In Pjatigorsk was Tolstoi eenigen tijd te zamen met zijne zuster Maria, die ook genezing voor hare rheumatiek kwam zoeken. Volgens haar deed hij in die dagen veel aan spiritisme en den tafeldans, soms zelfs op den boulevard, waarheen hij dan een tafeltje uit een café liet brengen.Tolstoi vertrok den 5enAugustus uit Pjatigorsk en keerde naar de stanitza terug.Onderweg schreef hij die belangwekkende gedachte neer die nu nog den grondslag van zijne wereldbeschouwing vormt:“De toekomst houdt ons meer bezig dan de werkelijkheid. Deze neiging is goed wanneer wij aan ons leven hiernamaals denken. Wijsheid is het in het heden te leven en zijn’ plicht te doen.”Den 7enAugustus, terug in Starogladowskaja, schreef hij, meegesleept door het patriarchale, eenvoudige leven der Kozakken, dat hem lief en tot eene gewoonte was geworden, in zijn dagboek:“De eenvoud is de deugd, die ik mij wensch eigen te maken boven alle andere.”Eindelijk, den 28enAugustus, kwam het lang verwachte antwoord van de redactie van denSawremjennik.“Met dezen brief was ik kinderlijk blij,” schreef Tolstoi in zijn dagboek.Hier volgt de inhoud van Njekrasoffs schrijven:“Geachte Heer!“Ik heb uw handschriftKinderjarenontvangen. Het is zóó belangrijk dat ik het zal laten drukken. Daar ik niet weet, hoe het vervolg zal zijn, kan ik nog niet beslist mijne meening zeggen, maar ik geloof, dat de schrijver talent heeft. In ieder geval verleenen de eenvoud en het natuurlijke der schildering aan het boek eene waarde, die men het niet kan ontnemen.“Als in het tweede gedeelte (hetgeen zich wel laat aanzien) een weinig meer leven en beweging komt, dan beloofthet een goede roman te worden. Ik verzoek u mij het vervolg te zenden. Uw roman zoowel als uw talent interesseeren mij. Nog zou ik u den raad willen geven niet onder initialen te schrijven, maar het werk onder uw’ eigen naam te laten verschijnen, ten minste zoo gij niet een toevallige gast in de literatuur zijt. Ik verwacht hierop antwoord.“Aanvaard de betuiging van mijne oprechte hoogachting.“N. Njekrasoff.”Op dezen brief volgde een tweede, d.d. 5 September 1852.“Geachte Heer!“Ik schreef u reeds over uw boek, maar nu reken ik het mijn plicht er nog eens op terug te komen. Ik liet het plaatsen in No. IX van denSawremjenniken bij oplettende lezing van de drukproef bevond ik dat het veel beter was dan ik aanvankelijk bij de lezing van het handschrift had gedacht. Ik kan nu beslist zeggen, dat de schrijver talent heeft. De zekerheid daarvan is, geloof ik, voor u, als beginneling, op ’t oogenblik van het grootste gewicht. Hedenavond verschijnt uw werk te Petersburg; ik zal u een nommer van denSawremjenniksturen, maar waarschijnlijk eerst over een week of drie. Wij hebben er iets, heel weinig, uit laten vervallen en niets bijgevoegd. Spoedig zal ik u nader berichten, maar vandaag heb ik geen tijd. In afwachting van uw antwoord verzoek ik u, indien gij het vervolg gereed hebt, het mij te zenden.“N. Njekrasoff.“Hoewel ik den naam van den auteur vermoed, vraag ik u dringend mij dien te willen noemen. Volgens voorschrift van de censuur moet ik dien weten.”Gezicht in het dorp Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Gezicht in het dorp Jasnaja Paljana.—Blz.57.Dezen brief kritiseert Tolstoi op de volgende wijze in zijn dagboek:“3 September. Ik ontving een brief van Njekrasoff. Lof—maar geen geld.”Geld nu had hij dringend noodig en hij had verwacht het voor zijn eerste werk te krijgen. Waarschijnlijk correspondeerde hij er met Njekrasoff over, want hij kreeg een derden brief van den volgenden inhoud:“St.-P. 30 Oct. 1852.“Geachte Heer!“Ik moet u om verontschuldiging vragen, dat ik u zoolang op antwoord heb laten wachten, maar ik heb het zeer druk. Om de volgende reden heb ik in mijn vorig schrijven over het honorarium gezwegen: het is bij de voornaamste uitgevers gebruik de eerste proeve van een jong talent niet te honoreeren, daar het tijdschrift hem de gelegenheid geeft het publiek met zijn werk te laten kennismaken. Daaraan hebben allen, die hun eersten literairen arbeid in denSawremjennikgeplaatst zagen, zich moeten onderwerpen, b.v. Gontscharoff, Droezjinin, Awdjejew, en anderen. Panajeff en ik hebben ons in onzen tijd daar ook in moeten schikken. Voor het vervolg bied ik u eene betaling aan, zoo hoog als slechts de beste van onzebellettristen(en dan nog zeer weinige) genieten, d.w.z. vijftig roebel voor iedere gedrukte bladzijde.“Ik heb met schrijven gewacht, omdat ik niet alleen op mijn eigen indruk wilde afgaan, maar eerst het oordeel van ’t publiek wilde vernemen; dit nu luidt zoo gunstig mogelijk en het verheugt mij zeer dat ik mij niet vergist heb; gaarne dus doe ik u bovengenoemd voorstel.“Laat mij dus daarop uw antwoord weten; in ieder geval zullen wij het er wel over eens worden. Daar uw werk succes heeft gehad, zal het ons zeer aangenaam zijn zoo spoedigmogelijk weer iets van uwe hand te plaatsen. Wees zoo goed te zenden wat gij klaar hebt. Ik had u het 9denummer van denSawremjennikwillen sturen, maar het was helaas uitverkocht; zoo gij het wenscht kan ik u een exemplaar van den misdruk sturen.“Nogmaals verzoek ik u dringend een roman of eene vertelling te sturen. In afwachting van uw antwoord verblijf ik“Uw Dw. Dr.,N. Njekrasoff.“P.S. Wij zijn verplicht den naam te kennen van den schrijver, wiens werken wij drukken; wil ons dien dus even melden. Desverlangd zal niemand behalve de redactie hem weten.”Op zijne gewone bescheiden wijze brengt Tolstoi zijne tante Tatjana op de hoogte van bovenvermelde gebeurtenissen.“Van de baden teruggekeerd heb ik, dank zij de manoeuvres, eene vrij vervelende maand doorgebracht. Marcheeren en schieten met kanonnen is niet zeer aangenaam, vooral omdat het mijne leefwijze geheel in de war bracht. Gelukkig heeft het niet lang geduurd en gaat alles weer zijn gewonen gang; ik jaag dus, schrijf, lees, en praat met Nikolaas. De jacht met het geweer begint nu meer in mijn’ smaak te vallen, en daar ik vrij goed schiet, besteed ik er iederen dag eenige uren aan. In Rusland kan men zich geen denkbeeld maken van ’t vele en goede wild, dat men hier vindt. Op 100 pas afstand ziet men soms faisanten en in den tijd van een half uurtje schiet ik er wel eens drie. Behalve het genoegen dat het mij verschaft is de beweging ook heel goed voor mijne gezondheid, die ondanks de bronnen te wenschen overlaat. Ik ben niet bepaald ziek, maar heb heel veel last van kou vatten. Nu is het keelpijn, dan weertandpijn die eeuwig aanhoudt, of rheumatiek, in één woord, twee dagen van de week moet ik zeker mijn kamer houden. Nu moet gij niet denken, dat ik iets voor u verberg; mijn gestel is, zooals het altijd geweest is, sterk maar gevoelig. Het volgende jaar denk ik weer naar de baden te trekken. Al ben ik niet geheel genezen, goed heeft het mij toch gedaan. Alle onaangenaams heeft toch ook zijn goede zijde. Wanneer ik ongesteld ben, dan werk ik des te geregelder aan een nieuwen roman, waarmee ik reeds ben begonnen. De eerste, dien ik naar Petersburg heb gestuurd, is onder den naamKinderjarenopgenomen in het Septembernummer van denSawremjennik(1852). Ik heb het onderteekend met de letters A. N. T. en niemand behalve Nikolaas weet wie de schrijver is. En ik zou ook niet willen dat men het wist.”17Tolstoi’s zuster, Maria Nikolajewna, vertelde mij van den indruk dien zijn werk op de familie en kennissen heeft gemaakt. De familie woonde op een landgoed dicht bij het buiten van Toerghenjeff, die dikwijls bij hen kwam. Eens bracht hij het bewuste nommer van denSawremjennikmee, sprak vol lof over het werk en den onbekenden schrijver en begon het voor te lezen. Vol verbazing luisterde Maria Nikolajewna naar het verhaal van de gebeurtenissen, die in haar eigen familie hadden plaats gegrepen. Zij kon maar niet begrijpen wie de intieme bijzonderheden uit hun leven zoo nauwkeurig kon weten. Het kwam geen seconde bij haar op, dat hun Ljewotschka (Leo) de schrijver kon zijn; wel had zij eenig vermoeden op Nikolaas, die in zijne jeugd een weinig aanleg voor literairen arbeid had vertoond en een uitstekend sprookjesverteller was. Klaarblijkelijk had tante Tatjana het haar toevertrouwde geheim goed weten te bewaren en werd heteerst door Tolstoi zelf na zijne terugkomst uit den Kaukasus geopenbaard.Te oordeelen naar den brief van Njekrasoff, was het verschijnen van Tolstoi’s eerste pennevrucht eene gebeurtenis in de Russische letterkundige wereld.Golowatschewa Panajewa beschrijft in hareHerinneringenden indruk, dien het boek op het publiek en op de toenmalige schrijvers maakte.“Het publiek was eenstemmig in zijn lof voor den nieuwen auteur en interesseerde zich er sterk voor, wie het toch wel zou zijn. In den letterkundigen kring betoonde men zich onverschillig, behalve Panajeff, die zóó in verrukking kwam overKinderjaren, dat hij een’ van zijne vrienden er iederen avond een paar bladzijden uit voorlas. Toerghenjeff plaagde hem daarmee en beweerde, dat de kennissen Panajeff op het Prospekt uit den weg gingen, uit angst dat hij hun daar zelfs eene voordracht zou houden uit het nieuwe boek, dat hij van buiten had geleerd.”Het duurde eenigen tijd voordat de kritiek zich met Tolstoi ging bemoeien.Eerst in 1854, toen zijn tweede werk:Jongensjarenverscheen, gaf Zjeljinski in deAtjetschestwjennija Zapiskieene nauwkeurige beoordeeling van de beide werken.Hier volgt het korte maar waardeerende artikel:“Kinderjaren, als eene aaneenschakeling van vrije dichterlijke voorstellingen, gaf den schrijver gelegenheid het heele landleven van zijn dichterlijk standpunt te beschouwen.“Hij koos uit dat leven alles wat indruk maakt op de kinderlijke verbeeldingskracht en op het kinderlijke verstand. Het talent nu van den schrijver is zóó groot, dat hij dit leven weet te schilderen zooals een knaap het ziet. Alles wat hem omringt, d.w.z. voor zoover het indruk maakt op een kind, komt in het boek voor, en daardoor staan alle hoofdstukkenop zichzelf, verbonden door één draad die door ’t geheele werk loopt, n.l. door de wereldbeschouwing van den knaap. Het groote talent van den schrijver blijkt ook nog uit het volgende. Het moet zeer moeilijk zijn om, schrijvende onder den invloed van kinderlijke indrukken, ook aan de niet kinderlijke gedachte een plaatsje in te ruimen, en dat is den auteur zoo volkomen gelukt, dat men na lezing van het boek alle personen voor zich ziet: den vader, de moeder, de njanja, den gouverneur, in één woord de geheele familie, en dan nog in het meest poëtische licht.”Naarmate de kring der lezers van denSawremjennikgrooter werd, groeide ook de belangstelling die het publiek den talentvollen, nog steeds onbekenden auteur betoonde. Dostajewski b.v. bevond zich in Siberië, toen de nommers, waarin Tolstoi’s vertellingen waren opgenomen, hem bereikten. Zij maakten zulk een diepen indruk op hem, dat hij een’ zijner kennissen verzocht, hem toch vooral den naam te schrijven van dien geheimzinnigen L. N. T.Maar die geheimzinnige L. N. T. wenschte zich nog niet bekend te maken en stond als iemand die er niets mee te maken had tegenover zijn succes.Zelfs tegen zijn’ broer Nikolaas en een’ vriend heeft Tolstoi langen tijd gezwegen.“Mijn broer Leo,” zoo schrijft gravin Sophie Tolstoi in hare aanteekeningen, “vertelde mij eens dat hij in den Kaukasus een nummer van deAtjetschestwjennija Zapiskiontving, waarin den onbekenden auteur vanKinderjarengroote lof werd toegezwaaid. ‘Ik lag,’ vertelde hij, ‘op de houten bank in mijne hut; Nikolaas en Ogolin waren bij mij toen het blad kwam. Ik begon te lezen en werd bijna dronken van vreugde, terwijl de tranen van verrukking mij in de oogen kwamen, en dacht: “niemand, zelfs niet zij die daar bij mij zijn, weet dat ik het ben die zoo wordt geprezen.”’”In October van dat zelfde jaar, hij bevond zich toen te Starogladowskaja, rijpte bij Tolstoi het plan een nieuwen roman,De Russische Landeigenaar, te gaan schrijven, waarvan de inhoud ongeveer op het volgende neer zou komen. De held van het verhaal zoekt eerst de verwezenlijking van zijn ideaal in het leven op het land. Als hij het daar niet vindt, zoekt hij het in het familieleven, om dan plotseling tot de overtuiging te komen, dat men, om gelukkig te zijn, steeds het geluk van anderen voor oogen moet hebben. Deze roman heeft helaas nooit het licht gezien, maar de gedachte vinden wij in veel van zijne latere werken terug.Tolstoi was, ondanks zijne aanzienlijke geboorte, niet gelukkig in zijn militaire loopbaan. Hij begon naar het einde te verlangen en wachtte slechts op zijne bevordering tot officier om zijn ontslag te nemen. Die bevordering kwam maar niet. Toen hij in dienst ging had hij gehoopt in anderhalf jaar officier te kunnen zijn, en daar kreeg hij in October, na bijna een jaar gediend te hebben, een schrijven waarin hem werd meegedeeld, dat hij om officier te worden nog drie jaren zou moeten wachten. De oorzaak, dat hij niet bevorderd werd, lag hierin, dat zijne papieren niet in orde waren.In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vinden we daaromtrent het volgende vermeld.“De bevordering van Leo Tolstoi tot officier en zijn geheele diensttijd kenmerkten zich door groote moeilijkheden en ging met vele teleurstellingen gepaard. Vóór zijn vertrek naar den Kaukasus woonde hij met zijne tante Tatjana op Jasnaja Paljana. Hij was heel veel samen met zijn’ broer Sergius, die zich in dien tijd sterk aangetrokken voelde tot de Zigeuners, hun leven en hun’ zang. Zij kwamen zelfs naar Jasnaja Paljana, zongen hunne liederen en benevelden het verstand der beide broeders. Toen Leo Tolstoi inzag, dat hij onder dezen invloed de domste dingen zou gaan doen, nam hij, zonder iemand teraadplegen en zonder zich om de noodige papieren te bekommeren, plotseling het besluit naar den Kaukasus te gaan.”Deze zorgeloosheid, of liever de minachting die hij had voor alles wat papieren heette, heeft hem heel wat onaangename oogenblikken bezorgd.Steeds wachtende op zijne bevordering schreef hij ten slotte een’ brief aan zijne tante Pelageja, die met de hulp van een hooggeplaatst ambtenaar zijne benoeming bewerkstelligde.Den 24enDecember van het zelfde jaar voltooide Tolstoi zijne vertellingDe Overrompeling, die hij weer naar denSawremjennikstuurde.In het jaar 1853 nam de batterij waarbij Tolstoi was ingedeeld deel aan den veldtocht tegen Schamil. Bovendien kwam hij den 18enFebruari van dat zelfde jaar nog in het vuur, waarbij hij aan een groot gevaar ontsnapte. Bij het richten van een kanon ontplofte eene vijandelijke granaat in zijne onmiddellijke nabijheid, vernielde het affuit, maar liet Tolstoi gelukkig geheel ongedeerd.Den eersten April keerde hij met zijn regiment weer naar Starogladowskaja terug.Reeds bij zijne eerste schrede op het gebied der literaire werkzaamheid kwam Tolstoi in botsing met den halsstarrig standhoudenden, niet te verwrikken hinderpaal, die nu reeds twee eeuwen de vrije ontwikkeling van de Russische gedachte en van de Russische kunst tegenhoudt, met de zich zoo noemende censuur.In een’ brief aan zijn’ broer Sergius schrijft hij hierover:“Ik heb haast, neem het dus niet kwalijk zoo de brief kort en verward wordt.Kinderjarenis geheel bedorven enDe Overrompelingis ook mishandeld door de censuur. Al hetgeen er goed in was is geschrapt of verminkt.“Ik heb mijn ontslag ingediend en hoop na eenigen tijd,d.w.z.na ongeveer anderhalve maand, als een vrij man naar Pjatigorsk en vandaar naar Rusland te reizen.”Dit ontslag nemen ging echter niet zoo gemakkelijk. In hetzelfde jaar 1853 was Tolstoi nog eens aan een groot gevaar blootgesteld en ontsnapte hij zelfs ternauwernood aan de gevangenschap.Paltoratzki vertelt van die gebeurtenissen:“Den 13enJuni 1853 bracht ik een convooi naar Groznaja. Wij waren reeds eenigen tijd op weg, toen ik plotseling op eene hoogte een’ troep van ongeveer vijfentwintig vijandelijke Tschetschentzen ontdekte, die als een wervelwind van een heuvel naar beneden renden. Ik haastte mij naar het hoofd van de kolonne, een salvo van vijandelijke geweerschoten liet zich reeds hooren en ook mijne manschappen hadden reeds den vinger aan den trekker.“‘Halt, schiet niet, de onzen zijn er bij!’ riep ik plotseling uit al mijn kracht, en gelukkig kon ik het vuren nog voorkomen. Nauwelijks had ik den tijd gehad een gedeelte van den troep bevel te geven er in stormpas op in te gaan, toen ik de Tschetschentzen reeds weer in de steppen zag verdwijnen, waarop wij hun een paar schoten nazonden. Op dat oogenblik kwam baron Rozen, wit als een doode, in razende vaart op ons toe rijden, direct gevolgd door een paard zonder berijder. Aan het zadel zagen we dat het een’ artillerie-officier toebehoorde. Even daarna verscheen van achter de struiken langs den weg Schtscherbatschjeff, de eigenaar van het paard. Hij was een bijzonder knappe, sterke jonge man, die eerst sedert een paar maanden de krijgsschool had verlaten. Langzaam maar met vaste schreden kwam hij naar ons toe, rechtop, zonder geluid te geven, zoodat wij eerst geen vermoeden hadden hoe zwaar gewond de arme jongen was. Het bloed stroomde letterlijk uit zijne wonden.“Bij de kolonne bevond zich geen dokter, zoodat de barbiersvoorloopig hulp moesten verleenen en een van hen legde handig en vlug het eerste verband. Onderwijl had baron Rozen zich een weinig hersteld en vertelde, dat hij met nog vier anderen vooruit was gereden. Toen zij werden overvallen waren graaf Tolstoi, Paul Paltoratzki (een neef van den schrijver) en de tartaar Sado doorgerend, waarschijnlijk in de hoop Groznaja te bereiken, terwijl hij en Schtscherbatschjeff hun paarden hadden gewend en spoorslags waren teruggereden.