misschien lukt het beter; hoe vreemd het ook moge klinken, op een’ afstand verlangt mijn hart naar u, als naar een’ broeder, en voel ik zelfs genegenheid voor u. In één woord: ik mag u lijden, dat staat vast; misschien zal hieruit mettertijd nog alle goeds voortkomen.
“Ik heb van uwe ziekte gehoord, en dit heeft mij bedroefd; nu moest gij alle herinneringen daaraan uit uw hoofd zetten. Gij zijt zwaarmoedig en denkt aan tering; maar geloof mij, die hebt ge niet.
“Het spijt mij zeer van uwe zuster. Wie zou gezond moeten zijn, als zij het niet is? Daarmee wil ik zeggen dat, indien iemand verdient gezond te wezen, het uwe zuster is; en in stede daarvan, staat zij zooveel pijnen uit. Het zou gelukkig zijn, indien de kuur te Moskou haar hielp! Waarom schrijft ge uw’ broeder niet om thuis te komen? Wat heeft hij er aan om in den Kaukasus te zitten? Wil hij soms een groot krijgsman worden? Mijn oom berichtte mij, dat gij reeds allen naar Moskou waart gegaan; en daarom stuur ik ook dezen brief naar Moskou, aan het adres van Botkin....
“De Fransche oppervlakkigheid staat mij al evenzeer tegen als u; en nooit is Parijs mij zoo prozaïsch voorgekomen. Ik heb het op andere tijden gezien, en durf zeggen dat het mij toen beter beviel. Wat mij hier houdt, is eene oude, onverbreekbare band met eene Fransche familie, en mijn dochtertje waaraan ik zeer gehecht ben; zij is een lief en schrander meisje. Ware dit niet het geval, dan zou ik reeds lang naar Njekrassoff in Rome gegaan zijn. Ik heb twee brieven van hem uit Rome ontvangen. Hij verveelt zich daar eenigszins, en dat is begrijpelijk. In Rome is alles grootsch, maar het omringt hem slechts: hij leeft er niet in, en zich lang te vergenoegen met de enkele oogenblikken van begrijpen en bewonderen is onmogelijk. Overigens gevoelt hij er meer verlichting dan te Petersburg, en zijne gezondheid is beterende. Fet is daar op het oogenblik bij hem; hij heeft eenige gracieuze verzen geschreven en uitvoerige reisherinneringen, waarin veel kinderlijks, maar ook veel verstandige en degelijke taal staat. En welk eene treffend naïeve oprechtheid in het schetsen van zijne indrukken! Hij is, zooals ge hem terecht noemt, een best mensch!
“Ge hebt het eerste deel vanJongelingsjarenvoltooid. Mooi zoo! Hoe jammer, dat ik het niet hooren kan. Zoo ge niet van den rechten weg afdwaalt (en ik geloof, dat er geen reden bestaat om dit te onderstellen) zult ge het zeer ver brengen. Ik wensch u gezondheid, energie—en vrijheid, vrijheid van geest.
“Wat mijn’Faustbetreft, ik denk niet dat die u zeer bevallen zal. Mijn werk kon u bevallen—en mogelijk heeft het eenigen invloed op u gehad—slechts zoolang tot gij zelfstandig waart geworden. Nu zult ge er niets uit leeren, alleen verschil in manieren, en gebreken en verzuimen zien. Aan u de taak om den mensch, zijn hart, en de werkelijk groote schrijvers te leeren kennen. Ik ben een schrijver vanden overgangstijd, en deug slechts voor menschen die zich in een overgangs-toestand bevinden. Nu, vaarwel en houd je goed! Schrijf mij eens. Mijn adres is tegenwoordig Rue de Rivoli no. 206.
“Ik dank uwe zuster voor de paar toegevoegde woorden. Groet haar en haar echtgenoot. Dank Warenka, dat zij mij niet vergeet.
“Gaarne zou ik u iets van de auteurs hier vertellen, maar dan op een anderen keer. Ik druk u stevig de hand.
“Ik zal dezen brief niet frankeeren, doe gij ook zoo.”11
Den 8stenDecember 1856 schreef hij aan Tolstoi:
“Waarde Tolstoi!“Gisterenavond voerde mijn goede genius mij langs het postkantoor, en kwam het in ’t voorbijgaan bij mij op te vragen, of er soms een briefposte restantevoor mij was,—ofschoon, volgens mijne berekening, al mijne vrienden reeds lang mijn adres te Parijs moeten kennen. Zoo vond ik uw’ brief, waarin ge mij over mijn’Faustspreekt. Ge zult licht begrijpen, hoe aangenaam het mij was dit te lezen. Uwe sympathie heeft mij oprecht en innig verheugd. Maar bovendien lag er in uw brief iets zachts en openhartigs, een zweem van vriendschappelijke kalmte. Nu is het mijn plicht u de hand te reiken over den afgrond heen, die sedert lang tot eene nauw merkbare kloof is geworden; doch daar zelfs dát woord te veel zegt moeten wij er maar niet meer over spreken.“Ik vrees u over eene omstandigheid te spreken, die terloops door u is aangeroerd. Zulke delicate zaken kunnen door woorden verwelken, zoolang zij niet rijp zijn; maar zijn zij rijp, dan laten zij zich niet met een’ hamer verbrijzelen. God geve,dat alles gelukkig en naar behooren geschikt wordt; het kan u dan dat vaste geestelijke arbeidsveld verschaffen, waaraan ge behoefte hadt toen ik u leerde kennen. Ik zie nu, dat gij het zeer met Droezjinin eens zijt, en onder zijn’ invloed staat. Dat is goed; maar zorg dan, dat ge niet te veel van hem aanneemt. Toen ik op uwen leeftijd was, hadden alleen enthousiaste naturen invloed op mij; doch gij zijt een ander mensch dan ik, en mogelijk is er nu een andere tijd aangebroken.“Met ongeduld verbeid ik de toezending van deLeesbibliotheek, en ik wil gaarne de verhandeling van Belinski lezen, hoewel zij mij vermoedelijk weinig genot zal verschaffen. Dat deSawremjennikin slechte handen is, valt niet te betwijfelen. In den beginne schreef Panajeff mij meermalen, verzekerde mij dat hij niet ‘lichtvaardig’ zou handelen, en onderstreepte zelfs dit woord; maar nu is hij stil geworden en zwijgt als een kind dat voor de tafel zit en zijn broekje heeft bevuild. Ik heb Njekrassoff te Rome uitvoerig over alles geschreven en het kan zeer wel gebeuren dat dit hem noopt vroeger terug te keeren dan hij vermoed had. Schrijf mij eens, in welk nommer van denSawremjennikuw verhaalJongelingsjarenvoorkomt, en meld mij bij gelegenheid uw definitieven indruk betreffendeKing Lear, dat gij waarschijnlijk gelezen zult hebben, al was het maar ter wille van Droezjinin.”12
