Eerste deel.

Eerste deel.Eerste hoofdstuk.De voorouders van Leo Tolstoi van vaderszijde.1De graven van Tolstoi zijn van een oud adellijk geslacht, dat volgens de genealogen afstamt van den heiligen Indriss, die in 1353 met twee zonen en een leger van 3000 man naar Tschernigoff trok. Hij liet zich doopen, ontving den naam Leontii en werd de stamvader van eenige adellijke families. Zijn achterkleinzoon, Andrei Charjitonowitsch, verhuisde van Tschernigoff naar Moskou, ontving van grootvorst Wassilii Tjenni den achternaam Tolstoi, en was de stamvader van de Tolstoi’s. (Volgens den graaflijken stamboom van het geslacht Tolstoi is Leo Nikolajewitsch een nakomeling van Indriss in den tweeden graad).2Een van zijn nakomelingen, Peter Andrejewitsch Tolstoi, diende in 1683 als Stolnik (een hoveling die het oppertoezicht heeft over de tafel, enz.) aan het hof en was één van de hoofdleiders van den opstand der Strelitzen. De val van de Tsarina Sophie dwong Tolstoi zijn bakens te verzetten en naar de partij van Tsaar Peter over te gaan. Deze hield hem echter steeds op een afstand en het duurde een langen tijd voor dat Peter Andrejewitsch het vertrouwen van den Tsaar mocht winnen.Daarvan vertelt men het volgende.Eens, bij een woest drinkgelag, behaagde het den Tsaar Tolstoi zijn grooten pruik van het hoofd te rukken. Hij sloeg hem er mee op den kalen schedel en sprak: “Hoofdje, hoofdje, als jij niet zoo verstandig waart, dan had men je reeds lang van den romp gescheiden.”Zelfs de groote militaire verdiensten van Tolstoi, in den tweeden strijd om Azoff, konden het wantrouwen van den Tsaar niet overwinnen.In 1697 zond Tsaar Peter eenige vrijwilligers naar het buitenland in de leer. Tolstoi, toen reeds een man van rijperen leeftijd, bood aan er heen te gaan, ter bestudeering van het zeewezen. Tevens stelde hij zich volkomen op de hoogte van de West-Europeesche cultuur. In ’t eind van 1701 werd Tolstoi benoemd tot gezant te Constantinopel, een gewichtige maar moeilijke post. Ten tijde van de verwikkelingen van 1710–1713 zat hij tweemaal op het “slot met de zeven torens” gevangen. Daarom voeren de graven Tolstoi een wapen waarop dit slot is afgebeeld.In 1717 bewees Tolstoi den Tsaar een grooten dienst, waardoor hij voor goed bij dezen in de gunst kwam.Op korten afstand van Napels, waarheen Tolstoi was gezonden, ligt het kasteel Sint-Elmo. Daar hield zich in dien tijd de Tsarewitsch Alexei met zijne vriendin Eufrosyneverborgen. Met behulp van die vrouw gelukte het Tolstoi, door ruwe bedreigingen en valsche beloften, den Tsarewitsch te bewegen naar Rusland terug te keeren. Zijn werkzaam aandeel in het gerechtelijk onderzoek, de zittingen van de geheime rechtbank en de, op bevel van den Tsaar, heimelijke voltrekking van het doodvonnis (met medewerking van Roemjantseff, Oeschakoff en Boetoerlin) bezorgden hem eene belooning. Hij kreeg eenige landgoederen ten geschenke en werd benoemd tot chef van de geheime kanselarij, waar juist zeer veel te doen viel wegens oproer en gisting onder ’t volk, veroorzaakt door den dood van den Tsarewitsch Alexei.Tolstoi was in dien tijd een van de personen die zich steeds in de onmiddellijke nabijheid van den Tsaar bevonden, en die het meest door hem werden vertrouwd.Door de zaak met den Tsarewitsch kwam hij ook in nauwere aanraking met Keizerin Catharina. In vereeniging met Menschikoff werkte hij krachtig mede aan hare troonsbestijging, waarvoor hij op den kroningsdag beloond werd met den titel van graaf, en naderhand veel gunsten bleef genieten. Onder de regeering van Peter II, een’ zoon van den vermoorden Tsarewitsch, was zijn val echter onvermijdelijk. Zonder dat er met zijn hoogen leeftijd rekening werd gehouden (82 jaar), werd Peter Tolstoi in het Solowetski-klooster gevangen gezet, waar hij niet lang daarna, in 1729, overleed.Er bestaat nog een dagboek met aanteekeningen van Tolstoi’s buitenlandsche reis van 1697 tot 1699, een karakteristiek staaltje van den indruk, dien een Rus uit den tijd van Peter den Groote van West-Europa kreeg. In 1705 stelde hij een geschrift samen, handelende over de Zwarte Zee. Bovendien zijn van hem twee vertalingen bekend:De Metamorphose van OvidiusenDe Regeering van den Turkschen Staat.Tolstoi had een zoon, Iwan Petrowitsch, president van derechtbank, die tegelijkertijd met hem in de gevangenis werd gezet, waar hij spoedig na zijn vader overleed.Reeds onder de regeering van Elizabeth Petrowna, 26 Maart 1760, werden de nakomelingen van Peter Tolstoi in hunne graaflijke waardigheid hersteld en wel in de persoon van zijn kleinzoon Andrei Iwanowitsch, den overgrootvader van Leo Tolstoi.“Van een van mijne tantes hoorde ik van dezen Andrei Iwanowitsch, die zeer jong met eene vorstin Tschtschetininaja in ’t huwelijk trad, eens het volgende verhaal.“Door het een of ander toeval moest de vorstin zonder haar man naar een bal. Toen ze was weggereden, waarschijnlijk in een koets, waaruit men de banken had moeten verwijderen opdat het hooge kapsel niet door het stooten tegen de zoldering zou worden beschadigd, herinnerde de jonge vorstin (ze was waarschijnlijk 17 jaar) zich plotseling, dat ze geen afscheid had genomen van haar man. Dadelijk liet ze keeren en vond thuisgekomen haar gemaal in tranen. Hij weende omdat zij zonder hem te groeten was weggegaan.”3Tolstoi vertelt het volgende van zijn grootvader en grootmoeder van vaderszijde.“Mijne grootmoeder Pelageja Nikolajewna was eene dochter van den blinden vorst Nikolaas Iwan. Gortschakoff. Zij was, zoover ik het mij kan herinneren, weinig ontwikkeld. Zooals allen in dien tijd sprak zij beter Fransch dan Russisch, maar dat was dan ook alles wat ze wist. Zij werd haar geheele leven zeer verwend, eerst door haar vader, toen door haar man en daarna door haar zoon.“Bovendien werd haar, als dochter van den oudste van het geslacht, de grootste achting bewezen door alle Gortschakoffs, t.w. den gewezen minister van oorlog, Nikolaas Iwanowitsch, Andrei Iwanowitsch en de zonen van den vrijdenker Dimitri Petrowitsch, Peter Sergius en Michael Sebastopolski.“Mijn grootvader was ook, voor zoover ik nog weet, een weinig ontwikkeld man, zwak van karakter, niet slechts vrijgevig maar zelfs onuitsprekelijk verkwistend, en daarbij veel te goed van vertrouwen. Op zijn landgoed, gelegen in het district Bjellewskaja Paljana (niet te verwarren met Jasnaja Paljana) hield men steeds feesten en drinkgelagen. Bals, comedie, diners en ’t maken van kleine uitstapjes wisselden elkaar af. Grootvader had een grooten hartstocht voor het spel, hombre en whist, dat hij niet goed kende en waardoor hij dus groote sommen verloor, daarenboven gaf en leende hij steeds maar groote sommen uit, waarvan hij nooit iets terug zag. Het einde van dit alles was, dat het groote landgoed van mijn grootmoeder zoo met schulden was belast, dat er niets meer overbleef om van te leven, en grootvader gedwongen was de betrekking van Gouverneur te Kazan aan te nemen. Door zijn vele relaties viel het hem gemakkelijk dien post te krijgen.“Mijn grootvader was onomkoopbaar en nam slechts het geld dat hem volgens algemeen gebruik van de pacht toekwam. Hij werd boos wanneer men trachtte hem heimelijk om te koopen. Maar grootmoeder, zooals men mij vertelde, nam, zonder dat haar man er iets van wist, wel geschenken aan.“De jongste dochter van grootmoeder, Pelageja, trouwde te Kazan met Joeschkoff, de oudste, Alexandra, nog te Petersburg, met graaf Osten Sacken.“Na den dood van haar man, die te Kazan overleed, en na het huwelijk van mijn vader, kwam grootmoeder bij ons te Jasnaja Paljana, en zooals ze toen was, reeds een oude vrouw, kan ik mij haar nog heel duidelijk voorstellen.“Grootmoeder hield hartstochtelijk veel van mijn vader; wij, haar kleinkinderen, werden door haar verwend; van de tantes hield zij ook, maar ik geloof dat zij mijne moeder niet graag mocht lijden, omdat zij haar niet goed genoeg vond voor vader en—omdat zij jaloersch op haar was. Voor het personeel behoefde zij niet veeleischend te zijn, want, wetende dat zij de eerste persoon in huis was, deden alle bedienden ongevraagd alles wat ze konden om het haar naar den zin te maken. Gascha, haar kamenier, had echter veel van haar luimen te lijden en werd geregeld door haar gekweld. Met de woorden: ‘jij bent mij de liefste’ verlangde zij de onmogelijkste dingen van haar en plaagde haar op alle manieren. Het opmerkelijkste hierbij is, dat Gascha Arafa Michaïlowna4, die ik nog heel goed gekend heb, alle luimen van grootmoeder overnam en met haar ondergeschikten, met haar kat, in één woord met allen over wie zij iets te zeggen had, juist zoo omging als grootmoeder met haar.“Van mijne eerste herinneringen aan mijne grootmoeder, tot aan onze reis naar Moskou en ons leven daar, zijn drie indrukken het levendigst gebleven.“De eerste is, dat grootmoeder, als zij zich wiesch, met een bijzondere zeep verwonderlijk mooie zeepbellen op haar handen te voorschijn kon tooveren, die, naar ik toen geloofde, niemand dan zij zoo mooi kon maken.“Men bracht ons expres naar haar toe om er bij te zijn als zij zich wiesch. Ik herinner mij haar witte koftoschka (lijfje met mouwen), haar joebka (vrouwenrok), haar witte oude handen met de zeepbellen en haar bleek, tevreden glimlachend gelaat.“De tweede herinnering is deze: Grootmoeder zit in degroene cabriolet op veeren, waarin wij dikwijls met onzen goeverneur Feodor Iwanowitsch uit rijden gaan. Zij wordt getrokken niet door paarden maar door de knechts van mijn vader. Wij gaan uit om noten te schudden, die er dit jaar zeer overvloedig zijn.“Ik herinner me den zwaar beladen noteboom met de krakende, bewegende takken, hoe Petroeschka en Matjoeschka, de tuinknechts, die de groene cabriolet, waarin grootmoeder gezeten is, voorttrokken, de takken naar haar toe bogen, en hoe grootmoeder zelf de heerlijk rijpe vruchten aftrok en in haar tasch deed; hoe wij zelf de noten plukten, en hoe Feodor Iwanowitsch ons verbaasde met zijne kracht, door de dikste takken naar beneden te wringen. Hoe wij zelf noten verzamelden uit alle macht, en hoe wij toch nog zagen, toen Feodor Iwanowitsch de takken los liet, die zich langzaam, zich in elkaar verwarrend, weer oprichtten, dat er vele noten waren blijven hangen. Ik herinner mij hoe warm het was op die kleine weide, en hoe heerlijk koel in de schaduw, hoe wij de prikkelende geuren inademden die noten en notebladeren van zich gaven, hoe kleine meisjes, die bij ons waren, de noten kraakten en tusschen hun lipjes staken, en hoe wij, onophoudelijk kauwden en al maar kauwden aan de frissche, blanke, sappige kern.“Wij verzamelden de noten in onze zakken, in onzen schoot en in de groene cabriolet, en grootmoeder nam ze aan en prees ons. Wat er verder gebeurde, nadat we thuis waren gekomen, daarvan heb ik niets onthouden. Ik herinner me slechts grootmoeder, den noteboom, den scherpen geur der bladeren, de knechts, de groene cabriolet, de zon en dat alles samensmeltende tot eene blijde herinnering. Ik geloofde dat, even als de zeepbellen slechts op grootmoeders handen konden zijn, zoo ook de zon, het bosch en de noteboom een geheel vormden met grootmoeder in haar groene cabriolet op veeren, die getrokken werd door Petroeschka en Matjoeschka.“De herinnering, die het innigst met grootmoeder is saamgeweven, is die nacht, doorgebracht in grootmoeders slaapkamer: Leo Stepanitsch (hij was een blinde sprookjesverteller, en reeds oud toen ik hem leerde kennen), een overblijfsel uit den tijd toen de lijfeigenschap nog bestond, een lijfeigene van mijn’ grootvader. Hij was indertijd gekocht alleen om sprookjes te vertellen, die hij, dank zij een slechts blinden eigen bijzonder sterk geheugen, woordelijk kon verhalen nadat men ze hem een paar maal had voorgelezen.“Hij woonde ergens in ons huis en den geheelen dag bleef hij onzichtbaar tot hij ’s avonds in grootmoeders slaapkamer voor den dag kwam. Grootmoeders slaapkamer was een groot, laag vertrek, waartoe een klein trapje van een paar treedjes toegang gaf. Leo Stepanitsch zette zich dan in de breede vensterbank, waar men hem zijn avondeten bracht dat van de heerentafel kwam. Hier wachtte hij op grootmoeder die, zonder schroom voor de tegenwoordigheid van den blinden ouden man, haar nachttoilet in orde kon maken.“Op dien dag, toen ’t mijn beurt was om bij grootmoeder te overnachten, zat Leo Stepanitsch met zijn blinde oogen, gekleed in een lange blauwe jas en een doek om zijn schouders, reeds in de vensterbank bij zijn avondeten. Ik kan mij niet herinneren of grootmoeder zich uitkleedde in deze of in een andere kamer, ook niet hoe men mij te bed heeft gebracht. Ik herinner mij slechts, toen het licht werd uitgedaan en alleen een lampje bleef branden voor de gouden heiligenbeelden, grootmoeder, diezelfde wonderbare grootmoeder, die zulke prachtige zeepbellen kon maken, geheel in ’t wit, omhuld met wit, bedekt met wit, hoog liggend op haar witte kussen, en toen,—van uit de diepe vensternis—de eentonige, rustige stem van Leo Stepanitsch: ‘Beveelt ge, dat ik ga vervolgen?’—‘Ja, ga verder.’—‘Mijn geliefd zustertje,’ hernam Leo Stepanitsch met zijn langzame oude stem, ‘doeons een van die boeiende verhalen die gij zoo goed weet te vertellen.’ ‘Zeer gaarne,’ antwoordde Scheherezade, ‘ik zou u de geschiedenis van Prins Kamaralzaman willen vertellen, zoo gij ons daarvoor uwe toestemming wilt geven.’ Nadat zij deze had verkregen begon de Sultane Scheherezade als volgt: ‘Er was eens een Tsaar die een eenigen zoon had...’ en duidelijk woord voor woord vertelde Leo Stepanitsch de geschiedenis van Prins Kamaralzaman. Ik hoorde noch begreep wat hij zei, zoo geheel ging ik op in den geheimzinnigen aanblik van mijne witte grootmoeder, van haar schaduw die zich op den muur heen en weer bewoog, en van den grijsaard met zijn blinde oogen, dien ik nu niet zag, maar dien ik mij bewust was, zittende op de vensterbank, zeggende met zijne langzame stem eenige, naar het mij toescheen, verheven woorden die weerklonken in deze in schemer gehulde kamer, slechts verlicht door de trillende vlam eener lamp.“Het kan zijn, dat ik dadelijk insliep en mij daarom niets meer herinner dan dat ik den volgenden morgen, wakker geworden, weer in verrukking kwam voor de wondermooie zeepbellen op de handen van mijn grootmoeder.”5.De volgende tabel geeft den lezer een overzicht van de jongste voorouders van Leo Tolstoi.Graven Tolstoi.Peter Andrejewitsch, eerste graaf Tolstoi [† 1729].Iwan Petrowitsch [† 1728].Andrei Iwanowitsch [† 1803].Ilija Andrejewitsch [† 1820] (Gouverneur van Kazan).Alexandra, getrouwd met graaf Osten Sacken.Nikolaas [† 1837].Pelageja, getrouwd met W. I.Joeschkoff.Ilija, stierf kinderloosNikolaas, geb. 1823.Sergius, geb. 1826.Dimitri, geb. 1827.Leo, geb. 1828.Maria, geb. 1830.De familie Tolstoi heeft haar vertegenwoordigers in vele standen van de maatschappij.Wij veronderstellen, dat het den lezer zal interesseeren te weten in welken graad van bloedverwantschap Leo Tolstoi tot eenigen hunner staat. Wij herinneren hier aan Feodor Petrowitsch Tolstoi, een bekend kunstenaar en vice-president van de Keizerlijke Kunstacademie, die een neef was van den vader van den dichter Alex. Const. Tolstoi, die op zijn beurt weer een achterneef is van Leo Tolstoi. De gewezen minister Dimitri Andrejewitsch Tolstoi, bekend om zijn reactionnaire maatregelen, staande in een meer verwijderden graad van bloedverwantschap tot Tolstoi, stamt af van den algemeenen stamvader Iwan Petrowitsch Tolstoi, zoon van den eersten graaf Tolstoi, Peter Andrejewitsch, die evenals zijn vader stierf in het Solowetski-klooster.1Wanneer ik gebruik maak van de woorden van Tolstoi uit zijne mij verstrekte “herinneringen”, dan zal dat door aanhalingsteekens worden aangegeven.2Volgens familiegegevens stamt het geslacht Tolstoi af van een Duitscher Dick (in ’t Russisch = Tolstoi). Hoewel dit niet in overeenstemming is met de stamboeken, is het zeer wel mogelijk dat deze twee variaties toch één bron hebben. Het kan zijn dat het geslacht Andrei Charjitonowitsch nog de Duitsche taal gebruikte, dat het den achternaam Dick kreeg, en dezen naam eenvoudig in ’t Russisch vertaalde.P. B.3Toegevoegd door Tolstoi bij de nalezing van ’t handschrift.4Deze Gascha stierf eenige jaren geleden op het landgoed van Tolstoi, waar zij nog langen tijd rustig gewoond heeft.P. B.5Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.Tweede hoofdstuk.Voorouders van Leo Tolstoi van moederszijde.De vorsten Wolkonski klimmen met hun stamboom op tot Rurik.Bij het leven van mijn grootvader bestond er nog een in olieverf geschilderde stamboom van de vorsten Wolkonski. Daarop was de stamvader, vorst Tschernogorski (als de heilige Michaël) afgebeeld, met een boom in zijn vuist, wiens vertakkingen de rij van zijn nakomelingen voorstellen.Vorst Iwan Joerjewitsch, het 13degeslacht na Rurik, ontving in het begin van de 14deeeuw het vorstendom Wolkon, gelegen aan de rivier de Wolkona, die stroomt in het tegenwoordige gouvernement Kaloeka en Toela; dit was het stamgoed van de vorsten van Wolkonski. Zijn zoon Feodor Iwanowitsch viel in den slag bij Mamajeff in 1380. Wij noemen van Leo Tolstoi’s jongste voorouders zijn’ overgrootvader, vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski, om wiens persoon zich de volgende legende weeft.Vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski heeft deelgenomen aan den zevenjarigen oorlog in den rang van generaal. Zijn vrouw droomde eens, tijdens dien veldtocht, dat eene stem haar beval een heiligenbeeldje te laten maken, vertoonende aan de eene zijde Sjiwonosni Istotschnik, aan den anderen kant Nikolaas Tschoedotwortz, en hem dat te zenden. Zij zocht daarvoor een plankje uit, gaf bevel het te schilderen en zond het haren man door bemiddeling van den veldmaarschalkApraksin. Op dien zelfden dag bracht een koerier hem het bevel zich op weg te begeven om den vijand op te zoeken. Vorst Sergius Feodorowitsch bad God om hulp en stak het beeldje bij zich. Nu gebeurde het dat een vijandelijke kogel hem trof, juist op de borst, waar hij op het beeldje afstuitte. Dit beeldje, dat nu nog bewaard wordt door zijn jongsten zoon, vorst Nikolaas Serghejewitsch, redde hem dus het leven. Hij stierf 10 Maart 1784.Ilija Andrejewitsch Tolstoi, Tolstoi’s grootvader van vaderszijde.—Blz. 26.Ilija Andrejewitsch Tolstoi, Tolstoi’s grootvader van vaderszijde.—Blz.26.Leo Tolstoi, die deze legende natuurlijk kende, bediende zich ervan in zijn romanOorlog en Vrede, om de godsdienstige gevoelens weer te geven van vorstin Maria Wolkonskaja, voordat vorst Andreï ten oorlog trekt. De lezer zal zich herinneren dat Maria haar broeder vraagt, dit beeldje mee te nemen. Terwijl zij het hem geeft, zegt ze: “Denk wat je wilt, maar doe het dan voor mij, doe het, ik smeek het je! De vader van mijn vader, onze grootvader, droeg het in alle oorlogen...”Wij zien hier hoe de verbeeldingskracht van den kunstenaar en de werkelijke historie in elkaar vloeien. Terwijl de laatste aan de eerste het karakter van waarheid verleent, daar geeft de eerste aan de laatste dien schijn van het echte leven, die aan alle personen, voorkomend inOorlog en Vrede, bezieling schenkt, zoodat wij niet twijfelen aan hun werkelijk bestaan.De jongste zoon van Sergius Feodorowitsch, Nikolaas Serghejewitsch, was Tolstoi’s grootvader van moederszijde. Hier volgt hetgeen de stamboom van hem zegt.Nikolaas Serghejewitsch, generaal der infanterie, jongste zoon van vorst Sergius Feodorowitsch en vorstin Maria Dmitrijewna, geboren Tschadajewna, werd geboren 30 Maart 1753. In 1780 werd hij opgenomen in ’t gevolg van Keizerin Catharina II te Moghileff, waar hij de eerste samenkomst van haar met Keizer Joseph II bijwoonde. Later begeleidde hij de Keizerin naar Taurië. In 1793 werd hij benoemd tot eersten gezant teBerlijn, bij gelegenheid van het huwelijk van den kroonprins, den lateren Frederik Willem III. Hij stierf 3 Februari 1821 op het landgoed Jasnaja Paljana, waar hij, zonder het ooit meer te verlaten, zijne laatste jaren doorbracht, en dat, onder den naam van Liesig Gor, door zijn kleinzoon in den romanOorlog en Vredeonsterfelijk is gemaakt.Het lijk van dezen vorst is bijgezet in het Troitzko Serghejewskaja lawra (een klooster).Leo Tolstoi vertelt ons in zijne herinneringen het volgende van zijn’ grootvader.“Van mijn’ grootvader weet ik, dat hij onder Keizerin Catharina het hooge ambt van generaal-en-chef bekleedde, doch plotseling werd ontslagen, omdat hij weigerde te trouwen met Warjenka Engelhardt, de nicht en tevens geliefde van Potjemkin. Hij antwoordde toen deze het hem vroeg: ‘Hoe kom je op de gedachte, dat ik zou trouwen met uwe bijzit.’ Dat antwoord brak zijne carrière. Behalve dat hij niet werd bevorderd, verplaatste men hem als veldmaarschalk naar Archangel, waar hij, geloof ik, bleef tot aan de troonsbestijging van Keizer Paul. Hij nam ontslag uit den dienst, trouwde met vorstin Catharina Dmitrijewna Troebjetzkaja en vestigde zich op het landgoed Jasnaja Paljana, dat hij van zijn’ vader had gekregen.“Vorstin Catharina Dmitrijewna stierf jong, hem een eenige dochter nalatende.“Hij hield heel veel van deze dochter en bleef tot aan zijn dood, in 1821, met haar en hare Fransche gezelschapsjuffrouw samenwonen.“Men zegt van mijn’ grootvader, dat hij een zeer streng landheer was, hoewel ik nooit van die vreeselijke straffen hoorde gewagen, zoo algemeen in zwang in die tijden. Ik veronderstel dat er toch wel gestraft werd en mijn vader sprak ook wel eens minder gunstig over hem. De boerenechter uit dien tijd hadden zoo grooten eerbied voor gezag en macht, dat zij, hoe dikwijls er ook naar gevraagd, zich er niet over uitlieten. Zij roemden grootvader als een goed landheer, die zorg droeg voor zijne boeren en voor zijne groote, mooie bezitting. Hij liet huisjes bouwen voor de boerenknechts, en zorgde dat ze niet slechts goed gevoed maar ook goed gekleed en vroolijk zouden zijn. Op feestdagen was het voor hen ook feest. Hij zorgde dan voor schommels en liet hen dansen, enz.“Iedere verstandige landheer uit die dagen zorgde voor den welstand der boeren. Zoo deed ook hij, terwijl zijne hooge positie den Iesprawnik (de eerste uit het district) met zijne dienaren eerbiedig ontzag inboezemde, hetgeen zijne boeren weer vrijwaarde voor uitbuiting en onderdrukking, zoodat het hun steeds beter ging.“Waarschijnlijk was hij zeer aesthetisch aangelegd. De huisjes, door hem gebouwd, waren eenvoudig, gemakkelijk en daarbij zeer mooi, evenals het door hem aangelegde park vóor het huis. Van muziek scheen hij zeer veel te houden, want alleen voor zich en zijn vrouw hield hij er een klein maar goed orkest op na. Ik heb nog den reuzenboom in de lindenlaan gezien, dien dikken boom, door drie personen nauwelijks te omspannen, waarom banken en lessenaars voor de muzikanten stonden. Hij wandelde ’s morgens de lindenallée op en neer en luisterde naar de muziek. Van de jacht hield hij niet, maar wel van bloemen en planten.“Het noodlot bracht mijn’ grootvader op een eigenaardige wijze weer samen met diezelfde Warjenka Engelhardt, die zijne carrière had gebroken. Zij was n.l. getrouwd met vorst Sergius Feodorowitsch Galitzin, die daarvoor allerlei ambten, orden en gunsten had ontvangen. Er ontstond zulk eene intieme verhouding tusschen mijn grootvader en dien zelfden Sergius Feodorowitsch en zijne familie, dus ook met zijne vrouw,dat mijne moeder, toen ze nog heel jong was, reeds aan een van de tien zoons van Galitzin werd toegezegd.“Verder schonken de beide vorsten elkaar portretten uit hunne galerij, natuurlijk niet de oorspronkelijke, maar de copieën, geschilderd door hunne lijfeigenen, waaronder zich schilders bevonden. In ons huis bevinden zich nog al die portretten, o.a. een van Sergius Feodorowitsch, met het lint van Andrejew, en van Warwara Wasilewnaja, ook met eene ridderorde.“Het stond echter geschreven dat de twee families niet nauwer met elkaar zouden worden verbonden. Leo Galitzin, de bruidegom mijner moeder, stierf nog vóór het huwelijk”1.Den stamboom der vorsten Wolkonski overziende, valt mijn blik op eene interessante verschijning, n.l. op Warwara Alexandrowna Wolkonskaja (eene nicht van Tolstoi’s moeder), die heel veel gebeurtenissen ten zijnen huize heeft bijgewoond.Deze vorstin (dochter van vorst Alexander Serghejewitsch, dus een nicht van den grootvader van Leo Tolstoi); bleef na haar moeders dood dikwijls geruimen tijd met haar vader bij diens broeder Nikolaas Serghejewitsch. Hier ontmoette zij verschillende personen, door Tolstoi beschreven in zijn’ romanOorlog en Vrede.Tot in hoogen ouderdom bleef de herinnering aan die personen en gebeurtenissen haar levendig bij.Ouder geworden verhuisde zij naar het dichtbij gelegen dorpje Sogaljewo, eene vroegere bezitting van hare ouders. Daar richtte zij zich vlak naast de kerk een huisje in, waar zij woonde met een paar oude, getrouwe vrouwelijke gedienstigen, die haar niet wilden verlaten, en met wie zij, den romanOorlog en Vredelezende en herlezende, oude herinneringen ophaalde. Bijna door iedereen elders vergeten, genoot zij de achting en vereering der dorpelingen.Aan iemand, die in 1876 toevallig eens bij haar kwam,vertelde zij met innig genoegen, dat de boeren uit den omtrek, die toch reeds lang waren verkocht en al in de derde hand waren overgegaan, haar op haar 90stenverjaardag een zak met meel en een zilveren roebel ten geschenke hadden gebracht, en van de boerinnen kreeg zij een roebel, kippen, linnen, enz. Zij vertelde dit niet alleen met een gevoel van dankbaarheid maar ook van trots, als een bewijs van de goede herinnering, door haar ouders achtergelaten.“Ik maakte kennis met die nicht van mijne moeder, dat goede oudje, toen ik in ’t jaar ’50 in Moskou woonde. Vermoeid door het drukke wereldsche leven, dat ik daar leidde, zocht ik haar en haar landgoed op, en bleef er eenige weken. Zij bestuurde haar huishouding, borduurde een weinig, en zette mij zuurkool, pastila2en twarok3voor, zooals dat gaat op die kleine buitentjes. Onderwijl spraken wij over den ouden tijd en vertelde ze mij van mijn’ grootvader, van mijne moeder, van de drie kroningen die zij had bijgewoond en schreef ik mijn’ romanDrie dooden. Die weken, bij haar doorgebracht, vormen een van de reinste en mooiste herinneringen van mijn leven”4.Nu rest ons nog één persoon uit het geslacht der Wolkonski’s, die, hoewel niet in de rechte lijn, toch met Tolstoi verwant is, n.l. vorst Sergius Grigorjewitsch Wolkonski, een dekabrist. Hij was een achterneef van Tolstoi’s moeder, kleinzoon van Semjon Feodorowitsch Wolkonski en broeder van vorst Sergius Feodorowitsch van wien wij reeds boven gesproken hebben.Vorst Sergius Feod. Wolkonski werd geboren in 1788. Hij werd lid van een geheim genootschap, en werd wegens deelneming aan het complot der Dekabristen naar Oost-Siberië verbannen, waar hij 30 jaren bleef. De eerste jarenmoest hij, steeds geketend, werken bij den vestingbouw; daarna kreeg hij meer vrijheid, maar bleef steeds onder politietoezicht. De reis en aankomst van zijne vrouw, vorstin Maria Nikolajewna, is bezongen in ’t bekende gedicht van Njekrasoff.Zijn broer Nikolaas Grigorjewitsch nam in 1801, op bevel van Keizer Alexander I, den naam Rjennin aan. Rjennin was de familienaam van zijn’ grootvader van moederszijde, wiens geslacht was uitgestorven. In de Keizerlijke oekase kan men lezen, dat de Rjennins het vaderland steeds zoo roemvol dienden, dat hun naam niet mocht uitsterven, maar een levende herinnering moest blijven voor den Russischen adel. Vorst Nikolaas Grigorjewitsch nam deel aan de veldtochten tegen Napoleon en alle toenmalige vaderlandsche oorlogen. Na den slag bij Austerlitz kreeg hij de orde van den Heiligen Gregorius 4deklasse. In dien veldslag maakte hij als escadrons-commandant den beroemden cavallerie-aanval mee, waarbij hij door een kogel aan het hoofd werd gewond en zijn bewustzijn verloor. De Franschen vonden hem op het slagveld en brachten hem naar het veldhospitaal. Napoleon, die dit den volgenden dag hoorde, liet hem bij zich brengen en bood, uit achting voor zijne dapperheid, niet alleen hem, maar allen officieren die onder zijn commando stonden de vrijheid aan, op voorwaarde dat zij gedurende twee jaren niet meer aan den oorlog zouden deelnemen.Nikolaas Grigorjewitsch antwoordde, onder dankzegging, dat hij gezworen had zijn vaderland te dienen tot den laatsten druppel bloeds en daarom het aanbod moest afslaan.Kort daarna teruggekeerd uit de krijgsgevangenschap, werd hij wegens zijne verwonding uit den dienst ontslagen.In de Roeskaja Starina van 1890 komt een brief voor, gericht aan Mich. Daniljewski, waarin vorst Rjennin uitvoerig deze episode heeft beschreven. Het eerste gedeelte van het gesprek met Napoleon komt ook woordelijk voor in den romanOorlog en Vrede.1Uit de mij verstrekte ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.2Dikke gelei, die men in stukken gesneden voordient.3Een soort kaas, die niet gesneden maar gesmeerd wordt.4Ingelascht door Tolstoi bij lezing van mijn handschrift.Derde hoofdstuk.De ouders van Leo Tolstoi.Tolstoi houdt zich in dit hoofdstuk geheel aan de chronologische volgorde, in dien zin, dat hij begint met de vage herinneringen aan zijne moeder, hoofdzakelijk bestaande in verhalen die vrienden en bloedverwanten hem van haar deden, om dan over te gaan tot de gebeurtenissen van latere dagen, betreffende zijn vader en zijne tante, die hem duidelijk voor den geest staan.Om zijn werk de oorsponkelijke gedaante te laten behouden, hebben wij zoo weinig mogelijk veranderingen in deze opeenvolging gemaakt, maar alleen het verhaal van zijn’ grootvader Wolkonski er uitgelicht, om het onder het hoofdstuk te plaatsen, dat zijn voorouders van moederszijde behandelt1.