“‘Uwe Hoogheid,’ onderbrak hier een soldaat, die boven op een hooiwagen lag, het verhaal, ‘daarginder op den weg ligt nog iemand en ik geloof dat hij zich beweegt.’“‘Voorwaarts, looppas!’ beval ik, en zelf stormde ik reeds weg. Op vijftig schreden afstand lag een dood paard en daaronder mijn neef Paul. Vreeselijk kermend smeekte hij wanhopig hem van het doode dier te bevrijden. Ik sprong van het paard, wierp een’ Kozak de teugels toe, en met bovenmenschelijke kracht trok ik met één greep het doode dier op zij en bevrijdde den armen lijder, die daar vreeselijk verminkt neerlag.“Zijne wonden waren hem met een’ sabel toegebracht. Hij had drie sneden over zijn hoofd, zijn schouder was geheel gekerfd en vaneen gereten. Ik liet de geheele kolonne aanrukken, begon zelf reeds het eerste verband te leggen en gaf bevel eene draagbaar gereed te maken.“Dit alles had zich in een paar minuten afgespeeld en wij hadden nauwelijks den tijd gehad onze gewonden te verbinden, toen ook reeds een kleine afdeeling kavallerie uit Groznaja, kwam aanrennen. De opperbevelhebber, in de meening dat de troep in de beste orde opmarcheerde en dat de Tschetschentzen zich reeds hadden teruggetrokken, vond het niet noodig hen te vervolgen en zond de naderende kolonne slechts een paar ruiters te gemoet. Met vereende krachten werd eene draagbaar gemaakt, met soldatenjassen bedekt, de gewonden werden zoo voorzichtig mogelijk erop gelegd en verder ginghet weer naar Groznaja, dat wij reeds tot op korten afstand waren genaderd.“De ruiters brachten de goede tijding mee dat graaf Tolstoi en de Tartaar Sado aan de vervolging waren ontkomen en ongedeerd de vesting hadden bereikt.“Het vijftal, dat ter nauwernood aan den dood was ontsnapt, wilde vóór de kolonne te Groznaja zijn en was daarom vooruitgereden, iets dat, ondanks streng verbod, in den Kaukasus maar al te dikwijls voorkwam.“Onze vijf jongelui nu besloten, toen zij een honderd schreden vooruit waren, zich, met het oog op de veiligheid, in twee groepen te verdeden. Graaf Tolstoi en Sado zouden bovenlangs gaan, de drie anderen den lagen weg houden.“Nauwelijks boven gekomen zagen zij plotseling uit een bosch de Tschetschentzen recht op zich aanstormen. Tolstoi schreeuwde zijne kameraden nog toe, dat de vijand er aankwam, en daar zij zelfs geen tijd meer hadden terug te keeren, vlogen zij zoo snel hun paarden loopen wilden den weg op naar de vesting. De anderen, die beneden waren gebleven, geloofden het eerst niet en verloren daardoor eenige kostbare minuten. Toen de Tschetschentzen (waarvan er zich zeven hadden afgescheiden om Tolstoi en Sado te vervolgen) verschenen, wierp baron Rozen snel als de gedachte zijn paard om en stormde terug naar de kolonne, die hij ook ongedeerd bereikte. Schtscherbatscheff rende hem achterna, maar zijn paard was niet zoo vlug, de vijand haalde hem in, verwondde hem en sloeg hem van het paard, maar toch gelukte het hem nog te voet de kolonne te bereiken. Het slechtst van allen was Paul er aan toe. Hij wilde instinctief vooruit naar Groznaja, maar bedacht zich dat zijn jong paard hem er niet zou brengen. Hij keerde dus terug, stootte op den vijand en trachtte nog (hij verloor geheel zijne zelfbeheersching, zooals hij zelf bekende) zich met getrokken sabel een weg te banen,dwars door den vijand heen. Maar een van de bergbewoners, een uitstekend schutter, liet hem tot op eenige passen naderen, en mikte toen op zijn paard, dat dadelijk dood neerviel en boven op zijn berijder kwam te liggen. De Tschetschentz trok Paul de sabel met zilveren gevest uit de hand en wilde hem ook de scheede afrukken toen hij moest vluchten voor de nadering der troepen, maar niet voordat hij Paul een’ sabelhouw had gegeven. Dit voorbeeld volgden nog zes anderen, en zoo vonden wij hem, bloedend uit zeven wonden, onder het doode paard.”In deHerinneringenvan S. A. Bjers lezen wij van deze gebeurtenis het volgende:“De goedgezinde Tschetschentz Sado en Tolstoi waren groote vrienden. Sado had een jong paard gekocht, dat hij, na het eenigen tijd te hebben bereden, Tolstoi eens liet probeeren, terwijl hij zelf diens telganger, die niet zoo goed kon galoppeeren, besteeg. Dit was juist gebeurd toen de Tschetschentzen hen overvielen. Tolstoi, die de kans had op het vlugge paard te ontsnappen, liet zijn vriend niet in den steek. Sado ging, als alle bergbewoners, nooit uit zonder buks, maar die was nu helaas niet geladen. Toch richtte hij haar op de vervolgers, in de hoop hun vrees aan te jagen. Dezen, van hun’ kant, schoten ook niet omdat zij hen levend gevangen wilden nemen, om zich op Sado, een’ afvallige, te kunnen wreken. Deze omstandigheid redde hun het leven. In de nabijheid van Groznaja kreeg een schildwacht hen in ’t oog, en op diens alarm kwam er hulp opdagen, waardoor de vijand gedwongen werd de vervolging te staken.”Deze gebeurtenis heeft de stof geleverd voor Tolstoi’s vertellingDe Kaukasische Gevangene.Ondanks het woeste krijgsmansleven en het feit dat er nog oogenblikken kwamen waarin Tolstoi zich geheel aangenot en spel overgaf, ging zijne geestesontwikkeling met reuzenschreden vooruit.Korten tijd na de bovenbeschreven episode schreef hij de volgende gedachten neer:“Wees oprecht, zelfs al moet gij scherp zijn, maar vrees niet kinderlijk openhartig waar dit niet vereischt wordt.”“Onthoud u van wijn en vrouwen.”“Het genot duurt zoo kort—het berouw zoo lang.”“Doe het werk dat gij verricht nooit ten halve. Tracht u bij iedere sterke aandoening te beheerschen en zoo gij u iets hebt voorgenomen, breng het ten uitvoer, zelfs als het niet goed is.”Tolstoi reisde in Juni van ’t jaar ’53 weer naar Pjatigorsk, bleef daar tot October en kwam weer in Starogladowskaja terug. Klaarblijkelijk begon de dienst hem danig te vervelen en ongeduldig verlangde hij naar eene verandering in zijn leven. Onder den indruk daarvan schreef hij uit Pjatigorsk aan zijn’ broer:“Ik heb je, geloof ik, reeds geschreven dat ik mijn ontslag heb aangevraagd. Of ik het krijg en wanneer, vooral met het oog op den oorlog met Turkije, mag de hemel weten. Ik maak er mij erg ongerust over, want ik vrees—in den dienst is alles mogelijk—dat ik weer naar Starogladowskaja zal moeten gaan, en ik had mij reeds geheel aan de gedachte gewend, spoedig naar ons dorp terug te keeren.”Dezelfde stemming spreekt uit een’ brief geschreven te Starogladowskaja in December 1853:“Ik bid je, maak zoo spoedig mogelijk werk van mijne papieren. ’t Is noodzakelijk. God alleen weet wanneer ik terug zal keeren! ’t Is nu bijna een jaar dat ik niets liever zou wenschen dan de sabel in de scheede te steken, maar ikkan het niet. Nu ik evenwel toch gedwongen ben aan den oorlog deel te nemen, wil ik nog liever naar Turkije gaan dan hier blijven, hetgeen ik dan ook vorst Sergius Dmitrijewitsch gevraagd heb. Hij heeft het zijn’ broeder reeds geschreven, maar of er iets van komt weet hij niet.“In ieder geval hoop ik, dat er tegen Nieuwjaar verandering in mijn leven zal komen, want ik moet bekennen dat het mij ontzettend begint te vervelen. Domme officieren, domme gesprekken en anders niets. Als ik nog maar één mensch had met wien ik vertrouwelijk kon spreken. Toerghenjeff had gelijk toen hij beweerde, dat het niet goed is eenzaam te zijn; men voelt dat men achteruit gaat.“Hoewel Nikolaas, de hemel mag weten waarom, de goede honden heeft meegenomen (Jepischka en ik schelden hem er in gedachten dikwijls om uit) ga ik iederen dag, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, met een’ anderen hond op de jacht. En dat is mijn eenige genoegen, of liever, geen genoegen maar een verdoovingsmiddel. Je draaft heen en weer, je krijgt honger, je wordt moe en de dag is voorbij. Als er gelegenheid toe is, of als gij zelf naar Moskou gaat, koop mij danDavid Copperfieldvan Dickens in het Engelsch en stuur het mij met mijn Engelsch woordenboek dat in mijn boekenkast staat.”In dezen tijd schreef TolstoiJongensjaren, dat hij ook weer naar denSawremjennikstuurde, maar met een ontevreden gevoel van te haastig te hebben gewerkt. Ook hield hij zich onledig met het lezen van eene biografie van Schiller.Teruggekeerd van een kort reisje naar Chasaf-Joert schreef hij in zijn dagboek:“Alle gebeden die ik vroeger tot God richtte heb ik vervangen door het eene ‘Onze Vader.’ Alles wat ik Hem wil vragen wordt het waardigst uitgedrukt door de woorden: ‘Heer, Uw wil geschiede, zooals in den hemel alzoo ook op aarde.’”In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vonden we nog eene gebeurtenis uit zijn leven in den Kaukasus beschreven, n.l. hoe het kwam dat het kruis van St. George hem ontging.“Tolstoi was, zooals de lezer weet, reeds eenige malen in ’t gevecht geweest en hij hoopte vurig nog eens het kruis van St. George te ontvangen. Zijn commandant was zeer met hem ingenomen; er bestond dus wel kans dat die droom verwezenlijkt zou worden. Nadat er eens weer een gevecht had plaats gevonden, werden er eenige kruisen gestuurd, die den volgenden dag zouden worden uitgereikt. Nu gebeurde het dat Tolstoi den avond van te voren dienst moest doen op het eiland waar de kanonnen stonden. Ongelukkig voor hem liet hij zich tot een partij schaak overhalen, en zooals hij zich door alles liet meesleepen ging het ook nu: hij bleef tot midden in den nacht bij het spel en ging niet op wacht. De dienstdoende officier, die hem niet op zijn post vond, onderhield hem streng over zijn verzuim en stuurde hem in arrest.“Den volgenden dag werden, terwijl de muziek speelde, de kruisen uitgereikt. Tolstoi wist, dat hij er ook een zou hebben gekregen, en daar zat hij nu in arrest en kwam bijna tot vertwijfeling.”Nog eenmaal heeft hij eene kans gehad het kruis te verkrijgen, doch dit liep, hoewel meer eervol, ook op niets uit.De overste Alexejeff wendde zich even vóor de uitreiking der kruisen met de volgende woorden tot Tolstoi: “Gij weet, dat het kruis van St. George voornamelijk aan oude soldaten wordt uitgereikt, die dan tevens recht krijgen op een levenslang pensioen, dat evenveel bedraagt als hun salaris. Ook wordt het kruis uitgereikt aan jonge mannen, die door hun chefs geprotegeerd worden. Hoe meer dit laatste geval zich voordoet, des te meer wordt het onthouden aan oude soldaten, die het verdienden te ontvangen. Zoo gij het verlangt, zal iku het kruis geven, maar zoo gij er afstand van doet, dan is hier een oude, waardige soldaat, die het verdiend heeft en voor wien het tevens een middel van bestaan is.” Natuurlijk wenschte Tolstoi, hoewel hij er zeer naar verlangd had, het kruis nu niet meer te ontvangen, en eene andere gelegenheid om het te verdienen deed zich niet meer voor.Nu laten wij nog eenige bladzijden uit deHerinneringenvan den officier Janzjoel volgen, die in 1871 in Starogladowskaja gedetacheerd was, waar hij nog versche sporen vond van Tolstoi’s verblijf aldaar.“In 1871 werd ik als officier naar Starogladowskaja gezonden en kwam bij dezelfde batterij te staan, waar ook graaf Leo Tolstoi gediend had. In de twee jaren, die ik daar gewoond heb, had ik de gelegenheid het plaatsje goed te leeren kennen, de typische vriendelijke huisjes, de moedige Kozakken, het kommandantshuis met de hooge, oude populieren, alles door Tolstoi beschreven in zijne vertellingDe Kozakken. In mijn’ tijd was de herinnering aan Leo Nikolajewitsch, zooals hij daar genoemd werd, nog levendig gebleven. Men wees mij o.a. de nu oude Mariana, de heldin van zijn verhaal, en eenige oude Kozakken, die Tolstoi persoonlijk gekend hadden en met wie hij dikwijls op de faisanten- en wilde-zwijnenjacht was geweest. Een van deze jagers ging in 1880 te paard naar Jasnaja Paljana, om hem nog eens weer te zien. Ook trof ik er nog een zekeren kapitein Troloff (sinds dien overleden) die Tolstoi heel goed gekend had en zich nog de boeiende wijze van vertellen herinnerde, waarmee hij iedereen meesleepte.”Janzjoel geeft ook nog eene karakteristieke beschrijving van Tolstoi’s bataillons-commandant. Nikita Petrowitsch Alexejeff, de batterij commandant van graaf Leo Tolstoi, werd om zijne goedhartigheid door iedereen geacht en bemind. Hij bezat maar één oor (het andere had een paard hem afgebeten), hadaan de universiteit gestudeerd en was zeer godsdienstig, zoodat hij uren lang geknield in de kerk kon liggen met zijn hoofd ter aarde gebogen.Leo Tolstoi en zijn broeder Sergius (links), omstreeks den tijd dat deze herinneringen werden geschreven.—Blz. 83.Leo Tolstoi en zijn broeder Sergius (links), omstreeks den tijd dat deze herinneringen werden geschreven.—Blz.83.Hij kon het nooit rustig aanzien dat de officieren wodka dronken en vooral niet als het jongelui waren. Volgens de gebruiken van den goeden ouden tijd aten zij iederen dag bij hun’ commandant aan tafel en dan deed Leo Tolstoi dikwijls, echt kwajongensachtig, alsof hij wodka dronk. Nikita Petrowitsch raadde hem dan telkens ernstig aan dat wodka drinken te laten en liever, zooals hij, bonbons te eten.De beschrijving van Tolstoi’s leven in den Kaukasus zou niet volledig zijn, wanneer wij nog niet even herinnerden aan twee goede kameraden van hem, de honden Boelka en Milton, die hij beschreven heeft inBoekjes om te lezen, een verhaal dat ieder Russisch schoolkind kent.Eindelijk, na lang wachten, kreeg Tolstoi zijne aanstelling tot officier. Den 18enJanuari 1854 deed hij het officiersexamen, hetgeen in die dagen maar bloot een vorm was, en maakte hij zich voor zijn vertrek gereed.Reeds den 19enJanuari bereikte hij de Russische grens en kwam, na een reis van ongeveer twee weken, te Jasnaja Paljana aan. Onderweg werd hij door een heftigen sneeuwstorm overvallen, die hem waarschijnlijk tot stof heeft gediend voor een zijner vertellingen.Den korten tijd dien hij in Rusland bleef bracht hij door bij zijne broers, zijne tante en zijn’ vriend Pjerfiljeff.Zijne overplaatsing in het leger dat naar den Donau werd gezonden wachtte hem reeds; spoedig moest hij dus weer vertrekken en zoo vinden wij hem den 14 Maart 1854 te Boecharest.Als gepast slot van dit hoofdstuk laten wij nog Tolstoi’s tegenwoordige meening volgen over zijn leven in den Kaukasus.Met groot genoegen denkt hij steeds aan dien tijd terug en noemt dien, ondanks de vele afdwalingen van zijn toen nog vaag gevoeld ideaal, een der beste tijdperken van zijn leven. Zijn latere diensttijd heeft hem, naar hij meent, vooral wat zijne letterkundige werkzaamheid betreft, naar omlaag getrokken.Eerst nadat hij in zijn dorp was teruggekeerd en toen hij al zijne krachten inspande om verbetering te brengen in het onderwijs aan het dorpskind, kon zijn geest zich weer verheffen en voelde hij zich als herboren.1In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.2In ’t handschrift wordt deze brief in ’t Fransch aangehaald.3Kamp.4Deze brief is in ’t handschrift in ’t Fransch aangehaald.5In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.6Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.7Kozakken-meisje.8De vrouw van een barin = heer.9Jonge wijn.10In het handschrift is deze brief in ’t Fransch aangehaald.11In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.12Eene lichte spijs, die altijd na gebruik van drank wordt gegeten.13In het handschrift in het Fransch aangehaald.14Iemand die alles durft en alles kan.15In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.16Het tijdschriftDe Tijdgenoot.17In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