“Waarde Tolstoi!“Gisterenavond voerde mijn goede genius mij langs het postkantoor, en kwam het in ’t voorbijgaan bij mij op te vragen, of er soms een briefposte restantevoor mij was,—ofschoon, volgens mijne berekening, al mijne vrienden reeds lang mijn adres te Parijs moeten kennen. Zoo vond ik uw’ brief, waarin ge mij over mijn’Faustspreekt. Ge zult licht begrijpen, hoe aangenaam het mij was dit te lezen. Uwe sympathie heeft mij oprecht en innig verheugd. Maar bovendien lag er in uw brief iets zachts en openhartigs, een zweem van vriendschappelijke kalmte. Nu is het mijn plicht u de hand te reiken over den afgrond heen, die sedert lang tot eene nauw merkbare kloof is geworden; doch daar zelfs dát woord te veel zegt moeten wij er maar niet meer over spreken.“Ik vrees u over eene omstandigheid te spreken, die terloops door u is aangeroerd. Zulke delicate zaken kunnen door woorden verwelken, zoolang zij niet rijp zijn; maar zijn zij rijp, dan laten zij zich niet met een’ hamer verbrijzelen. God geve,dat alles gelukkig en naar behooren geschikt wordt; het kan u dan dat vaste geestelijke arbeidsveld verschaffen, waaraan ge behoefte hadt toen ik u leerde kennen. Ik zie nu, dat gij het zeer met Droezjinin eens zijt, en onder zijn’ invloed staat. Dat is goed; maar zorg dan, dat ge niet te veel van hem aanneemt. Toen ik op uwen leeftijd was, hadden alleen enthousiaste naturen invloed op mij; doch gij zijt een ander mensch dan ik, en mogelijk is er nu een andere tijd aangebroken.“Met ongeduld verbeid ik de toezending van deLeesbibliotheek, en ik wil gaarne de verhandeling van Belinski lezen, hoewel zij mij vermoedelijk weinig genot zal verschaffen. Dat deSawremjennikin slechte handen is, valt niet te betwijfelen. In den beginne schreef Panajeff mij meermalen, verzekerde mij dat hij niet ‘lichtvaardig’ zou handelen, en onderstreepte zelfs dit woord; maar nu is hij stil geworden en zwijgt als een kind dat voor de tafel zit en zijn broekje heeft bevuild. Ik heb Njekrassoff te Rome uitvoerig over alles geschreven en het kan zeer wel gebeuren dat dit hem noopt vroeger terug te keeren dan hij vermoed had. Schrijf mij eens, in welk nommer van denSawremjennikuw verhaalJongelingsjarenvoorkomt, en meld mij bij gelegenheid uw definitieven indruk betreffendeKing Lear, dat gij waarschijnlijk gelezen zult hebben, al was het maar ter wille van Droezjinin.”12
“Waarde Tolstoi!
“Gisterenavond voerde mijn goede genius mij langs het postkantoor, en kwam het in ’t voorbijgaan bij mij op te vragen, of er soms een briefposte restantevoor mij was,—ofschoon, volgens mijne berekening, al mijne vrienden reeds lang mijn adres te Parijs moeten kennen. Zoo vond ik uw’ brief, waarin ge mij over mijn’Faustspreekt. Ge zult licht begrijpen, hoe aangenaam het mij was dit te lezen. Uwe sympathie heeft mij oprecht en innig verheugd. Maar bovendien lag er in uw brief iets zachts en openhartigs, een zweem van vriendschappelijke kalmte. Nu is het mijn plicht u de hand te reiken over den afgrond heen, die sedert lang tot eene nauw merkbare kloof is geworden; doch daar zelfs dát woord te veel zegt moeten wij er maar niet meer over spreken.
“Ik vrees u over eene omstandigheid te spreken, die terloops door u is aangeroerd. Zulke delicate zaken kunnen door woorden verwelken, zoolang zij niet rijp zijn; maar zijn zij rijp, dan laten zij zich niet met een’ hamer verbrijzelen. God geve,dat alles gelukkig en naar behooren geschikt wordt; het kan u dan dat vaste geestelijke arbeidsveld verschaffen, waaraan ge behoefte hadt toen ik u leerde kennen. Ik zie nu, dat gij het zeer met Droezjinin eens zijt, en onder zijn’ invloed staat. Dat is goed; maar zorg dan, dat ge niet te veel van hem aanneemt. Toen ik op uwen leeftijd was, hadden alleen enthousiaste naturen invloed op mij; doch gij zijt een ander mensch dan ik, en mogelijk is er nu een andere tijd aangebroken.
“Met ongeduld verbeid ik de toezending van deLeesbibliotheek, en ik wil gaarne de verhandeling van Belinski lezen, hoewel zij mij vermoedelijk weinig genot zal verschaffen. Dat deSawremjennikin slechte handen is, valt niet te betwijfelen. In den beginne schreef Panajeff mij meermalen, verzekerde mij dat hij niet ‘lichtvaardig’ zou handelen, en onderstreepte zelfs dit woord; maar nu is hij stil geworden en zwijgt als een kind dat voor de tafel zit en zijn broekje heeft bevuild. Ik heb Njekrassoff te Rome uitvoerig over alles geschreven en het kan zeer wel gebeuren dat dit hem noopt vroeger terug te keeren dan hij vermoed had. Schrijf mij eens, in welk nommer van denSawremjennikuw verhaalJongelingsjarenvoorkomt, en meld mij bij gelegenheid uw definitieven indruk betreffendeKing Lear, dat gij waarschijnlijk gelezen zult hebben, al was het maar ter wille van Droezjinin.”12
Wij hebben geen zekere aanwijzingen, welke meening Tolstoi had over Droezjinin’s vertaling vanKing Lear, maar in een’ brief, dien wij hieronder citeeren, van Botkin aan Droezjinin, kan men zien, dat de vertaling Tolstoi beviel:
“Welk succes uwKoning Learook moge hebben,” schrijft Botkin, “voor mij is de vertaling ongetwijfeld geslaagd. Maar hoezeer is mijne blijdschap toegenomen, nu deze innerlijkeovertuiging door de werkelijkheid bevestigd wordt. Denk aan Tolstoi’s bekenden afkeer van Shakespeare, waartegen Toerghenjeff zoo te velde is getrokken! Wel moet ik eerlijk erkennen, overtuigd te zijn geweest, dat die antipathie bij de eerste de beste gelegenheid zou verdwijnen; maar het doet mij genoegen, dat uwe uitstekende vertaling zelf die gelegenheid verschaft.”
Het komt ons intusschen voor, dat Botkin’s blijdschap te overijld was, daar Tolstoi nog lang zijn’ afkeer van Shakespeare behouden heeft. Maar over dit feit zullen wij in een der volgende hoofdstukken spreken.
