Elfde hoofdstuk.Eerste buitenlandsche reis. Het leven te Moskou. Berenjacht.Den 29stenJanuari uit Moskou vertrokken, ging Tolstoi per postdiligence naar Warschau, en van Warschau per spoor naar Parijs, waar hij 21 Februari (nieuwe stijl) aankwam.Hier werd hij opgewacht door Toerghenjeff, die 23 Januari reeds aan Droezjinin geschreven had:“Tolstoi schrijft mij, dat hij aanstalten maakt om hierheen te komen, en in de lente van hier naar Italië te gaan; zeg hem, dat hij zich haaste, indien hij mij treffen wil. Overigens zal ik hem zelf schrijven. Uit zijne brieven zie ik, dat er zeer heilzame veranderingen in hem hebben plaatsgegrepen, en ik verheug mij daarover ‘evenals eene oude kindermeid.’ Ik heb zijn verhaalEen Morgen van een’ Landheergelezen, dat mij om zijne oprechtheid en bijna volkomen vrije beschouwingswijze uitstekend bevallen is. Ik zeg ‘bijna’, omdat in den vorm waarin hij zich de vraag gesteld heeft (wellicht zonder dat hij het zelf weet), nog eenig vooroordeel opgesloten ligt. De voornaamste indruk van dit verhaal (ik spreek niet van den indruk dien het als letterkundig product maakt) bestaat hierin dat, zoolang de lijfeigenschap bestaan zal, er geen mogelijkheid is op wederzijdsche toenadering en verstandhouding, ook al was men op de onbaatzuchtigste en eerlijkste manier daartoe bereid. En deze indruk is goed enjuist. Maar behalve dezen krijgt men nog een tweeden, zijdelingschen indruk, namelijk dat het beschaven van den boer, het verbeteren van zijn bestaan in ’t algemeen tot niets leidt. En deze indruk is onaangenaam. Het meesterschap over de taal in deze vertelling is echter bijzonder groot.”1Kort na zijne ontmoeting met Tolstoi, schrijft Toerghenjeff aan Polonski:“Tolstoi is hier. Er heeft eene verandering ten goede en van zeer groote beteekenis met hem plaats gevonden. Deze man zal het ver brengen en een diep spoor nalaten.”In een brief aan Kalbasin, gedateerd Parijs 8 Maart, zegt Toerghenjeff:“Ik zie Tolstoi hier dikwijls, en ontving van Njekrassoff dezer dagen een brief uit Rome.“Met Tolstoi zal ik toch op den duur niet samen kunnen gaan; onze opvattingen loopen te zeer uiteen.”1Ziehier eene uitspraak van Tolstoi uit denzelfden tijd over Toerghenjeff en diens vriendin, Madame Viardot, welke uitspraak door Botkin in een’ brief van 8 Maart 1857 aan Droezjinin vermeld wordt:... Tolstoi schrijft over zijn bezoek aan hem het volgende:“Beiden dwalen, om zoo te zeggen, in het duister rond, zijn verdrietig, beklagen zich over het leven, voeren niets uit, en schijnen elk voor zich onder den last hunner wederzijdsche verhouding gebukt te gaan. Toerghenjeff schrijft dat Njekrassoff plotseling aanstalten heeft gemaakt om op nieuw naar Rome te gaan. De brief van Tolstoi beslaat in ’t geheel slechts ééne bladzijde, maar is vol moed en opgewektheid. Duitschland heeft hem zeer veel belang ingeboezemd,en later wil hij het meer van nabij leeren kennen. Over eene maand gaat hij naar Rome.”2Uit deze geheele correspondentie blijkt, dat de verhouding tusschen Tolstoi en Toerghenjeff altijd van onzekeren aard is geweest; ondanks alle pogingen, zijn zij nooit intiem met elkander kunnen worden.In de maand Maart deden Tolstoi en Toerghenjeff een uitstapje naar Dijon, waar zij eenige dagen doorbrachten. In dien tijd schreef Tolstoi zijn verhaal over den muzikus Albert. Daarna keerden beiden naar Parijs terug, waar Tolstoi, gelijk hij in zijnBiechtverhaalt, eene doodstraf zag voltrekken, hetgeen een onuitwischbaren indruk op hem maakte. In zijn dagboek beschrijft hij dien indruk in korte trekken aldus:6 Februari 1857. “Ik stond te 7 uren in den morgen op en ging naar eene executie kijken. Een dikke, blanke, gezonde hals en borst, een mond die het Evangelie kuste—en toen de dood. Hoe onzinnig! De indruk was diep. Ik ben geen politikus. Moraal en kunst. Ik weet, ik heb lief en ik kan.... De guillotine heeft mij langen tijd uit den slaap gehouden en tot nadenken gebracht.”Ziehier wat hij daarover inBiechtschrijft:“Gedurende mijn verblijf te Parijs heeft het zien van de doodstraf mij de onstandvastigheid van mijn bijgeloof aan denVooruitganggeopenbaard. Toen ik het hoofd van den romp zag scheiden en in een kist hoorde ploffen, begreep ik—niet met het verstand, doch met mijn geheele wezen—dat geen enkele gezonde, beredeneerde theorie van werkelijkenvooruitgangzulk eene handeling kon rechtvaardigen. Ook al hadden alle menschen ter wereld, van de schepping af tot heden, volgens welke theorie dan ook gevonden, dat zoo iets noodig was, weet ik toch dat hetnietnoodig, dathet slecht is, en dat mijn hart, juister dan de menschen en juister dan devooruitgang, oordeelt dat het dwaling is.”De reis naar Rome stelde Tolstoi tot den herfst uit; maar in de lente ging hij uit Parijs rechtstreeks naar Genève, vanwaar hij zijne tante onder anderen schrijft:“Ik heb anderhalve maand te Parijs doorgebracht, en wel zoo aangenaam, dat ik dagelijks tot mij zelven gezegd heb goed gedaan te hebben door in den vreemde te gaan. In gezelschappen en in de letterkundige wereld ben ik weinig geweest; ook cafés en publieke bals heb ik niet dikwijls bezocht; maar desondanks heb ik hier zooveel nieuwe en voor mij interessante dingen leeren kennen, dat ik elken dag bij het naar bed gaan tot mij zelven zei: hoe jammer dat de dag zoo schielijk voorbijgaat; ik heb zelfs geen tijd gehad tot werken, zooals ik van plan was.“De arme Toerghenjeff is physiek zeer ziek, en zedelijk nog meer. Zijne ongelukkigeliaisonmet Madame Viardot en hare dochter houdt hem terug in een klimaat dat schadelijk voor hem is. Het is treurig om aan te zien. Ik had nooit gedacht dat hij zóó kon liefhebben.”Uit Génève deed Tolstoi een uitstapje naar Piémont, in gezelschap van Botkin en Droezjinin, die er ook gekomen waren, en bleef toen eenigen tijd aan het meer van Genève, te Clarens, vanwaar hij zijne tante een opgeruimden brief schreef:“Clarens, 18 Mei 1857.“Ik heb uw’ brief ontvangen, beste tante, die mij, zooals u uit mijn laatsten brief gebleken zal zijn, in de omstreken van Genève bereikt heeft—in hetzelfde dorp Clarens, waar de Julie van Rousseau gewoond heeft.... Ik zal niet trachten u de schoonheid van dit land te schilderen, vooral nu alles in blad en bloem staat; alleen wil ik u zeggen, dat hetletterlijk onmogelijk is om van dit meer en deze oevers te scheiden, en dat ik het grootste deel van mijn’ tijd met zien en bewonderen doorbreng, hetzij ik wandel of eenvoudig voor het venster van mijne kamer zit. Voortdurend wensch ik mij geluk, dat ik op het denkbeeld kwam Parijs te verlaten en hier de lente te gaan doorbrengen, hoewel ik daardoor van uw’ kant het verwijt verdiend heb onstandvastig te zijn. Waarlijk, ik ben gelukkig en begin de voordeelen te gevoelen van met een helm te zijn geboren.“Er is hier een charmant gezelschap Russen, waartoe de Poeschtschin’s, de Karamzin’s en de Meschtscherski’s behooren, die mij allen (de hemel weet waarom!) mogen lijden. Ik gevoel dit; in de maand die ik hier heb doorgebracht bevalt het mij zoo goed en heb ik het zoo naar mijn zin, dat ik met leedwezen aan mijn vertrek denk.”3Behalve deze vrienden woonde toen in den omtrek van Genève, aan den oever van het meer, in het plaatsje Beaucage eene vriendin van Tolstoi, met name Alexandra Andrejewna Tolstoi, hofdame bij de grootvorstin Maria Nikolajewna, die daar een zoon van graaf Stroganoff ter wereld had gebracht. Het bezoeken van deze dames verschafte Tolstoi zeer veel genoegen.Nadat hij omstreeks twee maanden in Clarens had doorgebracht, besloot hij zijne reis te voet voort te zetten. Hij had daar met eene Russische familie kennis gemaakt, waartoe een jongen van omtrent 10 jaar, Sascha, behoorde, dien hij uitnoodigde om mee het gebergte in te gaan. Aanvankelijk was hun doel om over den Col de Jaman Freiburg te bereiken; maar toen zij dezen pas waren overgetrokken, veranderdenzij van besluit en sloegen den weg naar Chateau d’Oex in, vanwaar zij per post-diligence naar Thun reden.In de onuitgegeven manuscripten van Tolstoi zijn reis-aanteekeningen van dezen tocht bewaard gebleven. Daaraan ontleenen wij eenige beschrijvingen van Zwitsersche natuurtafereelen.Eerst voer Tolstoi per stoomboot van Clarens naar Montreux.“15/27 Mei 1857.“Het weder was helder. Het hemelsblauwe Meer van Genève, met zijne witte en zwarte stippen van zeilen en booten, lag daar blinkend aan drie zijden voor ons. RondomGenèveen ver weg over het blauwe meer hing eene trillende, donkere, warme lucht; op den tegenoverliggenden oever verhieven zich de steile bergen van Savoye met hunne witte huisjes aan den voet, en eene gespleten rots, die de gedaante had eener reusachtige witte vrouw in een oud gewaad. Links, juist boven eene reeks van aangrenzende geel-roode wijngaarden, zag men, in een donkergroen bosch van oofttuinen, Montreux met zijne bevallige kerk, die aan de zachte glooiing van den berg hing. Aan den oever lag Ville Neuve met zijn krans van huizen, die helder in de middagzon blonken, de geheimzinnige kloof Salais, met de op elkander gestapelde bergen; het witte, ongastvrije Chillon, vlak boven het water, en het veelbezongen eilandje, dat droomerig maar toch schilderachtig tegenover Ville Neuve verrijst. Het meer rimpelde, de zon straalde recht boven zijne hemelsblauwe oppervlakte, en de over het meer verspreide zeilen lagen roerloos stil.“Verwonderlijk! Ik had twee maanden in Clarens doorgebracht, maar telkens als ik des morgens, of in ’t bijzonder bij het vallen van den avond, na het eten, de blinden van het venster opende, waarover reeds eene schaduw gleed, en mijn’ blik liet glijden over het meer met de blauwe bergenin ’t verschiet, die er zich in spiegelden, dan verblindde mij die schoonheid en was ik plotseling onder den indruk harer verbijsterende macht. Eensklaps ontwaakte dan in mij eene zucht naar liefde, ja, ik gevoelde liefde voor mij zelven, betreurde het verleden, hoopte op de toekomst en begroette het leven met vreugde, wenschte lang, zeer lang te leven, en beschouwde het denkbeeld van den dood als eene kinderachtige, dichterlijke vrees. Somtijds, als ik, alleen in het belommerde tuintje gezeten, onafgebroken naar die oevers en dat meer staarde, gevoelde ik zelfs een zekeren physieken indruk, alsof die machtige schoonheid door het oog zich in mijne ziel uitstortte.”Het volgende verplaatst ons in de bergen:”...Boven ons zongen woudvogels, die zich niet boven het meer, de dennenbosschen en de bewoonde streken laten hooren. Onze tocht was zoo verrukkelijk, dat het ons speet slechts kort te kunnen toeven. Plotseling woei ons een ongewoon heerlijke, een echte lentegeur tegemoet. Sascha snelde het bosch in en plukte kersebloemens af, doch deze gaven bijna geen geur. Aan weerszijden zag men groene boomen en struiken zonder bloemen. De zachte, welriekende geur werd al sterker en sterker. Nadat wij een honderd schreden geloopen hadden, opende zich het struikgewas aan de rechterhand en vertoonde zich eene uitgestrekte, glooiende, lichtgroene vlakte, met eenige hier en daar verspreide huisjes, voor onze oogen.“Sascha snelde het veld in, plukte met beide handen witte narcissen en bracht mij een kolossalen ruiker, die een onverdragelijken geur verspreidde. Maar dit was den knaap nog niet genoeg: met de vernielzucht, kinderen eigen, draafde hij nogmaals het veld in, en trok een aantal prachtige, jonge zonnebloemen af, die bijzonder naar zijn’ zin waren....”In Les Avants bleven zij overnachten. Na de bestijging van een’ berg, schrijft Tolstoi de volgende gedachten neer:“16/28 Mei 1857.“Terecht had men mij gezegd dat, hoe hooger men komt in ’t gebergte, hoe gemakkelijker het loopen wordt.Wij hadden reeds een uur geloopen en voelden geen van tweeën het gewicht onzer rug-zakken, zelfs geen vermoeienis. Ofschoon wij nog geen zon zagen, wierp zij toch hare stralen rakelings over eenige rotsen en pijnboomen aan den horizon, op de hoogten tegenover ons. Omlaag hoorde men het doffe bruisen der bergstroomen; rondom ons vloeide slechts wat sneeuwwater, en bij eene kromming van den weg zagen wij op nieuw het meer met Valès op ontzettende diepte voor ons liggen. Aan den voet der Savooische bergen was het water geheel blauw, evenals het meer, maar donkerder; doch verder op, waar het door de zon beschenen werd, had het een volmaakt lichtroode tint. De besneeuwde bergen werden talrijker; zij schenen hooger en meer afwisselend in vorm. De zeilen en booten lieten zich als nauw merkbare stippen op het meer zien. Het was mooi, zelfs verrassend mooi, maar niet wat ik natuurschoon noem.“....Ik houd niet van die zoogenaamde grootsche en merkwaardige gezichten, die voor mij iets kouds hebben. Wat ik liefheb is de natuur als zij mij aan alle kanten omgeeft en zich daarna ontrolt in een eindeloos verschiet. Ik heb haar lief als mij aan alle zijden eene warme lucht omringt, en die lucht al golvend zich uitstrekt in de onbegrensde verte; als dezelfde sappige grashalmen, die ik druk wanneer ik er op zit, de onafzienbare weiden met een kleed van groen bedekken; als dezelfde bladeren, die, door den wind bewogen, hunne schaduw over mijn aangezicht laten glijden, den donkergroenen omtrek van een ver afzijnd woud verraden;als dezelfde lucht, die mij doet ademen, het donkerblauwe gewelf van den oneindigen hemel vormt; als ik niet de eenige ben die jubelt en zich verblijdt in de natuur; als duizenden insecten rondom mij gonzen en zwermen, het vee in troepjes dartelt, en overal in ’t rond de vogels zingen....“Hier stond ik voor eene naakte, koude, ledige, grauwe vlakte, met geen ander tooisel dan de krippen zoom van het verschiet. Maar dit alles lag zoo ver, dat ik het ware natuurgenot niet smaakte, dat ik mij geen deel gevoelde van dit gansche grenzenlooze en overschoone tafereel. Ik behoorde niet tot dat verschiet....”Zijne reis voortzettende, kwam Tolstoi in Lucern, vanwaar hij zijne tante het volgende schrijft:“Lucern, 6 Juli 1857.“Ik meen u geschreven te hebben, beste tante, dat ik uit Clarens vertrokken ben met het doel om eene vrij groote reis te ondernemen door het noorden van Zwitserland, langs den Rijn, en verder door Holland naar Engeland. Van daar denk ik op nieuw naar Frankrijk en Parijs te gaan, om dan in de maand Augustus eenigen tijd in Rome en Napels door te brengen. Indien ik tegen zeereizen bestand ben, hetgeen blijken zal wanneer ik van den Haag naar Londen ga, denk ik over de Middellandsche Zee, Konstantinopel, de Zwarte Zee en Odessa terug te keeren. Maar dit zijn slechts plannen, die ik wegens mijne wispelturigheid, welke u mij terecht verwijt, beste tante, misschien niet zal verwezenlijken. Ik ben te Lucern aangekomen. Dit is eene stad in het noorden van Zwitserland, niet ver van den Rijn; ik heb mijne reis wat vertraagd, om eenige dagen in dit bekoorlijke stadje door te brengen. Ik ben weer geheel alleen, en wil u wel bekennen, dat de eenzaamheid mij zeer dikwijlsbezwaart; want bij de kennissen, die men in hôtels en onder weg in den trein maakt, moet men zijne toevlucht niet gaan zoeken. Deze afzondering heeft echter ook de goede zijde, dat zij mij tot den arbeid drijft. Ik werk een weinig, maar het gaat slecht, zooals des zomers meest het geval is...”4Gedurende Tolstoi’s verblijf te Lucern viel er iets voor, dat door hem in deGedenkschriften van prins Nechljoedoffverteld wordt. Dit verhaal staat met het jaartal ’57 gemerkt, en moet dus op deze reis betrekking hebben.In deze episode wisselt, naar men weet, de schoone beschrijving der Zwitsersche natuur af met eene uiting van misnoegen over het bederven van de natuur-harmonie ten believe van rijke toeristen, meerendeels Engelschen.De tegenstelling tusschen de doodscheconvenanceaan de table d’hôte en de wilde, maar boeiende, levendige schoonheid van het meer treft den schrijver. En dit gevoel wordt sterker, als hij een’ straatzanger hoort, die zijn lied met de gitaar begeleidt. Dit lied trok als met een’ tooverslag mijne geheele aandacht, en stemde mijne ziel in een’ toon van onuitsprekelijke harmonie.Alle verwarde, onwillekeurige indrukken des levens kregen plotseling voor mij beteekenis en bekoring. In mijn gemoed ontlook als ’t ware eene frissche, welriekende bloem, en de mij tot op dit oogenblik neerdrukkende vermoeienis, verstrooidheid en onverschilligheid werden als weggevaagd en maakten plaats voor een’ drang naar liefde, voor eene hoopvolle stemming en voor eene niet te verklaren levensvreugde. En het was mij of eene innerlijke stem mij zeide: “Wat kan men nog wenschen, wat nog verlangen? Hier is zij, de schoonheid, de poëzie, die u aan alle kanten omringt. Dat wij haarinademen met ruime, volle teugen, haar genieten met al onze krachten! Wat behoeven wij nog meer? Al die zaligheid is ons!...”En andermaal omfloersen de doodsche, vormelijke Engelschen die wondervolle bloem der poëzie met een zwarten sluier....De zanger had zijn lied geëindigd, nam zijn hoed in de hand en hield dien voor de vensters van het rijke hôtel, waarvan het balkon met een drom van elegant gekleede toehoorders gevuld was. Doch niemand gaf hem iets....Door de steenen gevoelloosheid van deze lieden getroffen, snelt Tolstoi naar den muzikant en noodigt hem uit in het hôtel eene flesch wijn te komen drinken. Zijne tartende houding gaf aanstoot, maar dat wil hij juist; hij wil de zelfgenoegzaamheid der rijken kwetsen, wil zijn misnoegen over hunne gevoelloosheid laten blijken. Men liet het voorval bijna onopgemerkt voorbijgaan, maar in den schrijver blijft een gevoel van bitterheid over het onrecht dier menschen en hunne onvatbaarheid om het hoogere geluk te begrijpen, even eenvoudig als menschelijk, en het harmonisch verband daarvan met de natuur. In die stemming spreekt hij de toeschouwers met de volgende overredende woorden toe:“Gij, kinderen van een vrij, humaan volk, gij Christenen—gijmenschen! waarom hebt gij het weldadige genot, dat u een ongelukkig smeekend man verschafte, met koelheid en spot beantwoord? Maar neen... in uw vaderland zijn toevluchtshuizen voor armen. Er moesten ook geen armen zijn, er moest geen gevoel van medelijden zijn, waarop de armoede steunt! Doch deze man heeft zich moeite gegeven om u genoegen te doen, heeft u gebeden hem iets van uw’ overvloed te geven voor zijn werk, waarvan gij genoten hebt. En van uwe hooge praalvertrekken zaagt gij hem aan met een kouden glimlach, als ware hij een curiositeit; en onderu honderden gelukkigen en rijken was niet één persoon te vinden, die hem iets toewierp voor zijne moeite! Beschaamd is hij toen heengegaan, gevolgd door de domme menigte, die nietumaarhemuitjouwde, omdatgijhardvochtig, koud en gewetenloos zijt. Men heefthemgehoond, omdatgijhem het genot hebt ontstolen, dat hij u verschafte!“Den 7denJuli 1857 zong te Lucern voor het hôtel Schweizerhof, waarin de rijkste lieden logeeren, een reizend liedjeszanger een half uur lang liederen, en speelde daarbij op de gitaar. Omtrent tweehonderd personen hoorden hem aan. De zanger smeekte allen tot driemaal toe hem iets te geven. Maar geen van deze lieden gaf hem iets en velen lachten hem uit.“Dit is geen verzinsel, doch een beslist feit, dat elk die wil bij de tegenwoordige gasten van hetSchweizerhofkan onderzoeken, terwijl men uit de dagbladen kan te weten komen wie de vreemdelingen waren, die er den 7denJuli logeerden.“Ziedaar eene gebeurtenis, welke de geschiedschrijvers van onzen tijd met vlammende, onuitwischbare letteren moesten opteekenen!”En aan zijne borst ontsnapt een kreet van verbazing over het onbegrijpelijke in dien heelen chaotischen samenhang van feiten, voortvloeiende uit de menschelijke verhoudingen met hunne oppervlakkige gevoelens, gesteld tegenover de machtige natuur met hare harmonische grootheid. In pathetischen, dichterlijken vorm drukt de schrijver zijne gemoedsstemming uit en eindigt het verhaal aldus:“Een ongelukkig, deerniswaardig schepsel is de mensch met zijne behoefte aan nauwkeurige definities, en dobberend op die steeds bewogen, grenzenlooze zee van goed en kwaad, van feiten, beschouwingen en tegenstrijdigheden. Sinds eeuwen kwellen en spannen de menschen zich in, om het goede aan den eenen, het kwade aan den anderen kant te schuiven.Eeuwen zullen voorbijgaan, doch waar en wat het onpartijdige verstand ook legge in de weegschaal van het goede en kwade, de balans zal niet doorslaan en aan elken kant evenveel goed als kwaad bevatten. Dat de mensch toch eens leere niet zoo spoedig en beslist te oordeelen en te denken; mocht hij eens leeren geen antwoord te geven op vragen, welke hem alleen gegeven zijn om altijd vragen te blijven! Begreep hij maar, dat elke gedachte tegelijk valsch en juist is. Valsch is zij om hare eenzijdigheid en doordien de mensch in de onmogelijkheid is om de geheele waarheid te begrijpen; en juist, omdat elke gedachte uiting geeft aan ééne zijde van het menschelijk streven.“Dien steeds bewogen, grenzenloozen, eeuwig wisselenden chaos van goed en kwaad heeft de mensch in afdeelingen gesplitst; hij heeft denkbeeldige lijnen over die zee getrokken en wacht of ook de zee zich zal verdeelen. Alsof er van een ander standpunt, op een ander vlak, geen millioenen andere verdeelingen te maken zijn! ’t Is waar: het zijn de eeuwen welke die nieuwe verdeelingen maken; maar ook de eeuwen zijn bij millioenen voorbij gegaan, en andere zullen volgen!“Beschaving is iets goeds, barbaarschheid iets kwaads; vrijheid iets goeds, slavernij iets kwaads. Zulke denkbeeldige kennis dooft in de menschelijke natuur hare instinctmatige, heiligste en allereerste behoefte aan het goede. Wie zal mij zeggen wat vrijheid of dwingelandij, wat beschaving of barbaarschheid is? Waar zijn de grenzen van het een en van het ander? In wiens ziel is een maatstaf voor goed en kwaad, nauwkeurig genoeg voor het meten van samengestelde, ontastbare feiten? Wiens verstand is groot genoeg om alle feiten uit het verleden te begrijpen en te wegen? Waarom zie ik van het eene meer dan van het ander, indien het standpunt, waarop ik sta, niet de oorzaak is? En wie is in staat, zij het slechts voor een oogenblik, zijn’ geest zóó geheel van’t leven los te maken, dat hij onafhankelijk op dat leven neerziet....?Leo Tolstoi en zijn broeders in 1854.—Blz. 208.Leo Tolstoi en zijn broeders in 1854.—Blz.208.Sergius.—Dmitri.—Nikolaas.—Leo.“Wij hebben één, slechts één onfeilbaren gids en leidsman, een Geest, alomtegenwoordig, Die ons allen tezamen en elk in ’t bijzonder doordringt, Die in ieder een streven wekt om te doen wat noodig is! Dezelfde Geest, Die een’ boom doet groeien in de zon, eene bloem zaden doet geven in den herfst, noopt ons menschen nader tot elkaar te komen, zonder dat wij er van bewust zijn. En die eenige onfeilbare Heilige Geest spreekt luider dan onze woelige kreten van ontwikkeling en beschaving! Wie is meermenschof meerbarbaar: delord, die bij het zien van de versleten kleeren van den zanger verontwaardigd van zijne tafel wegloopt, den arme voor zijne moeite niet het millioenste deel van zijn vermogen geeft, en dan, verzadigd, in een licht, geriefelijk vertrek kalm gaat zitten nadenken over de gebeurtenissen in China, waarbij hij de aldaar gepleegde moorden rechtvaardig vindt? Of denederige zanger, die, op gevaar van gevangenisstraf, met een franc op zak, twintig jaar lang en zonder iemand te schaden over bergen en door dalen trekt, de menschen met zijn gezang en snarenspel opvroolijkend.... en thans, gehoond, bespot, ja bijna weggejaagd, vermoeid, beschaamd en hongerig, zich mogelijk ergens op een hoop vuil stroo te slapen heeft gelegd....? Neen (zeide ik onwillekeurig totmijzelf), men heeft ongelijk dien zanger te beklagen en de welvaart van den lord te benijden. Wie zal het innerlijke geluk durven schatten, dat in de ziel van elk dezer menschen verborgen ligt? De zanger zit misschien nu ergens op een bemodderde stoep, aanschouwt den hemel met zijn blinkend maan- en sterrenlicht, en zingt blijmoedig in den stillen, geurenden nacht: inzijneziel is geen verwijt, geen boosheid of berouw! Maar wie zal weten wat nu omgaat in de ziel van al die rijken achter gindsche hooge muren? Wie zal weten, ofdie allen even zoete, zorgelooze levensvreugde en vrede met de wereld hebben, als er huist in ’t hart van dien armen, nederigen, gehoonden zanger....?“O, hoe oneindig groot is de goedheid en wijsheid van Hem, Die al die tegenstrijdigheden in ’t aanschijn riep en liet voortbestaan! Tegenstrijdigheden? Zoo komen zij ons, nietigen wormen, voor, die driest en misdadig in Zijne wetten en besluiten pogen door te dringen. Vol liefde ziet Hij van Zijne stralende, onbereikbare hoogten op ons neder en verbergt Zich in de eindelooze harmonie, waarin wij met al onze tegenstrijdigheden ons rusteloos bewegen. In uwen trots, o sterveling, denkt gij u aan de algemeene wetten te onttrekken! Neen,... ook gij, met uw nietswaardigen, laffen onwil tegen de armen—ook gij hebt aan den harmonischen eisch van het eeuwige en oneindige beantwoord....”Van Lucern vervolgde Tolstoi zijne reis, eerst langs den Rijn naar Schaffhausen, Baden en Stuttgart, en vervolgens naar Berlijn.Den 8stenAugustus was hij reeds in Stettin, en van daar kwam hij per stoomschip op 30 Juli/11 Augustus te St.-Petersburg.In Petersburg vertoefde hij eene week, bezocht het gezelschap van denSawremjennik, vertoefde bij Njekrassoff en las dezen onder andere zijn verhaalLucernvoor, dat in de September-aflevering, jaargang 1857, van denSawremjennikgedrukt werd. Den 6denAugustus vertrok hij naar Moskou en daarna reisde hij bijna zonder ophouden door naar Toela.Na zijne aankomst in Jasnaja Paljana verdiepte hij zich weer geheel in het beheer zijner goederen.In zijn dagboek uit dien tijd vinden wij, onder andere, de volgende aanteekeningen:“Ziehier hoe ik mijne werkzaamheden heb ingedeeld: dehoofdzaak is letterkundige arbeid, dan familieplichten, vervolgens het bestuur mijner goederen, dat ik echter zooveel mogelijk in handen van den starosta moet laten; ik wil het werk verlichten, het landgoed verbeteren, de uitgaven tot 2000 roebel bezuinigen, en de rest voor de boeren gebruiken. Mijn groot struikelblok is de ijdelheid van het liberalisme. En zoo leef ik,—doe dagelijks eene goede daad—en dat is genoeg!”Korten tijd later schreef hij:“Zelfverloochening bestaat niet hierin, dat men zich onthoudt wat men begeert, maar dat men ijvert, zijn verstand en zijn vernuft gebruikt om zich zelf te geven.”De maand Augustus wijdde hij aan lectuur; hij las twee merkwaardige boeken:De IliasenHet Nieuwe Testament. Beide maakten een diepen indruk op hem:“Ik heb de verrukkelijkeIliastot het einde toe gelezen...”, zoo drukte hij zich uit; en de schoonheid dezer twee boeken doet hem bejammeren, dat er tusschen beide geen verband is.“Hoe kon Homerus niet weten, dat het goede zetelt in de liefde,” roept hij uit, terwijl hij in gedachten beide boeken vergelijkt. “Er is geen betere uitlegging dan de Openbaring.”Half October verhuisden Tolstoi, zijn oudste broeder Nikolaas en zijne zuster Maria naar Moskou. Uit zijn dagboek zien wij, dat hij daar reeds den 17denOctober was. Den 22stenvertrok hij voor eenige dagen naar Petersburg.Tolstoi’s verhaalLucern(uit deGedenkschriften van prins Nechljoedoff), dat, zooals wij boven zeiden, in de September-aflevering van denSawremjennikopgenomen is, werd door de kritiek niet begrepen en bleef bijna onopgemerkt.Het zwijgen der kritici levert een rechtstreeksch en klaar bewijs van hunne eenzijdigheid, bekrompenheid en kortzichtigheid. Volgens eene opmerking van Zelinski, die een’ bundel kritische verhandelingen over Tolstoi heeft uitgegeven, vond hij, ondanks alle moeite, in de periode 1857–1861 geen afzonderlijke kritische verhandelingen of recensiën over Tolstoi’s geschriften, niettegenstaande in de jaren vóór en in dit tijdperk werken als:Jongelingsjaren,Lucern,Albert,De drie Dooden,Familiegelukin druk verschenen.Deze onverschilligheid der kritici was Tolstoi niet ontgaan; en na zijne reis naar Petersburg, in October 1857, schreef hij in zijn dagboek:“Petersburg heeft mij eerst gekrenkt en daarna gerechtvaardigd.Mijne reputatie was gevallen of bijna dood, en innerlijk heeft mij dit zeer bedroefd; maar nu ben ik gerust en weet ik, dat ik iets te zeggen heb en het vermogen bezit om met kracht te spreken. Zeg voortaan maar wat gij wilt, publiek! Ik zal toch volgens mijn geweten werken, alle krachten inspannen, en dan.... dan mogen zij op het altaar spuwen!”Op 30 October keerde Tolstoi naar Moskou terug. Gedurende zijn verblijf daar bezocht hij dikwijls Fet, die in zijneHerinneringendaarvan het volgende verhaalt.“Op zekeren avond, onder de thee, kwam Tolstoi onverwacht bij ons en deelde mede, dat zijne familie, namelijk hij, zijn oudste broeder Nikolaas en zijne zuster, gravin Maria Nikolajewna, tezamen gemeubileerde kamers gehuurd hadden bij Warghin in de Pjatnitzkaja-straat. Weldra kwamen wij met elkander in kennis.“Ik herinner mij niet, onder welke omstandigheden de gebroeders Tolstoi, Leo en Nikolaas, met S. S. Gromeka hebben kennis gemaakt; waarschijnlijk is het bij ons in huis gebeurd.Zeer spoedig waren alle drie met elkander op goeden voet, daar zij hartstochtelijke jagers bleken te zijn.”5Tolstoi’s leven te Moskou heeft zich in die jaren (omstreeks ’50) door niets bijzonders gekenmerkt. Zijne physieke natuur was toen in hare volle kracht en activiteit, en drong hem tot gymnastische spelen en wereldsche genoegens.Fet verhaalt dat er nu en dan ’s avonds duetten bij hem werden georganiseerd, waarbij gravin Maria Tolstoi, eene pianiste en liefhebster van muziek, tegenwoordig was—somtijds vergezeld door hare twee broeders Leo en Nikolaas, of alleen door Nikolaas, die dan de afwezigheid van onzen schrijver verontschuldigde met te zeggen:“Leo is weer met rok en witte das naar een bal gegaan.”In het volgende uittreksel uit deHerinneringenvan Fet wordt van eene dergelijke tijdpasseering gewag gemaakt:“I. P. Borisoff, een niet alledaagsch man, die Tolstoi reeds in den Kaukasus gezien had, kwam reeds bij de eerste ontmoeting met hem, te mijnen huize, onder den onwederstaanbaren invloed van zijn genie. Maar in die dagen viel Tolstoi’s pronkzucht sterk in het oog, en toen nu Borisoff hem op zekeren dag in een nieuwe pelsjas met kraag van grijs berenbont, met glimmenden hoed, die op één oor stond en waaronder de blonde krullende haren golfden, en met een model-rotting in de hand uit wandelen zag gaan, maakte hij een versje op hem:“Hij leunt op zijn stokje,En pronkt met zijn glimmenden hoed.”“Destijds waren onder de aristocratische jeugd gymnastische oefeningen in de mode, waaronder vooral het springen overeen houten paard. Gebeurde het dat men Tolstoi te twee ure in den namiddag wilde spreken, dan was men genoodzaakt naar den tuin der gymnastiekschool op de Balschaja Dmitroffska te gaan. Daar zag men hem, in tricot gekleed, met opgewektheid alle krachten inspannen om over het paard te springen, zonder den lederen, met haar opgevulden kegel aan te raken, die op den rug was geplaatst. Het verwondert ons niet dat de bewegelijke, energieke natuur van den 29-jarigen schrijver zulke inspannende oefeningen noodig had; maar vrij zonderling was het bejaarde mannen met kale hoofden en dikke buiken met de jongelieden te zien meedoen. Een jonge, doch gehuwde man, die in een rose tricot-pak zijn beurt afwachtte, kwam bij elken aanloop met de borst tegen het kruis van het paard terecht, en ging dan bedaard ter zijde, om voor den volgenden plaats te maken.”6In het begin van Januari 1858 kwam gravin Alexandra Andrejewna Tolstoi, eene vriendin uit Tolstoi’s jeugd, Moskou bezoeken. Tolstoi bracht haar met den Nikolajeff-spoorweg naar Klin en reisde van hier naar prinses Wolkonskaja, van wie wij reeds in het hoofdstuk over Tolstoi’s voorouders van moederszijde melding hebben gemaakt. Deze prinses was eene nicht van Tolstoi’s moeder, had uit plichtsgevoel bij haar op Jasnaja Paljana gewoond, en kon onzen schrijver veel belangrijks over zijn vader en moeder vertellen.Tolstoi heeft de aangenaamste herinneringen aan dit bezoek bewaard, en in den tijd dien hij bij haar doorbracht zijn verhaalDe drie Doodengeschreven.Blijkbaar begon het denkbeeld van den dood hem ernstig te verontrusten, en gelijk steeds het geval was, lag de mogelijke oplossing van dit nieuwe probleem voor hem in deharmonie van het verstand met de natuur. Deze zienswijze afvallen beteekende onuitsprekelijk lijden; haar volgen, daarentegen, altijddurend heil, waarmede ook de angel des doods zou verdwijnen.In Februari keerde hij naar Jasnaja Paljana terug. Daarop ging hij opnieuw naar Moskou en vandaar in Maart voor twee weken naar Petersburg. In April was hij in Jasnaja terug, waar hij den geheelen zomer doorbracht. In deze periode besteedde Tolstoi ook veel tijd aan muziek, en richtte hij zelfs, met medewerking van Botkin, Perfiljeff, Mortje en anderen in Moskou, een muziekgezelschap op. Mevrouw Kirjejeffskaja stelde haar salon beschikbaar voor de concerten. Uit dit gezelschap heeft zich het Moskousche Conservatorium gevormd. In ditzelfde jaar kwam onze schrijver te Moskou in nauwe aanraking met het gezin van den reeds bejaarden S. T. Aksakoff.De lente oefende op Tolstoi eene prikkelende werking uit. Deze opwelling van energie wordt door hem in een’ brief aan zijne tante, gravin A. A. Tolstoi, in dat jaar 1858 geschreven, goed weergegeven:Lente...“Grootmoedertje!7“Heerlijk is het leven hier op aarde voor goede menschen; zelfs voor iemand als ik is het hier goed te zijn. In de natuur, in de lucht, in alles ligt hoop, toekomst, eene verrukkelijke, bekoorlijke toekomst.... Soms dwaalt men, als men denkt dat alleen de natuur eene gelukkige herleving wacht; die vreugde wacht ook ons. In zulk een toestand ben ik thans, en met de mij eigene zelfzucht haast ik mij u over dingen te schrijven, die alleen voor mij van belang zijn.