Vijfde hoofdstuk.

Vijfde hoofdstuk.Jongensjaren.Toen Tolstoi’s jongensjaren begonnen, kwam voor de oudere broers Nikolaas en Sergius de tijd van ernstige studie. In het jaar 1830 verhuisde de familie Tolstoi daarom naar Moskou, waar ze gingen wonen in het huis van Schtscherbatscheff. Dit huis bestaat nog en bevindt zich tegenover de kerk die den naam draagt Smoljenskaja Bozja Matjer, in een z.g. hof.De winters van 1836 en ’37 brachten zij hier door, en ook den zomer na den dood van hun’ vader.In dien zomer van 1837 ging Tolstoi’s vader eens voor zaken naar Toela. Op weg naar zijn’ vriend Tjemjeschoff werd hij plotseling door eene duizeling bevangen, wankelde en viel, door eene beroerte getroffen, dood neer.Anderen beweren, omdat er geld ontbrak, en ook papieren die nog in Moskou op een geheimzinnige wijze door eene vrouw terug werden gebracht, dat hij door een’ bediende zou zijn vergiftigd.Zijn lijk werd van Toela naar Jasnaja Paljana gebracht. De begrafenis werd bijgewoond door zijne zuster Alexandra Ilinitschna en zijn’ oudsten zoon Nikolaas.Het is de dood van zijn’ vader die wel den diepsten indruk heeft nagelaten in Tolstoi’s kinderherinneringen. Voor het eerst, zegt hij, ontwaakte in hem de godsdienstige vrees voor het vraagstuk van leven en dood. Doordat zijn vader niet in huis was gestorven, duurde het lang eer het tot hem doordrong,en als hij op straat soms bekenden zag, dan dacht hij, ja, hij wist het bijna zeker, dat hij zijn vader daar ook bij zou ontmoeten. En dit gevoel van hoop en niet gelooven in den dood verzachtte zijne smart.Na den dood van het hoofd der familie bleven de Tolstoi’s dien zomer in Moskou. Dat was de eerste en misschien ook wel de laatste maal, dat Leo Tolstoi een’ zomer in de stad doorbracht. Een sterken indruk behield hij van de uitstapjes die er gemaakt werden in wagens bespannen met vier paarden, niet naast maar voor elkaar, van de mooie omstreken van Koeznjetzoff en Neskoetschni, en van de afschuwelijke lucht der fabrieken rondom Moskou, die in dien tijd de omgeving bedierf.“Grootmoeder was door den dood van haar zoon als gebroken. Altijd weende zij en ’s avonds liet zijdikwijlsde deur van de naaste kamer open en beweerde, dat haar zoon daar was en dat zij met hem sprak. Soms vroeg zij angstig aan haar dochter: ‘Is het waar dat hij dood is?’—Na negen maanden stierf zij van verdriet.”De dood van zijne grootmoeder voerde Tolstoi’s gedachten, hoewel hij het zich toen niet bewust was, weer naar het vraagstuk van leven en dood.Zijne grootmoeder heeft lang moeten lijden. Tegen het eind van haar ziekte kreeg zij waterzucht. Nog kan Tolstoi zich den schrik herinneren, toen hij bij haar gebracht werd om afscheid te nemen en zij, geheel in ’t wit, op haar bed liggende, zich met moeite naar haar kleinzoons toekeerde en hun, bijna onbeweeglijk, haar witte hand toestak, een hand dik opgeloopen als een kussen.Maar zooals het altijd bij kinderen gaat, werden de schrik en angst voor den dood al spoedig verdrongen door kinderlijke spelen en onbezorgde vroolijkheid.Eens op een feestdag kwam, als gewoonlijk, Wladimir Miljoetin, een jongen van hun leeftijd, bij hen. Deze Wladimir is dezelfde, die hun later, toen ze op het gymnasium gingen, het ongewone nieuws verkondigde, dat er geen God bestond. ’t Was nog vóor het middageten en het ging in de kinderkamer vroolijk, ja zelfs wild en ruw toe; dat wil zeggen Sergius, Dmitri en Leo maakten zoo’n leven; Nikolaas en Miljoetin, die al