Twaalfde hoofdstuk.Tolstoi’s tweede buitenlandsche reis.In Februari van het jaar 1860 wendde Fet zich schriftelijk tot Tolstoi om hem raad te vragen in zake den aankoop van een stuk grond en om inlichtingen den landbouw betreffende. Tolstoi antwoordde hem uitvoerig, juichte zijn plan zeer toe, beloofde hem te zullen helpen en wees hem verschillende stukken grond aan. In dezen voor ons onbelangrijken zakenbrief, maakt hij tevens eenige opmerkingen over een paar werken van Toerghenjeff en Ostrowski.“Ik hebAan den Vooravondgelezen. Ziehier mijn oordeel. Verhalen schrijven is over ’t algemeen nutteloos, maar vooral als het geschiedt door menschen, die pessimistisch zijn en niet goed weten wat zij in ’t leven willen. Overigens isAan den Vooravondveel beter danHet adellijk Nest. In het eerste zijn de met den geest van tegenspraak bezielde personen, de vader, de kunstenaar, uitstekend geteekend. De overige personen zijn geen typen, zelfs hun denken en hunne omstandigheden zijn niet typisch, hoogstens dood-alledaagsch. Dat is overigens altijd eene fout van Toerghenjeff. Het meisje is van ’t begin af aan slecht geteekend: ‘Ach, hoe bemin ik je.... Zij had lange wimpers....’ Het heeft mij altijd verwonderd, dat Toerghenjeff met zijn groot verstand en dichterlijk gevoel zich niet van banaliteiten, die er soms zelfs zijn bijgesleept, kan onthouden. Het meest treft men die banaliteit aan bij zijne oppositie-menschen; hierin herinnert hij aanGogol. Hij neemt geen aandeel in het lot van deze lieden, maar teekent hen als misgeboorten, waarvoor hij geen medelijden voelt en die hij bovendien nog beschimpt. Dat is te veel in tegenspraak met den toon en de gedachten, die Toerghenjeff overigens kenmerken. Dat was goed bij de ouderwetsche litteratuur en bij Gogol, waar ik nog bij moet voegen dat, indien men zijne onbeduidende personen niet kan beklagen, men hen moet uitschelden om een onzinnige reden, b.v. omdat het vandaag niet warm is, of uitlachen omdat zij buikpijn hebben; maar niet zooals de zwaarmoedige Toerghenjeff het doet. Men mag in ’t algemeen niet zulke verhalen schrijven, zelfs niet als men zeker is van succes.“Onwedervan Ostrowski is volgens mijne meening een treurig werk, maar zal succes hebben. Ostrowski noch Toerghenjeff hebben schuld aan hun succes, maar de tijd waarin zij leven. Er zal nu geen mensch meer opstaan die in dat opzicht Boelgarin zal evenaren, maar daarom zal niemand de liefhebbers van het antieke, waartoe ook ik behoor, verhinderen om met ernst gedichten en verhalen te lezen en ze ernstig te bespreken. Toch hebben wij tegenwoordig iets anders noodig. Ons behoeft men niet meer te onderwijzen maar wij moeten Marfoetka en Taraska1, iets, al is het maar weinig, meedeelen van hetgeen wij weten. En nu, leef wel!”Leo Tolstoi heeft inderdaad beslist, dat de mensch, die gezegend is met verstand en zich verrijkt heeft met wetenschap, in de eerste plaats verplicht is diegenen ervan te doen genieten, die dat ontberen. Daarom ook wijdt hij zijne vrije uren aan de volksschool.Op die wijze verliep de winter van 1859–’60. Ook las Tolstoi veel ernstige boeken, die hem op de volgende gedachten brachten.7 Februari. “Ik las over de degeneratie van het menschelijk verstand en van den hoogsten graad zijner ontwikkeling. Geheel machinaal gingen mijne gedachten naar het gebed.—Bidden.—Tot wien? Wat is het voor een God, dien men zich zoo duidelijk kan voorstellen, dat men hem kan vragen zich met ons in verbinding te stellen. Als ik mij God zoo voorstel, dan verliest Hij voor mij al het verhevene.“De God, dien men iets kan vragen, dien men kan dienen, is eene uiting van zwakheid van het verstand. Daarom is Hij God omdat ik mij Zijn wezen niet kan voorstellen. Neen, Hij is geen wezen; Hij is wet en kracht.“Moge deze bladzijde een monument blijven voor mijn vertrouwen in de kracht van ’t verstand.”Vervolgens las hij:Vertellingenvan Auerbach,Reineke Fuchsvan Goethe. Ongeveer in dien tijd schreef hij:“Het is een vreemde godsdienst, die godsdienst van mij en van onzen tijd, het is de godsdienst van den vooruitgang. Men heeft eens den mensch gezegd, dat vooruitgang goed is. Zij is slechts eene afwezigheid van geloof, gepaard aan den drang naar een bewust werken, dat minder zwaar wordt door het geloof. De mensch heeft een drijfkracht noodig. Zoo is het.”Deze gedachte kwam, zooals wij later zullen zien, tot hare volle ontwikkeling in zijne paedagogische werken en ook in de zelfontleding van zijnBiecht.De vrienden volgden met belangstelling Tolstoi’s litteraire loopbaan en hadden een vriendelijke toegevendheid voor zijne “dwaasheden en zonderlingheden”, zooals zij het noemden, terwijl zij grootendeels zijne diepgaande, innige gedachten niet begrepen.Zoo schreef o.a. Botkin 6 Maart 1860 aan Fet:“Uit een’ brief van Toerghenjeff zag ik met genoegen, dat Tolstoi zich weer met zijn’ roman uit den Kaukasus bezighoudt. Hoeveel dwaasheden hij ook doet, ik zal toch steeds zeggen, dat hij iemand is met groot talent, en iedere dwaasheid van hem heeft voor mij meer waarde, dan de verstandigste daden van vele anderen.”In een’ brief van Toerghenjeff aan Fet lezen wij:“En Leo Tolstoi gaat voort met zijne eigenaardigheden; dat is hem zeker aangeboren. Wanneer zal hij eens ophouden in de lucht te zweven en vasten bodem onder zijne voeten voelen.”In den winter van 1860 bracht het echtpaar Fet een bezoek op Jasnaja Paljana, dat zij moesten passeeren als zij van hun landgoed naar de stad gingen.Van dit bezoek geeft Fet ons de volgende korte aanteekening:“Natuurlijk ontzegden wij ons het genoegen niet een paar dagen op Jasnaja te blijven, waar wij tot onze groote vreugde ook Nikolaas Tolstoi, een’ hoogst sympathieken, verstandigen man, aantroffen. Wat hebben wij niet een plannen gesmeed in die paar dagen, dat ik met hem samen was! Niemand van ons dacht er aan, dat geen van die plannen verwezenlijkt zou kunnen worden.”Verder vertelt Fet van een bezoek, dat Nikolaas hem bracht:“In ’t begin van Mei kwam Nikolaas Tolstoi ons eens opzoeken. Zijne zuster had hem aangeraden met de broers in ’t buitenland genezing te gaan zoeken voor zijn hardnekkigen hoest. Hij zelf nam niet de minste notitie van zijne zwakke gezondheid, maar zijne magerheid, zijne bleeke gelaatskleur en vooral de driftbuien, teringlijders zoo eigen, wezen, ondanks zijne opgeruimdheid en zijn prettigen, vroolijken lach, op de aanwezigheid van die ziekte. Ik weet nog hoe boos hij zijne hand terug trok, toen de koetsier die wilde grijpen om haar te kussen. Den man zelf deed hij geen verwijten, maar toen wij naar de paarden gingen kijken, zeide hij tegen Borisoff en mij: ‘Hoe komt die ezel erbij mij plotseling de hand te willen kussen; dat is nog nooit gebeurd.’”Wij achten het niet overbodig, hier de karakterschets te laten volgen, die Fet van dezen broeder heeft gegeven.“Graaf Nikolaas Tolstoi kwam bijna iederen avond bij ons en bracht dan eene prettige gezelligheid mee, die zich niet met een paar woorden laat beschrijven. Hij droeg toen nog altijd zijn uniform. Men behoefde zijne magere handen, zijne groote verstandige oogen en zijne ingevallen wangen maar aan te zien om te weten, dat deze goede, geestige man eens het slachtoffer zou worden van de onverbiddelijke tering. Het is jammer, dat deze buitengewone persoonlijkheid, die door al zijne kennissen werd verafgood, in den Kaukasus de in het leger zeer verspreide gewoonte had aangenomen van veel te drinken. Men zegt het althans, maar ik, die in den korten tijd dat ik hem kende, dikwijls met hem op jacht ging, waar hij natuurlijk veel meer gelegenheid had tot drinken dan op een familieavondje, kan verklaren nooit een spoor van dronkenschap bij hem te hebben waargenomen.“Hij zat altijd in een’ leuningstoel, dien wij bij de tafel hadden geschoven, en dronk een paar kopjes thee met een weinig cognac. Men moest hem, bescheiden als hij was, meestal aan het praten brengen, maar was hij eenmaal begonnen, dan bracht hij in het gesprek al dien fijnen humor, waarover hij zoo rijkelijk kon beschikken. Hij hield heel veel van zijn jongsten broer Leo, maar kon toch niet nalaten diens aristokratische manieren te bespotten. Schijn kon hij steeds van waarheid onderscheiden en met dezelfde ironie ontleedde hij de hoogste zoowel als de laagste Kaukasische kringen. Ook oompje Jepischka, de bekende jager en oud-geloovige (inde Kozakkenvoorkomende onder den naam van Jeroschka), werd door hem gezien en begrepen, zooals alleen een kunstenaar dat kan.”Nikolaas Nikolajewitsch schreef weinig.Herinneringen van een Jageris het eenige verhaal dat tot ons is gekomen. Het werd indertijd opgenomen in denSawremjennik.Garschin geeft in zijneHerinneringen aan Toerghenjeffdiens meening over Nikolaas Tolstoi:“De lijdzaamheid, die Leo Tolstoi in theorie ontwikkelde, vinden wij geheel terug in het wezen van zijn’ broer Nikolaas.“Zijne woning was zoo bescheiden mogelijk, bijna een hutje, ergens in een afgelegen wijk van Moskou, en alles wat hij bezat deelde hij met de armen. Hij was een bijzonder aardig prater en verteller, maar schrijven was hem eene bijna physieke onmogelijkheid. Het opstellen van een’ brief kostte hem evenveel moeite als den eenvoudigsten werkman, wiens ruwe, verwerkte vingers de pen niet kunnen vasthouden.”Tot groote, maar korte vreugde van al zijne vrienden besloot Nikolaas Tolstoi eindelijk naar het buitenland te gaan.Toerghenjeff, die bijzonder veel van hem hield en die zich zeer ongerust maakte over zijne gezondheid, schreef naar aanleiding daarvan uit Soden aan Fet:“Hetgeen gij mij van Nikolaas’ gezondheid schreeft, heeft mij zeer getroffen. Kan het waar zijn dat die brave, lieve man zou moeten sterven. Waarom heeft hij niet eerder zijne traagheid overwonnen om in ’t buitenland genezing te zoeken? Hij ging toch ook wel naar den Kaukasus in een reiswagen en de duivel mag weten in welke voertuigen nog meer. Kwam hij maar naar Soden! Hier ontmoet ge bij iederen stap borstlijders. Ik spreek met u op een afstand van duizenden wersten, alsof mijne woorden zouden kunnen helpen.... Als Nikolaas nog niet vertrokken is, dan zal hij het nooit doen... En zoo slaat ons allen het noodlot.”In het postscriptum schrijft hij nog eens:“Zoo Nikolaas nog niet vertrokken is, pak hem dan in zijnkraag en sleep hem over de grenzen. De lucht is hier zoo zacht als gij het in Rusland nergens vindt.”Medewerkers aan de Sawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz. 251.Medewerkers aan deSawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz.251.Tolstoi maakte zich natuurlijk ook zeer ongerust over de ziekte van zijn’ broer. De volgende brief aan Fet, in dien tijd geschreven, spreekt van die bezorgdheid en ook vinden wij daar eenige raadgevingen op landhuishoudkundig gebied:”...Wanneer ik geheel geloof had kunnen schenken aan uw’ brief zou ik er niet trotsch op geweest zijn, maar had hij mij verdriet gedaan. Gij zijt een schrijver en blijft een schrijver. Gave God, dat wij allen konden schrijven zooals gij! Maar dat gij een stuk grond wilt koopen en daar wilt gaan werken als een mier, dat is eene prachtige gedachte, die gij ook ten uitvoer moet brengen en dan beter dan ik. Gij moet het doen omdat gij een goed mensch zijt, met een helderen blik op het leven. Overigens ben ik op het oogenblik niet de persoon om u op een’ meesterachtigen toon mijne goedkeuring te schenken. Ik leef in tweestrijd met mijzelf. Mijne werkzaamheden op mijn landgoed drukken mij en ik ben niet met hart en ziel bij het ‘Joefanstwo.’2Verder nemen huiselijke zorgen, de ziekte van Nikolaas, van wien ik sedert hij in het buitenland vertoeft niets gehoord heb, en het vertrek van mijne zuster mij geheel in beslag. Mijn ongetrouwd leven, het gemis van eene vrouw en de vrees dat het te laat is om dat te herstellen hinderen mij ook. Het gaat tegenwoordig in ’t algemeen niet goed naar mijn zin.“Daar mijne zuster hulp noodig heeft en ook omdat ik naar Nikolaas verlang zal ik morgen werk maken van een’ buitenlandschen pas. Misschien reis ik met haar mee. Ik doe het zeker als ik geene of slechte berichten van hem krijg. Watzou ik je nog graag eens willen zien vóor ik vertrek! Ik had je nog zooveel te vragen en te vertellen, maar—dat is nu niet mogelijk. Wanneer deze brief vroeg genoeg aankomt zult gij er uit zien dat wij Donderdag, uiterlijk Vrijdag op reis gaan. En nu over uwe plannen. De prijs, dien men u genoemd heeft, is niet te hoog en als de plaats u aanstaat, dan moest gij den grond maar koopen. Maar waarom zoo veel? Ik weet uit eigen ondervinding dat, zoo gij er voordeel van wilt trekken, gij niet meer dan 60 desjatin moet hebben, d.w.z. vier stukken land ieder van 10 à 15 desjatin.3Sla dezen raad niet in den wind. Het zijn geen losse praatjes, waar ik mee aankom, ik heb zelf leergeld betaald. Wie het u anders gaat vertellen, die liegt of hij weet het niet. Ook nu reeds zult gij al uwe krachten moeten inspannen, maar uwe moeite zal beloond worden. Het is de aangenaamste bezigheid die er bestaat, d.w.z. wanneer het land niet te groot is, want in dat geval moet gij werken als een postpaard en bereikt niets. Ik heb geen woorden genoeg om mijne spijt uit te drukken, dat ik niet eerder heb geschreven. Gij waart dan zeker nog bij ons gekomen. En nu vaarwel! Doe mijne hartelijk groeten aan Maria Petrowna en aan Borisoff.”De litteraire werkkracht van Tolstoi, en ook van Fet, begon in dezen tijd te verslappen. Tolstoi gaf zich over aan innerlijke beschouwingen en er ontstond een stilstand in zijn werk. Maar nu schreef Droezjinin elk der beide vrienden een’ overtuigenden brief om den lust tot schrijven weer bij hen op te wekken. Belangrijk vooral is die aan Tolstoi:“Ik haast mij u te antwoorden op uw schrijven en ook,zooals gij waarschijnlijk wel zult raden, op hetgeen gij mij meedeelt over uwen litterairen arbeid. Bij iederen schrijver komen oogenblikken van twijfel en ontevredenheid, maar hoe sterk, hoe gewettigd die ook mogen zijn, niemand nog heeft daarom het schrijven voor goed opgegeven. Bij alles wat gij doet, het zij goed of kwaad, hebt gij steeds eene groote vasthoudendheid getoond; daarom moet gij meer dan iemand anders nadenken voordat gij het werk neerlegt.“Bedenk toch, na poëzie en na hersenarbeid is alle andere bezigheid niets.Qui a bu veut boire.U op dertigjarigen leeftijd van uwen litterairen arbeid terug te willen trekken staat gelijk met het verlies van de helft der belangstelling die gij voor ’t leven gevoelt.“Maar—dat is nog niet alles. Op ons allen rust de verantwoordelijkheid voor goede litteratuur te zorgen, iets waaraan het Russische publiek zoo zeer behoefte heeft. De Engelschman en de Amerikaan kunnen terecht lachen omdat in Rusland eene vertelling van honderd bladzijden (waarmee een landeigenaar, met een goed van 2000 zielen, zich maanden heeft bezig gehouden), door het publiek verslonden wordt en een’ geheelen dag het onderwerp van gesprek vormt. Wat men in het buitenland dilettantisme noemt, wordt bij ons reeds als iets bijzonders beschouwd. Bij ons is het zoo. Eene vertelling wordt gelezen om zich er mee te amuseeren. Deze laagste soort van kunstuiting kan twee bronnen hebben: òf zij is geschreven door iemand die ons niets te vertellen heeft, òf zij is de stem van den eenigen vooruitstrevenden man in het Tsarenrijk. Wij b.v. kennen de zwakke zijde van Toerghenjeff, maar met dat al ligt er nog eene zee tusschen zijne niets beduidende vertellingen en de beste romans van Eugénie Toer met haar half talent. Het Russische publiek, dat zich door een eigenaardig gevoel laat leiden, kiest zich vier of vijf schrijvers als leidslieden en wenscht verder nietste weten. Gij zijt door uw talent, door uwe schitterende geestesgaven en door een’ samenloop van omstandigheden een gunsteling van het publiek geworden. U aan den arbeid onttrekken moogt gij dus niet; integendeel, gij moet werken met al de kracht die in u is. En nu is er nog iets: gij zijt lid van den zooveel mogelijk eerlijken, invloedrijken, onafhankelijken kring, die reeds sedert tien jaren (ondanks de fouten die misschien haar leden aankleven) het vaandel hoog houdt van liberalisme en vooruitgang, en onder den druk der vervolging den smaad draagt, zonder ooit eene laagheid te hebben begaan. De kring is, ondanks de geringe tegemoetkoming, de weinige beschaving van het publiek en het neerzien op de litteratuur in ’t algemeen, een moreele kracht geworden. ’t Is waar, hij heeft ook middelmatige, onbeduidende leden, maar in verbinding met de anderen presteeren die toch ook iets en zijn zij niet geheel nutteloos. In dien kring nu zijt gij, hoewel gij nog slechts kort lid zijt, één dergenen die zich eene stem hebben verworven, hetgeen b.v. Ostrowski met zijn groot talent, en die moreel even hoog staat als gij, niet is gelukt. Eene verklaring hiervoor te zoeken zou ons te ver voeren en ook niets aan de zaak afdoen. Indien gij u nu uit dien kring terugtrekt, een leven van nietsdoen gaat lijden, dan zult gij u ten eerste vervelen en ten tweede geene rol meer spelen op het wereldtooneel.“En nu breek ik af omdat mijn papier vol is. Wanneer mijne gedachte tot u spreekt, dan zult gij haar zelf uitwerken en ontwikkelen.”Tot Fet wendde hij zich met denzelfden vriendelijken raad.“Waarde en hooggeachte Afanasie Afanasjewitsch!“Uwe mededeeling dat gij niets meer schrijven wilt of laten drukken beantwoord ik op dezelfde wijze als ik het Tolstoi gedaan heb. Indien gij niets goeds te schrijven hebt, blijfdan bij uw voornemen, doch zoo gij den drang tot schrijven voelt, zal een ander u daartoe niet behoeven aan te zetten.“Het is niet mogelijk, al heeft men duizend eeden gezworen, goede gedichten of goede boeken voor zich te houden, en daarom moest gij het ook maar niet probeeren. De beide laatste jaren was het u en Tolstoi onmogelijk iets te scheppen, en gij hebt beiden goed gedaan een’ tijd lang te rusten. Zoodra echter uw geest zal ontwaken, zult gij, zoowel als Tolstoi, u weer willen uiten. Doe daarom geen gelofte, vooral niet omdat niemand er u naar vraagt. Het eenige, dat ik niet goed vind in uw besluit, is dat gij en Tolstoi, zoo ik mij niet vergis, u boos hebt gemaakt, hetzij op het publiek hetzij op de litteratuur. Wanneer iedere schrijver beleedigd zou zijn door eene zekere koelheid of door een schimpartikel, dan zou niemand meer schrijven behalve misschien Toerghenjeff, die nu eenmaal de kunst verstaat een allemansvriend te zijn. Wanneer men in de letterkundige wereld met slijk gooit, dan is dat volgens mijne meening ongeveer hetzelfde, als dat het paard dat gij berijdt iets onbehoorlijks doet, terwijl uw hoofd vervuld is van poëtische gedachten. Hier kan ik nog bijvoegen, dat men mij heeft uitgescholden zooveel als ik maar kon verlangen, en het heeft mij nog niet eens mijn’ eetlust bedorven. Integendeel, ik vond het een groot genoegen mij schrap te zetten, en ik zal natuurlijk steeds doorgaan met schrijven, totdat ik gezegd heb wat ik vind dat gezegd moet worden.”Met zijne veronderstelling, dat het stilzwijgen der beide vrienden aan een zekere koelheid van het publiek moest worden toegeschreven, heeft Droezjinin zich echter vergist. Al heeft die koelheid misschien ook bestaan, de reden van hunne werkeloosheid lag toch ergens anders. Het was, dat beiden voelden dat er geen geestelijke band bestond tusschen den schrijver en de lezers. De schrijvers wisten niet wat zijmoesten schrijven en het publiek, vertegenwoordigd in de persoon van den kritikus, niet wat het van hen kon verwachten.Deze rusttijd hield aan, totdat eene plotselinge gebeurtenis een heftigen indruk maakte op hun gevoel of hun verstand en hen weer aan den arbeid riep.Keeren wij nu tot de ziekte van Nikolaas Tolstoi terug. Op weg naar het buitenland schreef deze uit St.-Petersburg aan zijn’ vriend Fet:“Lieve vrienden Afanasie Afanasjewitsch en Iwan Petrowitsch!“Ik kom mijne belofte nog vlugger na dan was afgesproken. Ik wilde u uit het buitenland schrijven en nu doe ik het reeds uit St.-Petersburg. Wij vertrekken morgen, d.w.z. Zaterdag. Ik heb dokter Z.... geconsulteerd. Hij is een Petersburger en geen Berlijner, zooals ik uit den brief van Toerghenjeff had opgemaakt. Hij stuurde mij naar de badplaats waar Toerghenjeff zich tegenwoordig ook bevindt, nl. Soden. Mijn volgend adres is Frankfurt am Main.”Fet ontving den tweeden brief uit Soden.“Ik heb niet eerst op antwoord gewacht, maar wil u even melden, dat ik goed en wel in Soden ben aangekomen. Men heeft echter bij mijne aankomst geen kanonschoten gelost. Wij troffen hier Toerghenjeff, die leeft en gezond is, zelfs zóó gezond, dat hij zelf verklaart ‘geheel gezond’ te zijn. Hij vond hier eene Duitsche jonge dame, die hij het hof maakt. Wij (dit is voor Iwan Petrowitsch bestemd) hadden ons voorgenomen te gaan schaken, maar tot nu toe is er nog niets van gekomen. Hij denkt aan zijne Duitsche en ik aan mijn herstel. Want nu ik dezen herfst opoffer, wil ik den volgenden kranig voor den dag komen. Soden is een heerlijk plekje. Ik ben hier nog niet eens eene week en voel mij reeds veel beter. Wij, Sergius en ik, bewonen drie kamers voor twintiggulden in de week; table d’hôte à één gulden, wijn is verboden. Een eenvoudig plaatsje dus, zooals ge ziet, maar mij bevalt het heel goed. Voor mijn venster staat een heel gewone boom, maar in de takken zit iederen avond een vogeltje te zingen. Dat herinnert mij aan het huisje in Nowosjelka. Doe mijne groeten aan Maria Petrowna; houdt u goed, lieve vrienden, en schrijft mij dikwijls. Ik denk lang in Soden te blijven, minstens een week of zes. Op weg hierheen heb ik niet geschreven omdat ik den geheelen dag ziek was. Nogmaals vaarwel!”Leo Tolstoi schreef reeds 28 Juni 1860 uit Moskou aan Fet, dat hij had besloten zijne zuster naar het buitenland te begeleiden, en vroeg hem in verband met deze reis eenige huishoudelijke zaken (naar de paarden zien, enz.) voor hem te willen regelen.Den 3denJuni vertrok hij met zijne zuster Maria Nikolajewna en hare kinderen per stoomboot uit Petersburg naar Stettin en vervolgens naar Berlijn.De ziekte van zijn’ broer was niet bepaald de aanleiding voor Tolstoi’s reis, maar heeft die slechts verhaast. Reeds lang was hij van plan zich in Europa op de hoogte te gaan stellen van hetgeen men daar voor de volksopvoeding deed.“Nadat ik mij een jaar met de scholen had bezig gehouden,” zegt Tolstoi in zijneBiecht, “vertrok ik voor de tweede maal naar het buitenland, om te leeren hoe ik het aan moest leggen anderen iets te leeren, terwijl ik zelf niets wist.”Of zijn arbeid vruchten zou dragen, kon hij eerst na twintig jaren beoordeelen, maar op het oogenblik wierp hij zich met hart en ziel op de studie.De ziekte en naderhand de dood van zijn’ broer brachten geene verandering in zijne plannen, maar deelden zijne reis intwee helften. Wij zullen trachten een geregeld overzicht te geven van zijne werkzaamheden.4Tolstoi kwam dus met zijne zuster in Berlijn, waar hij eenige dagen bleef, terwijl zij doorging naar Soden.Hier bezocht hij de universiteit, waar hij eenige college’s over geschiedenis, natuurkunde en physiologie bijwoonde en een’ avondcursus volgde in een “Handwerkerverein.” De populaire voordracht, gehouden door een’ beroemden professor, interesseerde hem in hooge mate en vooral de daarmede verbonden debatten wekten zijne belangstelling op. Deze wijze van volksopvoeding was voor Tolstoi iets geheel nieuws. Hij was zeer verbaasd over de vlugheid en vrijheid van gedachtenwisseling tusschen een van de voornaamste vertegenwoordigers der wetenschap en het volk.Sedert dien tijd zijn er reeds meer dan veertig jaren verloopen, en nog steeds greep Rusland dit eenvoudige middel om het volk op te voeden niet aan. Nog steeds maakt de geestelijke zoowel als de staatscensuur de toepassing van deze eenvoudige wijze van volksopvoeding onmogelijk.Ten slotte bezocht Tolstoi nog de gevangenis in de wijk Moabit, waar juist een nieuw strafsysteem, de eenzame opsluiting, was ingevoerd. Deze wijze van straffen maakte natuurlijk geen’ gunstigen indruk op Tolstoi.Den 14denApril vertrok hij uit Berlijn, bleef één dag in Leipzig, waar hij een school bezocht, om vervolgens door de Sachsische Schweiz, die hij bijzonder mooi vond, naar Dresden te reizen. Hier maakte hij kennis met Auerbach, den schrijver van vele bekende volksverhalen.De Amerikaansche schrijver Schyler vertelt in zijneHerinneringenaan Graaf L. N. Tolstoihet volgende van deze ontmoeting.“Ik herinner mij dat ik, Tolstoi eens met het in orde brengen van zijne bibliotheek helpende, opmerkte dat de volledige verzameling der werken van Auerbach eene eerste plaats op eene eerste plank had gekregen. Tolstoi gaf mij de twee deelen vanEin neues Leben, om ze, als ik naar bed ging, eens door te lezen. ‘Aan dezen schrijver,’ voegde hij erbij, ‘heb ik het te danken, dat ik scholen voor mijne boeren heb opgericht en dat mijne belangstelling is opgewekt voor hunne ontwikkeling. Toen ik voor de tweede maal in Europa kwam en Auerbach een bezoek bracht kenden wij elkaar nog niet. “Ik ben Eugen Baumann,” (de held uit een zijner verhalen) zeide ik en haastte mij, toen ik zag dat hij min of meer verlegen werd, er bij te voegen: “niet van naam maar in karakter.” Daarop vertelde ik hem wie ik was, dat zijne werken mij tot nadenken hadden gebracht, en welk een goeden invloed zij op mij hadden uitgeoefend.“Het toeval,” zoo vertelt Schyler verder, “voerde mij het volgend jaar naar Berlijn, waar ik in het gastvrije huis van den Amerikaanschen gezant Bancroft het genoegen had Auerbach te ontmoeten. Eens kwam het gesprek op Rusland en daardoor ook op Tolstoi, en herinnerde ik hem aan dat voorval.“‘Ja,’ zeide hij, ‘ik weet nog heel goed hoe ikschrok, toen die vreemd uitziende heer mij zeide, dat hij Eugen Baumann was. Ik was n.l. bang dat hij mij van laster kwam beschuldigen.’”De Saksische scholen konden Tolstoi niet bevredigen. Den 19denJuli vertrok hij naar Kissingen, zoodat hij langzamerhand ook dichter bij zijn broer kwam. Onderweg las hij veel, o.a. ook over de geschiedenis der paedagogie.Den 5denAugustus 1860 schreef Tolstoi uit Kissingen aan zijne tante:“Ik heb u zoolang niet geschreven, lieve tante, omdat ik u niet alleen tijding van mijzelf wilde doen toekomen, maar ook van al de onzen. Ik wacht nu echter al tien dagen tevergeefs op bericht van hen. Maria en ik zijn in den besten welstand te Berlijn aangekomen en maar één dag zeeziek geweest.“In Berlijn ben ik met Maria en Warenka naar den bekenden dokter Traube geweest. Hij vond Maria volmaakt gezond en stuurde haar alleen voor haar’ arm naar Soden. Warenka moet de zeebaden gebruiken, maar hart en longen zijn niet aangedaan. Voor mij oordeelt hij Kissingen het geschiktst. In Berlijn kreeg ik eene vreeselijke kiespijn, zoodat Maria eerst vier dagen later naar Soden vertrok. Wij ontvingen een’ brief van de broers, waarin Nikolaas schreef dat hetschijntdat zijn verblijf in Soden hem goed doet. Dát is alles wat ik van hem weet. In Berlijn heb ik tien aangename en nuttige dagen doorgebracht, maar de tandpijn heeft mij er vier bedorven. Voorzoover ik het beoordeelen kan na een verblijf van negen dagen, schijnt Kissingen goed te zijn voor mijne migraine. Ik heb hier Auerbach met zijne vreemde oogen ontmoet, wat ik heel prettig vond, en ook zijne vrouw met haar krijschende stem, hetgeen mij minder verheugde. Mijn adres is: Kissingen (Bavière). Ik hoop dat gij mij spoedig zult antwoorden. Vaarwel, ik kus uw handje. Zeg s.v.p. aan den opzichter, dat hij goed voor alles moet zorgen en schrijf mij eens over ’t werk, den oogst, de paarden, en of er zieken zijn. Laat de onderwijzer mij op de hoogte houden van de schoolzaken, hoeveel kinderen er komen en of ze goed leeren. Ik kom ongetwijfeld tegen den herfst terug en ben van plan mij nog meer dan vroeger met het onderwijs bezig te houden. De goede reputatie van de school mag dus, nu ik er niet bij ben, niet verloren gaan, en er moeten zooveel mogelijk leerlingen worden aangenomen.”Ook in Kissingen las Tolstoi zeer veel: op natuurkundiggebied Bacon, op godsdienstig Luther, terwijl Riehl’s werken hem tot gids strekten bij de studie der staatswetenschap. Waarschijnlijk heeft hij zich ook met Herzen bezig gehouden, want in zijn dagboek vinden wij de in dien tijd neergeschreven aanteekening:“Herzen: geen helder verstand, eene ziekelijke eigenliefde, maar zijne goedheid, breede opvatting en elegante stijl zijn Russisch.”In Kissingen maakte Tolstoi kennis met den Duitschen socioloog Jul. Fröbel, den schrijver vanTheorie der Politiek, en met diens oom, den paedagoog Fröbel, den stichter van de kindertuinen.Fröbel was vol bewondering voor Tolstoi’s scherpen blik en opvattingen, die geheel nieuw voor hem waren en volkomen in tegenspraak met zijn systeem.“Ruslands vooruitgang is slechts mogelijk,” verklaarde Tolstoi, “wanneer de volksontwikkeling daarvan den grondslag vormt. Die volksontwikkeling heeft bij ons meer kans van slagen dan bij u in Duitschland, omdat het Russische volk nog geheel onbedorven is, terwijl men het Duitsche volk kan vergelijken met een’ knaap, die eenige jaren eene verkeerde opvoeding heeft ontvangen.”De volksontwikkeling moet volgens Tolstoi’s meening niet verplicht zijn. Zal zij vruchten dragen, dan moet de drang naar weten zich zelf openbaren, zooals b.v. de honger zich zelf openbaart.Het grondbezit der boeren was een onderwerp dat hem ook zeer veel belang inboezemde; in hunne onderlinge samenwerking (het artèl) zag hij het beeld van den toekomststaat. Fröbel kon dikwijls een glimlach niet weerhouden als Tolstoi zijne meening uitte over het Duitsche volk. Dat hij b.v. in niet één boerenwoning de mooieDorpsvertellingenvan Auerbach, noch de werken van Hebel had gevonden, bracht hembuiten zichzelf van verbazing. “Bij ons,” zeide hij dan, “zouden de boeren tot tranen geroerd worden door zulke boeken.”De indrukken, ontvangen door den omgang met Auerbach en Fröbel, versterkten hem nog in zijn voornemen om de plannen, die hem voor den geest zweefden, ten uitvoer te brengen. Fröbel vestigde Tolstoi’s aandacht op de werken van Riehl, wiens denkbeelden zeer veel met de zijne overeenstemden; ijverig wijdde hij zich daarop aan de bestudeering van Riehl’sNatuurlijke Historie van het Volk, als zijnde de grondslag van de Duitsche sociale politiek. Ook de geschriften van den paedagoog Fröbel werkte hij grondig door. Tijdens zijn verblijf in Kissingen maakte Tolstoi, daartoe aangelokt door de schoone natuur en de vele geschiedkundige herinneringen, verschillende grootere of kleinere uitstapjes in den omtrek. Hij ging naar den Harz, vertoefde eenige dagen in Thüringen, en van uit Eisenach bracht hij een bezoek aan den Wartburg.Tolstoi voelde zeer veel belangstelling voor Luther, den grooten Duitschen hervormer, die, brekende met de traditie, zijn zwaren strijd op den Wartburg heeft gestreden. Hij bezocht de kamer waar Luther gewoond heeft, en waar, voor het eerst, de woorden uit den Bijbel in de Duitsche taal werden neergeschreven.“Luther is groot,” schreef Tolstoi na dat bezoek in zijn dagboek.Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi bevond zich, zooals wij weten, nog steeds in Soden. Den 19denJuli schreef hij aan zijn’ vriend Fet:“Ik had u reeds eerder willen schrijven, lieve vriend, maar ik wilde u bericht zenden van de geheele Tolstoi-kolonie, hetgeen om de volgende reden echter niet kan geschieden:mijne zuster is met de kinderen naar Soden gekomen, waar zij een poosje voor hunne gezondheid blijven, maar oompje Leo zit in Kissingen, dat hier een uur of vijf vandaan ligt, en komt maar niet hierheen, zoodat ik hem nog niet heb gezien. Ik heb Sergius, die op zijne terugreis naar Rusland Kissingen heeft aangedaan, uw’ brief meegegeven. Hij zal wel spoedig bij u zijn en u alle bijzonderheden vertellen. Vergeef het mij, beste Afanasie Afanasjewitsch, dat ik uw’ brief aan mijn’ broer heb gelezen. Er stond veel waars in, maar alleen daar waar gij in ’t algemeen spreekt. Hetgeen gij van u zelf zegt is niet waar. Men kan zich zelf en zijn’ kring niet beoordeelen, en daarbij ontbreekt het u aan praktijk. Verdiep u minder in theorieën, word practisch en dan ben ik overtuigd dat uwe laksheid zal verdwijnen en gij nog eens een werk zult schrijven, dat Toerghenjeff en ik en nog een paar anderen met genoegen zullen lezen. En de rest van ’t menschdom draait gij den rug toe. Weet gij waarom ik zooveel van u houd, Afanasie Afanasjewitsch? Omdat gij zoo oprecht zijt en nooit holle frasen gebruikt, zooals b.v. onze dierbare en hooggeachte vriend Toerghenjeff. Toch is het mij heel eenzaam geworden sedert hij niet meer hier is, afgezien nog van het feit, dat de schaakclub is ontbonden. Zelfs mijn eetlust wordt minder sedert ik zijne gezonde, gezette gestalte niet meer tegenover mij zie en ik niet meer verplicht ben hem telkens het vleesch bij de worteltjes of de worteltjes bij het vleesch aan te reiken. Wij hebben het dikwijls over u gehad, vooral den laatsten tijd: ‘Nu maakt Fet zich gereed om op reis te gaan, nu komt Fet,’ enz. enz.... Toerghenjeff heeft zich een zwarten hond gekocht, een halfbloed panter. Ik drink geen bronwater meer en heb mij voorgenomen veel uitstapjes te maken. Mijn hoofdkwartier echter blijft Soden en het adres onveranderd.”Van Nikolaas Tolstoi bleef ons zoo weinig litteraire arbeid,dat wij hier de enkele brieven laten volgen, die hij wisselde met zijne familie en met Dmitri Alexejewitsch Djakoff. Hoewel zij niet zeer belangrijk zijn, geven zij ons toch een’ indruk van zijn vriendelijk, goedhartig karakter.Uit Soden schreef hij de familie Djakoff twee brieven.“Hebt ge mijn’ brief uit St.-Petersburg ontvangen, beste vriend? Zoo ja, dan moet gij u schamen, dat gij er nog niet op hebt geantwoord. Ik hoop dat al de uwen gezond zijn, en schrijf mij nu in ’s hemelsnaam of Darja Alexandrowna5ook naar het buitenland gaat. Waarheen en wanneer zij ook gaat, als ik het maar weet, dan reis ik haar dadelijk tegemoet. Bronwater drink ik niet meer, ik houd nu alleen maar rust. Mijne zuster is ook hier en denkt een week of vier te blijven. Mijn adres is: Soden, près de Francfort sur le Main, maison ‘Landlust’.“Met mijne gezondheid gaat het vooruit, hoewel ik nog niet geheel beter ben; waarschijnlijk kunnen wij hetzelfde van uw landgoed zeggen. Schrijf mij nu eens heel spoedig hoe het gaat, welke plannen gij hebt, enz. enz.... Leo is in Kissingen, Sergius is bij mij in Soden geweest, maar heeft al zijn geld verspeeld en is reeds weer naar Rusland terug. Waarschijnlijk is hij nu bij u.“Geheel de uwe,GraafN. Tolstoi.”“19 Juli. (Nieuwe stijl.)“Ik weet niet, Darja Alexandrowna, hoe ik u zal danken voor uw schrijven; gij hebt uwen buurman dus nog niet vergeten. Hoe gaat het met uwe gezondheid en hoe maakt Maschi het? Ik hoop dat wij elkaar van ’t jaar nog zullen zien, en ik denk daaraan met groot genoegen. Gij hebtslechts te schrijven wanneer gij naar het buitenland gaat, waar gij u bevindt, en ik zal er zijn. Mijne zuster is ook in Soden en draagt mij op u te groeten. Wij schelden den geheelen dag op het weer—zomer is het hier niet geweest. Er is veel koude, regen en wind, en dat niet alleen in Soden maar in heel Europa. Laat u dat echter niet afschrikken. Kom maar en breng mooi weer mee.“Met de meeste hoogachting verblijf ik“Uw u toegenegenGraafN. Tolstoi.”En aan zijn’ vriend:“Ik vrees, mijn beste Dmitri, dat deze brief u niet zal bereiken; zoo gij hem wel ontvangt, meld mij dan per omgaande, waar gij heen gaat en vooral, waar gij den herfst zult doorbrengen. Mijn adres blijft nog steeds Soden, omdat ik zelf niet weet waar ik heen zal gaan. De doktoren hebben mij druiven en een zacht klimaat voorgeschreven, twee dingen die dit jaar in Europa niet te vinden zijn. Mijne zuster laat u groeten.“Geheel de uweN. Tolstoi.”Nikolaas Tolstoi had eenige aangename weken met zijne zuster en hare kinderen in Soden doorgebracht, maar zijne gezondheid liet nog veel te wenschen over. De doktoren rieden hem eenstemmig een verblijf in Italië aan.Sergius Tolstoi was den 6denAugustus weer naar Rusland teruggekeerd. Natuurlijk maakte hij van de gelegenheid gebruik zijn’ broer Leo in Kissingen op te zoeken, om hem tevens op de hoogte te brengen van den slechten staat der gezondheid van hun’ broeder. Drie dagen later, juist op den dag dat Sergius weer vertrok, kwam Nikolaas zelf naarKissingen. Gravin Tolstoi met de kinderen waren nog in Soden gebleven, waar Nikolaas zich spoedig weer bij hen voegde.Leo Tolstoi ging nog voor eenigen tijd naar den Harz, waar hij van de heerlijke natuur genoot en ook veel tijd aan lezen besteedde.Eindelijk, 26 Augustus, kwam hij in Soden, waar alles reeds voor de afreis gereed was, en den 29stenAugustus gingen de beide broers naar Frankfort.Waarschijnlijk had Tolstoi’s sterke individualiteit haar stempel gedrukt op zijne geheele persoonlijkheid. In Dresden immers maakte hij Auerbach aan ’t schrikken, en in Frankfort gebeurde iets dergelijks.Gravin Tolstoi vertelt ons daarvan:“Wij waren in Frankfort en Prins Alexander van Hessen met zijne gemalin brachten mij een bezoek. Plotseling ging de deur open en Leo, in een allervreemdst kostuum, dat herinnerde aan een’ Spaanschen roover op een plaatje, verscheen op den drempel. Ik was stom van verbazing. Hij was blijkbaar niet zeer ingenomen met mijne gasten, want hij verdween zoo spoedig mogelijk.“‘Qui est donc se singulier personnage?’ vroegen mijne gasten.“‘Mais c’est Léon Tolstoy.’“‘Ah, mon Dieu, pourquoi ne l’avez-vous pas nommé. Après avoir lu ses admirables écrits, nous mourrions d’envie de le voir.’”Op advies van den dokter vertrok de geheele familie Tolstoi naar Hyères, een plaatsje aan de Middellandsche Zee.Nikolaas vond hier helaas ook geen baat en heeft er maar heel kort mogen wonen.Een paar dagen na hunne aankomst schreef Tolstoi een’brief aan zijne tante Tatjana, waaruit blijkt dat zij nog niet alle hoop op herstel hadden opgegeven:“De gezondheid van Nikolaas blijft nog steeds dezelfde, maar nu wij hier zijn hopen wij op beterschap, omdat zijne levenswijze in Soden, de reis en het gure weer hem meer kwaad dan goed hebben gedaan. De drie dagen die wij hier zijn hebben wij prachtig weer gehad, en men zegt dat het hier altijd zoo is. Maria heeft kennis gemaakt met eene prinses Galizina, die hier al negen jaren woont. Toen zij hier kwam was zij er veel slechter aan toe dan Nikolaas, en nu is zij eene volkomen gezonde, sterke vrouw.”6Met de gezondheid van Nikolaas ging het echter meer en meer achteruit. Hij schreef eenige dagen vóor zijn’ dood nog een’ brief naar Parijs, aan zijn’ vriend Djakoff, waarin hij zelf de opmerking maakt, dat zijne krachten hem verlaten. Ook was het reeds merkbaar dat zijne hand hare vastheid had verloren.“Ik schrijf je een paar woorden om je te laten weten waar ik ben. Mijne zuster en ik zullen den winter in Hyères blijven. Mijn en ook Leo’s adres is: MmeSénéquier, Rue du Midi. Naar Parijs gaan kan ik helaas niet meer. De reis is mij te vermoeiend, ik ben heel zwak. Schrijf mij, zoodra gij zijt aangekomen en dezen brief hebt gelezen, waar gij zijt, wat gij doet, enz. Nu het niet mogelijk is elkaar te zien moeten wij elkaar maar schrijven.