Tweede deel.

Tweede deel.Kinderjaren, jongensjaren en jongelingsjaren.1828–1851.Vierde hoofdstuk.Kinderjaren.“Ik ben geboren en bracht mijn kinderjaren door te Jasnaja Paljana.”Met deze woorden begint Tolstoi ons zijne herinneringen mede te deelen. Wij achten het niet overbodig, vóór wij verder gaan, iets naders te vertellen van dit merkwaardige plekje gronds, dat, zooals wij allen weten, eene wereldberoemdheid heeft verkregen. Welke gasten heeft Jasnaja Paljana al niet geherbergd! Bewoners van den Maleischen Archipel, Australiërs, Japanners, Amerikanen, vluchtelingen uit Siberië en verder tallooze vertegenwoordigers van alle Europeesche landen kwamen er, gaven het bekendheid en verspreidden tot in de uiterste hoeken der aarde, de woorden en gedachten van den grooten grijsaard, die het bewoont.Jasnaja Paljana is het stamgoed van de vorsten Wolkonski, gelegen 15 wersten ten zuiden van Toela, bijna op de grens van dat gouvernement. Dicht bij het landgoed komen drie wegen te samen, vertegenwoordigende drie verschillende tijdperken. De oude met gras begroeide Kiefsche weg, de nieuweKiefsche chaussée en de Moskou-spoorbaan. Tolstoi’s huis, staande in eene schoone heuvelachtige streek, die van ’t Oosten naar ’t Westen door een prachtig bosch in twee deelen wordt gescheiden, ligt drie en een half uur verwijderd van het naaste station. Deze landstreek draagt den naam Zasjeka, die ons wijst op die tijden, toen de Slavische bevolking voor de invallen van de Krim-Tartaren en andere Mongoolsche volken moest terugwijken. Om zich tegen die vijandelijke horden te beschermen, wierp zij versperringen op, gemaakt van boomen, die men eerst moest omkappen (zasjektj), vandaar de naam Zasjeka.Tegenwoordige ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Tegenwoordige ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz.57.Het huis waar Leo Tolstoi werd geboren staat niet meer te Jasnaja Paljana. Het werd het eerst bewoond door zijn’ grootvader, daarna door zijn’ vader, ten slotte verkocht aan een buurman Gorochoff en verplaatst naar het dorp Dolgom, op 30 wersten afstand van Jasnaja Paljana. Tolstoi had namelijk omstreeks 1850 veel geld noodig en gaf daarom een van zijn familieleden last het te verkoopen. ’t Groote heerenhuis, met zijn pilaren en balcons, werd voor eene betrekkelijk geringe som, 5000 roebel, verkocht. Uit een’ brief van Tolstoi aan zijn’ broer blijkt, dat het hem zwaar viel tot den verkoop over te gaan, maar dat hij het geld noodig had. Het huis staat nu in het dorpje Dolgom, verlaten met gebroken ruiten. De twee nu bestaande Jasnaja-Paljanische huizen zijn opgetrokken uit de twee vleugels, die vroeger naast het groote, thans verkochte, huis stonden. De plek waar dit vroeger stond is gedeeltelijk met boomen beplant. Verder wordt er croquet gespeeld, terwijl de overblijvende ruimte gebruikt wordt om er bij mooi weer ’s middags te eten.Vóór de huizen bevinden zich tegenwoordig bloemperken, er achter een groote tuin met vijver en een lindenallée, wier boomen reeds honderden jaren oud zijn. Het geheel wordt omringd door eene gracht met wallen. Bij den ingangstaan twee witgeverfde baksteenen torens, waar, volgens zeggen van oude lieden, vroeger eene wacht was geplaatst. Langs dezen toren bereikt men het huis door eene berkenlaan, het zoogenaamde “prospekt”.Achter den ouden tuin bevindt zich nog een boomgaard met vruchtboomen, die onder Tolstoi’s persoonlijke leiding zijn geplant. De geheele aanplanting, gelegen tegen een’ heuvel, wordt door het dichte groen aan ons oog onttrokken.Van de geboorte van Leo Tolstoi weten we helaas geen andere bijzonderheden, dan die, welke Zagoskin ons heeft verstrekt.“In het jaar 1828, den 28stenAugustus, werd graaf N. I. Tolstoi te Jasnaja Paljana een zoon, Leo, geboren. Hij werd 29 Aug. gedoopt door den geestelijke Wassiliï Mosjaïski, met den diaken Archip. Iwanowitsch, den dijatschek Alexander Feodorowitsch en den ponomar Feodor Grigorjewitsch. De landeigenaar Sjemon J. Jaziekoff en gravin Pelageja Tolstaja waren peter en meter.”Dat is alles wat wij van Tolstoi’s geboorte vernemen. Van zijn prilste jeugd weten wij reeds veel interessante bijzonderheden. Zelden kan een schrijver beschikken over de eerste autobiographische gegevens van de persoon, die hij wil beschrijven. In zijneEerste Herinneringenbeschrijft Tolstoi zijne vroegste gewaarwordingen, de vage indrukken van zijn eerste levensjaar.Wij geven deze herinneringen onveranderd, geheel zooals ze zijn neergeschreven.“Ziehier mijne vroegste herinneringen, die ik niet in geregelde orde op elkaar kan laten volgen, omdat ik niet weet, wat eerst of wat later gebeurde. Van enkele weet ik zelfs niet of zij de werkelijkheid of slechts droomen weergeven.“Ik lig vastgebonden. Ik wil mijne armen uitslaan en ik kan het niet. Ik schreeuw en ween en dat schreeuwen doetmij zelf onaangenaam aan, maar ik kan het niet laten. Iemand heeft zich over mij heengebogen, ik herinner me niet wie, en alles is als in schemering gehuld. Ik herinner mij, dat er twee menschen stonden; mijne kreten maken indruk op hen, zij maken zich ongerust over mijn huilen, maar ze maken mijne banden niet los. En dat wilde ik toch en ik ga nog harder schreien. Zij denken dat het noodig is (dat wil zeggen, dat ik gebonden blijf), terwijl ik weet dat het niet zoo behoeft te zijn. Ik wil het hun bewijzen. Ik stoot een gil uit, waar ik zelf van gruw, maar ik kan het niet laten. Ik voel dat niet de menschen onrechtvaardig en slecht voor mij zijn, maar het is het noodlot en ik heb medelijden met mij zelf. Ik weet niet en ik zal het nooit te weten komen wat dit is geweest. Bonden zij mij vast toen ik nog een bakerkindje was en wilde ik mijne armen vrij hebben, of bonden zij mij, toen ik reeds meer dan een jaar was, opdat ik een uitslag niet zou openkrabben? Verzamelde ik in deze ééne herinnering meer indrukken, zooals dat veel in droomen geschiedt? Zeker is het, dat deze de eerste en heftigste gewaarwording in mijn leven is. Het is niet de herinnering aan mijne kreten, mijne kwellingen, die zich aan mij opdringt, maar aan de verwikkelingen, de tegenstrijdigheden van het leven. Ik wilde vrij zijn, niemand zou er door lijden, en ik, die sterk moest zijn, ben zwak en zij zijn sterk.“Een andere, vroolijke indruk. Ik zit in eene tobbe en mij omringt een nieuwe, aangename geur van een of ander iets, waarmee men mijn klein lichaampje inwrijft. Waarschijnlijk was het een poeder, misschien in het water in de tobbe, maar de indruk van het poeder heeft mij wakker geschud. Voor het eerst zag ik en ging ik houden van mijn lichaampje met de kleine ribben, werd ik de donkerkleurige gladde tobbe gewaar, de opgestroopte mouwen van de njanja, het warme dampende water, het geplas, en vooral het gevoel van de natte randenvan de tobbe, als ik er met mijn handjes aan kom.—Het is vreemd en angstig te bedenken, dat ik mij, behalve deze twee, niet één indruk kan herinneren van mijn geboorte tot aan mijn derde jaar; van dien tijd af, dat men mij voedde aan de borst, mij speende, dat ik begon te kruipen, te loopen en te spreken. Wanneer toch ontwaakte mijn bewustzijn? Wanneer begin ik te leven en waarom verheugt het mij, als ik mij het verleden kan herinneren, en waarom beangstigt het mij (en met mij vele anderen), mij te verplaatsen in dien toestand van vergetelheid waarvan geen herinnering blijft die zich door woorden laat vertolken? Leefde ik dan niet in dien tijd toen ik leerde zien, hooren, begrijpen, praten, toen ik sliep, toen men mij voedde aan de borst en ik die kuste, toen ik lachte en mijne moeder vreugde schonk? Ik leefde en mijn leven was gezegend. Verwierf ik dan niet in die dagen alles waarmee ik nu leef, en verkreeg ik niet zoo snel zoo veel, dat in ’t geheele verdere leven niet een honderdste gedeelte daarvan verworven werd? Van den vijfjarigen knaap tot den man, die ik nu ben,—is slechts een schrede. Van de geboorte tot het vijfde jaar—een ontzettende afstand. Tusschen de geboorte en de kiem ligt een afgrond. Tusschen het niet-zijn en de kiem ligt niet slechts een afgrond maar het mysterie. Ruimte, tijd en oorzaak zijn vormen der gedachten; ons leven staat daar buiten; en toch is ons geheele leven een meer en meer volkomen onderwerping aan die vormen en later weer een vrijmaking er van.“Mijne volgende herinneringen hebben betrekking op den tijd, toen ik reeds vier of vijf jaar was. ’t Zijn er nog maar weinige en zij bepalen zich uitsluitend tot hetgeen binnen de vier muren gebeurde. Tot aan mijn vijfde jaar bestond de natuur niet voor mij en al wat ik mij herinner valt voor in de kamer of in mijn bedje.“Er bestaan voor mij geen gras, geen bladeren, geen hemel,geen zon. Het is niet aan te nemen dat men mij nooit bloemen of bladeren gaf om mee te spelen, dat ik het gras nooit zag, of men mij nooit beschutte tegen de zon. Toch heb ik tot mijn vijfde of zesde jaar geen herinnering aan datgene wat wij de natuur noemen. Misschien ook moet men zich eerst van haar verwijderen om haar te leeren zien, en ik was immers zelf natuur.“De herinnering, die op de tobbe volgt, is die aan ‘Jerjemjejewna’, het woord waarmee men ons als kinderen bang maakte. Ik lig in mijn bedje en ben vroolijk en opgeruimd, zooals altijd. Ik zou mij ook niets hebben herinnerd, als niet plotseling de njanja, of iemand anders, die voor mij het leven vertegenwoordigde, iets met een vreemde stem gezegd had en was weggegaan. Ik word vroolijk en angstig tegelijk. Ik herinner mij, dat ik niet alleen was, maar dat er nog iemand was zooals ik. (Waarschijnlijk was het mijn zusje Maschenka, wier bedje op dezelfde kamer stond.) Ik herinner mij dat er een gordijn om mijn bedje hangt en mijn zusje en ik, wij verheugen ons en hebben toch ook angst voor het vreemde, dat er om ons is. Ik verstop mijn hoofd in het kussen en gluur toch naar de deur en verwacht van dien kant iets vreemds en prettigs en ben toch angstig. Wij lachen en wij kruipen weg en wij wachten. En daar komt iemand in een kleed en met een muts zooals ik nog nooit heb gezien, maar ik voel dat het iemand is, die zich altijd in onze omgeving bevindt (de njanja of tante, dat weet ik niet), en die iemand zegt met eene bromstem iets vreeselijks van stoute kinderen en van Jerjemjejewna. Ik schreeuw van angstig genot, ik word bang en verheug me dat ik angst heb, en ik wil niet dat zij die mij angstig maakt weet dat ik haar herken.“Wij worden stil en zwijgen, maar gaan dan weer met elkaar fluisteren, in de hoop Jerjemjejewna nog eens weer te zien verschijnen.“In mijn geheugen hangt nog eene herinnering, waarschijnlijk van lateren datum, want zij is helderder maar toch altijd onbegrijpelijk voor mij gebleven. De hoofdrol speelt onze Duitsche onderwijzer Feodor Iwanowitsch. Ik weet heel zeker, dat ik nog niet onder zijn toezicht stond, dus moet het zijn gebeurd voordat ik vijf jaar was. Het is de eerste maal dat hij in mijne herinnering voorkomt, en ik moet nog heel jong geweest zijn, daar ik mij niemand, vader, noch broeder, noch iemand anders kan voorstellen. Zoo ik één herinnering heb, dan is ’t die aan mijn zusje, en dat komt dan door onzen gemeenschappelijken angst voor Jerjemjejewna.“Met de herinnering aan Feodor Iwanowitsch verbindt zich tevens de indruk, dat wij eene tweede verdieping op ons huis hebben. Hoe ik er kwam, of ik er heen liep of dat men mij er heen droeg, dat kan ik mij niet meer te binnen brengen, maar ik weet dat wij met velen zijn, wij draaien in een kring en houden elkaar bij de hand. Ik weet ook, dat er vreemde vrouwen bij zijn en ik denk (waarom weet ik niet), dat het waschvrouwen zijn. Wij loopen in het rond en springen en huppelen en Feodor Iwanowitsch springt ook mee en werpt zijn beenen te hoog in de lucht en maakt te veel leven, en op dat zelfde oogenblik voel ik, dat wat hij doet niet goed, dat het verdorven is; ik begin hem plotseling te zien; ik geloof dat ik ging weenen, en—het is uit.”Hier moeten we een geschiedenis inlasschen van Maria Nikolajewna, het zusje van Tolstoi.“Wij sliepen met ons drieën op één kamer: ik, Lewotschka (Leo) en Doenjetschka1. Wij speelden altijd samen en vormden een heel afzonderlijk groepje, afgescheiden van de andere broers, die altijd met hun’ gouverneur beneden waren.“Het liefst van alles speelden wij ‘Milaschka’ (lieveling).Een van ons drieën stelde Milaschka voor, d.w.z. het kind dat door allen vertroeteld wordt. Men legt het te slapen, voedt het, verpleegt het, in één woord: houdt er zich voortdurend mee bezig. Milaschka moet volgens de regelen van het spel zich blijmoedig onderwerpen aan alles wat men met hem doet en zonder morren zijne rol vervullen.“Ik herinner mij eens het verdriet en de ellende toen onze Milaschka (meestal was dat Leo) door het langdurig schommelen werkelijk in slaap was gevallen. Volgens het programma had hij moeten huilen, dan zou men hem medicijnen geven, hem wrijven enz... De slaap echter maakte plotseling een einde aan ons spel, en bracht ons uit het rijk der verbeelding tot de werkelijkheid terug”.“Dit is alles wat ik mij herinner tot aan mijn vijfde jaar. Niet mijne njanja, niet de tantes, geen broers, zuster, vader, kamer of speelgoed, niets kan ik mij te binnen brengen. Mijne indrukken beginnen vorm aan te nemen van den tijd af, toen men mij naar beneden bracht bij Feodor Iwanowitsch en de grootere knapen. Bij mijne verhuizing naar beneden kreeg ik voor het eerst en daarom des te sterker het besef van plichtsgevoel, het bewustzijn zijn kruis te moeten dragen, zooals het den mensch betaamt. Het deed mij verdriet, met mijne gewoonten (de gewoonten van mijn geheele leven) te moeten breken. Treurig was het, poëtisch treurig, te moeten scheiden, niet zoo zeer van de menschen, van mijne zuster, de njanja en tante, als wel van mijn bedje, mijn gordijntje, mijn kussen, en met angst ging ik naar beneden. Ik deed mijn best het vroolijke in dit nieuwe leven op te zoeken, ik trachtte geloof te schenken aan de lieve woorden waarmee Feodor Iwanowitsch mij tot zich lokte, ik trachtte de verachting niet te zien waarmee de oudere jongens mij, den jongeren, ontvingen; ik wilde mij opdringen dat het voor een grooten jongen schande was alleenmet meisjes om te gaan, dat er niets moois was in het leven daarboven bij de njanja, maar—op mijn borst drukte een zware last en droevig was het mij te moede. Ik was er van overtuigd, dat ik schier onherroepelijk mijne onschuld en mijn geluk verloor. Slechts het bewustzijn van mijn plicht te doen, mijn gevoel van eigenwaarde, hield mij staande. Vele jaren later, aan een kruisweg gekomen, een nieuw leven beginnend, voelde ik weer diezelfde gewaarwordingen. Een groote smart vervulde mij om hetgeen ik onherroepelijk had verloren. Ik kon maar niet gelooven dat het ooit zou gebeuren! Hoewel men er mij op had voorbereid dat ik naar beneden, naar de grooteren moest gaan, kreeg ik het gevoel alsof met het jasje, dat men mij aantrok, de wereld op de bovenverdieping voor mij werd afgesloten. Nu zag ik voor het eerst andere personen dan die mij tot nu toe hadden omringd, en voor het eerst eene hoofdpersoon, met wie ik toch reeds lang was saamgeweest, maar die ik niet had opgemerkt. Dat was mijne tante Tatjana. Ik herinner mij de flinke, teedere, goede, barmhartige, niet groote vrouw met haar zwarte haren. Zij kleedde mij aan en kuste mij, en ik begreep dat zij voelde zooals ik, dat ook zij het betreurde, het diep betreurde, maar dat het moest.“Voor de eerste maal voelde ik, dat het leven geen spel, maar een moeielijke taak is. Zal ik niet het zelfde voelen als ik eens ga sterven, en begrijpen, dat ook de dood en het volgend leven geen spel zijn?“5 Mei 1878.”Van deze Tatjana Alexandrowna geeft Tolstoi de volgende interessante beschrijving:“Tatjana Alexandrowna Jergolskaja was, na mijn vader en mijne moeder, de persoon die den meesten invloed op mijn leven heeft uitgeoefend. Zij was eene verre bloedverwant vanmijne grootmoeder van de zijde der Gortschakoffs. Zij en haar zuster Liza, die later met graaf Peter Iwanowitsch Tolstoi trouwde, bleven, heel jong nog, als weezen achter.“Hun broers werden door de familie aan een of andere betrekking geholpen. Mijne grootmoeder en de waardige invloedrijke Tat. Sjem. Skoeratowa namen de beide meisjes tot zich. Het lot heeft beslist waar zij zouden wonen. Twee biljetten met hare namen werden onder de heiligenbeelden neergelegd, een gebed werd gedaan en de biljetten werden getrokken. Zoo gebeurde het, dat Lizanka naar Tatj. Sjemjojewna ging en de zwarte Tatjana, Tanitschka zooals men haar bij ons noemde, naar mijne grootmoeder. Zij werd geboren in 1795, was ongeveer even oud als mijn vader, en werd geheel als mijne tantes opgevoed. Allen hielden veel van haar, en dat kon ook niet anders bij haar ferm, energiek en toch zelfopofferend karakter. Het volgende, dat zij ons eens vertelde en waarbij zij ons een groot litteeken even onder den elleboog liet zien, geeft een juist beeld van haar.“Als kinderen lazen zij eens de geschiedenis van Mucius Scaevola en begonnen te twisten over de vraag of een van allen hem dat wel na zou durven doen. ‘Ik zal het doen,’ zei Tatjana. ‘Je doet het toch niet,’ zei Jaziekoff, mijn peetoom, en hield, ook weer karakteristiek voor hem, eene liniaal zoo lang in een kaars, tot ze gloeiend was en rookte. ‘Leg die nu tegen je arm,’ zei hij. Zij strekte haar blanken arm uit (de meisjes hadden toen altijd korte mouwen) en Jaziekoff drukte er de gloeiende liniaal tegen aan. Zij fronste haar wenkbrauwen maar trok haar arm niet terug, en steunde slechts even toen met de liniaal het vel van haar arm werd afgetrokken. De ouderen, die de wonde zagen en vroegen hoe zij daar aan kwam, kregen ten antwoord, dat zij het zelf gedaan had, omdat ze wilde ondervinden, wat Mucius Scaevola had gevoeld.Silhouet van Tolstoi’s moeder en haar zuster als kinderen.—Blz. 39.Silhouet van Tolstoi’s moeder en haar zuster als kinderen.—Blz.39.“Zoo was zij in alles, vlug besloten en zelfopofferend.“Haar voorkomen moet zeer innemend geweest zijn, met haar zwart, dik, krullend haar, donkere oogen en levendige, energieke trekken. W. M. Joeschkoff, de man van mijne tante Pelageja, een echte don Juan, zei dikwijls—hij was toen reeds een grijsaard—op een’ toon zooals men van eene vroegere liefde spreekt: ‘Toinette, oh, elle était charmante!’“Toen ik haar leerde kennen was zij reeds over de veertig, en ik dacht er nooit over na of zij mooi was of niet. Ik hield eenvoudig van haar, ik hield van haar oogen, van haar glimlach, van haar bruine, breede, kleine hand, met de energieke lijnen. Het is wel aan te nemen, dat zij vader beminde en vader haar. Toch is zij nooit met hem getrouwd. Niet in haar jeugd, omdat vader met mijne rijke moeder zou kunnen trouwen, en later niet, omdat zij de reine, poëtische verhouding niet wilde bederven die er bestond tusschen haar en vader, en ook tusschen haar en ons. Onder haar papieren, in haar met kralen bewerkte portefeuille, bevindt zich het volgende, geschreven in 1836, zes jaren na den dood van moeder:“‘16 Aug. 1836. Nikolaas heeft mij heden eene vreemde vraag gedaan, namelijk om met hem te trouwen, de moeder te worden van zijne kinderen en hen nooit te verlaten. Het eerste voorstel heb ik geweigerd, het tweede heb ik aangenomen, en ik zal de belofte nakomen, zoolang als ik leef.’“Dit heeft zij neergeschreven, maar nooit heeft zij er met ons of met wien ook over gesproken. Na den dood van mijn’ vader vervulde zij de tweede van zijne wenschen. Wij hadden twee echte tantes en eene grootmoeder. Die hadden allen een grooterrechtop ons dan Tatjana, die wij maar tante noemden en die zoo’n ver verwijderd familielid was, dat ik nooit kon begrijpen, hoe zij eigenlijk tot ons in betrekking stond. Het recht der liefde evenwel bezorgde haarde eerste plaats bij onze opvoeding en wij hebben dat ook steeds gevoeld.“Ik hield van haar, hartstochtelijk, overweldigend en teeder.“Ik herinner mij, dat ik mij eens in het salon (ik was toen ongeveer vijf jaar) dicht tegen haar aan vleide. Streelend beroerde zij mijne hand. Ik greep die hand, kuste haar en begon van teedere liefde tot haar te weenen.“Zij was opgevoed als eene dame van goeden huize, sprak en schreef beter Fransch dan Russisch, speelde heel goed piano, maar had de toetsen in geen dertig jaren aangeraakt. Zij begon eerst weer toen ik, reeds volwassen, het ging leeren. Wij speelden soms wel eens vierhandig en dan verbaasde zij mij door haar correct, voortreffelijk spel. Zij was heel goed voor de bedienden, gaf hun nooit booze woorden; de gedachte aan roede of knoet kon zij niet verdragen, maar toch dacht zij: ‘lijfeigenen zijn lijfeigenen,’ en was tegenover hen geheel de meesteres. Desondanks hielden zij meer van haar dan van één der anderen. Toen zij stierf en door het dorp werd gedragen, kwamen alle boeren uit hunne huizen en zeiden de gebeden der stervenden.De hoofdtrek van haar karakter was liefde. Gaarne had ik gewild, dat die zich tot één mensch, tot mijn’ vader, had bepaald. Haar liefde echter voor hem straalde af op ons allen. Ons had zij lief om hem, allen had zij lief door hem, haar heele leven was liefde.“Hare groote liefde gaf haar zedelijk recht op ons, maar onze eigen tantes, vooral Pelageja Ilinischna, toen zij ons naar Kazan bracht, hadden de uiterlijke rechten. Tatjana voegde zich hier naar en hare liefde voor ons verminderde er niet door. Zij woonde toen bij haar zuster Liza A. Tolstoi, maar met haar hart was zij bij ons, en zoo spoedig mogelijk keerde zij tot ons terug. Het was voor mij een groot geluk, dat zij den laatsten tijd van haar leven, ongeveer twintig jaren, bij mij op Jasnaja Paljana doorbracht. Jammer is het, datwij ons geluk, vooral zoo’n groot innig geluk, nooit naar waarde schatten. Ik stelde het op prijs, maar niet volkomen, niet genoeg. Zij hield er van om op haar kamer verschillende schaaltjes met lekkernijen te hebben: gedroogde vijgen, dadels, enz. Zij vond het prettig die dingen te koopen en in de eerste plaats gaf zij ze dan weer aan mij. Ik zal het nooit vergeten en herinner het mij steeds met gewetenswroeging, dat ik haar eens geld voor snoeperijen heb geweigerd. Zij zuchtte diep en zweeg. Ik zat in geldverlegenheid, dat is waar, maar toch kan ik mij nooit zonder wroeging herinneren, dat ik het haar niet heb toegestaan.“Eens—ik was reeds getrouwd en zij begon al te verzwakken—toen ik bij haar op haar kamer kwam, zeide zij, met afgewend gelaat (maar ik zag wel, dat zij op het punt stond in tranen uit te barsten): ‘Zie eens, mes chers amis, mijne kamer is zoo mooi en gij kunt haar zoo goed gebruiken. Wanneer ik hier nu sterf,’ vervolgde zij met bevende stem, ‘dan zal die herinnering u niet aangenaam zijn. Geef mij daarom liever eene andere kamer’.—Zoo is zij altijd geweest, van mijn eerste kinderjaren af, toen ik nog niets kon begrijpen.“Haar kamer was zóó ingericht: in den linkerhoek stond eene chiffonnière met ontelbare kleinigheden die alleen voor haar waarde hadden; rechts het glazen kastje met heiligenbeelden en het groote zilveren Christusbeeld; in het midden bevond zich de divan, waarop zij sliep en daarvoor eene tafel. Naar rechts gaf een deur toegang tot het vertrek van haar kamenier.“Ik heb reeds gezegd, dat tante Tatjana den grootsten invloed op mijn leven heeft gehad, die in hoofdzaak daarin bestond, dat zij mij, reeds in mijne jeugd, deed begrijpen hoe heerlijk het is lief te hebben. Niet met woorden maar door daden leerde zij het mij. Ik zag, ik voelde, hoe goed het haar was lief te hebben en ik begreep het geluk er van.Dat was het eerste gevolg van haar invloed op mij. Ten tweede leerde zij mij de aantrekkelijkheid kennen van een rustig, ongetrouwd leven, maar daarvan zullen wij te zijner plaatse spreken.“Hoewel deze herinnering niet in mijne jeugd thuis behoort, kan ik toch niet nalaten mijn leven met haar te beschrijven, toen ik nog als jonggezel op Jasnaja woonde.”2Wij hebben in het hoofdstuk over Tolstoi’s ouders reeds opgemerkt, dat zijne vertellingKinder-, Jongens- en Jongelingsjarenniet als een auto-biographie kan worden aangemerkt. Die opmerking geldt in hoofdzaak de uiterlijke omstandigheden, door den auteur medegedeeld om het geheel aan te vullen.Wat de schildering betreft van het inwendige van den kind-held kunnen wij verklaren, dat op de een of andere wijze al die zielstoestanden door den auteur zelf zijn beleefd. Wij voelen ons dus gerechtigd onze biographie er mee aan te vullen. Bovendien weten wij dat eenige typen uit dat werk naar het leven zijn geteekend.Zoo is b.v. de Duitscher Karel Iwanowitsch Mayer niemand anders dan Feodor Iwanowitsch Rjessel, de Duitsche onderwijzer, die in werkelijkheid bij de familie Tolstoi heeft gewoond, en dien wij reeds vroeger vermeld hebben. Tolstoi noemt hem ook in zijneEerste Herinneringen. Deze man moet ongetwijfeld een grooten invloed gehad hebben op de geestelijke ontwikkeling van den knaap. Door de bijzondere liefde, waarmee de auteur vanKinderjarenzijne oprechte, eerlijke, goedhartige en liefhebbende natuur teekent, mogen wij aannemen dat deze invloed een goede was.Het is dus niet zonder reden, dat Tolstoi de geschiedenis van zijne jeugd begint met de schildering van dezen persoon.Feodor Iwanowitsch stierf te Jasnaja Paljana en werd begraven bij de kerk.Een tweede persoon die inKinderjarenwordt beschreven is een Joerodiewi3.Deze Grischa heeft niet bepaald bestaan, maar is ongetwijfeld grootendeels naar het leven geteekend. Hij maakte klaarblijkelijk een diepen indruk op Tolstoi’s kinderziel. De volgende roerende woorden zijn aan hem gewijd. Tolstoi geeft daarin een beschrijving van een avondgebed van den Joerodiewi.“Zijne woorden waren onsamenhangend maar treffend. Hij bad voor zijne weldoeners (zoo noemde hij degenen waar hij wel eens mocht komen), voor zijne moeder, voor ons, en voor zich zelf. Hij smeekte dat God hem zijne zware zonden zou vergeven en herhaalde telkens: ‘O God, vergeef ook mijne vijanden!’“Zuchtend richtte hij zich op, en steeds dezelfde woorden herhalend, wierp hij zich ter aarde en richtte zich weer op en lette niet op de zware kettingen, die met een scherp knarsend geluid tegen den grond sloegen....“.... Lang nog bevond Grischa zich in dezen staat van godsdienstige geestvervoering en improviseerde gebeden. Hij herhaalde eenige malen: ‘Heer, vergeef mij’, telkens met sterkeren, grooteren nadruk, ‘Heer, Heer, vergeef mij, leer mij wat ik doen moet’, en sprak met zóóveel uitdrukking, alsof hij dadelijk een antwoord op zijn smeeken verwachtte. Daarop weerklonk een klaaglijk weenen... Hij bleef liggen, geknield, vouwde zijne handen op de borst en zweeg.“—‘Heer, Uw wil geschiede’, riep hij plotseling met volle overtuiging, viel met zijn hoofd op den grond en weende als een kind.“Veel water vloeide er sinds dien naar zee, vele herinneringen aan ’t verleden verloren voor mij hunne beteekenis en werden wazige droombeelden, ook de pelgrim Grischa volbracht reeds lang zijn laatsten tocht, maar de indruk dien hij bij mij te weeg bracht, het gevoel dat hij bij mij wakker riep, zal nooit uit mijne herinnering worden gewischt.“O, groote Christen Grischa! Uw geloof was zoo sterk, gij gevoeldet Gods nabijheid; Uwe liefde was zóó groot, dat de woorden van zelf over uwe lippen stroomden; Gij toetstet ze niet aan het verstand.... en welk een grooten lof bracht Gij het Opperwezen! Toen Gij geen woorden meer vondt, vielt gij weenend ter neer.”4Hebben wij niet het volste recht dien man den eersten prediker van het volksgeloof te noemen, dat geloof, dat Tolstoi’s geest overwon, na de onvruchtbare omzwervingen op het gebied van theologie, filosofie en de exacte wetenschappen, en dat hij op zijn beurt heeft beschenen met het licht van zijn verstand, gereinigd en gestaald door strijd en lijden, de noodzakelijke metgezellen van allen die zoeken naar waarheid.Een bewijs voor het bovenstaande vinden wij in Tolstoi’s herinneringen.“De simpele Grischa is een verdicht persoon. In ons huis kwamen er velen van zijns gelijken, en ik ben er mijn’ opvoeders dankbaar voor, dat zij mij leerden, hen met achting te behandelen.“Al schuilen er ook onoprechten onder hen, al hebben zij ook zwakke oogenblikken, toch is hun levenstaak zóó hoog,hoewel praktisch onuitvoerbaar, dat het mij verheugt, dat ik van mijn kindsheid af, geheel onbewust, het grootsche van hun streven leerde begrijpen. Zij ondervinden wat Marcus Aurelius zegt: ‘er is niets verheveners, dan de verachting te verdragen voor zijn goed leven.’“De lokstem van den roem, die zich verbindt met iedere goede daad, is zoo verderfelijk voor ons, dat men de verzoeking wel moet meevoelen, niet slechts om zich aan den lof te willen onttrekken, maar om de verachting der menschen op zich te laden.