verstandiger waren, deden niet mee. De pret bestond hierin, dat zij papier verbrandden in de schalen van een servies, die achter een kamerschut stonden. Waarom dat zoo prettig was, is moeilijk te begrijpen, maar dat ze het buitengewoon plezierig vonden is zeker. “Plotseling,” zoo vertelt Tolstoi, “weerklinken te midden van deze vroolijkheid, vlugge schreden en de jonge, blonde, energieke, gespierde, kleine gouverneur St. Thomas (inJongensjarenbeschreven als St. Jérôme) treedt bleek, met trillende lippen, binnen, en zonder acht te geven op onze bezigheid, zonder ons te beknorren, zegt hij ‘Votre grand’ mère est morte.’“Ik herinner mij,” gaat Tolstoi voort, “dat wij nieuwe zwarte jasjes kregen met wit tres gegarneerd. Vreeselijk om te zien waren de doodgravers die om ons huis drentelden, het brengen van de kist met glazen deksel, en grootmoeder, zooals zij, hoog op de tafel, in de kist lag, met strak gelaat, scherpen neus, witte muts, een witten doek om den hals. Treurig om te zien waren de tranen van de tantes en Paschenka, maar toch verheugden wij ons over onze nieuwe jasjes met tres en de medelijdende zorg, waarmee men ons omringde. Ik herinner mij niet, waarom men ons naar de bijgebouwen bracht gedurende de begrafenis, maar wèl, hoe prettig ik het vond, naar de gesprekken van een paar onbekende babbelaarsters te luisteren. ‘Arme, arme weezen, nauwelijks is hun vader gestorven en nu ook nog de grootmoeder!’”De Fransche gouverneur, zoo juist genoemd, liet bij Tolstoi eene herinnering achter van goed en kwaad dooreen gemengd.“Ik weet niet meer waarvoor,” vertelt Tolstoi, “maar zonder dat ik het verdiend had, sloot St. Thomas mij eens op en dreigde mij met de roe. Ik kreeg een razend gevoel van wrok en woede, en kwam in opstand, niet alleen tegen hem, maar vooral ook tegen de macht, die men tegen mij kon aanwenden. Misschien is deze gebeurtenis wel de oorzaak geweest van dien afkeer, dien ik mijn heele leven heb gehad van iedere machtsuitoefening.”Desniettemin wijdde St. Thomas al zijn aandacht aan de bijzondere begaafdheid van zijn kleinen kweekeling. Hij zag waarschijnlijk iets bijzonders in hem, want eens over Leo Tolstoi sprekende, zei hij: “Ce petit a une tête, c’est un petit prodige.”Tengevolge van de wanorde in zaken moesten, na den dood der grootmoeder, de uitgaven der familie verminderd worden. Daarom trok een gedeelte van hen,nl.de jongsten, Dmitri, Leo en Maria, met hunne tante Tatjana weer naar buiten. De onderwijzers wisselden elkaar af. Nu eens Duitsche gouverneurs, dan weer Russische seminaristen. Gravin Alexandra Ilinitschna werd tot voogdes over de kinderen benoemd.Van deze merkwaardige persoonlijkheid vertelt Tolstoi het volgende.“Mijne tante Alexandra Ilinitschna trouwde heel jong te St. Petersburg met den rijken, uit de Oostzee-provincie stammenden graaf Osten-Sacken.“Het scheen eene schitterende partij, maar het huwelijk liep treurig af voor mijne tante, hoewel misschien de gevolgen van deze verbintenis een zegen waren voor haar volgend leven.“Tante Aline, zooals zij door de familie genoemd werd,moet er, volgens een portret dat gemaakt is toen zij 16 jaar was, heel aantrekkelijk hebben uitgezien, met de groote duivenoogen in haar zacht, blank gelaat.