In Pjatigorsk was Tolstoi eenigen tijd te zamen met zijne zuster Maria, die ook genezing voor hare rheumatiek kwam zoeken. Volgens haar deed hij in die dagen veel aan spiritisme en den tafeldans, soms zelfs op den boulevard, waarheen hij dan een tafeltje uit een café liet brengen.Tolstoi vertrok den 5enAugustus uit Pjatigorsk en keerde naar de stanitza terug.Onderweg schreef hij die belangwekkende gedachte neer die nu nog den grondslag van zijne wereldbeschouwing vormt:“De toekomst houdt ons meer bezig dan de werkelijkheid. Deze neiging is goed wanneer wij aan ons leven hiernamaals denken. Wijsheid is het in het heden te leven en zijn’ plicht te doen.”Den 7enAugustus, terug in Starogladowskaja, schreef hij, meegesleept door het patriarchale, eenvoudige leven der Kozakken, dat hem lief en tot eene gewoonte was geworden, in zijn dagboek:“De eenvoud is de deugd, die ik mij wensch eigen te maken boven alle andere.”Eindelijk, den 28enAugustus, kwam het lang verwachte antwoord van de redactie van denSawremjennik.“Met dezen brief was ik kinderlijk blij,” schreef Tolstoi in zijn dagboek.Hier volgt de inhoud van Njekrasoffs schrijven:“Geachte Heer!“Ik heb uw handschriftKinderjarenontvangen. Het is zóó belangrijk dat ik het zal laten drukken. Daar ik niet weet, hoe het vervolg zal zijn, kan ik nog niet beslist mijne meening zeggen, maar ik geloof, dat de schrijver talent heeft. In ieder geval verleenen de eenvoud en het natuurlijke der schildering aan het boek eene waarde, die men het niet kan ontnemen.“Als in het tweede gedeelte (hetgeen zich wel laat aanzien) een weinig meer leven en beweging komt, dan beloofthet een goede roman te worden. Ik verzoek u mij het vervolg te zenden. Uw roman zoowel als uw talent interesseeren mij. Nog zou ik u den raad willen geven niet onder initialen te schrijven, maar het werk onder uw’ eigen naam te laten verschijnen, ten minste zoo gij niet een toevallige gast in de literatuur zijt. Ik verwacht hierop antwoord.“Aanvaard de betuiging van mijne oprechte hoogachting.“N. Njekrasoff.”Op dezen brief volgde een tweede, d.d. 5 September 1852.“Geachte Heer!“Ik schreef u reeds over uw boek, maar nu reken ik het mijn plicht er nog eens op terug te komen. Ik liet het plaatsen in No. IX van denSawremjenniken bij oplettende lezing van de drukproef bevond ik dat het veel beter was dan ik aanvankelijk bij de lezing van het handschrift had gedacht. Ik kan nu beslist zeggen, dat de schrijver talent heeft. De zekerheid daarvan is, geloof ik, voor u, als beginneling, op ’t oogenblik van het grootste gewicht. Hedenavond verschijnt uw werk te Petersburg; ik zal u een nommer van denSawremjenniksturen, maar waarschijnlijk eerst over een week of drie. Wij hebben er iets, heel weinig, uit laten vervallen en niets bijgevoegd. Spoedig zal ik u nader berichten, maar vandaag heb ik geen tijd. In afwachting van uw antwoord verzoek ik u, indien gij het vervolg gereed hebt, het mij te zenden.“N. Njekrasoff.“Hoewel ik den naam van den auteur vermoed, vraag ik u dringend mij dien te willen noemen. Volgens voorschrift van de censuur moet ik dien weten.”Gezicht in het dorp Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Gezicht in het dorp Jasnaja Paljana.—Blz.57.Dezen brief kritiseert Tolstoi op de volgende wijze in zijn dagboek:“3 September. Ik ontving een brief van Njekrasoff. Lof—maar geen geld.”Geld nu had hij dringend noodig en hij had verwacht het voor zijn eerste werk te krijgen. Waarschijnlijk correspondeerde hij er met Njekrasoff over, want hij kreeg een derden brief van den volgenden inhoud:“St.-P. 30 Oct. 1852.“Geachte Heer!“Ik moet u om verontschuldiging vragen, dat ik u zoolang op antwoord heb laten wachten, maar ik heb het zeer druk. Om de volgende reden heb ik in mijn vorig schrijven over het honorarium gezwegen: het is bij de voornaamste uitgevers gebruik de eerste proeve van een jong talent niet te honoreeren, daar het tijdschrift hem de gelegenheid geeft het publiek met zijn werk te laten kennismaken. Daaraan hebben allen, die hun eersten literairen arbeid in denSawremjennikgeplaatst zagen, zich moeten onderwerpen, b.v. Gontscharoff, Droezjinin, Awdjejew, en anderen. Panajeff en ik hebben ons in onzen tijd daar ook in moeten schikken. Voor het vervolg bied ik u eene betaling aan, zoo hoog als slechts de beste van onzebellettristen(en dan nog zeer weinige) genieten, d.w.z. vijftig roebel voor iedere gedrukte bladzijde.“Ik heb met schrijven gewacht, omdat ik niet alleen op mijn eigen indruk wilde afgaan, maar eerst het oordeel van ’t publiek wilde vernemen; dit nu luidt zoo gunstig mogelijk en het verheugt mij zeer dat ik mij niet vergist heb; gaarne dus doe ik u bovengenoemd voorstel.“Laat mij dus daarop uw antwoord weten; in ieder geval zullen wij het er wel over eens worden. Daar uw werk succes heeft gehad, zal het ons zeer aangenaam zijn zoo spoedigmogelijk weer iets van uwe hand te plaatsen. Wees zoo goed te zenden wat gij klaar hebt. Ik had u het 9denummer van denSawremjennikwillen sturen, maar het was helaas uitverkocht; zoo gij het wenscht kan ik u een exemplaar van den misdruk sturen.“Nogmaals verzoek ik u dringend een roman of eene vertelling te sturen. In afwachting van uw antwoord verblijf ik“Uw Dw. Dr.,N. Njekrasoff.“P.S. Wij zijn verplicht den naam te kennen van den schrijver, wiens werken wij drukken; wil ons dien dus even melden. Desverlangd zal niemand behalve de redactie hem weten.”Op zijne gewone bescheiden wijze brengt Tolstoi zijne tante Tatjana op de hoogte van bovenvermelde gebeurtenissen.“Van de baden teruggekeerd heb ik, dank zij de manoeuvres, eene vrij vervelende maand doorgebracht. Marcheeren en schieten met kanonnen is niet zeer aangenaam, vooral omdat het mijne leefwijze geheel in de war bracht. Gelukkig heeft het niet lang geduurd en gaat alles weer zijn gewonen gang; ik jaag dus, schrijf, lees, en praat met Nikolaas. De jacht met het geweer begint nu meer in mijn’ smaak te vallen, en daar ik vrij goed schiet, besteed ik er iederen dag eenige uren aan. In Rusland kan men zich geen denkbeeld maken van ’t vele en goede wild, dat men hier vindt. Op 100 pas afstand ziet men soms faisanten en in den tijd van een half uurtje schiet ik er wel eens drie. Behalve het genoegen dat het mij verschaft is de beweging ook heel goed voor mijne gezondheid, die ondanks de bronnen te wenschen overlaat. Ik ben niet bepaald ziek, maar heb heel veel last van kou vatten. Nu is het keelpijn, dan weertandpijn die eeuwig aanhoudt, of rheumatiek, in één woord, twee dagen van de week moet ik zeker mijn kamer houden. Nu moet gij niet denken, dat ik iets voor u verberg; mijn gestel is, zooals het altijd geweest is, sterk maar gevoelig. Het volgende jaar denk ik weer naar de baden te trekken. Al ben ik niet geheel genezen, goed heeft het mij toch gedaan. Alle onaangenaams heeft toch ook zijn goede zijde. Wanneer ik ongesteld ben, dan werk ik des te geregelder aan een nieuwen roman, waarmee ik reeds ben begonnen. De eerste, dien ik naar Petersburg heb gestuurd, is onder den naamKinderjarenopgenomen in het Septembernummer van denSawremjennik(1852). Ik heb het onderteekend met de letters A. N. T. en niemand behalve Nikolaas weet wie de schrijver is. En ik zou ook niet willen dat men het wist.”17Tolstoi’s zuster, Maria Nikolajewna, vertelde mij van den indruk dien zijn werk op de familie en kennissen heeft gemaakt. De familie woonde op een landgoed dicht bij het buiten van Toerghenjeff, die dikwijls bij hen kwam. Eens bracht hij het bewuste nommer van denSawremjennikmee, sprak vol lof over het werk en den onbekenden schrijver en begon het voor te lezen. Vol verbazing luisterde Maria Nikolajewna naar het verhaal van de gebeurtenissen, die in haar eigen familie hadden plaats gegrepen. Zij kon maar niet begrijpen wie de intieme bijzonderheden uit hun leven zoo nauwkeurig kon weten. Het kwam geen seconde bij haar op, dat hun Ljewotschka (Leo) de schrijver kon zijn; wel had zij eenig vermoeden op Nikolaas, die in zijne jeugd een weinig aanleg voor literairen arbeid had vertoond en een uitstekend sprookjesverteller was. Klaarblijkelijk had tante Tatjana het haar toevertrouwde geheim goed weten te bewaren en werd heteerst door Tolstoi zelf na zijne terugkomst uit den Kaukasus geopenbaard.Te oordeelen naar den brief van Njekrasoff, was het verschijnen van Tolstoi’s eerste pennevrucht eene gebeurtenis in de Russische letterkundige wereld.Golowatschewa Panajewa beschrijft in hareHerinneringenden indruk, dien het boek op het publiek en op de toenmalige schrijvers maakte.“Het publiek was eenstemmig in zijn lof voor den nieuwen auteur en interesseerde zich er sterk voor, wie het toch wel zou zijn. In den letterkundigen kring betoonde men zich onverschillig, behalve Panajeff, die zóó in verrukking kwam overKinderjaren, dat hij een’ van zijne vrienden er iederen avond een paar bladzijden uit voorlas. Toerghenjeff plaagde hem daarmee en beweerde, dat de kennissen Panajeff op het Prospekt uit den weg gingen, uit angst dat hij hun daar zelfs eene voordracht zou houden uit het nieuwe boek, dat hij van buiten had geleerd.”Het duurde eenigen tijd voordat de kritiek zich met Tolstoi ging bemoeien.Eerst in 1854, toen zijn tweede werk:Jongensjarenverscheen, gaf Zjeljinski in deAtjetschestwjennija Zapiskieene nauwkeurige beoordeeling van de beide werken.Hier volgt het korte maar waardeerende artikel:“Kinderjaren, als eene aaneenschakeling van vrije dichterlijke voorstellingen, gaf den schrijver gelegenheid het heele landleven van zijn dichterlijk standpunt te beschouwen.“Hij koos uit dat leven alles wat indruk maakt op de kinderlijke verbeeldingskracht en op het kinderlijke verstand. Het talent nu van den schrijver is zóó groot, dat hij dit leven weet te schilderen zooals een knaap het ziet. Alles wat hem omringt, d.w.z. voor zoover het indruk maakt op een kind, komt in het boek voor, en daardoor staan alle hoofdstukkenop zichzelf, verbonden door één draad die door ’t geheele werk loopt, n.l. door de wereldbeschouwing van den knaap. Het groote talent van den schrijver blijkt ook nog uit het volgende. Het moet zeer moeilijk zijn om, schrijvende onder den invloed van kinderlijke indrukken, ook aan de niet kinderlijke gedachte een plaatsje in te ruimen, en dat is den auteur zoo volkomen gelukt, dat men na lezing van het boek alle personen voor zich ziet: den vader, de moeder, de njanja, den gouverneur, in één woord de geheele familie, en dan nog in het meest poëtische licht.”Naarmate de kring der lezers van denSawremjennikgrooter werd, groeide ook de belangstelling die het publiek den talentvollen, nog steeds onbekenden auteur betoonde. Dostajewski b.v. bevond zich in Siberië, toen de nommers, waarin Tolstoi’s vertellingen waren opgenomen, hem bereikten. Zij maakten zulk een diepen indruk op hem, dat hij een’ zijner kennissen verzocht, hem toch vooral den naam te schrijven van dien geheimzinnigen L. N. T.Maar die geheimzinnige L. N. T. wenschte zich nog niet bekend te maken en stond als iemand die er niets mee te maken had tegenover zijn succes.Zelfs tegen zijn’ broer Nikolaas en een’ vriend heeft Tolstoi langen tijd gezwegen.“Mijn broer Leo,” zoo schrijft gravin Sophie Tolstoi in hare aanteekeningen, “vertelde mij eens dat hij in den Kaukasus een nummer van deAtjetschestwjennija Zapiskiontving, waarin den onbekenden auteur vanKinderjarengroote lof werd toegezwaaid. ‘Ik lag,’ vertelde hij, ‘op de houten bank in mijne hut; Nikolaas en Ogolin waren bij mij toen het blad kwam. Ik begon te lezen en werd bijna dronken van vreugde, terwijl de tranen van verrukking mij in de oogen kwamen, en dacht: “niemand, zelfs niet zij die daar bij mij zijn, weet dat ik het ben die zoo wordt geprezen.”’”In October van dat zelfde jaar, hij bevond zich toen te Starogladowskaja, rijpte bij Tolstoi het plan een nieuwen roman,De Russische Landeigenaar, te gaan schrijven, waarvan de inhoud ongeveer op het volgende neer zou komen. De held van het verhaal zoekt eerst de verwezenlijking van zijn ideaal in het leven op het land. Als hij het daar niet vindt, zoekt hij het in het familieleven, om dan plotseling tot de overtuiging te komen, dat men, om gelukkig te zijn, steeds het geluk van anderen voor oogen moet hebben. Deze roman heeft helaas nooit het licht gezien, maar de gedachte vinden wij in veel van zijne latere werken terug.Tolstoi was, ondanks zijne aanzienlijke geboorte, niet gelukkig in zijn militaire loopbaan. Hij begon naar het einde te verlangen en wachtte slechts op zijne bevordering tot officier om zijn ontslag te nemen. Die bevordering kwam maar niet. Toen hij in dienst ging had hij gehoopt in anderhalf jaar officier te kunnen zijn, en daar kreeg hij in October, na bijna een jaar gediend te hebben, een schrijven waarin hem werd meegedeeld, dat hij om officier te worden nog drie jaren zou moeten wachten. De oorzaak, dat hij niet bevorderd werd, lag hierin, dat zijne papieren niet in orde waren.In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vinden we daaromtrent het volgende vermeld.“De bevordering van Leo Tolstoi tot officier en zijn geheele diensttijd kenmerkten zich door groote moeilijkheden en ging met vele teleurstellingen gepaard. Vóór zijn vertrek naar den Kaukasus woonde hij met zijne tante Tatjana op Jasnaja Paljana. Hij was heel veel samen met zijn’ broer Sergius, die zich in dien tijd sterk aangetrokken voelde tot de Zigeuners, hun leven en hun’ zang. Zij kwamen zelfs naar Jasnaja Paljana, zongen hunne liederen en benevelden het verstand der beide broeders. Toen Leo Tolstoi inzag, dat hij onder dezen invloed de domste dingen zou gaan doen, nam hij, zonder iemand teraadplegen en zonder zich om de noodige papieren te bekommeren, plotseling het besluit naar den Kaukasus te gaan.”Deze zorgeloosheid, of liever de minachting die hij had voor alles wat papieren heette, heeft hem heel wat onaangename oogenblikken bezorgd.Steeds wachtende op zijne bevordering schreef hij ten slotte een’ brief aan zijne tante Pelageja, die met de hulp van een hooggeplaatst ambtenaar zijne benoeming bewerkstelligde.Den 24enDecember van het zelfde jaar voltooide Tolstoi zijne vertellingDe Overrompeling, die hij weer naar denSawremjennikstuurde.In het jaar 1853 nam de batterij waarbij Tolstoi was ingedeeld deel aan den veldtocht tegen Schamil. Bovendien kwam hij den 18enFebruari van dat zelfde jaar nog in het vuur, waarbij hij aan een groot gevaar ontsnapte. Bij het richten van een kanon ontplofte eene vijandelijke granaat in zijne onmiddellijke nabijheid, vernielde het affuit, maar liet Tolstoi gelukkig geheel ongedeerd.Den eersten April keerde hij met zijn regiment weer naar Starogladowskaja terug.Reeds bij zijne eerste schrede op het gebied der literaire werkzaamheid kwam Tolstoi in botsing met den halsstarrig standhoudenden, niet te verwrikken hinderpaal, die nu reeds twee eeuwen de vrije ontwikkeling van de Russische gedachte en van de Russische kunst tegenhoudt, met de zich zoo noemende censuur.In een’ brief aan zijn’ broer Sergius schrijft hij hierover:“Ik heb haast, neem het dus niet kwalijk zoo de brief kort en verward wordt.Kinderjarenis geheel bedorven enDe Overrompelingis ook mishandeld door de censuur. Al hetgeen er goed in was is geschrapt of verminkt.“Ik heb mijn ontslag ingediend en hoop na eenigen tijd,d.w.z.na ongeveer anderhalve maand, als een vrij man naar Pjatigorsk en vandaar naar Rusland te reizen.”Dit ontslag nemen ging echter niet zoo gemakkelijk. In hetzelfde jaar 1853 was Tolstoi nog eens aan een groot gevaar blootgesteld en ontsnapte hij zelfs ternauwernood aan de gevangenschap.Paltoratzki vertelt van die gebeurtenissen:“Den 13enJuni 1853 bracht ik een convooi naar Groznaja. Wij waren reeds eenigen tijd op weg, toen ik plotseling op eene hoogte een’ troep van ongeveer vijfentwintig vijandelijke Tschetschentzen ontdekte, die als een wervelwind van een heuvel naar beneden renden. Ik haastte mij naar het hoofd van de kolonne, een salvo van vijandelijke geweerschoten liet zich reeds hooren en ook mijne manschappen hadden reeds den vinger aan den trekker.“‘Halt, schiet niet, de onzen zijn er bij!’ riep ik plotseling uit al mijn kracht, en gelukkig kon ik het vuren nog voorkomen. Nauwelijks had ik den tijd gehad een gedeelte van den troep bevel te geven er in stormpas op in te gaan, toen ik de Tschetschentzen reeds weer in de steppen zag verdwijnen, waarop wij hun een paar schoten nazonden. Op dat oogenblik kwam baron Rozen, wit als een doode, in razende vaart op ons toe rijden, direct gevolgd door een paard zonder berijder. Aan het zadel zagen we dat het een’ artillerie-officier toebehoorde. Even daarna verscheen van achter de struiken langs den weg Schtscherbatschjeff, de eigenaar van het paard. Hij was een bijzonder knappe, sterke jonge man, die eerst sedert een paar maanden de krijgsschool had verlaten. Langzaam maar met vaste schreden kwam hij naar ons toe, rechtop, zonder geluid te geven, zoodat wij eerst geen vermoeden hadden hoe zwaar gewond de arme jongen was. Het bloed stroomde letterlijk uit zijne wonden.“Bij de kolonne bevond zich geen dokter, zoodat de barbiersvoorloopig hulp moesten verleenen en een van hen legde handig en vlug het eerste verband. Onderwijl had baron Rozen zich een weinig hersteld en vertelde, dat hij met nog vier anderen vooruit was gereden. Toen zij werden overvallen waren graaf Tolstoi, Paul Paltoratzki (een neef van den schrijver) en de tartaar Sado doorgerend, waarschijnlijk in de hoop Groznaja te bereiken, terwijl hij en Schtscherbatschjeff hun paarden hadden gewend en spoorslags waren teruggereden.“‘Uwe Hoogheid,’ onderbrak hier een soldaat, die boven op een hooiwagen lag, het verhaal, ‘daarginder op den weg ligt nog iemand en ik geloof dat hij zich beweegt.’“‘Voorwaarts, looppas!’ beval ik, en zelf stormde ik reeds weg. Op vijftig schreden afstand lag een dood paard en daaronder mijn neef Paul. Vreeselijk kermend smeekte hij wanhopig hem van het doode dier te bevrijden. Ik sprong van het paard, wierp een’ Kozak de teugels toe, en met bovenmenschelijke kracht trok ik met één greep het doode dier op zij en bevrijdde den armen lijder, die daar vreeselijk verminkt neerlag.“Zijne wonden waren hem met een’ sabel toegebracht. Hij had drie sneden over zijn hoofd, zijn schouder was geheel gekerfd en vaneen gereten. Ik liet de geheele kolonne aanrukken, begon zelf reeds het eerste verband te leggen en gaf bevel eene draagbaar gereed te maken.“Dit alles had zich in een paar minuten afgespeeld en wij hadden nauwelijks den tijd gehad onze gewonden te verbinden, toen ook reeds een kleine afdeeling kavallerie uit Groznaja, kwam aanrennen. De opperbevelhebber, in de meening dat de troep in de beste orde opmarcheerde en dat de Tschetschentzen zich reeds hadden teruggetrokken, vond het niet noodig hen te vervolgen en zond de naderende kolonne slechts een paar ruiters te gemoet. Met vereende krachten werd eene draagbaar gemaakt, met soldatenjassen bedekt, de gewonden werden zoo voorzichtig mogelijk erop gelegd en verder ginghet weer naar Groznaja, dat wij reeds tot op korten afstand waren genaderd.“De ruiters brachten de goede tijding mee dat graaf Tolstoi en de Tartaar Sado aan de vervolging waren ontkomen en ongedeerd de vesting hadden bereikt.“Het vijftal, dat ter nauwernood aan den dood was ontsnapt, wilde vóór de kolonne te Groznaja zijn en was daarom vooruitgereden, iets dat, ondanks streng verbod, in den Kaukasus maar al te dikwijls voorkwam.“Onze vijf jongelui nu besloten, toen zij een honderd schreden vooruit waren, zich, met het oog op de veiligheid, in twee groepen te verdeden. Graaf Tolstoi en Sado zouden bovenlangs gaan, de drie anderen den lagen weg houden.