“Zoo eene Joerodiewaja waren ook Marja Gherasimowna, de peettante van mijne zuster, en de half waanzinnige Jewdokimoeschka en nog eenigen, die wel in ons huis kwamen.“Wij kinderen hoorden het gebed niet van een Joerodiewi, maar wel van Akim, een waanzinnigen tuinmansjongen. Hij deed zijn gebed in de groote zaal van een zomerhuis en het trof mij diep, dat eenvoudige gebed, tot God gericht als tot een levend mensch.“‘Gij mijn dokter, gij mijn apotheker,’ sprak hij met overtuigend vertrouwen. Daarop zong hij liederen van het laatste gericht: dat God de rechtvaardigen van de zondaars scheidde en den laatsten de oogen volstrooide met geel zand.”In andere, minderwaardige papieren lezen wij van Mimi en haar dochter Katjenka, “zoo iets van een eerste liefde”. Onder den naam Mimi vinden wij de gouvernante van de buren, onder Katjenka een pleegkind der familie terug, door Tolstoi beschreven als Doenjetschka Tjemjeschewa.Van deze Doenjetschka vertelt Tolstoi in zijne herinneringen:“Behalve de broers en mijne zuster woonde van haar vijfde jaar af bij ons in Doenjetschka Tjemjeschewa, en ik moet vertellen, wie zij was en hoe zij bij ons kwam.“Onder het aantal bezoekers, die ik mij nog uit mijne jeugd herinner, bevindt zich o.a. de man van tante Joeschkoff, van wien ik nog veel zal moeten spreken. Hij had een uiterlijk dat kinderen opvalt, zwarte snor, bakkebaarden en een bril op zijn neus. Ten tweede, mijn peetoom S. J. Jaziekoff. Deze had een bijzonder leelijke gestalte, rook altijd naar tabak, had veel te ruim vel op zijn breed gezicht, waarmee hij voortdurend de onmogelijkste grimassen trok.“Behalve onze twee buren Ogarjeff en Isljenjeff, bezocht ons nog een verre bloedverwant van de zijde der Gortschakoffs, de rijke vrijgezel Tjemjeschoff, die heel veel van mijn’ vader hield en hem steeds ‘broeder’ noemde.“Hij woonde op veertig wersten afstand van Jasnaja Paljana, in het dorp Pirogowo, en bracht ons van daar eens varkentjes met krulstaartjes mee, die op een groot blad in de bediendenkamer werden neergezet.“Tjemjeschoff, Pirogowo en de varkentjes zijn in mijne herinnering één. Bovendien kunnen wij kinderen ons hem nog altijd herinneren, zooals hij voor de piano zat. Hij speelde een danswijsje (hij kende er maar één) en wilde dat wij er op zouden dansen. Als wij dan vroegen wat hij eigenlijk speelde, dan antwoordde hij dat op die muziek alles kon worden gedanst. Wij vonden het aardig en dansten er op los.“Het was op een’ winteravond, er was al thee gedronken en wij zouden spoedig naar bed worden gebracht; onze oogen vielen reeds bijna toe, toen plotseling iemand met vlugge, onhoorbare schreden uit de bediendenkamer in het salon trad, waar wij allen in half donker zaten, omdat er maar twee lampen brandden. Hij liep naar ’t midden van de kamer en viel daar op zijne knieën. De brandende pijp met den langen steel, die hij in zijn hand hield, stootte op den grond zoodat het vuur er uitviel, en het gelaat van den knielenden man verlichtte. Die man was—Tjemjeschoff. Wat hij tegenvader zei, terwijl hij voor hem neerknielde, herinner ik mij niet en verstond ik ook niet. Later hoorde ik dat hij zijn onwettig dochtertje Doenjetschka bij zich had, waarover hij reeds vroeger had gesproken en dat door vader tegelijk met ons zou worden opgevoed.“Van dien tijd af kwam Doenjetschka bij ons in huis. Zij had een breed gezicht, was even oud als ik en had een njanja: Jewpraksija. Deze was eene rimpelige oude vrouw; ze had een zak onder aan haar kin als van een kalkoenschen haan, met een balletje er in, dat zij ons liet voelen.“Met de verschijning van Doenjetschka kwam er ook een ingewikkeld contract in ons huis. Tjemjeschoff was zeer rijk. Hij had geen wettige kinderen. De twee meisjes Doenjetschka en Wjerotschka waren zijne natuurlijke dochters. De laatste was mismaakt. Haar moeder was eene gewezen lijfeigene Marfoescha. Tjemjeschoff’s erfgenamen waren zijne zusters. Hij vermaakte haar alles, behalve Pirogowo, waar hij woonde. Dit wenschte hij mijn vader te verkoopen onder voorwaarde, dat de prijs van het goed, 300,000 roebel (men zei van Pirogowo, dat het een goudmijn en veel meer waard was), door vader aan de twee meisjes zou worden betaald. Om dat nu zoo in te richten was men het volgende overeengekomen. Tjemjeschoff maakte een koopbrief op, waarin beschreven stond, dat hij vader het goed verkocht voor 300,000 roebel. Vader gaf nu drie wissels ieder van 100,000 aan Isljeneff, Jaziekoff en en Gljeboff. Ingeval van Tjemjescheff’s overlijden kwam het goed aan mijn’ vader, die dan de geheele som aan de drie houders van de wissels moest betalen, welken het weer aan de twee meisjes zouden uitkeeren. Misschien vergis ik mij met de beschrijving van het contract, maar ik weet zeker, dat het landgoed na vaders dood aan ons kwam en dat er drie wissels waren op naam van Isljeneff, Gljeboff en Jaziekoff.Onze voogd betaalde het geld uit en de twee eersten gaven het op hun beurt aan de meisjes, maar de derde, Jaziekoff, eigende het zich toe. Daarover echter later.“Doenjetschka woonde dus bij ons, was een lief, eenvoudig, rustig, maar dom meisje en daarbij een groote huilebalk. Ik herinner mij, dat ik reeds een weinig Fransch kon lezen en schrijven en dat men mij opdroeg haar de letters te leeren. In ’t begin ging alles goed (wij waren ongeveer vijf jaar), maar later, waarschijnlijk omdat ze moe werd, kon zij de letters die ik haar aanwees niet meer noemen. Ik hield vol, zij begon te weenen, ik ook, en toen er later iemand bij ons kwam, konden wij niet praten, zoo huilden wij. Ook herinner ik me nog, dat er eens een pruim van de schaal was verdwenen en men de schuldige niet kon vinden. Feodor Iwanowitsch zei met een ernstig gelaat, zonder ons aan te zien, dat het niet zoo erg was dat die pruim was opgegeten, maar als we de pit hadden ingeslikt, dan zouden we moeten sterven. Doenjetschka, die den angst niet meer kon verdragen, zei, dat ze de pit had uitgespogen.“Nog herinner ik mij haar vreeselijken tranenvloed, toen eens, onder ’t spelen met mijn broertje Mitjenka, het volgende gebeurde. Het spel bestond daarin, dat zij elkaar een koperen kettinkje in den mond spuwden. Nu spoog zij met zoo’n kracht en hij sperde zijn mond zoo wijd open, dat hij het doorslikte. Doenjetschka weende wanhopig, totdat de dokter kwam en ons allen gerust stelde.“Zij was niet verstandig, maar goed en eenvoudig en daarbij zoo rein, dat er nooit een andere dan een broederlijke verhouding tusschen ons heeft bestaan.”De mededeelingen die Tolstoi doet over de bedienden, die hem in zijn prilste jeugd omringden, zijn schaarsch, maar zeer interessant. Zij vullen de gegevens aan, reeds beschreven in zijn werkKinderjaren.“Onder den naam Natalie Cawischni heb ik inKinderjarenPraskowa Isajewna vrij nauwkeurig beschreven. Alles wat ik van haar vertelde is werkelijkheid. Zij was onze huishoudster en een zeer achtenswaardige vrouw.“Een van de prettigste herinneringen die ik aan haar heb behouden is wel, dat we na of tusschen de lessen in haar kamertje kwamen om met haar te praten en naar haar te luisteren. Zij hield waarschijnlijk van ons om onze heerlijke kinderlijke oprechtheid. ‘Praskowa Isajewna, hoe ging grootvader naar den oorlog? te paard?’, vroegen wij om haar maar aan ’t praten te krijgen. ‘Hij ging te voet en te paard. Daarvoor was hij generaal-en-chef’, en daarbij opende zij een kast, en nam er een stukje hars uit dat zij ‘Koerjen van Otschakoff’ noemde. Volgens haar had grootvader het uit Otschakoff meegenomen. Zij stak een papier aan boven het lampje bij de heiligenbeelden, maakte daarmee het hars aan het branden, dat dan een aangenamen geur verspreidde.“InKinderjarenvertelde ik, dat zij mij eens beleedigde, door mij een slag met een natten vaatdoek te geven. Zij deed mij nog een tweede beleediging aan. Tot haar plichten behoorde ook, dat zij, als het noodig was, ons een lavement zette. Het gebeurde eens op een’ morgen, toen ik al niet meer op de vrouwenafdeeling was, maar onder toezicht stond van Feodor Iwanowitsch. Wij waren opgestaan, de andere broers waren al gekleed, maar ik had me verlaat en wilde juist mijn nachthemd voor mijn kleeren gaan verwisselen, toen Praskowa met haar instrumenten binnentrad. Deze bestonden uit een in een doek gewikkelde spuit, waarvan alleen het uiterste gele pijpje te zien was, en een schoteltje met boomolie, waar zij het pijpje mee bevochtigde. Mij ziende, dacht zij dat ik degene was, voor wie tante de operatie bestemd had. In werkelijkheid was het Mitjenka, die toevallig of met opzet, wel wetende dat hem iets wachttewaar wij geen van allen op gesteld waren, zich vlug had aangekleed en was weggeloopen. En zonder acht te slaan op mijn heilige verzekeringen dat ik de persoon niet was, voerde zij de operatie uit.“Ik hield zoo veel van haar, niet alleen om haar eerlijkheid en toewijding, maar ook omdat zij met het stukje hars van Otschakoff voor mij een vertegenwoordigster was van die geheimzinnige wereld uit den tijd van grootvader.“Anna Iwanowna leefde stil; tweemaal is zij bij ons in huis geweest; toen heb ik haar gezien. Men zei, dat zij wel honderd jaar was. Zij had pikzwarte oogen en één tand. Zij was zoo’n oude vrouw waar kinderen bang voor worden.“De bruine Tatjana Filippowna, met haar kleine handjes, was eene jonge hulp-njanja van Anna Iwanowna, welke laatste ik me bijna niet kan herinneren, want van het oogenblik af dat ik mij mezelf bewust werd, zie ik mij steeds met njanja Annoeschka. En daar ik mij mijzelf in dien tijd bijna niet kan voorstellen, herinner ik me de njanja ook niet.“Njanja Tatjana kan ik mij nog voorstellen omdat zij njanja bij mijn nichtjes werd en later ook bij mijn oudsten zoon.“Zij was een van die aandoenlijke wezens uit het volk, die zoo met hunne pleegkinderen meeleven, dat zij al hun belangstelling op hen overbrengen, terwijl zij voor haar eigen familie slechts de bron zijn, waaruit voor deze het geld vloeit om van te leven. Zij hebben altijd een’ man, broer of zoon die een verkwister is, en verkwisters waren ook de man en zoon van Tatjana Filippowna. Ik herinner mij nog, dat zij stil en gelaten stierf, juist op de plaats waar ik nu deze herinneringen zit te schrijven. Haar broer Nikolaas Filippowitsch was onze koetsier, van wien we niet alleen veel hielden, maar wien we (dat doen de meeste kinderen van de landheeren) groote achting toedroegen. Hij had heel zware laarzen,rook altijd heerlijk naar den stal en had eene vroolijke, welluidende stem.“Nu moet ik spreken van Wassiliï Troebjetzki, onzen bottelier. Hij was een lieve, vriendelijke man, die veel van kinderen dus ook veel van ons hield, maar het meest van Sergius, bij wien hij later in dienst kwam en in wiens huis hij ook stierf. Ik herinner mij zijn goedig gerimpeld gezicht met den vriendelijken scheeven glimlach en ook dien bijzonderen geur, als hij ons op den arm nam of op een blad zette (dat was een van onze grootste genoegens: ‘ik ook, nu ik!’), en ons naar den wijnkelder droeg, die voor ons zoo geheimzinnige plaats met de onderaardsche gang. De duidelijkste herinnering, die ik aan hem heb, is zijn vertrek naar Schtscherbatschewka, een landgoed in de nabijheid van Koersk, dat vader geërfd had van Perowska. Dat vertrek van Wassiliï Troebjetzki viel omstreeks de swjatki5, een’ tijd dat alle kinderen, en ook eenige van de bedienden, in de groote zaal ‘roebeltje rol’ spelen. Van deze swjatki-feesten moet ik nog vertellen. Alle bedienden (’t waren er veel, wel dertig) hadden zich verkleed en kwamen in ons huis. Zij vermaakten zich met allerlei spelen en dansten bij de viool van den ouden Grigoriï, die alleen in dien tijd bij ons kwam. De gecostumeerden stelden meestal beren met berenleiders, geiten, Turken en Turkinnen, Tirolers, roovers, boeren en boerinnen voor. Ik herinner mij, hoe prachtig ik sommige van de gecostumeerden vond en vooral Mascha, die eene Turkin voorstelde. Soms verkleedde tante ons ook. Het meest gewenscht vonden wij een’ gordel met steenen, tule en neteldoek met goud bewerkt, en ik vond mijzelf heel mooi met mijn met kurk geteekende snor. Ik herinner mij dat ik, in den spiegel ziende naar mijn gezicht met zwarte wenkbrauwen, een vergenoegd lachje niet terug kon houden, ofschoonik het ernstige gezicht van een’ Turk moest vertoonen. De gecostumeerden liepen door alle kamers en voorzagen zich van allerlei versnaperingen. Op een van die feesten—ik was toen nog heel jong—kwamen alle Isljeneffs, de vader (de grootvader van mijn vrouw), drie zoons en drie dochters, verkleed bij ons. In onze oogen waren zij prachtig gecostumeerd. De japonnen, de laarzen, de bordpapieren gordels, alles was mooi.“De Isljeneffs kwamen veertig wersten ver en hadden zich in het dorp verkleed. Toen zij in de zaal kwamen ging Isljeneff dadelijk naar de piano en zong met een’ stem, die ik me nu nog herinner, een lied dat hij zelf had gemaakt.“Het gedicht luidde als volgt:Op ’t Nieuwe Jaar zijn wij gekomenEn bieden onze wenschen aan,Als ’t u genoegen heeft gegeven,Gaan wij verheugd hier weer vandaan.“Het was alles zoo wonderbaarlijk en voor de grooteren waarschijnlijk wel mooi, maar voor ons kinderen waren de bedienden toch het allerprachtigst.“De feesten werden gevierd in de dagen na Kerstmis en Nieuwjaar en soms ook nog na Drie-Koningen. Na Nieuwjaar ging het echter niet meer zoo lustig toe. Zoo was het ook op dien dag toen Wassiliï naar Schtscherbatschewka ging. Ik herinner mij, dat we in een’ kring in de bijna donkere zaal zaten op stoelen van rood hout met leeren zittingen, die bij ons thuis gemaakt waren. Wij speelden ‘roebeltje rol’. Een van allen moest den roebel zoeken, dien wij van hand tot hand lieten gaan, waarbij wij zongen: ‘rol roebeltje, rol’. Ik herinner mij, dat een van de vrouwelijke bedienden met een bijzonder prettige stem telkens deze woorden herhaalde. Plotseling ging de deur open en Wassiliï, gelaarsden gespoord, zonder blad of servies, kwam naar binnen en liep recht langs den muur naar de studeerkamer. Nu eerst vernam ik, dat Wassiliï als prikaztschik6naar Schtscherbatschjewka ging. Ik begreep, dat het een bevordering voor hem was. Ik was dus blij voor Wassiliï, maar tegelijkertijd betreurde ik het, niet slechts dat ik van hem moest scheiden, dat hij ons niet meer op het blad zou dragen, maar omdat ik nooit had kunnen begrijpen, nooit had kunnen gelooven, dat er zoo’n verandering kon plaats grijpen. Het werd mij vreemd, treurig te moede en de melodie van ‘rol roebeltje, rol’ deed mij zacht ontroeren. Toen Wassiliï, met zijn vriendelijken, scheeven lach, van tante terug kwam, en ons op den schouder kuste, voelde ik voor de eerste maal den angst voor de onbestendigheid van ’t leven en medelijden en liefde voor den goeden Wassiliï. Toen ik hem later weer zag (ik weet niet of hij een goede of een slechte prikaztschik was), vermoedde ik, dat er in hem geen spoor meer was overgebleven van zijne heilige, broederlijke, menschelijke gevoelens.”7Op eene voor het menschelijk verstand geheimzinnige, onbegrijpelijke wijze, blijven de indrukken onzer prilste jeugd niet alleen bestaan, maar evenals het zaad in vruchtbare aarde tot een jonge, frissche plant wordt, ontwikkelen zich ook in de geheimzinnige diepten onzer ziel onze herinneringen, om plotseling, na jaren soms, in het licht te treden.Zoo waren ook de spelen met de jongere broers als het zaad, waaruit de herinneringen ontsproten; de herinnering aan den berg Fanfaronoff, aan de Moerawjeïsche broeders en aan het groene takje, evenals aan Nikolaas, een anderen broeder, over wiens invloed op Tolstoi’s leven reeds in zijne aanteekeningen is gesproken.Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, Tolstoi’s vader.—Blz. 46.Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, Tolstoi’s vader.—Blz.46.“Ja, de berg Fanfaronoff vertegenwoordigt een van mijn jongste, liefste en gewichtigste herinneringen. Onze oudste broer Nikolaas was zes jaar ouder dan ik. Hij was dus ongeveer tien of elf toen ik vier of vijf jaar telde, het tijdstip waarop hij ons naar den berg Fanfaronoff geleidde. Toen wij nog heel jong waren—hoe het zoo kwam weet ik niet—spraken wij hem aan met ‘U’. Hij was een bewonderenswaardige jongen en werd later een bewonderenswaardig mensch.“Toerghenjeff zeide zeer terecht van hem, dat hij al die gebreken miste, die noodzakelijk zijn voor een’ schrijver. De eigenschappen die hij wel had waren een fijn gevoel voor kunst, een goedhartige, vroolijke humor en een buitengewone, onuitputtelijke, verbeeldingskracht, zóó groot, dat hij zonder ophouden en zonder de gebruikelijke ‘en toen’s’ allerlei sprookjes, spookgeschiedenissen en humoristische verhaaltjes à la madame Radcliffe kon vertellen, met zulk een overtuiging, dat men geheel vergat dat hij fantaseerde. Als hij niet vertelde of las (en lezen deed hij verbazend veel), dan teekende hij. Bijna altijd waren het duivels met horens en omgekrulde snorren, die onderling de meest verschillende groepen vormden en zich met de meest verschillende dingen bezig hielden. Die teekeningen getuigen ook van zijne groote verbeeldingskracht en humor.“Wij broers waren, ik zelf vijf, Mitjenka zes en Serjezja zeven jaren toen die zelfde Nikolaas ons eens vertelde, dat hij een geheim wist, waarmee hij, als hij het openbaarde, alle menschen gelukkig kon maken. Ziekte en verdriet zouden er niet meer zijn, de menschen zouden niet meer twisten en allen zouden elkander liefhebben en Moerawjeïsche8broeders worden. Waarschijnlijk bedoelde hij ‘Moravische broeders’, waarvan hij wel eens gehoord of gelezen had, maar in onze taal heettehet de Moerawjeïsche broeders. Ik herinner mij, dat het woord ‘mier’ ons bijzonder goed beviel; wij dachten daarbij aan een’ mierenhoop. Zelfs vonden wij een spel uit, dat daarop betrekking had. Wij kropen onder een stoel, schoven daar kisten om heen, die we met lappen hadden behangen, en zaten daar dicht opeengedrongen in het donker. Ik herinner mij, dat mij dan altijd eene zachte aandoening, een gevoel van liefde doordrong en ik hield heel veel van dat spel. Van die mieren-broeders had hij ons dus verteld, maar het groote geheim van wat men doen moest, opdat alle menschen gelukkig zouden worden, ziekte noch ongeluk, strijd noch boosheid zouden bestaan, dat, zei hij, stond geschreven op een groen takje en dat takje lag begraven aan den rand van een hollen weg, ‘starai zakas’, op die plaats waar ik (men moet toch ergens begraven worden) ter herinnering aan Nikolaas ook eens wensch te rusten. Behalve dat takje was er nog een berg Fanfaronoff, waar hij ons heen zou brengen, mits wij alle voorwaarden, die hij ons stelde, vervulden. Die voorwaarden luidden: ten eerste in een hoek gaan staan en niet aan den witten beer denken. Ik herinner mij, dat ik in een hoek ging staan en mijn best deed, maar dat het mij nooit gelukte niet aan dien witten beer te denken. Ten tweede: zoo te loopen, dat we alleen de spleet tusschen de planken in den vloer aanraakten, en ten derde mochten wij in een heel jaar niet één haas zien, hetzij levend, geschoten of gebraden. Natuurlijk mochten wij niets van ons geheim vertellen. Diegene, die deze voorwaarden en nog eenige, die Nikolaas ons later zou vertellen, had nageleefd, zou zijne wenschen, welke het ook waren, vervuld zien. Wij moesten zeggen wat wij wenschten. Serjezja wenschte zich, dat hij paarden en kippen in was zou kunnen kneden, en Mitjenka, dat hij groote schilderijen zou kunnen maken. Ik kon niets anders bedenken, dan den wensch om maar kleine dingen te kunnen schilderen.Deze heele geschiedenis werd, zooals dat altijd bij kinderen gaat, heel spoedig vergeten en niemand kwam bij den berg Fanfaronoff, maar nog herinner ik mij de gewichtigheid, waarmee Nikolaas ons in zijne geheimen inwijdde, ons ontzag en onze vrees voor die wonderbare dingen, die hij ons openbaarde. Een zeer sterken indruk heb ik behouden van de Moerawjeïsche broeders en het groene takje, dat iedereen gelukkig zou maken.“Tegenwoordig begrijp ik dat Nikolaas eens gelezen of gehoord had van de vrijmetselaars, van hun streven om de menschen gelukkig te maken en van de geheimzinnige ceremoniën bij het opnemen in hunne orde. Ook van de Moravische broederschap kwam hem wel eens iets ter oore, en zijne verbeeldingskracht, bijgestaan door zijne liefde voor de menschen en voor het goede, weefde alles samen tot het verhaal waarmee hij ons zoo fopte.“Het ideaal der Moerawjeïsche broeders, elkaar lief te hebben en te steunen (niet slechts onder een paar stoelen met kleeden behangen, maar nagestreefd door alle menschen op Gods aardbodem) is nog steeds mijn ideaal. En—zooals ik toen geloofde aan het groene takje, dat alle ellende kon verdrijven, en de menschen het hoogste heil brengen, zoo geloof ik ook nu aan het bestaan eener waarheid, die hun geopenbaard zal worden en hun alles zal geven wat zij belooft.”9De herinneringen aan Tolstoi’s broer Dmitri zullen wij plaatsen onder het hoofdstuk over zijne jongelingsjaren. Hier laten we nog een fragment volgen van de onafgewerkte herinneringen aan zijn broer Sergius, betrekking hebbende op zijne vroegste kindsheid:“Mitjenka en ik waren kameraden, voor Nikolaas gevoeldeik achting, maar Sergius beminde, aanbad ik. Ik wilde ‘hem’ zijn. Ik bewonderde zijne krachtige gestalte, zijn zingen (hij zong altijd), zijne teekeningen, zijne vroolijkheid en vooral, hoe vreemd het ook klinken moge, zijn onafhankelijk egoïsme. Ik onderzocht altijd al mijn daden, luisterde of de menschen goed of kwaad van mij spraken en dat bedierf mijn leven. Daarom bewonderde ik in anderen juist het tegenovergestelde daarvan, dat onafhankelijk egoïsme. Daarom had ik Sergius lief. Het woord, ‘liefhebben’ zegt niets. Nikoljenka had ik lief, maar Sergius aanbad ik, en ik zag in hem een heel bijzonder wezen. Ik bewonderde hem, maar ik begreep hem niet en dat maakte hem voor mij nog veel aantrekkelijker.“Hij stierf dezer dagen en stervende was hij mij nog even onbegrijpelijk en nog even dierbaar als in de dagen onzer kindsheid. De laatste jaren, toen hij ouder werd, hield hij meer van mij, hij waardeerde mijne aanhankelijkheid, was trotsch op mij, trachtte met mij overeen te stemmen maar kon het niet en hij bleef die hij was: geheel bijzonder, geheel zich zelf. Hij was mooi, goed gebouwd, trotsch, maar, meer dan dat alles: hij was tot in den hoogsten graad oprecht en waarheidlievend. Hij was zooals hij was en trachtte zich niet mooier noch minder voor te doen.“Met Nikolaas wilde ik gaarne samen zijn, met hem praten, met hem overleggen. Sergius wilde ik slechts navolgen. Toen we nog heel jong waren begon het reeds. Hij hield kippen en kuikentjes en ik hield kippen en kuikentjes. Dat waren waarschijnlijk mijn eerste navorschingen op het gebied van de dierenwereld. Ik herinner mij nog de verschillende soorten: grijze en bonte kippen, en kippen met pluimen, en alle kwamen zij naar ons toe, als wij ze riepen om gevoerd te worden. Den Hollandschen haan mochten wij niet lijden, want die was niet goed voor de kippen. Sergius had gevraagd, kippen te mogen houden, en ik vroeg het ook. Sergiusteekende, en mij leek het prachtig, op een groot stuk papier, in verschillende kleuren, kippen en hanen. Ik deed het ook, maar leelijk. Op dit gebied had ik juist gehoopt mij te volmaken, door middel van den berg Fanfaronoff. Sergius kwam eens op de gedachte, toen de ramen weer ingezet waren, de kippen met lange worstjes, die hij van worst en wittebrood had gemaakt, door het sleutelgat te voeren en—ik deed hetzelfde”10.Wij laten hier nog een paar losse herinneringen volgen, die ons ook door Tolstoi zijn verstrekt, maar die, evenals het grootste gedeelte der herinneringen uit zijn kinderjaren, niet in chronologische volgorde geplaatst kunnen worden. Toch zou het jammer zijn, ze niet te plaatsen, daar zij ons helpen het beeld van Leo Tolstoi’s kinderjaren te voltooien.“Eene herinnering aan eene onbelangrijke gebeurtenis, die een sterken indruk bij mij naliet. Het staat mij voor als volgt.“In onze kinderkamer op de bovenverdieping zit Tjemjeschoff en praat met Feodor Iwanowitsch. Ik herinner mij niet waarom het gesprek over de vasten liep, maar Tjemjeschoff, de goedhartige Tjemjeschoff, zei heel gewoon: ‘mijn kok (’t kan ook knecht zijn, dat weet ik niet meer) kreeg het in zijn hoofd eene vleeschspijs te gaan eten; ik heb hem weggezonden om soldaat te worden’. Ik heb het onthouden omdat het toen voor mij zoo vreemd, zoo geheel onbegrijpelijk was.“Eene andere gebeurtenis. De erfenis Perowski. Ik herinner mij een hoog bevrachten wagen, die uit Neroetsch kwam, toen het proces over de erfenis, dank zij Ilija Mitrofanowitsch, gunstig voor ons was afgeloopen. Ilija Mitrofanowitsch was een dronkaard. Hij was reeds een oude man, groot, met langhaar, een gewezen lijfeigene van Perowska, een groot kenner (zooals dat vroeger meer voorkwam) van contracten. Hij had het proces gevoerd, het gewonnen, en woonde daarvoor tot aan zijn dood te Jasnaja Paljana.“Nog een indruk. Aankomst van Peter Iwanowitsch Tolstoi, den vader van Walerian, den man van mijne zuster. Hij kwam in een chambercloak in de ontvangkamer; wij begrepen niet waarom, maar hoorden later, dat het was omdat hij in het laatste stadium van tering verkeerde. Een andere indruk. De aankomst van zijn’ broeder Feodor Tolstoi, den bekenden Amerikaan. Ik herinner mij dat hij in een wagen met postpaarden kwam aanrijden, naar vader in de studeerkamer ging en zijn eigen hard Fransch brood vroeg; ander brood at hij niet. Broer Sergius had juist erge tandpijn. De Amerikaan vroeg wat hem scheelde, en toen hij ’t wist, beweerde hij de pijn door magnetisme te kunnen verdrijven. Hij ging naar de studeerkamer, sloot de deur, en kwam terug met twee batisten zakdoeken. Ik herinner mij, dat ze een lila rand hadden. Hij gaf tante de beide zakdoeken en zei: ‘als hij dezen omdoet, dan zal de pijn weggaan, en dezen, dan gaat hij slapen’. Sergius nam de zakdoeken, deed ze om en wij hebben den indruk behouden, dat het juist zoo ging als ons voorspeld was.“Ik herinner me hem nog, met zijn mooi gebronsd gezicht. Hij droeg geen vollen baard, maar wel een dichten grijzen bakkebaard, die tot aan zijn mondhoeken groeide. Zijn hoofdhaar was grijs en krullend. Ik zou nog heel veel willen vertellen van dezen ongewonen, verdorven, maar toch zoo aantrekkelijken man!”Wij zullen dit hoofdstukKinderjarenbesluiten met de poëtische herinnering uit een vroeger uitgegeven werk van Tolstoi.“Gelukkige, gelukkige kinderjaren, die nooit meer terugkomen! Wie zou zich niet verlustigen in hunne herinnering? Mij zijn ze een bron van het heerlijkst genot, zij verheffen, zij verlichten mijne ziel.... Na het gebed, in de koesterende dekens, als de ziel zoo licht is, zoo klaar, zoo blij, begint de fantasie haar werk. Wat schildert zij? Te grijpen zijn haar beelden niet, maar zij zijn vol van reine liefde en hoop op rein geluk.—Dan dacht ik aan Karel Iwanowitsch, den eenigen man van wien ik wist dat hij ongelukkig was, en aan zijn bitter lot, en mijn medelijden was zoo groot en mijn liefde zoo innig, dat tranen uit mijne oogen vloeiden en ik bad: ‘God, geef hem geluk en stel mij in staat hem te helpen en zijne smart te verlichten; ik ben geheel bereid mij voor hem op te offeren’. Dan weer bewonder ik het liefste porseleinen speelgoed—het haasje of den hond—weggedrukt in een hoekje van het donzen kussen; hoe heerlijk warm en gemakkelijk ligt het daar! En nog weer een gebed tot God om geluk en tevredenheid voor allen, om mooi weer voor de wandeling van morgen; dan keer je je om en je valt in slaap, zoo rustig en stil, het gelaat nog nat van tranen. Zullen zij ooit terugkeeren, die frischheid, die zorgeloosheid, die behoefte aan liefde, dat krachtig geloof, die schatten van onze kinderjaren? Welke tijd kan beter zijn dan die, waar de twee grootste deugden, de onschuldige vroolijkheid en de oneindige behoefte aan liefde de eenige drijfveer zijn van ’t leven? Waar zijn die vurige gebeden? Waar het heerlijkste geschenk, die reine traan van mededoogen?“Een engel der vertroosting kwam en wischte met zijn’ glimlach onze tranen af en zachtkens wuivend blies zij droomen in onze onbedorven kinderziel.“Heeft het leven dan zulke diepe sporen in mijn hart gegrift, dat de zaligheid der tranen voor eeuwig voor mij verloren ging?”1Een pleegkind (zie volgend hoofdstuk).2Uit Tolstoi’s ongecorrigeerde aanteekeningen.3Een onnoozele.4Uit de verzamelde werken van Tolstoi.5De tijd van Kerstmis tot aan Drie-Koningen.6Prikaztschik kan verschillende beteekenissen hebben, maar wijst altijd op eene betrekking in den handel. Het handschrift geeft geen verdere aanwijzing.7Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.8Moerawjeï = mier.9Uit de ongeconigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.10Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.