In December schreef Toerghenjeff uit Parijs aan Droezjinin onder andere:
“Men zegt, dat gij en Tolstoi zeer harmoniëert, en dat hij zeer vriendelijk en openhartig is geworden. Als die jonge wijn eens uitgist, zal er een vocht uit ontstaan, den goden waardig. Hoe staat het toch met zijnJongelingsjaren, dat u ter beoordeeling is gezonden?”13
Het handschrift was werkelijk aan Droezjinin gezonden. Hij las het geheel door en antwoordde met den volgenden interessanten brief:
“OverJongelingsjarendient men een twintigtal bladzijden te schrijven. Ik heb het met ergernis, met uitroepen en verwenschingen gelezen—niet wegens de letterkundige waarde er van, maar om het handschrift. Die vermenging van twee handen, eene bekende en eene onbekende, leidden mijne aandacht af en beletten de geregelde lectuur. Het was of twee stemmen in mijn oor schreeuwden en mij opzettelijk afleidden, waardoor, naar ik weet, de indruk niet geheel tot zijn recht kwam. Toch zal ik u zoo goed mogelijk mijn oordeel zeggen. Uwe taak is ontzettend geweest, en ge hebtdie zeer goed volbracht. Niet een van de hedendaagsche schrijvers had dat bruisende en onzinnige tijdperk der jeugd zoo breed kunnen opvatten en schetsen, als gij. Aan ontwikkelde personen verschaftJongelingsjareneen groot genot; en zoo iemand u zegt, dat dit werk slechter is danKinderjarenenJongensjaren, kunt ge hem in ’t gezicht spuwen. Er ligt een schat van poëzie in uw werk; al de eerste hoofdstukken zijn voortreffelijk; alleen is de inleiding droog, tot aan de beschrijving van de lente en het wegnemen van de ramen. Verder zijn uitstekend: de aankomst buiten, voorafgegaan door de beschrijving der familie Nechljoedoff, de verklaring van den vader vóór het sluiten van het huwelijk, en de hoofdstukken:Nieuwe KameradenenIk ben gezakt. Uit vele bladzijden komt de poëzie van het oude Moskou u tegemoet, waarop nog door niemand behoorlijk acht is geslagen. De koetsier van baron Z. is bewonderenswaardig (ik spreek altijd van het standpunt van lieden, die het onderwerp begrijpen). Eenige hoofdstukken zijn droog en lang, bij voorbeeld alle onderhandelingen met Dmitri Nechljoedoff, de beschrijving van zijne verhouding tot Warenka, en dat waarin over het begrip huiselijkheid gesproken wordt. Ook is te lang het feestje bij Jar en het voorafgaande bezoek van den graaf met Iljenka. De rekrutentijd van Semjonoff is niet geschikt voor de censuur.
“Voor de bespiegelende gedeelten behoeft gij niet bang te zijn: zij zijn alle verstandig en origineel. Gij bezit neiging tot eene buitengewone fijnheid van onderzoek, die tot een groot gebrek kan aangroeien. Soms drijft uwe zucht naar onderzoek tot het bezigen van uitdrukkingen of vergelijkingen, die in het dagelijksch leven vreemd en onverstaanbaar klinken. Die neiging moet gij bedwingen, doch haar om niets ter wereld geheel verstikken. Al uw werk in dit genre moet boven uwe analyse staan. Elk uwer gebreken heeft zijn deelvan kracht en schoonheid; bijna elke uwer aantrekkelijke eigenschappen sluit de kiemen van gebreken in zich.
“Geheel hetzelfde kan men van uw’ stijl zeggen. Gij zijt zeer ongeletterd; nu eens is uwe ongeschooldheid die van een nieuwen leider en van een forschen dichter, die de taal steeds naar zijne versmaat omwerkt, dan weer die van een’ officier, die ergens achter eene blindeering aan een’ makker schrijft. Met zekerheid kan men zeggen, dat alle bladzijden die gij met liefde geschreven hebt, uitstekend zijn; maar nauwelijks koelt ge af, of uw stijl wordt verward, en helsche zinswendingen komen te voorschijn. Daarom ware het noodig, dat stukken die zonder vuur geschreven zijn, werden nagezien en verbeterd. Hier en daar heb ik getracht ze te verbeteren of wilde ze eenvoudig schrappen, maar dit werk kunt en moet gij zelf doen. De hoofdzaak is echter, dat ge lange zinnen vermijdt. Splits ze in tweeën en in drieën, en wees niet zuinig met de punten.... Handel met zinsdeelen zonder plichtplegingen, en schrap de woordendat, dieenditbij tientallen. Stuit ge op moeielijkheden, neem dan den zin en stel u voor, dat ge dien in vloeiende conversatie-taal aan iemand wilt vertellen.
“Het is tijd om te eindigen; en toch zou ik u nog zeer veel moeten zeggen. Aan een groot aantal onontwikkelde lezers zalJongelingsjarenveel minder bevallen danKinderjarenenJongensjaren. Voor deze beide geschriften pleiten hun geringe omvang en eenige episoden in den trant van het verhaalKarl Iwanowitsch. De oppervlakkigste mensch bewaart nog eenige herinneringen uit zijne kinderjaren, en verheugt zich als men hem de poëzie er van verklaart; maar de periode der jeugd (die woelige, onzinnige jongelingstijd, zoo rijk aan teleurstellingen en vernederingen, die gij ons onthult) verbergt zich gewoonlijk in de ziel, verduistert en wordt vergeten.
“Uw werk kan door een zeer langen arbeid, met twee of drie onderhoudende episoden, enz. voor een groot aantal lezers begrijpelijk worden gemaakt; maar bijna niemand is in staat het volkomen naar den smaak van het groote publiek te maken.
“Opzet en wezen zullen uw werkJongelingsjarentot een gastronomisch brokje maken alleen voor zulke personen, die denken en gevoel hebben voor poëzie.
“Meld mij of ik het manuscript aan u moet zenden of aan Panajeff ter hand stellen. Gij hebt er geen grooten stap mee gedaan in de eene of andere richting, maar getoond wat er in u zit en wat er nog van u te verwachten is.”
Reeds het feit, dat Droezjinin zóó aan Tolstoi kon schrijven, bewijst dat er werkelijk intieme betrekkingen tusschen hen bestaan hebben, en dat Droezjinin grooten invloed op Tolstoi heeft gehad.
Tolstoi’s verblijf te Petersburg van November tot Mei werd, wegens familie-omstandigheden, door eene kortstondige reis naar Orel afgebroken.
Den 2denFebruari kreeg hij bericht, dat zijn broederDmitriwas overleden. Deze persoon wordt door Tolstoi duidelijk omschreven in zijne herinneringen, die door ons in het hoofdstukJongelingsjarenzijn medegedeeld. Hier halen wij slechts het tweede gedeelte dezer herinneringen aan, welke betrekking hebben op zijn volgend leven, zijne ziekte en dood.