“Nauwelijks boven gekomen zagen zij plotseling uit een bosch de Tschetschentzen recht op zich aanstormen. Tolstoi schreeuwde zijne kameraden nog toe, dat de vijand er aankwam, en daar zij zelfs geen tijd meer hadden terug te keeren, vlogen zij zoo snel hun paarden loopen wilden den weg op naar de vesting. De anderen, die beneden waren gebleven, geloofden het eerst niet en verloren daardoor eenige kostbare minuten. Toen de Tschetschentzen (waarvan er zich zeven hadden afgescheiden om Tolstoi en Sado te vervolgen) verschenen, wierp baron Rozen snel als de gedachte zijn paard om en stormde terug naar de kolonne, die hij ook ongedeerd bereikte. Schtscherbatscheff rende hem achterna, maar zijn paard was niet zoo vlug, de vijand haalde hem in, verwondde hem en sloeg hem van het paard, maar toch gelukte het hem nog te voet de kolonne te bereiken. Het slechtst van allen was Paul er aan toe. Hij wilde instinctief vooruit naar Groznaja, maar bedacht zich dat zijn jong paard hem er niet zou brengen. Hij keerde dus terug, stootte op den vijand en trachtte nog (hij verloor geheel zijne zelfbeheersching, zooals hij zelf bekende) zich met getrokken sabel een weg te banen,dwars door den vijand heen. Maar een van de bergbewoners, een uitstekend schutter, liet hem tot op eenige passen naderen, en mikte toen op zijn paard, dat dadelijk dood neerviel en boven op zijn berijder kwam te liggen. De Tschetschentz trok Paul de sabel met zilveren gevest uit de hand en wilde hem ook de scheede afrukken toen hij moest vluchten voor de nadering der troepen, maar niet voordat hij Paul een’ sabelhouw had gegeven. Dit voorbeeld volgden nog zes anderen, en zoo vonden wij hem, bloedend uit zeven wonden, onder het doode paard.”In deHerinneringenvan S. A. Bjers lezen wij van deze gebeurtenis het volgende:“De goedgezinde Tschetschentz Sado en Tolstoi waren groote vrienden. Sado had een jong paard gekocht, dat hij, na het eenigen tijd te hebben bereden, Tolstoi eens liet probeeren, terwijl hij zelf diens telganger, die niet zoo goed kon galoppeeren, besteeg. Dit was juist gebeurd toen de Tschetschentzen hen overvielen. Tolstoi, die de kans had op het vlugge paard te ontsnappen, liet zijn vriend niet in den steek. Sado ging, als alle bergbewoners, nooit uit zonder buks, maar die was nu helaas niet geladen. Toch richtte hij haar op de vervolgers, in de hoop hun vrees aan te jagen. Dezen, van hun’ kant, schoten ook niet omdat zij hen levend gevangen wilden nemen, om zich op Sado, een’ afvallige, te kunnen wreken. Deze omstandigheid redde hun het leven. In de nabijheid van Groznaja kreeg een schildwacht hen in ’t oog, en op diens alarm kwam er hulp opdagen, waardoor de vijand gedwongen werd de vervolging te staken.”Deze gebeurtenis heeft de stof geleverd voor Tolstoi’s vertellingDe Kaukasische Gevangene.Ondanks het woeste krijgsmansleven en het feit dat er nog oogenblikken kwamen waarin Tolstoi zich geheel aangenot en spel overgaf, ging zijne geestesontwikkeling met reuzenschreden vooruit.Korten tijd na de bovenbeschreven episode schreef hij de volgende gedachten neer:“Wees oprecht, zelfs al moet gij scherp zijn, maar vrees niet kinderlijk openhartig waar dit niet vereischt wordt.”“Onthoud u van wijn en vrouwen.”“Het genot duurt zoo kort—het berouw zoo lang.”“Doe het werk dat gij verricht nooit ten halve. Tracht u bij iedere sterke aandoening te beheerschen en zoo gij u iets hebt voorgenomen, breng het ten uitvoer, zelfs als het niet goed is.”Tolstoi reisde in Juni van ’t jaar ’53 weer naar Pjatigorsk, bleef daar tot October en kwam weer in Starogladowskaja terug. Klaarblijkelijk begon de dienst hem danig te vervelen en ongeduldig verlangde hij naar eene verandering in zijn leven. Onder den indruk daarvan schreef hij uit Pjatigorsk aan zijn’ broer:“Ik heb je, geloof ik, reeds geschreven dat ik mijn ontslag heb aangevraagd. Of ik het krijg en wanneer, vooral met het oog op den oorlog met Turkije, mag de hemel weten. Ik maak er mij erg ongerust over, want ik vrees—in den dienst is alles mogelijk—dat ik weer naar Starogladowskaja zal moeten gaan, en ik had mij reeds geheel aan de gedachte gewend, spoedig naar ons dorp terug te keeren.”Dezelfde stemming spreekt uit een’ brief geschreven te Starogladowskaja in December 1853:“Ik bid je, maak zoo spoedig mogelijk werk van mijne papieren. ’t Is noodzakelijk. God alleen weet wanneer ik terug zal keeren! ’t Is nu bijna een jaar dat ik niets liever zou wenschen dan de sabel in de scheede te steken, maar ikkan het niet. Nu ik evenwel toch gedwongen ben aan den oorlog deel te nemen, wil ik nog liever naar Turkije gaan dan hier blijven, hetgeen ik dan ook vorst Sergius Dmitrijewitsch gevraagd heb. Hij heeft het zijn’ broeder reeds geschreven, maar of er iets van komt weet hij niet.“In ieder geval hoop ik, dat er tegen Nieuwjaar verandering in mijn leven zal komen, want ik moet bekennen dat het mij ontzettend begint te vervelen. Domme officieren, domme gesprekken en anders niets. Als ik nog maar één mensch had met wien ik vertrouwelijk kon spreken. Toerghenjeff had gelijk toen hij beweerde, dat het niet goed is eenzaam te zijn; men voelt dat men achteruit gaat.“Hoewel Nikolaas, de hemel mag weten waarom, de goede honden heeft meegenomen (Jepischka en ik schelden hem er in gedachten dikwijls om uit) ga ik iederen dag, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, met een’ anderen hond op de jacht. En dat is mijn eenige genoegen, of liever, geen genoegen maar een verdoovingsmiddel. Je draaft heen en weer, je krijgt honger, je wordt moe en de dag is voorbij. Als er gelegenheid toe is, of als gij zelf naar Moskou gaat, koop mij danDavid Copperfieldvan Dickens in het Engelsch en stuur het mij met mijn Engelsch woordenboek dat in mijn boekenkast staat.”In dezen tijd schreef TolstoiJongensjaren, dat hij ook weer naar denSawremjennikstuurde, maar met een ontevreden gevoel van te haastig te hebben gewerkt. Ook hield hij zich onledig met het lezen van eene biografie van Schiller.Teruggekeerd van een kort reisje naar Chasaf-Joert schreef hij in zijn dagboek:“Alle gebeden die ik vroeger tot God richtte heb ik vervangen door het eene ‘Onze Vader.’ Alles wat ik Hem wil vragen wordt het waardigst uitgedrukt door de woorden: ‘Heer, Uw wil geschiede, zooals in den hemel alzoo ook op aarde.’”In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vonden we nog eene gebeurtenis uit zijn leven in den Kaukasus beschreven, n.l. hoe het kwam dat het kruis van St. George hem ontging.“Tolstoi was, zooals de lezer weet, reeds eenige malen in ’t gevecht geweest en hij hoopte vurig nog eens het kruis van St. George te ontvangen. Zijn commandant was zeer met hem ingenomen; er bestond dus wel kans dat die droom verwezenlijkt zou worden. Nadat er eens weer een gevecht had plaats gevonden, werden er eenige kruisen gestuurd, die den volgenden dag zouden worden uitgereikt. Nu gebeurde het dat Tolstoi den avond van te voren dienst moest doen op het eiland waar de kanonnen stonden. Ongelukkig voor hem liet hij zich tot een partij schaak overhalen, en zooals hij zich door alles liet meesleepen ging het ook nu: hij bleef tot midden in den nacht bij het spel en ging niet op wacht. De dienstdoende officier, die hem niet op zijn post vond, onderhield hem streng over zijn verzuim en stuurde hem in arrest.“Den volgenden dag werden, terwijl de muziek speelde, de kruisen uitgereikt. Tolstoi wist, dat hij er ook een zou hebben gekregen, en daar zat hij nu in arrest en kwam bijna tot vertwijfeling.”Nog eenmaal heeft hij eene kans gehad het kruis te verkrijgen, doch dit liep, hoewel meer eervol, ook op niets uit.De overste Alexejeff wendde zich even vóor de uitreiking der kruisen met de volgende woorden tot Tolstoi: “Gij weet, dat het kruis van St. George voornamelijk aan oude soldaten wordt uitgereikt, die dan tevens recht krijgen op een levenslang pensioen, dat evenveel bedraagt als hun salaris. Ook wordt het kruis uitgereikt aan jonge mannen, die door hun chefs geprotegeerd worden. Hoe meer dit laatste geval zich voordoet, des te meer wordt het onthouden aan oude soldaten, die het verdienden te ontvangen. Zoo gij het verlangt, zal iku het kruis geven, maar zoo gij er afstand van doet, dan is hier een oude, waardige soldaat, die het verdiend heeft en voor wien het tevens een middel van bestaan is.” Natuurlijk wenschte Tolstoi, hoewel hij er zeer naar verlangd had, het kruis nu niet meer te ontvangen, en eene andere gelegenheid om het te verdienen deed zich niet meer voor.Nu laten wij nog eenige bladzijden uit deHerinneringenvan den officier Janzjoel volgen, die in 1871 in Starogladowskaja gedetacheerd was, waar hij nog versche sporen vond van Tolstoi’s verblijf aldaar.“In 1871 werd ik als officier naar Starogladowskaja gezonden en kwam bij dezelfde batterij te staan, waar ook graaf Leo Tolstoi gediend had. In de twee jaren, die ik daar gewoond heb, had ik de gelegenheid het plaatsje goed te leeren kennen, de typische vriendelijke huisjes, de moedige Kozakken, het kommandantshuis met de hooge, oude populieren, alles door Tolstoi beschreven in zijne vertellingDe Kozakken. In mijn’ tijd was de herinnering aan Leo Nikolajewitsch, zooals hij daar genoemd werd, nog levendig gebleven. Men wees mij o.a. de nu oude Mariana, de heldin van zijn verhaal, en eenige oude Kozakken, die Tolstoi persoonlijk gekend hadden en met wie hij dikwijls op de faisanten- en wilde-zwijnenjacht was geweest. Een van deze jagers ging in 1880 te paard naar Jasnaja Paljana, om hem nog eens weer te zien. Ook trof ik er nog een zekeren kapitein Troloff (sinds dien overleden) die Tolstoi heel goed gekend had en zich nog de boeiende wijze van vertellen herinnerde, waarmee hij iedereen meesleepte.”Janzjoel geeft ook nog eene karakteristieke beschrijving van Tolstoi’s bataillons-commandant. Nikita Petrowitsch Alexejeff, de batterij commandant van graaf Leo Tolstoi, werd om zijne goedhartigheid door iedereen geacht en bemind. Hij bezat maar één oor (het andere had een paard hem afgebeten), hadaan de universiteit gestudeerd en was zeer godsdienstig, zoodat hij uren lang geknield in de kerk kon liggen met zijn hoofd ter aarde gebogen.Leo Tolstoi en zijn broeder Sergius (links), omstreeks den tijd dat deze herinneringen werden geschreven.—Blz. 83.Leo Tolstoi en zijn broeder Sergius (links), omstreeks den tijd dat deze herinneringen werden geschreven.—Blz.83.Hij kon het nooit rustig aanzien dat de officieren wodka dronken en vooral niet als het jongelui waren. Volgens de gebruiken van den goeden ouden tijd aten zij iederen dag bij hun’ commandant aan tafel en dan deed Leo Tolstoi dikwijls, echt kwajongensachtig, alsof hij wodka dronk. Nikita Petrowitsch raadde hem dan telkens ernstig aan dat wodka drinken te laten en liever, zooals hij, bonbons te eten.De beschrijving van Tolstoi’s leven in den Kaukasus zou niet volledig zijn, wanneer wij nog niet even herinnerden aan twee goede kameraden van hem, de honden Boelka en Milton, die hij beschreven heeft inBoekjes om te lezen, een verhaal dat ieder Russisch schoolkind kent.Eindelijk, na lang wachten, kreeg Tolstoi zijne aanstelling tot officier. Den 18enJanuari 1854 deed hij het officiersexamen, hetgeen in die dagen maar bloot een vorm was, en maakte hij zich voor zijn vertrek gereed.Reeds den 19enJanuari bereikte hij de Russische grens en kwam, na een reis van ongeveer twee weken, te Jasnaja Paljana aan. Onderweg werd hij door een heftigen sneeuwstorm overvallen, die hem waarschijnlijk tot stof heeft gediend voor een zijner vertellingen.Den korten tijd dien hij in Rusland bleef bracht hij door bij zijne broers, zijne tante en zijn’ vriend Pjerfiljeff.Zijne overplaatsing in het leger dat naar den Donau werd gezonden wachtte hem reeds; spoedig moest hij dus weer vertrekken en zoo vinden wij hem den 14 Maart 1854 te Boecharest.Als gepast slot van dit hoofdstuk laten wij nog Tolstoi’s tegenwoordige meening volgen over zijn leven in den Kaukasus.Met groot genoegen denkt hij steeds aan dien tijd terug en noemt dien, ondanks de vele afdwalingen van zijn toen nog vaag gevoeld ideaal, een der beste tijdperken van zijn leven. Zijn latere diensttijd heeft hem, naar hij meent, vooral wat zijne letterkundige werkzaamheid betreft, naar omlaag getrokken.Eerst nadat hij in zijn dorp was teruggekeerd en toen hij al zijne krachten inspande om verbetering te brengen in het onderwijs aan het dorpskind, kon zijn geest zich weer verheffen en voelde hij zich als herboren.1In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.2In ’t handschrift wordt deze brief in ’t Fransch aangehaald.3Kamp.4Deze brief is in ’t handschrift in ’t Fransch aangehaald.5In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.6Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.7Kozakken-meisje.8De vrouw van een barin = heer.9Jonge wijn.10In het handschrift is deze brief in ’t Fransch aangehaald.11In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.12Eene lichte spijs, die altijd na gebruik van drank wordt gegeten.13In het handschrift in het Fransch aangehaald.14Iemand die alles durft en alles kan.15In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.16Het tijdschriftDe Tijdgenoot.17In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
In Pjatigorsk was Tolstoi eenigen tijd te zamen met zijne zuster Maria, die ook genezing voor hare rheumatiek kwam zoeken. Volgens haar deed hij in die dagen veel aan spiritisme en den tafeldans, soms zelfs op den boulevard, waarheen hij dan een tafeltje uit een café liet brengen.Tolstoi vertrok den 5enAugustus uit Pjatigorsk en keerde naar de stanitza terug.Onderweg schreef hij die belangwekkende gedachte neer die nu nog den grondslag van zijne wereldbeschouwing vormt:“De toekomst houdt ons meer bezig dan de werkelijkheid. Deze neiging is goed wanneer wij aan ons leven hiernamaals denken. Wijsheid is het in het heden te leven en zijn’ plicht te doen.”Den 7enAugustus, terug in Starogladowskaja, schreef hij, meegesleept door het patriarchale, eenvoudige leven der Kozakken, dat hem lief en tot eene gewoonte was geworden, in zijn dagboek:“De eenvoud is de deugd, die ik mij wensch eigen te maken boven alle andere.”Eindelijk, den 28enAugustus, kwam het lang verwachte antwoord van de redactie van denSawremjennik.“Met dezen brief was ik kinderlijk blij,” schreef Tolstoi in zijn dagboek.Hier volgt de inhoud van Njekrasoffs schrijven:“Geachte Heer!“Ik heb uw handschriftKinderjarenontvangen. Het is zóó belangrijk dat ik het zal laten drukken. Daar ik niet weet, hoe het vervolg zal zijn, kan ik nog niet beslist mijne meening zeggen, maar ik geloof, dat de schrijver talent heeft. In ieder geval verleenen de eenvoud en het natuurlijke der schildering aan het boek eene waarde, die men het niet kan ontnemen.“Als in het tweede gedeelte (hetgeen zich wel laat aanzien) een weinig meer leven en beweging komt, dan beloofthet een goede roman te worden. Ik verzoek u mij het vervolg te zenden. Uw roman zoowel als uw talent interesseeren mij. Nog zou ik u den raad willen geven niet onder initialen te schrijven, maar het werk onder uw’ eigen naam te laten verschijnen, ten minste zoo gij niet een toevallige gast in de literatuur zijt. Ik verwacht hierop antwoord.“Aanvaard de betuiging van mijne oprechte hoogachting.“N. Njekrasoff.”Op dezen brief volgde een tweede, d.d. 5 September 1852.“Geachte Heer!“Ik schreef u reeds over uw boek, maar nu reken ik het mijn plicht er nog eens op terug te komen. Ik liet het plaatsen in No. IX van denSawremjenniken bij oplettende lezing van de drukproef bevond ik dat het veel beter was dan ik aanvankelijk bij de lezing van het handschrift had gedacht. Ik kan nu beslist zeggen, dat de schrijver talent heeft. De zekerheid daarvan is, geloof ik, voor u, als beginneling, op ’t oogenblik van het grootste gewicht. Hedenavond verschijnt uw werk te Petersburg; ik zal u een nommer van denSawremjenniksturen, maar waarschijnlijk eerst over een week of drie. Wij hebben er iets, heel weinig, uit laten vervallen en niets bijgevoegd. Spoedig zal ik u nader berichten, maar vandaag heb ik geen tijd. In afwachting van uw antwoord verzoek ik u, indien gij het vervolg gereed hebt, het mij te zenden.“N. Njekrasoff.“Hoewel ik den naam van den auteur vermoed, vraag ik u dringend mij dien te willen noemen. Volgens voorschrift van de censuur moet ik dien weten.”Gezicht in het dorp Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Gezicht in het dorp Jasnaja Paljana.—Blz.57.Dezen brief kritiseert Tolstoi op de volgende wijze in zijn dagboek:“3 September. Ik ontving een brief van Njekrasoff. Lof—maar geen geld.”Geld nu had hij dringend noodig en hij had verwacht het voor zijn eerste werk te krijgen. Waarschijnlijk correspondeerde hij er met Njekrasoff over, want hij kreeg een derden brief van den volgenden inhoud:“St.-P. 30 Oct. 1852.“Geachte Heer!“Ik moet u om verontschuldiging vragen, dat ik u zoolang op antwoord heb laten wachten, maar ik heb het zeer druk. Om de volgende reden heb ik in mijn vorig schrijven over het honorarium gezwegen: het is bij de voornaamste uitgevers gebruik de eerste proeve van een jong talent niet te honoreeren, daar het tijdschrift hem de gelegenheid geeft het publiek met zijn werk te laten kennismaken. Daaraan hebben allen, die hun eersten literairen arbeid in denSawremjennikgeplaatst zagen, zich moeten onderwerpen, b.v. Gontscharoff, Droezjinin, Awdjejew, en anderen. Panajeff en ik hebben ons in onzen tijd daar ook in moeten schikken. Voor het vervolg bied ik u eene betaling aan, zoo hoog als slechts de beste van onzebellettristen(en dan nog zeer weinige) genieten, d.w.z. vijftig roebel voor iedere gedrukte bladzijde.