Tweede deel.Kinderjaren, jongensjaren en jongelingsjaren.1828–1851.Vierde hoofdstuk.Kinderjaren.“Ik ben geboren en bracht mijn kinderjaren door te Jasnaja Paljana.”Met deze woorden begint Tolstoi ons zijne herinneringen mede te deelen. Wij achten het niet overbodig, vóór wij verder gaan, iets naders te vertellen van dit merkwaardige plekje gronds, dat, zooals wij allen weten, eene wereldberoemdheid heeft verkregen. Welke gasten heeft Jasnaja Paljana al niet geherbergd! Bewoners van den Maleischen Archipel, Australiërs, Japanners, Amerikanen, vluchtelingen uit Siberië en verder tallooze vertegenwoordigers van alle Europeesche landen kwamen er, gaven het bekendheid en verspreidden tot in de uiterste hoeken der aarde, de woorden en gedachten van den grooten grijsaard, die het bewoont.Jasnaja Paljana is het stamgoed van de vorsten Wolkonski, gelegen 15 wersten ten zuiden van Toela, bijna op de grens van dat gouvernement. Dicht bij het landgoed komen drie wegen te samen, vertegenwoordigende drie verschillende tijdperken. De oude met gras begroeide Kiefsche weg, de nieuweKiefsche chaussée en de Moskou-spoorbaan. Tolstoi’s huis, staande in eene schoone heuvelachtige streek, die van ’t Oosten naar ’t Westen door een prachtig bosch in twee deelen wordt gescheiden, ligt drie en een half uur verwijderd van het naaste station. Deze landstreek draagt den naam Zasjeka, die ons wijst op die tijden, toen de Slavische bevolking voor de invallen van de Krim-Tartaren en andere Mongoolsche volken moest terugwijken. Om zich tegen die vijandelijke horden te beschermen, wierp zij versperringen op, gemaakt van boomen, die men eerst moest omkappen (zasjektj), vandaar de naam Zasjeka.Tegenwoordige ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Tegenwoordige ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz.57.Het huis waar Leo Tolstoi werd geboren staat niet meer te Jasnaja Paljana. Het werd het eerst bewoond door zijn’ grootvader, daarna door zijn’ vader, ten slotte verkocht aan een buurman Gorochoff en verplaatst naar het dorp Dolgom, op 30 wersten afstand van Jasnaja Paljana. Tolstoi had namelijk omstreeks 1850 veel geld noodig en gaf daarom een van zijn familieleden last het te verkoopen. ’t Groote heerenhuis, met zijn pilaren en balcons, werd voor eene betrekkelijk geringe som, 5000 roebel, verkocht. Uit een’ brief van Tolstoi aan zijn’ broer blijkt, dat het hem zwaar viel tot den verkoop over te gaan, maar dat hij het geld noodig had. Het huis staat nu in het dorpje Dolgom, verlaten met gebroken ruiten. De twee nu bestaande Jasnaja-Paljanische huizen zijn opgetrokken uit de twee vleugels, die vroeger naast het groote, thans verkochte, huis stonden. De plek waar dit vroeger stond is gedeeltelijk met boomen beplant. Verder wordt er croquet gespeeld, terwijl de overblijvende ruimte gebruikt wordt om er bij mooi weer ’s middags te eten.Vóór de huizen bevinden zich tegenwoordig bloemperken, er achter een groote tuin met vijver en een lindenallée, wier boomen reeds honderden jaren oud zijn. Het geheel wordt omringd door eene gracht met wallen. Bij den ingangstaan twee witgeverfde baksteenen torens, waar, volgens zeggen van oude lieden, vroeger eene wacht was geplaatst. Langs dezen toren bereikt men het huis door eene berkenlaan, het zoogenaamde “prospekt”.Achter den ouden tuin bevindt zich nog een boomgaard met vruchtboomen, die onder Tolstoi’s persoonlijke leiding zijn geplant. De geheele aanplanting, gelegen tegen een’ heuvel, wordt door het dichte groen aan ons oog onttrokken.Van de geboorte van Leo Tolstoi weten we helaas geen andere bijzonderheden, dan die, welke Zagoskin ons heeft verstrekt.“In het jaar 1828, den 28stenAugustus, werd graaf N. I. Tolstoi te Jasnaja Paljana een zoon, Leo, geboren. Hij werd 29 Aug. gedoopt door den geestelijke Wassiliï Mosjaïski, met den diaken Archip. Iwanowitsch, den dijatschek Alexander Feodorowitsch en den ponomar Feodor Grigorjewitsch. De landeigenaar Sjemon J. Jaziekoff en gravin Pelageja Tolstaja waren peter en meter.”Dat is alles wat wij van Tolstoi’s geboorte vernemen. Van zijn prilste jeugd weten wij reeds veel interessante bijzonderheden. Zelden kan een schrijver beschikken over de eerste autobiographische gegevens van de persoon, die hij wil beschrijven. In zijneEerste Herinneringenbeschrijft Tolstoi zijne vroegste gewaarwordingen, de vage indrukken van zijn eerste levensjaar.Wij geven deze herinneringen onveranderd, geheel zooals ze zijn neergeschreven.“Ziehier mijne vroegste herinneringen, die ik niet in geregelde orde op elkaar kan laten volgen, omdat ik niet weet, wat eerst of wat later gebeurde. Van enkele weet ik zelfs niet of zij de werkelijkheid of slechts droomen weergeven.“Ik lig vastgebonden. Ik wil mijne armen uitslaan en ik kan het niet. Ik schreeuw en ween en dat schreeuwen doetmij zelf onaangenaam aan, maar ik kan het niet laten. Iemand heeft zich over mij heengebogen, ik herinner me niet wie, en alles is als in schemering gehuld. Ik herinner mij, dat er twee menschen stonden; mijne kreten maken indruk op hen, zij maken zich ongerust over mijn huilen, maar ze maken mijne banden niet los. En dat wilde ik toch en ik ga nog harder schreien. Zij denken dat het noodig is (dat wil zeggen, dat ik gebonden blijf), terwijl ik weet dat het niet zoo behoeft te zijn. Ik wil het hun bewijzen. Ik stoot een gil uit, waar ik zelf van gruw, maar ik kan het niet laten. Ik voel dat niet de menschen onrechtvaardig en slecht voor mij zijn, maar het is het noodlot en ik heb medelijden met mij zelf. Ik weet niet en ik zal het nooit te weten komen wat dit is geweest. Bonden zij mij vast toen ik nog een bakerkindje was en wilde ik mijne armen vrij hebben, of bonden zij mij, toen ik reeds meer dan een jaar was, opdat ik een uitslag niet zou openkrabben? Verzamelde ik in deze ééne herinnering meer indrukken, zooals dat veel in droomen geschiedt? Zeker is het, dat deze de eerste en heftigste gewaarwording in mijn leven is. Het is niet de herinnering aan mijne kreten, mijne kwellingen, die zich aan mij opdringt, maar aan de verwikkelingen, de tegenstrijdigheden van het leven. Ik wilde vrij zijn, niemand zou er door lijden, en ik, die sterk moest zijn, ben zwak en zij zijn sterk.“Een andere, vroolijke indruk. Ik zit in eene tobbe en mij omringt een nieuwe, aangename geur van een of ander iets, waarmee men mijn klein lichaampje inwrijft. Waarschijnlijk was het een poeder, misschien in het water in de tobbe, maar de indruk van het poeder heeft mij wakker geschud. Voor het eerst zag ik en ging ik houden van mijn lichaampje met de kleine ribben, werd ik de donkerkleurige gladde tobbe gewaar, de opgestroopte mouwen van de njanja, het warme dampende water, het geplas, en vooral het gevoel van de natte randenvan de tobbe, als ik er met mijn handjes aan kom.—Het is vreemd en angstig te bedenken, dat ik mij, behalve deze twee, niet één indruk kan herinneren van mijn geboorte tot aan mijn derde jaar; van dien tijd af, dat men mij voedde aan de borst, mij speende, dat ik begon te kruipen, te loopen en te spreken. Wanneer toch ontwaakte mijn bewustzijn? Wanneer begin ik te leven en waarom verheugt het mij, als ik mij het verleden kan herinneren, en waarom beangstigt het mij (en met mij vele anderen), mij te verplaatsen in dien toestand van vergetelheid waarvan geen herinnering blijft die zich door woorden laat vertolken? Leefde ik dan niet in dien tijd toen ik leerde zien, hooren, begrijpen, praten, toen ik sliep, toen men mij voedde aan de borst en ik die kuste, toen ik lachte en mijne moeder vreugde schonk? Ik leefde en mijn leven was gezegend. Verwierf ik dan niet in die dagen alles waarmee ik nu leef, en verkreeg ik niet zoo snel zoo veel, dat in ’t geheele verdere leven niet een honderdste gedeelte daarvan verworven werd? Van den vijfjarigen knaap tot den man, die ik nu ben,—is slechts een schrede. Van de geboorte tot het vijfde jaar—een ontzettende afstand. Tusschen de geboorte en de kiem ligt een afgrond. Tusschen het niet-zijn en de kiem ligt niet slechts een afgrond maar het mysterie. Ruimte, tijd en oorzaak zijn vormen der gedachten; ons leven staat daar buiten; en toch is ons geheele leven een meer en meer volkomen onderwerping aan die vormen en later weer een vrijmaking er van.“Mijne volgende herinneringen hebben betrekking op den tijd, toen ik reeds vier of vijf jaar was. ’t Zijn er nog maar weinige en zij bepalen zich uitsluitend tot hetgeen binnen de vier muren gebeurde. Tot aan mijn vijfde jaar bestond de natuur niet voor mij en al wat ik mij herinner valt voor in de kamer of in mijn bedje.“Er bestaan voor mij geen gras, geen bladeren, geen hemel,geen zon. Het is niet aan te nemen dat men mij nooit bloemen of bladeren gaf om mee te spelen, dat ik het gras nooit zag, of men mij nooit beschutte tegen de zon. Toch heb ik tot mijn vijfde of zesde jaar geen herinnering aan datgene wat wij de natuur noemen. Misschien ook moet men zich eerst van haar verwijderen om haar te leeren zien, en ik was immers zelf natuur.“De herinnering, die op de tobbe volgt, is die aan ‘Jerjemjejewna’, het woord waarmee men ons als kinderen bang maakte. Ik lig in mijn bedje en ben vroolijk en opgeruimd, zooals altijd. Ik zou mij ook niets hebben herinnerd, als niet plotseling de njanja, of iemand anders, die voor mij het leven vertegenwoordigde, iets met een vreemde stem gezegd had en was weggegaan. Ik word vroolijk en angstig tegelijk. Ik herinner mij, dat ik niet alleen was, maar dat er nog iemand was zooals ik. (Waarschijnlijk was het mijn zusje Maschenka, wier bedje op dezelfde kamer stond.) Ik herinner mij dat er een gordijn om mijn bedje hangt en mijn zusje en ik, wij verheugen ons en hebben toch ook angst voor het vreemde, dat er om ons is. Ik verstop mijn hoofd in het kussen en gluur toch naar de deur en verwacht van dien kant iets vreemds en prettigs en ben toch angstig. Wij lachen en wij kruipen weg en wij wachten. En daar komt iemand in een kleed en met een muts zooals ik nog nooit heb gezien, maar ik voel dat het iemand is, die zich altijd in onze omgeving bevindt (de njanja of tante, dat weet ik niet), en die iemand zegt met eene bromstem iets vreeselijks van stoute kinderen en van Jerjemjejewna. Ik schreeuw van angstig genot, ik word bang en verheug me dat ik angst heb, en ik wil niet dat zij die mij angstig maakt weet dat ik haar herken.“Wij worden stil en zwijgen, maar gaan dan weer met elkaar fluisteren, in de hoop Jerjemjejewna nog eens weer te zien verschijnen.“In mijn geheugen hangt nog eene herinnering, waarschijnlijk van lateren datum, want zij is helderder maar toch altijd onbegrijpelijk voor mij gebleven. De hoofdrol speelt onze Duitsche onderwijzer Feodor Iwanowitsch. Ik weet heel zeker, dat ik nog niet onder zijn toezicht stond, dus moet het zijn gebeurd voordat ik vijf jaar was. Het is de eerste maal dat hij in mijne herinnering voorkomt, en ik moet nog heel jong geweest zijn, daar ik mij niemand, vader, noch broeder, noch iemand anders kan voorstellen. Zoo ik één herinnering heb, dan is ’t die aan mijn zusje, en dat komt dan door onzen gemeenschappelijken angst voor Jerjemjejewna.“Met de herinnering aan Feodor Iwanowitsch verbindt zich tevens de indruk, dat wij eene tweede verdieping op ons huis hebben. Hoe ik er kwam, of ik er heen liep of dat men mij er heen droeg, dat kan ik mij niet meer te binnen brengen, maar ik weet dat wij met velen zijn, wij draaien in een kring en houden elkaar bij de hand. Ik weet ook, dat er vreemde vrouwen bij zijn en ik denk (waarom weet ik niet), dat het waschvrouwen zijn. Wij loopen in het rond en springen en huppelen en Feodor Iwanowitsch springt ook mee en werpt zijn beenen te hoog in de lucht en maakt te veel leven, en op dat zelfde oogenblik voel ik, dat wat hij doet niet goed, dat het verdorven is; ik begin hem plotseling te zien; ik geloof dat ik ging weenen, en—het is uit.”Hier moeten we een geschiedenis inlasschen van Maria Nikolajewna, het zusje van Tolstoi.“Wij sliepen met ons drieën op één kamer: ik, Lewotschka (Leo) en Doenjetschka1. Wij speelden altijd samen en vormden een heel afzonderlijk groepje, afgescheiden van de andere broers, die altijd met hun’ gouverneur beneden waren.“Het liefst van alles speelden wij ‘Milaschka’ (lieveling).Een van ons drieën stelde Milaschka voor, d.w.z. het kind dat door allen vertroeteld wordt. Men legt het te slapen, voedt het, verpleegt het, in één woord: houdt er zich voortdurend mee bezig. Milaschka moet volgens de regelen van het spel zich blijmoedig onderwerpen aan alles wat men met hem doet en zonder morren zijne rol vervullen.“Ik herinner mij eens het verdriet en de ellende toen onze Milaschka (meestal was dat Leo) door het langdurig schommelen werkelijk in slaap was gevallen. Volgens het programma had hij moeten huilen, dan zou men hem medicijnen geven, hem wrijven enz... De slaap echter maakte plotseling een einde aan ons spel, en bracht ons uit het rijk der verbeelding tot de werkelijkheid terug”.“Dit is alles wat ik mij herinner tot aan mijn vijfde jaar. Niet mijne njanja, niet de tantes, geen broers, zuster, vader, kamer of speelgoed, niets kan ik mij te binnen brengen. Mijne indrukken beginnen vorm aan te nemen van den tijd af, toen men mij naar beneden bracht bij Feodor Iwanowitsch en de grootere knapen. Bij mijne verhuizing naar beneden kreeg ik voor het eerst en daarom des te sterker het besef van plichtsgevoel, het bewustzijn zijn kruis te moeten dragen, zooals het den mensch betaamt. Het deed mij verdriet, met mijne gewoonten (de gewoonten van mijn geheele leven) te moeten breken. Treurig was het, poëtisch treurig, te moeten scheiden, niet zoo zeer van de menschen, van mijne zuster, de njanja en tante, als wel van mijn bedje, mijn gordijntje, mijn kussen, en met angst ging ik naar beneden. Ik deed mijn best het vroolijke in dit nieuwe leven op te zoeken, ik trachtte geloof te schenken aan de lieve woorden waarmee Feodor Iwanowitsch mij tot zich lokte, ik trachtte de verachting niet te zien waarmee de oudere jongens mij, den jongeren, ontvingen; ik wilde mij opdringen dat het voor een grooten jongen schande was alleenmet meisjes om te gaan, dat er niets moois was in het leven daarboven bij de njanja, maar—op mijn borst drukte een zware last en droevig was het mij te moede. Ik was er van overtuigd, dat ik schier onherroepelijk mijne onschuld en mijn geluk verloor. Slechts het bewustzijn van mijn plicht te doen, mijn gevoel van eigenwaarde, hield mij staande. Vele jaren later, aan een kruisweg gekomen, een nieuw leven beginnend, voelde ik weer diezelfde gewaarwordingen. Een groote smart vervulde mij om hetgeen ik onherroepelijk had verloren. Ik kon maar niet gelooven dat het ooit zou gebeuren! Hoewel men er mij op had voorbereid dat ik naar beneden, naar de grooteren moest gaan, kreeg ik het gevoel alsof met het jasje, dat men mij aantrok, de wereld op de bovenverdieping voor mij werd afgesloten. Nu zag ik voor het eerst andere personen dan die mij tot nu toe hadden omringd, en voor het eerst eene hoofdpersoon, met wie ik toch reeds lang was saamgeweest, maar die ik niet had opgemerkt. Dat was mijne tante Tatjana. Ik herinner mij de flinke, teedere, goede, barmhartige, niet groote vrouw met haar zwarte haren. Zij kleedde mij aan en kuste mij, en ik begreep dat zij voelde zooals ik, dat ook zij het betreurde, het diep betreurde, maar dat het moest.“Voor de eerste maal voelde ik, dat het leven geen spel, maar een moeielijke taak is. Zal ik niet het zelfde voelen als ik eens ga sterven, en begrijpen, dat ook de dood en het volgend leven geen spel zijn?“5 Mei 1878.”Van deze Tatjana Alexandrowna geeft Tolstoi de volgende interessante beschrijving:“Tatjana Alexandrowna Jergolskaja was, na mijn vader en mijne moeder, de persoon die den meesten invloed op mijn leven heeft uitgeoefend. Zij was eene verre bloedverwant vanmijne grootmoeder van de zijde der Gortschakoffs. Zij en haar zuster Liza, die later met graaf Peter Iwanowitsch Tolstoi trouwde, bleven, heel jong nog, als weezen achter.“Hun broers werden door de familie aan een of andere betrekking geholpen. Mijne grootmoeder en de waardige invloedrijke Tat. Sjem. Skoeratowa namen de beide meisjes tot zich. Het lot heeft beslist waar zij zouden wonen. Twee biljetten met hare namen werden onder de heiligenbeelden neergelegd, een gebed werd gedaan en de biljetten werden getrokken. Zoo gebeurde het, dat Lizanka naar Tatj. Sjemjojewna ging en de zwarte Tatjana, Tanitschka zooals men haar bij ons noemde, naar mijne grootmoeder. Zij werd geboren in 1795, was ongeveer even oud als mijn vader, en werd geheel als mijne tantes opgevoed. Allen hielden veel van haar, en dat kon ook niet anders bij haar ferm, energiek en toch zelfopofferend karakter. Het volgende, dat zij ons eens vertelde en waarbij zij ons een groot litteeken even onder den elleboog liet zien, geeft een juist beeld van haar.“Als kinderen lazen zij eens de geschiedenis van Mucius Scaevola en begonnen te twisten over de vraag of een van allen hem dat wel na zou durven doen. ‘Ik zal het doen,’ zei Tatjana. ‘Je doet het toch niet,’ zei Jaziekoff, mijn peetoom, en hield, ook weer karakteristiek voor hem, eene liniaal zoo lang in een kaars, tot ze gloeiend was en rookte. ‘Leg die nu tegen je arm,’ zei hij. Zij strekte haar blanken arm uit (de meisjes hadden toen altijd korte mouwen) en Jaziekoff drukte er de gloeiende liniaal tegen aan. Zij fronste haar wenkbrauwen maar trok haar arm niet terug, en steunde slechts even toen met de liniaal het vel van haar arm werd afgetrokken. De ouderen, die de wonde zagen en vroegen hoe zij daar aan kwam, kregen ten antwoord, dat zij het zelf gedaan had, omdat ze wilde ondervinden, wat Mucius Scaevola had gevoeld.Silhouet van Tolstoi’s moeder en haar zuster als kinderen.—Blz. 39.Silhouet van Tolstoi’s moeder en haar zuster als kinderen.—Blz.39.“Zoo was zij in alles, vlug besloten en zelfopofferend.“Haar voorkomen moet zeer innemend geweest zijn, met haar zwart, dik, krullend haar, donkere oogen en levendige, energieke trekken. W. M. Joeschkoff, de man van mijne tante Pelageja, een echte don Juan, zei dikwijls—hij was toen reeds een grijsaard—op een’ toon zooals men van eene vroegere liefde spreekt: ‘Toinette, oh, elle était charmante!’“Toen ik haar leerde kennen was zij reeds over de veertig, en ik dacht er nooit over na of zij mooi was of niet. Ik hield eenvoudig van haar, ik hield van haar oogen, van haar glimlach, van haar bruine, breede, kleine hand, met de energieke lijnen. Het is wel aan te nemen, dat zij vader beminde en vader haar. Toch is zij nooit met hem getrouwd. Niet in haar jeugd, omdat vader met mijne rijke moeder zou kunnen trouwen, en later niet, omdat zij de reine, poëtische verhouding niet wilde bederven die er bestond tusschen haar en vader, en ook tusschen haar en ons. Onder haar papieren, in haar met kralen bewerkte portefeuille, bevindt zich het volgende, geschreven in 1836, zes jaren na den dood van moeder:“‘16 Aug. 1836. Nikolaas heeft mij heden eene vreemde vraag gedaan, namelijk om met hem te trouwen, de moeder te worden van zijne kinderen en hen nooit te verlaten. Het eerste voorstel heb ik geweigerd, het tweede heb ik aangenomen, en ik zal de belofte nakomen, zoolang als ik leef.’“Dit heeft zij neergeschreven, maar nooit heeft zij er met ons of met wien ook over gesproken. Na den dood van mijn’ vader vervulde zij de tweede van zijne wenschen. Wij hadden twee echte tantes en eene grootmoeder. Die hadden allen een grooterrechtop ons dan Tatjana, die wij maar tante noemden en die zoo’n ver verwijderd familielid was, dat ik nooit kon begrijpen, hoe zij eigenlijk tot ons in betrekking stond. Het recht der liefde evenwel bezorgde haarde eerste plaats bij onze opvoeding en wij hebben dat ook steeds gevoeld.“Ik hield van haar, hartstochtelijk, overweldigend en teeder.“Ik herinner mij, dat ik mij eens in het salon (ik was toen ongeveer vijf jaar) dicht tegen haar aan vleide. Streelend beroerde zij mijne hand. Ik greep die hand, kuste haar en begon van teedere liefde tot haar te weenen.“Zij was opgevoed als eene dame van goeden huize, sprak en schreef beter Fransch dan Russisch, speelde heel goed piano, maar had de toetsen in geen dertig jaren aangeraakt. Zij begon eerst weer toen ik, reeds volwassen, het ging leeren. Wij speelden soms wel eens vierhandig en dan verbaasde zij mij door haar correct, voortreffelijk spel. Zij was heel goed voor de bedienden, gaf hun nooit booze woorden; de gedachte aan roede of knoet kon zij niet verdragen, maar toch dacht zij: ‘lijfeigenen zijn lijfeigenen,’ en was tegenover hen geheel de meesteres. Desondanks hielden zij meer van haar dan van één der anderen. Toen zij stierf en door het dorp werd gedragen, kwamen alle boeren uit hunne huizen en zeiden de gebeden der stervenden.De hoofdtrek van haar karakter was liefde. Gaarne had ik gewild, dat die zich tot één mensch, tot mijn’ vader, had bepaald. Haar liefde echter voor hem straalde af op ons allen. Ons had zij lief om hem, allen had zij lief door hem, haar heele leven was liefde.“Hare groote liefde gaf haar zedelijk recht op ons, maar onze eigen tantes, vooral Pelageja Ilinischna, toen zij ons naar Kazan bracht, hadden de uiterlijke rechten. Tatjana voegde zich hier naar en hare liefde voor ons verminderde er niet door. Zij woonde toen bij haar zuster Liza A. Tolstoi, maar met haar hart was zij bij ons, en zoo spoedig mogelijk keerde zij tot ons terug. Het was voor mij een groot geluk, dat zij den laatsten tijd van haar leven, ongeveer twintig jaren, bij mij op Jasnaja Paljana doorbracht. Jammer is het, datwij ons geluk, vooral zoo’n groot innig geluk, nooit naar waarde schatten. Ik stelde het op prijs, maar niet volkomen, niet genoeg. Zij hield er van om op haar kamer verschillende schaaltjes met lekkernijen te hebben: gedroogde vijgen, dadels, enz. Zij vond het prettig die dingen te koopen en in de eerste plaats gaf zij ze dan weer aan mij. Ik zal het nooit vergeten en herinner het mij steeds met gewetenswroeging, dat ik haar eens geld voor snoeperijen heb geweigerd. Zij zuchtte diep en zweeg. Ik zat in geldverlegenheid, dat is waar, maar toch kan ik mij nooit zonder wroeging herinneren, dat ik het haar niet heb toegestaan.“Eens—ik was reeds getrouwd en zij begon al te verzwakken—toen ik bij haar op haar kamer kwam, zeide zij, met afgewend gelaat (maar ik zag wel, dat zij op het punt stond in tranen uit te barsten): ‘Zie eens, mes chers amis, mijne kamer is zoo mooi en gij kunt haar zoo goed gebruiken. Wanneer ik hier nu sterf,’ vervolgde zij met bevende stem, ‘dan zal die herinnering u niet aangenaam zijn. Geef mij daarom liever eene andere kamer’.—Zoo is zij altijd geweest, van mijn eerste kinderjaren af, toen ik nog niets kon begrijpen.“Haar kamer was zóó ingericht: in den linkerhoek stond eene chiffonnière met ontelbare kleinigheden die alleen voor haar waarde hadden; rechts het glazen kastje met heiligenbeelden en het groote zilveren Christusbeeld; in het midden bevond zich de divan, waarop zij sliep en daarvoor eene tafel. Naar rechts gaf een deur toegang tot het vertrek van haar kamenier.“Ik heb reeds gezegd, dat tante Tatjana den grootsten invloed op mijn leven heeft gehad, die in hoofdzaak daarin bestond, dat zij mij, reeds in mijne jeugd, deed begrijpen hoe heerlijk het is lief te hebben. Niet met woorden maar door daden leerde zij het mij. Ik zag, ik voelde, hoe goed het haar was lief te hebben en ik begreep het geluk er van.Dat was het eerste gevolg van haar invloed op mij. Ten tweede leerde zij mij de aantrekkelijkheid kennen van een rustig, ongetrouwd leven, maar daarvan zullen wij te zijner plaatse spreken.“Hoewel deze herinnering niet in mijne jeugd thuis behoort, kan ik toch niet nalaten mijn leven met haar te beschrijven, toen ik nog als jonggezel op Jasnaja woonde.”2Wij hebben in het hoofdstuk over Tolstoi’s ouders reeds opgemerkt, dat zijne vertellingKinder-, Jongens- en Jongelingsjarenniet als een auto-biographie kan worden aangemerkt. Die opmerking geldt in hoofdzaak de uiterlijke omstandigheden, door den auteur medegedeeld om het geheel aan te vullen.Wat de schildering betreft van het inwendige van den kind-held kunnen wij verklaren, dat op de een of andere wijze al die zielstoestanden door den auteur zelf zijn beleefd. Wij voelen ons dus gerechtigd onze biographie er mee aan te vullen. Bovendien weten wij dat eenige typen uit dat werk naar het leven zijn geteekend.Zoo is b.v. de Duitscher Karel Iwanowitsch Mayer niemand anders dan Feodor Iwanowitsch Rjessel, de Duitsche onderwijzer, die in werkelijkheid bij de familie Tolstoi heeft gewoond, en dien wij reeds vroeger vermeld hebben. Tolstoi noemt hem ook in zijneEerste Herinneringen. Deze man moet ongetwijfeld een grooten invloed gehad hebben op de geestelijke ontwikkeling van den knaap. Door de bijzondere liefde, waarmee de auteur vanKinderjarenzijne oprechte, eerlijke, goedhartige en liefhebbende natuur teekent, mogen wij aannemen dat deze invloed een goede was.Het is dus niet zonder reden, dat Tolstoi de geschiedenis van zijne jeugd begint met de schildering van dezen persoon.Feodor Iwanowitsch stierf te Jasnaja Paljana en werd begraven bij de kerk.Een tweede persoon die inKinderjarenwordt beschreven is een Joerodiewi3.Deze Grischa heeft niet bepaald bestaan, maar is ongetwijfeld grootendeels naar het leven geteekend. Hij maakte klaarblijkelijk een diepen indruk op Tolstoi’s kinderziel. De volgende roerende woorden zijn aan hem gewijd. Tolstoi geeft daarin een beschrijving van een avondgebed van den Joerodiewi.“Zijne woorden waren onsamenhangend maar treffend. Hij bad voor zijne weldoeners (zoo noemde hij degenen waar hij wel eens mocht komen), voor zijne moeder, voor ons, en voor zich zelf. Hij smeekte dat God hem zijne zware zonden zou vergeven en herhaalde telkens: ‘O God, vergeef ook mijne vijanden!’“Zuchtend richtte hij zich op, en steeds dezelfde woorden herhalend, wierp hij zich ter aarde en richtte zich weer op en lette niet op de zware kettingen, die met een scherp knarsend geluid tegen den grond sloegen....“.... Lang nog bevond Grischa zich in dezen staat van godsdienstige geestvervoering en improviseerde gebeden. Hij herhaalde eenige malen: ‘Heer, vergeef mij’, telkens met sterkeren, grooteren nadruk, ‘Heer, Heer, vergeef mij, leer mij wat ik doen moet’, en sprak met zóóveel uitdrukking, alsof hij dadelijk een antwoord op zijn smeeken verwachtte. Daarop weerklonk een klaaglijk weenen... Hij bleef liggen, geknield, vouwde zijne handen op de borst en zweeg.“—‘Heer, Uw wil geschiede’, riep hij plotseling met volle overtuiging, viel met zijn hoofd op den grond en weende als een kind.“Veel water vloeide er sinds dien naar zee, vele herinneringen aan ’t verleden verloren voor mij hunne beteekenis en werden wazige droombeelden, ook de pelgrim Grischa volbracht reeds lang zijn laatsten tocht, maar de indruk dien hij bij mij te weeg bracht, het gevoel dat hij bij mij wakker riep, zal nooit uit mijne herinnering worden gewischt.“O, groote Christen Grischa! Uw geloof was zoo sterk, gij gevoeldet Gods nabijheid; Uwe liefde was zóó groot, dat de woorden van zelf over uwe lippen stroomden; Gij toetstet ze niet aan het verstand.... en welk een grooten lof bracht Gij het Opperwezen! Toen Gij geen woorden meer vondt, vielt gij weenend ter neer.”4Hebben wij niet het volste recht dien man den eersten prediker van het volksgeloof te noemen, dat geloof, dat Tolstoi’s geest overwon, na de onvruchtbare omzwervingen op het gebied van theologie, filosofie en de exacte wetenschappen, en dat hij op zijn beurt heeft beschenen met het licht van zijn verstand, gereinigd en gestaald door strijd en lijden, de noodzakelijke metgezellen van allen die zoeken naar waarheid.Een bewijs voor het bovenstaande vinden wij in Tolstoi’s herinneringen.“De simpele Grischa is een verdicht persoon. In ons huis kwamen er velen van zijns gelijken, en ik ben er mijn’ opvoeders dankbaar voor, dat zij mij leerden, hen met achting te behandelen.“Al schuilen er ook onoprechten onder hen, al hebben zij ook zwakke oogenblikken, toch is hun levenstaak zóó hoog,hoewel praktisch onuitvoerbaar, dat het mij verheugt, dat ik van mijn kindsheid af, geheel onbewust, het grootsche van hun streven leerde begrijpen. Zij ondervinden wat Marcus Aurelius zegt: ‘er is niets verheveners, dan de verachting te verdragen voor zijn goed leven.’“De lokstem van den roem, die zich verbindt met iedere goede daad, is zoo verderfelijk voor ons, dat men de verzoeking wel moet meevoelen, niet slechts om zich aan den lof te willen onttrekken, maar om de verachting der menschen op zich te laden.