“Geheel de uweN. Tolstoi.”Nikolaas Tolstoi stierf den 20 September 1860.Leo Tolstoi deelde zijne tante Tatjana in de volgende bewoordingen het sterfgeval mede.Medewerkers aan de Sawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz. 251.Medewerkers aan deSawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz.251.“Waarde Tante!“De zwarte rand om mijn brief zal u reeds alles gezegd hebben. Vanmorgen om negen uur is gebeurd hetgeen ik nu reeds twee weken ieder oogenblik verwachtte. Gisteren was het voor de eerste maal dat ik hem met het aankleeden mocht helpen. Vanmorgen voor ’t eerst werd hij bepaald bedlegerig en vroeg om een’ verpleger. Zijn bewustzijn heeft hij niet verloren. Een kwartier vóor zijn dood dronk hij nog een glas melk en zeide, dat hij zich beter gevoelde. Gisteren maakte hij nog grappen en toonde hij nog belangstelling voor mijne opvoedingsplannen. Zeer kort voor zijn’ dood fluisterde hij eenige malen: ‘mijn God, mijn God.’ Ik geloof, dat hij zich zijn’ toestand wel bewust was, maar hij wilde ons en zich zelf misleiden. Maria, die een paar wersten hier vandaan woont, was eenige uren van te voren weggegaan. Zij had het einde niet zoo spoedig verwacht. Ik heb hem juist de oogen toegedrukt. Spoedig zal ik bij u zijn en u alles vertellen... Vorstin Galizina heeft zich belast met de zorg voor de begrafenis, die hier zal plaats hebben. Vaarwel, lieve tante, troosten kan ik u niet. ’t Is Gods wil! Ik schrijf Sergius nu niet; hij is waarschijnlijk op de jacht en gij alleen weet waar hij zich bevindt. Wees dus zoo goed het hem mede te deelen of hem dezen brief te sturen.”Den dag na de begrafenis schreef hij zijn’ broeder Sergius:“Je hebt zeker het bericht van Nikolaas’ dood ontvangen.Het spijt mij voor je dat je niet hier waart. Hoe zwaar de slag ook is, het doet mij toch goed dat het in mijne tegenwoordigheid gebeurd is, en dat het sterfgeval mij heeft getroffen zooals het mij treffen moest. Niet zooals met Dmitri, wiens doodsbericht mij bereikte toen ik in ’t geheel niet om hem dacht. Het waren onze jeugdherinneringen zoowel als onze bloedverwantschap die ons verbonden. Nu hebben wij een vriend verloren, dien wij meer liefhadden en achtten dan iemand op dewereld. Het is mij eene vreeselijke gedachte, dat ik de laatste tijden het egoïstische verlangen had: hoe eerder het afloopt hoe beter. Om mij maar geen last te veroorzaken, deed hij, ijverig en sterk van karakter als hij was, nog alles zelf. Den dag vóor zijn dood kleedde en wiesch hij zich nog zonder hulp, en toen ik ’s morgens bij hem kwam zat hij reeds geheel gekleed in een’ leuningstoel. Eerst negen uren vóor zijn’ dood kon hij niet meer tegen de ziekte strijden, en vroeg hij mij hem bij het uitkleeden te helpen. Vroeger had ik mijne hulp niet aangeboden, omdat hij er niet van hield geholpen te worden. Nu voegde hij zich. Den geheelen dag was hij zacht gestemd, klaagde niet en prees iedereen. Tot mij zeide hij: ‘dank je, mijn vriend.’ Jij kunt begrijpen wat dat woord mij zegt. Ik vertelde hem, dat ik hem ’s morgens had hooren hoesten, maar dat ik niet naar hem toe was gegaan, om hem niet te hinderen. ‘Integendeel, het zou mij getroost hebben.’“Wat heeft hij geleden; maar geuit heeft hij het voor het eerst een paar dagen vóor zijn’ dood. ‘Vreeselijk, die slapelooze nachten! Tegen den morgen stik ik bijna van het hoesten. En zoo nog eenige nachten te moeten lijden!’ Nooit heeft hij gezegd dat hij den dood voelde naderen; hij heeft het echter slechts niet uitgesproken. Op zijn’ sterfdag bestelde hij nog een’ nieuwen chambercloak, maar toen ik hem vertelde dat, indien hij niet beter was, Maria en ik niet naar Zwitserland zouden gaan, antwoordde hij: ‘denk je dan werkelijk dat ik beter wordt?’ De toon waarop dit gezegd werd, deed mij begrijpen, dat hij zijn’ toestand begreep, maar het voor ons niet wilde weten. ’s Morgens wist ik wat ons wachtte, en ik bleef steeds bij hem. Hij stierf, ten minste schijnbaar, heel kalm. De ademhaling werd langzamer en langzamer en hield eindelijk geheel op. Den volgenden morgen ben ik nog eens naar hem toe gegaan. Ik was bang dat hij veranderd zou zijn en er nogvreeselijker zou uitzien dan tijdens zijne ziekte. Je kunt je echter niet voorstellen hoe mooi hij daar lag, met die blijmoedige, vredige uitdrukking op zijn gelaat.“Gisteren is hij hier begraven. Ik heb er eerst over gedacht hem te vervoeren en jou te telegrafeeren, maar ben toen van plan veranderd. Het geeft niet, de wonden nog verder open te rijten. Het spijt mij dat de doodstijding je midden in je jachtvermaak heeft bereikt. Het bericht kon je bij al die afleiding onmogelijk zoo treffen als ons. En toch is het zoo goed voor een mensch! Ik ondervind nu de waarheid van hetgeen men mij eens gezegd heeft, n.l. dat men zelf den dood gemakkelijker onder de oogen ziet, indien men iemand heeft verloren die zooveel voor ons is geweest als hij voor ons was. Jouw brief kwam juist toen de mis voor hem werd opgedragen. Nu kan je nooit meer met hem op jacht gaan! Een paar dagen vóor zijn’ dood bespraken wij nog zijne aanteekeningen over de jacht en las hij ze mij voor. Hij sprak ook veel over jou en zeide dat God jou alles geschonken had, wat een mensch gelukkig kan maken, maar dat je zelf je leven bederft. Dadelijk, den tweeden dag, heb ik een afgietsel van zijn gelaat en een portret van hem laten maken. Het portret is niet goed gelukt, maar het masker geeft zijne edele trekken geheel weer.”De dood van zijn broer Nikolaas maakte een’ diepen indruk op Tolstoi, deed hem een tijdlang alle belangstelling in het leven verliezen en bracht zijn geloof in het goede aan het wankelen.In zijn dagboek vinden wij de volgende aanteekeningen:“13 October 1860. ’t Is nu bijna een maand geleden dat Nikolaas is gestorven en sedert dien tijd heb ik alle belangstelling in het leven verloren. Weer een vraag: Waarom? Ook ik sta mogelijk niet meer ver van den weg daarheen! Waarheen? Nergens heen. Ik tracht te schrijven; ik wil ermijzelf toe dwingen, maar het gaat niet, omdat ik het werk niet die waarde kan toekennen, die men het moet toekennen om er kracht en geduld voor te hebben. Tijdens de begrafenis kwam de gedachte bij mij op een materialistisch evangelie te schrijven: het leven van Christus—den materialist.”Nadat de eerste, heftigste smart eenigszins bedaard was, schreef Tolstoi aan zijn’ vriend Fet:“Ik veronderstel dat ge reeds weet wat hier gebeurd is. Den 20stenSeptember stierf Nikolaas letterlijk in mijne armen. Niets in mijn leven heeft zoo’n sterken indruk op mij gemaakt. Het is waar dat hij altijd zeide, dat er niets erger is dan de dood. En wat doet het goed te denken dat de dood toch het eind is van alles en dat er niets erger is dan het leven. Waarom zou men zich nog moeite geven als er voor iemand als Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi niets overblijft? Hij heeft nooit gezegd dat hij de nadering van den dood voelde, maar ik weet dat hij den afstand kende, die hem er van scheidde.“Eenige oogenblikken vóordat hij stierf schrikte hij plotseling uit eene sluimering wakker en fluisterde ontzet: ‘Maar wat is het dan toch?’ Toen zag hij den dood, den overgang in het niet. En als hij niets kon vinden, waaraan zal ik mij dan vastgrijpen, wat zal ik dan vinden? Nog minder. En ik, noch iemand anders, zal zooals hij tot aan het laatste oogenblik met den dood strijden. Tot aan de laatste minuut deed hij alles zelf, trachtte zich bezig te houden, schreef, vroeg mij naar mijn werk en gaf mij raad.“Maar hij deed dat alles, geloof ik, niet uit een innerlijken aandrang, maar uit principe. Hij bleef zich zelf tot aan het einde. Den avond van te voren ging hij naar zijne slaapkamer en viel daar, door zwakte overmand, bij ’t open raam op zijn bed neer. Toen ik bij hem kwam zeide hij met tranen in de oogen, dat hij daar zoo heerlijk een uurtje had gelegen.‘Uit stof zijt gij geboren en tot stof zult gij wederkeeren.’ Eén vage hoop rest ons nog, dat wij daar in de natuur, waarvan wij een deel zullen uitmaken, iets zullen vinden.“Allen die zijne laatste minuten bijwoonden zeiden: ‘hoe heerlijk, rustig en zacht is hij ingeslapen.’ Maar ik weet hoe vreeselijk hij heeft geleden, want niets van hetgeen er in hem omging ontging aan mijn’ blik. Duizendmaal heb ik tegen mij zelf gezegd: laat de dooden de dooden begraven, maar men moet toch altijd zijne krachten gebruiken. Men kan een’ stem niet zeggen: val omhoog, terwijl alles hem omlaag trekt, niet lachen om een scherts die geen scherts is, niet eten wanneer men geen honger heeft. Waarom zou men zich inspannen, daar morgen de doodstrijd kan beginnen, de dood met zijn afschuwelijke leugen en zelfbedrog ons kan verrassen en wij kunnen overgaan in het niet?!“Een misplaatste grap! ‘Wees nuttig, wees deugdzaam, wees gelukkig in het leven,’ zeggen de menschen tegen elkaar; ‘gij en het geluk en de deugd en het nuttig zijn, alles bestaat in de waarheid.’ En de waarheid, die ik in de dertig jaren die ik leefde heb leeren kennen, is, dat onze toestand ontzettend is.“‘Neem het leven zooals het is, gij brengt u zelf in dezen toestand.’“Wel zeker, ik neem het leven zooals het is!“Nauwelijks heeft de mensch den hoogsten trap van zijne ontwikkeling bereikt of hij ziet duidelijk dat alles ijdel, dat alles bedrog is, en dat de waarheid, die hij toch boven alles lief had, iets vreeselijks is. Als gij die waarheid recht in ’t gezicht ziet, dan zult gij ook opschrikken en als mijn broeder zeggen: ‘Maar wat is het dan toch?’ Het spreekt van zelf dat, zoolang wij nog den wensch koesteren de waarheid te leeren kennen en de waarheid te spreken, wij ons daartoezullen inspannen. Dat is alles wat mij nog overbleef van mijne zedelijke wereld; verder gaan mijne wenschen niet. Daarnaar alleen wil ik streven, maar niet in den vorm van uwe kunst. De kunst is leugen en ik houd zelfs niet van een schoonen leugen.“Dezen winter blijf ik hier; men moet toch ergens zijn. Schrijf mij eens spoedig. Ik houd evenveel van je als mijn broer, die tot aan zijne laatste oogenblikken aan je heeft gedacht, van je hield.“L. Tolstoi.”De indruk, dien de dood der duizenden, die hij onder de muren van Sewastopol had zien vallen, op Tolstoi had gemaakt, was niet zoo groot als die van dit ééne sterfgeval, den dood van zijn liefsten broeder. Toen zag hij met een physiek, nu met zijn geestesoog. Hij zag—en stond ontzet. Oprecht als hij was, trachtte hij zich zijne onmacht tegenover de macht van den dood niet te ontveinzen. En deze oprechtheid redde hem. Van dat oogenblik af, kan men zeggen, verliet de gedachte aan den dood hem niet meer en in den zielestrijd, die daarmee onvoorwaardelijk gepaard gaat, bleef hij overwinnaar. Na verloop van eenige maanden schreef hij naar aanleiding van een nieuw sterfgeval:“Na een smartelijk lijden stierf een jongen van dertien jaren aan de tering. Waarom? Het geloof aan de vergelding is de eenige oplossing van die vraag. Als zij niet bestaat, dan is er ook geene ongerechtigheid, wordt de gerechtigheid geheel overbodig en is de behoefte daaraan bijgeloof.“De gerechtigheid is eene levensvoorwaarde tusschen de menschen onderling, die zij ook zoeken in hunne betrekking tot de wereld. Zonder het leven hiernamaals is zij geheel ondenkbaar. Gelijkvormigheid is de eenige onveranderlijke natuurwet, zullen de natuurkundigen zeggen. In verschillende uitingen van denmenschelijken geest, in de liefde, in de poëzie, in de schoonste openbaringen vinden wij haar niet. Dat alles heeft bestaan en is gestorven, dikwijls zonder dat het te voorschijn trad. De natuur schrijdt haar doel ver voorbij, door het menschdom de behoefte aan liefde en poëzie te schenken, als haar eenige wet gelijkvormigheid is.”Na verloop van zeven-en-twintig jaren schreef hij het boekOver het leven, dat eindigt met de woorden: “Het leven van den mensch is een streven naar de gelukzaligheid; waarnaar hij streefde, dat werd hem gegeven; evenmin als de gelukzaligheid den mensch tot onheil kan strekken, evenmin kan het leven het einde zijn.”Sergius Plaksin geeft ons nog eenige bijzonderheden van Tolstoi’s leven te Hyères, in den familiekring van zijne zuster. Plaksin zelf was in dien tijd nog een kleine jongen, die met zijne moeder in hetzelfde pension woonde als de familie Tolstoi.“Tijdens zijn verblijf te Hyères bracht Tolstoi dikwijls geheele dagen bij zijne zuster door. Zelf onvermoeid in het wandelen, leerde hij het ons. Altijd vond hij nieuwe plekjes en nieuwe wandelingen. Nu eens gingen wij de zoutmijnen bekijken op het schiereiland Porquerolles, dan beklommen wij den berg, waar eene kapel voor de Heilige Maagd was opgericht, of we bezochten eene ruïne, om de eene of andere reden ‘Trou des Fées’ genaamd.“Onderweg vertelde Tolstoi ons allerlei sprookjes: van het gouden paard, of van den reuzenboom, in wiens takken gezeten men alle steden en zeeën van de geheele wereld kan zien. Hij wist dat ik geen sterke borst had en droeg mij daarom dikwijls heele einden op zijn’ schouder.“Na het middageten vertelde Tolstoi onzen goedhartigen huisheer en zijn gezin de alleronmogelijkste dingen vanRusland, zoodat zij niet wisten wat zij er van moesten gelooven, totdat mijne moeder of gravin Tolstoi erbij kwam, die hun dan uitlegde wat waarheid en wat fantasie was.“Dadelijk na het diner kwamen wij bij elkaar, om op het terras naar het weer te gaan kijken of in de groote zaal te gaan spelen. Op de tonen van slechte pianomuziek voerden wij dan een ballet of eene opera uit, zonder medelijden te hebben met onze toeschouwers: onze moeders, Leo Tolstoi en mijne gouvernante Liza. Ballet en dans werden afgewisseld door gymnastische oefeningen, waarin Tolstoi, die er altijd sterk op aandrong de spieren te oefenen, ons voorging. Hij strekte zich dan in zijne volle lengte op den grond uit, beval ons hetzelfde te doen, en dan moesten wij ons oprichten zonder onze armen te gebruiken. Ook hing hij tusschen de deurposten wel eens ringen voor ons op, waaraan hij dan tot onze groote vreugde zelf ook werkte.“Het gebeurde wel eens dat wij zooveel leven maakten, dat de moeders Tolstoi vroegen ons wat rustiger bezig te houden. Wij moesten dan om de tafel gaan zitten, met pen en inkt voor ons.“‘Luister nu goed,’ zeide Tolstoi, ‘ik zal jelui les geven.’“‘Waarin?’ vroeg Liza, het toenmalige voorwerp mijner liefde.“Tolstoi vervolgde zonder zijn nichtje een antwoord waardig te keuren:“‘Schrijf nu.’“‘Maar oompje, wat moeten wij schrijven?’ hield Liza aan.“‘Luister dan, ik zal je een onderwerp opgeven.’“‘Wat opgeven?’ kon Liza niet nalaten te zeggen.“‘Een onderwerp,’ vervolgde Tolstoi gewichtig. ‘Schrijf nu: “Waardoor onderscheidt Rusland zich van andere landen?”’“‘Begin nu, maar pas op, niet naschrijven hoor!’“En wij begonnen.“De regels die Kolja schreef liepen alle, hoe schuin hij zijnhoofd ook hield en hoe diep hij ook zuchtte, kris en kras over ’t papier. Een transparent gebruiken mochten wij niet, dat was maar verwennen, zeide Tolstoi. Terwijl wij dus onze gedachten aan het papier toevertrouwden en de beide moeders een of anderen nieuwen roman lazen, liep Tolstoi met groote schreden de kamer op en neer, totdat eindelijk de nerveuse gravin uitriep:“‘Wat heb je toch, Leo? Je loopt als een ijsbeer heen en weer. Ga toch zitten.’“Na verloop van een half uur ongeveer waren onze opstellen klaar, en Tolstoi nam eerst het mijne, maar de regels waren in elkaar geloopen en daarom gaf hij het mij terug en moest ik het zelf voorlezen. En ik begon met luider stemme te vertellen, dat Rusland zich daardoor van andere landen onderscheidde, dat men in de vastendagen pannekoeken at, uitstapjes naar de bergen maakte en op Paschen eieren kleurde.“‘Kranig,’ zeide Tolstoi, die nu het handschrift van Kolja nam, waarin Rusland zich door sneeuw,—en dat van Liza, waarin het zich door de troika van de overige gedeelten der wereld onderscheidde. Wara, de oudste van ons, had de uitvoerigste beschrijving gegeven.“’s Avonds leerde Tolstoi ons teekenen, waarvoor hij de ingrediënten uit Marseille, waar hij dikwijls heenging, meenam.“Geheele dagen bracht hij met ons door; hij speelde met ons, onderwees ons, en als er soms verschil was ontstaan trad hij als scheidsrechter op.”Nu laten wij nog de korte beschrijving, ons verstrekt door gravin Tolstoi, volgen van eene soirée, waar Tolstoi ook tegenwoordig was.“Na den dood van Nikolaas woonden wij te Hyères. Leo had toen al naam gemaakt en de Russische kring gaf zich veel moeite om met hem in kennis te komen. Eens warenwij gevraagd bij vorstin Doedoekowa-Korsakowa, waar een voornaam gezelschap bijeen was. De clou van den avond zou de aanwezigheid van Tolstoi zijn, maar hij liet, helaas, heel lang op zich wachten. De gasten begonnen reeds te wanhopen en de gastvrouw beklaagde zich al in stilte over hare soirée manquée, toen eindelijk nog graaf Tolstoi werd aangediend. Alles leefde op, maar hoe groot was aller verbazing, toen hij binnen kwam, gekleed in een gewoon wandelcostuum en op klompen.“Hij was juist van eene lange wandeling teruggekeerd, niet naar huis gegaan, en begon dadelijk een levendig betoog te houden over het voordeel van klompen boven laarzen, terwijl hij iedereen aanried zijn voorbeeld te volgen.“Men vergaf hem in dien tijd ook reeds alles en het werd nog een heel gezellige avond. Tolstoi was zeer opgewekt; er werd gezongen en op algemeen verlangen nam hij de begeleiding op zich.”Tot begin December bleef hij in Hyères, reisde toen over Marseille naar Genève, waar hij zijne zuster met de kinderen achterliet om zelf eene reis door Italië te gaan maken. Achtereenvolgens bezocht hij Pisa, Livorno, Florence, Rome en Napels.Gedurende zijne buitenlandsche reis vertoefde Tolstoi eenige malen te Marseille, welke groote handelsstad hem blijkbaar sterk aantrok en interesseerde.In een van zijne opstellen over paedagogie geeft hij de volgende beschrijving van zijn verblijf te Marseille.“Het vorige jaar bevond ik mij te Marseille, waar ik alle inrichtingen van onderwijs voor de arbeidende klasse bezocht. De zucht tot leeren bij de bevolking is zoo groot, dat bijna alle kinderen drie, vier, vijf en zes jaar naar school gaan. Het leerplan bevat de volgende vakken: bijbelsche en algemeenegeschiedenis, het van buiten leeren van den cathechismus, de vier hoofdbewerkingen der rekenkunde, Fransche orthographie en boekhouden; waarom dit laatste op het programma stond heb ik nooit begrepen en heeft ook geen der leeraren mij kunnen uitleggen. Het eenige dat ik wel begreep, nadat ik de boeken der leerlingen, die den cursus hadden afgeloopen, had gezien, is, dat zij nog geen drie regels van de rekenkunde kenden, dat zij machinaal wat met getallen leerden werken en op dezelfde wijze ‘tenue des livres’ hadden geleerd. Het is onnoodig te zeggen dat boekhouden, zooals het in Duitschland en Engeland wordt onderwezen, alleen reeds vier uren voor de verklaring vereischt voor een’ leerling die de vier regelen der rekenkunde machtig is.“Niet één der kinderen, die deze scholen bezochten, kon zelfstandig eene som oplossen, d.w.z. de eenvoudigste optelling of aftrekking maken. Wat zij echter uit het hoofd hadden kunnen leeren, deden zij vlug en goed.“Op eene vraag uit de Fransche geschiedenis, die zij juist van buiten hadden geleerd, wisten zij goed te antwoorden; maar toen ik hun iets vroeg waarop zij zich niet hadden voorbereid, kreeg ik ten antwoord dat Hendrik IV door Julius Caesar was vermoord.””... In Marseille bezocht ik ook nog eene gewone en eene kloosterschool voor volwassenen. Die scholen werden door een duizend leerlingen bezocht (twee honderd mannen), terwijl de stad 250,000 inwoners telt. Het onderricht werd hier op dezelfde wijze gegeven: mechanisch lezen, waarvoor reeds een jaar of langer gebruikt werd, boekhouden zonder kennis der rekenkunde, geloofsleer enz.“Daarna bezocht ik eene bewaarschool, waar kinderen van vier jaren als soldaatjes marcheerden, op commando in de handjes klapten en met bevende stemmetjes hymnen zongen ter eere van God en van hunne weldoeners.“Resumeerende kwam ik tot de conclusie, dat het onderwijs in Marseille bijzonder slecht is. Wanneer er eens een wonder kon gebeuren en men de menschen kon gade slaan in die inrichtingen voor onderwijs, zonder hen op straat, op hun werk, in de café’s of in hun huizen te zien, dan zou ons oordeel zijn, dat het volk onwetend, ruw, huichelachtig en vol vooroordeelen is, kortom, een volk bijna zonder beschaving. Geeft men zich echter de moeite om zich met de menschen in verbinding te stellen en met hen te praten, dan komt men tot de overtuiging, dat het Fransche volk bijna is zooals het meent te zijn; vlug van begrip, verstandig, vrijgevig, nadenkend en werkelijk beschaafd. Let eens op een’ dertigjarigen werkman uit eene stad. Hij schrijft een brief zonder de fouten welke hij er op school in maakt, soms zelfs heelemaal goed. Hij is op de hoogte van de politiek en bijgevolg ook van aardrijkskunde en de nieuwste geschiedenis; hij weet iets van litteratuur en heeft eenig begrip van natuurkunde. Heel dikwijls kan hij een weinig teekenen, en van wiskunde weet hij zooveel als hij voor zijn beroep noodig heeft. Hoe nu heeft hij dit alles verkregen?“Het antwoord op die vraag vond ik vanzelf, toen ik na mijn schoolbezoek eens op straat in de café’s, de café-chantants, de museums, de werkplaatsen, bij de havens en in de boekwinkels begon rond te zien. Dezelfde jongen, die mij had verteld dat Hendrik IV door Julius Caesar vermoord was, kende heel goed de geschiedenis vanDe drie Musketiersen vanDe Graaf de Monte-Christo. In Marseille vond ik acht-en-twintig goedkoope geïllustreerde tijdschriften van 5 à 10 centimes. Onder eene bevolking van 250,000 inwoners waren 30,000 exemplaren verspreid. Wanneer wij dus aannemen, dat tien menschen één nommer lezen of hooren voorlezen, dan worden zij nog door iedereen gelezen. Dan hebben wij nog de museums, de publieke bibliotheken, deschouwburgen, de café’s, twee groote café-chantants, waar iedereen tegen betaling van 50 centimes toegang heeft, en die dagelijks gemiddeld door 25,000 menschen bezocht worden, om nog niet eens van de kleine inrichtingen te spreken. In al die café’s worden tooneelstukken opgevoerd, verzen gedeclameerd enz. enz. Ruw berekend ontvangt een vijfde gedeelte van de bevolking dagelijks dus onderwijs op de wijze zooals de Grieken en de Romeinen het in hunne amphiteaters ontvingen.“Of die opvoeding goed of slecht is, dat is eene andere vraag. Wij zien echter dat de onbewuste opvoeding sterker is dan de gedwongene, die geheel door haar verdrongen en op den achtergrond geschoven wordt.“Het eenige wat den leerlingen bijbleef van hun vijf- of zesjarig onderricht bestond hierin, dat zij in staat waren eenige letters naast elkaar te zetten en er woorden van te vormen.”In Januari van ’t jaar 1861 bevond Tolstoi zich weer te Parijs, waar hij als naar gewoonte het leven op straat met groote aandacht gadesloeg.“Toen ik in Parijs was,” zeide Tolstoi eens tegen Schyler, “zat ik soms heele dagen boven op de omnibussen, mij vermakende met de beschouwing van het publiek, en ik kan u de verzekering geven, dat ik bijna in iedere persoon een type van Paul de Kock herkende.”Dat de werken van dien auteur onzedelijk zouden zijn heeft Tolstoi steeds tegengesproken.“Van de geheele Fransche litteratuur stel ik de boeken van Alexandre Dumas en Paul de Kock het hoogste,” vervolgde Tolstoi zijn gesprek met Schyler, en op diens verwonderden blik sprak hij verder:“Neen, kom mij niet met dien onzin aan, dat Paul de Kock onzedelijk is. Naar Engelsche begrippen is hij misschien een weinig ‘leste et Gaulois’, zooals de Franschen het uitdrukken,maar onzedelijk is hij niet. Wat hij ook zegt, en al veroorlooft hij zich hier en daar eene gewaagde scherts, zijne richting blijft volkomen zedelijk. Hij is de Fransche Dickens. Zijne personen zijn naar het leven geteekend en geheel afgewerkt.“En wat Dumas betreft, ieder romanschrijver moest hem van buiten kennen. Ik lees en herlees zijne werken. De intrige is altijd mooi, maar hoofdzakelijk legt hij er zich op toe om een goed verband en eene goede oplossing te verkrijgen.”Te Parijs kwam Tolstoi in aanraking met Toerghenjeff, waardoor eene eenigszins nauwere betrekking tusschen die beide schrijvers ontstond.Vandaar reisde hij naar Londen, waar hij bijna iederen dag met Herzen samen kwam. Hij behandelde met hem vele gewichtige vragen van den dag, maar van deze gesprekken kunnen wij helaas niets weergeven, daar noch Herzen, noch Tolstoi er aanteekeningen van hebben gemaakt.In deHerinneringen van Toetschkowaja Ogarjewajavinden wij nog een paar woorden, die betrekking hebben op deze samenkomsten.“Tolstoi, de schrijver vanKinder-, Jongens-enJongelingsjaren, boeken die eene groote beroering te weeg brachten in de lezende wereld, bracht dikwijls een bezoek bij Herzen. Deze was daar zeer mee ingenomen en bewonderde vooral de vrijheid, waarmede hij zijne diepste, innigste gevoelens neerschreef en ook mondeling uitte. Wat zijne filosofie betreft, die vond Herzen dikwijls zwak, onduidelijk en nietsbewijzend.”Eene dochter van Herzen, die echter slechts eene vage voorstelling van deze samenkomsten heeft, verschafte ons nog de volgende kleine aanteekening.“Als klein meisje las en bewonderde ik de werken van Tolstoi. Eens van vader hoorende, dat deze schrijver ons een bezoek zou brengen, vroeg ik vergunning daarbij tegenwoordigte zijn. Om niet opgemerkt te worden ging ik op het vastgestelde uur in mijns vaders studeerkamer, in het uiterste hoekje zitten, en spoedig daarop werd Tolstoi aangediend. Met kloppend hart zat ik te wachten, maar hoe groot was mijne teleurstelling toen daar een naar de laatste Engelsche mode gekleede heer binnenkwam, die dadelijk met mijn’ vader een levendig gesprek begon over de laatste hanengevechten en bokspartijen die hij in Londen had bijgewoond. In dit eenige onderhoud dat ik bijwoonde gelukte het mij niet ééne enkele diepe gedachte op te vangen.”Men kan echter gerust aannemen, dat de gesprekken van deze twee groote Russische schrijvers zich niet bepaalden tot een praatje over sport. Bij het afscheid gaf Herzen zijn’ vriend eene introductie mee voor Proudhon.In Engeland, evenals elders, bezocht Tolstoi verschillende scholen. Ook luisterde hij in het parlement naar eene rede van Palmerston, die ruim drie uren duurde.In Londen ontving Tolstoi het bericht, dat hij tot vrede- en scheidsrechter was benoemd, en den 19enFebruari 1861, den dag van de opheffing der lijfeigenschap, besloot Tolstoi naar Rusland terug te keeren. Hij reisde over Brussel, waar hij Proudhon een bezoek bracht. Deze energieke, uit het volk geboren, zelfstandige denker maakte een’ diepen indruk op Tolstoi. Waarschijnlijk is deze kennismaking ook van invloed geweest op zijne veranderde wereldbeschouwing. Eens met mij over Proudhon sprekende, zeide Tolstoi: hij schijnt mij een energieke man, en heeft, zooals men dat noemt, “le courage de son opinion.”Proudhon’s bekend aphorisme: “la propriété c’est le vol” zou als epigram boven de meeste van Tolstoi’s economische werken geplaatst kunnen worden.In Brussel bracht Tolstoi ook nog een bezoek aan den ouden, grijzen Poolschen historicus Lelewel, die daar ingroote armoede leefde. Hier ook schreef hij het begin der vertellingPolipoeschka.Leo Tolstoi in 1856, toen hij den krijgsdienst verliet.—Blz. 275.Leo Tolstoi in 1856, toen hij den krijgsdienst verliet.—Blz.275.Eindelijk, den 13enApril, vertrok Tolstoi uit Brussel om over Berlijn naar zijn vaderland terug te reizen.De eerste stad die hij in Duitschland aandeed was Weimar, waar hij de gast was van den Russischen gezant, die hem in kennis bracht met den hofmaarschalk, welke, op zijne beurt, hem voorstelde aan den Groothertog Karel Alexander.Door bemiddeling van den gezant kreeg Tolstoi verlof het huis van Goethe, dat in dien tijd nog niet voor ’t publiek geopend was, te bezichtigen. Veel meer belangstelling toonde hij echter voor de Fröbel-scholen en -tuinen, die toenmaals onder directie stonden van Mina Schelhorn, eene persoonlijke leerlinge van Fröbel. Met groote bereidwilligheid vertelde zij den vriendelijken Russischen graaf alles wat hij van haren werkkring en hare kinderen wenschte te vernemen.Onlangs schreef Dr. von Bode in het paedagogisch tijdschriftDer Säemanneen belangrijk artikel, getiteldTolstoi te Weimar, waarin hij o.a. het gesprek weergeeft, gevoerd tusschen den nu reeds overleden Julius Schlentzer en Tolstoi, bij diens bezoek aan Schlentzer’s school.“Het was de Vrijdag na Paschen. Ik wilde juist in de 2deklasse met de les beginnen, toen de deur openging, en een seminarist met eene hoofdbuiging meldde: ‘Hier is iemand die u wenscht te spreken.’“Hij had een’ heer bij zich, die zich niet voorstelde en die ik voor een’ Duitscher hield, omdat hij even zuiver Duitsch sprak als wij.“‘Welke les gaat gij geven?’ vroeg hij.“‘Eerst geschiedenis en dan Duitsch,’ antwoordde ik.“‘Heel goed; ik heb reeds verschillende scholen in Zuid-Duitschland, Frankrijk en Engeland bezocht, en wilde nu gaarnemet de Noord-Duitsche kennis maken. Hoeveel klassen heeft uwe school?’“‘Zeven; dit is de tweede. Ik ken echter mijne leerlingen nog niet, omdat ik pas met hen ben begonnen en kan dus waarschijnlijk uwe nieuwsgierigheid niet bevredigen.’“‘Dat is mij precies gelijk. Hoofdzaak voor mij zijn het leerplan en de methode. Vertel mij, als gij wilt, eens volgens welke methode gij geschiedenis onderwijst.’“‘Ik heb zelf een plan ontworpen.’ Toen ik dat nu den vreemden leeraar in de geschiedenis, waarvoor ik hem hield, ging verklaren, nam deze een notitieboekje uit zijn’ zak, waarin hij ijverig aanteekeningen maakte. Plotseling zeide hij:“‘Het komt mij voor dat in dit zoo goed doordachte plan de vaderlandsche geschiedenis ontbreekt.’“‘Neen, die is niet vergeten, maar daarmee beginnen wij pas in de volgende klasse.’“Het werd tijd voor de les, en ik begon te vertellen van de verschillende trappen van beschaving. De vreemdeling ging stil door met het maken van zijne aanteekeningen, en vroeg toen de les geëindigd was: ‘Wat nu?’“‘Duitsch. Ik wilde, eerlijk gesproken, de kinderen laten lezen, maar als gij iets anders liever hebt, dan zal ik het gaarne veranderen.’“‘Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Weet gij, ik heb er veel over nagedacht hoe men de vrije gedachte van de kinderen kan ontwikkelen.’ (In het Duitsch zeide hij letterlijk: de gedachte ‘flüssig machen,’ eene uitdrukking die ik nooit zal vergeten.) Ik deed mijn best om aan zijn’ wensch te voldoen.“Ik noemde een onderwerp, en daarover moesten de kinderen een opstel maken. De vreemdeling stelde hier veel belang in, liep tusschen de banken door, nam beurtelings de schriften van de kinderen en las wat zij hadden neergeschreven. Ikbleef op mijne plaats, om de leerlingen niet af te leiden. Toen de opstellen bijna klaar waren, vroeg mijn gast:“‘Mag ik nu het werk meenemen? Ik stel er heel veel belang in.’“Dat is toch al te erg, dacht ik, maar antwoordde beleefd, dat het onmogelijk ging, daar de kinderen hunne schriften zelf moesten bekostigen; dat de Weimarsche bevolking arm was en de ouders boos zouden worden, zoo men hen verplichtte nieuwe te koopen.“‘Dat is te verhelpen,’ zeide hij, en ging weg.“Ik wist niet hoe ik het had, en stuurde een kind naar mijn’ vriend, den directeur van het seminarium, met de boodschap dat hij eens moest komen, omdat er bij ons iets heel ongewoons voorviel. Mijn vriend kwam.“‘Nu heb je mij een koopje bezorgd,’ zeide ik, ‘mij zoo’n zonderling te sturen, die de schriften der kinderen mee wil nemen.’“‘Ik heb niemand gestuurd,’ antwoordde hij.“‘Maar gij zijt toch de directeur van het seminarium, en een seminarist heeft hem immers gebracht.’ Toen herinnerde hij zich, dat er in zijne afwezigheid een hooggeplaatst ambtenaar bij zijne vrouw was geweest, die haar verzocht had er zorg voor te dragen dat men den hem vergezellenden heer alle door hem gewenschte inlichtingen zou verschaffen.“Terwijl wij zoo het geval bespraken, keerde de vreemdeling terug met zijn’ arm vol schriften, die hij in den eersten den besten winkel had gekocht. Daar de beide heeren gelijktijdig bij mij waren, moest ik hen wel aan elkaar voorstellen, en wisselden zij dus de gebruikelijke plichtplegingen.“‘Monhaupt, directeur van het gymnasium.’“‘Graaf Tolstoi uit Rusland.’“Hij was dus een graaf en geen leeraar! en een Rus. En hij sprak Duitsch als een geboren Duitscher.“De kinderen kregen bevel hunne opstellen over te schrijven in de schriften, welke graaf Tolstoi had meegebracht. Hij verzamelde ze zorgvuldig, rolde ze op en gaf ze aan een’ bediende, die bij de deur op hem wachtte. Van mij ging hij met den directeur naar Trebst, een leeraar aan de Hoogere Burger-School, dien hij vroeger eens in Rusland had leeren kennen.”Dr. von Bode eindigt zijn artikel met de volgende woorden, gewijd aan den ouden onderwijzer:“Nu moet ik nog een paar woorden zeggen van den ouden Schlentzer. Hij stierf in 1905 op bijna 93-jarigen leeftijd. Voor mij was hij een zeer merkwaardig mensch, omdat hij de twee mannen gekend heeft aan wier boeken ik het beste deel van hetgeen ik weet heb ontleend. Hij heeft Goethe en Tolstoi gekend. Eens heeft Schlentzer met Goethe gesproken. Hij was in 1828 gymnasiast te Weimar en woonde met een’ schoolkameraad bij Eckermann, op een paar schreden afstand van het huis van Goethe. De beide jongens zagen hem dikwijls voor het raam zitten, en daar zij hem zoo graag eens van dichtbij wilden zien en met hem wilden praten, vroegen zij Eckermann of die hun daartoe niet eens in de gelegenheid kon stellen.“En zoo gebeurde het, dat Eckermann hen op een’ zomermorgen door een poortje Goethe’s tuin binnen liet gaan, waar de dichter liep te wandelen. Toen hij de gymnasiasten zag, ging hij naar hen toe, vroeg wie zij waren, wat zij wilden worden, en gaf hun den raad flink te studeeren.“Er was niets merkwaardigs in dit gesprek, maar Schlentzer, dien toch in zijn leven, als onderwijzer en als mensch, veel eer te beurt viel, verzekerde mij dat niets hem zooveel genoegen had gedaan als dat korte gesprek met zijn’ beroemden tijdgenoot.”Van Weimar ging Tolstoi naar Gotha, waar hij de groote Fröbelkindertuinen bezocht en kennis maakte met de eerstepaedagogen. In Jena kwam hij in aanraking met den jongen mathemathicus Keller, dien hij overreedde mee naar Rusland te gaan, om hem bij de uitvoering zijner opvoedingsplannen te helpen. Tolstoi hield zich ook nog eenige dagen te Dresden op, waar hij Auerbach weer ontmoette. In zijn dagboek vinden wij de volgende korte aanteekening:“21 April, Dresden. Auerbach is een prachtmensch.Ein Licht, nur eingefangen.Zijne vertellingen zijnOver den eersten indruk der Natuur, Versöhnung, Abende.a. Over het Christendom schrijft hij als over de hoogste uiting van den menschelijken geest. Hij zegt uitstekend verzen. Muziek vindt hijein pflichtloser Genuss, dat volgens zijne meening tot zedenbederf leidt. Eene vertelling:Schätzkästlein. Hij is 49 jaren, oprecht, jong van hart en geloovig; twijfel kent hij niet.”Uit Dresden schrijft Tolstoi zijne tante Tatjana:“Ik ben goed in orde en brand van verlangen naar Rusland terug te keeren. Nu ik echter eenmaal in Europa ben en niet weet wanneer ik er weer zal komen, wil ik, dat zult gij wel begrijpen, zooveel mogelijk nut van mijne reis trekken. Nu, op dat punt kan ik tevreden zijn. Ik neem zoo’n groote hoeveelheid indrukken en kennis mee, dat het een’ heelen tijd zal duren, voor ik alles in mijn hoofd geregeld heb. Ik denk tot den 21stenin Dresden te blijven en reken er vast op met Paschen in Jasnaja Paljana te zijn. Als de scheepvaart den 25stennog niet geopend is, ga ik over Warschau naar Petersburg, waar ik moet zijn om vergunning te krijgen voor eene krant, die ik op mijn school te Jasnaja wil redigeeren. Ik breng een jongen Duitscher mee; hij is leeraar aan de universiteit, beschaafd en ontwikkeld, maar nog zeer jong en onervaren.”7Den 22stenApril bevond Tolstoi zich te Berlijn, waar hijook kennis maakte met den zoon van den beroemden paedagoog Diesterweg, directeur van het seminarium. Hij had zich voorgesteld een verlicht mensch te zien, zonder vooroordeelen, die zich in zijn’ veeljarige loopbaan een zelfstandig oordeel had gevormd, en hij vond (dit zijn zijne eigen woorden) een kouden, harteloozen pedant, die meende volgens vastgestelde regels kinderzielen te kunnen vormen.De vraag of er verschil bestaat tusschen de begrippen: opvoeding, beschaving en onderricht, was voornamelijk het onderwerp van hun gesprek.“Diesterweg lachte spottend wanneer iemand beweerde, dat er inderdaad verschil bestond; volgens zijne begrippen waren deze drie één. En ondertusschen spraken wij èn over opvoeding, èn over beschaving, èn over onderwijs, en wij begrepen elkaar heel goed.”Later zullen wij zien, dat niet alleen deze paedagoog, maar de geheele methode, die hij in West-Europa had zien toepassen, Tolstoi niet kon bevredigen. Dat hij in zijne scholen proeven nam met het door hem in Frankrijk, Engeland en Duitschland verzameld materiaal geschiedde alleen met het doel om eene zelfstandige methode te verkrijgen.Na eene afwezigheid van negen maanden, kwam Tolstoi eindelijk den 23stenApril 1861 in Rusland terug.Het is wel te begrijpen, dat de zware Duitsche wetenschap Tolstoi niet kon bevredigen, hetgeen hem evenwel niet had weerhouden zich er met zijn bekend enthousiasme op te werpen, alles bestudeerende, in de praktijk zoowel als in de theorie.Het resultaat van die studie was, dat Tolstoi, de toewijding en den ernst van den onderwijzer waardeerende, de methode afkeurde.Het kwaad (dat volgens zijne meening de geheele Europeesche wetenschap aankleeft) school zijns inziens hoofdzakelijk in het volgende: “Het hoofddoel van de vertegenwoordigers derwetenschap is het streven naar eene goede positie, waaraan veel vrije tijd verbonden is, om dien dan in het beste geval in dienst te stellen van het volk, dat echter in dien zelfden tijd reeds zooveel heeft moeten lijden, dat eene toenadering van weerskanten onmogelijk is geworden. En het volk, gegriefd, stil lijdend, trekt zich terug van zijne helpers, die het niet begrijpen, het onwetend beleedigen en hoogstens lapmiddelen hebben voor zijne physieke en moreele wonden.”In hoeverre Tolstoi der paedagogie eene andere richting heeft gegeven, zullen wij in een later hoofdstuk behandelen.1Het volk.2Joefan was een bijzonder flinke knecht, en daarnaar noemde Tolstoi den zwaren grondarbeid: “Joefanstwo”.31 desjatin = 4800 M2.4De interessante bijzonderheden van deze reis ontleenen wij aan R. Löwenfeld:Graaf L. N. Tolstoi, zijn leven en zijn werken, en brachten zoo noodig eenige verbeteringen aan met gebruikmaking van brieven, door Tolstoi aan zijne bloedverwanten geschreven.5De vrouw van Djakoff.6In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.7In het handschrift in het Fransch aangehaald.