“Ik heb met schrijven gewacht, omdat ik niet alleen op mijn eigen indruk wilde afgaan, maar eerst het oordeel van ’t publiek wilde vernemen; dit nu luidt zoo gunstig mogelijk en het verheugt mij zeer dat ik mij niet vergist heb; gaarne dus doe ik u bovengenoemd voorstel.“Laat mij dus daarop uw antwoord weten; in ieder geval zullen wij het er wel over eens worden. Daar uw werk succes heeft gehad, zal het ons zeer aangenaam zijn zoo spoedigmogelijk weer iets van uwe hand te plaatsen. Wees zoo goed te zenden wat gij klaar hebt. Ik had u het 9denummer van denSawremjennikwillen sturen, maar het was helaas uitverkocht; zoo gij het wenscht kan ik u een exemplaar van den misdruk sturen.“Nogmaals verzoek ik u dringend een roman of eene vertelling te sturen. In afwachting van uw antwoord verblijf ik“Uw Dw. Dr.,N. Njekrasoff.“P.S. Wij zijn verplicht den naam te kennen van den schrijver, wiens werken wij drukken; wil ons dien dus even melden. Desverlangd zal niemand behalve de redactie hem weten.”Op zijne gewone bescheiden wijze brengt Tolstoi zijne tante Tatjana op de hoogte van bovenvermelde gebeurtenissen.“Van de baden teruggekeerd heb ik, dank zij de manoeuvres, eene vrij vervelende maand doorgebracht. Marcheeren en schieten met kanonnen is niet zeer aangenaam, vooral omdat het mijne leefwijze geheel in de war bracht. Gelukkig heeft het niet lang geduurd en gaat alles weer zijn gewonen gang; ik jaag dus, schrijf, lees, en praat met Nikolaas. De jacht met het geweer begint nu meer in mijn’ smaak te vallen, en daar ik vrij goed schiet, besteed ik er iederen dag eenige uren aan. In Rusland kan men zich geen denkbeeld maken van ’t vele en goede wild, dat men hier vindt. Op 100 pas afstand ziet men soms faisanten en in den tijd van een half uurtje schiet ik er wel eens drie. Behalve het genoegen dat het mij verschaft is de beweging ook heel goed voor mijne gezondheid, die ondanks de bronnen te wenschen overlaat. Ik ben niet bepaald ziek, maar heb heel veel last van kou vatten. Nu is het keelpijn, dan weertandpijn die eeuwig aanhoudt, of rheumatiek, in één woord, twee dagen van de week moet ik zeker mijn kamer houden. Nu moet gij niet denken, dat ik iets voor u verberg; mijn gestel is, zooals het altijd geweest is, sterk maar gevoelig. Het volgende jaar denk ik weer naar de baden te trekken. Al ben ik niet geheel genezen, goed heeft het mij toch gedaan. Alle onaangenaams heeft toch ook zijn goede zijde. Wanneer ik ongesteld ben, dan werk ik des te geregelder aan een nieuwen roman, waarmee ik reeds ben begonnen. De eerste, dien ik naar Petersburg heb gestuurd, is onder den naamKinderjarenopgenomen in het Septembernummer van denSawremjennik(1852). Ik heb het onderteekend met de letters A. N. T. en niemand behalve Nikolaas weet wie de schrijver is. En ik zou ook niet willen dat men het wist.”17Tolstoi’s zuster, Maria Nikolajewna, vertelde mij van den indruk dien zijn werk op de familie en kennissen heeft gemaakt. De familie woonde op een landgoed dicht bij het buiten van Toerghenjeff, die dikwijls bij hen kwam. Eens bracht hij het bewuste nommer van denSawremjennikmee, sprak vol lof over het werk en den onbekenden schrijver en begon het voor te lezen. Vol verbazing luisterde Maria Nikolajewna naar het verhaal van de gebeurtenissen, die in haar eigen familie hadden plaats gegrepen. Zij kon maar niet begrijpen wie de intieme bijzonderheden uit hun leven zoo nauwkeurig kon weten. Het kwam geen seconde bij haar op, dat hun Ljewotschka (Leo) de schrijver kon zijn; wel had zij eenig vermoeden op Nikolaas, die in zijne jeugd een weinig aanleg voor literairen arbeid had vertoond en een uitstekend sprookjesverteller was. Klaarblijkelijk had tante Tatjana het haar toevertrouwde geheim goed weten te bewaren en werd heteerst door Tolstoi zelf na zijne terugkomst uit den Kaukasus geopenbaard.Te oordeelen naar den brief van Njekrasoff, was het verschijnen van Tolstoi’s eerste pennevrucht eene gebeurtenis in de Russische letterkundige wereld.Golowatschewa Panajewa beschrijft in hareHerinneringenden indruk, dien het boek op het publiek en op de toenmalige schrijvers maakte.“Het publiek was eenstemmig in zijn lof voor den nieuwen auteur en interesseerde zich er sterk voor, wie het toch wel zou zijn. In den letterkundigen kring betoonde men zich onverschillig, behalve Panajeff, die zóó in verrukking kwam overKinderjaren, dat hij een’ van zijne vrienden er iederen avond een paar bladzijden uit voorlas. Toerghenjeff plaagde hem daarmee en beweerde, dat de kennissen Panajeff op het Prospekt uit den weg gingen, uit angst dat hij hun daar zelfs eene voordracht zou houden uit het nieuwe boek, dat hij van buiten had geleerd.”Het duurde eenigen tijd voordat de kritiek zich met Tolstoi ging bemoeien.Eerst in 1854, toen zijn tweede werk:Jongensjarenverscheen, gaf Zjeljinski in deAtjetschestwjennija Zapiskieene nauwkeurige beoordeeling van de beide werken.Hier volgt het korte maar waardeerende artikel:“Kinderjaren, als eene aaneenschakeling van vrije dichterlijke voorstellingen, gaf den schrijver gelegenheid het heele landleven van zijn dichterlijk standpunt te beschouwen.“Hij koos uit dat leven alles wat indruk maakt op de kinderlijke verbeeldingskracht en op het kinderlijke verstand. Het talent nu van den schrijver is zóó groot, dat hij dit leven weet te schilderen zooals een knaap het ziet. Alles wat hem omringt, d.w.z. voor zoover het indruk maakt op een kind, komt in het boek voor, en daardoor staan alle hoofdstukkenop zichzelf, verbonden door één draad die door ’t geheele werk loopt, n.l. door de wereldbeschouwing van den knaap. Het groote talent van den schrijver blijkt ook nog uit het volgende. Het moet zeer moeilijk zijn om, schrijvende onder den invloed van kinderlijke indrukken, ook aan de niet kinderlijke gedachte een plaatsje in te ruimen, en dat is den auteur zoo volkomen gelukt, dat men na lezing van het boek alle personen voor zich ziet: den vader, de moeder, de njanja, den gouverneur, in één woord de geheele familie, en dan nog in het meest poëtische licht.”Naarmate de kring der lezers van denSawremjennikgrooter werd, groeide ook de belangstelling die het publiek den talentvollen, nog steeds onbekenden auteur betoonde. Dostajewski b.v. bevond zich in Siberië, toen de nommers, waarin Tolstoi’s vertellingen waren opgenomen, hem bereikten. Zij maakten zulk een diepen indruk op hem, dat hij een’ zijner kennissen verzocht, hem toch vooral den naam te schrijven van dien geheimzinnigen L. N. T.Maar die geheimzinnige L. N. T. wenschte zich nog niet bekend te maken en stond als iemand die er niets mee te maken had tegenover zijn succes.Zelfs tegen zijn’ broer Nikolaas en een’ vriend heeft Tolstoi langen tijd gezwegen.“Mijn broer Leo,” zoo schrijft gravin Sophie Tolstoi in hare aanteekeningen, “vertelde mij eens dat hij in den Kaukasus een nummer van deAtjetschestwjennija Zapiskiontving, waarin den onbekenden auteur vanKinderjarengroote lof werd toegezwaaid. ‘Ik lag,’ vertelde hij, ‘op de houten bank in mijne hut; Nikolaas en Ogolin waren bij mij toen het blad kwam. Ik begon te lezen en werd bijna dronken van vreugde, terwijl de tranen van verrukking mij in de oogen kwamen, en dacht: “niemand, zelfs niet zij die daar bij mij zijn, weet dat ik het ben die zoo wordt geprezen.”’”In October van dat zelfde jaar, hij bevond zich toen te Starogladowskaja, rijpte bij Tolstoi het plan een nieuwen roman,De Russische Landeigenaar, te gaan schrijven, waarvan de inhoud ongeveer op het volgende neer zou komen. De held van het verhaal zoekt eerst de verwezenlijking van zijn ideaal in het leven op het land. Als hij het daar niet vindt, zoekt hij het in het familieleven, om dan plotseling tot de overtuiging te komen, dat men, om gelukkig te zijn, steeds het geluk van anderen voor oogen moet hebben. Deze roman heeft helaas nooit het licht gezien, maar de gedachte vinden wij in veel van zijne latere werken terug.Tolstoi was, ondanks zijne aanzienlijke geboorte, niet gelukkig in zijn militaire loopbaan. Hij begon naar het einde te verlangen en wachtte slechts op zijne bevordering tot officier om zijn ontslag te nemen. Die bevordering kwam maar niet. Toen hij in dienst ging had hij gehoopt in anderhalf jaar officier te kunnen zijn, en daar kreeg hij in October, na bijna een jaar gediend te hebben, een schrijven waarin hem werd meegedeeld, dat hij om officier te worden nog drie jaren zou moeten wachten. De oorzaak, dat hij niet bevorderd werd, lag hierin, dat zijne papieren niet in orde waren.In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vinden we daaromtrent het volgende vermeld.“De bevordering van Leo Tolstoi tot officier en zijn geheele diensttijd kenmerkten zich door groote moeilijkheden en ging met vele teleurstellingen gepaard. Vóór zijn vertrek naar den Kaukasus woonde hij met zijne tante Tatjana op Jasnaja Paljana. Hij was heel veel samen met zijn’ broer Sergius, die zich in dien tijd sterk aangetrokken voelde tot de Zigeuners, hun leven en hun’ zang. Zij kwamen zelfs naar Jasnaja Paljana, zongen hunne liederen en benevelden het verstand der beide broeders. Toen Leo Tolstoi inzag, dat hij onder dezen invloed de domste dingen zou gaan doen, nam hij, zonder iemand teraadplegen en zonder zich om de noodige papieren te bekommeren, plotseling het besluit naar den Kaukasus te gaan.”Deze zorgeloosheid, of liever de minachting die hij had voor alles wat papieren heette, heeft hem heel wat onaangename oogenblikken bezorgd.Steeds wachtende op zijne bevordering schreef hij ten slotte een’ brief aan zijne tante Pelageja, die met de hulp van een hooggeplaatst ambtenaar zijne benoeming bewerkstelligde.Den 24enDecember van het zelfde jaar voltooide Tolstoi zijne vertellingDe Overrompeling, die hij weer naar denSawremjennikstuurde.In het jaar 1853 nam de batterij waarbij Tolstoi was ingedeeld deel aan den veldtocht tegen Schamil. Bovendien kwam hij den 18enFebruari van dat zelfde jaar nog in het vuur, waarbij hij aan een groot gevaar ontsnapte. Bij het richten van een kanon ontplofte eene vijandelijke granaat in zijne onmiddellijke nabijheid, vernielde het affuit, maar liet Tolstoi gelukkig geheel ongedeerd.Den eersten April keerde hij met zijn regiment weer naar Starogladowskaja terug.Reeds bij zijne eerste schrede op het gebied der literaire werkzaamheid kwam Tolstoi in botsing met den halsstarrig standhoudenden, niet te verwrikken hinderpaal, die nu reeds twee eeuwen de vrije ontwikkeling van de Russische gedachte en van de Russische kunst tegenhoudt, met de zich zoo noemende censuur.In een’ brief aan zijn’ broer Sergius schrijft hij hierover:“Ik heb haast, neem het dus niet kwalijk zoo de brief kort en verward wordt.Kinderjarenis geheel bedorven enDe Overrompelingis ook mishandeld door de censuur. Al hetgeen er goed in was is geschrapt of verminkt.“Ik heb mijn ontslag ingediend en hoop na eenigen tijd,d.w.z.na ongeveer anderhalve maand, als een vrij man naar Pjatigorsk en vandaar naar Rusland te reizen.”Dit ontslag nemen ging echter niet zoo gemakkelijk. In hetzelfde jaar 1853 was Tolstoi nog eens aan een groot gevaar blootgesteld en ontsnapte hij zelfs ternauwernood aan de gevangenschap.Paltoratzki vertelt van die gebeurtenissen:“Den 13enJuni 1853 bracht ik een convooi naar Groznaja. Wij waren reeds eenigen tijd op weg, toen ik plotseling op eene hoogte een’ troep van ongeveer vijfentwintig vijandelijke Tschetschentzen ontdekte, die als een wervelwind van een heuvel naar beneden renden. Ik haastte mij naar het hoofd van de kolonne, een salvo van vijandelijke geweerschoten liet zich reeds hooren en ook mijne manschappen hadden reeds den vinger aan den trekker.“‘Halt, schiet niet, de onzen zijn er bij!’ riep ik plotseling uit al mijn kracht, en gelukkig kon ik het vuren nog voorkomen. Nauwelijks had ik den tijd gehad een gedeelte van den troep bevel te geven er in stormpas op in te gaan, toen ik de Tschetschentzen reeds weer in de steppen zag verdwijnen, waarop wij hun een paar schoten nazonden. Op dat oogenblik kwam baron Rozen, wit als een doode, in razende vaart op ons toe rijden, direct gevolgd door een paard zonder berijder. Aan het zadel zagen we dat het een’ artillerie-officier toebehoorde. Even daarna verscheen van achter de struiken langs den weg Schtscherbatschjeff, de eigenaar van het paard. Hij was een bijzonder knappe, sterke jonge man, die eerst sedert een paar maanden de krijgsschool had verlaten. Langzaam maar met vaste schreden kwam hij naar ons toe, rechtop, zonder geluid te geven, zoodat wij eerst geen vermoeden hadden hoe zwaar gewond de arme jongen was. Het bloed stroomde letterlijk uit zijne wonden.“Bij de kolonne bevond zich geen dokter, zoodat de barbiersvoorloopig hulp moesten verleenen en een van hen legde handig en vlug het eerste verband. Onderwijl had baron Rozen zich een weinig hersteld en vertelde, dat hij met nog vier anderen vooruit was gereden. Toen zij werden overvallen waren graaf Tolstoi, Paul Paltoratzki (een neef van den schrijver) en de tartaar Sado doorgerend, waarschijnlijk in de hoop Groznaja te bereiken, terwijl hij en Schtscherbatschjeff hun paarden hadden gewend en spoorslags waren teruggereden.“‘Uwe Hoogheid,’ onderbrak hier een soldaat, die boven op een hooiwagen lag, het verhaal, ‘daarginder op den weg ligt nog iemand en ik geloof dat hij zich beweegt.’“‘Voorwaarts, looppas!’ beval ik, en zelf stormde ik reeds weg. Op vijftig schreden afstand lag een dood paard en daaronder mijn neef Paul. Vreeselijk kermend smeekte hij wanhopig hem van het doode dier te bevrijden. Ik sprong van het paard, wierp een’ Kozak de teugels toe, en met bovenmenschelijke kracht trok ik met één greep het doode dier op zij en bevrijdde den armen lijder, die daar vreeselijk verminkt neerlag.“Zijne wonden waren hem met een’ sabel toegebracht. Hij had drie sneden over zijn hoofd, zijn schouder was geheel gekerfd en vaneen gereten. Ik liet de geheele kolonne aanrukken, begon zelf reeds het eerste verband te leggen en gaf bevel eene draagbaar gereed te maken.“Dit alles had zich in een paar minuten afgespeeld en wij hadden nauwelijks den tijd gehad onze gewonden te verbinden, toen ook reeds een kleine afdeeling kavallerie uit Groznaja, kwam aanrennen. De opperbevelhebber, in de meening dat de troep in de beste orde opmarcheerde en dat de Tschetschentzen zich reeds hadden teruggetrokken, vond het niet noodig hen te vervolgen en zond de naderende kolonne slechts een paar ruiters te gemoet. Met vereende krachten werd eene draagbaar gemaakt, met soldatenjassen bedekt, de gewonden werden zoo voorzichtig mogelijk erop gelegd en verder ginghet weer naar Groznaja, dat wij reeds tot op korten afstand waren genaderd.“De ruiters brachten de goede tijding mee dat graaf Tolstoi en de Tartaar Sado aan de vervolging waren ontkomen en ongedeerd de vesting hadden bereikt.“Het vijftal, dat ter nauwernood aan den dood was ontsnapt, wilde vóór de kolonne te Groznaja zijn en was daarom vooruitgereden, iets dat, ondanks streng verbod, in den Kaukasus maar al te dikwijls voorkwam.“Onze vijf jongelui nu besloten, toen zij een honderd schreden vooruit waren, zich, met het oog op de veiligheid, in twee groepen te verdeden. Graaf Tolstoi en Sado zouden bovenlangs gaan, de drie anderen den lagen weg houden.“Nauwelijks boven gekomen zagen zij plotseling uit een bosch de Tschetschentzen recht op zich aanstormen. Tolstoi schreeuwde zijne kameraden nog toe, dat de vijand er aankwam, en daar zij zelfs geen tijd meer hadden terug te keeren, vlogen zij zoo snel hun paarden loopen wilden den weg op naar de vesting. De anderen, die beneden waren gebleven, geloofden het eerst niet en verloren daardoor eenige kostbare minuten. Toen de Tschetschentzen (waarvan er zich zeven hadden afgescheiden om Tolstoi en Sado te vervolgen) verschenen, wierp baron Rozen snel als de gedachte zijn paard om en stormde terug naar de kolonne, die hij ook ongedeerd bereikte. Schtscherbatscheff rende hem achterna, maar zijn paard was niet zoo vlug, de vijand haalde hem in, verwondde hem en sloeg hem van het paard, maar toch gelukte het hem nog te voet de kolonne te bereiken. Het slechtst van allen was Paul er aan toe. Hij wilde instinctief vooruit naar Groznaja, maar bedacht zich dat zijn jong paard hem er niet zou brengen. Hij keerde dus terug, stootte op den vijand en trachtte nog (hij verloor geheel zijne zelfbeheersching, zooals hij zelf bekende) zich met getrokken sabel een weg te banen,dwars door den vijand heen. Maar een van de bergbewoners, een uitstekend schutter, liet hem tot op eenige passen naderen, en mikte toen op zijn paard, dat dadelijk dood neerviel en boven op zijn berijder kwam te liggen. De Tschetschentz trok Paul de sabel met zilveren gevest uit de hand en wilde hem ook de scheede afrukken toen hij moest vluchten voor de nadering der troepen, maar niet voordat hij Paul een’ sabelhouw had gegeven. Dit voorbeeld volgden nog zes anderen, en zoo vonden wij hem, bloedend uit zeven wonden, onder het doode paard.”In deHerinneringenvan S. A. Bjers lezen wij van deze gebeurtenis het volgende:“De goedgezinde Tschetschentz Sado en Tolstoi waren groote vrienden. Sado had een jong paard gekocht, dat hij, na het eenigen tijd te hebben bereden, Tolstoi eens liet probeeren, terwijl hij zelf diens telganger, die niet zoo goed kon galoppeeren, besteeg. Dit was juist gebeurd toen de Tschetschentzen hen overvielen. Tolstoi, die de kans had op het vlugge paard te ontsnappen, liet zijn vriend niet in den steek. Sado ging, als alle bergbewoners, nooit uit zonder buks, maar die was nu helaas niet geladen. Toch richtte hij haar op de vervolgers, in de hoop hun vrees aan te jagen. Dezen, van hun’ kant, schoten ook niet omdat zij hen levend gevangen wilden nemen, om zich op Sado, een’ afvallige, te kunnen wreken. Deze omstandigheid redde hun het leven. In de nabijheid van Groznaja kreeg een schildwacht hen in ’t oog, en op diens alarm kwam er hulp opdagen, waardoor de vijand gedwongen werd de vervolging te staken.”Deze gebeurtenis heeft de stof geleverd voor Tolstoi’s vertellingDe Kaukasische Gevangene.Ondanks het woeste krijgsmansleven en het feit dat er nog oogenblikken kwamen waarin Tolstoi zich geheel aangenot en spel overgaf, ging zijne geestesontwikkeling met reuzenschreden vooruit.Korten tijd na de bovenbeschreven episode schreef hij de volgende gedachten neer:“Wees oprecht, zelfs al moet gij scherp zijn, maar vrees niet kinderlijk openhartig waar dit niet vereischt wordt.”