“Mijne moeder kan ik mij in ’t geheel niet meer herinneren. Zij stierf toen ik anderhalf jaar oud was, en daar er door een vreemd toeval niet één portret van haar meer bestaat, weet ik niet hoe zij er heeft uitgezien.“Gedeeltelijk verheugt mij dit, omdat ik nu alleen haar geestelijk beeld voor oogen heb. Alles wat ik van haar weetis goed en mooi, en ik geloof dat men mij niet slechts veel goeds van haar vertelde, maar dat zij ook waarlijk goed was. Overigens, niet alleen mijn moeder, maar alle personen die mij in mijne kinderjaren omringden, van mijn vader af tot aan den koetsier, stel ik mij voor als goede menschen. Waarschijnlijk was het mijn jong, rein liefhebbend hart, dat mij in iedereen de goede eigenschappen deed ontdekken, en zeker is het, dat ik de waarheid meer nabij was, toen alle menschen mij goed toeschenen, dan toen ik alleen hunne feilen zag.“Mijne moeder was niet mooi, maar zeer ontwikkeld voor haar tijd. Zij kende behalve Russisch, dat zij, in tegenstelling met de toen heerschende gebrekkige kennis der spraakkunst, zeer goed schreef, vier talen: Fransch, Duitsch, Engelsch en Italiaansch, moet veel kunstzin gehad hebben en volgens tijdgenooten, die mij dat zeiden, een kunstenares zijn geweest in het verhalen van boeiende sprookjes, die zij dichtte onder ’t vertellen. Zij kon—en dat was wel haar schoonste eigenschap—, hoewel zeer driftig volgens zeggen der bedienden, zich steeds bedwingen. Het bloed steeg haar dan plotseling naar ’t gelaat, zelfs barstte zij wel eens in tranen uit, maar ruwe woorden zei ze nooit. Hoe zou zij ook? Die kende zij niet eens.“In mijn bezit zijn nog eenige van hare brieven, aan mijn’ vader, aan mijne tante en ook een dagboek, bevattende een verslag van het doen en laten van Nikoljenka, mijn oudsten broer, die zes jaar was toen zij stierf en die het meest van allen op haar geleek. Beiden hadden een eigenschap gemeen, die mij zeer lief is, namelijk hunne onverschilligheid tegenover alles ‘wat de menschen van hen zeiden,’ en de bescheidenheid waarmede zij trachtten hunne goede hoedanigheden te verbergen. Van mijn’ broer, die, zooals Toerghenjeff eens zeer terecht opmerkte, die gebreken miste, welke een goed schrijver eigen moeten zijn, heb ik het dikwijls zelf kunnen opmerken, van mijne moeder kwam ik het te weten uit hare brieven.Zoo herinner ik mij dat wij eens jaagden in gezelschap van een dommen, slechten jongen man, den adjudant van den gouverneur, die zich tegenover mij over hem vroolijk maakte. Mijn broer, die dit bemerkte, glimlachte goedmoedig en had er zelf pleizier in.“Die zelfde trekken vond ik terug in de brieven van mijne moeder. Zij stond klaarblijkelijk veel hooger dan mijn vader en zijne familie, behalve een zekere Tatjana Alex. Jergolskaja, eene moreel zeer hoog staande vrouw, in wier nabijheid ik mijn halve leven doorbracht.“Nog een gemeenschappelijke trek van mijne moeder en mijn’ broer, waaruit waarschijnlijk hunne onverschilligheid voor ’t oordeel der menschen voortvloeide, bestond daarin, dat zij nooit iemand veroordeelden.“Dezen karaktertrek van moeder leerde ik kennen uit hare brieven en hoorde ik vertellen door menschen, die haar goed hebben gekend. Wat mijn’ broer betreft, met wien ik heel lang samen bleef, in hem had ik dikwijls gelegenheid het op te merken. Kwam het voor, dat hij iets tegen iemand had, dan gaf hij dat te kennen door fijnen humor en een lachje.“In deLevensbeschrijvingvan Dmitri Rostowski is een geschiedenis, die mij altijd bijzonder heeft getroffen.“Een oude monnik had eens een heel vreemden droom. Hij zag een anderen monnik, die, even als zijne broeders, zeer veel gebreken had, niet slechts in ’t paradijs, maar daar zelfs op de allereerste plaats. Op zijn verbaasde vraag, waarom deze monnik, die toch op aarde lang niet alles had verzaakt, zulk eene belooning ontving, kreeg hij ten antwoord: ‘hij oordeelde nooit iemand.’“Wanneer er zulk eene belooning bestond, dan zouden mijne moeder en mijn broer die zeker bekomen.“Een derde karaktertrek van mijne moeder was haar zin voor waarheid en eenvoudigheid in hare brieven.“In dien tijd was het eene gewoonte om in brieven zeer overdreven uitdrukkingen te gebruiken, b.v. waren ‘onvergelijkelijke, aangebedene, vreugde van mijn leven, ontschatbare,’ en dergelijke meer gekunstelde dan ware uitdrukkingen zeer gangbare titels onder menschen die elkaar intiem kenden.“Deze gewoonte, hoewel niet zoo overdreven, vind ik ook in de brieven van mijn’ vader. Hij schrijft: ‘ma bien douce amie, je ne pense qu’au bonheur d’être auprès de tot.’ ’t Is nog de vraag, of dat geheel waar was! Mijne moeder schrijft altijd denzelfden aanhef: ‘mon bon ami’, en in een van hare brieven zegt ze ronduit: ‘le temps me parait long sans toi, quoiqu’à dire vrai nous ne jouissons pas beaucoup de ta société quand tu es ici’, en zij onderteekende altijd: ‘ta devouée Marie.’“Mijne moeder bracht hare jeugd gedeeltelijk door in Moskou, gedeeltelijk buiten bij mijn’ grootvader Wolkonski, een verstandig begaafd en trotsch man. Men heeft mij verteld dat mijn moedertje heel veel van ons hield en mij ‘mon petit Benjamin’ noemde.“Ik denk dat de liefde voor haren gestorven bruidegom, juist omdat zij met den dood eindigde, die poëtische liefde was, waaraan een meisje zich maar eenmaal in haar leven overgeeft.“Het huwelijk van mijn vader was het werk van zijne ouders en hare bloedverwanten. Zij was rijk, niet meer in de eerste jeugd en een wees. Mijn vader was een vroolijke, schitterende jonge man met een klinkenden naam, goede relaties, maar het familiegoed was door het slechte beheer van mijn grootvader zóó met schulden beladen, dat mijn vader het als erfenis niet aanvaardde. Ik denk dat mijne moeder mijn’ vader lief had als haar echtgenoot, en hoofdzakelijk als vader van hare kinderen, maar dat ze niet verliefd op hem was. Zij koesterdedrie of vier groote genegenheden. Ten eerste de liefde tot haren gestorven bruidegom, vervolgens eene hartstochtelijke vriendschap voor eene zekere melleEnisienne, eene Française, welke vriendschap echter, zooals ik van de tantes hoorde, met eene ontnuchtering eindigde. Die melleEnisienne trouwde met vorst Michael Alexander Wolkonski, een’ neef van mijne moeder.“Over die vriendschap zegt zij, schrijvende over twee jonge meisjes, die bij haar in huis zijn:2“‘Ik kan het zeer goed met beiden vinden, met de eene musiceer ik, lach ik en ben ik uitgelaten of sentimenteel, met de andere spreek ik, lichtzinnig, kwaad van de wereld; beiden houden dol van mij en ik ben de vertrouwde van elk van beiden; ik verzoen ze wanneer zij oneenigheid hebben, want nooit zag men een vriendschap waarbij zoo gekibbeld werd en van zoo vreemden aard als de hare: ’t is eene opeenvolging van pruilerij en tranen, verzoeningen, beleedigingen, en dan weer hevige vlagen van vriendschap; kortom ik zie er de overdreven en romantische vriendschap in weerspiegeld, die gedurende eenige jaren mijn leven beurtelings heeft opgevroolijkt en verduisterd. Ik zie haar aan met een onbeschrijfelijke gewaarwording; soms benijd ik haar de illusies, die ik niet meer heb, maar welker streeling ik ken, en zeg ik ronduit: “weegt het degelijke en echte geluk van den rijperen leeftijd wel op tegen de bekorende illusies der jeugd, waarbij de kracht der verbeelding alles mooi doet schijnen?” En dan weer glimlach ik om haar kinderachtigheid.’“De derde, en misschien de hechtste genegenheid was de liefde voor mijn oudsten broer Koko. Zij hield een dagboek bij, in ’t Russisch geschreven, waarin zij al diens kleine gebreken opschreef, die ze hem dan later voorlas. Daaruit spreekt haar innige wensch om alles te doen wat in haarvermogen was voor de goede opvoeding van haren Koko, maar tevens is het een bewijs, dat zij niet heel goed wist wat daarvoor noodig was.“Zoo onderhield zij hem er o.a. over, dat hij te teergevoelig was en weende bij het zien van het lijden van een dier. Naar haar begrip moest een man hard zijn.“Eene andere fout, die zij trachtte te verbeteren, was zijne verstrooidheid, zoodat hij b.v. inplaats vanbonsoirofbonjour, ’je vous remercie’ tegen zijne grootmoeder zeide.“Het vierde sterke gevoel was, volgens mijne tantes (en ik hoop dat het waar is), haar liefde voor mij, waardoor hare genegenheid voor Koko een weinig verminderde, die, toen ik geboren werd, van mijne moeder werd weggenomen om onder mannelijke leiding te komen. Mijne moeder was iemand die liefde moest geven, en deze van den een op den ander overdroeg.“Zoo dus stelde ik mij het innerlijke leven van mijne moeder voor. Zij scheen mij zoo hoog, zoo rein, zoo bovenaardsch, dat ik mij dikwijls tot haar wendde in die uren van mijn leven, waarin de verzoeking mij te sterk dreigde te worden en booze hartstochten mij overweldigden. Dan riep ik haar geest aan, en bad tot haar, en dat gebed werd dikwijls verhoord.“Het leven van mijne moeder te midden van mijn vaders familie was volgens hare brieven en naar men vertelde, zeer gelukkig.“Vaders familie bestond uit grootmoeder (vaders moeder), haar dochter, mijne tante, gravin Ilin. Osten-Sacken met haar pleegkind Paschenka, eene andere tante, ten minste wij noemden haar zoo, Tatjana Alex. Jergolskaja, die opgevoed was in het huis van mijn’ grootvader, maar verder haar heele leven bij ons heeft gewoond, en dan nog den gouverneur Feodor Iwan. Rjessel, door mij in mijn boekKinderjarenbeschreven.“Wij waren met ons vijven kinderen: Nikolaas, Sergius, Dmitri, ik en de jongste, onze zuster Maria, bij wier geboorte moeder stierf. Het korte negenjarige huwelijksleven van mijne moeder was gelukkig en goed. De liefde had haar leven gevuld en mooi gemaakt, de liefde van haar voor ons allen—van ons allen voor haar.“Te oordeelen naar hare brieven, leefde zij heel eenzaam. Niemand, behalve een zeer intieme kennis, Ogarjewitsch, en een bloedverwant die toevallig eens over den dorpsweg reed en ons wilde opzoeken, kwam bij ons op Jasnaja Paljana.“Mijne moeder gaf haar leven aan haar kinderen, las grootmoeder ’s avond wat voor, nam voor zich zelf meer ernstige lectuur, als Rousseau’sEmile, en sprak over het gelezene; zij speelde piano, gaf een van mijn tantes Italiaansche les, ging wandelen en verzorgde haar huishouding. In iedere familie komt een tijd, dat er geen ziekte heerscht of dood en allen rustig voortleven. Zulk een tijd, geloof ik, beleefde mijne moeder gedurende haar huwelijk. Er werd niemand ziek, niemand stierf en de verwarde zaken van mijn vader kwamen weer terecht. Allen waren gezond, welgemoed en prettig onder elkaar. Vader vroolijkte ons allen op met zijn aardige verhalen. Ik beleefde dien tijd niet. Toen ik begon te begrijpen, was mijne moeder reeds gestorven en had de dood zijn’ stempel op onze familie gedrukt.“Alles wat ik hier verteld heb weet ik uit brieven en door verhalen van anderen. Nu begin ik te beschrijven wat ik zelf beleefd heb en waarvan ik zelf nog heugenis heb. Ik zal het niet hebben over die wazige, vage herinneringen uit mijn prilste jeugd, toen ik nog te klein was om waarheid van droomen te kunnen onderscheiden. Ik begin dus met wat mij uit mijne omgeving van die eerste jaren duidelijk voor den geest staat. De eerste plaats wordt ingenomen door mijn vader, hoewelhij niet zoo’n grooten invloed op mijn leven uitoefende en ik niet het meest van hem hield.“Mijn vader werd heel jong eenige zoon, daar een jongere broeder door een val gebrekkig werd en spoedig stierf. In 1812, toen hij zeventien jaar was, ging hij, ondanks den angst en ’t verdriet van zijne ouders, in dienst. Vorst Nikolaas Iw. Gortschakoff, een bloedverwant van mijne moeder, was in dien tijd minister van oorlog. Deze had een’ broer Andreï Iw., generaal bij het staande leger, aan wien mijn vader als adjudant werd toegevoegd. Hij nam deel aan den veldtocht van 1813/14, werd in het eerste jaar ergens in Duitschland, waar hij als koerier werd heengezonden, door de Franschen gevangen genomen, en eerst ontslagen in 1815, toen de onzen in Parijs kwamen. Mijn vader was op zijn twintigste jaar al niet meer wat men een onschuldigen jongeling noemt. Reeds vóor zijn intrede in het leger, ongeveer op zijn zestiende jaar, werd hij door zijne ouders, volgens de begrippen over gezondheid van die dagen, met een dienstmeisje in aanraking gebracht. Hieruit werd een zoon geboren, dien men later postiljon maakte. Zoolang mijn vader leefde paste die zoon goed op, maar na diens dood kwam hij op verkeerde wegen en wendde zich dikwijls tot ons, zijne volwassen broers, om hulp. Ik kan mij nog heel goed het vreemde gevoel herinneren, dat mij bekroop, toen deze tot armoede vervallen oudere broer, die meer dan een van ons allen op mijn’ vader geleek, bij ons om hulp kwam, en dankbaar was voor iedere 15 roebel, die wij hem gaven.“Teleurgesteld door den krijgsdienst nam vader zijn ontslag en kwam te Kazan, waar mijn grootvader, toen reeds geheel geruïneerd, gouverneur was. Ook bevond zich daar de zuster van mijn’ vader, die getrouwd was met Joeschkoff.“Mijn grootvader stierf al spoedig en mijn vader bleef achter met eene erfenis, die door de schulden werd overtroffen, enmet de zorg voor zijne aan weelde gewende moeder, zuster en nicht. In dien tijd bracht men het huwelijk tot stand met mijne moeder en verhuisde hij naar Jasnaja Paljana. Negen jaren woonden zij daar; toen werd hij weduwnaar, en van dien tijd af aan begint hij in mijne herinnering te leven.“Mijn vader was een middelmatig groote, goed gevormde, sanguinische man, met een prettig, aantrekkelijk gezicht, waarin een paar altijd droevige oogen stonden. Hij bracht zijn leven door met het besturen van zijn landgoed, doch heeft het, naar ik geloof, daarin nooit ver gebracht. Maar hij had eene voor dien tijd zeer goede eigenschap: hij was namelijk niet wreed, zelfs zachtmoedig, zoodat ik bij zijn leven nooit van lichamelijke straffen hoorde. Toch moeten ze bestaan hebben (immers men kon zich toen nauwelijks voorstellen, dat regeeren mogelijk was, zonder ze nu en dan toe te passen), maar het gebeurde zoo zelden, dat wij kinderen er nooit iets van bemerkten. ’t Was dan ook eerst na den dood van mijn’ vader, dat ik te weten kwam, dat die strafoefeningen bij ons werden voltrokken.“Wij kinderen keerden eens met onzen onderwijzer van eene wandeling terug en ontmoetten bij den dorschvloer den dikken opzichter Andreï Ilin, gevolgd door den hulp-koetsier Koezma Kriwoi, die in dat oogenblik een eigenaardig treurigen indruk op ons maakte. Koezma Kriwoi was een getrouwde, niet meer jonge man. Een van ons vroeg waar zij heen gingen en Andreï Ilin antwoordde rustig: ‘naar den dorschvloer, waar Koezma gestraft moet worden’. Ik kan onmogelijk het gevoel voor ontzetting beschrijven, dat me aangreep bij ’t hooren van die woorden en het gezicht van dien goeden, treurigen Koezma. Ik vertelde het ’s avonds aan tante Tatjana, die ons opvoedde. Zij haatte de lijfstraffen, paste ze nooit op ons toe en behoedde, voor zoover haar invloed reikte, er ook de lijfeigenen voor. Zij was zeer verontwaardigd, toen zij hethoorde en zei verwijtend: ‘Waarom heb je het niet tegengehouden?’ Haar woorden maakten mij nog droeviger. Ik had nooit gedacht dat wij ons in die zaken konden mengen en nu bleek het, dat ik het had kunnen doen. Nu echter was het te laat en het ontzettende was gebeurd.Vorst Nikolaas Serghejewitsch Wolkonski, Tolstoi’s grootvader van moederszijde.—Blz. 33.Vorst Nikolaas Serghejewitsch Wolkonski, Tolstoi’s grootvader van moederszijde.—Blz.33.“Maar, om op mijn vader terug te komen en hoe ik mij zijn leven voorstel: zijne bezigheden bestonden in het besturen van zijn landgoed en hoofdzakelijk in het voeren van processen. Procedeeren kwam in dien tijd over ’t algemeen veel voor, maar bij mijn’ vader was ’t aan de orde van den dag, omdat hij de verwarde zaken van grootvader nog moest afwikkelen. Daardoor moest hij veel van huis zijn en bovendien ging hij dikwijls op jacht. Zijn voornaamste jachtgezelschap bestond uit zijn’ vrienden, den ouden, rijken vrijgezel Kirjejewski, Jaziekoff, Gljeboff en Isljeneff. Mijn vader deelde in de toenmalige algemeene gewoonte der landeigenaren, namelijk eene zekere voorliefde voor een der knechts. Petroeschka en Matjoeschka waren de door hem uitverkorenen, twee mooie flinke knapen.“Thuis zijnde bemoeide vader zich met ons en zijn landgoed en las hij veel. Hij had een bibliotheek, bestaande uit Fransche klassieken, historische boeken en natuur-historische werken van Buffon en Cuvier.“Tante vertelde mij, dat mijn vader als regel had aangenomen geen nieuwe werken te koopen, zoolang hij de oude niet had gelezen. Nu, hij las veel, maar toch kan ik moeielijk aannemen dat hij al die deelenHistoire des CroisadesenHistoire des Papesdoorworstelde, die hij zich aangeschaft had. Voor zoover ik kan nagaan, had hij geen wetenschappelijke neigingen, doch stond hij op dezelfde hoogte als alle beschaafde menschen van zijn’ tijd. Zooals velen uit den tijd van Keizer Alexander I en van de veldtochten in 1813, ’14, ’15, was hij wel niet wat men tegenwoordig liberaalnoemt maar het was eenvoudig zijn gevoel van eigenwaarde, dat hem verbood een ambt aan te nemen, zoowel onder Alexander I als onder Nikolaas I. Niet alleen hij zelf, maar al zijne vrienden waren zoo; ze dienden niemand en lieten zich zelfs wel eens ongunstig uit over de regeering van Nikolaas Pawlowitsch. Gedurende mijne kinder- en zelfs mijne jongelingsjaren hadden wij met niet één ambtenaar intieme betrekkingen aangeknoopt.“Ik begreep toen nog niet juist waarom, maar ik had opgemerkt dat mijn vader zich nooit voor iemand vernederde, noch zijn luidruchtigheid of zijn vroolijk lachende stem temperde. En om dat gevoel van eigenwaarde hield ik nog meer van mijn vader en steeg mijne bewondering voor hem.“Ik kan hem mij nog voorstellen in zijne werkkamer. Wij kwamen binnen om hem goeden dag te wenschen of eenvoudig om bij hem te spelen. Hij zat met zijne pijp in den mond op den leeren divan, haalde ons aan en soms—en dat was het heerlijkst van al—mochten wij achter zijn rug op den divan liggen, terwijl hij las of praatte met den dienaar die tegen den deurpost stond, of met S .L. Jaziekoff, mijn peetoom, die dikwijls bij ons logeerde. Ik herinner me dat hij met ons naar beneden ging en daar iets voor ons teekende, dat ons volmaakt toescheen. Ook weet ik nog, dat hij mij eens mijn lievelingsvers, dat ik van buiten kende,Aan de Zeevan Poeschkin, (‘Vaarwel gij vrije elementen!’) ofNapoleon(‘Het wonderbare lot heeft zich voltrokken, vergaan is de groote man!’) liet opzeggen. Ik herinner mij, hoe hij had opgemerkt met hoeveel pathos ik die verzen declameerde, hoe hij naar mij luisterde en nu en dan veelbeteekenend knikte naar den kant van Jaziekoff. Ik begreep dat hij iets moois vond in mijn lezen en dat maakte mij heel gelukkig. Ik herinner mij zijne vroolijke scherts en vertellingen bij middag- en avondeten, en dat grootmoeder, detantes en wij kinderen naar hem luisterden en lachten. Ik herinner mij nog de reis naar de stad en hoe wondermooi hij er uitzag in zijn overjas en zijn nauwen pantalon. Maar duidelijker dan alles herinner ik mij hem als hij met de honden ging jagen. Ik zie nog den uittocht. Dikwijls heb ik later gedacht, dat Poeschkin hem tot voorbeeld nam in zijn gedichtVertrek voor de jacht van Graaf Noelin. Ik herinner mij dat wij met hem gingen wandelen, dat de jonge windhonden tegen ons opsprongen, dolden op de nog niet afgemaaide weiden, waar het hooge gras hen streelde en prikte, hoe zij rolden en speelden en om ons heen dartelden, zoodat hunne staarten op en neer dansten, en hoe zij weer wegvlogen, en hoe mijn vader zich er kostelijk mee vermaakte.“Ik herinner mij den dag van het jachtfeest op 1 September. Wij allen reden op de lineïka3naar het dichte bosch, waar een vos was losgelaten. Ik herinner mij hoe de honden hem najoegen en hem ergens—wij zagen niet waar—grepen. Ik herinner mij ook nog zeer duidelijk de kooi van den wolf. Het was juist naast ons huis. Wij gingen er allen te voet heen. Op een boerenwagen vervoerden ze een grooten, met touwen gebonden, levend gevangen wolf. Hij lag stil en wierp nu en dan een loenschen blik maar wie er bij hem kwam. Op eene open plaats achter onzen tuin trokken zij hem er af, hielden hem met hooivorken op den grond en maakten zijne touwen los. Hij scheurde en trok en beet woedend op de ijzers. Men nam de laatste touwen weg en iemand riep er ‘los!’ Bevrijd richtte de wolf zich op en stond een paar seconden stil; men schreeuwde luid, hitste de honden op hem aan, en wolf, honden, paarden en ruiters vlogen over de velden. De wolf ontsnapte! Ik herinner mij dat mijn vader iets zeggende en toornig gesticuleerend naar huis ging.“Mijn allermooiste herinnering aan hem is die waar hij, met grootmoeder, naast haar op den divan zittende, patience speelde. Vader ging met allen beleefd en aardig om, maar met grootmoeder bijna hartstochtelijk teeder. Grootmoeder, met haar smal gelaat, het mutsje met linten op het hoofd, placht op den divan te zitten, de kaarten schuddende of met haar vingertoppen een snuifje nemende uit de gouden snuifdoos. Naast den divan, in een’ leunstoel, zit Petrowna (de vrouw van den wapensmid) in haar pelsjakje en spint en stoot steeds met haar spinrokken tegen den muur, waarin zich reeds een deukje heeft gevormd.“Petrowna was ook koopvrouw. Grootmoeder hield om de een of andere reden heel veel van haar. Zij kwam dikwijls bij ons op bezoek en zat dan steeds in den leunstoel, naast grootmoeder die op den divan zat.“De tantes zitten ook in leuningstoelen en een van haar leest voor. In een nestje, dat hij zich gemaakt heeft, ook al in een leunstoel, ligt Milka, mijn vaders gevlekte, dartele lievelingshond, met zijn mooie zwarte oogen. Wij komen binnen om te groeten en somtijds gaan we zitten. Grootmoeder en de tantes groeten we altijd met een handkus. Ik herinner mij, dat eens, midden in ’t patience-spel, vader de tantes een’ wenk geeft en, naar den spiegel wijzende, iets fluistert. Wij allen kijken daarheen.“Het was Tichon, de officiant, die, wetende dat vader in ’t salon was, naar diens werkkamer ging en tabak nam uit den lederen tabakszak, die den vorm heeft van eene bloem met saamgevouwen blaadjes. Mijn vader ziet hem in dien spiegel en kijkt naar de op de teenen voortsluipende verschijning. De tantes lachen. Grootmoeder, die eerst niets begrijpt, het dan bemerkt, glimlacht ook. Ik raak in vervoering over de goedheid van mijn vader, en bij het weggaan kus ik met groote teederheid zijne witte hand. Ik hield heel veel vanmijn’ vader, maar wist niet hoe groot die liefde was, voordat ik hem door den dood had verloren.”4Bovenstaande mededeelingen over zijne ouders zijn door Tolstoi zelf verschaft. Eenige minder belangrijke feiten en historische documenten willen wij hier nog bijvoegen.Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, vader van Leo Tolstoi, werd geboren in 1797. In het archief van de universiteit te Kazan wordt met het portocol, inhoudende de inschrijving als student van Leo Tolstoi, het volgend merkwaardig document bewaard: een attestatie voor den militairen dienst van zijn vader d.d. 29 Jan. 1825.“Brenger dezes, graaf Nikolaas Ilitsch, zoon van Tolstoi (3de), volgens geboorte-acte 28 jaar, heeft de orde van den heiligen Wladimir 4deklasse, van adel, heeft geen lijfeigenen, in dienst van zijne Keizerlijke Hoogheid als kornet in het 3deIrkoetskische kozakken-regiment, 11 Juni 1812, waaruit hij overging naar het Irk.-huzaren-regiment, 18 Aug. 1812; bevorderd wegens verdienste tot 1steluitenant, 27 April 1813; in dat zelfde regiment staf-ritmeester 7 Oct. 1813; bevorderd met den zelfden titel wegens verdienste naar een kavallerie-regiment, 6 Aug. 1814, vanwaar als majoor naar het huzaren-regiment van den Prins van Oranje, 11 Dec. 1817. Wegens ziekte uit den dienst ontslagen met verhooging tot overste, 14 Maart 1819; aangesteld tot hulp-opzichter aan de oorlogsweezen-afdeeling te Moskou, 15 December 1821. Gedurende zijn diensttijd nam hij deel aan verschillende veldtochten en woonde meermalen werkelijke gevechten bij, was in krijgsgevangenschap tot aan de bezetting van Parijs en voor zijn verdienste in die gevechten, zooals reeds boven gezegd, beloond met den titel van 1steluitenant en ritmeester bij den staf, en kreeg de orde van den heiligen Wladimir met het lint.”In dat zelfde document zien wij nog, dat graaf N. I. Tolstoi den dienst verliet wegens huiselijke omstandigheden en overging naar de oorlogs-weezen-afdeeling, 8 Jan. 1824.Na den dienst te hebben verlaten, vestigde graaf N. I. Tolstoi zich te Jasnaja Paljana. Het echtpaar had toen nog slechts één jongen, den een-jarigen Nikolaas, geboren in 1823. Daarna vermeerderde de familie zich zeer snel. 17Febr.1826 werd hun zoon Sergius geboren, 23 April 1827 Dmitri en 28Aug.1828 hun zoon Leo.Het rustige, stille dorpsleven duurde niet lang. In 1830, bij de geboorte van hunne dochter Maria, stierf gravin Tolstoi, haar man met vijf kinderen achterlatende.Tatjana Alexandrowna Jergolskaja, eene verre bloedverwante, die groot gebracht was ten huize van Tolstoi’s grootvader (reeds vroeger genoemd), belastte zich met de opvoeding der kinderen.In de familie Tolstoi bewaart men nog de herinnering aan eene interessante episode uit het leven van Tolstoi’s vader.In 1813, na de blokkade van Erfurt, werd deze met depêches naar St.-Petersburg gestuurd. Op die tocht, bij het plaatsje Saint-Obie, werd hij met zijn’ oppasser, een’ lijfeigene, gevangen genomen. Deze wist, zonder dat het werd opgemerkt, het geld van zijn’ heer in zijne laars te bewaren. Gedurende drie maanden kleedde hij zich niet uit, om het geheim niet prijs te geven, en ondanks eene groote wonde aan zijn voet klaagde hij nooit over pijn. Zijn heer, Nikolaas Ilitsch, behoefde, dank zij deze opofferende daad, die hij nooit heeft vergeten, te Parijs geen gebrek te lijden.Bij de lezing van deze persoonlijke herinneringen van Tolstoi zal men begrijpen, dat de personen, als zijne ouders beschreven in zijne vertellingKinderjaren, niet zijne ouders zijn geweest.Voor zoover het ons bekend is beschreef hij daar als zijn’vader een zekeren Al. Mich. Isljeneff, een’ vriend en buurman van zijn werkelijken vader. Zijne moeder in dat boek is eene verdichte persoon. Het is niet moeilijk te raden, dat in den romanOorlog en Vredein de personen graaf Nikolaas Ilitsch Rostoff en vorstin Maria Wolkonski de werkelijke ouders van Tolstoi door hem zijn beschreven.Van graaf Ilia Andrejewitsch tot het pleegkind Sonja beantwoordt bijna ieder lid van de familie Rostoff aan een type, voorkomende in de familie-kroniek der Tolstoi’s. Even duidelijk te herkennen zijn ook de eigenaars van Liesig Gor. Daarom zal het lezen van dien roman eene aanvulling zijn voor hetgeen wij weten van de voorouders van Leo Tolstoi.1Dat Tolstoi’s herinneringen door den schrijver ongecorrigeerd en vooral ongeordend in ’t licht zijn gegeven (zie de Inleiding) zal de lezer al heel spoedig bemerken. Wij hebben ’t onzen plicht geacht, zij het ook aarzelend, het oorspronkelijke zoo nauwkeurig mogelijk te volgen, zoowel wat stijl als volgorde betreft.2Deze brief is in ’t handschrift in het Fransch aangehaald.3Een lange wagen met de zitplaatsen in de lengte.4Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Tolstoi.