“Kort na het huwelijk vertrok graaf Osten-Sacken met zijne jonge vrouw naar zijn landgoed in de Oostzee-provinciën. Daar openbaarden zich meer en meer de verschijnselen eener zielsziekte, die zich in den beginne uitte in eene ongemotiveerde jaloezie. In het eerste jaar van haar huwelijk, toen zij reeds zwanger was, nam die ziekte zoo toe, dat er oogenblikken van volslagen krankzinnigheid kwamen. Hij verbeeldde zich dan, dat hij omringd was door vijanden die hem zijne vrouw wilden ontnemen, en dat vluchten het eenige redmiddel voor hem was.“Eens op een zomermorgen stond hij op, wekte zijne vrouw, en zeide haar zich klaar te maken voor de vlucht. Hij zou bevel geven in te spannen om dadelijk weg te rijden. Inderdaad liet hij het rijtuig voorkomen, zette zijne vrouw er in en gaf order zoo veel mogelijk spoed te maken. Onderweg nam hij twee pistolen uit een kistje, gaf er een aan mijne tante en zei haar dat, zoo hun vlucht bekend werd, hunne vijanden hen zouden achtervolgen. Dat zou hun ondergang zijn, en er bleef dan niets anders over dan elkaar dood te schieten. Tante, doodelijk verschrikt, nam het pistool en trachtte haren man tot andere gedachten te brengen, maar hij luisterde niet eens, keek voortdurend achterom, of de vervolgers kwamen, en dreef den koetsier tot steeds grooter spoed aan. Tot hun ongeluk vertoonde zich op een’ zijweg van het dorp, die uitkwam op den grooten weg, een rijtuig. Hij riep uit dat alles verloren was, gebood haar zich dood te schieten en vuurde zelf ook op haar. Het schot trof haar in de borst. Hij moet toen zeker begrepen hebben wat hij had gedaan, en het rijtuig dat hem verschrikt had zal een anderen kant uit zijn gereden. Hoe het ook zij, hij liet stilhouden, droeg mijne gewonde tante bloedend uit het rijtuig, legde haar op den weg en joeg verder. Tot haar geluk kwamen er spoedig eenige boeren voorbij, die haar opnamen en naar den geestelijke droegen. Deze verbond haar zoo goed mogelijk en liet een’ dokter halen. De wond bevond zich aan de rechterzijde van de borst (tante heeft mij het litteeken eens laten zien), en was niet gevaarlijk.“Toen zij herstellende was, nog steeds zwanger, kwam haar man, en nadat hij den geestelijke de geschiedenis verteld had, hoe ongelukkig zij gewond was, vroeg hij haar te mogen zien.“Dat wederzien werd vreeselijk. Listig als alle krankzinnigen, deed hij alsof hij berouw had, en nadat hij vrij lang bij haar had gezeten en over allerlei onderwerpen had gesproken, maakte hij van een oogenblik dat zij alleen werden gelaten gebruik om zijn voornemen uit te voeren. Alsof hij bezorgd was voor hare gezondheid, vroeg hij of zij haar tong eens wilde uitsteken. Toen zij het deed, greep hij er naar met de eene hand, met de andere nam hij een scheermes, dat hij had meegenomen, en wilde haar de tong afsnijden. Zij verweerde zich wanhopig, wist zich los te rukken, schreeuwde om hulp, menschen kwamen aangeloopen, grepen hem en voerden hem weg.“Van dien tijd af was hij volslagen krankzinnig; hij moest van zijne vrouw worden verwijderd en naar een gesticht gebracht.“Kort na deze gebeurtenissen keerde mijn tante naar haar ouderlijk huis in Petersburg terug. Daar beviel zij van een dood kindje. Uit angst voor de gevolgen verzweeg men het haar en gaf haar het kind van de vrouw van hun kok, dat op dien zelfden dag geboren was. Dat meisje was Paschenka, die later bij ons woonde en al een groot meisje was toen zij in mijn’ gedachtenkring trad. Ik weet niet wanneer men het haar vertelde, maar toen ik haar leerde kennen, wist zij aldat zij geen dochter van mijne tante was. Tante Alexandra bleef eerst bij hare ouders, kwam toen bij ons, werd na den dood van vader onze voogdes en stierf toen ik twaalf jaar was in het klooster Optinaja Poestienja.