Twaalfde hoofdstuk.Tolstoi’s tweede buitenlandsche reis.In Februari van het jaar 1860 wendde Fet zich schriftelijk tot Tolstoi om hem raad te vragen in zake den aankoop van een stuk grond en om inlichtingen den landbouw betreffende. Tolstoi antwoordde hem uitvoerig, juichte zijn plan zeer toe, beloofde hem te zullen helpen en wees hem verschillende stukken grond aan. In dezen voor ons onbelangrijken zakenbrief, maakt hij tevens eenige opmerkingen over een paar werken van Toerghenjeff en Ostrowski.“Ik hebAan den Vooravondgelezen. Ziehier mijn oordeel. Verhalen schrijven is over ’t algemeen nutteloos, maar vooral als het geschiedt door menschen, die pessimistisch zijn en niet goed weten wat zij in ’t leven willen. Overigens isAan den Vooravondveel beter danHet adellijk Nest. In het eerste zijn de met den geest van tegenspraak bezielde personen, de vader, de kunstenaar, uitstekend geteekend. De overige personen zijn geen typen, zelfs hun denken en hunne omstandigheden zijn niet typisch, hoogstens dood-alledaagsch. Dat is overigens altijd eene fout van Toerghenjeff. Het meisje is van ’t begin af aan slecht geteekend: ‘Ach, hoe bemin ik je.... Zij had lange wimpers....’ Het heeft mij altijd verwonderd, dat Toerghenjeff met zijn groot verstand en dichterlijk gevoel zich niet van banaliteiten, die er soms zelfs zijn bijgesleept, kan onthouden. Het meest treft men die banaliteit aan bij zijne oppositie-menschen; hierin herinnert hij aanGogol. Hij neemt geen aandeel in het lot van deze lieden, maar teekent hen als misgeboorten, waarvoor hij geen medelijden voelt en die hij bovendien nog beschimpt. Dat is te veel in tegenspraak met den toon en de gedachten, die Toerghenjeff overigens kenmerken. Dat was goed bij de ouderwetsche litteratuur en bij Gogol, waar ik nog bij moet voegen dat, indien men zijne onbeduidende personen niet kan beklagen, men hen moet uitschelden om een onzinnige reden, b.v. omdat het vandaag niet warm is, of uitlachen omdat zij buikpijn hebben; maar niet zooals de zwaarmoedige Toerghenjeff het doet. Men mag in ’t algemeen niet zulke verhalen schrijven, zelfs niet als men zeker is van succes.“Onwedervan Ostrowski is volgens mijne meening een treurig werk, maar zal succes hebben. Ostrowski noch Toerghenjeff hebben schuld aan hun succes, maar de tijd waarin zij leven. Er zal nu geen mensch meer opstaan die in dat opzicht Boelgarin zal evenaren, maar daarom zal niemand de liefhebbers van het antieke, waartoe ook ik behoor, verhinderen om met ernst gedichten en verhalen te lezen en ze ernstig te bespreken. Toch hebben wij tegenwoordig iets anders noodig. Ons behoeft men niet meer te onderwijzen maar wij moeten Marfoetka en Taraska1, iets, al is het maar weinig, meedeelen van hetgeen wij weten. En nu, leef wel!”Leo Tolstoi heeft inderdaad beslist, dat de mensch, die gezegend is met verstand en zich verrijkt heeft met wetenschap, in de eerste plaats verplicht is diegenen ervan te doen genieten, die dat ontberen. Daarom ook wijdt hij zijne vrije uren aan de volksschool.Op die wijze verliep de winter van 1859–’60. Ook las Tolstoi veel ernstige boeken, die hem op de volgende gedachten brachten.7 Februari. “Ik las over de degeneratie van het menschelijk verstand en van den hoogsten graad zijner ontwikkeling. Geheel machinaal gingen mijne gedachten naar het gebed.—Bidden.—Tot wien? Wat is het voor een God, dien men zich zoo duidelijk kan voorstellen, dat men hem kan vragen zich met ons in verbinding te stellen. Als ik mij God zoo voorstel, dan verliest Hij voor mij al het verhevene.“De God, dien men iets kan vragen, dien men kan dienen, is eene uiting van zwakheid van het verstand. Daarom is Hij God omdat ik mij Zijn wezen niet kan voorstellen. Neen, Hij is geen wezen; Hij is wet en kracht.“Moge deze bladzijde een monument blijven voor mijn vertrouwen in de kracht van ’t verstand.”Vervolgens las hij:Vertellingenvan Auerbach,Reineke Fuchsvan Goethe. Ongeveer in dien tijd schreef hij:“Het is een vreemde godsdienst, die godsdienst van mij en van onzen tijd, het is de godsdienst van den vooruitgang. Men heeft eens den mensch gezegd, dat vooruitgang goed is. Zij is slechts eene afwezigheid van geloof, gepaard aan den drang naar een bewust werken, dat minder zwaar wordt door het geloof. De mensch heeft een drijfkracht noodig. Zoo is het.”Deze gedachte kwam, zooals wij later zullen zien, tot hare volle ontwikkeling in zijne paedagogische werken en ook in de zelfontleding van zijnBiecht.De vrienden volgden met belangstelling Tolstoi’s litteraire loopbaan en hadden een vriendelijke toegevendheid voor zijne “dwaasheden en zonderlingheden”, zooals zij het noemden, terwijl zij grootendeels zijne diepgaande, innige gedachten niet begrepen.Zoo schreef o.a. Botkin 6 Maart 1860 aan Fet:“Uit een’ brief van Toerghenjeff zag ik met genoegen, dat Tolstoi zich weer met zijn’ roman uit den Kaukasus bezighoudt. Hoeveel dwaasheden hij ook doet, ik zal toch steeds zeggen, dat hij iemand is met groot talent, en iedere dwaasheid van hem heeft voor mij meer waarde, dan de verstandigste daden van vele anderen.”In een’ brief van Toerghenjeff aan Fet lezen wij:“En Leo Tolstoi gaat voort met zijne eigenaardigheden; dat is hem zeker aangeboren. Wanneer zal hij eens ophouden in de lucht te zweven en vasten bodem onder zijne voeten voelen.”In den winter van 1860 bracht het echtpaar Fet een bezoek op Jasnaja Paljana, dat zij moesten passeeren als zij van hun landgoed naar de stad gingen.Van dit bezoek geeft Fet ons de volgende korte aanteekening:“Natuurlijk ontzegden wij ons het genoegen niet een paar dagen op Jasnaja te blijven, waar wij tot onze groote vreugde ook Nikolaas Tolstoi, een’ hoogst sympathieken, verstandigen man, aantroffen. Wat hebben wij niet een plannen gesmeed in die paar dagen, dat ik met hem samen was! Niemand van ons dacht er aan, dat geen van die plannen verwezenlijkt zou kunnen worden.”Verder vertelt Fet van een bezoek, dat Nikolaas hem bracht:“In ’t begin van Mei kwam Nikolaas Tolstoi ons eens opzoeken. Zijne zuster had hem aangeraden met de broers in ’t buitenland genezing te gaan zoeken voor zijn hardnekkigen hoest. Hij zelf nam niet de minste notitie van zijne zwakke gezondheid, maar zijne magerheid, zijne bleeke gelaatskleur en vooral de driftbuien, teringlijders zoo eigen, wezen, ondanks zijne opgeruimdheid en zijn prettigen, vroolijken lach, op de aanwezigheid van die ziekte. Ik weet nog hoe boos hij zijne hand terug trok, toen de koetsier die wilde grijpen om haar te kussen. Den man zelf deed hij geen verwijten, maar toen wij naar de paarden gingen kijken, zeide hij tegen Borisoff en mij: ‘Hoe komt die ezel erbij mij plotseling de hand te willen kussen; dat is nog nooit gebeurd.’”Wij achten het niet overbodig, hier de karakterschets te laten volgen, die Fet van dezen broeder heeft gegeven.“Graaf Nikolaas Tolstoi kwam bijna iederen avond bij ons en bracht dan eene prettige gezelligheid mee, die zich niet met een paar woorden laat beschrijven. Hij droeg toen nog altijd zijn uniform. Men behoefde zijne magere handen, zijne groote verstandige oogen en zijne ingevallen wangen maar aan te zien om te weten, dat deze goede, geestige man eens het slachtoffer zou worden van de onverbiddelijke tering. Het is jammer, dat deze buitengewone persoonlijkheid, die door al zijne kennissen werd verafgood, in den Kaukasus de in het leger zeer verspreide gewoonte had aangenomen van veel te drinken. Men zegt het althans, maar ik, die in den korten tijd dat ik hem kende, dikwijls met hem op jacht ging, waar hij natuurlijk veel meer gelegenheid had tot drinken dan op een familieavondje, kan verklaren nooit een spoor van dronkenschap bij hem te hebben waargenomen.“Hij zat altijd in een’ leuningstoel, dien wij bij de tafel hadden geschoven, en dronk een paar kopjes thee met een weinig cognac. Men moest hem, bescheiden als hij was, meestal aan het praten brengen, maar was hij eenmaal begonnen, dan bracht hij in het gesprek al dien fijnen humor, waarover hij zoo rijkelijk kon beschikken. Hij hield heel veel van zijn jongsten broer Leo, maar kon toch niet nalaten diens aristokratische manieren te bespotten. Schijn kon hij steeds van waarheid onderscheiden en met dezelfde ironie ontleedde hij de hoogste zoowel als de laagste Kaukasische kringen. Ook oompje Jepischka, de bekende jager en oud-geloovige (inde Kozakkenvoorkomende onder den naam van Jeroschka), werd door hem gezien en begrepen, zooals alleen een kunstenaar dat kan.”Nikolaas Nikolajewitsch schreef weinig.Herinneringen van een Jageris het eenige verhaal dat tot ons is gekomen. Het werd indertijd opgenomen in denSawremjennik.Garschin geeft in zijneHerinneringen aan Toerghenjeffdiens meening over Nikolaas Tolstoi:“De lijdzaamheid, die Leo Tolstoi in theorie ontwikkelde, vinden wij geheel terug in het wezen van zijn’ broer Nikolaas.“Zijne woning was zoo bescheiden mogelijk, bijna een hutje, ergens in een afgelegen wijk van Moskou, en alles wat hij bezat deelde hij met de armen. Hij was een bijzonder aardig prater en verteller, maar schrijven was hem eene bijna physieke onmogelijkheid. Het opstellen van een’ brief kostte hem evenveel moeite als den eenvoudigsten werkman, wiens ruwe, verwerkte vingers de pen niet kunnen vasthouden.”Tot groote, maar korte vreugde van al zijne vrienden besloot Nikolaas Tolstoi eindelijk naar het buitenland te gaan.Toerghenjeff, die bijzonder veel van hem hield en die zich zeer ongerust maakte over zijne gezondheid, schreef naar aanleiding daarvan uit Soden aan Fet:“Hetgeen gij mij van Nikolaas’ gezondheid schreeft, heeft mij zeer getroffen. Kan het waar zijn dat die brave, lieve man zou moeten sterven. Waarom heeft hij niet eerder zijne traagheid overwonnen om in ’t buitenland genezing te zoeken? Hij ging toch ook wel naar den Kaukasus in een reiswagen en de duivel mag weten in welke voertuigen nog meer. Kwam hij maar naar Soden! Hier ontmoet ge bij iederen stap borstlijders. Ik spreek met u op een afstand van duizenden wersten, alsof mijne woorden zouden kunnen helpen.... Als Nikolaas nog niet vertrokken is, dan zal hij het nooit doen... En zoo slaat ons allen het noodlot.”In het postscriptum schrijft hij nog eens:“Zoo Nikolaas nog niet vertrokken is, pak hem dan in zijnkraag en sleep hem over de grenzen. De lucht is hier zoo zacht als gij het in Rusland nergens vindt.”Medewerkers aan de Sawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz. 251.Medewerkers aan deSawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz.251.Tolstoi maakte zich natuurlijk ook zeer ongerust over de ziekte van zijn’ broer. De volgende brief aan Fet, in dien tijd geschreven, spreekt van die bezorgdheid en ook vinden wij daar eenige raadgevingen op landhuishoudkundig gebied:”...Wanneer ik geheel geloof had kunnen schenken aan uw’ brief zou ik er niet trotsch op geweest zijn, maar had hij mij verdriet gedaan. Gij zijt een schrijver en blijft een schrijver. Gave God, dat wij allen konden schrijven zooals gij! Maar dat gij een stuk grond wilt koopen en daar wilt gaan werken als een mier, dat is eene prachtige gedachte, die gij ook ten uitvoer moet brengen en dan beter dan ik. Gij moet het doen omdat gij een goed mensch zijt, met een helderen blik op het leven. Overigens ben ik op het oogenblik niet de persoon om u op een’ meesterachtigen toon mijne goedkeuring te schenken. Ik leef in tweestrijd met mijzelf. Mijne werkzaamheden op mijn landgoed drukken mij en ik ben niet met hart en ziel bij het ‘Joefanstwo.’2Verder nemen huiselijke zorgen, de ziekte van Nikolaas, van wien ik sedert hij in het buitenland vertoeft niets gehoord heb, en het vertrek van mijne zuster mij geheel in beslag. Mijn ongetrouwd leven, het gemis van eene vrouw en de vrees dat het te laat is om dat te herstellen hinderen mij ook. Het gaat tegenwoordig in ’t algemeen niet goed naar mijn zin.“Daar mijne zuster hulp noodig heeft en ook omdat ik naar Nikolaas verlang zal ik morgen werk maken van een’ buitenlandschen pas. Misschien reis ik met haar mee. Ik doe het zeker als ik geene of slechte berichten van hem krijg. Watzou ik je nog graag eens willen zien vóor ik vertrek! Ik had je nog zooveel te vragen en te vertellen, maar—dat is nu niet mogelijk. Wanneer deze brief vroeg genoeg aankomt zult gij er uit zien dat wij Donderdag, uiterlijk Vrijdag op reis gaan. En nu over uwe plannen. De prijs, dien men u genoemd heeft, is niet te hoog en als de plaats u aanstaat, dan moest gij den grond maar koopen. Maar waarom zoo veel? Ik weet uit eigen ondervinding dat, zoo gij er voordeel van wilt trekken, gij niet meer dan 60 desjatin moet hebben, d.w.z. vier stukken land ieder van 10 à 15 desjatin.3Sla dezen raad niet in den wind. Het zijn geen losse praatjes, waar ik mee aankom, ik heb zelf leergeld betaald. Wie het u anders gaat vertellen, die liegt of hij weet het niet. Ook nu reeds zult gij al uwe krachten moeten inspannen, maar uwe moeite zal beloond worden. Het is de aangenaamste bezigheid die er bestaat, d.w.z. wanneer het land niet te groot is, want in dat geval moet gij werken als een postpaard en bereikt niets. Ik heb geen woorden genoeg om mijne spijt uit te drukken, dat ik niet eerder heb geschreven. Gij waart dan zeker nog bij ons gekomen. En nu vaarwel! Doe mijne hartelijk groeten aan Maria Petrowna en aan Borisoff.”De litteraire werkkracht van Tolstoi, en ook van Fet, begon in dezen tijd te verslappen. Tolstoi gaf zich over aan innerlijke beschouwingen en er ontstond een stilstand in zijn werk. Maar nu schreef Droezjinin elk der beide vrienden een’ overtuigenden brief om den lust tot schrijven weer bij hen op te wekken. Belangrijk vooral is die aan Tolstoi:“Ik haast mij u te antwoorden op uw schrijven en ook,zooals gij waarschijnlijk wel zult raden, op hetgeen gij mij meedeelt over uwen litterairen arbeid. Bij iederen schrijver komen oogenblikken van twijfel en ontevredenheid, maar hoe sterk, hoe gewettigd die ook mogen zijn, niemand nog heeft daarom het schrijven voor goed opgegeven. Bij alles wat gij doet, het zij goed of kwaad, hebt gij steeds eene groote vasthoudendheid getoond; daarom moet gij meer dan iemand anders nadenken voordat gij het werk neerlegt.“Bedenk toch, na poëzie en na hersenarbeid is alle andere bezigheid niets.Qui a bu veut boire.U op dertigjarigen leeftijd van uwen litterairen arbeid terug te willen trekken staat gelijk met het verlies van de helft der belangstelling die gij voor ’t leven gevoelt.“Maar—dat is nog niet alles. Op ons allen rust de verantwoordelijkheid voor goede litteratuur te zorgen, iets waaraan het Russische publiek zoo zeer behoefte heeft. De Engelschman en de Amerikaan kunnen terecht lachen omdat in Rusland eene vertelling van honderd bladzijden (waarmee een landeigenaar, met een goed van 2000 zielen, zich maanden heeft bezig gehouden), door het publiek verslonden wordt en een’ geheelen dag het onderwerp van gesprek vormt. Wat men in het buitenland dilettantisme noemt, wordt bij ons reeds als iets bijzonders beschouwd. Bij ons is het zoo. Eene vertelling wordt gelezen om zich er mee te amuseeren. Deze laagste soort van kunstuiting kan twee bronnen hebben: òf zij is geschreven door iemand die ons niets te vertellen heeft, òf zij is de stem van den eenigen vooruitstrevenden man in het Tsarenrijk. Wij b.v. kennen de zwakke zijde van Toerghenjeff, maar met dat al ligt er nog eene zee tusschen zijne niets beduidende vertellingen en de beste romans van Eugénie Toer met haar half talent. Het Russische publiek, dat zich door een eigenaardig gevoel laat leiden, kiest zich vier of vijf schrijvers als leidslieden en wenscht verder nietste weten. Gij zijt door uw talent, door uwe schitterende geestesgaven en door een’ samenloop van omstandigheden een gunsteling van het publiek geworden. U aan den arbeid onttrekken moogt gij dus niet; integendeel, gij moet werken met al de kracht die in u is. En nu is er nog iets: gij zijt lid van den zooveel mogelijk eerlijken, invloedrijken, onafhankelijken kring, die reeds sedert tien jaren (ondanks de fouten die misschien haar leden aankleven) het vaandel hoog houdt van liberalisme en vooruitgang, en onder den druk der vervolging den smaad draagt, zonder ooit eene laagheid te hebben begaan. De kring is, ondanks de geringe tegemoetkoming, de weinige beschaving van het publiek en het neerzien op de litteratuur in ’t algemeen, een moreele kracht geworden. ’t Is waar, hij heeft ook middelmatige, onbeduidende leden, maar in verbinding met de anderen presteeren die toch ook iets en zijn zij niet geheel nutteloos. In dien kring nu zijt gij, hoewel gij nog slechts kort lid zijt, één dergenen die zich eene stem hebben verworven, hetgeen b.v. Ostrowski met zijn groot talent, en die moreel even hoog staat als gij, niet is gelukt. Eene verklaring hiervoor te zoeken zou ons te ver voeren en ook niets aan de zaak afdoen. Indien gij u nu uit dien kring terugtrekt, een leven van nietsdoen gaat lijden, dan zult gij u ten eerste vervelen en ten tweede geene rol meer spelen op het wereldtooneel.“En nu breek ik af omdat mijn papier vol is. Wanneer mijne gedachte tot u spreekt, dan zult gij haar zelf uitwerken en ontwikkelen.”Tot Fet wendde hij zich met denzelfden vriendelijken raad.“Waarde en hooggeachte Afanasie Afanasjewitsch!“Uwe mededeeling dat gij niets meer schrijven wilt of laten drukken beantwoord ik op dezelfde wijze als ik het Tolstoi gedaan heb. Indien gij niets goeds te schrijven hebt, blijfdan bij uw voornemen, doch zoo gij den drang tot schrijven voelt, zal een ander u daartoe niet behoeven aan te zetten.“Het is niet mogelijk, al heeft men duizend eeden gezworen, goede gedichten of goede boeken voor zich te houden, en daarom moest gij het ook maar niet probeeren. De beide laatste jaren was het u en Tolstoi onmogelijk iets te scheppen, en gij hebt beiden goed gedaan een’ tijd lang te rusten. Zoodra echter uw geest zal ontwaken, zult gij, zoowel als Tolstoi, u weer willen uiten. Doe daarom geen gelofte, vooral niet omdat niemand er u naar vraagt. Het eenige, dat ik niet goed vind in uw besluit, is dat gij en Tolstoi, zoo ik mij niet vergis, u boos hebt gemaakt, hetzij op het publiek hetzij op de litteratuur. Wanneer iedere schrijver beleedigd zou zijn door eene zekere koelheid of door een schimpartikel, dan zou niemand meer schrijven behalve misschien Toerghenjeff, die nu eenmaal de kunst verstaat een allemansvriend te zijn. Wanneer men in de letterkundige wereld met slijk gooit, dan is dat volgens mijne meening ongeveer hetzelfde, als dat het paard dat gij berijdt iets onbehoorlijks doet, terwijl uw hoofd vervuld is van poëtische gedachten. Hier kan ik nog bijvoegen, dat men mij heeft uitgescholden zooveel als ik maar kon verlangen, en het heeft mij nog niet eens mijn’ eetlust bedorven. Integendeel, ik vond het een groot genoegen mij schrap te zetten, en ik zal natuurlijk steeds doorgaan met schrijven, totdat ik gezegd heb wat ik vind dat gezegd moet worden.”Met zijne veronderstelling, dat het stilzwijgen der beide vrienden aan een zekere koelheid van het publiek moest worden toegeschreven, heeft Droezjinin zich echter vergist. Al heeft die koelheid misschien ook bestaan, de reden van hunne werkeloosheid lag toch ergens anders. Het was, dat beiden voelden dat er geen geestelijke band bestond tusschen den schrijver en de lezers. De schrijvers wisten niet wat zijmoesten schrijven en het publiek, vertegenwoordigd in de persoon van den kritikus, niet wat het van hen kon verwachten.Deze rusttijd hield aan, totdat eene plotselinge gebeurtenis een heftigen indruk maakte op hun gevoel of hun verstand en hen weer aan den arbeid riep.Keeren wij nu tot de ziekte van Nikolaas Tolstoi terug. Op weg naar het buitenland schreef deze uit St.-Petersburg aan zijn’ vriend Fet:“Lieve vrienden Afanasie Afanasjewitsch en Iwan Petrowitsch!“Ik kom mijne belofte nog vlugger na dan was afgesproken. Ik wilde u uit het buitenland schrijven en nu doe ik het reeds uit St.-Petersburg. Wij vertrekken morgen, d.w.z. Zaterdag. Ik heb dokter Z.... geconsulteerd. Hij is een Petersburger en geen Berlijner, zooals ik uit den brief van Toerghenjeff had opgemaakt. Hij stuurde mij naar de badplaats waar Toerghenjeff zich tegenwoordig ook bevindt, nl. Soden. Mijn volgend adres is Frankfurt am Main.”Fet ontving den tweeden brief uit Soden.“Ik heb niet eerst op antwoord gewacht, maar wil u even melden, dat ik goed en wel in Soden ben aangekomen. Men heeft echter bij mijne aankomst geen kanonschoten gelost. Wij troffen hier Toerghenjeff, die leeft en gezond is, zelfs zóó gezond, dat hij zelf verklaart ‘geheel gezond’ te zijn. Hij vond hier eene Duitsche jonge dame, die hij het hof maakt. Wij (dit is voor Iwan Petrowitsch bestemd) hadden ons voorgenomen te gaan schaken, maar tot nu toe is er nog niets van gekomen. Hij denkt aan zijne Duitsche en ik aan mijn herstel. Want nu ik dezen herfst opoffer, wil ik den volgenden kranig voor den dag komen. Soden is een heerlijk plekje. Ik ben hier nog niet eens eene week en voel mij reeds veel beter. Wij, Sergius en ik, bewonen drie kamers voor twintiggulden in de week; table d’hôte à één gulden, wijn is verboden. Een eenvoudig plaatsje dus, zooals ge ziet, maar mij bevalt het heel goed. Voor mijn venster staat een heel gewone boom, maar in de takken zit iederen avond een vogeltje te zingen. Dat herinnert mij aan het huisje in Nowosjelka. Doe mijne groeten aan Maria Petrowna; houdt u goed, lieve vrienden, en schrijft mij dikwijls. Ik denk lang in Soden te blijven, minstens een week of zes. Op weg hierheen heb ik niet geschreven omdat ik den geheelen dag ziek was. Nogmaals vaarwel!”Leo Tolstoi schreef reeds 28 Juni 1860 uit Moskou aan Fet, dat hij had besloten zijne zuster naar het buitenland te begeleiden, en vroeg hem in verband met deze reis eenige huishoudelijke zaken (naar de paarden zien, enz.) voor hem te willen regelen.Den 3denJuni vertrok hij met zijne zuster Maria Nikolajewna en hare kinderen per stoomboot uit Petersburg naar Stettin en vervolgens naar Berlijn.De ziekte van zijn’ broer was niet bepaald de aanleiding voor Tolstoi’s reis, maar heeft die slechts verhaast. Reeds lang was hij van plan zich in Europa op de hoogte te gaan stellen van hetgeen men daar voor de volksopvoeding deed.“Nadat ik mij een jaar met de scholen had bezig gehouden,” zegt Tolstoi in zijneBiecht, “vertrok ik voor de tweede maal naar het buitenland, om te leeren hoe ik het aan moest leggen anderen iets te leeren, terwijl ik zelf niets wist.”Of zijn arbeid vruchten zou dragen, kon hij eerst na twintig jaren beoordeelen, maar op het oogenblik wierp hij zich met hart en ziel op de studie.De ziekte en naderhand de dood van zijn’ broer brachten geene verandering in zijne plannen, maar deelden zijne reis intwee helften. Wij zullen trachten een geregeld overzicht te geven van zijne werkzaamheden.4Tolstoi kwam dus met zijne zuster in Berlijn, waar hij eenige dagen bleef, terwijl zij doorging naar Soden.Hier bezocht hij de universiteit, waar hij eenige college’s over geschiedenis, natuurkunde en physiologie bijwoonde en een’ avondcursus volgde in een “Handwerkerverein.” De populaire voordracht, gehouden door een’ beroemden professor, interesseerde hem in hooge mate en vooral de daarmede verbonden debatten wekten zijne belangstelling op. Deze wijze van volksopvoeding was voor Tolstoi iets geheel nieuws. Hij was zeer verbaasd over de vlugheid en vrijheid van gedachtenwisseling tusschen een van de voornaamste vertegenwoordigers der wetenschap en het volk.Sedert dien tijd zijn er reeds meer dan veertig jaren verloopen, en nog steeds greep Rusland dit eenvoudige middel om het volk op te voeden niet aan. Nog steeds maakt de geestelijke zoowel als de staatscensuur de toepassing van deze eenvoudige wijze van volksopvoeding onmogelijk.Ten slotte bezocht Tolstoi nog de gevangenis in de wijk Moabit, waar juist een nieuw strafsysteem, de eenzame opsluiting, was ingevoerd. Deze wijze van straffen maakte natuurlijk geen’ gunstigen indruk op Tolstoi.Den 14denApril vertrok hij uit Berlijn, bleef één dag in Leipzig, waar hij een school bezocht, om vervolgens door de Sachsische Schweiz, die hij bijzonder mooi vond, naar Dresden te reizen. Hier maakte hij kennis met Auerbach, den schrijver van vele bekende volksverhalen.De Amerikaansche schrijver Schyler vertelt in zijneHerinneringenaan Graaf L. N. Tolstoihet volgende van deze ontmoeting.“Ik herinner mij dat ik, Tolstoi eens met het in orde brengen van zijne bibliotheek helpende, opmerkte dat de volledige verzameling der werken van Auerbach eene eerste plaats op eene eerste plank had gekregen. Tolstoi gaf mij de twee deelen vanEin neues Leben, om ze, als ik naar bed ging, eens door te lezen. ‘Aan dezen schrijver,’ voegde hij erbij, ‘heb ik het te danken, dat ik scholen voor mijne boeren heb opgericht en dat mijne belangstelling is opgewekt voor hunne ontwikkeling. Toen ik voor de tweede maal in Europa kwam en Auerbach een bezoek bracht kenden wij elkaar nog niet. “Ik ben Eugen Baumann,” (de held uit een zijner verhalen) zeide ik en haastte mij, toen ik zag dat hij min of meer verlegen werd, er bij te voegen: “niet van naam maar in karakter.” Daarop vertelde ik hem wie ik was, dat zijne werken mij tot nadenken hadden gebracht, en welk een goeden invloed zij op mij hadden uitgeoefend.“Het toeval,” zoo vertelt Schyler verder, “voerde mij het volgend jaar naar Berlijn, waar ik in het gastvrije huis van den Amerikaanschen gezant Bancroft het genoegen had Auerbach te ontmoeten. Eens kwam het gesprek op Rusland en daardoor ook op Tolstoi, en herinnerde ik hem aan dat voorval.“‘Ja,’ zeide hij, ‘ik weet nog heel goed hoe ikschrok, toen die vreemd uitziende heer mij zeide, dat hij Eugen Baumann was. Ik was n.l. bang dat hij mij van laster kwam beschuldigen.’”De Saksische scholen konden Tolstoi niet bevredigen. Den 19denJuli vertrok hij naar Kissingen, zoodat hij langzamerhand ook dichter bij zijn broer kwam. Onderweg las hij veel, o.a. ook over de geschiedenis der paedagogie.Den 5denAugustus 1860 schreef Tolstoi uit Kissingen aan zijne tante:“Ik heb u zoolang niet geschreven, lieve tante, omdat ik u niet alleen tijding van mijzelf wilde doen toekomen, maar ook van al de onzen. Ik wacht nu echter al tien dagen tevergeefs op bericht van hen. Maria en ik zijn in den besten welstand te Berlijn aangekomen en maar één dag zeeziek geweest.“In Berlijn ben ik met Maria en Warenka naar den bekenden dokter Traube geweest. Hij vond Maria volmaakt gezond en stuurde haar alleen voor haar’ arm naar Soden. Warenka moet de zeebaden gebruiken, maar hart en longen zijn niet aangedaan. Voor mij oordeelt hij Kissingen het geschiktst. In Berlijn kreeg ik eene vreeselijke kiespijn, zoodat Maria eerst vier dagen later naar Soden vertrok. Wij ontvingen een’ brief van de broers, waarin Nikolaas schreef dat hetschijntdat zijn verblijf in Soden hem goed doet. Dát is alles wat ik van hem weet. In Berlijn heb ik tien aangename en nuttige dagen doorgebracht, maar de tandpijn heeft mij er vier bedorven. Voorzoover ik het beoordeelen kan na een verblijf van negen dagen, schijnt Kissingen goed te zijn voor mijne migraine. Ik heb hier Auerbach met zijne vreemde oogen ontmoet, wat ik heel prettig vond, en ook zijne vrouw met haar krijschende stem, hetgeen mij minder verheugde. Mijn adres is: Kissingen (Bavière). Ik hoop dat gij mij spoedig zult antwoorden. Vaarwel, ik kus uw handje. Zeg s.v.p. aan den opzichter, dat hij goed voor alles moet zorgen en schrijf mij eens over ’t werk, den oogst, de paarden, en of er zieken zijn. Laat de onderwijzer mij op de hoogte houden van de schoolzaken, hoeveel kinderen er komen en of ze goed leeren. Ik kom ongetwijfeld tegen den herfst terug en ben van plan mij nog meer dan vroeger met het onderwijs bezig te houden. De goede reputatie van de school mag dus, nu ik er niet bij ben, niet verloren gaan, en er moeten zooveel mogelijk leerlingen worden aangenomen.”Ook in Kissingen las Tolstoi zeer veel: op natuurkundiggebied Bacon, op godsdienstig Luther, terwijl Riehl’s werken hem tot gids strekten bij de studie der staatswetenschap. Waarschijnlijk heeft hij zich ook met Herzen bezig gehouden, want in zijn dagboek vinden wij de in dien tijd neergeschreven aanteekening:“Herzen: geen helder verstand, eene ziekelijke eigenliefde, maar zijne goedheid, breede opvatting en elegante stijl zijn Russisch.”In Kissingen maakte Tolstoi kennis met den Duitschen socioloog Jul. Fröbel, den schrijver vanTheorie der Politiek, en met diens oom, den paedagoog Fröbel, den stichter van de kindertuinen.Fröbel was vol bewondering voor Tolstoi’s scherpen blik en opvattingen, die geheel nieuw voor hem waren en volkomen in tegenspraak met zijn systeem.“Ruslands vooruitgang is slechts mogelijk,” verklaarde Tolstoi, “wanneer de volksontwikkeling daarvan den grondslag vormt. Die volksontwikkeling heeft bij ons meer kans van slagen dan bij u in Duitschland, omdat het Russische volk nog geheel onbedorven is, terwijl men het Duitsche volk kan vergelijken met een’ knaap, die eenige jaren eene verkeerde opvoeding heeft ontvangen.”De volksontwikkeling moet volgens Tolstoi’s meening niet verplicht zijn. Zal zij vruchten dragen, dan moet de drang naar weten zich zelf openbaren, zooals b.v. de honger zich zelf openbaart.Het grondbezit der boeren was een onderwerp dat hem ook zeer veel belang inboezemde; in hunne onderlinge samenwerking (het artèl) zag hij het beeld van den toekomststaat. Fröbel kon dikwijls een glimlach niet weerhouden als Tolstoi zijne meening uitte over het Duitsche volk. Dat hij b.v. in niet één boerenwoning de mooieDorpsvertellingenvan Auerbach, noch de werken van Hebel had gevonden, bracht hembuiten zichzelf van verbazing. “Bij ons,” zeide hij dan, “zouden de boeren tot tranen geroerd worden door zulke boeken.”De indrukken, ontvangen door den omgang met Auerbach en Fröbel, versterkten hem nog in zijn voornemen om de plannen, die hem voor den geest zweefden, ten uitvoer te brengen. Fröbel vestigde Tolstoi’s aandacht op de werken van Riehl, wiens denkbeelden zeer veel met de zijne overeenstemden; ijverig wijdde hij zich daarop aan de bestudeering van Riehl’sNatuurlijke Historie van het Volk, als zijnde de grondslag van de Duitsche sociale politiek. Ook de geschriften van den paedagoog Fröbel werkte hij grondig door. Tijdens zijn verblijf in Kissingen maakte Tolstoi, daartoe aangelokt door de schoone natuur en de vele geschiedkundige herinneringen, verschillende grootere of kleinere uitstapjes in den omtrek. Hij ging naar den Harz, vertoefde eenige dagen in Thüringen, en van uit Eisenach bracht hij een bezoek aan den Wartburg.Tolstoi voelde zeer veel belangstelling voor Luther, den grooten Duitschen hervormer, die, brekende met de traditie, zijn zwaren strijd op den Wartburg heeft gestreden. Hij bezocht de kamer waar Luther gewoond heeft, en waar, voor het eerst, de woorden uit den Bijbel in de Duitsche taal werden neergeschreven.“Luther is groot,” schreef Tolstoi na dat bezoek in zijn dagboek.Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi bevond zich, zooals wij weten, nog steeds in Soden. Den 19denJuli schreef hij aan zijn’ vriend Fet:“Ik had u reeds eerder willen schrijven, lieve vriend, maar ik wilde u bericht zenden van de geheele Tolstoi-kolonie, hetgeen om de volgende reden echter niet kan geschieden:mijne zuster is met de kinderen naar Soden gekomen, waar zij een poosje voor hunne gezondheid blijven, maar oompje Leo zit in Kissingen, dat hier een uur of vijf vandaan ligt, en komt maar niet hierheen, zoodat ik hem nog niet heb gezien. Ik heb Sergius, die op zijne terugreis naar Rusland Kissingen heeft aangedaan, uw’ brief meegegeven. Hij zal wel spoedig bij u zijn en u alle bijzonderheden vertellen. Vergeef het mij, beste Afanasie Afanasjewitsch, dat ik uw’ brief aan mijn’ broer heb gelezen. Er stond veel waars in, maar alleen daar waar gij in ’t algemeen spreekt. Hetgeen gij van u zelf zegt is niet waar. Men kan zich zelf en zijn’ kring niet beoordeelen, en daarbij ontbreekt het u aan praktijk. Verdiep u minder in theorieën, word practisch en dan ben ik overtuigd dat uwe laksheid zal verdwijnen en gij nog eens een werk zult schrijven, dat Toerghenjeff en ik en nog een paar anderen met genoegen zullen lezen. En de rest van ’t menschdom draait gij den rug toe. Weet gij waarom ik zooveel van u houd, Afanasie Afanasjewitsch? Omdat gij zoo oprecht zijt en nooit holle frasen gebruikt, zooals b.v. onze dierbare en hooggeachte vriend Toerghenjeff. Toch is het mij heel eenzaam geworden sedert hij niet meer hier is, afgezien nog van het feit, dat de schaakclub is ontbonden. Zelfs mijn eetlust wordt minder sedert ik zijne gezonde, gezette gestalte niet meer tegenover mij zie en ik niet meer verplicht ben hem telkens het vleesch bij de worteltjes of de worteltjes bij het vleesch aan te reiken. Wij hebben het dikwijls over u gehad, vooral den laatsten tijd: ‘Nu maakt Fet zich gereed om op reis te gaan, nu komt Fet,’ enz. enz.... Toerghenjeff heeft zich een zwarten hond gekocht, een halfbloed panter. Ik drink geen bronwater meer en heb mij voorgenomen veel uitstapjes te maken. Mijn hoofdkwartier echter blijft Soden en het adres onveranderd.”Van Nikolaas Tolstoi bleef ons zoo weinig litteraire arbeid,dat wij hier de enkele brieven laten volgen, die hij wisselde met zijne familie en met Dmitri Alexejewitsch Djakoff. Hoewel zij niet zeer belangrijk zijn, geven zij ons toch een’ indruk van zijn vriendelijk, goedhartig karakter.Uit Soden schreef hij de familie Djakoff twee brieven.“Hebt ge mijn’ brief uit St.-Petersburg ontvangen, beste vriend? Zoo ja, dan moet gij u schamen, dat gij er nog niet op hebt geantwoord. Ik hoop dat al de uwen gezond zijn, en schrijf mij nu in ’s hemelsnaam of Darja Alexandrowna5ook naar het buitenland gaat. Waarheen en wanneer zij ook gaat, als ik het maar weet, dan reis ik haar dadelijk tegemoet. Bronwater drink ik niet meer, ik houd nu alleen maar rust. Mijne zuster is ook hier en denkt een week of vier te blijven. Mijn adres is: Soden, près de Francfort sur le Main, maison ‘Landlust’.“Met mijne gezondheid gaat het vooruit, hoewel ik nog niet geheel beter ben; waarschijnlijk kunnen wij hetzelfde van uw landgoed zeggen. Schrijf mij nu eens heel spoedig hoe het gaat, welke plannen gij hebt, enz. enz.... Leo is in Kissingen, Sergius is bij mij in Soden geweest, maar heeft al zijn geld verspeeld en is reeds weer naar Rusland terug. Waarschijnlijk is hij nu bij u.“Geheel de uwe,GraafN. Tolstoi.”“19 Juli. (Nieuwe stijl.)“Ik weet niet, Darja Alexandrowna, hoe ik u zal danken voor uw schrijven; gij hebt uwen buurman dus nog niet vergeten. Hoe gaat het met uwe gezondheid en hoe maakt Maschi het? Ik hoop dat wij elkaar van ’t jaar nog zullen zien, en ik denk daaraan met groot genoegen. Gij hebtslechts te schrijven wanneer gij naar het buitenland gaat, waar gij u bevindt, en ik zal er zijn. Mijne zuster is ook in Soden en draagt mij op u te groeten. Wij schelden den geheelen dag op het weer—zomer is het hier niet geweest. Er is veel koude, regen en wind, en dat niet alleen in Soden maar in heel Europa. Laat u dat echter niet afschrikken. Kom maar en breng mooi weer mee.“Met de meeste hoogachting verblijf ik“Uw u toegenegenGraafN. Tolstoi.”En aan zijn’ vriend:“Ik vrees, mijn beste Dmitri, dat deze brief u niet zal bereiken; zoo gij hem wel ontvangt, meld mij dan per omgaande, waar gij heen gaat en vooral, waar gij den herfst zult doorbrengen. Mijn adres blijft nog steeds Soden, omdat ik zelf niet weet waar ik heen zal gaan. De doktoren hebben mij druiven en een zacht klimaat voorgeschreven, twee dingen die dit jaar in Europa niet te vinden zijn. Mijne zuster laat u groeten.“Geheel de uweN. Tolstoi.”Nikolaas Tolstoi had eenige aangename weken met zijne zuster en hare kinderen in Soden doorgebracht, maar zijne gezondheid liet nog veel te wenschen over. De doktoren rieden hem eenstemmig een verblijf in Italië aan.Sergius Tolstoi was den 6denAugustus weer naar Rusland teruggekeerd. Natuurlijk maakte hij van de gelegenheid gebruik zijn’ broer Leo in Kissingen op te zoeken, om hem tevens op de hoogte te brengen van den slechten staat der gezondheid van hun’ broeder. Drie dagen later, juist op den dag dat Sergius weer vertrok, kwam Nikolaas zelf naarKissingen. Gravin Tolstoi met de kinderen waren nog in Soden gebleven, waar Nikolaas zich spoedig weer bij hen voegde.Leo Tolstoi ging nog voor eenigen tijd naar den Harz, waar hij van de heerlijke natuur genoot en ook veel tijd aan lezen besteedde.Eindelijk, 26 Augustus, kwam hij in Soden, waar alles reeds voor de afreis gereed was, en den 29stenAugustus gingen de beide broers naar Frankfort.Waarschijnlijk had Tolstoi’s sterke individualiteit haar stempel gedrukt op zijne geheele persoonlijkheid. In Dresden immers maakte hij Auerbach aan ’t schrikken, en in Frankfort gebeurde iets dergelijks.Gravin Tolstoi vertelt ons daarvan:“Wij waren in Frankfort en Prins Alexander van Hessen met zijne gemalin brachten mij een bezoek. Plotseling ging de deur open en Leo, in een allervreemdst kostuum, dat herinnerde aan een’ Spaanschen roover op een plaatje, verscheen op den drempel. Ik was stom van verbazing. Hij was blijkbaar niet zeer ingenomen met mijne gasten, want hij verdween zoo spoedig mogelijk.“‘Qui est donc se singulier personnage?’ vroegen mijne gasten.“‘Mais c’est Léon Tolstoy.’“‘Ah, mon Dieu, pourquoi ne l’avez-vous pas nommé. Après avoir lu ses admirables écrits, nous mourrions d’envie de le voir.’”Op advies van den dokter vertrok de geheele familie Tolstoi naar Hyères, een plaatsje aan de Middellandsche Zee.Nikolaas vond hier helaas ook geen baat en heeft er maar heel kort mogen wonen.Een paar dagen na hunne aankomst schreef Tolstoi een’brief aan zijne tante Tatjana, waaruit blijkt dat zij nog niet alle hoop op herstel hadden opgegeven:“De gezondheid van Nikolaas blijft nog steeds dezelfde, maar nu wij hier zijn hopen wij op beterschap, omdat zijne levenswijze in Soden, de reis en het gure weer hem meer kwaad dan goed hebben gedaan. De drie dagen die wij hier zijn hebben wij prachtig weer gehad, en men zegt dat het hier altijd zoo is. Maria heeft kennis gemaakt met eene prinses Galizina, die hier al negen jaren woont. Toen zij hier kwam was zij er veel slechter aan toe dan Nikolaas, en nu is zij eene volkomen gezonde, sterke vrouw.”6Met de gezondheid van Nikolaas ging het echter meer en meer achteruit. Hij schreef eenige dagen vóor zijn’ dood nog een’ brief naar Parijs, aan zijn’ vriend Djakoff, waarin hij zelf de opmerking maakt, dat zijne krachten hem verlaten. Ook was het reeds merkbaar dat zijne hand hare vastheid had verloren.“Ik schrijf je een paar woorden om je te laten weten waar ik ben. Mijne zuster en ik zullen den winter in Hyères blijven. Mijn en ook Leo’s adres is: MmeSénéquier, Rue du Midi. Naar Parijs gaan kan ik helaas niet meer. De reis is mij te vermoeiend, ik ben heel zwak. Schrijf mij, zoodra gij zijt aangekomen en dezen brief hebt gelezen, waar gij zijt, wat gij doet, enz. Nu het niet mogelijk is elkaar te zien moeten wij elkaar maar schrijven.