Eerste deel.Eerste hoofdstuk.De voorouders van Leo Tolstoi van vaderszijde.1De graven van Tolstoi zijn van een oud adellijk geslacht, dat volgens de genealogen afstamt van den heiligen Indriss, die in 1353 met twee zonen en een leger van 3000 man naar Tschernigoff trok. Hij liet zich doopen, ontving den naam Leontii en werd de stamvader van eenige adellijke families. Zijn achterkleinzoon, Andrei Charjitonowitsch, verhuisde van Tschernigoff naar Moskou, ontving van grootvorst Wassilii Tjenni den achternaam Tolstoi, en was de stamvader van de Tolstoi’s. (Volgens den graaflijken stamboom van het geslacht Tolstoi is Leo Nikolajewitsch een nakomeling van Indriss in den tweeden graad).2Een van zijn nakomelingen, Peter Andrejewitsch Tolstoi, diende in 1683 als Stolnik (een hoveling die het oppertoezicht heeft over de tafel, enz.) aan het hof en was één van de hoofdleiders van den opstand der Strelitzen. De val van de Tsarina Sophie dwong Tolstoi zijn bakens te verzetten en naar de partij van Tsaar Peter over te gaan. Deze hield hem echter steeds op een afstand en het duurde een langen tijd voor dat Peter Andrejewitsch het vertrouwen van den Tsaar mocht winnen.Daarvan vertelt men het volgende.Eens, bij een woest drinkgelag, behaagde het den Tsaar Tolstoi zijn grooten pruik van het hoofd te rukken. Hij sloeg hem er mee op den kalen schedel en sprak: “Hoofdje, hoofdje, als jij niet zoo verstandig waart, dan had men je reeds lang van den romp gescheiden.”Zelfs de groote militaire verdiensten van Tolstoi, in den tweeden strijd om Azoff, konden het wantrouwen van den Tsaar niet overwinnen.In 1697 zond Tsaar Peter eenige vrijwilligers naar het buitenland in de leer. Tolstoi, toen reeds een man van rijperen leeftijd, bood aan er heen te gaan, ter bestudeering van het zeewezen. Tevens stelde hij zich volkomen op de hoogte van de West-Europeesche cultuur. In ’t eind van 1701 werd Tolstoi benoemd tot gezant te Constantinopel, een gewichtige maar moeilijke post. Ten tijde van de verwikkelingen van 1710–1713 zat hij tweemaal op het “slot met de zeven torens” gevangen. Daarom voeren de graven Tolstoi een wapen waarop dit slot is afgebeeld.In 1717 bewees Tolstoi den Tsaar een grooten dienst, waardoor hij voor goed bij dezen in de gunst kwam.Op korten afstand van Napels, waarheen Tolstoi was gezonden, ligt het kasteel Sint-Elmo. Daar hield zich in dien tijd de Tsarewitsch Alexei met zijne vriendin Eufrosyneverborgen. Met behulp van die vrouw gelukte het Tolstoi, door ruwe bedreigingen en valsche beloften, den Tsarewitsch te bewegen naar Rusland terug te keeren. Zijn werkzaam aandeel in het gerechtelijk onderzoek, de zittingen van de geheime rechtbank en de, op bevel van den Tsaar, heimelijke voltrekking van het doodvonnis (met medewerking van Roemjantseff, Oeschakoff en Boetoerlin) bezorgden hem eene belooning. Hij kreeg eenige landgoederen ten geschenke en werd benoemd tot chef van de geheime kanselarij, waar juist zeer veel te doen viel wegens oproer en gisting onder ’t volk, veroorzaakt door den dood van den Tsarewitsch Alexei.Tolstoi was in dien tijd een van de personen die zich steeds in de onmiddellijke nabijheid van den Tsaar bevonden, en die het meest door hem werden vertrouwd.Door de zaak met den Tsarewitsch kwam hij ook in nauwere aanraking met Keizerin Catharina. In vereeniging met Menschikoff werkte hij krachtig mede aan hare troonsbestijging, waarvoor hij op den kroningsdag beloond werd met den titel van graaf, en naderhand veel gunsten bleef genieten. Onder de regeering van Peter II, een’ zoon van den vermoorden Tsarewitsch, was zijn val echter onvermijdelijk. Zonder dat er met zijn hoogen leeftijd rekening werd gehouden (82 jaar), werd Peter Tolstoi in het Solowetski-klooster gevangen gezet, waar hij niet lang daarna, in 1729, overleed.Er bestaat nog een dagboek met aanteekeningen van Tolstoi’s buitenlandsche reis van 1697 tot 1699, een karakteristiek staaltje van den indruk, dien een Rus uit den tijd van Peter den Groote van West-Europa kreeg. In 1705 stelde hij een geschrift samen, handelende over de Zwarte Zee. Bovendien zijn van hem twee vertalingen bekend:De Metamorphose van OvidiusenDe Regeering van den Turkschen Staat.Tolstoi had een zoon, Iwan Petrowitsch, president van derechtbank, die tegelijkertijd met hem in de gevangenis werd gezet, waar hij spoedig na zijn vader overleed.Reeds onder de regeering van Elizabeth Petrowna, 26 Maart 1760, werden de nakomelingen van Peter Tolstoi in hunne graaflijke waardigheid hersteld en wel in de persoon van zijn kleinzoon Andrei Iwanowitsch, den overgrootvader van Leo Tolstoi.“Van een van mijne tantes hoorde ik van dezen Andrei Iwanowitsch, die zeer jong met eene vorstin Tschtschetininaja in ’t huwelijk trad, eens het volgende verhaal.“Door het een of ander toeval moest de vorstin zonder haar man naar een bal. Toen ze was weggereden, waarschijnlijk in een koets, waaruit men de banken had moeten verwijderen opdat het hooge kapsel niet door het stooten tegen de zoldering zou worden beschadigd, herinnerde de jonge vorstin (ze was waarschijnlijk 17 jaar) zich plotseling, dat ze geen afscheid had genomen van haar man. Dadelijk liet ze keeren en vond thuisgekomen haar gemaal in tranen. Hij weende omdat zij zonder hem te groeten was weggegaan.”3Tolstoi vertelt het volgende van zijn grootvader en grootmoeder van vaderszijde.“Mijne grootmoeder Pelageja Nikolajewna was eene dochter van den blinden vorst Nikolaas Iwan. Gortschakoff. Zij was, zoover ik het mij kan herinneren, weinig ontwikkeld. Zooals allen in dien tijd sprak zij beter Fransch dan Russisch, maar dat was dan ook alles wat ze wist. Zij werd haar geheele leven zeer verwend, eerst door haar vader, toen door haar man en daarna door haar zoon.“Bovendien werd haar, als dochter van den oudste van het geslacht, de grootste achting bewezen door alle Gortschakoffs, t.w. den gewezen minister van oorlog, Nikolaas Iwanowitsch, Andrei Iwanowitsch en de zonen van den vrijdenker Dimitri Petrowitsch, Peter Sergius en Michael Sebastopolski.“Mijn grootvader was ook, voor zoover ik nog weet, een weinig ontwikkeld man, zwak van karakter, niet slechts vrijgevig maar zelfs onuitsprekelijk verkwistend, en daarbij veel te goed van vertrouwen. Op zijn landgoed, gelegen in het district Bjellewskaja Paljana (niet te verwarren met Jasnaja Paljana) hield men steeds feesten en drinkgelagen. Bals, comedie, diners en ’t maken van kleine uitstapjes wisselden elkaar af. Grootvader had een grooten hartstocht voor het spel, hombre en whist, dat hij niet goed kende en waardoor hij dus groote sommen verloor, daarenboven gaf en leende hij steeds maar groote sommen uit, waarvan hij nooit iets terug zag. Het einde van dit alles was, dat het groote landgoed van mijn grootmoeder zoo met schulden was belast, dat er niets meer overbleef om van te leven, en grootvader gedwongen was de betrekking van Gouverneur te Kazan aan te nemen. Door zijn vele relaties viel het hem gemakkelijk dien post te krijgen.“Mijn grootvader was onomkoopbaar en nam slechts het geld dat hem volgens algemeen gebruik van de pacht toekwam. Hij werd boos wanneer men trachtte hem heimelijk om te koopen. Maar grootmoeder, zooals men mij vertelde, nam, zonder dat haar man er iets van wist, wel geschenken aan.“De jongste dochter van grootmoeder, Pelageja, trouwde te Kazan met Joeschkoff, de oudste, Alexandra, nog te Petersburg, met graaf Osten Sacken.“Na den dood van haar man, die te Kazan overleed, en na het huwelijk van mijn vader, kwam grootmoeder bij ons te Jasnaja Paljana, en zooals ze toen was, reeds een oude vrouw, kan ik mij haar nog heel duidelijk voorstellen.“Grootmoeder hield hartstochtelijk veel van mijn vader; wij, haar kleinkinderen, werden door haar verwend; van de tantes hield zij ook, maar ik geloof dat zij mijne moeder niet graag mocht lijden, omdat zij haar niet goed genoeg vond voor vader en—omdat zij jaloersch op haar was. Voor het personeel behoefde zij niet veeleischend te zijn, want, wetende dat zij de eerste persoon in huis was, deden alle bedienden ongevraagd alles wat ze konden om het haar naar den zin te maken. Gascha, haar kamenier, had echter veel van haar luimen te lijden en werd geregeld door haar gekweld. Met de woorden: ‘jij bent mij de liefste’ verlangde zij de onmogelijkste dingen van haar en plaagde haar op alle manieren. Het opmerkelijkste hierbij is, dat Gascha Arafa Michaïlowna4, die ik nog heel goed gekend heb, alle luimen van grootmoeder overnam en met haar ondergeschikten, met haar kat, in één woord met allen over wie zij iets te zeggen had, juist zoo omging als grootmoeder met haar.“Van mijne eerste herinneringen aan mijne grootmoeder, tot aan onze reis naar Moskou en ons leven daar, zijn drie indrukken het levendigst gebleven.“De eerste is, dat grootmoeder, als zij zich wiesch, met een bijzondere zeep verwonderlijk mooie zeepbellen op haar handen te voorschijn kon tooveren, die, naar ik toen geloofde, niemand dan zij zoo mooi kon maken.“Men bracht ons expres naar haar toe om er bij te zijn als zij zich wiesch. Ik herinner mij haar witte koftoschka (lijfje met mouwen), haar joebka (vrouwenrok), haar witte oude handen met de zeepbellen en haar bleek, tevreden glimlachend gelaat.“De tweede herinnering is deze: Grootmoeder zit in degroene cabriolet op veeren, waarin wij dikwijls met onzen goeverneur Feodor Iwanowitsch uit rijden gaan. Zij wordt getrokken niet door paarden maar door de knechts van mijn vader. Wij gaan uit om noten te schudden, die er dit jaar zeer overvloedig zijn.“Ik herinner me den zwaar beladen noteboom met de krakende, bewegende takken, hoe Petroeschka en Matjoeschka, de tuinknechts, die de groene cabriolet, waarin grootmoeder gezeten is, voorttrokken, de takken naar haar toe bogen, en hoe grootmoeder zelf de heerlijk rijpe vruchten aftrok en in haar tasch deed; hoe wij zelf de noten plukten, en hoe Feodor Iwanowitsch ons verbaasde met zijne kracht, door de dikste takken naar beneden te wringen. Hoe wij zelf noten verzamelden uit alle macht, en hoe wij toch nog zagen, toen Feodor Iwanowitsch de takken los liet, die zich langzaam, zich in elkaar verwarrend, weer oprichtten, dat er vele noten waren blijven hangen. Ik herinner mij hoe warm het was op die kleine weide, en hoe heerlijk koel in de schaduw, hoe wij de prikkelende geuren inademden die noten en notebladeren van zich gaven, hoe kleine meisjes, die bij ons waren, de noten kraakten en tusschen hun lipjes staken, en hoe wij, onophoudelijk kauwden en al maar kauwden aan de frissche, blanke, sappige kern.“Wij verzamelden de noten in onze zakken, in onzen schoot en in de groene cabriolet, en grootmoeder nam ze aan en prees ons. Wat er verder gebeurde, nadat we thuis waren gekomen, daarvan heb ik niets onthouden. Ik herinner me slechts grootmoeder, den noteboom, den scherpen geur der bladeren, de knechts, de groene cabriolet, de zon en dat alles samensmeltende tot eene blijde herinnering. Ik geloofde dat, even als de zeepbellen slechts op grootmoeders handen konden zijn, zoo ook de zon, het bosch en de noteboom een geheel vormden met grootmoeder in haar groene cabriolet op veeren, die getrokken werd door Petroeschka en Matjoeschka.“De herinnering, die het innigst met grootmoeder is saamgeweven, is die nacht, doorgebracht in grootmoeders slaapkamer: Leo Stepanitsch (hij was een blinde sprookjesverteller, en reeds oud toen ik hem leerde kennen), een overblijfsel uit den tijd toen de lijfeigenschap nog bestond, een lijfeigene van mijn’ grootvader. Hij was indertijd gekocht alleen om sprookjes te vertellen, die hij, dank zij een slechts blinden eigen bijzonder sterk geheugen, woordelijk kon verhalen nadat men ze hem een paar maal had voorgelezen.“Hij woonde ergens in ons huis en den geheelen dag bleef hij onzichtbaar tot hij ’s avonds in grootmoeders slaapkamer voor den dag kwam. Grootmoeders slaapkamer was een groot, laag vertrek, waartoe een klein trapje van een paar treedjes toegang gaf. Leo Stepanitsch zette zich dan in de breede vensterbank, waar men hem zijn avondeten bracht dat van de heerentafel kwam. Hier wachtte hij op grootmoeder die, zonder schroom voor de tegenwoordigheid van den blinden ouden man, haar nachttoilet in orde kon maken.“Op dien dag, toen ’t mijn beurt was om bij grootmoeder te overnachten, zat Leo Stepanitsch met zijn blinde oogen, gekleed in een lange blauwe jas en een doek om zijn schouders, reeds in de vensterbank bij zijn avondeten. Ik kan mij niet herinneren of grootmoeder zich uitkleedde in deze of in een andere kamer, ook niet hoe men mij te bed heeft gebracht. Ik herinner mij slechts, toen het licht werd uitgedaan en alleen een lampje bleef branden voor de gouden heiligenbeelden, grootmoeder, diezelfde wonderbare grootmoeder, die zulke prachtige zeepbellen kon maken, geheel in ’t wit, omhuld met wit, bedekt met wit, hoog liggend op haar witte kussen, en toen,—van uit de diepe vensternis—de eentonige, rustige stem van Leo Stepanitsch: ‘Beveelt ge, dat ik ga vervolgen?’—‘Ja, ga verder.’—‘Mijn geliefd zustertje,’ hernam Leo Stepanitsch met zijn langzame oude stem, ‘doeons een van die boeiende verhalen die gij zoo goed weet te vertellen.’ ‘Zeer gaarne,’ antwoordde Scheherezade, ‘ik zou u de geschiedenis van Prins Kamaralzaman willen vertellen, zoo gij ons daarvoor uwe toestemming wilt geven.’ Nadat zij deze had verkregen begon de Sultane Scheherezade als volgt: ‘Er was eens een Tsaar die een eenigen zoon had...’ en duidelijk woord voor woord vertelde Leo Stepanitsch de geschiedenis van Prins Kamaralzaman. Ik hoorde noch begreep wat hij zei, zoo geheel ging ik op in den geheimzinnigen aanblik van mijne witte grootmoeder, van haar schaduw die zich op den muur heen en weer bewoog, en van den grijsaard met zijn blinde oogen, dien ik nu niet zag, maar dien ik mij bewust was, zittende op de vensterbank, zeggende met zijne langzame stem eenige, naar het mij toescheen, verheven woorden die weerklonken in deze in schemer gehulde kamer, slechts verlicht door de trillende vlam eener lamp.“Het kan zijn, dat ik dadelijk insliep en mij daarom niets meer herinner dan dat ik den volgenden morgen, wakker geworden, weer in verrukking kwam voor de wondermooie zeepbellen op de handen van mijn grootmoeder.”5.De volgende tabel geeft den lezer een overzicht van de jongste voorouders van Leo Tolstoi.Graven Tolstoi.Peter Andrejewitsch, eerste graaf Tolstoi [† 1729].Iwan Petrowitsch [† 1728].Andrei Iwanowitsch [† 1803].Ilija Andrejewitsch [† 1820] (Gouverneur van Kazan).Alexandra, getrouwd met graaf Osten Sacken.Nikolaas [† 1837].Pelageja, getrouwd met W. I.Joeschkoff.Ilija, stierf kinderloosNikolaas, geb. 1823.Sergius, geb. 1826.Dimitri, geb. 1827.Leo, geb. 1828.Maria, geb. 1830.De familie Tolstoi heeft haar vertegenwoordigers in vele standen van de maatschappij.Wij veronderstellen, dat het den lezer zal interesseeren te weten in welken graad van bloedverwantschap Leo Tolstoi tot eenigen hunner staat. Wij herinneren hier aan Feodor Petrowitsch Tolstoi, een bekend kunstenaar en vice-president van de Keizerlijke Kunstacademie, die een neef was van den vader van den dichter Alex. Const. Tolstoi, die op zijn beurt weer een achterneef is van Leo Tolstoi. De gewezen minister Dimitri Andrejewitsch Tolstoi, bekend om zijn reactionnaire maatregelen, staande in een meer verwijderden graad van bloedverwantschap tot Tolstoi, stamt af van den algemeenen stamvader Iwan Petrowitsch Tolstoi, zoon van den eersten graaf Tolstoi, Peter Andrejewitsch, die evenals zijn vader stierf in het Solowetski-klooster.1Wanneer ik gebruik maak van de woorden van Tolstoi uit zijne mij verstrekte “herinneringen”, dan zal dat door aanhalingsteekens worden aangegeven.2Volgens familiegegevens stamt het geslacht Tolstoi af van een Duitscher Dick (in ’t Russisch = Tolstoi). Hoewel dit niet in overeenstemming is met de stamboeken, is het zeer wel mogelijk dat deze twee variaties toch één bron hebben. Het kan zijn dat het geslacht Andrei Charjitonowitsch nog de Duitsche taal gebruikte, dat het den achternaam Dick kreeg, en dezen naam eenvoudig in ’t Russisch vertaalde.P. B.3Toegevoegd door Tolstoi bij de nalezing van ’t handschrift.4Deze Gascha stierf eenige jaren geleden op het landgoed van Tolstoi, waar zij nog langen tijd rustig gewoond heeft.P. B.5Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.Tweede hoofdstuk.Voorouders van Leo Tolstoi van moederszijde.De vorsten Wolkonski klimmen met hun stamboom op tot Rurik.Bij het leven van mijn grootvader bestond er nog een in olieverf geschilderde stamboom van de vorsten Wolkonski. Daarop was de stamvader, vorst Tschernogorski (als de heilige Michaël) afgebeeld, met een boom in zijn vuist, wiens vertakkingen de rij van zijn nakomelingen voorstellen.Vorst Iwan Joerjewitsch, het 13degeslacht na Rurik, ontving in het begin van de 14deeeuw het vorstendom Wolkon, gelegen aan de rivier de Wolkona, die stroomt in het tegenwoordige gouvernement Kaloeka en Toela; dit was het stamgoed van de vorsten van Wolkonski. Zijn zoon Feodor Iwanowitsch viel in den slag bij Mamajeff in 1380. Wij noemen van Leo Tolstoi’s jongste voorouders zijn’ overgrootvader, vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski, om wiens persoon zich de volgende legende weeft.Vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski heeft deelgenomen aan den zevenjarigen oorlog in den rang van generaal. Zijn vrouw droomde eens, tijdens dien veldtocht, dat eene stem haar beval een heiligenbeeldje te laten maken, vertoonende aan de eene zijde Sjiwonosni Istotschnik, aan den anderen kant Nikolaas Tschoedotwortz, en hem dat te zenden. Zij zocht daarvoor een plankje uit, gaf bevel het te schilderen en zond het haren man door bemiddeling van den veldmaarschalkApraksin. Op dien zelfden dag bracht een koerier hem het bevel zich op weg te begeven om den vijand op te zoeken. Vorst Sergius Feodorowitsch bad God om hulp en stak het beeldje bij zich. Nu gebeurde het dat een vijandelijke kogel hem trof, juist op de borst, waar hij op het beeldje afstuitte. Dit beeldje, dat nu nog bewaard wordt door zijn jongsten zoon, vorst Nikolaas Serghejewitsch, redde hem dus het leven. Hij stierf 10 Maart 1784.Ilija Andrejewitsch Tolstoi, Tolstoi’s grootvader van vaderszijde.—Blz. 26.Ilija Andrejewitsch Tolstoi, Tolstoi’s grootvader van vaderszijde.—Blz.26.Leo Tolstoi, die deze legende natuurlijk kende, bediende zich ervan in zijn romanOorlog en Vrede, om de godsdienstige gevoelens weer te geven van vorstin Maria Wolkonskaja, voordat vorst Andreï ten oorlog trekt. De lezer zal zich herinneren dat Maria haar broeder vraagt, dit beeldje mee te nemen. Terwijl zij het hem geeft, zegt ze: “Denk wat je wilt, maar doe het dan voor mij, doe het, ik smeek het je! De vader van mijn vader, onze grootvader, droeg het in alle oorlogen...”Wij zien hier hoe de verbeeldingskracht van den kunstenaar en de werkelijke historie in elkaar vloeien. Terwijl de laatste aan de eerste het karakter van waarheid verleent, daar geeft de eerste aan de laatste dien schijn van het echte leven, die aan alle personen, voorkomend inOorlog en Vrede, bezieling schenkt, zoodat wij niet twijfelen aan hun werkelijk bestaan.De jongste zoon van Sergius Feodorowitsch, Nikolaas Serghejewitsch, was Tolstoi’s grootvader van moederszijde. Hier volgt hetgeen de stamboom van hem zegt.Nikolaas Serghejewitsch, generaal der infanterie, jongste zoon van vorst Sergius Feodorowitsch en vorstin Maria Dmitrijewna, geboren Tschadajewna, werd geboren 30 Maart 1753. In 1780 werd hij opgenomen in ’t gevolg van Keizerin Catharina II te Moghileff, waar hij de eerste samenkomst van haar met Keizer Joseph II bijwoonde. Later begeleidde hij de Keizerin naar Taurië. In 1793 werd hij benoemd tot eersten gezant teBerlijn, bij gelegenheid van het huwelijk van den kroonprins, den lateren Frederik Willem III. Hij stierf 3 Februari 1821 op het landgoed Jasnaja Paljana, waar hij, zonder het ooit meer te verlaten, zijne laatste jaren doorbracht, en dat, onder den naam van Liesig Gor, door zijn kleinzoon in den romanOorlog en Vredeonsterfelijk is gemaakt.Het lijk van dezen vorst is bijgezet in het Troitzko Serghejewskaja lawra (een klooster).Leo Tolstoi vertelt ons in zijne herinneringen het volgende van zijn’ grootvader.“Van mijn’ grootvader weet ik, dat hij onder Keizerin Catharina het hooge ambt van generaal-en-chef bekleedde, doch plotseling werd ontslagen, omdat hij weigerde te trouwen met Warjenka Engelhardt, de nicht en tevens geliefde van Potjemkin. Hij antwoordde toen deze het hem vroeg: ‘Hoe kom je op de gedachte, dat ik zou trouwen met uwe bijzit.’ Dat antwoord brak zijne carrière. Behalve dat hij niet werd bevorderd, verplaatste men hem als veldmaarschalk naar Archangel, waar hij, geloof ik, bleef tot aan de troonsbestijging van Keizer Paul. Hij nam ontslag uit den dienst, trouwde met vorstin Catharina Dmitrijewna Troebjetzkaja en vestigde zich op het landgoed Jasnaja Paljana, dat hij van zijn’ vader had gekregen.“Vorstin Catharina Dmitrijewna stierf jong, hem een eenige dochter nalatende.“Hij hield heel veel van deze dochter en bleef tot aan zijn dood, in 1821, met haar en hare Fransche gezelschapsjuffrouw samenwonen.“Men zegt van mijn’ grootvader, dat hij een zeer streng landheer was, hoewel ik nooit van die vreeselijke straffen hoorde gewagen, zoo algemeen in zwang in die tijden. Ik veronderstel dat er toch wel gestraft werd en mijn vader sprak ook wel eens minder gunstig over hem. De boerenechter uit dien tijd hadden zoo grooten eerbied voor gezag en macht, dat zij, hoe dikwijls er ook naar gevraagd, zich er niet over uitlieten. Zij roemden grootvader als een goed landheer, die zorg droeg voor zijne boeren en voor zijne groote, mooie bezitting. Hij liet huisjes bouwen voor de boerenknechts, en zorgde dat ze niet slechts goed gevoed maar ook goed gekleed en vroolijk zouden zijn. Op feestdagen was het voor hen ook feest. Hij zorgde dan voor schommels en liet hen dansen, enz.“Iedere verstandige landheer uit die dagen zorgde voor den welstand der boeren. Zoo deed ook hij, terwijl zijne hooge positie den Iesprawnik (de eerste uit het district) met zijne dienaren eerbiedig ontzag inboezemde, hetgeen zijne boeren weer vrijwaarde voor uitbuiting en onderdrukking, zoodat het hun steeds beter ging.“Waarschijnlijk was hij zeer aesthetisch aangelegd. De huisjes, door hem gebouwd, waren eenvoudig, gemakkelijk en daarbij zeer mooi, evenals het door hem aangelegde park vóor het huis. Van muziek scheen hij zeer veel te houden, want alleen voor zich en zijn vrouw hield hij er een klein maar goed orkest op na. Ik heb nog den reuzenboom in de lindenlaan gezien, dien dikken boom, door drie personen nauwelijks te omspannen, waarom banken en lessenaars voor de muzikanten stonden. Hij wandelde ’s morgens de lindenallée op en neer en luisterde naar de muziek. Van de jacht hield hij niet, maar wel van bloemen en planten.“Het noodlot bracht mijn’ grootvader op een eigenaardige wijze weer samen met diezelfde Warjenka Engelhardt, die zijne carrière had gebroken. Zij was n.l. getrouwd met vorst Sergius Feodorowitsch Galitzin, die daarvoor allerlei ambten, orden en gunsten had ontvangen. Er ontstond zulk eene intieme verhouding tusschen mijn grootvader en dien zelfden Sergius Feodorowitsch en zijne familie, dus ook met zijne vrouw,dat mijne moeder, toen ze nog heel jong was, reeds aan een van de tien zoons van Galitzin werd toegezegd.“Verder schonken de beide vorsten elkaar portretten uit hunne galerij, natuurlijk niet de oorspronkelijke, maar de copieën, geschilderd door hunne lijfeigenen, waaronder zich schilders bevonden. In ons huis bevinden zich nog al die portretten, o.a. een van Sergius Feodorowitsch, met het lint van Andrejew, en van Warwara Wasilewnaja, ook met eene ridderorde.“Het stond echter geschreven dat de twee families niet nauwer met elkaar zouden worden verbonden. Leo Galitzin, de bruidegom mijner moeder, stierf nog vóór het huwelijk”1.Den stamboom der vorsten Wolkonski overziende, valt mijn blik op eene interessante verschijning, n.l. op Warwara Alexandrowna Wolkonskaja (eene nicht van Tolstoi’s moeder), die heel veel gebeurtenissen ten zijnen huize heeft bijgewoond.Deze vorstin (dochter van vorst Alexander Serghejewitsch, dus een nicht van den grootvader van Leo Tolstoi); bleef na haar moeders dood dikwijls geruimen tijd met haar vader bij diens broeder Nikolaas Serghejewitsch. Hier ontmoette zij verschillende personen, door Tolstoi beschreven in zijn’ romanOorlog en Vrede.Tot in hoogen ouderdom bleef de herinnering aan die personen en gebeurtenissen haar levendig bij.Ouder geworden verhuisde zij naar het dichtbij gelegen dorpje Sogaljewo, eene vroegere bezitting van hare ouders. Daar richtte zij zich vlak naast de kerk een huisje in, waar zij woonde met een paar oude, getrouwe vrouwelijke gedienstigen, die haar niet wilden verlaten, en met wie zij, den romanOorlog en Vredelezende en herlezende, oude herinneringen ophaalde. Bijna door iedereen elders vergeten, genoot zij de achting en vereering der dorpelingen.Aan iemand, die in 1876 toevallig eens bij haar kwam,vertelde zij met innig genoegen, dat de boeren uit den omtrek, die toch reeds lang waren verkocht en al in de derde hand waren overgegaan, haar op haar 90stenverjaardag een zak met meel en een zilveren roebel ten geschenke hadden gebracht, en van de boerinnen kreeg zij een roebel, kippen, linnen, enz. Zij vertelde dit niet alleen met een gevoel van dankbaarheid maar ook van trots, als een bewijs van de goede herinnering, door haar ouders achtergelaten.“Ik maakte kennis met die nicht van mijne moeder, dat goede oudje, toen ik in ’t jaar ’50 in Moskou woonde. Vermoeid door het drukke wereldsche leven, dat ik daar leidde, zocht ik haar en haar landgoed op, en bleef er eenige weken. Zij bestuurde haar huishouding, borduurde een weinig, en zette mij zuurkool, pastila2en twarok3voor, zooals dat gaat op die kleine buitentjes. Onderwijl spraken wij over den ouden tijd en vertelde ze mij van mijn’ grootvader, van mijne moeder, van de drie kroningen die zij had bijgewoond en schreef ik mijn’ romanDrie dooden. Die weken, bij haar doorgebracht, vormen een van de reinste en mooiste herinneringen van mijn leven”4.Nu rest ons nog één persoon uit het geslacht der Wolkonski’s, die, hoewel niet in de rechte lijn, toch met Tolstoi verwant is, n.l. vorst Sergius Grigorjewitsch Wolkonski, een dekabrist. Hij was een achterneef van Tolstoi’s moeder, kleinzoon van Semjon Feodorowitsch Wolkonski en broeder van vorst Sergius Feodorowitsch van wien wij reeds boven gesproken hebben.Vorst Sergius Feod. Wolkonski werd geboren in 1788. Hij werd lid van een geheim genootschap, en werd wegens deelneming aan het complot der Dekabristen naar Oost-Siberië verbannen, waar hij 30 jaren bleef. De eerste jarenmoest hij, steeds geketend, werken bij den vestingbouw; daarna kreeg hij meer vrijheid, maar bleef steeds onder politietoezicht. De reis en aankomst van zijne vrouw, vorstin Maria Nikolajewna, is bezongen in ’t bekende gedicht van Njekrasoff.Zijn broer Nikolaas Grigorjewitsch nam in 1801, op bevel van Keizer Alexander I, den naam Rjennin aan. Rjennin was de familienaam van zijn’ grootvader van moederszijde, wiens geslacht was uitgestorven. In de Keizerlijke oekase kan men lezen, dat de Rjennins het vaderland steeds zoo roemvol dienden, dat hun naam niet mocht uitsterven, maar een levende herinnering moest blijven voor den Russischen adel. Vorst Nikolaas Grigorjewitsch nam deel aan de veldtochten tegen Napoleon en alle toenmalige vaderlandsche oorlogen. Na den slag bij Austerlitz kreeg hij de orde van den Heiligen Gregorius 4deklasse. In dien veldslag maakte hij als escadrons-commandant den beroemden cavallerie-aanval mee, waarbij hij door een kogel aan het hoofd werd gewond en zijn bewustzijn verloor. De Franschen vonden hem op het slagveld en brachten hem naar het veldhospitaal. Napoleon, die dit den volgenden dag hoorde, liet hem bij zich brengen en bood, uit achting voor zijne dapperheid, niet alleen hem, maar allen officieren die onder zijn commando stonden de vrijheid aan, op voorwaarde dat zij gedurende twee jaren niet meer aan den oorlog zouden deelnemen.Nikolaas Grigorjewitsch antwoordde, onder dankzegging, dat hij gezworen had zijn vaderland te dienen tot den laatsten druppel bloeds en daarom het aanbod moest afslaan.Kort daarna teruggekeerd uit de krijgsgevangenschap, werd hij wegens zijne verwonding uit den dienst ontslagen.In de Roeskaja Starina van 1890 komt een brief voor, gericht aan Mich. Daniljewski, waarin vorst Rjennin uitvoerig deze episode heeft beschreven. Het eerste gedeelte van het gesprek met Napoleon komt ook woordelijk voor in den romanOorlog en Vrede.1Uit de mij verstrekte ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.2Dikke gelei, die men in stukken gesneden voordient.3Een soort kaas, die niet gesneden maar gesmeerd wordt.4Ingelascht door Tolstoi bij lezing van mijn handschrift.Derde hoofdstuk.De ouders van Leo Tolstoi.Tolstoi houdt zich in dit hoofdstuk geheel aan de chronologische volgorde, in dien zin, dat hij begint met de vage herinneringen aan zijne moeder, hoofdzakelijk bestaande in verhalen die vrienden en bloedverwanten hem van haar deden, om dan over te gaan tot de gebeurtenissen van latere dagen, betreffende zijn vader en zijne tante, die hem duidelijk voor den geest staan.Om zijn werk de oorsponkelijke gedaante te laten behouden, hebben wij zoo weinig mogelijk veranderingen in deze opeenvolging gemaakt, maar alleen het verhaal van zijn’ grootvader Wolkonski er uitgelicht, om het onder het hoofdstuk te plaatsen, dat zijn voorouders van moederszijde behandelt1.“Mijne moeder kan ik mij in ’t geheel niet meer herinneren. Zij stierf toen ik anderhalf jaar oud was, en daar er door een vreemd toeval niet één portret van haar meer bestaat, weet ik niet hoe zij er heeft uitgezien.“Gedeeltelijk verheugt mij dit, omdat ik nu alleen haar geestelijk beeld voor oogen heb. Alles wat ik van haar weetis goed en mooi, en ik geloof dat men mij niet slechts veel goeds van haar vertelde, maar dat zij ook waarlijk goed was. Overigens, niet alleen mijn moeder, maar alle personen die mij in mijne kinderjaren omringden, van mijn vader af tot aan den koetsier, stel ik mij voor als goede menschen. Waarschijnlijk was het mijn jong, rein liefhebbend hart, dat mij in iedereen de goede eigenschappen deed ontdekken, en zeker is het, dat ik de waarheid meer nabij was, toen alle menschen mij goed toeschenen, dan toen ik alleen hunne feilen zag.“Mijne moeder was niet mooi, maar zeer ontwikkeld voor haar tijd. Zij kende behalve Russisch, dat zij, in tegenstelling met de toen heerschende gebrekkige kennis der spraakkunst, zeer goed schreef, vier talen: Fransch, Duitsch, Engelsch en Italiaansch, moet veel kunstzin gehad hebben en volgens tijdgenooten, die mij dat zeiden, een kunstenares zijn geweest in het verhalen van boeiende sprookjes, die zij dichtte onder ’t vertellen. Zij kon—en dat was wel haar schoonste eigenschap—, hoewel zeer driftig volgens zeggen der bedienden, zich steeds bedwingen. Het bloed steeg haar dan plotseling naar ’t gelaat, zelfs barstte zij wel eens in tranen uit, maar ruwe woorden zei ze nooit. Hoe zou zij ook? Die kende zij niet eens.“In mijn bezit zijn nog eenige van hare brieven, aan mijn’ vader, aan mijne tante en ook een dagboek, bevattende een verslag van het doen en laten van Nikoljenka, mijn oudsten broer, die zes jaar was toen zij stierf en die het meest van allen op haar geleek. Beiden hadden een eigenschap gemeen, die mij zeer lief is, namelijk hunne onverschilligheid tegenover alles ‘wat de menschen van hen zeiden,’ en de bescheidenheid waarmede zij trachtten hunne goede hoedanigheden te verbergen. Van mijn’ broer, die, zooals Toerghenjeff eens zeer terecht opmerkte, die gebreken miste, welke een goed schrijver eigen moeten zijn, heb ik het dikwijls zelf kunnen opmerken, van mijne moeder kwam ik het te weten uit hare brieven.Zoo herinner ik mij dat wij eens jaagden in gezelschap van een dommen, slechten jongen man, den adjudant van den gouverneur, die zich tegenover mij over hem vroolijk maakte. Mijn broer, die dit bemerkte, glimlachte goedmoedig en had er zelf pleizier in.“Die zelfde trekken vond ik terug in de brieven van mijne moeder. Zij stond klaarblijkelijk veel hooger dan mijn vader en zijne familie, behalve een zekere Tatjana Alex. Jergolskaja, eene moreel zeer hoog staande vrouw, in wier nabijheid ik mijn halve leven doorbracht.“Nog een gemeenschappelijke trek van mijne moeder en mijn’ broer, waaruit waarschijnlijk hunne onverschilligheid voor ’t oordeel der menschen voortvloeide, bestond daarin, dat zij nooit iemand veroordeelden.“Dezen karaktertrek van moeder leerde ik kennen uit hare brieven en hoorde ik vertellen door menschen, die haar goed hebben gekend. Wat mijn’ broer betreft, met wien ik heel lang samen bleef, in hem had ik dikwijls gelegenheid het op te merken. Kwam het voor, dat hij iets tegen iemand had, dan gaf hij dat te kennen door fijnen humor en een lachje.“In deLevensbeschrijvingvan Dmitri Rostowski is een geschiedenis, die mij altijd bijzonder heeft getroffen.“Een oude monnik had eens een heel vreemden droom. Hij zag een anderen monnik, die, even als zijne broeders, zeer veel gebreken had, niet slechts in ’t paradijs, maar daar zelfs op de allereerste plaats. Op zijn verbaasde vraag, waarom deze monnik, die toch op aarde lang niet alles had verzaakt, zulk eene belooning ontving, kreeg hij ten antwoord: ‘hij oordeelde nooit iemand.’“Wanneer er zulk eene belooning bestond, dan zouden mijne moeder en mijn broer die zeker bekomen.“Een derde karaktertrek van mijne moeder was haar zin voor waarheid en eenvoudigheid in hare brieven.“In dien tijd was het eene gewoonte om in brieven zeer overdreven uitdrukkingen te gebruiken, b.v. waren ‘onvergelijkelijke, aangebedene, vreugde van mijn leven, ontschatbare,’ en dergelijke meer gekunstelde dan ware uitdrukkingen zeer gangbare titels onder menschen die elkaar intiem kenden.“Deze gewoonte, hoewel niet zoo overdreven, vind ik ook in de brieven van mijn’ vader. Hij schrijft: ‘ma bien douce amie, je ne pense qu’au bonheur d’être auprès de tot.’ ’t Is nog de vraag, of dat geheel waar was! Mijne moeder schrijft altijd denzelfden aanhef: ‘mon bon ami’, en in een van hare brieven zegt ze ronduit: ‘le temps me parait long sans toi, quoiqu’à dire vrai nous ne jouissons pas beaucoup de ta société quand tu es ici’, en zij onderteekende altijd: ‘ta devouée Marie.’“Mijne moeder bracht hare jeugd gedeeltelijk door in Moskou, gedeeltelijk buiten bij mijn’ grootvader Wolkonski, een verstandig begaafd en trotsch man. Men heeft mij verteld dat mijn moedertje heel veel van ons hield en mij ‘mon petit Benjamin’ noemde.“Ik denk dat de liefde voor haren gestorven bruidegom, juist omdat zij met den dood eindigde, die poëtische liefde was, waaraan een meisje zich maar eenmaal in haar leven overgeeft.“Het huwelijk van mijn vader was het werk van zijne ouders en hare bloedverwanten. Zij was rijk, niet meer in de eerste jeugd en een wees. Mijn vader was een vroolijke, schitterende jonge man met een klinkenden naam, goede relaties, maar het familiegoed was door het slechte beheer van mijn grootvader zóó met schulden beladen, dat mijn vader het als erfenis niet aanvaardde. Ik denk dat mijne moeder mijn’ vader lief had als haar echtgenoot, en hoofdzakelijk als vader van hare kinderen, maar dat ze niet verliefd op hem was. Zij koesterdedrie of vier groote genegenheden. Ten eerste de liefde tot haren gestorven bruidegom, vervolgens eene hartstochtelijke vriendschap voor eene zekere melleEnisienne, eene Française, welke vriendschap echter, zooals ik van de tantes hoorde, met eene ontnuchtering eindigde. Die melleEnisienne trouwde met vorst Michael Alexander Wolkonski, een’ neef van mijne moeder.“Over die vriendschap zegt zij, schrijvende over twee jonge meisjes, die bij haar in huis zijn:2“‘Ik kan het zeer goed met beiden vinden, met de eene musiceer ik, lach ik en ben ik uitgelaten of sentimenteel, met de andere spreek ik, lichtzinnig, kwaad van de wereld; beiden houden dol van mij en ik ben de vertrouwde van elk van beiden; ik verzoen ze wanneer zij oneenigheid hebben, want nooit zag men een vriendschap waarbij zoo gekibbeld werd en van zoo vreemden aard als de hare: ’t is eene opeenvolging van pruilerij en tranen, verzoeningen, beleedigingen, en dan weer hevige vlagen van vriendschap; kortom ik zie er de overdreven en romantische vriendschap in weerspiegeld, die gedurende eenige jaren mijn leven beurtelings heeft opgevroolijkt en verduisterd. Ik zie haar aan met een onbeschrijfelijke gewaarwording; soms benijd ik haar de illusies, die ik niet meer heb, maar welker streeling ik ken, en zeg ik ronduit: “weegt het degelijke en echte geluk van den rijperen leeftijd wel op tegen de bekorende illusies der jeugd, waarbij de kracht der verbeelding alles mooi doet schijnen?” En dan weer glimlach ik om haar kinderachtigheid.’“De derde, en misschien de hechtste genegenheid was de liefde voor mijn oudsten broer Koko. Zij hield een dagboek bij, in ’t Russisch geschreven, waarin zij al diens kleine gebreken opschreef, die ze hem dan later voorlas. Daaruit spreekt haar innige wensch om alles te doen wat in haarvermogen was voor de goede opvoeding van haren Koko, maar tevens is het een bewijs, dat zij niet heel goed wist wat daarvoor noodig was.“Zoo onderhield zij hem er o.a. over, dat hij te teergevoelig was en weende bij het zien van het lijden van een dier. Naar haar begrip moest een man hard zijn.“Eene andere fout, die zij trachtte te verbeteren, was zijne verstrooidheid, zoodat hij b.v. inplaats vanbonsoirofbonjour, ’je vous remercie’ tegen zijne grootmoeder zeide.“Het vierde sterke gevoel was, volgens mijne tantes (en ik hoop dat het waar is), haar liefde voor mij, waardoor hare genegenheid voor Koko een weinig verminderde, die, toen ik geboren werd, van mijne moeder werd weggenomen om onder mannelijke leiding te komen. Mijne moeder was iemand die liefde moest geven, en deze van den een op den ander overdroeg.“Zoo dus stelde ik mij het innerlijke leven van mijne moeder voor. Zij scheen mij zoo hoog, zoo rein, zoo bovenaardsch, dat ik mij dikwijls tot haar wendde in die uren van mijn leven, waarin de verzoeking mij te sterk dreigde te worden en booze hartstochten mij overweldigden. Dan riep ik haar geest aan, en bad tot haar, en dat gebed werd dikwijls verhoord.“Het leven van mijne moeder te midden van mijn vaders familie was volgens hare brieven en naar men vertelde, zeer gelukkig.“Vaders familie bestond uit grootmoeder (vaders moeder), haar dochter, mijne tante, gravin Ilin. Osten-Sacken met haar pleegkind Paschenka, eene andere tante, ten minste wij noemden haar zoo, Tatjana Alex. Jergolskaja, die opgevoed was in het huis van mijn’ grootvader, maar verder haar heele leven bij ons heeft gewoond, en dan nog den gouverneur Feodor Iwan. Rjessel, door mij in mijn boekKinderjarenbeschreven.“Wij waren met ons vijven kinderen: Nikolaas, Sergius, Dmitri, ik en de jongste, onze zuster Maria, bij wier geboorte moeder stierf. Het korte negenjarige huwelijksleven van mijne moeder was gelukkig en goed. De liefde had haar leven gevuld en mooi gemaakt, de liefde van haar voor ons allen—van ons allen voor haar.“Te oordeelen naar hare brieven, leefde zij heel eenzaam. Niemand, behalve een zeer intieme kennis, Ogarjewitsch, en een bloedverwant die toevallig eens over den dorpsweg reed en ons wilde opzoeken, kwam bij ons op Jasnaja Paljana.“Mijne moeder gaf haar leven aan haar kinderen, las grootmoeder ’s avond wat voor, nam voor zich zelf meer ernstige lectuur, als Rousseau’sEmile, en sprak over het gelezene; zij speelde piano, gaf een van mijn tantes Italiaansche les, ging wandelen en verzorgde haar huishouding. In iedere familie komt een tijd, dat er geen ziekte heerscht of dood en allen rustig voortleven. Zulk een tijd, geloof ik, beleefde mijne moeder gedurende haar huwelijk. Er werd niemand ziek, niemand stierf en de verwarde zaken van mijn vader kwamen weer terecht. Allen waren gezond, welgemoed en prettig onder elkaar. Vader vroolijkte ons allen op met zijn aardige verhalen. Ik beleefde dien tijd niet. Toen ik begon te begrijpen, was mijne moeder reeds gestorven en had de dood zijn’ stempel op onze familie gedrukt.“Alles wat ik hier verteld heb weet ik uit brieven en door verhalen van anderen. Nu begin ik te beschrijven wat ik zelf beleefd heb en waarvan ik zelf nog heugenis heb. Ik zal het niet hebben over die wazige, vage herinneringen uit mijn prilste jeugd, toen ik nog te klein was om waarheid van droomen te kunnen onderscheiden. Ik begin dus met wat mij uit mijne omgeving van die eerste jaren duidelijk voor den geest staat. De eerste plaats wordt ingenomen door mijn vader, hoewelhij niet zoo’n grooten invloed op mijn leven uitoefende en ik niet het meest van hem hield.“Mijn vader werd heel jong eenige zoon, daar een jongere broeder door een val gebrekkig werd en spoedig stierf. In 1812, toen hij zeventien jaar was, ging hij, ondanks den angst en ’t verdriet van zijne ouders, in dienst. Vorst Nikolaas Iw. Gortschakoff, een bloedverwant van mijne moeder, was in dien tijd minister van oorlog. Deze had een’ broer Andreï Iw., generaal bij het staande leger, aan wien mijn vader als adjudant werd toegevoegd. Hij nam deel aan den veldtocht van 1813/14, werd in het eerste jaar ergens in Duitschland, waar hij als koerier werd heengezonden, door de Franschen gevangen genomen, en eerst ontslagen in 1815, toen de onzen in Parijs kwamen. Mijn vader was op zijn twintigste jaar al niet meer wat men een onschuldigen jongeling noemt. Reeds vóor zijn intrede in het leger, ongeveer op zijn zestiende jaar, werd hij door zijne ouders, volgens de begrippen over gezondheid van die dagen, met een dienstmeisje in aanraking gebracht. Hieruit werd een zoon geboren, dien men later postiljon maakte. Zoolang mijn vader leefde paste die zoon goed op, maar na diens dood kwam hij op verkeerde wegen en wendde zich dikwijls tot ons, zijne volwassen broers, om hulp. Ik kan mij nog heel goed het vreemde gevoel herinneren, dat mij bekroop, toen deze tot armoede vervallen oudere broer, die meer dan een van ons allen op mijn’ vader geleek, bij ons om hulp kwam, en dankbaar was voor iedere 15 roebel, die wij hem gaven.“Teleurgesteld door den krijgsdienst nam vader zijn ontslag en kwam te Kazan, waar mijn grootvader, toen reeds geheel geruïneerd, gouverneur was. Ook bevond zich daar de zuster van mijn’ vader, die getrouwd was met Joeschkoff.“Mijn grootvader stierf al spoedig en mijn vader bleef achter met eene erfenis, die door de schulden werd overtroffen, enmet de zorg voor zijne aan weelde gewende moeder, zuster en nicht. In dien tijd bracht men het huwelijk tot stand met mijne moeder en verhuisde hij naar Jasnaja Paljana. Negen jaren woonden zij daar; toen werd hij weduwnaar, en van dien tijd af aan begint hij in mijne herinnering te leven.“Mijn vader was een middelmatig groote, goed gevormde, sanguinische man, met een prettig, aantrekkelijk gezicht, waarin een paar altijd droevige oogen stonden. Hij bracht zijn leven door met het besturen van zijn landgoed, doch heeft het, naar ik geloof, daarin nooit ver gebracht. Maar hij had eene voor dien tijd zeer goede eigenschap: hij was namelijk niet wreed, zelfs zachtmoedig, zoodat ik bij zijn leven nooit van lichamelijke straffen hoorde. Toch moeten ze bestaan hebben (immers men kon zich toen nauwelijks voorstellen, dat regeeren mogelijk was, zonder ze nu en dan toe te passen), maar het gebeurde zoo zelden, dat wij kinderen er nooit iets van bemerkten. ’t Was dan ook eerst na den dood van mijn’ vader, dat ik te weten kwam, dat die strafoefeningen bij ons werden voltrokken.“Wij kinderen keerden eens met onzen onderwijzer van eene wandeling terug en ontmoetten bij den dorschvloer den dikken opzichter Andreï Ilin, gevolgd door den hulp-koetsier Koezma Kriwoi, die in dat oogenblik een eigenaardig treurigen indruk op ons maakte. Koezma Kriwoi was een getrouwde, niet meer jonge man. Een van ons vroeg waar zij heen gingen en Andreï Ilin antwoordde rustig: ‘naar den dorschvloer, waar Koezma gestraft moet worden’. Ik kan onmogelijk het gevoel voor ontzetting beschrijven, dat me aangreep bij ’t hooren van die woorden en het gezicht van dien goeden, treurigen Koezma. Ik vertelde het ’s avonds aan tante Tatjana, die ons opvoedde. Zij haatte de lijfstraffen, paste ze nooit op ons toe en behoedde, voor zoover haar invloed reikte, er ook de lijfeigenen voor. Zij was zeer verontwaardigd, toen zij hethoorde en zei verwijtend: ‘Waarom heb je het niet tegengehouden?’ Haar woorden maakten mij nog droeviger. Ik had nooit gedacht dat wij ons in die zaken konden mengen en nu bleek het, dat ik het had kunnen doen. Nu echter was het te laat en het ontzettende was gebeurd.Vorst Nikolaas Serghejewitsch Wolkonski, Tolstoi’s grootvader van moederszijde.—Blz. 33.Vorst Nikolaas Serghejewitsch Wolkonski, Tolstoi’s grootvader van moederszijde.—Blz.33.“Maar, om op mijn vader terug te komen en hoe ik mij zijn leven voorstel: zijne bezigheden bestonden in het besturen van zijn landgoed en hoofdzakelijk in het voeren van processen. Procedeeren kwam in dien tijd over ’t algemeen veel voor, maar bij mijn’ vader was ’t aan de orde van den dag, omdat hij de verwarde zaken van grootvader nog moest afwikkelen. Daardoor moest hij veel van huis zijn en bovendien ging hij dikwijls op jacht. Zijn voornaamste jachtgezelschap bestond uit zijn’ vrienden, den ouden, rijken vrijgezel Kirjejewski, Jaziekoff, Gljeboff en Isljeneff. Mijn vader deelde in de toenmalige algemeene gewoonte der landeigenaren, namelijk eene zekere voorliefde voor een der knechts. Petroeschka en Matjoeschka waren de door hem uitverkorenen, twee mooie flinke knapen.“Thuis zijnde bemoeide vader zich met ons en zijn landgoed en las hij veel. Hij had een bibliotheek, bestaande uit Fransche klassieken, historische boeken en natuur-historische werken van Buffon en Cuvier.“Tante vertelde mij, dat mijn vader als regel had aangenomen geen nieuwe werken te koopen, zoolang hij de oude niet had gelezen. Nu, hij las veel, maar toch kan ik moeielijk aannemen dat hij al die deelenHistoire des CroisadesenHistoire des Papesdoorworstelde, die hij zich aangeschaft had. Voor zoover ik kan nagaan, had hij geen wetenschappelijke neigingen, doch stond hij op dezelfde hoogte als alle beschaafde menschen van zijn’ tijd. Zooals velen uit den tijd van Keizer Alexander I en van de veldtochten in 1813, ’14, ’15, was hij wel niet wat men tegenwoordig liberaalnoemt maar het was eenvoudig zijn gevoel van eigenwaarde, dat hem verbood een ambt aan te nemen, zoowel onder Alexander I als onder Nikolaas I. Niet alleen hij zelf, maar al zijne vrienden waren zoo; ze dienden niemand en lieten zich zelfs wel eens ongunstig uit over de regeering van Nikolaas Pawlowitsch. Gedurende mijne kinder- en zelfs mijne jongelingsjaren hadden wij met niet één ambtenaar intieme betrekkingen aangeknoopt.“Ik begreep toen nog niet juist waarom, maar ik had opgemerkt dat mijn vader zich nooit voor iemand vernederde, noch zijn luidruchtigheid of zijn vroolijk lachende stem temperde. En om dat gevoel van eigenwaarde hield ik nog meer van mijn vader en steeg mijne bewondering voor hem.“Ik kan hem mij nog voorstellen in zijne werkkamer. Wij kwamen binnen om hem goeden dag te wenschen of eenvoudig om bij hem te spelen. Hij zat met zijne pijp in den mond op den leeren divan, haalde ons aan en soms—en dat was het heerlijkst van al—mochten wij achter zijn rug op den divan liggen, terwijl hij las of praatte met den dienaar die tegen den deurpost stond, of met S .L. Jaziekoff, mijn peetoom, die dikwijls bij ons logeerde. Ik herinner me dat hij met ons naar beneden ging en daar iets voor ons teekende, dat ons volmaakt toescheen. Ook weet ik nog, dat hij mij eens mijn lievelingsvers, dat ik van buiten kende,Aan de Zeevan Poeschkin, (‘Vaarwel gij vrije elementen!’) ofNapoleon(‘Het wonderbare lot heeft zich voltrokken, vergaan is de groote man!’) liet opzeggen. Ik herinner mij, hoe hij had opgemerkt met hoeveel pathos ik die verzen declameerde, hoe hij naar mij luisterde en nu en dan veelbeteekenend knikte naar den kant van Jaziekoff. Ik begreep dat hij iets moois vond in mijn lezen en dat maakte mij heel gelukkig. Ik herinner mij zijne vroolijke scherts en vertellingen bij middag- en avondeten, en dat grootmoeder, detantes en wij kinderen naar hem luisterden en lachten. Ik herinner mij nog de reis naar de stad en hoe wondermooi hij er uitzag in zijn overjas en zijn nauwen pantalon. Maar duidelijker dan alles herinner ik mij hem als hij met de honden ging jagen. Ik zie nog den uittocht. Dikwijls heb ik later gedacht, dat Poeschkin hem tot voorbeeld nam in zijn gedichtVertrek voor de jacht van Graaf Noelin. Ik herinner mij dat wij met hem gingen wandelen, dat de jonge windhonden tegen ons opsprongen, dolden op de nog niet afgemaaide weiden, waar het hooge gras hen streelde en prikte, hoe zij rolden en speelden en om ons heen dartelden, zoodat hunne staarten op en neer dansten, en hoe zij weer wegvlogen, en hoe mijn vader zich er kostelijk mee vermaakte.“Ik herinner mij den dag van het jachtfeest op 1 September. Wij allen reden op de lineïka3naar het dichte bosch, waar een vos was losgelaten. Ik herinner mij hoe de honden hem najoegen en hem ergens—wij zagen niet waar—grepen. Ik herinner mij ook nog zeer duidelijk de kooi van den wolf. Het was juist naast ons huis. Wij gingen er allen te voet heen. Op een boerenwagen vervoerden ze een grooten, met touwen gebonden, levend gevangen wolf. Hij lag stil en wierp nu en dan een loenschen blik maar wie er bij hem kwam. Op eene open plaats achter onzen tuin trokken zij hem er af, hielden hem met hooivorken op den grond en maakten zijne touwen los. Hij scheurde en trok en beet woedend op de ijzers. Men nam de laatste touwen weg en iemand riep er ‘los!’ Bevrijd richtte de wolf zich op en stond een paar seconden stil; men schreeuwde luid, hitste de honden op hem aan, en wolf, honden, paarden en ruiters vlogen over de velden. De wolf ontsnapte! Ik herinner mij dat mijn vader iets zeggende en toornig gesticuleerend naar huis ging.“Mijn allermooiste herinnering aan hem is die waar hij, met grootmoeder, naast haar op den divan zittende, patience speelde. Vader ging met allen beleefd en aardig om, maar met grootmoeder bijna hartstochtelijk teeder. Grootmoeder, met haar smal gelaat, het mutsje met linten op het hoofd, placht op den divan te zitten, de kaarten schuddende of met haar vingertoppen een snuifje nemende uit de gouden snuifdoos. Naast den divan, in een’ leunstoel, zit Petrowna (de vrouw van den wapensmid) in haar pelsjakje en spint en stoot steeds met haar spinrokken tegen den muur, waarin zich reeds een deukje heeft gevormd.“Petrowna was ook koopvrouw. Grootmoeder hield om de een of andere reden heel veel van haar. Zij kwam dikwijls bij ons op bezoek en zat dan steeds in den leunstoel, naast grootmoeder die op den divan zat.“De tantes zitten ook in leuningstoelen en een van haar leest voor. In een nestje, dat hij zich gemaakt heeft, ook al in een leunstoel, ligt Milka, mijn vaders gevlekte, dartele lievelingshond, met zijn mooie zwarte oogen. Wij komen binnen om te groeten en somtijds gaan we zitten. Grootmoeder en de tantes groeten we altijd met een handkus. Ik herinner mij, dat eens, midden in ’t patience-spel, vader de tantes een’ wenk geeft en, naar den spiegel wijzende, iets fluistert. Wij allen kijken daarheen.“Het was Tichon, de officiant, die, wetende dat vader in ’t salon was, naar diens werkkamer ging en tabak nam uit den lederen tabakszak, die den vorm heeft van eene bloem met saamgevouwen blaadjes. Mijn vader ziet hem in dien spiegel en kijkt naar de op de teenen voortsluipende verschijning. De tantes lachen. Grootmoeder, die eerst niets begrijpt, het dan bemerkt, glimlacht ook. Ik raak in vervoering over de goedheid van mijn vader, en bij het weggaan kus ik met groote teederheid zijne witte hand. Ik hield heel veel vanmijn’ vader, maar wist niet hoe groot die liefde was, voordat ik hem door den dood had verloren.”4Bovenstaande mededeelingen over zijne ouders zijn door Tolstoi zelf verschaft. Eenige minder belangrijke feiten en historische documenten willen wij hier nog bijvoegen.Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, vader van Leo Tolstoi, werd geboren in 1797. In het archief van de universiteit te Kazan wordt met het portocol, inhoudende de inschrijving als student van Leo Tolstoi, het volgend merkwaardig document bewaard: een attestatie voor den militairen dienst van zijn vader d.d. 29 Jan. 1825.“Brenger dezes, graaf Nikolaas Ilitsch, zoon van Tolstoi (3de), volgens geboorte-acte 28 jaar, heeft de orde van den heiligen Wladimir 4deklasse, van adel, heeft geen lijfeigenen, in dienst van zijne Keizerlijke Hoogheid als kornet in het 3deIrkoetskische kozakken-regiment, 11 Juni 1812, waaruit hij overging naar het Irk.-huzaren-regiment, 18 Aug. 1812; bevorderd wegens verdienste tot 1steluitenant, 27 April 1813; in dat zelfde regiment staf-ritmeester 7 Oct. 1813; bevorderd met den zelfden titel wegens verdienste naar een kavallerie-regiment, 6 Aug. 1814, vanwaar als majoor naar het huzaren-regiment van den Prins van Oranje, 11 Dec. 1817. Wegens ziekte uit den dienst ontslagen met verhooging tot overste, 14 Maart 1819; aangesteld tot hulp-opzichter aan de oorlogsweezen-afdeeling te Moskou, 15 December 1821. Gedurende zijn diensttijd nam hij deel aan verschillende veldtochten en woonde meermalen werkelijke gevechten bij, was in krijgsgevangenschap tot aan de bezetting van Parijs en voor zijn verdienste in die gevechten, zooals reeds boven gezegd, beloond met den titel van 1steluitenant en ritmeester bij den staf, en kreeg de orde van den heiligen Wladimir met het lint.”In dat zelfde document zien wij nog, dat graaf N. I. Tolstoi den dienst verliet wegens huiselijke omstandigheden en overging naar de oorlogs-weezen-afdeeling, 8 Jan. 1824.Na den dienst te hebben verlaten, vestigde graaf N. I. Tolstoi zich te Jasnaja Paljana. Het echtpaar had toen nog slechts één jongen, den een-jarigen Nikolaas, geboren in 1823. Daarna vermeerderde de familie zich zeer snel. 17Febr.1826 werd hun zoon Sergius geboren, 23 April 1827 Dmitri en 28Aug.1828 hun zoon Leo.Het rustige, stille dorpsleven duurde niet lang. In 1830, bij de geboorte van hunne dochter Maria, stierf gravin Tolstoi, haar man met vijf kinderen achterlatende.Tatjana Alexandrowna Jergolskaja, eene verre bloedverwante, die groot gebracht was ten huize van Tolstoi’s grootvader (reeds vroeger genoemd), belastte zich met de opvoeding der kinderen.In de familie Tolstoi bewaart men nog de herinnering aan eene interessante episode uit het leven van Tolstoi’s vader.In 1813, na de blokkade van Erfurt, werd deze met depêches naar St.-Petersburg gestuurd. Op die tocht, bij het plaatsje Saint-Obie, werd hij met zijn’ oppasser, een’ lijfeigene, gevangen genomen. Deze wist, zonder dat het werd opgemerkt, het geld van zijn’ heer in zijne laars te bewaren. Gedurende drie maanden kleedde hij zich niet uit, om het geheim niet prijs te geven, en ondanks eene groote wonde aan zijn voet klaagde hij nooit over pijn. Zijn heer, Nikolaas Ilitsch, behoefde, dank zij deze opofferende daad, die hij nooit heeft vergeten, te Parijs geen gebrek te lijden.Bij de lezing van deze persoonlijke herinneringen van Tolstoi zal men begrijpen, dat de personen, als zijne ouders beschreven in zijne vertellingKinderjaren, niet zijne ouders zijn geweest.Voor zoover het ons bekend is beschreef hij daar als zijn’vader een zekeren Al. Mich. Isljeneff, een’ vriend en buurman van zijn werkelijken vader. Zijne moeder in dat boek is eene verdichte persoon. Het is niet moeilijk te raden, dat in den romanOorlog en Vredein de personen graaf Nikolaas Ilitsch Rostoff en vorstin Maria Wolkonski de werkelijke ouders van Tolstoi door hem zijn beschreven.Van graaf Ilia Andrejewitsch tot het pleegkind Sonja beantwoordt bijna ieder lid van de familie Rostoff aan een type, voorkomende in de familie-kroniek der Tolstoi’s. Even duidelijk te herkennen zijn ook de eigenaars van Liesig Gor. Daarom zal het lezen van dien roman eene aanvulling zijn voor hetgeen wij weten van de voorouders van Leo Tolstoi.1Dat Tolstoi’s herinneringen door den schrijver ongecorrigeerd en vooral ongeordend in ’t licht zijn gegeven (zie de Inleiding) zal de lezer al heel spoedig bemerken. Wij hebben ’t onzen plicht geacht, zij het ook aarzelend, het oorspronkelijke zoo nauwkeurig mogelijk te volgen, zoowel wat stijl als volgorde betreft.2Deze brief is in ’t handschrift in het Fransch aangehaald.3Een lange wagen met de zitplaatsen in de lengte.4Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Tolstoi.