“Onthoud u van wijn en vrouwen.”“Het genot duurt zoo kort—het berouw zoo lang.”“Doe het werk dat gij verricht nooit ten halve. Tracht u bij iedere sterke aandoening te beheerschen en zoo gij u iets hebt voorgenomen, breng het ten uitvoer, zelfs als het niet goed is.”Tolstoi reisde in Juni van ’t jaar ’53 weer naar Pjatigorsk, bleef daar tot October en kwam weer in Starogladowskaja terug. Klaarblijkelijk begon de dienst hem danig te vervelen en ongeduldig verlangde hij naar eene verandering in zijn leven. Onder den indruk daarvan schreef hij uit Pjatigorsk aan zijn’ broer:“Ik heb je, geloof ik, reeds geschreven dat ik mijn ontslag heb aangevraagd. Of ik het krijg en wanneer, vooral met het oog op den oorlog met Turkije, mag de hemel weten. Ik maak er mij erg ongerust over, want ik vrees—in den dienst is alles mogelijk—dat ik weer naar Starogladowskaja zal moeten gaan, en ik had mij reeds geheel aan de gedachte gewend, spoedig naar ons dorp terug te keeren.”Dezelfde stemming spreekt uit een’ brief geschreven te Starogladowskaja in December 1853:“Ik bid je, maak zoo spoedig mogelijk werk van mijne papieren. ’t Is noodzakelijk. God alleen weet wanneer ik terug zal keeren! ’t Is nu bijna een jaar dat ik niets liever zou wenschen dan de sabel in de scheede te steken, maar ikkan het niet. Nu ik evenwel toch gedwongen ben aan den oorlog deel te nemen, wil ik nog liever naar Turkije gaan dan hier blijven, hetgeen ik dan ook vorst Sergius Dmitrijewitsch gevraagd heb. Hij heeft het zijn’ broeder reeds geschreven, maar of er iets van komt weet hij niet.“In ieder geval hoop ik, dat er tegen Nieuwjaar verandering in mijn leven zal komen, want ik moet bekennen dat het mij ontzettend begint te vervelen. Domme officieren, domme gesprekken en anders niets. Als ik nog maar één mensch had met wien ik vertrouwelijk kon spreken. Toerghenjeff had gelijk toen hij beweerde, dat het niet goed is eenzaam te zijn; men voelt dat men achteruit gaat.“Hoewel Nikolaas, de hemel mag weten waarom, de goede honden heeft meegenomen (Jepischka en ik schelden hem er in gedachten dikwijls om uit) ga ik iederen dag, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, met een’ anderen hond op de jacht. En dat is mijn eenige genoegen, of liever, geen genoegen maar een verdoovingsmiddel. Je draaft heen en weer, je krijgt honger, je wordt moe en de dag is voorbij. Als er gelegenheid toe is, of als gij zelf naar Moskou gaat, koop mij danDavid Copperfieldvan Dickens in het Engelsch en stuur het mij met mijn Engelsch woordenboek dat in mijn boekenkast staat.”In dezen tijd schreef TolstoiJongensjaren, dat hij ook weer naar denSawremjennikstuurde, maar met een ontevreden gevoel van te haastig te hebben gewerkt. Ook hield hij zich onledig met het lezen van eene biografie van Schiller.Teruggekeerd van een kort reisje naar Chasaf-Joert schreef hij in zijn dagboek:“Alle gebeden die ik vroeger tot God richtte heb ik vervangen door het eene ‘Onze Vader.’ Alles wat ik Hem wil vragen wordt het waardigst uitgedrukt door de woorden: ‘Heer, Uw wil geschiede, zooals in den hemel alzoo ook op aarde.’”In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vonden we nog eene gebeurtenis uit zijn leven in den Kaukasus beschreven, n.l. hoe het kwam dat het kruis van St. George hem ontging.“Tolstoi was, zooals de lezer weet, reeds eenige malen in ’t gevecht geweest en hij hoopte vurig nog eens het kruis van St. George te ontvangen. Zijn commandant was zeer met hem ingenomen; er bestond dus wel kans dat die droom verwezenlijkt zou worden. Nadat er eens weer een gevecht had plaats gevonden, werden er eenige kruisen gestuurd, die den volgenden dag zouden worden uitgereikt. Nu gebeurde het dat Tolstoi den avond van te voren dienst moest doen op het eiland waar de kanonnen stonden. Ongelukkig voor hem liet hij zich tot een partij schaak overhalen, en zooals hij zich door alles liet meesleepen ging het ook nu: hij bleef tot midden in den nacht bij het spel en ging niet op wacht. De dienstdoende officier, die hem niet op zijn post vond, onderhield hem streng over zijn verzuim en stuurde hem in arrest.“Den volgenden dag werden, terwijl de muziek speelde, de kruisen uitgereikt. Tolstoi wist, dat hij er ook een zou hebben gekregen, en daar zat hij nu in arrest en kwam bijna tot vertwijfeling.”Nog eenmaal heeft hij eene kans gehad het kruis te verkrijgen, doch dit liep, hoewel meer eervol, ook op niets uit.De overste Alexejeff wendde zich even vóor de uitreiking der kruisen met de volgende woorden tot Tolstoi: “Gij weet, dat het kruis van St. George voornamelijk aan oude soldaten wordt uitgereikt, die dan tevens recht krijgen op een levenslang pensioen, dat evenveel bedraagt als hun salaris. Ook wordt het kruis uitgereikt aan jonge mannen, die door hun chefs geprotegeerd worden. Hoe meer dit laatste geval zich voordoet, des te meer wordt het onthouden aan oude soldaten, die het verdienden te ontvangen. Zoo gij het verlangt, zal iku het kruis geven, maar zoo gij er afstand van doet, dan is hier een oude, waardige soldaat, die het verdiend heeft en voor wien het tevens een middel van bestaan is.” Natuurlijk wenschte Tolstoi, hoewel hij er zeer naar verlangd had, het kruis nu niet meer te ontvangen, en eene andere gelegenheid om het te verdienen deed zich niet meer voor.Nu laten wij nog eenige bladzijden uit deHerinneringenvan den officier Janzjoel volgen, die in 1871 in Starogladowskaja gedetacheerd was, waar hij nog versche sporen vond van Tolstoi’s verblijf aldaar.“In 1871 werd ik als officier naar Starogladowskaja gezonden en kwam bij dezelfde batterij te staan, waar ook graaf Leo Tolstoi gediend had. In de twee jaren, die ik daar gewoond heb, had ik de gelegenheid het plaatsje goed te leeren kennen, de typische vriendelijke huisjes, de moedige Kozakken, het kommandantshuis met de hooge, oude populieren, alles door Tolstoi beschreven in zijne vertellingDe Kozakken. In mijn’ tijd was de herinnering aan Leo Nikolajewitsch, zooals hij daar genoemd werd, nog levendig gebleven. Men wees mij o.a. de nu oude Mariana, de heldin van zijn verhaal, en eenige oude Kozakken, die Tolstoi persoonlijk gekend hadden en met wie hij dikwijls op de faisanten- en wilde-zwijnenjacht was geweest. Een van deze jagers ging in 1880 te paard naar Jasnaja Paljana, om hem nog eens weer te zien. Ook trof ik er nog een zekeren kapitein Troloff (sinds dien overleden) die Tolstoi heel goed gekend had en zich nog de boeiende wijze van vertellen herinnerde, waarmee hij iedereen meesleepte.”Janzjoel geeft ook nog eene karakteristieke beschrijving van Tolstoi’s bataillons-commandant. Nikita Petrowitsch Alexejeff, de batterij commandant van graaf Leo Tolstoi, werd om zijne goedhartigheid door iedereen geacht en bemind. Hij bezat maar één oor (het andere had een paard hem afgebeten), hadaan de universiteit gestudeerd en was zeer godsdienstig, zoodat hij uren lang geknield in de kerk kon liggen met zijn hoofd ter aarde gebogen.Leo Tolstoi en zijn broeder Sergius (links), omstreeks den tijd dat deze herinneringen werden geschreven.—Blz. 83.Leo Tolstoi en zijn broeder Sergius (links), omstreeks den tijd dat deze herinneringen werden geschreven.—Blz.83.Hij kon het nooit rustig aanzien dat de officieren wodka dronken en vooral niet als het jongelui waren. Volgens de gebruiken van den goeden ouden tijd aten zij iederen dag bij hun’ commandant aan tafel en dan deed Leo Tolstoi dikwijls, echt kwajongensachtig, alsof hij wodka dronk. Nikita Petrowitsch raadde hem dan telkens ernstig aan dat wodka drinken te laten en liever, zooals hij, bonbons te eten.De beschrijving van Tolstoi’s leven in den Kaukasus zou niet volledig zijn, wanneer wij nog niet even herinnerden aan twee goede kameraden van hem, de honden Boelka en Milton, die hij beschreven heeft inBoekjes om te lezen, een verhaal dat ieder Russisch schoolkind kent.Eindelijk, na lang wachten, kreeg Tolstoi zijne aanstelling tot officier. Den 18enJanuari 1854 deed hij het officiersexamen, hetgeen in die dagen maar bloot een vorm was, en maakte hij zich voor zijn vertrek gereed.Reeds den 19enJanuari bereikte hij de Russische grens en kwam, na een reis van ongeveer twee weken, te Jasnaja Paljana aan. Onderweg werd hij door een heftigen sneeuwstorm overvallen, die hem waarschijnlijk tot stof heeft gediend voor een zijner vertellingen.Den korten tijd dien hij in Rusland bleef bracht hij door bij zijne broers, zijne tante en zijn’ vriend Pjerfiljeff.Zijne overplaatsing in het leger dat naar den Donau werd gezonden wachtte hem reeds; spoedig moest hij dus weer vertrekken en zoo vinden wij hem den 14 Maart 1854 te Boecharest.Als gepast slot van dit hoofdstuk laten wij nog Tolstoi’s tegenwoordige meening volgen over zijn leven in den Kaukasus.Met groot genoegen denkt hij steeds aan dien tijd terug en noemt dien, ondanks de vele afdwalingen van zijn toen nog vaag gevoeld ideaal, een der beste tijdperken van zijn leven. Zijn latere diensttijd heeft hem, naar hij meent, vooral wat zijne letterkundige werkzaamheid betreft, naar omlaag getrokken.Eerst nadat hij in zijn dorp was teruggekeerd en toen hij al zijne krachten inspande om verbetering te brengen in het onderwijs aan het dorpskind, kon zijn geest zich weer verheffen en voelde hij zich als herboren.1In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.2In ’t handschrift wordt deze brief in ’t Fransch aangehaald.3Kamp.4Deze brief is in ’t handschrift in ’t Fransch aangehaald.5In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.6Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.7Kozakken-meisje.8De vrouw van een barin = heer.9Jonge wijn.10In het handschrift is deze brief in ’t Fransch aangehaald.11In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.12Eene lichte spijs, die altijd na gebruik van drank wordt gegeten.13In het handschrift in het Fransch aangehaald.14Iemand die alles durft en alles kan.15In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.16Het tijdschriftDe Tijdgenoot.17In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
In Pjatigorsk was Tolstoi eenigen tijd te zamen met zijne zuster Maria, die ook genezing voor hare rheumatiek kwam zoeken. Volgens haar deed hij in die dagen veel aan spiritisme en den tafeldans, soms zelfs op den boulevard, waarheen hij dan een tafeltje uit een café liet brengen.
Tolstoi vertrok den 5enAugustus uit Pjatigorsk en keerde naar de stanitza terug.
Onderweg schreef hij die belangwekkende gedachte neer die nu nog den grondslag van zijne wereldbeschouwing vormt:
“De toekomst houdt ons meer bezig dan de werkelijkheid. Deze neiging is goed wanneer wij aan ons leven hiernamaals denken. Wijsheid is het in het heden te leven en zijn’ plicht te doen.”
Den 7enAugustus, terug in Starogladowskaja, schreef hij, meegesleept door het patriarchale, eenvoudige leven der Kozakken, dat hem lief en tot eene gewoonte was geworden, in zijn dagboek:
“De eenvoud is de deugd, die ik mij wensch eigen te maken boven alle andere.”
Eindelijk, den 28enAugustus, kwam het lang verwachte antwoord van de redactie van denSawremjennik.
“Met dezen brief was ik kinderlijk blij,” schreef Tolstoi in zijn dagboek.
Hier volgt de inhoud van Njekrasoffs schrijven:
“Geachte Heer!“Ik heb uw handschriftKinderjarenontvangen. Het is zóó belangrijk dat ik het zal laten drukken. Daar ik niet weet, hoe het vervolg zal zijn, kan ik nog niet beslist mijne meening zeggen, maar ik geloof, dat de schrijver talent heeft. In ieder geval verleenen de eenvoud en het natuurlijke der schildering aan het boek eene waarde, die men het niet kan ontnemen.“Als in het tweede gedeelte (hetgeen zich wel laat aanzien) een weinig meer leven en beweging komt, dan beloofthet een goede roman te worden. Ik verzoek u mij het vervolg te zenden. Uw roman zoowel als uw talent interesseeren mij. Nog zou ik u den raad willen geven niet onder initialen te schrijven, maar het werk onder uw’ eigen naam te laten verschijnen, ten minste zoo gij niet een toevallige gast in de literatuur zijt. Ik verwacht hierop antwoord.“Aanvaard de betuiging van mijne oprechte hoogachting.“N. Njekrasoff.”
“Geachte Heer!“Ik heb uw handschriftKinderjarenontvangen. Het is zóó belangrijk dat ik het zal laten drukken. Daar ik niet weet, hoe het vervolg zal zijn, kan ik nog niet beslist mijne meening zeggen, maar ik geloof, dat de schrijver talent heeft. In ieder geval verleenen de eenvoud en het natuurlijke der schildering aan het boek eene waarde, die men het niet kan ontnemen.“Als in het tweede gedeelte (hetgeen zich wel laat aanzien) een weinig meer leven en beweging komt, dan beloofthet een goede roman te worden. Ik verzoek u mij het vervolg te zenden. Uw roman zoowel als uw talent interesseeren mij. Nog zou ik u den raad willen geven niet onder initialen te schrijven, maar het werk onder uw’ eigen naam te laten verschijnen, ten minste zoo gij niet een toevallige gast in de literatuur zijt. Ik verwacht hierop antwoord.“Aanvaard de betuiging van mijne oprechte hoogachting.“N. Njekrasoff.”
“Geachte Heer!
“Ik heb uw handschriftKinderjarenontvangen. Het is zóó belangrijk dat ik het zal laten drukken. Daar ik niet weet, hoe het vervolg zal zijn, kan ik nog niet beslist mijne meening zeggen, maar ik geloof, dat de schrijver talent heeft. In ieder geval verleenen de eenvoud en het natuurlijke der schildering aan het boek eene waarde, die men het niet kan ontnemen.
“Als in het tweede gedeelte (hetgeen zich wel laat aanzien) een weinig meer leven en beweging komt, dan beloofthet een goede roman te worden. Ik verzoek u mij het vervolg te zenden. Uw roman zoowel als uw talent interesseeren mij. Nog zou ik u den raad willen geven niet onder initialen te schrijven, maar het werk onder uw’ eigen naam te laten verschijnen, ten minste zoo gij niet een toevallige gast in de literatuur zijt. Ik verwacht hierop antwoord.
“Aanvaard de betuiging van mijne oprechte hoogachting.
“N. Njekrasoff.”
Op dezen brief volgde een tweede, d.d. 5 September 1852.
“Geachte Heer!“Ik schreef u reeds over uw boek, maar nu reken ik het mijn plicht er nog eens op terug te komen. Ik liet het plaatsen in No. IX van denSawremjenniken bij oplettende lezing van de drukproef bevond ik dat het veel beter was dan ik aanvankelijk bij de lezing van het handschrift had gedacht. Ik kan nu beslist zeggen, dat de schrijver talent heeft. De zekerheid daarvan is, geloof ik, voor u, als beginneling, op ’t oogenblik van het grootste gewicht. Hedenavond verschijnt uw werk te Petersburg; ik zal u een nommer van denSawremjenniksturen, maar waarschijnlijk eerst over een week of drie. Wij hebben er iets, heel weinig, uit laten vervallen en niets bijgevoegd. Spoedig zal ik u nader berichten, maar vandaag heb ik geen tijd. In afwachting van uw antwoord verzoek ik u, indien gij het vervolg gereed hebt, het mij te zenden.“N. Njekrasoff.“Hoewel ik den naam van den auteur vermoed, vraag ik u dringend mij dien te willen noemen. Volgens voorschrift van de censuur moet ik dien weten.”
“Geachte Heer!“Ik schreef u reeds over uw boek, maar nu reken ik het mijn plicht er nog eens op terug te komen. Ik liet het plaatsen in No. IX van denSawremjenniken bij oplettende lezing van de drukproef bevond ik dat het veel beter was dan ik aanvankelijk bij de lezing van het handschrift had gedacht. Ik kan nu beslist zeggen, dat de schrijver talent heeft. De zekerheid daarvan is, geloof ik, voor u, als beginneling, op ’t oogenblik van het grootste gewicht. Hedenavond verschijnt uw werk te Petersburg; ik zal u een nommer van denSawremjenniksturen, maar waarschijnlijk eerst over een week of drie. Wij hebben er iets, heel weinig, uit laten vervallen en niets bijgevoegd. Spoedig zal ik u nader berichten, maar vandaag heb ik geen tijd. In afwachting van uw antwoord verzoek ik u, indien gij het vervolg gereed hebt, het mij te zenden.“N. Njekrasoff.“Hoewel ik den naam van den auteur vermoed, vraag ik u dringend mij dien te willen noemen. Volgens voorschrift van de censuur moet ik dien weten.”
“Geachte Heer!
“Ik schreef u reeds over uw boek, maar nu reken ik het mijn plicht er nog eens op terug te komen. Ik liet het plaatsen in No. IX van denSawremjenniken bij oplettende lezing van de drukproef bevond ik dat het veel beter was dan ik aanvankelijk bij de lezing van het handschrift had gedacht. Ik kan nu beslist zeggen, dat de schrijver talent heeft. De zekerheid daarvan is, geloof ik, voor u, als beginneling, op ’t oogenblik van het grootste gewicht. Hedenavond verschijnt uw werk te Petersburg; ik zal u een nommer van denSawremjenniksturen, maar waarschijnlijk eerst over een week of drie. Wij hebben er iets, heel weinig, uit laten vervallen en niets bijgevoegd. Spoedig zal ik u nader berichten, maar vandaag heb ik geen tijd. In afwachting van uw antwoord verzoek ik u, indien gij het vervolg gereed hebt, het mij te zenden.