“Mijne tante was eene oprecht godsdienstige vrouw. Het liefst hield zij zich bezig met het lezen van heiligenlevens, of sprak zij met pelgrims, joerodiewi’s, monniken en nonnen. Sommigen van deze lieden woonden altijd in ons huis, de anderen kwamen ons slechts nu en dan bezoeken. Maria Gherasimowna, die in haar jeugd, vermomd als joerodiewi, had rondgetrokken, de peet van mijne zuster Maria, was een dergenen die altijd bij ons woonden. Zij werd peettante van mijne zuster, omdat mijn moeder, die na haar vier jongens graag eene dochter wilde hebben, het haar beloofd had, indien het haar gelukte van God een meisje af te smeeken. De dochter kwam, zij werd peet en woonde daarna gedeeltelijk in het vrouwenklooster te Toela, gedeeltelijk bij ons.“Tante Alexandra was niet slechts godsdienstig voor het oog der wereld, hield niet slechts de vastendagen of trachtte in aanraking te komen met heilige menschen, zooals met den grijsaard Leonid in Optinaja Poestienja, maar zij leidde ook een oprecht christelijk leven. Zichzelf ontzegde zij alle weelde, geen’ dienst vorderde zij, maar anderen diende zij zooveel het in haar vermogen stond. Geld had zij nooit omdat zij alles wat zij bezat weggaf.“De kamenier Gascha, die na den dood van mijne grootmoeder bij tante Alexandra kwam, vertelde mij, dat tante, als zij ’s morgens naar de vroegmis ging, op de teenen langs haar heen sloop, om haar niet te wekken, en al die bezigheden zelf verrichtte, die gewoonlijk eene kamenier doet.“Wat kleeding en voeding betreft was zij nog eenvoudiger dan men zich kan voorstellen. Hoe onaangenaam het mij ookis, moet ik toch vertellen dat ik mij herinner, dat tante Alexandra steeds een zure lucht bij zich had, waarschijnlijk een gevolg van de onreinheid harer kleeding. En dat was nu die sierlijke, poëtische Aline, met haar mooie duivenoogen, die Fransche verzen las en overschreef, op de harp speelde en zeer in trek was op de voornaamste bals! Ik herinner mij, dat zij altijd even vriendelijk was, zoowel met de voornaamste heeren en dames als met monniken, pelgrims en nonnen. Haar zwager Joeschkoff plaagde haar altijd, en zond eens uit Kazan aan haar adres eene groote kist. In die kist bevond zich weer eene kist, en daarin weer een derde, en zoo ging het voort, totdat er een klein doosje overbleef, waarin, gepakt in watten, een kleine porseleinen monnik lag.“Ik herinner mij nog hoe hartelijk vader lachte toen hij haar het poppetje bracht, en het vriendelijk goedige lachje op haar stralend tevreden gezicht. Haar godsdienst verhief haar geest zoo boven al het bestaande, dat zij zich nooit boos maakte of treurig werd; immers, de wereldsche zaken hadden voor haar niet het gewicht dat anderen er aan hechten. Toen zij onze voogdes werd, zorgde zij voor ons, maar niet met hart en ziel. Alles moest achterstaan bij den dienst van den Heer, zooals zij dien dienst begreep.”1Zooals boven gezegd is, woonden de jongste kinderen, Dmitri, Leo en Maria, met hunne tante Tatjana op het land, terwijl de twee oudsten, Nikolaas en Sergius, met hunne voogdes Alexandra Ilinitschna, te Moskou waren gebleven. De geheele familie vereenigde zich in den zomer te Jasnaja Paljana. Zoo vergingen de jaren 1838 en 1839 en naderde 1840, het jaar van den hongersnood. De oogst was zóó slecht, dat de Tolstoi’s brood moesten koopen voor hunneboeren-lijfeigenen. De gelden daarvoor werden verkregen door den verkoop van het landgoed