“Zoo eene Joerodiewaja waren ook Marja Gherasimowna, de peettante van mijne zuster, en de half waanzinnige Jewdokimoeschka en nog eenigen, die wel in ons huis kwamen.“Wij kinderen hoorden het gebed niet van een Joerodiewi, maar wel van Akim, een waanzinnigen tuinmansjongen. Hij deed zijn gebed in de groote zaal van een zomerhuis en het trof mij diep, dat eenvoudige gebed, tot God gericht als tot een levend mensch.“‘Gij mijn dokter, gij mijn apotheker,’ sprak hij met overtuigend vertrouwen. Daarop zong hij liederen van het laatste gericht: dat God de rechtvaardigen van de zondaars scheidde en den laatsten de oogen volstrooide met geel zand.”In andere, minderwaardige papieren lezen wij van Mimi en haar dochter Katjenka, “zoo iets van een eerste liefde”. Onder den naam Mimi vinden wij de gouvernante van de buren, onder Katjenka een pleegkind der familie terug, door Tolstoi beschreven als Doenjetschka Tjemjeschewa.Van deze Doenjetschka vertelt Tolstoi in zijne herinneringen:“Behalve de broers en mijne zuster woonde van haar vijfde jaar af bij ons in Doenjetschka Tjemjeschewa, en ik moet vertellen, wie zij was en hoe zij bij ons kwam.“Onder het aantal bezoekers, die ik mij nog uit mijne jeugd herinner, bevindt zich o.a. de man van tante Joeschkoff, van wien ik nog veel zal moeten spreken. Hij had een uiterlijk dat kinderen opvalt, zwarte snor, bakkebaarden en een bril op zijn neus. Ten tweede, mijn peetoom S. J. Jaziekoff. Deze had een bijzonder leelijke gestalte, rook altijd naar tabak, had veel te ruim vel op zijn breed gezicht, waarmee hij voortdurend de onmogelijkste grimassen trok.“Behalve onze twee buren Ogarjeff en Isljenjeff, bezocht ons nog een verre bloedverwant van de zijde der Gortschakoffs, de rijke vrijgezel Tjemjeschoff, die heel veel van mijn’ vader hield en hem steeds ‘broeder’ noemde.“Hij woonde op veertig wersten afstand van Jasnaja Paljana, in het dorp Pirogowo, en bracht ons van daar eens varkentjes met krulstaartjes mee, die op een groot blad in de bediendenkamer werden neergezet.“Tjemjeschoff, Pirogowo en de varkentjes zijn in mijne herinnering één. Bovendien kunnen wij kinderen ons hem nog altijd herinneren, zooals hij voor de piano zat. Hij speelde een danswijsje (hij kende er maar één) en wilde dat wij er op zouden dansen. Als wij dan vroegen wat hij eigenlijk speelde, dan antwoordde hij dat op die muziek alles kon worden gedanst. Wij vonden het aardig en dansten er op los.“Het was op een’ winteravond, er was al thee gedronken en wij zouden spoedig naar bed worden gebracht; onze oogen vielen reeds bijna toe, toen plotseling iemand met vlugge, onhoorbare schreden uit de bediendenkamer in het salon trad, waar wij allen in half donker zaten, omdat er maar twee lampen brandden. Hij liep naar ’t midden van de kamer en viel daar op zijne knieën. De brandende pijp met den langen steel, die hij in zijn hand hield, stootte op den grond zoodat het vuur er uitviel, en het gelaat van den knielenden man verlichtte. Die man was—Tjemjeschoff. Wat hij tegenvader zei, terwijl hij voor hem neerknielde, herinner ik mij niet en verstond ik ook niet. Later hoorde ik dat hij zijn onwettig dochtertje Doenjetschka bij zich had, waarover hij reeds vroeger had gesproken en dat door vader tegelijk met ons zou worden opgevoed.“Van dien tijd af kwam Doenjetschka bij ons in huis. Zij had een breed gezicht, was even oud als ik en had een njanja: Jewpraksija. Deze was eene rimpelige oude vrouw; ze had een zak onder aan haar kin als van een kalkoenschen haan, met een balletje er in, dat zij ons liet voelen.“Met de verschijning van Doenjetschka kwam er ook een ingewikkeld contract in ons huis. Tjemjeschoff was zeer rijk. Hij had geen wettige kinderen. De twee meisjes Doenjetschka en Wjerotschka waren zijne natuurlijke dochters. De laatste was mismaakt. Haar moeder was eene gewezen lijfeigene Marfoescha. Tjemjeschoff’s erfgenamen waren zijne zusters. Hij vermaakte haar alles, behalve Pirogowo, waar hij woonde. Dit wenschte hij mijn vader te verkoopen onder voorwaarde, dat de prijs van het goed, 300,000 roebel (men zei van Pirogowo, dat het een goudmijn en veel meer waard was), door vader aan de twee meisjes zou worden betaald. Om dat nu zoo in te richten was men het volgende overeengekomen. Tjemjeschoff maakte een koopbrief op, waarin beschreven stond, dat hij vader het goed verkocht voor 300,000 roebel. Vader gaf nu drie wissels ieder van 100,000 aan Isljeneff, Jaziekoff en en Gljeboff. Ingeval van Tjemjescheff’s overlijden kwam het goed aan mijn’ vader, die dan de geheele som aan de drie houders van de wissels moest betalen, welken het weer aan de twee meisjes zouden uitkeeren. Misschien vergis ik mij met de beschrijving van het contract, maar ik weet zeker, dat het landgoed na vaders dood aan ons kwam en dat er drie wissels waren op naam van Isljeneff, Gljeboff en Jaziekoff.Onze voogd betaalde het geld uit en de twee eersten gaven het op hun beurt aan de meisjes, maar de derde, Jaziekoff, eigende het zich toe. Daarover echter later.“Doenjetschka woonde dus bij ons, was een lief, eenvoudig, rustig, maar dom meisje en daarbij een groote huilebalk. Ik herinner mij, dat ik reeds een weinig Fransch kon lezen en schrijven en dat men mij opdroeg haar de letters te leeren. In ’t begin ging alles goed (wij waren ongeveer vijf jaar), maar later, waarschijnlijk omdat ze moe werd, kon zij de letters die ik haar aanwees niet meer noemen. Ik hield vol, zij begon te weenen, ik ook, en toen er later iemand bij ons kwam, konden wij niet praten, zoo huilden wij. Ook herinner ik me nog, dat er eens een pruim van de schaal was verdwenen en men de schuldige niet kon vinden. Feodor Iwanowitsch zei met een ernstig gelaat, zonder ons aan te zien, dat het niet zoo erg was dat die pruim was opgegeten, maar als we de pit hadden ingeslikt, dan zouden we moeten sterven. Doenjetschka, die den angst niet meer kon verdragen, zei, dat ze de pit had uitgespogen.“Nog herinner ik mij haar vreeselijken tranenvloed, toen eens, onder ’t spelen met mijn broertje Mitjenka, het volgende gebeurde. Het spel bestond daarin, dat zij elkaar een koperen kettinkje in den mond spuwden. Nu spoog zij met zoo’n kracht en hij sperde zijn mond zoo wijd open, dat hij het doorslikte. Doenjetschka weende wanhopig, totdat de dokter kwam en ons allen gerust stelde.“Zij was niet verstandig, maar goed en eenvoudig en daarbij zoo rein, dat er nooit een andere dan een broederlijke verhouding tusschen ons heeft bestaan.”De mededeelingen die Tolstoi doet over de bedienden, die hem in zijn prilste jeugd omringden, zijn schaarsch, maar zeer interessant. Zij vullen de gegevens aan, reeds beschreven in zijn werkKinderjaren.“Onder den naam Natalie Cawischni heb ik inKinderjarenPraskowa Isajewna vrij nauwkeurig beschreven. Alles wat ik van haar vertelde is werkelijkheid. Zij was onze huishoudster en een zeer achtenswaardige vrouw.“Een van de prettigste herinneringen die ik aan haar heb behouden is wel, dat we na of tusschen de lessen in haar kamertje kwamen om met haar te praten en naar haar te luisteren. Zij hield waarschijnlijk van ons om onze heerlijke kinderlijke oprechtheid. ‘Praskowa Isajewna, hoe ging grootvader naar den oorlog? te paard?’, vroegen wij om haar maar aan ’t praten te krijgen. ‘Hij ging te voet en te paard. Daarvoor was hij generaal-en-chef’, en daarbij opende zij een kast, en nam er een stukje hars uit dat zij ‘Koerjen van Otschakoff’ noemde. Volgens haar had grootvader het uit Otschakoff meegenomen. Zij stak een papier aan boven het lampje bij de heiligenbeelden, maakte daarmee het hars aan het branden, dat dan een aangenamen geur verspreidde.“InKinderjarenvertelde ik, dat zij mij eens beleedigde, door mij een slag met een natten vaatdoek te geven. Zij deed mij nog een tweede beleediging aan. Tot haar plichten behoorde ook, dat zij, als het noodig was, ons een lavement zette. Het gebeurde eens op een’ morgen, toen ik al niet meer op de vrouwenafdeeling was, maar onder toezicht stond van Feodor Iwanowitsch. Wij waren opgestaan, de andere broers waren al gekleed, maar ik had me verlaat en wilde juist mijn nachthemd voor mijn kleeren gaan verwisselen, toen Praskowa met haar instrumenten binnentrad. Deze bestonden uit een in een doek gewikkelde spuit, waarvan alleen het uiterste gele pijpje te zien was, en een schoteltje met boomolie, waar zij het pijpje mee bevochtigde. Mij ziende, dacht zij dat ik degene was, voor wie tante de operatie bestemd had. In werkelijkheid was het Mitjenka, die toevallig of met opzet, wel wetende dat hem iets wachttewaar wij geen van allen op gesteld waren, zich vlug had aangekleed en was weggeloopen. En zonder acht te slaan op mijn heilige verzekeringen dat ik de persoon niet was, voerde zij de operatie uit.“Ik hield zoo veel van haar, niet alleen om haar eerlijkheid en toewijding, maar ook omdat zij met het stukje hars van Otschakoff voor mij een vertegenwoordigster was van die geheimzinnige wereld uit den tijd van grootvader.“Anna Iwanowna leefde stil; tweemaal is zij bij ons in huis geweest; toen heb ik haar gezien. Men zei, dat zij wel honderd jaar was. Zij had pikzwarte oogen en één tand. Zij was zoo’n oude vrouw waar kinderen bang voor worden.“De bruine Tatjana Filippowna, met haar kleine handjes, was eene jonge hulp-njanja van Anna Iwanowna, welke laatste ik me bijna niet kan herinneren, want van het oogenblik af dat ik mij mezelf bewust werd, zie ik mij steeds met njanja Annoeschka. En daar ik mij mijzelf in dien tijd bijna niet kan voorstellen, herinner ik me de njanja ook niet.“Njanja Tatjana kan ik mij nog voorstellen omdat zij njanja bij mijn nichtjes werd en later ook bij mijn oudsten zoon.“Zij was een van die aandoenlijke wezens uit het volk, die zoo met hunne pleegkinderen meeleven, dat zij al hun belangstelling op hen overbrengen, terwijl zij voor haar eigen familie slechts de bron zijn, waaruit voor deze het geld vloeit om van te leven. Zij hebben altijd een’ man, broer of zoon die een verkwister is, en verkwisters waren ook de man en zoon van Tatjana Filippowna. Ik herinner mij nog, dat zij stil en gelaten stierf, juist op de plaats waar ik nu deze herinneringen zit te schrijven. Haar broer Nikolaas Filippowitsch was onze koetsier, van wien we niet alleen veel hielden, maar wien we (dat doen de meeste kinderen van de landheeren) groote achting toedroegen. Hij had heel zware laarzen,rook altijd heerlijk naar den stal en had eene vroolijke, welluidende stem.“Nu moet ik spreken van Wassiliï Troebjetzki, onzen bottelier. Hij was een lieve, vriendelijke man, die veel van kinderen dus ook veel van ons hield, maar het meest van Sergius, bij wien hij later in dienst kwam en in wiens huis hij ook stierf. Ik herinner mij zijn goedig gerimpeld gezicht met den vriendelijken scheeven glimlach en ook dien bijzonderen geur, als hij ons op den arm nam of op een blad zette (dat was een van onze grootste genoegens: ‘ik ook, nu ik!’), en ons naar den wijnkelder droeg, die voor ons zoo geheimzinnige plaats met de onderaardsche gang. De duidelijkste herinnering, die ik aan hem heb, is zijn vertrek naar Schtscherbatschewka, een landgoed in de nabijheid van Koersk, dat vader geërfd had van Perowska. Dat vertrek van Wassiliï Troebjetzki viel omstreeks de swjatki5, een’ tijd dat alle kinderen, en ook eenige van de bedienden, in de groote zaal ‘roebeltje rol’ spelen. Van deze swjatki-feesten moet ik nog vertellen. Alle bedienden (’t waren er veel, wel dertig) hadden zich verkleed en kwamen in ons huis. Zij vermaakten zich met allerlei spelen en dansten bij de viool van den ouden Grigoriï, die alleen in dien tijd bij ons kwam. De gecostumeerden stelden meestal beren met berenleiders, geiten, Turken en Turkinnen, Tirolers, roovers, boeren en boerinnen voor. Ik herinner mij, hoe prachtig ik sommige van de gecostumeerden vond en vooral Mascha, die eene Turkin voorstelde. Soms verkleedde tante ons ook. Het meest gewenscht vonden wij een’ gordel met steenen, tule en neteldoek met goud bewerkt, en ik vond mijzelf heel mooi met mijn met kurk geteekende snor. Ik herinner mij dat ik, in den spiegel ziende naar mijn gezicht met zwarte wenkbrauwen, een vergenoegd lachje niet terug kon houden, ofschoonik het ernstige gezicht van een’ Turk moest vertoonen. De gecostumeerden liepen door alle kamers en voorzagen zich van allerlei versnaperingen. Op een van die feesten—ik was toen nog heel jong—kwamen alle Isljeneffs, de vader (de grootvader van mijn vrouw), drie zoons en drie dochters, verkleed bij ons. In onze oogen waren zij prachtig gecostumeerd. De japonnen, de laarzen, de bordpapieren gordels, alles was mooi.“De Isljeneffs kwamen veertig wersten ver en hadden zich in het dorp verkleed. Toen zij in de zaal kwamen ging Isljeneff dadelijk naar de piano en zong met een’ stem, die ik me nu nog herinner, een lied dat hij zelf had gemaakt.“Het gedicht luidde als volgt:Op ’t Nieuwe Jaar zijn wij gekomenEn bieden onze wenschen aan,Als ’t u genoegen heeft gegeven,Gaan wij verheugd hier weer vandaan.“Het was alles zoo wonderbaarlijk en voor de grooteren waarschijnlijk wel mooi, maar voor ons kinderen waren de bedienden toch het allerprachtigst.“De feesten werden gevierd in de dagen na Kerstmis en Nieuwjaar en soms ook nog na Drie-Koningen. Na Nieuwjaar ging het echter niet meer zoo lustig toe. Zoo was het ook op dien dag toen Wassiliï naar Schtscherbatschewka ging. Ik herinner mij, dat we in een’ kring in de bijna donkere zaal zaten op stoelen van rood hout met leeren zittingen, die bij ons thuis gemaakt waren. Wij speelden ‘roebeltje rol’. Een van allen moest den roebel zoeken, dien wij van hand tot hand lieten gaan, waarbij wij zongen: ‘rol roebeltje, rol’. Ik herinner mij, dat een van de vrouwelijke bedienden met een bijzonder prettige stem telkens deze woorden herhaalde. Plotseling ging de deur open en Wassiliï, gelaarsden gespoord, zonder blad of servies, kwam naar binnen en liep recht langs den muur naar de studeerkamer. Nu eerst vernam ik, dat Wassiliï als prikaztschik6naar Schtscherbatschjewka ging. Ik begreep, dat het een bevordering voor hem was. Ik was dus blij voor Wassiliï, maar tegelijkertijd betreurde ik het, niet slechts dat ik van hem moest scheiden, dat hij ons niet meer op het blad zou dragen, maar omdat ik nooit had kunnen begrijpen, nooit had kunnen gelooven, dat er zoo’n verandering kon plaats grijpen. Het werd mij vreemd, treurig te moede en de melodie van ‘rol roebeltje, rol’ deed mij zacht ontroeren. Toen Wassiliï, met zijn vriendelijken, scheeven lach, van tante terug kwam, en ons op den schouder kuste, voelde ik voor de eerste maal den angst voor de onbestendigheid van ’t leven en medelijden en liefde voor den goeden Wassiliï. Toen ik hem later weer zag (ik weet niet of hij een goede of een slechte prikaztschik was), vermoedde ik, dat er in hem geen spoor meer was overgebleven van zijne heilige, broederlijke, menschelijke gevoelens.”7Op eene voor het menschelijk verstand geheimzinnige, onbegrijpelijke wijze, blijven de indrukken onzer prilste jeugd niet alleen bestaan, maar evenals het zaad in vruchtbare aarde tot een jonge, frissche plant wordt, ontwikkelen zich ook in de geheimzinnige diepten onzer ziel onze herinneringen, om plotseling, na jaren soms, in het licht te treden.Zoo waren ook de spelen met de jongere broers als het zaad, waaruit de herinneringen ontsproten; de herinnering aan den berg Fanfaronoff, aan de Moerawjeïsche broeders en aan het groene takje, evenals aan Nikolaas, een anderen broeder, over wiens invloed op Tolstoi’s leven reeds in zijne aanteekeningen is gesproken.Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, Tolstoi’s vader.—Blz. 46.Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, Tolstoi’s vader.—Blz.46.“Ja, de berg Fanfaronoff vertegenwoordigt een van mijn jongste, liefste en gewichtigste herinneringen. Onze oudste broer Nikolaas was zes jaar ouder dan ik. Hij was dus ongeveer tien of elf toen ik vier of vijf jaar telde, het tijdstip waarop hij ons naar den berg Fanfaronoff geleidde. Toen wij nog heel jong waren—hoe het zoo kwam weet ik niet—spraken wij hem aan met ‘U’. Hij was een bewonderenswaardige jongen en werd later een bewonderenswaardig mensch.“Toerghenjeff zeide zeer terecht van hem, dat hij al die gebreken miste, die noodzakelijk zijn voor een’ schrijver. De eigenschappen die hij wel had waren een fijn gevoel voor kunst, een goedhartige, vroolijke humor en een buitengewone, onuitputtelijke, verbeeldingskracht, zóó groot, dat hij zonder ophouden en zonder de gebruikelijke ‘en toen’s’ allerlei sprookjes, spookgeschiedenissen en humoristische verhaaltjes à la madame Radcliffe kon vertellen, met zulk een overtuiging, dat men geheel vergat dat hij fantaseerde. Als hij niet vertelde of las (en lezen deed hij verbazend veel), dan teekende hij. Bijna altijd waren het duivels met horens en omgekrulde snorren, die onderling de meest verschillende groepen vormden en zich met de meest verschillende dingen bezig hielden. Die teekeningen getuigen ook van zijne groote verbeeldingskracht en humor.“Wij broers waren, ik zelf vijf, Mitjenka zes en Serjezja zeven jaren toen die zelfde Nikolaas ons eens vertelde, dat hij een geheim wist, waarmee hij, als hij het openbaarde, alle menschen gelukkig kon maken. Ziekte en verdriet zouden er niet meer zijn, de menschen zouden niet meer twisten en allen zouden elkander liefhebben en Moerawjeïsche8broeders worden. Waarschijnlijk bedoelde hij ‘Moravische broeders’, waarvan hij wel eens gehoord of gelezen had, maar in onze taal heettehet de Moerawjeïsche broeders. Ik herinner mij, dat het woord ‘mier’ ons bijzonder goed beviel; wij dachten daarbij aan een’ mierenhoop. Zelfs vonden wij een spel uit, dat daarop betrekking had. Wij kropen onder een stoel, schoven daar kisten om heen, die we met lappen hadden behangen, en zaten daar dicht opeengedrongen in het donker. Ik herinner mij, dat mij dan altijd eene zachte aandoening, een gevoel van liefde doordrong en ik hield heel veel van dat spel. Van die mieren-broeders had hij ons dus verteld, maar het groote geheim van wat men doen moest, opdat alle menschen gelukkig zouden worden, ziekte noch ongeluk, strijd noch boosheid zouden bestaan, dat, zei hij, stond geschreven op een groen takje en dat takje lag begraven aan den rand van een hollen weg, ‘starai zakas’, op die plaats waar ik (men moet toch ergens begraven worden) ter herinnering aan Nikolaas ook eens wensch te rusten. Behalve dat takje was er nog een berg Fanfaronoff, waar hij ons heen zou brengen, mits wij alle voorwaarden, die hij ons stelde, vervulden. Die voorwaarden luidden: ten eerste in een hoek gaan staan en niet aan den witten beer denken. Ik herinner mij, dat ik in een hoek ging staan en mijn best deed, maar dat het mij nooit gelukte niet aan dien witten beer te denken. Ten tweede: zoo te loopen, dat we alleen de spleet tusschen de planken in den vloer aanraakten, en ten derde mochten wij in een heel jaar niet één haas zien, hetzij levend, geschoten of gebraden. Natuurlijk mochten wij niets van ons geheim vertellen. Diegene, die deze voorwaarden en nog eenige, die Nikolaas ons later zou vertellen, had nageleefd, zou zijne wenschen, welke het ook waren, vervuld zien. Wij moesten zeggen wat wij wenschten. Serjezja wenschte zich, dat hij paarden en kippen in was zou kunnen kneden, en Mitjenka, dat hij groote schilderijen zou kunnen maken. Ik kon niets anders bedenken, dan den wensch om maar kleine dingen te kunnen schilderen.Deze heele geschiedenis werd, zooals dat altijd bij kinderen gaat, heel spoedig vergeten en niemand kwam bij den berg Fanfaronoff, maar nog herinner ik mij de gewichtigheid, waarmee Nikolaas ons in zijne geheimen inwijdde, ons ontzag en onze vrees voor die wonderbare dingen, die hij ons openbaarde. Een zeer sterken indruk heb ik behouden van de Moerawjeïsche broeders en het groene takje, dat iedereen gelukkig zou maken.“Tegenwoordig begrijp ik dat Nikolaas eens gelezen of gehoord had van de vrijmetselaars, van hun streven om de menschen gelukkig te maken en van de geheimzinnige ceremoniën bij het opnemen in hunne orde. Ook van de Moravische broederschap kwam hem wel eens iets ter oore, en zijne verbeeldingskracht, bijgestaan door zijne liefde voor de menschen en voor het goede, weefde alles samen tot het verhaal waarmee hij ons zoo fopte.“Het ideaal der Moerawjeïsche broeders, elkaar lief te hebben en te steunen (niet slechts onder een paar stoelen met kleeden behangen, maar nagestreefd door alle menschen op Gods aardbodem) is nog steeds mijn ideaal. En—zooals ik toen geloofde aan het groene takje, dat alle ellende kon verdrijven, en de menschen het hoogste heil brengen, zoo geloof ik ook nu aan het bestaan eener waarheid, die hun geopenbaard zal worden en hun alles zal geven wat zij belooft.”9De herinneringen aan Tolstoi’s broer Dmitri zullen wij plaatsen onder het hoofdstuk over zijne jongelingsjaren. Hier laten we nog een fragment volgen van de onafgewerkte herinneringen aan zijn broer Sergius, betrekking hebbende op zijne vroegste kindsheid:“Mitjenka en ik waren kameraden, voor Nikolaas gevoeldeik achting, maar Sergius beminde, aanbad ik. Ik wilde ‘hem’ zijn. Ik bewonderde zijne krachtige gestalte, zijn zingen (hij zong altijd), zijne teekeningen, zijne vroolijkheid en vooral, hoe vreemd het ook klinken moge, zijn onafhankelijk egoïsme. Ik onderzocht altijd al mijn daden, luisterde of de menschen goed of kwaad van mij spraken en dat bedierf mijn leven. Daarom bewonderde ik in anderen juist het tegenovergestelde daarvan, dat onafhankelijk egoïsme. Daarom had ik Sergius lief. Het woord, ‘liefhebben’ zegt niets. Nikoljenka had ik lief, maar Sergius aanbad ik, en ik zag in hem een heel bijzonder wezen. Ik bewonderde hem, maar ik begreep hem niet en dat maakte hem voor mij nog veel aantrekkelijker.“Hij stierf dezer dagen en stervende was hij mij nog even onbegrijpelijk en nog even dierbaar als in de dagen onzer kindsheid. De laatste jaren, toen hij ouder werd, hield hij meer van mij, hij waardeerde mijne aanhankelijkheid, was trotsch op mij, trachtte met mij overeen te stemmen maar kon het niet en hij bleef die hij was: geheel bijzonder, geheel zich zelf. Hij was mooi, goed gebouwd, trotsch, maar, meer dan dat alles: hij was tot in den hoogsten graad oprecht en waarheidlievend. Hij was zooals hij was en trachtte zich niet mooier noch minder voor te doen.“Met Nikolaas wilde ik gaarne samen zijn, met hem praten, met hem overleggen. Sergius wilde ik slechts navolgen. Toen we nog heel jong waren begon het reeds. Hij hield kippen en kuikentjes en ik hield kippen en kuikentjes. Dat waren waarschijnlijk mijn eerste navorschingen op het gebied van de dierenwereld. Ik herinner mij nog de verschillende soorten: grijze en bonte kippen, en kippen met pluimen, en alle kwamen zij naar ons toe, als wij ze riepen om gevoerd te worden. Den Hollandschen haan mochten wij niet lijden, want die was niet goed voor de kippen. Sergius had gevraagd, kippen te mogen houden, en ik vroeg het ook. Sergiusteekende, en mij leek het prachtig, op een groot stuk papier, in verschillende kleuren, kippen en hanen. Ik deed het ook, maar leelijk. Op dit gebied had ik juist gehoopt mij te volmaken, door middel van den berg Fanfaronoff. Sergius kwam eens op de gedachte, toen de ramen weer ingezet waren, de kippen met lange worstjes, die hij van worst en wittebrood had gemaakt, door het sleutelgat te voeren en—ik deed hetzelfde”10.Wij laten hier nog een paar losse herinneringen volgen, die ons ook door Tolstoi zijn verstrekt, maar die, evenals het grootste gedeelte der herinneringen uit zijn kinderjaren, niet in chronologische volgorde geplaatst kunnen worden. Toch zou het jammer zijn, ze niet te plaatsen, daar zij ons helpen het beeld van Leo Tolstoi’s kinderjaren te voltooien.“Eene herinnering aan eene onbelangrijke gebeurtenis, die een sterken indruk bij mij naliet. Het staat mij voor als volgt.“In onze kinderkamer op de bovenverdieping zit Tjemjeschoff en praat met Feodor Iwanowitsch. Ik herinner mij niet waarom het gesprek over de vasten liep, maar Tjemjeschoff, de goedhartige Tjemjeschoff, zei heel gewoon: ‘mijn kok (’t kan ook knecht zijn, dat weet ik niet meer) kreeg het in zijn hoofd eene vleeschspijs te gaan eten; ik heb hem weggezonden om soldaat te worden’. Ik heb het onthouden omdat het toen voor mij zoo vreemd, zoo geheel onbegrijpelijk was.“Eene andere gebeurtenis. De erfenis Perowski. Ik herinner mij een hoog bevrachten wagen, die uit Neroetsch kwam, toen het proces over de erfenis, dank zij Ilija Mitrofanowitsch, gunstig voor ons was afgeloopen. Ilija Mitrofanowitsch was een dronkaard. Hij was reeds een oude man, groot, met langhaar, een gewezen lijfeigene van Perowska, een groot kenner (zooals dat vroeger meer voorkwam) van contracten. Hij had het proces gevoerd, het gewonnen, en woonde daarvoor tot aan zijn dood te Jasnaja Paljana.“Nog een indruk. Aankomst van Peter Iwanowitsch Tolstoi, den vader van Walerian, den man van mijne zuster. Hij kwam in een chambercloak in de ontvangkamer; wij begrepen niet waarom, maar hoorden later, dat het was omdat hij in het laatste stadium van tering verkeerde. Een andere indruk. De aankomst van zijn’ broeder Feodor Tolstoi, den bekenden Amerikaan. Ik herinner mij dat hij in een wagen met postpaarden kwam aanrijden, naar vader in de studeerkamer ging en zijn eigen hard Fransch brood vroeg; ander brood at hij niet. Broer Sergius had juist erge tandpijn. De Amerikaan vroeg wat hem scheelde, en toen hij ’t wist, beweerde hij de pijn door magnetisme te kunnen verdrijven. Hij ging naar de studeerkamer, sloot de deur, en kwam terug met twee batisten zakdoeken. Ik herinner mij, dat ze een lila rand hadden. Hij gaf tante de beide zakdoeken en zei: ‘als hij dezen omdoet, dan zal de pijn weggaan, en dezen, dan gaat hij slapen’. Sergius nam de zakdoeken, deed ze om en wij hebben den indruk behouden, dat het juist zoo ging als ons voorspeld was.“Ik herinner me hem nog, met zijn mooi gebronsd gezicht. Hij droeg geen vollen baard, maar wel een dichten grijzen bakkebaard, die tot aan zijn mondhoeken groeide. Zijn hoofdhaar was grijs en krullend. Ik zou nog heel veel willen vertellen van dezen ongewonen, verdorven, maar toch zoo aantrekkelijken man!”Wij zullen dit hoofdstukKinderjarenbesluiten met de poëtische herinnering uit een vroeger uitgegeven werk van Tolstoi.“Gelukkige, gelukkige kinderjaren, die nooit meer terugkomen! Wie zou zich niet verlustigen in hunne herinnering? Mij zijn ze een bron van het heerlijkst genot, zij verheffen, zij verlichten mijne ziel.... Na het gebed, in de koesterende dekens, als de ziel zoo licht is, zoo klaar, zoo blij, begint de fantasie haar werk. Wat schildert zij? Te grijpen zijn haar beelden niet, maar zij zijn vol van reine liefde en hoop op rein geluk.—Dan dacht ik aan Karel Iwanowitsch, den eenigen man van wien ik wist dat hij ongelukkig was, en aan zijn bitter lot, en mijn medelijden was zoo groot en mijn liefde zoo innig, dat tranen uit mijne oogen vloeiden en ik bad: ‘God, geef hem geluk en stel mij in staat hem te helpen en zijne smart te verlichten; ik ben geheel bereid mij voor hem op te offeren’. Dan weer bewonder ik het liefste porseleinen speelgoed—het haasje of den hond—weggedrukt in een hoekje van het donzen kussen; hoe heerlijk warm en gemakkelijk ligt het daar! En nog weer een gebed tot God om geluk en tevredenheid voor allen, om mooi weer voor de wandeling van morgen; dan keer je je om en je valt in slaap, zoo rustig en stil, het gelaat nog nat van tranen. Zullen zij ooit terugkeeren, die frischheid, die zorgeloosheid, die behoefte aan liefde, dat krachtig geloof, die schatten van onze kinderjaren? Welke tijd kan beter zijn dan die, waar de twee grootste deugden, de onschuldige vroolijkheid en de oneindige behoefte aan liefde de eenige drijfveer zijn van ’t leven? Waar zijn die vurige gebeden? Waar het heerlijkste geschenk, die reine traan van mededoogen?“Een engel der vertroosting kwam en wischte met zijn’ glimlach onze tranen af en zachtkens wuivend blies zij droomen in onze onbedorven kinderziel.“Heeft het leven dan zulke diepe sporen in mijn hart gegrift, dat de zaligheid der tranen voor eeuwig voor mij verloren ging?”1Een pleegkind (zie volgend hoofdstuk).2Uit Tolstoi’s ongecorrigeerde aanteekeningen.3Een onnoozele.4Uit de verzamelde werken van Tolstoi.5De tijd van Kerstmis tot aan Drie-Koningen.6Prikaztschik kan verschillende beteekenissen hebben, maar wijst altijd op eene betrekking in den handel. Het handschrift geeft geen verdere aanwijzing.7Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.8Moerawjeï = mier.9Uit de ongeconigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.10Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.