“Toen wij tot eene deeling kwamen, gaf men mij, volgens gebruik, het landgoed Jasnaja Paljana, waarop wij woonden. Sergius kreeg Pirogoff, omdat hij een liefhebber van paarden was en Pirogoff eene stoeterij bezat; hij had dit ook gewenscht. Dmitri en Nikolaas gaf men de twee overige bezittingen: laatstgenoemden Nikolskoje, den eersten het landgoedSchtscherbatschefka, in Koersk gelegen en ons door Perowska vermaakt.
“Ik bezit thans een memorandum van Dmitri, waaruit blijkt hoe hij over de lijfeigenschap dacht. Het begrip, dat zoo iets niet geoorloofd was en men hen moest vrijlaten, bestond, bij ons omstreeks ’40 in het geheel niet. Het bezit van lijfeigenen door erfenis was eene onvermijdelijke conditie, en al wat men doen kon om de slechte gevolgen er van te voorkomen was, dat men niet alleen zorgde voor den stoffelijken, maar ook voor den zedelijken toestand der boeren. En in dien zin was ook het memorandum van Dmitri zeer ernstig, naïef en oprecht geschreven.
“Nog geen twintig jaren oud (na afloop van zijn studie) nam hij, in de meening dat dit zoo behoorde, de verplichting op zich om het zedelijke leven van honderden boerengezinnen te leiden; en dit deed hij door bedreiging met en de werkelijke toepassing van straffen, omdat dit bij Gogol, in een brief aan een grondbezitter, geschreven stond. Naar ik mij herinner, had Dmitri deze brieven gelezen, doordien een gevangenis-priester hem er op gewezen had. Zoo begon mijn broeder dan zijne plichten als grondbezitter te vervullen; doch behalve die van den landeigenaar tegenover zijne lijfeigenen, bestond in die dagen nog een andere plicht, waarvan de niet-nakoming ondenkbaar scheen: dat was de krijgs- of civiele staatsdienst.
“Toen Dmitri zijne studie geëindigd had, besloot hij in civielen dienst te gaan. Om nu te weten, welken dienst hij zou kiezen, kocht hij een adresboek, keek alle takken van den civielen dienst na, kwam tot de slotsom dat de rechtspleging van het meeste gewicht was—en koos de laatste. Hij vertrok naar Petersburg en ging bij den staats-secretaris der 2deAfdeeling op audiëntie.
“Ik stel mij de verbazing van Tanjejeff voor, toen hij onderde sollicitanten verschijnen zag een langen, eenigszins gebochelden en slordig gekleeden man (Dmitri kleedde zich altijd zoo, om zijne figuur te verbergen), met rustige, heldere oogen, die, op zijne vraag wat hij wilde, ten antwoord gaf, dat hij een Russisch edelman was, die de studie achter den rug had, en, het vaderland nuttig willende zijn, de wetgeving tot zijn arbeidsveld gekozen had.
“‘Uw naam?’
“‘Graaf Tolstoi.’
“‘Heeft u nooit gediend?’
“‘Ik heb pas mijne studie achter den rug, en wensch alleen nuttig te zijn.’
“‘Welke betrekking wil u hebben?’
“‘Dat is mij onverschillig, mits het er eene is waar ik nuttig kan zijn.’
“Zijn ernst en oprechtheid troffen Tanjejeff zoozeer, dat hijDmitrinaar de 2deAfdeeling bracht en ter beschikking van den ambtenaar stelde.
“Mogelijk heeft de verhouding der ambtenaren tot hem, en vooral hunne wijze van werken Dmitri niet aangestaan; zooveel is zeker: hij is niet in de 2deAfdeeling gebleven. Te Petersburg had mijn broeder geen enkelen bekende, behalve den rechtsgeleerde D. A. Obolenski, die gedurende ons verblijf te Kazan daar advocaat was. Dezen Obolenski ging Dmitri op zijne buitenplaats bezoeken. De rechtsgeleerde heeft mij dat half lachend verhaald.
“Obolenski was een man met aristocratische manieren, voorkomend doch eerzuchtig. Hij vertelde mij, dat op zekeren dag, toen hij gasten had (waarschijnlijk uit den hoogen kring waarin Obolenski zich steeds bewoog), Dmitri met eene muts op en een Nankin’schen paletot aan door den tuin naar hem toe kwam. ‘Eerst kende ik hem niet; maar toen ik wist wie hij was, poogde ik hem op zijn gemak te zetten, steldehem aan de gasten voor en verzocht hem zijn jas uit te trekken. Het bleek echter, dat hij geen andere jas daaronder droeg. Dat vond hij overbodig. Hij ging zitten en wendde zich, zonder zich aan de tegenwoordigheid der gasten te storen, tot Obolenski met dezelfde vraag, als tot Tanjejeff: “Waar kan ik het best dienen, om nuttig te zijn?”’
“Obolenski, met zijne eigen inzichten van den dienst, die voor hem slechts het middel was om zijne eerzucht te bevredigen, had waarschijnlijk nooit zulk eene vraag te beantwoorden gehad. Doch met den hem eigen tact, gevoegd bij eene oprechte goedhartigheid, noemde hij verschillende postjes op en bood zijne diensten aan. Blijkbaar is Dmitri noch over Obolenski, noch over Tanjejeff voldaan geweest; althans hij verliet Petersburg, zonder hier gediend te hebben. Hij keerde naar zijn landgoed terug, schijnt in Soedzj een adellijk ambt aanvaard, en zich met oeconomische, vooral boeren-aangelegenheden te hebben beziggehouden.
“Nadat mijn broeder en ik de universiteit verlaten hadden, heb ik hem uit ’t oog verloren. Maar ik weet, dat hij hetzelfde strenge, ingetogen leven geleid heeft tot zijn 26stejaar: niet hield van rooken, van wijn en vooral niet van vrouwen, hetgeen in die dagen eene groote zeldzaamheid was. Ook weet ik, dat hij samenkomsten had met monnikken en pelgrims, en veel omgang hield met een zeer origineelen man, die bij mijn’ voogd Woijekoff woonde en wiens afkomst niemand kende. Men noemde hem ‘Vader Lukas.’ Hij liep in een korten priesterrok, was zeer mismaakt (klein van gestalte, scheef en monsterachtig leelijk), maar zeer zindelijk en buitengewoon sterk. Als hij iemand de hand drukte, was het of hij die met eene nijptang greep; en altijd sprak hij op een gewichtigen en raadselachtigen toon. Hij woonde bij de molen van Woijekoff, waar hij een huisje gebouwd en een bijzonder fraaien bloemtuin aangelegd had. Met dezenVader Lukas ging mijn broeder om. Naar ik gehoord heb, had hij nog kennis aan een grijsaard van den zeer ouden stempel: een spaarzamen grondbezitter en een buurman van Samoiloff.