Njeroetsch, dat zij door erfenis hadden verkregen.Het rantsoen voor de paarden moest worden verminderd en haver kregen zij in ’t geheel niet meer. Tolstoi herinnert zich nog, dat zij, kinderen, het zoo jammer vonden voor hun lieve paardjes. Zij gingen daarom stil naar het land waar de haver stond en, geheel onbewust van het kwaad dat zij deden, rukten zij die uit den grond, namen handen vol mee naar huis en voerden er hunne paarden mee.In den herfst van ’t jaar ’40 trok de geheele familie naar Moskou, waar zij ook den winter van ’40/41 doorbrachten; maar ’s zomers begaven zij zich weer naar Jasnaja Paljana.In den herfst van dat jaar overleed hunne voogdes, gravin A. I. Osten-Sacken. Alexandra Ilinitschna stierf in het klooster Optinaja Poestienja. In den tijd dat zij daar was waren de kinderen met Tatjana Jergolskaja te Jasnaja Paljana. Toen het bericht kwam, dat tante Alexandra was overleden, reisde Tatjana er dadelijk heen. Den tijd, die nu kwam, zouden de kinderen niet licht vergeten. Zij bleven achter met hun’ onderwijzer, Feodor Iwanowitsch, de oude Maria, die eene halve Joerodiewi was, en een aardigen zwarten hond, waarmee zij altijd speelden. Zoo werd er eens een hooge troon gemaakt en de hond er opgezet, die er echter telkens afsprong. Midden in ’t spel begon hij op eens te huilen en kroop onder een’ stoel. Het bleek, dat hij een’ poot had gebroken. Hunne vertwijfeling was groot en zij begonnen allen jammerlijk te weenen. Deze indruk smolt naderhand te samen met de herinnering aan het eentonige lezen der psalmen door Maria Gherasimowna en het doodsbericht van hunne tante Alexandra Ilinitschna.Pelageja Ilinitschna, getrouwd met den landeigenaar W. J. Joeschkoff, reisde dadelijk na den dood van harezuster naar de kinderen op Jasnaja Paljana. De oudste broer, die toen juist één jaar student was, ontving haar met de woorden: “Ne nous abandonnez pas, chère tante, il ne nous reste que vous au monde.” Tante, tot tranen geroerd, besloot zich op te offeren. Wat zij onder dat woord verstond is niet heel duidelijk, maar zeker is het, dat zij dadelijk weer naar Kazan terugging, eenige schuiten bestelde en daar alles op laadde wat zij maar van Jasnaja Paljana weg kon sleepen. Zelfs de bedienden nam ze mee: den meubelmaker, schoenmaker, slotenmaker, kok, behanger, enz. Bovendien kregen de jonge Tolstoi’s ieder een’ lijfeigene, ongeveer van hun eigen leeftijd, voor hun specialen dienst.Wanjoescha, een van deze bedienden, volgde Tolstoi later naar den Kaukasus en leeft nu nog stil bij zijne dochter te Toela.Leo Tolstoi was ongeveer twaalf jaar toen het bovenstaande voorviel. Het was een leventje op zich zelf. Alles en allen werden in den herfst op groote wagens gepakt en verhuisden van Toela naar Kazan. Onderweg werd nu en dan op een weide of in een bosch halt gemaakt. Dan werden er bessen geplukt, men ging wandelen en baden.Het scheiden van tante Tatjana viel heel zwaar. Deze tante leefde niet op den besten voet met tante Pelageja, en wel omdat de man van deze laatste in zijne jeugd verliefd was geweest op Tatjana, haar ten huwelijk had gevraagd en was afgewezen. Tante Palageja kon het haar nog steeds niet vergeven, dat zij eens de liefde van Joeschkoff had bezeten. Voor ’t oog der wereld echter was de verstandhouding allerliefst.Van Wladimir Joeschkoff zegt men te Kazan, dat hij een ontwikkelde, verstandige man was, altijd vroolijk, goedhartig en steeds geneigd tot plagen en schertsen, eene eigenschap die hem tot zijn’ dood toe bijbleef.Het huis waarin Tolstoi in Jasnaja Paljana werd geboren.