Vierde hoofdstuk.Kinderjaren.“Ik ben geboren en bracht mijn kinderjaren door te Jasnaja Paljana.”Met deze woorden begint Tolstoi ons zijne herinneringen mede te deelen. Wij achten het niet overbodig, vóór wij verder gaan, iets naders te vertellen van dit merkwaardige plekje gronds, dat, zooals wij allen weten, eene wereldberoemdheid heeft verkregen. Welke gasten heeft Jasnaja Paljana al niet geherbergd! Bewoners van den Maleischen Archipel, Australiërs, Japanners, Amerikanen, vluchtelingen uit Siberië en verder tallooze vertegenwoordigers van alle Europeesche landen kwamen er, gaven het bekendheid en verspreidden tot in de uiterste hoeken der aarde, de woorden en gedachten van den grooten grijsaard, die het bewoont.Jasnaja Paljana is het stamgoed van de vorsten Wolkonski, gelegen 15 wersten ten zuiden van Toela, bijna op de grens van dat gouvernement. Dicht bij het landgoed komen drie wegen te samen, vertegenwoordigende drie verschillende tijdperken. De oude met gras begroeide Kiefsche weg, de nieuweKiefsche chaussée en de Moskou-spoorbaan. Tolstoi’s huis, staande in eene schoone heuvelachtige streek, die van ’t Oosten naar ’t Westen door een prachtig bosch in twee deelen wordt gescheiden, ligt drie en een half uur verwijderd van het naaste station. Deze landstreek draagt den naam Zasjeka, die ons wijst op die tijden, toen de Slavische bevolking voor de invallen van de Krim-Tartaren en andere Mongoolsche volken moest terugwijken. Om zich tegen die vijandelijke horden te beschermen, wierp zij versperringen op, gemaakt van boomen, die men eerst moest omkappen (zasjektj), vandaar de naam Zasjeka.Tegenwoordige ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Tegenwoordige ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz.57.Het huis waar Leo Tolstoi werd geboren staat niet meer te Jasnaja Paljana. Het werd het eerst bewoond door zijn’ grootvader, daarna door zijn’ vader, ten slotte verkocht aan een buurman Gorochoff en verplaatst naar het dorp Dolgom, op 30 wersten afstand van Jasnaja Paljana. Tolstoi had namelijk omstreeks 1850 veel geld noodig en gaf daarom een van zijn familieleden last het te verkoopen. ’t Groote heerenhuis, met zijn pilaren en balcons, werd voor eene betrekkelijk geringe som, 5000 roebel, verkocht. Uit een’ brief van Tolstoi aan zijn’ broer blijkt, dat het hem zwaar viel tot den verkoop over te gaan, maar dat hij het geld noodig had. Het huis staat nu in het dorpje Dolgom, verlaten met gebroken ruiten. De twee nu bestaande Jasnaja-Paljanische huizen zijn opgetrokken uit de twee vleugels, die vroeger naast het groote, thans verkochte, huis stonden. De plek waar dit vroeger stond is gedeeltelijk met boomen beplant. Verder wordt er croquet gespeeld, terwijl de overblijvende ruimte gebruikt wordt om er bij mooi weer ’s middags te eten.Vóór de huizen bevinden zich tegenwoordig bloemperken, er achter een groote tuin met vijver en een lindenallée, wier boomen reeds honderden jaren oud zijn. Het geheel wordt omringd door eene gracht met wallen. Bij den ingangstaan twee witgeverfde baksteenen torens, waar, volgens zeggen van oude lieden, vroeger eene wacht was geplaatst. Langs dezen toren bereikt men het huis door eene berkenlaan, het zoogenaamde “prospekt”.Achter den ouden tuin bevindt zich nog een boomgaard met vruchtboomen, die onder Tolstoi’s persoonlijke leiding zijn geplant. De geheele aanplanting, gelegen tegen een’ heuvel, wordt door het dichte groen aan ons oog onttrokken.Van de geboorte van Leo Tolstoi weten we helaas geen andere bijzonderheden, dan die, welke Zagoskin ons heeft verstrekt.“In het jaar 1828, den 28stenAugustus, werd graaf N. I. Tolstoi te Jasnaja Paljana een zoon, Leo, geboren. Hij werd 29 Aug. gedoopt door den geestelijke Wassiliï Mosjaïski, met den diaken Archip. Iwanowitsch, den dijatschek Alexander Feodorowitsch en den ponomar Feodor Grigorjewitsch. De landeigenaar Sjemon J. Jaziekoff en gravin Pelageja Tolstaja waren peter en meter.”Dat is alles wat wij van Tolstoi’s geboorte vernemen. Van zijn prilste jeugd weten wij reeds veel interessante bijzonderheden. Zelden kan een schrijver beschikken over de eerste autobiographische gegevens van de persoon, die hij wil beschrijven. In zijneEerste Herinneringenbeschrijft Tolstoi zijne vroegste gewaarwordingen, de vage indrukken van zijn eerste levensjaar.Wij geven deze herinneringen onveranderd, geheel zooals ze zijn neergeschreven.“Ziehier mijne vroegste herinneringen, die ik niet in geregelde orde op elkaar kan laten volgen, omdat ik niet weet, wat eerst of wat later gebeurde. Van enkele weet ik zelfs niet of zij de werkelijkheid of slechts droomen weergeven.“Ik lig vastgebonden. Ik wil mijne armen uitslaan en ik kan het niet. Ik schreeuw en ween en dat schreeuwen doetmij zelf onaangenaam aan, maar ik kan het niet laten. Iemand heeft zich over mij heengebogen, ik herinner me niet wie, en alles is als in schemering gehuld. Ik herinner mij, dat er twee menschen stonden; mijne kreten maken indruk op hen, zij maken zich ongerust over mijn huilen, maar ze maken mijne banden niet los. En dat wilde ik toch en ik ga nog harder schreien. Zij denken dat het noodig is (dat wil zeggen, dat ik gebonden blijf), terwijl ik weet dat het niet zoo behoeft te zijn. Ik wil het hun bewijzen. Ik stoot een gil uit, waar ik zelf van gruw, maar ik kan het niet laten. Ik voel dat niet de menschen onrechtvaardig en slecht voor mij zijn, maar het is het noodlot en ik heb medelijden met mij zelf. Ik weet niet en ik zal het nooit te weten komen wat dit is geweest. Bonden zij mij vast toen ik nog een bakerkindje was en wilde ik mijne armen vrij hebben, of bonden zij mij, toen ik reeds meer dan een jaar was, opdat ik een uitslag niet zou openkrabben? Verzamelde ik in deze ééne herinnering meer indrukken, zooals dat veel in droomen geschiedt? Zeker is het, dat deze de eerste en heftigste gewaarwording in mijn leven is. Het is niet de herinnering aan mijne kreten, mijne kwellingen, die zich aan mij opdringt, maar aan de verwikkelingen, de tegenstrijdigheden van het leven. Ik wilde vrij zijn, niemand zou er door lijden, en ik, die sterk moest zijn, ben zwak en zij zijn sterk.“Een andere, vroolijke indruk. Ik zit in eene tobbe en mij omringt een nieuwe, aangename geur van een of ander iets, waarmee men mijn klein lichaampje inwrijft. Waarschijnlijk was het een poeder, misschien in het water in de tobbe, maar de indruk van het poeder heeft mij wakker geschud. Voor het eerst zag ik en ging ik houden van mijn lichaampje met de kleine ribben, werd ik de donkerkleurige gladde tobbe gewaar, de opgestroopte mouwen van de njanja, het warme dampende water, het geplas, en vooral het gevoel van de natte randenvan de tobbe, als ik er met mijn handjes aan kom.—Het is vreemd en angstig te bedenken, dat ik mij, behalve deze twee, niet één indruk kan herinneren van mijn geboorte tot aan mijn derde jaar; van dien tijd af, dat men mij voedde aan de borst, mij speende, dat ik begon te kruipen, te loopen en te spreken. Wanneer toch ontwaakte mijn bewustzijn? Wanneer begin ik te leven en waarom verheugt het mij, als ik mij het verleden kan herinneren, en waarom beangstigt het mij (en met mij vele anderen), mij te verplaatsen in dien toestand van vergetelheid waarvan geen herinnering blijft die zich door woorden laat vertolken? Leefde ik dan niet in dien tijd toen ik leerde zien, hooren, begrijpen, praten, toen ik sliep, toen men mij voedde aan de borst en ik die kuste, toen ik lachte en mijne moeder vreugde schonk? Ik leefde en mijn leven was gezegend. Verwierf ik dan niet in die dagen alles waarmee ik nu leef, en verkreeg ik niet zoo snel zoo veel, dat in ’t geheele verdere leven niet een honderdste gedeelte daarvan verworven werd? Van den vijfjarigen knaap tot den man, die ik nu ben,—is slechts een schrede. Van de geboorte tot het vijfde jaar—een ontzettende afstand. Tusschen de geboorte en de kiem ligt een afgrond. Tusschen het niet-zijn en de kiem ligt niet slechts een afgrond maar het mysterie. Ruimte, tijd en oorzaak zijn vormen der gedachten; ons leven staat daar buiten; en toch is ons geheele leven een meer en meer volkomen onderwerping aan die vormen en later weer een vrijmaking er van.“Mijne volgende herinneringen hebben betrekking op den tijd, toen ik reeds vier of vijf jaar was. ’t Zijn er nog maar weinige en zij bepalen zich uitsluitend tot hetgeen binnen de vier muren gebeurde. Tot aan mijn vijfde jaar bestond de natuur niet voor mij en al wat ik mij herinner valt voor in de kamer of in mijn bedje.“Er bestaan voor mij geen gras, geen bladeren, geen hemel,geen zon. Het is niet aan te nemen dat men mij nooit bloemen of bladeren gaf om mee te spelen, dat ik het gras nooit zag, of men mij nooit beschutte tegen de zon. Toch heb ik tot mijn vijfde of zesde jaar geen herinnering aan datgene wat wij de natuur noemen. Misschien ook moet men zich eerst van haar verwijderen om haar te leeren zien, en ik was immers zelf natuur.“De herinnering, die op de tobbe volgt, is die aan ‘Jerjemjejewna’, het woord waarmee men ons als kinderen bang maakte. Ik lig in mijn bedje en ben vroolijk en opgeruimd, zooals altijd. Ik zou mij ook niets hebben herinnerd, als niet plotseling de njanja, of iemand anders, die voor mij het leven vertegenwoordigde, iets met een vreemde stem gezegd had en was weggegaan. Ik word vroolijk en angstig tegelijk. Ik herinner mij, dat ik niet alleen was, maar dat er nog iemand was zooals ik. (Waarschijnlijk was het mijn zusje Maschenka, wier bedje op dezelfde kamer stond.) Ik herinner mij dat er een gordijn om mijn bedje hangt en mijn zusje en ik, wij verheugen ons en hebben toch ook angst voor het vreemde, dat er om ons is. Ik verstop mijn hoofd in het kussen en gluur toch naar de deur en verwacht van dien kant iets vreemds en prettigs en ben toch angstig. Wij lachen en wij kruipen weg en wij wachten. En daar komt iemand in een kleed en met een muts zooals ik nog nooit heb gezien, maar ik voel dat het iemand is, die zich altijd in onze omgeving bevindt (de njanja of tante, dat weet ik niet), en die iemand zegt met eene bromstem iets vreeselijks van stoute kinderen en van Jerjemjejewna. Ik schreeuw van angstig genot, ik word bang en verheug me dat ik angst heb, en ik wil niet dat zij die mij angstig maakt weet dat ik haar herken.“Wij worden stil en zwijgen, maar gaan dan weer met elkaar fluisteren, in de hoop Jerjemjejewna nog eens weer te zien verschijnen.“In mijn geheugen hangt nog eene herinnering, waarschijnlijk van lateren datum, want zij is helderder maar toch altijd onbegrijpelijk voor mij gebleven. De hoofdrol speelt onze Duitsche onderwijzer Feodor Iwanowitsch. Ik weet heel zeker, dat ik nog niet onder zijn toezicht stond, dus moet het zijn gebeurd voordat ik vijf jaar was. Het is de eerste maal dat hij in mijne herinnering voorkomt, en ik moet nog heel jong geweest zijn, daar ik mij niemand, vader, noch broeder, noch iemand anders kan voorstellen. Zoo ik één herinnering heb, dan is ’t die aan mijn zusje, en dat komt dan door onzen gemeenschappelijken angst voor Jerjemjejewna.“Met de herinnering aan Feodor Iwanowitsch verbindt zich tevens de indruk, dat wij eene tweede verdieping op ons huis hebben. Hoe ik er kwam, of ik er heen liep of dat men mij er heen droeg, dat kan ik mij niet meer te binnen brengen, maar ik weet dat wij met velen zijn, wij draaien in een kring en houden elkaar bij de hand. Ik weet ook, dat er vreemde vrouwen bij zijn en ik denk (waarom weet ik niet), dat het waschvrouwen zijn. Wij loopen in het rond en springen en huppelen en Feodor Iwanowitsch springt ook mee en werpt zijn beenen te hoog in de lucht en maakt te veel leven, en op dat zelfde oogenblik voel ik, dat wat hij doet niet goed, dat het verdorven is; ik begin hem plotseling te zien; ik geloof dat ik ging weenen, en—het is uit.”Hier moeten we een geschiedenis inlasschen van Maria Nikolajewna, het zusje van Tolstoi.“Wij sliepen met ons drieën op één kamer: ik, Lewotschka (Leo) en Doenjetschka1. Wij speelden altijd samen en vormden een heel afzonderlijk groepje, afgescheiden van de andere broers, die altijd met hun’ gouverneur beneden waren.“Het liefst van alles speelden wij ‘Milaschka’ (lieveling).Een van ons drieën stelde Milaschka voor, d.w.z. het kind dat door allen vertroeteld wordt. Men legt het te slapen, voedt het, verpleegt het, in één woord: houdt er zich voortdurend mee bezig. Milaschka moet volgens de regelen van het spel zich blijmoedig onderwerpen aan alles wat men met hem doet en zonder morren zijne rol vervullen.“Ik herinner mij eens het verdriet en de ellende toen onze Milaschka (meestal was dat Leo) door het langdurig schommelen werkelijk in slaap was gevallen. Volgens het programma had hij moeten huilen, dan zou men hem medicijnen geven, hem wrijven enz... De slaap echter maakte plotseling een einde aan ons spel, en bracht ons uit het rijk der verbeelding tot de werkelijkheid terug”.“Dit is alles wat ik mij herinner tot aan mijn vijfde jaar. Niet mijne njanja, niet de tantes, geen broers, zuster, vader, kamer of speelgoed, niets kan ik mij te binnen brengen. Mijne indrukken beginnen vorm aan te nemen van den tijd af, toen men mij naar beneden bracht bij Feodor Iwanowitsch en de grootere knapen. Bij mijne verhuizing naar beneden kreeg ik voor het eerst en daarom des te sterker het besef van plichtsgevoel, het bewustzijn zijn kruis te moeten dragen, zooals het den mensch betaamt. Het deed mij verdriet, met mijne gewoonten (de gewoonten van mijn geheele leven) te moeten breken. Treurig was het, poëtisch treurig, te moeten scheiden, niet zoo zeer van de menschen, van mijne zuster, de njanja en tante, als wel van mijn bedje, mijn gordijntje, mijn kussen, en met angst ging ik naar beneden. Ik deed mijn best het vroolijke in dit nieuwe leven op te zoeken, ik trachtte geloof te schenken aan de lieve woorden waarmee Feodor Iwanowitsch mij tot zich lokte, ik trachtte de verachting niet te zien waarmee de oudere jongens mij, den jongeren, ontvingen; ik wilde mij opdringen dat het voor een grooten jongen schande was alleenmet meisjes om te gaan, dat er niets moois was in het leven daarboven bij de njanja, maar—op mijn borst drukte een zware last en droevig was het mij te moede. Ik was er van overtuigd, dat ik schier onherroepelijk mijne onschuld en mijn geluk verloor. Slechts het bewustzijn van mijn plicht te doen, mijn gevoel van eigenwaarde, hield mij staande. Vele jaren later, aan een kruisweg gekomen, een nieuw leven beginnend, voelde ik weer diezelfde gewaarwordingen. Een groote smart vervulde mij om hetgeen ik onherroepelijk had verloren. Ik kon maar niet gelooven dat het ooit zou gebeuren! Hoewel men er mij op had voorbereid dat ik naar beneden, naar de grooteren moest gaan, kreeg ik het gevoel alsof met het jasje, dat men mij aantrok, de wereld op de bovenverdieping voor mij werd afgesloten. Nu zag ik voor het eerst andere personen dan die mij tot nu toe hadden omringd, en voor het eerst eene hoofdpersoon, met wie ik toch reeds lang was saamgeweest, maar die ik niet had opgemerkt. Dat was mijne tante Tatjana. Ik herinner mij de flinke, teedere, goede, barmhartige, niet groote vrouw met haar zwarte haren. Zij kleedde mij aan en kuste mij, en ik begreep dat zij voelde zooals ik, dat ook zij het betreurde, het diep betreurde, maar dat het moest.“Voor de eerste maal voelde ik, dat het leven geen spel, maar een moeielijke taak is. Zal ik niet het zelfde voelen als ik eens ga sterven, en begrijpen, dat ook de dood en het volgend leven geen spel zijn?“5 Mei 1878.”Van deze Tatjana Alexandrowna geeft Tolstoi de volgende interessante beschrijving:“Tatjana Alexandrowna Jergolskaja was, na mijn vader en mijne moeder, de persoon die den meesten invloed op mijn leven heeft uitgeoefend. Zij was eene verre bloedverwant vanmijne grootmoeder van de zijde der Gortschakoffs. Zij en haar zuster Liza, die later met graaf Peter Iwanowitsch Tolstoi trouwde, bleven, heel jong nog, als weezen achter.“Hun broers werden door de familie aan een of andere betrekking geholpen. Mijne grootmoeder en de waardige invloedrijke Tat. Sjem. Skoeratowa namen de beide meisjes tot zich. Het lot heeft beslist waar zij zouden wonen. Twee biljetten met hare namen werden onder de heiligenbeelden neergelegd, een gebed werd gedaan en de biljetten werden getrokken. Zoo gebeurde het, dat Lizanka naar Tatj. Sjemjojewna ging en de zwarte Tatjana, Tanitschka zooals men haar bij ons noemde, naar mijne grootmoeder. Zij werd geboren in 1795, was ongeveer even oud als mijn vader, en werd geheel als mijne tantes opgevoed. Allen hielden veel van haar, en dat kon ook niet anders bij haar ferm, energiek en toch zelfopofferend karakter. Het volgende, dat zij ons eens vertelde en waarbij zij ons een groot litteeken even onder den elleboog liet zien, geeft een juist beeld van haar.“Als kinderen lazen zij eens de geschiedenis van Mucius Scaevola en begonnen te twisten over de vraag of een van allen hem dat wel na zou durven doen. ‘Ik zal het doen,’ zei Tatjana. ‘Je doet het toch niet,’ zei Jaziekoff, mijn peetoom, en hield, ook weer karakteristiek voor hem, eene liniaal zoo lang in een kaars, tot ze gloeiend was en rookte. ‘Leg die nu tegen je arm,’ zei hij. Zij strekte haar blanken arm uit (de meisjes hadden toen altijd korte mouwen) en Jaziekoff drukte er de gloeiende liniaal tegen aan. Zij fronste haar wenkbrauwen maar trok haar arm niet terug, en steunde slechts even toen met de liniaal het vel van haar arm werd afgetrokken. De ouderen, die de wonde zagen en vroegen hoe zij daar aan kwam, kregen ten antwoord, dat zij het zelf gedaan had, omdat ze wilde ondervinden, wat Mucius Scaevola had gevoeld.Silhouet van Tolstoi’s moeder en haar zuster als kinderen.—Blz. 39.Silhouet van Tolstoi’s moeder en haar zuster als kinderen.—Blz.39.“Zoo was zij in alles, vlug besloten en zelfopofferend.“Haar voorkomen moet zeer innemend geweest zijn, met haar zwart, dik, krullend haar, donkere oogen en levendige, energieke trekken. W. M. Joeschkoff, de man van mijne tante Pelageja, een echte don Juan, zei dikwijls—hij was toen reeds een grijsaard—op een’ toon zooals men van eene vroegere liefde spreekt: ‘Toinette, oh, elle était charmante!’“Toen ik haar leerde kennen was zij reeds over de veertig, en ik dacht er nooit over na of zij mooi was of niet. Ik hield eenvoudig van haar, ik hield van haar oogen, van haar glimlach, van haar bruine, breede, kleine hand, met de energieke lijnen. Het is wel aan te nemen, dat zij vader beminde en vader haar. Toch is zij nooit met hem getrouwd. Niet in haar jeugd, omdat vader met mijne rijke moeder zou kunnen trouwen, en later niet, omdat zij de reine, poëtische verhouding niet wilde bederven die er bestond tusschen haar en vader, en ook tusschen haar en ons. Onder haar papieren, in haar met kralen bewerkte portefeuille, bevindt zich het volgende, geschreven in 1836, zes jaren na den dood van moeder:“‘16 Aug. 1836. Nikolaas heeft mij heden eene vreemde vraag gedaan, namelijk om met hem te trouwen, de moeder te worden van zijne kinderen en hen nooit te verlaten. Het eerste voorstel heb ik geweigerd, het tweede heb ik aangenomen, en ik zal de belofte nakomen, zoolang als ik leef.’“Dit heeft zij neergeschreven, maar nooit heeft zij er met ons of met wien ook over gesproken. Na den dood van mijn’ vader vervulde zij de tweede van zijne wenschen. Wij hadden twee echte tantes en eene grootmoeder. Die hadden allen een grooterrechtop ons dan Tatjana, die wij maar tante noemden en die zoo’n ver verwijderd familielid was, dat ik nooit kon begrijpen, hoe zij eigenlijk tot ons in betrekking stond. Het recht der liefde evenwel bezorgde haarde eerste plaats bij onze opvoeding en wij hebben dat ook steeds gevoeld.“Ik hield van haar, hartstochtelijk, overweldigend en teeder.“Ik herinner mij, dat ik mij eens in het salon (ik was toen ongeveer vijf jaar) dicht tegen haar aan vleide. Streelend beroerde zij mijne hand. Ik greep die hand, kuste haar en begon van teedere liefde tot haar te weenen.“Zij was opgevoed als eene dame van goeden huize, sprak en schreef beter Fransch dan Russisch, speelde heel goed piano, maar had de toetsen in geen dertig jaren aangeraakt. Zij begon eerst weer toen ik, reeds volwassen, het ging leeren. Wij speelden soms wel eens vierhandig en dan verbaasde zij mij door haar correct, voortreffelijk spel. Zij was heel goed voor de bedienden, gaf hun nooit booze woorden; de gedachte aan roede of knoet kon zij niet verdragen, maar toch dacht zij: ‘lijfeigenen zijn lijfeigenen,’ en was tegenover hen geheel de meesteres. Desondanks hielden zij meer van haar dan van één der anderen. Toen zij stierf en door het dorp werd gedragen, kwamen alle boeren uit hunne huizen en zeiden de gebeden der stervenden.De hoofdtrek van haar karakter was liefde. Gaarne had ik gewild, dat die zich tot één mensch, tot mijn’ vader, had bepaald. Haar liefde echter voor hem straalde af op ons allen. Ons had zij lief om hem, allen had zij lief door hem, haar heele leven was liefde.“Hare groote liefde gaf haar zedelijk recht op ons, maar onze eigen tantes, vooral Pelageja Ilinischna, toen zij ons naar Kazan bracht, hadden de uiterlijke rechten. Tatjana voegde zich hier naar en hare liefde voor ons verminderde er niet door. Zij woonde toen bij haar zuster Liza A. Tolstoi, maar met haar hart was zij bij ons, en zoo spoedig mogelijk keerde zij tot ons terug. Het was voor mij een groot geluk, dat zij den laatsten tijd van haar leven, ongeveer twintig jaren, bij mij op Jasnaja Paljana doorbracht. Jammer is het, datwij ons geluk, vooral zoo’n groot innig geluk, nooit naar waarde schatten. Ik stelde het op prijs, maar niet volkomen, niet genoeg. Zij hield er van om op haar kamer verschillende schaaltjes met lekkernijen te hebben: gedroogde vijgen, dadels, enz. Zij vond het prettig die dingen te koopen en in de eerste plaats gaf zij ze dan weer aan mij. Ik zal het nooit vergeten en herinner het mij steeds met gewetenswroeging, dat ik haar eens geld voor snoeperijen heb geweigerd. Zij zuchtte diep en zweeg. Ik zat in geldverlegenheid, dat is waar, maar toch kan ik mij nooit zonder wroeging herinneren, dat ik het haar niet heb toegestaan.“Eens—ik was reeds getrouwd en zij begon al te verzwakken—toen ik bij haar op haar kamer kwam, zeide zij, met afgewend gelaat (maar ik zag wel, dat zij op het punt stond in tranen uit te barsten): ‘Zie eens, mes chers amis, mijne kamer is zoo mooi en gij kunt haar zoo goed gebruiken. Wanneer ik hier nu sterf,’ vervolgde zij met bevende stem, ‘dan zal die herinnering u niet aangenaam zijn. Geef mij daarom liever eene andere kamer’.—Zoo is zij altijd geweest, van mijn eerste kinderjaren af, toen ik nog niets kon begrijpen.“Haar kamer was zóó ingericht: in den linkerhoek stond eene chiffonnière met ontelbare kleinigheden die alleen voor haar waarde hadden; rechts het glazen kastje met heiligenbeelden en het groote zilveren Christusbeeld; in het midden bevond zich de divan, waarop zij sliep en daarvoor eene tafel. Naar rechts gaf een deur toegang tot het vertrek van haar kamenier.“Ik heb reeds gezegd, dat tante Tatjana den grootsten invloed op mijn leven heeft gehad, die in hoofdzaak daarin bestond, dat zij mij, reeds in mijne jeugd, deed begrijpen hoe heerlijk het is lief te hebben. Niet met woorden maar door daden leerde zij het mij. Ik zag, ik voelde, hoe goed het haar was lief te hebben en ik begreep het geluk er van.Dat was het eerste gevolg van haar invloed op mij. Ten tweede leerde zij mij de aantrekkelijkheid kennen van een rustig, ongetrouwd leven, maar daarvan zullen wij te zijner plaatse spreken.“Hoewel deze herinnering niet in mijne jeugd thuis behoort, kan ik toch niet nalaten mijn leven met haar te beschrijven, toen ik nog als jonggezel op Jasnaja woonde.”2Wij hebben in het hoofdstuk over Tolstoi’s ouders reeds opgemerkt, dat zijne vertellingKinder-, Jongens- en Jongelingsjarenniet als een auto-biographie kan worden aangemerkt. Die opmerking geldt in hoofdzaak de uiterlijke omstandigheden, door den auteur medegedeeld om het geheel aan te vullen.Wat de schildering betreft van het inwendige van den kind-held kunnen wij verklaren, dat op de een of andere wijze al die zielstoestanden door den auteur zelf zijn beleefd. Wij voelen ons dus gerechtigd onze biographie er mee aan te vullen. Bovendien weten wij dat eenige typen uit dat werk naar het leven zijn geteekend.Zoo is b.v. de Duitscher Karel Iwanowitsch Mayer niemand anders dan Feodor Iwanowitsch Rjessel, de Duitsche onderwijzer, die in werkelijkheid bij de familie Tolstoi heeft gewoond, en dien wij reeds vroeger vermeld hebben. Tolstoi noemt hem ook in zijneEerste Herinneringen. Deze man moet ongetwijfeld een grooten invloed gehad hebben op de geestelijke ontwikkeling van den knaap. Door de bijzondere liefde, waarmee de auteur vanKinderjarenzijne oprechte, eerlijke, goedhartige en liefhebbende natuur teekent, mogen wij aannemen dat deze invloed een goede was.Het is dus niet zonder reden, dat Tolstoi de geschiedenis van zijne jeugd begint met de schildering van dezen persoon.Feodor Iwanowitsch stierf te Jasnaja Paljana en werd begraven bij de kerk.Een tweede persoon die inKinderjarenwordt beschreven is een Joerodiewi3.Deze Grischa heeft niet bepaald bestaan, maar is ongetwijfeld grootendeels naar het leven geteekend. Hij maakte klaarblijkelijk een diepen indruk op Tolstoi’s kinderziel. De volgende roerende woorden zijn aan hem gewijd. Tolstoi geeft daarin een beschrijving van een avondgebed van den Joerodiewi.“Zijne woorden waren onsamenhangend maar treffend. Hij bad voor zijne weldoeners (zoo noemde hij degenen waar hij wel eens mocht komen), voor zijne moeder, voor ons, en voor zich zelf. Hij smeekte dat God hem zijne zware zonden zou vergeven en herhaalde telkens: ‘O God, vergeef ook mijne vijanden!’“Zuchtend richtte hij zich op, en steeds dezelfde woorden herhalend, wierp hij zich ter aarde en richtte zich weer op en lette niet op de zware kettingen, die met een scherp knarsend geluid tegen den grond sloegen....“.... Lang nog bevond Grischa zich in dezen staat van godsdienstige geestvervoering en improviseerde gebeden. Hij herhaalde eenige malen: ‘Heer, vergeef mij’, telkens met sterkeren, grooteren nadruk, ‘Heer, Heer, vergeef mij, leer mij wat ik doen moet’, en sprak met zóóveel uitdrukking, alsof hij dadelijk een antwoord op zijn smeeken verwachtte. Daarop weerklonk een klaaglijk weenen... Hij bleef liggen, geknield, vouwde zijne handen op de borst en zweeg.“—‘Heer, Uw wil geschiede’, riep hij plotseling met volle overtuiging, viel met zijn hoofd op den grond en weende als een kind.“Veel water vloeide er sinds dien naar zee, vele herinneringen aan ’t verleden verloren voor mij hunne beteekenis en werden wazige droombeelden, ook de pelgrim Grischa volbracht reeds lang zijn laatsten tocht, maar de indruk dien hij bij mij te weeg bracht, het gevoel dat hij bij mij wakker riep, zal nooit uit mijne herinnering worden gewischt.“O, groote Christen Grischa! Uw geloof was zoo sterk, gij gevoeldet Gods nabijheid; Uwe liefde was zóó groot, dat de woorden van zelf over uwe lippen stroomden; Gij toetstet ze niet aan het verstand.... en welk een grooten lof bracht Gij het Opperwezen! Toen Gij geen woorden meer vondt, vielt gij weenend ter neer.”4Hebben wij niet het volste recht dien man den eersten prediker van het volksgeloof te noemen, dat geloof, dat Tolstoi’s geest overwon, na de onvruchtbare omzwervingen op het gebied van theologie, filosofie en de exacte wetenschappen, en dat hij op zijn beurt heeft beschenen met het licht van zijn verstand, gereinigd en gestaald door strijd en lijden, de noodzakelijke metgezellen van allen die zoeken naar waarheid.Een bewijs voor het bovenstaande vinden wij in Tolstoi’s herinneringen.“De simpele Grischa is een verdicht persoon. In ons huis kwamen er velen van zijns gelijken, en ik ben er mijn’ opvoeders dankbaar voor, dat zij mij leerden, hen met achting te behandelen.“Al schuilen er ook onoprechten onder hen, al hebben zij ook zwakke oogenblikken, toch is hun levenstaak zóó hoog,hoewel praktisch onuitvoerbaar, dat het mij verheugt, dat ik van mijn kindsheid af, geheel onbewust, het grootsche van hun streven leerde begrijpen. Zij ondervinden wat Marcus Aurelius zegt: ‘er is niets verheveners, dan de verachting te verdragen voor zijn goed leven.’“De lokstem van den roem, die zich verbindt met iedere goede daad, is zoo verderfelijk voor ons, dat men de verzoeking wel moet meevoelen, niet slechts om zich aan den lof te willen onttrekken, maar om de verachting der menschen op zich te laden.“Zoo eene Joerodiewaja waren ook Marja Gherasimowna, de peettante van mijne zuster, en de half waanzinnige Jewdokimoeschka en nog eenigen, die wel in ons huis kwamen.“Wij kinderen hoorden het gebed niet van een Joerodiewi, maar wel van Akim, een waanzinnigen tuinmansjongen. Hij deed zijn gebed in de groote zaal van een zomerhuis en het trof mij diep, dat eenvoudige gebed, tot God gericht als tot een levend mensch.“‘Gij mijn dokter, gij mijn apotheker,’ sprak hij met overtuigend vertrouwen. Daarop zong hij liederen van het laatste gericht: dat God de rechtvaardigen van de zondaars scheidde en den laatsten de oogen volstrooide met geel zand.”In andere, minderwaardige papieren lezen wij van Mimi en haar dochter Katjenka, “zoo iets van een eerste liefde”. Onder den naam Mimi vinden wij de gouvernante van de buren, onder Katjenka een pleegkind der familie terug, door Tolstoi beschreven als Doenjetschka Tjemjeschewa.Van deze Doenjetschka vertelt Tolstoi in zijne herinneringen:“Behalve de broers en mijne zuster woonde van haar vijfde jaar af bij ons in Doenjetschka Tjemjeschewa, en ik moet vertellen, wie zij was en hoe zij bij ons kwam.“Onder het aantal bezoekers, die ik mij nog uit mijne jeugd herinner, bevindt zich o.a. de man van tante Joeschkoff, van wien ik nog veel zal moeten spreken. Hij had een uiterlijk dat kinderen opvalt, zwarte snor, bakkebaarden en een bril op zijn neus. Ten tweede, mijn peetoom S. J. Jaziekoff. Deze had een bijzonder leelijke gestalte, rook altijd naar tabak, had veel te ruim vel op zijn breed gezicht, waarmee hij voortdurend de onmogelijkste grimassen trok.“Behalve onze twee buren Ogarjeff en Isljenjeff, bezocht ons nog een verre bloedverwant van de zijde der Gortschakoffs, de rijke vrijgezel Tjemjeschoff, die heel veel van mijn’ vader hield en hem steeds ‘broeder’ noemde.“Hij woonde op veertig wersten afstand van Jasnaja Paljana, in het dorp Pirogowo, en bracht ons van daar eens varkentjes met krulstaartjes mee, die op een groot blad in de bediendenkamer werden neergezet.“Tjemjeschoff, Pirogowo en de varkentjes zijn in mijne herinnering één. Bovendien kunnen wij kinderen ons hem nog altijd herinneren, zooals hij voor de piano zat. Hij speelde een danswijsje (hij kende er maar één) en wilde dat wij er op zouden dansen. Als wij dan vroegen wat hij eigenlijk speelde, dan antwoordde hij dat op die muziek alles kon worden gedanst. Wij vonden het aardig en dansten er op los.“Het was op een’ winteravond, er was al thee gedronken en wij zouden spoedig naar bed worden gebracht; onze oogen vielen reeds bijna toe, toen plotseling iemand met vlugge, onhoorbare schreden uit de bediendenkamer in het salon trad, waar wij allen in half donker zaten, omdat er maar twee lampen brandden. Hij liep naar ’t midden van de kamer en viel daar op zijne knieën. De brandende pijp met den langen steel, die hij in zijn hand hield, stootte op den grond zoodat het vuur er uitviel, en het gelaat van den knielenden man verlichtte. Die man was—Tjemjeschoff. Wat hij tegenvader zei, terwijl hij voor hem neerknielde, herinner ik mij niet en verstond ik ook niet. Later hoorde ik dat hij zijn onwettig dochtertje Doenjetschka bij zich had, waarover hij reeds vroeger had gesproken en dat door vader tegelijk met ons zou worden opgevoed.“Van dien tijd af kwam Doenjetschka bij ons in huis. Zij had een breed gezicht, was even oud als ik en had een njanja: Jewpraksija. Deze was eene rimpelige oude vrouw; ze had een zak onder aan haar kin als van een kalkoenschen haan, met een balletje er in, dat zij ons liet voelen.“Met de verschijning van Doenjetschka kwam er ook een ingewikkeld contract in ons huis. Tjemjeschoff was zeer rijk. Hij had geen wettige kinderen. De twee meisjes Doenjetschka en Wjerotschka waren zijne natuurlijke dochters. De laatste was mismaakt. Haar moeder was eene gewezen lijfeigene Marfoescha. Tjemjeschoff’s erfgenamen waren zijne zusters. Hij vermaakte haar alles, behalve Pirogowo, waar hij woonde. Dit wenschte hij mijn vader te verkoopen onder voorwaarde, dat de prijs van het goed, 300,000 roebel (men zei van Pirogowo, dat het een goudmijn en veel meer waard was), door vader aan de twee meisjes zou worden betaald. Om dat nu zoo in te richten was men het volgende overeengekomen. Tjemjeschoff maakte een koopbrief op, waarin beschreven stond, dat hij vader het goed verkocht voor 300,000 roebel. Vader gaf nu drie wissels ieder van 100,000 aan Isljeneff, Jaziekoff en en Gljeboff. Ingeval van Tjemjescheff’s overlijden kwam het goed aan mijn’ vader, die dan de geheele som aan de drie houders van de wissels moest betalen, welken het weer aan de twee meisjes zouden uitkeeren. Misschien vergis ik mij met de beschrijving van het contract, maar ik weet zeker, dat het landgoed na vaders dood aan ons kwam en dat er drie wissels waren op naam van Isljeneff, Gljeboff en Jaziekoff.Onze voogd betaalde het geld uit en de twee eersten gaven het op hun beurt aan de meisjes, maar de derde, Jaziekoff, eigende het zich toe. Daarover echter later.“Doenjetschka woonde dus bij ons, was een lief, eenvoudig, rustig, maar dom meisje en daarbij een groote huilebalk. Ik herinner mij, dat ik reeds een weinig Fransch kon lezen en schrijven en dat men mij opdroeg haar de letters te leeren. In ’t begin ging alles goed (wij waren ongeveer vijf jaar), maar later, waarschijnlijk omdat ze moe werd, kon zij de letters die ik haar aanwees niet meer noemen. Ik hield vol, zij begon te weenen, ik ook, en toen er later iemand bij ons kwam, konden wij niet praten, zoo huilden wij. Ook herinner ik me nog, dat er eens een pruim van de schaal was verdwenen en men de schuldige niet kon vinden. Feodor Iwanowitsch zei met een ernstig gelaat, zonder ons aan te zien, dat het niet zoo erg was dat die pruim was opgegeten, maar als we de pit hadden ingeslikt, dan zouden we moeten sterven. Doenjetschka, die den angst niet meer kon verdragen, zei, dat ze de pit had uitgespogen.“Nog herinner ik mij haar vreeselijken tranenvloed, toen eens, onder ’t spelen met mijn broertje Mitjenka, het volgende gebeurde. Het spel bestond daarin, dat zij elkaar een koperen kettinkje in den mond spuwden. Nu spoog zij met zoo’n kracht en hij sperde zijn mond zoo wijd open, dat hij het doorslikte. Doenjetschka weende wanhopig, totdat de dokter kwam en ons allen gerust stelde.“Zij was niet verstandig, maar goed en eenvoudig en daarbij zoo rein, dat er nooit een andere dan een broederlijke verhouding tusschen ons heeft bestaan.”De mededeelingen die Tolstoi doet over de bedienden, die hem in zijn prilste jeugd omringden, zijn schaarsch, maar zeer interessant. Zij vullen de gegevens aan, reeds beschreven in zijn werkKinderjaren.“Onder den naam Natalie Cawischni heb ik inKinderjarenPraskowa Isajewna vrij nauwkeurig beschreven. Alles wat ik van haar vertelde is werkelijkheid. Zij was onze huishoudster en een zeer achtenswaardige vrouw.“Een van de prettigste herinneringen die ik aan haar heb behouden is wel, dat we na of tusschen de lessen in haar kamertje kwamen om met haar te praten en naar haar te luisteren. Zij hield waarschijnlijk van ons om onze heerlijke kinderlijke oprechtheid. ‘Praskowa Isajewna, hoe ging grootvader naar den oorlog? te paard?’, vroegen wij om haar maar aan ’t praten te krijgen. ‘Hij ging te voet en te paard. Daarvoor was hij generaal-en-chef’, en daarbij opende zij een kast, en nam er een stukje hars uit dat zij ‘Koerjen van Otschakoff’ noemde. Volgens haar had grootvader het uit Otschakoff meegenomen. Zij stak een papier aan boven het lampje bij de heiligenbeelden, maakte daarmee het hars aan het branden, dat dan een aangenamen geur verspreidde.“InKinderjarenvertelde ik, dat zij mij eens beleedigde, door mij een slag met een natten vaatdoek te geven. Zij deed mij nog een tweede beleediging aan. Tot haar plichten behoorde ook, dat zij, als het noodig was, ons een lavement zette. Het gebeurde eens op een’ morgen, toen ik al niet meer op de vrouwenafdeeling was, maar onder toezicht stond van Feodor Iwanowitsch. Wij waren opgestaan, de andere broers waren al gekleed, maar ik had me verlaat en wilde juist mijn nachthemd voor mijn kleeren gaan verwisselen, toen Praskowa met haar instrumenten binnentrad. Deze bestonden uit een in een doek gewikkelde spuit, waarvan alleen het uiterste gele pijpje te zien was, en een schoteltje met boomolie, waar zij het pijpje mee bevochtigde. Mij ziende, dacht zij dat ik degene was, voor wie tante de operatie bestemd had. In werkelijkheid was het Mitjenka, die toevallig of met opzet, wel wetende dat hem iets wachttewaar wij geen van allen op gesteld waren, zich vlug had aangekleed en was weggeloopen. En zonder acht te slaan op mijn heilige verzekeringen dat ik de persoon niet was, voerde zij de operatie uit.“Ik hield zoo veel van haar, niet alleen om haar eerlijkheid en toewijding, maar ook omdat zij met het stukje hars van Otschakoff voor mij een vertegenwoordigster was van die geheimzinnige wereld uit den tijd van grootvader.“Anna Iwanowna leefde stil; tweemaal is zij bij ons in huis geweest; toen heb ik haar gezien. Men zei, dat zij wel honderd jaar was. Zij had pikzwarte oogen en één tand. Zij was zoo’n oude vrouw waar kinderen bang voor worden.“De bruine Tatjana Filippowna, met haar kleine handjes, was eene jonge hulp-njanja van Anna Iwanowna, welke laatste ik me bijna niet kan herinneren, want van het oogenblik af dat ik mij mezelf bewust werd, zie ik mij steeds met njanja Annoeschka. En daar ik mij mijzelf in dien tijd bijna niet kan voorstellen, herinner ik me de njanja ook niet.“Njanja Tatjana kan ik mij nog voorstellen omdat zij njanja bij mijn nichtjes werd en later ook bij mijn oudsten zoon.“Zij was een van die aandoenlijke wezens uit het volk, die zoo met hunne pleegkinderen meeleven, dat zij al hun belangstelling op hen overbrengen, terwijl zij voor haar eigen familie slechts de bron zijn, waaruit voor deze het geld vloeit om van te leven. Zij hebben altijd een’ man, broer of zoon die een verkwister is, en verkwisters waren ook de man en zoon van Tatjana Filippowna. Ik herinner mij nog, dat zij stil en gelaten stierf, juist op de plaats waar ik nu deze herinneringen zit te schrijven. Haar broer Nikolaas Filippowitsch was onze koetsier, van wien we niet alleen veel hielden, maar wien we (dat doen de meeste kinderen van de landheeren) groote achting toedroegen. Hij had heel zware laarzen,rook altijd heerlijk naar den stal en had eene vroolijke, welluidende stem.“Nu moet ik spreken van Wassiliï Troebjetzki, onzen bottelier. Hij was een lieve, vriendelijke man, die veel van kinderen dus ook veel van ons hield, maar het meest van Sergius, bij wien hij later in dienst kwam en in wiens huis hij ook stierf. Ik herinner mij zijn goedig gerimpeld gezicht met den vriendelijken scheeven glimlach en ook dien bijzonderen geur, als hij ons op den arm nam of op een blad zette (dat was een van onze grootste genoegens: ‘ik ook, nu ik!’), en ons naar den wijnkelder droeg, die voor ons zoo geheimzinnige plaats met de onderaardsche gang. De duidelijkste herinnering, die ik aan hem heb, is zijn vertrek naar Schtscherbatschewka, een landgoed in de nabijheid van Koersk, dat vader geërfd had van Perowska. Dat vertrek van Wassiliï Troebjetzki viel omstreeks de swjatki5, een’ tijd dat alle kinderen, en ook eenige van de bedienden, in de groote zaal ‘roebeltje rol’ spelen. Van deze swjatki-feesten moet ik nog vertellen. Alle bedienden (’t waren er veel, wel dertig) hadden zich verkleed en kwamen in ons huis. Zij vermaakten zich met allerlei spelen en dansten bij de viool van den ouden Grigoriï, die alleen in dien tijd bij ons kwam. De gecostumeerden stelden meestal beren met berenleiders, geiten, Turken en Turkinnen, Tirolers, roovers, boeren en boerinnen voor. Ik herinner mij, hoe prachtig ik sommige van de gecostumeerden vond en vooral Mascha, die eene Turkin voorstelde. Soms verkleedde tante ons ook. Het meest gewenscht vonden wij een’ gordel met steenen, tule en neteldoek met goud bewerkt, en ik vond mijzelf heel mooi met mijn met kurk geteekende snor. Ik herinner mij dat ik, in den spiegel ziende naar mijn gezicht met zwarte wenkbrauwen, een vergenoegd lachje niet terug kon houden, ofschoonik het ernstige gezicht van een’ Turk moest vertoonen. De gecostumeerden liepen door alle kamers en voorzagen zich van allerlei versnaperingen. Op een van die feesten—ik was toen nog heel jong—kwamen alle Isljeneffs, de vader (de grootvader van mijn vrouw), drie zoons en drie dochters, verkleed bij ons. In onze oogen waren zij prachtig gecostumeerd. De japonnen, de laarzen, de bordpapieren gordels, alles was mooi.“De Isljeneffs kwamen veertig wersten ver en hadden zich in het dorp verkleed. Toen zij in de zaal kwamen ging Isljeneff dadelijk naar de piano en zong met een’ stem, die ik me nu nog herinner, een lied dat hij zelf had gemaakt.“Het gedicht luidde als volgt:Op ’t Nieuwe Jaar zijn wij gekomenEn bieden onze wenschen aan,Als ’t u genoegen heeft gegeven,Gaan wij verheugd hier weer vandaan.“Het was alles zoo wonderbaarlijk en voor de grooteren waarschijnlijk wel mooi, maar voor ons kinderen waren de bedienden toch het allerprachtigst.“De feesten werden gevierd in de dagen na Kerstmis en Nieuwjaar en soms ook nog na Drie-Koningen. Na Nieuwjaar ging het echter niet meer zoo lustig toe. Zoo was het ook op dien dag toen Wassiliï naar Schtscherbatschewka ging. Ik herinner mij, dat we in een’ kring in de bijna donkere zaal zaten op stoelen van rood hout met leeren zittingen, die bij ons thuis gemaakt waren. Wij speelden ‘roebeltje rol’. Een van allen moest den roebel zoeken, dien wij van hand tot hand lieten gaan, waarbij wij zongen: ‘rol roebeltje, rol’. Ik herinner mij, dat een van de vrouwelijke bedienden met een bijzonder prettige stem telkens deze woorden herhaalde. Plotseling ging de deur open en Wassiliï, gelaarsden gespoord, zonder blad of servies, kwam naar binnen en liep recht langs den muur naar de studeerkamer. Nu eerst vernam ik, dat Wassiliï als prikaztschik6naar Schtscherbatschjewka ging. Ik begreep, dat het een bevordering voor hem was. Ik was dus blij voor Wassiliï, maar tegelijkertijd betreurde ik het, niet slechts dat ik van hem moest scheiden, dat hij ons niet meer op het blad zou dragen, maar omdat ik nooit had kunnen begrijpen, nooit had kunnen gelooven, dat er zoo’n verandering kon plaats grijpen. Het werd mij vreemd, treurig te moede en de melodie van ‘rol roebeltje, rol’ deed mij zacht ontroeren. Toen Wassiliï, met zijn vriendelijken, scheeven lach, van tante terug kwam, en ons op den schouder kuste, voelde ik voor de eerste maal den angst voor de onbestendigheid van ’t leven en medelijden en liefde voor den goeden Wassiliï. Toen ik hem later weer zag (ik weet niet of hij een goede of een slechte prikaztschik was), vermoedde ik, dat er in hem geen spoor meer was overgebleven van zijne heilige, broederlijke, menschelijke gevoelens.”7Op eene voor het menschelijk verstand geheimzinnige, onbegrijpelijke wijze, blijven de indrukken onzer prilste jeugd niet alleen bestaan, maar evenals het zaad in vruchtbare aarde tot een jonge, frissche plant wordt, ontwikkelen zich ook in de geheimzinnige diepten onzer ziel onze herinneringen, om plotseling, na jaren soms, in het licht te treden.Zoo waren ook de spelen met de jongere broers als het zaad, waaruit de herinneringen ontsproten; de herinnering aan den berg Fanfaronoff, aan de Moerawjeïsche broeders en aan het groene takje, evenals aan Nikolaas, een anderen broeder, over wiens invloed op Tolstoi’s leven reeds in zijne aanteekeningen is gesproken.Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, Tolstoi’s vader.—Blz. 46.Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, Tolstoi’s vader.—Blz.46.“Ja, de berg Fanfaronoff vertegenwoordigt een van mijn jongste, liefste en gewichtigste herinneringen. Onze oudste broer Nikolaas was zes jaar ouder dan ik. Hij was dus ongeveer tien of elf toen ik vier of vijf jaar telde, het tijdstip waarop hij ons naar den berg Fanfaronoff geleidde. Toen wij nog heel jong waren—hoe het zoo kwam weet ik niet—spraken wij hem aan met ‘U’. Hij was een bewonderenswaardige jongen en werd later een bewonderenswaardig mensch.“Toerghenjeff zeide zeer terecht van hem, dat hij al die gebreken miste, die noodzakelijk zijn voor een’ schrijver. De eigenschappen die hij wel had waren een fijn gevoel voor kunst, een goedhartige, vroolijke humor en een buitengewone, onuitputtelijke, verbeeldingskracht, zóó groot, dat hij zonder ophouden en zonder de gebruikelijke ‘en toen’s’ allerlei sprookjes, spookgeschiedenissen en humoristische verhaaltjes à la madame Radcliffe kon vertellen, met zulk een overtuiging, dat men geheel vergat dat hij fantaseerde. Als hij niet vertelde of las (en lezen deed hij verbazend veel), dan teekende hij. Bijna altijd waren het duivels met horens en omgekrulde snorren, die onderling de meest verschillende groepen vormden en zich met de meest verschillende dingen bezig hielden. Die teekeningen getuigen ook van zijne groote verbeeldingskracht en humor.“Wij broers waren, ik zelf vijf, Mitjenka zes en Serjezja zeven jaren toen die zelfde Nikolaas ons eens vertelde, dat hij een geheim wist, waarmee hij, als hij het openbaarde, alle menschen gelukkig kon maken. Ziekte en verdriet zouden er niet meer zijn, de menschen zouden niet meer twisten en allen zouden elkander liefhebben en Moerawjeïsche8broeders worden. Waarschijnlijk bedoelde hij ‘Moravische broeders’, waarvan hij wel eens gehoord of gelezen had, maar in onze taal heettehet de Moerawjeïsche broeders. Ik herinner mij, dat het woord ‘mier’ ons bijzonder goed beviel; wij dachten daarbij aan een’ mierenhoop. Zelfs vonden wij een spel uit, dat daarop betrekking had. Wij kropen onder een stoel, schoven daar kisten om heen, die we met lappen hadden behangen, en zaten daar dicht opeengedrongen in het donker. Ik herinner mij, dat mij dan altijd eene zachte aandoening, een gevoel van liefde doordrong en ik hield heel veel van dat spel. Van die mieren-broeders had hij ons dus verteld, maar het groote geheim van wat men doen moest, opdat alle menschen gelukkig zouden worden, ziekte noch ongeluk, strijd noch boosheid zouden bestaan, dat, zei hij, stond geschreven op een groen takje en dat takje lag begraven aan den rand van een hollen weg, ‘starai zakas’, op die plaats waar ik (men moet toch ergens begraven worden) ter herinnering aan Nikolaas ook eens wensch te rusten. Behalve dat takje was er nog een berg Fanfaronoff, waar hij ons heen zou brengen, mits wij alle voorwaarden, die hij ons stelde, vervulden. Die voorwaarden luidden: ten eerste in een hoek gaan staan en niet aan den witten beer denken. Ik herinner mij, dat ik in een hoek ging staan en mijn best deed, maar dat het mij nooit gelukte niet aan dien witten beer te denken. Ten tweede: zoo te loopen, dat we alleen de spleet tusschen de planken in den vloer aanraakten, en ten derde mochten wij in een heel jaar niet één haas zien, hetzij levend, geschoten of gebraden. Natuurlijk mochten wij niets van ons geheim vertellen. Diegene, die deze voorwaarden en nog eenige, die Nikolaas ons later zou vertellen, had nageleefd, zou zijne wenschen, welke het ook waren, vervuld zien. Wij moesten zeggen wat wij wenschten. Serjezja wenschte zich, dat hij paarden en kippen in was zou kunnen kneden, en Mitjenka, dat hij groote schilderijen zou kunnen maken. Ik kon niets anders bedenken, dan den wensch om maar kleine dingen te kunnen schilderen.Deze heele geschiedenis werd, zooals dat altijd bij kinderen gaat, heel spoedig vergeten en niemand kwam bij den berg Fanfaronoff, maar nog herinner ik mij de gewichtigheid, waarmee Nikolaas ons in zijne geheimen inwijdde, ons ontzag en onze vrees voor die wonderbare dingen, die hij ons openbaarde. Een zeer sterken indruk heb ik behouden van de Moerawjeïsche broeders en het groene takje, dat iedereen gelukkig zou maken.“Tegenwoordig begrijp ik dat Nikolaas eens gelezen of gehoord had van de vrijmetselaars, van hun streven om de menschen gelukkig te maken en van de geheimzinnige ceremoniën bij het opnemen in hunne orde. Ook van de Moravische broederschap kwam hem wel eens iets ter oore, en zijne verbeeldingskracht, bijgestaan door zijne liefde voor de menschen en voor het goede, weefde alles samen tot het verhaal waarmee hij ons zoo fopte.“Het ideaal der Moerawjeïsche broeders, elkaar lief te hebben en te steunen (niet slechts onder een paar stoelen met kleeden behangen, maar nagestreefd door alle menschen op Gods aardbodem) is nog steeds mijn ideaal. En—zooals ik toen geloofde aan het groene takje, dat alle ellende kon verdrijven, en de menschen het hoogste heil brengen, zoo geloof ik ook nu aan het bestaan eener waarheid, die hun geopenbaard zal worden en hun alles zal geven wat zij belooft.”9De herinneringen aan Tolstoi’s broer Dmitri zullen wij plaatsen onder het hoofdstuk over zijne jongelingsjaren. Hier laten we nog een fragment volgen van de onafgewerkte herinneringen aan zijn broer Sergius, betrekking hebbende op zijne vroegste kindsheid:“Mitjenka en ik waren kameraden, voor Nikolaas gevoeldeik achting, maar Sergius beminde, aanbad ik. Ik wilde ‘hem’ zijn. Ik bewonderde zijne krachtige gestalte, zijn zingen (hij zong altijd), zijne teekeningen, zijne vroolijkheid en vooral, hoe vreemd het ook klinken moge, zijn onafhankelijk egoïsme. Ik onderzocht altijd al mijn daden, luisterde of de menschen goed of kwaad van mij spraken en dat bedierf mijn leven. Daarom bewonderde ik in anderen juist het tegenovergestelde daarvan, dat onafhankelijk egoïsme. Daarom had ik Sergius lief. Het woord, ‘liefhebben’ zegt niets. Nikoljenka had ik lief, maar Sergius aanbad ik, en ik zag in hem een heel bijzonder wezen. Ik bewonderde hem, maar ik begreep hem niet en dat maakte hem voor mij nog veel aantrekkelijker.“Hij stierf dezer dagen en stervende was hij mij nog even onbegrijpelijk en nog even dierbaar als in de dagen onzer kindsheid. De laatste jaren, toen hij ouder werd, hield hij meer van mij, hij waardeerde mijne aanhankelijkheid, was trotsch op mij, trachtte met mij overeen te stemmen maar kon het niet en hij bleef die hij was: geheel bijzonder, geheel zich zelf. Hij was mooi, goed gebouwd, trotsch, maar, meer dan dat alles: hij was tot in den hoogsten graad oprecht en waarheidlievend. Hij was zooals hij was en trachtte zich niet mooier noch minder voor te doen.“Met Nikolaas wilde ik gaarne samen zijn, met hem praten, met hem overleggen. Sergius wilde ik slechts navolgen. Toen we nog heel jong waren begon het reeds. Hij hield kippen en kuikentjes en ik hield kippen en kuikentjes. Dat waren waarschijnlijk mijn eerste navorschingen op het gebied van de dierenwereld. Ik herinner mij nog de verschillende soorten: grijze en bonte kippen, en kippen met pluimen, en alle kwamen zij naar ons toe, als wij ze riepen om gevoerd te worden. Den Hollandschen haan mochten wij niet lijden, want die was niet goed voor de kippen. Sergius had gevraagd, kippen te mogen houden, en ik vroeg het ook. Sergiusteekende, en mij leek het prachtig, op een groot stuk papier, in verschillende kleuren, kippen en hanen. Ik deed het ook, maar leelijk. Op dit gebied had ik juist gehoopt mij te volmaken, door middel van den berg Fanfaronoff. Sergius kwam eens op de gedachte, toen de ramen weer ingezet waren, de kippen met lange worstjes, die hij van worst en wittebrood had gemaakt, door het sleutelgat te voeren en—ik deed hetzelfde”10.Wij laten hier nog een paar losse herinneringen volgen, die ons ook door Tolstoi zijn verstrekt, maar die, evenals het grootste gedeelte der herinneringen uit zijn kinderjaren, niet in chronologische volgorde geplaatst kunnen worden. Toch zou het jammer zijn, ze niet te plaatsen, daar zij ons helpen het beeld van Leo Tolstoi’s kinderjaren te voltooien.“Eene herinnering aan eene onbelangrijke gebeurtenis, die een sterken indruk bij mij naliet. Het staat mij voor als volgt.“In onze kinderkamer op de bovenverdieping zit Tjemjeschoff en praat met Feodor Iwanowitsch. Ik herinner mij niet waarom het gesprek over de vasten liep, maar Tjemjeschoff, de goedhartige Tjemjeschoff, zei heel gewoon: ‘mijn kok (’t kan ook knecht zijn, dat weet ik niet meer) kreeg het in zijn hoofd eene vleeschspijs te gaan eten; ik heb hem weggezonden om soldaat te worden’. Ik heb het onthouden omdat het toen voor mij zoo vreemd, zoo geheel onbegrijpelijk was.“Eene andere gebeurtenis. De erfenis Perowski. Ik herinner mij een hoog bevrachten wagen, die uit Neroetsch kwam, toen het proces over de erfenis, dank zij Ilija Mitrofanowitsch, gunstig voor ons was afgeloopen. Ilija Mitrofanowitsch was een dronkaard. Hij was reeds een oude man, groot, met langhaar, een gewezen lijfeigene van Perowska, een groot kenner (zooals dat vroeger meer voorkwam) van contracten. Hij had het proces gevoerd, het gewonnen, en woonde daarvoor tot aan zijn dood te Jasnaja Paljana.“Nog een indruk. Aankomst van Peter Iwanowitsch Tolstoi, den vader van Walerian, den man van mijne zuster. Hij kwam in een chambercloak in de ontvangkamer; wij begrepen niet waarom, maar hoorden later, dat het was omdat hij in het laatste stadium van tering verkeerde. Een andere indruk. De aankomst van zijn’ broeder Feodor Tolstoi, den bekenden Amerikaan. Ik herinner mij dat hij in een wagen met postpaarden kwam aanrijden, naar vader in de studeerkamer ging en zijn eigen hard Fransch brood vroeg; ander brood at hij niet. Broer Sergius had juist erge tandpijn. De Amerikaan vroeg wat hem scheelde, en toen hij ’t wist, beweerde hij de pijn door magnetisme te kunnen verdrijven. Hij ging naar de studeerkamer, sloot de deur, en kwam terug met twee batisten zakdoeken. Ik herinner mij, dat ze een lila rand hadden. Hij gaf tante de beide zakdoeken en zei: ‘als hij dezen omdoet, dan zal de pijn weggaan, en dezen, dan gaat hij slapen’. Sergius nam de zakdoeken, deed ze om en wij hebben den indruk behouden, dat het juist zoo ging als ons voorspeld was.“Ik herinner me hem nog, met zijn mooi gebronsd gezicht. Hij droeg geen vollen baard, maar wel een dichten grijzen bakkebaard, die tot aan zijn mondhoeken groeide. Zijn hoofdhaar was grijs en krullend. Ik zou nog heel veel willen vertellen van dezen ongewonen, verdorven, maar toch zoo aantrekkelijken man!”Wij zullen dit hoofdstukKinderjarenbesluiten met de poëtische herinnering uit een vroeger uitgegeven werk van Tolstoi.“Gelukkige, gelukkige kinderjaren, die nooit meer terugkomen! Wie zou zich niet verlustigen in hunne herinnering? Mij zijn ze een bron van het heerlijkst genot, zij verheffen, zij verlichten mijne ziel.... Na het gebed, in de koesterende dekens, als de ziel zoo licht is, zoo klaar, zoo blij, begint de fantasie haar werk. Wat schildert zij? Te grijpen zijn haar beelden niet, maar zij zijn vol van reine liefde en hoop op rein geluk.—Dan dacht ik aan Karel Iwanowitsch, den eenigen man van wien ik wist dat hij ongelukkig was, en aan zijn bitter lot, en mijn medelijden was zoo groot en mijn liefde zoo innig, dat tranen uit mijne oogen vloeiden en ik bad: ‘God, geef hem geluk en stel mij in staat hem te helpen en zijne smart te verlichten; ik ben geheel bereid mij voor hem op te offeren’. Dan weer bewonder ik het liefste porseleinen speelgoed—het haasje of den hond—weggedrukt in een hoekje van het donzen kussen; hoe heerlijk warm en gemakkelijk ligt het daar! En nog weer een gebed tot God om geluk en tevredenheid voor allen, om mooi weer voor de wandeling van morgen; dan keer je je om en je valt in slaap, zoo rustig en stil, het gelaat nog nat van tranen. Zullen zij ooit terugkeeren, die frischheid, die zorgeloosheid, die behoefte aan liefde, dat krachtig geloof, die schatten van onze kinderjaren? Welke tijd kan beter zijn dan die, waar de twee grootste deugden, de onschuldige vroolijkheid en de oneindige behoefte aan liefde de eenige drijfveer zijn van ’t leven? Waar zijn die vurige gebeden? Waar het heerlijkste geschenk, die reine traan van mededoogen?“Een engel der vertroosting kwam en wischte met zijn’ glimlach onze tranen af en zachtkens wuivend blies zij droomen in onze onbedorven kinderziel.“Heeft het leven dan zulke diepe sporen in mijn hart gegrift, dat de zaligheid der tranen voor eeuwig voor mij verloren ging?”1Een pleegkind (zie volgend hoofdstuk).2Uit Tolstoi’s ongecorrigeerde aanteekeningen.3Een onnoozele.4Uit de verzamelde werken van Tolstoi.5De tijd van Kerstmis tot aan Drie-Koningen.6Prikaztschik kan verschillende beteekenissen hebben, maar wijst altijd op eene betrekking in den handel. Het handschrift geeft geen verdere aanwijzing.7Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.8Moerawjeï = mier.9Uit de ongeconigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.10Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.