“De invloed der lente op mij is van dien aard, dat ik in mijne overmaat van illusiën mij soms verbeeld eene plant te zijn, die, nu met andere ontloken, bestemd is om rustig en tevreden op de wereld te blijven groeien. Onder deze indrukken en in dit jaargetijde heeft eene verandering, eene loutering, eene omkeering in mij plaats, zooals iemand die deze gewaarwording niet heeft ondervonden, zich niet kan voorstellen. De oude mensch is verdwenen. Alle wereldsche verlangens, alle traagheid, alle zelfzucht, alle ondeugden, alle onzinnige, onklare begrippen, alle medelijden, ja zelfs het berouw, zijn verdwenen, en hebben plaats gemaakt voor eene ongewone bloem, die hare bladeren ontplooit en tegelijk met de lente groeit....”Het slot van dezen langen, interessanten brief, dien wij hier gedeeltelijk aanhalen, luidt:“Vaarwel, beste tante, wees niet boos op mij om de dwaasheden die ik u geschreven heb, en antwoord mij met een verstandig woordje, dat gekruid is met goedheid, met Christelijke goedheid. Ik had er u al lang opmerkzaam op willen maken, dat het voor u gemakkelijker is in het Fransch te schrijven, terwijl ik de gedachten eener vrouw in het Fransch beter begrijp.”8In de lente van dat zelfde jaar kwamen Fet en zijne vrouw, op hunne doorreis van Moskou naar hun landgoed, Tolstoi in Jasnaja Paljana bezoeken.In zijneHerinneringengeeft Fet een verhaal van dit bezoek, en schetst tegelijkertijd op interessante wijze Tolstoi’s tante en opvoedster, Tatjana Alexandrowna Jergalskaja.“Nadat wij eene warme en ruime matten kibitka haddengekocht, waarvoor een paar flinke postpaarden werden gespannen, gingen wij met een kamermeisje (waaraan Tolstoi den verdichten naam Maria gegeven heeft)9naar Mtzensk. Van een’ spoorweg was destijds nog geen sprake, maar van de langs den weg geplaatste telegraafpalen zei het volk, dat men daarover een draad zou spannen en er den wil uit Petersburg langs zou zenden.“Voor dien tijd waren wij al zóó eigen met graaf Tolstoi geworden, dat ik het als een groot verzuim zou hebben beschouwd niet een dagje bij hem op Jasnaja Paljana te gaan uitrusten. Daar werden mijne vrouw en ik voorgesteld aan eene charmante oude dame, Tolstoi’s tante Tatjana Alexandrowna Jergalskaja, die ons met die goede, ouderwetsche vriendelijkheid ontving, welke het verblijf in een vreemd huis zoo aangenaam en aantrekkelijk maakt. Tatjana Alexandrowna verdiepte zich niet in herinneringen aan lang vervlogen tijden, maar leefde geheel met hare tegenwoordige omgeving mee.“Zij vertelde dat eenige dagen te voren Sergius Tolstoi uit Pirogoff bij hen geweest was, dat Nikolaas nog altijd met ‘Marietje’ in Moskou vertoefde, maar dat Leo’s vriend D... er onlangs geweest was, en over de zenuwziekte van zijne vrouw geklaagd had.... In moeilijke quaestiën wendde tante zich altijd tot haar neef Leo, en legde zij zich ten slotte bij zijne meening neder. Op zekeren herfstdag reden beiden eens naar Toela, toen tante, die aandachtig uit het raampje van het rijtuig had gekeken, plotseling de vraag deed:“‘Mon cher Léon, zeg mij eens, hoe schrijft men brieven met de telegraaf?’“‘Toen heb ik,’ verhaalde Tolstoi, ‘mijne tante zoo eenvoudig mogelijk de werking van een telegraaftoestel uitgelegd,’na afloop waarvan zij had uitgeroepen: ‘Oui, oui, je comprends, mon cher.’“Ruim een half uur had tante hare oogen langs den draad laten dwalen, toen zij eindelijk verwonderd zeide:“‘Mon cher Léon, hoe zit dat nu? Een half uur lang heb ik geen enkelen brief langs de telegraaf zien vliegen.’“‘Somtijds,’ zoo verhaalde Tolstoi ons, ‘zit ik hier met tante eene maand lang, zonder bloedverwanten of kennissen te zien, totdat zij opeens, bij het opscheppen van de soep bij voorbeeld, met een opgewekt gezicht uitroept:“‘Mais savez-vous, mon cher Léon, on dit....’”Wij zullen hier het tweede gedeelte van Tolstoi’s herinneringen aanhalen, welke op die merkwaardige vrouw, Tatjana Alexandrowna, die zulk een grooten invloed op onzen schrijver heeft gehad, betrekking hebben.“Als ik aan de herfst- en lange winteravonden denk, gevoel ik dat die avonden vol zoete herinneringen voor mij zijn gebleven. Aan die avonden ben ik mijne beste gedachten, mijne beste gemoedsbewegingen verschuldigd. In een leuningstoel gezeten las ik, dacht, luisterde soms naar de gesprekken mijner tante met Natalie Petrowna of met het altijd goede en vriendelijke kamermeisje Loenetschka, wisselde eenige woorden met haar, en ging dan weer zitten lezen en denken. Die trouwe leuningstoel staat nu nog bij mij, maar is niet meer dezelfde; ook de sofa is veranderd waarop de goede oude Natalie Petrowna sliep, die bij mijne tante inwoonde, niet voor hulp, maar omdat zij geen onderkomen had. Tusschen de vensters, onder den spiegel stond de schrijftafel mijner tante, met potjes en schaaltjes die gevuld waren met zoetigheden, als honigkoeken en dadels, waarop zij mij van tijd tot tijd trakteerde. Bij het venster stonden twee leuningstoelen, en rechts van de deur een geborduurderuststoel, waarop zij gaarne had dat ik des avonds ging zitten.“De groote bekoring van dit leven school in de afwezigheid van alle stoffelijke zorg, in de goede, duurzame verstandhouding tusschen alle personen van het gezin, welke door niets werd gestoord, en in het kalme, onbewuste voorbijgaan van den tijd. Toen had ik kunnen zeggen: ‘Wer darauf sitzt, der ist glücklich, und der glückliche bin ich.’“En werkelijk, ik was naar waarheid gelukkig als ik in dien stoel zat. Na een slecht leven in Toela, met kaartspel, zigeuners, jagen, dwaze pronkzucht en dergelijke, keerde ik huiswaarts en ging naar mijne tante. Volgens oud gebruik kusten wij elkaar de hand—ik hare fraaie, welgevormde, zij mijne onbehouwen, grove hand—en heetten elkander (ook weer volgens oud gebruik) in ’t Fransch welkom. Daarna schertste ik eenige oogenblikken met Natalie Petrowna, en ging in den gemakkelijken stoel zitten. Mijne tante wist alles wat ik gedaan had, had er verdriet van, doch met de haar eigen minzaamheid en liefde verweet zij het mij nooit.“Ik ging op mijn stoel zitten lezen, denken, en luisterde naar hare gesprekken met Natalie Petrowna. Nu eens herdachten zij den ouden tijd of speelden een partijtjepatience, dan weer wezen zij elkaar op voorteekenen of schertsten over het een en ander, en dan lachten de beide oudjes (vooral tante) met een grappig, kinderlijk lachje, dat ik dadelijk onder het lezen hoorde. Ik begon te vertellen dat de vrouw van een mijner kennissen haren man ontrouw was geworden, en zeide dat die man blij moest zijn van haar verlost te wezen. Daarop trok tante, die juist met Natalie er over sprak, dat een dief aan de kaars ‘gasten’ beteekende, plotseling de wenkbrauwen samen en zeide, dat hare overtuiging steeds geweest was, dat de man zoo iets niet mag laten blijken, daar hij dan zijne vrouw geheel in het ongelukstort. Hierna vertelde zij mij een treurig geval onder het dienstpersoneel, dat Loenetschka haar had meegedeeld. Na afloop daarvan las zij een’ brief voor van mijne zuster Maria, die zij evenveel, zoo niet meer, liefhad als mij en sprak over het leed dat haar man, een eigen neef van tante, Maria had aangedaan: welk feit zij niet veroordeelde of gispte, doch betreurde. Eindelijk ging ik weer lezen, terwijl tante, in herinneringen verdiept, hare snuisterijen doorsnuffelde.“Hare voornaamste eigenschap, die onwillekeurig op mij is overgegaan, was hare verwonderlijke, algemeene goedheid jegens allen zonder onderscheid. Trots alle moeite kan ik mij uit mijn geheele leven geen geval herinneren, dat zij boos werd, een hard woord zeide of iemand veroordeelde, hekelde of berispte. Zij sprak goed over mijne andere tante, die haar bitter gegriefd had door ons van haar weg te nemen, en veroordeelde ook den man mijner zuster niet, die zich zeer slecht tegen Maria had gedragen. Zij was grootgebracht in het begrip dat er heeren en dienaren zijn, maar gebruikte hare heerschappij alleen om de menschen te dienen. Nooit heeft zij mij rechtstreeks mijn slecht leven verweten, ofschoon zij er verdriet van heeft gehad. Mijn broeder Sergius, dien zij ook hartelijk liefhad, heeft zij er evenmin een verwijt van gemaakt dat hij omgang hield met een Zigeunermeisje. De eenige zweem van boosheid op hem was, dat zij, als Sergius er in lang niet geweest was, zeide: ‘Waar blijft onze Sergius toch?’ terwijl zij hem anders meer vriendelijk ‘Serjoscha’ noemde. Nooit leerde zij met woorden hoe men leven moest, en zij hield ook niet van zedepreeken. Haar geheele zedelijke arbeid was de verbetering van haar eigen innerlijk; het uiterlijke gaf slechts daden te zien, of liever—want daden waren er niet—een geheel leven van rustige kalmte, zachtmoedigheid en stille, onopgemerkte liefde voor anderen.“Innerlijk verrichtte zij een werk van liefde, en daarom waszij steeds rustig en kalm. Deze beide eigenschappen van liefde en bedaardheid werkten onmerkbaar aanstekelijk op anderen, en gaven aan den omgang met haar eene eigenaardige bekoring.“De omstandigheid dat ik geen enkel geval ken, waarin zij iemand beleedigd heeft, is oorzaak dat ik ook niemand ken, die haar niet mocht lijden. Nooit sprak zij over zich zelve, nooit over godsdienst: hoe men gelooven moest, wat haar eigen geloof was en hoe zij bad. Zij geloofde in waarheid aan alles, maarverwierpalléén het dogma der eeuwige kwellingen, ‘want,’ zeide zij: ‘Dieu, qui est la bonté-même, ne peut pas vouloir nos souffrances.““Behalve bij Te Deum’s en zielmissen heb ik nooit gezien hoe zij bad. Alleen kon ik uit de ongewone minzaamheid, waarmee zij mij somtijds toesprak, als ik haar ’s avonds laat nog iets moest zeggen, nadat ik reeds goeden nacht gewenscht had, opmaken, dat ik de goede ziel bij het bidden gestoord had.“‘Kom binnen, kom binnen,’ placht zij dan te zeggen. ‘Juist heb ik tegen Natalie Pretowna gezegd, dat Nikolaas nog wel bij ons zou komen.’“Dikwijls noemde tante mij bij mijn’ vadersnaam en dat deed mij aangenaam aan, wijl het bewees dat de voorstelling, die zij zich van mijn’ vader en mij gemaakt had, één was wat hare liefde voor beiden betrof. Op dit late uur was tante reeds in nachtoilet. Zij had een doek om hare schouders geslagen en hare kleine voetjes staken in pantoffels. In een dergelijk négligé vertoonde zich ook Natalie Petrowna.“‘Ga zitten, ga zitten,’ zei tante dan, als zij zag dat ik nog geen lust had te gaan slapen, of dat de eenzaamheid mij drukte. De herinnering aan die ongedwongen, late avondbezoeken is mij nog steeds lief.“Dan gebeurde het, dat Natalie Petrowna of ik iets grappigszeiden, zoodat tante begon te lachen, waarmede Natalie Petrowna dadelijk instemde. En de beide oudjes lachten nog lang, soms zonder dat zij wisten waarom. Zij lachten als kinderen, omdat zij iedereen liefhadden en het hun goed was. Het was niet slechts die goedhartige liefde jegens mij, die mij verblijdde, maar ook die sfeer van liefde jegens allen, voor de aanwezigen en de afwezigen, voor de levenden en de afgestorvenen, en zelfs voor de dieren.“Komt de tijd dat ik een overzicht van mijn leven moet geven, dan zal ik meer van haar vertellen. Nu zal ik alleen van de stemming onder het volk—de boeren van Jasnaja Paljana—jegens haar spreken, die zich bij gelegenheid van hare begrafenis uitte. Toen wij tante door het dorp droegen, was er geen enkele van de 60 boerenwoningen, waar de bewoners niet naar buiten kwamen met het verzoek den stoet een oogenblik stil te doen staan en om de gebeden voor de afgestorvenen voor haar te bidden.—‘Zij was eene brave barina10, die niemand kwaad gedaan heeft,’ zeiden allen. En daarom had men haar hartelijk lief. Lao Tsz’ heeft gezegd, dat de waarde der dingen ligt in hetgeen zijnietbezitten. Dit was ook op haar leven van toepassing, waarvan de waarde voornamelijk bestond in de afwezigheid van al wat slecht is. Inderdaad, in het leven van tante Tatjana Alexandrowna lag niets slechts. Dit laat zich zoo gemakkelijk zeggen, maar zoo moeielijk verwezenlijken! Ik heb ook maar één mensch gekend die zóó was!“Kalm is zij gestorven. Allengs sluimerde zij in en stierf, volgens haar wensch, niet in de kamer waar zij gehuisd had, om daar geen treurige herinneringen voor ons achter te laten.“Zij is heengegaan, bijna zonder iemand herkend te hebben. Mij heeft zij tot op het laatste oogenblik gekend, met eenlachje op de lippen, dat haar gelaat deed stralen. Soms bewoog zij de lippen en poogde den naam Nikolaas uit te spreken, mij kort voor haar dood geheel vereenzelvigende met hem dien zij haar leven lang had liefgehad.“En die goede vrouw heb ik nog dat kleine genoegen geweigerd, dat haar de dadels en de chocolade verschaften, welke zij vroeg, minder voor zich zelve, dan om mij te trakteeren; ook heb ik haar de gelegenheid ontnomen nog wat geld te geven aan elk, die er haar om vroeg. Ik kan daar niet aan denken zonder een kwellend verwijt van mijn geweten. Lieve, beste tante, vergeef mij! Hadde ik in mijne jeugd maar het goede gekend, en op mijn ouden dag het goede kunnen doen,—ik bedoel niet het goede, dat ik mij in mijne jeugd heb onthouden, maar het goede dat ik anderen onthield,—dan had ik hun die reeds ten grave zijn gedaald het kwade niet gedaan!”11Ofschoon Tolstoi den zomer van het jaar 1858 niet geheel te Jasnaja Paljana doorbracht, maar voor eene poos naar Moskou ging, stelde hij meer en meer belang in het leven der boeren en deed hij pogingen om hun nader te komen.Fet haalt in zijneHerinneringeneen verhaal aan van Leo’s broeder, dat op dien tijd betrekking heeft en met den fijnen humor, Nikolaas eigen, geschreven is.“Toen wij naar Leo Tolstoi vroegen, vertelde de graaf met zichtbaar welgevallen het volgende van zijn geliefden broeder:“‘Leo,’ zoo sprak hij, ‘tracht zich met ijver aan de landelijke leefwijze en bezigheden te gewennen, waarmee hij, evenals wij allen, tot heden maar oppervlakkig bekend was. Ik weet echter niet, wat er van die pogingen terecht moetkomen. Leo wil alles tegelijk doen, zonder iets van zijn ander werk te laten varen, zelfs de gymnastiek niet. Voor het venster van zijne studeerkamer heeft hij een rekstok laten maken. Natuurlijk heeft hij gelijk, dat hij zich losmaakt van de vooroordeelen, waartegen hij zoo te velde trekt. De gymnastiek zit zijn werkzaamheden niet in den weg, maar de dorpsschout ziet de zaak toch eenigszins anders in.—“Men komt,” zegt hij, “bij den barin om een order te vernemen, maar de barin heeft zijn eene knie om den rekstok geslagen, hangt, in een rood buis, met het hoofd omlaag en zwaait heen en weer; zijne haren hangen neder en zwieren mee, zijn gezicht is bloedrood. Ik geef het iemand te doen om onder die kunsten orders van hem aan te hooren, en hem in ’t gezicht te zien!”’“Leo heeft er schik in, als hij ziet hoe de arbeider Joefan met buitenwaarts gebogen armen aan het ploegen is. Joefan is voor hem het type van een krachtigen boerenarbeider, in den geest van Mikoela Seljaninowitsch. Dan slaat hij zelf de handen aan den ploeg, buigt de armen ook buitenwaarts en doet Joefan na.”12Nadat Tolstoi zich in den zomer met zijn landgoed had bezig gehouden, zien wij dat hij zich ook met maatschappelijke zaken inliet.Tegen den herfst van het jaar 1858 had in Toela eene bijeenkomst plaats van den adel uit het geheele gouvernement, met het doel afgevaardigden te kiezen in het Comité van het Gouvernement Toela tot verbetering van het bestaan der boeren. Op deze vergadering deden 105 edelen, op grond van het verkiezingsreglement voor den adel, hetwelk hun toestaat hunne meening over de plaatselijke nooden enbehoeften van hun gouvernement voor te dragen, den Maarschalk van Toela het volgende voorstel, ten einde het aan het oordeel van het Gouvernements-Comité te onderwerpen:“Zoowel ter verbetering van het bestaan der boeren, als tot waarborg van den eigendom der grondbezitters en tot zekerheid van beide partijen, achten wij, ondergeteekenden, het noodig den boeren niet anders de vrijheid te geven, dan onder toewijzing van eene zekere hoeveelheid land in erfelijk bezit. Voorts, dat de grondbezitters voor het door hen afgestane land volledige en eerlijke schadeloosstelling in geld ontvangen, volgens nader te bepalen financiëelen maatstaf, die geenerlei gedwongen betrekkingen tusschen de boeren en de grondbezitters na zich sleept,—welke betrekkingen de adel noodig acht af te breken.” (Volgen de handteekeningen der 105 Toela’sche edelen, waaronder ook voorkomt die van graaf Leo Tolstoi, grondbezitter in het district Krapifka.)13In December 1858 had Tolstoi op jacht een avontuur, dat hem bijna het leven gekost had. Ziehier wat Fet daarvan verhaalt.14“Gromeka schreef den 15denDecember 1858:“‘Overeenkomstig uw verzoek, haast ik mij u mee te deelen, waarde Afanasius Afanasijewitsch, dat ik dezer dagen, van omstreeks 18 tot 20 dezer, op de berenjacht ga. Zeg aan Tolstoi, dat ik eene berin met twee éénjarige jongen heb gekocht en of, zoo hij lust heeft aan onze jacht deel te nemen, hij zoo goed wil zijn, tegen 18 of 19 dezer rechtstreeks bij mij in Wolotschok te komen. Hij behoeft volstrekt geen plichtplegingen te maken; ik zal hem met open armen ontvangen, en er zal eene kamer voor hem in orde wordengebracht. Indien hij niet komt, verzoek ik u mij tegen dien tijd bericht te willen zenden.Caricatuur van de medewerkers aan den Sawremjennik: Panajeff, Njekrassoff, Grigorowitsch, Toerghenjeff, Ostrowski, Tolstoi.—Blz. 242.Caricatuur van de medewerkers aan denSawremjennik: Panajeff, Njekrassoff, Grigorowitsch, Toerghenjeff, Ostrowski, Tolstoi.—Blz.242.“‘Ik vermoed dat de jacht den 19denzal plaats hebben. Het zal dan het best en zelfs noodig zijn den 18denhier te wezen.“‘Wil Tolstoi de jacht tot den 21stenuitstellen, meld mij dit dan; maar langer kunnen wij niet wachten.’”Om aan deze woorden nog meer kracht bij te zetten, kwam de bekende berendrijver Ostaschkoff Tolstoi bezoeken. Zijne verschijning onder de jagers kan het best vergeleken worden bij het dompelen van een gloeiend ijzer in water. Allen werden opgewonden en luidruchtig. Daar elken jager op de berenjacht de raad gegeven was twee geweren mee te nemen, had Tolstoi mij mijn Duitsch tweeloops-geweer gevraagd, dat voor hagel bestemd was. Op den afgesproken dag begaven onze jagers (Leo zelf, benevens zijn broeder Nikolaas) zich naar het station van den Nikolajeff-spoorweg. Ter wille van de nauwkeurigheid zal ik hier woordelijk weergeven wat ik van Tolstoi zelf, en van de vrienden die hem op de jacht vergezelden, vernomen heb.“Toen de jagers, elk met twee geladen geweren gewapend, langs de open woudvlakte geposteerd waren, die door holle wegen als een schaakbord in vakken verdeeld was, werd hun de raad gegeven, de hooge sneeuw, die hen omringde, in een wijden kring vast te stampen, om zoodoende de meest mogelijke vrijheid van beweging te verkrijgen. Maar Leo, die bijna tot zijn middel in de sneeuw stond, achtte dien maatregel overbodig, omdat het doel toch was den beer te schieten en niet met hem te worstelen. Met dit oogmerk bepaalde de graaf zich er toe zijn geladen geweer tegen den stam van een boom te zetten, om, zoodra hij hieruit twee schoten gelost zou hebben, het weg te werpen en dan mijn Duitsch tweeloops te grijpen.“De reusachtige, door Ostaschkoff uit haar hol opgejaagdeberin liet niet lang op zich wachten, en draafde, langs een der holle wegen die de woudvlakte kruisten, naar de ruimte waar de jagers stonden. Het toeval wilde dat deze holle weg uitkwam op dien, welke het dichtst gelegen was rechts van de plek waar Tolstoi op post stond, zoodat de graaf de nadering der berin niet kon opmerken. Mogelijk had het dier den jager, op wien het toesnelde, al vooraf geroken, althans het stormde eensklaps uit den tegenover liggenden hollen weg, verscheen onverwacht op de vlakte, op zeer korten afstand van Tolstoi, en draafde regelrecht op hem aan. Kalm legde de graaf aan, trok af, doch raakte het dier waarschijnlijk niet, want nog vóór de rook was weggetrokken, zag hij eene reusachtige, donkere massa voor zich, waarop hij bijnaà bout portantlosbrandde. De kogel vloog het dier in den bek en bleef tusschen de tanden steken.“Doordien de graaf verzuimd had de omringende sneeuw vast te treden, kon hij zich niet zijwaarts wenden en evenmin mijn geweer grijpen, daar hij plotseling een hevigen stoot tegen de borst kreeg, die hem ruggelings in de mulle sneeuw deed tuimelen. In volle vaart stormde de berin over hem heen. ‘Nu ben ik verloren,’ dacht de graaf. ‘Ik heb misgeschoten en kan niet voor de derde maal vuur geven.’ Maar op hetzelfde oogenblik zag hij eene donkere massa boven zijn hoofd. Het was de berin, die na haren sprong onmiddellijk rechtsomkeert had gemaakt, en den schedel van den jager, dien zij door een stoot omver had geworpen, trachtte stuk te bijten. Daar Tolstoi weerloos op zijn rug in de diepe sneeuw lag, kon hij slechts passieven weerstand bieden. Het eenige wat hij dan ook deed, was het hoofd zoo diep mogelijk tusschen de schouders te trekken en zijne harige muts voor den muil van het dier te houden. Dank zij deze instinktmatige handeling, beet het dier tweemaal mis en gaf hem slechts een geduchten knauw, doordien het metde boventanden zijne wang onder het linkeroog openscheurde, en met de ondertanden de geheele linkerhelft van de schedelhuid aftrok.“Op dit hachelijke oogenblik snelde Ostaschkoff, die met eene korte ijzeren staaf in de hand voortdurend in de nabijheid was gebleven, met opgeheven armen en onder het gewone geroep van: ‘Scheer je weg! Scheer je weg!’ op de berin toe. Nauwelijks had het dier dien uitroep gehoord, of het pakte in allerijl zijne biezen, om, zooals men denken kan, den volgenden dag toch gegrepen en afgemaakt te worden.“Toen men Tolstoi op de been geholpen en zijn half ontveld en hevig bloedend gezicht behoorlijk verbonden had, waren zijne eerste woorden: ‘Wat zal Fet daar wel van zeggen!’“Ook nu nog ben ik trotsch op deze woorden.”15Toen Tolstoi van dit ongeval eenigszins hersteld was, haastte hij zich zijne tante het voorgevallene mee te deelen.“In de eerste plaats groet ik u hartelijk; ten tweede haast ik mij u zelf van mijn ongeval in kennis te stellen, uit vrees dat u het anders met de noodige bijvoegingen uit den mond van anderen zult hooren.“Nikolaas en ik zijn op de berenjacht geweest. Den 20stenheb ik een’ beer gedood; den 22stenzijn wij nogmaals op weg gegaan en is mij een’ buitengewoon ongeval overkomen. Onverwacht wierp eene berin zich op mij; op zes pas afstands brandde ik mijn geweer los, doch ik miste bij het eerste schot. Bij het tweede trof ik haar doodelijk in den muil; niettemin sprong het dier op mij toe, gaf mij een’ stoot, zoodat ik neertuimelde, en, terwijl de anderen toesnelden, beet het mij tweemaal: eens op het voorhoofd, de tweede maal onder het oog. Gelukkig heeft dit alles slechts 10 of 15 secondengeduurd. De berin ging op de vlucht, en ik werd op de been geholpen, met eene kleine wond, die mij niet mismaakt en zelfs geen pijn veroorzaakt. Noch het schedelbeen, noch het oog zijn beschadigd, zoodat ik er met een klein litteeken op het voorhoofd ben afgekomen. Ik ben op het oogenblik te Moskou en voel mij volmaakt gezond. Ik schrijf u de zuivere waarheid, zonder iets te verbergen, opdat u zich niet ongerust zult maken. Nu is alles voorbij en rest mij nog God te danken, die mij op zoo buitengewone wijze gered heeft.”16Dit avontuur diende Tolstoi als thema voor zijn verhaal:Een jacht die nog erger is dan gevangenschap, dat in deLeesboekjeswerd opgenomen. In dit verhaal staan tal van merkwaardige bijzonderheden, die door Fet zijn weggelaten; maar wijl het in dien vorm zeer moeielijk is het zakelijke gedeelte der vertelling te onderscheiden van wat er door de fantasie is bijgevoegd, hebben wij aan deHerinneringenvan Tolstoi’s vriend en aan zijn eigen brief aan tante Tatjana, die meer aan ons doel beantwoordden, de voorkeur gegeven boven het door hem geschreven verhaal.De eerste maanden van het jaar 1859 bracht Tolstoi in Moskou door; maar in April ging hij naar Petersburg, waar hij tien dagen in gezelschap van zijne vriendin A. A. Tolstaja doorbracht. Van deze reis zijn hem de aangenaamste herinneringen bijgebleven.Op het einde van April ging hij weer naar Jasnaja Paljana, waar hij den geheelen zomer bleef.Gedurende dien zomer bezocht Tolstoi Toerghenjeff op zijne villa Spasskoje.Hoewel beide mannen elkander steeds met wederzijdsche achting behandelden, was de verhouding toch nog steeds koel.Niettemin had dit bezoek een gunstig en aangenaam verloop. Op 9 October van hetzelfde jaar liet Toerghenjeff in een brief aan Fet zich aldus uit:“Onze dames zenden u hare beste groeten. Van Tolstoi heb ik een aangenaam bezoek gehad, en vriendschappelijk zijn wij gescheiden. Mij dunkt dat er tusschen ons geen misverstand kan bestaan, daar wij elkander duidelijk begrijpen en inzien, dat een intiem samengaan voor ons onmogelijk is. Wij zijn van te verschillende klei gemaakt.”In Augustus reisde Tolstoi andermaal naar Moskou, waar hij den herfst doorbracht.Het jaar 1860 ging hij in onrustige stemming tegemoet.Het beheer van het goed, de druk van het eenzelvige leven, allerlei twijfel en pessimistische gevoelens bestormden zijn gemoed.Niettemin vond hij in den winter van 1859 op 1860 uitspanning en opbeuring in zijne scholen. InBiechtschrijft hij over dien tijd het volgende.“Na mijn’ terugkeer uit het buitenland vestigde ik mij op het land en kwam op het denkbeeld mij met de boerenscholen bezig te houden. Deze taak was bijzonder naar mijn’ zin, wijl er niet dat leugenachtige in lag opgesloten, dat mij duidelijk was geworden en reeds bij het letterkundig onderwijs mijne aandacht had getrokken. Ook hier werkte ik in naam van denvooruitgang, maar nam tegenover dezen reeds het standpunt van den kritikus in. Ik zeide tot mijzelf, dat devooruitgangin enkele gevallen verkeerde resultaten had opgeleverd, en dat men zich eigenlijk tot de allereenvoudigste lieden, tot de boerenkinderen moet wenden en het geheel aan hunne vrije keus overlaten den weg van vooruitgang te kiezen, dien zij wenschen. In werkelijkheid draaide ik steeds om dezelfde onoplosbare quaestie heen, hierin bestaande,dat ik niet wist wat ik onderwees. In de hoogere sferen van letterkundigen arbeid had ik begrepen, dat men niet onderwijzen kan, zoo men niet weet wat men onderwijst, omdat ik gezien had, dat allen verschillend onderwijzen en bij hunne onderlinge twisten hunne onwetendheid voor zich zelven verbergen. Hier, in het geval van de boerenkinderen, dacht ik dat deze moeilijkheid te vermijden zou zijn, door aan de kinderen over te laten te leeren wat zij wilden. Nu vind ik het komisch, als ik er aan denk welke kunstgrepen ik gebruikt heb om mijn wensch—het onderwijzen—te vervullen, ofschoon ik in den grond van mijn hart overtuigd was, dat ik niet kon onderwijzen wat noodig was, daar ik niet wist wat ik daaronder moest verstaan.”Dit bestendige gevoel van ontevredenheid over zich zelf, dit zoeken naar de reden van het bestaan, was steeds de werkende kracht, welke hem onweerstaanbaar voortdreef op den weg van zedelijken vooruitgang.In Februari 1859 werd Tolstoi gekozen als lid van hetMoskousche Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde.Den 4denFebruari 1859 had, onder praesidium van A. S. Chomjakoff, eene vergadering van dit genootschap plaats, waarop van de nieuw gekozen leden ook graaf Tolstoi tegenwoordig was, die, volgens de gebruiken van dit Genootschap, eene intreêrede hield, waarin hij, zooals in het protocol van het Genootschap gezegd wordt, “de quaestie besprak van de voorkeur van het bellettristisch element in de letterkunde boven al hare andere richtingen.” Tot ons leedwezen hebben wij deze redevoering niet onder de oogen kunnen krijgen. In de verslagen van het genootschap luidt het, dat aanvankelijk besloten was deze redevoering in de werken van het genootschap af te drukken; doch later besloot men, aangeziende uitgaaf van deze werken niet plaats vond, de redevoering aan den schrijver terug te zenden, bij wien zij vermoedelijk onder oude papieren verloren is geraakt.Wij kunnen ons eenige voorstelling van die redevoering maken, zoo wij de loffelijke toespraak lezen, waarmede A. S. Chomjakoff haar beantwoordde en die wij hier in haar geheel laten volgen.“HetMoskousche Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde, dat u, Graaf Leo Tolstoi, onder het getal zijner werkzame leden heeft opgenomen, heet u met blijdschap welkom als medewerker op het gebied der zuivere bellettrie. Deze zuiver litteraire richting verdedigt gij in uwe redevoering, en stelt haar hoog boven alle andere tijdelijke en toevallige richtingen van letterkundigen arbeid. Zonderling zou het zijn, indien het Genootschap daarin niet met u sympathiseerde. Veroorloof mij, intusschen, te zeggen, dat de billijkheid der meening, welke door u met zooveel talent is uitgesproken, geenszins de rechten van het tijdelijke en toevallige op het gebied der taal te niet doet. Datgene wat altijd schoon en onveranderlijk is, als de grondwetten der ziel zelve, neemt, en moet ongetwijfeld innemen, de eerste plaats in de gedachten, de drijfveeren en dus ook in het gesproken woord der menschen. Dit en alléén dit wordt van geslacht op geslacht, van het eene volk op het andere overgedragen, als een kostbaar erfdeel dat steeds vermeerdert en nooit in vergetelheid geraakt.“Maar aan den anderen kant bestaat er, zooals ik reeds de eer had te zeggen, in de natuur van den mensch, zoowel als in die der maatschappij, eene duurzame behoefte aan overtuiging. De geschiedenis wijst op tal van belangrijke momenten, waarin die overtuiging bijzondere, onomstootelijke rechten verkrijgt en niet meerdere juistheid en scherpte in de maatschappelijke taal doordringt. Het toevallige en het tijdelijke in denhistorischen gang van het volksleven krijgt de beteekenis van het algemeene, het universeel menschelijke, omdat alle geslachten, alle volken de ziekelijke verzuchtingen en bekentenissen van een of ander geslacht of volk kunnen begrijpen en dat ook werkelijk doen. De rechten der bellettrie, die dienares van eeuwige schoonheid, vernietigen niet de rechten der overtuigende of bewijsvoerende letterkunde, welke steeds de maatschappelijke onvolmaaktheid vergezelt en soms heilzaam blijkt voor de maatschappelijke wonden. In de onverstoorde waarheid en harmonie der ziel ligt een oneindige schoonheid; maar ook in de boete, in het berouw, dat de waarheid hooghoudt en den mensch of de maatschappij naar zedelijke volmaaktheid drijft, ligt ware, verhevene schoonheid.“Sta mij toe hier bij te voegen, dat ik de meening van den, naar het mij voorkomt, eenzijdigen Duitschen aestheticus niet kan deelen. Wel is de kunst, de bellettrie, geheel vrij en vindt zij rechtvaardiging en doel in zich zelve, maar de vrijheid der kunst, als abstract begrip, staat in geenerlei betrekking tot het innerlijke leven van den kunstenaar. De kunstenaar is geen theorie, geen gebied van gedachten en gedachtenarbeid: hij is een mensch, steeds een mensch van zijn tijd, gewoonlijk de beste vertegenwoordiger er van, die hem met zijn’ geest en met zijne rijpe of ontluikende neigingen doordringt. Wegens zijne ontvankelijkheid voor indrukken, zonder welke hij geen kunstenaar zou kunnen zijn, neemt hij—meer dan andere menschen—alle ziekelijke en ook blijmoedige aandoeningen der maatschappij waarin hij geboren is, in zich op. Doordien hij zich steeds aan het ware en schoone wijdt, weerspiegelt hij onwillekeurig door een woord, door den zin eener gedachte of voorstelling het actueele in zijn mengsel van waarheid, die eene reine ziel verblijdt, en van leugen, die de harmonische rust der ziel verstoort.“Zoo vloeien de twee gebieden, de twee afdeelingen derletterkunde, waarvan wij spraken, ineen; zoo wordt een schrijver, een dienaar van de zuivere kunst, somtijds bewijsvoerder, zonder dat hij het zelf weet, zonder zijn eigen wil en soms ook tegen zijn’ wil. Ik neem de vrijheid u zelf, graaf Tolstoi, als voorbeeld te nemen. Gij volgt getrouw en standvastig een bewusten en bepaalden weg; maar zijt gij wel zoo geheel vreemd aan die richting, welke met den naam van overtuigende of bewijsvoerende letterkunde bestempeld wordt? Hebt gij niet eens in uw leven in het beeld van een teringachtigen boer, die te midden van een aantal kameraden, blijkbaar onverschillig voor zijn lijden, op zijne kachel sterft, de eene of andere maatschappelijke ziekte, de eene of andere ondeugd aangewezen? Hebt gij, bij het beschrijven van dien dood, geen leed gehad over die harde gevoelloosheid van goede, maar niet ontwaakte menschenzielen?... Ja—ook gij waart en zult onwillekeurig zijn: bewijsvoerder, beschuldiger! Ga met God op den wonderschoonen weg voort, dien gij u hebt gekozen. Ga voort met hetzelfde gunstige gevolg, waarmee ge tot heden bekroond zijt geworden,—of met nog glansrijker, want uwe gave is niet van voorbijgaanden aard, en niet spoedig uitgeput. Maar geloof vrij, dat in de letterkunde het eeuwige en artistieke steeds het tijdelijke en vergankelijke in zich opneemt, het vervormt en veredelt, en dat alle verschillende loten der menschelijke taal zonder ophouden samengroeien tot een enkel harmonisch geheel.”Chomjakoff’s voorspelling werd verwezenlijkt. Zonder nog te spreken van de beschuldigende elementen in alle geschriften der eerste periode, kwam Tolstoi 20 jaren later met zijneBiechten daarna met de aanwijzing van het kwade der tegenwoordige maatschappij voor den dag. En aan deze taak heeft hij zijne machtige kunstenaarsgaven gewijd.1Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff.2Uit de Papieren van Droezjinin. Petersburg, 1884.3De eerste van deze twee brieven aan zijne tante was geheel, de tweede gedeeltelijk in het Fransch geschreven.4Deze brief was in ’t Fransch geschreven.5A. Fet.Mijne Herinneringen1848–1889.6A. Fet,Mijne Herinneringen1848–1889.7Tolstoi noemde zijne tante, de onlangs overleden gravin A. A. Tolstaja, schertsenderwijze “Grootmoedertje”.8Iw. Zacharjin (Jakoenin). Herinneringen aan gravin A. A. Tolstoi.Europeesche Bode, Jan. 1904.9Zie zijnFamiliegeluk.10Barina is de vrouwelijke vorm van barin = heer.11Uit de gedenkschriften van Tolstoi.12A. Fet,Mijne Herinneringen, Blz. 237.13Sawremjennik1858, Deel 72, Bladz. 300.14In Fet’sHerinneringenis dit avontuur abusievelijk opgegeven als in Januari 1858 te hebben plaats gehad.15A. Fet,Mijne Herinneringen.16in het handschrift in het Fransch.