Eerste hoofdstuk.De voorouders van Leo Tolstoi van vaderszijde.1De graven van Tolstoi zijn van een oud adellijk geslacht, dat volgens de genealogen afstamt van den heiligen Indriss, die in 1353 met twee zonen en een leger van 3000 man naar Tschernigoff trok. Hij liet zich doopen, ontving den naam Leontii en werd de stamvader van eenige adellijke families. Zijn achterkleinzoon, Andrei Charjitonowitsch, verhuisde van Tschernigoff naar Moskou, ontving van grootvorst Wassilii Tjenni den achternaam Tolstoi, en was de stamvader van de Tolstoi’s. (Volgens den graaflijken stamboom van het geslacht Tolstoi is Leo Nikolajewitsch een nakomeling van Indriss in den tweeden graad).2Een van zijn nakomelingen, Peter Andrejewitsch Tolstoi, diende in 1683 als Stolnik (een hoveling die het oppertoezicht heeft over de tafel, enz.) aan het hof en was één van de hoofdleiders van den opstand der Strelitzen. De val van de Tsarina Sophie dwong Tolstoi zijn bakens te verzetten en naar de partij van Tsaar Peter over te gaan. Deze hield hem echter steeds op een afstand en het duurde een langen tijd voor dat Peter Andrejewitsch het vertrouwen van den Tsaar mocht winnen.Daarvan vertelt men het volgende.Eens, bij een woest drinkgelag, behaagde het den Tsaar Tolstoi zijn grooten pruik van het hoofd te rukken. Hij sloeg hem er mee op den kalen schedel en sprak: “Hoofdje, hoofdje, als jij niet zoo verstandig waart, dan had men je reeds lang van den romp gescheiden.”Zelfs de groote militaire verdiensten van Tolstoi, in den tweeden strijd om Azoff, konden het wantrouwen van den Tsaar niet overwinnen.In 1697 zond Tsaar Peter eenige vrijwilligers naar het buitenland in de leer. Tolstoi, toen reeds een man van rijperen leeftijd, bood aan er heen te gaan, ter bestudeering van het zeewezen. Tevens stelde hij zich volkomen op de hoogte van de West-Europeesche cultuur. In ’t eind van 1701 werd Tolstoi benoemd tot gezant te Constantinopel, een gewichtige maar moeilijke post. Ten tijde van de verwikkelingen van 1710–1713 zat hij tweemaal op het “slot met de zeven torens” gevangen. Daarom voeren de graven Tolstoi een wapen waarop dit slot is afgebeeld.In 1717 bewees Tolstoi den Tsaar een grooten dienst, waardoor hij voor goed bij dezen in de gunst kwam.Op korten afstand van Napels, waarheen Tolstoi was gezonden, ligt het kasteel Sint-Elmo. Daar hield zich in dien tijd de Tsarewitsch Alexei met zijne vriendin Eufrosyneverborgen. Met behulp van die vrouw gelukte het Tolstoi, door ruwe bedreigingen en valsche beloften, den Tsarewitsch te bewegen naar Rusland terug te keeren. Zijn werkzaam aandeel in het gerechtelijk onderzoek, de zittingen van de geheime rechtbank en de, op bevel van den Tsaar, heimelijke voltrekking van het doodvonnis (met medewerking van Roemjantseff, Oeschakoff en Boetoerlin) bezorgden hem eene belooning. Hij kreeg eenige landgoederen ten geschenke en werd benoemd tot chef van de geheime kanselarij, waar juist zeer veel te doen viel wegens oproer en gisting onder ’t volk, veroorzaakt door den dood van den Tsarewitsch Alexei.Tolstoi was in dien tijd een van de personen die zich steeds in de onmiddellijke nabijheid van den Tsaar bevonden, en die het meest door hem werden vertrouwd.Door de zaak met den Tsarewitsch kwam hij ook in nauwere aanraking met Keizerin Catharina. In vereeniging met Menschikoff werkte hij krachtig mede aan hare troonsbestijging, waarvoor hij op den kroningsdag beloond werd met den titel van graaf, en naderhand veel gunsten bleef genieten. Onder de regeering van Peter II, een’ zoon van den vermoorden Tsarewitsch, was zijn val echter onvermijdelijk. Zonder dat er met zijn hoogen leeftijd rekening werd gehouden (82 jaar), werd Peter Tolstoi in het Solowetski-klooster gevangen gezet, waar hij niet lang daarna, in 1729, overleed.Er bestaat nog een dagboek met aanteekeningen van Tolstoi’s buitenlandsche reis van 1697 tot 1699, een karakteristiek staaltje van den indruk, dien een Rus uit den tijd van Peter den Groote van West-Europa kreeg. In 1705 stelde hij een geschrift samen, handelende over de Zwarte Zee. Bovendien zijn van hem twee vertalingen bekend:De Metamorphose van OvidiusenDe Regeering van den Turkschen Staat.Tolstoi had een zoon, Iwan Petrowitsch, president van derechtbank, die tegelijkertijd met hem in de gevangenis werd gezet, waar hij spoedig na zijn vader overleed.Reeds onder de regeering van Elizabeth Petrowna, 26 Maart 1760, werden de nakomelingen van Peter Tolstoi in hunne graaflijke waardigheid hersteld en wel in de persoon van zijn kleinzoon Andrei Iwanowitsch, den overgrootvader van Leo Tolstoi.“Van een van mijne tantes hoorde ik van dezen Andrei Iwanowitsch, die zeer jong met eene vorstin Tschtschetininaja in ’t huwelijk trad, eens het volgende verhaal.“Door het een of ander toeval moest de vorstin zonder haar man naar een bal. Toen ze was weggereden, waarschijnlijk in een koets, waaruit men de banken had moeten verwijderen opdat het hooge kapsel niet door het stooten tegen de zoldering zou worden beschadigd, herinnerde de jonge vorstin (ze was waarschijnlijk 17 jaar) zich plotseling, dat ze geen afscheid had genomen van haar man. Dadelijk liet ze keeren en vond thuisgekomen haar gemaal in tranen. Hij weende omdat zij zonder hem te groeten was weggegaan.”3Tolstoi vertelt het volgende van zijn grootvader en grootmoeder van vaderszijde.“Mijne grootmoeder Pelageja Nikolajewna was eene dochter van den blinden vorst Nikolaas Iwan. Gortschakoff. Zij was, zoover ik het mij kan herinneren, weinig ontwikkeld. Zooals allen in dien tijd sprak zij beter Fransch dan Russisch, maar dat was dan ook alles wat ze wist. Zij werd haar geheele leven zeer verwend, eerst door haar vader, toen door haar man en daarna door haar zoon.“Bovendien werd haar, als dochter van den oudste van het geslacht, de grootste achting bewezen door alle Gortschakoffs, t.w. den gewezen minister van oorlog, Nikolaas Iwanowitsch, Andrei Iwanowitsch en de zonen van den vrijdenker Dimitri Petrowitsch, Peter Sergius en Michael Sebastopolski.“Mijn grootvader was ook, voor zoover ik nog weet, een weinig ontwikkeld man, zwak van karakter, niet slechts vrijgevig maar zelfs onuitsprekelijk verkwistend, en daarbij veel te goed van vertrouwen. Op zijn landgoed, gelegen in het district Bjellewskaja Paljana (niet te verwarren met Jasnaja Paljana) hield men steeds feesten en drinkgelagen. Bals, comedie, diners en ’t maken van kleine uitstapjes wisselden elkaar af. Grootvader had een grooten hartstocht voor het spel, hombre en whist, dat hij niet goed kende en waardoor hij dus groote sommen verloor, daarenboven gaf en leende hij steeds maar groote sommen uit, waarvan hij nooit iets terug zag. Het einde van dit alles was, dat het groote landgoed van mijn grootmoeder zoo met schulden was belast, dat er niets meer overbleef om van te leven, en grootvader gedwongen was de betrekking van Gouverneur te Kazan aan te nemen. Door zijn vele relaties viel het hem gemakkelijk dien post te krijgen.“Mijn grootvader was onomkoopbaar en nam slechts het geld dat hem volgens algemeen gebruik van de pacht toekwam. Hij werd boos wanneer men trachtte hem heimelijk om te koopen. Maar grootmoeder, zooals men mij vertelde, nam, zonder dat haar man er iets van wist, wel geschenken aan.“De jongste dochter van grootmoeder, Pelageja, trouwde te Kazan met Joeschkoff, de oudste, Alexandra, nog te Petersburg, met graaf Osten Sacken.“Na den dood van haar man, die te Kazan overleed, en na het huwelijk van mijn vader, kwam grootmoeder bij ons te Jasnaja Paljana, en zooals ze toen was, reeds een oude vrouw, kan ik mij haar nog heel duidelijk voorstellen.“Grootmoeder hield hartstochtelijk veel van mijn vader; wij, haar kleinkinderen, werden door haar verwend; van de tantes hield zij ook, maar ik geloof dat zij mijne moeder niet graag mocht lijden, omdat zij haar niet goed genoeg vond voor vader en—omdat zij jaloersch op haar was. Voor het personeel behoefde zij niet veeleischend te zijn, want, wetende dat zij de eerste persoon in huis was, deden alle bedienden ongevraagd alles wat ze konden om het haar naar den zin te maken. Gascha, haar kamenier, had echter veel van haar luimen te lijden en werd geregeld door haar gekweld. Met de woorden: ‘jij bent mij de liefste’ verlangde zij de onmogelijkste dingen van haar en plaagde haar op alle manieren. Het opmerkelijkste hierbij is, dat Gascha Arafa Michaïlowna4, die ik nog heel goed gekend heb, alle luimen van grootmoeder overnam en met haar ondergeschikten, met haar kat, in één woord met allen over wie zij iets te zeggen had, juist zoo omging als grootmoeder met haar.“Van mijne eerste herinneringen aan mijne grootmoeder, tot aan onze reis naar Moskou en ons leven daar, zijn drie indrukken het levendigst gebleven.“De eerste is, dat grootmoeder, als zij zich wiesch, met een bijzondere zeep verwonderlijk mooie zeepbellen op haar handen te voorschijn kon tooveren, die, naar ik toen geloofde, niemand dan zij zoo mooi kon maken.“Men bracht ons expres naar haar toe om er bij te zijn als zij zich wiesch. Ik herinner mij haar witte koftoschka (lijfje met mouwen), haar joebka (vrouwenrok), haar witte oude handen met de zeepbellen en haar bleek, tevreden glimlachend gelaat.“De tweede herinnering is deze: Grootmoeder zit in degroene cabriolet op veeren, waarin wij dikwijls met onzen goeverneur Feodor Iwanowitsch uit rijden gaan. Zij wordt getrokken niet door paarden maar door de knechts van mijn vader. Wij gaan uit om noten te schudden, die er dit jaar zeer overvloedig zijn.“Ik herinner me den zwaar beladen noteboom met de krakende, bewegende takken, hoe Petroeschka en Matjoeschka, de tuinknechts, die de groene cabriolet, waarin grootmoeder gezeten is, voorttrokken, de takken naar haar toe bogen, en hoe grootmoeder zelf de heerlijk rijpe vruchten aftrok en in haar tasch deed; hoe wij zelf de noten plukten, en hoe Feodor Iwanowitsch ons verbaasde met zijne kracht, door de dikste takken naar beneden te wringen. Hoe wij zelf noten verzamelden uit alle macht, en hoe wij toch nog zagen, toen Feodor Iwanowitsch de takken los liet, die zich langzaam, zich in elkaar verwarrend, weer oprichtten, dat er vele noten waren blijven hangen. Ik herinner mij hoe warm het was op die kleine weide, en hoe heerlijk koel in de schaduw, hoe wij de prikkelende geuren inademden die noten en notebladeren van zich gaven, hoe kleine meisjes, die bij ons waren, de noten kraakten en tusschen hun lipjes staken, en hoe wij, onophoudelijk kauwden en al maar kauwden aan de frissche, blanke, sappige kern.“Wij verzamelden de noten in onze zakken, in onzen schoot en in de groene cabriolet, en grootmoeder nam ze aan en prees ons. Wat er verder gebeurde, nadat we thuis waren gekomen, daarvan heb ik niets onthouden. Ik herinner me slechts grootmoeder, den noteboom, den scherpen geur der bladeren, de knechts, de groene cabriolet, de zon en dat alles samensmeltende tot eene blijde herinnering. Ik geloofde dat, even als de zeepbellen slechts op grootmoeders handen konden zijn, zoo ook de zon, het bosch en de noteboom een geheel vormden met grootmoeder in haar groene cabriolet op veeren, die getrokken werd door Petroeschka en Matjoeschka.“De herinnering, die het innigst met grootmoeder is saamgeweven, is die nacht, doorgebracht in grootmoeders slaapkamer: Leo Stepanitsch (hij was een blinde sprookjesverteller, en reeds oud toen ik hem leerde kennen), een overblijfsel uit den tijd toen de lijfeigenschap nog bestond, een lijfeigene van mijn’ grootvader. Hij was indertijd gekocht alleen om sprookjes te vertellen, die hij, dank zij een slechts blinden eigen bijzonder sterk geheugen, woordelijk kon verhalen nadat men ze hem een paar maal had voorgelezen.“Hij woonde ergens in ons huis en den geheelen dag bleef hij onzichtbaar tot hij ’s avonds in grootmoeders slaapkamer voor den dag kwam. Grootmoeders slaapkamer was een groot, laag vertrek, waartoe een klein trapje van een paar treedjes toegang gaf. Leo Stepanitsch zette zich dan in de breede vensterbank, waar men hem zijn avondeten bracht dat van de heerentafel kwam. Hier wachtte hij op grootmoeder die, zonder schroom voor de tegenwoordigheid van den blinden ouden man, haar nachttoilet in orde kon maken.“Op dien dag, toen ’t mijn beurt was om bij grootmoeder te overnachten, zat Leo Stepanitsch met zijn blinde oogen, gekleed in een lange blauwe jas en een doek om zijn schouders, reeds in de vensterbank bij zijn avondeten. Ik kan mij niet herinneren of grootmoeder zich uitkleedde in deze of in een andere kamer, ook niet hoe men mij te bed heeft gebracht. Ik herinner mij slechts, toen het licht werd uitgedaan en alleen een lampje bleef branden voor de gouden heiligenbeelden, grootmoeder, diezelfde wonderbare grootmoeder, die zulke prachtige zeepbellen kon maken, geheel in ’t wit, omhuld met wit, bedekt met wit, hoog liggend op haar witte kussen, en toen,—van uit de diepe vensternis—de eentonige, rustige stem van Leo Stepanitsch: ‘Beveelt ge, dat ik ga vervolgen?’—‘Ja, ga verder.’—‘Mijn geliefd zustertje,’ hernam Leo Stepanitsch met zijn langzame oude stem, ‘doeons een van die boeiende verhalen die gij zoo goed weet te vertellen.’ ‘Zeer gaarne,’ antwoordde Scheherezade, ‘ik zou u de geschiedenis van Prins Kamaralzaman willen vertellen, zoo gij ons daarvoor uwe toestemming wilt geven.’ Nadat zij deze had verkregen begon de Sultane Scheherezade als volgt: ‘Er was eens een Tsaar die een eenigen zoon had...’ en duidelijk woord voor woord vertelde Leo Stepanitsch de geschiedenis van Prins Kamaralzaman. Ik hoorde noch begreep wat hij zei, zoo geheel ging ik op in den geheimzinnigen aanblik van mijne witte grootmoeder, van haar schaduw die zich op den muur heen en weer bewoog, en van den grijsaard met zijn blinde oogen, dien ik nu niet zag, maar dien ik mij bewust was, zittende op de vensterbank, zeggende met zijne langzame stem eenige, naar het mij toescheen, verheven woorden die weerklonken in deze in schemer gehulde kamer, slechts verlicht door de trillende vlam eener lamp.“Het kan zijn, dat ik dadelijk insliep en mij daarom niets meer herinner dan dat ik den volgenden morgen, wakker geworden, weer in verrukking kwam voor de wondermooie zeepbellen op de handen van mijn grootmoeder.”5.De volgende tabel geeft den lezer een overzicht van de jongste voorouders van Leo Tolstoi.Graven Tolstoi.Peter Andrejewitsch, eerste graaf Tolstoi [† 1729].Iwan Petrowitsch [† 1728].Andrei Iwanowitsch [† 1803].Ilija Andrejewitsch [† 1820] (Gouverneur van Kazan).Alexandra, getrouwd met graaf Osten Sacken.Nikolaas [† 1837].Pelageja, getrouwd met W. I.Joeschkoff.Ilija, stierf kinderloosNikolaas, geb. 1823.Sergius, geb. 1826.Dimitri, geb. 1827.Leo, geb. 1828.Maria, geb. 1830.De familie Tolstoi heeft haar vertegenwoordigers in vele standen van de maatschappij.Wij veronderstellen, dat het den lezer zal interesseeren te weten in welken graad van bloedverwantschap Leo Tolstoi tot eenigen hunner staat. Wij herinneren hier aan Feodor Petrowitsch Tolstoi, een bekend kunstenaar en vice-president van de Keizerlijke Kunstacademie, die een neef was van den vader van den dichter Alex. Const. Tolstoi, die op zijn beurt weer een achterneef is van Leo Tolstoi. De gewezen minister Dimitri Andrejewitsch Tolstoi, bekend om zijn reactionnaire maatregelen, staande in een meer verwijderden graad van bloedverwantschap tot Tolstoi, stamt af van den algemeenen stamvader Iwan Petrowitsch Tolstoi, zoon van den eersten graaf Tolstoi, Peter Andrejewitsch, die evenals zijn vader stierf in het Solowetski-klooster.1Wanneer ik gebruik maak van de woorden van Tolstoi uit zijne mij verstrekte “herinneringen”, dan zal dat door aanhalingsteekens worden aangegeven.2Volgens familiegegevens stamt het geslacht Tolstoi af van een Duitscher Dick (in ’t Russisch = Tolstoi). Hoewel dit niet in overeenstemming is met de stamboeken, is het zeer wel mogelijk dat deze twee variaties toch één bron hebben. Het kan zijn dat het geslacht Andrei Charjitonowitsch nog de Duitsche taal gebruikte, dat het den achternaam Dick kreeg, en dezen naam eenvoudig in ’t Russisch vertaalde.P. B.3Toegevoegd door Tolstoi bij de nalezing van ’t handschrift.4Deze Gascha stierf eenige jaren geleden op het landgoed van Tolstoi, waar zij nog langen tijd rustig gewoond heeft.P. B.5Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.