“Geheel de uweN. Tolstoi.”Nikolaas Tolstoi stierf den 20 September 1860.Leo Tolstoi deelde zijne tante Tatjana in de volgende bewoordingen het sterfgeval mede.Medewerkers aan de Sawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz. 251.Medewerkers aan deSawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz.251.“Waarde Tante!“De zwarte rand om mijn brief zal u reeds alles gezegd hebben. Vanmorgen om negen uur is gebeurd hetgeen ik nu reeds twee weken ieder oogenblik verwachtte. Gisteren was het voor de eerste maal dat ik hem met het aankleeden mocht helpen. Vanmorgen voor ’t eerst werd hij bepaald bedlegerig en vroeg om een’ verpleger. Zijn bewustzijn heeft hij niet verloren. Een kwartier vóor zijn dood dronk hij nog een glas melk en zeide, dat hij zich beter gevoelde. Gisteren maakte hij nog grappen en toonde hij nog belangstelling voor mijne opvoedingsplannen. Zeer kort voor zijn’ dood fluisterde hij eenige malen: ‘mijn God, mijn God.’ Ik geloof, dat hij zich zijn’ toestand wel bewust was, maar hij wilde ons en zich zelf misleiden. Maria, die een paar wersten hier vandaan woont, was eenige uren van te voren weggegaan. Zij had het einde niet zoo spoedig verwacht. Ik heb hem juist de oogen toegedrukt. Spoedig zal ik bij u zijn en u alles vertellen... Vorstin Galizina heeft zich belast met de zorg voor de begrafenis, die hier zal plaats hebben. Vaarwel, lieve tante, troosten kan ik u niet. ’t Is Gods wil! Ik schrijf Sergius nu niet; hij is waarschijnlijk op de jacht en gij alleen weet waar hij zich bevindt. Wees dus zoo goed het hem mede te deelen of hem dezen brief te sturen.”Den dag na de begrafenis schreef hij zijn’ broeder Sergius:“Je hebt zeker het bericht van Nikolaas’ dood ontvangen.Het spijt mij voor je dat je niet hier waart. Hoe zwaar de slag ook is, het doet mij toch goed dat het in mijne tegenwoordigheid gebeurd is, en dat het sterfgeval mij heeft getroffen zooals het mij treffen moest. Niet zooals met Dmitri, wiens doodsbericht mij bereikte toen ik in ’t geheel niet om hem dacht. Het waren onze jeugdherinneringen zoowel als onze bloedverwantschap die ons verbonden. Nu hebben wij een vriend verloren, dien wij meer liefhadden en achtten dan iemand op dewereld. Het is mij eene vreeselijke gedachte, dat ik de laatste tijden het egoïstische verlangen had: hoe eerder het afloopt hoe beter. Om mij maar geen last te veroorzaken, deed hij, ijverig en sterk van karakter als hij was, nog alles zelf. Den dag vóor zijn dood kleedde en wiesch hij zich nog zonder hulp, en toen ik ’s morgens bij hem kwam zat hij reeds geheel gekleed in een’ leuningstoel. Eerst negen uren vóor zijn’ dood kon hij niet meer tegen de ziekte strijden, en vroeg hij mij hem bij het uitkleeden te helpen. Vroeger had ik mijne hulp niet aangeboden, omdat hij er niet van hield geholpen te worden. Nu voegde hij zich. Den geheelen dag was hij zacht gestemd, klaagde niet en prees iedereen. Tot mij zeide hij: ‘dank je, mijn vriend.’ Jij kunt begrijpen wat dat woord mij zegt. Ik vertelde hem, dat ik hem ’s morgens had hooren hoesten, maar dat ik niet naar hem toe was gegaan, om hem niet te hinderen. ‘Integendeel, het zou mij getroost hebben.’“Wat heeft hij geleden; maar geuit heeft hij het voor het eerst een paar dagen vóor zijn’ dood. ‘Vreeselijk, die slapelooze nachten! Tegen den morgen stik ik bijna van het hoesten. En zoo nog eenige nachten te moeten lijden!’ Nooit heeft hij gezegd dat hij den dood voelde naderen; hij heeft het echter slechts niet uitgesproken. Op zijn’ sterfdag bestelde hij nog een’ nieuwen chambercloak, maar toen ik hem vertelde dat, indien hij niet beter was, Maria en ik niet naar Zwitserland zouden gaan, antwoordde hij: ‘denk je dan werkelijk dat ik beter wordt?’ De toon waarop dit gezegd werd, deed mij begrijpen, dat hij zijn’ toestand begreep, maar het voor ons niet wilde weten. ’s Morgens wist ik wat ons wachtte, en ik bleef steeds bij hem. Hij stierf, ten minste schijnbaar, heel kalm. De ademhaling werd langzamer en langzamer en hield eindelijk geheel op. Den volgenden morgen ben ik nog eens naar hem toe gegaan. Ik was bang dat hij veranderd zou zijn en er nogvreeselijker zou uitzien dan tijdens zijne ziekte. Je kunt je echter niet voorstellen hoe mooi hij daar lag, met die blijmoedige, vredige uitdrukking op zijn gelaat.“Gisteren is hij hier begraven. Ik heb er eerst over gedacht hem te vervoeren en jou te telegrafeeren, maar ben toen van plan veranderd. Het geeft niet, de wonden nog verder open te rijten. Het spijt mij dat de doodstijding je midden in je jachtvermaak heeft bereikt. Het bericht kon je bij al die afleiding onmogelijk zoo treffen als ons. En toch is het zoo goed voor een mensch! Ik ondervind nu de waarheid van hetgeen men mij eens gezegd heeft, n.l. dat men zelf den dood gemakkelijker onder de oogen ziet, indien men iemand heeft verloren die zooveel voor ons is geweest als hij voor ons was. Jouw brief kwam juist toen de mis voor hem werd opgedragen. Nu kan je nooit meer met hem op jacht gaan! Een paar dagen vóor zijn’ dood bespraken wij nog zijne aanteekeningen over de jacht en las hij ze mij voor. Hij sprak ook veel over jou en zeide dat God jou alles geschonken had, wat een mensch gelukkig kan maken, maar dat je zelf je leven bederft. Dadelijk, den tweeden dag, heb ik een afgietsel van zijn gelaat en een portret van hem laten maken. Het portret is niet goed gelukt, maar het masker geeft zijne edele trekken geheel weer.”De dood van zijn broer Nikolaas maakte een’ diepen indruk op Tolstoi, deed hem een tijdlang alle belangstelling in het leven verliezen en bracht zijn geloof in het goede aan het wankelen.In zijn dagboek vinden wij de volgende aanteekeningen:“13 October 1860. ’t Is nu bijna een maand geleden dat Nikolaas is gestorven en sedert dien tijd heb ik alle belangstelling in het leven verloren. Weer een vraag: Waarom? Ook ik sta mogelijk niet meer ver van den weg daarheen! Waarheen? Nergens heen. Ik tracht te schrijven; ik wil ermijzelf toe dwingen, maar het gaat niet, omdat ik het werk niet die waarde kan toekennen, die men het moet toekennen om er kracht en geduld voor te hebben. Tijdens de begrafenis kwam de gedachte bij mij op een materialistisch evangelie te schrijven: het leven van Christus—den materialist.”Nadat de eerste, heftigste smart eenigszins bedaard was, schreef Tolstoi aan zijn’ vriend Fet:“Ik veronderstel dat ge reeds weet wat hier gebeurd is. Den 20stenSeptember stierf Nikolaas letterlijk in mijne armen. Niets in mijn leven heeft zoo’n sterken indruk op mij gemaakt. Het is waar dat hij altijd zeide, dat er niets erger is dan de dood. En wat doet het goed te denken dat de dood toch het eind is van alles en dat er niets erger is dan het leven. Waarom zou men zich nog moeite geven als er voor iemand als Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi niets overblijft? Hij heeft nooit gezegd dat hij de nadering van den dood voelde, maar ik weet dat hij den afstand kende, die hem er van scheidde.“Eenige oogenblikken vóordat hij stierf schrikte hij plotseling uit eene sluimering wakker en fluisterde ontzet: ‘Maar wat is het dan toch?’ Toen zag hij den dood, den overgang in het niet. En als hij niets kon vinden, waaraan zal ik mij dan vastgrijpen, wat zal ik dan vinden? Nog minder. En ik, noch iemand anders, zal zooals hij tot aan het laatste oogenblik met den dood strijden. Tot aan de laatste minuut deed hij alles zelf, trachtte zich bezig te houden, schreef, vroeg mij naar mijn werk en gaf mij raad.“Maar hij deed dat alles, geloof ik, niet uit een innerlijken aandrang, maar uit principe. Hij bleef zich zelf tot aan het einde. Den avond van te voren ging hij naar zijne slaapkamer en viel daar, door zwakte overmand, bij ’t open raam op zijn bed neer. Toen ik bij hem kwam zeide hij met tranen in de oogen, dat hij daar zoo heerlijk een uurtje had gelegen.‘Uit stof zijt gij geboren en tot stof zult gij wederkeeren.’ Eén vage hoop rest ons nog, dat wij daar in de natuur, waarvan wij een deel zullen uitmaken, iets zullen vinden.“Allen die zijne laatste minuten bijwoonden zeiden: ‘hoe heerlijk, rustig en zacht is hij ingeslapen.’ Maar ik weet hoe vreeselijk hij heeft geleden, want niets van hetgeen er in hem omging ontging aan mijn’ blik. Duizendmaal heb ik tegen mij zelf gezegd: laat de dooden de dooden begraven, maar men moet toch altijd zijne krachten gebruiken. Men kan een’ stem niet zeggen: val omhoog, terwijl alles hem omlaag trekt, niet lachen om een scherts die geen scherts is, niet eten wanneer men geen honger heeft. Waarom zou men zich inspannen, daar morgen de doodstrijd kan beginnen, de dood met zijn afschuwelijke leugen en zelfbedrog ons kan verrassen en wij kunnen overgaan in het niet?!“Een misplaatste grap! ‘Wees nuttig, wees deugdzaam, wees gelukkig in het leven,’ zeggen de menschen tegen elkaar; ‘gij en het geluk en de deugd en het nuttig zijn, alles bestaat in de waarheid.’ En de waarheid, die ik in de dertig jaren die ik leefde heb leeren kennen, is, dat onze toestand ontzettend is.“‘Neem het leven zooals het is, gij brengt u zelf in dezen toestand.’“Wel zeker, ik neem het leven zooals het is!“Nauwelijks heeft de mensch den hoogsten trap van zijne ontwikkeling bereikt of hij ziet duidelijk dat alles ijdel, dat alles bedrog is, en dat de waarheid, die hij toch boven alles lief had, iets vreeselijks is. Als gij die waarheid recht in ’t gezicht ziet, dan zult gij ook opschrikken en als mijn broeder zeggen: ‘Maar wat is het dan toch?’ Het spreekt van zelf dat, zoolang wij nog den wensch koesteren de waarheid te leeren kennen en de waarheid te spreken, wij ons daartoezullen inspannen. Dat is alles wat mij nog overbleef van mijne zedelijke wereld; verder gaan mijne wenschen niet. Daarnaar alleen wil ik streven, maar niet in den vorm van uwe kunst. De kunst is leugen en ik houd zelfs niet van een schoonen leugen.“Dezen winter blijf ik hier; men moet toch ergens zijn. Schrijf mij eens spoedig. Ik houd evenveel van je als mijn broer, die tot aan zijne laatste oogenblikken aan je heeft gedacht, van je hield.“L. Tolstoi.”De indruk, dien de dood der duizenden, die hij onder de muren van Sewastopol had zien vallen, op Tolstoi had gemaakt, was niet zoo groot als die van dit ééne sterfgeval, den dood van zijn liefsten broeder. Toen zag hij met een physiek, nu met zijn geestesoog. Hij zag—en stond ontzet. Oprecht als hij was, trachtte hij zich zijne onmacht tegenover de macht van den dood niet te ontveinzen. En deze oprechtheid redde hem. Van dat oogenblik af, kan men zeggen, verliet de gedachte aan den dood hem niet meer en in den zielestrijd, die daarmee onvoorwaardelijk gepaard gaat, bleef hij overwinnaar. Na verloop van eenige maanden schreef hij naar aanleiding van een nieuw sterfgeval:“Na een smartelijk lijden stierf een jongen van dertien jaren aan de tering. Waarom? Het geloof aan de vergelding is de eenige oplossing van die vraag. Als zij niet bestaat, dan is er ook geene ongerechtigheid, wordt de gerechtigheid geheel overbodig en is de behoefte daaraan bijgeloof.“De gerechtigheid is eene levensvoorwaarde tusschen de menschen onderling, die zij ook zoeken in hunne betrekking tot de wereld. Zonder het leven hiernamaals is zij geheel ondenkbaar. Gelijkvormigheid is de eenige onveranderlijke natuurwet, zullen de natuurkundigen zeggen. In verschillende uitingen van denmenschelijken geest, in de liefde, in de poëzie, in de schoonste openbaringen vinden wij haar niet. Dat alles heeft bestaan en is gestorven, dikwijls zonder dat het te voorschijn trad. De natuur schrijdt haar doel ver voorbij, door het menschdom de behoefte aan liefde en poëzie te schenken, als haar eenige wet gelijkvormigheid is.”Na verloop van zeven-en-twintig jaren schreef hij het boekOver het leven, dat eindigt met de woorden: “Het leven van den mensch is een streven naar de gelukzaligheid; waarnaar hij streefde, dat werd hem gegeven; evenmin als de gelukzaligheid den mensch tot onheil kan strekken, evenmin kan het leven het einde zijn.”Sergius Plaksin geeft ons nog eenige bijzonderheden van Tolstoi’s leven te Hyères, in den familiekring van zijne zuster. Plaksin zelf was in dien tijd nog een kleine jongen, die met zijne moeder in hetzelfde pension woonde als de familie Tolstoi.“Tijdens zijn verblijf te Hyères bracht Tolstoi dikwijls geheele dagen bij zijne zuster door. Zelf onvermoeid in het wandelen, leerde hij het ons. Altijd vond hij nieuwe plekjes en nieuwe wandelingen. Nu eens gingen wij de zoutmijnen bekijken op het schiereiland Porquerolles, dan beklommen wij den berg, waar eene kapel voor de Heilige Maagd was opgericht, of we bezochten eene ruïne, om de eene of andere reden ‘Trou des Fées’ genaamd.“Onderweg vertelde Tolstoi ons allerlei sprookjes: van het gouden paard, of van den reuzenboom, in wiens takken gezeten men alle steden en zeeën van de geheele wereld kan zien. Hij wist dat ik geen sterke borst had en droeg mij daarom dikwijls heele einden op zijn’ schouder.“Na het middageten vertelde Tolstoi onzen goedhartigen huisheer en zijn gezin de alleronmogelijkste dingen vanRusland, zoodat zij niet wisten wat zij er van moesten gelooven, totdat mijne moeder of gravin Tolstoi erbij kwam, die hun dan uitlegde wat waarheid en wat fantasie was.“Dadelijk na het diner kwamen wij bij elkaar, om op het terras naar het weer te gaan kijken of in de groote zaal te gaan spelen. Op de tonen van slechte pianomuziek voerden wij dan een ballet of eene opera uit, zonder medelijden te hebben met onze toeschouwers: onze moeders, Leo Tolstoi en mijne gouvernante Liza. Ballet en dans werden afgewisseld door gymnastische oefeningen, waarin Tolstoi, die er altijd sterk op aandrong de spieren te oefenen, ons voorging. Hij strekte zich dan in zijne volle lengte op den grond uit, beval ons hetzelfde te doen, en dan moesten wij ons oprichten zonder onze armen te gebruiken. Ook hing hij tusschen de deurposten wel eens ringen voor ons op, waaraan hij dan tot onze groote vreugde zelf ook werkte.“Het gebeurde wel eens dat wij zooveel leven maakten, dat de moeders Tolstoi vroegen ons wat rustiger bezig te houden. Wij moesten dan om de tafel gaan zitten, met pen en inkt voor ons.“‘Luister nu goed,’ zeide Tolstoi, ‘ik zal jelui les geven.’“‘Waarin?’ vroeg Liza, het toenmalige voorwerp mijner liefde.“Tolstoi vervolgde zonder zijn nichtje een antwoord waardig te keuren:“‘Schrijf nu.’“‘Maar oompje, wat moeten wij schrijven?’ hield Liza aan.“‘Luister dan, ik zal je een onderwerp opgeven.’“‘Wat opgeven?’ kon Liza niet nalaten te zeggen.“‘Een onderwerp,’ vervolgde Tolstoi gewichtig. ‘Schrijf nu: “Waardoor onderscheidt Rusland zich van andere landen?”’“‘Begin nu, maar pas op, niet naschrijven hoor!’“En wij begonnen.“De regels die Kolja schreef liepen alle, hoe schuin hij zijnhoofd ook hield en hoe diep hij ook zuchtte, kris en kras over ’t papier. Een transparent gebruiken mochten wij niet, dat was maar verwennen, zeide Tolstoi. Terwijl wij dus onze gedachten aan het papier toevertrouwden en de beide moeders een of anderen nieuwen roman lazen, liep Tolstoi met groote schreden de kamer op en neer, totdat eindelijk de nerveuse gravin uitriep:“‘Wat heb je toch, Leo? Je loopt als een ijsbeer heen en weer. Ga toch zitten.’“Na verloop van een half uur ongeveer waren onze opstellen klaar, en Tolstoi nam eerst het mijne, maar de regels waren in elkaar geloopen en daarom gaf hij het mij terug en moest ik het zelf voorlezen. En ik begon met luider stemme te vertellen, dat Rusland zich daardoor van andere landen onderscheidde, dat men in de vastendagen pannekoeken at, uitstapjes naar de bergen maakte en op Paschen eieren kleurde.“‘Kranig,’ zeide Tolstoi, die nu het handschrift van Kolja nam, waarin Rusland zich door sneeuw,—en dat van Liza, waarin het zich door de troika van de overige gedeelten der wereld onderscheidde. Wara, de oudste van ons, had de uitvoerigste beschrijving gegeven.“’s Avonds leerde Tolstoi ons teekenen, waarvoor hij de ingrediënten uit Marseille, waar hij dikwijls heenging, meenam.“Geheele dagen bracht hij met ons door; hij speelde met ons, onderwees ons, en als er soms verschil was ontstaan trad hij als scheidsrechter op.”Nu laten wij nog de korte beschrijving, ons verstrekt door gravin Tolstoi, volgen van eene soirée, waar Tolstoi ook tegenwoordig was.“Na den dood van Nikolaas woonden wij te Hyères. Leo had toen al naam gemaakt en de Russische kring gaf zich veel moeite om met hem in kennis te komen. Eens warenwij gevraagd bij vorstin Doedoekowa-Korsakowa, waar een voornaam gezelschap bijeen was. De clou van den avond zou de aanwezigheid van Tolstoi zijn, maar hij liet, helaas, heel lang op zich wachten. De gasten begonnen reeds te wanhopen en de gastvrouw beklaagde zich al in stilte over hare soirée manquée, toen eindelijk nog graaf Tolstoi werd aangediend. Alles leefde op, maar hoe groot was aller verbazing, toen hij binnen kwam, gekleed in een gewoon wandelcostuum en op klompen.“Hij was juist van eene lange wandeling teruggekeerd, niet naar huis gegaan, en begon dadelijk een levendig betoog te houden over het voordeel van klompen boven laarzen, terwijl hij iedereen aanried zijn voorbeeld te volgen.“Men vergaf hem in dien tijd ook reeds alles en het werd nog een heel gezellige avond. Tolstoi was zeer opgewekt; er werd gezongen en op algemeen verlangen nam hij de begeleiding op zich.”Tot begin December bleef hij in Hyères, reisde toen over Marseille naar Genève, waar hij zijne zuster met de kinderen achterliet om zelf eene reis door Italië te gaan maken. Achtereenvolgens bezocht hij Pisa, Livorno, Florence, Rome en Napels.Gedurende zijne buitenlandsche reis vertoefde Tolstoi eenige malen te Marseille, welke groote handelsstad hem blijkbaar sterk aantrok en interesseerde.In een van zijne opstellen over paedagogie geeft hij de volgende beschrijving van zijn verblijf te Marseille.“Het vorige jaar bevond ik mij te Marseille, waar ik alle inrichtingen van onderwijs voor de arbeidende klasse bezocht. De zucht tot leeren bij de bevolking is zoo groot, dat bijna alle kinderen drie, vier, vijf en zes jaar naar school gaan. Het leerplan bevat de volgende vakken: bijbelsche en algemeenegeschiedenis, het van buiten leeren van den cathechismus, de vier hoofdbewerkingen der rekenkunde, Fransche orthographie en boekhouden; waarom dit laatste op het programma stond heb ik nooit begrepen en heeft ook geen der leeraren mij kunnen uitleggen. Het eenige dat ik wel begreep, nadat ik de boeken der leerlingen, die den cursus hadden afgeloopen, had gezien, is, dat zij nog geen drie regels van de rekenkunde kenden, dat zij machinaal wat met getallen leerden werken en op dezelfde wijze ‘tenue des livres’ hadden geleerd. Het is onnoodig te zeggen dat boekhouden, zooals het in Duitschland en Engeland wordt onderwezen, alleen reeds vier uren voor de verklaring vereischt voor een’ leerling die de vier regelen der rekenkunde machtig is.“Niet één der kinderen, die deze scholen bezochten, kon zelfstandig eene som oplossen, d.w.z. de eenvoudigste optelling of aftrekking maken. Wat zij echter uit het hoofd hadden kunnen leeren, deden zij vlug en goed.“Op eene vraag uit de Fransche geschiedenis, die zij juist van buiten hadden geleerd, wisten zij goed te antwoorden; maar toen ik hun iets vroeg waarop zij zich niet hadden voorbereid, kreeg ik ten antwoord dat Hendrik IV door Julius Caesar was vermoord.””... In Marseille bezocht ik ook nog eene gewone en eene kloosterschool voor volwassenen. Die scholen werden door een duizend leerlingen bezocht (twee honderd mannen), terwijl de stad 250,000 inwoners telt. Het onderricht werd hier op dezelfde wijze gegeven: mechanisch lezen, waarvoor reeds een jaar of langer gebruikt werd, boekhouden zonder kennis der rekenkunde, geloofsleer enz.“Daarna bezocht ik eene bewaarschool, waar kinderen van vier jaren als soldaatjes marcheerden, op commando in de handjes klapten en met bevende stemmetjes hymnen zongen ter eere van God en van hunne weldoeners.“Resumeerende kwam ik tot de conclusie, dat het onderwijs in Marseille bijzonder slecht is. Wanneer er eens een wonder kon gebeuren en men de menschen kon gade slaan in die inrichtingen voor onderwijs, zonder hen op straat, op hun werk, in de café’s of in hun huizen te zien, dan zou ons oordeel zijn, dat het volk onwetend, ruw, huichelachtig en vol vooroordeelen is, kortom, een volk bijna zonder beschaving. Geeft men zich echter de moeite om zich met de menschen in verbinding te stellen en met hen te praten, dan komt men tot de overtuiging, dat het Fransche volk bijna is zooals het meent te zijn; vlug van begrip, verstandig, vrijgevig, nadenkend en werkelijk beschaafd. Let eens op een’ dertigjarigen werkman uit eene stad. Hij schrijft een brief zonder de fouten welke hij er op school in maakt, soms zelfs heelemaal goed. Hij is op de hoogte van de politiek en bijgevolg ook van aardrijkskunde en de nieuwste geschiedenis; hij weet iets van litteratuur en heeft eenig begrip van natuurkunde. Heel dikwijls kan hij een weinig teekenen, en van wiskunde weet hij zooveel als hij voor zijn beroep noodig heeft. Hoe nu heeft hij dit alles verkregen?“Het antwoord op die vraag vond ik vanzelf, toen ik na mijn schoolbezoek eens op straat in de café’s, de café-chantants, de museums, de werkplaatsen, bij de havens en in de boekwinkels begon rond te zien. Dezelfde jongen, die mij had verteld dat Hendrik IV door Julius Caesar vermoord was, kende heel goed de geschiedenis vanDe drie Musketiersen vanDe Graaf de Monte-Christo. In Marseille vond ik acht-en-twintig goedkoope geïllustreerde tijdschriften van 5 à 10 centimes. Onder eene bevolking van 250,000 inwoners waren 30,000 exemplaren verspreid. Wanneer wij dus aannemen, dat tien menschen één nommer lezen of hooren voorlezen, dan worden zij nog door iedereen gelezen. Dan hebben wij nog de museums, de publieke bibliotheken, deschouwburgen, de café’s, twee groote café-chantants, waar iedereen tegen betaling van 50 centimes toegang heeft, en die dagelijks gemiddeld door 25,000 menschen bezocht worden, om nog niet eens van de kleine inrichtingen te spreken. In al die café’s worden tooneelstukken opgevoerd, verzen gedeclameerd enz. enz. Ruw berekend ontvangt een vijfde gedeelte van de bevolking dagelijks dus onderwijs op de wijze zooals de Grieken en de Romeinen het in hunne amphiteaters ontvingen.“Of die opvoeding goed of slecht is, dat is eene andere vraag. Wij zien echter dat de onbewuste opvoeding sterker is dan de gedwongene, die geheel door haar verdrongen en op den achtergrond geschoven wordt.“Het eenige wat den leerlingen bijbleef van hun vijf- of zesjarig onderricht bestond hierin, dat zij in staat waren eenige letters naast elkaar te zetten en er woorden van te vormen.”In Januari van ’t jaar 1861 bevond Tolstoi zich weer te Parijs, waar hij als naar gewoonte het leven op straat met groote aandacht gadesloeg.“Toen ik in Parijs was,” zeide Tolstoi eens tegen Schyler, “zat ik soms heele dagen boven op de omnibussen, mij vermakende met de beschouwing van het publiek, en ik kan u de verzekering geven, dat ik bijna in iedere persoon een type van Paul de Kock herkende.”Dat de werken van dien auteur onzedelijk zouden zijn heeft Tolstoi steeds tegengesproken.“Van de geheele Fransche litteratuur stel ik de boeken van Alexandre Dumas en Paul de Kock het hoogste,” vervolgde Tolstoi zijn gesprek met Schyler, en op diens verwonderden blik sprak hij verder:“Neen, kom mij niet met dien onzin aan, dat Paul de Kock onzedelijk is. Naar Engelsche begrippen is hij misschien een weinig ‘leste et Gaulois’, zooals de Franschen het uitdrukken,maar onzedelijk is hij niet. Wat hij ook zegt, en al veroorlooft hij zich hier en daar eene gewaagde scherts, zijne richting blijft volkomen zedelijk. Hij is de Fransche Dickens. Zijne personen zijn naar het leven geteekend en geheel afgewerkt.“En wat Dumas betreft, ieder romanschrijver moest hem van buiten kennen. Ik lees en herlees zijne werken. De intrige is altijd mooi, maar hoofdzakelijk legt hij er zich op toe om een goed verband en eene goede oplossing te verkrijgen.”Te Parijs kwam Tolstoi in aanraking met Toerghenjeff, waardoor eene eenigszins nauwere betrekking tusschen die beide schrijvers ontstond.Vandaar reisde hij naar Londen, waar hij bijna iederen dag met Herzen samen kwam. Hij behandelde met hem vele gewichtige vragen van den dag, maar van deze gesprekken kunnen wij helaas niets weergeven, daar noch Herzen, noch Tolstoi er aanteekeningen van hebben gemaakt.In deHerinneringen van Toetschkowaja Ogarjewajavinden wij nog een paar woorden, die betrekking hebben op deze samenkomsten.“Tolstoi, de schrijver vanKinder-, Jongens-enJongelingsjaren, boeken die eene groote beroering te weeg brachten in de lezende wereld, bracht dikwijls een bezoek bij Herzen. Deze was daar zeer mee ingenomen en bewonderde vooral de vrijheid, waarmede hij zijne diepste, innigste gevoelens neerschreef en ook mondeling uitte. Wat zijne filosofie betreft, die vond Herzen dikwijls zwak, onduidelijk en nietsbewijzend.”Eene dochter van Herzen, die echter slechts eene vage voorstelling van deze samenkomsten heeft, verschafte ons nog de volgende kleine aanteekening.“Als klein meisje las en bewonderde ik de werken van Tolstoi. Eens van vader hoorende, dat deze schrijver ons een bezoek zou brengen, vroeg ik vergunning daarbij tegenwoordigte zijn. Om niet opgemerkt te worden ging ik op het vastgestelde uur in mijns vaders studeerkamer, in het uiterste hoekje zitten, en spoedig daarop werd Tolstoi aangediend. Met kloppend hart zat ik te wachten, maar hoe groot was mijne teleurstelling toen daar een naar de laatste Engelsche mode gekleede heer binnenkwam, die dadelijk met mijn’ vader een levendig gesprek begon over de laatste hanengevechten en bokspartijen die hij in Londen had bijgewoond. In dit eenige onderhoud dat ik bijwoonde gelukte het mij niet ééne enkele diepe gedachte op te vangen.”Men kan echter gerust aannemen, dat de gesprekken van deze twee groote Russische schrijvers zich niet bepaalden tot een praatje over sport. Bij het afscheid gaf Herzen zijn’ vriend eene introductie mee voor Proudhon.In Engeland, evenals elders, bezocht Tolstoi verschillende scholen. Ook luisterde hij in het parlement naar eene rede van Palmerston, die ruim drie uren duurde.In Londen ontving Tolstoi het bericht, dat hij tot vrede- en scheidsrechter was benoemd, en den 19enFebruari 1861, den dag van de opheffing der lijfeigenschap, besloot Tolstoi naar Rusland terug te keeren. Hij reisde over Brussel, waar hij Proudhon een bezoek bracht. Deze energieke, uit het volk geboren, zelfstandige denker maakte een’ diepen indruk op Tolstoi. Waarschijnlijk is deze kennismaking ook van invloed geweest op zijne veranderde wereldbeschouwing. Eens met mij over Proudhon sprekende, zeide Tolstoi: hij schijnt mij een energieke man, en heeft, zooals men dat noemt, “le courage de son opinion.”Proudhon’s bekend aphorisme: “la propriété c’est le vol” zou als epigram boven de meeste van Tolstoi’s economische werken geplaatst kunnen worden.In Brussel bracht Tolstoi ook nog een bezoek aan den ouden, grijzen Poolschen historicus Lelewel, die daar ingroote armoede leefde. Hier ook schreef hij het begin der vertellingPolipoeschka.Leo Tolstoi in 1856, toen hij den krijgsdienst verliet.—Blz. 275.Leo Tolstoi in 1856, toen hij den krijgsdienst verliet.—Blz.275.Eindelijk, den 13enApril, vertrok Tolstoi uit Brussel om over Berlijn naar zijn vaderland terug te reizen.De eerste stad die hij in Duitschland aandeed was Weimar, waar hij de gast was van den Russischen gezant, die hem in kennis bracht met den hofmaarschalk, welke, op zijne beurt, hem voorstelde aan den Groothertog Karel Alexander.Door bemiddeling van den gezant kreeg Tolstoi verlof het huis van Goethe, dat in dien tijd nog niet voor ’t publiek geopend was, te bezichtigen. Veel meer belangstelling toonde hij echter voor de Fröbel-scholen en -tuinen, die toenmaals onder directie stonden van Mina Schelhorn, eene persoonlijke leerlinge van Fröbel. Met groote bereidwilligheid vertelde zij den vriendelijken Russischen graaf alles wat hij van haren werkkring en hare kinderen wenschte te vernemen.Onlangs schreef Dr. von Bode in het paedagogisch tijdschriftDer Säemanneen belangrijk artikel, getiteldTolstoi te Weimar, waarin hij o.a. het gesprek weergeeft, gevoerd tusschen den nu reeds overleden Julius Schlentzer en Tolstoi, bij diens bezoek aan Schlentzer’s school.“Het was de Vrijdag na Paschen. Ik wilde juist in de 2deklasse met de les beginnen, toen de deur openging, en een seminarist met eene hoofdbuiging meldde: ‘Hier is iemand die u wenscht te spreken.’“Hij had een’ heer bij zich, die zich niet voorstelde en die ik voor een’ Duitscher hield, omdat hij even zuiver Duitsch sprak als wij.“‘Welke les gaat gij geven?’ vroeg hij.“‘Eerst geschiedenis en dan Duitsch,’ antwoordde ik.“‘Heel goed; ik heb reeds verschillende scholen in Zuid-Duitschland, Frankrijk en Engeland bezocht, en wilde nu gaarnemet de Noord-Duitsche kennis maken. Hoeveel klassen heeft uwe school?’“‘Zeven; dit is de tweede. Ik ken echter mijne leerlingen nog niet, omdat ik pas met hen ben begonnen en kan dus waarschijnlijk uwe nieuwsgierigheid niet bevredigen.’“‘Dat is mij precies gelijk. Hoofdzaak voor mij zijn het leerplan en de methode. Vertel mij, als gij wilt, eens volgens welke methode gij geschiedenis onderwijst.’“‘Ik heb zelf een plan ontworpen.’ Toen ik dat nu den vreemden leeraar in de geschiedenis, waarvoor ik hem hield, ging verklaren, nam deze een notitieboekje uit zijn’ zak, waarin hij ijverig aanteekeningen maakte. Plotseling zeide hij:“‘Het komt mij voor dat in dit zoo goed doordachte plan de vaderlandsche geschiedenis ontbreekt.’“‘Neen, die is niet vergeten, maar daarmee beginnen wij pas in de volgende klasse.’“Het werd tijd voor de les, en ik begon te vertellen van de verschillende trappen van beschaving. De vreemdeling ging stil door met het maken van zijne aanteekeningen, en vroeg toen de les geëindigd was: ‘Wat nu?’“‘Duitsch. Ik wilde, eerlijk gesproken, de kinderen laten lezen, maar als gij iets anders liever hebt, dan zal ik het gaarne veranderen.’“‘Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Weet gij, ik heb er veel over nagedacht hoe men de vrije gedachte van de kinderen kan ontwikkelen.’ (In het Duitsch zeide hij letterlijk: de gedachte ‘flüssig machen,’ eene uitdrukking die ik nooit zal vergeten.) Ik deed mijn best om aan zijn’ wensch te voldoen.“Ik noemde een onderwerp, en daarover moesten de kinderen een opstel maken. De vreemdeling stelde hier veel belang in, liep tusschen de banken door, nam beurtelings de schriften van de kinderen en las wat zij hadden neergeschreven. Ikbleef op mijne plaats, om de leerlingen niet af te leiden. Toen de opstellen bijna klaar waren, vroeg mijn gast:“‘Mag ik nu het werk meenemen? Ik stel er heel veel belang in.’“Dat is toch al te erg, dacht ik, maar antwoordde beleefd, dat het onmogelijk ging, daar de kinderen hunne schriften zelf moesten bekostigen; dat de Weimarsche bevolking arm was en de ouders boos zouden worden, zoo men hen verplichtte nieuwe te koopen.“‘Dat is te verhelpen,’ zeide hij, en ging weg.“Ik wist niet hoe ik het had, en stuurde een kind naar mijn’ vriend, den directeur van het seminarium, met de boodschap dat hij eens moest komen, omdat er bij ons iets heel ongewoons voorviel. Mijn vriend kwam.“‘Nu heb je mij een koopje bezorgd,’ zeide ik, ‘mij zoo’n zonderling te sturen, die de schriften der kinderen mee wil nemen.’“‘Ik heb niemand gestuurd,’ antwoordde hij.“‘Maar gij zijt toch de directeur van het seminarium, en een seminarist heeft hem immers gebracht.’ Toen herinnerde hij zich, dat er in zijne afwezigheid een hooggeplaatst ambtenaar bij zijne vrouw was geweest, die haar verzocht had er zorg voor te dragen dat men den hem vergezellenden heer alle door hem gewenschte inlichtingen zou verschaffen.“Terwijl wij zoo het geval bespraken, keerde de vreemdeling terug met zijn’ arm vol schriften, die hij in den eersten den besten winkel had gekocht. Daar de beide heeren gelijktijdig bij mij waren, moest ik hen wel aan elkaar voorstellen, en wisselden zij dus de gebruikelijke plichtplegingen.“‘Monhaupt, directeur van het gymnasium.’“‘Graaf Tolstoi uit Rusland.’“Hij was dus een graaf en geen leeraar! en een Rus. En hij sprak Duitsch als een geboren Duitscher.“De kinderen kregen bevel hunne opstellen over te schrijven in de schriften, welke graaf Tolstoi had meegebracht. Hij verzamelde ze zorgvuldig, rolde ze op en gaf ze aan een’ bediende, die bij de deur op hem wachtte. Van mij ging hij met den directeur naar Trebst, een leeraar aan de Hoogere Burger-School, dien hij vroeger eens in Rusland had leeren kennen.”Dr. von Bode eindigt zijn artikel met de volgende woorden, gewijd aan den ouden onderwijzer:“Nu moet ik nog een paar woorden zeggen van den ouden Schlentzer. Hij stierf in 1905 op bijna 93-jarigen leeftijd. Voor mij was hij een zeer merkwaardig mensch, omdat hij de twee mannen gekend heeft aan wier boeken ik het beste deel van hetgeen ik weet heb ontleend. Hij heeft Goethe en Tolstoi gekend. Eens heeft Schlentzer met Goethe gesproken. Hij was in 1828 gymnasiast te Weimar en woonde met een’ schoolkameraad bij Eckermann, op een paar schreden afstand van het huis van Goethe. De beide jongens zagen hem dikwijls voor het raam zitten, en daar zij hem zoo graag eens van dichtbij wilden zien en met hem wilden praten, vroegen zij Eckermann of die hun daartoe niet eens in de gelegenheid kon stellen.“En zoo gebeurde het, dat Eckermann hen op een’ zomermorgen door een poortje Goethe’s tuin binnen liet gaan, waar de dichter liep te wandelen. Toen hij de gymnasiasten zag, ging hij naar hen toe, vroeg wie zij waren, wat zij wilden worden, en gaf hun den raad flink te studeeren.“Er was niets merkwaardigs in dit gesprek, maar Schlentzer, dien toch in zijn leven, als onderwijzer en als mensch, veel eer te beurt viel, verzekerde mij dat niets hem zooveel genoegen had gedaan als dat korte gesprek met zijn’ beroemden tijdgenoot.”Van Weimar ging Tolstoi naar Gotha, waar hij de groote Fröbelkindertuinen bezocht en kennis maakte met de eerstepaedagogen. In Jena kwam hij in aanraking met den jongen mathemathicus Keller, dien hij overreedde mee naar Rusland te gaan, om hem bij de uitvoering zijner opvoedingsplannen te helpen. Tolstoi hield zich ook nog eenige dagen te Dresden op, waar hij Auerbach weer ontmoette. In zijn dagboek vinden wij de volgende korte aanteekening:“21 April, Dresden. Auerbach is een prachtmensch.Ein Licht, nur eingefangen.Zijne vertellingen zijnOver den eersten indruk der Natuur, Versöhnung, Abende.a. Over het Christendom schrijft hij als over de hoogste uiting van den menschelijken geest. Hij zegt uitstekend verzen. Muziek vindt hijein pflichtloser Genuss, dat volgens zijne meening tot zedenbederf leidt. Eene vertelling:Schätzkästlein. Hij is 49 jaren, oprecht, jong van hart en geloovig; twijfel kent hij niet.”Uit Dresden schrijft Tolstoi zijne tante Tatjana:“Ik ben goed in orde en brand van verlangen naar Rusland terug te keeren. Nu ik echter eenmaal in Europa ben en niet weet wanneer ik er weer zal komen, wil ik, dat zult gij wel begrijpen, zooveel mogelijk nut van mijne reis trekken. Nu, op dat punt kan ik tevreden zijn. Ik neem zoo’n groote hoeveelheid indrukken en kennis mee, dat het een’ heelen tijd zal duren, voor ik alles in mijn hoofd geregeld heb. Ik denk tot den 21stenin Dresden te blijven en reken er vast op met Paschen in Jasnaja Paljana te zijn. Als de scheepvaart den 25stennog niet geopend is, ga ik over Warschau naar Petersburg, waar ik moet zijn om vergunning te krijgen voor eene krant, die ik op mijn school te Jasnaja wil redigeeren. Ik breng een jongen Duitscher mee; hij is leeraar aan de universiteit, beschaafd en ontwikkeld, maar nog zeer jong en onervaren.”7Den 22stenApril bevond Tolstoi zich te Berlijn, waar hijook kennis maakte met den zoon van den beroemden paedagoog Diesterweg, directeur van het seminarium. Hij had zich voorgesteld een verlicht mensch te zien, zonder vooroordeelen, die zich in zijn’ veeljarige loopbaan een zelfstandig oordeel had gevormd, en hij vond (dit zijn zijne eigen woorden) een kouden, harteloozen pedant, die meende volgens vastgestelde regels kinderzielen te kunnen vormen.De vraag of er verschil bestaat tusschen de begrippen: opvoeding, beschaving en onderricht, was voornamelijk het onderwerp van hun gesprek.“Diesterweg lachte spottend wanneer iemand beweerde, dat er inderdaad verschil bestond; volgens zijne begrippen waren deze drie één. En ondertusschen spraken wij èn over opvoeding, èn over beschaving, èn over onderwijs, en wij begrepen elkaar heel goed.”Later zullen wij zien, dat niet alleen deze paedagoog, maar de geheele methode, die hij in West-Europa had zien toepassen, Tolstoi niet kon bevredigen. Dat hij in zijne scholen proeven nam met het door hem in Frankrijk, Engeland en Duitschland verzameld materiaal geschiedde alleen met het doel om eene zelfstandige methode te verkrijgen.Na eene afwezigheid van negen maanden, kwam Tolstoi eindelijk den 23stenApril 1861 in Rusland terug.Het is wel te begrijpen, dat de zware Duitsche wetenschap Tolstoi niet kon bevredigen, hetgeen hem evenwel niet had weerhouden zich er met zijn bekend enthousiasme op te werpen, alles bestudeerende, in de praktijk zoowel als in de theorie.Het resultaat van die studie was, dat Tolstoi, de toewijding en den ernst van den onderwijzer waardeerende, de methode afkeurde.Het kwaad (dat volgens zijne meening de geheele Europeesche wetenschap aankleeft) school zijns inziens hoofdzakelijk in het volgende: “Het hoofddoel van de vertegenwoordigers derwetenschap is het streven naar eene goede positie, waaraan veel vrije tijd verbonden is, om dien dan in het beste geval in dienst te stellen van het volk, dat echter in dien zelfden tijd reeds zooveel heeft moeten lijden, dat eene toenadering van weerskanten onmogelijk is geworden. En het volk, gegriefd, stil lijdend, trekt zich terug van zijne helpers, die het niet begrijpen, het onwetend beleedigen en hoogstens lapmiddelen hebben voor zijne physieke en moreele wonden.”In hoeverre Tolstoi der paedagogie eene andere richting heeft gegeven, zullen wij in een later hoofdstuk behandelen.1Het volk.2Joefan was een bijzonder flinke knecht, en daarnaar noemde Tolstoi den zwaren grondarbeid: “Joefanstwo”.31 desjatin = 4800 M2.4De interessante bijzonderheden van deze reis ontleenen wij aan R. Löwenfeld:Graaf L. N. Tolstoi, zijn leven en zijn werken, en brachten zoo noodig eenige verbeteringen aan met gebruikmaking van brieven, door Tolstoi aan zijne bloedverwanten geschreven.5De vrouw van Djakoff.6In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.7In het handschrift in het Fransch aangehaald.