Elfde hoofdstuk.Eerste buitenlandsche reis. Het leven te Moskou. Berenjacht.Den 29stenJanuari uit Moskou vertrokken, ging Tolstoi per postdiligence naar Warschau, en van Warschau per spoor naar Parijs, waar hij 21 Februari (nieuwe stijl) aankwam.Hier werd hij opgewacht door Toerghenjeff, die 23 Januari reeds aan Droezjinin geschreven had:“Tolstoi schrijft mij, dat hij aanstalten maakt om hierheen te komen, en in de lente van hier naar Italië te gaan; zeg hem, dat hij zich haaste, indien hij mij treffen wil. Overigens zal ik hem zelf schrijven. Uit zijne brieven zie ik, dat er zeer heilzame veranderingen in hem hebben plaatsgegrepen, en ik verheug mij daarover ‘evenals eene oude kindermeid.’ Ik heb zijn verhaalEen Morgen van een’ Landheergelezen, dat mij om zijne oprechtheid en bijna volkomen vrije beschouwingswijze uitstekend bevallen is. Ik zeg ‘bijna’, omdat in den vorm waarin hij zich de vraag gesteld heeft (wellicht zonder dat hij het zelf weet), nog eenig vooroordeel opgesloten ligt. De voornaamste indruk van dit verhaal (ik spreek niet van den indruk dien het als letterkundig product maakt) bestaat hierin dat, zoolang de lijfeigenschap bestaan zal, er geen mogelijkheid is op wederzijdsche toenadering en verstandhouding, ook al was men op de onbaatzuchtigste en eerlijkste manier daartoe bereid. En deze indruk is goed enjuist. Maar behalve dezen krijgt men nog een tweeden, zijdelingschen indruk, namelijk dat het beschaven van den boer, het verbeteren van zijn bestaan in ’t algemeen tot niets leidt. En deze indruk is onaangenaam. Het meesterschap over de taal in deze vertelling is echter bijzonder groot.”1Kort na zijne ontmoeting met Tolstoi, schrijft Toerghenjeff aan Polonski:“Tolstoi is hier. Er heeft eene verandering ten goede en van zeer groote beteekenis met hem plaats gevonden. Deze man zal het ver brengen en een diep spoor nalaten.”In een brief aan Kalbasin, gedateerd Parijs 8 Maart, zegt Toerghenjeff:“Ik zie Tolstoi hier dikwijls, en ontving van Njekrassoff dezer dagen een brief uit Rome.“Met Tolstoi zal ik toch op den duur niet samen kunnen gaan; onze opvattingen loopen te zeer uiteen.”1Ziehier eene uitspraak van Tolstoi uit denzelfden tijd over Toerghenjeff en diens vriendin, Madame Viardot, welke uitspraak door Botkin in een’ brief van 8 Maart 1857 aan Droezjinin vermeld wordt:... Tolstoi schrijft over zijn bezoek aan hem het volgende:“Beiden dwalen, om zoo te zeggen, in het duister rond, zijn verdrietig, beklagen zich over het leven, voeren niets uit, en schijnen elk voor zich onder den last hunner wederzijdsche verhouding gebukt te gaan. Toerghenjeff schrijft dat Njekrassoff plotseling aanstalten heeft gemaakt om op nieuw naar Rome te gaan. De brief van Tolstoi beslaat in ’t geheel slechts ééne bladzijde, maar is vol moed en opgewektheid. Duitschland heeft hem zeer veel belang ingeboezemd,en later wil hij het meer van nabij leeren kennen. Over eene maand gaat hij naar Rome.”2Uit deze geheele correspondentie blijkt, dat de verhouding tusschen Tolstoi en Toerghenjeff altijd van onzekeren aard is geweest; ondanks alle pogingen, zijn zij nooit intiem met elkander kunnen worden.In de maand Maart deden Tolstoi en Toerghenjeff een uitstapje naar Dijon, waar zij eenige dagen doorbrachten. In dien tijd schreef Tolstoi zijn verhaal over den muzikus Albert. Daarna keerden beiden naar Parijs terug, waar Tolstoi, gelijk hij in zijnBiechtverhaalt, eene doodstraf zag voltrekken, hetgeen een onuitwischbaren indruk op hem maakte. In zijn dagboek beschrijft hij dien indruk in korte trekken aldus:6 Februari 1857. “Ik stond te 7 uren in den morgen op en ging naar eene executie kijken. Een dikke, blanke, gezonde hals en borst, een mond die het Evangelie kuste—en toen de dood. Hoe onzinnig! De indruk was diep. Ik ben geen politikus. Moraal en kunst. Ik weet, ik heb lief en ik kan.... De guillotine heeft mij langen tijd uit den slaap gehouden en tot nadenken gebracht.”Ziehier wat hij daarover inBiechtschrijft:“Gedurende mijn verblijf te Parijs heeft het zien van de doodstraf mij de onstandvastigheid van mijn bijgeloof aan denVooruitganggeopenbaard. Toen ik het hoofd van den romp zag scheiden en in een kist hoorde ploffen, begreep ik—niet met het verstand, doch met mijn geheele wezen—dat geen enkele gezonde, beredeneerde theorie van werkelijkenvooruitgangzulk eene handeling kon rechtvaardigen. Ook al hadden alle menschen ter wereld, van de schepping af tot heden, volgens welke theorie dan ook gevonden, dat zoo iets noodig was, weet ik toch dat hetnietnoodig, dathet slecht is, en dat mijn hart, juister dan de menschen en juister dan devooruitgang, oordeelt dat het dwaling is.”De reis naar Rome stelde Tolstoi tot den herfst uit; maar in de lente ging hij uit Parijs rechtstreeks naar Genève, vanwaar hij zijne tante onder anderen schrijft:“Ik heb anderhalve maand te Parijs doorgebracht, en wel zoo aangenaam, dat ik dagelijks tot mij zelven gezegd heb goed gedaan te hebben door in den vreemde te gaan. In gezelschappen en in de letterkundige wereld ben ik weinig geweest; ook cafés en publieke bals heb ik niet dikwijls bezocht; maar desondanks heb ik hier zooveel nieuwe en voor mij interessante dingen leeren kennen, dat ik elken dag bij het naar bed gaan tot mij zelven zei: hoe jammer dat de dag zoo schielijk voorbijgaat; ik heb zelfs geen tijd gehad tot werken, zooals ik van plan was.“De arme Toerghenjeff is physiek zeer ziek, en zedelijk nog meer. Zijne ongelukkigeliaisonmet Madame Viardot en hare dochter houdt hem terug in een klimaat dat schadelijk voor hem is. Het is treurig om aan te zien. Ik had nooit gedacht dat hij zóó kon liefhebben.”Uit Génève deed Tolstoi een uitstapje naar Piémont, in gezelschap van Botkin en Droezjinin, die er ook gekomen waren, en bleef toen eenigen tijd aan het meer van Genève, te Clarens, vanwaar hij zijne tante een opgeruimden brief schreef:“Clarens, 18 Mei 1857.“Ik heb uw’ brief ontvangen, beste tante, die mij, zooals u uit mijn laatsten brief gebleken zal zijn, in de omstreken van Genève bereikt heeft—in hetzelfde dorp Clarens, waar de Julie van Rousseau gewoond heeft.... Ik zal niet trachten u de schoonheid van dit land te schilderen, vooral nu alles in blad en bloem staat; alleen wil ik u zeggen, dat hetletterlijk onmogelijk is om van dit meer en deze oevers te scheiden, en dat ik het grootste deel van mijn’ tijd met zien en bewonderen doorbreng, hetzij ik wandel of eenvoudig voor het venster van mijne kamer zit. Voortdurend wensch ik mij geluk, dat ik op het denkbeeld kwam Parijs te verlaten en hier de lente te gaan doorbrengen, hoewel ik daardoor van uw’ kant het verwijt verdiend heb onstandvastig te zijn. Waarlijk, ik ben gelukkig en begin de voordeelen te gevoelen van met een helm te zijn geboren.“Er is hier een charmant gezelschap Russen, waartoe de Poeschtschin’s, de Karamzin’s en de Meschtscherski’s behooren, die mij allen (de hemel weet waarom!) mogen lijden. Ik gevoel dit; in de maand die ik hier heb doorgebracht bevalt het mij zoo goed en heb ik het zoo naar mijn zin, dat ik met leedwezen aan mijn vertrek denk.”3Behalve deze vrienden woonde toen in den omtrek van Genève, aan den oever van het meer, in het plaatsje Beaucage eene vriendin van Tolstoi, met name Alexandra Andrejewna Tolstoi, hofdame bij de grootvorstin Maria Nikolajewna, die daar een zoon van graaf Stroganoff ter wereld had gebracht. Het bezoeken van deze dames verschafte Tolstoi zeer veel genoegen.Nadat hij omstreeks twee maanden in Clarens had doorgebracht, besloot hij zijne reis te voet voort te zetten. Hij had daar met eene Russische familie kennis gemaakt, waartoe een jongen van omtrent 10 jaar, Sascha, behoorde, dien hij uitnoodigde om mee het gebergte in te gaan. Aanvankelijk was hun doel om over den Col de Jaman Freiburg te bereiken; maar toen zij dezen pas waren overgetrokken, veranderdenzij van besluit en sloegen den weg naar Chateau d’Oex in, vanwaar zij per post-diligence naar Thun reden.In de onuitgegeven manuscripten van Tolstoi zijn reis-aanteekeningen van dezen tocht bewaard gebleven. Daaraan ontleenen wij eenige beschrijvingen van Zwitsersche natuurtafereelen.Eerst voer Tolstoi per stoomboot van Clarens naar Montreux.“15/27 Mei 1857.“Het weder was helder. Het hemelsblauwe Meer van Genève, met zijne witte en zwarte stippen van zeilen en booten, lag daar blinkend aan drie zijden voor ons. RondomGenèveen ver weg over het blauwe meer hing eene trillende, donkere, warme lucht; op den tegenoverliggenden oever verhieven zich de steile bergen van Savoye met hunne witte huisjes aan den voet, en eene gespleten rots, die de gedaante had eener reusachtige witte vrouw in een oud gewaad. Links, juist boven eene reeks van aangrenzende geel-roode wijngaarden, zag men, in een donkergroen bosch van oofttuinen, Montreux met zijne bevallige kerk, die aan de zachte glooiing van den berg hing. Aan den oever lag Ville Neuve met zijn krans van huizen, die helder in de middagzon blonken, de geheimzinnige kloof Salais, met de op elkander gestapelde bergen; het witte, ongastvrije Chillon, vlak boven het water, en het veelbezongen eilandje, dat droomerig maar toch schilderachtig tegenover Ville Neuve verrijst. Het meer rimpelde, de zon straalde recht boven zijne hemelsblauwe oppervlakte, en de over het meer verspreide zeilen lagen roerloos stil.“Verwonderlijk! Ik had twee maanden in Clarens doorgebracht, maar telkens als ik des morgens, of in ’t bijzonder bij het vallen van den avond, na het eten, de blinden van het venster opende, waarover reeds eene schaduw gleed, en mijn’ blik liet glijden over het meer met de blauwe bergenin ’t verschiet, die er zich in spiegelden, dan verblindde mij die schoonheid en was ik plotseling onder den indruk harer verbijsterende macht. Eensklaps ontwaakte dan in mij eene zucht naar liefde, ja, ik gevoelde liefde voor mij zelven, betreurde het verleden, hoopte op de toekomst en begroette het leven met vreugde, wenschte lang, zeer lang te leven, en beschouwde het denkbeeld van den dood als eene kinderachtige, dichterlijke vrees. Somtijds, als ik, alleen in het belommerde tuintje gezeten, onafgebroken naar die oevers en dat meer staarde, gevoelde ik zelfs een zekeren physieken indruk, alsof die machtige schoonheid door het oog zich in mijne ziel uitstortte.”Het volgende verplaatst ons in de bergen:”...Boven ons zongen woudvogels, die zich niet boven het meer, de dennenbosschen en de bewoonde streken laten hooren. Onze tocht was zoo verrukkelijk, dat het ons speet slechts kort te kunnen toeven. Plotseling woei ons een ongewoon heerlijke, een echte lentegeur tegemoet. Sascha snelde het bosch in en plukte kersebloemens af, doch deze gaven bijna geen geur. Aan weerszijden zag men groene boomen en struiken zonder bloemen. De zachte, welriekende geur werd al sterker en sterker. Nadat wij een honderd schreden geloopen hadden, opende zich het struikgewas aan de rechterhand en vertoonde zich eene uitgestrekte, glooiende, lichtgroene vlakte, met eenige hier en daar verspreide huisjes, voor onze oogen.“Sascha snelde het veld in, plukte met beide handen witte narcissen en bracht mij een kolossalen ruiker, die een onverdragelijken geur verspreidde. Maar dit was den knaap nog niet genoeg: met de vernielzucht, kinderen eigen, draafde hij nogmaals het veld in, en trok een aantal prachtige, jonge zonnebloemen af, die bijzonder naar zijn’ zin waren....”In Les Avants bleven zij overnachten. Na de bestijging van een’ berg, schrijft Tolstoi de volgende gedachten neer:“16/28 Mei 1857.“Terecht had men mij gezegd dat, hoe hooger men komt in ’t gebergte, hoe gemakkelijker het loopen wordt.Wij hadden reeds een uur geloopen en voelden geen van tweeën het gewicht onzer rug-zakken, zelfs geen vermoeienis. Ofschoon wij nog geen zon zagen, wierp zij toch hare stralen rakelings over eenige rotsen en pijnboomen aan den horizon, op de hoogten tegenover ons. Omlaag hoorde men het doffe bruisen der bergstroomen; rondom ons vloeide slechts wat sneeuwwater, en bij eene kromming van den weg zagen wij op nieuw het meer met Valès op ontzettende diepte voor ons liggen. Aan den voet der Savooische bergen was het water geheel blauw, evenals het meer, maar donkerder; doch verder op, waar het door de zon beschenen werd, had het een volmaakt lichtroode tint. De besneeuwde bergen werden talrijker; zij schenen hooger en meer afwisselend in vorm. De zeilen en booten lieten zich als nauw merkbare stippen op het meer zien. Het was mooi, zelfs verrassend mooi, maar niet wat ik natuurschoon noem.“....Ik houd niet van die zoogenaamde grootsche en merkwaardige gezichten, die voor mij iets kouds hebben. Wat ik liefheb is de natuur als zij mij aan alle kanten omgeeft en zich daarna ontrolt in een eindeloos verschiet. Ik heb haar lief als mij aan alle zijden eene warme lucht omringt, en die lucht al golvend zich uitstrekt in de onbegrensde verte; als dezelfde sappige grashalmen, die ik druk wanneer ik er op zit, de onafzienbare weiden met een kleed van groen bedekken; als dezelfde bladeren, die, door den wind bewogen, hunne schaduw over mijn aangezicht laten glijden, den donkergroenen omtrek van een ver afzijnd woud verraden;als dezelfde lucht, die mij doet ademen, het donkerblauwe gewelf van den oneindigen hemel vormt; als ik niet de eenige ben die jubelt en zich verblijdt in de natuur; als duizenden insecten rondom mij gonzen en zwermen, het vee in troepjes dartelt, en overal in ’t rond de vogels zingen....“Hier stond ik voor eene naakte, koude, ledige, grauwe vlakte, met geen ander tooisel dan de krippen zoom van het verschiet. Maar dit alles lag zoo ver, dat ik het ware natuurgenot niet smaakte, dat ik mij geen deel gevoelde van dit gansche grenzenlooze en overschoone tafereel. Ik behoorde niet tot dat verschiet....”Zijne reis voortzettende, kwam Tolstoi in Lucern, vanwaar hij zijne tante het volgende schrijft:“Lucern, 6 Juli 1857.“Ik meen u geschreven te hebben, beste tante, dat ik uit Clarens vertrokken ben met het doel om eene vrij groote reis te ondernemen door het noorden van Zwitserland, langs den Rijn, en verder door Holland naar Engeland. Van daar denk ik op nieuw naar Frankrijk en Parijs te gaan, om dan in de maand Augustus eenigen tijd in Rome en Napels door te brengen. Indien ik tegen zeereizen bestand ben, hetgeen blijken zal wanneer ik van den Haag naar Londen ga, denk ik over de Middellandsche Zee, Konstantinopel, de Zwarte Zee en Odessa terug te keeren. Maar dit zijn slechts plannen, die ik wegens mijne wispelturigheid, welke u mij terecht verwijt, beste tante, misschien niet zal verwezenlijken. Ik ben te Lucern aangekomen. Dit is eene stad in het noorden van Zwitserland, niet ver van den Rijn; ik heb mijne reis wat vertraagd, om eenige dagen in dit bekoorlijke stadje door te brengen. Ik ben weer geheel alleen, en wil u wel bekennen, dat de eenzaamheid mij zeer dikwijlsbezwaart; want bij de kennissen, die men in hôtels en onder weg in den trein maakt, moet men zijne toevlucht niet gaan zoeken. Deze afzondering heeft echter ook de goede zijde, dat zij mij tot den arbeid drijft. Ik werk een weinig, maar het gaat slecht, zooals des zomers meest het geval is...”4Gedurende Tolstoi’s verblijf te Lucern viel er iets voor, dat door hem in deGedenkschriften van prins Nechljoedoffverteld wordt. Dit verhaal staat met het jaartal ’57 gemerkt, en moet dus op deze reis betrekking hebben.In deze episode wisselt, naar men weet, de schoone beschrijving der Zwitsersche natuur af met eene uiting van misnoegen over het bederven van de natuur-harmonie ten believe van rijke toeristen, meerendeels Engelschen.De tegenstelling tusschen de doodscheconvenanceaan de table d’hôte en de wilde, maar boeiende, levendige schoonheid van het meer treft den schrijver. En dit gevoel wordt sterker, als hij een’ straatzanger hoort, die zijn lied met de gitaar begeleidt. Dit lied trok als met een’ tooverslag mijne geheele aandacht, en stemde mijne ziel in een’ toon van onuitsprekelijke harmonie.Alle verwarde, onwillekeurige indrukken des levens kregen plotseling voor mij beteekenis en bekoring. In mijn gemoed ontlook als ’t ware eene frissche, welriekende bloem, en de mij tot op dit oogenblik neerdrukkende vermoeienis, verstrooidheid en onverschilligheid werden als weggevaagd en maakten plaats voor een’ drang naar liefde, voor eene hoopvolle stemming en voor eene niet te verklaren levensvreugde. En het was mij of eene innerlijke stem mij zeide: “Wat kan men nog wenschen, wat nog verlangen? Hier is zij, de schoonheid, de poëzie, die u aan alle kanten omringt. Dat wij haarinademen met ruime, volle teugen, haar genieten met al onze krachten! Wat behoeven wij nog meer? Al die zaligheid is ons!...”En andermaal omfloersen de doodsche, vormelijke Engelschen die wondervolle bloem der poëzie met een zwarten sluier....De zanger had zijn lied geëindigd, nam zijn hoed in de hand en hield dien voor de vensters van het rijke hôtel, waarvan het balkon met een drom van elegant gekleede toehoorders gevuld was. Doch niemand gaf hem iets....Door de steenen gevoelloosheid van deze lieden getroffen, snelt Tolstoi naar den muzikant en noodigt hem uit in het hôtel eene flesch wijn te komen drinken. Zijne tartende houding gaf aanstoot, maar dat wil hij juist; hij wil de zelfgenoegzaamheid der rijken kwetsen, wil zijn misnoegen over hunne gevoelloosheid laten blijken. Men liet het voorval bijna onopgemerkt voorbijgaan, maar in den schrijver blijft een gevoel van bitterheid over het onrecht dier menschen en hunne onvatbaarheid om het hoogere geluk te begrijpen, even eenvoudig als menschelijk, en het harmonisch verband daarvan met de natuur. In die stemming spreekt hij de toeschouwers met de volgende overredende woorden toe:“Gij, kinderen van een vrij, humaan volk, gij Christenen—gijmenschen! waarom hebt gij het weldadige genot, dat u een ongelukkig smeekend man verschafte, met koelheid en spot beantwoord? Maar neen... in uw vaderland zijn toevluchtshuizen voor armen. Er moesten ook geen armen zijn, er moest geen gevoel van medelijden zijn, waarop de armoede steunt! Doch deze man heeft zich moeite gegeven om u genoegen te doen, heeft u gebeden hem iets van uw’ overvloed te geven voor zijn werk, waarvan gij genoten hebt. En van uwe hooge praalvertrekken zaagt gij hem aan met een kouden glimlach, als ware hij een curiositeit; en onderu honderden gelukkigen en rijken was niet één persoon te vinden, die hem iets toewierp voor zijne moeite! Beschaamd is hij toen heengegaan, gevolgd door de domme menigte, die nietumaarhemuitjouwde, omdatgijhardvochtig, koud en gewetenloos zijt. Men heefthemgehoond, omdatgijhem het genot hebt ontstolen, dat hij u verschafte!“Den 7denJuli 1857 zong te Lucern voor het hôtel Schweizerhof, waarin de rijkste lieden logeeren, een reizend liedjeszanger een half uur lang liederen, en speelde daarbij op de gitaar. Omtrent tweehonderd personen hoorden hem aan. De zanger smeekte allen tot driemaal toe hem iets te geven. Maar geen van deze lieden gaf hem iets en velen lachten hem uit.“Dit is geen verzinsel, doch een beslist feit, dat elk die wil bij de tegenwoordige gasten van hetSchweizerhofkan onderzoeken, terwijl men uit de dagbladen kan te weten komen wie de vreemdelingen waren, die er den 7denJuli logeerden.“Ziedaar eene gebeurtenis, welke de geschiedschrijvers van onzen tijd met vlammende, onuitwischbare letteren moesten opteekenen!”En aan zijne borst ontsnapt een kreet van verbazing over het onbegrijpelijke in dien heelen chaotischen samenhang van feiten, voortvloeiende uit de menschelijke verhoudingen met hunne oppervlakkige gevoelens, gesteld tegenover de machtige natuur met hare harmonische grootheid. In pathetischen, dichterlijken vorm drukt de schrijver zijne gemoedsstemming uit en eindigt het verhaal aldus:“Een ongelukkig, deerniswaardig schepsel is de mensch met zijne behoefte aan nauwkeurige definities, en dobberend op die steeds bewogen, grenzenlooze zee van goed en kwaad, van feiten, beschouwingen en tegenstrijdigheden. Sinds eeuwen kwellen en spannen de menschen zich in, om het goede aan den eenen, het kwade aan den anderen kant te schuiven.Eeuwen zullen voorbijgaan, doch waar en wat het onpartijdige verstand ook legge in de weegschaal van het goede en kwade, de balans zal niet doorslaan en aan elken kant evenveel goed als kwaad bevatten. Dat de mensch toch eens leere niet zoo spoedig en beslist te oordeelen en te denken; mocht hij eens leeren geen antwoord te geven op vragen, welke hem alleen gegeven zijn om altijd vragen te blijven! Begreep hij maar, dat elke gedachte tegelijk valsch en juist is. Valsch is zij om hare eenzijdigheid en doordien de mensch in de onmogelijkheid is om de geheele waarheid te begrijpen; en juist, omdat elke gedachte uiting geeft aan ééne zijde van het menschelijk streven.“Dien steeds bewogen, grenzenloozen, eeuwig wisselenden chaos van goed en kwaad heeft de mensch in afdeelingen gesplitst; hij heeft denkbeeldige lijnen over die zee getrokken en wacht of ook de zee zich zal verdeelen. Alsof er van een ander standpunt, op een ander vlak, geen millioenen andere verdeelingen te maken zijn! ’t Is waar: het zijn de eeuwen welke die nieuwe verdeelingen maken; maar ook de eeuwen zijn bij millioenen voorbij gegaan, en andere zullen volgen!“Beschaving is iets goeds, barbaarschheid iets kwaads; vrijheid iets goeds, slavernij iets kwaads. Zulke denkbeeldige kennis dooft in de menschelijke natuur hare instinctmatige, heiligste en allereerste behoefte aan het goede. Wie zal mij zeggen wat vrijheid of dwingelandij, wat beschaving of barbaarschheid is? Waar zijn de grenzen van het een en van het ander? In wiens ziel is een maatstaf voor goed en kwaad, nauwkeurig genoeg voor het meten van samengestelde, ontastbare feiten? Wiens verstand is groot genoeg om alle feiten uit het verleden te begrijpen en te wegen? Waarom zie ik van het eene meer dan van het ander, indien het standpunt, waarop ik sta, niet de oorzaak is? En wie is in staat, zij het slechts voor een oogenblik, zijn’ geest zóó geheel van’t leven los te maken, dat hij onafhankelijk op dat leven neerziet....?Leo Tolstoi en zijn broeders in 1854.—Blz. 208.Leo Tolstoi en zijn broeders in 1854.—Blz.208.Sergius.—Dmitri.—Nikolaas.—Leo.“Wij hebben één, slechts één onfeilbaren gids en leidsman, een Geest, alomtegenwoordig, Die ons allen tezamen en elk in ’t bijzonder doordringt, Die in ieder een streven wekt om te doen wat noodig is! Dezelfde Geest, Die een’ boom doet groeien in de zon, eene bloem zaden doet geven in den herfst, noopt ons menschen nader tot elkaar te komen, zonder dat wij er van bewust zijn. En die eenige onfeilbare Heilige Geest spreekt luider dan onze woelige kreten van ontwikkeling en beschaving! Wie is meermenschof meerbarbaar: delord, die bij het zien van de versleten kleeren van den zanger verontwaardigd van zijne tafel wegloopt, den arme voor zijne moeite niet het millioenste deel van zijn vermogen geeft, en dan, verzadigd, in een licht, geriefelijk vertrek kalm gaat zitten nadenken over de gebeurtenissen in China, waarbij hij de aldaar gepleegde moorden rechtvaardig vindt? Of denederige zanger, die, op gevaar van gevangenisstraf, met een franc op zak, twintig jaar lang en zonder iemand te schaden over bergen en door dalen trekt, de menschen met zijn gezang en snarenspel opvroolijkend.... en thans, gehoond, bespot, ja bijna weggejaagd, vermoeid, beschaamd en hongerig, zich mogelijk ergens op een hoop vuil stroo te slapen heeft gelegd....? Neen (zeide ik onwillekeurig totmijzelf), men heeft ongelijk dien zanger te beklagen en de welvaart van den lord te benijden. Wie zal het innerlijke geluk durven schatten, dat in de ziel van elk dezer menschen verborgen ligt? De zanger zit misschien nu ergens op een bemodderde stoep, aanschouwt den hemel met zijn blinkend maan- en sterrenlicht, en zingt blijmoedig in den stillen, geurenden nacht: inzijneziel is geen verwijt, geen boosheid of berouw! Maar wie zal weten wat nu omgaat in de ziel van al die rijken achter gindsche hooge muren? Wie zal weten, ofdie allen even zoete, zorgelooze levensvreugde en vrede met de wereld hebben, als er huist in ’t hart van dien armen, nederigen, gehoonden zanger....?“O, hoe oneindig groot is de goedheid en wijsheid van Hem, Die al die tegenstrijdigheden in ’t aanschijn riep en liet voortbestaan! Tegenstrijdigheden? Zoo komen zij ons, nietigen wormen, voor, die driest en misdadig in Zijne wetten en besluiten pogen door te dringen. Vol liefde ziet Hij van Zijne stralende, onbereikbare hoogten op ons neder en verbergt Zich in de eindelooze harmonie, waarin wij met al onze tegenstrijdigheden ons rusteloos bewegen. In uwen trots, o sterveling, denkt gij u aan de algemeene wetten te onttrekken! Neen,... ook gij, met uw nietswaardigen, laffen onwil tegen de armen—ook gij hebt aan den harmonischen eisch van het eeuwige en oneindige beantwoord....”Van Lucern vervolgde Tolstoi zijne reis, eerst langs den Rijn naar Schaffhausen, Baden en Stuttgart, en vervolgens naar Berlijn.Den 8stenAugustus was hij reeds in Stettin, en van daar kwam hij per stoomschip op 30 Juli/11 Augustus te St.-Petersburg.In Petersburg vertoefde hij eene week, bezocht het gezelschap van denSawremjennik, vertoefde bij Njekrassoff en las dezen onder andere zijn verhaalLucernvoor, dat in de September-aflevering, jaargang 1857, van denSawremjennikgedrukt werd. Den 6denAugustus vertrok hij naar Moskou en daarna reisde hij bijna zonder ophouden door naar Toela.Na zijne aankomst in Jasnaja Paljana verdiepte hij zich weer geheel in het beheer zijner goederen.In zijn dagboek uit dien tijd vinden wij, onder andere, de volgende aanteekeningen:“Ziehier hoe ik mijne werkzaamheden heb ingedeeld: dehoofdzaak is letterkundige arbeid, dan familieplichten, vervolgens het bestuur mijner goederen, dat ik echter zooveel mogelijk in handen van den starosta moet laten; ik wil het werk verlichten, het landgoed verbeteren, de uitgaven tot 2000 roebel bezuinigen, en de rest voor de boeren gebruiken. Mijn groot struikelblok is de ijdelheid van het liberalisme. En zoo leef ik,—doe dagelijks eene goede daad—en dat is genoeg!”Korten tijd later schreef hij:“Zelfverloochening bestaat niet hierin, dat men zich onthoudt wat men begeert, maar dat men ijvert, zijn verstand en zijn vernuft gebruikt om zich zelf te geven.”De maand Augustus wijdde hij aan lectuur; hij las twee merkwaardige boeken:De IliasenHet Nieuwe Testament. Beide maakten een diepen indruk op hem:“Ik heb de verrukkelijkeIliastot het einde toe gelezen...”, zoo drukte hij zich uit; en de schoonheid dezer twee boeken doet hem bejammeren, dat er tusschen beide geen verband is.“Hoe kon Homerus niet weten, dat het goede zetelt in de liefde,” roept hij uit, terwijl hij in gedachten beide boeken vergelijkt. “Er is geen betere uitlegging dan de Openbaring.”Half October verhuisden Tolstoi, zijn oudste broeder Nikolaas en zijne zuster Maria naar Moskou. Uit zijn dagboek zien wij, dat hij daar reeds den 17denOctober was. Den 22stenvertrok hij voor eenige dagen naar Petersburg.Tolstoi’s verhaalLucern(uit deGedenkschriften van prins Nechljoedoff), dat, zooals wij boven zeiden, in de September-aflevering van denSawremjennikopgenomen is, werd door de kritiek niet begrepen en bleef bijna onopgemerkt.Het zwijgen der kritici levert een rechtstreeksch en klaar bewijs van hunne eenzijdigheid, bekrompenheid en kortzichtigheid. Volgens eene opmerking van Zelinski, die een’ bundel kritische verhandelingen over Tolstoi heeft uitgegeven, vond hij, ondanks alle moeite, in de periode 1857–1861 geen afzonderlijke kritische verhandelingen of recensiën over Tolstoi’s geschriften, niettegenstaande in de jaren vóór en in dit tijdperk werken als:Jongelingsjaren,Lucern,Albert,De drie Dooden,Familiegelukin druk verschenen.Deze onverschilligheid der kritici was Tolstoi niet ontgaan; en na zijne reis naar Petersburg, in October 1857, schreef hij in zijn dagboek:“Petersburg heeft mij eerst gekrenkt en daarna gerechtvaardigd.Mijne reputatie was gevallen of bijna dood, en innerlijk heeft mij dit zeer bedroefd; maar nu ben ik gerust en weet ik, dat ik iets te zeggen heb en het vermogen bezit om met kracht te spreken. Zeg voortaan maar wat gij wilt, publiek! Ik zal toch volgens mijn geweten werken, alle krachten inspannen, en dan.... dan mogen zij op het altaar spuwen!”Op 30 October keerde Tolstoi naar Moskou terug. Gedurende zijn verblijf daar bezocht hij dikwijls Fet, die in zijneHerinneringendaarvan het volgende verhaalt.“Op zekeren avond, onder de thee, kwam Tolstoi onverwacht bij ons en deelde mede, dat zijne familie, namelijk hij, zijn oudste broeder Nikolaas en zijne zuster, gravin Maria Nikolajewna, tezamen gemeubileerde kamers gehuurd hadden bij Warghin in de Pjatnitzkaja-straat. Weldra kwamen wij met elkander in kennis.“Ik herinner mij niet, onder welke omstandigheden de gebroeders Tolstoi, Leo en Nikolaas, met S. S. Gromeka hebben kennis gemaakt; waarschijnlijk is het bij ons in huis gebeurd.Zeer spoedig waren alle drie met elkander op goeden voet, daar zij hartstochtelijke jagers bleken te zijn.”5Tolstoi’s leven te Moskou heeft zich in die jaren (omstreeks ’50) door niets bijzonders gekenmerkt. Zijne physieke natuur was toen in hare volle kracht en activiteit, en drong hem tot gymnastische spelen en wereldsche genoegens.Fet verhaalt dat er nu en dan ’s avonds duetten bij hem werden georganiseerd, waarbij gravin Maria Tolstoi, eene pianiste en liefhebster van muziek, tegenwoordig was—somtijds vergezeld door hare twee broeders Leo en Nikolaas, of alleen door Nikolaas, die dan de afwezigheid van onzen schrijver verontschuldigde met te zeggen:“Leo is weer met rok en witte das naar een bal gegaan.”In het volgende uittreksel uit deHerinneringenvan Fet wordt van eene dergelijke tijdpasseering gewag gemaakt:“I. P. Borisoff, een niet alledaagsch man, die Tolstoi reeds in den Kaukasus gezien had, kwam reeds bij de eerste ontmoeting met hem, te mijnen huize, onder den onwederstaanbaren invloed van zijn genie. Maar in die dagen viel Tolstoi’s pronkzucht sterk in het oog, en toen nu Borisoff hem op zekeren dag in een nieuwe pelsjas met kraag van grijs berenbont, met glimmenden hoed, die op één oor stond en waaronder de blonde krullende haren golfden, en met een model-rotting in de hand uit wandelen zag gaan, maakte hij een versje op hem:“Hij leunt op zijn stokje,En pronkt met zijn glimmenden hoed.”“Destijds waren onder de aristocratische jeugd gymnastische oefeningen in de mode, waaronder vooral het springen overeen houten paard. Gebeurde het dat men Tolstoi te twee ure in den namiddag wilde spreken, dan was men genoodzaakt naar den tuin der gymnastiekschool op de Balschaja Dmitroffska te gaan. Daar zag men hem, in tricot gekleed, met opgewektheid alle krachten inspannen om over het paard te springen, zonder den lederen, met haar opgevulden kegel aan te raken, die op den rug was geplaatst. Het verwondert ons niet dat de bewegelijke, energieke natuur van den 29-jarigen schrijver zulke inspannende oefeningen noodig had; maar vrij zonderling was het bejaarde mannen met kale hoofden en dikke buiken met de jongelieden te zien meedoen. Een jonge, doch gehuwde man, die in een rose tricot-pak zijn beurt afwachtte, kwam bij elken aanloop met de borst tegen het kruis van het paard terecht, en ging dan bedaard ter zijde, om voor den volgenden plaats te maken.”6In het begin van Januari 1858 kwam gravin Alexandra Andrejewna Tolstoi, eene vriendin uit Tolstoi’s jeugd, Moskou bezoeken. Tolstoi bracht haar met den Nikolajeff-spoorweg naar Klin en reisde van hier naar prinses Wolkonskaja, van wie wij reeds in het hoofdstuk over Tolstoi’s voorouders van moederszijde melding hebben gemaakt. Deze prinses was eene nicht van Tolstoi’s moeder, had uit plichtsgevoel bij haar op Jasnaja Paljana gewoond, en kon onzen schrijver veel belangrijks over zijn vader en moeder vertellen.Tolstoi heeft de aangenaamste herinneringen aan dit bezoek bewaard, en in den tijd dien hij bij haar doorbracht zijn verhaalDe drie Doodengeschreven.Blijkbaar begon het denkbeeld van den dood hem ernstig te verontrusten, en gelijk steeds het geval was, lag de mogelijke oplossing van dit nieuwe probleem voor hem in deharmonie van het verstand met de natuur. Deze zienswijze afvallen beteekende onuitsprekelijk lijden; haar volgen, daarentegen, altijddurend heil, waarmede ook de angel des doods zou verdwijnen.In Februari keerde hij naar Jasnaja Paljana terug. Daarop ging hij opnieuw naar Moskou en vandaar in Maart voor twee weken naar Petersburg. In April was hij in Jasnaja terug, waar hij den geheelen zomer doorbracht. In deze periode besteedde Tolstoi ook veel tijd aan muziek, en richtte hij zelfs, met medewerking van Botkin, Perfiljeff, Mortje en anderen in Moskou, een muziekgezelschap op. Mevrouw Kirjejeffskaja stelde haar salon beschikbaar voor de concerten. Uit dit gezelschap heeft zich het Moskousche Conservatorium gevormd. In ditzelfde jaar kwam onze schrijver te Moskou in nauwe aanraking met het gezin van den reeds bejaarden S. T. Aksakoff.De lente oefende op Tolstoi eene prikkelende werking uit. Deze opwelling van energie wordt door hem in een’ brief aan zijne tante, gravin A. A. Tolstoi, in dat jaar 1858 geschreven, goed weergegeven:Lente...“Grootmoedertje!7“Heerlijk is het leven hier op aarde voor goede menschen; zelfs voor iemand als ik is het hier goed te zijn. In de natuur, in de lucht, in alles ligt hoop, toekomst, eene verrukkelijke, bekoorlijke toekomst.... Soms dwaalt men, als men denkt dat alleen de natuur eene gelukkige herleving wacht; die vreugde wacht ook ons. In zulk een toestand ben ik thans, en met de mij eigene zelfzucht haast ik mij u over dingen te schrijven, die alleen voor mij van belang zijn.