“Ik geloof, dat ik reeds in den Kaukasus was, toen er in Dmitri een buitengewone omkeer plaats had. Plotseling begon hij te drinken, te rooken, geld te verspillen en de vrouwen na te loopen. Hoe dat zoo gebeurd is, weet ik niet, want destijds heb ik hem niet gezien. Alleen weet ik, dat zijn verleider was een naar het uiterlijk zeer aantrekkelijk, maar zedelijk diep gezonken man, de jongste zoon van Isljeneff. Over hem zal ik later schrijven, zoo ik gelegenheid heb. Ook onder deze omstandigheden was mijn broeder dezelfde ernstige, godsdienstige man, die hij in alles geweest is. Maria, de geprostitueerde vrouw, die hij het eerst leerde kennen, kocht hij vrij en nam haar bij zich in huis. Overigens heeft dit leven echter niet lang geduurd. Ik geloof, dat niet zoozeer het slechte, ongezonde bestaan, dat hij eenige maanden lang te Moskou gevoerd heeft, als wel de innerlijke strijd, de verwijten van zijn geweten dit krachtige organisme zoo spoedig hebben verwoest.
“Hij kreeg de tering, ging naar buiten, liet zich in verschillende steden behandelen, en kwam ziek te liggen in Orel, waar ik hem het laatst gezien heb, na het beleg van Sewastopol. Zijn aanblik was vreeselijk: de reusachtige handen waren krampachtig om de beide ellebogen geslagen, het aangezicht was geheel verteerd; alleen de oogen waren nog even schoon en ernstig, maar blikten nu uitvorschend. Hij hoestte en spuwde zonder ophouden, en wilde niet sterven—wilde niet gelooven, dat hij zou sterven. De pokdalige, door hem losgekochte Maria stond met een doek om het hoofd bij hem en paste hem op. Op zijn verlangen werd er een wonderdoend heiligenbeeld bij hem gebracht. Ik herinner mij de uitdrukking van zijn gelaat, toen hij tot dit beeld bad.
“In dien tijd was mijn gedrag afschuwelijk, monsterachtig. Uit Petersburg, waar ik een wereldsch leven leidde, ijdel en roemzuchtig, kwam ik bij mijn zieken broeder in Orel. Ik had medelijden met hem, maar niet diep. In Orel maakte ik rechtsomkeert, ging heen... en eenige dagen later stierf hij.
“Inderdaad schandelijk! Wat ik bij zijn’ dood het meest betreurd heb, was, dat deze mij verhinderde de tooneeluitvoeringen aan het Hof bij te wonen, die toen georganiseerd werden en waar ik bij genoodigd was....”14
Den eersten Maart werd de vrede gesloten, en deze gebeurtenis maakte het voor Tolstoi gemakkelijker om verlof te krijgen.
Van zijne letterkundige geschriften voltooide hij dien winterDe Sneeuwstorm,De twee Huzaren,Eene ontmoeting in het DetachementenEen morgen van een’ landheer. Tolstoi moest zijne werken over drie tijdschriften verdeelen; zoo zijn de eerste twee verhalen nog in denSawremjennikgedrukt, het derde inDe Leesbibliotheek, en het vierde in deNationale Gedenkschriften.
In dien tijd schreef Tolstoi onder andere aan zijne tante Tatjana:
“Ik heb mijn verhaalDe twee Huzarenvoltooid, maar ben nog niet aan een nieuw begonnen. Nu Toerghenjeff vertrokken is, gevoel ik dat ik hem zeer mocht lijden, niettegenstaande dat wij altijd aan het twisten waren. Zoodoende verveel ik mij verschrikkelijk....”
Uit dezen brief blijkt, dat Tolstoi’s gezindheid jegens Toerghenjeff aan gestadige veranderingen onderhevig was.
Het Petersburgsche leven schijnt Tolstoi niet voldaan te hebben. Spoedig na zijne aankomst begon hij stappen tedoen voor zijn ontslag uit den dienst en aanstalten te maken tot eene buitenlandsche reis.
In een’ brief aan zijn’ broeder Sergius van 25 Maart 1856 schrijft hij, onder andere:
“Ik ga voor 8 maanden het land uit; als men mij ontslag geeft, ga ik heen. Ik heb er Nikolaas over geschreven en hem verzocht om mee te gaan. Indien wij met ons drieën konden gaan, zou dat uitstekend wezen. Als elk 1000roeb.meeneemt, zouden wij een mooi reisje kunnen doen.—Schrijf mij eens, hoe is je mijnSneeuwstormbevallen? In allen ernst, ik ben er niet over tevreden. Nu zou ik nog wel meer willen schrijven, maar stellig nooit meer in dit verwenschte Petersburg. Hetzij men mij al dan niet verlof geeft om naar het buitenland te gaan, heb ik toch plan om in April ontslag te vragen en buiten te gaan wonen.”
Den 12denMei, toen hij zich nog te Petersburg bevond, schreef hij in zijn dagboek:
“Een krachtig middel om tot het ware geluk te geraken in ’t leven, bestaat hierin, dat men, gelijk eene spin, naar alle kanten een net om zich heen spant,—doch een net van liefde, waarin men vasthoudt allen, die er in geraken: èn ouderen van dagen èn jongeren, èn vriend èn vijand.”
Wij hebben reden te gelooven, dat de omstandigheden bij denSawremjennik, zoo op stoffelijk als letterkundig gebied, de hoofdmedewerkers van het tijdschrift weinig hebben bevredigd. De oorzaak daarvan moet voornamelijk worden gezocht in het individueele verschil van overtuiging, inzichten, gewoonten en opvoeding, die steeds belemmerend zijn voor eene algemeene zaak, door intelligente personen op touw gezet. In elken intellectueelen kring ontstaat zeer spoedig eene verdeeling in groepen; die verhouding, eerst geduld, verandert weldra in onverschilligheid; daarna ontstaat mededinging,die ten slotte overslaat tot openbare vijandschap. Zoo ging het ook met denSawremjennik.
Reeds in het jaar 1856 rees bij enkele medewerkers het denkbeeld van eene scheiding en het oprichten van een nieuw tijdschrift. Dit blijkt uit een brief van Droezjinin aan Tolstoi, waarin hij onder andere schrijft:
“Gretig maak ik van deze toenemende energie gebruik en haast mij u over eene zaak te spreken, waarover wij het bij onze laatste samenkomst gehad hebben en die op het oogenblik vele onzer collega’s te Petersburg bezighoudt. De behoefte aan een zuiver letterkundig tijdschrift met kritiek, dat aan alle polemiek en schandalen van den tegenwoordigen tijd krachtig het hoofd biedt, wordt in sterke mate gevoeld. Reeds hebben Gontscharoff, Jermin, Annenkoff, Maikoff, Michailoff, Awdjejeff en vele anderen dit denkbeeld met grooten bijval begroet. Indien gij, Ostrowski, Toerghenjeff en mogelijk ook onze beschroomde Grigorowitsch (ofschoon deze ook wel gemist kan worden) zich bij deze club aansluiten, kan met zekerheid gezegd worden, dat het heele gebied der fraaie letteren eindelijk in één tijdschrift vereenigd is. Van welken aard dit orgaan zal zijn: een nieuw tijdschrift of eene leesbibliotheek, die door het genootschap in pacht zal worden genomen, verzoek ik u eens te overwegen en dan uw voorstel mee te deelen. Hier is de meerderheid geneigd tot eene pacht, en de uitgever bereid tot een matigen prijs. Van mijn’ kant spreek ik vóór noch tegen deze zaak, maar stel mij geheel ten dienste van een zuiver letterkundig blad, op welke grondslagen het ook mocht worden opgericht.