“N. Njekrasoff.
“Hoewel ik den naam van den auteur vermoed, vraag ik u dringend mij dien te willen noemen. Volgens voorschrift van de censuur moet ik dien weten.”
Gezicht in het dorp Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Gezicht in het dorp Jasnaja Paljana.—Blz.57.
Gezicht in het dorp Jasnaja Paljana.—Blz.57.
Dezen brief kritiseert Tolstoi op de volgende wijze in zijn dagboek:
“3 September. Ik ontving een brief van Njekrasoff. Lof—maar geen geld.”
Geld nu had hij dringend noodig en hij had verwacht het voor zijn eerste werk te krijgen. Waarschijnlijk correspondeerde hij er met Njekrasoff over, want hij kreeg een derden brief van den volgenden inhoud:
“St.-P. 30 Oct. 1852.“Geachte Heer!“Ik moet u om verontschuldiging vragen, dat ik u zoolang op antwoord heb laten wachten, maar ik heb het zeer druk. Om de volgende reden heb ik in mijn vorig schrijven over het honorarium gezwegen: het is bij de voornaamste uitgevers gebruik de eerste proeve van een jong talent niet te honoreeren, daar het tijdschrift hem de gelegenheid geeft het publiek met zijn werk te laten kennismaken. Daaraan hebben allen, die hun eersten literairen arbeid in denSawremjennikgeplaatst zagen, zich moeten onderwerpen, b.v. Gontscharoff, Droezjinin, Awdjejew, en anderen. Panajeff en ik hebben ons in onzen tijd daar ook in moeten schikken. Voor het vervolg bied ik u eene betaling aan, zoo hoog als slechts de beste van onzebellettristen(en dan nog zeer weinige) genieten, d.w.z. vijftig roebel voor iedere gedrukte bladzijde.“Ik heb met schrijven gewacht, omdat ik niet alleen op mijn eigen indruk wilde afgaan, maar eerst het oordeel van ’t publiek wilde vernemen; dit nu luidt zoo gunstig mogelijk en het verheugt mij zeer dat ik mij niet vergist heb; gaarne dus doe ik u bovengenoemd voorstel.“Laat mij dus daarop uw antwoord weten; in ieder geval zullen wij het er wel over eens worden. Daar uw werk succes heeft gehad, zal het ons zeer aangenaam zijn zoo spoedigmogelijk weer iets van uwe hand te plaatsen. Wees zoo goed te zenden wat gij klaar hebt. Ik had u het 9denummer van denSawremjennikwillen sturen, maar het was helaas uitverkocht; zoo gij het wenscht kan ik u een exemplaar van den misdruk sturen.“Nogmaals verzoek ik u dringend een roman of eene vertelling te sturen. In afwachting van uw antwoord verblijf ik“Uw Dw. Dr.,N. Njekrasoff.“P.S. Wij zijn verplicht den naam te kennen van den schrijver, wiens werken wij drukken; wil ons dien dus even melden. Desverlangd zal niemand behalve de redactie hem weten.”
“St.-P. 30 Oct. 1852.“Geachte Heer!“Ik moet u om verontschuldiging vragen, dat ik u zoolang op antwoord heb laten wachten, maar ik heb het zeer druk. Om de volgende reden heb ik in mijn vorig schrijven over het honorarium gezwegen: het is bij de voornaamste uitgevers gebruik de eerste proeve van een jong talent niet te honoreeren, daar het tijdschrift hem de gelegenheid geeft het publiek met zijn werk te laten kennismaken. Daaraan hebben allen, die hun eersten literairen arbeid in denSawremjennikgeplaatst zagen, zich moeten onderwerpen, b.v. Gontscharoff, Droezjinin, Awdjejew, en anderen. Panajeff en ik hebben ons in onzen tijd daar ook in moeten schikken. Voor het vervolg bied ik u eene betaling aan, zoo hoog als slechts de beste van onzebellettristen(en dan nog zeer weinige) genieten, d.w.z. vijftig roebel voor iedere gedrukte bladzijde.“Ik heb met schrijven gewacht, omdat ik niet alleen op mijn eigen indruk wilde afgaan, maar eerst het oordeel van ’t publiek wilde vernemen; dit nu luidt zoo gunstig mogelijk en het verheugt mij zeer dat ik mij niet vergist heb; gaarne dus doe ik u bovengenoemd voorstel.“Laat mij dus daarop uw antwoord weten; in ieder geval zullen wij het er wel over eens worden. Daar uw werk succes heeft gehad, zal het ons zeer aangenaam zijn zoo spoedigmogelijk weer iets van uwe hand te plaatsen. Wees zoo goed te zenden wat gij klaar hebt. Ik had u het 9denummer van denSawremjennikwillen sturen, maar het was helaas uitverkocht; zoo gij het wenscht kan ik u een exemplaar van den misdruk sturen.“Nogmaals verzoek ik u dringend een roman of eene vertelling te sturen. In afwachting van uw antwoord verblijf ik“Uw Dw. Dr.,N. Njekrasoff.“P.S. Wij zijn verplicht den naam te kennen van den schrijver, wiens werken wij drukken; wil ons dien dus even melden. Desverlangd zal niemand behalve de redactie hem weten.”
“St.-P. 30 Oct. 1852.
“Geachte Heer!
“Ik moet u om verontschuldiging vragen, dat ik u zoolang op antwoord heb laten wachten, maar ik heb het zeer druk. Om de volgende reden heb ik in mijn vorig schrijven over het honorarium gezwegen: het is bij de voornaamste uitgevers gebruik de eerste proeve van een jong talent niet te honoreeren, daar het tijdschrift hem de gelegenheid geeft het publiek met zijn werk te laten kennismaken. Daaraan hebben allen, die hun eersten literairen arbeid in denSawremjennikgeplaatst zagen, zich moeten onderwerpen, b.v. Gontscharoff, Droezjinin, Awdjejew, en anderen. Panajeff en ik hebben ons in onzen tijd daar ook in moeten schikken. Voor het vervolg bied ik u eene betaling aan, zoo hoog als slechts de beste van onzebellettristen(en dan nog zeer weinige) genieten, d.w.z. vijftig roebel voor iedere gedrukte bladzijde.
“Ik heb met schrijven gewacht, omdat ik niet alleen op mijn eigen indruk wilde afgaan, maar eerst het oordeel van ’t publiek wilde vernemen; dit nu luidt zoo gunstig mogelijk en het verheugt mij zeer dat ik mij niet vergist heb; gaarne dus doe ik u bovengenoemd voorstel.
“Laat mij dus daarop uw antwoord weten; in ieder geval zullen wij het er wel over eens worden. Daar uw werk succes heeft gehad, zal het ons zeer aangenaam zijn zoo spoedigmogelijk weer iets van uwe hand te plaatsen. Wees zoo goed te zenden wat gij klaar hebt. Ik had u het 9denummer van denSawremjennikwillen sturen, maar het was helaas uitverkocht; zoo gij het wenscht kan ik u een exemplaar van den misdruk sturen.
“Nogmaals verzoek ik u dringend een roman of eene vertelling te sturen. In afwachting van uw antwoord verblijf ik
“Uw Dw. Dr.,N. Njekrasoff.
“P.S. Wij zijn verplicht den naam te kennen van den schrijver, wiens werken wij drukken; wil ons dien dus even melden. Desverlangd zal niemand behalve de redactie hem weten.”
Op zijne gewone bescheiden wijze brengt Tolstoi zijne tante Tatjana op de hoogte van bovenvermelde gebeurtenissen.
“Van de baden teruggekeerd heb ik, dank zij de manoeuvres, eene vrij vervelende maand doorgebracht. Marcheeren en schieten met kanonnen is niet zeer aangenaam, vooral omdat het mijne leefwijze geheel in de war bracht. Gelukkig heeft het niet lang geduurd en gaat alles weer zijn gewonen gang; ik jaag dus, schrijf, lees, en praat met Nikolaas. De jacht met het geweer begint nu meer in mijn’ smaak te vallen, en daar ik vrij goed schiet, besteed ik er iederen dag eenige uren aan. In Rusland kan men zich geen denkbeeld maken van ’t vele en goede wild, dat men hier vindt. Op 100 pas afstand ziet men soms faisanten en in den tijd van een half uurtje schiet ik er wel eens drie. Behalve het genoegen dat het mij verschaft is de beweging ook heel goed voor mijne gezondheid, die ondanks de bronnen te wenschen overlaat. Ik ben niet bepaald ziek, maar heb heel veel last van kou vatten. Nu is het keelpijn, dan weertandpijn die eeuwig aanhoudt, of rheumatiek, in één woord, twee dagen van de week moet ik zeker mijn kamer houden. Nu moet gij niet denken, dat ik iets voor u verberg; mijn gestel is, zooals het altijd geweest is, sterk maar gevoelig. Het volgende jaar denk ik weer naar de baden te trekken. Al ben ik niet geheel genezen, goed heeft het mij toch gedaan. Alle onaangenaams heeft toch ook zijn goede zijde. Wanneer ik ongesteld ben, dan werk ik des te geregelder aan een nieuwen roman, waarmee ik reeds ben begonnen. De eerste, dien ik naar Petersburg heb gestuurd, is onder den naamKinderjarenopgenomen in het Septembernummer van denSawremjennik(1852). Ik heb het onderteekend met de letters A. N. T. en niemand behalve Nikolaas weet wie de schrijver is. En ik zou ook niet willen dat men het wist.”17
Tolstoi’s zuster, Maria Nikolajewna, vertelde mij van den indruk dien zijn werk op de familie en kennissen heeft gemaakt. De familie woonde op een landgoed dicht bij het buiten van Toerghenjeff, die dikwijls bij hen kwam. Eens bracht hij het bewuste nommer van denSawremjennikmee, sprak vol lof over het werk en den onbekenden schrijver en begon het voor te lezen. Vol verbazing luisterde Maria Nikolajewna naar het verhaal van de gebeurtenissen, die in haar eigen familie hadden plaats gegrepen. Zij kon maar niet begrijpen wie de intieme bijzonderheden uit hun leven zoo nauwkeurig kon weten. Het kwam geen seconde bij haar op, dat hun Ljewotschka (Leo) de schrijver kon zijn; wel had zij eenig vermoeden op Nikolaas, die in zijne jeugd een weinig aanleg voor literairen arbeid had vertoond en een uitstekend sprookjesverteller was. Klaarblijkelijk had tante Tatjana het haar toevertrouwde geheim goed weten te bewaren en werd heteerst door Tolstoi zelf na zijne terugkomst uit den Kaukasus geopenbaard.
Te oordeelen naar den brief van Njekrasoff, was het verschijnen van Tolstoi’s eerste pennevrucht eene gebeurtenis in de Russische letterkundige wereld.
Golowatschewa Panajewa beschrijft in hareHerinneringenden indruk, dien het boek op het publiek en op de toenmalige schrijvers maakte.
“Het publiek was eenstemmig in zijn lof voor den nieuwen auteur en interesseerde zich er sterk voor, wie het toch wel zou zijn. In den letterkundigen kring betoonde men zich onverschillig, behalve Panajeff, die zóó in verrukking kwam overKinderjaren, dat hij een’ van zijne vrienden er iederen avond een paar bladzijden uit voorlas. Toerghenjeff plaagde hem daarmee en beweerde, dat de kennissen Panajeff op het Prospekt uit den weg gingen, uit angst dat hij hun daar zelfs eene voordracht zou houden uit het nieuwe boek, dat hij van buiten had geleerd.”
Het duurde eenigen tijd voordat de kritiek zich met Tolstoi ging bemoeien.
Eerst in 1854, toen zijn tweede werk:Jongensjarenverscheen, gaf Zjeljinski in deAtjetschestwjennija Zapiskieene nauwkeurige beoordeeling van de beide werken.
Hier volgt het korte maar waardeerende artikel:
“Kinderjaren, als eene aaneenschakeling van vrije dichterlijke voorstellingen, gaf den schrijver gelegenheid het heele landleven van zijn dichterlijk standpunt te beschouwen.
“Hij koos uit dat leven alles wat indruk maakt op de kinderlijke verbeeldingskracht en op het kinderlijke verstand. Het talent nu van den schrijver is zóó groot, dat hij dit leven weet te schilderen zooals een knaap het ziet. Alles wat hem omringt, d.w.z. voor zoover het indruk maakt op een kind, komt in het boek voor, en daardoor staan alle hoofdstukkenop zichzelf, verbonden door één draad die door ’t geheele werk loopt, n.l. door de wereldbeschouwing van den knaap. Het groote talent van den schrijver blijkt ook nog uit het volgende. Het moet zeer moeilijk zijn om, schrijvende onder den invloed van kinderlijke indrukken, ook aan de niet kinderlijke gedachte een plaatsje in te ruimen, en dat is den auteur zoo volkomen gelukt, dat men na lezing van het boek alle personen voor zich ziet: den vader, de moeder, de njanja, den gouverneur, in één woord de geheele familie, en dan nog in het meest poëtische licht.”
Naarmate de kring der lezers van denSawremjennikgrooter werd, groeide ook de belangstelling die het publiek den talentvollen, nog steeds onbekenden auteur betoonde. Dostajewski b.v. bevond zich in Siberië, toen de nommers, waarin Tolstoi’s vertellingen waren opgenomen, hem bereikten. Zij maakten zulk een diepen indruk op hem, dat hij een’ zijner kennissen verzocht, hem toch vooral den naam te schrijven van dien geheimzinnigen L. N. T.
Maar die geheimzinnige L. N. T. wenschte zich nog niet bekend te maken en stond als iemand die er niets mee te maken had tegenover zijn succes.
Zelfs tegen zijn’ broer Nikolaas en een’ vriend heeft Tolstoi langen tijd gezwegen.
“Mijn broer Leo,” zoo schrijft gravin Sophie Tolstoi in hare aanteekeningen, “vertelde mij eens dat hij in den Kaukasus een nummer van deAtjetschestwjennija Zapiskiontving, waarin den onbekenden auteur vanKinderjarengroote lof werd toegezwaaid. ‘Ik lag,’ vertelde hij, ‘op de houten bank in mijne hut; Nikolaas en Ogolin waren bij mij toen het blad kwam. Ik begon te lezen en werd bijna dronken van vreugde, terwijl de tranen van verrukking mij in de oogen kwamen, en dacht: “niemand, zelfs niet zij die daar bij mij zijn, weet dat ik het ben die zoo wordt geprezen.”’”
In October van dat zelfde jaar, hij bevond zich toen te Starogladowskaja, rijpte bij Tolstoi het plan een nieuwen roman,De Russische Landeigenaar, te gaan schrijven, waarvan de inhoud ongeveer op het volgende neer zou komen. De held van het verhaal zoekt eerst de verwezenlijking van zijn ideaal in het leven op het land. Als hij het daar niet vindt, zoekt hij het in het familieleven, om dan plotseling tot de overtuiging te komen, dat men, om gelukkig te zijn, steeds het geluk van anderen voor oogen moet hebben. Deze roman heeft helaas nooit het licht gezien, maar de gedachte vinden wij in veel van zijne latere werken terug.
Tolstoi was, ondanks zijne aanzienlijke geboorte, niet gelukkig in zijn militaire loopbaan. Hij begon naar het einde te verlangen en wachtte slechts op zijne bevordering tot officier om zijn ontslag te nemen. Die bevordering kwam maar niet. Toen hij in dienst ging had hij gehoopt in anderhalf jaar officier te kunnen zijn, en daar kreeg hij in October, na bijna een jaar gediend te hebben, een schrijven waarin hem werd meegedeeld, dat hij om officier te worden nog drie jaren zou moeten wachten. De oorzaak, dat hij niet bevorderd werd, lag hierin, dat zijne papieren niet in orde waren.
In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vinden we daaromtrent het volgende vermeld.
“De bevordering van Leo Tolstoi tot officier en zijn geheele diensttijd kenmerkten zich door groote moeilijkheden en ging met vele teleurstellingen gepaard. Vóór zijn vertrek naar den Kaukasus woonde hij met zijne tante Tatjana op Jasnaja Paljana. Hij was heel veel samen met zijn’ broer Sergius, die zich in dien tijd sterk aangetrokken voelde tot de Zigeuners, hun leven en hun’ zang. Zij kwamen zelfs naar Jasnaja Paljana, zongen hunne liederen en benevelden het verstand der beide broeders. Toen Leo Tolstoi inzag, dat hij onder dezen invloed de domste dingen zou gaan doen, nam hij, zonder iemand teraadplegen en zonder zich om de noodige papieren te bekommeren, plotseling het besluit naar den Kaukasus te gaan.”
Deze zorgeloosheid, of liever de minachting die hij had voor alles wat papieren heette, heeft hem heel wat onaangename oogenblikken bezorgd.
Steeds wachtende op zijne bevordering schreef hij ten slotte een’ brief aan zijne tante Pelageja, die met de hulp van een hooggeplaatst ambtenaar zijne benoeming bewerkstelligde.
Den 24enDecember van het zelfde jaar voltooide Tolstoi zijne vertellingDe Overrompeling, die hij weer naar denSawremjennikstuurde.
In het jaar 1853 nam de batterij waarbij Tolstoi was ingedeeld deel aan den veldtocht tegen Schamil. Bovendien kwam hij den 18enFebruari van dat zelfde jaar nog in het vuur, waarbij hij aan een groot gevaar ontsnapte. Bij het richten van een kanon ontplofte eene vijandelijke granaat in zijne onmiddellijke nabijheid, vernielde het affuit, maar liet Tolstoi gelukkig geheel ongedeerd.
Den eersten April keerde hij met zijn regiment weer naar Starogladowskaja terug.
Reeds bij zijne eerste schrede op het gebied der literaire werkzaamheid kwam Tolstoi in botsing met den halsstarrig standhoudenden, niet te verwrikken hinderpaal, die nu reeds twee eeuwen de vrije ontwikkeling van de Russische gedachte en van de Russische kunst tegenhoudt, met de zich zoo noemende censuur.
In een’ brief aan zijn’ broer Sergius schrijft hij hierover:
“Ik heb haast, neem het dus niet kwalijk zoo de brief kort en verward wordt.Kinderjarenis geheel bedorven enDe Overrompelingis ook mishandeld door de censuur. Al hetgeen er goed in was is geschrapt of verminkt.
“Ik heb mijn ontslag ingediend en hoop na eenigen tijd,d.w.z.na ongeveer anderhalve maand, als een vrij man naar Pjatigorsk en vandaar naar Rusland te reizen.”
Dit ontslag nemen ging echter niet zoo gemakkelijk. In hetzelfde jaar 1853 was Tolstoi nog eens aan een groot gevaar blootgesteld en ontsnapte hij zelfs ternauwernood aan de gevangenschap.
Paltoratzki vertelt van die gebeurtenissen:
“Den 13enJuni 1853 bracht ik een convooi naar Groznaja. Wij waren reeds eenigen tijd op weg, toen ik plotseling op eene hoogte een’ troep van ongeveer vijfentwintig vijandelijke Tschetschentzen ontdekte, die als een wervelwind van een heuvel naar beneden renden. Ik haastte mij naar het hoofd van de kolonne, een salvo van vijandelijke geweerschoten liet zich reeds hooren en ook mijne manschappen hadden reeds den vinger aan den trekker.