“De invloed der lente op mij is van dien aard, dat ik in mijne overmaat van illusiën mij soms verbeeld eene plant te zijn, die, nu met andere ontloken, bestemd is om rustig en tevreden op de wereld te blijven groeien. Onder deze indrukken en in dit jaargetijde heeft eene verandering, eene loutering, eene omkeering in mij plaats, zooals iemand die deze gewaarwording niet heeft ondervonden, zich niet kan voorstellen. De oude mensch is verdwenen. Alle wereldsche verlangens, alle traagheid, alle zelfzucht, alle ondeugden, alle onzinnige, onklare begrippen, alle medelijden, ja zelfs het berouw, zijn verdwenen, en hebben plaats gemaakt voor eene ongewone bloem, die hare bladeren ontplooit en tegelijk met de lente groeit....”Het slot van dezen langen, interessanten brief, dien wij hier gedeeltelijk aanhalen, luidt:“Vaarwel, beste tante, wees niet boos op mij om de dwaasheden die ik u geschreven heb, en antwoord mij met een verstandig woordje, dat gekruid is met goedheid, met Christelijke goedheid. Ik had er u al lang opmerkzaam op willen maken, dat het voor u gemakkelijker is in het Fransch te schrijven, terwijl ik de gedachten eener vrouw in het Fransch beter begrijp.”8In de lente van dat zelfde jaar kwamen Fet en zijne vrouw, op hunne doorreis van Moskou naar hun landgoed, Tolstoi in Jasnaja Paljana bezoeken.In zijneHerinneringengeeft Fet een verhaal van dit bezoek, en schetst tegelijkertijd op interessante wijze Tolstoi’s tante en opvoedster, Tatjana Alexandrowna Jergalskaja.“Nadat wij eene warme en ruime matten kibitka haddengekocht, waarvoor een paar flinke postpaarden werden gespannen, gingen wij met een kamermeisje (waaraan Tolstoi den verdichten naam Maria gegeven heeft)9naar Mtzensk. Van een’ spoorweg was destijds nog geen sprake, maar van de langs den weg geplaatste telegraafpalen zei het volk, dat men daarover een draad zou spannen en er den wil uit Petersburg langs zou zenden.“Voor dien tijd waren wij al zóó eigen met graaf Tolstoi geworden, dat ik het als een groot verzuim zou hebben beschouwd niet een dagje bij hem op Jasnaja Paljana te gaan uitrusten. Daar werden mijne vrouw en ik voorgesteld aan eene charmante oude dame, Tolstoi’s tante Tatjana Alexandrowna Jergalskaja, die ons met die goede, ouderwetsche vriendelijkheid ontving, welke het verblijf in een vreemd huis zoo aangenaam en aantrekkelijk maakt. Tatjana Alexandrowna verdiepte zich niet in herinneringen aan lang vervlogen tijden, maar leefde geheel met hare tegenwoordige omgeving mee.“Zij vertelde dat eenige dagen te voren Sergius Tolstoi uit Pirogoff bij hen geweest was, dat Nikolaas nog altijd met ‘Marietje’ in Moskou vertoefde, maar dat Leo’s vriend D... er onlangs geweest was, en over de zenuwziekte van zijne vrouw geklaagd had.... In moeilijke quaestiën wendde tante zich altijd tot haar neef Leo, en legde zij zich ten slotte bij zijne meening neder. Op zekeren herfstdag reden beiden eens naar Toela, toen tante, die aandachtig uit het raampje van het rijtuig had gekeken, plotseling de vraag deed:“‘Mon cher Léon, zeg mij eens, hoe schrijft men brieven met de telegraaf?’“‘Toen heb ik,’ verhaalde Tolstoi, ‘mijne tante zoo eenvoudig mogelijk de werking van een telegraaftoestel uitgelegd,’na afloop waarvan zij had uitgeroepen: ‘Oui, oui, je comprends, mon cher.’“Ruim een half uur had tante hare oogen langs den draad laten dwalen, toen zij eindelijk verwonderd zeide:“‘Mon cher Léon, hoe zit dat nu? Een half uur lang heb ik geen enkelen brief langs de telegraaf zien vliegen.’“‘Somtijds,’ zoo verhaalde Tolstoi ons, ‘zit ik hier met tante eene maand lang, zonder bloedverwanten of kennissen te zien, totdat zij opeens, bij het opscheppen van de soep bij voorbeeld, met een opgewekt gezicht uitroept:“‘Mais savez-vous, mon cher Léon, on dit....’”Wij zullen hier het tweede gedeelte van Tolstoi’s herinneringen aanhalen, welke op die merkwaardige vrouw, Tatjana Alexandrowna, die zulk een grooten invloed op onzen schrijver heeft gehad, betrekking hebben.“Als ik aan de herfst- en lange winteravonden denk, gevoel ik dat die avonden vol zoete herinneringen voor mij zijn gebleven. Aan die avonden ben ik mijne beste gedachten, mijne beste gemoedsbewegingen verschuldigd. In een leuningstoel gezeten las ik, dacht, luisterde soms naar de gesprekken mijner tante met Natalie Petrowna of met het altijd goede en vriendelijke kamermeisje Loenetschka, wisselde eenige woorden met haar, en ging dan weer zitten lezen en denken. Die trouwe leuningstoel staat nu nog bij mij, maar is niet meer dezelfde; ook de sofa is veranderd waarop de goede oude Natalie Petrowna sliep, die bij mijne tante inwoonde, niet voor hulp, maar omdat zij geen onderkomen had. Tusschen de vensters, onder den spiegel stond de schrijftafel mijner tante, met potjes en schaaltjes die gevuld waren met zoetigheden, als honigkoeken en dadels, waarop zij mij van tijd tot tijd trakteerde. Bij het venster stonden twee leuningstoelen, en rechts van de deur een geborduurderuststoel, waarop zij gaarne had dat ik des avonds ging zitten.“De groote bekoring van dit leven school in de afwezigheid van alle stoffelijke zorg, in de goede, duurzame verstandhouding tusschen alle personen van het gezin, welke door niets werd gestoord, en in het kalme, onbewuste voorbijgaan van den tijd. Toen had ik kunnen zeggen: ‘Wer darauf sitzt, der ist glücklich, und der glückliche bin ich.’“En werkelijk, ik was naar waarheid gelukkig als ik in dien stoel zat. Na een slecht leven in Toela, met kaartspel, zigeuners, jagen, dwaze pronkzucht en dergelijke, keerde ik huiswaarts en ging naar mijne tante. Volgens oud gebruik kusten wij elkaar de hand—ik hare fraaie, welgevormde, zij mijne onbehouwen, grove hand—en heetten elkander (ook weer volgens oud gebruik) in ’t Fransch welkom. Daarna schertste ik eenige oogenblikken met Natalie Petrowna, en ging in den gemakkelijken stoel zitten. Mijne tante wist alles wat ik gedaan had, had er verdriet van, doch met de haar eigen minzaamheid en liefde verweet zij het mij nooit.“Ik ging op mijn stoel zitten lezen, denken, en luisterde naar hare gesprekken met Natalie Petrowna. Nu eens herdachten zij den ouden tijd of speelden een partijtjepatience, dan weer wezen zij elkaar op voorteekenen of schertsten over het een en ander, en dan lachten de beide oudjes (vooral tante) met een grappig, kinderlijk lachje, dat ik dadelijk onder het lezen hoorde. Ik begon te vertellen dat de vrouw van een mijner kennissen haren man ontrouw was geworden, en zeide dat die man blij moest zijn van haar verlost te wezen. Daarop trok tante, die juist met Natalie er over sprak, dat een dief aan de kaars ‘gasten’ beteekende, plotseling de wenkbrauwen samen en zeide, dat hare overtuiging steeds geweest was, dat de man zoo iets niet mag laten blijken, daar hij dan zijne vrouw geheel in het ongelukstort. Hierna vertelde zij mij een treurig geval onder het dienstpersoneel, dat Loenetschka haar had meegedeeld. Na afloop daarvan las zij een’ brief voor van mijne zuster Maria, die zij evenveel, zoo niet meer, liefhad als mij en sprak over het leed dat haar man, een eigen neef van tante, Maria had aangedaan: welk feit zij niet veroordeelde of gispte, doch betreurde. Eindelijk ging ik weer lezen, terwijl tante, in herinneringen verdiept, hare snuisterijen doorsnuffelde.“Hare voornaamste eigenschap, die onwillekeurig op mij is overgegaan, was hare verwonderlijke, algemeene goedheid jegens allen zonder onderscheid. Trots alle moeite kan ik mij uit mijn geheele leven geen geval herinneren, dat zij boos werd, een hard woord zeide of iemand veroordeelde, hekelde of berispte. Zij sprak goed over mijne andere tante, die haar bitter gegriefd had door ons van haar weg te nemen, en veroordeelde ook den man mijner zuster niet, die zich zeer slecht tegen Maria had gedragen. Zij was grootgebracht in het begrip dat er heeren en dienaren zijn, maar gebruikte hare heerschappij alleen om de menschen te dienen. Nooit heeft zij mij rechtstreeks mijn slecht leven verweten, ofschoon zij er verdriet van heeft gehad. Mijn broeder Sergius, dien zij ook hartelijk liefhad, heeft zij er evenmin een verwijt van gemaakt dat hij omgang hield met een Zigeunermeisje. De eenige zweem van boosheid op hem was, dat zij, als Sergius er in lang niet geweest was, zeide: ‘Waar blijft onze Sergius toch?’ terwijl zij hem anders meer vriendelijk ‘Serjoscha’ noemde. Nooit leerde zij met woorden hoe men leven moest, en zij hield ook niet van zedepreeken. Haar geheele zedelijke arbeid was de verbetering van haar eigen innerlijk; het uiterlijke gaf slechts daden te zien, of liever—want daden waren er niet—een geheel leven van rustige kalmte, zachtmoedigheid en stille, onopgemerkte liefde voor anderen.“Innerlijk verrichtte zij een werk van liefde, en daarom waszij steeds rustig en kalm. Deze beide eigenschappen van liefde en bedaardheid werkten onmerkbaar aanstekelijk op anderen, en gaven aan den omgang met haar eene eigenaardige bekoring.“De omstandigheid dat ik geen enkel geval ken, waarin zij iemand beleedigd heeft, is oorzaak dat ik ook niemand ken, die haar niet mocht lijden. Nooit sprak zij over zich zelve, nooit over godsdienst: hoe men gelooven moest, wat haar eigen geloof was en hoe zij bad. Zij geloofde in waarheid aan alles, maarverwierpalléén het dogma der eeuwige kwellingen, ‘want,’ zeide zij: ‘Dieu, qui est la bonté-même, ne peut pas vouloir nos souffrances.““Behalve bij Te Deum’s en zielmissen heb ik nooit gezien hoe zij bad. Alleen kon ik uit de ongewone minzaamheid, waarmee zij mij somtijds toesprak, als ik haar ’s avonds laat nog iets moest zeggen, nadat ik reeds goeden nacht gewenscht had, opmaken, dat ik de goede ziel bij het bidden gestoord had.“‘Kom binnen, kom binnen,’ placht zij dan te zeggen. ‘Juist heb ik tegen Natalie Pretowna gezegd, dat Nikolaas nog wel bij ons zou komen.’“Dikwijls noemde tante mij bij mijn’ vadersnaam en dat deed mij aangenaam aan, wijl het bewees dat de voorstelling, die zij zich van mijn’ vader en mij gemaakt had, één was wat hare liefde voor beiden betrof. Op dit late uur was tante reeds in nachtoilet. Zij had een doek om hare schouders geslagen en hare kleine voetjes staken in pantoffels. In een dergelijk négligé vertoonde zich ook Natalie Petrowna.“‘Ga zitten, ga zitten,’ zei tante dan, als zij zag dat ik nog geen lust had te gaan slapen, of dat de eenzaamheid mij drukte. De herinnering aan die ongedwongen, late avondbezoeken is mij nog steeds lief.“Dan gebeurde het, dat Natalie Petrowna of ik iets grappigszeiden, zoodat tante begon te lachen, waarmede Natalie Petrowna dadelijk instemde. En de beide oudjes lachten nog lang, soms zonder dat zij wisten waarom. Zij lachten als kinderen, omdat zij iedereen liefhadden en het hun goed was. Het was niet slechts die goedhartige liefde jegens mij, die mij verblijdde, maar ook die sfeer van liefde jegens allen, voor de aanwezigen en de afwezigen, voor de levenden en de afgestorvenen, en zelfs voor de dieren.“Komt de tijd dat ik een overzicht van mijn leven moet geven, dan zal ik meer van haar vertellen. Nu zal ik alleen van de stemming onder het volk—de boeren van Jasnaja Paljana—jegens haar spreken, die zich bij gelegenheid van hare begrafenis uitte. Toen wij tante door het dorp droegen, was er geen enkele van de 60 boerenwoningen, waar de bewoners niet naar buiten kwamen met het verzoek den stoet een oogenblik stil te doen staan en om de gebeden voor de afgestorvenen voor haar te bidden.—‘Zij was eene brave barina10, die niemand kwaad gedaan heeft,’ zeiden allen. En daarom had men haar hartelijk lief. Lao Tsz’ heeft gezegd, dat de waarde der dingen ligt in hetgeen zijnietbezitten. Dit was ook op haar leven van toepassing, waarvan de waarde voornamelijk bestond in de afwezigheid van al wat slecht is. Inderdaad, in het leven van tante Tatjana Alexandrowna lag niets slechts. Dit laat zich zoo gemakkelijk zeggen, maar zoo moeielijk verwezenlijken! Ik heb ook maar één mensch gekend die zóó was!“Kalm is zij gestorven. Allengs sluimerde zij in en stierf, volgens haar wensch, niet in de kamer waar zij gehuisd had, om daar geen treurige herinneringen voor ons achter te laten.“Zij is heengegaan, bijna zonder iemand herkend te hebben. Mij heeft zij tot op het laatste oogenblik gekend, met eenlachje op de lippen, dat haar gelaat deed stralen. Soms bewoog zij de lippen en poogde den naam Nikolaas uit te spreken, mij kort voor haar dood geheel vereenzelvigende met hem dien zij haar leven lang had liefgehad.“En die goede vrouw heb ik nog dat kleine genoegen geweigerd, dat haar de dadels en de chocolade verschaften, welke zij vroeg, minder voor zich zelve, dan om mij te trakteeren; ook heb ik haar de gelegenheid ontnomen nog wat geld te geven aan elk, die er haar om vroeg. Ik kan daar niet aan denken zonder een kwellend verwijt van mijn geweten. Lieve, beste tante, vergeef mij! Hadde ik in mijne jeugd maar het goede gekend, en op mijn ouden dag het goede kunnen doen,—ik bedoel niet het goede, dat ik mij in mijne jeugd heb onthouden, maar het goede dat ik anderen onthield,—dan had ik hun die reeds ten grave zijn gedaald het kwade niet gedaan!”11Ofschoon Tolstoi den zomer van het jaar 1858 niet geheel te Jasnaja Paljana doorbracht, maar voor eene poos naar Moskou ging, stelde hij meer en meer belang in het leven der boeren en deed hij pogingen om hun nader te komen.Fet haalt in zijneHerinneringeneen verhaal aan van Leo’s broeder, dat op dien tijd betrekking heeft en met den fijnen humor, Nikolaas eigen, geschreven is.“Toen wij naar Leo Tolstoi vroegen, vertelde de graaf met zichtbaar welgevallen het volgende van zijn geliefden broeder:“‘Leo,’ zoo sprak hij, ‘tracht zich met ijver aan de landelijke leefwijze en bezigheden te gewennen, waarmee hij, evenals wij allen, tot heden maar oppervlakkig bekend was. Ik weet echter niet, wat er van die pogingen terecht moetkomen. Leo wil alles tegelijk doen, zonder iets van zijn ander werk te laten varen, zelfs de gymnastiek niet. Voor het venster van zijne studeerkamer heeft hij een rekstok laten maken. Natuurlijk heeft hij gelijk, dat hij zich losmaakt van de vooroordeelen, waartegen hij zoo te velde trekt. De gymnastiek zit zijn werkzaamheden niet in den weg, maar de dorpsschout ziet de zaak toch eenigszins anders in.—“Men komt,” zegt hij, “bij den barin om een order te vernemen, maar de barin heeft zijn eene knie om den rekstok geslagen, hangt, in een rood buis, met het hoofd omlaag en zwaait heen en weer; zijne haren hangen neder en zwieren mee, zijn gezicht is bloedrood. Ik geef het iemand te doen om onder die kunsten orders van hem aan te hooren, en hem in ’t gezicht te zien!”’“Leo heeft er schik in, als hij ziet hoe de arbeider Joefan met buitenwaarts gebogen armen aan het ploegen is. Joefan is voor hem het type van een krachtigen boerenarbeider, in den geest van Mikoela Seljaninowitsch. Dan slaat hij zelf de handen aan den ploeg, buigt de armen ook buitenwaarts en doet Joefan na.”12Nadat Tolstoi zich in den zomer met zijn landgoed had bezig gehouden, zien wij dat hij zich ook met maatschappelijke zaken inliet.Tegen den herfst van het jaar 1858 had in Toela eene bijeenkomst plaats van den adel uit het geheele gouvernement, met het doel afgevaardigden te kiezen in het Comité van het Gouvernement Toela tot verbetering van het bestaan der boeren. Op deze vergadering deden 105 edelen, op grond van het verkiezingsreglement voor den adel, hetwelk hun toestaat hunne meening over de plaatselijke nooden enbehoeften van hun gouvernement voor te dragen, den Maarschalk van Toela het volgende voorstel, ten einde het aan het oordeel van het Gouvernements-Comité te onderwerpen:“Zoowel ter verbetering van het bestaan der boeren, als tot waarborg van den eigendom der grondbezitters en tot zekerheid van beide partijen, achten wij, ondergeteekenden, het noodig den boeren niet anders de vrijheid te geven, dan onder toewijzing van eene zekere hoeveelheid land in erfelijk bezit. Voorts, dat de grondbezitters voor het door hen afgestane land volledige en eerlijke schadeloosstelling in geld ontvangen, volgens nader te bepalen financiëelen maatstaf, die geenerlei gedwongen betrekkingen tusschen de boeren en de grondbezitters na zich sleept,—welke betrekkingen de adel noodig acht af te breken.” (Volgen de handteekeningen der 105 Toela’sche edelen, waaronder ook voorkomt die van graaf Leo Tolstoi, grondbezitter in het district Krapifka.)13In December 1858 had Tolstoi op jacht een avontuur, dat hem bijna het leven gekost had. Ziehier wat Fet daarvan verhaalt.14“Gromeka schreef den 15denDecember 1858:“‘Overeenkomstig uw verzoek, haast ik mij u mee te deelen, waarde Afanasius Afanasijewitsch, dat ik dezer dagen, van omstreeks 18 tot 20 dezer, op de berenjacht ga. Zeg aan Tolstoi, dat ik eene berin met twee éénjarige jongen heb gekocht en of, zoo hij lust heeft aan onze jacht deel te nemen, hij zoo goed wil zijn, tegen 18 of 19 dezer rechtstreeks bij mij in Wolotschok te komen. Hij behoeft volstrekt geen plichtplegingen te maken; ik zal hem met open armen ontvangen, en er zal eene kamer voor hem in orde wordengebracht. Indien hij niet komt, verzoek ik u mij tegen dien tijd bericht te willen zenden.Caricatuur van de medewerkers aan den Sawremjennik: Panajeff, Njekrassoff, Grigorowitsch, Toerghenjeff, Ostrowski, Tolstoi.—Blz. 242.Caricatuur van de medewerkers aan denSawremjennik: Panajeff, Njekrassoff, Grigorowitsch, Toerghenjeff, Ostrowski, Tolstoi.—Blz.242.“‘Ik vermoed dat de jacht den 19denzal plaats hebben. Het zal dan het best en zelfs noodig zijn den 18denhier te wezen.“‘Wil Tolstoi de jacht tot den 21stenuitstellen, meld mij dit dan; maar langer kunnen wij niet wachten.’”Om aan deze woorden nog meer kracht bij te zetten, kwam de bekende berendrijver Ostaschkoff Tolstoi bezoeken. Zijne verschijning onder de jagers kan het best vergeleken worden bij het dompelen van een gloeiend ijzer in water. Allen werden opgewonden en luidruchtig. Daar elken jager op de berenjacht de raad gegeven was twee geweren mee te nemen, had Tolstoi mij mijn Duitsch tweeloops-geweer gevraagd, dat voor hagel bestemd was. Op den afgesproken dag begaven onze jagers (Leo zelf, benevens zijn broeder Nikolaas) zich naar het station van den Nikolajeff-spoorweg. Ter wille van de nauwkeurigheid zal ik hier woordelijk weergeven wat ik van Tolstoi zelf, en van de vrienden die hem op de jacht vergezelden, vernomen heb.“Toen de jagers, elk met twee geladen geweren gewapend, langs de open woudvlakte geposteerd waren, die door holle wegen als een schaakbord in vakken verdeeld was, werd hun de raad gegeven, de hooge sneeuw, die hen omringde, in een wijden kring vast te stampen, om zoodoende de meest mogelijke vrijheid van beweging te verkrijgen. Maar Leo, die bijna tot zijn middel in de sneeuw stond, achtte dien maatregel overbodig, omdat het doel toch was den beer te schieten en niet met hem te worstelen. Met dit oogmerk bepaalde de graaf zich er toe zijn geladen geweer tegen den stam van een boom te zetten, om, zoodra hij hieruit twee schoten gelost zou hebben, het weg te werpen en dan mijn Duitsch tweeloops te grijpen.“De reusachtige, door Ostaschkoff uit haar hol opgejaagdeberin liet niet lang op zich wachten, en draafde, langs een der holle wegen die de woudvlakte kruisten, naar de ruimte waar de jagers stonden. Het toeval wilde dat deze holle weg uitkwam op dien, welke het dichtst gelegen was rechts van de plek waar Tolstoi op post stond, zoodat de graaf de nadering der berin niet kon opmerken. Mogelijk had het dier den jager, op wien het toesnelde, al vooraf geroken, althans het stormde eensklaps uit den tegenover liggenden hollen weg, verscheen onverwacht op de vlakte, op zeer korten afstand van Tolstoi, en draafde regelrecht op hem aan. Kalm legde de graaf aan, trok af, doch raakte het dier waarschijnlijk niet, want nog vóór de rook was weggetrokken, zag hij eene reusachtige, donkere massa voor zich, waarop hij bijnaà bout portantlosbrandde. De kogel vloog het dier in den bek en bleef tusschen de tanden steken.“Doordien de graaf verzuimd had de omringende sneeuw vast te treden, kon hij zich niet zijwaarts wenden en evenmin mijn geweer grijpen, daar hij plotseling een hevigen stoot tegen de borst kreeg, die hem ruggelings in de mulle sneeuw deed tuimelen. In volle vaart stormde de berin over hem heen. ‘Nu ben ik verloren,’ dacht de graaf. ‘Ik heb misgeschoten en kan niet voor de derde maal vuur geven.’ Maar op hetzelfde oogenblik zag hij eene donkere massa boven zijn hoofd. Het was de berin, die na haren sprong onmiddellijk rechtsomkeert had gemaakt, en den schedel van den jager, dien zij door een stoot omver had geworpen, trachtte stuk te bijten. Daar Tolstoi weerloos op zijn rug in de diepe sneeuw lag, kon hij slechts passieven weerstand bieden. Het eenige wat hij dan ook deed, was het hoofd zoo diep mogelijk tusschen de schouders te trekken en zijne harige muts voor den muil van het dier te houden. Dank zij deze instinktmatige handeling, beet het dier tweemaal mis en gaf hem slechts een geduchten knauw, doordien het metde boventanden zijne wang onder het linkeroog openscheurde, en met de ondertanden de geheele linkerhelft van de schedelhuid aftrok.“Op dit hachelijke oogenblik snelde Ostaschkoff, die met eene korte ijzeren staaf in de hand voortdurend in de nabijheid was gebleven, met opgeheven armen en onder het gewone geroep van: ‘Scheer je weg! Scheer je weg!’ op de berin toe. Nauwelijks had het dier dien uitroep gehoord, of het pakte in allerijl zijne biezen, om, zooals men denken kan, den volgenden dag toch gegrepen en afgemaakt te worden.“Toen men Tolstoi op de been geholpen en zijn half ontveld en hevig bloedend gezicht behoorlijk verbonden had, waren zijne eerste woorden: ‘Wat zal Fet daar wel van zeggen!’“Ook nu nog ben ik trotsch op deze woorden.”15Toen Tolstoi van dit ongeval eenigszins hersteld was, haastte hij zich zijne tante het voorgevallene mee te deelen.“In de eerste plaats groet ik u hartelijk; ten tweede haast ik mij u zelf van mijn ongeval in kennis te stellen, uit vrees dat u het anders met de noodige bijvoegingen uit den mond van anderen zult hooren.“Nikolaas en ik zijn op de berenjacht geweest. Den 20stenheb ik een’ beer gedood; den 22stenzijn wij nogmaals op weg gegaan en is mij een’ buitengewoon ongeval overkomen. Onverwacht wierp eene berin zich op mij; op zes pas afstands brandde ik mijn geweer los, doch ik miste bij het eerste schot. Bij het tweede trof ik haar doodelijk in den muil; niettemin sprong het dier op mij toe, gaf mij een’ stoot, zoodat ik neertuimelde, en, terwijl de anderen toesnelden, beet het mij tweemaal: eens op het voorhoofd, de tweede maal onder het oog. Gelukkig heeft dit alles slechts 10 of 15 secondengeduurd. De berin ging op de vlucht, en ik werd op de been geholpen, met eene kleine wond, die mij niet mismaakt en zelfs geen pijn veroorzaakt. Noch het schedelbeen, noch het oog zijn beschadigd, zoodat ik er met een klein litteeken op het voorhoofd ben afgekomen. Ik ben op het oogenblik te Moskou en voel mij volmaakt gezond. Ik schrijf u de zuivere waarheid, zonder iets te verbergen, opdat u zich niet ongerust zult maken. Nu is alles voorbij en rest mij nog God te danken, die mij op zoo buitengewone wijze gered heeft.”16Dit avontuur diende Tolstoi als thema voor zijn verhaal:Een jacht die nog erger is dan gevangenschap, dat in deLeesboekjeswerd opgenomen. In dit verhaal staan tal van merkwaardige bijzonderheden, die door Fet zijn weggelaten; maar wijl het in dien vorm zeer moeielijk is het zakelijke gedeelte der vertelling te onderscheiden van wat er door de fantasie is bijgevoegd, hebben wij aan deHerinneringenvan Tolstoi’s vriend en aan zijn eigen brief aan tante Tatjana, die meer aan ons doel beantwoordden, de voorkeur gegeven boven het door hem geschreven verhaal.De eerste maanden van het jaar 1859 bracht Tolstoi in Moskou door; maar in April ging hij naar Petersburg, waar hij tien dagen in gezelschap van zijne vriendin A. A. Tolstaja doorbracht. Van deze reis zijn hem de aangenaamste herinneringen bijgebleven.Op het einde van April ging hij weer naar Jasnaja Paljana, waar hij den geheelen zomer bleef.Gedurende dien zomer bezocht Tolstoi Toerghenjeff op zijne villa Spasskoje.Hoewel beide mannen elkander steeds met wederzijdsche achting behandelden, was de verhouding toch nog steeds koel.Niettemin had dit bezoek een gunstig en aangenaam verloop. Op 9 October van hetzelfde jaar liet Toerghenjeff in een brief aan Fet zich aldus uit:“Onze dames zenden u hare beste groeten. Van Tolstoi heb ik een aangenaam bezoek gehad, en vriendschappelijk zijn wij gescheiden. Mij dunkt dat er tusschen ons geen misverstand kan bestaan, daar wij elkander duidelijk begrijpen en inzien, dat een intiem samengaan voor ons onmogelijk is. Wij zijn van te verschillende klei gemaakt.”In Augustus reisde Tolstoi andermaal naar Moskou, waar hij den herfst doorbracht.Het jaar 1860 ging hij in onrustige stemming tegemoet.Het beheer van het goed, de druk van het eenzelvige leven, allerlei twijfel en pessimistische gevoelens bestormden zijn gemoed.Niettemin vond hij in den winter van 1859 op 1860 uitspanning en opbeuring in zijne scholen. InBiechtschrijft hij over dien tijd het volgende.“Na mijn’ terugkeer uit het buitenland vestigde ik mij op het land en kwam op het denkbeeld mij met de boerenscholen bezig te houden. Deze taak was bijzonder naar mijn’ zin, wijl er niet dat leugenachtige in lag opgesloten, dat mij duidelijk was geworden en reeds bij het letterkundig onderwijs mijne aandacht had getrokken. Ook hier werkte ik in naam van denvooruitgang, maar nam tegenover dezen reeds het standpunt van den kritikus in. Ik zeide tot mijzelf, dat devooruitgangin enkele gevallen verkeerde resultaten had opgeleverd, en dat men zich eigenlijk tot de allereenvoudigste lieden, tot de boerenkinderen moet wenden en het geheel aan hunne vrije keus overlaten den weg van vooruitgang te kiezen, dien zij wenschen. In werkelijkheid draaide ik steeds om dezelfde onoplosbare quaestie heen, hierin bestaande,dat ik niet wist wat ik onderwees. In de hoogere sferen van letterkundigen arbeid had ik begrepen, dat men niet onderwijzen kan, zoo men niet weet wat men onderwijst, omdat ik gezien had, dat allen verschillend onderwijzen en bij hunne onderlinge twisten hunne onwetendheid voor zich zelven verbergen. Hier, in het geval van de boerenkinderen, dacht ik dat deze moeilijkheid te vermijden zou zijn, door aan de kinderen over te laten te leeren wat zij wilden. Nu vind ik het komisch, als ik er aan denk welke kunstgrepen ik gebruikt heb om mijn wensch—het onderwijzen—te vervullen, ofschoon ik in den grond van mijn hart overtuigd was, dat ik niet kon onderwijzen wat noodig was, daar ik niet wist wat ik daaronder moest verstaan.”Dit bestendige gevoel van ontevredenheid over zich zelf, dit zoeken naar de reden van het bestaan, was steeds de werkende kracht, welke hem onweerstaanbaar voortdreef op den weg van zedelijken vooruitgang.In Februari 1859 werd Tolstoi gekozen als lid van hetMoskousche Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde.Den 4denFebruari 1859 had, onder praesidium van A. S. Chomjakoff, eene vergadering van dit genootschap plaats, waarop van de nieuw gekozen leden ook graaf Tolstoi tegenwoordig was, die, volgens de gebruiken van dit Genootschap, eene intreêrede hield, waarin hij, zooals in het protocol van het Genootschap gezegd wordt, “de quaestie besprak van de voorkeur van het bellettristisch element in de letterkunde boven al hare andere richtingen.” Tot ons leedwezen hebben wij deze redevoering niet onder de oogen kunnen krijgen. In de verslagen van het genootschap luidt het, dat aanvankelijk besloten was deze redevoering in de werken van het genootschap af te drukken; doch later besloot men, aangeziende uitgaaf van deze werken niet plaats vond, de redevoering aan den schrijver terug te zenden, bij wien zij vermoedelijk onder oude papieren verloren is geraakt.Wij kunnen ons eenige voorstelling van die redevoering maken, zoo wij de loffelijke toespraak lezen, waarmede A. S. Chomjakoff haar beantwoordde en die wij hier in haar geheel laten volgen.“HetMoskousche Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde, dat u, Graaf Leo Tolstoi, onder het getal zijner werkzame leden heeft opgenomen, heet u met blijdschap welkom als medewerker op het gebied der zuivere bellettrie. Deze zuiver litteraire richting verdedigt gij in uwe redevoering, en stelt haar hoog boven alle andere tijdelijke en toevallige richtingen van letterkundigen arbeid. Zonderling zou het zijn, indien het Genootschap daarin niet met u sympathiseerde. Veroorloof mij, intusschen, te zeggen, dat de billijkheid der meening, welke door u met zooveel talent is uitgesproken, geenszins de rechten van het tijdelijke en toevallige op het gebied der taal te niet doet. Datgene wat altijd schoon en onveranderlijk is, als de grondwetten der ziel zelve, neemt, en moet ongetwijfeld innemen, de eerste plaats in de gedachten, de drijfveeren en dus ook in het gesproken woord der menschen. Dit en alléén dit wordt van geslacht op geslacht, van het eene volk op het andere overgedragen, als een kostbaar erfdeel dat steeds vermeerdert en nooit in vergetelheid geraakt.“Maar aan den anderen kant bestaat er, zooals ik reeds de eer had te zeggen, in de natuur van den mensch, zoowel als in die der maatschappij, eene duurzame behoefte aan overtuiging. De geschiedenis wijst op tal van belangrijke momenten, waarin die overtuiging bijzondere, onomstootelijke rechten verkrijgt en niet meerdere juistheid en scherpte in de maatschappelijke taal doordringt. Het toevallige en het tijdelijke in denhistorischen gang van het volksleven krijgt de beteekenis van het algemeene, het universeel menschelijke, omdat alle geslachten, alle volken de ziekelijke verzuchtingen en bekentenissen van een of ander geslacht of volk kunnen begrijpen en dat ook werkelijk doen. De rechten der bellettrie, die dienares van eeuwige schoonheid, vernietigen niet de rechten der overtuigende of bewijsvoerende letterkunde, welke steeds de maatschappelijke onvolmaaktheid vergezelt en soms heilzaam blijkt voor de maatschappelijke wonden. In de onverstoorde waarheid en harmonie der ziel ligt een oneindige schoonheid; maar ook in de boete, in het berouw, dat de waarheid hooghoudt en den mensch of de maatschappij naar zedelijke volmaaktheid drijft, ligt ware, verhevene schoonheid.“Sta mij toe hier bij te voegen, dat ik de meening van den, naar het mij voorkomt, eenzijdigen Duitschen aestheticus niet kan deelen. Wel is de kunst, de bellettrie, geheel vrij en vindt zij rechtvaardiging en doel in zich zelve, maar de vrijheid der kunst, als abstract begrip, staat in geenerlei betrekking tot het innerlijke leven van den kunstenaar. De kunstenaar is geen theorie, geen gebied van gedachten en gedachtenarbeid: hij is een mensch, steeds een mensch van zijn tijd, gewoonlijk de beste vertegenwoordiger er van, die hem met zijn’ geest en met zijne rijpe of ontluikende neigingen doordringt. Wegens zijne ontvankelijkheid voor indrukken, zonder welke hij geen kunstenaar zou kunnen zijn, neemt hij—meer dan andere menschen—alle ziekelijke en ook blijmoedige aandoeningen der maatschappij waarin hij geboren is, in zich op. Doordien hij zich steeds aan het ware en schoone wijdt, weerspiegelt hij onwillekeurig door een woord, door den zin eener gedachte of voorstelling het actueele in zijn mengsel van waarheid, die eene reine ziel verblijdt, en van leugen, die de harmonische rust der ziel verstoort.“Zoo vloeien de twee gebieden, de twee afdeelingen derletterkunde, waarvan wij spraken, ineen; zoo wordt een schrijver, een dienaar van de zuivere kunst, somtijds bewijsvoerder, zonder dat hij het zelf weet, zonder zijn eigen wil en soms ook tegen zijn’ wil. Ik neem de vrijheid u zelf, graaf Tolstoi, als voorbeeld te nemen. Gij volgt getrouw en standvastig een bewusten en bepaalden weg; maar zijt gij wel zoo geheel vreemd aan die richting, welke met den naam van overtuigende of bewijsvoerende letterkunde bestempeld wordt? Hebt gij niet eens in uw leven in het beeld van een teringachtigen boer, die te midden van een aantal kameraden, blijkbaar onverschillig voor zijn lijden, op zijne kachel sterft, de eene of andere maatschappelijke ziekte, de eene of andere ondeugd aangewezen? Hebt gij, bij het beschrijven van dien dood, geen leed gehad over die harde gevoelloosheid van goede, maar niet ontwaakte menschenzielen?... Ja—ook gij waart en zult onwillekeurig zijn: bewijsvoerder, beschuldiger! Ga met God op den wonderschoonen weg voort, dien gij u hebt gekozen. Ga voort met hetzelfde gunstige gevolg, waarmee ge tot heden bekroond zijt geworden,—of met nog glansrijker, want uwe gave is niet van voorbijgaanden aard, en niet spoedig uitgeput. Maar geloof vrij, dat in de letterkunde het eeuwige en artistieke steeds het tijdelijke en vergankelijke in zich opneemt, het vervormt en veredelt, en dat alle verschillende loten der menschelijke taal zonder ophouden samengroeien tot een enkel harmonisch geheel.”Chomjakoff’s voorspelling werd verwezenlijkt. Zonder nog te spreken van de beschuldigende elementen in alle geschriften der eerste periode, kwam Tolstoi 20 jaren later met zijneBiechten daarna met de aanwijzing van het kwade der tegenwoordige maatschappij voor den dag. En aan deze taak heeft hij zijne machtige kunstenaarsgaven gewijd.1Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff.2Uit de Papieren van Droezjinin. Petersburg, 1884.3De eerste van deze twee brieven aan zijne tante was geheel, de tweede gedeeltelijk in het Fransch geschreven.4Deze brief was in ’t Fransch geschreven.5A. Fet.Mijne Herinneringen1848–1889.6A. Fet,Mijne Herinneringen1848–1889.7Tolstoi noemde zijne tante, de onlangs overleden gravin A. A. Tolstaja, schertsenderwijze “Grootmoedertje”.8Iw. Zacharjin (Jakoenin). Herinneringen aan gravin A. A. Tolstoi.Europeesche Bode, Jan. 1904.9Zie zijnFamiliegeluk.10Barina is de vrouwelijke vorm van barin = heer.11Uit de gedenkschriften van Tolstoi.12A. Fet,Mijne Herinneringen, Blz. 237.13Sawremjennik1858, Deel 72, Bladz. 300.14In Fet’sHerinneringenis dit avontuur abusievelijk opgegeven als in Januari 1858 te hebben plaats gehad.15A. Fet,Mijne Herinneringen.16in het handschrift in het Fransch.