“Voor het geleerde of wetenschappelijke gedeelte kunnen als ijverige medewerkers of eenvoudig als leden genoemd worden de professoren: Gorloff, Oestrjaloff, Blagoweschtschenski, Berezin, Zernin en de tegenwoordige medewerkers (ik noem slechts de begaafdsten): Lawroff, Lchowski, Kenjewitsch,Wodowozoff en Doemnin. Toerghenjeff zal, ofschoon men als medewerker niet vast op hem rekenen kan, een voortreffelijk man zijn om zijn’ ijver, zijne veelzijdige kennis en in ’t algemeen om zijne plaats in de letterkunde. Doch voor ’t oogenblik geen bijzonderheden; de hoofdzaak is, dat er algemeene instemming zij en de fundamenteele punten worden vastgesteld.
Tolstoi, toen hij naar den Kaukasus vertrok.—Blz. 155.Tolstoi, toen hij naar den Kaukasus vertrok.—Blz.155.
Tolstoi, toen hij naar den Kaukasus vertrok.—Blz.155.
“Naar de belangstelling te oordeelen, die gij voor elke zaak aan den dag legt, reken ik er op van u te vernemen, hoe gij over dit plan denkt. Onder andere, doe ik u het volgende verzoek: daar ik toch bij mijne tegenwoordige bezigheden blijf, en de oprichting van een nieuw tijdschrift nog lang kan duren, vraag ik u inmiddels verlof om u onder het getal medewerkers vanDe Leesbibliotheekte mogen opnemen. Beschik niet over uwe bijdragen, zonder dat gij tegen den herfst er ook eene voor mij hebt overgelaten—naar uwe eigen keuze en op de voorwaarden die gij goedvindt. Ik zal er u echter niet om lastig vallen, daar ik weet dat gij, ook zonder mijn verzoek, alles voor mij doen zult wat van uw’ wil afhankelijk is.
“Schrijf mij eenige woorden over al deze dingen en in ’t algemeen over uw tegenwoordig leven, uwe plannen en over de gezondheid van Maria Nikolajewna, aan wie gij mijne beleefde en hartelijke groete moet overbrengen. Meld mij ook uw adres. Over het nieuwe tijdschrift moeten wij noodzakelijk correspondeeren; anders vrees ik dat de krachten, waarvan wij nu juist voor een nieuwe uitgaaf genoeg hebben, opnieuw versnipperd zullen worden. Het is onverschillig op welken grondslag de onderneming wordt ontworpen, zoo wij er maar allen in betrokken zijn. Tracht dus, nu gij Toerghenjeff dezen zomer dikwijls zien zult, invloed op hem te krijgen en dezen vriendelijken, maar wankelmoedigen man voor dit algemeene doel te winnen. Te oordeelen naar al wat hij mijhonderdmaal gezegd heeft, moet de gedachte aan zulk een blad hem wel eens bezighouden; maar op zijne woorden valt zoo weinig staat te maken! Laat hij eens bedenken, tot welk ellendig peil onze tijdschriften door versnippering van krachten gedaald zijn; alleen deRussische Bodeheeft zich goed gehouden, maar hij viel bij de afscheiding van hetAthenaeum, dat op zijne beurt verflauwd is.
“Over Petersburg valt niets te zeggen.”
Den 17denMei vertrok Tolstoi naar Moskou.
Op 26 Mei bracht hij een dag door in het gezin van Dr. Behrs, die gehuwd was met mej. Isljenewa, eene vriendin uit Tolstoi’s kinderjaren, en toen een landgoed te Pokrowski niet ver van Moskou bewoonde. In Tolstoi’s dagboek staat deze korte frase over dit bezoek: “De kinderen wachtten ons op; welke lieve, vroolijke meisjes!”—Een van deze meisjes werd zes jaren later zijne vrouw.
Daarna vervolgde hij zijne reis en kwam den 28stenMei in Jasnaja Paljana.
Den volgenden dag schreef hij zijn’ broeder Sergius een’ brief, waarin hij, onder andere, het volgende zegt:
“In Moskou heb ik 10 dagen bijzonder aangenaam doorgebracht zonder champagne of zigeuners, maar eenigszins verliefd—waarover ik je later zal schrijven.”
Na zijne aankomst in Jasnaja bracht hij bezoeken bij zijne zuster Maria Nikolajewna, Toerghenjeff en anderen.
In de twee volgende brieven aan zijn’ broeder bespeuren wij, dat Tolstoi op het einde van den zomer door een ernstige ziekte werd aangetast. In het begin van September 1856 schrijft hij:
“Eerst heden, Maandagavond te 9 uren, kan ik je een goed antwoord geven. Mijn toestand was gaandeweg verergerd; twee doctoren zijn er bij geweest, men heeft nog veertigbloedzuigers gezet; daarop ben ik dadelijk in slaap gevallen, en toen ik ontwaakte gevoelde ik mij veel beter. Eerder dan over een dag of vijf, zes, zal ik echter niet kunnen reizen. Tot weerziens dus. Meld mij s.v.p. wanneer je gaat, en of er groote verzuimen in je huishoudelijk bestuur aanwezig zijn. Verlaat de plaats niet voordat ik er ben. Morgen zal ik je misschien de honden sturen.”
In een’ brief van 15 September meldt hij:
“Beste broeder Sergius!
“Mijne gezondheid is nog niet verbeterd. Ziek ben ik niet, er is ook geen ontsteking, maar ik heb een drukkend gevoel op de borst, steken in de zijde, en tegen den avond heb ik pijn. Misschien zal het langzamerhand van zelf verdwijnen: toch zal ik niet spoedig naar Koersk gaan. Zoo het over een week of twee niet beter is, zal ik er in ’t geheel niet heen gaan, maar in Moskou komen.”
Spoedig keerde hij weer naar Petersburg terug, en schreef vandaar op 10 November 1856:
“Neem mij niet kwalijk, beste broeder Sergius, dat ik zoo weinig schrijf Ik heb geen tijd gehad. Sedert mijn vertrek heb ik niets dan tegenspoed ondervonden, en hier heb ik niemand dien ik mag lijden. Men zegt, dat ik in deNationale Gedenkschriftenom mijne verhalen over den oorlog ben doorgehaald. Ik heb dat nog niet gelezen, maar—en dit is hoofdzaak—Konstantinoff heeft mij dadelijk na mijne aankomst verteld, dat grootvorst Michaël, toen hij vernam dat ik een gedicht zou maken, er zeer over ontstemd was dat ik pogingen deed om de soldaten te onderrichten. Dat is afschuwelijk! Ik heb den commandant van den staf de zaak uitgelegd. Het is nog maar een geluk, dat mijne gezondheidgoed is, en dat Schipoelinski gezegd heeft, dat mijne borst beterende is.”