De graven van Tolstoi zijn van een oud adellijk geslacht, dat volgens de genealogen afstamt van den heiligen Indriss, die in 1353 met twee zonen en een leger van 3000 man naar Tschernigoff trok. Hij liet zich doopen, ontving den naam Leontii en werd de stamvader van eenige adellijke families. Zijn achterkleinzoon, Andrei Charjitonowitsch, verhuisde van Tschernigoff naar Moskou, ontving van grootvorst Wassilii Tjenni den achternaam Tolstoi, en was de stamvader van de Tolstoi’s. (Volgens den graaflijken stamboom van het geslacht Tolstoi is Leo Nikolajewitsch een nakomeling van Indriss in den tweeden graad).2

Een van zijn nakomelingen, Peter Andrejewitsch Tolstoi, diende in 1683 als Stolnik (een hoveling die het oppertoezicht heeft over de tafel, enz.) aan het hof en was één van de hoofdleiders van den opstand der Strelitzen. De val van de Tsarina Sophie dwong Tolstoi zijn bakens te verzetten en naar de partij van Tsaar Peter over te gaan. Deze hield hem echter steeds op een afstand en het duurde een langen tijd voor dat Peter Andrejewitsch het vertrouwen van den Tsaar mocht winnen.

Daarvan vertelt men het volgende.

Eens, bij een woest drinkgelag, behaagde het den Tsaar Tolstoi zijn grooten pruik van het hoofd te rukken. Hij sloeg hem er mee op den kalen schedel en sprak: “Hoofdje, hoofdje, als jij niet zoo verstandig waart, dan had men je reeds lang van den romp gescheiden.”

Zelfs de groote militaire verdiensten van Tolstoi, in den tweeden strijd om Azoff, konden het wantrouwen van den Tsaar niet overwinnen.

In 1697 zond Tsaar Peter eenige vrijwilligers naar het buitenland in de leer. Tolstoi, toen reeds een man van rijperen leeftijd, bood aan er heen te gaan, ter bestudeering van het zeewezen. Tevens stelde hij zich volkomen op de hoogte van de West-Europeesche cultuur. In ’t eind van 1701 werd Tolstoi benoemd tot gezant te Constantinopel, een gewichtige maar moeilijke post. Ten tijde van de verwikkelingen van 1710–1713 zat hij tweemaal op het “slot met de zeven torens” gevangen. Daarom voeren de graven Tolstoi een wapen waarop dit slot is afgebeeld.

In 1717 bewees Tolstoi den Tsaar een grooten dienst, waardoor hij voor goed bij dezen in de gunst kwam.

Op korten afstand van Napels, waarheen Tolstoi was gezonden, ligt het kasteel Sint-Elmo. Daar hield zich in dien tijd de Tsarewitsch Alexei met zijne vriendin Eufrosyneverborgen. Met behulp van die vrouw gelukte het Tolstoi, door ruwe bedreigingen en valsche beloften, den Tsarewitsch te bewegen naar Rusland terug te keeren. Zijn werkzaam aandeel in het gerechtelijk onderzoek, de zittingen van de geheime rechtbank en de, op bevel van den Tsaar, heimelijke voltrekking van het doodvonnis (met medewerking van Roemjantseff, Oeschakoff en Boetoerlin) bezorgden hem eene belooning. Hij kreeg eenige landgoederen ten geschenke en werd benoemd tot chef van de geheime kanselarij, waar juist zeer veel te doen viel wegens oproer en gisting onder ’t volk, veroorzaakt door den dood van den Tsarewitsch Alexei.

Tolstoi was in dien tijd een van de personen die zich steeds in de onmiddellijke nabijheid van den Tsaar bevonden, en die het meest door hem werden vertrouwd.

Door de zaak met den Tsarewitsch kwam hij ook in nauwere aanraking met Keizerin Catharina. In vereeniging met Menschikoff werkte hij krachtig mede aan hare troonsbestijging, waarvoor hij op den kroningsdag beloond werd met den titel van graaf, en naderhand veel gunsten bleef genieten. Onder de regeering van Peter II, een’ zoon van den vermoorden Tsarewitsch, was zijn val echter onvermijdelijk. Zonder dat er met zijn hoogen leeftijd rekening werd gehouden (82 jaar), werd Peter Tolstoi in het Solowetski-klooster gevangen gezet, waar hij niet lang daarna, in 1729, overleed.

Er bestaat nog een dagboek met aanteekeningen van Tolstoi’s buitenlandsche reis van 1697 tot 1699, een karakteristiek staaltje van den indruk, dien een Rus uit den tijd van Peter den Groote van West-Europa kreeg. In 1705 stelde hij een geschrift samen, handelende over de Zwarte Zee. Bovendien zijn van hem twee vertalingen bekend:De Metamorphose van OvidiusenDe Regeering van den Turkschen Staat.

Tolstoi had een zoon, Iwan Petrowitsch, president van derechtbank, die tegelijkertijd met hem in de gevangenis werd gezet, waar hij spoedig na zijn vader overleed.

Reeds onder de regeering van Elizabeth Petrowna, 26 Maart 1760, werden de nakomelingen van Peter Tolstoi in hunne graaflijke waardigheid hersteld en wel in de persoon van zijn kleinzoon Andrei Iwanowitsch, den overgrootvader van Leo Tolstoi.

“Van een van mijne tantes hoorde ik van dezen Andrei Iwanowitsch, die zeer jong met eene vorstin Tschtschetininaja in ’t huwelijk trad, eens het volgende verhaal.

“Door het een of ander toeval moest de vorstin zonder haar man naar een bal. Toen ze was weggereden, waarschijnlijk in een koets, waaruit men de banken had moeten verwijderen opdat het hooge kapsel niet door het stooten tegen de zoldering zou worden beschadigd, herinnerde de jonge vorstin (ze was waarschijnlijk 17 jaar) zich plotseling, dat ze geen afscheid had genomen van haar man. Dadelijk liet ze keeren en vond thuisgekomen haar gemaal in tranen. Hij weende omdat zij zonder hem te groeten was weggegaan.”3

Tolstoi vertelt het volgende van zijn grootvader en grootmoeder van vaderszijde.

“Mijne grootmoeder Pelageja Nikolajewna was eene dochter van den blinden vorst Nikolaas Iwan. Gortschakoff. Zij was, zoover ik het mij kan herinneren, weinig ontwikkeld. Zooals allen in dien tijd sprak zij beter Fransch dan Russisch, maar dat was dan ook alles wat ze wist. Zij werd haar geheele leven zeer verwend, eerst door haar vader, toen door haar man en daarna door haar zoon.

“Bovendien werd haar, als dochter van den oudste van het geslacht, de grootste achting bewezen door alle Gortschakoffs, t.w. den gewezen minister van oorlog, Nikolaas Iwanowitsch, Andrei Iwanowitsch en de zonen van den vrijdenker Dimitri Petrowitsch, Peter Sergius en Michael Sebastopolski.

“Mijn grootvader was ook, voor zoover ik nog weet, een weinig ontwikkeld man, zwak van karakter, niet slechts vrijgevig maar zelfs onuitsprekelijk verkwistend, en daarbij veel te goed van vertrouwen. Op zijn landgoed, gelegen in het district Bjellewskaja Paljana (niet te verwarren met Jasnaja Paljana) hield men steeds feesten en drinkgelagen. Bals, comedie, diners en ’t maken van kleine uitstapjes wisselden elkaar af. Grootvader had een grooten hartstocht voor het spel, hombre en whist, dat hij niet goed kende en waardoor hij dus groote sommen verloor, daarenboven gaf en leende hij steeds maar groote sommen uit, waarvan hij nooit iets terug zag. Het einde van dit alles was, dat het groote landgoed van mijn grootmoeder zoo met schulden was belast, dat er niets meer overbleef om van te leven, en grootvader gedwongen was de betrekking van Gouverneur te Kazan aan te nemen. Door zijn vele relaties viel het hem gemakkelijk dien post te krijgen.

“Mijn grootvader was onomkoopbaar en nam slechts het geld dat hem volgens algemeen gebruik van de pacht toekwam. Hij werd boos wanneer men trachtte hem heimelijk om te koopen. Maar grootmoeder, zooals men mij vertelde, nam, zonder dat haar man er iets van wist, wel geschenken aan.

“De jongste dochter van grootmoeder, Pelageja, trouwde te Kazan met Joeschkoff, de oudste, Alexandra, nog te Petersburg, met graaf Osten Sacken.

“Na den dood van haar man, die te Kazan overleed, en na het huwelijk van mijn vader, kwam grootmoeder bij ons te Jasnaja Paljana, en zooals ze toen was, reeds een oude vrouw, kan ik mij haar nog heel duidelijk voorstellen.

“Grootmoeder hield hartstochtelijk veel van mijn vader; wij, haar kleinkinderen, werden door haar verwend; van de tantes hield zij ook, maar ik geloof dat zij mijne moeder niet graag mocht lijden, omdat zij haar niet goed genoeg vond voor vader en—omdat zij jaloersch op haar was. Voor het personeel behoefde zij niet veeleischend te zijn, want, wetende dat zij de eerste persoon in huis was, deden alle bedienden ongevraagd alles wat ze konden om het haar naar den zin te maken. Gascha, haar kamenier, had echter veel van haar luimen te lijden en werd geregeld door haar gekweld. Met de woorden: ‘jij bent mij de liefste’ verlangde zij de onmogelijkste dingen van haar en plaagde haar op alle manieren. Het opmerkelijkste hierbij is, dat Gascha Arafa Michaïlowna4, die ik nog heel goed gekend heb, alle luimen van grootmoeder overnam en met haar ondergeschikten, met haar kat, in één woord met allen over wie zij iets te zeggen had, juist zoo omging als grootmoeder met haar.

“Van mijne eerste herinneringen aan mijne grootmoeder, tot aan onze reis naar Moskou en ons leven daar, zijn drie indrukken het levendigst gebleven.

“De eerste is, dat grootmoeder, als zij zich wiesch, met een bijzondere zeep verwonderlijk mooie zeepbellen op haar handen te voorschijn kon tooveren, die, naar ik toen geloofde, niemand dan zij zoo mooi kon maken.

“Men bracht ons expres naar haar toe om er bij te zijn als zij zich wiesch. Ik herinner mij haar witte koftoschka (lijfje met mouwen), haar joebka (vrouwenrok), haar witte oude handen met de zeepbellen en haar bleek, tevreden glimlachend gelaat.

“De tweede herinnering is deze: Grootmoeder zit in degroene cabriolet op veeren, waarin wij dikwijls met onzen goeverneur Feodor Iwanowitsch uit rijden gaan. Zij wordt getrokken niet door paarden maar door de knechts van mijn vader. Wij gaan uit om noten te schudden, die er dit jaar zeer overvloedig zijn.

“Ik herinner me den zwaar beladen noteboom met de krakende, bewegende takken, hoe Petroeschka en Matjoeschka, de tuinknechts, die de groene cabriolet, waarin grootmoeder gezeten is, voorttrokken, de takken naar haar toe bogen, en hoe grootmoeder zelf de heerlijk rijpe vruchten aftrok en in haar tasch deed; hoe wij zelf de noten plukten, en hoe Feodor Iwanowitsch ons verbaasde met zijne kracht, door de dikste takken naar beneden te wringen. Hoe wij zelf noten verzamelden uit alle macht, en hoe wij toch nog zagen, toen Feodor Iwanowitsch de takken los liet, die zich langzaam, zich in elkaar verwarrend, weer oprichtten, dat er vele noten waren blijven hangen. Ik herinner mij hoe warm het was op die kleine weide, en hoe heerlijk koel in de schaduw, hoe wij de prikkelende geuren inademden die noten en notebladeren van zich gaven, hoe kleine meisjes, die bij ons waren, de noten kraakten en tusschen hun lipjes staken, en hoe wij, onophoudelijk kauwden en al maar kauwden aan de frissche, blanke, sappige kern.

“Wij verzamelden de noten in onze zakken, in onzen schoot en in de groene cabriolet, en grootmoeder nam ze aan en prees ons. Wat er verder gebeurde, nadat we thuis waren gekomen, daarvan heb ik niets onthouden. Ik herinner me slechts grootmoeder, den noteboom, den scherpen geur der bladeren, de knechts, de groene cabriolet, de zon en dat alles samensmeltende tot eene blijde herinnering. Ik geloofde dat, even als de zeepbellen slechts op grootmoeders handen konden zijn, zoo ook de zon, het bosch en de noteboom een geheel vormden met grootmoeder in haar groene cabriolet op veeren, die getrokken werd door Petroeschka en Matjoeschka.

“De herinnering, die het innigst met grootmoeder is saamgeweven, is die nacht, doorgebracht in grootmoeders slaapkamer: Leo Stepanitsch (hij was een blinde sprookjesverteller, en reeds oud toen ik hem leerde kennen), een overblijfsel uit den tijd toen de lijfeigenschap nog bestond, een lijfeigene van mijn’ grootvader. Hij was indertijd gekocht alleen om sprookjes te vertellen, die hij, dank zij een slechts blinden eigen bijzonder sterk geheugen, woordelijk kon verhalen nadat men ze hem een paar maal had voorgelezen.

“Hij woonde ergens in ons huis en den geheelen dag bleef hij onzichtbaar tot hij ’s avonds in grootmoeders slaapkamer voor den dag kwam. Grootmoeders slaapkamer was een groot, laag vertrek, waartoe een klein trapje van een paar treedjes toegang gaf. Leo Stepanitsch zette zich dan in de breede vensterbank, waar men hem zijn avondeten bracht dat van de heerentafel kwam. Hier wachtte hij op grootmoeder die, zonder schroom voor de tegenwoordigheid van den blinden ouden man, haar nachttoilet in orde kon maken.