Twaalfde hoofdstuk.Tolstoi’s tweede buitenlandsche reis.In Februari van het jaar 1860 wendde Fet zich schriftelijk tot Tolstoi om hem raad te vragen in zake den aankoop van een stuk grond en om inlichtingen den landbouw betreffende. Tolstoi antwoordde hem uitvoerig, juichte zijn plan zeer toe, beloofde hem te zullen helpen en wees hem verschillende stukken grond aan. In dezen voor ons onbelangrijken zakenbrief, maakt hij tevens eenige opmerkingen over een paar werken van Toerghenjeff en Ostrowski.“Ik hebAan den Vooravondgelezen. Ziehier mijn oordeel. Verhalen schrijven is over ’t algemeen nutteloos, maar vooral als het geschiedt door menschen, die pessimistisch zijn en niet goed weten wat zij in ’t leven willen. Overigens isAan den Vooravondveel beter danHet adellijk Nest. In het eerste zijn de met den geest van tegenspraak bezielde personen, de vader, de kunstenaar, uitstekend geteekend. De overige personen zijn geen typen, zelfs hun denken en hunne omstandigheden zijn niet typisch, hoogstens dood-alledaagsch. Dat is overigens altijd eene fout van Toerghenjeff. Het meisje is van ’t begin af aan slecht geteekend: ‘Ach, hoe bemin ik je.... Zij had lange wimpers....’ Het heeft mij altijd verwonderd, dat Toerghenjeff met zijn groot verstand en dichterlijk gevoel zich niet van banaliteiten, die er soms zelfs zijn bijgesleept, kan onthouden. Het meest treft men die banaliteit aan bij zijne oppositie-menschen; hierin herinnert hij aanGogol. Hij neemt geen aandeel in het lot van deze lieden, maar teekent hen als misgeboorten, waarvoor hij geen medelijden voelt en die hij bovendien nog beschimpt. Dat is te veel in tegenspraak met den toon en de gedachten, die Toerghenjeff overigens kenmerken. Dat was goed bij de ouderwetsche litteratuur en bij Gogol, waar ik nog bij moet voegen dat, indien men zijne onbeduidende personen niet kan beklagen, men hen moet uitschelden om een onzinnige reden, b.v. omdat het vandaag niet warm is, of uitlachen omdat zij buikpijn hebben; maar niet zooals de zwaarmoedige Toerghenjeff het doet. Men mag in ’t algemeen niet zulke verhalen schrijven, zelfs niet als men zeker is van succes.“Onwedervan Ostrowski is volgens mijne meening een treurig werk, maar zal succes hebben. Ostrowski noch Toerghenjeff hebben schuld aan hun succes, maar de tijd waarin zij leven. Er zal nu geen mensch meer opstaan die in dat opzicht Boelgarin zal evenaren, maar daarom zal niemand de liefhebbers van het antieke, waartoe ook ik behoor, verhinderen om met ernst gedichten en verhalen te lezen en ze ernstig te bespreken. Toch hebben wij tegenwoordig iets anders noodig. Ons behoeft men niet meer te onderwijzen maar wij moeten Marfoetka en Taraska1, iets, al is het maar weinig, meedeelen van hetgeen wij weten. En nu, leef wel!”Leo Tolstoi heeft inderdaad beslist, dat de mensch, die gezegend is met verstand en zich verrijkt heeft met wetenschap, in de eerste plaats verplicht is diegenen ervan te doen genieten, die dat ontberen. Daarom ook wijdt hij zijne vrije uren aan de volksschool.Op die wijze verliep de winter van 1859–’60. Ook las Tolstoi veel ernstige boeken, die hem op de volgende gedachten brachten.7 Februari. “Ik las over de degeneratie van het menschelijk verstand en van den hoogsten graad zijner ontwikkeling. Geheel machinaal gingen mijne gedachten naar het gebed.—Bidden.—Tot wien? Wat is het voor een God, dien men zich zoo duidelijk kan voorstellen, dat men hem kan vragen zich met ons in verbinding te stellen. Als ik mij God zoo voorstel, dan verliest Hij voor mij al het verhevene.“De God, dien men iets kan vragen, dien men kan dienen, is eene uiting van zwakheid van het verstand. Daarom is Hij God omdat ik mij Zijn wezen niet kan voorstellen. Neen, Hij is geen wezen; Hij is wet en kracht.“Moge deze bladzijde een monument blijven voor mijn vertrouwen in de kracht van ’t verstand.”Vervolgens las hij:Vertellingenvan Auerbach,Reineke Fuchsvan Goethe. Ongeveer in dien tijd schreef hij:“Het is een vreemde godsdienst, die godsdienst van mij en van onzen tijd, het is de godsdienst van den vooruitgang. Men heeft eens den mensch gezegd, dat vooruitgang goed is. Zij is slechts eene afwezigheid van geloof, gepaard aan den drang naar een bewust werken, dat minder zwaar wordt door het geloof. De mensch heeft een drijfkracht noodig. Zoo is het.”Deze gedachte kwam, zooals wij later zullen zien, tot hare volle ontwikkeling in zijne paedagogische werken en ook in de zelfontleding van zijnBiecht.De vrienden volgden met belangstelling Tolstoi’s litteraire loopbaan en hadden een vriendelijke toegevendheid voor zijne “dwaasheden en zonderlingheden”, zooals zij het noemden, terwijl zij grootendeels zijne diepgaande, innige gedachten niet begrepen.Zoo schreef o.a. Botkin 6 Maart 1860 aan Fet:“Uit een’ brief van Toerghenjeff zag ik met genoegen, dat Tolstoi zich weer met zijn’ roman uit den Kaukasus bezighoudt. Hoeveel dwaasheden hij ook doet, ik zal toch steeds zeggen, dat hij iemand is met groot talent, en iedere dwaasheid van hem heeft voor mij meer waarde, dan de verstandigste daden van vele anderen.”In een’ brief van Toerghenjeff aan Fet lezen wij:“En Leo Tolstoi gaat voort met zijne eigenaardigheden; dat is hem zeker aangeboren. Wanneer zal hij eens ophouden in de lucht te zweven en vasten bodem onder zijne voeten voelen.”In den winter van 1860 bracht het echtpaar Fet een bezoek op Jasnaja Paljana, dat zij moesten passeeren als zij van hun landgoed naar de stad gingen.Van dit bezoek geeft Fet ons de volgende korte aanteekening:“Natuurlijk ontzegden wij ons het genoegen niet een paar dagen op Jasnaja te blijven, waar wij tot onze groote vreugde ook Nikolaas Tolstoi, een’ hoogst sympathieken, verstandigen man, aantroffen. Wat hebben wij niet een plannen gesmeed in die paar dagen, dat ik met hem samen was! Niemand van ons dacht er aan, dat geen van die plannen verwezenlijkt zou kunnen worden.”Verder vertelt Fet van een bezoek, dat Nikolaas hem bracht:“In ’t begin van Mei kwam Nikolaas Tolstoi ons eens opzoeken. Zijne zuster had hem aangeraden met de broers in ’t buitenland genezing te gaan zoeken voor zijn hardnekkigen hoest. Hij zelf nam niet de minste notitie van zijne zwakke gezondheid, maar zijne magerheid, zijne bleeke gelaatskleur en vooral de driftbuien, teringlijders zoo eigen, wezen, ondanks zijne opgeruimdheid en zijn prettigen, vroolijken lach, op de aanwezigheid van die ziekte. Ik weet nog hoe boos hij zijne hand terug trok, toen de koetsier die wilde grijpen om haar te kussen. Den man zelf deed hij geen verwijten, maar toen wij naar de paarden gingen kijken, zeide hij tegen Borisoff en mij: ‘Hoe komt die ezel erbij mij plotseling de hand te willen kussen; dat is nog nooit gebeurd.’”Wij achten het niet overbodig, hier de karakterschets te laten volgen, die Fet van dezen broeder heeft gegeven.“Graaf Nikolaas Tolstoi kwam bijna iederen avond bij ons en bracht dan eene prettige gezelligheid mee, die zich niet met een paar woorden laat beschrijven. Hij droeg toen nog altijd zijn uniform. Men behoefde zijne magere handen, zijne groote verstandige oogen en zijne ingevallen wangen maar aan te zien om te weten, dat deze goede, geestige man eens het slachtoffer zou worden van de onverbiddelijke tering. Het is jammer, dat deze buitengewone persoonlijkheid, die door al zijne kennissen werd verafgood, in den Kaukasus de in het leger zeer verspreide gewoonte had aangenomen van veel te drinken. Men zegt het althans, maar ik, die in den korten tijd dat ik hem kende, dikwijls met hem op jacht ging, waar hij natuurlijk veel meer gelegenheid had tot drinken dan op een familieavondje, kan verklaren nooit een spoor van dronkenschap bij hem te hebben waargenomen.“Hij zat altijd in een’ leuningstoel, dien wij bij de tafel hadden geschoven, en dronk een paar kopjes thee met een weinig cognac. Men moest hem, bescheiden als hij was, meestal aan het praten brengen, maar was hij eenmaal begonnen, dan bracht hij in het gesprek al dien fijnen humor, waarover hij zoo rijkelijk kon beschikken. Hij hield heel veel van zijn jongsten broer Leo, maar kon toch niet nalaten diens aristokratische manieren te bespotten. Schijn kon hij steeds van waarheid onderscheiden en met dezelfde ironie ontleedde hij de hoogste zoowel als de laagste Kaukasische kringen. Ook oompje Jepischka, de bekende jager en oud-geloovige (inde Kozakkenvoorkomende onder den naam van Jeroschka), werd door hem gezien en begrepen, zooals alleen een kunstenaar dat kan.”Nikolaas Nikolajewitsch schreef weinig.Herinneringen van een Jageris het eenige verhaal dat tot ons is gekomen. Het werd indertijd opgenomen in denSawremjennik.Garschin geeft in zijneHerinneringen aan Toerghenjeffdiens meening over Nikolaas Tolstoi:“De lijdzaamheid, die Leo Tolstoi in theorie ontwikkelde, vinden wij geheel terug in het wezen van zijn’ broer Nikolaas.“Zijne woning was zoo bescheiden mogelijk, bijna een hutje, ergens in een afgelegen wijk van Moskou, en alles wat hij bezat deelde hij met de armen. Hij was een bijzonder aardig prater en verteller, maar schrijven was hem eene bijna physieke onmogelijkheid. Het opstellen van een’ brief kostte hem evenveel moeite als den eenvoudigsten werkman, wiens ruwe, verwerkte vingers de pen niet kunnen vasthouden.”Tot groote, maar korte vreugde van al zijne vrienden besloot Nikolaas Tolstoi eindelijk naar het buitenland te gaan.Toerghenjeff, die bijzonder veel van hem hield en die zich zeer ongerust maakte over zijne gezondheid, schreef naar aanleiding daarvan uit Soden aan Fet:“Hetgeen gij mij van Nikolaas’ gezondheid schreeft, heeft mij zeer getroffen. Kan het waar zijn dat die brave, lieve man zou moeten sterven. Waarom heeft hij niet eerder zijne traagheid overwonnen om in ’t buitenland genezing te zoeken? Hij ging toch ook wel naar den Kaukasus in een reiswagen en de duivel mag weten in welke voertuigen nog meer. Kwam hij maar naar Soden! Hier ontmoet ge bij iederen stap borstlijders. Ik spreek met u op een afstand van duizenden wersten, alsof mijne woorden zouden kunnen helpen.... Als Nikolaas nog niet vertrokken is, dan zal hij het nooit doen... En zoo slaat ons allen het noodlot.”In het postscriptum schrijft hij nog eens:“Zoo Nikolaas nog niet vertrokken is, pak hem dan in zijnkraag en sleep hem over de grenzen. De lucht is hier zoo zacht als gij het in Rusland nergens vindt.”Medewerkers aan de Sawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz. 251.Medewerkers aan deSawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz.251.Tolstoi maakte zich natuurlijk ook zeer ongerust over de ziekte van zijn’ broer. De volgende brief aan Fet, in dien tijd geschreven, spreekt van die bezorgdheid en ook vinden wij daar eenige raadgevingen op landhuishoudkundig gebied:”...Wanneer ik geheel geloof had kunnen schenken aan uw’ brief zou ik er niet trotsch op geweest zijn, maar had hij mij verdriet gedaan. Gij zijt een schrijver en blijft een schrijver. Gave God, dat wij allen konden schrijven zooals gij! Maar dat gij een stuk grond wilt koopen en daar wilt gaan werken als een mier, dat is eene prachtige gedachte, die gij ook ten uitvoer moet brengen en dan beter dan ik. Gij moet het doen omdat gij een goed mensch zijt, met een helderen blik op het leven. Overigens ben ik op het oogenblik niet de persoon om u op een’ meesterachtigen toon mijne goedkeuring te schenken. Ik leef in tweestrijd met mijzelf. Mijne werkzaamheden op mijn landgoed drukken mij en ik ben niet met hart en ziel bij het ‘Joefanstwo.’2Verder nemen huiselijke zorgen, de ziekte van Nikolaas, van wien ik sedert hij in het buitenland vertoeft niets gehoord heb, en het vertrek van mijne zuster mij geheel in beslag. Mijn ongetrouwd leven, het gemis van eene vrouw en de vrees dat het te laat is om dat te herstellen hinderen mij ook. Het gaat tegenwoordig in ’t algemeen niet goed naar mijn zin.“Daar mijne zuster hulp noodig heeft en ook omdat ik naar Nikolaas verlang zal ik morgen werk maken van een’ buitenlandschen pas. Misschien reis ik met haar mee. Ik doe het zeker als ik geene of slechte berichten van hem krijg. Watzou ik je nog graag eens willen zien vóor ik vertrek! Ik had je nog zooveel te vragen en te vertellen, maar—dat is nu niet mogelijk. Wanneer deze brief vroeg genoeg aankomt zult gij er uit zien dat wij Donderdag, uiterlijk Vrijdag op reis gaan. En nu over uwe plannen. De prijs, dien men u genoemd heeft, is niet te hoog en als de plaats u aanstaat, dan moest gij den grond maar koopen. Maar waarom zoo veel? Ik weet uit eigen ondervinding dat, zoo gij er voordeel van wilt trekken, gij niet meer dan 60 desjatin moet hebben, d.w.z. vier stukken land ieder van 10 à 15 desjatin.3Sla dezen raad niet in den wind. Het zijn geen losse praatjes, waar ik mee aankom, ik heb zelf leergeld betaald. Wie het u anders gaat vertellen, die liegt of hij weet het niet. Ook nu reeds zult gij al uwe krachten moeten inspannen, maar uwe moeite zal beloond worden. Het is de aangenaamste bezigheid die er bestaat, d.w.z. wanneer het land niet te groot is, want in dat geval moet gij werken als een postpaard en bereikt niets. Ik heb geen woorden genoeg om mijne spijt uit te drukken, dat ik niet eerder heb geschreven. Gij waart dan zeker nog bij ons gekomen. En nu vaarwel! Doe mijne hartelijk groeten aan Maria Petrowna en aan Borisoff.”De litteraire werkkracht van Tolstoi, en ook van Fet, begon in dezen tijd te verslappen. Tolstoi gaf zich over aan innerlijke beschouwingen en er ontstond een stilstand in zijn werk. Maar nu schreef Droezjinin elk der beide vrienden een’ overtuigenden brief om den lust tot schrijven weer bij hen op te wekken. Belangrijk vooral is die aan Tolstoi:“Ik haast mij u te antwoorden op uw schrijven en ook,zooals gij waarschijnlijk wel zult raden, op hetgeen gij mij meedeelt over uwen litterairen arbeid. Bij iederen schrijver komen oogenblikken van twijfel en ontevredenheid, maar hoe sterk, hoe gewettigd die ook mogen zijn, niemand nog heeft daarom het schrijven voor goed opgegeven. Bij alles wat gij doet, het zij goed of kwaad, hebt gij steeds eene groote vasthoudendheid getoond; daarom moet gij meer dan iemand anders nadenken voordat gij het werk neerlegt.“Bedenk toch, na poëzie en na hersenarbeid is alle andere bezigheid niets.Qui a bu veut boire.U op dertigjarigen leeftijd van uwen litterairen arbeid terug te willen trekken staat gelijk met het verlies van de helft der belangstelling die gij voor ’t leven gevoelt.“Maar—dat is nog niet alles. Op ons allen rust de verantwoordelijkheid voor goede litteratuur te zorgen, iets waaraan het Russische publiek zoo zeer behoefte heeft. De Engelschman en de Amerikaan kunnen terecht lachen omdat in Rusland eene vertelling van honderd bladzijden (waarmee een landeigenaar, met een goed van 2000 zielen, zich maanden heeft bezig gehouden), door het publiek verslonden wordt en een’ geheelen dag het onderwerp van gesprek vormt. Wat men in het buitenland dilettantisme noemt, wordt bij ons reeds als iets bijzonders beschouwd. Bij ons is het zoo. Eene vertelling wordt gelezen om zich er mee te amuseeren. Deze laagste soort van kunstuiting kan twee bronnen hebben: òf zij is geschreven door iemand die ons niets te vertellen heeft, òf zij is de stem van den eenigen vooruitstrevenden man in het Tsarenrijk. Wij b.v. kennen de zwakke zijde van Toerghenjeff, maar met dat al ligt er nog eene zee tusschen zijne niets beduidende vertellingen en de beste romans van Eugénie Toer met haar half talent. Het Russische publiek, dat zich door een eigenaardig gevoel laat leiden, kiest zich vier of vijf schrijvers als leidslieden en wenscht verder nietste weten. Gij zijt door uw talent, door uwe schitterende geestesgaven en door een’ samenloop van omstandigheden een gunsteling van het publiek geworden. U aan den arbeid onttrekken moogt gij dus niet; integendeel, gij moet werken met al de kracht die in u is. En nu is er nog iets: gij zijt lid van den zooveel mogelijk eerlijken, invloedrijken, onafhankelijken kring, die reeds sedert tien jaren (ondanks de fouten die misschien haar leden aankleven) het vaandel hoog houdt van liberalisme en vooruitgang, en onder den druk der vervolging den smaad draagt, zonder ooit eene laagheid te hebben begaan. De kring is, ondanks de geringe tegemoetkoming, de weinige beschaving van het publiek en het neerzien op de litteratuur in ’t algemeen, een moreele kracht geworden. ’t Is waar, hij heeft ook middelmatige, onbeduidende leden, maar in verbinding met de anderen presteeren die toch ook iets en zijn zij niet geheel nutteloos. In dien kring nu zijt gij, hoewel gij nog slechts kort lid zijt, één dergenen die zich eene stem hebben verworven, hetgeen b.v. Ostrowski met zijn groot talent, en die moreel even hoog staat als gij, niet is gelukt. Eene verklaring hiervoor te zoeken zou ons te ver voeren en ook niets aan de zaak afdoen. Indien gij u nu uit dien kring terugtrekt, een leven van nietsdoen gaat lijden, dan zult gij u ten eerste vervelen en ten tweede geene rol meer spelen op het wereldtooneel.“En nu breek ik af omdat mijn papier vol is. Wanneer mijne gedachte tot u spreekt, dan zult gij haar zelf uitwerken en ontwikkelen.”Tot Fet wendde hij zich met denzelfden vriendelijken raad.“Waarde en hooggeachte Afanasie Afanasjewitsch!“Uwe mededeeling dat gij niets meer schrijven wilt of laten drukken beantwoord ik op dezelfde wijze als ik het Tolstoi gedaan heb. Indien gij niets goeds te schrijven hebt, blijfdan bij uw voornemen, doch zoo gij den drang tot schrijven voelt, zal een ander u daartoe niet behoeven aan te zetten.“Het is niet mogelijk, al heeft men duizend eeden gezworen, goede gedichten of goede boeken voor zich te houden, en daarom moest gij het ook maar niet probeeren. De beide laatste jaren was het u en Tolstoi onmogelijk iets te scheppen, en gij hebt beiden goed gedaan een’ tijd lang te rusten. Zoodra echter uw geest zal ontwaken, zult gij, zoowel als Tolstoi, u weer willen uiten. Doe daarom geen gelofte, vooral niet omdat niemand er u naar vraagt. Het eenige, dat ik niet goed vind in uw besluit, is dat gij en Tolstoi, zoo ik mij niet vergis, u boos hebt gemaakt, hetzij op het publiek hetzij op de litteratuur. Wanneer iedere schrijver beleedigd zou zijn door eene zekere koelheid of door een schimpartikel, dan zou niemand meer schrijven behalve misschien Toerghenjeff, die nu eenmaal de kunst verstaat een allemansvriend te zijn. Wanneer men in de letterkundige wereld met slijk gooit, dan is dat volgens mijne meening ongeveer hetzelfde, als dat het paard dat gij berijdt iets onbehoorlijks doet, terwijl uw hoofd vervuld is van poëtische gedachten. Hier kan ik nog bijvoegen, dat men mij heeft uitgescholden zooveel als ik maar kon verlangen, en het heeft mij nog niet eens mijn’ eetlust bedorven. Integendeel, ik vond het een groot genoegen mij schrap te zetten, en ik zal natuurlijk steeds doorgaan met schrijven, totdat ik gezegd heb wat ik vind dat gezegd moet worden.”Met zijne veronderstelling, dat het stilzwijgen der beide vrienden aan een zekere koelheid van het publiek moest worden toegeschreven, heeft Droezjinin zich echter vergist. Al heeft die koelheid misschien ook bestaan, de reden van hunne werkeloosheid lag toch ergens anders. Het was, dat beiden voelden dat er geen geestelijke band bestond tusschen den schrijver en de lezers. De schrijvers wisten niet wat zijmoesten schrijven en het publiek, vertegenwoordigd in de persoon van den kritikus, niet wat het van hen kon verwachten.Deze rusttijd hield aan, totdat eene plotselinge gebeurtenis een heftigen indruk maakte op hun gevoel of hun verstand en hen weer aan den arbeid riep.Keeren wij nu tot de ziekte van Nikolaas Tolstoi terug. Op weg naar het buitenland schreef deze uit St.-Petersburg aan zijn’ vriend Fet:“Lieve vrienden Afanasie Afanasjewitsch en Iwan Petrowitsch!“Ik kom mijne belofte nog vlugger na dan was afgesproken. Ik wilde u uit het buitenland schrijven en nu doe ik het reeds uit St.-Petersburg. Wij vertrekken morgen, d.w.z. Zaterdag. Ik heb dokter Z.... geconsulteerd. Hij is een Petersburger en geen Berlijner, zooals ik uit den brief van Toerghenjeff had opgemaakt. Hij stuurde mij naar de badplaats waar Toerghenjeff zich tegenwoordig ook bevindt, nl. Soden. Mijn volgend adres is Frankfurt am Main.”Fet ontving den tweeden brief uit Soden.“Ik heb niet eerst op antwoord gewacht, maar wil u even melden, dat ik goed en wel in Soden ben aangekomen. Men heeft echter bij mijne aankomst geen kanonschoten gelost. Wij troffen hier Toerghenjeff, die leeft en gezond is, zelfs zóó gezond, dat hij zelf verklaart ‘geheel gezond’ te zijn. Hij vond hier eene Duitsche jonge dame, die hij het hof maakt. Wij (dit is voor Iwan Petrowitsch bestemd) hadden ons voorgenomen te gaan schaken, maar tot nu toe is er nog niets van gekomen. Hij denkt aan zijne Duitsche en ik aan mijn herstel. Want nu ik dezen herfst opoffer, wil ik den volgenden kranig voor den dag komen. Soden is een heerlijk plekje. Ik ben hier nog niet eens eene week en voel mij reeds veel beter. Wij, Sergius en ik, bewonen drie kamers voor twintiggulden in de week; table d’hôte à één gulden, wijn is verboden. Een eenvoudig plaatsje dus, zooals ge ziet, maar mij bevalt het heel goed. Voor mijn venster staat een heel gewone boom, maar in de takken zit iederen avond een vogeltje te zingen. Dat herinnert mij aan het huisje in Nowosjelka. Doe mijne groeten aan Maria Petrowna; houdt u goed, lieve vrienden, en schrijft mij dikwijls. Ik denk lang in Soden te blijven, minstens een week of zes. Op weg hierheen heb ik niet geschreven omdat ik den geheelen dag ziek was. Nogmaals vaarwel!”Leo Tolstoi schreef reeds 28 Juni 1860 uit Moskou aan Fet, dat hij had besloten zijne zuster naar het buitenland te begeleiden, en vroeg hem in verband met deze reis eenige huishoudelijke zaken (naar de paarden zien, enz.) voor hem te willen regelen.Den 3denJuni vertrok hij met zijne zuster Maria Nikolajewna en hare kinderen per stoomboot uit Petersburg naar Stettin en vervolgens naar Berlijn.De ziekte van zijn’ broer was niet bepaald de aanleiding voor Tolstoi’s reis, maar heeft die slechts verhaast. Reeds lang was hij van plan zich in Europa op de hoogte te gaan stellen van hetgeen men daar voor de volksopvoeding deed.“Nadat ik mij een jaar met de scholen had bezig gehouden,” zegt Tolstoi in zijneBiecht, “vertrok ik voor de tweede maal naar het buitenland, om te leeren hoe ik het aan moest leggen anderen iets te leeren, terwijl ik zelf niets wist.”Of zijn arbeid vruchten zou dragen, kon hij eerst na twintig jaren beoordeelen, maar op het oogenblik wierp hij zich met hart en ziel op de studie.De ziekte en naderhand de dood van zijn’ broer brachten geene verandering in zijne plannen, maar deelden zijne reis intwee helften. Wij zullen trachten een geregeld overzicht te geven van zijne werkzaamheden.4Tolstoi kwam dus met zijne zuster in Berlijn, waar hij eenige dagen bleef, terwijl zij doorging naar Soden.Hier bezocht hij de universiteit, waar hij eenige college’s over geschiedenis, natuurkunde en physiologie bijwoonde en een’ avondcursus volgde in een “Handwerkerverein.” De populaire voordracht, gehouden door een’ beroemden professor, interesseerde hem in hooge mate en vooral de daarmede verbonden debatten wekten zijne belangstelling op. Deze wijze van volksopvoeding was voor Tolstoi iets geheel nieuws. Hij was zeer verbaasd over de vlugheid en vrijheid van gedachtenwisseling tusschen een van de voornaamste vertegenwoordigers der wetenschap en het volk.Sedert dien tijd zijn er reeds meer dan veertig jaren verloopen, en nog steeds greep Rusland dit eenvoudige middel om het volk op te voeden niet aan. Nog steeds maakt de geestelijke zoowel als de staatscensuur de toepassing van deze eenvoudige wijze van volksopvoeding onmogelijk.Ten slotte bezocht Tolstoi nog de gevangenis in de wijk Moabit, waar juist een nieuw strafsysteem, de eenzame opsluiting, was ingevoerd. Deze wijze van straffen maakte natuurlijk geen’ gunstigen indruk op Tolstoi.Den 14denApril vertrok hij uit Berlijn, bleef één dag in Leipzig, waar hij een school bezocht, om vervolgens door de Sachsische Schweiz, die hij bijzonder mooi vond, naar Dresden te reizen. Hier maakte hij kennis met Auerbach, den schrijver van vele bekende volksverhalen.De Amerikaansche schrijver Schyler vertelt in zijneHerinneringenaan Graaf L. N. Tolstoihet volgende van deze ontmoeting.“Ik herinner mij dat ik, Tolstoi eens met het in orde brengen van zijne bibliotheek helpende, opmerkte dat de volledige verzameling der werken van Auerbach eene eerste plaats op eene eerste plank had gekregen. Tolstoi gaf mij de twee deelen vanEin neues Leben, om ze, als ik naar bed ging, eens door te lezen. ‘Aan dezen schrijver,’ voegde hij erbij, ‘heb ik het te danken, dat ik scholen voor mijne boeren heb opgericht en dat mijne belangstelling is opgewekt voor hunne ontwikkeling. Toen ik voor de tweede maal in Europa kwam en Auerbach een bezoek bracht kenden wij elkaar nog niet. “Ik ben Eugen Baumann,” (de held uit een zijner verhalen) zeide ik en haastte mij, toen ik zag dat hij min of meer verlegen werd, er bij te voegen: “niet van naam maar in karakter.” Daarop vertelde ik hem wie ik was, dat zijne werken mij tot nadenken hadden gebracht, en welk een goeden invloed zij op mij hadden uitgeoefend.“Het toeval,” zoo vertelt Schyler verder, “voerde mij het volgend jaar naar Berlijn, waar ik in het gastvrije huis van den Amerikaanschen gezant Bancroft het genoegen had Auerbach te ontmoeten. Eens kwam het gesprek op Rusland en daardoor ook op Tolstoi, en herinnerde ik hem aan dat voorval.“‘Ja,’ zeide hij, ‘ik weet nog heel goed hoe ikschrok, toen die vreemd uitziende heer mij zeide, dat hij Eugen Baumann was. Ik was n.l. bang dat hij mij van laster kwam beschuldigen.’”De Saksische scholen konden Tolstoi niet bevredigen. Den 19denJuli vertrok hij naar Kissingen, zoodat hij langzamerhand ook dichter bij zijn broer kwam. Onderweg las hij veel, o.a. ook over de geschiedenis der paedagogie.Den 5denAugustus 1860 schreef Tolstoi uit Kissingen aan zijne tante:“Ik heb u zoolang niet geschreven, lieve tante, omdat ik u niet alleen tijding van mijzelf wilde doen toekomen, maar ook van al de onzen. Ik wacht nu echter al tien dagen tevergeefs op bericht van hen. Maria en ik zijn in den besten welstand te Berlijn aangekomen en maar één dag zeeziek geweest.“In Berlijn ben ik met Maria en Warenka naar den bekenden dokter Traube geweest. Hij vond Maria volmaakt gezond en stuurde haar alleen voor haar’ arm naar Soden. Warenka moet de zeebaden gebruiken, maar hart en longen zijn niet aangedaan. Voor mij oordeelt hij Kissingen het geschiktst. In Berlijn kreeg ik eene vreeselijke kiespijn, zoodat Maria eerst vier dagen later naar Soden vertrok. Wij ontvingen een’ brief van de broers, waarin Nikolaas schreef dat hetschijntdat zijn verblijf in Soden hem goed doet. Dát is alles wat ik van hem weet. In Berlijn heb ik tien aangename en nuttige dagen doorgebracht, maar de tandpijn heeft mij er vier bedorven. Voorzoover ik het beoordeelen kan na een verblijf van negen dagen, schijnt Kissingen goed te zijn voor mijne migraine. Ik heb hier Auerbach met zijne vreemde oogen ontmoet, wat ik heel prettig vond, en ook zijne vrouw met haar krijschende stem, hetgeen mij minder verheugde. Mijn adres is: Kissingen (Bavière). Ik hoop dat gij mij spoedig zult antwoorden. Vaarwel, ik kus uw handje. Zeg s.v.p. aan den opzichter, dat hij goed voor alles moet zorgen en schrijf mij eens over ’t werk, den oogst, de paarden, en of er zieken zijn. Laat de onderwijzer mij op de hoogte houden van de schoolzaken, hoeveel kinderen er komen en of ze goed leeren. Ik kom ongetwijfeld tegen den herfst terug en ben van plan mij nog meer dan vroeger met het onderwijs bezig te houden. De goede reputatie van de school mag dus, nu ik er niet bij ben, niet verloren gaan, en er moeten zooveel mogelijk leerlingen worden aangenomen.”Ook in Kissingen las Tolstoi zeer veel: op natuurkundiggebied Bacon, op godsdienstig Luther, terwijl Riehl’s werken hem tot gids strekten bij de studie der staatswetenschap. Waarschijnlijk heeft hij zich ook met Herzen bezig gehouden, want in zijn dagboek vinden wij de in dien tijd neergeschreven aanteekening:“Herzen: geen helder verstand, eene ziekelijke eigenliefde, maar zijne goedheid, breede opvatting en elegante stijl zijn Russisch.”In Kissingen maakte Tolstoi kennis met den Duitschen socioloog Jul. Fröbel, den schrijver vanTheorie der Politiek, en met diens oom, den paedagoog Fröbel, den stichter van de kindertuinen.Fröbel was vol bewondering voor Tolstoi’s scherpen blik en opvattingen, die geheel nieuw voor hem waren en volkomen in tegenspraak met zijn systeem.“Ruslands vooruitgang is slechts mogelijk,” verklaarde Tolstoi, “wanneer de volksontwikkeling daarvan den grondslag vormt. Die volksontwikkeling heeft bij ons meer kans van slagen dan bij u in Duitschland, omdat het Russische volk nog geheel onbedorven is, terwijl men het Duitsche volk kan vergelijken met een’ knaap, die eenige jaren eene verkeerde opvoeding heeft ontvangen.”De volksontwikkeling moet volgens Tolstoi’s meening niet verplicht zijn. Zal zij vruchten dragen, dan moet de drang naar weten zich zelf openbaren, zooals b.v. de honger zich zelf openbaart.Het grondbezit der boeren was een onderwerp dat hem ook zeer veel belang inboezemde; in hunne onderlinge samenwerking (het artèl) zag hij het beeld van den toekomststaat. Fröbel kon dikwijls een glimlach niet weerhouden als Tolstoi zijne meening uitte over het Duitsche volk. Dat hij b.v. in niet één boerenwoning de mooieDorpsvertellingenvan Auerbach, noch de werken van Hebel had gevonden, bracht hembuiten zichzelf van verbazing. “Bij ons,” zeide hij dan, “zouden de boeren tot tranen geroerd worden door zulke boeken.”De indrukken, ontvangen door den omgang met Auerbach en Fröbel, versterkten hem nog in zijn voornemen om de plannen, die hem voor den geest zweefden, ten uitvoer te brengen. Fröbel vestigde Tolstoi’s aandacht op de werken van Riehl, wiens denkbeelden zeer veel met de zijne overeenstemden; ijverig wijdde hij zich daarop aan de bestudeering van Riehl’sNatuurlijke Historie van het Volk, als zijnde de grondslag van de Duitsche sociale politiek. Ook de geschriften van den paedagoog Fröbel werkte hij grondig door. Tijdens zijn verblijf in Kissingen maakte Tolstoi, daartoe aangelokt door de schoone natuur en de vele geschiedkundige herinneringen, verschillende grootere of kleinere uitstapjes in den omtrek. Hij ging naar den Harz, vertoefde eenige dagen in Thüringen, en van uit Eisenach bracht hij een bezoek aan den Wartburg.Tolstoi voelde zeer veel belangstelling voor Luther, den grooten Duitschen hervormer, die, brekende met de traditie, zijn zwaren strijd op den Wartburg heeft gestreden. Hij bezocht de kamer waar Luther gewoond heeft, en waar, voor het eerst, de woorden uit den Bijbel in de Duitsche taal werden neergeschreven.“Luther is groot,” schreef Tolstoi na dat bezoek in zijn dagboek.Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi bevond zich, zooals wij weten, nog steeds in Soden. Den 19denJuli schreef hij aan zijn’ vriend Fet:“Ik had u reeds eerder willen schrijven, lieve vriend, maar ik wilde u bericht zenden van de geheele Tolstoi-kolonie, hetgeen om de volgende reden echter niet kan geschieden:mijne zuster is met de kinderen naar Soden gekomen, waar zij een poosje voor hunne gezondheid blijven, maar oompje Leo zit in Kissingen, dat hier een uur of vijf vandaan ligt, en komt maar niet hierheen, zoodat ik hem nog niet heb gezien. Ik heb Sergius, die op zijne terugreis naar Rusland Kissingen heeft aangedaan, uw’ brief meegegeven. Hij zal wel spoedig bij u zijn en u alle bijzonderheden vertellen. Vergeef het mij, beste Afanasie Afanasjewitsch, dat ik uw’ brief aan mijn’ broer heb gelezen. Er stond veel waars in, maar alleen daar waar gij in ’t algemeen spreekt. Hetgeen gij van u zelf zegt is niet waar. Men kan zich zelf en zijn’ kring niet beoordeelen, en daarbij ontbreekt het u aan praktijk. Verdiep u minder in theorieën, word practisch en dan ben ik overtuigd dat uwe laksheid zal verdwijnen en gij nog eens een werk zult schrijven, dat Toerghenjeff en ik en nog een paar anderen met genoegen zullen lezen. En de rest van ’t menschdom draait gij den rug toe. Weet gij waarom ik zooveel van u houd, Afanasie Afanasjewitsch? Omdat gij zoo oprecht zijt en nooit holle frasen gebruikt, zooals b.v. onze dierbare en hooggeachte vriend Toerghenjeff. Toch is het mij heel eenzaam geworden sedert hij niet meer hier is, afgezien nog van het feit, dat de schaakclub is ontbonden. Zelfs mijn eetlust wordt minder sedert ik zijne gezonde, gezette gestalte niet meer tegenover mij zie en ik niet meer verplicht ben hem telkens het vleesch bij de worteltjes of de worteltjes bij het vleesch aan te reiken. Wij hebben het dikwijls over u gehad, vooral den laatsten tijd: ‘Nu maakt Fet zich gereed om op reis te gaan, nu komt Fet,’ enz. enz.... Toerghenjeff heeft zich een zwarten hond gekocht, een halfbloed panter. Ik drink geen bronwater meer en heb mij voorgenomen veel uitstapjes te maken. Mijn hoofdkwartier echter blijft Soden en het adres onveranderd.”Van Nikolaas Tolstoi bleef ons zoo weinig litteraire arbeid,dat wij hier de enkele brieven laten volgen, die hij wisselde met zijne familie en met Dmitri Alexejewitsch Djakoff. Hoewel zij niet zeer belangrijk zijn, geven zij ons toch een’ indruk van zijn vriendelijk, goedhartig karakter.Uit Soden schreef hij de familie Djakoff twee brieven.“Hebt ge mijn’ brief uit St.-Petersburg ontvangen, beste vriend? Zoo ja, dan moet gij u schamen, dat gij er nog niet op hebt geantwoord. Ik hoop dat al de uwen gezond zijn, en schrijf mij nu in ’s hemelsnaam of Darja Alexandrowna5ook naar het buitenland gaat. Waarheen en wanneer zij ook gaat, als ik het maar weet, dan reis ik haar dadelijk tegemoet. Bronwater drink ik niet meer, ik houd nu alleen maar rust. Mijne zuster is ook hier en denkt een week of vier te blijven. Mijn adres is: Soden, près de Francfort sur le Main, maison ‘Landlust’.“Met mijne gezondheid gaat het vooruit, hoewel ik nog niet geheel beter ben; waarschijnlijk kunnen wij hetzelfde van uw landgoed zeggen. Schrijf mij nu eens heel spoedig hoe het gaat, welke plannen gij hebt, enz. enz.... Leo is in Kissingen, Sergius is bij mij in Soden geweest, maar heeft al zijn geld verspeeld en is reeds weer naar Rusland terug. Waarschijnlijk is hij nu bij u.“Geheel de uwe,GraafN. Tolstoi.”“19 Juli. (Nieuwe stijl.)“Ik weet niet, Darja Alexandrowna, hoe ik u zal danken voor uw schrijven; gij hebt uwen buurman dus nog niet vergeten. Hoe gaat het met uwe gezondheid en hoe maakt Maschi het? Ik hoop dat wij elkaar van ’t jaar nog zullen zien, en ik denk daaraan met groot genoegen. Gij hebtslechts te schrijven wanneer gij naar het buitenland gaat, waar gij u bevindt, en ik zal er zijn. Mijne zuster is ook in Soden en draagt mij op u te groeten. Wij schelden den geheelen dag op het weer—zomer is het hier niet geweest. Er is veel koude, regen en wind, en dat niet alleen in Soden maar in heel Europa. Laat u dat echter niet afschrikken. Kom maar en breng mooi weer mee.“Met de meeste hoogachting verblijf ik“Uw u toegenegenGraafN. Tolstoi.”En aan zijn’ vriend:“Ik vrees, mijn beste Dmitri, dat deze brief u niet zal bereiken; zoo gij hem wel ontvangt, meld mij dan per omgaande, waar gij heen gaat en vooral, waar gij den herfst zult doorbrengen. Mijn adres blijft nog steeds Soden, omdat ik zelf niet weet waar ik heen zal gaan. De doktoren hebben mij druiven en een zacht klimaat voorgeschreven, twee dingen die dit jaar in Europa niet te vinden zijn. Mijne zuster laat u groeten.“Geheel de uweN. Tolstoi.”Nikolaas Tolstoi had eenige aangename weken met zijne zuster en hare kinderen in Soden doorgebracht, maar zijne gezondheid liet nog veel te wenschen over. De doktoren rieden hem eenstemmig een verblijf in Italië aan.Sergius Tolstoi was den 6denAugustus weer naar Rusland teruggekeerd. Natuurlijk maakte hij van de gelegenheid gebruik zijn’ broer Leo in Kissingen op te zoeken, om hem tevens op de hoogte te brengen van den slechten staat der gezondheid van hun’ broeder. Drie dagen later, juist op den dag dat Sergius weer vertrok, kwam Nikolaas zelf naarKissingen. Gravin Tolstoi met de kinderen waren nog in Soden gebleven, waar Nikolaas zich spoedig weer bij hen voegde.Leo Tolstoi ging nog voor eenigen tijd naar den Harz, waar hij van de heerlijke natuur genoot en ook veel tijd aan lezen besteedde.Eindelijk, 26 Augustus, kwam hij in Soden, waar alles reeds voor de afreis gereed was, en den 29stenAugustus gingen de beide broers naar Frankfort.Waarschijnlijk had Tolstoi’s sterke individualiteit haar stempel gedrukt op zijne geheele persoonlijkheid. In Dresden immers maakte hij Auerbach aan ’t schrikken, en in Frankfort gebeurde iets dergelijks.Gravin Tolstoi vertelt ons daarvan:“Wij waren in Frankfort en Prins Alexander van Hessen met zijne gemalin brachten mij een bezoek. Plotseling ging de deur open en Leo, in een allervreemdst kostuum, dat herinnerde aan een’ Spaanschen roover op een plaatje, verscheen op den drempel. Ik was stom van verbazing. Hij was blijkbaar niet zeer ingenomen met mijne gasten, want hij verdween zoo spoedig mogelijk.“‘Qui est donc se singulier personnage?’ vroegen mijne gasten.“‘Mais c’est Léon Tolstoy.’“‘Ah, mon Dieu, pourquoi ne l’avez-vous pas nommé. Après avoir lu ses admirables écrits, nous mourrions d’envie de le voir.’”Op advies van den dokter vertrok de geheele familie Tolstoi naar Hyères, een plaatsje aan de Middellandsche Zee.Nikolaas vond hier helaas ook geen baat en heeft er maar heel kort mogen wonen.Een paar dagen na hunne aankomst schreef Tolstoi een’brief aan zijne tante Tatjana, waaruit blijkt dat zij nog niet alle hoop op herstel hadden opgegeven:“De gezondheid van Nikolaas blijft nog steeds dezelfde, maar nu wij hier zijn hopen wij op beterschap, omdat zijne levenswijze in Soden, de reis en het gure weer hem meer kwaad dan goed hebben gedaan. De drie dagen die wij hier zijn hebben wij prachtig weer gehad, en men zegt dat het hier altijd zoo is. Maria heeft kennis gemaakt met eene prinses Galizina, die hier al negen jaren woont. Toen zij hier kwam was zij er veel slechter aan toe dan Nikolaas, en nu is zij eene volkomen gezonde, sterke vrouw.”6Met de gezondheid van Nikolaas ging het echter meer en meer achteruit. Hij schreef eenige dagen vóor zijn’ dood nog een’ brief naar Parijs, aan zijn’ vriend Djakoff, waarin hij zelf de opmerking maakt, dat zijne krachten hem verlaten. Ook was het reeds merkbaar dat zijne hand hare vastheid had verloren.“Ik schrijf je een paar woorden om je te laten weten waar ik ben. Mijne zuster en ik zullen den winter in Hyères blijven. Mijn en ook Leo’s adres is: MmeSénéquier, Rue du Midi. Naar Parijs gaan kan ik helaas niet meer. De reis is mij te vermoeiend, ik ben heel zwak. Schrijf mij, zoodra gij zijt aangekomen en dezen brief hebt gelezen, waar gij zijt, wat gij doet, enz. Nu het niet mogelijk is elkaar te zien moeten wij elkaar maar schrijven.