“‘Halt, schiet niet, de onzen zijn er bij!’ riep ik plotseling uit al mijn kracht, en gelukkig kon ik het vuren nog voorkomen. Nauwelijks had ik den tijd gehad een gedeelte van den troep bevel te geven er in stormpas op in te gaan, toen ik de Tschetschentzen reeds weer in de steppen zag verdwijnen, waarop wij hun een paar schoten nazonden. Op dat oogenblik kwam baron Rozen, wit als een doode, in razende vaart op ons toe rijden, direct gevolgd door een paard zonder berijder. Aan het zadel zagen we dat het een’ artillerie-officier toebehoorde. Even daarna verscheen van achter de struiken langs den weg Schtscherbatschjeff, de eigenaar van het paard. Hij was een bijzonder knappe, sterke jonge man, die eerst sedert een paar maanden de krijgsschool had verlaten. Langzaam maar met vaste schreden kwam hij naar ons toe, rechtop, zonder geluid te geven, zoodat wij eerst geen vermoeden hadden hoe zwaar gewond de arme jongen was. Het bloed stroomde letterlijk uit zijne wonden.
“Bij de kolonne bevond zich geen dokter, zoodat de barbiersvoorloopig hulp moesten verleenen en een van hen legde handig en vlug het eerste verband. Onderwijl had baron Rozen zich een weinig hersteld en vertelde, dat hij met nog vier anderen vooruit was gereden. Toen zij werden overvallen waren graaf Tolstoi, Paul Paltoratzki (een neef van den schrijver) en de tartaar Sado doorgerend, waarschijnlijk in de hoop Groznaja te bereiken, terwijl hij en Schtscherbatschjeff hun paarden hadden gewend en spoorslags waren teruggereden.
“‘Uwe Hoogheid,’ onderbrak hier een soldaat, die boven op een hooiwagen lag, het verhaal, ‘daarginder op den weg ligt nog iemand en ik geloof dat hij zich beweegt.’
“‘Voorwaarts, looppas!’ beval ik, en zelf stormde ik reeds weg. Op vijftig schreden afstand lag een dood paard en daaronder mijn neef Paul. Vreeselijk kermend smeekte hij wanhopig hem van het doode dier te bevrijden. Ik sprong van het paard, wierp een’ Kozak de teugels toe, en met bovenmenschelijke kracht trok ik met één greep het doode dier op zij en bevrijdde den armen lijder, die daar vreeselijk verminkt neerlag.
“Zijne wonden waren hem met een’ sabel toegebracht. Hij had drie sneden over zijn hoofd, zijn schouder was geheel gekerfd en vaneen gereten. Ik liet de geheele kolonne aanrukken, begon zelf reeds het eerste verband te leggen en gaf bevel eene draagbaar gereed te maken.
“Dit alles had zich in een paar minuten afgespeeld en wij hadden nauwelijks den tijd gehad onze gewonden te verbinden, toen ook reeds een kleine afdeeling kavallerie uit Groznaja, kwam aanrennen. De opperbevelhebber, in de meening dat de troep in de beste orde opmarcheerde en dat de Tschetschentzen zich reeds hadden teruggetrokken, vond het niet noodig hen te vervolgen en zond de naderende kolonne slechts een paar ruiters te gemoet. Met vereende krachten werd eene draagbaar gemaakt, met soldatenjassen bedekt, de gewonden werden zoo voorzichtig mogelijk erop gelegd en verder ginghet weer naar Groznaja, dat wij reeds tot op korten afstand waren genaderd.
“De ruiters brachten de goede tijding mee dat graaf Tolstoi en de Tartaar Sado aan de vervolging waren ontkomen en ongedeerd de vesting hadden bereikt.
“Het vijftal, dat ter nauwernood aan den dood was ontsnapt, wilde vóór de kolonne te Groznaja zijn en was daarom vooruitgereden, iets dat, ondanks streng verbod, in den Kaukasus maar al te dikwijls voorkwam.
“Onze vijf jongelui nu besloten, toen zij een honderd schreden vooruit waren, zich, met het oog op de veiligheid, in twee groepen te verdeden. Graaf Tolstoi en Sado zouden bovenlangs gaan, de drie anderen den lagen weg houden.
“Nauwelijks boven gekomen zagen zij plotseling uit een bosch de Tschetschentzen recht op zich aanstormen. Tolstoi schreeuwde zijne kameraden nog toe, dat de vijand er aankwam, en daar zij zelfs geen tijd meer hadden terug te keeren, vlogen zij zoo snel hun paarden loopen wilden den weg op naar de vesting. De anderen, die beneden waren gebleven, geloofden het eerst niet en verloren daardoor eenige kostbare minuten. Toen de Tschetschentzen (waarvan er zich zeven hadden afgescheiden om Tolstoi en Sado te vervolgen) verschenen, wierp baron Rozen snel als de gedachte zijn paard om en stormde terug naar de kolonne, die hij ook ongedeerd bereikte. Schtscherbatscheff rende hem achterna, maar zijn paard was niet zoo vlug, de vijand haalde hem in, verwondde hem en sloeg hem van het paard, maar toch gelukte het hem nog te voet de kolonne te bereiken. Het slechtst van allen was Paul er aan toe. Hij wilde instinctief vooruit naar Groznaja, maar bedacht zich dat zijn jong paard hem er niet zou brengen. Hij keerde dus terug, stootte op den vijand en trachtte nog (hij verloor geheel zijne zelfbeheersching, zooals hij zelf bekende) zich met getrokken sabel een weg te banen,dwars door den vijand heen. Maar een van de bergbewoners, een uitstekend schutter, liet hem tot op eenige passen naderen, en mikte toen op zijn paard, dat dadelijk dood neerviel en boven op zijn berijder kwam te liggen. De Tschetschentz trok Paul de sabel met zilveren gevest uit de hand en wilde hem ook de scheede afrukken toen hij moest vluchten voor de nadering der troepen, maar niet voordat hij Paul een’ sabelhouw had gegeven. Dit voorbeeld volgden nog zes anderen, en zoo vonden wij hem, bloedend uit zeven wonden, onder het doode paard.”
In deHerinneringenvan S. A. Bjers lezen wij van deze gebeurtenis het volgende:
“De goedgezinde Tschetschentz Sado en Tolstoi waren groote vrienden. Sado had een jong paard gekocht, dat hij, na het eenigen tijd te hebben bereden, Tolstoi eens liet probeeren, terwijl hij zelf diens telganger, die niet zoo goed kon galoppeeren, besteeg. Dit was juist gebeurd toen de Tschetschentzen hen overvielen. Tolstoi, die de kans had op het vlugge paard te ontsnappen, liet zijn vriend niet in den steek. Sado ging, als alle bergbewoners, nooit uit zonder buks, maar die was nu helaas niet geladen. Toch richtte hij haar op de vervolgers, in de hoop hun vrees aan te jagen. Dezen, van hun’ kant, schoten ook niet omdat zij hen levend gevangen wilden nemen, om zich op Sado, een’ afvallige, te kunnen wreken. Deze omstandigheid redde hun het leven. In de nabijheid van Groznaja kreeg een schildwacht hen in ’t oog, en op diens alarm kwam er hulp opdagen, waardoor de vijand gedwongen werd de vervolging te staken.”
Deze gebeurtenis heeft de stof geleverd voor Tolstoi’s vertellingDe Kaukasische Gevangene.
Ondanks het woeste krijgsmansleven en het feit dat er nog oogenblikken kwamen waarin Tolstoi zich geheel aangenot en spel overgaf, ging zijne geestesontwikkeling met reuzenschreden vooruit.
Korten tijd na de bovenbeschreven episode schreef hij de volgende gedachten neer:
“Wees oprecht, zelfs al moet gij scherp zijn, maar vrees niet kinderlijk openhartig waar dit niet vereischt wordt.”
“Onthoud u van wijn en vrouwen.”
“Het genot duurt zoo kort—het berouw zoo lang.”
“Doe het werk dat gij verricht nooit ten halve. Tracht u bij iedere sterke aandoening te beheerschen en zoo gij u iets hebt voorgenomen, breng het ten uitvoer, zelfs als het niet goed is.”
Tolstoi reisde in Juni van ’t jaar ’53 weer naar Pjatigorsk, bleef daar tot October en kwam weer in Starogladowskaja terug. Klaarblijkelijk begon de dienst hem danig te vervelen en ongeduldig verlangde hij naar eene verandering in zijn leven. Onder den indruk daarvan schreef hij uit Pjatigorsk aan zijn’ broer:
“Ik heb je, geloof ik, reeds geschreven dat ik mijn ontslag heb aangevraagd. Of ik het krijg en wanneer, vooral met het oog op den oorlog met Turkije, mag de hemel weten. Ik maak er mij erg ongerust over, want ik vrees—in den dienst is alles mogelijk—dat ik weer naar Starogladowskaja zal moeten gaan, en ik had mij reeds geheel aan de gedachte gewend, spoedig naar ons dorp terug te keeren.”
Dezelfde stemming spreekt uit een’ brief geschreven te Starogladowskaja in December 1853:
“Ik bid je, maak zoo spoedig mogelijk werk van mijne papieren. ’t Is noodzakelijk. God alleen weet wanneer ik terug zal keeren! ’t Is nu bijna een jaar dat ik niets liever zou wenschen dan de sabel in de scheede te steken, maar ikkan het niet. Nu ik evenwel toch gedwongen ben aan den oorlog deel te nemen, wil ik nog liever naar Turkije gaan dan hier blijven, hetgeen ik dan ook vorst Sergius Dmitrijewitsch gevraagd heb. Hij heeft het zijn’ broeder reeds geschreven, maar of er iets van komt weet hij niet.
“In ieder geval hoop ik, dat er tegen Nieuwjaar verandering in mijn leven zal komen, want ik moet bekennen dat het mij ontzettend begint te vervelen. Domme officieren, domme gesprekken en anders niets. Als ik nog maar één mensch had met wien ik vertrouwelijk kon spreken. Toerghenjeff had gelijk toen hij beweerde, dat het niet goed is eenzaam te zijn; men voelt dat men achteruit gaat.
“Hoewel Nikolaas, de hemel mag weten waarom, de goede honden heeft meegenomen (Jepischka en ik schelden hem er in gedachten dikwijls om uit) ga ik iederen dag, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, met een’ anderen hond op de jacht. En dat is mijn eenige genoegen, of liever, geen genoegen maar een verdoovingsmiddel. Je draaft heen en weer, je krijgt honger, je wordt moe en de dag is voorbij. Als er gelegenheid toe is, of als gij zelf naar Moskou gaat, koop mij danDavid Copperfieldvan Dickens in het Engelsch en stuur het mij met mijn Engelsch woordenboek dat in mijn boekenkast staat.”
In dezen tijd schreef TolstoiJongensjaren, dat hij ook weer naar denSawremjennikstuurde, maar met een ontevreden gevoel van te haastig te hebben gewerkt. Ook hield hij zich onledig met het lezen van eene biografie van Schiller.
Teruggekeerd van een kort reisje naar Chasaf-Joert schreef hij in zijn dagboek:
“Alle gebeden die ik vroeger tot God richtte heb ik vervangen door het eene ‘Onze Vader.’ Alles wat ik Hem wil vragen wordt het waardigst uitgedrukt door de woorden: ‘Heer, Uw wil geschiede, zooals in den hemel alzoo ook op aarde.’”
In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vonden we nog eene gebeurtenis uit zijn leven in den Kaukasus beschreven, n.l. hoe het kwam dat het kruis van St. George hem ontging.
“Tolstoi was, zooals de lezer weet, reeds eenige malen in ’t gevecht geweest en hij hoopte vurig nog eens het kruis van St. George te ontvangen. Zijn commandant was zeer met hem ingenomen; er bestond dus wel kans dat die droom verwezenlijkt zou worden. Nadat er eens weer een gevecht had plaats gevonden, werden er eenige kruisen gestuurd, die den volgenden dag zouden worden uitgereikt. Nu gebeurde het dat Tolstoi den avond van te voren dienst moest doen op het eiland waar de kanonnen stonden. Ongelukkig voor hem liet hij zich tot een partij schaak overhalen, en zooals hij zich door alles liet meesleepen ging het ook nu: hij bleef tot midden in den nacht bij het spel en ging niet op wacht. De dienstdoende officier, die hem niet op zijn post vond, onderhield hem streng over zijn verzuim en stuurde hem in arrest.
“Den volgenden dag werden, terwijl de muziek speelde, de kruisen uitgereikt. Tolstoi wist, dat hij er ook een zou hebben gekregen, en daar zat hij nu in arrest en kwam bijna tot vertwijfeling.”
Nog eenmaal heeft hij eene kans gehad het kruis te verkrijgen, doch dit liep, hoewel meer eervol, ook op niets uit.
De overste Alexejeff wendde zich even vóor de uitreiking der kruisen met de volgende woorden tot Tolstoi: “Gij weet, dat het kruis van St. George voornamelijk aan oude soldaten wordt uitgereikt, die dan tevens recht krijgen op een levenslang pensioen, dat evenveel bedraagt als hun salaris. Ook wordt het kruis uitgereikt aan jonge mannen, die door hun chefs geprotegeerd worden. Hoe meer dit laatste geval zich voordoet, des te meer wordt het onthouden aan oude soldaten, die het verdienden te ontvangen. Zoo gij het verlangt, zal iku het kruis geven, maar zoo gij er afstand van doet, dan is hier een oude, waardige soldaat, die het verdiend heeft en voor wien het tevens een middel van bestaan is.” Natuurlijk wenschte Tolstoi, hoewel hij er zeer naar verlangd had, het kruis nu niet meer te ontvangen, en eene andere gelegenheid om het te verdienen deed zich niet meer voor.
Nu laten wij nog eenige bladzijden uit deHerinneringenvan den officier Janzjoel volgen, die in 1871 in Starogladowskaja gedetacheerd was, waar hij nog versche sporen vond van Tolstoi’s verblijf aldaar.
“In 1871 werd ik als officier naar Starogladowskaja gezonden en kwam bij dezelfde batterij te staan, waar ook graaf Leo Tolstoi gediend had. In de twee jaren, die ik daar gewoond heb, had ik de gelegenheid het plaatsje goed te leeren kennen, de typische vriendelijke huisjes, de moedige Kozakken, het kommandantshuis met de hooge, oude populieren, alles door Tolstoi beschreven in zijne vertellingDe Kozakken. In mijn’ tijd was de herinnering aan Leo Nikolajewitsch, zooals hij daar genoemd werd, nog levendig gebleven. Men wees mij o.a. de nu oude Mariana, de heldin van zijn verhaal, en eenige oude Kozakken, die Tolstoi persoonlijk gekend hadden en met wie hij dikwijls op de faisanten- en wilde-zwijnenjacht was geweest. Een van deze jagers ging in 1880 te paard naar Jasnaja Paljana, om hem nog eens weer te zien. Ook trof ik er nog een zekeren kapitein Troloff (sinds dien overleden) die Tolstoi heel goed gekend had en zich nog de boeiende wijze van vertellen herinnerde, waarmee hij iedereen meesleepte.”
Janzjoel geeft ook nog eene karakteristieke beschrijving van Tolstoi’s bataillons-commandant. Nikita Petrowitsch Alexejeff, de batterij commandant van graaf Leo Tolstoi, werd om zijne goedhartigheid door iedereen geacht en bemind. Hij bezat maar één oor (het andere had een paard hem afgebeten), hadaan de universiteit gestudeerd en was zeer godsdienstig, zoodat hij uren lang geknield in de kerk kon liggen met zijn hoofd ter aarde gebogen.
Leo Tolstoi en zijn broeder Sergius (links), omstreeks den tijd dat deze herinneringen werden geschreven.—Blz. 83.Leo Tolstoi en zijn broeder Sergius (links), omstreeks den tijd dat deze herinneringen werden geschreven.—Blz.83.
Leo Tolstoi en zijn broeder Sergius (links), omstreeks den tijd dat deze herinneringen werden geschreven.—Blz.83.
Hij kon het nooit rustig aanzien dat de officieren wodka dronken en vooral niet als het jongelui waren. Volgens de gebruiken van den goeden ouden tijd aten zij iederen dag bij hun’ commandant aan tafel en dan deed Leo Tolstoi dikwijls, echt kwajongensachtig, alsof hij wodka dronk. Nikita Petrowitsch raadde hem dan telkens ernstig aan dat wodka drinken te laten en liever, zooals hij, bonbons te eten.
De beschrijving van Tolstoi’s leven in den Kaukasus zou niet volledig zijn, wanneer wij nog niet even herinnerden aan twee goede kameraden van hem, de honden Boelka en Milton, die hij beschreven heeft inBoekjes om te lezen, een verhaal dat ieder Russisch schoolkind kent.
Eindelijk, na lang wachten, kreeg Tolstoi zijne aanstelling tot officier. Den 18enJanuari 1854 deed hij het officiersexamen, hetgeen in die dagen maar bloot een vorm was, en maakte hij zich voor zijn vertrek gereed.
Reeds den 19enJanuari bereikte hij de Russische grens en kwam, na een reis van ongeveer twee weken, te Jasnaja Paljana aan. Onderweg werd hij door een heftigen sneeuwstorm overvallen, die hem waarschijnlijk tot stof heeft gediend voor een zijner vertellingen.
Den korten tijd dien hij in Rusland bleef bracht hij door bij zijne broers, zijne tante en zijn’ vriend Pjerfiljeff.
Zijne overplaatsing in het leger dat naar den Donau werd gezonden wachtte hem reeds; spoedig moest hij dus weer vertrekken en zoo vinden wij hem den 14 Maart 1854 te Boecharest.
Als gepast slot van dit hoofdstuk laten wij nog Tolstoi’s tegenwoordige meening volgen over zijn leven in den Kaukasus.Met groot genoegen denkt hij steeds aan dien tijd terug en noemt dien, ondanks de vele afdwalingen van zijn toen nog vaag gevoeld ideaal, een der beste tijdperken van zijn leven. Zijn latere diensttijd heeft hem, naar hij meent, vooral wat zijne letterkundige werkzaamheid betreft, naar omlaag getrokken.
Eerst nadat hij in zijn dorp was teruggekeerd en toen hij al zijne krachten inspande om verbetering te brengen in het onderwijs aan het dorpskind, kon zijn geest zich weer verheffen en voelde hij zich als herboren.
1In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.2In ’t handschrift wordt deze brief in ’t Fransch aangehaald.3Kamp.4Deze brief is in ’t handschrift in ’t Fransch aangehaald.5In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.6Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.7Kozakken-meisje.8De vrouw van een barin = heer.9Jonge wijn.10In het handschrift is deze brief in ’t Fransch aangehaald.11In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.12Eene lichte spijs, die altijd na gebruik van drank wordt gegeten.13In het handschrift in het Fransch aangehaald.14Iemand die alles durft en alles kan.15In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.16Het tijdschriftDe Tijdgenoot.17In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
1In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
2In ’t handschrift wordt deze brief in ’t Fransch aangehaald.
3Kamp.
4Deze brief is in ’t handschrift in ’t Fransch aangehaald.
5In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
6Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.
7Kozakken-meisje.
8De vrouw van een barin = heer.
9Jonge wijn.
10In het handschrift is deze brief in ’t Fransch aangehaald.
11In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
12Eene lichte spijs, die altijd na gebruik van drank wordt gegeten.
13In het handschrift in het Fransch aangehaald.
14Iemand die alles durft en alles kan.
15In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
16Het tijdschriftDe Tijdgenoot.
17In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.