—Blz. 55.Het huis waarin Tolstoi in Jasnaja Paljana werd geboren.—Blz.55.Pelageja stond ook bekend als eene goede, maar niet alte verstandige vrouw. Zij was zeer godsdienstig en ging na den dood van haar’ man naar het klooster Optinaja Poestienja. Daarna woonde zij eenigen tijd in het vrouwen-klooster te Toela, kwam vervolgens naar Jasnaja Paljana, waar zij ziek werd en stierf.In den loop van haar lang leven volgde zij streng de voorschriften van de kerk der rechtgeloovigen. Op haar 80stejaar evenwel, bij ’t naderen van den dood, werd zij bang en wilde niets hooren van het ontvangen der Heilige Sacramenten en werd boos op iedereen die er op aandrong, daar zij niet aan den dood herinnerd wilde worden.De Amerikaansche schrijver E. Schyler, die Rusland bereisd heeft, bezocht Leo Tolstoi in het jaar 1868 en vertelt in zijne gedenkschriften het volgende van zijne kennismaking met de familie Joeschkoff.Schyler maakte kennis met Joeschkoff te Kazan. “Ik werd ontvangen,” vertelt hij, “in een mooi huis en gaf mijn kaartje en een’ aanbevelingsbrief aan een’ bediende, die zich ermee verwijderde. Terwijl ik wachtte zag ik, dat de nog ongeopende brief op een’ stoel werd gelegd. Eindelijk kwam de generaal binnen, een reeds oude, maar nog flinke man met een goed, sympathiek gelaat. Hij noodigde mij uit te gaan zitten, deed hetzelfde en zei na een paar onverschillige woorden:“Ik veronderstel, dat gij mij een’ brief hebt meegebracht van mijn’ neef Leo? Waar is die?”“Ik denk dat gij er op zit.” Hij stond op, vond den brief en reikte hem mij over met de woorden:“Wees zoo goed hem mij voor te lezen; ik ben volslagen blind.”“Het was een moeilijk geval, want de brief behelsde veel goeds van mij; maar ik kon er niets aan doen en sloeg toch nog een heel eindje over. Het spijt mij altijd nog dat ikden ouden heer dien brief terug heb gegeven. Ik had hem in mijn zak moeten steken om hem als een aandenken te bewaren. In eene andere kamer stonden twee piano’s. Op een vraag van mij antwoordde de generaal, dat hij vroeger een groot liefhebber van muziek was geweest. Al zijne kinderen had hij muziek laten leeren, maar nu hij oud en blind was geworden gingen zij den geheelen winter naar Petersburg en lieten hem alleen. Ik overreedde hem mij iets van Mozart en Beethoven uit het hoofd voor te spelen. Daarop gingen wij naar den tuin en in die twee uren, die ik bij hem doorbracht, vertelde hij mij veel interessante dingen, maar dat, wat ik wilde weten, vertelde hij mij niet.”Op Jasnaja Paljana maakte Schyler ook nog kennis met Pelageja Joeschkoff. Van haar vertelt hij:”Nadat ik Tolstoi ’s avonds mijne ontmoeting met Joeschkoff had verteld, werd ik den nacht daarop om 4 uur wakker door het geluid van voetstappen in de gang. Mijne deur ging open, en in de meening dat er iets gebeurd was en de knecht mij kwam wekken, riep ik: ‘Wat is er?’ De deur ging weer dicht en ik hoorde een stem in het Fransch zeggen: ‘Ah, un homme dans mon lit’. Nogmaals ging de deur open en een heer met eene kaars in de hand verscheen en vroeg: ‘Sergius, ben jij het?’—‘Neen,’ antwoordde ik, ik ben een gast hier in huis.’ Hij lachte, verontschuldigde zich en ging weg. Ik had een heel scherp gehoor en zoo hoorde ik hen overleggen, dat iemand niet in de logeerkamer, maar op den divan zou gaan slapen, zoolang de familie nog boven was. Ik begreep dadelijk, hoe de vork in den steel zat. Ik was uitgenoodigd ongeveer een week te blijven logeeren tot aan de terugkomst van mevrouw Joeschkoff, de tante van den graaf, en bewoonde nu hare kamer. Zij was vroeger dan het plan was en onaangemeld teruggekomen en had eene vriendin meegenomen. Daar de deuren in een Russisch huisbijna nooit ’s nachts gesloten zijn, waren zij binnengekomen zonder te kunnen vermoeden, dat ze een ander zouden wakker maken.“Van Iwan, die mij ’s morgens thee kwam brengen, hoorde ik, dat ik goed had geraden. Ik pakte daarom dadelijk mijn zaken bij elkaar om dienzelfden dag nog te kunnen vertrekken. Toen ik tegen elf uur beneden kwam voor de morgenkoffie, vond ik in het salon mevrouw Joeschkoff geheel alleen, zoodat ik mij zelf moest voorstellen. Waarschijnlijk had men haar de nachtelijke geschiedenis al opgehelderd, want zij zei lachend: ‘Dus u bent in ’t voorjaar in Kazan geweest en u hebt mijn man gezien, die u verteld heeft dat hij geheel blind is. Ik verzeker u evenwel dat daar geen woord van waar is. Hij ziet even goed als u en ik. Dat is een van zijn gewoonten om zich interessant te maken.’“Ik antwoordde, dat hij volgens mijn meening wel degelijk blind was, maar kon haar niet overtuigen. Graaf Tolstoi vertelde mij, dat zij gescheiden van haar man leefde en, hoewel ze hem in geen twee jaar had gezien, toch in eene vriendschappelijke verhouding tot hem stond”2.Tolstoi heeft in eenige zijner werken, die, volgens onze meening, een autobiographisch karakter dragen, den gang van zijne ontwikkeling als knaap beschreven.Eene eigenschap, die veel bij kinderen voorkomt, en blijkbaar bij Leo Tolstoi zeer sterk was ontwikkeld, was zijne met eigenliefde verbondene schuchterheid.De menschen scheiden dikwijls deze twee eigenschappen van elkaar, prijzen de eene, laken de andere, en daarbij vormen zij toch samen de twee zijden van één medaille. Zij zijn even onafscheidelijk als oorzaak en gevolg. Iemand is schuchteromdat hij eigenliefde bezit, en de schuchterheid op haar beurt versterkt deze weer. Zulke gevoelens komen meestal in den beginne voort uit weinig beteekenende oorzaken, b.v. uit het besef dat ons voorkomen niet zeer aantrekkelijk is. Tolstoi zegt hierover, zichzelf beschrijvende onder den naam van Nikoljenka:“Ik had een vreemd begrip van mooi, ik vond zelfs Karel Iwanowitsch een van de mooiste mannen van de wereld, maar dat verhinderde niet, dat ik heel goed wist, dat ik zélf leelijk was. Iedere aanmerking op mijn uiterlijk kwetste mij daarom ook.“Dikwijls had ik oogenblikken van vertwijfeling; ik verbeeldde mij, dat er geen geluk bestaanbaar was voor iemand met zoo’n breeden neus, zulke dikke lippen en zulke kleine grijze oogen als ik. Alles wat ik bezat en alles wat ooit het mijne zou worden had ik willen geven om mooi te zijn.”3Zoodra de mensch den blik slaat op zich zelf, ontwaken in hem tegenstrijdige gevoelens. Is hij verstandig en zedelijk ontwikkeld, dan moet hij zijne tekortkomingen voelen en hieruit weer ontstaat de drang naar zelfvolmaking zoowel in- als uitwendig.Dezen strijd nu van het kind, den knaap en den jongeling heeft Tolstoi ons geschilderd in de persoon van Nikoljenka Istjeneff, waarmee hij ons tevens een blik laat slaan in zijn diep, rijk gevoelsleven.In een gesprek met een’ vriend vertelt Tolstoi dat hij, van knaap jongeling geworden, geheel onder den invloed stond van zijn’ broer Sergius, dien hij verafgoodde en in alles trachtte na te volgen. In het einde van zijn jongelingsjaren was het Nikolaas die grooten invloed op hem uitoefende, en van wien hij wel is waar niet zoo hartstochtelijk, maar beter hield.De liefde die Tolstoi zijn’ broeder Sergius toedroeg, heeft tot materiaal gediend voor de inKinderjarenvoorkomende beschrijving van een dergelijke verhouding tusschen Nikolenka Istjeneff en Sergius Iwin.Hier volgt hetgeen hij ons met zulke heldere kleuren schildert.