“Ik ben geboren en bracht mijn kinderjaren door te Jasnaja Paljana.”

Met deze woorden begint Tolstoi ons zijne herinneringen mede te deelen. Wij achten het niet overbodig, vóór wij verder gaan, iets naders te vertellen van dit merkwaardige plekje gronds, dat, zooals wij allen weten, eene wereldberoemdheid heeft verkregen. Welke gasten heeft Jasnaja Paljana al niet geherbergd! Bewoners van den Maleischen Archipel, Australiërs, Japanners, Amerikanen, vluchtelingen uit Siberië en verder tallooze vertegenwoordigers van alle Europeesche landen kwamen er, gaven het bekendheid en verspreidden tot in de uiterste hoeken der aarde, de woorden en gedachten van den grooten grijsaard, die het bewoont.

Jasnaja Paljana is het stamgoed van de vorsten Wolkonski, gelegen 15 wersten ten zuiden van Toela, bijna op de grens van dat gouvernement. Dicht bij het landgoed komen drie wegen te samen, vertegenwoordigende drie verschillende tijdperken. De oude met gras begroeide Kiefsche weg, de nieuweKiefsche chaussée en de Moskou-spoorbaan. Tolstoi’s huis, staande in eene schoone heuvelachtige streek, die van ’t Oosten naar ’t Westen door een prachtig bosch in twee deelen wordt gescheiden, ligt drie en een half uur verwijderd van het naaste station. Deze landstreek draagt den naam Zasjeka, die ons wijst op die tijden, toen de Slavische bevolking voor de invallen van de Krim-Tartaren en andere Mongoolsche volken moest terugwijken. Om zich tegen die vijandelijke horden te beschermen, wierp zij versperringen op, gemaakt van boomen, die men eerst moest omkappen (zasjektj), vandaar de naam Zasjeka.