Op 26 November 1856 verliet Tolstoi den krijgsdienst. Het is hier de plaats om eene goede daad te vermelden, die hij op het einde van zijn’ diensttijd verricht heeft.
De staf-commandant Korenitzki, onder wien Tolstoi gediend had, had na afloop van den oorlog voor een krijgsraad behooren terecht te staan, maar dank zij den invloed en de bemoeiingen van graaf Tolstoi bleef hij daarvan verschoond.
Van het oogenblik dat Tolstoi den dienst vaarwel zegt, breekt een nieuw levenstijdperk voor hem aan: het letterkundig-maatschappelijke, waarbij het streven naar persoonlijk geluk zich baan breekt.
Ondanks de scherpe beoordeelingen en de miskenning van den kant der autoriteiten, was Tolstoi toch een gewenschte gast en een voortreffelijk lid van het letterkundig gezelschap, denSawremjennik.
Deze omgeving was echter op verre na niet geschikt om Tolstoi te bevredigen. En dat kon ook niet anders. Men moet de herinneringen der letterkundigen van dien tijd lezen, bijv. Herzen, Panajeff, Fet en anderen van de meest verschillende richtingen, om tot zeer treurige gevolgtrekkingen te komen wat de zedelijke zwakheid dezer lieden betreft, die zich inbeeldden leiders van het menschdom te zijn. Denk aan de maaltijden van Njekrassoff, de drinkgelagen van Herzen, Ketscher en Ogarjeff, den verfijnden smaak van een’ Toerghenjeff! Al die vriendschappelijke samenkomsten waren toen ondenkbaar zonder champagne, hartstocht, kaartspel en dergelijke. En ergerlijk waren de luiheid en de nietswaardige belangen dezer lieden, die al het kwade dier slemppartijen niet zagen, vermengd als zij waren met het prediken over volksliefde en allerlei denkbeelden van vooruitgang. Te midden van deze onbeschaamdheid, die mogelijk in een anderen vorm nog totheden voortbestaat, heeft nog slechts één enkele overtuigende en geeselende stem geklonken van een’ man, wiens ziel dit zelfbedrog niet dulden kon. Dat was de stem van Leo Tolstoi!
In zijn werkBiechthangt hij een levendig tafereel op van de zeden der letterkundige wereld in dien tijd, dat is omstreeks het jaar ’60. Ziehier zijne woorden:
“Ik heb nog geen overzicht gegeven van de wijze, waarop ik de levensbeschouwingen der personen met wie ik tezamen kwam tot de mijne maakte, en hoe zij al mijne vroegere pogingen om beter te worden geheel deden mislukken. Deze beschouwingen vormden den theoretischen grondslag voor het zedenbederf van mijn leven, waardoor dit verontschuldigd werd.
“De levensbeschouwingen van die personen—mijne collega’s letterkundigen—bestonden hierin, dat het leven zich in ’t algemeen ontwikkelt, dat wij, de mannen der gedachte, het hoofdaandeel in die ontwikkeling hebben, en dat onder die mannen der gedachte wij, bellettristen en dichters, den meesten invloed hebben. Onze roeping is: de menschen te onderrichten. Maar om de vraag te vermijden: ‘wat weet men en wie moet men onderrichten?’, werd in die theorie verklaard, dat zulke kennis ook niet noodzakelijk is, en datbellettristenen dichtersonbewustonderrichten. Ik ging door voor een uitstekend bellettrist en dichter, en daarom was het zeer natuurlijk, dat ik die theorie tot de mijne maakte. Ik, een bellettrist en dichter, schreef en onderrichtte—ik wist zelf niet wat. Men gaf er mij geld voor, ik had uitstekende spijzen, eene positie, vrouwen, gezelschap; ik had naam. Bijgevolg moest hetgeen ik onderwees wel zeer goed zijn.
“Dat geloof in de beteekenis der poëzie en in de ontwikkeling van het leven was een werkelijk geloof; en ik was een der priesters er van. Het bewustzijn priester te zijn waszeer aangenaam en voordeelig. En vrij lang heb ik in dat geloof geleefd, zonder aan de waarheid er van te twijfelen. Maar in het tweede, en vooral in het derde jaar van dit leven begon ik aan de onfeilbaarheid van dat geloof te twijfelen, en ging ik het onderzoeken. De eerste aanleiding tot twijfel was, dat ik begon op te merken, dat de priesters het niet allen samen eens waren. Enkelen zeiden: ‘wijzijn de beste en nuttigste leermeesters;wijleeren wat noodig is, en wat anderen leeren is onjuist.’—Anderen zeiden: ‘neen,wijzijn de ware, en gij onderwijst niet juist.’—En zij disputeerden, twistten, scholden, bedrogen elkander, en misdroegen zich.
“Daarenboven waren er velen onder ons, die er zich niet om bekommerden wie gelijk of wie ongelijk had, en eenvoudig door middel van onzen arbeid hun baatzuchtig doel bereikten. Dat alles bewoog mij aan de waarheid van ons geloof te gaan twijfelen.
“Meer nog: toen ik eenmaal aan de waarheid van het geloof eens schrijvers twijfelde, begon ik eens de priesters van dat geloof met meer aandacht gade te slaan, en overtuigde mij toen, dat bijna allen—de schrijvers—onzedelijke lieden waren, voor het meerendeel slecht en met een nietswaardig karakter. Dat zij veel lager stonden dan de personen, die ik in mijn vroeger ongeregeld krijgsmansleven had ontmoet, maar dat zij zelfvertrouwen hadden en evenzoo over zich zelven tevreden waren, als volslagen heilige personen of als zoodanigen, die niet weten wat heiligheid is. Die lieden walgden mij, en ik begreep dat dit geloof bedrog was.
“Maar zonderling is het dat, ofschoon ik dit leugenachtige geloof spoedig begreep en er mij aan onttrok, ik mij niet onttrok aan de positie, die mij door deze lieden gegeven was: de positie van bellettrist, van dichter en leeraar. Op naïeve wijze verbeeldde ik mij, als dichter en bellettrist iedereen tekunnen onderwijzen, ofschoon ik zelf niet wist wie ik onderwees. En zoo heb ik gehandeld.