“Geheel de uweN. Tolstoi.”Nikolaas Tolstoi stierf den 20 September 1860.Leo Tolstoi deelde zijne tante Tatjana in de volgende bewoordingen het sterfgeval mede.Medewerkers aan de Sawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz. 251.Medewerkers aan deSawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz.251.“Waarde Tante!“De zwarte rand om mijn brief zal u reeds alles gezegd hebben. Vanmorgen om negen uur is gebeurd hetgeen ik nu reeds twee weken ieder oogenblik verwachtte. Gisteren was het voor de eerste maal dat ik hem met het aankleeden mocht helpen. Vanmorgen voor ’t eerst werd hij bepaald bedlegerig en vroeg om een’ verpleger. Zijn bewustzijn heeft hij niet verloren. Een kwartier vóor zijn dood dronk hij nog een glas melk en zeide, dat hij zich beter gevoelde. Gisteren maakte hij nog grappen en toonde hij nog belangstelling voor mijne opvoedingsplannen. Zeer kort voor zijn’ dood fluisterde hij eenige malen: ‘mijn God, mijn God.’ Ik geloof, dat hij zich zijn’ toestand wel bewust was, maar hij wilde ons en zich zelf misleiden. Maria, die een paar wersten hier vandaan woont, was eenige uren van te voren weggegaan. Zij had het einde niet zoo spoedig verwacht. Ik heb hem juist de oogen toegedrukt. Spoedig zal ik bij u zijn en u alles vertellen... Vorstin Galizina heeft zich belast met de zorg voor de begrafenis, die hier zal plaats hebben. Vaarwel, lieve tante, troosten kan ik u niet. ’t Is Gods wil! Ik schrijf Sergius nu niet; hij is waarschijnlijk op de jacht en gij alleen weet waar hij zich bevindt. Wees dus zoo goed het hem mede te deelen of hem dezen brief te sturen.”Den dag na de begrafenis schreef hij zijn’ broeder Sergius:“Je hebt zeker het bericht van Nikolaas’ dood ontvangen.Het spijt mij voor je dat je niet hier waart. Hoe zwaar de slag ook is, het doet mij toch goed dat het in mijne tegenwoordigheid gebeurd is, en dat het sterfgeval mij heeft getroffen zooals het mij treffen moest. Niet zooals met Dmitri, wiens doodsbericht mij bereikte toen ik in ’t geheel niet om hem dacht. Het waren onze jeugdherinneringen zoowel als onze bloedverwantschap die ons verbonden. Nu hebben wij een vriend verloren, dien wij meer liefhadden en achtten dan iemand op dewereld. Het is mij eene vreeselijke gedachte, dat ik de laatste tijden het egoïstische verlangen had: hoe eerder het afloopt hoe beter. Om mij maar geen last te veroorzaken, deed hij, ijverig en sterk van karakter als hij was, nog alles zelf. Den dag vóor zijn dood kleedde en wiesch hij zich nog zonder hulp, en toen ik ’s morgens bij hem kwam zat hij reeds geheel gekleed in een’ leuningstoel. Eerst negen uren vóor zijn’ dood kon hij niet meer tegen de ziekte strijden, en vroeg hij mij hem bij het uitkleeden te helpen. Vroeger had ik mijne hulp niet aangeboden, omdat hij er niet van hield geholpen te worden. Nu voegde hij zich. Den geheelen dag was hij zacht gestemd, klaagde niet en prees iedereen. Tot mij zeide hij: ‘dank je, mijn vriend.’ Jij kunt begrijpen wat dat woord mij zegt. Ik vertelde hem, dat ik hem ’s morgens had hooren hoesten, maar dat ik niet naar hem toe was gegaan, om hem niet te hinderen. ‘Integendeel, het zou mij getroost hebben.’“Wat heeft hij geleden; maar geuit heeft hij het voor het eerst een paar dagen vóor zijn’ dood. ‘Vreeselijk, die slapelooze nachten! Tegen den morgen stik ik bijna van het hoesten. En zoo nog eenige nachten te moeten lijden!’ Nooit heeft hij gezegd dat hij den dood voelde naderen; hij heeft het echter slechts niet uitgesproken. Op zijn’ sterfdag bestelde hij nog een’ nieuwen chambercloak, maar toen ik hem vertelde dat, indien hij niet beter was, Maria en ik niet naar Zwitserland zouden gaan, antwoordde hij: ‘denk je dan werkelijk dat ik beter wordt?’ De toon waarop dit gezegd werd, deed mij begrijpen, dat hij zijn’ toestand begreep, maar het voor ons niet wilde weten. ’s Morgens wist ik wat ons wachtte, en ik bleef steeds bij hem. Hij stierf, ten minste schijnbaar, heel kalm. De ademhaling werd langzamer en langzamer en hield eindelijk geheel op. Den volgenden morgen ben ik nog eens naar hem toe gegaan. Ik was bang dat hij veranderd zou zijn en er nogvreeselijker zou uitzien dan tijdens zijne ziekte. Je kunt je echter niet voorstellen hoe mooi hij daar lag, met die blijmoedige, vredige uitdrukking op zijn gelaat.“Gisteren is hij hier begraven. Ik heb er eerst over gedacht hem te vervoeren en jou te telegrafeeren, maar ben toen van plan veranderd. Het geeft niet, de wonden nog verder open te rijten. Het spijt mij dat de doodstijding je midden in je jachtvermaak heeft bereikt. Het bericht kon je bij al die afleiding onmogelijk zoo treffen als ons. En toch is het zoo goed voor een mensch! Ik ondervind nu de waarheid van hetgeen men mij eens gezegd heeft, n.l. dat men zelf den dood gemakkelijker onder de oogen ziet, indien men iemand heeft verloren die zooveel voor ons is geweest als hij voor ons was. Jouw brief kwam juist toen de mis voor hem werd opgedragen. Nu kan je nooit meer met hem op jacht gaan! Een paar dagen vóor zijn’ dood bespraken wij nog zijne aanteekeningen over de jacht en las hij ze mij voor. Hij sprak ook veel over jou en zeide dat God jou alles geschonken had, wat een mensch gelukkig kan maken, maar dat je zelf je leven bederft. Dadelijk, den tweeden dag, heb ik een afgietsel van zijn gelaat en een portret van hem laten maken. Het portret is niet goed gelukt, maar het masker geeft zijne edele trekken geheel weer.”De dood van zijn broer Nikolaas maakte een’ diepen indruk op Tolstoi, deed hem een tijdlang alle belangstelling in het leven verliezen en bracht zijn geloof in het goede aan het wankelen.In zijn dagboek vinden wij de volgende aanteekeningen:“13 October 1860. ’t Is nu bijna een maand geleden dat Nikolaas is gestorven en sedert dien tijd heb ik alle belangstelling in het leven verloren. Weer een vraag: Waarom? Ook ik sta mogelijk niet meer ver van den weg daarheen! Waarheen? Nergens heen. Ik tracht te schrijven; ik wil ermijzelf toe dwingen, maar het gaat niet, omdat ik het werk niet die waarde kan toekennen, die men het moet toekennen om er kracht en geduld voor te hebben. Tijdens de begrafenis kwam de gedachte bij mij op een materialistisch evangelie te schrijven: het leven van Christus—den materialist.”Nadat de eerste, heftigste smart eenigszins bedaard was, schreef Tolstoi aan zijn’ vriend Fet:“Ik veronderstel dat ge reeds weet wat hier gebeurd is. Den 20stenSeptember stierf Nikolaas letterlijk in mijne armen. Niets in mijn leven heeft zoo’n sterken indruk op mij gemaakt. Het is waar dat hij altijd zeide, dat er niets erger is dan de dood. En wat doet het goed te denken dat de dood toch het eind is van alles en dat er niets erger is dan het leven. Waarom zou men zich nog moeite geven als er voor iemand als Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi niets overblijft? Hij heeft nooit gezegd dat hij de nadering van den dood voelde, maar ik weet dat hij den afstand kende, die hem er van scheidde.“Eenige oogenblikken vóordat hij stierf schrikte hij plotseling uit eene sluimering wakker en fluisterde ontzet: ‘Maar wat is het dan toch?’ Toen zag hij den dood, den overgang in het niet. En als hij niets kon vinden, waaraan zal ik mij dan vastgrijpen, wat zal ik dan vinden? Nog minder. En ik, noch iemand anders, zal zooals hij tot aan het laatste oogenblik met den dood strijden. Tot aan de laatste minuut deed hij alles zelf, trachtte zich bezig te houden, schreef, vroeg mij naar mijn werk en gaf mij raad.“Maar hij deed dat alles, geloof ik, niet uit een innerlijken aandrang, maar uit principe. Hij bleef zich zelf tot aan het einde. Den avond van te voren ging hij naar zijne slaapkamer en viel daar, door zwakte overmand, bij ’t open raam op zijn bed neer. Toen ik bij hem kwam zeide hij met tranen in de oogen, dat hij daar zoo heerlijk een uurtje had gelegen.‘Uit stof zijt gij geboren en tot stof zult gij wederkeeren.’ Eén vage hoop rest ons nog, dat wij daar in de natuur, waarvan wij een deel zullen uitmaken, iets zullen vinden.“Allen die zijne laatste minuten bijwoonden zeiden: ‘hoe heerlijk, rustig en zacht is hij ingeslapen.’ Maar ik weet hoe vreeselijk hij heeft geleden, want niets van hetgeen er in hem omging ontging aan mijn’ blik. Duizendmaal heb ik tegen mij zelf gezegd: laat de dooden de dooden begraven, maar men moet toch altijd zijne krachten gebruiken. Men kan een’ stem niet zeggen: val omhoog, terwijl alles hem omlaag trekt, niet lachen om een scherts die geen scherts is, niet eten wanneer men geen honger heeft. Waarom zou men zich inspannen, daar morgen de doodstrijd kan beginnen, de dood met zijn afschuwelijke leugen en zelfbedrog ons kan verrassen en wij kunnen overgaan in het niet?!“Een misplaatste grap! ‘Wees nuttig, wees deugdzaam, wees gelukkig in het leven,’ zeggen de menschen tegen elkaar; ‘gij en het geluk en de deugd en het nuttig zijn, alles bestaat in de waarheid.’ En de waarheid, die ik in de dertig jaren die ik leefde heb leeren kennen, is, dat onze toestand ontzettend is.“‘Neem het leven zooals het is, gij brengt u zelf in dezen toestand.’“Wel zeker, ik neem het leven zooals het is!“Nauwelijks heeft de mensch den hoogsten trap van zijne ontwikkeling bereikt of hij ziet duidelijk dat alles ijdel, dat alles bedrog is, en dat de waarheid, die hij toch boven alles lief had, iets vreeselijks is. Als gij die waarheid recht in ’t gezicht ziet, dan zult gij ook opschrikken en als mijn broeder zeggen: ‘Maar wat is het dan toch?’ Het spreekt van zelf dat, zoolang wij nog den wensch koesteren de waarheid te leeren kennen en de waarheid te spreken, wij ons daartoezullen inspannen. Dat is alles wat mij nog overbleef van mijne zedelijke wereld; verder gaan mijne wenschen niet. Daarnaar alleen wil ik streven, maar niet in den vorm van uwe kunst. De kunst is leugen en ik houd zelfs niet van een schoonen leugen.“Dezen winter blijf ik hier; men moet toch ergens zijn. Schrijf mij eens spoedig. Ik houd evenveel van je als mijn broer, die tot aan zijne laatste oogenblikken aan je heeft gedacht, van je hield.“L. Tolstoi.”De indruk, dien de dood der duizenden, die hij onder de muren van Sewastopol had zien vallen, op Tolstoi had gemaakt, was niet zoo groot als die van dit ééne sterfgeval, den dood van zijn liefsten broeder. Toen zag hij met een physiek, nu met zijn geestesoog. Hij zag—en stond ontzet. Oprecht als hij was, trachtte hij zich zijne onmacht tegenover de macht van den dood niet te ontveinzen. En deze oprechtheid redde hem. Van dat oogenblik af, kan men zeggen, verliet de gedachte aan den dood hem niet meer en in den zielestrijd, die daarmee onvoorwaardelijk gepaard gaat, bleef hij overwinnaar. Na verloop van eenige maanden schreef hij naar aanleiding van een nieuw sterfgeval:“Na een smartelijk lijden stierf een jongen van dertien jaren aan de tering. Waarom? Het geloof aan de vergelding is de eenige oplossing van die vraag. Als zij niet bestaat, dan is er ook geene ongerechtigheid, wordt de gerechtigheid geheel overbodig en is de behoefte daaraan bijgeloof.“De gerechtigheid is eene levensvoorwaarde tusschen de menschen onderling, die zij ook zoeken in hunne betrekking tot de wereld. Zonder het leven hiernamaals is zij geheel ondenkbaar. Gelijkvormigheid is de eenige onveranderlijke natuurwet, zullen de natuurkundigen zeggen. In verschillende uitingen van denmenschelijken geest, in de liefde, in de poëzie, in de schoonste openbaringen vinden wij haar niet. Dat alles heeft bestaan en is gestorven, dikwijls zonder dat het te voorschijn trad. De natuur schrijdt haar doel ver voorbij, door het menschdom de behoefte aan liefde en poëzie te schenken, als haar eenige wet gelijkvormigheid is.”Na verloop van zeven-en-twintig jaren schreef hij het boekOver het leven, dat eindigt met de woorden: “Het leven van den mensch is een streven naar de gelukzaligheid; waarnaar hij streefde, dat werd hem gegeven; evenmin als de gelukzaligheid den mensch tot onheil kan strekken, evenmin kan het leven het einde zijn.”Sergius Plaksin geeft ons nog eenige bijzonderheden van Tolstoi’s leven te Hyères, in den familiekring van zijne zuster. Plaksin zelf was in dien tijd nog een kleine jongen, die met zijne moeder in hetzelfde pension woonde als de familie Tolstoi.“Tijdens zijn verblijf te Hyères bracht Tolstoi dikwijls geheele dagen bij zijne zuster door. Zelf onvermoeid in het wandelen, leerde hij het ons. Altijd vond hij nieuwe plekjes en nieuwe wandelingen. Nu eens gingen wij de zoutmijnen bekijken op het schiereiland Porquerolles, dan beklommen wij den berg, waar eene kapel voor de Heilige Maagd was opgericht, of we bezochten eene ruïne, om de eene of andere reden ‘Trou des Fées’ genaamd.“Onderweg vertelde Tolstoi ons allerlei sprookjes: van het gouden paard, of van den reuzenboom, in wiens takken gezeten men alle steden en zeeën van de geheele wereld kan zien. Hij wist dat ik geen sterke borst had en droeg mij daarom dikwijls heele einden op zijn’ schouder.“Na het middageten vertelde Tolstoi onzen goedhartigen huisheer en zijn gezin de alleronmogelijkste dingen vanRusland, zoodat zij niet wisten wat zij er van moesten gelooven, totdat mijne moeder of gravin Tolstoi erbij kwam, die hun dan uitlegde wat waarheid en wat fantasie was.“Dadelijk na het diner kwamen wij bij elkaar, om op het terras naar het weer te gaan kijken of in de groote zaal te gaan spelen. Op de tonen van slechte pianomuziek voerden wij dan een ballet of eene opera uit, zonder medelijden te hebben met onze toeschouwers: onze moeders, Leo Tolstoi en mijne gouvernante Liza. Ballet en dans werden afgewisseld door gymnastische oefeningen, waarin Tolstoi, die er altijd sterk op aandrong de spieren te oefenen, ons voorging. Hij strekte zich dan in zijne volle lengte op den grond uit, beval ons hetzelfde te doen, en dan moesten wij ons oprichten zonder onze armen te gebruiken. Ook hing hij tusschen de deurposten wel eens ringen voor ons op, waaraan hij dan tot onze groote vreugde zelf ook werkte.“Het gebeurde wel eens dat wij zooveel leven maakten, dat de moeders Tolstoi vroegen ons wat rustiger bezig te houden. Wij moesten dan om de tafel gaan zitten, met pen en inkt voor ons.“‘Luister nu goed,’ zeide Tolstoi, ‘ik zal jelui les geven.’“‘Waarin?’ vroeg Liza, het toenmalige voorwerp mijner liefde.“Tolstoi vervolgde zonder zijn nichtje een antwoord waardig te keuren:“‘Schrijf nu.’“‘Maar oompje, wat moeten wij schrijven?’ hield Liza aan.“‘Luister dan, ik zal je een onderwerp opgeven.’“‘Wat opgeven?’ kon Liza niet nalaten te zeggen.“‘Een onderwerp,’ vervolgde Tolstoi gewichtig. ‘Schrijf nu: “Waardoor onderscheidt Rusland zich van andere landen?”’“‘Begin nu, maar pas op, niet naschrijven hoor!’“En wij begonnen.“De regels die Kolja schreef liepen alle, hoe schuin hij zijnhoofd ook hield en hoe diep hij ook zuchtte, kris en kras over ’t papier. Een transparent gebruiken mochten wij niet, dat was maar verwennen, zeide Tolstoi. Terwijl wij dus onze gedachten aan het papier toevertrouwden en de beide moeders een of anderen nieuwen roman lazen, liep Tolstoi met groote schreden de kamer op en neer, totdat eindelijk de nerveuse gravin uitriep:“‘Wat heb je toch, Leo? Je loopt als een ijsbeer heen en weer. Ga toch zitten.’“Na verloop van een half uur ongeveer waren onze opstellen klaar, en Tolstoi nam eerst het mijne, maar de regels waren in elkaar geloopen en daarom gaf hij het mij terug en moest ik het zelf voorlezen. En ik begon met luider stemme te vertellen, dat Rusland zich daardoor van andere landen onderscheidde, dat men in de vastendagen pannekoeken at, uitstapjes naar de bergen maakte en op Paschen eieren kleurde.“‘Kranig,’ zeide Tolstoi, die nu het handschrift van Kolja nam, waarin Rusland zich door sneeuw,—en dat van Liza, waarin het zich door de troika van de overige gedeelten der wereld onderscheidde. Wara, de oudste van ons, had de uitvoerigste beschrijving gegeven.“’s Avonds leerde Tolstoi ons teekenen, waarvoor hij de ingrediënten uit Marseille, waar hij dikwijls heenging, meenam.“Geheele dagen bracht hij met ons door; hij speelde met ons, onderwees ons, en als er soms verschil was ontstaan trad hij als scheidsrechter op.”Nu laten wij nog de korte beschrijving, ons verstrekt door gravin Tolstoi, volgen van eene soirée, waar Tolstoi ook tegenwoordig was.“Na den dood van Nikolaas woonden wij te Hyères. Leo had toen al naam gemaakt en de Russische kring gaf zich veel moeite om met hem in kennis te komen. Eens warenwij gevraagd bij vorstin Doedoekowa-Korsakowa, waar een voornaam gezelschap bijeen was. De clou van den avond zou de aanwezigheid van Tolstoi zijn, maar hij liet, helaas, heel lang op zich wachten. De gasten begonnen reeds te wanhopen en de gastvrouw beklaagde zich al in stilte over hare soirée manquée, toen eindelijk nog graaf Tolstoi werd aangediend. Alles leefde op, maar hoe groot was aller verbazing, toen hij binnen kwam, gekleed in een gewoon wandelcostuum en op klompen.“Hij was juist van eene lange wandeling teruggekeerd, niet naar huis gegaan, en begon dadelijk een levendig betoog te houden over het voordeel van klompen boven laarzen, terwijl hij iedereen aanried zijn voorbeeld te volgen.“Men vergaf hem in dien tijd ook reeds alles en het werd nog een heel gezellige avond. Tolstoi was zeer opgewekt; er werd gezongen en op algemeen verlangen nam hij de begeleiding op zich.”Tot begin December bleef hij in Hyères, reisde toen over Marseille naar Genève, waar hij zijne zuster met de kinderen achterliet om zelf eene reis door Italië te gaan maken. Achtereenvolgens bezocht hij Pisa, Livorno, Florence, Rome en Napels.Gedurende zijne buitenlandsche reis vertoefde Tolstoi eenige malen te Marseille, welke groote handelsstad hem blijkbaar sterk aantrok en interesseerde.In een van zijne opstellen over paedagogie geeft hij de volgende beschrijving van zijn verblijf te Marseille.“Het vorige jaar bevond ik mij te Marseille, waar ik alle inrichtingen van onderwijs voor de arbeidende klasse bezocht. De zucht tot leeren bij de bevolking is zoo groot, dat bijna alle kinderen drie, vier, vijf en zes jaar naar school gaan. Het leerplan bevat de volgende vakken: bijbelsche en algemeenegeschiedenis, het van buiten leeren van den cathechismus, de vier hoofdbewerkingen der rekenkunde, Fransche orthographie en boekhouden; waarom dit laatste op het programma stond heb ik nooit begrepen en heeft ook geen der leeraren mij kunnen uitleggen. Het eenige dat ik wel begreep, nadat ik de boeken der leerlingen, die den cursus hadden afgeloopen, had gezien, is, dat zij nog geen drie regels van de rekenkunde kenden, dat zij machinaal wat met getallen leerden werken en op dezelfde wijze ‘tenue des livres’ hadden geleerd. Het is onnoodig te zeggen dat boekhouden, zooals het in Duitschland en Engeland wordt onderwezen, alleen reeds vier uren voor de verklaring vereischt voor een’ leerling die de vier regelen der rekenkunde machtig is.“Niet één der kinderen, die deze scholen bezochten, kon zelfstandig eene som oplossen, d.w.z. de eenvoudigste optelling of aftrekking maken. Wat zij echter uit het hoofd hadden kunnen leeren, deden zij vlug en goed.“Op eene vraag uit de Fransche geschiedenis, die zij juist van buiten hadden geleerd, wisten zij goed te antwoorden; maar toen ik hun iets vroeg waarop zij zich niet hadden voorbereid, kreeg ik ten antwoord dat Hendrik IV door Julius Caesar was vermoord.””... In Marseille bezocht ik ook nog eene gewone en eene kloosterschool voor volwassenen. Die scholen werden door een duizend leerlingen bezocht (twee honderd mannen), terwijl de stad 250,000 inwoners telt. Het onderricht werd hier op dezelfde wijze gegeven: mechanisch lezen, waarvoor reeds een jaar of langer gebruikt werd, boekhouden zonder kennis der rekenkunde, geloofsleer enz.“Daarna bezocht ik eene bewaarschool, waar kinderen van vier jaren als soldaatjes marcheerden, op commando in de handjes klapten en met bevende stemmetjes hymnen zongen ter eere van God en van hunne weldoeners.“Resumeerende kwam ik tot de conclusie, dat het onderwijs in Marseille bijzonder slecht is. Wanneer er eens een wonder kon gebeuren en men de menschen kon gade slaan in die inrichtingen voor onderwijs, zonder hen op straat, op hun werk, in de café’s of in hun huizen te zien, dan zou ons oordeel zijn, dat het volk onwetend, ruw, huichelachtig en vol vooroordeelen is, kortom, een volk bijna zonder beschaving. Geeft men zich echter de moeite om zich met de menschen in verbinding te stellen en met hen te praten, dan komt men tot de overtuiging, dat het Fransche volk bijna is zooals het meent te zijn; vlug van begrip, verstandig, vrijgevig, nadenkend en werkelijk beschaafd. Let eens op een’ dertigjarigen werkman uit eene stad. Hij schrijft een brief zonder de fouten welke hij er op school in maakt, soms zelfs heelemaal goed. Hij is op de hoogte van de politiek en bijgevolg ook van aardrijkskunde en de nieuwste geschiedenis; hij weet iets van litteratuur en heeft eenig begrip van natuurkunde. Heel dikwijls kan hij een weinig teekenen, en van wiskunde weet hij zooveel als hij voor zijn beroep noodig heeft. Hoe nu heeft hij dit alles verkregen?“Het antwoord op die vraag vond ik vanzelf, toen ik na mijn schoolbezoek eens op straat in de café’s, de café-chantants, de museums, de werkplaatsen, bij de havens en in de boekwinkels begon rond te zien. Dezelfde jongen, die mij had verteld dat Hendrik IV door Julius Caesar vermoord was, kende heel goed de geschiedenis vanDe drie Musketiersen vanDe Graaf de Monte-Christo. In Marseille vond ik acht-en-twintig goedkoope geïllustreerde tijdschriften van 5 à 10 centimes. Onder eene bevolking van 250,000 inwoners waren 30,000 exemplaren verspreid. Wanneer wij dus aannemen, dat tien menschen één nommer lezen of hooren voorlezen, dan worden zij nog door iedereen gelezen. Dan hebben wij nog de museums, de publieke bibliotheken, deschouwburgen, de café’s, twee groote café-chantants, waar iedereen tegen betaling van 50 centimes toegang heeft, en die dagelijks gemiddeld door 25,000 menschen bezocht worden, om nog niet eens van de kleine inrichtingen te spreken. In al die café’s worden tooneelstukken opgevoerd, verzen gedeclameerd enz. enz. Ruw berekend ontvangt een vijfde gedeelte van de bevolking dagelijks dus onderwijs op de wijze zooals de Grieken en de Romeinen het in hunne amphiteaters ontvingen.“Of die opvoeding goed of slecht is, dat is eene andere vraag. Wij zien echter dat de onbewuste opvoeding sterker is dan de gedwongene, die geheel door haar verdrongen en op den achtergrond geschoven wordt.“Het eenige wat den leerlingen bijbleef van hun vijf- of zesjarig onderricht bestond hierin, dat zij in staat waren eenige letters naast elkaar te zetten en er woorden van te vormen.”In Januari van ’t jaar 1861 bevond Tolstoi zich weer te Parijs, waar hij als naar gewoonte het leven op straat met groote aandacht gadesloeg.“Toen ik in Parijs was,” zeide Tolstoi eens tegen Schyler, “zat ik soms heele dagen boven op de omnibussen, mij vermakende met de beschouwing van het publiek, en ik kan u de verzekering geven, dat ik bijna in iedere persoon een type van Paul de Kock herkende.”Dat de werken van dien auteur onzedelijk zouden zijn heeft Tolstoi steeds tegengesproken.“Van de geheele Fransche litteratuur stel ik de boeken van Alexandre Dumas en Paul de Kock het hoogste,” vervolgde Tolstoi zijn gesprek met Schyler, en op diens verwonderden blik sprak hij verder:“Neen, kom mij niet met dien onzin aan, dat Paul de Kock onzedelijk is. Naar Engelsche begrippen is hij misschien een weinig ‘leste et Gaulois’, zooals de Franschen het uitdrukken,maar onzedelijk is hij niet. Wat hij ook zegt, en al veroorlooft hij zich hier en daar eene gewaagde scherts, zijne richting blijft volkomen zedelijk. Hij is de Fransche Dickens. Zijne personen zijn naar het leven geteekend en geheel afgewerkt.“En wat Dumas betreft, ieder romanschrijver moest hem van buiten kennen. Ik lees en herlees zijne werken. De intrige is altijd mooi, maar hoofdzakelijk legt hij er zich op toe om een goed verband en eene goede oplossing te verkrijgen.”Te Parijs kwam Tolstoi in aanraking met Toerghenjeff, waardoor eene eenigszins nauwere betrekking tusschen die beide schrijvers ontstond.Vandaar reisde hij naar Londen, waar hij bijna iederen dag met Herzen samen kwam. Hij behandelde met hem vele gewichtige vragen van den dag, maar van deze gesprekken kunnen wij helaas niets weergeven, daar noch Herzen, noch Tolstoi er aanteekeningen van hebben gemaakt.In deHerinneringen van Toetschkowaja Ogarjewajavinden wij nog een paar woorden, die betrekking hebben op deze samenkomsten.“Tolstoi, de schrijver vanKinder-, Jongens-enJongelingsjaren, boeken die eene groote beroering te weeg brachten in de lezende wereld, bracht dikwijls een bezoek bij Herzen. Deze was daar zeer mee ingenomen en bewonderde vooral de vrijheid, waarmede hij zijne diepste, innigste gevoelens neerschreef en ook mondeling uitte. Wat zijne filosofie betreft, die vond Herzen dikwijls zwak, onduidelijk en nietsbewijzend.”Eene dochter van Herzen, die echter slechts eene vage voorstelling van deze samenkomsten heeft, verschafte ons nog de volgende kleine aanteekening.“Als klein meisje las en bewonderde ik de werken van Tolstoi. Eens van vader hoorende, dat deze schrijver ons een bezoek zou brengen, vroeg ik vergunning daarbij tegenwoordigte zijn. Om niet opgemerkt te worden ging ik op het vastgestelde uur in mijns vaders studeerkamer, in het uiterste hoekje zitten, en spoedig daarop werd Tolstoi aangediend. Met kloppend hart zat ik te wachten, maar hoe groot was mijne teleurstelling toen daar een naar de laatste Engelsche mode gekleede heer binnenkwam, die dadelijk met mijn’ vader een levendig gesprek begon over de laatste hanengevechten en bokspartijen die hij in Londen had bijgewoond. In dit eenige onderhoud dat ik bijwoonde gelukte het mij niet ééne enkele diepe gedachte op te vangen.”Men kan echter gerust aannemen, dat de gesprekken van deze twee groote Russische schrijvers zich niet bepaalden tot een praatje over sport. Bij het afscheid gaf Herzen zijn’ vriend eene introductie mee voor Proudhon.In Engeland, evenals elders, bezocht Tolstoi verschillende scholen. Ook luisterde hij in het parlement naar eene rede van Palmerston, die ruim drie uren duurde.In Londen ontving Tolstoi het bericht, dat hij tot vrede- en scheidsrechter was benoemd, en den 19enFebruari 1861, den dag van de opheffing der lijfeigenschap, besloot Tolstoi naar Rusland terug te keeren. Hij reisde over Brussel, waar hij Proudhon een bezoek bracht. Deze energieke, uit het volk geboren, zelfstandige denker maakte een’ diepen indruk op Tolstoi. Waarschijnlijk is deze kennismaking ook van invloed geweest op zijne veranderde wereldbeschouwing. Eens met mij over Proudhon sprekende, zeide Tolstoi: hij schijnt mij een energieke man, en heeft, zooals men dat noemt, “le courage de son opinion.”Proudhon’s bekend aphorisme: “la propriété c’est le vol” zou als epigram boven de meeste van Tolstoi’s economische werken geplaatst kunnen worden.In Brussel bracht Tolstoi ook nog een bezoek aan den ouden, grijzen Poolschen historicus Lelewel, die daar ingroote armoede leefde. Hier ook schreef hij het begin der vertellingPolipoeschka.Leo Tolstoi in 1856, toen hij den krijgsdienst verliet.—Blz. 275.Leo Tolstoi in 1856, toen hij den krijgsdienst verliet.—Blz.275.Eindelijk, den 13enApril, vertrok Tolstoi uit Brussel om over Berlijn naar zijn vaderland terug te reizen.De eerste stad die hij in Duitschland aandeed was Weimar, waar hij de gast was van den Russischen gezant, die hem in kennis bracht met den hofmaarschalk, welke, op zijne beurt, hem voorstelde aan den Groothertog Karel Alexander.Door bemiddeling van den gezant kreeg Tolstoi verlof het huis van Goethe, dat in dien tijd nog niet voor ’t publiek geopend was, te bezichtigen. Veel meer belangstelling toonde hij echter voor de Fröbel-scholen en -tuinen, die toenmaals onder directie stonden van Mina Schelhorn, eene persoonlijke leerlinge van Fröbel. Met groote bereidwilligheid vertelde zij den vriendelijken Russischen graaf alles wat hij van haren werkkring en hare kinderen wenschte te vernemen.Onlangs schreef Dr. von Bode in het paedagogisch tijdschriftDer Säemanneen belangrijk artikel, getiteldTolstoi te Weimar, waarin hij o.a. het gesprek weergeeft, gevoerd tusschen den nu reeds overleden Julius Schlentzer en Tolstoi, bij diens bezoek aan Schlentzer’s school.“Het was de Vrijdag na Paschen. Ik wilde juist in de 2deklasse met de les beginnen, toen de deur openging, en een seminarist met eene hoofdbuiging meldde: ‘Hier is iemand die u wenscht te spreken.’“Hij had een’ heer bij zich, die zich niet voorstelde en die ik voor een’ Duitscher hield, omdat hij even zuiver Duitsch sprak als wij.“‘Welke les gaat gij geven?’ vroeg hij.“‘Eerst geschiedenis en dan Duitsch,’ antwoordde ik.“‘Heel goed; ik heb reeds verschillende scholen in Zuid-Duitschland, Frankrijk en Engeland bezocht, en wilde nu gaarnemet de Noord-Duitsche kennis maken. Hoeveel klassen heeft uwe school?’“‘Zeven; dit is de tweede. Ik ken echter mijne leerlingen nog niet, omdat ik pas met hen ben begonnen en kan dus waarschijnlijk uwe nieuwsgierigheid niet bevredigen.’“‘Dat is mij precies gelijk. Hoofdzaak voor mij zijn het leerplan en de methode. Vertel mij, als gij wilt, eens volgens welke methode gij geschiedenis onderwijst.’“‘Ik heb zelf een plan ontworpen.’ Toen ik dat nu den vreemden leeraar in de geschiedenis, waarvoor ik hem hield, ging verklaren, nam deze een notitieboekje uit zijn’ zak, waarin hij ijverig aanteekeningen maakte. Plotseling zeide hij:“‘Het komt mij voor dat in dit zoo goed doordachte plan de vaderlandsche geschiedenis ontbreekt.’“‘Neen, die is niet vergeten, maar daarmee beginnen wij pas in de volgende klasse.’“Het werd tijd voor de les, en ik begon te vertellen van de verschillende trappen van beschaving. De vreemdeling ging stil door met het maken van zijne aanteekeningen, en vroeg toen de les geëindigd was: ‘Wat nu?’“‘Duitsch. Ik wilde, eerlijk gesproken, de kinderen laten lezen, maar als gij iets anders liever hebt, dan zal ik het gaarne veranderen.’“‘Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Weet gij, ik heb er veel over nagedacht hoe men de vrije gedachte van de kinderen kan ontwikkelen.’ (In het Duitsch zeide hij letterlijk: de gedachte ‘flüssig machen,’ eene uitdrukking die ik nooit zal vergeten.) Ik deed mijn best om aan zijn’ wensch te voldoen.“Ik noemde een onderwerp, en daarover moesten de kinderen een opstel maken. De vreemdeling stelde hier veel belang in, liep tusschen de banken door, nam beurtelings de schriften van de kinderen en las wat zij hadden neergeschreven. Ikbleef op mijne plaats, om de leerlingen niet af te leiden. Toen de opstellen bijna klaar waren, vroeg mijn gast:“‘Mag ik nu het werk meenemen? Ik stel er heel veel belang in.’“Dat is toch al te erg, dacht ik, maar antwoordde beleefd, dat het onmogelijk ging, daar de kinderen hunne schriften zelf moesten bekostigen; dat de Weimarsche bevolking arm was en de ouders boos zouden worden, zoo men hen verplichtte nieuwe te koopen.“‘Dat is te verhelpen,’ zeide hij, en ging weg.“Ik wist niet hoe ik het had, en stuurde een kind naar mijn’ vriend, den directeur van het seminarium, met de boodschap dat hij eens moest komen, omdat er bij ons iets heel ongewoons voorviel. Mijn vriend kwam.“‘Nu heb je mij een koopje bezorgd,’ zeide ik, ‘mij zoo’n zonderling te sturen, die de schriften der kinderen mee wil nemen.’“‘Ik heb niemand gestuurd,’ antwoordde hij.“‘Maar gij zijt toch de directeur van het seminarium, en een seminarist heeft hem immers gebracht.’ Toen herinnerde hij zich, dat er in zijne afwezigheid een hooggeplaatst ambtenaar bij zijne vrouw was geweest, die haar verzocht had er zorg voor te dragen dat men den hem vergezellenden heer alle door hem gewenschte inlichtingen zou verschaffen.“Terwijl wij zoo het geval bespraken, keerde de vreemdeling terug met zijn’ arm vol schriften, die hij in den eersten den besten winkel had gekocht. Daar de beide heeren gelijktijdig bij mij waren, moest ik hen wel aan elkaar voorstellen, en wisselden zij dus de gebruikelijke plichtplegingen.“‘Monhaupt, directeur van het gymnasium.’“‘Graaf Tolstoi uit Rusland.’“Hij was dus een graaf en geen leeraar! en een Rus. En hij sprak Duitsch als een geboren Duitscher.“De kinderen kregen bevel hunne opstellen over te schrijven in de schriften, welke graaf Tolstoi had meegebracht. Hij verzamelde ze zorgvuldig, rolde ze op en gaf ze aan een’ bediende, die bij de deur op hem wachtte. Van mij ging hij met den directeur naar Trebst, een leeraar aan de Hoogere Burger-School, dien hij vroeger eens in Rusland had leeren kennen.”Dr. von Bode eindigt zijn artikel met de volgende woorden, gewijd aan den ouden onderwijzer:“Nu moet ik nog een paar woorden zeggen van den ouden Schlentzer. Hij stierf in 1905 op bijna 93-jarigen leeftijd. Voor mij was hij een zeer merkwaardig mensch, omdat hij de twee mannen gekend heeft aan wier boeken ik het beste deel van hetgeen ik weet heb ontleend. Hij heeft Goethe en Tolstoi gekend. Eens heeft Schlentzer met Goethe gesproken. Hij was in 1828 gymnasiast te Weimar en woonde met een’ schoolkameraad bij Eckermann, op een paar schreden afstand van het huis van Goethe. De beide jongens zagen hem dikwijls voor het raam zitten, en daar zij hem zoo graag eens van dichtbij wilden zien en met hem wilden praten, vroegen zij Eckermann of die hun daartoe niet eens in de gelegenheid kon stellen.“En zoo gebeurde het, dat Eckermann hen op een’ zomermorgen door een poortje Goethe’s tuin binnen liet gaan, waar de dichter liep te wandelen. Toen hij de gymnasiasten zag, ging hij naar hen toe, vroeg wie zij waren, wat zij wilden worden, en gaf hun den raad flink te studeeren.“Er was niets merkwaardigs in dit gesprek, maar Schlentzer, dien toch in zijn leven, als onderwijzer en als mensch, veel eer te beurt viel, verzekerde mij dat niets hem zooveel genoegen had gedaan als dat korte gesprek met zijn’ beroemden tijdgenoot.”Van Weimar ging Tolstoi naar Gotha, waar hij de groote Fröbelkindertuinen bezocht en kennis maakte met de eerstepaedagogen. In Jena kwam hij in aanraking met den jongen mathemathicus Keller, dien hij overreedde mee naar Rusland te gaan, om hem bij de uitvoering zijner opvoedingsplannen te helpen. Tolstoi hield zich ook nog eenige dagen te Dresden op, waar hij Auerbach weer ontmoette. In zijn dagboek vinden wij de volgende korte aanteekening:“21 April, Dresden. Auerbach is een prachtmensch.Ein Licht, nur eingefangen.Zijne vertellingen zijnOver den eersten indruk der Natuur, Versöhnung, Abende.a. Over het Christendom schrijft hij als over de hoogste uiting van den menschelijken geest. Hij zegt uitstekend verzen. Muziek vindt hijein pflichtloser Genuss, dat volgens zijne meening tot zedenbederf leidt. Eene vertelling:Schätzkästlein. Hij is 49 jaren, oprecht, jong van hart en geloovig; twijfel kent hij niet.”Uit Dresden schrijft Tolstoi zijne tante Tatjana:“Ik ben goed in orde en brand van verlangen naar Rusland terug te keeren. Nu ik echter eenmaal in Europa ben en niet weet wanneer ik er weer zal komen, wil ik, dat zult gij wel begrijpen, zooveel mogelijk nut van mijne reis trekken. Nu, op dat punt kan ik tevreden zijn. Ik neem zoo’n groote hoeveelheid indrukken en kennis mee, dat het een’ heelen tijd zal duren, voor ik alles in mijn hoofd geregeld heb. Ik denk tot den 21stenin Dresden te blijven en reken er vast op met Paschen in Jasnaja Paljana te zijn. Als de scheepvaart den 25stennog niet geopend is, ga ik over Warschau naar Petersburg, waar ik moet zijn om vergunning te krijgen voor eene krant, die ik op mijn school te Jasnaja wil redigeeren. Ik breng een jongen Duitscher mee; hij is leeraar aan de universiteit, beschaafd en ontwikkeld, maar nog zeer jong en onervaren.”7Den 22stenApril bevond Tolstoi zich te Berlijn, waar hijook kennis maakte met den zoon van den beroemden paedagoog Diesterweg, directeur van het seminarium. Hij had zich voorgesteld een verlicht mensch te zien, zonder vooroordeelen, die zich in zijn’ veeljarige loopbaan een zelfstandig oordeel had gevormd, en hij vond (dit zijn zijne eigen woorden) een kouden, harteloozen pedant, die meende volgens vastgestelde regels kinderzielen te kunnen vormen.De vraag of er verschil bestaat tusschen de begrippen: opvoeding, beschaving en onderricht, was voornamelijk het onderwerp van hun gesprek.“Diesterweg lachte spottend wanneer iemand beweerde, dat er inderdaad verschil bestond; volgens zijne begrippen waren deze drie één. En ondertusschen spraken wij èn over opvoeding, èn over beschaving, èn over onderwijs, en wij begrepen elkaar heel goed.”Later zullen wij zien, dat niet alleen deze paedagoog, maar de geheele methode, die hij in West-Europa had zien toepassen, Tolstoi niet kon bevredigen. Dat hij in zijne scholen proeven nam met het door hem in Frankrijk, Engeland en Duitschland verzameld materiaal geschiedde alleen met het doel om eene zelfstandige methode te verkrijgen.Na eene afwezigheid van negen maanden, kwam Tolstoi eindelijk den 23stenApril 1861 in Rusland terug.Het is wel te begrijpen, dat de zware Duitsche wetenschap Tolstoi niet kon bevredigen, hetgeen hem evenwel niet had weerhouden zich er met zijn bekend enthousiasme op te werpen, alles bestudeerende, in de praktijk zoowel als in de theorie.Het resultaat van die studie was, dat Tolstoi, de toewijding en den ernst van den onderwijzer waardeerende, de methode afkeurde.Het kwaad (dat volgens zijne meening de geheele Europeesche wetenschap aankleeft) school zijns inziens hoofdzakelijk in het volgende: “Het hoofddoel van de vertegenwoordigers derwetenschap is het streven naar eene goede positie, waaraan veel vrije tijd verbonden is, om dien dan in het beste geval in dienst te stellen van het volk, dat echter in dien zelfden tijd reeds zooveel heeft moeten lijden, dat eene toenadering van weerskanten onmogelijk is geworden. En het volk, gegriefd, stil lijdend, trekt zich terug van zijne helpers, die het niet begrijpen, het onwetend beleedigen en hoogstens lapmiddelen hebben voor zijne physieke en moreele wonden.”In hoeverre Tolstoi der paedagogie eene andere richting heeft gegeven, zullen wij in een later hoofdstuk behandelen.1Het volk.2Joefan was een bijzonder flinke knecht, en daarnaar noemde Tolstoi den zwaren grondarbeid: “Joefanstwo”.31 desjatin = 4800 M2.4De interessante bijzonderheden van deze reis ontleenen wij aan R. Löwenfeld:Graaf L. N. Tolstoi, zijn leven en zijn werken, en brachten zoo noodig eenige verbeteringen aan met gebruikmaking van brieven, door Tolstoi aan zijne bloedverwanten geschreven.5De vrouw van Djakoff.6In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.7In het handschrift in het Fransch aangehaald.
In Februari van het jaar 1860 wendde Fet zich schriftelijk tot Tolstoi om hem raad te vragen in zake den aankoop van een stuk grond en om inlichtingen den landbouw betreffende. Tolstoi antwoordde hem uitvoerig, juichte zijn plan zeer toe, beloofde hem te zullen helpen en wees hem verschillende stukken grond aan. In dezen voor ons onbelangrijken zakenbrief, maakt hij tevens eenige opmerkingen over een paar werken van Toerghenjeff en Ostrowski.