Tegenwoordige ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Tegenwoordige ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz.57.

Tegenwoordige ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz.57.

Het huis waar Leo Tolstoi werd geboren staat niet meer te Jasnaja Paljana. Het werd het eerst bewoond door zijn’ grootvader, daarna door zijn’ vader, ten slotte verkocht aan een buurman Gorochoff en verplaatst naar het dorp Dolgom, op 30 wersten afstand van Jasnaja Paljana. Tolstoi had namelijk omstreeks 1850 veel geld noodig en gaf daarom een van zijn familieleden last het te verkoopen. ’t Groote heerenhuis, met zijn pilaren en balcons, werd voor eene betrekkelijk geringe som, 5000 roebel, verkocht. Uit een’ brief van Tolstoi aan zijn’ broer blijkt, dat het hem zwaar viel tot den verkoop over te gaan, maar dat hij het geld noodig had. Het huis staat nu in het dorpje Dolgom, verlaten met gebroken ruiten. De twee nu bestaande Jasnaja-Paljanische huizen zijn opgetrokken uit de twee vleugels, die vroeger naast het groote, thans verkochte, huis stonden. De plek waar dit vroeger stond is gedeeltelijk met boomen beplant. Verder wordt er croquet gespeeld, terwijl de overblijvende ruimte gebruikt wordt om er bij mooi weer ’s middags te eten.

Vóór de huizen bevinden zich tegenwoordig bloemperken, er achter een groote tuin met vijver en een lindenallée, wier boomen reeds honderden jaren oud zijn. Het geheel wordt omringd door eene gracht met wallen. Bij den ingangstaan twee witgeverfde baksteenen torens, waar, volgens zeggen van oude lieden, vroeger eene wacht was geplaatst. Langs dezen toren bereikt men het huis door eene berkenlaan, het zoogenaamde “prospekt”.

Achter den ouden tuin bevindt zich nog een boomgaard met vruchtboomen, die onder Tolstoi’s persoonlijke leiding zijn geplant. De geheele aanplanting, gelegen tegen een’ heuvel, wordt door het dichte groen aan ons oog onttrokken.

Van de geboorte van Leo Tolstoi weten we helaas geen andere bijzonderheden, dan die, welke Zagoskin ons heeft verstrekt.

“In het jaar 1828, den 28stenAugustus, werd graaf N. I. Tolstoi te Jasnaja Paljana een zoon, Leo, geboren. Hij werd 29 Aug. gedoopt door den geestelijke Wassiliï Mosjaïski, met den diaken Archip. Iwanowitsch, den dijatschek Alexander Feodorowitsch en den ponomar Feodor Grigorjewitsch. De landeigenaar Sjemon J. Jaziekoff en gravin Pelageja Tolstaja waren peter en meter.”

Dat is alles wat wij van Tolstoi’s geboorte vernemen. Van zijn prilste jeugd weten wij reeds veel interessante bijzonderheden. Zelden kan een schrijver beschikken over de eerste autobiographische gegevens van de persoon, die hij wil beschrijven. In zijneEerste Herinneringenbeschrijft Tolstoi zijne vroegste gewaarwordingen, de vage indrukken van zijn eerste levensjaar.

Wij geven deze herinneringen onveranderd, geheel zooals ze zijn neergeschreven.

“Ziehier mijne vroegste herinneringen, die ik niet in geregelde orde op elkaar kan laten volgen, omdat ik niet weet, wat eerst of wat later gebeurde. Van enkele weet ik zelfs niet of zij de werkelijkheid of slechts droomen weergeven.

“Ik lig vastgebonden. Ik wil mijne armen uitslaan en ik kan het niet. Ik schreeuw en ween en dat schreeuwen doetmij zelf onaangenaam aan, maar ik kan het niet laten. Iemand heeft zich over mij heengebogen, ik herinner me niet wie, en alles is als in schemering gehuld. Ik herinner mij, dat er twee menschen stonden; mijne kreten maken indruk op hen, zij maken zich ongerust over mijn huilen, maar ze maken mijne banden niet los. En dat wilde ik toch en ik ga nog harder schreien. Zij denken dat het noodig is (dat wil zeggen, dat ik gebonden blijf), terwijl ik weet dat het niet zoo behoeft te zijn. Ik wil het hun bewijzen. Ik stoot een gil uit, waar ik zelf van gruw, maar ik kan het niet laten. Ik voel dat niet de menschen onrechtvaardig en slecht voor mij zijn, maar het is het noodlot en ik heb medelijden met mij zelf. Ik weet niet en ik zal het nooit te weten komen wat dit is geweest. Bonden zij mij vast toen ik nog een bakerkindje was en wilde ik mijne armen vrij hebben, of bonden zij mij, toen ik reeds meer dan een jaar was, opdat ik een uitslag niet zou openkrabben? Verzamelde ik in deze ééne herinnering meer indrukken, zooals dat veel in droomen geschiedt? Zeker is het, dat deze de eerste en heftigste gewaarwording in mijn leven is. Het is niet de herinnering aan mijne kreten, mijne kwellingen, die zich aan mij opdringt, maar aan de verwikkelingen, de tegenstrijdigheden van het leven. Ik wilde vrij zijn, niemand zou er door lijden, en ik, die sterk moest zijn, ben zwak en zij zijn sterk.

“Een andere, vroolijke indruk. Ik zit in eene tobbe en mij omringt een nieuwe, aangename geur van een of ander iets, waarmee men mijn klein lichaampje inwrijft. Waarschijnlijk was het een poeder, misschien in het water in de tobbe, maar de indruk van het poeder heeft mij wakker geschud. Voor het eerst zag ik en ging ik houden van mijn lichaampje met de kleine ribben, werd ik de donkerkleurige gladde tobbe gewaar, de opgestroopte mouwen van de njanja, het warme dampende water, het geplas, en vooral het gevoel van de natte randenvan de tobbe, als ik er met mijn handjes aan kom.—Het is vreemd en angstig te bedenken, dat ik mij, behalve deze twee, niet één indruk kan herinneren van mijn geboorte tot aan mijn derde jaar; van dien tijd af, dat men mij voedde aan de borst, mij speende, dat ik begon te kruipen, te loopen en te spreken. Wanneer toch ontwaakte mijn bewustzijn? Wanneer begin ik te leven en waarom verheugt het mij, als ik mij het verleden kan herinneren, en waarom beangstigt het mij (en met mij vele anderen), mij te verplaatsen in dien toestand van vergetelheid waarvan geen herinnering blijft die zich door woorden laat vertolken? Leefde ik dan niet in dien tijd toen ik leerde zien, hooren, begrijpen, praten, toen ik sliep, toen men mij voedde aan de borst en ik die kuste, toen ik lachte en mijne moeder vreugde schonk? Ik leefde en mijn leven was gezegend. Verwierf ik dan niet in die dagen alles waarmee ik nu leef, en verkreeg ik niet zoo snel zoo veel, dat in ’t geheele verdere leven niet een honderdste gedeelte daarvan verworven werd? Van den vijfjarigen knaap tot den man, die ik nu ben,—is slechts een schrede. Van de geboorte tot het vijfde jaar—een ontzettende afstand. Tusschen de geboorte en de kiem ligt een afgrond. Tusschen het niet-zijn en de kiem ligt niet slechts een afgrond maar het mysterie. Ruimte, tijd en oorzaak zijn vormen der gedachten; ons leven staat daar buiten; en toch is ons geheele leven een meer en meer volkomen onderwerping aan die vormen en later weer een vrijmaking er van.

“Mijne volgende herinneringen hebben betrekking op den tijd, toen ik reeds vier of vijf jaar was. ’t Zijn er nog maar weinige en zij bepalen zich uitsluitend tot hetgeen binnen de vier muren gebeurde. Tot aan mijn vijfde jaar bestond de natuur niet voor mij en al wat ik mij herinner valt voor in de kamer of in mijn bedje.

“Er bestaan voor mij geen gras, geen bladeren, geen hemel,geen zon. Het is niet aan te nemen dat men mij nooit bloemen of bladeren gaf om mee te spelen, dat ik het gras nooit zag, of men mij nooit beschutte tegen de zon. Toch heb ik tot mijn vijfde of zesde jaar geen herinnering aan datgene wat wij de natuur noemen. Misschien ook moet men zich eerst van haar verwijderen om haar te leeren zien, en ik was immers zelf natuur.

“De herinnering, die op de tobbe volgt, is die aan ‘Jerjemjejewna’, het woord waarmee men ons als kinderen bang maakte. Ik lig in mijn bedje en ben vroolijk en opgeruimd, zooals altijd. Ik zou mij ook niets hebben herinnerd, als niet plotseling de njanja, of iemand anders, die voor mij het leven vertegenwoordigde, iets met een vreemde stem gezegd had en was weggegaan. Ik word vroolijk en angstig tegelijk. Ik herinner mij, dat ik niet alleen was, maar dat er nog iemand was zooals ik. (Waarschijnlijk was het mijn zusje Maschenka, wier bedje op dezelfde kamer stond.) Ik herinner mij dat er een gordijn om mijn bedje hangt en mijn zusje en ik, wij verheugen ons en hebben toch ook angst voor het vreemde, dat er om ons is. Ik verstop mijn hoofd in het kussen en gluur toch naar de deur en verwacht van dien kant iets vreemds en prettigs en ben toch angstig. Wij lachen en wij kruipen weg en wij wachten. En daar komt iemand in een kleed en met een muts zooals ik nog nooit heb gezien, maar ik voel dat het iemand is, die zich altijd in onze omgeving bevindt (de njanja of tante, dat weet ik niet), en die iemand zegt met eene bromstem iets vreeselijks van stoute kinderen en van Jerjemjejewna. Ik schreeuw van angstig genot, ik word bang en verheug me dat ik angst heb, en ik wil niet dat zij die mij angstig maakt weet dat ik haar herken.

“Wij worden stil en zwijgen, maar gaan dan weer met elkaar fluisteren, in de hoop Jerjemjejewna nog eens weer te zien verschijnen.

“In mijn geheugen hangt nog eene herinnering, waarschijnlijk van lateren datum, want zij is helderder maar toch altijd onbegrijpelijk voor mij gebleven. De hoofdrol speelt onze Duitsche onderwijzer Feodor Iwanowitsch. Ik weet heel zeker, dat ik nog niet onder zijn toezicht stond, dus moet het zijn gebeurd voordat ik vijf jaar was. Het is de eerste maal dat hij in mijne herinnering voorkomt, en ik moet nog heel jong geweest zijn, daar ik mij niemand, vader, noch broeder, noch iemand anders kan voorstellen. Zoo ik één herinnering heb, dan is ’t die aan mijn zusje, en dat komt dan door onzen gemeenschappelijken angst voor Jerjemjejewna.

“Met de herinnering aan Feodor Iwanowitsch verbindt zich tevens de indruk, dat wij eene tweede verdieping op ons huis hebben. Hoe ik er kwam, of ik er heen liep of dat men mij er heen droeg, dat kan ik mij niet meer te binnen brengen, maar ik weet dat wij met velen zijn, wij draaien in een kring en houden elkaar bij de hand. Ik weet ook, dat er vreemde vrouwen bij zijn en ik denk (waarom weet ik niet), dat het waschvrouwen zijn. Wij loopen in het rond en springen en huppelen en Feodor Iwanowitsch springt ook mee en werpt zijn beenen te hoog in de lucht en maakt te veel leven, en op dat zelfde oogenblik voel ik, dat wat hij doet niet goed, dat het verdorven is; ik begin hem plotseling te zien; ik geloof dat ik ging weenen, en—het is uit.”

Hier moeten we een geschiedenis inlasschen van Maria Nikolajewna, het zusje van Tolstoi.

“Wij sliepen met ons drieën op één kamer: ik, Lewotschka (Leo) en Doenjetschka1. Wij speelden altijd samen en vormden een heel afzonderlijk groepje, afgescheiden van de andere broers, die altijd met hun’ gouverneur beneden waren.

“Het liefst van alles speelden wij ‘Milaschka’ (lieveling).Een van ons drieën stelde Milaschka voor, d.w.z. het kind dat door allen vertroeteld wordt. Men legt het te slapen, voedt het, verpleegt het, in één woord: houdt er zich voortdurend mee bezig. Milaschka moet volgens de regelen van het spel zich blijmoedig onderwerpen aan alles wat men met hem doet en zonder morren zijne rol vervullen.

“Ik herinner mij eens het verdriet en de ellende toen onze Milaschka (meestal was dat Leo) door het langdurig schommelen werkelijk in slaap was gevallen. Volgens het programma had hij moeten huilen, dan zou men hem medicijnen geven, hem wrijven enz... De slaap echter maakte plotseling een einde aan ons spel, en bracht ons uit het rijk der verbeelding tot de werkelijkheid terug”.

“Dit is alles wat ik mij herinner tot aan mijn vijfde jaar. Niet mijne njanja, niet de tantes, geen broers, zuster, vader, kamer of speelgoed, niets kan ik mij te binnen brengen. Mijne indrukken beginnen vorm aan te nemen van den tijd af, toen men mij naar beneden bracht bij Feodor Iwanowitsch en de grootere knapen. Bij mijne verhuizing naar beneden kreeg ik voor het eerst en daarom des te sterker het besef van plichtsgevoel, het bewustzijn zijn kruis te moeten dragen, zooals het den mensch betaamt. Het deed mij verdriet, met mijne gewoonten (de gewoonten van mijn geheele leven) te moeten breken. Treurig was het, poëtisch treurig, te moeten scheiden, niet zoo zeer van de menschen, van mijne zuster, de njanja en tante, als wel van mijn bedje, mijn gordijntje, mijn kussen, en met angst ging ik naar beneden. Ik deed mijn best het vroolijke in dit nieuwe leven op te zoeken, ik trachtte geloof te schenken aan de lieve woorden waarmee Feodor Iwanowitsch mij tot zich lokte, ik trachtte de verachting niet te zien waarmee de oudere jongens mij, den jongeren, ontvingen; ik wilde mij opdringen dat het voor een grooten jongen schande was alleenmet meisjes om te gaan, dat er niets moois was in het leven daarboven bij de njanja, maar—op mijn borst drukte een zware last en droevig was het mij te moede. Ik was er van overtuigd, dat ik schier onherroepelijk mijne onschuld en mijn geluk verloor. Slechts het bewustzijn van mijn plicht te doen, mijn gevoel van eigenwaarde, hield mij staande. Vele jaren later, aan een kruisweg gekomen, een nieuw leven beginnend, voelde ik weer diezelfde gewaarwordingen. Een groote smart vervulde mij om hetgeen ik onherroepelijk had verloren. Ik kon maar niet gelooven dat het ooit zou gebeuren! Hoewel men er mij op had voorbereid dat ik naar beneden, naar de grooteren moest gaan, kreeg ik het gevoel alsof met het jasje, dat men mij aantrok, de wereld op de bovenverdieping voor mij werd afgesloten. Nu zag ik voor het eerst andere personen dan die mij tot nu toe hadden omringd, en voor het eerst eene hoofdpersoon, met wie ik toch reeds lang was saamgeweest, maar die ik niet had opgemerkt. Dat was mijne tante Tatjana. Ik herinner mij de flinke, teedere, goede, barmhartige, niet groote vrouw met haar zwarte haren. Zij kleedde mij aan en kuste mij, en ik begreep dat zij voelde zooals ik, dat ook zij het betreurde, het diep betreurde, maar dat het moest.

“Voor de eerste maal voelde ik, dat het leven geen spel, maar een moeielijke taak is. Zal ik niet het zelfde voelen als ik eens ga sterven, en begrijpen, dat ook de dood en het volgend leven geen spel zijn?

“5 Mei 1878.”

Van deze Tatjana Alexandrowna geeft Tolstoi de volgende interessante beschrijving:

“Tatjana Alexandrowna Jergolskaja was, na mijn vader en mijne moeder, de persoon die den meesten invloed op mijn leven heeft uitgeoefend. Zij was eene verre bloedverwant vanmijne grootmoeder van de zijde der Gortschakoffs. Zij en haar zuster Liza, die later met graaf Peter Iwanowitsch Tolstoi trouwde, bleven, heel jong nog, als weezen achter.

“Hun broers werden door de familie aan een of andere betrekking geholpen. Mijne grootmoeder en de waardige invloedrijke Tat. Sjem. Skoeratowa namen de beide meisjes tot zich. Het lot heeft beslist waar zij zouden wonen. Twee biljetten met hare namen werden onder de heiligenbeelden neergelegd, een gebed werd gedaan en de biljetten werden getrokken. Zoo gebeurde het, dat Lizanka naar Tatj. Sjemjojewna ging en de zwarte Tatjana, Tanitschka zooals men haar bij ons noemde, naar mijne grootmoeder. Zij werd geboren in 1795, was ongeveer even oud als mijn vader, en werd geheel als mijne tantes opgevoed. Allen hielden veel van haar, en dat kon ook niet anders bij haar ferm, energiek en toch zelfopofferend karakter. Het volgende, dat zij ons eens vertelde en waarbij zij ons een groot litteeken even onder den elleboog liet zien, geeft een juist beeld van haar.

“Als kinderen lazen zij eens de geschiedenis van Mucius Scaevola en begonnen te twisten over de vraag of een van allen hem dat wel na zou durven doen. ‘Ik zal het doen,’ zei Tatjana. ‘Je doet het toch niet,’ zei Jaziekoff, mijn peetoom, en hield, ook weer karakteristiek voor hem, eene liniaal zoo lang in een kaars, tot ze gloeiend was en rookte. ‘Leg die nu tegen je arm,’ zei hij. Zij strekte haar blanken arm uit (de meisjes hadden toen altijd korte mouwen) en Jaziekoff drukte er de gloeiende liniaal tegen aan. Zij fronste haar wenkbrauwen maar trok haar arm niet terug, en steunde slechts even toen met de liniaal het vel van haar arm werd afgetrokken. De ouderen, die de wonde zagen en vroegen hoe zij daar aan kwam, kregen ten antwoord, dat zij het zelf gedaan had, omdat ze wilde ondervinden, wat Mucius Scaevola had gevoeld.

Silhouet van Tolstoi’s moeder en haar zuster als kinderen.—Blz. 39.Silhouet van Tolstoi’s moeder en haar zuster als kinderen.—Blz.39.

Silhouet van Tolstoi’s moeder en haar zuster als kinderen.—Blz.39.

“Zoo was zij in alles, vlug besloten en zelfopofferend.

“Haar voorkomen moet zeer innemend geweest zijn, met haar zwart, dik, krullend haar, donkere oogen en levendige, energieke trekken. W. M. Joeschkoff, de man van mijne tante Pelageja, een echte don Juan, zei dikwijls—hij was toen reeds een grijsaard—op een’ toon zooals men van eene vroegere liefde spreekt: ‘Toinette, oh, elle était charmante!’

“Toen ik haar leerde kennen was zij reeds over de veertig, en ik dacht er nooit over na of zij mooi was of niet. Ik hield eenvoudig van haar, ik hield van haar oogen, van haar glimlach, van haar bruine, breede, kleine hand, met de energieke lijnen. Het is wel aan te nemen, dat zij vader beminde en vader haar. Toch is zij nooit met hem getrouwd. Niet in haar jeugd, omdat vader met mijne rijke moeder zou kunnen trouwen, en later niet, omdat zij de reine, poëtische verhouding niet wilde bederven die er bestond tusschen haar en vader, en ook tusschen haar en ons. Onder haar papieren, in haar met kralen bewerkte portefeuille, bevindt zich het volgende, geschreven in 1836, zes jaren na den dood van moeder:

“‘16 Aug. 1836. Nikolaas heeft mij heden eene vreemde vraag gedaan, namelijk om met hem te trouwen, de moeder te worden van zijne kinderen en hen nooit te verlaten. Het eerste voorstel heb ik geweigerd, het tweede heb ik aangenomen, en ik zal de belofte nakomen, zoolang als ik leef.’

“Dit heeft zij neergeschreven, maar nooit heeft zij er met ons of met wien ook over gesproken. Na den dood van mijn’ vader vervulde zij de tweede van zijne wenschen. Wij hadden twee echte tantes en eene grootmoeder. Die hadden allen een grooterrechtop ons dan Tatjana, die wij maar tante noemden en die zoo’n ver verwijderd familielid was, dat ik nooit kon begrijpen, hoe zij eigenlijk tot ons in betrekking stond. Het recht der liefde evenwel bezorgde haarde eerste plaats bij onze opvoeding en wij hebben dat ook steeds gevoeld.

“Ik hield van haar, hartstochtelijk, overweldigend en teeder.

“Ik herinner mij, dat ik mij eens in het salon (ik was toen ongeveer vijf jaar) dicht tegen haar aan vleide. Streelend beroerde zij mijne hand. Ik greep die hand, kuste haar en begon van teedere liefde tot haar te weenen.

“Zij was opgevoed als eene dame van goeden huize, sprak en schreef beter Fransch dan Russisch, speelde heel goed piano, maar had de toetsen in geen dertig jaren aangeraakt. Zij begon eerst weer toen ik, reeds volwassen, het ging leeren. Wij speelden soms wel eens vierhandig en dan verbaasde zij mij door haar correct, voortreffelijk spel. Zij was heel goed voor de bedienden, gaf hun nooit booze woorden; de gedachte aan roede of knoet kon zij niet verdragen, maar toch dacht zij: ‘lijfeigenen zijn lijfeigenen,’ en was tegenover hen geheel de meesteres. Desondanks hielden zij meer van haar dan van één der anderen. Toen zij stierf en door het dorp werd gedragen, kwamen alle boeren uit hunne huizen en zeiden de gebeden der stervenden.De hoofdtrek van haar karakter was liefde. Gaarne had ik gewild, dat die zich tot één mensch, tot mijn’ vader, had bepaald. Haar liefde echter voor hem straalde af op ons allen. Ons had zij lief om hem, allen had zij lief door hem, haar heele leven was liefde.

“Hare groote liefde gaf haar zedelijk recht op ons, maar onze eigen tantes, vooral Pelageja Ilinischna, toen zij ons naar Kazan bracht, hadden de uiterlijke rechten. Tatjana voegde zich hier naar en hare liefde voor ons verminderde er niet door. Zij woonde toen bij haar zuster Liza A. Tolstoi, maar met haar hart was zij bij ons, en zoo spoedig mogelijk keerde zij tot ons terug. Het was voor mij een groot geluk, dat zij den laatsten tijd van haar leven, ongeveer twintig jaren, bij mij op Jasnaja Paljana doorbracht. Jammer is het, datwij ons geluk, vooral zoo’n groot innig geluk, nooit naar waarde schatten. Ik stelde het op prijs, maar niet volkomen, niet genoeg. Zij hield er van om op haar kamer verschillende schaaltjes met lekkernijen te hebben: gedroogde vijgen, dadels, enz. Zij vond het prettig die dingen te koopen en in de eerste plaats gaf zij ze dan weer aan mij. Ik zal het nooit vergeten en herinner het mij steeds met gewetenswroeging, dat ik haar eens geld voor snoeperijen heb geweigerd. Zij zuchtte diep en zweeg. Ik zat in geldverlegenheid, dat is waar, maar toch kan ik mij nooit zonder wroeging herinneren, dat ik het haar niet heb toegestaan.

“Eens—ik was reeds getrouwd en zij begon al te verzwakken—toen ik bij haar op haar kamer kwam, zeide zij, met afgewend gelaat (maar ik zag wel, dat zij op het punt stond in tranen uit te barsten): ‘Zie eens, mes chers amis, mijne kamer is zoo mooi en gij kunt haar zoo goed gebruiken. Wanneer ik hier nu sterf,’ vervolgde zij met bevende stem, ‘dan zal die herinnering u niet aangenaam zijn. Geef mij daarom liever eene andere kamer’.—Zoo is zij altijd geweest, van mijn eerste kinderjaren af, toen ik nog niets kon begrijpen.

“Haar kamer was zóó ingericht: in den linkerhoek stond eene chiffonnière met ontelbare kleinigheden die alleen voor haar waarde hadden; rechts het glazen kastje met heiligenbeelden en het groote zilveren Christusbeeld; in het midden bevond zich de divan, waarop zij sliep en daarvoor eene tafel. Naar rechts gaf een deur toegang tot het vertrek van haar kamenier.

“Ik heb reeds gezegd, dat tante Tatjana den grootsten invloed op mijn leven heeft gehad, die in hoofdzaak daarin bestond, dat zij mij, reeds in mijne jeugd, deed begrijpen hoe heerlijk het is lief te hebben. Niet met woorden maar door daden leerde zij het mij. Ik zag, ik voelde, hoe goed het haar was lief te hebben en ik begreep het geluk er van.Dat was het eerste gevolg van haar invloed op mij. Ten tweede leerde zij mij de aantrekkelijkheid kennen van een rustig, ongetrouwd leven, maar daarvan zullen wij te zijner plaatse spreken.

“Hoewel deze herinnering niet in mijne jeugd thuis behoort, kan ik toch niet nalaten mijn leven met haar te beschrijven, toen ik nog als jonggezel op Jasnaja woonde.”2

Wij hebben in het hoofdstuk over Tolstoi’s ouders reeds opgemerkt, dat zijne vertellingKinder-, Jongens- en Jongelingsjarenniet als een auto-biographie kan worden aangemerkt. Die opmerking geldt in hoofdzaak de uiterlijke omstandigheden, door den auteur medegedeeld om het geheel aan te vullen.

Wat de schildering betreft van het inwendige van den kind-held kunnen wij verklaren, dat op de een of andere wijze al die zielstoestanden door den auteur zelf zijn beleefd. Wij voelen ons dus gerechtigd onze biographie er mee aan te vullen. Bovendien weten wij dat eenige typen uit dat werk naar het leven zijn geteekend.

Zoo is b.v. de Duitscher Karel Iwanowitsch Mayer niemand anders dan Feodor Iwanowitsch Rjessel, de Duitsche onderwijzer, die in werkelijkheid bij de familie Tolstoi heeft gewoond, en dien wij reeds vroeger vermeld hebben. Tolstoi noemt hem ook in zijneEerste Herinneringen. Deze man moet ongetwijfeld een grooten invloed gehad hebben op de geestelijke ontwikkeling van den knaap. Door de bijzondere liefde, waarmee de auteur vanKinderjarenzijne oprechte, eerlijke, goedhartige en liefhebbende natuur teekent, mogen wij aannemen dat deze invloed een goede was.

Het is dus niet zonder reden, dat Tolstoi de geschiedenis van zijne jeugd begint met de schildering van dezen persoon.

Feodor Iwanowitsch stierf te Jasnaja Paljana en werd begraven bij de kerk.

Een tweede persoon die inKinderjarenwordt beschreven is een Joerodiewi3.

Deze Grischa heeft niet bepaald bestaan, maar is ongetwijfeld grootendeels naar het leven geteekend. Hij maakte klaarblijkelijk een diepen indruk op Tolstoi’s kinderziel. De volgende roerende woorden zijn aan hem gewijd. Tolstoi geeft daarin een beschrijving van een avondgebed van den Joerodiewi.

“Zijne woorden waren onsamenhangend maar treffend. Hij bad voor zijne weldoeners (zoo noemde hij degenen waar hij wel eens mocht komen), voor zijne moeder, voor ons, en voor zich zelf. Hij smeekte dat God hem zijne zware zonden zou vergeven en herhaalde telkens: ‘O God, vergeef ook mijne vijanden!’

“Zuchtend richtte hij zich op, en steeds dezelfde woorden herhalend, wierp hij zich ter aarde en richtte zich weer op en lette niet op de zware kettingen, die met een scherp knarsend geluid tegen den grond sloegen....

“.... Lang nog bevond Grischa zich in dezen staat van godsdienstige geestvervoering en improviseerde gebeden. Hij herhaalde eenige malen: ‘Heer, vergeef mij’, telkens met sterkeren, grooteren nadruk, ‘Heer, Heer, vergeef mij, leer mij wat ik doen moet’, en sprak met zóóveel uitdrukking, alsof hij dadelijk een antwoord op zijn smeeken verwachtte. Daarop weerklonk een klaaglijk weenen... Hij bleef liggen, geknield, vouwde zijne handen op de borst en zweeg.

“—‘Heer, Uw wil geschiede’, riep hij plotseling met volle overtuiging, viel met zijn hoofd op den grond en weende als een kind.

“Veel water vloeide er sinds dien naar zee, vele herinneringen aan ’t verleden verloren voor mij hunne beteekenis en werden wazige droombeelden, ook de pelgrim Grischa volbracht reeds lang zijn laatsten tocht, maar de indruk dien hij bij mij te weeg bracht, het gevoel dat hij bij mij wakker riep, zal nooit uit mijne herinnering worden gewischt.

“O, groote Christen Grischa! Uw geloof was zoo sterk, gij gevoeldet Gods nabijheid; Uwe liefde was zóó groot, dat de woorden van zelf over uwe lippen stroomden; Gij toetstet ze niet aan het verstand.... en welk een grooten lof bracht Gij het Opperwezen! Toen Gij geen woorden meer vondt, vielt gij weenend ter neer.”4

Hebben wij niet het volste recht dien man den eersten prediker van het volksgeloof te noemen, dat geloof, dat Tolstoi’s geest overwon, na de onvruchtbare omzwervingen op het gebied van theologie, filosofie en de exacte wetenschappen, en dat hij op zijn beurt heeft beschenen met het licht van zijn verstand, gereinigd en gestaald door strijd en lijden, de noodzakelijke metgezellen van allen die zoeken naar waarheid.

Een bewijs voor het bovenstaande vinden wij in Tolstoi’s herinneringen.

“De simpele Grischa is een verdicht persoon. In ons huis kwamen er velen van zijns gelijken, en ik ben er mijn’ opvoeders dankbaar voor, dat zij mij leerden, hen met achting te behandelen.

“Al schuilen er ook onoprechten onder hen, al hebben zij ook zwakke oogenblikken, toch is hun levenstaak zóó hoog,hoewel praktisch onuitvoerbaar, dat het mij verheugt, dat ik van mijn kindsheid af, geheel onbewust, het grootsche van hun streven leerde begrijpen. Zij ondervinden wat Marcus Aurelius zegt: ‘er is niets verheveners, dan de verachting te verdragen voor zijn goed leven.’

“De lokstem van den roem, die zich verbindt met iedere goede daad, is zoo verderfelijk voor ons, dat men de verzoeking wel moet meevoelen, niet slechts om zich aan den lof te willen onttrekken, maar om de verachting der menschen op zich te laden.

“Zoo eene Joerodiewaja waren ook Marja Gherasimowna, de peettante van mijne zuster, en de half waanzinnige Jewdokimoeschka en nog eenigen, die wel in ons huis kwamen.

“Wij kinderen hoorden het gebed niet van een Joerodiewi, maar wel van Akim, een waanzinnigen tuinmansjongen. Hij deed zijn gebed in de groote zaal van een zomerhuis en het trof mij diep, dat eenvoudige gebed, tot God gericht als tot een levend mensch.

“‘Gij mijn dokter, gij mijn apotheker,’ sprak hij met overtuigend vertrouwen. Daarop zong hij liederen van het laatste gericht: dat God de rechtvaardigen van de zondaars scheidde en den laatsten de oogen volstrooide met geel zand.”

In andere, minderwaardige papieren lezen wij van Mimi en haar dochter Katjenka, “zoo iets van een eerste liefde”. Onder den naam Mimi vinden wij de gouvernante van de buren, onder Katjenka een pleegkind der familie terug, door Tolstoi beschreven als Doenjetschka Tjemjeschewa.