Elfde hoofdstuk.Eerste buitenlandsche reis. Het leven te Moskou. Berenjacht.Den 29stenJanuari uit Moskou vertrokken, ging Tolstoi per postdiligence naar Warschau, en van Warschau per spoor naar Parijs, waar hij 21 Februari (nieuwe stijl) aankwam.Hier werd hij opgewacht door Toerghenjeff, die 23 Januari reeds aan Droezjinin geschreven had:“Tolstoi schrijft mij, dat hij aanstalten maakt om hierheen te komen, en in de lente van hier naar Italië te gaan; zeg hem, dat hij zich haaste, indien hij mij treffen wil. Overigens zal ik hem zelf schrijven. Uit zijne brieven zie ik, dat er zeer heilzame veranderingen in hem hebben plaatsgegrepen, en ik verheug mij daarover ‘evenals eene oude kindermeid.’ Ik heb zijn verhaalEen Morgen van een’ Landheergelezen, dat mij om zijne oprechtheid en bijna volkomen vrije beschouwingswijze uitstekend bevallen is. Ik zeg ‘bijna’, omdat in den vorm waarin hij zich de vraag gesteld heeft (wellicht zonder dat hij het zelf weet), nog eenig vooroordeel opgesloten ligt. De voornaamste indruk van dit verhaal (ik spreek niet van den indruk dien het als letterkundig product maakt) bestaat hierin dat, zoolang de lijfeigenschap bestaan zal, er geen mogelijkheid is op wederzijdsche toenadering en verstandhouding, ook al was men op de onbaatzuchtigste en eerlijkste manier daartoe bereid. En deze indruk is goed enjuist. Maar behalve dezen krijgt men nog een tweeden, zijdelingschen indruk, namelijk dat het beschaven van den boer, het verbeteren van zijn bestaan in ’t algemeen tot niets leidt. En deze indruk is onaangenaam. Het meesterschap over de taal in deze vertelling is echter bijzonder groot.”1Kort na zijne ontmoeting met Tolstoi, schrijft Toerghenjeff aan Polonski:“Tolstoi is hier. Er heeft eene verandering ten goede en van zeer groote beteekenis met hem plaats gevonden. Deze man zal het ver brengen en een diep spoor nalaten.”In een brief aan Kalbasin, gedateerd Parijs 8 Maart, zegt Toerghenjeff:“Ik zie Tolstoi hier dikwijls, en ontving van Njekrassoff dezer dagen een brief uit Rome.“Met Tolstoi zal ik toch op den duur niet samen kunnen gaan; onze opvattingen loopen te zeer uiteen.”1Ziehier eene uitspraak van Tolstoi uit denzelfden tijd over Toerghenjeff en diens vriendin, Madame Viardot, welke uitspraak door Botkin in een’ brief van 8 Maart 1857 aan Droezjinin vermeld wordt:... Tolstoi schrijft over zijn bezoek aan hem het volgende:“Beiden dwalen, om zoo te zeggen, in het duister rond, zijn verdrietig, beklagen zich over het leven, voeren niets uit, en schijnen elk voor zich onder den last hunner wederzijdsche verhouding gebukt te gaan. Toerghenjeff schrijft dat Njekrassoff plotseling aanstalten heeft gemaakt om op nieuw naar Rome te gaan. De brief van Tolstoi beslaat in ’t geheel slechts ééne bladzijde, maar is vol moed en opgewektheid. Duitschland heeft hem zeer veel belang ingeboezemd,en later wil hij het meer van nabij leeren kennen. Over eene maand gaat hij naar Rome.”2Uit deze geheele correspondentie blijkt, dat de verhouding tusschen Tolstoi en Toerghenjeff altijd van onzekeren aard is geweest; ondanks alle pogingen, zijn zij nooit intiem met elkander kunnen worden.In de maand Maart deden Tolstoi en Toerghenjeff een uitstapje naar Dijon, waar zij eenige dagen doorbrachten. In dien tijd schreef Tolstoi zijn verhaal over den muzikus Albert. Daarna keerden beiden naar Parijs terug, waar Tolstoi, gelijk hij in zijnBiechtverhaalt, eene doodstraf zag voltrekken, hetgeen een onuitwischbaren indruk op hem maakte. In zijn dagboek beschrijft hij dien indruk in korte trekken aldus:6 Februari 1857. “Ik stond te 7 uren in den morgen op en ging naar eene executie kijken. Een dikke, blanke, gezonde hals en borst, een mond die het Evangelie kuste—en toen de dood. Hoe onzinnig! De indruk was diep. Ik ben geen politikus. Moraal en kunst. Ik weet, ik heb lief en ik kan.... De guillotine heeft mij langen tijd uit den slaap gehouden en tot nadenken gebracht.”Ziehier wat hij daarover inBiechtschrijft:“Gedurende mijn verblijf te Parijs heeft het zien van de doodstraf mij de onstandvastigheid van mijn bijgeloof aan denVooruitganggeopenbaard. Toen ik het hoofd van den romp zag scheiden en in een kist hoorde ploffen, begreep ik—niet met het verstand, doch met mijn geheele wezen—dat geen enkele gezonde, beredeneerde theorie van werkelijkenvooruitgangzulk eene handeling kon rechtvaardigen. Ook al hadden alle menschen ter wereld, van de schepping af tot heden, volgens welke theorie dan ook gevonden, dat zoo iets noodig was, weet ik toch dat hetnietnoodig, dathet slecht is, en dat mijn hart, juister dan de menschen en juister dan devooruitgang, oordeelt dat het dwaling is.”De reis naar Rome stelde Tolstoi tot den herfst uit; maar in de lente ging hij uit Parijs rechtstreeks naar Genève, vanwaar hij zijne tante onder anderen schrijft:“Ik heb anderhalve maand te Parijs doorgebracht, en wel zoo aangenaam, dat ik dagelijks tot mij zelven gezegd heb goed gedaan te hebben door in den vreemde te gaan. In gezelschappen en in de letterkundige wereld ben ik weinig geweest; ook cafés en publieke bals heb ik niet dikwijls bezocht; maar desondanks heb ik hier zooveel nieuwe en voor mij interessante dingen leeren kennen, dat ik elken dag bij het naar bed gaan tot mij zelven zei: hoe jammer dat de dag zoo schielijk voorbijgaat; ik heb zelfs geen tijd gehad tot werken, zooals ik van plan was.“De arme Toerghenjeff is physiek zeer ziek, en zedelijk nog meer. Zijne ongelukkigeliaisonmet Madame Viardot en hare dochter houdt hem terug in een klimaat dat schadelijk voor hem is. Het is treurig om aan te zien. Ik had nooit gedacht dat hij zóó kon liefhebben.”Uit Génève deed Tolstoi een uitstapje naar Piémont, in gezelschap van Botkin en Droezjinin, die er ook gekomen waren, en bleef toen eenigen tijd aan het meer van Genève, te Clarens, vanwaar hij zijne tante een opgeruimden brief schreef:“Clarens, 18 Mei 1857.“Ik heb uw’ brief ontvangen, beste tante, die mij, zooals u uit mijn laatsten brief gebleken zal zijn, in de omstreken van Genève bereikt heeft—in hetzelfde dorp Clarens, waar de Julie van Rousseau gewoond heeft.... Ik zal niet trachten u de schoonheid van dit land te schilderen, vooral nu alles in blad en bloem staat; alleen wil ik u zeggen, dat hetletterlijk onmogelijk is om van dit meer en deze oevers te scheiden, en dat ik het grootste deel van mijn’ tijd met zien en bewonderen doorbreng, hetzij ik wandel of eenvoudig voor het venster van mijne kamer zit. Voortdurend wensch ik mij geluk, dat ik op het denkbeeld kwam Parijs te verlaten en hier de lente te gaan doorbrengen, hoewel ik daardoor van uw’ kant het verwijt verdiend heb onstandvastig te zijn. Waarlijk, ik ben gelukkig en begin de voordeelen te gevoelen van met een helm te zijn geboren.“Er is hier een charmant gezelschap Russen, waartoe de Poeschtschin’s, de Karamzin’s en de Meschtscherski’s behooren, die mij allen (de hemel weet waarom!) mogen lijden. Ik gevoel dit; in de maand die ik hier heb doorgebracht bevalt het mij zoo goed en heb ik het zoo naar mijn zin, dat ik met leedwezen aan mijn vertrek denk.”3Behalve deze vrienden woonde toen in den omtrek van Genève, aan den oever van het meer, in het plaatsje Beaucage eene vriendin van Tolstoi, met name Alexandra Andrejewna Tolstoi, hofdame bij de grootvorstin Maria Nikolajewna, die daar een zoon van graaf Stroganoff ter wereld had gebracht. Het bezoeken van deze dames verschafte Tolstoi zeer veel genoegen.Nadat hij omstreeks twee maanden in Clarens had doorgebracht, besloot hij zijne reis te voet voort te zetten. Hij had daar met eene Russische familie kennis gemaakt, waartoe een jongen van omtrent 10 jaar, Sascha, behoorde, dien hij uitnoodigde om mee het gebergte in te gaan. Aanvankelijk was hun doel om over den Col de Jaman Freiburg te bereiken; maar toen zij dezen pas waren overgetrokken, veranderdenzij van besluit en sloegen den weg naar Chateau d’Oex in, vanwaar zij per post-diligence naar Thun reden.In de onuitgegeven manuscripten van Tolstoi zijn reis-aanteekeningen van dezen tocht bewaard gebleven. Daaraan ontleenen wij eenige beschrijvingen van Zwitsersche natuurtafereelen.Eerst voer Tolstoi per stoomboot van Clarens naar Montreux.“15/27 Mei 1857.“Het weder was helder. Het hemelsblauwe Meer van Genève, met zijne witte en zwarte stippen van zeilen en booten, lag daar blinkend aan drie zijden voor ons. RondomGenèveen ver weg over het blauwe meer hing eene trillende, donkere, warme lucht; op den tegenoverliggenden oever verhieven zich de steile bergen van Savoye met hunne witte huisjes aan den voet, en eene gespleten rots, die de gedaante had eener reusachtige witte vrouw in een oud gewaad. Links, juist boven eene reeks van aangrenzende geel-roode wijngaarden, zag men, in een donkergroen bosch van oofttuinen, Montreux met zijne bevallige kerk, die aan de zachte glooiing van den berg hing. Aan den oever lag Ville Neuve met zijn krans van huizen, die helder in de middagzon blonken, de geheimzinnige kloof Salais, met de op elkander gestapelde bergen; het witte, ongastvrije Chillon, vlak boven het water, en het veelbezongen eilandje, dat droomerig maar toch schilderachtig tegenover Ville Neuve verrijst. Het meer rimpelde, de zon straalde recht boven zijne hemelsblauwe oppervlakte, en de over het meer verspreide zeilen lagen roerloos stil.“Verwonderlijk! Ik had twee maanden in Clarens doorgebracht, maar telkens als ik des morgens, of in ’t bijzonder bij het vallen van den avond, na het eten, de blinden van het venster opende, waarover reeds eene schaduw gleed, en mijn’ blik liet glijden over het meer met de blauwe bergenin ’t verschiet, die er zich in spiegelden, dan verblindde mij die schoonheid en was ik plotseling onder den indruk harer verbijsterende macht. Eensklaps ontwaakte dan in mij eene zucht naar liefde, ja, ik gevoelde liefde voor mij zelven, betreurde het verleden, hoopte op de toekomst en begroette het leven met vreugde, wenschte lang, zeer lang te leven, en beschouwde het denkbeeld van den dood als eene kinderachtige, dichterlijke vrees. Somtijds, als ik, alleen in het belommerde tuintje gezeten, onafgebroken naar die oevers en dat meer staarde, gevoelde ik zelfs een zekeren physieken indruk, alsof die machtige schoonheid door het oog zich in mijne ziel uitstortte.”Het volgende verplaatst ons in de bergen:”...Boven ons zongen woudvogels, die zich niet boven het meer, de dennenbosschen en de bewoonde streken laten hooren. Onze tocht was zoo verrukkelijk, dat het ons speet slechts kort te kunnen toeven. Plotseling woei ons een ongewoon heerlijke, een echte lentegeur tegemoet. Sascha snelde het bosch in en plukte kersebloemens af, doch deze gaven bijna geen geur. Aan weerszijden zag men groene boomen en struiken zonder bloemen. De zachte, welriekende geur werd al sterker en sterker. Nadat wij een honderd schreden geloopen hadden, opende zich het struikgewas aan de rechterhand en vertoonde zich eene uitgestrekte, glooiende, lichtgroene vlakte, met eenige hier en daar verspreide huisjes, voor onze oogen.“Sascha snelde het veld in, plukte met beide handen witte narcissen en bracht mij een kolossalen ruiker, die een onverdragelijken geur verspreidde. Maar dit was den knaap nog niet genoeg: met de vernielzucht, kinderen eigen, draafde hij nogmaals het veld in, en trok een aantal prachtige, jonge zonnebloemen af, die bijzonder naar zijn’ zin waren....”In Les Avants bleven zij overnachten. Na de bestijging van een’ berg, schrijft Tolstoi de volgende gedachten neer:“16/28 Mei 1857.“Terecht had men mij gezegd dat, hoe hooger men komt in ’t gebergte, hoe gemakkelijker het loopen wordt.Wij hadden reeds een uur geloopen en voelden geen van tweeën het gewicht onzer rug-zakken, zelfs geen vermoeienis. Ofschoon wij nog geen zon zagen, wierp zij toch hare stralen rakelings over eenige rotsen en pijnboomen aan den horizon, op de hoogten tegenover ons. Omlaag hoorde men het doffe bruisen der bergstroomen; rondom ons vloeide slechts wat sneeuwwater, en bij eene kromming van den weg zagen wij op nieuw het meer met Valès op ontzettende diepte voor ons liggen. Aan den voet der Savooische bergen was het water geheel blauw, evenals het meer, maar donkerder; doch verder op, waar het door de zon beschenen werd, had het een volmaakt lichtroode tint. De besneeuwde bergen werden talrijker; zij schenen hooger en meer afwisselend in vorm. De zeilen en booten lieten zich als nauw merkbare stippen op het meer zien. Het was mooi, zelfs verrassend mooi, maar niet wat ik natuurschoon noem.“....Ik houd niet van die zoogenaamde grootsche en merkwaardige gezichten, die voor mij iets kouds hebben. Wat ik liefheb is de natuur als zij mij aan alle kanten omgeeft en zich daarna ontrolt in een eindeloos verschiet. Ik heb haar lief als mij aan alle zijden eene warme lucht omringt, en die lucht al golvend zich uitstrekt in de onbegrensde verte; als dezelfde sappige grashalmen, die ik druk wanneer ik er op zit, de onafzienbare weiden met een kleed van groen bedekken; als dezelfde bladeren, die, door den wind bewogen, hunne schaduw over mijn aangezicht laten glijden, den donkergroenen omtrek van een ver afzijnd woud verraden;als dezelfde lucht, die mij doet ademen, het donkerblauwe gewelf van den oneindigen hemel vormt; als ik niet de eenige ben die jubelt en zich verblijdt in de natuur; als duizenden insecten rondom mij gonzen en zwermen, het vee in troepjes dartelt, en overal in ’t rond de vogels zingen....“Hier stond ik voor eene naakte, koude, ledige, grauwe vlakte, met geen ander tooisel dan de krippen zoom van het verschiet. Maar dit alles lag zoo ver, dat ik het ware natuurgenot niet smaakte, dat ik mij geen deel gevoelde van dit gansche grenzenlooze en overschoone tafereel. Ik behoorde niet tot dat verschiet....”Zijne reis voortzettende, kwam Tolstoi in Lucern, vanwaar hij zijne tante het volgende schrijft:“Lucern, 6 Juli 1857.“Ik meen u geschreven te hebben, beste tante, dat ik uit Clarens vertrokken ben met het doel om eene vrij groote reis te ondernemen door het noorden van Zwitserland, langs den Rijn, en verder door Holland naar Engeland. Van daar denk ik op nieuw naar Frankrijk en Parijs te gaan, om dan in de maand Augustus eenigen tijd in Rome en Napels door te brengen. Indien ik tegen zeereizen bestand ben, hetgeen blijken zal wanneer ik van den Haag naar Londen ga, denk ik over de Middellandsche Zee, Konstantinopel, de Zwarte Zee en Odessa terug te keeren. Maar dit zijn slechts plannen, die ik wegens mijne wispelturigheid, welke u mij terecht verwijt, beste tante, misschien niet zal verwezenlijken. Ik ben te Lucern aangekomen. Dit is eene stad in het noorden van Zwitserland, niet ver van den Rijn; ik heb mijne reis wat vertraagd, om eenige dagen in dit bekoorlijke stadje door te brengen. Ik ben weer geheel alleen, en wil u wel bekennen, dat de eenzaamheid mij zeer dikwijlsbezwaart; want bij de kennissen, die men in hôtels en onder weg in den trein maakt, moet men zijne toevlucht niet gaan zoeken. Deze afzondering heeft echter ook de goede zijde, dat zij mij tot den arbeid drijft. Ik werk een weinig, maar het gaat slecht, zooals des zomers meest het geval is...”4Gedurende Tolstoi’s verblijf te Lucern viel er iets voor, dat door hem in deGedenkschriften van prins Nechljoedoffverteld wordt. Dit verhaal staat met het jaartal ’57 gemerkt, en moet dus op deze reis betrekking hebben.In deze episode wisselt, naar men weet, de schoone beschrijving der Zwitsersche natuur af met eene uiting van misnoegen over het bederven van de natuur-harmonie ten believe van rijke toeristen, meerendeels Engelschen.De tegenstelling tusschen de doodscheconvenanceaan de table d’hôte en de wilde, maar boeiende, levendige schoonheid van het meer treft den schrijver. En dit gevoel wordt sterker, als hij een’ straatzanger hoort, die zijn lied met de gitaar begeleidt. Dit lied trok als met een’ tooverslag mijne geheele aandacht, en stemde mijne ziel in een’ toon van onuitsprekelijke harmonie.Alle verwarde, onwillekeurige indrukken des levens kregen plotseling voor mij beteekenis en bekoring. In mijn gemoed ontlook als ’t ware eene frissche, welriekende bloem, en de mij tot op dit oogenblik neerdrukkende vermoeienis, verstrooidheid en onverschilligheid werden als weggevaagd en maakten plaats voor een’ drang naar liefde, voor eene hoopvolle stemming en voor eene niet te verklaren levensvreugde. En het was mij of eene innerlijke stem mij zeide: “Wat kan men nog wenschen, wat nog verlangen? Hier is zij, de schoonheid, de poëzie, die u aan alle kanten omringt. Dat wij haarinademen met ruime, volle teugen, haar genieten met al onze krachten! Wat behoeven wij nog meer? Al die zaligheid is ons!...”En andermaal omfloersen de doodsche, vormelijke Engelschen die wondervolle bloem der poëzie met een zwarten sluier....De zanger had zijn lied geëindigd, nam zijn hoed in de hand en hield dien voor de vensters van het rijke hôtel, waarvan het balkon met een drom van elegant gekleede toehoorders gevuld was. Doch niemand gaf hem iets....Door de steenen gevoelloosheid van deze lieden getroffen, snelt Tolstoi naar den muzikant en noodigt hem uit in het hôtel eene flesch wijn te komen drinken. Zijne tartende houding gaf aanstoot, maar dat wil hij juist; hij wil de zelfgenoegzaamheid der rijken kwetsen, wil zijn misnoegen over hunne gevoelloosheid laten blijken. Men liet het voorval bijna onopgemerkt voorbijgaan, maar in den schrijver blijft een gevoel van bitterheid over het onrecht dier menschen en hunne onvatbaarheid om het hoogere geluk te begrijpen, even eenvoudig als menschelijk, en het harmonisch verband daarvan met de natuur. In die stemming spreekt hij de toeschouwers met de volgende overredende woorden toe:“Gij, kinderen van een vrij, humaan volk, gij Christenen—gijmenschen! waarom hebt gij het weldadige genot, dat u een ongelukkig smeekend man verschafte, met koelheid en spot beantwoord? Maar neen... in uw vaderland zijn toevluchtshuizen voor armen. Er moesten ook geen armen zijn, er moest geen gevoel van medelijden zijn, waarop de armoede steunt! Doch deze man heeft zich moeite gegeven om u genoegen te doen, heeft u gebeden hem iets van uw’ overvloed te geven voor zijn werk, waarvan gij genoten hebt. En van uwe hooge praalvertrekken zaagt gij hem aan met een kouden glimlach, als ware hij een curiositeit; en onderu honderden gelukkigen en rijken was niet één persoon te vinden, die hem iets toewierp voor zijne moeite! Beschaamd is hij toen heengegaan, gevolgd door de domme menigte, die nietumaarhemuitjouwde, omdatgijhardvochtig, koud en gewetenloos zijt. Men heefthemgehoond, omdatgijhem het genot hebt ontstolen, dat hij u verschafte!“Den 7denJuli 1857 zong te Lucern voor het hôtel Schweizerhof, waarin de rijkste lieden logeeren, een reizend liedjeszanger een half uur lang liederen, en speelde daarbij op de gitaar. Omtrent tweehonderd personen hoorden hem aan. De zanger smeekte allen tot driemaal toe hem iets te geven. Maar geen van deze lieden gaf hem iets en velen lachten hem uit.“Dit is geen verzinsel, doch een beslist feit, dat elk die wil bij de tegenwoordige gasten van hetSchweizerhofkan onderzoeken, terwijl men uit de dagbladen kan te weten komen wie de vreemdelingen waren, die er den 7denJuli logeerden.“Ziedaar eene gebeurtenis, welke de geschiedschrijvers van onzen tijd met vlammende, onuitwischbare letteren moesten opteekenen!”En aan zijne borst ontsnapt een kreet van verbazing over het onbegrijpelijke in dien heelen chaotischen samenhang van feiten, voortvloeiende uit de menschelijke verhoudingen met hunne oppervlakkige gevoelens, gesteld tegenover de machtige natuur met hare harmonische grootheid. In pathetischen, dichterlijken vorm drukt de schrijver zijne gemoedsstemming uit en eindigt het verhaal aldus:“Een ongelukkig, deerniswaardig schepsel is de mensch met zijne behoefte aan nauwkeurige definities, en dobberend op die steeds bewogen, grenzenlooze zee van goed en kwaad, van feiten, beschouwingen en tegenstrijdigheden. Sinds eeuwen kwellen en spannen de menschen zich in, om het goede aan den eenen, het kwade aan den anderen kant te schuiven.Eeuwen zullen voorbijgaan, doch waar en wat het onpartijdige verstand ook legge in de weegschaal van het goede en kwade, de balans zal niet doorslaan en aan elken kant evenveel goed als kwaad bevatten. Dat de mensch toch eens leere niet zoo spoedig en beslist te oordeelen en te denken; mocht hij eens leeren geen antwoord te geven op vragen, welke hem alleen gegeven zijn om altijd vragen te blijven! Begreep hij maar, dat elke gedachte tegelijk valsch en juist is. Valsch is zij om hare eenzijdigheid en doordien de mensch in de onmogelijkheid is om de geheele waarheid te begrijpen; en juist, omdat elke gedachte uiting geeft aan ééne zijde van het menschelijk streven.“Dien steeds bewogen, grenzenloozen, eeuwig wisselenden chaos van goed en kwaad heeft de mensch in afdeelingen gesplitst; hij heeft denkbeeldige lijnen over die zee getrokken en wacht of ook de zee zich zal verdeelen. Alsof er van een ander standpunt, op een ander vlak, geen millioenen andere verdeelingen te maken zijn! ’t Is waar: het zijn de eeuwen welke die nieuwe verdeelingen maken; maar ook de eeuwen zijn bij millioenen voorbij gegaan, en andere zullen volgen!“Beschaving is iets goeds, barbaarschheid iets kwaads; vrijheid iets goeds, slavernij iets kwaads. Zulke denkbeeldige kennis dooft in de menschelijke natuur hare instinctmatige, heiligste en allereerste behoefte aan het goede. Wie zal mij zeggen wat vrijheid of dwingelandij, wat beschaving of barbaarschheid is? Waar zijn de grenzen van het een en van het ander? In wiens ziel is een maatstaf voor goed en kwaad, nauwkeurig genoeg voor het meten van samengestelde, ontastbare feiten? Wiens verstand is groot genoeg om alle feiten uit het verleden te begrijpen en te wegen? Waarom zie ik van het eene meer dan van het ander, indien het standpunt, waarop ik sta, niet de oorzaak is? En wie is in staat, zij het slechts voor een oogenblik, zijn’ geest zóó geheel van’t leven los te maken, dat hij onafhankelijk op dat leven neerziet....?Leo Tolstoi en zijn broeders in 1854.—Blz. 208.Leo Tolstoi en zijn broeders in 1854.—Blz.208.Sergius.—Dmitri.—Nikolaas.—Leo.“Wij hebben één, slechts één onfeilbaren gids en leidsman, een Geest, alomtegenwoordig, Die ons allen tezamen en elk in ’t bijzonder doordringt, Die in ieder een streven wekt om te doen wat noodig is! Dezelfde Geest, Die een’ boom doet groeien in de zon, eene bloem zaden doet geven in den herfst, noopt ons menschen nader tot elkaar te komen, zonder dat wij er van bewust zijn. En die eenige onfeilbare Heilige Geest spreekt luider dan onze woelige kreten van ontwikkeling en beschaving! Wie is meermenschof meerbarbaar: delord, die bij het zien van de versleten kleeren van den zanger verontwaardigd van zijne tafel wegloopt, den arme voor zijne moeite niet het millioenste deel van zijn vermogen geeft, en dan, verzadigd, in een licht, geriefelijk vertrek kalm gaat zitten nadenken over de gebeurtenissen in China, waarbij hij de aldaar gepleegde moorden rechtvaardig vindt? Of denederige zanger, die, op gevaar van gevangenisstraf, met een franc op zak, twintig jaar lang en zonder iemand te schaden over bergen en door dalen trekt, de menschen met zijn gezang en snarenspel opvroolijkend.... en thans, gehoond, bespot, ja bijna weggejaagd, vermoeid, beschaamd en hongerig, zich mogelijk ergens op een hoop vuil stroo te slapen heeft gelegd....? Neen (zeide ik onwillekeurig totmijzelf), men heeft ongelijk dien zanger te beklagen en de welvaart van den lord te benijden. Wie zal het innerlijke geluk durven schatten, dat in de ziel van elk dezer menschen verborgen ligt? De zanger zit misschien nu ergens op een bemodderde stoep, aanschouwt den hemel met zijn blinkend maan- en sterrenlicht, en zingt blijmoedig in den stillen, geurenden nacht: inzijneziel is geen verwijt, geen boosheid of berouw! Maar wie zal weten wat nu omgaat in de ziel van al die rijken achter gindsche hooge muren? Wie zal weten, ofdie allen even zoete, zorgelooze levensvreugde en vrede met de wereld hebben, als er huist in ’t hart van dien armen, nederigen, gehoonden zanger....?“O, hoe oneindig groot is de goedheid en wijsheid van Hem, Die al die tegenstrijdigheden in ’t aanschijn riep en liet voortbestaan! Tegenstrijdigheden? Zoo komen zij ons, nietigen wormen, voor, die driest en misdadig in Zijne wetten en besluiten pogen door te dringen. Vol liefde ziet Hij van Zijne stralende, onbereikbare hoogten op ons neder en verbergt Zich in de eindelooze harmonie, waarin wij met al onze tegenstrijdigheden ons rusteloos bewegen. In uwen trots, o sterveling, denkt gij u aan de algemeene wetten te onttrekken! Neen,... ook gij, met uw nietswaardigen, laffen onwil tegen de armen—ook gij hebt aan den harmonischen eisch van het eeuwige en oneindige beantwoord....”Van Lucern vervolgde Tolstoi zijne reis, eerst langs den Rijn naar Schaffhausen, Baden en Stuttgart, en vervolgens naar Berlijn.Den 8stenAugustus was hij reeds in Stettin, en van daar kwam hij per stoomschip op 30 Juli/11 Augustus te St.-Petersburg.In Petersburg vertoefde hij eene week, bezocht het gezelschap van denSawremjennik, vertoefde bij Njekrassoff en las dezen onder andere zijn verhaalLucernvoor, dat in de September-aflevering, jaargang 1857, van denSawremjennikgedrukt werd. Den 6denAugustus vertrok hij naar Moskou en daarna reisde hij bijna zonder ophouden door naar Toela.Na zijne aankomst in Jasnaja Paljana verdiepte hij zich weer geheel in het beheer zijner goederen.In zijn dagboek uit dien tijd vinden wij, onder andere, de volgende aanteekeningen:“Ziehier hoe ik mijne werkzaamheden heb ingedeeld: dehoofdzaak is letterkundige arbeid, dan familieplichten, vervolgens het bestuur mijner goederen, dat ik echter zooveel mogelijk in handen van den starosta moet laten; ik wil het werk verlichten, het landgoed verbeteren, de uitgaven tot 2000 roebel bezuinigen, en de rest voor de boeren gebruiken. Mijn groot struikelblok is de ijdelheid van het liberalisme. En zoo leef ik,—doe dagelijks eene goede daad—en dat is genoeg!”Korten tijd later schreef hij:“Zelfverloochening bestaat niet hierin, dat men zich onthoudt wat men begeert, maar dat men ijvert, zijn verstand en zijn vernuft gebruikt om zich zelf te geven.”De maand Augustus wijdde hij aan lectuur; hij las twee merkwaardige boeken:De IliasenHet Nieuwe Testament. Beide maakten een diepen indruk op hem:“Ik heb de verrukkelijkeIliastot het einde toe gelezen...”, zoo drukte hij zich uit; en de schoonheid dezer twee boeken doet hem bejammeren, dat er tusschen beide geen verband is.“Hoe kon Homerus niet weten, dat het goede zetelt in de liefde,” roept hij uit, terwijl hij in gedachten beide boeken vergelijkt. “Er is geen betere uitlegging dan de Openbaring.”Half October verhuisden Tolstoi, zijn oudste broeder Nikolaas en zijne zuster Maria naar Moskou. Uit zijn dagboek zien wij, dat hij daar reeds den 17denOctober was. Den 22stenvertrok hij voor eenige dagen naar Petersburg.Tolstoi’s verhaalLucern(uit deGedenkschriften van prins Nechljoedoff), dat, zooals wij boven zeiden, in de September-aflevering van denSawremjennikopgenomen is, werd door de kritiek niet begrepen en bleef bijna onopgemerkt.Het zwijgen der kritici levert een rechtstreeksch en klaar bewijs van hunne eenzijdigheid, bekrompenheid en kortzichtigheid. Volgens eene opmerking van Zelinski, die een’ bundel kritische verhandelingen over Tolstoi heeft uitgegeven, vond hij, ondanks alle moeite, in de periode 1857–1861 geen afzonderlijke kritische verhandelingen of recensiën over Tolstoi’s geschriften, niettegenstaande in de jaren vóór en in dit tijdperk werken als:Jongelingsjaren,Lucern,Albert,De drie Dooden,Familiegelukin druk verschenen.Deze onverschilligheid der kritici was Tolstoi niet ontgaan; en na zijne reis naar Petersburg, in October 1857, schreef hij in zijn dagboek:“Petersburg heeft mij eerst gekrenkt en daarna gerechtvaardigd.Mijne reputatie was gevallen of bijna dood, en innerlijk heeft mij dit zeer bedroefd; maar nu ben ik gerust en weet ik, dat ik iets te zeggen heb en het vermogen bezit om met kracht te spreken. Zeg voortaan maar wat gij wilt, publiek! Ik zal toch volgens mijn geweten werken, alle krachten inspannen, en dan.... dan mogen zij op het altaar spuwen!”Op 30 October keerde Tolstoi naar Moskou terug. Gedurende zijn verblijf daar bezocht hij dikwijls Fet, die in zijneHerinneringendaarvan het volgende verhaalt.“Op zekeren avond, onder de thee, kwam Tolstoi onverwacht bij ons en deelde mede, dat zijne familie, namelijk hij, zijn oudste broeder Nikolaas en zijne zuster, gravin Maria Nikolajewna, tezamen gemeubileerde kamers gehuurd hadden bij Warghin in de Pjatnitzkaja-straat. Weldra kwamen wij met elkander in kennis.“Ik herinner mij niet, onder welke omstandigheden de gebroeders Tolstoi, Leo en Nikolaas, met S. S. Gromeka hebben kennis gemaakt; waarschijnlijk is het bij ons in huis gebeurd.Zeer spoedig waren alle drie met elkander op goeden voet, daar zij hartstochtelijke jagers bleken te zijn.”5Tolstoi’s leven te Moskou heeft zich in die jaren (omstreeks ’50) door niets bijzonders gekenmerkt. Zijne physieke natuur was toen in hare volle kracht en activiteit, en drong hem tot gymnastische spelen en wereldsche genoegens.Fet verhaalt dat er nu en dan ’s avonds duetten bij hem werden georganiseerd, waarbij gravin Maria Tolstoi, eene pianiste en liefhebster van muziek, tegenwoordig was—somtijds vergezeld door hare twee broeders Leo en Nikolaas, of alleen door Nikolaas, die dan de afwezigheid van onzen schrijver verontschuldigde met te zeggen:“Leo is weer met rok en witte das naar een bal gegaan.”In het volgende uittreksel uit deHerinneringenvan Fet wordt van eene dergelijke tijdpasseering gewag gemaakt:“I. P. Borisoff, een niet alledaagsch man, die Tolstoi reeds in den Kaukasus gezien had, kwam reeds bij de eerste ontmoeting met hem, te mijnen huize, onder den onwederstaanbaren invloed van zijn genie. Maar in die dagen viel Tolstoi’s pronkzucht sterk in het oog, en toen nu Borisoff hem op zekeren dag in een nieuwe pelsjas met kraag van grijs berenbont, met glimmenden hoed, die op één oor stond en waaronder de blonde krullende haren golfden, en met een model-rotting in de hand uit wandelen zag gaan, maakte hij een versje op hem:“Hij leunt op zijn stokje,En pronkt met zijn glimmenden hoed.”“Destijds waren onder de aristocratische jeugd gymnastische oefeningen in de mode, waaronder vooral het springen overeen houten paard. Gebeurde het dat men Tolstoi te twee ure in den namiddag wilde spreken, dan was men genoodzaakt naar den tuin der gymnastiekschool op de Balschaja Dmitroffska te gaan. Daar zag men hem, in tricot gekleed, met opgewektheid alle krachten inspannen om over het paard te springen, zonder den lederen, met haar opgevulden kegel aan te raken, die op den rug was geplaatst. Het verwondert ons niet dat de bewegelijke, energieke natuur van den 29-jarigen schrijver zulke inspannende oefeningen noodig had; maar vrij zonderling was het bejaarde mannen met kale hoofden en dikke buiken met de jongelieden te zien meedoen. Een jonge, doch gehuwde man, die in een rose tricot-pak zijn beurt afwachtte, kwam bij elken aanloop met de borst tegen het kruis van het paard terecht, en ging dan bedaard ter zijde, om voor den volgenden plaats te maken.”6In het begin van Januari 1858 kwam gravin Alexandra Andrejewna Tolstoi, eene vriendin uit Tolstoi’s jeugd, Moskou bezoeken. Tolstoi bracht haar met den Nikolajeff-spoorweg naar Klin en reisde van hier naar prinses Wolkonskaja, van wie wij reeds in het hoofdstuk over Tolstoi’s voorouders van moederszijde melding hebben gemaakt. Deze prinses was eene nicht van Tolstoi’s moeder, had uit plichtsgevoel bij haar op Jasnaja Paljana gewoond, en kon onzen schrijver veel belangrijks over zijn vader en moeder vertellen.Tolstoi heeft de aangenaamste herinneringen aan dit bezoek bewaard, en in den tijd dien hij bij haar doorbracht zijn verhaalDe drie Doodengeschreven.Blijkbaar begon het denkbeeld van den dood hem ernstig te verontrusten, en gelijk steeds het geval was, lag de mogelijke oplossing van dit nieuwe probleem voor hem in deharmonie van het verstand met de natuur. Deze zienswijze afvallen beteekende onuitsprekelijk lijden; haar volgen, daarentegen, altijddurend heil, waarmede ook de angel des doods zou verdwijnen.In Februari keerde hij naar Jasnaja Paljana terug. Daarop ging hij opnieuw naar Moskou en vandaar in Maart voor twee weken naar Petersburg. In April was hij in Jasnaja terug, waar hij den geheelen zomer doorbracht. In deze periode besteedde Tolstoi ook veel tijd aan muziek, en richtte hij zelfs, met medewerking van Botkin, Perfiljeff, Mortje en anderen in Moskou, een muziekgezelschap op. Mevrouw Kirjejeffskaja stelde haar salon beschikbaar voor de concerten. Uit dit gezelschap heeft zich het Moskousche Conservatorium gevormd. In ditzelfde jaar kwam onze schrijver te Moskou in nauwe aanraking met het gezin van den reeds bejaarden S. T. Aksakoff.De lente oefende op Tolstoi eene prikkelende werking uit. Deze opwelling van energie wordt door hem in een’ brief aan zijne tante, gravin A. A. Tolstoi, in dat jaar 1858 geschreven, goed weergegeven:Lente...“Grootmoedertje!7“Heerlijk is het leven hier op aarde voor goede menschen; zelfs voor iemand als ik is het hier goed te zijn. In de natuur, in de lucht, in alles ligt hoop, toekomst, eene verrukkelijke, bekoorlijke toekomst.... Soms dwaalt men, als men denkt dat alleen de natuur eene gelukkige herleving wacht; die vreugde wacht ook ons. In zulk een toestand ben ik thans, en met de mij eigene zelfzucht haast ik mij u over dingen te schrijven, die alleen voor mij van belang zijn.“De invloed der lente op mij is van dien aard, dat ik in mijne overmaat van illusiën mij soms verbeeld eene plant te zijn, die, nu met andere ontloken, bestemd is om rustig en tevreden op de wereld te blijven groeien. Onder deze indrukken en in dit jaargetijde heeft eene verandering, eene loutering, eene omkeering in mij plaats, zooals iemand die deze gewaarwording niet heeft ondervonden, zich niet kan voorstellen. De oude mensch is verdwenen. Alle wereldsche verlangens, alle traagheid, alle zelfzucht, alle ondeugden, alle onzinnige, onklare begrippen, alle medelijden, ja zelfs het berouw, zijn verdwenen, en hebben plaats gemaakt voor eene ongewone bloem, die hare bladeren ontplooit en tegelijk met de lente groeit....”Het slot van dezen langen, interessanten brief, dien wij hier gedeeltelijk aanhalen, luidt:“Vaarwel, beste tante, wees niet boos op mij om de dwaasheden die ik u geschreven heb, en antwoord mij met een verstandig woordje, dat gekruid is met goedheid, met Christelijke goedheid. Ik had er u al lang opmerkzaam op willen maken, dat het voor u gemakkelijker is in het Fransch te schrijven, terwijl ik de gedachten eener vrouw in het Fransch beter begrijp.”8In de lente van dat zelfde jaar kwamen Fet en zijne vrouw, op hunne doorreis van Moskou naar hun landgoed, Tolstoi in Jasnaja Paljana bezoeken.In zijneHerinneringengeeft Fet een verhaal van dit bezoek, en schetst tegelijkertijd op interessante wijze Tolstoi’s tante en opvoedster, Tatjana Alexandrowna Jergalskaja.