“Uit den omgang met die personen ontwikkelde zich bij mij eene nieuwe ondeugd,—een trots, die overging in de ziekelijke, krankzinnige overtuiging dat ik geroepen was te onderwijzen, zonder te weten wat.”15
Niettemin werd Tolstoi, door zijn verkeer in den kring dier personen, van hunne belangen doordrongen en is hij een der werkzaamste deelnemers geweest aan hunne kameraadschappelijke ondernemingen. Zoo is een der belangrijkste letterkundige instellingen:Het Genootschap tot ondersteuning van Letterkundigen en Geleerden, het zoogenaamdeFonds voor Letterkundigen, veel aan hem verplicht geweest. Gewoonlijk wordt Droezjinin als de stichter van dit fonds beschouwd, maar in het dagboek van Tolstoi vinden wij de volgende aanteekening:
“3 Januari 1857.
“Ik heb bij Droezjinin het ontwerp van het fonds opgesteld.”
Tolstoi kan dus met het volste recht tot de stichters van dit fonds gerekend worden.
Ongeveer in dezen tijd moet Tolstoi op meer grondige wijze hebben kennis gemaakt met de geschriften van Poeschkin, die hem zeer aantrokken.
Uit zijne verhalen blijkt, dat hij Poeschkin, na diens gedichtDe Zigeunersin de Fransche vertaling van Mérimée gelezen te hebben, hoog waardeerde. Het lezen van dit gedicht, door den vertaler in proza weergegeven, openbaarde Tolstoi al de kracht van Poeschkin’s dichterlijk talent.
In zijn dagboek van 4 Januari 1857 vinden wij de volgende aanteekening:
“Ik heb bij Botkin gedineerd, in gezelschap van Panajeff, die mij Poeschkin heeft voorgelezen. Daarop begaf ik mij naar Botkin’s kamer, schreef een brief aan Toerghenjeff, ging op de sofa zitten en begon luid te weenen; het waren tranen zonder reden ... dichtertranen, die mij zalig stemden. Al dien tijd voelde ik mij bepaald gelukkig, en was ik in een’ roes van ‘snellen zedelijken vooruitgang’.”
Die “snelle zedelijke vooruitgang” was oorzaak, dat Tolstoi zich niet lang met dit gezelschap en dezen werkkring kon tevreden stellen; en gretig zocht hij naar een middel om er uit te geraken. En daar een bewegelijke geest ook in zijne uiterlijke handelingen steeds onrust laat blijken, zoo legde ook Tolstoi eene rustelooze werkzaamheid aan den dag, eene energie, waarvan een der uitingen was zijne buitenlandsche reis, die blijkbaar zonder bepaald doel is ondernomen. Ziehier wat hij daarvan in zijneBiechtzegt, met de hem eigen oprechtheid zichzelf en zijne omgeving beoordeelende:
“Zoo heb ik nog zes jaren, tot aan mijn huwelijk, aan dit onverstandige leven besteed. In dien tijd ging ik buitenslands. Het leven in Europa en mijne nadere kennismaking met vermaarde en geleerde Europeesche personen versterkten mij meer en meer in het geloof van volmaking in ’t algemeen, waarin ik leefde, omdat ik ook bij hen datzelfde geloof vond. Dit geloof nam bij mij den gewonen vorm aan, dien het bij de meeste beschaafde lieden van mijn’ tijd bezit, en werd door het woordvooruitganguitgedrukt. Het kwam mij toen voor, dat er in dat woord eene zekere beteekenis lag. Ik begreep toen nog niet dat ik, gekweld, als ieder levend wezen, door de vraag: ‘hoe leef ik het best?’, en daarop antwoordende: ‘leef overeenkomstig den vooruitgang’, een antwoord gaf volkomen gelijk aan dat van iemand, die in eene boot gezeten, ten spel aan wind en golven, op deeenige vraag die hij zich stellen kan: ‘waar moet ik heenvaren?’, eenvoudig zegt: ‘ik zal wel ergens belanden.’”
Niet voordat deze buitenlandsche reis achter den rug was, zou Tolstoi de schatting betalen voor zijn zoeken naar persoonlijk huiselijk geluk.
1EeneArtélis een genootschap van soldaten, arbeiders, handwerkslieden, enz., die eene gemeenschappelijke tafel, dikwijls ook eene gemeenschappelijke kas hebben, en meestal samenwonen. In de groote steden bestaan artélen met gecompliceerde organisaties, groote kapitalen en vèrstrekkende macht, waarbij het genootschap solidair borg blijft en waakt voor de belangen van elk zijner leden. Zoo bijv. de beurs-artélen te Petersburg en Moskou, die de geheele koopmanschap met hoogere en lagere beambten omvatten.2R. Löwenfeld,Graaf L. N. Tolstoi.3Paul Boyer,Le Temps, 28 Aug. 1901.4A. Fet.Mijne herinneringen, Deel 1, Bladz. 105.5De volledige werken van D. W. Grigorowitsch, Deel XII.6Alexander Iwanowitsch Herzen (1812–1870) was de natuurlijke zoon van een rijken edelman Jakofleff en ontleende zijn’ naam aanHerzens-kind. Zijne moeder was eene Duitsche: Luise Haag.7G. P. Danilewski,Reis naar Jasnaja Paljana, in de Geschiedkundige Mededeelingen van Maart 1886.8E. Garschin.Herinneringen aan I. S. Toerghenjeff, in de Geschiedkundige Mededeelingen, November 1883.9Herinneringenvan A. Golowatschewa Panajewa.10Toerghenjeff stierf in 1883.11Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Bladz. 27.12Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff, Blz. 33.13Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Blz. 32.14Uit de gedenkschriften van Tolstoi.15Biecht.
1EeneArtélis een genootschap van soldaten, arbeiders, handwerkslieden, enz., die eene gemeenschappelijke tafel, dikwijls ook eene gemeenschappelijke kas hebben, en meestal samenwonen. In de groote steden bestaan artélen met gecompliceerde organisaties, groote kapitalen en vèrstrekkende macht, waarbij het genootschap solidair borg blijft en waakt voor de belangen van elk zijner leden. Zoo bijv. de beurs-artélen te Petersburg en Moskou, die de geheele koopmanschap met hoogere en lagere beambten omvatten.
2R. Löwenfeld,Graaf L. N. Tolstoi.
3Paul Boyer,Le Temps, 28 Aug. 1901.
4A. Fet.Mijne herinneringen, Deel 1, Bladz. 105.
5De volledige werken van D. W. Grigorowitsch, Deel XII.
6Alexander Iwanowitsch Herzen (1812–1870) was de natuurlijke zoon van een rijken edelman Jakofleff en ontleende zijn’ naam aanHerzens-kind. Zijne moeder was eene Duitsche: Luise Haag.
7G. P. Danilewski,Reis naar Jasnaja Paljana, in de Geschiedkundige Mededeelingen van Maart 1886.
8E. Garschin.Herinneringen aan I. S. Toerghenjeff, in de Geschiedkundige Mededeelingen, November 1883.
9Herinneringenvan A. Golowatschewa Panajewa.
10Toerghenjeff stierf in 1883.
11Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Bladz. 27.
12Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff, Blz. 33.
13Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Blz. 32.
14Uit de gedenkschriften van Tolstoi.
15Biecht.