“Op dien dag, toen ’t mijn beurt was om bij grootmoeder te overnachten, zat Leo Stepanitsch met zijn blinde oogen, gekleed in een lange blauwe jas en een doek om zijn schouders, reeds in de vensterbank bij zijn avondeten. Ik kan mij niet herinneren of grootmoeder zich uitkleedde in deze of in een andere kamer, ook niet hoe men mij te bed heeft gebracht. Ik herinner mij slechts, toen het licht werd uitgedaan en alleen een lampje bleef branden voor de gouden heiligenbeelden, grootmoeder, diezelfde wonderbare grootmoeder, die zulke prachtige zeepbellen kon maken, geheel in ’t wit, omhuld met wit, bedekt met wit, hoog liggend op haar witte kussen, en toen,—van uit de diepe vensternis—de eentonige, rustige stem van Leo Stepanitsch: ‘Beveelt ge, dat ik ga vervolgen?’—‘Ja, ga verder.’—‘Mijn geliefd zustertje,’ hernam Leo Stepanitsch met zijn langzame oude stem, ‘doeons een van die boeiende verhalen die gij zoo goed weet te vertellen.’ ‘Zeer gaarne,’ antwoordde Scheherezade, ‘ik zou u de geschiedenis van Prins Kamaralzaman willen vertellen, zoo gij ons daarvoor uwe toestemming wilt geven.’ Nadat zij deze had verkregen begon de Sultane Scheherezade als volgt: ‘Er was eens een Tsaar die een eenigen zoon had...’ en duidelijk woord voor woord vertelde Leo Stepanitsch de geschiedenis van Prins Kamaralzaman. Ik hoorde noch begreep wat hij zei, zoo geheel ging ik op in den geheimzinnigen aanblik van mijne witte grootmoeder, van haar schaduw die zich op den muur heen en weer bewoog, en van den grijsaard met zijn blinde oogen, dien ik nu niet zag, maar dien ik mij bewust was, zittende op de vensterbank, zeggende met zijne langzame stem eenige, naar het mij toescheen, verheven woorden die weerklonken in deze in schemer gehulde kamer, slechts verlicht door de trillende vlam eener lamp.

“Het kan zijn, dat ik dadelijk insliep en mij daarom niets meer herinner dan dat ik den volgenden morgen, wakker geworden, weer in verrukking kwam voor de wondermooie zeepbellen op de handen van mijn grootmoeder.”5.

De volgende tabel geeft den lezer een overzicht van de jongste voorouders van Leo Tolstoi.

Graven Tolstoi.

De familie Tolstoi heeft haar vertegenwoordigers in vele standen van de maatschappij.

Wij veronderstellen, dat het den lezer zal interesseeren te weten in welken graad van bloedverwantschap Leo Tolstoi tot eenigen hunner staat. Wij herinneren hier aan Feodor Petrowitsch Tolstoi, een bekend kunstenaar en vice-president van de Keizerlijke Kunstacademie, die een neef was van den vader van den dichter Alex. Const. Tolstoi, die op zijn beurt weer een achterneef is van Leo Tolstoi. De gewezen minister Dimitri Andrejewitsch Tolstoi, bekend om zijn reactionnaire maatregelen, staande in een meer verwijderden graad van bloedverwantschap tot Tolstoi, stamt af van den algemeenen stamvader Iwan Petrowitsch Tolstoi, zoon van den eersten graaf Tolstoi, Peter Andrejewitsch, die evenals zijn vader stierf in het Solowetski-klooster.

1Wanneer ik gebruik maak van de woorden van Tolstoi uit zijne mij verstrekte “herinneringen”, dan zal dat door aanhalingsteekens worden aangegeven.2Volgens familiegegevens stamt het geslacht Tolstoi af van een Duitscher Dick (in ’t Russisch = Tolstoi). Hoewel dit niet in overeenstemming is met de stamboeken, is het zeer wel mogelijk dat deze twee variaties toch één bron hebben. Het kan zijn dat het geslacht Andrei Charjitonowitsch nog de Duitsche taal gebruikte, dat het den achternaam Dick kreeg, en dezen naam eenvoudig in ’t Russisch vertaalde.P. B.3Toegevoegd door Tolstoi bij de nalezing van ’t handschrift.4Deze Gascha stierf eenige jaren geleden op het landgoed van Tolstoi, waar zij nog langen tijd rustig gewoond heeft.P. B.5Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.

1Wanneer ik gebruik maak van de woorden van Tolstoi uit zijne mij verstrekte “herinneringen”, dan zal dat door aanhalingsteekens worden aangegeven.

2Volgens familiegegevens stamt het geslacht Tolstoi af van een Duitscher Dick (in ’t Russisch = Tolstoi). Hoewel dit niet in overeenstemming is met de stamboeken, is het zeer wel mogelijk dat deze twee variaties toch één bron hebben. Het kan zijn dat het geslacht Andrei Charjitonowitsch nog de Duitsche taal gebruikte, dat het den achternaam Dick kreeg, en dezen naam eenvoudig in ’t Russisch vertaalde.

P. B.

3Toegevoegd door Tolstoi bij de nalezing van ’t handschrift.

4Deze Gascha stierf eenige jaren geleden op het landgoed van Tolstoi, waar zij nog langen tijd rustig gewoond heeft.

P. B.

5Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.

Tweede hoofdstuk.Voorouders van Leo Tolstoi van moederszijde.De vorsten Wolkonski klimmen met hun stamboom op tot Rurik.Bij het leven van mijn grootvader bestond er nog een in olieverf geschilderde stamboom van de vorsten Wolkonski. Daarop was de stamvader, vorst Tschernogorski (als de heilige Michaël) afgebeeld, met een boom in zijn vuist, wiens vertakkingen de rij van zijn nakomelingen voorstellen.Vorst Iwan Joerjewitsch, het 13degeslacht na Rurik, ontving in het begin van de 14deeeuw het vorstendom Wolkon, gelegen aan de rivier de Wolkona, die stroomt in het tegenwoordige gouvernement Kaloeka en Toela; dit was het stamgoed van de vorsten van Wolkonski. Zijn zoon Feodor Iwanowitsch viel in den slag bij Mamajeff in 1380. Wij noemen van Leo Tolstoi’s jongste voorouders zijn’ overgrootvader, vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski, om wiens persoon zich de volgende legende weeft.Vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski heeft deelgenomen aan den zevenjarigen oorlog in den rang van generaal. Zijn vrouw droomde eens, tijdens dien veldtocht, dat eene stem haar beval een heiligenbeeldje te laten maken, vertoonende aan de eene zijde Sjiwonosni Istotschnik, aan den anderen kant Nikolaas Tschoedotwortz, en hem dat te zenden. Zij zocht daarvoor een plankje uit, gaf bevel het te schilderen en zond het haren man door bemiddeling van den veldmaarschalkApraksin. Op dien zelfden dag bracht een koerier hem het bevel zich op weg te begeven om den vijand op te zoeken. Vorst Sergius Feodorowitsch bad God om hulp en stak het beeldje bij zich. Nu gebeurde het dat een vijandelijke kogel hem trof, juist op de borst, waar hij op het beeldje afstuitte. Dit beeldje, dat nu nog bewaard wordt door zijn jongsten zoon, vorst Nikolaas Serghejewitsch, redde hem dus het leven. Hij stierf 10 Maart 1784.Ilija Andrejewitsch Tolstoi, Tolstoi’s grootvader van vaderszijde.—Blz. 26.Ilija Andrejewitsch Tolstoi, Tolstoi’s grootvader van vaderszijde.—Blz.26.Leo Tolstoi, die deze legende natuurlijk kende, bediende zich ervan in zijn romanOorlog en Vrede, om de godsdienstige gevoelens weer te geven van vorstin Maria Wolkonskaja, voordat vorst Andreï ten oorlog trekt. De lezer zal zich herinneren dat Maria haar broeder vraagt, dit beeldje mee te nemen. Terwijl zij het hem geeft, zegt ze: “Denk wat je wilt, maar doe het dan voor mij, doe het, ik smeek het je! De vader van mijn vader, onze grootvader, droeg het in alle oorlogen...”Wij zien hier hoe de verbeeldingskracht van den kunstenaar en de werkelijke historie in elkaar vloeien. Terwijl de laatste aan de eerste het karakter van waarheid verleent, daar geeft de eerste aan de laatste dien schijn van het echte leven, die aan alle personen, voorkomend inOorlog en Vrede, bezieling schenkt, zoodat wij niet twijfelen aan hun werkelijk bestaan.De jongste zoon van Sergius Feodorowitsch, Nikolaas Serghejewitsch, was Tolstoi’s grootvader van moederszijde. Hier volgt hetgeen de stamboom van hem zegt.Nikolaas Serghejewitsch, generaal der infanterie, jongste zoon van vorst Sergius Feodorowitsch en vorstin Maria Dmitrijewna, geboren Tschadajewna, werd geboren 30 Maart 1753. In 1780 werd hij opgenomen in ’t gevolg van Keizerin Catharina II te Moghileff, waar hij de eerste samenkomst van haar met Keizer Joseph II bijwoonde. Later begeleidde hij de Keizerin naar Taurië. In 1793 werd hij benoemd tot eersten gezant teBerlijn, bij gelegenheid van het huwelijk van den kroonprins, den lateren Frederik Willem III. Hij stierf 3 Februari 1821 op het landgoed Jasnaja Paljana, waar hij, zonder het ooit meer te verlaten, zijne laatste jaren doorbracht, en dat, onder den naam van Liesig Gor, door zijn kleinzoon in den romanOorlog en Vredeonsterfelijk is gemaakt.Het lijk van dezen vorst is bijgezet in het Troitzko Serghejewskaja lawra (een klooster).Leo Tolstoi vertelt ons in zijne herinneringen het volgende van zijn’ grootvader.“Van mijn’ grootvader weet ik, dat hij onder Keizerin Catharina het hooge ambt van generaal-en-chef bekleedde, doch plotseling werd ontslagen, omdat hij weigerde te trouwen met Warjenka Engelhardt, de nicht en tevens geliefde van Potjemkin. Hij antwoordde toen deze het hem vroeg: ‘Hoe kom je op de gedachte, dat ik zou trouwen met uwe bijzit.’ Dat antwoord brak zijne carrière. Behalve dat hij niet werd bevorderd, verplaatste men hem als veldmaarschalk naar Archangel, waar hij, geloof ik, bleef tot aan de troonsbestijging van Keizer Paul. Hij nam ontslag uit den dienst, trouwde met vorstin Catharina Dmitrijewna Troebjetzkaja en vestigde zich op het landgoed Jasnaja Paljana, dat hij van zijn’ vader had gekregen.“Vorstin Catharina Dmitrijewna stierf jong, hem een eenige dochter nalatende.“Hij hield heel veel van deze dochter en bleef tot aan zijn dood, in 1821, met haar en hare Fransche gezelschapsjuffrouw samenwonen.“Men zegt van mijn’ grootvader, dat hij een zeer streng landheer was, hoewel ik nooit van die vreeselijke straffen hoorde gewagen, zoo algemeen in zwang in die tijden. Ik veronderstel dat er toch wel gestraft werd en mijn vader sprak ook wel eens minder gunstig over hem. De boerenechter uit dien tijd hadden zoo grooten eerbied voor gezag en macht, dat zij, hoe dikwijls er ook naar gevraagd, zich er niet over uitlieten. Zij roemden grootvader als een goed landheer, die zorg droeg voor zijne boeren en voor zijne groote, mooie bezitting. Hij liet huisjes bouwen voor de boerenknechts, en zorgde dat ze niet slechts goed gevoed maar ook goed gekleed en vroolijk zouden zijn. Op feestdagen was het voor hen ook feest. Hij zorgde dan voor schommels en liet hen dansen, enz.“Iedere verstandige landheer uit die dagen zorgde voor den welstand der boeren. Zoo deed ook hij, terwijl zijne hooge positie den Iesprawnik (de eerste uit het district) met zijne dienaren eerbiedig ontzag inboezemde, hetgeen zijne boeren weer vrijwaarde voor uitbuiting en onderdrukking, zoodat het hun steeds beter ging.“Waarschijnlijk was hij zeer aesthetisch aangelegd. De huisjes, door hem gebouwd, waren eenvoudig, gemakkelijk en daarbij zeer mooi, evenals het door hem aangelegde park vóor het huis. Van muziek scheen hij zeer veel te houden, want alleen voor zich en zijn vrouw hield hij er een klein maar goed orkest op na. Ik heb nog den reuzenboom in de lindenlaan gezien, dien dikken boom, door drie personen nauwelijks te omspannen, waarom banken en lessenaars voor de muzikanten stonden. Hij wandelde ’s morgens de lindenallée op en neer en luisterde naar de muziek. Van de jacht hield hij niet, maar wel van bloemen en planten.“Het noodlot bracht mijn’ grootvader op een eigenaardige wijze weer samen met diezelfde Warjenka Engelhardt, die zijne carrière had gebroken. Zij was n.l. getrouwd met vorst Sergius Feodorowitsch Galitzin, die daarvoor allerlei ambten, orden en gunsten had ontvangen. Er ontstond zulk eene intieme verhouding tusschen mijn grootvader en dien zelfden Sergius Feodorowitsch en zijne familie, dus ook met zijne vrouw,dat mijne moeder, toen ze nog heel jong was, reeds aan een van de tien zoons van Galitzin werd toegezegd.“Verder schonken de beide vorsten elkaar portretten uit hunne galerij, natuurlijk niet de oorspronkelijke, maar de copieën, geschilderd door hunne lijfeigenen, waaronder zich schilders bevonden. In ons huis bevinden zich nog al die portretten, o.a. een van Sergius Feodorowitsch, met het lint van Andrejew, en van Warwara Wasilewnaja, ook met eene ridderorde.“Het stond echter geschreven dat de twee families niet nauwer met elkaar zouden worden verbonden. Leo Galitzin, de bruidegom mijner moeder, stierf nog vóór het huwelijk”1.Den stamboom der vorsten Wolkonski overziende, valt mijn blik op eene interessante verschijning, n.l. op Warwara Alexandrowna Wolkonskaja (eene nicht van Tolstoi’s moeder), die heel veel gebeurtenissen ten zijnen huize heeft bijgewoond.Deze vorstin (dochter van vorst Alexander Serghejewitsch, dus een nicht van den grootvader van Leo Tolstoi); bleef na haar moeders dood dikwijls geruimen tijd met haar vader bij diens broeder Nikolaas Serghejewitsch. Hier ontmoette zij verschillende personen, door Tolstoi beschreven in zijn’ romanOorlog en Vrede.Tot in hoogen ouderdom bleef de herinnering aan die personen en gebeurtenissen haar levendig bij.Ouder geworden verhuisde zij naar het dichtbij gelegen dorpje Sogaljewo, eene vroegere bezitting van hare ouders. Daar richtte zij zich vlak naast de kerk een huisje in, waar zij woonde met een paar oude, getrouwe vrouwelijke gedienstigen, die haar niet wilden verlaten, en met wie zij, den romanOorlog en Vredelezende en herlezende, oude herinneringen ophaalde. Bijna door iedereen elders vergeten, genoot zij de achting en vereering der dorpelingen.Aan iemand, die in 1876 toevallig eens bij haar kwam,vertelde zij met innig genoegen, dat de boeren uit den omtrek, die toch reeds lang waren verkocht en al in de derde hand waren overgegaan, haar op haar 90stenverjaardag een zak met meel en een zilveren roebel ten geschenke hadden gebracht, en van de boerinnen kreeg zij een roebel, kippen, linnen, enz. Zij vertelde dit niet alleen met een gevoel van dankbaarheid maar ook van trots, als een bewijs van de goede herinnering, door haar ouders achtergelaten.“Ik maakte kennis met die nicht van mijne moeder, dat goede oudje, toen ik in ’t jaar ’50 in Moskou woonde. Vermoeid door het drukke wereldsche leven, dat ik daar leidde, zocht ik haar en haar landgoed op, en bleef er eenige weken. Zij bestuurde haar huishouding, borduurde een weinig, en zette mij zuurkool, pastila2en twarok3voor, zooals dat gaat op die kleine buitentjes. Onderwijl spraken wij over den ouden tijd en vertelde ze mij van mijn’ grootvader, van mijne moeder, van de drie kroningen die zij had bijgewoond en schreef ik mijn’ romanDrie dooden. Die weken, bij haar doorgebracht, vormen een van de reinste en mooiste herinneringen van mijn leven”4.Nu rest ons nog één persoon uit het geslacht der Wolkonski’s, die, hoewel niet in de rechte lijn, toch met Tolstoi verwant is, n.l. vorst Sergius Grigorjewitsch Wolkonski, een dekabrist. Hij was een achterneef van Tolstoi’s moeder, kleinzoon van Semjon Feodorowitsch Wolkonski en broeder van vorst Sergius Feodorowitsch van wien wij reeds boven gesproken hebben.Vorst Sergius Feod. Wolkonski werd geboren in 1788. Hij werd lid van een geheim genootschap, en werd wegens deelneming aan het complot der Dekabristen naar Oost-Siberië verbannen, waar hij 30 jaren bleef. De eerste jarenmoest hij, steeds geketend, werken bij den vestingbouw; daarna kreeg hij meer vrijheid, maar bleef steeds onder politietoezicht. De reis en aankomst van zijne vrouw, vorstin Maria Nikolajewna, is bezongen in ’t bekende gedicht van Njekrasoff.Zijn broer Nikolaas Grigorjewitsch nam in 1801, op bevel van Keizer Alexander I, den naam Rjennin aan. Rjennin was de familienaam van zijn’ grootvader van moederszijde, wiens geslacht was uitgestorven. In de Keizerlijke oekase kan men lezen, dat de Rjennins het vaderland steeds zoo roemvol dienden, dat hun naam niet mocht uitsterven, maar een levende herinnering moest blijven voor den Russischen adel. Vorst Nikolaas Grigorjewitsch nam deel aan de veldtochten tegen Napoleon en alle toenmalige vaderlandsche oorlogen. Na den slag bij Austerlitz kreeg hij de orde van den Heiligen Gregorius 4deklasse. In dien veldslag maakte hij als escadrons-commandant den beroemden cavallerie-aanval mee, waarbij hij door een kogel aan het hoofd werd gewond en zijn bewustzijn verloor. De Franschen vonden hem op het slagveld en brachten hem naar het veldhospitaal. Napoleon, die dit den volgenden dag hoorde, liet hem bij zich brengen en bood, uit achting voor zijne dapperheid, niet alleen hem, maar allen officieren die onder zijn commando stonden de vrijheid aan, op voorwaarde dat zij gedurende twee jaren niet meer aan den oorlog zouden deelnemen.Nikolaas Grigorjewitsch antwoordde, onder dankzegging, dat hij gezworen had zijn vaderland te dienen tot den laatsten druppel bloeds en daarom het aanbod moest afslaan.Kort daarna teruggekeerd uit de krijgsgevangenschap, werd hij wegens zijne verwonding uit den dienst ontslagen.In de Roeskaja Starina van 1890 komt een brief voor, gericht aan Mich. Daniljewski, waarin vorst Rjennin uitvoerig deze episode heeft beschreven. Het eerste gedeelte van het gesprek met Napoleon komt ook woordelijk voor in den romanOorlog en Vrede.1Uit de mij verstrekte ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.2Dikke gelei, die men in stukken gesneden voordient.3Een soort kaas, die niet gesneden maar gesmeerd wordt.4Ingelascht door Tolstoi bij lezing van mijn handschrift.

De vorsten Wolkonski klimmen met hun stamboom op tot Rurik.

Bij het leven van mijn grootvader bestond er nog een in olieverf geschilderde stamboom van de vorsten Wolkonski. Daarop was de stamvader, vorst Tschernogorski (als de heilige Michaël) afgebeeld, met een boom in zijn vuist, wiens vertakkingen de rij van zijn nakomelingen voorstellen.

Vorst Iwan Joerjewitsch, het 13degeslacht na Rurik, ontving in het begin van de 14deeeuw het vorstendom Wolkon, gelegen aan de rivier de Wolkona, die stroomt in het tegenwoordige gouvernement Kaloeka en Toela; dit was het stamgoed van de vorsten van Wolkonski. Zijn zoon Feodor Iwanowitsch viel in den slag bij Mamajeff in 1380. Wij noemen van Leo Tolstoi’s jongste voorouders zijn’ overgrootvader, vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski, om wiens persoon zich de volgende legende weeft.

Vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski heeft deelgenomen aan den zevenjarigen oorlog in den rang van generaal. Zijn vrouw droomde eens, tijdens dien veldtocht, dat eene stem haar beval een heiligenbeeldje te laten maken, vertoonende aan de eene zijde Sjiwonosni Istotschnik, aan den anderen kant Nikolaas Tschoedotwortz, en hem dat te zenden. Zij zocht daarvoor een plankje uit, gaf bevel het te schilderen en zond het haren man door bemiddeling van den veldmaarschalkApraksin. Op dien zelfden dag bracht een koerier hem het bevel zich op weg te begeven om den vijand op te zoeken. Vorst Sergius Feodorowitsch bad God om hulp en stak het beeldje bij zich. Nu gebeurde het dat een vijandelijke kogel hem trof, juist op de borst, waar hij op het beeldje afstuitte. Dit beeldje, dat nu nog bewaard wordt door zijn jongsten zoon, vorst Nikolaas Serghejewitsch, redde hem dus het leven. Hij stierf 10 Maart 1784.

Ilija Andrejewitsch Tolstoi, Tolstoi’s grootvader van vaderszijde.—Blz. 26.Ilija Andrejewitsch Tolstoi, Tolstoi’s grootvader van vaderszijde.—Blz.26.

Ilija Andrejewitsch Tolstoi, Tolstoi’s grootvader van vaderszijde.—Blz.26.

Leo Tolstoi, die deze legende natuurlijk kende, bediende zich ervan in zijn romanOorlog en Vrede, om de godsdienstige gevoelens weer te geven van vorstin Maria Wolkonskaja, voordat vorst Andreï ten oorlog trekt. De lezer zal zich herinneren dat Maria haar broeder vraagt, dit beeldje mee te nemen. Terwijl zij het hem geeft, zegt ze: “Denk wat je wilt, maar doe het dan voor mij, doe het, ik smeek het je! De vader van mijn vader, onze grootvader, droeg het in alle oorlogen...”

Wij zien hier hoe de verbeeldingskracht van den kunstenaar en de werkelijke historie in elkaar vloeien. Terwijl de laatste aan de eerste het karakter van waarheid verleent, daar geeft de eerste aan de laatste dien schijn van het echte leven, die aan alle personen, voorkomend inOorlog en Vrede, bezieling schenkt, zoodat wij niet twijfelen aan hun werkelijk bestaan.

De jongste zoon van Sergius Feodorowitsch, Nikolaas Serghejewitsch, was Tolstoi’s grootvader van moederszijde. Hier volgt hetgeen de stamboom van hem zegt.

Nikolaas Serghejewitsch, generaal der infanterie, jongste zoon van vorst Sergius Feodorowitsch en vorstin Maria Dmitrijewna, geboren Tschadajewna, werd geboren 30 Maart 1753. In 1780 werd hij opgenomen in ’t gevolg van Keizerin Catharina II te Moghileff, waar hij de eerste samenkomst van haar met Keizer Joseph II bijwoonde. Later begeleidde hij de Keizerin naar Taurië. In 1793 werd hij benoemd tot eersten gezant teBerlijn, bij gelegenheid van het huwelijk van den kroonprins, den lateren Frederik Willem III. Hij stierf 3 Februari 1821 op het landgoed Jasnaja Paljana, waar hij, zonder het ooit meer te verlaten, zijne laatste jaren doorbracht, en dat, onder den naam van Liesig Gor, door zijn kleinzoon in den romanOorlog en Vredeonsterfelijk is gemaakt.

Het lijk van dezen vorst is bijgezet in het Troitzko Serghejewskaja lawra (een klooster).

Leo Tolstoi vertelt ons in zijne herinneringen het volgende van zijn’ grootvader.

“Van mijn’ grootvader weet ik, dat hij onder Keizerin Catharina het hooge ambt van generaal-en-chef bekleedde, doch plotseling werd ontslagen, omdat hij weigerde te trouwen met Warjenka Engelhardt, de nicht en tevens geliefde van Potjemkin. Hij antwoordde toen deze het hem vroeg: ‘Hoe kom je op de gedachte, dat ik zou trouwen met uwe bijzit.’ Dat antwoord brak zijne carrière. Behalve dat hij niet werd bevorderd, verplaatste men hem als veldmaarschalk naar Archangel, waar hij, geloof ik, bleef tot aan de troonsbestijging van Keizer Paul. Hij nam ontslag uit den dienst, trouwde met vorstin Catharina Dmitrijewna Troebjetzkaja en vestigde zich op het landgoed Jasnaja Paljana, dat hij van zijn’ vader had gekregen.

“Vorstin Catharina Dmitrijewna stierf jong, hem een eenige dochter nalatende.

“Hij hield heel veel van deze dochter en bleef tot aan zijn dood, in 1821, met haar en hare Fransche gezelschapsjuffrouw samenwonen.

“Men zegt van mijn’ grootvader, dat hij een zeer streng landheer was, hoewel ik nooit van die vreeselijke straffen hoorde gewagen, zoo algemeen in zwang in die tijden. Ik veronderstel dat er toch wel gestraft werd en mijn vader sprak ook wel eens minder gunstig over hem. De boerenechter uit dien tijd hadden zoo grooten eerbied voor gezag en macht, dat zij, hoe dikwijls er ook naar gevraagd, zich er niet over uitlieten. Zij roemden grootvader als een goed landheer, die zorg droeg voor zijne boeren en voor zijne groote, mooie bezitting. Hij liet huisjes bouwen voor de boerenknechts, en zorgde dat ze niet slechts goed gevoed maar ook goed gekleed en vroolijk zouden zijn. Op feestdagen was het voor hen ook feest. Hij zorgde dan voor schommels en liet hen dansen, enz.

“Iedere verstandige landheer uit die dagen zorgde voor den welstand der boeren. Zoo deed ook hij, terwijl zijne hooge positie den Iesprawnik (de eerste uit het district) met zijne dienaren eerbiedig ontzag inboezemde, hetgeen zijne boeren weer vrijwaarde voor uitbuiting en onderdrukking, zoodat het hun steeds beter ging.

“Waarschijnlijk was hij zeer aesthetisch aangelegd. De huisjes, door hem gebouwd, waren eenvoudig, gemakkelijk en daarbij zeer mooi, evenals het door hem aangelegde park vóor het huis. Van muziek scheen hij zeer veel te houden, want alleen voor zich en zijn vrouw hield hij er een klein maar goed orkest op na. Ik heb nog den reuzenboom in de lindenlaan gezien, dien dikken boom, door drie personen nauwelijks te omspannen, waarom banken en lessenaars voor de muzikanten stonden. Hij wandelde ’s morgens de lindenallée op en neer en luisterde naar de muziek. Van de jacht hield hij niet, maar wel van bloemen en planten.

“Het noodlot bracht mijn’ grootvader op een eigenaardige wijze weer samen met diezelfde Warjenka Engelhardt, die zijne carrière had gebroken. Zij was n.l. getrouwd met vorst Sergius Feodorowitsch Galitzin, die daarvoor allerlei ambten, orden en gunsten had ontvangen. Er ontstond zulk eene intieme verhouding tusschen mijn grootvader en dien zelfden Sergius Feodorowitsch en zijne familie, dus ook met zijne vrouw,dat mijne moeder, toen ze nog heel jong was, reeds aan een van de tien zoons van Galitzin werd toegezegd.

“Verder schonken de beide vorsten elkaar portretten uit hunne galerij, natuurlijk niet de oorspronkelijke, maar de copieën, geschilderd door hunne lijfeigenen, waaronder zich schilders bevonden. In ons huis bevinden zich nog al die portretten, o.a. een van Sergius Feodorowitsch, met het lint van Andrejew, en van Warwara Wasilewnaja, ook met eene ridderorde.

“Het stond echter geschreven dat de twee families niet nauwer met elkaar zouden worden verbonden. Leo Galitzin, de bruidegom mijner moeder, stierf nog vóór het huwelijk”1.

Den stamboom der vorsten Wolkonski overziende, valt mijn blik op eene interessante verschijning, n.l. op Warwara Alexandrowna Wolkonskaja (eene nicht van Tolstoi’s moeder), die heel veel gebeurtenissen ten zijnen huize heeft bijgewoond.

Deze vorstin (dochter van vorst Alexander Serghejewitsch, dus een nicht van den grootvader van Leo Tolstoi); bleef na haar moeders dood dikwijls geruimen tijd met haar vader bij diens broeder Nikolaas Serghejewitsch. Hier ontmoette zij verschillende personen, door Tolstoi beschreven in zijn’ romanOorlog en Vrede.

Tot in hoogen ouderdom bleef de herinnering aan die personen en gebeurtenissen haar levendig bij.

Ouder geworden verhuisde zij naar het dichtbij gelegen dorpje Sogaljewo, eene vroegere bezitting van hare ouders. Daar richtte zij zich vlak naast de kerk een huisje in, waar zij woonde met een paar oude, getrouwe vrouwelijke gedienstigen, die haar niet wilden verlaten, en met wie zij, den romanOorlog en Vredelezende en herlezende, oude herinneringen ophaalde. Bijna door iedereen elders vergeten, genoot zij de achting en vereering der dorpelingen.

Aan iemand, die in 1876 toevallig eens bij haar kwam,vertelde zij met innig genoegen, dat de boeren uit den omtrek, die toch reeds lang waren verkocht en al in de derde hand waren overgegaan, haar op haar 90stenverjaardag een zak met meel en een zilveren roebel ten geschenke hadden gebracht, en van de boerinnen kreeg zij een roebel, kippen, linnen, enz. Zij vertelde dit niet alleen met een gevoel van dankbaarheid maar ook van trots, als een bewijs van de goede herinnering, door haar ouders achtergelaten.

“Ik maakte kennis met die nicht van mijne moeder, dat goede oudje, toen ik in ’t jaar ’50 in Moskou woonde. Vermoeid door het drukke wereldsche leven, dat ik daar leidde, zocht ik haar en haar landgoed op, en bleef er eenige weken. Zij bestuurde haar huishouding, borduurde een weinig, en zette mij zuurkool, pastila2en twarok3voor, zooals dat gaat op die kleine buitentjes. Onderwijl spraken wij over den ouden tijd en vertelde ze mij van mijn’ grootvader, van mijne moeder, van de drie kroningen die zij had bijgewoond en schreef ik mijn’ romanDrie dooden. Die weken, bij haar doorgebracht, vormen een van de reinste en mooiste herinneringen van mijn leven”4.

Nu rest ons nog één persoon uit het geslacht der Wolkonski’s, die, hoewel niet in de rechte lijn, toch met Tolstoi verwant is, n.l. vorst Sergius Grigorjewitsch Wolkonski, een dekabrist. Hij was een achterneef van Tolstoi’s moeder, kleinzoon van Semjon Feodorowitsch Wolkonski en broeder van vorst Sergius Feodorowitsch van wien wij reeds boven gesproken hebben.

Vorst Sergius Feod. Wolkonski werd geboren in 1788. Hij werd lid van een geheim genootschap, en werd wegens deelneming aan het complot der Dekabristen naar Oost-Siberië verbannen, waar hij 30 jaren bleef. De eerste jarenmoest hij, steeds geketend, werken bij den vestingbouw; daarna kreeg hij meer vrijheid, maar bleef steeds onder politietoezicht. De reis en aankomst van zijne vrouw, vorstin Maria Nikolajewna, is bezongen in ’t bekende gedicht van Njekrasoff.

Zijn broer Nikolaas Grigorjewitsch nam in 1801, op bevel van Keizer Alexander I, den naam Rjennin aan. Rjennin was de familienaam van zijn’ grootvader van moederszijde, wiens geslacht was uitgestorven. In de Keizerlijke oekase kan men lezen, dat de Rjennins het vaderland steeds zoo roemvol dienden, dat hun naam niet mocht uitsterven, maar een levende herinnering moest blijven voor den Russischen adel. Vorst Nikolaas Grigorjewitsch nam deel aan de veldtochten tegen Napoleon en alle toenmalige vaderlandsche oorlogen. Na den slag bij Austerlitz kreeg hij de orde van den Heiligen Gregorius 4deklasse. In dien veldslag maakte hij als escadrons-commandant den beroemden cavallerie-aanval mee, waarbij hij door een kogel aan het hoofd werd gewond en zijn bewustzijn verloor. De Franschen vonden hem op het slagveld en brachten hem naar het veldhospitaal. Napoleon, die dit den volgenden dag hoorde, liet hem bij zich brengen en bood, uit achting voor zijne dapperheid, niet alleen hem, maar allen officieren die onder zijn commando stonden de vrijheid aan, op voorwaarde dat zij gedurende twee jaren niet meer aan den oorlog zouden deelnemen.

Nikolaas Grigorjewitsch antwoordde, onder dankzegging, dat hij gezworen had zijn vaderland te dienen tot den laatsten druppel bloeds en daarom het aanbod moest afslaan.