“Nadat wij eene warme en ruime matten kibitka haddengekocht, waarvoor een paar flinke postpaarden werden gespannen, gingen wij met een kamermeisje (waaraan Tolstoi den verdichten naam Maria gegeven heeft)9naar Mtzensk. Van een’ spoorweg was destijds nog geen sprake, maar van de langs den weg geplaatste telegraafpalen zei het volk, dat men daarover een draad zou spannen en er den wil uit Petersburg langs zou zenden.“Voor dien tijd waren wij al zóó eigen met graaf Tolstoi geworden, dat ik het als een groot verzuim zou hebben beschouwd niet een dagje bij hem op Jasnaja Paljana te gaan uitrusten. Daar werden mijne vrouw en ik voorgesteld aan eene charmante oude dame, Tolstoi’s tante Tatjana Alexandrowna Jergalskaja, die ons met die goede, ouderwetsche vriendelijkheid ontving, welke het verblijf in een vreemd huis zoo aangenaam en aantrekkelijk maakt. Tatjana Alexandrowna verdiepte zich niet in herinneringen aan lang vervlogen tijden, maar leefde geheel met hare tegenwoordige omgeving mee.“Zij vertelde dat eenige dagen te voren Sergius Tolstoi uit Pirogoff bij hen geweest was, dat Nikolaas nog altijd met ‘Marietje’ in Moskou vertoefde, maar dat Leo’s vriend D... er onlangs geweest was, en over de zenuwziekte van zijne vrouw geklaagd had.... In moeilijke quaestiën wendde tante zich altijd tot haar neef Leo, en legde zij zich ten slotte bij zijne meening neder. Op zekeren herfstdag reden beiden eens naar Toela, toen tante, die aandachtig uit het raampje van het rijtuig had gekeken, plotseling de vraag deed:“‘Mon cher Léon, zeg mij eens, hoe schrijft men brieven met de telegraaf?’“‘Toen heb ik,’ verhaalde Tolstoi, ‘mijne tante zoo eenvoudig mogelijk de werking van een telegraaftoestel uitgelegd,’na afloop waarvan zij had uitgeroepen: ‘Oui, oui, je comprends, mon cher.’“Ruim een half uur had tante hare oogen langs den draad laten dwalen, toen zij eindelijk verwonderd zeide:“‘Mon cher Léon, hoe zit dat nu? Een half uur lang heb ik geen enkelen brief langs de telegraaf zien vliegen.’“‘Somtijds,’ zoo verhaalde Tolstoi ons, ‘zit ik hier met tante eene maand lang, zonder bloedverwanten of kennissen te zien, totdat zij opeens, bij het opscheppen van de soep bij voorbeeld, met een opgewekt gezicht uitroept:“‘Mais savez-vous, mon cher Léon, on dit....’”Wij zullen hier het tweede gedeelte van Tolstoi’s herinneringen aanhalen, welke op die merkwaardige vrouw, Tatjana Alexandrowna, die zulk een grooten invloed op onzen schrijver heeft gehad, betrekking hebben.“Als ik aan de herfst- en lange winteravonden denk, gevoel ik dat die avonden vol zoete herinneringen voor mij zijn gebleven. Aan die avonden ben ik mijne beste gedachten, mijne beste gemoedsbewegingen verschuldigd. In een leuningstoel gezeten las ik, dacht, luisterde soms naar de gesprekken mijner tante met Natalie Petrowna of met het altijd goede en vriendelijke kamermeisje Loenetschka, wisselde eenige woorden met haar, en ging dan weer zitten lezen en denken. Die trouwe leuningstoel staat nu nog bij mij, maar is niet meer dezelfde; ook de sofa is veranderd waarop de goede oude Natalie Petrowna sliep, die bij mijne tante inwoonde, niet voor hulp, maar omdat zij geen onderkomen had. Tusschen de vensters, onder den spiegel stond de schrijftafel mijner tante, met potjes en schaaltjes die gevuld waren met zoetigheden, als honigkoeken en dadels, waarop zij mij van tijd tot tijd trakteerde. Bij het venster stonden twee leuningstoelen, en rechts van de deur een geborduurderuststoel, waarop zij gaarne had dat ik des avonds ging zitten.“De groote bekoring van dit leven school in de afwezigheid van alle stoffelijke zorg, in de goede, duurzame verstandhouding tusschen alle personen van het gezin, welke door niets werd gestoord, en in het kalme, onbewuste voorbijgaan van den tijd. Toen had ik kunnen zeggen: ‘Wer darauf sitzt, der ist glücklich, und der glückliche bin ich.’“En werkelijk, ik was naar waarheid gelukkig als ik in dien stoel zat. Na een slecht leven in Toela, met kaartspel, zigeuners, jagen, dwaze pronkzucht en dergelijke, keerde ik huiswaarts en ging naar mijne tante. Volgens oud gebruik kusten wij elkaar de hand—ik hare fraaie, welgevormde, zij mijne onbehouwen, grove hand—en heetten elkander (ook weer volgens oud gebruik) in ’t Fransch welkom. Daarna schertste ik eenige oogenblikken met Natalie Petrowna, en ging in den gemakkelijken stoel zitten. Mijne tante wist alles wat ik gedaan had, had er verdriet van, doch met de haar eigen minzaamheid en liefde verweet zij het mij nooit.“Ik ging op mijn stoel zitten lezen, denken, en luisterde naar hare gesprekken met Natalie Petrowna. Nu eens herdachten zij den ouden tijd of speelden een partijtjepatience, dan weer wezen zij elkaar op voorteekenen of schertsten over het een en ander, en dan lachten de beide oudjes (vooral tante) met een grappig, kinderlijk lachje, dat ik dadelijk onder het lezen hoorde. Ik begon te vertellen dat de vrouw van een mijner kennissen haren man ontrouw was geworden, en zeide dat die man blij moest zijn van haar verlost te wezen. Daarop trok tante, die juist met Natalie er over sprak, dat een dief aan de kaars ‘gasten’ beteekende, plotseling de wenkbrauwen samen en zeide, dat hare overtuiging steeds geweest was, dat de man zoo iets niet mag laten blijken, daar hij dan zijne vrouw geheel in het ongelukstort. Hierna vertelde zij mij een treurig geval onder het dienstpersoneel, dat Loenetschka haar had meegedeeld. Na afloop daarvan las zij een’ brief voor van mijne zuster Maria, die zij evenveel, zoo niet meer, liefhad als mij en sprak over het leed dat haar man, een eigen neef van tante, Maria had aangedaan: welk feit zij niet veroordeelde of gispte, doch betreurde. Eindelijk ging ik weer lezen, terwijl tante, in herinneringen verdiept, hare snuisterijen doorsnuffelde.“Hare voornaamste eigenschap, die onwillekeurig op mij is overgegaan, was hare verwonderlijke, algemeene goedheid jegens allen zonder onderscheid. Trots alle moeite kan ik mij uit mijn geheele leven geen geval herinneren, dat zij boos werd, een hard woord zeide of iemand veroordeelde, hekelde of berispte. Zij sprak goed over mijne andere tante, die haar bitter gegriefd had door ons van haar weg te nemen, en veroordeelde ook den man mijner zuster niet, die zich zeer slecht tegen Maria had gedragen. Zij was grootgebracht in het begrip dat er heeren en dienaren zijn, maar gebruikte hare heerschappij alleen om de menschen te dienen. Nooit heeft zij mij rechtstreeks mijn slecht leven verweten, ofschoon zij er verdriet van heeft gehad. Mijn broeder Sergius, dien zij ook hartelijk liefhad, heeft zij er evenmin een verwijt van gemaakt dat hij omgang hield met een Zigeunermeisje. De eenige zweem van boosheid op hem was, dat zij, als Sergius er in lang niet geweest was, zeide: ‘Waar blijft onze Sergius toch?’ terwijl zij hem anders meer vriendelijk ‘Serjoscha’ noemde. Nooit leerde zij met woorden hoe men leven moest, en zij hield ook niet van zedepreeken. Haar geheele zedelijke arbeid was de verbetering van haar eigen innerlijk; het uiterlijke gaf slechts daden te zien, of liever—want daden waren er niet—een geheel leven van rustige kalmte, zachtmoedigheid en stille, onopgemerkte liefde voor anderen.“Innerlijk verrichtte zij een werk van liefde, en daarom waszij steeds rustig en kalm. Deze beide eigenschappen van liefde en bedaardheid werkten onmerkbaar aanstekelijk op anderen, en gaven aan den omgang met haar eene eigenaardige bekoring.“De omstandigheid dat ik geen enkel geval ken, waarin zij iemand beleedigd heeft, is oorzaak dat ik ook niemand ken, die haar niet mocht lijden. Nooit sprak zij over zich zelve, nooit over godsdienst: hoe men gelooven moest, wat haar eigen geloof was en hoe zij bad. Zij geloofde in waarheid aan alles, maarverwierpalléén het dogma der eeuwige kwellingen, ‘want,’ zeide zij: ‘Dieu, qui est la bonté-même, ne peut pas vouloir nos souffrances.““Behalve bij Te Deum’s en zielmissen heb ik nooit gezien hoe zij bad. Alleen kon ik uit de ongewone minzaamheid, waarmee zij mij somtijds toesprak, als ik haar ’s avonds laat nog iets moest zeggen, nadat ik reeds goeden nacht gewenscht had, opmaken, dat ik de goede ziel bij het bidden gestoord had.“‘Kom binnen, kom binnen,’ placht zij dan te zeggen. ‘Juist heb ik tegen Natalie Pretowna gezegd, dat Nikolaas nog wel bij ons zou komen.’“Dikwijls noemde tante mij bij mijn’ vadersnaam en dat deed mij aangenaam aan, wijl het bewees dat de voorstelling, die zij zich van mijn’ vader en mij gemaakt had, één was wat hare liefde voor beiden betrof. Op dit late uur was tante reeds in nachtoilet. Zij had een doek om hare schouders geslagen en hare kleine voetjes staken in pantoffels. In een dergelijk négligé vertoonde zich ook Natalie Petrowna.“‘Ga zitten, ga zitten,’ zei tante dan, als zij zag dat ik nog geen lust had te gaan slapen, of dat de eenzaamheid mij drukte. De herinnering aan die ongedwongen, late avondbezoeken is mij nog steeds lief.“Dan gebeurde het, dat Natalie Petrowna of ik iets grappigszeiden, zoodat tante begon te lachen, waarmede Natalie Petrowna dadelijk instemde. En de beide oudjes lachten nog lang, soms zonder dat zij wisten waarom. Zij lachten als kinderen, omdat zij iedereen liefhadden en het hun goed was. Het was niet slechts die goedhartige liefde jegens mij, die mij verblijdde, maar ook die sfeer van liefde jegens allen, voor de aanwezigen en de afwezigen, voor de levenden en de afgestorvenen, en zelfs voor de dieren.“Komt de tijd dat ik een overzicht van mijn leven moet geven, dan zal ik meer van haar vertellen. Nu zal ik alleen van de stemming onder het volk—de boeren van Jasnaja Paljana—jegens haar spreken, die zich bij gelegenheid van hare begrafenis uitte. Toen wij tante door het dorp droegen, was er geen enkele van de 60 boerenwoningen, waar de bewoners niet naar buiten kwamen met het verzoek den stoet een oogenblik stil te doen staan en om de gebeden voor de afgestorvenen voor haar te bidden.—‘Zij was eene brave barina10, die niemand kwaad gedaan heeft,’ zeiden allen. En daarom had men haar hartelijk lief. Lao Tsz’ heeft gezegd, dat de waarde der dingen ligt in hetgeen zijnietbezitten. Dit was ook op haar leven van toepassing, waarvan de waarde voornamelijk bestond in de afwezigheid van al wat slecht is. Inderdaad, in het leven van tante Tatjana Alexandrowna lag niets slechts. Dit laat zich zoo gemakkelijk zeggen, maar zoo moeielijk verwezenlijken! Ik heb ook maar één mensch gekend die zóó was!“Kalm is zij gestorven. Allengs sluimerde zij in en stierf, volgens haar wensch, niet in de kamer waar zij gehuisd had, om daar geen treurige herinneringen voor ons achter te laten.“Zij is heengegaan, bijna zonder iemand herkend te hebben. Mij heeft zij tot op het laatste oogenblik gekend, met eenlachje op de lippen, dat haar gelaat deed stralen. Soms bewoog zij de lippen en poogde den naam Nikolaas uit te spreken, mij kort voor haar dood geheel vereenzelvigende met hem dien zij haar leven lang had liefgehad.“En die goede vrouw heb ik nog dat kleine genoegen geweigerd, dat haar de dadels en de chocolade verschaften, welke zij vroeg, minder voor zich zelve, dan om mij te trakteeren; ook heb ik haar de gelegenheid ontnomen nog wat geld te geven aan elk, die er haar om vroeg. Ik kan daar niet aan denken zonder een kwellend verwijt van mijn geweten. Lieve, beste tante, vergeef mij! Hadde ik in mijne jeugd maar het goede gekend, en op mijn ouden dag het goede kunnen doen,—ik bedoel niet het goede, dat ik mij in mijne jeugd heb onthouden, maar het goede dat ik anderen onthield,—dan had ik hun die reeds ten grave zijn gedaald het kwade niet gedaan!”11Ofschoon Tolstoi den zomer van het jaar 1858 niet geheel te Jasnaja Paljana doorbracht, maar voor eene poos naar Moskou ging, stelde hij meer en meer belang in het leven der boeren en deed hij pogingen om hun nader te komen.Fet haalt in zijneHerinneringeneen verhaal aan van Leo’s broeder, dat op dien tijd betrekking heeft en met den fijnen humor, Nikolaas eigen, geschreven is.“Toen wij naar Leo Tolstoi vroegen, vertelde de graaf met zichtbaar welgevallen het volgende van zijn geliefden broeder:“‘Leo,’ zoo sprak hij, ‘tracht zich met ijver aan de landelijke leefwijze en bezigheden te gewennen, waarmee hij, evenals wij allen, tot heden maar oppervlakkig bekend was. Ik weet echter niet, wat er van die pogingen terecht moetkomen. Leo wil alles tegelijk doen, zonder iets van zijn ander werk te laten varen, zelfs de gymnastiek niet. Voor het venster van zijne studeerkamer heeft hij een rekstok laten maken. Natuurlijk heeft hij gelijk, dat hij zich losmaakt van de vooroordeelen, waartegen hij zoo te velde trekt. De gymnastiek zit zijn werkzaamheden niet in den weg, maar de dorpsschout ziet de zaak toch eenigszins anders in.—“Men komt,” zegt hij, “bij den barin om een order te vernemen, maar de barin heeft zijn eene knie om den rekstok geslagen, hangt, in een rood buis, met het hoofd omlaag en zwaait heen en weer; zijne haren hangen neder en zwieren mee, zijn gezicht is bloedrood. Ik geef het iemand te doen om onder die kunsten orders van hem aan te hooren, en hem in ’t gezicht te zien!”’“Leo heeft er schik in, als hij ziet hoe de arbeider Joefan met buitenwaarts gebogen armen aan het ploegen is. Joefan is voor hem het type van een krachtigen boerenarbeider, in den geest van Mikoela Seljaninowitsch. Dan slaat hij zelf de handen aan den ploeg, buigt de armen ook buitenwaarts en doet Joefan na.”12Nadat Tolstoi zich in den zomer met zijn landgoed had bezig gehouden, zien wij dat hij zich ook met maatschappelijke zaken inliet.Tegen den herfst van het jaar 1858 had in Toela eene bijeenkomst plaats van den adel uit het geheele gouvernement, met het doel afgevaardigden te kiezen in het Comité van het Gouvernement Toela tot verbetering van het bestaan der boeren. Op deze vergadering deden 105 edelen, op grond van het verkiezingsreglement voor den adel, hetwelk hun toestaat hunne meening over de plaatselijke nooden enbehoeften van hun gouvernement voor te dragen, den Maarschalk van Toela het volgende voorstel, ten einde het aan het oordeel van het Gouvernements-Comité te onderwerpen:“Zoowel ter verbetering van het bestaan der boeren, als tot waarborg van den eigendom der grondbezitters en tot zekerheid van beide partijen, achten wij, ondergeteekenden, het noodig den boeren niet anders de vrijheid te geven, dan onder toewijzing van eene zekere hoeveelheid land in erfelijk bezit. Voorts, dat de grondbezitters voor het door hen afgestane land volledige en eerlijke schadeloosstelling in geld ontvangen, volgens nader te bepalen financiëelen maatstaf, die geenerlei gedwongen betrekkingen tusschen de boeren en de grondbezitters na zich sleept,—welke betrekkingen de adel noodig acht af te breken.” (Volgen de handteekeningen der 105 Toela’sche edelen, waaronder ook voorkomt die van graaf Leo Tolstoi, grondbezitter in het district Krapifka.)13In December 1858 had Tolstoi op jacht een avontuur, dat hem bijna het leven gekost had. Ziehier wat Fet daarvan verhaalt.14“Gromeka schreef den 15denDecember 1858:“‘Overeenkomstig uw verzoek, haast ik mij u mee te deelen, waarde Afanasius Afanasijewitsch, dat ik dezer dagen, van omstreeks 18 tot 20 dezer, op de berenjacht ga. Zeg aan Tolstoi, dat ik eene berin met twee éénjarige jongen heb gekocht en of, zoo hij lust heeft aan onze jacht deel te nemen, hij zoo goed wil zijn, tegen 18 of 19 dezer rechtstreeks bij mij in Wolotschok te komen. Hij behoeft volstrekt geen plichtplegingen te maken; ik zal hem met open armen ontvangen, en er zal eene kamer voor hem in orde wordengebracht. Indien hij niet komt, verzoek ik u mij tegen dien tijd bericht te willen zenden.Caricatuur van de medewerkers aan den Sawremjennik: Panajeff, Njekrassoff, Grigorowitsch, Toerghenjeff, Ostrowski, Tolstoi.—Blz. 242.Caricatuur van de medewerkers aan denSawremjennik: Panajeff, Njekrassoff, Grigorowitsch, Toerghenjeff, Ostrowski, Tolstoi.—Blz.242.“‘Ik vermoed dat de jacht den 19denzal plaats hebben. Het zal dan het best en zelfs noodig zijn den 18denhier te wezen.“‘Wil Tolstoi de jacht tot den 21stenuitstellen, meld mij dit dan; maar langer kunnen wij niet wachten.’”Om aan deze woorden nog meer kracht bij te zetten, kwam de bekende berendrijver Ostaschkoff Tolstoi bezoeken. Zijne verschijning onder de jagers kan het best vergeleken worden bij het dompelen van een gloeiend ijzer in water. Allen werden opgewonden en luidruchtig. Daar elken jager op de berenjacht de raad gegeven was twee geweren mee te nemen, had Tolstoi mij mijn Duitsch tweeloops-geweer gevraagd, dat voor hagel bestemd was. Op den afgesproken dag begaven onze jagers (Leo zelf, benevens zijn broeder Nikolaas) zich naar het station van den Nikolajeff-spoorweg. Ter wille van de nauwkeurigheid zal ik hier woordelijk weergeven wat ik van Tolstoi zelf, en van de vrienden die hem op de jacht vergezelden, vernomen heb.“Toen de jagers, elk met twee geladen geweren gewapend, langs de open woudvlakte geposteerd waren, die door holle wegen als een schaakbord in vakken verdeeld was, werd hun de raad gegeven, de hooge sneeuw, die hen omringde, in een wijden kring vast te stampen, om zoodoende de meest mogelijke vrijheid van beweging te verkrijgen. Maar Leo, die bijna tot zijn middel in de sneeuw stond, achtte dien maatregel overbodig, omdat het doel toch was den beer te schieten en niet met hem te worstelen. Met dit oogmerk bepaalde de graaf zich er toe zijn geladen geweer tegen den stam van een boom te zetten, om, zoodra hij hieruit twee schoten gelost zou hebben, het weg te werpen en dan mijn Duitsch tweeloops te grijpen.“De reusachtige, door Ostaschkoff uit haar hol opgejaagdeberin liet niet lang op zich wachten, en draafde, langs een der holle wegen die de woudvlakte kruisten, naar de ruimte waar de jagers stonden. Het toeval wilde dat deze holle weg uitkwam op dien, welke het dichtst gelegen was rechts van de plek waar Tolstoi op post stond, zoodat de graaf de nadering der berin niet kon opmerken. Mogelijk had het dier den jager, op wien het toesnelde, al vooraf geroken, althans het stormde eensklaps uit den tegenover liggenden hollen weg, verscheen onverwacht op de vlakte, op zeer korten afstand van Tolstoi, en draafde regelrecht op hem aan. Kalm legde de graaf aan, trok af, doch raakte het dier waarschijnlijk niet, want nog vóór de rook was weggetrokken, zag hij eene reusachtige, donkere massa voor zich, waarop hij bijnaà bout portantlosbrandde. De kogel vloog het dier in den bek en bleef tusschen de tanden steken.“Doordien de graaf verzuimd had de omringende sneeuw vast te treden, kon hij zich niet zijwaarts wenden en evenmin mijn geweer grijpen, daar hij plotseling een hevigen stoot tegen de borst kreeg, die hem ruggelings in de mulle sneeuw deed tuimelen. In volle vaart stormde de berin over hem heen. ‘Nu ben ik verloren,’ dacht de graaf. ‘Ik heb misgeschoten en kan niet voor de derde maal vuur geven.’ Maar op hetzelfde oogenblik zag hij eene donkere massa boven zijn hoofd. Het was de berin, die na haren sprong onmiddellijk rechtsomkeert had gemaakt, en den schedel van den jager, dien zij door een stoot omver had geworpen, trachtte stuk te bijten. Daar Tolstoi weerloos op zijn rug in de diepe sneeuw lag, kon hij slechts passieven weerstand bieden. Het eenige wat hij dan ook deed, was het hoofd zoo diep mogelijk tusschen de schouders te trekken en zijne harige muts voor den muil van het dier te houden. Dank zij deze instinktmatige handeling, beet het dier tweemaal mis en gaf hem slechts een geduchten knauw, doordien het metde boventanden zijne wang onder het linkeroog openscheurde, en met de ondertanden de geheele linkerhelft van de schedelhuid aftrok.“Op dit hachelijke oogenblik snelde Ostaschkoff, die met eene korte ijzeren staaf in de hand voortdurend in de nabijheid was gebleven, met opgeheven armen en onder het gewone geroep van: ‘Scheer je weg! Scheer je weg!’ op de berin toe. Nauwelijks had het dier dien uitroep gehoord, of het pakte in allerijl zijne biezen, om, zooals men denken kan, den volgenden dag toch gegrepen en afgemaakt te worden.“Toen men Tolstoi op de been geholpen en zijn half ontveld en hevig bloedend gezicht behoorlijk verbonden had, waren zijne eerste woorden: ‘Wat zal Fet daar wel van zeggen!’“Ook nu nog ben ik trotsch op deze woorden.”15Toen Tolstoi van dit ongeval eenigszins hersteld was, haastte hij zich zijne tante het voorgevallene mee te deelen.“In de eerste plaats groet ik u hartelijk; ten tweede haast ik mij u zelf van mijn ongeval in kennis te stellen, uit vrees dat u het anders met de noodige bijvoegingen uit den mond van anderen zult hooren.“Nikolaas en ik zijn op de berenjacht geweest. Den 20stenheb ik een’ beer gedood; den 22stenzijn wij nogmaals op weg gegaan en is mij een’ buitengewoon ongeval overkomen. Onverwacht wierp eene berin zich op mij; op zes pas afstands brandde ik mijn geweer los, doch ik miste bij het eerste schot. Bij het tweede trof ik haar doodelijk in den muil; niettemin sprong het dier op mij toe, gaf mij een’ stoot, zoodat ik neertuimelde, en, terwijl de anderen toesnelden, beet het mij tweemaal: eens op het voorhoofd, de tweede maal onder het oog. Gelukkig heeft dit alles slechts 10 of 15 secondengeduurd. De berin ging op de vlucht, en ik werd op de been geholpen, met eene kleine wond, die mij niet mismaakt en zelfs geen pijn veroorzaakt. Noch het schedelbeen, noch het oog zijn beschadigd, zoodat ik er met een klein litteeken op het voorhoofd ben afgekomen. Ik ben op het oogenblik te Moskou en voel mij volmaakt gezond. Ik schrijf u de zuivere waarheid, zonder iets te verbergen, opdat u zich niet ongerust zult maken. Nu is alles voorbij en rest mij nog God te danken, die mij op zoo buitengewone wijze gered heeft.”16Dit avontuur diende Tolstoi als thema voor zijn verhaal:Een jacht die nog erger is dan gevangenschap, dat in deLeesboekjeswerd opgenomen. In dit verhaal staan tal van merkwaardige bijzonderheden, die door Fet zijn weggelaten; maar wijl het in dien vorm zeer moeielijk is het zakelijke gedeelte der vertelling te onderscheiden van wat er door de fantasie is bijgevoegd, hebben wij aan deHerinneringenvan Tolstoi’s vriend en aan zijn eigen brief aan tante Tatjana, die meer aan ons doel beantwoordden, de voorkeur gegeven boven het door hem geschreven verhaal.De eerste maanden van het jaar 1859 bracht Tolstoi in Moskou door; maar in April ging hij naar Petersburg, waar hij tien dagen in gezelschap van zijne vriendin A. A. Tolstaja doorbracht. Van deze reis zijn hem de aangenaamste herinneringen bijgebleven.Op het einde van April ging hij weer naar Jasnaja Paljana, waar hij den geheelen zomer bleef.Gedurende dien zomer bezocht Tolstoi Toerghenjeff op zijne villa Spasskoje.Hoewel beide mannen elkander steeds met wederzijdsche achting behandelden, was de verhouding toch nog steeds koel.Niettemin had dit bezoek een gunstig en aangenaam verloop. Op 9 October van hetzelfde jaar liet Toerghenjeff in een brief aan Fet zich aldus uit:“Onze dames zenden u hare beste groeten. Van Tolstoi heb ik een aangenaam bezoek gehad, en vriendschappelijk zijn wij gescheiden. Mij dunkt dat er tusschen ons geen misverstand kan bestaan, daar wij elkander duidelijk begrijpen en inzien, dat een intiem samengaan voor ons onmogelijk is. Wij zijn van te verschillende klei gemaakt.”In Augustus reisde Tolstoi andermaal naar Moskou, waar hij den herfst doorbracht.Het jaar 1860 ging hij in onrustige stemming tegemoet.Het beheer van het goed, de druk van het eenzelvige leven, allerlei twijfel en pessimistische gevoelens bestormden zijn gemoed.Niettemin vond hij in den winter van 1859 op 1860 uitspanning en opbeuring in zijne scholen. InBiechtschrijft hij over dien tijd het volgende.“Na mijn’ terugkeer uit het buitenland vestigde ik mij op het land en kwam op het denkbeeld mij met de boerenscholen bezig te houden. Deze taak was bijzonder naar mijn’ zin, wijl er niet dat leugenachtige in lag opgesloten, dat mij duidelijk was geworden en reeds bij het letterkundig onderwijs mijne aandacht had getrokken. Ook hier werkte ik in naam van denvooruitgang, maar nam tegenover dezen reeds het standpunt van den kritikus in. Ik zeide tot mijzelf, dat devooruitgangin enkele gevallen verkeerde resultaten had opgeleverd, en dat men zich eigenlijk tot de allereenvoudigste lieden, tot de boerenkinderen moet wenden en het geheel aan hunne vrije keus overlaten den weg van vooruitgang te kiezen, dien zij wenschen. In werkelijkheid draaide ik steeds om dezelfde onoplosbare quaestie heen, hierin bestaande,dat ik niet wist wat ik onderwees. In de hoogere sferen van letterkundigen arbeid had ik begrepen, dat men niet onderwijzen kan, zoo men niet weet wat men onderwijst, omdat ik gezien had, dat allen verschillend onderwijzen en bij hunne onderlinge twisten hunne onwetendheid voor zich zelven verbergen. Hier, in het geval van de boerenkinderen, dacht ik dat deze moeilijkheid te vermijden zou zijn, door aan de kinderen over te laten te leeren wat zij wilden. Nu vind ik het komisch, als ik er aan denk welke kunstgrepen ik gebruikt heb om mijn wensch—het onderwijzen—te vervullen, ofschoon ik in den grond van mijn hart overtuigd was, dat ik niet kon onderwijzen wat noodig was, daar ik niet wist wat ik daaronder moest verstaan.”Dit bestendige gevoel van ontevredenheid over zich zelf, dit zoeken naar de reden van het bestaan, was steeds de werkende kracht, welke hem onweerstaanbaar voortdreef op den weg van zedelijken vooruitgang.In Februari 1859 werd Tolstoi gekozen als lid van hetMoskousche Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde.Den 4denFebruari 1859 had, onder praesidium van A. S. Chomjakoff, eene vergadering van dit genootschap plaats, waarop van de nieuw gekozen leden ook graaf Tolstoi tegenwoordig was, die, volgens de gebruiken van dit Genootschap, eene intreêrede hield, waarin hij, zooals in het protocol van het Genootschap gezegd wordt, “de quaestie besprak van de voorkeur van het bellettristisch element in de letterkunde boven al hare andere richtingen.” Tot ons leedwezen hebben wij deze redevoering niet onder de oogen kunnen krijgen. In de verslagen van het genootschap luidt het, dat aanvankelijk besloten was deze redevoering in de werken van het genootschap af te drukken; doch later besloot men, aangeziende uitgaaf van deze werken niet plaats vond, de redevoering aan den schrijver terug te zenden, bij wien zij vermoedelijk onder oude papieren verloren is geraakt.Wij kunnen ons eenige voorstelling van die redevoering maken, zoo wij de loffelijke toespraak lezen, waarmede A. S. Chomjakoff haar beantwoordde en die wij hier in haar geheel laten volgen.“HetMoskousche Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde, dat u, Graaf Leo Tolstoi, onder het getal zijner werkzame leden heeft opgenomen, heet u met blijdschap welkom als medewerker op het gebied der zuivere bellettrie. Deze zuiver litteraire richting verdedigt gij in uwe redevoering, en stelt haar hoog boven alle andere tijdelijke en toevallige richtingen van letterkundigen arbeid. Zonderling zou het zijn, indien het Genootschap daarin niet met u sympathiseerde. Veroorloof mij, intusschen, te zeggen, dat de billijkheid der meening, welke door u met zooveel talent is uitgesproken, geenszins de rechten van het tijdelijke en toevallige op het gebied der taal te niet doet. Datgene wat altijd schoon en onveranderlijk is, als de grondwetten der ziel zelve, neemt, en moet ongetwijfeld innemen, de eerste plaats in de gedachten, de drijfveeren en dus ook in het gesproken woord der menschen. Dit en alléén dit wordt van geslacht op geslacht, van het eene volk op het andere overgedragen, als een kostbaar erfdeel dat steeds vermeerdert en nooit in vergetelheid geraakt.“Maar aan den anderen kant bestaat er, zooals ik reeds de eer had te zeggen, in de natuur van den mensch, zoowel als in die der maatschappij, eene duurzame behoefte aan overtuiging. De geschiedenis wijst op tal van belangrijke momenten, waarin die overtuiging bijzondere, onomstootelijke rechten verkrijgt en niet meerdere juistheid en scherpte in de maatschappelijke taal doordringt. Het toevallige en het tijdelijke in denhistorischen gang van het volksleven krijgt de beteekenis van het algemeene, het universeel menschelijke, omdat alle geslachten, alle volken de ziekelijke verzuchtingen en bekentenissen van een of ander geslacht of volk kunnen begrijpen en dat ook werkelijk doen. De rechten der bellettrie, die dienares van eeuwige schoonheid, vernietigen niet de rechten der overtuigende of bewijsvoerende letterkunde, welke steeds de maatschappelijke onvolmaaktheid vergezelt en soms heilzaam blijkt voor de maatschappelijke wonden. In de onverstoorde waarheid en harmonie der ziel ligt een oneindige schoonheid; maar ook in de boete, in het berouw, dat de waarheid hooghoudt en den mensch of de maatschappij naar zedelijke volmaaktheid drijft, ligt ware, verhevene schoonheid.“Sta mij toe hier bij te voegen, dat ik de meening van den, naar het mij voorkomt, eenzijdigen Duitschen aestheticus niet kan deelen. Wel is de kunst, de bellettrie, geheel vrij en vindt zij rechtvaardiging en doel in zich zelve, maar de vrijheid der kunst, als abstract begrip, staat in geenerlei betrekking tot het innerlijke leven van den kunstenaar. De kunstenaar is geen theorie, geen gebied van gedachten en gedachtenarbeid: hij is een mensch, steeds een mensch van zijn tijd, gewoonlijk de beste vertegenwoordiger er van, die hem met zijn’ geest en met zijne rijpe of ontluikende neigingen doordringt. Wegens zijne ontvankelijkheid voor indrukken, zonder welke hij geen kunstenaar zou kunnen zijn, neemt hij—meer dan andere menschen—alle ziekelijke en ook blijmoedige aandoeningen der maatschappij waarin hij geboren is, in zich op. Doordien hij zich steeds aan het ware en schoone wijdt, weerspiegelt hij onwillekeurig door een woord, door den zin eener gedachte of voorstelling het actueele in zijn mengsel van waarheid, die eene reine ziel verblijdt, en van leugen, die de harmonische rust der ziel verstoort.“Zoo vloeien de twee gebieden, de twee afdeelingen derletterkunde, waarvan wij spraken, ineen; zoo wordt een schrijver, een dienaar van de zuivere kunst, somtijds bewijsvoerder, zonder dat hij het zelf weet, zonder zijn eigen wil en soms ook tegen zijn’ wil. Ik neem de vrijheid u zelf, graaf Tolstoi, als voorbeeld te nemen. Gij volgt getrouw en standvastig een bewusten en bepaalden weg; maar zijt gij wel zoo geheel vreemd aan die richting, welke met den naam van overtuigende of bewijsvoerende letterkunde bestempeld wordt? Hebt gij niet eens in uw leven in het beeld van een teringachtigen boer, die te midden van een aantal kameraden, blijkbaar onverschillig voor zijn lijden, op zijne kachel sterft, de eene of andere maatschappelijke ziekte, de eene of andere ondeugd aangewezen? Hebt gij, bij het beschrijven van dien dood, geen leed gehad over die harde gevoelloosheid van goede, maar niet ontwaakte menschenzielen?... Ja—ook gij waart en zult onwillekeurig zijn: bewijsvoerder, beschuldiger! Ga met God op den wonderschoonen weg voort, dien gij u hebt gekozen. Ga voort met hetzelfde gunstige gevolg, waarmee ge tot heden bekroond zijt geworden,—of met nog glansrijker, want uwe gave is niet van voorbijgaanden aard, en niet spoedig uitgeput. Maar geloof vrij, dat in de letterkunde het eeuwige en artistieke steeds het tijdelijke en vergankelijke in zich opneemt, het vervormt en veredelt, en dat alle verschillende loten der menschelijke taal zonder ophouden samengroeien tot een enkel harmonisch geheel.”Chomjakoff’s voorspelling werd verwezenlijkt. Zonder nog te spreken van de beschuldigende elementen in alle geschriften der eerste periode, kwam Tolstoi 20 jaren later met zijneBiechten daarna met de aanwijzing van het kwade der tegenwoordige maatschappij voor den dag. En aan deze taak heeft hij zijne machtige kunstenaarsgaven gewijd.1Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff.2Uit de Papieren van Droezjinin. Petersburg, 1884.3De eerste van deze twee brieven aan zijne tante was geheel, de tweede gedeeltelijk in het Fransch geschreven.4Deze brief was in ’t Fransch geschreven.5A. Fet.Mijne Herinneringen1848–1889.6A. Fet,Mijne Herinneringen1848–1889.7Tolstoi noemde zijne tante, de onlangs overleden gravin A. A. Tolstaja, schertsenderwijze “Grootmoedertje”.8Iw. Zacharjin (Jakoenin). Herinneringen aan gravin A. A. Tolstoi.Europeesche Bode, Jan. 1904.9Zie zijnFamiliegeluk.10Barina is de vrouwelijke vorm van barin = heer.11Uit de gedenkschriften van Tolstoi.12A. Fet,Mijne Herinneringen, Blz. 237.13Sawremjennik1858, Deel 72, Bladz. 300.14In Fet’sHerinneringenis dit avontuur abusievelijk opgegeven als in Januari 1858 te hebben plaats gehad.15A. Fet,Mijne Herinneringen.16in het handschrift in het Fransch.
Den 29stenJanuari uit Moskou vertrokken, ging Tolstoi per postdiligence naar Warschau, en van Warschau per spoor naar Parijs, waar hij 21 Februari (nieuwe stijl) aankwam.
Hier werd hij opgewacht door Toerghenjeff, die 23 Januari reeds aan Droezjinin geschreven had:
“Tolstoi schrijft mij, dat hij aanstalten maakt om hierheen te komen, en in de lente van hier naar Italië te gaan; zeg hem, dat hij zich haaste, indien hij mij treffen wil. Overigens zal ik hem zelf schrijven. Uit zijne brieven zie ik, dat er zeer heilzame veranderingen in hem hebben plaatsgegrepen, en ik verheug mij daarover ‘evenals eene oude kindermeid.’ Ik heb zijn verhaalEen Morgen van een’ Landheergelezen, dat mij om zijne oprechtheid en bijna volkomen vrije beschouwingswijze uitstekend bevallen is. Ik zeg ‘bijna’, omdat in den vorm waarin hij zich de vraag gesteld heeft (wellicht zonder dat hij het zelf weet), nog eenig vooroordeel opgesloten ligt. De voornaamste indruk van dit verhaal (ik spreek niet van den indruk dien het als letterkundig product maakt) bestaat hierin dat, zoolang de lijfeigenschap bestaan zal, er geen mogelijkheid is op wederzijdsche toenadering en verstandhouding, ook al was men op de onbaatzuchtigste en eerlijkste manier daartoe bereid. En deze indruk is goed enjuist. Maar behalve dezen krijgt men nog een tweeden, zijdelingschen indruk, namelijk dat het beschaven van den boer, het verbeteren van zijn bestaan in ’t algemeen tot niets leidt. En deze indruk is onaangenaam. Het meesterschap over de taal in deze vertelling is echter bijzonder groot.”1
Kort na zijne ontmoeting met Tolstoi, schrijft Toerghenjeff aan Polonski:
“Tolstoi is hier. Er heeft eene verandering ten goede en van zeer groote beteekenis met hem plaats gevonden. Deze man zal het ver brengen en een diep spoor nalaten.”