“Ik hebAan den Vooravondgelezen. Ziehier mijn oordeel. Verhalen schrijven is over ’t algemeen nutteloos, maar vooral als het geschiedt door menschen, die pessimistisch zijn en niet goed weten wat zij in ’t leven willen. Overigens isAan den Vooravondveel beter danHet adellijk Nest. In het eerste zijn de met den geest van tegenspraak bezielde personen, de vader, de kunstenaar, uitstekend geteekend. De overige personen zijn geen typen, zelfs hun denken en hunne omstandigheden zijn niet typisch, hoogstens dood-alledaagsch. Dat is overigens altijd eene fout van Toerghenjeff. Het meisje is van ’t begin af aan slecht geteekend: ‘Ach, hoe bemin ik je.... Zij had lange wimpers....’ Het heeft mij altijd verwonderd, dat Toerghenjeff met zijn groot verstand en dichterlijk gevoel zich niet van banaliteiten, die er soms zelfs zijn bijgesleept, kan onthouden. Het meest treft men die banaliteit aan bij zijne oppositie-menschen; hierin herinnert hij aanGogol. Hij neemt geen aandeel in het lot van deze lieden, maar teekent hen als misgeboorten, waarvoor hij geen medelijden voelt en die hij bovendien nog beschimpt. Dat is te veel in tegenspraak met den toon en de gedachten, die Toerghenjeff overigens kenmerken. Dat was goed bij de ouderwetsche litteratuur en bij Gogol, waar ik nog bij moet voegen dat, indien men zijne onbeduidende personen niet kan beklagen, men hen moet uitschelden om een onzinnige reden, b.v. omdat het vandaag niet warm is, of uitlachen omdat zij buikpijn hebben; maar niet zooals de zwaarmoedige Toerghenjeff het doet. Men mag in ’t algemeen niet zulke verhalen schrijven, zelfs niet als men zeker is van succes.
“Onwedervan Ostrowski is volgens mijne meening een treurig werk, maar zal succes hebben. Ostrowski noch Toerghenjeff hebben schuld aan hun succes, maar de tijd waarin zij leven. Er zal nu geen mensch meer opstaan die in dat opzicht Boelgarin zal evenaren, maar daarom zal niemand de liefhebbers van het antieke, waartoe ook ik behoor, verhinderen om met ernst gedichten en verhalen te lezen en ze ernstig te bespreken. Toch hebben wij tegenwoordig iets anders noodig. Ons behoeft men niet meer te onderwijzen maar wij moeten Marfoetka en Taraska1, iets, al is het maar weinig, meedeelen van hetgeen wij weten. En nu, leef wel!”
Leo Tolstoi heeft inderdaad beslist, dat de mensch, die gezegend is met verstand en zich verrijkt heeft met wetenschap, in de eerste plaats verplicht is diegenen ervan te doen genieten, die dat ontberen. Daarom ook wijdt hij zijne vrije uren aan de volksschool.
Op die wijze verliep de winter van 1859–’60. Ook las Tolstoi veel ernstige boeken, die hem op de volgende gedachten brachten.
7 Februari. “Ik las over de degeneratie van het menschelijk verstand en van den hoogsten graad zijner ontwikkeling. Geheel machinaal gingen mijne gedachten naar het gebed.—Bidden.—Tot wien? Wat is het voor een God, dien men zich zoo duidelijk kan voorstellen, dat men hem kan vragen zich met ons in verbinding te stellen. Als ik mij God zoo voorstel, dan verliest Hij voor mij al het verhevene.
“De God, dien men iets kan vragen, dien men kan dienen, is eene uiting van zwakheid van het verstand. Daarom is Hij God omdat ik mij Zijn wezen niet kan voorstellen. Neen, Hij is geen wezen; Hij is wet en kracht.
“Moge deze bladzijde een monument blijven voor mijn vertrouwen in de kracht van ’t verstand.”
Vervolgens las hij:Vertellingenvan Auerbach,Reineke Fuchsvan Goethe. Ongeveer in dien tijd schreef hij:
“Het is een vreemde godsdienst, die godsdienst van mij en van onzen tijd, het is de godsdienst van den vooruitgang. Men heeft eens den mensch gezegd, dat vooruitgang goed is. Zij is slechts eene afwezigheid van geloof, gepaard aan den drang naar een bewust werken, dat minder zwaar wordt door het geloof. De mensch heeft een drijfkracht noodig. Zoo is het.”
Deze gedachte kwam, zooals wij later zullen zien, tot hare volle ontwikkeling in zijne paedagogische werken en ook in de zelfontleding van zijnBiecht.
De vrienden volgden met belangstelling Tolstoi’s litteraire loopbaan en hadden een vriendelijke toegevendheid voor zijne “dwaasheden en zonderlingheden”, zooals zij het noemden, terwijl zij grootendeels zijne diepgaande, innige gedachten niet begrepen.
Zoo schreef o.a. Botkin 6 Maart 1860 aan Fet:
“Uit een’ brief van Toerghenjeff zag ik met genoegen, dat Tolstoi zich weer met zijn’ roman uit den Kaukasus bezighoudt. Hoeveel dwaasheden hij ook doet, ik zal toch steeds zeggen, dat hij iemand is met groot talent, en iedere dwaasheid van hem heeft voor mij meer waarde, dan de verstandigste daden van vele anderen.”
In een’ brief van Toerghenjeff aan Fet lezen wij:
“En Leo Tolstoi gaat voort met zijne eigenaardigheden; dat is hem zeker aangeboren. Wanneer zal hij eens ophouden in de lucht te zweven en vasten bodem onder zijne voeten voelen.”
In den winter van 1860 bracht het echtpaar Fet een bezoek op Jasnaja Paljana, dat zij moesten passeeren als zij van hun landgoed naar de stad gingen.
Van dit bezoek geeft Fet ons de volgende korte aanteekening:
“Natuurlijk ontzegden wij ons het genoegen niet een paar dagen op Jasnaja te blijven, waar wij tot onze groote vreugde ook Nikolaas Tolstoi, een’ hoogst sympathieken, verstandigen man, aantroffen. Wat hebben wij niet een plannen gesmeed in die paar dagen, dat ik met hem samen was! Niemand van ons dacht er aan, dat geen van die plannen verwezenlijkt zou kunnen worden.”
Verder vertelt Fet van een bezoek, dat Nikolaas hem bracht:
“In ’t begin van Mei kwam Nikolaas Tolstoi ons eens opzoeken. Zijne zuster had hem aangeraden met de broers in ’t buitenland genezing te gaan zoeken voor zijn hardnekkigen hoest. Hij zelf nam niet de minste notitie van zijne zwakke gezondheid, maar zijne magerheid, zijne bleeke gelaatskleur en vooral de driftbuien, teringlijders zoo eigen, wezen, ondanks zijne opgeruimdheid en zijn prettigen, vroolijken lach, op de aanwezigheid van die ziekte. Ik weet nog hoe boos hij zijne hand terug trok, toen de koetsier die wilde grijpen om haar te kussen. Den man zelf deed hij geen verwijten, maar toen wij naar de paarden gingen kijken, zeide hij tegen Borisoff en mij: ‘Hoe komt die ezel erbij mij plotseling de hand te willen kussen; dat is nog nooit gebeurd.’”
Wij achten het niet overbodig, hier de karakterschets te laten volgen, die Fet van dezen broeder heeft gegeven.
“Graaf Nikolaas Tolstoi kwam bijna iederen avond bij ons en bracht dan eene prettige gezelligheid mee, die zich niet met een paar woorden laat beschrijven. Hij droeg toen nog altijd zijn uniform. Men behoefde zijne magere handen, zijne groote verstandige oogen en zijne ingevallen wangen maar aan te zien om te weten, dat deze goede, geestige man eens het slachtoffer zou worden van de onverbiddelijke tering. Het is jammer, dat deze buitengewone persoonlijkheid, die door al zijne kennissen werd verafgood, in den Kaukasus de in het leger zeer verspreide gewoonte had aangenomen van veel te drinken. Men zegt het althans, maar ik, die in den korten tijd dat ik hem kende, dikwijls met hem op jacht ging, waar hij natuurlijk veel meer gelegenheid had tot drinken dan op een familieavondje, kan verklaren nooit een spoor van dronkenschap bij hem te hebben waargenomen.
“Hij zat altijd in een’ leuningstoel, dien wij bij de tafel hadden geschoven, en dronk een paar kopjes thee met een weinig cognac. Men moest hem, bescheiden als hij was, meestal aan het praten brengen, maar was hij eenmaal begonnen, dan bracht hij in het gesprek al dien fijnen humor, waarover hij zoo rijkelijk kon beschikken. Hij hield heel veel van zijn jongsten broer Leo, maar kon toch niet nalaten diens aristokratische manieren te bespotten. Schijn kon hij steeds van waarheid onderscheiden en met dezelfde ironie ontleedde hij de hoogste zoowel als de laagste Kaukasische kringen. Ook oompje Jepischka, de bekende jager en oud-geloovige (inde Kozakkenvoorkomende onder den naam van Jeroschka), werd door hem gezien en begrepen, zooals alleen een kunstenaar dat kan.”
Nikolaas Nikolajewitsch schreef weinig.Herinneringen van een Jageris het eenige verhaal dat tot ons is gekomen. Het werd indertijd opgenomen in denSawremjennik.
Garschin geeft in zijneHerinneringen aan Toerghenjeffdiens meening over Nikolaas Tolstoi:
“De lijdzaamheid, die Leo Tolstoi in theorie ontwikkelde, vinden wij geheel terug in het wezen van zijn’ broer Nikolaas.
“Zijne woning was zoo bescheiden mogelijk, bijna een hutje, ergens in een afgelegen wijk van Moskou, en alles wat hij bezat deelde hij met de armen. Hij was een bijzonder aardig prater en verteller, maar schrijven was hem eene bijna physieke onmogelijkheid. Het opstellen van een’ brief kostte hem evenveel moeite als den eenvoudigsten werkman, wiens ruwe, verwerkte vingers de pen niet kunnen vasthouden.”
Tot groote, maar korte vreugde van al zijne vrienden besloot Nikolaas Tolstoi eindelijk naar het buitenland te gaan.
Toerghenjeff, die bijzonder veel van hem hield en die zich zeer ongerust maakte over zijne gezondheid, schreef naar aanleiding daarvan uit Soden aan Fet:
“Hetgeen gij mij van Nikolaas’ gezondheid schreeft, heeft mij zeer getroffen. Kan het waar zijn dat die brave, lieve man zou moeten sterven. Waarom heeft hij niet eerder zijne traagheid overwonnen om in ’t buitenland genezing te zoeken? Hij ging toch ook wel naar den Kaukasus in een reiswagen en de duivel mag weten in welke voertuigen nog meer. Kwam hij maar naar Soden! Hier ontmoet ge bij iederen stap borstlijders. Ik spreek met u op een afstand van duizenden wersten, alsof mijne woorden zouden kunnen helpen.... Als Nikolaas nog niet vertrokken is, dan zal hij het nooit doen... En zoo slaat ons allen het noodlot.”
In het postscriptum schrijft hij nog eens:
“Zoo Nikolaas nog niet vertrokken is, pak hem dan in zijnkraag en sleep hem over de grenzen. De lucht is hier zoo zacht als gij het in Rusland nergens vindt.”
Medewerkers aan de Sawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz. 251.Medewerkers aan deSawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz.251.
Medewerkers aan deSawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz.251.
Tolstoi maakte zich natuurlijk ook zeer ongerust over de ziekte van zijn’ broer. De volgende brief aan Fet, in dien tijd geschreven, spreekt van die bezorgdheid en ook vinden wij daar eenige raadgevingen op landhuishoudkundig gebied:
”...Wanneer ik geheel geloof had kunnen schenken aan uw’ brief zou ik er niet trotsch op geweest zijn, maar had hij mij verdriet gedaan. Gij zijt een schrijver en blijft een schrijver. Gave God, dat wij allen konden schrijven zooals gij! Maar dat gij een stuk grond wilt koopen en daar wilt gaan werken als een mier, dat is eene prachtige gedachte, die gij ook ten uitvoer moet brengen en dan beter dan ik. Gij moet het doen omdat gij een goed mensch zijt, met een helderen blik op het leven. Overigens ben ik op het oogenblik niet de persoon om u op een’ meesterachtigen toon mijne goedkeuring te schenken. Ik leef in tweestrijd met mijzelf. Mijne werkzaamheden op mijn landgoed drukken mij en ik ben niet met hart en ziel bij het ‘Joefanstwo.’2Verder nemen huiselijke zorgen, de ziekte van Nikolaas, van wien ik sedert hij in het buitenland vertoeft niets gehoord heb, en het vertrek van mijne zuster mij geheel in beslag. Mijn ongetrouwd leven, het gemis van eene vrouw en de vrees dat het te laat is om dat te herstellen hinderen mij ook. Het gaat tegenwoordig in ’t algemeen niet goed naar mijn zin.
“Daar mijne zuster hulp noodig heeft en ook omdat ik naar Nikolaas verlang zal ik morgen werk maken van een’ buitenlandschen pas. Misschien reis ik met haar mee. Ik doe het zeker als ik geene of slechte berichten van hem krijg. Watzou ik je nog graag eens willen zien vóor ik vertrek! Ik had je nog zooveel te vragen en te vertellen, maar—dat is nu niet mogelijk. Wanneer deze brief vroeg genoeg aankomt zult gij er uit zien dat wij Donderdag, uiterlijk Vrijdag op reis gaan. En nu over uwe plannen. De prijs, dien men u genoemd heeft, is niet te hoog en als de plaats u aanstaat, dan moest gij den grond maar koopen. Maar waarom zoo veel? Ik weet uit eigen ondervinding dat, zoo gij er voordeel van wilt trekken, gij niet meer dan 60 desjatin moet hebben, d.w.z. vier stukken land ieder van 10 à 15 desjatin.3Sla dezen raad niet in den wind. Het zijn geen losse praatjes, waar ik mee aankom, ik heb zelf leergeld betaald. Wie het u anders gaat vertellen, die liegt of hij weet het niet. Ook nu reeds zult gij al uwe krachten moeten inspannen, maar uwe moeite zal beloond worden. Het is de aangenaamste bezigheid die er bestaat, d.w.z. wanneer het land niet te groot is, want in dat geval moet gij werken als een postpaard en bereikt niets. Ik heb geen woorden genoeg om mijne spijt uit te drukken, dat ik niet eerder heb geschreven. Gij waart dan zeker nog bij ons gekomen. En nu vaarwel! Doe mijne hartelijk groeten aan Maria Petrowna en aan Borisoff.”
De litteraire werkkracht van Tolstoi, en ook van Fet, begon in dezen tijd te verslappen. Tolstoi gaf zich over aan innerlijke beschouwingen en er ontstond een stilstand in zijn werk. Maar nu schreef Droezjinin elk der beide vrienden een’ overtuigenden brief om den lust tot schrijven weer bij hen op te wekken. Belangrijk vooral is die aan Tolstoi:
“Ik haast mij u te antwoorden op uw schrijven en ook,zooals gij waarschijnlijk wel zult raden, op hetgeen gij mij meedeelt over uwen litterairen arbeid. Bij iederen schrijver komen oogenblikken van twijfel en ontevredenheid, maar hoe sterk, hoe gewettigd die ook mogen zijn, niemand nog heeft daarom het schrijven voor goed opgegeven. Bij alles wat gij doet, het zij goed of kwaad, hebt gij steeds eene groote vasthoudendheid getoond; daarom moet gij meer dan iemand anders nadenken voordat gij het werk neerlegt.
“Bedenk toch, na poëzie en na hersenarbeid is alle andere bezigheid niets.Qui a bu veut boire.U op dertigjarigen leeftijd van uwen litterairen arbeid terug te willen trekken staat gelijk met het verlies van de helft der belangstelling die gij voor ’t leven gevoelt.
“Maar—dat is nog niet alles. Op ons allen rust de verantwoordelijkheid voor goede litteratuur te zorgen, iets waaraan het Russische publiek zoo zeer behoefte heeft. De Engelschman en de Amerikaan kunnen terecht lachen omdat in Rusland eene vertelling van honderd bladzijden (waarmee een landeigenaar, met een goed van 2000 zielen, zich maanden heeft bezig gehouden), door het publiek verslonden wordt en een’ geheelen dag het onderwerp van gesprek vormt. Wat men in het buitenland dilettantisme noemt, wordt bij ons reeds als iets bijzonders beschouwd. Bij ons is het zoo. Eene vertelling wordt gelezen om zich er mee te amuseeren. Deze laagste soort van kunstuiting kan twee bronnen hebben: òf zij is geschreven door iemand die ons niets te vertellen heeft, òf zij is de stem van den eenigen vooruitstrevenden man in het Tsarenrijk. Wij b.v. kennen de zwakke zijde van Toerghenjeff, maar met dat al ligt er nog eene zee tusschen zijne niets beduidende vertellingen en de beste romans van Eugénie Toer met haar half talent. Het Russische publiek, dat zich door een eigenaardig gevoel laat leiden, kiest zich vier of vijf schrijvers als leidslieden en wenscht verder nietste weten. Gij zijt door uw talent, door uwe schitterende geestesgaven en door een’ samenloop van omstandigheden een gunsteling van het publiek geworden. U aan den arbeid onttrekken moogt gij dus niet; integendeel, gij moet werken met al de kracht die in u is. En nu is er nog iets: gij zijt lid van den zooveel mogelijk eerlijken, invloedrijken, onafhankelijken kring, die reeds sedert tien jaren (ondanks de fouten die misschien haar leden aankleven) het vaandel hoog houdt van liberalisme en vooruitgang, en onder den druk der vervolging den smaad draagt, zonder ooit eene laagheid te hebben begaan. De kring is, ondanks de geringe tegemoetkoming, de weinige beschaving van het publiek en het neerzien op de litteratuur in ’t algemeen, een moreele kracht geworden. ’t Is waar, hij heeft ook middelmatige, onbeduidende leden, maar in verbinding met de anderen presteeren die toch ook iets en zijn zij niet geheel nutteloos. In dien kring nu zijt gij, hoewel gij nog slechts kort lid zijt, één dergenen die zich eene stem hebben verworven, hetgeen b.v. Ostrowski met zijn groot talent, en die moreel even hoog staat als gij, niet is gelukt. Eene verklaring hiervoor te zoeken zou ons te ver voeren en ook niets aan de zaak afdoen. Indien gij u nu uit dien kring terugtrekt, een leven van nietsdoen gaat lijden, dan zult gij u ten eerste vervelen en ten tweede geene rol meer spelen op het wereldtooneel.
“En nu breek ik af omdat mijn papier vol is. Wanneer mijne gedachte tot u spreekt, dan zult gij haar zelf uitwerken en ontwikkelen.”
Tot Fet wendde hij zich met denzelfden vriendelijken raad.
“Waarde en hooggeachte Afanasie Afanasjewitsch!
“Uwe mededeeling dat gij niets meer schrijven wilt of laten drukken beantwoord ik op dezelfde wijze als ik het Tolstoi gedaan heb. Indien gij niets goeds te schrijven hebt, blijfdan bij uw voornemen, doch zoo gij den drang tot schrijven voelt, zal een ander u daartoe niet behoeven aan te zetten.
“Het is niet mogelijk, al heeft men duizend eeden gezworen, goede gedichten of goede boeken voor zich te houden, en daarom moest gij het ook maar niet probeeren. De beide laatste jaren was het u en Tolstoi onmogelijk iets te scheppen, en gij hebt beiden goed gedaan een’ tijd lang te rusten. Zoodra echter uw geest zal ontwaken, zult gij, zoowel als Tolstoi, u weer willen uiten. Doe daarom geen gelofte, vooral niet omdat niemand er u naar vraagt. Het eenige, dat ik niet goed vind in uw besluit, is dat gij en Tolstoi, zoo ik mij niet vergis, u boos hebt gemaakt, hetzij op het publiek hetzij op de litteratuur. Wanneer iedere schrijver beleedigd zou zijn door eene zekere koelheid of door een schimpartikel, dan zou niemand meer schrijven behalve misschien Toerghenjeff, die nu eenmaal de kunst verstaat een allemansvriend te zijn. Wanneer men in de letterkundige wereld met slijk gooit, dan is dat volgens mijne meening ongeveer hetzelfde, als dat het paard dat gij berijdt iets onbehoorlijks doet, terwijl uw hoofd vervuld is van poëtische gedachten. Hier kan ik nog bijvoegen, dat men mij heeft uitgescholden zooveel als ik maar kon verlangen, en het heeft mij nog niet eens mijn’ eetlust bedorven. Integendeel, ik vond het een groot genoegen mij schrap te zetten, en ik zal natuurlijk steeds doorgaan met schrijven, totdat ik gezegd heb wat ik vind dat gezegd moet worden.”
Met zijne veronderstelling, dat het stilzwijgen der beide vrienden aan een zekere koelheid van het publiek moest worden toegeschreven, heeft Droezjinin zich echter vergist. Al heeft die koelheid misschien ook bestaan, de reden van hunne werkeloosheid lag toch ergens anders. Het was, dat beiden voelden dat er geen geestelijke band bestond tusschen den schrijver en de lezers. De schrijvers wisten niet wat zijmoesten schrijven en het publiek, vertegenwoordigd in de persoon van den kritikus, niet wat het van hen kon verwachten.
Deze rusttijd hield aan, totdat eene plotselinge gebeurtenis een heftigen indruk maakte op hun gevoel of hun verstand en hen weer aan den arbeid riep.
Keeren wij nu tot de ziekte van Nikolaas Tolstoi terug. Op weg naar het buitenland schreef deze uit St.-Petersburg aan zijn’ vriend Fet:
“Lieve vrienden Afanasie Afanasjewitsch en Iwan Petrowitsch!
“Ik kom mijne belofte nog vlugger na dan was afgesproken. Ik wilde u uit het buitenland schrijven en nu doe ik het reeds uit St.-Petersburg. Wij vertrekken morgen, d.w.z. Zaterdag. Ik heb dokter Z.... geconsulteerd. Hij is een Petersburger en geen Berlijner, zooals ik uit den brief van Toerghenjeff had opgemaakt. Hij stuurde mij naar de badplaats waar Toerghenjeff zich tegenwoordig ook bevindt, nl. Soden. Mijn volgend adres is Frankfurt am Main.”
Fet ontving den tweeden brief uit Soden.
“Ik heb niet eerst op antwoord gewacht, maar wil u even melden, dat ik goed en wel in Soden ben aangekomen. Men heeft echter bij mijne aankomst geen kanonschoten gelost. Wij troffen hier Toerghenjeff, die leeft en gezond is, zelfs zóó gezond, dat hij zelf verklaart ‘geheel gezond’ te zijn. Hij vond hier eene Duitsche jonge dame, die hij het hof maakt. Wij (dit is voor Iwan Petrowitsch bestemd) hadden ons voorgenomen te gaan schaken, maar tot nu toe is er nog niets van gekomen. Hij denkt aan zijne Duitsche en ik aan mijn herstel. Want nu ik dezen herfst opoffer, wil ik den volgenden kranig voor den dag komen. Soden is een heerlijk plekje. Ik ben hier nog niet eens eene week en voel mij reeds veel beter. Wij, Sergius en ik, bewonen drie kamers voor twintiggulden in de week; table d’hôte à één gulden, wijn is verboden. Een eenvoudig plaatsje dus, zooals ge ziet, maar mij bevalt het heel goed. Voor mijn venster staat een heel gewone boom, maar in de takken zit iederen avond een vogeltje te zingen. Dat herinnert mij aan het huisje in Nowosjelka. Doe mijne groeten aan Maria Petrowna; houdt u goed, lieve vrienden, en schrijft mij dikwijls. Ik denk lang in Soden te blijven, minstens een week of zes. Op weg hierheen heb ik niet geschreven omdat ik den geheelen dag ziek was. Nogmaals vaarwel!”
Leo Tolstoi schreef reeds 28 Juni 1860 uit Moskou aan Fet, dat hij had besloten zijne zuster naar het buitenland te begeleiden, en vroeg hem in verband met deze reis eenige huishoudelijke zaken (naar de paarden zien, enz.) voor hem te willen regelen.
Den 3denJuni vertrok hij met zijne zuster Maria Nikolajewna en hare kinderen per stoomboot uit Petersburg naar Stettin en vervolgens naar Berlijn.
De ziekte van zijn’ broer was niet bepaald de aanleiding voor Tolstoi’s reis, maar heeft die slechts verhaast. Reeds lang was hij van plan zich in Europa op de hoogte te gaan stellen van hetgeen men daar voor de volksopvoeding deed.
“Nadat ik mij een jaar met de scholen had bezig gehouden,” zegt Tolstoi in zijneBiecht, “vertrok ik voor de tweede maal naar het buitenland, om te leeren hoe ik het aan moest leggen anderen iets te leeren, terwijl ik zelf niets wist.”
Of zijn arbeid vruchten zou dragen, kon hij eerst na twintig jaren beoordeelen, maar op het oogenblik wierp hij zich met hart en ziel op de studie.
De ziekte en naderhand de dood van zijn’ broer brachten geene verandering in zijne plannen, maar deelden zijne reis intwee helften. Wij zullen trachten een geregeld overzicht te geven van zijne werkzaamheden.4
Tolstoi kwam dus met zijne zuster in Berlijn, waar hij eenige dagen bleef, terwijl zij doorging naar Soden.
Hier bezocht hij de universiteit, waar hij eenige college’s over geschiedenis, natuurkunde en physiologie bijwoonde en een’ avondcursus volgde in een “Handwerkerverein.” De populaire voordracht, gehouden door een’ beroemden professor, interesseerde hem in hooge mate en vooral de daarmede verbonden debatten wekten zijne belangstelling op. Deze wijze van volksopvoeding was voor Tolstoi iets geheel nieuws. Hij was zeer verbaasd over de vlugheid en vrijheid van gedachtenwisseling tusschen een van de voornaamste vertegenwoordigers der wetenschap en het volk.
Sedert dien tijd zijn er reeds meer dan veertig jaren verloopen, en nog steeds greep Rusland dit eenvoudige middel om het volk op te voeden niet aan. Nog steeds maakt de geestelijke zoowel als de staatscensuur de toepassing van deze eenvoudige wijze van volksopvoeding onmogelijk.
Ten slotte bezocht Tolstoi nog de gevangenis in de wijk Moabit, waar juist een nieuw strafsysteem, de eenzame opsluiting, was ingevoerd. Deze wijze van straffen maakte natuurlijk geen’ gunstigen indruk op Tolstoi.
Den 14denApril vertrok hij uit Berlijn, bleef één dag in Leipzig, waar hij een school bezocht, om vervolgens door de Sachsische Schweiz, die hij bijzonder mooi vond, naar Dresden te reizen. Hier maakte hij kennis met Auerbach, den schrijver van vele bekende volksverhalen.
De Amerikaansche schrijver Schyler vertelt in zijneHerinneringenaan Graaf L. N. Tolstoihet volgende van deze ontmoeting.
“Ik herinner mij dat ik, Tolstoi eens met het in orde brengen van zijne bibliotheek helpende, opmerkte dat de volledige verzameling der werken van Auerbach eene eerste plaats op eene eerste plank had gekregen. Tolstoi gaf mij de twee deelen vanEin neues Leben, om ze, als ik naar bed ging, eens door te lezen. ‘Aan dezen schrijver,’ voegde hij erbij, ‘heb ik het te danken, dat ik scholen voor mijne boeren heb opgericht en dat mijne belangstelling is opgewekt voor hunne ontwikkeling. Toen ik voor de tweede maal in Europa kwam en Auerbach een bezoek bracht kenden wij elkaar nog niet. “Ik ben Eugen Baumann,” (de held uit een zijner verhalen) zeide ik en haastte mij, toen ik zag dat hij min of meer verlegen werd, er bij te voegen: “niet van naam maar in karakter.” Daarop vertelde ik hem wie ik was, dat zijne werken mij tot nadenken hadden gebracht, en welk een goeden invloed zij op mij hadden uitgeoefend.
“Het toeval,” zoo vertelt Schyler verder, “voerde mij het volgend jaar naar Berlijn, waar ik in het gastvrije huis van den Amerikaanschen gezant Bancroft het genoegen had Auerbach te ontmoeten. Eens kwam het gesprek op Rusland en daardoor ook op Tolstoi, en herinnerde ik hem aan dat voorval.
“‘Ja,’ zeide hij, ‘ik weet nog heel goed hoe ikschrok, toen die vreemd uitziende heer mij zeide, dat hij Eugen Baumann was. Ik was n.l. bang dat hij mij van laster kwam beschuldigen.’”
De Saksische scholen konden Tolstoi niet bevredigen. Den 19denJuli vertrok hij naar Kissingen, zoodat hij langzamerhand ook dichter bij zijn broer kwam. Onderweg las hij veel, o.a. ook over de geschiedenis der paedagogie.
Den 5denAugustus 1860 schreef Tolstoi uit Kissingen aan zijne tante:
“Ik heb u zoolang niet geschreven, lieve tante, omdat ik u niet alleen tijding van mijzelf wilde doen toekomen, maar ook van al de onzen. Ik wacht nu echter al tien dagen tevergeefs op bericht van hen. Maria en ik zijn in den besten welstand te Berlijn aangekomen en maar één dag zeeziek geweest.
“In Berlijn ben ik met Maria en Warenka naar den bekenden dokter Traube geweest. Hij vond Maria volmaakt gezond en stuurde haar alleen voor haar’ arm naar Soden. Warenka moet de zeebaden gebruiken, maar hart en longen zijn niet aangedaan. Voor mij oordeelt hij Kissingen het geschiktst. In Berlijn kreeg ik eene vreeselijke kiespijn, zoodat Maria eerst vier dagen later naar Soden vertrok. Wij ontvingen een’ brief van de broers, waarin Nikolaas schreef dat hetschijntdat zijn verblijf in Soden hem goed doet. Dát is alles wat ik van hem weet. In Berlijn heb ik tien aangename en nuttige dagen doorgebracht, maar de tandpijn heeft mij er vier bedorven. Voorzoover ik het beoordeelen kan na een verblijf van negen dagen, schijnt Kissingen goed te zijn voor mijne migraine. Ik heb hier Auerbach met zijne vreemde oogen ontmoet, wat ik heel prettig vond, en ook zijne vrouw met haar krijschende stem, hetgeen mij minder verheugde. Mijn adres is: Kissingen (Bavière). Ik hoop dat gij mij spoedig zult antwoorden. Vaarwel, ik kus uw handje. Zeg s.v.p. aan den opzichter, dat hij goed voor alles moet zorgen en schrijf mij eens over ’t werk, den oogst, de paarden, en of er zieken zijn. Laat de onderwijzer mij op de hoogte houden van de schoolzaken, hoeveel kinderen er komen en of ze goed leeren. Ik kom ongetwijfeld tegen den herfst terug en ben van plan mij nog meer dan vroeger met het onderwijs bezig te houden. De goede reputatie van de school mag dus, nu ik er niet bij ben, niet verloren gaan, en er moeten zooveel mogelijk leerlingen worden aangenomen.”
Ook in Kissingen las Tolstoi zeer veel: op natuurkundiggebied Bacon, op godsdienstig Luther, terwijl Riehl’s werken hem tot gids strekten bij de studie der staatswetenschap. Waarschijnlijk heeft hij zich ook met Herzen bezig gehouden, want in zijn dagboek vinden wij de in dien tijd neergeschreven aanteekening:
“Herzen: geen helder verstand, eene ziekelijke eigenliefde, maar zijne goedheid, breede opvatting en elegante stijl zijn Russisch.”
In Kissingen maakte Tolstoi kennis met den Duitschen socioloog Jul. Fröbel, den schrijver vanTheorie der Politiek, en met diens oom, den paedagoog Fröbel, den stichter van de kindertuinen.
Fröbel was vol bewondering voor Tolstoi’s scherpen blik en opvattingen, die geheel nieuw voor hem waren en volkomen in tegenspraak met zijn systeem.
“Ruslands vooruitgang is slechts mogelijk,” verklaarde Tolstoi, “wanneer de volksontwikkeling daarvan den grondslag vormt. Die volksontwikkeling heeft bij ons meer kans van slagen dan bij u in Duitschland, omdat het Russische volk nog geheel onbedorven is, terwijl men het Duitsche volk kan vergelijken met een’ knaap, die eenige jaren eene verkeerde opvoeding heeft ontvangen.”
De volksontwikkeling moet volgens Tolstoi’s meening niet verplicht zijn. Zal zij vruchten dragen, dan moet de drang naar weten zich zelf openbaren, zooals b.v. de honger zich zelf openbaart.
Het grondbezit der boeren was een onderwerp dat hem ook zeer veel belang inboezemde; in hunne onderlinge samenwerking (het artèl) zag hij het beeld van den toekomststaat. Fröbel kon dikwijls een glimlach niet weerhouden als Tolstoi zijne meening uitte over het Duitsche volk. Dat hij b.v. in niet één boerenwoning de mooieDorpsvertellingenvan Auerbach, noch de werken van Hebel had gevonden, bracht hembuiten zichzelf van verbazing. “Bij ons,” zeide hij dan, “zouden de boeren tot tranen geroerd worden door zulke boeken.”
De indrukken, ontvangen door den omgang met Auerbach en Fröbel, versterkten hem nog in zijn voornemen om de plannen, die hem voor den geest zweefden, ten uitvoer te brengen. Fröbel vestigde Tolstoi’s aandacht op de werken van Riehl, wiens denkbeelden zeer veel met de zijne overeenstemden; ijverig wijdde hij zich daarop aan de bestudeering van Riehl’sNatuurlijke Historie van het Volk, als zijnde de grondslag van de Duitsche sociale politiek. Ook de geschriften van den paedagoog Fröbel werkte hij grondig door. Tijdens zijn verblijf in Kissingen maakte Tolstoi, daartoe aangelokt door de schoone natuur en de vele geschiedkundige herinneringen, verschillende grootere of kleinere uitstapjes in den omtrek. Hij ging naar den Harz, vertoefde eenige dagen in Thüringen, en van uit Eisenach bracht hij een bezoek aan den Wartburg.
Tolstoi voelde zeer veel belangstelling voor Luther, den grooten Duitschen hervormer, die, brekende met de traditie, zijn zwaren strijd op den Wartburg heeft gestreden. Hij bezocht de kamer waar Luther gewoond heeft, en waar, voor het eerst, de woorden uit den Bijbel in de Duitsche taal werden neergeschreven.
“Luther is groot,” schreef Tolstoi na dat bezoek in zijn dagboek.
Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi bevond zich, zooals wij weten, nog steeds in Soden. Den 19denJuli schreef hij aan zijn’ vriend Fet:
“Ik had u reeds eerder willen schrijven, lieve vriend, maar ik wilde u bericht zenden van de geheele Tolstoi-kolonie, hetgeen om de volgende reden echter niet kan geschieden:mijne zuster is met de kinderen naar Soden gekomen, waar zij een poosje voor hunne gezondheid blijven, maar oompje Leo zit in Kissingen, dat hier een uur of vijf vandaan ligt, en komt maar niet hierheen, zoodat ik hem nog niet heb gezien. Ik heb Sergius, die op zijne terugreis naar Rusland Kissingen heeft aangedaan, uw’ brief meegegeven. Hij zal wel spoedig bij u zijn en u alle bijzonderheden vertellen. Vergeef het mij, beste Afanasie Afanasjewitsch, dat ik uw’ brief aan mijn’ broer heb gelezen. Er stond veel waars in, maar alleen daar waar gij in ’t algemeen spreekt. Hetgeen gij van u zelf zegt is niet waar. Men kan zich zelf en zijn’ kring niet beoordeelen, en daarbij ontbreekt het u aan praktijk. Verdiep u minder in theorieën, word practisch en dan ben ik overtuigd dat uwe laksheid zal verdwijnen en gij nog eens een werk zult schrijven, dat Toerghenjeff en ik en nog een paar anderen met genoegen zullen lezen. En de rest van ’t menschdom draait gij den rug toe. Weet gij waarom ik zooveel van u houd, Afanasie Afanasjewitsch? Omdat gij zoo oprecht zijt en nooit holle frasen gebruikt, zooals b.v. onze dierbare en hooggeachte vriend Toerghenjeff. Toch is het mij heel eenzaam geworden sedert hij niet meer hier is, afgezien nog van het feit, dat de schaakclub is ontbonden. Zelfs mijn eetlust wordt minder sedert ik zijne gezonde, gezette gestalte niet meer tegenover mij zie en ik niet meer verplicht ben hem telkens het vleesch bij de worteltjes of de worteltjes bij het vleesch aan te reiken. Wij hebben het dikwijls over u gehad, vooral den laatsten tijd: ‘Nu maakt Fet zich gereed om op reis te gaan, nu komt Fet,’ enz. enz.... Toerghenjeff heeft zich een zwarten hond gekocht, een halfbloed panter. Ik drink geen bronwater meer en heb mij voorgenomen veel uitstapjes te maken. Mijn hoofdkwartier echter blijft Soden en het adres onveranderd.”
Van Nikolaas Tolstoi bleef ons zoo weinig litteraire arbeid,dat wij hier de enkele brieven laten volgen, die hij wisselde met zijne familie en met Dmitri Alexejewitsch Djakoff. Hoewel zij niet zeer belangrijk zijn, geven zij ons toch een’ indruk van zijn vriendelijk, goedhartig karakter.
Uit Soden schreef hij de familie Djakoff twee brieven.
“Hebt ge mijn’ brief uit St.-Petersburg ontvangen, beste vriend? Zoo ja, dan moet gij u schamen, dat gij er nog niet op hebt geantwoord. Ik hoop dat al de uwen gezond zijn, en schrijf mij nu in ’s hemelsnaam of Darja Alexandrowna5ook naar het buitenland gaat. Waarheen en wanneer zij ook gaat, als ik het maar weet, dan reis ik haar dadelijk tegemoet. Bronwater drink ik niet meer, ik houd nu alleen maar rust. Mijne zuster is ook hier en denkt een week of vier te blijven. Mijn adres is: Soden, près de Francfort sur le Main, maison ‘Landlust’.
“Met mijne gezondheid gaat het vooruit, hoewel ik nog niet geheel beter ben; waarschijnlijk kunnen wij hetzelfde van uw landgoed zeggen. Schrijf mij nu eens heel spoedig hoe het gaat, welke plannen gij hebt, enz. enz.... Leo is in Kissingen, Sergius is bij mij in Soden geweest, maar heeft al zijn geld verspeeld en is reeds weer naar Rusland terug. Waarschijnlijk is hij nu bij u.
“Geheel de uwe,GraafN. Tolstoi.”
“19 Juli. (Nieuwe stijl.)
“Ik weet niet, Darja Alexandrowna, hoe ik u zal danken voor uw schrijven; gij hebt uwen buurman dus nog niet vergeten. Hoe gaat het met uwe gezondheid en hoe maakt Maschi het? Ik hoop dat wij elkaar van ’t jaar nog zullen zien, en ik denk daaraan met groot genoegen. Gij hebtslechts te schrijven wanneer gij naar het buitenland gaat, waar gij u bevindt, en ik zal er zijn. Mijne zuster is ook in Soden en draagt mij op u te groeten. Wij schelden den geheelen dag op het weer—zomer is het hier niet geweest. Er is veel koude, regen en wind, en dat niet alleen in Soden maar in heel Europa. Laat u dat echter niet afschrikken. Kom maar en breng mooi weer mee.
“Met de meeste hoogachting verblijf ik
“Uw u toegenegenGraafN. Tolstoi.”
En aan zijn’ vriend:
“Ik vrees, mijn beste Dmitri, dat deze brief u niet zal bereiken; zoo gij hem wel ontvangt, meld mij dan per omgaande, waar gij heen gaat en vooral, waar gij den herfst zult doorbrengen. Mijn adres blijft nog steeds Soden, omdat ik zelf niet weet waar ik heen zal gaan. De doktoren hebben mij druiven en een zacht klimaat voorgeschreven, twee dingen die dit jaar in Europa niet te vinden zijn. Mijne zuster laat u groeten.
“Geheel de uweN. Tolstoi.”
Nikolaas Tolstoi had eenige aangename weken met zijne zuster en hare kinderen in Soden doorgebracht, maar zijne gezondheid liet nog veel te wenschen over. De doktoren rieden hem eenstemmig een verblijf in Italië aan.
Sergius Tolstoi was den 6denAugustus weer naar Rusland teruggekeerd. Natuurlijk maakte hij van de gelegenheid gebruik zijn’ broer Leo in Kissingen op te zoeken, om hem tevens op de hoogte te brengen van den slechten staat der gezondheid van hun’ broeder. Drie dagen later, juist op den dag dat Sergius weer vertrok, kwam Nikolaas zelf naarKissingen. Gravin Tolstoi met de kinderen waren nog in Soden gebleven, waar Nikolaas zich spoedig weer bij hen voegde.
Leo Tolstoi ging nog voor eenigen tijd naar den Harz, waar hij van de heerlijke natuur genoot en ook veel tijd aan lezen besteedde.
Eindelijk, 26 Augustus, kwam hij in Soden, waar alles reeds voor de afreis gereed was, en den 29stenAugustus gingen de beide broers naar Frankfort.
Waarschijnlijk had Tolstoi’s sterke individualiteit haar stempel gedrukt op zijne geheele persoonlijkheid. In Dresden immers maakte hij Auerbach aan ’t schrikken, en in Frankfort gebeurde iets dergelijks.
Gravin Tolstoi vertelt ons daarvan:
“Wij waren in Frankfort en Prins Alexander van Hessen met zijne gemalin brachten mij een bezoek. Plotseling ging de deur open en Leo, in een allervreemdst kostuum, dat herinnerde aan een’ Spaanschen roover op een plaatje, verscheen op den drempel. Ik was stom van verbazing. Hij was blijkbaar niet zeer ingenomen met mijne gasten, want hij verdween zoo spoedig mogelijk.
“‘Qui est donc se singulier personnage?’ vroegen mijne gasten.
“‘Mais c’est Léon Tolstoy.’
“‘Ah, mon Dieu, pourquoi ne l’avez-vous pas nommé. Après avoir lu ses admirables écrits, nous mourrions d’envie de le voir.’”
Op advies van den dokter vertrok de geheele familie Tolstoi naar Hyères, een plaatsje aan de Middellandsche Zee.
Nikolaas vond hier helaas ook geen baat en heeft er maar heel kort mogen wonen.
Een paar dagen na hunne aankomst schreef Tolstoi een’brief aan zijne tante Tatjana, waaruit blijkt dat zij nog niet alle hoop op herstel hadden opgegeven:
“De gezondheid van Nikolaas blijft nog steeds dezelfde, maar nu wij hier zijn hopen wij op beterschap, omdat zijne levenswijze in Soden, de reis en het gure weer hem meer kwaad dan goed hebben gedaan. De drie dagen die wij hier zijn hebben wij prachtig weer gehad, en men zegt dat het hier altijd zoo is. Maria heeft kennis gemaakt met eene prinses Galizina, die hier al negen jaren woont. Toen zij hier kwam was zij er veel slechter aan toe dan Nikolaas, en nu is zij eene volkomen gezonde, sterke vrouw.”6
Met de gezondheid van Nikolaas ging het echter meer en meer achteruit. Hij schreef eenige dagen vóor zijn’ dood nog een’ brief naar Parijs, aan zijn’ vriend Djakoff, waarin hij zelf de opmerking maakt, dat zijne krachten hem verlaten. Ook was het reeds merkbaar dat zijne hand hare vastheid had verloren.
“Ik schrijf je een paar woorden om je te laten weten waar ik ben. Mijne zuster en ik zullen den winter in Hyères blijven. Mijn en ook Leo’s adres is: MmeSénéquier, Rue du Midi. Naar Parijs gaan kan ik helaas niet meer. De reis is mij te vermoeiend, ik ben heel zwak. Schrijf mij, zoodra gij zijt aangekomen en dezen brief hebt gelezen, waar gij zijt, wat gij doet, enz. Nu het niet mogelijk is elkaar te zien moeten wij elkaar maar schrijven.
“Geheel de uweN. Tolstoi.”
Nikolaas Tolstoi stierf den 20 September 1860.
Leo Tolstoi deelde zijne tante Tatjana in de volgende bewoordingen het sterfgeval mede.
Medewerkers aan de Sawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz. 251.Medewerkers aan deSawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz.251.
Medewerkers aan deSawremjennik: Tolstoi.—Grigorowitsch.—Gontscharoff.—Toerghenjeff.—Droezjinin.—Ostrowski.—Blz.251.
“Waarde Tante!