Kort daarna teruggekeerd uit de krijgsgevangenschap, werd hij wegens zijne verwonding uit den dienst ontslagen.

In de Roeskaja Starina van 1890 komt een brief voor, gericht aan Mich. Daniljewski, waarin vorst Rjennin uitvoerig deze episode heeft beschreven. Het eerste gedeelte van het gesprek met Napoleon komt ook woordelijk voor in den romanOorlog en Vrede.

1Uit de mij verstrekte ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.2Dikke gelei, die men in stukken gesneden voordient.3Een soort kaas, die niet gesneden maar gesmeerd wordt.4Ingelascht door Tolstoi bij lezing van mijn handschrift.

1Uit de mij verstrekte ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.

2Dikke gelei, die men in stukken gesneden voordient.

3Een soort kaas, die niet gesneden maar gesmeerd wordt.

4Ingelascht door Tolstoi bij lezing van mijn handschrift.

Derde hoofdstuk.De ouders van Leo Tolstoi.Tolstoi houdt zich in dit hoofdstuk geheel aan de chronologische volgorde, in dien zin, dat hij begint met de vage herinneringen aan zijne moeder, hoofdzakelijk bestaande in verhalen die vrienden en bloedverwanten hem van haar deden, om dan over te gaan tot de gebeurtenissen van latere dagen, betreffende zijn vader en zijne tante, die hem duidelijk voor den geest staan.Om zijn werk de oorsponkelijke gedaante te laten behouden, hebben wij zoo weinig mogelijk veranderingen in deze opeenvolging gemaakt, maar alleen het verhaal van zijn’ grootvader Wolkonski er uitgelicht, om het onder het hoofdstuk te plaatsen, dat zijn voorouders van moederszijde behandelt1.“Mijne moeder kan ik mij in ’t geheel niet meer herinneren. Zij stierf toen ik anderhalf jaar oud was, en daar er door een vreemd toeval niet één portret van haar meer bestaat, weet ik niet hoe zij er heeft uitgezien.“Gedeeltelijk verheugt mij dit, omdat ik nu alleen haar geestelijk beeld voor oogen heb. Alles wat ik van haar weetis goed en mooi, en ik geloof dat men mij niet slechts veel goeds van haar vertelde, maar dat zij ook waarlijk goed was. Overigens, niet alleen mijn moeder, maar alle personen die mij in mijne kinderjaren omringden, van mijn vader af tot aan den koetsier, stel ik mij voor als goede menschen. Waarschijnlijk was het mijn jong, rein liefhebbend hart, dat mij in iedereen de goede eigenschappen deed ontdekken, en zeker is het, dat ik de waarheid meer nabij was, toen alle menschen mij goed toeschenen, dan toen ik alleen hunne feilen zag.“Mijne moeder was niet mooi, maar zeer ontwikkeld voor haar tijd. Zij kende behalve Russisch, dat zij, in tegenstelling met de toen heerschende gebrekkige kennis der spraakkunst, zeer goed schreef, vier talen: Fransch, Duitsch, Engelsch en Italiaansch, moet veel kunstzin gehad hebben en volgens tijdgenooten, die mij dat zeiden, een kunstenares zijn geweest in het verhalen van boeiende sprookjes, die zij dichtte onder ’t vertellen. Zij kon—en dat was wel haar schoonste eigenschap—, hoewel zeer driftig volgens zeggen der bedienden, zich steeds bedwingen. Het bloed steeg haar dan plotseling naar ’t gelaat, zelfs barstte zij wel eens in tranen uit, maar ruwe woorden zei ze nooit. Hoe zou zij ook? Die kende zij niet eens.“In mijn bezit zijn nog eenige van hare brieven, aan mijn’ vader, aan mijne tante en ook een dagboek, bevattende een verslag van het doen en laten van Nikoljenka, mijn oudsten broer, die zes jaar was toen zij stierf en die het meest van allen op haar geleek. Beiden hadden een eigenschap gemeen, die mij zeer lief is, namelijk hunne onverschilligheid tegenover alles ‘wat de menschen van hen zeiden,’ en de bescheidenheid waarmede zij trachtten hunne goede hoedanigheden te verbergen. Van mijn’ broer, die, zooals Toerghenjeff eens zeer terecht opmerkte, die gebreken miste, welke een goed schrijver eigen moeten zijn, heb ik het dikwijls zelf kunnen opmerken, van mijne moeder kwam ik het te weten uit hare brieven.Zoo herinner ik mij dat wij eens jaagden in gezelschap van een dommen, slechten jongen man, den adjudant van den gouverneur, die zich tegenover mij over hem vroolijk maakte. Mijn broer, die dit bemerkte, glimlachte goedmoedig en had er zelf pleizier in.“Die zelfde trekken vond ik terug in de brieven van mijne moeder. Zij stond klaarblijkelijk veel hooger dan mijn vader en zijne familie, behalve een zekere Tatjana Alex. Jergolskaja, eene moreel zeer hoog staande vrouw, in wier nabijheid ik mijn halve leven doorbracht.“Nog een gemeenschappelijke trek van mijne moeder en mijn’ broer, waaruit waarschijnlijk hunne onverschilligheid voor ’t oordeel der menschen voortvloeide, bestond daarin, dat zij nooit iemand veroordeelden.“Dezen karaktertrek van moeder leerde ik kennen uit hare brieven en hoorde ik vertellen door menschen, die haar goed hebben gekend. Wat mijn’ broer betreft, met wien ik heel lang samen bleef, in hem had ik dikwijls gelegenheid het op te merken. Kwam het voor, dat hij iets tegen iemand had, dan gaf hij dat te kennen door fijnen humor en een lachje.“In deLevensbeschrijvingvan Dmitri Rostowski is een geschiedenis, die mij altijd bijzonder heeft getroffen.“Een oude monnik had eens een heel vreemden droom. Hij zag een anderen monnik, die, even als zijne broeders, zeer veel gebreken had, niet slechts in ’t paradijs, maar daar zelfs op de allereerste plaats. Op zijn verbaasde vraag, waarom deze monnik, die toch op aarde lang niet alles had verzaakt, zulk eene belooning ontving, kreeg hij ten antwoord: ‘hij oordeelde nooit iemand.’“Wanneer er zulk eene belooning bestond, dan zouden mijne moeder en mijn broer die zeker bekomen.“Een derde karaktertrek van mijne moeder was haar zin voor waarheid en eenvoudigheid in hare brieven.“In dien tijd was het eene gewoonte om in brieven zeer overdreven uitdrukkingen te gebruiken, b.v. waren ‘onvergelijkelijke, aangebedene, vreugde van mijn leven, ontschatbare,’ en dergelijke meer gekunstelde dan ware uitdrukkingen zeer gangbare titels onder menschen die elkaar intiem kenden.“Deze gewoonte, hoewel niet zoo overdreven, vind ik ook in de brieven van mijn’ vader. Hij schrijft: ‘ma bien douce amie, je ne pense qu’au bonheur d’être auprès de tot.’ ’t Is nog de vraag, of dat geheel waar was! Mijne moeder schrijft altijd denzelfden aanhef: ‘mon bon ami’, en in een van hare brieven zegt ze ronduit: ‘le temps me parait long sans toi, quoiqu’à dire vrai nous ne jouissons pas beaucoup de ta société quand tu es ici’, en zij onderteekende altijd: ‘ta devouée Marie.’“Mijne moeder bracht hare jeugd gedeeltelijk door in Moskou, gedeeltelijk buiten bij mijn’ grootvader Wolkonski, een verstandig begaafd en trotsch man. Men heeft mij verteld dat mijn moedertje heel veel van ons hield en mij ‘mon petit Benjamin’ noemde.“Ik denk dat de liefde voor haren gestorven bruidegom, juist omdat zij met den dood eindigde, die poëtische liefde was, waaraan een meisje zich maar eenmaal in haar leven overgeeft.“Het huwelijk van mijn vader was het werk van zijne ouders en hare bloedverwanten. Zij was rijk, niet meer in de eerste jeugd en een wees. Mijn vader was een vroolijke, schitterende jonge man met een klinkenden naam, goede relaties, maar het familiegoed was door het slechte beheer van mijn grootvader zóó met schulden beladen, dat mijn vader het als erfenis niet aanvaardde. Ik denk dat mijne moeder mijn’ vader lief had als haar echtgenoot, en hoofdzakelijk als vader van hare kinderen, maar dat ze niet verliefd op hem was. Zij koesterdedrie of vier groote genegenheden. Ten eerste de liefde tot haren gestorven bruidegom, vervolgens eene hartstochtelijke vriendschap voor eene zekere melleEnisienne, eene Française, welke vriendschap echter, zooals ik van de tantes hoorde, met eene ontnuchtering eindigde. Die melleEnisienne trouwde met vorst Michael Alexander Wolkonski, een’ neef van mijne moeder.“Over die vriendschap zegt zij, schrijvende over twee jonge meisjes, die bij haar in huis zijn:2“‘Ik kan het zeer goed met beiden vinden, met de eene musiceer ik, lach ik en ben ik uitgelaten of sentimenteel, met de andere spreek ik, lichtzinnig, kwaad van de wereld; beiden houden dol van mij en ik ben de vertrouwde van elk van beiden; ik verzoen ze wanneer zij oneenigheid hebben, want nooit zag men een vriendschap waarbij zoo gekibbeld werd en van zoo vreemden aard als de hare: ’t is eene opeenvolging van pruilerij en tranen, verzoeningen, beleedigingen, en dan weer hevige vlagen van vriendschap; kortom ik zie er de overdreven en romantische vriendschap in weerspiegeld, die gedurende eenige jaren mijn leven beurtelings heeft opgevroolijkt en verduisterd. Ik zie haar aan met een onbeschrijfelijke gewaarwording; soms benijd ik haar de illusies, die ik niet meer heb, maar welker streeling ik ken, en zeg ik ronduit: “weegt het degelijke en echte geluk van den rijperen leeftijd wel op tegen de bekorende illusies der jeugd, waarbij de kracht der verbeelding alles mooi doet schijnen?” En dan weer glimlach ik om haar kinderachtigheid.’“De derde, en misschien de hechtste genegenheid was de liefde voor mijn oudsten broer Koko. Zij hield een dagboek bij, in ’t Russisch geschreven, waarin zij al diens kleine gebreken opschreef, die ze hem dan later voorlas. Daaruit spreekt haar innige wensch om alles te doen wat in haarvermogen was voor de goede opvoeding van haren Koko, maar tevens is het een bewijs, dat zij niet heel goed wist wat daarvoor noodig was.“Zoo onderhield zij hem er o.a. over, dat hij te teergevoelig was en weende bij het zien van het lijden van een dier. Naar haar begrip moest een man hard zijn.“Eene andere fout, die zij trachtte te verbeteren, was zijne verstrooidheid, zoodat hij b.v. inplaats vanbonsoirofbonjour, ’je vous remercie’ tegen zijne grootmoeder zeide.“Het vierde sterke gevoel was, volgens mijne tantes (en ik hoop dat het waar is), haar liefde voor mij, waardoor hare genegenheid voor Koko een weinig verminderde, die, toen ik geboren werd, van mijne moeder werd weggenomen om onder mannelijke leiding te komen. Mijne moeder was iemand die liefde moest geven, en deze van den een op den ander overdroeg.“Zoo dus stelde ik mij het innerlijke leven van mijne moeder voor. Zij scheen mij zoo hoog, zoo rein, zoo bovenaardsch, dat ik mij dikwijls tot haar wendde in die uren van mijn leven, waarin de verzoeking mij te sterk dreigde te worden en booze hartstochten mij overweldigden. Dan riep ik haar geest aan, en bad tot haar, en dat gebed werd dikwijls verhoord.“Het leven van mijne moeder te midden van mijn vaders familie was volgens hare brieven en naar men vertelde, zeer gelukkig.“Vaders familie bestond uit grootmoeder (vaders moeder), haar dochter, mijne tante, gravin Ilin. Osten-Sacken met haar pleegkind Paschenka, eene andere tante, ten minste wij noemden haar zoo, Tatjana Alex. Jergolskaja, die opgevoed was in het huis van mijn’ grootvader, maar verder haar heele leven bij ons heeft gewoond, en dan nog den gouverneur Feodor Iwan. Rjessel, door mij in mijn boekKinderjarenbeschreven.“Wij waren met ons vijven kinderen: Nikolaas, Sergius, Dmitri, ik en de jongste, onze zuster Maria, bij wier geboorte moeder stierf. Het korte negenjarige huwelijksleven van mijne moeder was gelukkig en goed. De liefde had haar leven gevuld en mooi gemaakt, de liefde van haar voor ons allen—van ons allen voor haar.“Te oordeelen naar hare brieven, leefde zij heel eenzaam. Niemand, behalve een zeer intieme kennis, Ogarjewitsch, en een bloedverwant die toevallig eens over den dorpsweg reed en ons wilde opzoeken, kwam bij ons op Jasnaja Paljana.“Mijne moeder gaf haar leven aan haar kinderen, las grootmoeder ’s avond wat voor, nam voor zich zelf meer ernstige lectuur, als Rousseau’sEmile, en sprak over het gelezene; zij speelde piano, gaf een van mijn tantes Italiaansche les, ging wandelen en verzorgde haar huishouding. In iedere familie komt een tijd, dat er geen ziekte heerscht of dood en allen rustig voortleven. Zulk een tijd, geloof ik, beleefde mijne moeder gedurende haar huwelijk. Er werd niemand ziek, niemand stierf en de verwarde zaken van mijn vader kwamen weer terecht. Allen waren gezond, welgemoed en prettig onder elkaar. Vader vroolijkte ons allen op met zijn aardige verhalen. Ik beleefde dien tijd niet. Toen ik begon te begrijpen, was mijne moeder reeds gestorven en had de dood zijn’ stempel op onze familie gedrukt.“Alles wat ik hier verteld heb weet ik uit brieven en door verhalen van anderen. Nu begin ik te beschrijven wat ik zelf beleefd heb en waarvan ik zelf nog heugenis heb. Ik zal het niet hebben over die wazige, vage herinneringen uit mijn prilste jeugd, toen ik nog te klein was om waarheid van droomen te kunnen onderscheiden. Ik begin dus met wat mij uit mijne omgeving van die eerste jaren duidelijk voor den geest staat. De eerste plaats wordt ingenomen door mijn vader, hoewelhij niet zoo’n grooten invloed op mijn leven uitoefende en ik niet het meest van hem hield.“Mijn vader werd heel jong eenige zoon, daar een jongere broeder door een val gebrekkig werd en spoedig stierf. In 1812, toen hij zeventien jaar was, ging hij, ondanks den angst en ’t verdriet van zijne ouders, in dienst. Vorst Nikolaas Iw. Gortschakoff, een bloedverwant van mijne moeder, was in dien tijd minister van oorlog. Deze had een’ broer Andreï Iw., generaal bij het staande leger, aan wien mijn vader als adjudant werd toegevoegd. Hij nam deel aan den veldtocht van 1813/14, werd in het eerste jaar ergens in Duitschland, waar hij als koerier werd heengezonden, door de Franschen gevangen genomen, en eerst ontslagen in 1815, toen de onzen in Parijs kwamen. Mijn vader was op zijn twintigste jaar al niet meer wat men een onschuldigen jongeling noemt. Reeds vóor zijn intrede in het leger, ongeveer op zijn zestiende jaar, werd hij door zijne ouders, volgens de begrippen over gezondheid van die dagen, met een dienstmeisje in aanraking gebracht. Hieruit werd een zoon geboren, dien men later postiljon maakte. Zoolang mijn vader leefde paste die zoon goed op, maar na diens dood kwam hij op verkeerde wegen en wendde zich dikwijls tot ons, zijne volwassen broers, om hulp. Ik kan mij nog heel goed het vreemde gevoel herinneren, dat mij bekroop, toen deze tot armoede vervallen oudere broer, die meer dan een van ons allen op mijn’ vader geleek, bij ons om hulp kwam, en dankbaar was voor iedere 15 roebel, die wij hem gaven.“Teleurgesteld door den krijgsdienst nam vader zijn ontslag en kwam te Kazan, waar mijn grootvader, toen reeds geheel geruïneerd, gouverneur was. Ook bevond zich daar de zuster van mijn’ vader, die getrouwd was met Joeschkoff.“Mijn grootvader stierf al spoedig en mijn vader bleef achter met eene erfenis, die door de schulden werd overtroffen, enmet de zorg voor zijne aan weelde gewende moeder, zuster en nicht. In dien tijd bracht men het huwelijk tot stand met mijne moeder en verhuisde hij naar Jasnaja Paljana. Negen jaren woonden zij daar; toen werd hij weduwnaar, en van dien tijd af aan begint hij in mijne herinnering te leven.“Mijn vader was een middelmatig groote, goed gevormde, sanguinische man, met een prettig, aantrekkelijk gezicht, waarin een paar altijd droevige oogen stonden. Hij bracht zijn leven door met het besturen van zijn landgoed, doch heeft het, naar ik geloof, daarin nooit ver gebracht. Maar hij had eene voor dien tijd zeer goede eigenschap: hij was namelijk niet wreed, zelfs zachtmoedig, zoodat ik bij zijn leven nooit van lichamelijke straffen hoorde. Toch moeten ze bestaan hebben (immers men kon zich toen nauwelijks voorstellen, dat regeeren mogelijk was, zonder ze nu en dan toe te passen), maar het gebeurde zoo zelden, dat wij kinderen er nooit iets van bemerkten. ’t Was dan ook eerst na den dood van mijn’ vader, dat ik te weten kwam, dat die strafoefeningen bij ons werden voltrokken.“Wij kinderen keerden eens met onzen onderwijzer van eene wandeling terug en ontmoetten bij den dorschvloer den dikken opzichter Andreï Ilin, gevolgd door den hulp-koetsier Koezma Kriwoi, die in dat oogenblik een eigenaardig treurigen indruk op ons maakte. Koezma Kriwoi was een getrouwde, niet meer jonge man. Een van ons vroeg waar zij heen gingen en Andreï Ilin antwoordde rustig: ‘naar den dorschvloer, waar Koezma gestraft moet worden’. Ik kan onmogelijk het gevoel voor ontzetting beschrijven, dat me aangreep bij ’t hooren van die woorden en het gezicht van dien goeden, treurigen Koezma. Ik vertelde het ’s avonds aan tante Tatjana, die ons opvoedde. Zij haatte de lijfstraffen, paste ze nooit op ons toe en behoedde, voor zoover haar invloed reikte, er ook de lijfeigenen voor. Zij was zeer verontwaardigd, toen zij hethoorde en zei verwijtend: ‘Waarom heb je het niet tegengehouden?’ Haar woorden maakten mij nog droeviger. Ik had nooit gedacht dat wij ons in die zaken konden mengen en nu bleek het, dat ik het had kunnen doen. Nu echter was het te laat en het ontzettende was gebeurd.Vorst Nikolaas Serghejewitsch Wolkonski, Tolstoi’s grootvader van moederszijde.—Blz. 33.Vorst Nikolaas Serghejewitsch Wolkonski, Tolstoi’s grootvader van moederszijde.—Blz.33.“Maar, om op mijn vader terug te komen en hoe ik mij zijn leven voorstel: zijne bezigheden bestonden in het besturen van zijn landgoed en hoofdzakelijk in het voeren van processen. Procedeeren kwam in dien tijd over ’t algemeen veel voor, maar bij mijn’ vader was ’t aan de orde van den dag, omdat hij de verwarde zaken van grootvader nog moest afwikkelen. Daardoor moest hij veel van huis zijn en bovendien ging hij dikwijls op jacht. Zijn voornaamste jachtgezelschap bestond uit zijn’ vrienden, den ouden, rijken vrijgezel Kirjejewski, Jaziekoff, Gljeboff en Isljeneff. Mijn vader deelde in de toenmalige algemeene gewoonte der landeigenaren, namelijk eene zekere voorliefde voor een der knechts. Petroeschka en Matjoeschka waren de door hem uitverkorenen, twee mooie flinke knapen.“Thuis zijnde bemoeide vader zich met ons en zijn landgoed en las hij veel. Hij had een bibliotheek, bestaande uit Fransche klassieken, historische boeken en natuur-historische werken van Buffon en Cuvier.“Tante vertelde mij, dat mijn vader als regel had aangenomen geen nieuwe werken te koopen, zoolang hij de oude niet had gelezen. Nu, hij las veel, maar toch kan ik moeielijk aannemen dat hij al die deelenHistoire des CroisadesenHistoire des Papesdoorworstelde, die hij zich aangeschaft had. Voor zoover ik kan nagaan, had hij geen wetenschappelijke neigingen, doch stond hij op dezelfde hoogte als alle beschaafde menschen van zijn’ tijd. Zooals velen uit den tijd van Keizer Alexander I en van de veldtochten in 1813, ’14, ’15, was hij wel niet wat men tegenwoordig liberaalnoemt maar het was eenvoudig zijn gevoel van eigenwaarde, dat hem verbood een ambt aan te nemen, zoowel onder Alexander I als onder Nikolaas I. Niet alleen hij zelf, maar al zijne vrienden waren zoo; ze dienden niemand en lieten zich zelfs wel eens ongunstig uit over de regeering van Nikolaas Pawlowitsch. Gedurende mijne kinder- en zelfs mijne jongelingsjaren hadden wij met niet één ambtenaar intieme betrekkingen aangeknoopt.“Ik begreep toen nog niet juist waarom, maar ik had opgemerkt dat mijn vader zich nooit voor iemand vernederde, noch zijn luidruchtigheid of zijn vroolijk lachende stem temperde. En om dat gevoel van eigenwaarde hield ik nog meer van mijn vader en steeg mijne bewondering voor hem.“Ik kan hem mij nog voorstellen in zijne werkkamer. Wij kwamen binnen om hem goeden dag te wenschen of eenvoudig om bij hem te spelen. Hij zat met zijne pijp in den mond op den leeren divan, haalde ons aan en soms—en dat was het heerlijkst van al—mochten wij achter zijn rug op den divan liggen, terwijl hij las of praatte met den dienaar die tegen den deurpost stond, of met S .L. Jaziekoff, mijn peetoom, die dikwijls bij ons logeerde. Ik herinner me dat hij met ons naar beneden ging en daar iets voor ons teekende, dat ons volmaakt toescheen. Ook weet ik nog, dat hij mij eens mijn lievelingsvers, dat ik van buiten kende,Aan de Zeevan Poeschkin, (‘Vaarwel gij vrije elementen!’) ofNapoleon(‘Het wonderbare lot heeft zich voltrokken, vergaan is de groote man!’) liet opzeggen. Ik herinner mij, hoe hij had opgemerkt met hoeveel pathos ik die verzen declameerde, hoe hij naar mij luisterde en nu en dan veelbeteekenend knikte naar den kant van Jaziekoff. Ik begreep dat hij iets moois vond in mijn lezen en dat maakte mij heel gelukkig. Ik herinner mij zijne vroolijke scherts en vertellingen bij middag- en avondeten, en dat grootmoeder, detantes en wij kinderen naar hem luisterden en lachten. Ik herinner mij nog de reis naar de stad en hoe wondermooi hij er uitzag in zijn overjas en zijn nauwen pantalon. Maar duidelijker dan alles herinner ik mij hem als hij met de honden ging jagen. Ik zie nog den uittocht. Dikwijls heb ik later gedacht, dat Poeschkin hem tot voorbeeld nam in zijn gedichtVertrek voor de jacht van Graaf Noelin. Ik herinner mij dat wij met hem gingen wandelen, dat de jonge windhonden tegen ons opsprongen, dolden op de nog niet afgemaaide weiden, waar het hooge gras hen streelde en prikte, hoe zij rolden en speelden en om ons heen dartelden, zoodat hunne staarten op en neer dansten, en hoe zij weer wegvlogen, en hoe mijn vader zich er kostelijk mee vermaakte.“Ik herinner mij den dag van het jachtfeest op 1 September. Wij allen reden op de lineïka3naar het dichte bosch, waar een vos was losgelaten. Ik herinner mij hoe de honden hem najoegen en hem ergens—wij zagen niet waar—grepen. Ik herinner mij ook nog zeer duidelijk de kooi van den wolf. Het was juist naast ons huis. Wij gingen er allen te voet heen. Op een boerenwagen vervoerden ze een grooten, met touwen gebonden, levend gevangen wolf. Hij lag stil en wierp nu en dan een loenschen blik maar wie er bij hem kwam. Op eene open plaats achter onzen tuin trokken zij hem er af, hielden hem met hooivorken op den grond en maakten zijne touwen los. Hij scheurde en trok en beet woedend op de ijzers. Men nam de laatste touwen weg en iemand riep er ‘los!’ Bevrijd richtte de wolf zich op en stond een paar seconden stil; men schreeuwde luid, hitste de honden op hem aan, en wolf, honden, paarden en ruiters vlogen over de velden. De wolf ontsnapte! Ik herinner mij dat mijn vader iets zeggende en toornig gesticuleerend naar huis ging.“Mijn allermooiste herinnering aan hem is die waar hij, met grootmoeder, naast haar op den divan zittende, patience speelde. Vader ging met allen beleefd en aardig om, maar met grootmoeder bijna hartstochtelijk teeder. Grootmoeder, met haar smal gelaat, het mutsje met linten op het hoofd, placht op den divan te zitten, de kaarten schuddende of met haar vingertoppen een snuifje nemende uit de gouden snuifdoos. Naast den divan, in een’ leunstoel, zit Petrowna (de vrouw van den wapensmid) in haar pelsjakje en spint en stoot steeds met haar spinrokken tegen den muur, waarin zich reeds een deukje heeft gevormd.“Petrowna was ook koopvrouw. Grootmoeder hield om de een of andere reden heel veel van haar. Zij kwam dikwijls bij ons op bezoek en zat dan steeds in den leunstoel, naast grootmoeder die op den divan zat.“De tantes zitten ook in leuningstoelen en een van haar leest voor. In een nestje, dat hij zich gemaakt heeft, ook al in een leunstoel, ligt Milka, mijn vaders gevlekte, dartele lievelingshond, met zijn mooie zwarte oogen. Wij komen binnen om te groeten en somtijds gaan we zitten. Grootmoeder en de tantes groeten we altijd met een handkus. Ik herinner mij, dat eens, midden in ’t patience-spel, vader de tantes een’ wenk geeft en, naar den spiegel wijzende, iets fluistert. Wij allen kijken daarheen.“Het was Tichon, de officiant, die, wetende dat vader in ’t salon was, naar diens werkkamer ging en tabak nam uit den lederen tabakszak, die den vorm heeft van eene bloem met saamgevouwen blaadjes. Mijn vader ziet hem in dien spiegel en kijkt naar de op de teenen voortsluipende verschijning. De tantes lachen. Grootmoeder, die eerst niets begrijpt, het dan bemerkt, glimlacht ook. Ik raak in vervoering over de goedheid van mijn vader, en bij het weggaan kus ik met groote teederheid zijne witte hand. Ik hield heel veel vanmijn’ vader, maar wist niet hoe groot die liefde was, voordat ik hem door den dood had verloren.”4Bovenstaande mededeelingen over zijne ouders zijn door Tolstoi zelf verschaft. Eenige minder belangrijke feiten en historische documenten willen wij hier nog bijvoegen.Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, vader van Leo Tolstoi, werd geboren in 1797. In het archief van de universiteit te Kazan wordt met het portocol, inhoudende de inschrijving als student van Leo Tolstoi, het volgend merkwaardig document bewaard: een attestatie voor den militairen dienst van zijn vader d.d. 29 Jan. 1825.“Brenger dezes, graaf Nikolaas Ilitsch, zoon van Tolstoi (3de), volgens geboorte-acte 28 jaar, heeft de orde van den heiligen Wladimir 4deklasse, van adel, heeft geen lijfeigenen, in dienst van zijne Keizerlijke Hoogheid als kornet in het 3deIrkoetskische kozakken-regiment, 11 Juni 1812, waaruit hij overging naar het Irk.-huzaren-regiment, 18 Aug. 1812; bevorderd wegens verdienste tot 1steluitenant, 27 April 1813; in dat zelfde regiment staf-ritmeester 7 Oct. 1813; bevorderd met den zelfden titel wegens verdienste naar een kavallerie-regiment, 6 Aug. 1814, vanwaar als majoor naar het huzaren-regiment van den Prins van Oranje, 11 Dec. 1817. Wegens ziekte uit den dienst ontslagen met verhooging tot overste, 14 Maart 1819; aangesteld tot hulp-opzichter aan de oorlogsweezen-afdeeling te Moskou, 15 December 1821. Gedurende zijn diensttijd nam hij deel aan verschillende veldtochten en woonde meermalen werkelijke gevechten bij, was in krijgsgevangenschap tot aan de bezetting van Parijs en voor zijn verdienste in die gevechten, zooals reeds boven gezegd, beloond met den titel van 1steluitenant en ritmeester bij den staf, en kreeg de orde van den heiligen Wladimir met het lint.”In dat zelfde document zien wij nog, dat graaf N. I. Tolstoi den dienst verliet wegens huiselijke omstandigheden en overging naar de oorlogs-weezen-afdeeling, 8 Jan. 1824.Na den dienst te hebben verlaten, vestigde graaf N. I. Tolstoi zich te Jasnaja Paljana. Het echtpaar had toen nog slechts één jongen, den een-jarigen Nikolaas, geboren in 1823. Daarna vermeerderde de familie zich zeer snel. 17Febr.1826 werd hun zoon Sergius geboren, 23 April 1827 Dmitri en 28Aug.1828 hun zoon Leo.Het rustige, stille dorpsleven duurde niet lang. In 1830, bij de geboorte van hunne dochter Maria, stierf gravin Tolstoi, haar man met vijf kinderen achterlatende.Tatjana Alexandrowna Jergolskaja, eene verre bloedverwante, die groot gebracht was ten huize van Tolstoi’s grootvader (reeds vroeger genoemd), belastte zich met de opvoeding der kinderen.In de familie Tolstoi bewaart men nog de herinnering aan eene interessante episode uit het leven van Tolstoi’s vader.In 1813, na de blokkade van Erfurt, werd deze met depêches naar St.-Petersburg gestuurd. Op die tocht, bij het plaatsje Saint-Obie, werd hij met zijn’ oppasser, een’ lijfeigene, gevangen genomen. Deze wist, zonder dat het werd opgemerkt, het geld van zijn’ heer in zijne laars te bewaren. Gedurende drie maanden kleedde hij zich niet uit, om het geheim niet prijs te geven, en ondanks eene groote wonde aan zijn voet klaagde hij nooit over pijn. Zijn heer, Nikolaas Ilitsch, behoefde, dank zij deze opofferende daad, die hij nooit heeft vergeten, te Parijs geen gebrek te lijden.Bij de lezing van deze persoonlijke herinneringen van Tolstoi zal men begrijpen, dat de personen, als zijne ouders beschreven in zijne vertellingKinderjaren, niet zijne ouders zijn geweest.Voor zoover het ons bekend is beschreef hij daar als zijn’vader een zekeren Al. Mich. Isljeneff, een’ vriend en buurman van zijn werkelijken vader. Zijne moeder in dat boek is eene verdichte persoon. Het is niet moeilijk te raden, dat in den romanOorlog en Vredein de personen graaf Nikolaas Ilitsch Rostoff en vorstin Maria Wolkonski de werkelijke ouders van Tolstoi door hem zijn beschreven.Van graaf Ilia Andrejewitsch tot het pleegkind Sonja beantwoordt bijna ieder lid van de familie Rostoff aan een type, voorkomende in de familie-kroniek der Tolstoi’s. Even duidelijk te herkennen zijn ook de eigenaars van Liesig Gor. Daarom zal het lezen van dien roman eene aanvulling zijn voor hetgeen wij weten van de voorouders van Leo Tolstoi.1Dat Tolstoi’s herinneringen door den schrijver ongecorrigeerd en vooral ongeordend in ’t licht zijn gegeven (zie de Inleiding) zal de lezer al heel spoedig bemerken. Wij hebben ’t onzen plicht geacht, zij het ook aarzelend, het oorspronkelijke zoo nauwkeurig mogelijk te volgen, zoowel wat stijl als volgorde betreft.2Deze brief is in ’t handschrift in het Fransch aangehaald.3Een lange wagen met de zitplaatsen in de lengte.4Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Tolstoi.