In een brief aan Kalbasin, gedateerd Parijs 8 Maart, zegt Toerghenjeff:
“Ik zie Tolstoi hier dikwijls, en ontving van Njekrassoff dezer dagen een brief uit Rome.
“Met Tolstoi zal ik toch op den duur niet samen kunnen gaan; onze opvattingen loopen te zeer uiteen.”1
Ziehier eene uitspraak van Tolstoi uit denzelfden tijd over Toerghenjeff en diens vriendin, Madame Viardot, welke uitspraak door Botkin in een’ brief van 8 Maart 1857 aan Droezjinin vermeld wordt:
... Tolstoi schrijft over zijn bezoek aan hem het volgende:
“Beiden dwalen, om zoo te zeggen, in het duister rond, zijn verdrietig, beklagen zich over het leven, voeren niets uit, en schijnen elk voor zich onder den last hunner wederzijdsche verhouding gebukt te gaan. Toerghenjeff schrijft dat Njekrassoff plotseling aanstalten heeft gemaakt om op nieuw naar Rome te gaan. De brief van Tolstoi beslaat in ’t geheel slechts ééne bladzijde, maar is vol moed en opgewektheid. Duitschland heeft hem zeer veel belang ingeboezemd,en later wil hij het meer van nabij leeren kennen. Over eene maand gaat hij naar Rome.”2
Uit deze geheele correspondentie blijkt, dat de verhouding tusschen Tolstoi en Toerghenjeff altijd van onzekeren aard is geweest; ondanks alle pogingen, zijn zij nooit intiem met elkander kunnen worden.
In de maand Maart deden Tolstoi en Toerghenjeff een uitstapje naar Dijon, waar zij eenige dagen doorbrachten. In dien tijd schreef Tolstoi zijn verhaal over den muzikus Albert. Daarna keerden beiden naar Parijs terug, waar Tolstoi, gelijk hij in zijnBiechtverhaalt, eene doodstraf zag voltrekken, hetgeen een onuitwischbaren indruk op hem maakte. In zijn dagboek beschrijft hij dien indruk in korte trekken aldus:
6 Februari 1857. “Ik stond te 7 uren in den morgen op en ging naar eene executie kijken. Een dikke, blanke, gezonde hals en borst, een mond die het Evangelie kuste—en toen de dood. Hoe onzinnig! De indruk was diep. Ik ben geen politikus. Moraal en kunst. Ik weet, ik heb lief en ik kan.... De guillotine heeft mij langen tijd uit den slaap gehouden en tot nadenken gebracht.”
Ziehier wat hij daarover inBiechtschrijft:
“Gedurende mijn verblijf te Parijs heeft het zien van de doodstraf mij de onstandvastigheid van mijn bijgeloof aan denVooruitganggeopenbaard. Toen ik het hoofd van den romp zag scheiden en in een kist hoorde ploffen, begreep ik—niet met het verstand, doch met mijn geheele wezen—dat geen enkele gezonde, beredeneerde theorie van werkelijkenvooruitgangzulk eene handeling kon rechtvaardigen. Ook al hadden alle menschen ter wereld, van de schepping af tot heden, volgens welke theorie dan ook gevonden, dat zoo iets noodig was, weet ik toch dat hetnietnoodig, dathet slecht is, en dat mijn hart, juister dan de menschen en juister dan devooruitgang, oordeelt dat het dwaling is.”
De reis naar Rome stelde Tolstoi tot den herfst uit; maar in de lente ging hij uit Parijs rechtstreeks naar Genève, vanwaar hij zijne tante onder anderen schrijft:
“Ik heb anderhalve maand te Parijs doorgebracht, en wel zoo aangenaam, dat ik dagelijks tot mij zelven gezegd heb goed gedaan te hebben door in den vreemde te gaan. In gezelschappen en in de letterkundige wereld ben ik weinig geweest; ook cafés en publieke bals heb ik niet dikwijls bezocht; maar desondanks heb ik hier zooveel nieuwe en voor mij interessante dingen leeren kennen, dat ik elken dag bij het naar bed gaan tot mij zelven zei: hoe jammer dat de dag zoo schielijk voorbijgaat; ik heb zelfs geen tijd gehad tot werken, zooals ik van plan was.
“De arme Toerghenjeff is physiek zeer ziek, en zedelijk nog meer. Zijne ongelukkigeliaisonmet Madame Viardot en hare dochter houdt hem terug in een klimaat dat schadelijk voor hem is. Het is treurig om aan te zien. Ik had nooit gedacht dat hij zóó kon liefhebben.”
Uit Génève deed Tolstoi een uitstapje naar Piémont, in gezelschap van Botkin en Droezjinin, die er ook gekomen waren, en bleef toen eenigen tijd aan het meer van Genève, te Clarens, vanwaar hij zijne tante een opgeruimden brief schreef:
“Clarens, 18 Mei 1857.
“Ik heb uw’ brief ontvangen, beste tante, die mij, zooals u uit mijn laatsten brief gebleken zal zijn, in de omstreken van Genève bereikt heeft—in hetzelfde dorp Clarens, waar de Julie van Rousseau gewoond heeft.... Ik zal niet trachten u de schoonheid van dit land te schilderen, vooral nu alles in blad en bloem staat; alleen wil ik u zeggen, dat hetletterlijk onmogelijk is om van dit meer en deze oevers te scheiden, en dat ik het grootste deel van mijn’ tijd met zien en bewonderen doorbreng, hetzij ik wandel of eenvoudig voor het venster van mijne kamer zit. Voortdurend wensch ik mij geluk, dat ik op het denkbeeld kwam Parijs te verlaten en hier de lente te gaan doorbrengen, hoewel ik daardoor van uw’ kant het verwijt verdiend heb onstandvastig te zijn. Waarlijk, ik ben gelukkig en begin de voordeelen te gevoelen van met een helm te zijn geboren.
“Er is hier een charmant gezelschap Russen, waartoe de Poeschtschin’s, de Karamzin’s en de Meschtscherski’s behooren, die mij allen (de hemel weet waarom!) mogen lijden. Ik gevoel dit; in de maand die ik hier heb doorgebracht bevalt het mij zoo goed en heb ik het zoo naar mijn zin, dat ik met leedwezen aan mijn vertrek denk.”3
Behalve deze vrienden woonde toen in den omtrek van Genève, aan den oever van het meer, in het plaatsje Beaucage eene vriendin van Tolstoi, met name Alexandra Andrejewna Tolstoi, hofdame bij de grootvorstin Maria Nikolajewna, die daar een zoon van graaf Stroganoff ter wereld had gebracht. Het bezoeken van deze dames verschafte Tolstoi zeer veel genoegen.
Nadat hij omstreeks twee maanden in Clarens had doorgebracht, besloot hij zijne reis te voet voort te zetten. Hij had daar met eene Russische familie kennis gemaakt, waartoe een jongen van omtrent 10 jaar, Sascha, behoorde, dien hij uitnoodigde om mee het gebergte in te gaan. Aanvankelijk was hun doel om over den Col de Jaman Freiburg te bereiken; maar toen zij dezen pas waren overgetrokken, veranderdenzij van besluit en sloegen den weg naar Chateau d’Oex in, vanwaar zij per post-diligence naar Thun reden.
In de onuitgegeven manuscripten van Tolstoi zijn reis-aanteekeningen van dezen tocht bewaard gebleven. Daaraan ontleenen wij eenige beschrijvingen van Zwitsersche natuurtafereelen.
Eerst voer Tolstoi per stoomboot van Clarens naar Montreux.
“15/27 Mei 1857.
“Het weder was helder. Het hemelsblauwe Meer van Genève, met zijne witte en zwarte stippen van zeilen en booten, lag daar blinkend aan drie zijden voor ons. RondomGenèveen ver weg over het blauwe meer hing eene trillende, donkere, warme lucht; op den tegenoverliggenden oever verhieven zich de steile bergen van Savoye met hunne witte huisjes aan den voet, en eene gespleten rots, die de gedaante had eener reusachtige witte vrouw in een oud gewaad. Links, juist boven eene reeks van aangrenzende geel-roode wijngaarden, zag men, in een donkergroen bosch van oofttuinen, Montreux met zijne bevallige kerk, die aan de zachte glooiing van den berg hing. Aan den oever lag Ville Neuve met zijn krans van huizen, die helder in de middagzon blonken, de geheimzinnige kloof Salais, met de op elkander gestapelde bergen; het witte, ongastvrije Chillon, vlak boven het water, en het veelbezongen eilandje, dat droomerig maar toch schilderachtig tegenover Ville Neuve verrijst. Het meer rimpelde, de zon straalde recht boven zijne hemelsblauwe oppervlakte, en de over het meer verspreide zeilen lagen roerloos stil.
“Verwonderlijk! Ik had twee maanden in Clarens doorgebracht, maar telkens als ik des morgens, of in ’t bijzonder bij het vallen van den avond, na het eten, de blinden van het venster opende, waarover reeds eene schaduw gleed, en mijn’ blik liet glijden over het meer met de blauwe bergenin ’t verschiet, die er zich in spiegelden, dan verblindde mij die schoonheid en was ik plotseling onder den indruk harer verbijsterende macht. Eensklaps ontwaakte dan in mij eene zucht naar liefde, ja, ik gevoelde liefde voor mij zelven, betreurde het verleden, hoopte op de toekomst en begroette het leven met vreugde, wenschte lang, zeer lang te leven, en beschouwde het denkbeeld van den dood als eene kinderachtige, dichterlijke vrees. Somtijds, als ik, alleen in het belommerde tuintje gezeten, onafgebroken naar die oevers en dat meer staarde, gevoelde ik zelfs een zekeren physieken indruk, alsof die machtige schoonheid door het oog zich in mijne ziel uitstortte.”
Het volgende verplaatst ons in de bergen:
”...Boven ons zongen woudvogels, die zich niet boven het meer, de dennenbosschen en de bewoonde streken laten hooren. Onze tocht was zoo verrukkelijk, dat het ons speet slechts kort te kunnen toeven. Plotseling woei ons een ongewoon heerlijke, een echte lentegeur tegemoet. Sascha snelde het bosch in en plukte kersebloemens af, doch deze gaven bijna geen geur. Aan weerszijden zag men groene boomen en struiken zonder bloemen. De zachte, welriekende geur werd al sterker en sterker. Nadat wij een honderd schreden geloopen hadden, opende zich het struikgewas aan de rechterhand en vertoonde zich eene uitgestrekte, glooiende, lichtgroene vlakte, met eenige hier en daar verspreide huisjes, voor onze oogen.
“Sascha snelde het veld in, plukte met beide handen witte narcissen en bracht mij een kolossalen ruiker, die een onverdragelijken geur verspreidde. Maar dit was den knaap nog niet genoeg: met de vernielzucht, kinderen eigen, draafde hij nogmaals het veld in, en trok een aantal prachtige, jonge zonnebloemen af, die bijzonder naar zijn’ zin waren....”
In Les Avants bleven zij overnachten. Na de bestijging van een’ berg, schrijft Tolstoi de volgende gedachten neer:
“16/28 Mei 1857.
“Terecht had men mij gezegd dat, hoe hooger men komt in ’t gebergte, hoe gemakkelijker het loopen wordt.Wij hadden reeds een uur geloopen en voelden geen van tweeën het gewicht onzer rug-zakken, zelfs geen vermoeienis. Ofschoon wij nog geen zon zagen, wierp zij toch hare stralen rakelings over eenige rotsen en pijnboomen aan den horizon, op de hoogten tegenover ons. Omlaag hoorde men het doffe bruisen der bergstroomen; rondom ons vloeide slechts wat sneeuwwater, en bij eene kromming van den weg zagen wij op nieuw het meer met Valès op ontzettende diepte voor ons liggen. Aan den voet der Savooische bergen was het water geheel blauw, evenals het meer, maar donkerder; doch verder op, waar het door de zon beschenen werd, had het een volmaakt lichtroode tint. De besneeuwde bergen werden talrijker; zij schenen hooger en meer afwisselend in vorm. De zeilen en booten lieten zich als nauw merkbare stippen op het meer zien. Het was mooi, zelfs verrassend mooi, maar niet wat ik natuurschoon noem.
“....Ik houd niet van die zoogenaamde grootsche en merkwaardige gezichten, die voor mij iets kouds hebben. Wat ik liefheb is de natuur als zij mij aan alle kanten omgeeft en zich daarna ontrolt in een eindeloos verschiet. Ik heb haar lief als mij aan alle zijden eene warme lucht omringt, en die lucht al golvend zich uitstrekt in de onbegrensde verte; als dezelfde sappige grashalmen, die ik druk wanneer ik er op zit, de onafzienbare weiden met een kleed van groen bedekken; als dezelfde bladeren, die, door den wind bewogen, hunne schaduw over mijn aangezicht laten glijden, den donkergroenen omtrek van een ver afzijnd woud verraden;als dezelfde lucht, die mij doet ademen, het donkerblauwe gewelf van den oneindigen hemel vormt; als ik niet de eenige ben die jubelt en zich verblijdt in de natuur; als duizenden insecten rondom mij gonzen en zwermen, het vee in troepjes dartelt, en overal in ’t rond de vogels zingen....
“Hier stond ik voor eene naakte, koude, ledige, grauwe vlakte, met geen ander tooisel dan de krippen zoom van het verschiet. Maar dit alles lag zoo ver, dat ik het ware natuurgenot niet smaakte, dat ik mij geen deel gevoelde van dit gansche grenzenlooze en overschoone tafereel. Ik behoorde niet tot dat verschiet....”
Zijne reis voortzettende, kwam Tolstoi in Lucern, vanwaar hij zijne tante het volgende schrijft:
“Lucern, 6 Juli 1857.
“Ik meen u geschreven te hebben, beste tante, dat ik uit Clarens vertrokken ben met het doel om eene vrij groote reis te ondernemen door het noorden van Zwitserland, langs den Rijn, en verder door Holland naar Engeland. Van daar denk ik op nieuw naar Frankrijk en Parijs te gaan, om dan in de maand Augustus eenigen tijd in Rome en Napels door te brengen. Indien ik tegen zeereizen bestand ben, hetgeen blijken zal wanneer ik van den Haag naar Londen ga, denk ik over de Middellandsche Zee, Konstantinopel, de Zwarte Zee en Odessa terug te keeren. Maar dit zijn slechts plannen, die ik wegens mijne wispelturigheid, welke u mij terecht verwijt, beste tante, misschien niet zal verwezenlijken. Ik ben te Lucern aangekomen. Dit is eene stad in het noorden van Zwitserland, niet ver van den Rijn; ik heb mijne reis wat vertraagd, om eenige dagen in dit bekoorlijke stadje door te brengen. Ik ben weer geheel alleen, en wil u wel bekennen, dat de eenzaamheid mij zeer dikwijlsbezwaart; want bij de kennissen, die men in hôtels en onder weg in den trein maakt, moet men zijne toevlucht niet gaan zoeken. Deze afzondering heeft echter ook de goede zijde, dat zij mij tot den arbeid drijft. Ik werk een weinig, maar het gaat slecht, zooals des zomers meest het geval is...”4
Gedurende Tolstoi’s verblijf te Lucern viel er iets voor, dat door hem in deGedenkschriften van prins Nechljoedoffverteld wordt. Dit verhaal staat met het jaartal ’57 gemerkt, en moet dus op deze reis betrekking hebben.
In deze episode wisselt, naar men weet, de schoone beschrijving der Zwitsersche natuur af met eene uiting van misnoegen over het bederven van de natuur-harmonie ten believe van rijke toeristen, meerendeels Engelschen.
De tegenstelling tusschen de doodscheconvenanceaan de table d’hôte en de wilde, maar boeiende, levendige schoonheid van het meer treft den schrijver. En dit gevoel wordt sterker, als hij een’ straatzanger hoort, die zijn lied met de gitaar begeleidt. Dit lied trok als met een’ tooverslag mijne geheele aandacht, en stemde mijne ziel in een’ toon van onuitsprekelijke harmonie.
Alle verwarde, onwillekeurige indrukken des levens kregen plotseling voor mij beteekenis en bekoring. In mijn gemoed ontlook als ’t ware eene frissche, welriekende bloem, en de mij tot op dit oogenblik neerdrukkende vermoeienis, verstrooidheid en onverschilligheid werden als weggevaagd en maakten plaats voor een’ drang naar liefde, voor eene hoopvolle stemming en voor eene niet te verklaren levensvreugde. En het was mij of eene innerlijke stem mij zeide: “Wat kan men nog wenschen, wat nog verlangen? Hier is zij, de schoonheid, de poëzie, die u aan alle kanten omringt. Dat wij haarinademen met ruime, volle teugen, haar genieten met al onze krachten! Wat behoeven wij nog meer? Al die zaligheid is ons!...”
En andermaal omfloersen de doodsche, vormelijke Engelschen die wondervolle bloem der poëzie met een zwarten sluier....
De zanger had zijn lied geëindigd, nam zijn hoed in de hand en hield dien voor de vensters van het rijke hôtel, waarvan het balkon met een drom van elegant gekleede toehoorders gevuld was. Doch niemand gaf hem iets....
Door de steenen gevoelloosheid van deze lieden getroffen, snelt Tolstoi naar den muzikant en noodigt hem uit in het hôtel eene flesch wijn te komen drinken. Zijne tartende houding gaf aanstoot, maar dat wil hij juist; hij wil de zelfgenoegzaamheid der rijken kwetsen, wil zijn misnoegen over hunne gevoelloosheid laten blijken. Men liet het voorval bijna onopgemerkt voorbijgaan, maar in den schrijver blijft een gevoel van bitterheid over het onrecht dier menschen en hunne onvatbaarheid om het hoogere geluk te begrijpen, even eenvoudig als menschelijk, en het harmonisch verband daarvan met de natuur. In die stemming spreekt hij de toeschouwers met de volgende overredende woorden toe:
“Gij, kinderen van een vrij, humaan volk, gij Christenen—gijmenschen! waarom hebt gij het weldadige genot, dat u een ongelukkig smeekend man verschafte, met koelheid en spot beantwoord? Maar neen... in uw vaderland zijn toevluchtshuizen voor armen. Er moesten ook geen armen zijn, er moest geen gevoel van medelijden zijn, waarop de armoede steunt! Doch deze man heeft zich moeite gegeven om u genoegen te doen, heeft u gebeden hem iets van uw’ overvloed te geven voor zijn werk, waarvan gij genoten hebt. En van uwe hooge praalvertrekken zaagt gij hem aan met een kouden glimlach, als ware hij een curiositeit; en onderu honderden gelukkigen en rijken was niet één persoon te vinden, die hem iets toewierp voor zijne moeite! Beschaamd is hij toen heengegaan, gevolgd door de domme menigte, die nietumaarhemuitjouwde, omdatgijhardvochtig, koud en gewetenloos zijt. Men heefthemgehoond, omdatgijhem het genot hebt ontstolen, dat hij u verschafte!
“Den 7denJuli 1857 zong te Lucern voor het hôtel Schweizerhof, waarin de rijkste lieden logeeren, een reizend liedjeszanger een half uur lang liederen, en speelde daarbij op de gitaar. Omtrent tweehonderd personen hoorden hem aan. De zanger smeekte allen tot driemaal toe hem iets te geven. Maar geen van deze lieden gaf hem iets en velen lachten hem uit.
“Dit is geen verzinsel, doch een beslist feit, dat elk die wil bij de tegenwoordige gasten van hetSchweizerhofkan onderzoeken, terwijl men uit de dagbladen kan te weten komen wie de vreemdelingen waren, die er den 7denJuli logeerden.
“Ziedaar eene gebeurtenis, welke de geschiedschrijvers van onzen tijd met vlammende, onuitwischbare letteren moesten opteekenen!”
En aan zijne borst ontsnapt een kreet van verbazing over het onbegrijpelijke in dien heelen chaotischen samenhang van feiten, voortvloeiende uit de menschelijke verhoudingen met hunne oppervlakkige gevoelens, gesteld tegenover de machtige natuur met hare harmonische grootheid. In pathetischen, dichterlijken vorm drukt de schrijver zijne gemoedsstemming uit en eindigt het verhaal aldus:
“Een ongelukkig, deerniswaardig schepsel is de mensch met zijne behoefte aan nauwkeurige definities, en dobberend op die steeds bewogen, grenzenlooze zee van goed en kwaad, van feiten, beschouwingen en tegenstrijdigheden. Sinds eeuwen kwellen en spannen de menschen zich in, om het goede aan den eenen, het kwade aan den anderen kant te schuiven.Eeuwen zullen voorbijgaan, doch waar en wat het onpartijdige verstand ook legge in de weegschaal van het goede en kwade, de balans zal niet doorslaan en aan elken kant evenveel goed als kwaad bevatten. Dat de mensch toch eens leere niet zoo spoedig en beslist te oordeelen en te denken; mocht hij eens leeren geen antwoord te geven op vragen, welke hem alleen gegeven zijn om altijd vragen te blijven! Begreep hij maar, dat elke gedachte tegelijk valsch en juist is. Valsch is zij om hare eenzijdigheid en doordien de mensch in de onmogelijkheid is om de geheele waarheid te begrijpen; en juist, omdat elke gedachte uiting geeft aan ééne zijde van het menschelijk streven.
“Dien steeds bewogen, grenzenloozen, eeuwig wisselenden chaos van goed en kwaad heeft de mensch in afdeelingen gesplitst; hij heeft denkbeeldige lijnen over die zee getrokken en wacht of ook de zee zich zal verdeelen. Alsof er van een ander standpunt, op een ander vlak, geen millioenen andere verdeelingen te maken zijn! ’t Is waar: het zijn de eeuwen welke die nieuwe verdeelingen maken; maar ook de eeuwen zijn bij millioenen voorbij gegaan, en andere zullen volgen!
“Beschaving is iets goeds, barbaarschheid iets kwaads; vrijheid iets goeds, slavernij iets kwaads. Zulke denkbeeldige kennis dooft in de menschelijke natuur hare instinctmatige, heiligste en allereerste behoefte aan het goede. Wie zal mij zeggen wat vrijheid of dwingelandij, wat beschaving of barbaarschheid is? Waar zijn de grenzen van het een en van het ander? In wiens ziel is een maatstaf voor goed en kwaad, nauwkeurig genoeg voor het meten van samengestelde, ontastbare feiten? Wiens verstand is groot genoeg om alle feiten uit het verleden te begrijpen en te wegen? Waarom zie ik van het eene meer dan van het ander, indien het standpunt, waarop ik sta, niet de oorzaak is? En wie is in staat, zij het slechts voor een oogenblik, zijn’ geest zóó geheel van’t leven los te maken, dat hij onafhankelijk op dat leven neerziet....?
Leo Tolstoi en zijn broeders in 1854.—Blz. 208.Leo Tolstoi en zijn broeders in 1854.—Blz.208.Sergius.—Dmitri.—Nikolaas.—Leo.
Leo Tolstoi en zijn broeders in 1854.—Blz.208.
Sergius.—Dmitri.—Nikolaas.—Leo.
“Wij hebben één, slechts één onfeilbaren gids en leidsman, een Geest, alomtegenwoordig, Die ons allen tezamen en elk in ’t bijzonder doordringt, Die in ieder een streven wekt om te doen wat noodig is! Dezelfde Geest, Die een’ boom doet groeien in de zon, eene bloem zaden doet geven in den herfst, noopt ons menschen nader tot elkaar te komen, zonder dat wij er van bewust zijn. En die eenige onfeilbare Heilige Geest spreekt luider dan onze woelige kreten van ontwikkeling en beschaving! Wie is meermenschof meerbarbaar: delord, die bij het zien van de versleten kleeren van den zanger verontwaardigd van zijne tafel wegloopt, den arme voor zijne moeite niet het millioenste deel van zijn vermogen geeft, en dan, verzadigd, in een licht, geriefelijk vertrek kalm gaat zitten nadenken over de gebeurtenissen in China, waarbij hij de aldaar gepleegde moorden rechtvaardig vindt? Of denederige zanger, die, op gevaar van gevangenisstraf, met een franc op zak, twintig jaar lang en zonder iemand te schaden over bergen en door dalen trekt, de menschen met zijn gezang en snarenspel opvroolijkend.... en thans, gehoond, bespot, ja bijna weggejaagd, vermoeid, beschaamd en hongerig, zich mogelijk ergens op een hoop vuil stroo te slapen heeft gelegd....? Neen (zeide ik onwillekeurig totmijzelf), men heeft ongelijk dien zanger te beklagen en de welvaart van den lord te benijden. Wie zal het innerlijke geluk durven schatten, dat in de ziel van elk dezer menschen verborgen ligt? De zanger zit misschien nu ergens op een bemodderde stoep, aanschouwt den hemel met zijn blinkend maan- en sterrenlicht, en zingt blijmoedig in den stillen, geurenden nacht: inzijneziel is geen verwijt, geen boosheid of berouw! Maar wie zal weten wat nu omgaat in de ziel van al die rijken achter gindsche hooge muren? Wie zal weten, ofdie allen even zoete, zorgelooze levensvreugde en vrede met de wereld hebben, als er huist in ’t hart van dien armen, nederigen, gehoonden zanger....?
“O, hoe oneindig groot is de goedheid en wijsheid van Hem, Die al die tegenstrijdigheden in ’t aanschijn riep en liet voortbestaan! Tegenstrijdigheden? Zoo komen zij ons, nietigen wormen, voor, die driest en misdadig in Zijne wetten en besluiten pogen door te dringen. Vol liefde ziet Hij van Zijne stralende, onbereikbare hoogten op ons neder en verbergt Zich in de eindelooze harmonie, waarin wij met al onze tegenstrijdigheden ons rusteloos bewegen. In uwen trots, o sterveling, denkt gij u aan de algemeene wetten te onttrekken! Neen,... ook gij, met uw nietswaardigen, laffen onwil tegen de armen—ook gij hebt aan den harmonischen eisch van het eeuwige en oneindige beantwoord....”
Van Lucern vervolgde Tolstoi zijne reis, eerst langs den Rijn naar Schaffhausen, Baden en Stuttgart, en vervolgens naar Berlijn.
Den 8stenAugustus was hij reeds in Stettin, en van daar kwam hij per stoomschip op 30 Juli/11 Augustus te St.-Petersburg.
In Petersburg vertoefde hij eene week, bezocht het gezelschap van denSawremjennik, vertoefde bij Njekrassoff en las dezen onder andere zijn verhaalLucernvoor, dat in de September-aflevering, jaargang 1857, van denSawremjennikgedrukt werd. Den 6denAugustus vertrok hij naar Moskou en daarna reisde hij bijna zonder ophouden door naar Toela.
Na zijne aankomst in Jasnaja Paljana verdiepte hij zich weer geheel in het beheer zijner goederen.
In zijn dagboek uit dien tijd vinden wij, onder andere, de volgende aanteekeningen:
“Ziehier hoe ik mijne werkzaamheden heb ingedeeld: dehoofdzaak is letterkundige arbeid, dan familieplichten, vervolgens het bestuur mijner goederen, dat ik echter zooveel mogelijk in handen van den starosta moet laten; ik wil het werk verlichten, het landgoed verbeteren, de uitgaven tot 2000 roebel bezuinigen, en de rest voor de boeren gebruiken. Mijn groot struikelblok is de ijdelheid van het liberalisme. En zoo leef ik,—doe dagelijks eene goede daad—en dat is genoeg!”
Korten tijd later schreef hij:
“Zelfverloochening bestaat niet hierin, dat men zich onthoudt wat men begeert, maar dat men ijvert, zijn verstand en zijn vernuft gebruikt om zich zelf te geven.”
De maand Augustus wijdde hij aan lectuur; hij las twee merkwaardige boeken:De IliasenHet Nieuwe Testament. Beide maakten een diepen indruk op hem:
“Ik heb de verrukkelijkeIliastot het einde toe gelezen...”, zoo drukte hij zich uit; en de schoonheid dezer twee boeken doet hem bejammeren, dat er tusschen beide geen verband is.
“Hoe kon Homerus niet weten, dat het goede zetelt in de liefde,” roept hij uit, terwijl hij in gedachten beide boeken vergelijkt. “Er is geen betere uitlegging dan de Openbaring.”
Half October verhuisden Tolstoi, zijn oudste broeder Nikolaas en zijne zuster Maria naar Moskou. Uit zijn dagboek zien wij, dat hij daar reeds den 17denOctober was. Den 22stenvertrok hij voor eenige dagen naar Petersburg.
Tolstoi’s verhaalLucern(uit deGedenkschriften van prins Nechljoedoff), dat, zooals wij boven zeiden, in de September-aflevering van denSawremjennikopgenomen is, werd door de kritiek niet begrepen en bleef bijna onopgemerkt.
Het zwijgen der kritici levert een rechtstreeksch en klaar bewijs van hunne eenzijdigheid, bekrompenheid en kortzichtigheid. Volgens eene opmerking van Zelinski, die een’ bundel kritische verhandelingen over Tolstoi heeft uitgegeven, vond hij, ondanks alle moeite, in de periode 1857–1861 geen afzonderlijke kritische verhandelingen of recensiën over Tolstoi’s geschriften, niettegenstaande in de jaren vóór en in dit tijdperk werken als:Jongelingsjaren,Lucern,Albert,De drie Dooden,Familiegelukin druk verschenen.
Deze onverschilligheid der kritici was Tolstoi niet ontgaan; en na zijne reis naar Petersburg, in October 1857, schreef hij in zijn dagboek:
“Petersburg heeft mij eerst gekrenkt en daarna gerechtvaardigd.Mijne reputatie was gevallen of bijna dood, en innerlijk heeft mij dit zeer bedroefd; maar nu ben ik gerust en weet ik, dat ik iets te zeggen heb en het vermogen bezit om met kracht te spreken. Zeg voortaan maar wat gij wilt, publiek! Ik zal toch volgens mijn geweten werken, alle krachten inspannen, en dan.... dan mogen zij op het altaar spuwen!”
Op 30 October keerde Tolstoi naar Moskou terug. Gedurende zijn verblijf daar bezocht hij dikwijls Fet, die in zijneHerinneringendaarvan het volgende verhaalt.
“Op zekeren avond, onder de thee, kwam Tolstoi onverwacht bij ons en deelde mede, dat zijne familie, namelijk hij, zijn oudste broeder Nikolaas en zijne zuster, gravin Maria Nikolajewna, tezamen gemeubileerde kamers gehuurd hadden bij Warghin in de Pjatnitzkaja-straat. Weldra kwamen wij met elkander in kennis.
“Ik herinner mij niet, onder welke omstandigheden de gebroeders Tolstoi, Leo en Nikolaas, met S. S. Gromeka hebben kennis gemaakt; waarschijnlijk is het bij ons in huis gebeurd.Zeer spoedig waren alle drie met elkander op goeden voet, daar zij hartstochtelijke jagers bleken te zijn.”5
Tolstoi’s leven te Moskou heeft zich in die jaren (omstreeks ’50) door niets bijzonders gekenmerkt. Zijne physieke natuur was toen in hare volle kracht en activiteit, en drong hem tot gymnastische spelen en wereldsche genoegens.
Fet verhaalt dat er nu en dan ’s avonds duetten bij hem werden georganiseerd, waarbij gravin Maria Tolstoi, eene pianiste en liefhebster van muziek, tegenwoordig was—somtijds vergezeld door hare twee broeders Leo en Nikolaas, of alleen door Nikolaas, die dan de afwezigheid van onzen schrijver verontschuldigde met te zeggen:
“Leo is weer met rok en witte das naar een bal gegaan.”
In het volgende uittreksel uit deHerinneringenvan Fet wordt van eene dergelijke tijdpasseering gewag gemaakt:
“I. P. Borisoff, een niet alledaagsch man, die Tolstoi reeds in den Kaukasus gezien had, kwam reeds bij de eerste ontmoeting met hem, te mijnen huize, onder den onwederstaanbaren invloed van zijn genie. Maar in die dagen viel Tolstoi’s pronkzucht sterk in het oog, en toen nu Borisoff hem op zekeren dag in een nieuwe pelsjas met kraag van grijs berenbont, met glimmenden hoed, die op één oor stond en waaronder de blonde krullende haren golfden, en met een model-rotting in de hand uit wandelen zag gaan, maakte hij een versje op hem:
“Hij leunt op zijn stokje,En pronkt met zijn glimmenden hoed.”
“Hij leunt op zijn stokje,En pronkt met zijn glimmenden hoed.”
“Hij leunt op zijn stokje,
En pronkt met zijn glimmenden hoed.”
“Destijds waren onder de aristocratische jeugd gymnastische oefeningen in de mode, waaronder vooral het springen overeen houten paard. Gebeurde het dat men Tolstoi te twee ure in den namiddag wilde spreken, dan was men genoodzaakt naar den tuin der gymnastiekschool op de Balschaja Dmitroffska te gaan. Daar zag men hem, in tricot gekleed, met opgewektheid alle krachten inspannen om over het paard te springen, zonder den lederen, met haar opgevulden kegel aan te raken, die op den rug was geplaatst. Het verwondert ons niet dat de bewegelijke, energieke natuur van den 29-jarigen schrijver zulke inspannende oefeningen noodig had; maar vrij zonderling was het bejaarde mannen met kale hoofden en dikke buiken met de jongelieden te zien meedoen. Een jonge, doch gehuwde man, die in een rose tricot-pak zijn beurt afwachtte, kwam bij elken aanloop met de borst tegen het kruis van het paard terecht, en ging dan bedaard ter zijde, om voor den volgenden plaats te maken.”6
In het begin van Januari 1858 kwam gravin Alexandra Andrejewna Tolstoi, eene vriendin uit Tolstoi’s jeugd, Moskou bezoeken. Tolstoi bracht haar met den Nikolajeff-spoorweg naar Klin en reisde van hier naar prinses Wolkonskaja, van wie wij reeds in het hoofdstuk over Tolstoi’s voorouders van moederszijde melding hebben gemaakt. Deze prinses was eene nicht van Tolstoi’s moeder, had uit plichtsgevoel bij haar op Jasnaja Paljana gewoond, en kon onzen schrijver veel belangrijks over zijn vader en moeder vertellen.
Tolstoi heeft de aangenaamste herinneringen aan dit bezoek bewaard, en in den tijd dien hij bij haar doorbracht zijn verhaalDe drie Doodengeschreven.
Blijkbaar begon het denkbeeld van den dood hem ernstig te verontrusten, en gelijk steeds het geval was, lag de mogelijke oplossing van dit nieuwe probleem voor hem in deharmonie van het verstand met de natuur. Deze zienswijze afvallen beteekende onuitsprekelijk lijden; haar volgen, daarentegen, altijddurend heil, waarmede ook de angel des doods zou verdwijnen.
In Februari keerde hij naar Jasnaja Paljana terug. Daarop ging hij opnieuw naar Moskou en vandaar in Maart voor twee weken naar Petersburg. In April was hij in Jasnaja terug, waar hij den geheelen zomer doorbracht. In deze periode besteedde Tolstoi ook veel tijd aan muziek, en richtte hij zelfs, met medewerking van Botkin, Perfiljeff, Mortje en anderen in Moskou, een muziekgezelschap op. Mevrouw Kirjejeffskaja stelde haar salon beschikbaar voor de concerten. Uit dit gezelschap heeft zich het Moskousche Conservatorium gevormd. In ditzelfde jaar kwam onze schrijver te Moskou in nauwe aanraking met het gezin van den reeds bejaarden S. T. Aksakoff.
De lente oefende op Tolstoi eene prikkelende werking uit. Deze opwelling van energie wordt door hem in een’ brief aan zijne tante, gravin A. A. Tolstoi, in dat jaar 1858 geschreven, goed weergegeven:
Lente...
“Grootmoedertje!7
“Heerlijk is het leven hier op aarde voor goede menschen; zelfs voor iemand als ik is het hier goed te zijn. In de natuur, in de lucht, in alles ligt hoop, toekomst, eene verrukkelijke, bekoorlijke toekomst.... Soms dwaalt men, als men denkt dat alleen de natuur eene gelukkige herleving wacht; die vreugde wacht ook ons. In zulk een toestand ben ik thans, en met de mij eigene zelfzucht haast ik mij u over dingen te schrijven, die alleen voor mij van belang zijn.
“De invloed der lente op mij is van dien aard, dat ik in mijne overmaat van illusiën mij soms verbeeld eene plant te zijn, die, nu met andere ontloken, bestemd is om rustig en tevreden op de wereld te blijven groeien. Onder deze indrukken en in dit jaargetijde heeft eene verandering, eene loutering, eene omkeering in mij plaats, zooals iemand die deze gewaarwording niet heeft ondervonden, zich niet kan voorstellen. De oude mensch is verdwenen. Alle wereldsche verlangens, alle traagheid, alle zelfzucht, alle ondeugden, alle onzinnige, onklare begrippen, alle medelijden, ja zelfs het berouw, zijn verdwenen, en hebben plaats gemaakt voor eene ongewone bloem, die hare bladeren ontplooit en tegelijk met de lente groeit....”
Het slot van dezen langen, interessanten brief, dien wij hier gedeeltelijk aanhalen, luidt:
“Vaarwel, beste tante, wees niet boos op mij om de dwaasheden die ik u geschreven heb, en antwoord mij met een verstandig woordje, dat gekruid is met goedheid, met Christelijke goedheid. Ik had er u al lang opmerkzaam op willen maken, dat het voor u gemakkelijker is in het Fransch te schrijven, terwijl ik de gedachten eener vrouw in het Fransch beter begrijp.”8
In de lente van dat zelfde jaar kwamen Fet en zijne vrouw, op hunne doorreis van Moskou naar hun landgoed, Tolstoi in Jasnaja Paljana bezoeken.