Van deze Doenjetschka vertelt Tolstoi in zijne herinneringen:

“Behalve de broers en mijne zuster woonde van haar vijfde jaar af bij ons in Doenjetschka Tjemjeschewa, en ik moet vertellen, wie zij was en hoe zij bij ons kwam.

“Onder het aantal bezoekers, die ik mij nog uit mijne jeugd herinner, bevindt zich o.a. de man van tante Joeschkoff, van wien ik nog veel zal moeten spreken. Hij had een uiterlijk dat kinderen opvalt, zwarte snor, bakkebaarden en een bril op zijn neus. Ten tweede, mijn peetoom S. J. Jaziekoff. Deze had een bijzonder leelijke gestalte, rook altijd naar tabak, had veel te ruim vel op zijn breed gezicht, waarmee hij voortdurend de onmogelijkste grimassen trok.

“Behalve onze twee buren Ogarjeff en Isljenjeff, bezocht ons nog een verre bloedverwant van de zijde der Gortschakoffs, de rijke vrijgezel Tjemjeschoff, die heel veel van mijn’ vader hield en hem steeds ‘broeder’ noemde.

“Hij woonde op veertig wersten afstand van Jasnaja Paljana, in het dorp Pirogowo, en bracht ons van daar eens varkentjes met krulstaartjes mee, die op een groot blad in de bediendenkamer werden neergezet.

“Tjemjeschoff, Pirogowo en de varkentjes zijn in mijne herinnering één. Bovendien kunnen wij kinderen ons hem nog altijd herinneren, zooals hij voor de piano zat. Hij speelde een danswijsje (hij kende er maar één) en wilde dat wij er op zouden dansen. Als wij dan vroegen wat hij eigenlijk speelde, dan antwoordde hij dat op die muziek alles kon worden gedanst. Wij vonden het aardig en dansten er op los.

“Het was op een’ winteravond, er was al thee gedronken en wij zouden spoedig naar bed worden gebracht; onze oogen vielen reeds bijna toe, toen plotseling iemand met vlugge, onhoorbare schreden uit de bediendenkamer in het salon trad, waar wij allen in half donker zaten, omdat er maar twee lampen brandden. Hij liep naar ’t midden van de kamer en viel daar op zijne knieën. De brandende pijp met den langen steel, die hij in zijn hand hield, stootte op den grond zoodat het vuur er uitviel, en het gelaat van den knielenden man verlichtte. Die man was—Tjemjeschoff. Wat hij tegenvader zei, terwijl hij voor hem neerknielde, herinner ik mij niet en verstond ik ook niet. Later hoorde ik dat hij zijn onwettig dochtertje Doenjetschka bij zich had, waarover hij reeds vroeger had gesproken en dat door vader tegelijk met ons zou worden opgevoed.

“Van dien tijd af kwam Doenjetschka bij ons in huis. Zij had een breed gezicht, was even oud als ik en had een njanja: Jewpraksija. Deze was eene rimpelige oude vrouw; ze had een zak onder aan haar kin als van een kalkoenschen haan, met een balletje er in, dat zij ons liet voelen.

“Met de verschijning van Doenjetschka kwam er ook een ingewikkeld contract in ons huis. Tjemjeschoff was zeer rijk. Hij had geen wettige kinderen. De twee meisjes Doenjetschka en Wjerotschka waren zijne natuurlijke dochters. De laatste was mismaakt. Haar moeder was eene gewezen lijfeigene Marfoescha. Tjemjeschoff’s erfgenamen waren zijne zusters. Hij vermaakte haar alles, behalve Pirogowo, waar hij woonde. Dit wenschte hij mijn vader te verkoopen onder voorwaarde, dat de prijs van het goed, 300,000 roebel (men zei van Pirogowo, dat het een goudmijn en veel meer waard was), door vader aan de twee meisjes zou worden betaald. Om dat nu zoo in te richten was men het volgende overeengekomen. Tjemjeschoff maakte een koopbrief op, waarin beschreven stond, dat hij vader het goed verkocht voor 300,000 roebel. Vader gaf nu drie wissels ieder van 100,000 aan Isljeneff, Jaziekoff en en Gljeboff. Ingeval van Tjemjescheff’s overlijden kwam het goed aan mijn’ vader, die dan de geheele som aan de drie houders van de wissels moest betalen, welken het weer aan de twee meisjes zouden uitkeeren. Misschien vergis ik mij met de beschrijving van het contract, maar ik weet zeker, dat het landgoed na vaders dood aan ons kwam en dat er drie wissels waren op naam van Isljeneff, Gljeboff en Jaziekoff.Onze voogd betaalde het geld uit en de twee eersten gaven het op hun beurt aan de meisjes, maar de derde, Jaziekoff, eigende het zich toe. Daarover echter later.

“Doenjetschka woonde dus bij ons, was een lief, eenvoudig, rustig, maar dom meisje en daarbij een groote huilebalk. Ik herinner mij, dat ik reeds een weinig Fransch kon lezen en schrijven en dat men mij opdroeg haar de letters te leeren. In ’t begin ging alles goed (wij waren ongeveer vijf jaar), maar later, waarschijnlijk omdat ze moe werd, kon zij de letters die ik haar aanwees niet meer noemen. Ik hield vol, zij begon te weenen, ik ook, en toen er later iemand bij ons kwam, konden wij niet praten, zoo huilden wij. Ook herinner ik me nog, dat er eens een pruim van de schaal was verdwenen en men de schuldige niet kon vinden. Feodor Iwanowitsch zei met een ernstig gelaat, zonder ons aan te zien, dat het niet zoo erg was dat die pruim was opgegeten, maar als we de pit hadden ingeslikt, dan zouden we moeten sterven. Doenjetschka, die den angst niet meer kon verdragen, zei, dat ze de pit had uitgespogen.

“Nog herinner ik mij haar vreeselijken tranenvloed, toen eens, onder ’t spelen met mijn broertje Mitjenka, het volgende gebeurde. Het spel bestond daarin, dat zij elkaar een koperen kettinkje in den mond spuwden. Nu spoog zij met zoo’n kracht en hij sperde zijn mond zoo wijd open, dat hij het doorslikte. Doenjetschka weende wanhopig, totdat de dokter kwam en ons allen gerust stelde.

“Zij was niet verstandig, maar goed en eenvoudig en daarbij zoo rein, dat er nooit een andere dan een broederlijke verhouding tusschen ons heeft bestaan.”

De mededeelingen die Tolstoi doet over de bedienden, die hem in zijn prilste jeugd omringden, zijn schaarsch, maar zeer interessant. Zij vullen de gegevens aan, reeds beschreven in zijn werkKinderjaren.

“Onder den naam Natalie Cawischni heb ik inKinderjarenPraskowa Isajewna vrij nauwkeurig beschreven. Alles wat ik van haar vertelde is werkelijkheid. Zij was onze huishoudster en een zeer achtenswaardige vrouw.

“Een van de prettigste herinneringen die ik aan haar heb behouden is wel, dat we na of tusschen de lessen in haar kamertje kwamen om met haar te praten en naar haar te luisteren. Zij hield waarschijnlijk van ons om onze heerlijke kinderlijke oprechtheid. ‘Praskowa Isajewna, hoe ging grootvader naar den oorlog? te paard?’, vroegen wij om haar maar aan ’t praten te krijgen. ‘Hij ging te voet en te paard. Daarvoor was hij generaal-en-chef’, en daarbij opende zij een kast, en nam er een stukje hars uit dat zij ‘Koerjen van Otschakoff’ noemde. Volgens haar had grootvader het uit Otschakoff meegenomen. Zij stak een papier aan boven het lampje bij de heiligenbeelden, maakte daarmee het hars aan het branden, dat dan een aangenamen geur verspreidde.

“InKinderjarenvertelde ik, dat zij mij eens beleedigde, door mij een slag met een natten vaatdoek te geven. Zij deed mij nog een tweede beleediging aan. Tot haar plichten behoorde ook, dat zij, als het noodig was, ons een lavement zette. Het gebeurde eens op een’ morgen, toen ik al niet meer op de vrouwenafdeeling was, maar onder toezicht stond van Feodor Iwanowitsch. Wij waren opgestaan, de andere broers waren al gekleed, maar ik had me verlaat en wilde juist mijn nachthemd voor mijn kleeren gaan verwisselen, toen Praskowa met haar instrumenten binnentrad. Deze bestonden uit een in een doek gewikkelde spuit, waarvan alleen het uiterste gele pijpje te zien was, en een schoteltje met boomolie, waar zij het pijpje mee bevochtigde. Mij ziende, dacht zij dat ik degene was, voor wie tante de operatie bestemd had. In werkelijkheid was het Mitjenka, die toevallig of met opzet, wel wetende dat hem iets wachttewaar wij geen van allen op gesteld waren, zich vlug had aangekleed en was weggeloopen. En zonder acht te slaan op mijn heilige verzekeringen dat ik de persoon niet was, voerde zij de operatie uit.

“Ik hield zoo veel van haar, niet alleen om haar eerlijkheid en toewijding, maar ook omdat zij met het stukje hars van Otschakoff voor mij een vertegenwoordigster was van die geheimzinnige wereld uit den tijd van grootvader.

“Anna Iwanowna leefde stil; tweemaal is zij bij ons in huis geweest; toen heb ik haar gezien. Men zei, dat zij wel honderd jaar was. Zij had pikzwarte oogen en één tand. Zij was zoo’n oude vrouw waar kinderen bang voor worden.

“De bruine Tatjana Filippowna, met haar kleine handjes, was eene jonge hulp-njanja van Anna Iwanowna, welke laatste ik me bijna niet kan herinneren, want van het oogenblik af dat ik mij mezelf bewust werd, zie ik mij steeds met njanja Annoeschka. En daar ik mij mijzelf in dien tijd bijna niet kan voorstellen, herinner ik me de njanja ook niet.

“Njanja Tatjana kan ik mij nog voorstellen omdat zij njanja bij mijn nichtjes werd en later ook bij mijn oudsten zoon.

“Zij was een van die aandoenlijke wezens uit het volk, die zoo met hunne pleegkinderen meeleven, dat zij al hun belangstelling op hen overbrengen, terwijl zij voor haar eigen familie slechts de bron zijn, waaruit voor deze het geld vloeit om van te leven. Zij hebben altijd een’ man, broer of zoon die een verkwister is, en verkwisters waren ook de man en zoon van Tatjana Filippowna. Ik herinner mij nog, dat zij stil en gelaten stierf, juist op de plaats waar ik nu deze herinneringen zit te schrijven. Haar broer Nikolaas Filippowitsch was onze koetsier, van wien we niet alleen veel hielden, maar wien we (dat doen de meeste kinderen van de landheeren) groote achting toedroegen. Hij had heel zware laarzen,rook altijd heerlijk naar den stal en had eene vroolijke, welluidende stem.

“Nu moet ik spreken van Wassiliï Troebjetzki, onzen bottelier. Hij was een lieve, vriendelijke man, die veel van kinderen dus ook veel van ons hield, maar het meest van Sergius, bij wien hij later in dienst kwam en in wiens huis hij ook stierf. Ik herinner mij zijn goedig gerimpeld gezicht met den vriendelijken scheeven glimlach en ook dien bijzonderen geur, als hij ons op den arm nam of op een blad zette (dat was een van onze grootste genoegens: ‘ik ook, nu ik!’), en ons naar den wijnkelder droeg, die voor ons zoo geheimzinnige plaats met de onderaardsche gang. De duidelijkste herinnering, die ik aan hem heb, is zijn vertrek naar Schtscherbatschewka, een landgoed in de nabijheid van Koersk, dat vader geërfd had van Perowska. Dat vertrek van Wassiliï Troebjetzki viel omstreeks de swjatki5, een’ tijd dat alle kinderen, en ook eenige van de bedienden, in de groote zaal ‘roebeltje rol’ spelen. Van deze swjatki-feesten moet ik nog vertellen. Alle bedienden (’t waren er veel, wel dertig) hadden zich verkleed en kwamen in ons huis. Zij vermaakten zich met allerlei spelen en dansten bij de viool van den ouden Grigoriï, die alleen in dien tijd bij ons kwam. De gecostumeerden stelden meestal beren met berenleiders, geiten, Turken en Turkinnen, Tirolers, roovers, boeren en boerinnen voor. Ik herinner mij, hoe prachtig ik sommige van de gecostumeerden vond en vooral Mascha, die eene Turkin voorstelde. Soms verkleedde tante ons ook. Het meest gewenscht vonden wij een’ gordel met steenen, tule en neteldoek met goud bewerkt, en ik vond mijzelf heel mooi met mijn met kurk geteekende snor. Ik herinner mij dat ik, in den spiegel ziende naar mijn gezicht met zwarte wenkbrauwen, een vergenoegd lachje niet terug kon houden, ofschoonik het ernstige gezicht van een’ Turk moest vertoonen. De gecostumeerden liepen door alle kamers en voorzagen zich van allerlei versnaperingen. Op een van die feesten—ik was toen nog heel jong—kwamen alle Isljeneffs, de vader (de grootvader van mijn vrouw), drie zoons en drie dochters, verkleed bij ons. In onze oogen waren zij prachtig gecostumeerd. De japonnen, de laarzen, de bordpapieren gordels, alles was mooi.

“De Isljeneffs kwamen veertig wersten ver en hadden zich in het dorp verkleed. Toen zij in de zaal kwamen ging Isljeneff dadelijk naar de piano en zong met een’ stem, die ik me nu nog herinner, een lied dat hij zelf had gemaakt.

“Het gedicht luidde als volgt:

Op ’t Nieuwe Jaar zijn wij gekomenEn bieden onze wenschen aan,Als ’t u genoegen heeft gegeven,Gaan wij verheugd hier weer vandaan.

Op ’t Nieuwe Jaar zijn wij gekomenEn bieden onze wenschen aan,Als ’t u genoegen heeft gegeven,Gaan wij verheugd hier weer vandaan.

Op ’t Nieuwe Jaar zijn wij gekomen

En bieden onze wenschen aan,

Als ’t u genoegen heeft gegeven,

Gaan wij verheugd hier weer vandaan.

“Het was alles zoo wonderbaarlijk en voor de grooteren waarschijnlijk wel mooi, maar voor ons kinderen waren de bedienden toch het allerprachtigst.

“De feesten werden gevierd in de dagen na Kerstmis en Nieuwjaar en soms ook nog na Drie-Koningen. Na Nieuwjaar ging het echter niet meer zoo lustig toe. Zoo was het ook op dien dag toen Wassiliï naar Schtscherbatschewka ging. Ik herinner mij, dat we in een’ kring in de bijna donkere zaal zaten op stoelen van rood hout met leeren zittingen, die bij ons thuis gemaakt waren. Wij speelden ‘roebeltje rol’. Een van allen moest den roebel zoeken, dien wij van hand tot hand lieten gaan, waarbij wij zongen: ‘rol roebeltje, rol’. Ik herinner mij, dat een van de vrouwelijke bedienden met een bijzonder prettige stem telkens deze woorden herhaalde. Plotseling ging de deur open en Wassiliï, gelaarsden gespoord, zonder blad of servies, kwam naar binnen en liep recht langs den muur naar de studeerkamer. Nu eerst vernam ik, dat Wassiliï als prikaztschik6naar Schtscherbatschjewka ging. Ik begreep, dat het een bevordering voor hem was. Ik was dus blij voor Wassiliï, maar tegelijkertijd betreurde ik het, niet slechts dat ik van hem moest scheiden, dat hij ons niet meer op het blad zou dragen, maar omdat ik nooit had kunnen begrijpen, nooit had kunnen gelooven, dat er zoo’n verandering kon plaats grijpen. Het werd mij vreemd, treurig te moede en de melodie van ‘rol roebeltje, rol’ deed mij zacht ontroeren. Toen Wassiliï, met zijn vriendelijken, scheeven lach, van tante terug kwam, en ons op den schouder kuste, voelde ik voor de eerste maal den angst voor de onbestendigheid van ’t leven en medelijden en liefde voor den goeden Wassiliï. Toen ik hem later weer zag (ik weet niet of hij een goede of een slechte prikaztschik was), vermoedde ik, dat er in hem geen spoor meer was overgebleven van zijne heilige, broederlijke, menschelijke gevoelens.”7

Op eene voor het menschelijk verstand geheimzinnige, onbegrijpelijke wijze, blijven de indrukken onzer prilste jeugd niet alleen bestaan, maar evenals het zaad in vruchtbare aarde tot een jonge, frissche plant wordt, ontwikkelen zich ook in de geheimzinnige diepten onzer ziel onze herinneringen, om plotseling, na jaren soms, in het licht te treden.

Zoo waren ook de spelen met de jongere broers als het zaad, waaruit de herinneringen ontsproten; de herinnering aan den berg Fanfaronoff, aan de Moerawjeïsche broeders en aan het groene takje, evenals aan Nikolaas, een anderen broeder, over wiens invloed op Tolstoi’s leven reeds in zijne aanteekeningen is gesproken.

Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, Tolstoi’s vader.—Blz. 46.Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, Tolstoi’s vader.—Blz.46.

Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, Tolstoi’s vader.—Blz.46.

“Ja, de berg Fanfaronoff vertegenwoordigt een van mijn jongste, liefste en gewichtigste herinneringen. Onze oudste broer Nikolaas was zes jaar ouder dan ik. Hij was dus ongeveer tien of elf toen ik vier of vijf jaar telde, het tijdstip waarop hij ons naar den berg Fanfaronoff geleidde. Toen wij nog heel jong waren—hoe het zoo kwam weet ik niet—spraken wij hem aan met ‘U’. Hij was een bewonderenswaardige jongen en werd later een bewonderenswaardig mensch.

“Toerghenjeff zeide zeer terecht van hem, dat hij al die gebreken miste, die noodzakelijk zijn voor een’ schrijver. De eigenschappen die hij wel had waren een fijn gevoel voor kunst, een goedhartige, vroolijke humor en een buitengewone, onuitputtelijke, verbeeldingskracht, zóó groot, dat hij zonder ophouden en zonder de gebruikelijke ‘en toen’s’ allerlei sprookjes, spookgeschiedenissen en humoristische verhaaltjes à la madame Radcliffe kon vertellen, met zulk een overtuiging, dat men geheel vergat dat hij fantaseerde. Als hij niet vertelde of las (en lezen deed hij verbazend veel), dan teekende hij. Bijna altijd waren het duivels met horens en omgekrulde snorren, die onderling de meest verschillende groepen vormden en zich met de meest verschillende dingen bezig hielden. Die teekeningen getuigen ook van zijne groote verbeeldingskracht en humor.

“Wij broers waren, ik zelf vijf, Mitjenka zes en Serjezja zeven jaren toen die zelfde Nikolaas ons eens vertelde, dat hij een geheim wist, waarmee hij, als hij het openbaarde, alle menschen gelukkig kon maken. Ziekte en verdriet zouden er niet meer zijn, de menschen zouden niet meer twisten en allen zouden elkander liefhebben en Moerawjeïsche8broeders worden. Waarschijnlijk bedoelde hij ‘Moravische broeders’, waarvan hij wel eens gehoord of gelezen had, maar in onze taal heettehet de Moerawjeïsche broeders. Ik herinner mij, dat het woord ‘mier’ ons bijzonder goed beviel; wij dachten daarbij aan een’ mierenhoop. Zelfs vonden wij een spel uit, dat daarop betrekking had. Wij kropen onder een stoel, schoven daar kisten om heen, die we met lappen hadden behangen, en zaten daar dicht opeengedrongen in het donker. Ik herinner mij, dat mij dan altijd eene zachte aandoening, een gevoel van liefde doordrong en ik hield heel veel van dat spel. Van die mieren-broeders had hij ons dus verteld, maar het groote geheim van wat men doen moest, opdat alle menschen gelukkig zouden worden, ziekte noch ongeluk, strijd noch boosheid zouden bestaan, dat, zei hij, stond geschreven op een groen takje en dat takje lag begraven aan den rand van een hollen weg, ‘starai zakas’, op die plaats waar ik (men moet toch ergens begraven worden) ter herinnering aan Nikolaas ook eens wensch te rusten. Behalve dat takje was er nog een berg Fanfaronoff, waar hij ons heen zou brengen, mits wij alle voorwaarden, die hij ons stelde, vervulden. Die voorwaarden luidden: ten eerste in een hoek gaan staan en niet aan den witten beer denken. Ik herinner mij, dat ik in een hoek ging staan en mijn best deed, maar dat het mij nooit gelukte niet aan dien witten beer te denken. Ten tweede: zoo te loopen, dat we alleen de spleet tusschen de planken in den vloer aanraakten, en ten derde mochten wij in een heel jaar niet één haas zien, hetzij levend, geschoten of gebraden. Natuurlijk mochten wij niets van ons geheim vertellen. Diegene, die deze voorwaarden en nog eenige, die Nikolaas ons later zou vertellen, had nageleefd, zou zijne wenschen, welke het ook waren, vervuld zien. Wij moesten zeggen wat wij wenschten. Serjezja wenschte zich, dat hij paarden en kippen in was zou kunnen kneden, en Mitjenka, dat hij groote schilderijen zou kunnen maken. Ik kon niets anders bedenken, dan den wensch om maar kleine dingen te kunnen schilderen.Deze heele geschiedenis werd, zooals dat altijd bij kinderen gaat, heel spoedig vergeten en niemand kwam bij den berg Fanfaronoff, maar nog herinner ik mij de gewichtigheid, waarmee Nikolaas ons in zijne geheimen inwijdde, ons ontzag en onze vrees voor die wonderbare dingen, die hij ons openbaarde. Een zeer sterken indruk heb ik behouden van de Moerawjeïsche broeders en het groene takje, dat iedereen gelukkig zou maken.

“Tegenwoordig begrijp ik dat Nikolaas eens gelezen of gehoord had van de vrijmetselaars, van hun streven om de menschen gelukkig te maken en van de geheimzinnige ceremoniën bij het opnemen in hunne orde. Ook van de Moravische broederschap kwam hem wel eens iets ter oore, en zijne verbeeldingskracht, bijgestaan door zijne liefde voor de menschen en voor het goede, weefde alles samen tot het verhaal waarmee hij ons zoo fopte.

“Het ideaal der Moerawjeïsche broeders, elkaar lief te hebben en te steunen (niet slechts onder een paar stoelen met kleeden behangen, maar nagestreefd door alle menschen op Gods aardbodem) is nog steeds mijn ideaal. En—zooals ik toen geloofde aan het groene takje, dat alle ellende kon verdrijven, en de menschen het hoogste heil brengen, zoo geloof ik ook nu aan het bestaan eener waarheid, die hun geopenbaard zal worden en hun alles zal geven wat zij belooft.”9

De herinneringen aan Tolstoi’s broer Dmitri zullen wij plaatsen onder het hoofdstuk over zijne jongelingsjaren. Hier laten we nog een fragment volgen van de onafgewerkte herinneringen aan zijn broer Sergius, betrekking hebbende op zijne vroegste kindsheid:

“Mitjenka en ik waren kameraden, voor Nikolaas gevoeldeik achting, maar Sergius beminde, aanbad ik. Ik wilde ‘hem’ zijn. Ik bewonderde zijne krachtige gestalte, zijn zingen (hij zong altijd), zijne teekeningen, zijne vroolijkheid en vooral, hoe vreemd het ook klinken moge, zijn onafhankelijk egoïsme. Ik onderzocht altijd al mijn daden, luisterde of de menschen goed of kwaad van mij spraken en dat bedierf mijn leven. Daarom bewonderde ik in anderen juist het tegenovergestelde daarvan, dat onafhankelijk egoïsme. Daarom had ik Sergius lief. Het woord, ‘liefhebben’ zegt niets. Nikoljenka had ik lief, maar Sergius aanbad ik, en ik zag in hem een heel bijzonder wezen. Ik bewonderde hem, maar ik begreep hem niet en dat maakte hem voor mij nog veel aantrekkelijker.

“Hij stierf dezer dagen en stervende was hij mij nog even onbegrijpelijk en nog even dierbaar als in de dagen onzer kindsheid. De laatste jaren, toen hij ouder werd, hield hij meer van mij, hij waardeerde mijne aanhankelijkheid, was trotsch op mij, trachtte met mij overeen te stemmen maar kon het niet en hij bleef die hij was: geheel bijzonder, geheel zich zelf. Hij was mooi, goed gebouwd, trotsch, maar, meer dan dat alles: hij was tot in den hoogsten graad oprecht en waarheidlievend. Hij was zooals hij was en trachtte zich niet mooier noch minder voor te doen.

“Met Nikolaas wilde ik gaarne samen zijn, met hem praten, met hem overleggen. Sergius wilde ik slechts navolgen. Toen we nog heel jong waren begon het reeds. Hij hield kippen en kuikentjes en ik hield kippen en kuikentjes. Dat waren waarschijnlijk mijn eerste navorschingen op het gebied van de dierenwereld. Ik herinner mij nog de verschillende soorten: grijze en bonte kippen, en kippen met pluimen, en alle kwamen zij naar ons toe, als wij ze riepen om gevoerd te worden. Den Hollandschen haan mochten wij niet lijden, want die was niet goed voor de kippen. Sergius had gevraagd, kippen te mogen houden, en ik vroeg het ook. Sergiusteekende, en mij leek het prachtig, op een groot stuk papier, in verschillende kleuren, kippen en hanen. Ik deed het ook, maar leelijk. Op dit gebied had ik juist gehoopt mij te volmaken, door middel van den berg Fanfaronoff. Sergius kwam eens op de gedachte, toen de ramen weer ingezet waren, de kippen met lange worstjes, die hij van worst en wittebrood had gemaakt, door het sleutelgat te voeren en—ik deed hetzelfde”10.

Wij laten hier nog een paar losse herinneringen volgen, die ons ook door Tolstoi zijn verstrekt, maar die, evenals het grootste gedeelte der herinneringen uit zijn kinderjaren, niet in chronologische volgorde geplaatst kunnen worden. Toch zou het jammer zijn, ze niet te plaatsen, daar zij ons helpen het beeld van Leo Tolstoi’s kinderjaren te voltooien.

“Eene herinnering aan eene onbelangrijke gebeurtenis, die een sterken indruk bij mij naliet. Het staat mij voor als volgt.

“In onze kinderkamer op de bovenverdieping zit Tjemjeschoff en praat met Feodor Iwanowitsch. Ik herinner mij niet waarom het gesprek over de vasten liep, maar Tjemjeschoff, de goedhartige Tjemjeschoff, zei heel gewoon: ‘mijn kok (’t kan ook knecht zijn, dat weet ik niet meer) kreeg het in zijn hoofd eene vleeschspijs te gaan eten; ik heb hem weggezonden om soldaat te worden’. Ik heb het onthouden omdat het toen voor mij zoo vreemd, zoo geheel onbegrijpelijk was.

“Eene andere gebeurtenis. De erfenis Perowski. Ik herinner mij een hoog bevrachten wagen, die uit Neroetsch kwam, toen het proces over de erfenis, dank zij Ilija Mitrofanowitsch, gunstig voor ons was afgeloopen. Ilija Mitrofanowitsch was een dronkaard. Hij was reeds een oude man, groot, met langhaar, een gewezen lijfeigene van Perowska, een groot kenner (zooals dat vroeger meer voorkwam) van contracten. Hij had het proces gevoerd, het gewonnen, en woonde daarvoor tot aan zijn dood te Jasnaja Paljana.

“Nog een indruk. Aankomst van Peter Iwanowitsch Tolstoi, den vader van Walerian, den man van mijne zuster. Hij kwam in een chambercloak in de ontvangkamer; wij begrepen niet waarom, maar hoorden later, dat het was omdat hij in het laatste stadium van tering verkeerde. Een andere indruk. De aankomst van zijn’ broeder Feodor Tolstoi, den bekenden Amerikaan. Ik herinner mij dat hij in een wagen met postpaarden kwam aanrijden, naar vader in de studeerkamer ging en zijn eigen hard Fransch brood vroeg; ander brood at hij niet. Broer Sergius had juist erge tandpijn. De Amerikaan vroeg wat hem scheelde, en toen hij ’t wist, beweerde hij de pijn door magnetisme te kunnen verdrijven. Hij ging naar de studeerkamer, sloot de deur, en kwam terug met twee batisten zakdoeken. Ik herinner mij, dat ze een lila rand hadden. Hij gaf tante de beide zakdoeken en zei: ‘als hij dezen omdoet, dan zal de pijn weggaan, en dezen, dan gaat hij slapen’. Sergius nam de zakdoeken, deed ze om en wij hebben den indruk behouden, dat het juist zoo ging als ons voorspeld was.

“Ik herinner me hem nog, met zijn mooi gebronsd gezicht. Hij droeg geen vollen baard, maar wel een dichten grijzen bakkebaard, die tot aan zijn mondhoeken groeide. Zijn hoofdhaar was grijs en krullend. Ik zou nog heel veel willen vertellen van dezen ongewonen, verdorven, maar toch zoo aantrekkelijken man!”

Wij zullen dit hoofdstukKinderjarenbesluiten met de poëtische herinnering uit een vroeger uitgegeven werk van Tolstoi.

“Gelukkige, gelukkige kinderjaren, die nooit meer terugkomen! Wie zou zich niet verlustigen in hunne herinnering? Mij zijn ze een bron van het heerlijkst genot, zij verheffen, zij verlichten mijne ziel.... Na het gebed, in de koesterende dekens, als de ziel zoo licht is, zoo klaar, zoo blij, begint de fantasie haar werk. Wat schildert zij? Te grijpen zijn haar beelden niet, maar zij zijn vol van reine liefde en hoop op rein geluk.—Dan dacht ik aan Karel Iwanowitsch, den eenigen man van wien ik wist dat hij ongelukkig was, en aan zijn bitter lot, en mijn medelijden was zoo groot en mijn liefde zoo innig, dat tranen uit mijne oogen vloeiden en ik bad: ‘God, geef hem geluk en stel mij in staat hem te helpen en zijne smart te verlichten; ik ben geheel bereid mij voor hem op te offeren’. Dan weer bewonder ik het liefste porseleinen speelgoed—het haasje of den hond—weggedrukt in een hoekje van het donzen kussen; hoe heerlijk warm en gemakkelijk ligt het daar! En nog weer een gebed tot God om geluk en tevredenheid voor allen, om mooi weer voor de wandeling van morgen; dan keer je je om en je valt in slaap, zoo rustig en stil, het gelaat nog nat van tranen. Zullen zij ooit terugkeeren, die frischheid, die zorgeloosheid, die behoefte aan liefde, dat krachtig geloof, die schatten van onze kinderjaren? Welke tijd kan beter zijn dan die, waar de twee grootste deugden, de onschuldige vroolijkheid en de oneindige behoefte aan liefde de eenige drijfveer zijn van ’t leven? Waar zijn die vurige gebeden? Waar het heerlijkste geschenk, die reine traan van mededoogen?

“Een engel der vertroosting kwam en wischte met zijn’ glimlach onze tranen af en zachtkens wuivend blies zij droomen in onze onbedorven kinderziel.

“Heeft het leven dan zulke diepe sporen in mijn hart gegrift, dat de zaligheid der tranen voor eeuwig voor mij verloren ging?”

1Een pleegkind (zie volgend hoofdstuk).2Uit Tolstoi’s ongecorrigeerde aanteekeningen.3Een onnoozele.4Uit de verzamelde werken van Tolstoi.5De tijd van Kerstmis tot aan Drie-Koningen.6Prikaztschik kan verschillende beteekenissen hebben, maar wijst altijd op eene betrekking in den handel. Het handschrift geeft geen verdere aanwijzing.7Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.8Moerawjeï = mier.9Uit de ongeconigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.10Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.

1Een pleegkind (zie volgend hoofdstuk).

2Uit Tolstoi’s ongecorrigeerde aanteekeningen.

3Een onnoozele.

4Uit de verzamelde werken van Tolstoi.

5De tijd van Kerstmis tot aan Drie-Koningen.

6Prikaztschik kan verschillende beteekenissen hebben, maar wijst altijd op eene betrekking in den handel. Het handschrift geeft geen verdere aanwijzing.

7Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.

8Moerawjeï = mier.

9Uit de ongeconigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.

10Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.


Back to IndexNext