Tolstoi houdt zich in dit hoofdstuk geheel aan de chronologische volgorde, in dien zin, dat hij begint met de vage herinneringen aan zijne moeder, hoofdzakelijk bestaande in verhalen die vrienden en bloedverwanten hem van haar deden, om dan over te gaan tot de gebeurtenissen van latere dagen, betreffende zijn vader en zijne tante, die hem duidelijk voor den geest staan.

Om zijn werk de oorsponkelijke gedaante te laten behouden, hebben wij zoo weinig mogelijk veranderingen in deze opeenvolging gemaakt, maar alleen het verhaal van zijn’ grootvader Wolkonski er uitgelicht, om het onder het hoofdstuk te plaatsen, dat zijn voorouders van moederszijde behandelt1.

“Mijne moeder kan ik mij in ’t geheel niet meer herinneren. Zij stierf toen ik anderhalf jaar oud was, en daar er door een vreemd toeval niet één portret van haar meer bestaat, weet ik niet hoe zij er heeft uitgezien.

“Gedeeltelijk verheugt mij dit, omdat ik nu alleen haar geestelijk beeld voor oogen heb. Alles wat ik van haar weetis goed en mooi, en ik geloof dat men mij niet slechts veel goeds van haar vertelde, maar dat zij ook waarlijk goed was. Overigens, niet alleen mijn moeder, maar alle personen die mij in mijne kinderjaren omringden, van mijn vader af tot aan den koetsier, stel ik mij voor als goede menschen. Waarschijnlijk was het mijn jong, rein liefhebbend hart, dat mij in iedereen de goede eigenschappen deed ontdekken, en zeker is het, dat ik de waarheid meer nabij was, toen alle menschen mij goed toeschenen, dan toen ik alleen hunne feilen zag.

“Mijne moeder was niet mooi, maar zeer ontwikkeld voor haar tijd. Zij kende behalve Russisch, dat zij, in tegenstelling met de toen heerschende gebrekkige kennis der spraakkunst, zeer goed schreef, vier talen: Fransch, Duitsch, Engelsch en Italiaansch, moet veel kunstzin gehad hebben en volgens tijdgenooten, die mij dat zeiden, een kunstenares zijn geweest in het verhalen van boeiende sprookjes, die zij dichtte onder ’t vertellen. Zij kon—en dat was wel haar schoonste eigenschap—, hoewel zeer driftig volgens zeggen der bedienden, zich steeds bedwingen. Het bloed steeg haar dan plotseling naar ’t gelaat, zelfs barstte zij wel eens in tranen uit, maar ruwe woorden zei ze nooit. Hoe zou zij ook? Die kende zij niet eens.

“In mijn bezit zijn nog eenige van hare brieven, aan mijn’ vader, aan mijne tante en ook een dagboek, bevattende een verslag van het doen en laten van Nikoljenka, mijn oudsten broer, die zes jaar was toen zij stierf en die het meest van allen op haar geleek. Beiden hadden een eigenschap gemeen, die mij zeer lief is, namelijk hunne onverschilligheid tegenover alles ‘wat de menschen van hen zeiden,’ en de bescheidenheid waarmede zij trachtten hunne goede hoedanigheden te verbergen. Van mijn’ broer, die, zooals Toerghenjeff eens zeer terecht opmerkte, die gebreken miste, welke een goed schrijver eigen moeten zijn, heb ik het dikwijls zelf kunnen opmerken, van mijne moeder kwam ik het te weten uit hare brieven.Zoo herinner ik mij dat wij eens jaagden in gezelschap van een dommen, slechten jongen man, den adjudant van den gouverneur, die zich tegenover mij over hem vroolijk maakte. Mijn broer, die dit bemerkte, glimlachte goedmoedig en had er zelf pleizier in.

“Die zelfde trekken vond ik terug in de brieven van mijne moeder. Zij stond klaarblijkelijk veel hooger dan mijn vader en zijne familie, behalve een zekere Tatjana Alex. Jergolskaja, eene moreel zeer hoog staande vrouw, in wier nabijheid ik mijn halve leven doorbracht.

“Nog een gemeenschappelijke trek van mijne moeder en mijn’ broer, waaruit waarschijnlijk hunne onverschilligheid voor ’t oordeel der menschen voortvloeide, bestond daarin, dat zij nooit iemand veroordeelden.

“Dezen karaktertrek van moeder leerde ik kennen uit hare brieven en hoorde ik vertellen door menschen, die haar goed hebben gekend. Wat mijn’ broer betreft, met wien ik heel lang samen bleef, in hem had ik dikwijls gelegenheid het op te merken. Kwam het voor, dat hij iets tegen iemand had, dan gaf hij dat te kennen door fijnen humor en een lachje.

“In deLevensbeschrijvingvan Dmitri Rostowski is een geschiedenis, die mij altijd bijzonder heeft getroffen.

“Een oude monnik had eens een heel vreemden droom. Hij zag een anderen monnik, die, even als zijne broeders, zeer veel gebreken had, niet slechts in ’t paradijs, maar daar zelfs op de allereerste plaats. Op zijn verbaasde vraag, waarom deze monnik, die toch op aarde lang niet alles had verzaakt, zulk eene belooning ontving, kreeg hij ten antwoord: ‘hij oordeelde nooit iemand.’

“Wanneer er zulk eene belooning bestond, dan zouden mijne moeder en mijn broer die zeker bekomen.

“Een derde karaktertrek van mijne moeder was haar zin voor waarheid en eenvoudigheid in hare brieven.

“In dien tijd was het eene gewoonte om in brieven zeer overdreven uitdrukkingen te gebruiken, b.v. waren ‘onvergelijkelijke, aangebedene, vreugde van mijn leven, ontschatbare,’ en dergelijke meer gekunstelde dan ware uitdrukkingen zeer gangbare titels onder menschen die elkaar intiem kenden.

“Deze gewoonte, hoewel niet zoo overdreven, vind ik ook in de brieven van mijn’ vader. Hij schrijft: ‘ma bien douce amie, je ne pense qu’au bonheur d’être auprès de tot.’ ’t Is nog de vraag, of dat geheel waar was! Mijne moeder schrijft altijd denzelfden aanhef: ‘mon bon ami’, en in een van hare brieven zegt ze ronduit: ‘le temps me parait long sans toi, quoiqu’à dire vrai nous ne jouissons pas beaucoup de ta société quand tu es ici’, en zij onderteekende altijd: ‘ta devouée Marie.’

“Mijne moeder bracht hare jeugd gedeeltelijk door in Moskou, gedeeltelijk buiten bij mijn’ grootvader Wolkonski, een verstandig begaafd en trotsch man. Men heeft mij verteld dat mijn moedertje heel veel van ons hield en mij ‘mon petit Benjamin’ noemde.

“Ik denk dat de liefde voor haren gestorven bruidegom, juist omdat zij met den dood eindigde, die poëtische liefde was, waaraan een meisje zich maar eenmaal in haar leven overgeeft.

“Het huwelijk van mijn vader was het werk van zijne ouders en hare bloedverwanten. Zij was rijk, niet meer in de eerste jeugd en een wees. Mijn vader was een vroolijke, schitterende jonge man met een klinkenden naam, goede relaties, maar het familiegoed was door het slechte beheer van mijn grootvader zóó met schulden beladen, dat mijn vader het als erfenis niet aanvaardde. Ik denk dat mijne moeder mijn’ vader lief had als haar echtgenoot, en hoofdzakelijk als vader van hare kinderen, maar dat ze niet verliefd op hem was. Zij koesterdedrie of vier groote genegenheden. Ten eerste de liefde tot haren gestorven bruidegom, vervolgens eene hartstochtelijke vriendschap voor eene zekere melleEnisienne, eene Française, welke vriendschap echter, zooals ik van de tantes hoorde, met eene ontnuchtering eindigde. Die melleEnisienne trouwde met vorst Michael Alexander Wolkonski, een’ neef van mijne moeder.

“Over die vriendschap zegt zij, schrijvende over twee jonge meisjes, die bij haar in huis zijn:2

“‘Ik kan het zeer goed met beiden vinden, met de eene musiceer ik, lach ik en ben ik uitgelaten of sentimenteel, met de andere spreek ik, lichtzinnig, kwaad van de wereld; beiden houden dol van mij en ik ben de vertrouwde van elk van beiden; ik verzoen ze wanneer zij oneenigheid hebben, want nooit zag men een vriendschap waarbij zoo gekibbeld werd en van zoo vreemden aard als de hare: ’t is eene opeenvolging van pruilerij en tranen, verzoeningen, beleedigingen, en dan weer hevige vlagen van vriendschap; kortom ik zie er de overdreven en romantische vriendschap in weerspiegeld, die gedurende eenige jaren mijn leven beurtelings heeft opgevroolijkt en verduisterd. Ik zie haar aan met een onbeschrijfelijke gewaarwording; soms benijd ik haar de illusies, die ik niet meer heb, maar welker streeling ik ken, en zeg ik ronduit: “weegt het degelijke en echte geluk van den rijperen leeftijd wel op tegen de bekorende illusies der jeugd, waarbij de kracht der verbeelding alles mooi doet schijnen?” En dan weer glimlach ik om haar kinderachtigheid.’

“De derde, en misschien de hechtste genegenheid was de liefde voor mijn oudsten broer Koko. Zij hield een dagboek bij, in ’t Russisch geschreven, waarin zij al diens kleine gebreken opschreef, die ze hem dan later voorlas. Daaruit spreekt haar innige wensch om alles te doen wat in haarvermogen was voor de goede opvoeding van haren Koko, maar tevens is het een bewijs, dat zij niet heel goed wist wat daarvoor noodig was.

“Zoo onderhield zij hem er o.a. over, dat hij te teergevoelig was en weende bij het zien van het lijden van een dier. Naar haar begrip moest een man hard zijn.

“Eene andere fout, die zij trachtte te verbeteren, was zijne verstrooidheid, zoodat hij b.v. inplaats vanbonsoirofbonjour, ’je vous remercie’ tegen zijne grootmoeder zeide.

“Het vierde sterke gevoel was, volgens mijne tantes (en ik hoop dat het waar is), haar liefde voor mij, waardoor hare genegenheid voor Koko een weinig verminderde, die, toen ik geboren werd, van mijne moeder werd weggenomen om onder mannelijke leiding te komen. Mijne moeder was iemand die liefde moest geven, en deze van den een op den ander overdroeg.

“Zoo dus stelde ik mij het innerlijke leven van mijne moeder voor. Zij scheen mij zoo hoog, zoo rein, zoo bovenaardsch, dat ik mij dikwijls tot haar wendde in die uren van mijn leven, waarin de verzoeking mij te sterk dreigde te worden en booze hartstochten mij overweldigden. Dan riep ik haar geest aan, en bad tot haar, en dat gebed werd dikwijls verhoord.

“Het leven van mijne moeder te midden van mijn vaders familie was volgens hare brieven en naar men vertelde, zeer gelukkig.

“Vaders familie bestond uit grootmoeder (vaders moeder), haar dochter, mijne tante, gravin Ilin. Osten-Sacken met haar pleegkind Paschenka, eene andere tante, ten minste wij noemden haar zoo, Tatjana Alex. Jergolskaja, die opgevoed was in het huis van mijn’ grootvader, maar verder haar heele leven bij ons heeft gewoond, en dan nog den gouverneur Feodor Iwan. Rjessel, door mij in mijn boekKinderjarenbeschreven.

“Wij waren met ons vijven kinderen: Nikolaas, Sergius, Dmitri, ik en de jongste, onze zuster Maria, bij wier geboorte moeder stierf. Het korte negenjarige huwelijksleven van mijne moeder was gelukkig en goed. De liefde had haar leven gevuld en mooi gemaakt, de liefde van haar voor ons allen—van ons allen voor haar.

“Te oordeelen naar hare brieven, leefde zij heel eenzaam. Niemand, behalve een zeer intieme kennis, Ogarjewitsch, en een bloedverwant die toevallig eens over den dorpsweg reed en ons wilde opzoeken, kwam bij ons op Jasnaja Paljana.

“Mijne moeder gaf haar leven aan haar kinderen, las grootmoeder ’s avond wat voor, nam voor zich zelf meer ernstige lectuur, als Rousseau’sEmile, en sprak over het gelezene; zij speelde piano, gaf een van mijn tantes Italiaansche les, ging wandelen en verzorgde haar huishouding. In iedere familie komt een tijd, dat er geen ziekte heerscht of dood en allen rustig voortleven. Zulk een tijd, geloof ik, beleefde mijne moeder gedurende haar huwelijk. Er werd niemand ziek, niemand stierf en de verwarde zaken van mijn vader kwamen weer terecht. Allen waren gezond, welgemoed en prettig onder elkaar. Vader vroolijkte ons allen op met zijn aardige verhalen. Ik beleefde dien tijd niet. Toen ik begon te begrijpen, was mijne moeder reeds gestorven en had de dood zijn’ stempel op onze familie gedrukt.

“Alles wat ik hier verteld heb weet ik uit brieven en door verhalen van anderen. Nu begin ik te beschrijven wat ik zelf beleefd heb en waarvan ik zelf nog heugenis heb. Ik zal het niet hebben over die wazige, vage herinneringen uit mijn prilste jeugd, toen ik nog te klein was om waarheid van droomen te kunnen onderscheiden. Ik begin dus met wat mij uit mijne omgeving van die eerste jaren duidelijk voor den geest staat. De eerste plaats wordt ingenomen door mijn vader, hoewelhij niet zoo’n grooten invloed op mijn leven uitoefende en ik niet het meest van hem hield.

“Mijn vader werd heel jong eenige zoon, daar een jongere broeder door een val gebrekkig werd en spoedig stierf. In 1812, toen hij zeventien jaar was, ging hij, ondanks den angst en ’t verdriet van zijne ouders, in dienst. Vorst Nikolaas Iw. Gortschakoff, een bloedverwant van mijne moeder, was in dien tijd minister van oorlog. Deze had een’ broer Andreï Iw., generaal bij het staande leger, aan wien mijn vader als adjudant werd toegevoegd. Hij nam deel aan den veldtocht van 1813/14, werd in het eerste jaar ergens in Duitschland, waar hij als koerier werd heengezonden, door de Franschen gevangen genomen, en eerst ontslagen in 1815, toen de onzen in Parijs kwamen. Mijn vader was op zijn twintigste jaar al niet meer wat men een onschuldigen jongeling noemt. Reeds vóor zijn intrede in het leger, ongeveer op zijn zestiende jaar, werd hij door zijne ouders, volgens de begrippen over gezondheid van die dagen, met een dienstmeisje in aanraking gebracht. Hieruit werd een zoon geboren, dien men later postiljon maakte. Zoolang mijn vader leefde paste die zoon goed op, maar na diens dood kwam hij op verkeerde wegen en wendde zich dikwijls tot ons, zijne volwassen broers, om hulp. Ik kan mij nog heel goed het vreemde gevoel herinneren, dat mij bekroop, toen deze tot armoede vervallen oudere broer, die meer dan een van ons allen op mijn’ vader geleek, bij ons om hulp kwam, en dankbaar was voor iedere 15 roebel, die wij hem gaven.

“Teleurgesteld door den krijgsdienst nam vader zijn ontslag en kwam te Kazan, waar mijn grootvader, toen reeds geheel geruïneerd, gouverneur was. Ook bevond zich daar de zuster van mijn’ vader, die getrouwd was met Joeschkoff.

“Mijn grootvader stierf al spoedig en mijn vader bleef achter met eene erfenis, die door de schulden werd overtroffen, enmet de zorg voor zijne aan weelde gewende moeder, zuster en nicht. In dien tijd bracht men het huwelijk tot stand met mijne moeder en verhuisde hij naar Jasnaja Paljana. Negen jaren woonden zij daar; toen werd hij weduwnaar, en van dien tijd af aan begint hij in mijne herinnering te leven.

“Mijn vader was een middelmatig groote, goed gevormde, sanguinische man, met een prettig, aantrekkelijk gezicht, waarin een paar altijd droevige oogen stonden. Hij bracht zijn leven door met het besturen van zijn landgoed, doch heeft het, naar ik geloof, daarin nooit ver gebracht. Maar hij had eene voor dien tijd zeer goede eigenschap: hij was namelijk niet wreed, zelfs zachtmoedig, zoodat ik bij zijn leven nooit van lichamelijke straffen hoorde. Toch moeten ze bestaan hebben (immers men kon zich toen nauwelijks voorstellen, dat regeeren mogelijk was, zonder ze nu en dan toe te passen), maar het gebeurde zoo zelden, dat wij kinderen er nooit iets van bemerkten. ’t Was dan ook eerst na den dood van mijn’ vader, dat ik te weten kwam, dat die strafoefeningen bij ons werden voltrokken.

“Wij kinderen keerden eens met onzen onderwijzer van eene wandeling terug en ontmoetten bij den dorschvloer den dikken opzichter Andreï Ilin, gevolgd door den hulp-koetsier Koezma Kriwoi, die in dat oogenblik een eigenaardig treurigen indruk op ons maakte. Koezma Kriwoi was een getrouwde, niet meer jonge man. Een van ons vroeg waar zij heen gingen en Andreï Ilin antwoordde rustig: ‘naar den dorschvloer, waar Koezma gestraft moet worden’. Ik kan onmogelijk het gevoel voor ontzetting beschrijven, dat me aangreep bij ’t hooren van die woorden en het gezicht van dien goeden, treurigen Koezma. Ik vertelde het ’s avonds aan tante Tatjana, die ons opvoedde. Zij haatte de lijfstraffen, paste ze nooit op ons toe en behoedde, voor zoover haar invloed reikte, er ook de lijfeigenen voor. Zij was zeer verontwaardigd, toen zij hethoorde en zei verwijtend: ‘Waarom heb je het niet tegengehouden?’ Haar woorden maakten mij nog droeviger. Ik had nooit gedacht dat wij ons in die zaken konden mengen en nu bleek het, dat ik het had kunnen doen. Nu echter was het te laat en het ontzettende was gebeurd.

Vorst Nikolaas Serghejewitsch Wolkonski, Tolstoi’s grootvader van moederszijde.—Blz. 33.Vorst Nikolaas Serghejewitsch Wolkonski, Tolstoi’s grootvader van moederszijde.—Blz.33.

Vorst Nikolaas Serghejewitsch Wolkonski, Tolstoi’s grootvader van moederszijde.—Blz.33.

“Maar, om op mijn vader terug te komen en hoe ik mij zijn leven voorstel: zijne bezigheden bestonden in het besturen van zijn landgoed en hoofdzakelijk in het voeren van processen. Procedeeren kwam in dien tijd over ’t algemeen veel voor, maar bij mijn’ vader was ’t aan de orde van den dag, omdat hij de verwarde zaken van grootvader nog moest afwikkelen. Daardoor moest hij veel van huis zijn en bovendien ging hij dikwijls op jacht. Zijn voornaamste jachtgezelschap bestond uit zijn’ vrienden, den ouden, rijken vrijgezel Kirjejewski, Jaziekoff, Gljeboff en Isljeneff. Mijn vader deelde in de toenmalige algemeene gewoonte der landeigenaren, namelijk eene zekere voorliefde voor een der knechts. Petroeschka en Matjoeschka waren de door hem uitverkorenen, twee mooie flinke knapen.

“Thuis zijnde bemoeide vader zich met ons en zijn landgoed en las hij veel. Hij had een bibliotheek, bestaande uit Fransche klassieken, historische boeken en natuur-historische werken van Buffon en Cuvier.

“Tante vertelde mij, dat mijn vader als regel had aangenomen geen nieuwe werken te koopen, zoolang hij de oude niet had gelezen. Nu, hij las veel, maar toch kan ik moeielijk aannemen dat hij al die deelenHistoire des CroisadesenHistoire des Papesdoorworstelde, die hij zich aangeschaft had. Voor zoover ik kan nagaan, had hij geen wetenschappelijke neigingen, doch stond hij op dezelfde hoogte als alle beschaafde menschen van zijn’ tijd. Zooals velen uit den tijd van Keizer Alexander I en van de veldtochten in 1813, ’14, ’15, was hij wel niet wat men tegenwoordig liberaalnoemt maar het was eenvoudig zijn gevoel van eigenwaarde, dat hem verbood een ambt aan te nemen, zoowel onder Alexander I als onder Nikolaas I. Niet alleen hij zelf, maar al zijne vrienden waren zoo; ze dienden niemand en lieten zich zelfs wel eens ongunstig uit over de regeering van Nikolaas Pawlowitsch. Gedurende mijne kinder- en zelfs mijne jongelingsjaren hadden wij met niet één ambtenaar intieme betrekkingen aangeknoopt.

“Ik begreep toen nog niet juist waarom, maar ik had opgemerkt dat mijn vader zich nooit voor iemand vernederde, noch zijn luidruchtigheid of zijn vroolijk lachende stem temperde. En om dat gevoel van eigenwaarde hield ik nog meer van mijn vader en steeg mijne bewondering voor hem.

“Ik kan hem mij nog voorstellen in zijne werkkamer. Wij kwamen binnen om hem goeden dag te wenschen of eenvoudig om bij hem te spelen. Hij zat met zijne pijp in den mond op den leeren divan, haalde ons aan en soms—en dat was het heerlijkst van al—mochten wij achter zijn rug op den divan liggen, terwijl hij las of praatte met den dienaar die tegen den deurpost stond, of met S .L. Jaziekoff, mijn peetoom, die dikwijls bij ons logeerde. Ik herinner me dat hij met ons naar beneden ging en daar iets voor ons teekende, dat ons volmaakt toescheen. Ook weet ik nog, dat hij mij eens mijn lievelingsvers, dat ik van buiten kende,Aan de Zeevan Poeschkin, (‘Vaarwel gij vrije elementen!’) ofNapoleon(‘Het wonderbare lot heeft zich voltrokken, vergaan is de groote man!’) liet opzeggen. Ik herinner mij, hoe hij had opgemerkt met hoeveel pathos ik die verzen declameerde, hoe hij naar mij luisterde en nu en dan veelbeteekenend knikte naar den kant van Jaziekoff. Ik begreep dat hij iets moois vond in mijn lezen en dat maakte mij heel gelukkig. Ik herinner mij zijne vroolijke scherts en vertellingen bij middag- en avondeten, en dat grootmoeder, detantes en wij kinderen naar hem luisterden en lachten. Ik herinner mij nog de reis naar de stad en hoe wondermooi hij er uitzag in zijn overjas en zijn nauwen pantalon. Maar duidelijker dan alles herinner ik mij hem als hij met de honden ging jagen. Ik zie nog den uittocht. Dikwijls heb ik later gedacht, dat Poeschkin hem tot voorbeeld nam in zijn gedichtVertrek voor de jacht van Graaf Noelin. Ik herinner mij dat wij met hem gingen wandelen, dat de jonge windhonden tegen ons opsprongen, dolden op de nog niet afgemaaide weiden, waar het hooge gras hen streelde en prikte, hoe zij rolden en speelden en om ons heen dartelden, zoodat hunne staarten op en neer dansten, en hoe zij weer wegvlogen, en hoe mijn vader zich er kostelijk mee vermaakte.

“Ik herinner mij den dag van het jachtfeest op 1 September. Wij allen reden op de lineïka3naar het dichte bosch, waar een vos was losgelaten. Ik herinner mij hoe de honden hem najoegen en hem ergens—wij zagen niet waar—grepen. Ik herinner mij ook nog zeer duidelijk de kooi van den wolf. Het was juist naast ons huis. Wij gingen er allen te voet heen. Op een boerenwagen vervoerden ze een grooten, met touwen gebonden, levend gevangen wolf. Hij lag stil en wierp nu en dan een loenschen blik maar wie er bij hem kwam. Op eene open plaats achter onzen tuin trokken zij hem er af, hielden hem met hooivorken op den grond en maakten zijne touwen los. Hij scheurde en trok en beet woedend op de ijzers. Men nam de laatste touwen weg en iemand riep er ‘los!’ Bevrijd richtte de wolf zich op en stond een paar seconden stil; men schreeuwde luid, hitste de honden op hem aan, en wolf, honden, paarden en ruiters vlogen over de velden. De wolf ontsnapte! Ik herinner mij dat mijn vader iets zeggende en toornig gesticuleerend naar huis ging.

“Mijn allermooiste herinnering aan hem is die waar hij, met grootmoeder, naast haar op den divan zittende, patience speelde. Vader ging met allen beleefd en aardig om, maar met grootmoeder bijna hartstochtelijk teeder. Grootmoeder, met haar smal gelaat, het mutsje met linten op het hoofd, placht op den divan te zitten, de kaarten schuddende of met haar vingertoppen een snuifje nemende uit de gouden snuifdoos. Naast den divan, in een’ leunstoel, zit Petrowna (de vrouw van den wapensmid) in haar pelsjakje en spint en stoot steeds met haar spinrokken tegen den muur, waarin zich reeds een deukje heeft gevormd.

“Petrowna was ook koopvrouw. Grootmoeder hield om de een of andere reden heel veel van haar. Zij kwam dikwijls bij ons op bezoek en zat dan steeds in den leunstoel, naast grootmoeder die op den divan zat.

“De tantes zitten ook in leuningstoelen en een van haar leest voor. In een nestje, dat hij zich gemaakt heeft, ook al in een leunstoel, ligt Milka, mijn vaders gevlekte, dartele lievelingshond, met zijn mooie zwarte oogen. Wij komen binnen om te groeten en somtijds gaan we zitten. Grootmoeder en de tantes groeten we altijd met een handkus. Ik herinner mij, dat eens, midden in ’t patience-spel, vader de tantes een’ wenk geeft en, naar den spiegel wijzende, iets fluistert. Wij allen kijken daarheen.

“Het was Tichon, de officiant, die, wetende dat vader in ’t salon was, naar diens werkkamer ging en tabak nam uit den lederen tabakszak, die den vorm heeft van eene bloem met saamgevouwen blaadjes. Mijn vader ziet hem in dien spiegel en kijkt naar de op de teenen voortsluipende verschijning. De tantes lachen. Grootmoeder, die eerst niets begrijpt, het dan bemerkt, glimlacht ook. Ik raak in vervoering over de goedheid van mijn vader, en bij het weggaan kus ik met groote teederheid zijne witte hand. Ik hield heel veel vanmijn’ vader, maar wist niet hoe groot die liefde was, voordat ik hem door den dood had verloren.”4

Bovenstaande mededeelingen over zijne ouders zijn door Tolstoi zelf verschaft. Eenige minder belangrijke feiten en historische documenten willen wij hier nog bijvoegen.

Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, vader van Leo Tolstoi, werd geboren in 1797. In het archief van de universiteit te Kazan wordt met het portocol, inhoudende de inschrijving als student van Leo Tolstoi, het volgend merkwaardig document bewaard: een attestatie voor den militairen dienst van zijn vader d.d. 29 Jan. 1825.

“Brenger dezes, graaf Nikolaas Ilitsch, zoon van Tolstoi (3de), volgens geboorte-acte 28 jaar, heeft de orde van den heiligen Wladimir 4deklasse, van adel, heeft geen lijfeigenen, in dienst van zijne Keizerlijke Hoogheid als kornet in het 3deIrkoetskische kozakken-regiment, 11 Juni 1812, waaruit hij overging naar het Irk.-huzaren-regiment, 18 Aug. 1812; bevorderd wegens verdienste tot 1steluitenant, 27 April 1813; in dat zelfde regiment staf-ritmeester 7 Oct. 1813; bevorderd met den zelfden titel wegens verdienste naar een kavallerie-regiment, 6 Aug. 1814, vanwaar als majoor naar het huzaren-regiment van den Prins van Oranje, 11 Dec. 1817. Wegens ziekte uit den dienst ontslagen met verhooging tot overste, 14 Maart 1819; aangesteld tot hulp-opzichter aan de oorlogsweezen-afdeeling te Moskou, 15 December 1821. Gedurende zijn diensttijd nam hij deel aan verschillende veldtochten en woonde meermalen werkelijke gevechten bij, was in krijgsgevangenschap tot aan de bezetting van Parijs en voor zijn verdienste in die gevechten, zooals reeds boven gezegd, beloond met den titel van 1steluitenant en ritmeester bij den staf, en kreeg de orde van den heiligen Wladimir met het lint.”

In dat zelfde document zien wij nog, dat graaf N. I. Tolstoi den dienst verliet wegens huiselijke omstandigheden en overging naar de oorlogs-weezen-afdeeling, 8 Jan. 1824.

Na den dienst te hebben verlaten, vestigde graaf N. I. Tolstoi zich te Jasnaja Paljana. Het echtpaar had toen nog slechts één jongen, den een-jarigen Nikolaas, geboren in 1823. Daarna vermeerderde de familie zich zeer snel. 17Febr.1826 werd hun zoon Sergius geboren, 23 April 1827 Dmitri en 28Aug.1828 hun zoon Leo.

Het rustige, stille dorpsleven duurde niet lang. In 1830, bij de geboorte van hunne dochter Maria, stierf gravin Tolstoi, haar man met vijf kinderen achterlatende.

Tatjana Alexandrowna Jergolskaja, eene verre bloedverwante, die groot gebracht was ten huize van Tolstoi’s grootvader (reeds vroeger genoemd), belastte zich met de opvoeding der kinderen.

In de familie Tolstoi bewaart men nog de herinnering aan eene interessante episode uit het leven van Tolstoi’s vader.

In 1813, na de blokkade van Erfurt, werd deze met depêches naar St.-Petersburg gestuurd. Op die tocht, bij het plaatsje Saint-Obie, werd hij met zijn’ oppasser, een’ lijfeigene, gevangen genomen. Deze wist, zonder dat het werd opgemerkt, het geld van zijn’ heer in zijne laars te bewaren. Gedurende drie maanden kleedde hij zich niet uit, om het geheim niet prijs te geven, en ondanks eene groote wonde aan zijn voet klaagde hij nooit over pijn. Zijn heer, Nikolaas Ilitsch, behoefde, dank zij deze opofferende daad, die hij nooit heeft vergeten, te Parijs geen gebrek te lijden.

Bij de lezing van deze persoonlijke herinneringen van Tolstoi zal men begrijpen, dat de personen, als zijne ouders beschreven in zijne vertellingKinderjaren, niet zijne ouders zijn geweest.

Voor zoover het ons bekend is beschreef hij daar als zijn’vader een zekeren Al. Mich. Isljeneff, een’ vriend en buurman van zijn werkelijken vader. Zijne moeder in dat boek is eene verdichte persoon. Het is niet moeilijk te raden, dat in den romanOorlog en Vredein de personen graaf Nikolaas Ilitsch Rostoff en vorstin Maria Wolkonski de werkelijke ouders van Tolstoi door hem zijn beschreven.

Van graaf Ilia Andrejewitsch tot het pleegkind Sonja beantwoordt bijna ieder lid van de familie Rostoff aan een type, voorkomende in de familie-kroniek der Tolstoi’s. Even duidelijk te herkennen zijn ook de eigenaars van Liesig Gor. Daarom zal het lezen van dien roman eene aanvulling zijn voor hetgeen wij weten van de voorouders van Leo Tolstoi.

1Dat Tolstoi’s herinneringen door den schrijver ongecorrigeerd en vooral ongeordend in ’t licht zijn gegeven (zie de Inleiding) zal de lezer al heel spoedig bemerken. Wij hebben ’t onzen plicht geacht, zij het ook aarzelend, het oorspronkelijke zoo nauwkeurig mogelijk te volgen, zoowel wat stijl als volgorde betreft.2Deze brief is in ’t handschrift in het Fransch aangehaald.3Een lange wagen met de zitplaatsen in de lengte.4Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Tolstoi.

1Dat Tolstoi’s herinneringen door den schrijver ongecorrigeerd en vooral ongeordend in ’t licht zijn gegeven (zie de Inleiding) zal de lezer al heel spoedig bemerken. Wij hebben ’t onzen plicht geacht, zij het ook aarzelend, het oorspronkelijke zoo nauwkeurig mogelijk te volgen, zoowel wat stijl als volgorde betreft.

2Deze brief is in ’t handschrift in het Fransch aangehaald.

3Een lange wagen met de zitplaatsen in de lengte.

4Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Tolstoi.


Back to IndexNext