“De zwarte rand om mijn brief zal u reeds alles gezegd hebben. Vanmorgen om negen uur is gebeurd hetgeen ik nu reeds twee weken ieder oogenblik verwachtte. Gisteren was het voor de eerste maal dat ik hem met het aankleeden mocht helpen. Vanmorgen voor ’t eerst werd hij bepaald bedlegerig en vroeg om een’ verpleger. Zijn bewustzijn heeft hij niet verloren. Een kwartier vóor zijn dood dronk hij nog een glas melk en zeide, dat hij zich beter gevoelde. Gisteren maakte hij nog grappen en toonde hij nog belangstelling voor mijne opvoedingsplannen. Zeer kort voor zijn’ dood fluisterde hij eenige malen: ‘mijn God, mijn God.’ Ik geloof, dat hij zich zijn’ toestand wel bewust was, maar hij wilde ons en zich zelf misleiden. Maria, die een paar wersten hier vandaan woont, was eenige uren van te voren weggegaan. Zij had het einde niet zoo spoedig verwacht. Ik heb hem juist de oogen toegedrukt. Spoedig zal ik bij u zijn en u alles vertellen... Vorstin Galizina heeft zich belast met de zorg voor de begrafenis, die hier zal plaats hebben. Vaarwel, lieve tante, troosten kan ik u niet. ’t Is Gods wil! Ik schrijf Sergius nu niet; hij is waarschijnlijk op de jacht en gij alleen weet waar hij zich bevindt. Wees dus zoo goed het hem mede te deelen of hem dezen brief te sturen.”
Den dag na de begrafenis schreef hij zijn’ broeder Sergius:
“Je hebt zeker het bericht van Nikolaas’ dood ontvangen.Het spijt mij voor je dat je niet hier waart. Hoe zwaar de slag ook is, het doet mij toch goed dat het in mijne tegenwoordigheid gebeurd is, en dat het sterfgeval mij heeft getroffen zooals het mij treffen moest. Niet zooals met Dmitri, wiens doodsbericht mij bereikte toen ik in ’t geheel niet om hem dacht. Het waren onze jeugdherinneringen zoowel als onze bloedverwantschap die ons verbonden. Nu hebben wij een vriend verloren, dien wij meer liefhadden en achtten dan iemand op dewereld. Het is mij eene vreeselijke gedachte, dat ik de laatste tijden het egoïstische verlangen had: hoe eerder het afloopt hoe beter. Om mij maar geen last te veroorzaken, deed hij, ijverig en sterk van karakter als hij was, nog alles zelf. Den dag vóor zijn dood kleedde en wiesch hij zich nog zonder hulp, en toen ik ’s morgens bij hem kwam zat hij reeds geheel gekleed in een’ leuningstoel. Eerst negen uren vóor zijn’ dood kon hij niet meer tegen de ziekte strijden, en vroeg hij mij hem bij het uitkleeden te helpen. Vroeger had ik mijne hulp niet aangeboden, omdat hij er niet van hield geholpen te worden. Nu voegde hij zich. Den geheelen dag was hij zacht gestemd, klaagde niet en prees iedereen. Tot mij zeide hij: ‘dank je, mijn vriend.’ Jij kunt begrijpen wat dat woord mij zegt. Ik vertelde hem, dat ik hem ’s morgens had hooren hoesten, maar dat ik niet naar hem toe was gegaan, om hem niet te hinderen. ‘Integendeel, het zou mij getroost hebben.’
“Wat heeft hij geleden; maar geuit heeft hij het voor het eerst een paar dagen vóor zijn’ dood. ‘Vreeselijk, die slapelooze nachten! Tegen den morgen stik ik bijna van het hoesten. En zoo nog eenige nachten te moeten lijden!’ Nooit heeft hij gezegd dat hij den dood voelde naderen; hij heeft het echter slechts niet uitgesproken. Op zijn’ sterfdag bestelde hij nog een’ nieuwen chambercloak, maar toen ik hem vertelde dat, indien hij niet beter was, Maria en ik niet naar Zwitserland zouden gaan, antwoordde hij: ‘denk je dan werkelijk dat ik beter wordt?’ De toon waarop dit gezegd werd, deed mij begrijpen, dat hij zijn’ toestand begreep, maar het voor ons niet wilde weten. ’s Morgens wist ik wat ons wachtte, en ik bleef steeds bij hem. Hij stierf, ten minste schijnbaar, heel kalm. De ademhaling werd langzamer en langzamer en hield eindelijk geheel op. Den volgenden morgen ben ik nog eens naar hem toe gegaan. Ik was bang dat hij veranderd zou zijn en er nogvreeselijker zou uitzien dan tijdens zijne ziekte. Je kunt je echter niet voorstellen hoe mooi hij daar lag, met die blijmoedige, vredige uitdrukking op zijn gelaat.
“Gisteren is hij hier begraven. Ik heb er eerst over gedacht hem te vervoeren en jou te telegrafeeren, maar ben toen van plan veranderd. Het geeft niet, de wonden nog verder open te rijten. Het spijt mij dat de doodstijding je midden in je jachtvermaak heeft bereikt. Het bericht kon je bij al die afleiding onmogelijk zoo treffen als ons. En toch is het zoo goed voor een mensch! Ik ondervind nu de waarheid van hetgeen men mij eens gezegd heeft, n.l. dat men zelf den dood gemakkelijker onder de oogen ziet, indien men iemand heeft verloren die zooveel voor ons is geweest als hij voor ons was. Jouw brief kwam juist toen de mis voor hem werd opgedragen. Nu kan je nooit meer met hem op jacht gaan! Een paar dagen vóor zijn’ dood bespraken wij nog zijne aanteekeningen over de jacht en las hij ze mij voor. Hij sprak ook veel over jou en zeide dat God jou alles geschonken had, wat een mensch gelukkig kan maken, maar dat je zelf je leven bederft. Dadelijk, den tweeden dag, heb ik een afgietsel van zijn gelaat en een portret van hem laten maken. Het portret is niet goed gelukt, maar het masker geeft zijne edele trekken geheel weer.”
De dood van zijn broer Nikolaas maakte een’ diepen indruk op Tolstoi, deed hem een tijdlang alle belangstelling in het leven verliezen en bracht zijn geloof in het goede aan het wankelen.
In zijn dagboek vinden wij de volgende aanteekeningen:
“13 October 1860. ’t Is nu bijna een maand geleden dat Nikolaas is gestorven en sedert dien tijd heb ik alle belangstelling in het leven verloren. Weer een vraag: Waarom? Ook ik sta mogelijk niet meer ver van den weg daarheen! Waarheen? Nergens heen. Ik tracht te schrijven; ik wil ermijzelf toe dwingen, maar het gaat niet, omdat ik het werk niet die waarde kan toekennen, die men het moet toekennen om er kracht en geduld voor te hebben. Tijdens de begrafenis kwam de gedachte bij mij op een materialistisch evangelie te schrijven: het leven van Christus—den materialist.”
Nadat de eerste, heftigste smart eenigszins bedaard was, schreef Tolstoi aan zijn’ vriend Fet:
“Ik veronderstel dat ge reeds weet wat hier gebeurd is. Den 20stenSeptember stierf Nikolaas letterlijk in mijne armen. Niets in mijn leven heeft zoo’n sterken indruk op mij gemaakt. Het is waar dat hij altijd zeide, dat er niets erger is dan de dood. En wat doet het goed te denken dat de dood toch het eind is van alles en dat er niets erger is dan het leven. Waarom zou men zich nog moeite geven als er voor iemand als Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi niets overblijft? Hij heeft nooit gezegd dat hij de nadering van den dood voelde, maar ik weet dat hij den afstand kende, die hem er van scheidde.
“Eenige oogenblikken vóordat hij stierf schrikte hij plotseling uit eene sluimering wakker en fluisterde ontzet: ‘Maar wat is het dan toch?’ Toen zag hij den dood, den overgang in het niet. En als hij niets kon vinden, waaraan zal ik mij dan vastgrijpen, wat zal ik dan vinden? Nog minder. En ik, noch iemand anders, zal zooals hij tot aan het laatste oogenblik met den dood strijden. Tot aan de laatste minuut deed hij alles zelf, trachtte zich bezig te houden, schreef, vroeg mij naar mijn werk en gaf mij raad.
“Maar hij deed dat alles, geloof ik, niet uit een innerlijken aandrang, maar uit principe. Hij bleef zich zelf tot aan het einde. Den avond van te voren ging hij naar zijne slaapkamer en viel daar, door zwakte overmand, bij ’t open raam op zijn bed neer. Toen ik bij hem kwam zeide hij met tranen in de oogen, dat hij daar zoo heerlijk een uurtje had gelegen.‘Uit stof zijt gij geboren en tot stof zult gij wederkeeren.’ Eén vage hoop rest ons nog, dat wij daar in de natuur, waarvan wij een deel zullen uitmaken, iets zullen vinden.
“Allen die zijne laatste minuten bijwoonden zeiden: ‘hoe heerlijk, rustig en zacht is hij ingeslapen.’ Maar ik weet hoe vreeselijk hij heeft geleden, want niets van hetgeen er in hem omging ontging aan mijn’ blik. Duizendmaal heb ik tegen mij zelf gezegd: laat de dooden de dooden begraven, maar men moet toch altijd zijne krachten gebruiken. Men kan een’ stem niet zeggen: val omhoog, terwijl alles hem omlaag trekt, niet lachen om een scherts die geen scherts is, niet eten wanneer men geen honger heeft. Waarom zou men zich inspannen, daar morgen de doodstrijd kan beginnen, de dood met zijn afschuwelijke leugen en zelfbedrog ons kan verrassen en wij kunnen overgaan in het niet?!
“Een misplaatste grap! ‘Wees nuttig, wees deugdzaam, wees gelukkig in het leven,’ zeggen de menschen tegen elkaar; ‘gij en het geluk en de deugd en het nuttig zijn, alles bestaat in de waarheid.’ En de waarheid, die ik in de dertig jaren die ik leefde heb leeren kennen, is, dat onze toestand ontzettend is.
“‘Neem het leven zooals het is, gij brengt u zelf in dezen toestand.’
“Wel zeker, ik neem het leven zooals het is!
“Nauwelijks heeft de mensch den hoogsten trap van zijne ontwikkeling bereikt of hij ziet duidelijk dat alles ijdel, dat alles bedrog is, en dat de waarheid, die hij toch boven alles lief had, iets vreeselijks is. Als gij die waarheid recht in ’t gezicht ziet, dan zult gij ook opschrikken en als mijn broeder zeggen: ‘Maar wat is het dan toch?’ Het spreekt van zelf dat, zoolang wij nog den wensch koesteren de waarheid te leeren kennen en de waarheid te spreken, wij ons daartoezullen inspannen. Dat is alles wat mij nog overbleef van mijne zedelijke wereld; verder gaan mijne wenschen niet. Daarnaar alleen wil ik streven, maar niet in den vorm van uwe kunst. De kunst is leugen en ik houd zelfs niet van een schoonen leugen.
“Dezen winter blijf ik hier; men moet toch ergens zijn. Schrijf mij eens spoedig. Ik houd evenveel van je als mijn broer, die tot aan zijne laatste oogenblikken aan je heeft gedacht, van je hield.
“L. Tolstoi.”
De indruk, dien de dood der duizenden, die hij onder de muren van Sewastopol had zien vallen, op Tolstoi had gemaakt, was niet zoo groot als die van dit ééne sterfgeval, den dood van zijn liefsten broeder. Toen zag hij met een physiek, nu met zijn geestesoog. Hij zag—en stond ontzet. Oprecht als hij was, trachtte hij zich zijne onmacht tegenover de macht van den dood niet te ontveinzen. En deze oprechtheid redde hem. Van dat oogenblik af, kan men zeggen, verliet de gedachte aan den dood hem niet meer en in den zielestrijd, die daarmee onvoorwaardelijk gepaard gaat, bleef hij overwinnaar. Na verloop van eenige maanden schreef hij naar aanleiding van een nieuw sterfgeval:
“Na een smartelijk lijden stierf een jongen van dertien jaren aan de tering. Waarom? Het geloof aan de vergelding is de eenige oplossing van die vraag. Als zij niet bestaat, dan is er ook geene ongerechtigheid, wordt de gerechtigheid geheel overbodig en is de behoefte daaraan bijgeloof.
“De gerechtigheid is eene levensvoorwaarde tusschen de menschen onderling, die zij ook zoeken in hunne betrekking tot de wereld. Zonder het leven hiernamaals is zij geheel ondenkbaar. Gelijkvormigheid is de eenige onveranderlijke natuurwet, zullen de natuurkundigen zeggen. In verschillende uitingen van denmenschelijken geest, in de liefde, in de poëzie, in de schoonste openbaringen vinden wij haar niet. Dat alles heeft bestaan en is gestorven, dikwijls zonder dat het te voorschijn trad. De natuur schrijdt haar doel ver voorbij, door het menschdom de behoefte aan liefde en poëzie te schenken, als haar eenige wet gelijkvormigheid is.”
Na verloop van zeven-en-twintig jaren schreef hij het boekOver het leven, dat eindigt met de woorden: “Het leven van den mensch is een streven naar de gelukzaligheid; waarnaar hij streefde, dat werd hem gegeven; evenmin als de gelukzaligheid den mensch tot onheil kan strekken, evenmin kan het leven het einde zijn.”
Sergius Plaksin geeft ons nog eenige bijzonderheden van Tolstoi’s leven te Hyères, in den familiekring van zijne zuster. Plaksin zelf was in dien tijd nog een kleine jongen, die met zijne moeder in hetzelfde pension woonde als de familie Tolstoi.
“Tijdens zijn verblijf te Hyères bracht Tolstoi dikwijls geheele dagen bij zijne zuster door. Zelf onvermoeid in het wandelen, leerde hij het ons. Altijd vond hij nieuwe plekjes en nieuwe wandelingen. Nu eens gingen wij de zoutmijnen bekijken op het schiereiland Porquerolles, dan beklommen wij den berg, waar eene kapel voor de Heilige Maagd was opgericht, of we bezochten eene ruïne, om de eene of andere reden ‘Trou des Fées’ genaamd.
“Onderweg vertelde Tolstoi ons allerlei sprookjes: van het gouden paard, of van den reuzenboom, in wiens takken gezeten men alle steden en zeeën van de geheele wereld kan zien. Hij wist dat ik geen sterke borst had en droeg mij daarom dikwijls heele einden op zijn’ schouder.
“Na het middageten vertelde Tolstoi onzen goedhartigen huisheer en zijn gezin de alleronmogelijkste dingen vanRusland, zoodat zij niet wisten wat zij er van moesten gelooven, totdat mijne moeder of gravin Tolstoi erbij kwam, die hun dan uitlegde wat waarheid en wat fantasie was.
“Dadelijk na het diner kwamen wij bij elkaar, om op het terras naar het weer te gaan kijken of in de groote zaal te gaan spelen. Op de tonen van slechte pianomuziek voerden wij dan een ballet of eene opera uit, zonder medelijden te hebben met onze toeschouwers: onze moeders, Leo Tolstoi en mijne gouvernante Liza. Ballet en dans werden afgewisseld door gymnastische oefeningen, waarin Tolstoi, die er altijd sterk op aandrong de spieren te oefenen, ons voorging. Hij strekte zich dan in zijne volle lengte op den grond uit, beval ons hetzelfde te doen, en dan moesten wij ons oprichten zonder onze armen te gebruiken. Ook hing hij tusschen de deurposten wel eens ringen voor ons op, waaraan hij dan tot onze groote vreugde zelf ook werkte.
“Het gebeurde wel eens dat wij zooveel leven maakten, dat de moeders Tolstoi vroegen ons wat rustiger bezig te houden. Wij moesten dan om de tafel gaan zitten, met pen en inkt voor ons.
“‘Luister nu goed,’ zeide Tolstoi, ‘ik zal jelui les geven.’
“‘Waarin?’ vroeg Liza, het toenmalige voorwerp mijner liefde.
“Tolstoi vervolgde zonder zijn nichtje een antwoord waardig te keuren:
“‘Schrijf nu.’
“‘Maar oompje, wat moeten wij schrijven?’ hield Liza aan.
“‘Luister dan, ik zal je een onderwerp opgeven.’
“‘Wat opgeven?’ kon Liza niet nalaten te zeggen.
“‘Een onderwerp,’ vervolgde Tolstoi gewichtig. ‘Schrijf nu: “Waardoor onderscheidt Rusland zich van andere landen?”’
“‘Begin nu, maar pas op, niet naschrijven hoor!’
“En wij begonnen.
“De regels die Kolja schreef liepen alle, hoe schuin hij zijnhoofd ook hield en hoe diep hij ook zuchtte, kris en kras over ’t papier. Een transparent gebruiken mochten wij niet, dat was maar verwennen, zeide Tolstoi. Terwijl wij dus onze gedachten aan het papier toevertrouwden en de beide moeders een of anderen nieuwen roman lazen, liep Tolstoi met groote schreden de kamer op en neer, totdat eindelijk de nerveuse gravin uitriep:
“‘Wat heb je toch, Leo? Je loopt als een ijsbeer heen en weer. Ga toch zitten.’
“Na verloop van een half uur ongeveer waren onze opstellen klaar, en Tolstoi nam eerst het mijne, maar de regels waren in elkaar geloopen en daarom gaf hij het mij terug en moest ik het zelf voorlezen. En ik begon met luider stemme te vertellen, dat Rusland zich daardoor van andere landen onderscheidde, dat men in de vastendagen pannekoeken at, uitstapjes naar de bergen maakte en op Paschen eieren kleurde.
“‘Kranig,’ zeide Tolstoi, die nu het handschrift van Kolja nam, waarin Rusland zich door sneeuw,—en dat van Liza, waarin het zich door de troika van de overige gedeelten der wereld onderscheidde. Wara, de oudste van ons, had de uitvoerigste beschrijving gegeven.
“’s Avonds leerde Tolstoi ons teekenen, waarvoor hij de ingrediënten uit Marseille, waar hij dikwijls heenging, meenam.
“Geheele dagen bracht hij met ons door; hij speelde met ons, onderwees ons, en als er soms verschil was ontstaan trad hij als scheidsrechter op.”
Nu laten wij nog de korte beschrijving, ons verstrekt door gravin Tolstoi, volgen van eene soirée, waar Tolstoi ook tegenwoordig was.
“Na den dood van Nikolaas woonden wij te Hyères. Leo had toen al naam gemaakt en de Russische kring gaf zich veel moeite om met hem in kennis te komen. Eens warenwij gevraagd bij vorstin Doedoekowa-Korsakowa, waar een voornaam gezelschap bijeen was. De clou van den avond zou de aanwezigheid van Tolstoi zijn, maar hij liet, helaas, heel lang op zich wachten. De gasten begonnen reeds te wanhopen en de gastvrouw beklaagde zich al in stilte over hare soirée manquée, toen eindelijk nog graaf Tolstoi werd aangediend. Alles leefde op, maar hoe groot was aller verbazing, toen hij binnen kwam, gekleed in een gewoon wandelcostuum en op klompen.
“Hij was juist van eene lange wandeling teruggekeerd, niet naar huis gegaan, en begon dadelijk een levendig betoog te houden over het voordeel van klompen boven laarzen, terwijl hij iedereen aanried zijn voorbeeld te volgen.
“Men vergaf hem in dien tijd ook reeds alles en het werd nog een heel gezellige avond. Tolstoi was zeer opgewekt; er werd gezongen en op algemeen verlangen nam hij de begeleiding op zich.”
Tot begin December bleef hij in Hyères, reisde toen over Marseille naar Genève, waar hij zijne zuster met de kinderen achterliet om zelf eene reis door Italië te gaan maken. Achtereenvolgens bezocht hij Pisa, Livorno, Florence, Rome en Napels.
Gedurende zijne buitenlandsche reis vertoefde Tolstoi eenige malen te Marseille, welke groote handelsstad hem blijkbaar sterk aantrok en interesseerde.
In een van zijne opstellen over paedagogie geeft hij de volgende beschrijving van zijn verblijf te Marseille.
“Het vorige jaar bevond ik mij te Marseille, waar ik alle inrichtingen van onderwijs voor de arbeidende klasse bezocht. De zucht tot leeren bij de bevolking is zoo groot, dat bijna alle kinderen drie, vier, vijf en zes jaar naar school gaan. Het leerplan bevat de volgende vakken: bijbelsche en algemeenegeschiedenis, het van buiten leeren van den cathechismus, de vier hoofdbewerkingen der rekenkunde, Fransche orthographie en boekhouden; waarom dit laatste op het programma stond heb ik nooit begrepen en heeft ook geen der leeraren mij kunnen uitleggen. Het eenige dat ik wel begreep, nadat ik de boeken der leerlingen, die den cursus hadden afgeloopen, had gezien, is, dat zij nog geen drie regels van de rekenkunde kenden, dat zij machinaal wat met getallen leerden werken en op dezelfde wijze ‘tenue des livres’ hadden geleerd. Het is onnoodig te zeggen dat boekhouden, zooals het in Duitschland en Engeland wordt onderwezen, alleen reeds vier uren voor de verklaring vereischt voor een’ leerling die de vier regelen der rekenkunde machtig is.
“Niet één der kinderen, die deze scholen bezochten, kon zelfstandig eene som oplossen, d.w.z. de eenvoudigste optelling of aftrekking maken. Wat zij echter uit het hoofd hadden kunnen leeren, deden zij vlug en goed.
“Op eene vraag uit de Fransche geschiedenis, die zij juist van buiten hadden geleerd, wisten zij goed te antwoorden; maar toen ik hun iets vroeg waarop zij zich niet hadden voorbereid, kreeg ik ten antwoord dat Hendrik IV door Julius Caesar was vermoord.”
”... In Marseille bezocht ik ook nog eene gewone en eene kloosterschool voor volwassenen. Die scholen werden door een duizend leerlingen bezocht (twee honderd mannen), terwijl de stad 250,000 inwoners telt. Het onderricht werd hier op dezelfde wijze gegeven: mechanisch lezen, waarvoor reeds een jaar of langer gebruikt werd, boekhouden zonder kennis der rekenkunde, geloofsleer enz.
“Daarna bezocht ik eene bewaarschool, waar kinderen van vier jaren als soldaatjes marcheerden, op commando in de handjes klapten en met bevende stemmetjes hymnen zongen ter eere van God en van hunne weldoeners.
“Resumeerende kwam ik tot de conclusie, dat het onderwijs in Marseille bijzonder slecht is. Wanneer er eens een wonder kon gebeuren en men de menschen kon gade slaan in die inrichtingen voor onderwijs, zonder hen op straat, op hun werk, in de café’s of in hun huizen te zien, dan zou ons oordeel zijn, dat het volk onwetend, ruw, huichelachtig en vol vooroordeelen is, kortom, een volk bijna zonder beschaving. Geeft men zich echter de moeite om zich met de menschen in verbinding te stellen en met hen te praten, dan komt men tot de overtuiging, dat het Fransche volk bijna is zooals het meent te zijn; vlug van begrip, verstandig, vrijgevig, nadenkend en werkelijk beschaafd. Let eens op een’ dertigjarigen werkman uit eene stad. Hij schrijft een brief zonder de fouten welke hij er op school in maakt, soms zelfs heelemaal goed. Hij is op de hoogte van de politiek en bijgevolg ook van aardrijkskunde en de nieuwste geschiedenis; hij weet iets van litteratuur en heeft eenig begrip van natuurkunde. Heel dikwijls kan hij een weinig teekenen, en van wiskunde weet hij zooveel als hij voor zijn beroep noodig heeft. Hoe nu heeft hij dit alles verkregen?
“Het antwoord op die vraag vond ik vanzelf, toen ik na mijn schoolbezoek eens op straat in de café’s, de café-chantants, de museums, de werkplaatsen, bij de havens en in de boekwinkels begon rond te zien. Dezelfde jongen, die mij had verteld dat Hendrik IV door Julius Caesar vermoord was, kende heel goed de geschiedenis vanDe drie Musketiersen vanDe Graaf de Monte-Christo. In Marseille vond ik acht-en-twintig goedkoope geïllustreerde tijdschriften van 5 à 10 centimes. Onder eene bevolking van 250,000 inwoners waren 30,000 exemplaren verspreid. Wanneer wij dus aannemen, dat tien menschen één nommer lezen of hooren voorlezen, dan worden zij nog door iedereen gelezen. Dan hebben wij nog de museums, de publieke bibliotheken, deschouwburgen, de café’s, twee groote café-chantants, waar iedereen tegen betaling van 50 centimes toegang heeft, en die dagelijks gemiddeld door 25,000 menschen bezocht worden, om nog niet eens van de kleine inrichtingen te spreken. In al die café’s worden tooneelstukken opgevoerd, verzen gedeclameerd enz. enz. Ruw berekend ontvangt een vijfde gedeelte van de bevolking dagelijks dus onderwijs op de wijze zooals de Grieken en de Romeinen het in hunne amphiteaters ontvingen.
“Of die opvoeding goed of slecht is, dat is eene andere vraag. Wij zien echter dat de onbewuste opvoeding sterker is dan de gedwongene, die geheel door haar verdrongen en op den achtergrond geschoven wordt.
“Het eenige wat den leerlingen bijbleef van hun vijf- of zesjarig onderricht bestond hierin, dat zij in staat waren eenige letters naast elkaar te zetten en er woorden van te vormen.”
In Januari van ’t jaar 1861 bevond Tolstoi zich weer te Parijs, waar hij als naar gewoonte het leven op straat met groote aandacht gadesloeg.
“Toen ik in Parijs was,” zeide Tolstoi eens tegen Schyler, “zat ik soms heele dagen boven op de omnibussen, mij vermakende met de beschouwing van het publiek, en ik kan u de verzekering geven, dat ik bijna in iedere persoon een type van Paul de Kock herkende.”
Dat de werken van dien auteur onzedelijk zouden zijn heeft Tolstoi steeds tegengesproken.
“Van de geheele Fransche litteratuur stel ik de boeken van Alexandre Dumas en Paul de Kock het hoogste,” vervolgde Tolstoi zijn gesprek met Schyler, en op diens verwonderden blik sprak hij verder:
“Neen, kom mij niet met dien onzin aan, dat Paul de Kock onzedelijk is. Naar Engelsche begrippen is hij misschien een weinig ‘leste et Gaulois’, zooals de Franschen het uitdrukken,maar onzedelijk is hij niet. Wat hij ook zegt, en al veroorlooft hij zich hier en daar eene gewaagde scherts, zijne richting blijft volkomen zedelijk. Hij is de Fransche Dickens. Zijne personen zijn naar het leven geteekend en geheel afgewerkt.
“En wat Dumas betreft, ieder romanschrijver moest hem van buiten kennen. Ik lees en herlees zijne werken. De intrige is altijd mooi, maar hoofdzakelijk legt hij er zich op toe om een goed verband en eene goede oplossing te verkrijgen.”
Te Parijs kwam Tolstoi in aanraking met Toerghenjeff, waardoor eene eenigszins nauwere betrekking tusschen die beide schrijvers ontstond.
Vandaar reisde hij naar Londen, waar hij bijna iederen dag met Herzen samen kwam. Hij behandelde met hem vele gewichtige vragen van den dag, maar van deze gesprekken kunnen wij helaas niets weergeven, daar noch Herzen, noch Tolstoi er aanteekeningen van hebben gemaakt.
In deHerinneringen van Toetschkowaja Ogarjewajavinden wij nog een paar woorden, die betrekking hebben op deze samenkomsten.
“Tolstoi, de schrijver vanKinder-, Jongens-enJongelingsjaren, boeken die eene groote beroering te weeg brachten in de lezende wereld, bracht dikwijls een bezoek bij Herzen. Deze was daar zeer mee ingenomen en bewonderde vooral de vrijheid, waarmede hij zijne diepste, innigste gevoelens neerschreef en ook mondeling uitte. Wat zijne filosofie betreft, die vond Herzen dikwijls zwak, onduidelijk en nietsbewijzend.”
Eene dochter van Herzen, die echter slechts eene vage voorstelling van deze samenkomsten heeft, verschafte ons nog de volgende kleine aanteekening.
“Als klein meisje las en bewonderde ik de werken van Tolstoi. Eens van vader hoorende, dat deze schrijver ons een bezoek zou brengen, vroeg ik vergunning daarbij tegenwoordigte zijn. Om niet opgemerkt te worden ging ik op het vastgestelde uur in mijns vaders studeerkamer, in het uiterste hoekje zitten, en spoedig daarop werd Tolstoi aangediend. Met kloppend hart zat ik te wachten, maar hoe groot was mijne teleurstelling toen daar een naar de laatste Engelsche mode gekleede heer binnenkwam, die dadelijk met mijn’ vader een levendig gesprek begon over de laatste hanengevechten en bokspartijen die hij in Londen had bijgewoond. In dit eenige onderhoud dat ik bijwoonde gelukte het mij niet ééne enkele diepe gedachte op te vangen.”
Men kan echter gerust aannemen, dat de gesprekken van deze twee groote Russische schrijvers zich niet bepaalden tot een praatje over sport. Bij het afscheid gaf Herzen zijn’ vriend eene introductie mee voor Proudhon.
In Engeland, evenals elders, bezocht Tolstoi verschillende scholen. Ook luisterde hij in het parlement naar eene rede van Palmerston, die ruim drie uren duurde.
In Londen ontving Tolstoi het bericht, dat hij tot vrede- en scheidsrechter was benoemd, en den 19enFebruari 1861, den dag van de opheffing der lijfeigenschap, besloot Tolstoi naar Rusland terug te keeren. Hij reisde over Brussel, waar hij Proudhon een bezoek bracht. Deze energieke, uit het volk geboren, zelfstandige denker maakte een’ diepen indruk op Tolstoi. Waarschijnlijk is deze kennismaking ook van invloed geweest op zijne veranderde wereldbeschouwing. Eens met mij over Proudhon sprekende, zeide Tolstoi: hij schijnt mij een energieke man, en heeft, zooals men dat noemt, “le courage de son opinion.”
Proudhon’s bekend aphorisme: “la propriété c’est le vol” zou als epigram boven de meeste van Tolstoi’s economische werken geplaatst kunnen worden.
In Brussel bracht Tolstoi ook nog een bezoek aan den ouden, grijzen Poolschen historicus Lelewel, die daar ingroote armoede leefde. Hier ook schreef hij het begin der vertellingPolipoeschka.
Leo Tolstoi in 1856, toen hij den krijgsdienst verliet.—Blz. 275.Leo Tolstoi in 1856, toen hij den krijgsdienst verliet.—Blz.275.
Leo Tolstoi in 1856, toen hij den krijgsdienst verliet.—Blz.275.
Eindelijk, den 13enApril, vertrok Tolstoi uit Brussel om over Berlijn naar zijn vaderland terug te reizen.
De eerste stad die hij in Duitschland aandeed was Weimar, waar hij de gast was van den Russischen gezant, die hem in kennis bracht met den hofmaarschalk, welke, op zijne beurt, hem voorstelde aan den Groothertog Karel Alexander.
Door bemiddeling van den gezant kreeg Tolstoi verlof het huis van Goethe, dat in dien tijd nog niet voor ’t publiek geopend was, te bezichtigen. Veel meer belangstelling toonde hij echter voor de Fröbel-scholen en -tuinen, die toenmaals onder directie stonden van Mina Schelhorn, eene persoonlijke leerlinge van Fröbel. Met groote bereidwilligheid vertelde zij den vriendelijken Russischen graaf alles wat hij van haren werkkring en hare kinderen wenschte te vernemen.
Onlangs schreef Dr. von Bode in het paedagogisch tijdschriftDer Säemanneen belangrijk artikel, getiteldTolstoi te Weimar, waarin hij o.a. het gesprek weergeeft, gevoerd tusschen den nu reeds overleden Julius Schlentzer en Tolstoi, bij diens bezoek aan Schlentzer’s school.
“Het was de Vrijdag na Paschen. Ik wilde juist in de 2deklasse met de les beginnen, toen de deur openging, en een seminarist met eene hoofdbuiging meldde: ‘Hier is iemand die u wenscht te spreken.’
“Hij had een’ heer bij zich, die zich niet voorstelde en die ik voor een’ Duitscher hield, omdat hij even zuiver Duitsch sprak als wij.
“‘Welke les gaat gij geven?’ vroeg hij.
“‘Eerst geschiedenis en dan Duitsch,’ antwoordde ik.
“‘Heel goed; ik heb reeds verschillende scholen in Zuid-Duitschland, Frankrijk en Engeland bezocht, en wilde nu gaarnemet de Noord-Duitsche kennis maken. Hoeveel klassen heeft uwe school?’
“‘Zeven; dit is de tweede. Ik ken echter mijne leerlingen nog niet, omdat ik pas met hen ben begonnen en kan dus waarschijnlijk uwe nieuwsgierigheid niet bevredigen.’
“‘Dat is mij precies gelijk. Hoofdzaak voor mij zijn het leerplan en de methode. Vertel mij, als gij wilt, eens volgens welke methode gij geschiedenis onderwijst.’
“‘Ik heb zelf een plan ontworpen.’ Toen ik dat nu den vreemden leeraar in de geschiedenis, waarvoor ik hem hield, ging verklaren, nam deze een notitieboekje uit zijn’ zak, waarin hij ijverig aanteekeningen maakte. Plotseling zeide hij:
“‘Het komt mij voor dat in dit zoo goed doordachte plan de vaderlandsche geschiedenis ontbreekt.’
“‘Neen, die is niet vergeten, maar daarmee beginnen wij pas in de volgende klasse.’
“Het werd tijd voor de les, en ik begon te vertellen van de verschillende trappen van beschaving. De vreemdeling ging stil door met het maken van zijne aanteekeningen, en vroeg toen de les geëindigd was: ‘Wat nu?’
“‘Duitsch. Ik wilde, eerlijk gesproken, de kinderen laten lezen, maar als gij iets anders liever hebt, dan zal ik het gaarne veranderen.’
“‘Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Weet gij, ik heb er veel over nagedacht hoe men de vrije gedachte van de kinderen kan ontwikkelen.’ (In het Duitsch zeide hij letterlijk: de gedachte ‘flüssig machen,’ eene uitdrukking die ik nooit zal vergeten.) Ik deed mijn best om aan zijn’ wensch te voldoen.
“Ik noemde een onderwerp, en daarover moesten de kinderen een opstel maken. De vreemdeling stelde hier veel belang in, liep tusschen de banken door, nam beurtelings de schriften van de kinderen en las wat zij hadden neergeschreven. Ikbleef op mijne plaats, om de leerlingen niet af te leiden. Toen de opstellen bijna klaar waren, vroeg mijn gast:
“‘Mag ik nu het werk meenemen? Ik stel er heel veel belang in.’
“Dat is toch al te erg, dacht ik, maar antwoordde beleefd, dat het onmogelijk ging, daar de kinderen hunne schriften zelf moesten bekostigen; dat de Weimarsche bevolking arm was en de ouders boos zouden worden, zoo men hen verplichtte nieuwe te koopen.
“‘Dat is te verhelpen,’ zeide hij, en ging weg.
“Ik wist niet hoe ik het had, en stuurde een kind naar mijn’ vriend, den directeur van het seminarium, met de boodschap dat hij eens moest komen, omdat er bij ons iets heel ongewoons voorviel. Mijn vriend kwam.
“‘Nu heb je mij een koopje bezorgd,’ zeide ik, ‘mij zoo’n zonderling te sturen, die de schriften der kinderen mee wil nemen.’
“‘Ik heb niemand gestuurd,’ antwoordde hij.
“‘Maar gij zijt toch de directeur van het seminarium, en een seminarist heeft hem immers gebracht.’ Toen herinnerde hij zich, dat er in zijne afwezigheid een hooggeplaatst ambtenaar bij zijne vrouw was geweest, die haar verzocht had er zorg voor te dragen dat men den hem vergezellenden heer alle door hem gewenschte inlichtingen zou verschaffen.
“Terwijl wij zoo het geval bespraken, keerde de vreemdeling terug met zijn’ arm vol schriften, die hij in den eersten den besten winkel had gekocht. Daar de beide heeren gelijktijdig bij mij waren, moest ik hen wel aan elkaar voorstellen, en wisselden zij dus de gebruikelijke plichtplegingen.
“‘Monhaupt, directeur van het gymnasium.’
“‘Graaf Tolstoi uit Rusland.’
“Hij was dus een graaf en geen leeraar! en een Rus. En hij sprak Duitsch als een geboren Duitscher.
“De kinderen kregen bevel hunne opstellen over te schrijven in de schriften, welke graaf Tolstoi had meegebracht. Hij verzamelde ze zorgvuldig, rolde ze op en gaf ze aan een’ bediende, die bij de deur op hem wachtte. Van mij ging hij met den directeur naar Trebst, een leeraar aan de Hoogere Burger-School, dien hij vroeger eens in Rusland had leeren kennen.”
Dr. von Bode eindigt zijn artikel met de volgende woorden, gewijd aan den ouden onderwijzer:
“Nu moet ik nog een paar woorden zeggen van den ouden Schlentzer. Hij stierf in 1905 op bijna 93-jarigen leeftijd. Voor mij was hij een zeer merkwaardig mensch, omdat hij de twee mannen gekend heeft aan wier boeken ik het beste deel van hetgeen ik weet heb ontleend. Hij heeft Goethe en Tolstoi gekend. Eens heeft Schlentzer met Goethe gesproken. Hij was in 1828 gymnasiast te Weimar en woonde met een’ schoolkameraad bij Eckermann, op een paar schreden afstand van het huis van Goethe. De beide jongens zagen hem dikwijls voor het raam zitten, en daar zij hem zoo graag eens van dichtbij wilden zien en met hem wilden praten, vroegen zij Eckermann of die hun daartoe niet eens in de gelegenheid kon stellen.
“En zoo gebeurde het, dat Eckermann hen op een’ zomermorgen door een poortje Goethe’s tuin binnen liet gaan, waar de dichter liep te wandelen. Toen hij de gymnasiasten zag, ging hij naar hen toe, vroeg wie zij waren, wat zij wilden worden, en gaf hun den raad flink te studeeren.
“Er was niets merkwaardigs in dit gesprek, maar Schlentzer, dien toch in zijn leven, als onderwijzer en als mensch, veel eer te beurt viel, verzekerde mij dat niets hem zooveel genoegen had gedaan als dat korte gesprek met zijn’ beroemden tijdgenoot.”
Van Weimar ging Tolstoi naar Gotha, waar hij de groote Fröbelkindertuinen bezocht en kennis maakte met de eerstepaedagogen. In Jena kwam hij in aanraking met den jongen mathemathicus Keller, dien hij overreedde mee naar Rusland te gaan, om hem bij de uitvoering zijner opvoedingsplannen te helpen. Tolstoi hield zich ook nog eenige dagen te Dresden op, waar hij Auerbach weer ontmoette. In zijn dagboek vinden wij de volgende korte aanteekening:
“21 April, Dresden. Auerbach is een prachtmensch.Ein Licht, nur eingefangen.Zijne vertellingen zijnOver den eersten indruk der Natuur, Versöhnung, Abende.a. Over het Christendom schrijft hij als over de hoogste uiting van den menschelijken geest. Hij zegt uitstekend verzen. Muziek vindt hijein pflichtloser Genuss, dat volgens zijne meening tot zedenbederf leidt. Eene vertelling:Schätzkästlein. Hij is 49 jaren, oprecht, jong van hart en geloovig; twijfel kent hij niet.”
Uit Dresden schrijft Tolstoi zijne tante Tatjana:
“Ik ben goed in orde en brand van verlangen naar Rusland terug te keeren. Nu ik echter eenmaal in Europa ben en niet weet wanneer ik er weer zal komen, wil ik, dat zult gij wel begrijpen, zooveel mogelijk nut van mijne reis trekken. Nu, op dat punt kan ik tevreden zijn. Ik neem zoo’n groote hoeveelheid indrukken en kennis mee, dat het een’ heelen tijd zal duren, voor ik alles in mijn hoofd geregeld heb. Ik denk tot den 21stenin Dresden te blijven en reken er vast op met Paschen in Jasnaja Paljana te zijn. Als de scheepvaart den 25stennog niet geopend is, ga ik over Warschau naar Petersburg, waar ik moet zijn om vergunning te krijgen voor eene krant, die ik op mijn school te Jasnaja wil redigeeren. Ik breng een jongen Duitscher mee; hij is leeraar aan de universiteit, beschaafd en ontwikkeld, maar nog zeer jong en onervaren.”7
Den 22stenApril bevond Tolstoi zich te Berlijn, waar hijook kennis maakte met den zoon van den beroemden paedagoog Diesterweg, directeur van het seminarium. Hij had zich voorgesteld een verlicht mensch te zien, zonder vooroordeelen, die zich in zijn’ veeljarige loopbaan een zelfstandig oordeel had gevormd, en hij vond (dit zijn zijne eigen woorden) een kouden, harteloozen pedant, die meende volgens vastgestelde regels kinderzielen te kunnen vormen.
De vraag of er verschil bestaat tusschen de begrippen: opvoeding, beschaving en onderricht, was voornamelijk het onderwerp van hun gesprek.
“Diesterweg lachte spottend wanneer iemand beweerde, dat er inderdaad verschil bestond; volgens zijne begrippen waren deze drie één. En ondertusschen spraken wij èn over opvoeding, èn over beschaving, èn over onderwijs, en wij begrepen elkaar heel goed.”
Later zullen wij zien, dat niet alleen deze paedagoog, maar de geheele methode, die hij in West-Europa had zien toepassen, Tolstoi niet kon bevredigen. Dat hij in zijne scholen proeven nam met het door hem in Frankrijk, Engeland en Duitschland verzameld materiaal geschiedde alleen met het doel om eene zelfstandige methode te verkrijgen.
Na eene afwezigheid van negen maanden, kwam Tolstoi eindelijk den 23stenApril 1861 in Rusland terug.
Het is wel te begrijpen, dat de zware Duitsche wetenschap Tolstoi niet kon bevredigen, hetgeen hem evenwel niet had weerhouden zich er met zijn bekend enthousiasme op te werpen, alles bestudeerende, in de praktijk zoowel als in de theorie.
Het resultaat van die studie was, dat Tolstoi, de toewijding en den ernst van den onderwijzer waardeerende, de methode afkeurde.
Het kwaad (dat volgens zijne meening de geheele Europeesche wetenschap aankleeft) school zijns inziens hoofdzakelijk in het volgende: “Het hoofddoel van de vertegenwoordigers derwetenschap is het streven naar eene goede positie, waaraan veel vrije tijd verbonden is, om dien dan in het beste geval in dienst te stellen van het volk, dat echter in dien zelfden tijd reeds zooveel heeft moeten lijden, dat eene toenadering van weerskanten onmogelijk is geworden. En het volk, gegriefd, stil lijdend, trekt zich terug van zijne helpers, die het niet begrijpen, het onwetend beleedigen en hoogstens lapmiddelen hebben voor zijne physieke en moreele wonden.”
In hoeverre Tolstoi der paedagogie eene andere richting heeft gegeven, zullen wij in een later hoofdstuk behandelen.
1Het volk.2Joefan was een bijzonder flinke knecht, en daarnaar noemde Tolstoi den zwaren grondarbeid: “Joefanstwo”.31 desjatin = 4800 M2.4De interessante bijzonderheden van deze reis ontleenen wij aan R. Löwenfeld:Graaf L. N. Tolstoi, zijn leven en zijn werken, en brachten zoo noodig eenige verbeteringen aan met gebruikmaking van brieven, door Tolstoi aan zijne bloedverwanten geschreven.5De vrouw van Djakoff.6In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.7In het handschrift in het Fransch aangehaald.
1Het volk.
2Joefan was een bijzonder flinke knecht, en daarnaar noemde Tolstoi den zwaren grondarbeid: “Joefanstwo”.
31 desjatin = 4800 M2.
4De interessante bijzonderheden van deze reis ontleenen wij aan R. Löwenfeld:Graaf L. N. Tolstoi, zijn leven en zijn werken, en brachten zoo noodig eenige verbeteringen aan met gebruikmaking van brieven, door Tolstoi aan zijne bloedverwanten geschreven.
5De vrouw van Djakoff.
6In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
7In het handschrift in het Fransch aangehaald.