In zijneHerinneringengeeft Fet een verhaal van dit bezoek, en schetst tegelijkertijd op interessante wijze Tolstoi’s tante en opvoedster, Tatjana Alexandrowna Jergalskaja.
“Nadat wij eene warme en ruime matten kibitka haddengekocht, waarvoor een paar flinke postpaarden werden gespannen, gingen wij met een kamermeisje (waaraan Tolstoi den verdichten naam Maria gegeven heeft)9naar Mtzensk. Van een’ spoorweg was destijds nog geen sprake, maar van de langs den weg geplaatste telegraafpalen zei het volk, dat men daarover een draad zou spannen en er den wil uit Petersburg langs zou zenden.
“Voor dien tijd waren wij al zóó eigen met graaf Tolstoi geworden, dat ik het als een groot verzuim zou hebben beschouwd niet een dagje bij hem op Jasnaja Paljana te gaan uitrusten. Daar werden mijne vrouw en ik voorgesteld aan eene charmante oude dame, Tolstoi’s tante Tatjana Alexandrowna Jergalskaja, die ons met die goede, ouderwetsche vriendelijkheid ontving, welke het verblijf in een vreemd huis zoo aangenaam en aantrekkelijk maakt. Tatjana Alexandrowna verdiepte zich niet in herinneringen aan lang vervlogen tijden, maar leefde geheel met hare tegenwoordige omgeving mee.
“Zij vertelde dat eenige dagen te voren Sergius Tolstoi uit Pirogoff bij hen geweest was, dat Nikolaas nog altijd met ‘Marietje’ in Moskou vertoefde, maar dat Leo’s vriend D... er onlangs geweest was, en over de zenuwziekte van zijne vrouw geklaagd had.... In moeilijke quaestiën wendde tante zich altijd tot haar neef Leo, en legde zij zich ten slotte bij zijne meening neder. Op zekeren herfstdag reden beiden eens naar Toela, toen tante, die aandachtig uit het raampje van het rijtuig had gekeken, plotseling de vraag deed:
“‘Mon cher Léon, zeg mij eens, hoe schrijft men brieven met de telegraaf?’
“‘Toen heb ik,’ verhaalde Tolstoi, ‘mijne tante zoo eenvoudig mogelijk de werking van een telegraaftoestel uitgelegd,’na afloop waarvan zij had uitgeroepen: ‘Oui, oui, je comprends, mon cher.’
“Ruim een half uur had tante hare oogen langs den draad laten dwalen, toen zij eindelijk verwonderd zeide:
“‘Mon cher Léon, hoe zit dat nu? Een half uur lang heb ik geen enkelen brief langs de telegraaf zien vliegen.’
“‘Somtijds,’ zoo verhaalde Tolstoi ons, ‘zit ik hier met tante eene maand lang, zonder bloedverwanten of kennissen te zien, totdat zij opeens, bij het opscheppen van de soep bij voorbeeld, met een opgewekt gezicht uitroept:
“‘Mais savez-vous, mon cher Léon, on dit....’”
Wij zullen hier het tweede gedeelte van Tolstoi’s herinneringen aanhalen, welke op die merkwaardige vrouw, Tatjana Alexandrowna, die zulk een grooten invloed op onzen schrijver heeft gehad, betrekking hebben.
“Als ik aan de herfst- en lange winteravonden denk, gevoel ik dat die avonden vol zoete herinneringen voor mij zijn gebleven. Aan die avonden ben ik mijne beste gedachten, mijne beste gemoedsbewegingen verschuldigd. In een leuningstoel gezeten las ik, dacht, luisterde soms naar de gesprekken mijner tante met Natalie Petrowna of met het altijd goede en vriendelijke kamermeisje Loenetschka, wisselde eenige woorden met haar, en ging dan weer zitten lezen en denken. Die trouwe leuningstoel staat nu nog bij mij, maar is niet meer dezelfde; ook de sofa is veranderd waarop de goede oude Natalie Petrowna sliep, die bij mijne tante inwoonde, niet voor hulp, maar omdat zij geen onderkomen had. Tusschen de vensters, onder den spiegel stond de schrijftafel mijner tante, met potjes en schaaltjes die gevuld waren met zoetigheden, als honigkoeken en dadels, waarop zij mij van tijd tot tijd trakteerde. Bij het venster stonden twee leuningstoelen, en rechts van de deur een geborduurderuststoel, waarop zij gaarne had dat ik des avonds ging zitten.
“De groote bekoring van dit leven school in de afwezigheid van alle stoffelijke zorg, in de goede, duurzame verstandhouding tusschen alle personen van het gezin, welke door niets werd gestoord, en in het kalme, onbewuste voorbijgaan van den tijd. Toen had ik kunnen zeggen: ‘Wer darauf sitzt, der ist glücklich, und der glückliche bin ich.’
“En werkelijk, ik was naar waarheid gelukkig als ik in dien stoel zat. Na een slecht leven in Toela, met kaartspel, zigeuners, jagen, dwaze pronkzucht en dergelijke, keerde ik huiswaarts en ging naar mijne tante. Volgens oud gebruik kusten wij elkaar de hand—ik hare fraaie, welgevormde, zij mijne onbehouwen, grove hand—en heetten elkander (ook weer volgens oud gebruik) in ’t Fransch welkom. Daarna schertste ik eenige oogenblikken met Natalie Petrowna, en ging in den gemakkelijken stoel zitten. Mijne tante wist alles wat ik gedaan had, had er verdriet van, doch met de haar eigen minzaamheid en liefde verweet zij het mij nooit.
“Ik ging op mijn stoel zitten lezen, denken, en luisterde naar hare gesprekken met Natalie Petrowna. Nu eens herdachten zij den ouden tijd of speelden een partijtjepatience, dan weer wezen zij elkaar op voorteekenen of schertsten over het een en ander, en dan lachten de beide oudjes (vooral tante) met een grappig, kinderlijk lachje, dat ik dadelijk onder het lezen hoorde. Ik begon te vertellen dat de vrouw van een mijner kennissen haren man ontrouw was geworden, en zeide dat die man blij moest zijn van haar verlost te wezen. Daarop trok tante, die juist met Natalie er over sprak, dat een dief aan de kaars ‘gasten’ beteekende, plotseling de wenkbrauwen samen en zeide, dat hare overtuiging steeds geweest was, dat de man zoo iets niet mag laten blijken, daar hij dan zijne vrouw geheel in het ongelukstort. Hierna vertelde zij mij een treurig geval onder het dienstpersoneel, dat Loenetschka haar had meegedeeld. Na afloop daarvan las zij een’ brief voor van mijne zuster Maria, die zij evenveel, zoo niet meer, liefhad als mij en sprak over het leed dat haar man, een eigen neef van tante, Maria had aangedaan: welk feit zij niet veroordeelde of gispte, doch betreurde. Eindelijk ging ik weer lezen, terwijl tante, in herinneringen verdiept, hare snuisterijen doorsnuffelde.
“Hare voornaamste eigenschap, die onwillekeurig op mij is overgegaan, was hare verwonderlijke, algemeene goedheid jegens allen zonder onderscheid. Trots alle moeite kan ik mij uit mijn geheele leven geen geval herinneren, dat zij boos werd, een hard woord zeide of iemand veroordeelde, hekelde of berispte. Zij sprak goed over mijne andere tante, die haar bitter gegriefd had door ons van haar weg te nemen, en veroordeelde ook den man mijner zuster niet, die zich zeer slecht tegen Maria had gedragen. Zij was grootgebracht in het begrip dat er heeren en dienaren zijn, maar gebruikte hare heerschappij alleen om de menschen te dienen. Nooit heeft zij mij rechtstreeks mijn slecht leven verweten, ofschoon zij er verdriet van heeft gehad. Mijn broeder Sergius, dien zij ook hartelijk liefhad, heeft zij er evenmin een verwijt van gemaakt dat hij omgang hield met een Zigeunermeisje. De eenige zweem van boosheid op hem was, dat zij, als Sergius er in lang niet geweest was, zeide: ‘Waar blijft onze Sergius toch?’ terwijl zij hem anders meer vriendelijk ‘Serjoscha’ noemde. Nooit leerde zij met woorden hoe men leven moest, en zij hield ook niet van zedepreeken. Haar geheele zedelijke arbeid was de verbetering van haar eigen innerlijk; het uiterlijke gaf slechts daden te zien, of liever—want daden waren er niet—een geheel leven van rustige kalmte, zachtmoedigheid en stille, onopgemerkte liefde voor anderen.
“Innerlijk verrichtte zij een werk van liefde, en daarom waszij steeds rustig en kalm. Deze beide eigenschappen van liefde en bedaardheid werkten onmerkbaar aanstekelijk op anderen, en gaven aan den omgang met haar eene eigenaardige bekoring.
“De omstandigheid dat ik geen enkel geval ken, waarin zij iemand beleedigd heeft, is oorzaak dat ik ook niemand ken, die haar niet mocht lijden. Nooit sprak zij over zich zelve, nooit over godsdienst: hoe men gelooven moest, wat haar eigen geloof was en hoe zij bad. Zij geloofde in waarheid aan alles, maarverwierpalléén het dogma der eeuwige kwellingen, ‘want,’ zeide zij: ‘Dieu, qui est la bonté-même, ne peut pas vouloir nos souffrances.“
“Behalve bij Te Deum’s en zielmissen heb ik nooit gezien hoe zij bad. Alleen kon ik uit de ongewone minzaamheid, waarmee zij mij somtijds toesprak, als ik haar ’s avonds laat nog iets moest zeggen, nadat ik reeds goeden nacht gewenscht had, opmaken, dat ik de goede ziel bij het bidden gestoord had.
“‘Kom binnen, kom binnen,’ placht zij dan te zeggen. ‘Juist heb ik tegen Natalie Pretowna gezegd, dat Nikolaas nog wel bij ons zou komen.’
“Dikwijls noemde tante mij bij mijn’ vadersnaam en dat deed mij aangenaam aan, wijl het bewees dat de voorstelling, die zij zich van mijn’ vader en mij gemaakt had, één was wat hare liefde voor beiden betrof. Op dit late uur was tante reeds in nachtoilet. Zij had een doek om hare schouders geslagen en hare kleine voetjes staken in pantoffels. In een dergelijk négligé vertoonde zich ook Natalie Petrowna.
“‘Ga zitten, ga zitten,’ zei tante dan, als zij zag dat ik nog geen lust had te gaan slapen, of dat de eenzaamheid mij drukte. De herinnering aan die ongedwongen, late avondbezoeken is mij nog steeds lief.
“Dan gebeurde het, dat Natalie Petrowna of ik iets grappigszeiden, zoodat tante begon te lachen, waarmede Natalie Petrowna dadelijk instemde. En de beide oudjes lachten nog lang, soms zonder dat zij wisten waarom. Zij lachten als kinderen, omdat zij iedereen liefhadden en het hun goed was. Het was niet slechts die goedhartige liefde jegens mij, die mij verblijdde, maar ook die sfeer van liefde jegens allen, voor de aanwezigen en de afwezigen, voor de levenden en de afgestorvenen, en zelfs voor de dieren.
“Komt de tijd dat ik een overzicht van mijn leven moet geven, dan zal ik meer van haar vertellen. Nu zal ik alleen van de stemming onder het volk—de boeren van Jasnaja Paljana—jegens haar spreken, die zich bij gelegenheid van hare begrafenis uitte. Toen wij tante door het dorp droegen, was er geen enkele van de 60 boerenwoningen, waar de bewoners niet naar buiten kwamen met het verzoek den stoet een oogenblik stil te doen staan en om de gebeden voor de afgestorvenen voor haar te bidden.—‘Zij was eene brave barina10, die niemand kwaad gedaan heeft,’ zeiden allen. En daarom had men haar hartelijk lief. Lao Tsz’ heeft gezegd, dat de waarde der dingen ligt in hetgeen zijnietbezitten. Dit was ook op haar leven van toepassing, waarvan de waarde voornamelijk bestond in de afwezigheid van al wat slecht is. Inderdaad, in het leven van tante Tatjana Alexandrowna lag niets slechts. Dit laat zich zoo gemakkelijk zeggen, maar zoo moeielijk verwezenlijken! Ik heb ook maar één mensch gekend die zóó was!
“Kalm is zij gestorven. Allengs sluimerde zij in en stierf, volgens haar wensch, niet in de kamer waar zij gehuisd had, om daar geen treurige herinneringen voor ons achter te laten.
“Zij is heengegaan, bijna zonder iemand herkend te hebben. Mij heeft zij tot op het laatste oogenblik gekend, met eenlachje op de lippen, dat haar gelaat deed stralen. Soms bewoog zij de lippen en poogde den naam Nikolaas uit te spreken, mij kort voor haar dood geheel vereenzelvigende met hem dien zij haar leven lang had liefgehad.
“En die goede vrouw heb ik nog dat kleine genoegen geweigerd, dat haar de dadels en de chocolade verschaften, welke zij vroeg, minder voor zich zelve, dan om mij te trakteeren; ook heb ik haar de gelegenheid ontnomen nog wat geld te geven aan elk, die er haar om vroeg. Ik kan daar niet aan denken zonder een kwellend verwijt van mijn geweten. Lieve, beste tante, vergeef mij! Hadde ik in mijne jeugd maar het goede gekend, en op mijn ouden dag het goede kunnen doen,—ik bedoel niet het goede, dat ik mij in mijne jeugd heb onthouden, maar het goede dat ik anderen onthield,—dan had ik hun die reeds ten grave zijn gedaald het kwade niet gedaan!”11
Ofschoon Tolstoi den zomer van het jaar 1858 niet geheel te Jasnaja Paljana doorbracht, maar voor eene poos naar Moskou ging, stelde hij meer en meer belang in het leven der boeren en deed hij pogingen om hun nader te komen.
Fet haalt in zijneHerinneringeneen verhaal aan van Leo’s broeder, dat op dien tijd betrekking heeft en met den fijnen humor, Nikolaas eigen, geschreven is.
“Toen wij naar Leo Tolstoi vroegen, vertelde de graaf met zichtbaar welgevallen het volgende van zijn geliefden broeder:
“‘Leo,’ zoo sprak hij, ‘tracht zich met ijver aan de landelijke leefwijze en bezigheden te gewennen, waarmee hij, evenals wij allen, tot heden maar oppervlakkig bekend was. Ik weet echter niet, wat er van die pogingen terecht moetkomen. Leo wil alles tegelijk doen, zonder iets van zijn ander werk te laten varen, zelfs de gymnastiek niet. Voor het venster van zijne studeerkamer heeft hij een rekstok laten maken. Natuurlijk heeft hij gelijk, dat hij zich losmaakt van de vooroordeelen, waartegen hij zoo te velde trekt. De gymnastiek zit zijn werkzaamheden niet in den weg, maar de dorpsschout ziet de zaak toch eenigszins anders in.—“Men komt,” zegt hij, “bij den barin om een order te vernemen, maar de barin heeft zijn eene knie om den rekstok geslagen, hangt, in een rood buis, met het hoofd omlaag en zwaait heen en weer; zijne haren hangen neder en zwieren mee, zijn gezicht is bloedrood. Ik geef het iemand te doen om onder die kunsten orders van hem aan te hooren, en hem in ’t gezicht te zien!”’
“Leo heeft er schik in, als hij ziet hoe de arbeider Joefan met buitenwaarts gebogen armen aan het ploegen is. Joefan is voor hem het type van een krachtigen boerenarbeider, in den geest van Mikoela Seljaninowitsch. Dan slaat hij zelf de handen aan den ploeg, buigt de armen ook buitenwaarts en doet Joefan na.”12
Nadat Tolstoi zich in den zomer met zijn landgoed had bezig gehouden, zien wij dat hij zich ook met maatschappelijke zaken inliet.
Tegen den herfst van het jaar 1858 had in Toela eene bijeenkomst plaats van den adel uit het geheele gouvernement, met het doel afgevaardigden te kiezen in het Comité van het Gouvernement Toela tot verbetering van het bestaan der boeren. Op deze vergadering deden 105 edelen, op grond van het verkiezingsreglement voor den adel, hetwelk hun toestaat hunne meening over de plaatselijke nooden enbehoeften van hun gouvernement voor te dragen, den Maarschalk van Toela het volgende voorstel, ten einde het aan het oordeel van het Gouvernements-Comité te onderwerpen:
“Zoowel ter verbetering van het bestaan der boeren, als tot waarborg van den eigendom der grondbezitters en tot zekerheid van beide partijen, achten wij, ondergeteekenden, het noodig den boeren niet anders de vrijheid te geven, dan onder toewijzing van eene zekere hoeveelheid land in erfelijk bezit. Voorts, dat de grondbezitters voor het door hen afgestane land volledige en eerlijke schadeloosstelling in geld ontvangen, volgens nader te bepalen financiëelen maatstaf, die geenerlei gedwongen betrekkingen tusschen de boeren en de grondbezitters na zich sleept,—welke betrekkingen de adel noodig acht af te breken.” (Volgen de handteekeningen der 105 Toela’sche edelen, waaronder ook voorkomt die van graaf Leo Tolstoi, grondbezitter in het district Krapifka.)13
In December 1858 had Tolstoi op jacht een avontuur, dat hem bijna het leven gekost had. Ziehier wat Fet daarvan verhaalt.14
“Gromeka schreef den 15denDecember 1858:
“‘Overeenkomstig uw verzoek, haast ik mij u mee te deelen, waarde Afanasius Afanasijewitsch, dat ik dezer dagen, van omstreeks 18 tot 20 dezer, op de berenjacht ga. Zeg aan Tolstoi, dat ik eene berin met twee éénjarige jongen heb gekocht en of, zoo hij lust heeft aan onze jacht deel te nemen, hij zoo goed wil zijn, tegen 18 of 19 dezer rechtstreeks bij mij in Wolotschok te komen. Hij behoeft volstrekt geen plichtplegingen te maken; ik zal hem met open armen ontvangen, en er zal eene kamer voor hem in orde wordengebracht. Indien hij niet komt, verzoek ik u mij tegen dien tijd bericht te willen zenden.
Caricatuur van de medewerkers aan den Sawremjennik: Panajeff, Njekrassoff, Grigorowitsch, Toerghenjeff, Ostrowski, Tolstoi.—Blz. 242.Caricatuur van de medewerkers aan denSawremjennik: Panajeff, Njekrassoff, Grigorowitsch, Toerghenjeff, Ostrowski, Tolstoi.—Blz.242.
Caricatuur van de medewerkers aan denSawremjennik: Panajeff, Njekrassoff, Grigorowitsch, Toerghenjeff, Ostrowski, Tolstoi.—Blz.242.
“‘Ik vermoed dat de jacht den 19denzal plaats hebben. Het zal dan het best en zelfs noodig zijn den 18denhier te wezen.
“‘Wil Tolstoi de jacht tot den 21stenuitstellen, meld mij dit dan; maar langer kunnen wij niet wachten.’”
Om aan deze woorden nog meer kracht bij te zetten, kwam de bekende berendrijver Ostaschkoff Tolstoi bezoeken. Zijne verschijning onder de jagers kan het best vergeleken worden bij het dompelen van een gloeiend ijzer in water. Allen werden opgewonden en luidruchtig. Daar elken jager op de berenjacht de raad gegeven was twee geweren mee te nemen, had Tolstoi mij mijn Duitsch tweeloops-geweer gevraagd, dat voor hagel bestemd was. Op den afgesproken dag begaven onze jagers (Leo zelf, benevens zijn broeder Nikolaas) zich naar het station van den Nikolajeff-spoorweg. Ter wille van de nauwkeurigheid zal ik hier woordelijk weergeven wat ik van Tolstoi zelf, en van de vrienden die hem op de jacht vergezelden, vernomen heb.
“Toen de jagers, elk met twee geladen geweren gewapend, langs de open woudvlakte geposteerd waren, die door holle wegen als een schaakbord in vakken verdeeld was, werd hun de raad gegeven, de hooge sneeuw, die hen omringde, in een wijden kring vast te stampen, om zoodoende de meest mogelijke vrijheid van beweging te verkrijgen. Maar Leo, die bijna tot zijn middel in de sneeuw stond, achtte dien maatregel overbodig, omdat het doel toch was den beer te schieten en niet met hem te worstelen. Met dit oogmerk bepaalde de graaf zich er toe zijn geladen geweer tegen den stam van een boom te zetten, om, zoodra hij hieruit twee schoten gelost zou hebben, het weg te werpen en dan mijn Duitsch tweeloops te grijpen.
“De reusachtige, door Ostaschkoff uit haar hol opgejaagdeberin liet niet lang op zich wachten, en draafde, langs een der holle wegen die de woudvlakte kruisten, naar de ruimte waar de jagers stonden. Het toeval wilde dat deze holle weg uitkwam op dien, welke het dichtst gelegen was rechts van de plek waar Tolstoi op post stond, zoodat de graaf de nadering der berin niet kon opmerken. Mogelijk had het dier den jager, op wien het toesnelde, al vooraf geroken, althans het stormde eensklaps uit den tegenover liggenden hollen weg, verscheen onverwacht op de vlakte, op zeer korten afstand van Tolstoi, en draafde regelrecht op hem aan. Kalm legde de graaf aan, trok af, doch raakte het dier waarschijnlijk niet, want nog vóór de rook was weggetrokken, zag hij eene reusachtige, donkere massa voor zich, waarop hij bijnaà bout portantlosbrandde. De kogel vloog het dier in den bek en bleef tusschen de tanden steken.
“Doordien de graaf verzuimd had de omringende sneeuw vast te treden, kon hij zich niet zijwaarts wenden en evenmin mijn geweer grijpen, daar hij plotseling een hevigen stoot tegen de borst kreeg, die hem ruggelings in de mulle sneeuw deed tuimelen. In volle vaart stormde de berin over hem heen. ‘Nu ben ik verloren,’ dacht de graaf. ‘Ik heb misgeschoten en kan niet voor de derde maal vuur geven.’ Maar op hetzelfde oogenblik zag hij eene donkere massa boven zijn hoofd. Het was de berin, die na haren sprong onmiddellijk rechtsomkeert had gemaakt, en den schedel van den jager, dien zij door een stoot omver had geworpen, trachtte stuk te bijten. Daar Tolstoi weerloos op zijn rug in de diepe sneeuw lag, kon hij slechts passieven weerstand bieden. Het eenige wat hij dan ook deed, was het hoofd zoo diep mogelijk tusschen de schouders te trekken en zijne harige muts voor den muil van het dier te houden. Dank zij deze instinktmatige handeling, beet het dier tweemaal mis en gaf hem slechts een geduchten knauw, doordien het metde boventanden zijne wang onder het linkeroog openscheurde, en met de ondertanden de geheele linkerhelft van de schedelhuid aftrok.
“Op dit hachelijke oogenblik snelde Ostaschkoff, die met eene korte ijzeren staaf in de hand voortdurend in de nabijheid was gebleven, met opgeheven armen en onder het gewone geroep van: ‘Scheer je weg! Scheer je weg!’ op de berin toe. Nauwelijks had het dier dien uitroep gehoord, of het pakte in allerijl zijne biezen, om, zooals men denken kan, den volgenden dag toch gegrepen en afgemaakt te worden.
“Toen men Tolstoi op de been geholpen en zijn half ontveld en hevig bloedend gezicht behoorlijk verbonden had, waren zijne eerste woorden: ‘Wat zal Fet daar wel van zeggen!’
“Ook nu nog ben ik trotsch op deze woorden.”15
Toen Tolstoi van dit ongeval eenigszins hersteld was, haastte hij zich zijne tante het voorgevallene mee te deelen.
“In de eerste plaats groet ik u hartelijk; ten tweede haast ik mij u zelf van mijn ongeval in kennis te stellen, uit vrees dat u het anders met de noodige bijvoegingen uit den mond van anderen zult hooren.
“Nikolaas en ik zijn op de berenjacht geweest. Den 20stenheb ik een’ beer gedood; den 22stenzijn wij nogmaals op weg gegaan en is mij een’ buitengewoon ongeval overkomen. Onverwacht wierp eene berin zich op mij; op zes pas afstands brandde ik mijn geweer los, doch ik miste bij het eerste schot. Bij het tweede trof ik haar doodelijk in den muil; niettemin sprong het dier op mij toe, gaf mij een’ stoot, zoodat ik neertuimelde, en, terwijl de anderen toesnelden, beet het mij tweemaal: eens op het voorhoofd, de tweede maal onder het oog. Gelukkig heeft dit alles slechts 10 of 15 secondengeduurd. De berin ging op de vlucht, en ik werd op de been geholpen, met eene kleine wond, die mij niet mismaakt en zelfs geen pijn veroorzaakt. Noch het schedelbeen, noch het oog zijn beschadigd, zoodat ik er met een klein litteeken op het voorhoofd ben afgekomen. Ik ben op het oogenblik te Moskou en voel mij volmaakt gezond. Ik schrijf u de zuivere waarheid, zonder iets te verbergen, opdat u zich niet ongerust zult maken. Nu is alles voorbij en rest mij nog God te danken, die mij op zoo buitengewone wijze gered heeft.”16
Dit avontuur diende Tolstoi als thema voor zijn verhaal:Een jacht die nog erger is dan gevangenschap, dat in deLeesboekjeswerd opgenomen. In dit verhaal staan tal van merkwaardige bijzonderheden, die door Fet zijn weggelaten; maar wijl het in dien vorm zeer moeielijk is het zakelijke gedeelte der vertelling te onderscheiden van wat er door de fantasie is bijgevoegd, hebben wij aan deHerinneringenvan Tolstoi’s vriend en aan zijn eigen brief aan tante Tatjana, die meer aan ons doel beantwoordden, de voorkeur gegeven boven het door hem geschreven verhaal.
De eerste maanden van het jaar 1859 bracht Tolstoi in Moskou door; maar in April ging hij naar Petersburg, waar hij tien dagen in gezelschap van zijne vriendin A. A. Tolstaja doorbracht. Van deze reis zijn hem de aangenaamste herinneringen bijgebleven.
Op het einde van April ging hij weer naar Jasnaja Paljana, waar hij den geheelen zomer bleef.
Gedurende dien zomer bezocht Tolstoi Toerghenjeff op zijne villa Spasskoje.
Hoewel beide mannen elkander steeds met wederzijdsche achting behandelden, was de verhouding toch nog steeds koel.
Niettemin had dit bezoek een gunstig en aangenaam verloop. Op 9 October van hetzelfde jaar liet Toerghenjeff in een brief aan Fet zich aldus uit:
“Onze dames zenden u hare beste groeten. Van Tolstoi heb ik een aangenaam bezoek gehad, en vriendschappelijk zijn wij gescheiden. Mij dunkt dat er tusschen ons geen misverstand kan bestaan, daar wij elkander duidelijk begrijpen en inzien, dat een intiem samengaan voor ons onmogelijk is. Wij zijn van te verschillende klei gemaakt.”
In Augustus reisde Tolstoi andermaal naar Moskou, waar hij den herfst doorbracht.
Het jaar 1860 ging hij in onrustige stemming tegemoet.
Het beheer van het goed, de druk van het eenzelvige leven, allerlei twijfel en pessimistische gevoelens bestormden zijn gemoed.
Niettemin vond hij in den winter van 1859 op 1860 uitspanning en opbeuring in zijne scholen. InBiechtschrijft hij over dien tijd het volgende.
“Na mijn’ terugkeer uit het buitenland vestigde ik mij op het land en kwam op het denkbeeld mij met de boerenscholen bezig te houden. Deze taak was bijzonder naar mijn’ zin, wijl er niet dat leugenachtige in lag opgesloten, dat mij duidelijk was geworden en reeds bij het letterkundig onderwijs mijne aandacht had getrokken. Ook hier werkte ik in naam van denvooruitgang, maar nam tegenover dezen reeds het standpunt van den kritikus in. Ik zeide tot mijzelf, dat devooruitgangin enkele gevallen verkeerde resultaten had opgeleverd, en dat men zich eigenlijk tot de allereenvoudigste lieden, tot de boerenkinderen moet wenden en het geheel aan hunne vrije keus overlaten den weg van vooruitgang te kiezen, dien zij wenschen. In werkelijkheid draaide ik steeds om dezelfde onoplosbare quaestie heen, hierin bestaande,dat ik niet wist wat ik onderwees. In de hoogere sferen van letterkundigen arbeid had ik begrepen, dat men niet onderwijzen kan, zoo men niet weet wat men onderwijst, omdat ik gezien had, dat allen verschillend onderwijzen en bij hunne onderlinge twisten hunne onwetendheid voor zich zelven verbergen. Hier, in het geval van de boerenkinderen, dacht ik dat deze moeilijkheid te vermijden zou zijn, door aan de kinderen over te laten te leeren wat zij wilden. Nu vind ik het komisch, als ik er aan denk welke kunstgrepen ik gebruikt heb om mijn wensch—het onderwijzen—te vervullen, ofschoon ik in den grond van mijn hart overtuigd was, dat ik niet kon onderwijzen wat noodig was, daar ik niet wist wat ik daaronder moest verstaan.”
Dit bestendige gevoel van ontevredenheid over zich zelf, dit zoeken naar de reden van het bestaan, was steeds de werkende kracht, welke hem onweerstaanbaar voortdreef op den weg van zedelijken vooruitgang.
In Februari 1859 werd Tolstoi gekozen als lid van hetMoskousche Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde.
Den 4denFebruari 1859 had, onder praesidium van A. S. Chomjakoff, eene vergadering van dit genootschap plaats, waarop van de nieuw gekozen leden ook graaf Tolstoi tegenwoordig was, die, volgens de gebruiken van dit Genootschap, eene intreêrede hield, waarin hij, zooals in het protocol van het Genootschap gezegd wordt, “de quaestie besprak van de voorkeur van het bellettristisch element in de letterkunde boven al hare andere richtingen.” Tot ons leedwezen hebben wij deze redevoering niet onder de oogen kunnen krijgen. In de verslagen van het genootschap luidt het, dat aanvankelijk besloten was deze redevoering in de werken van het genootschap af te drukken; doch later besloot men, aangeziende uitgaaf van deze werken niet plaats vond, de redevoering aan den schrijver terug te zenden, bij wien zij vermoedelijk onder oude papieren verloren is geraakt.
Wij kunnen ons eenige voorstelling van die redevoering maken, zoo wij de loffelijke toespraak lezen, waarmede A. S. Chomjakoff haar beantwoordde en die wij hier in haar geheel laten volgen.
“HetMoskousche Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde, dat u, Graaf Leo Tolstoi, onder het getal zijner werkzame leden heeft opgenomen, heet u met blijdschap welkom als medewerker op het gebied der zuivere bellettrie. Deze zuiver litteraire richting verdedigt gij in uwe redevoering, en stelt haar hoog boven alle andere tijdelijke en toevallige richtingen van letterkundigen arbeid. Zonderling zou het zijn, indien het Genootschap daarin niet met u sympathiseerde. Veroorloof mij, intusschen, te zeggen, dat de billijkheid der meening, welke door u met zooveel talent is uitgesproken, geenszins de rechten van het tijdelijke en toevallige op het gebied der taal te niet doet. Datgene wat altijd schoon en onveranderlijk is, als de grondwetten der ziel zelve, neemt, en moet ongetwijfeld innemen, de eerste plaats in de gedachten, de drijfveeren en dus ook in het gesproken woord der menschen. Dit en alléén dit wordt van geslacht op geslacht, van het eene volk op het andere overgedragen, als een kostbaar erfdeel dat steeds vermeerdert en nooit in vergetelheid geraakt.
“Maar aan den anderen kant bestaat er, zooals ik reeds de eer had te zeggen, in de natuur van den mensch, zoowel als in die der maatschappij, eene duurzame behoefte aan overtuiging. De geschiedenis wijst op tal van belangrijke momenten, waarin die overtuiging bijzondere, onomstootelijke rechten verkrijgt en niet meerdere juistheid en scherpte in de maatschappelijke taal doordringt. Het toevallige en het tijdelijke in denhistorischen gang van het volksleven krijgt de beteekenis van het algemeene, het universeel menschelijke, omdat alle geslachten, alle volken de ziekelijke verzuchtingen en bekentenissen van een of ander geslacht of volk kunnen begrijpen en dat ook werkelijk doen. De rechten der bellettrie, die dienares van eeuwige schoonheid, vernietigen niet de rechten der overtuigende of bewijsvoerende letterkunde, welke steeds de maatschappelijke onvolmaaktheid vergezelt en soms heilzaam blijkt voor de maatschappelijke wonden. In de onverstoorde waarheid en harmonie der ziel ligt een oneindige schoonheid; maar ook in de boete, in het berouw, dat de waarheid hooghoudt en den mensch of de maatschappij naar zedelijke volmaaktheid drijft, ligt ware, verhevene schoonheid.
“Sta mij toe hier bij te voegen, dat ik de meening van den, naar het mij voorkomt, eenzijdigen Duitschen aestheticus niet kan deelen. Wel is de kunst, de bellettrie, geheel vrij en vindt zij rechtvaardiging en doel in zich zelve, maar de vrijheid der kunst, als abstract begrip, staat in geenerlei betrekking tot het innerlijke leven van den kunstenaar. De kunstenaar is geen theorie, geen gebied van gedachten en gedachtenarbeid: hij is een mensch, steeds een mensch van zijn tijd, gewoonlijk de beste vertegenwoordiger er van, die hem met zijn’ geest en met zijne rijpe of ontluikende neigingen doordringt. Wegens zijne ontvankelijkheid voor indrukken, zonder welke hij geen kunstenaar zou kunnen zijn, neemt hij—meer dan andere menschen—alle ziekelijke en ook blijmoedige aandoeningen der maatschappij waarin hij geboren is, in zich op. Doordien hij zich steeds aan het ware en schoone wijdt, weerspiegelt hij onwillekeurig door een woord, door den zin eener gedachte of voorstelling het actueele in zijn mengsel van waarheid, die eene reine ziel verblijdt, en van leugen, die de harmonische rust der ziel verstoort.
“Zoo vloeien de twee gebieden, de twee afdeelingen derletterkunde, waarvan wij spraken, ineen; zoo wordt een schrijver, een dienaar van de zuivere kunst, somtijds bewijsvoerder, zonder dat hij het zelf weet, zonder zijn eigen wil en soms ook tegen zijn’ wil. Ik neem de vrijheid u zelf, graaf Tolstoi, als voorbeeld te nemen. Gij volgt getrouw en standvastig een bewusten en bepaalden weg; maar zijt gij wel zoo geheel vreemd aan die richting, welke met den naam van overtuigende of bewijsvoerende letterkunde bestempeld wordt? Hebt gij niet eens in uw leven in het beeld van een teringachtigen boer, die te midden van een aantal kameraden, blijkbaar onverschillig voor zijn lijden, op zijne kachel sterft, de eene of andere maatschappelijke ziekte, de eene of andere ondeugd aangewezen? Hebt gij, bij het beschrijven van dien dood, geen leed gehad over die harde gevoelloosheid van goede, maar niet ontwaakte menschenzielen?... Ja—ook gij waart en zult onwillekeurig zijn: bewijsvoerder, beschuldiger! Ga met God op den wonderschoonen weg voort, dien gij u hebt gekozen. Ga voort met hetzelfde gunstige gevolg, waarmee ge tot heden bekroond zijt geworden,—of met nog glansrijker, want uwe gave is niet van voorbijgaanden aard, en niet spoedig uitgeput. Maar geloof vrij, dat in de letterkunde het eeuwige en artistieke steeds het tijdelijke en vergankelijke in zich opneemt, het vervormt en veredelt, en dat alle verschillende loten der menschelijke taal zonder ophouden samengroeien tot een enkel harmonisch geheel.”
Chomjakoff’s voorspelling werd verwezenlijkt. Zonder nog te spreken van de beschuldigende elementen in alle geschriften der eerste periode, kwam Tolstoi 20 jaren later met zijneBiechten daarna met de aanwijzing van het kwade der tegenwoordige maatschappij voor den dag. En aan deze taak heeft hij zijne machtige kunstenaarsgaven gewijd.
1Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff.2Uit de Papieren van Droezjinin. Petersburg, 1884.3De eerste van deze twee brieven aan zijne tante was geheel, de tweede gedeeltelijk in het Fransch geschreven.4Deze brief was in ’t Fransch geschreven.5A. Fet.Mijne Herinneringen1848–1889.6A. Fet,Mijne Herinneringen1848–1889.7Tolstoi noemde zijne tante, de onlangs overleden gravin A. A. Tolstaja, schertsenderwijze “Grootmoedertje”.8Iw. Zacharjin (Jakoenin). Herinneringen aan gravin A. A. Tolstoi.Europeesche Bode, Jan. 1904.9Zie zijnFamiliegeluk.10Barina is de vrouwelijke vorm van barin = heer.11Uit de gedenkschriften van Tolstoi.12A. Fet,Mijne Herinneringen, Blz. 237.13Sawremjennik1858, Deel 72, Bladz. 300.14In Fet’sHerinneringenis dit avontuur abusievelijk opgegeven als in Januari 1858 te hebben plaats gehad.15A. Fet,Mijne Herinneringen.16in het handschrift in het Fransch.
1Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff.
2Uit de Papieren van Droezjinin. Petersburg, 1884.
3De eerste van deze twee brieven aan zijne tante was geheel, de tweede gedeeltelijk in het Fransch geschreven.
4Deze brief was in ’t Fransch geschreven.
5A. Fet.Mijne Herinneringen1848–1889.
6A. Fet,Mijne Herinneringen1848–1889.
7Tolstoi noemde zijne tante, de onlangs overleden gravin A. A. Tolstaja, schertsenderwijze “Grootmoedertje”.
8Iw. Zacharjin (Jakoenin). Herinneringen aan gravin A. A. Tolstoi.Europeesche Bode, Jan. 1904.
9Zie zijnFamiliegeluk.
10Barina is de vrouwelijke vorm van barin = heer.
11Uit de gedenkschriften van Tolstoi.
12A. Fet,Mijne Herinneringen, Blz. 237.
13Sawremjennik1858, Deel 72, Bladz. 300.
14In Fet’sHerinneringenis dit avontuur abusievelijk opgegeven als in Januari 1858 te hebben plaats gehad.
15A. Fet,Mijne Herinneringen.
16in het handschrift in het Fransch.