“Hij trok mij onwederstaanbaar aan. Er was een tijd dat ik geen andere wenschen had, dan hem te zien, en zag ik hem dan was ik gelukkig. Als ik hem in een paar dagen niet ontmoette werd ik onrustig en treurig. Al mijn droomen gingen uit naar hem. Wanneer ik ging slapen, dan hoopte ik van hem te droomen, en ontwaakte ik, dan stond zijn beeld mij dadelijk weer voor oogen, en zelfs dit beeld liefkoosde ik in gedachten en aanbad het als een hooger wezen.“Over deze groote liefde sprak ik met niemand, daarvoor was zij mij te heilig.“Misschien verveelde het hem, altijd mijn onrustige oogen op zich gericht te zien; wellicht ook voelde hij eenvoudig geen sympathie voor mij, maar het is zeker dat hij veel liever met Walodja sprak en speelde, dan met mij. Hoe het ook zij, ik was tevreden, verlangde niets meer, vroeg niets meer en was ten allen tijde bereid mij voor hem op te offeren.”4“Onder den familienaam Iwin beschreef ik de zoontjes van graaf Poeschkin, van welke juist dezer dagen Alexander is gestorven. Hij was het, van wien ik in mijne jeugd zoo heel veel heb gehouden. Ons geliefkoosd spel was: soldaatje spelen.”5De overgang van kind tot knaap schildert Tolstoi ons op de volgende wijze: “Is het u wel eens gebeurd, lezer, dat gij op een zeker tijdstip van uw leven plotseling een geheel anderen blik op de dingen kreegt, alsof alles wat gij tot nutoe gezien hadt, zich aan u vertoonde van eene u geheel onbekende zijde? Iets dergelijks heb ik ondervonden gedurende mijne eerste reis. Van dien tijd af reken ik ook, dat mijn jongensjaren zijn begonnen.“Voor het eerst van mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat wij (d.w.z. onze familie) niet alleen op de wereld waren, dat er nog andere belangen bestonden dan de onze en dat er menschen leefden, die niet alleen niets met ons gemeen, maar die zelfs geen besef van ons bestaan hadden.“Natuurlijk heb ik dat alles vroeger ook geweten maar anders, onbewust, ik voelde het niet.”6Vroeg reeds openbaarden zich bij den knaap de filosofische gedachten, den weg voorbereidende waarlangs dat groote verstand zich zou ontwikkelen.“Men zal het nauwelijks gelooven,” zegt Tolstoi, onder den naam Nikoljenka, “welke mijne geliefkoosde overpeinzingen waren toen ik een jongen was, zoo weinig waren zij in overeenstemming met mijn leeftijd en omstandigheden. Volgens mijne meening echter is juist dit groote verschil tusschen de omstandigheden van den mensch en den gang zijner gedachten het grootste bewijs van de juistheid dezer laatste.“...Het geluk, zoo dacht ik eens, hangt niet af van de uiterlijke omstandigheden maar van de wijze waarop wij het beschouwen. Een mensch, die gewend is aan ongeluk, kan niet ongelukkig zijn, en om mij zelf van deze waarheid te overtuigen, dwong ik mij, ondanks de heftige pijn, eene zware dictionnaire vijf minuten in de uitgestrekte hand te houden of sloeg ik mij met een touw op den blooten rug tot de tranen mij in de oogen sprongen.“Een andermaal bedacht ik plotseling dat de dood mij ieder oogenblik kon overvallen. Ik begreep niet, dat alle menschendat niet eerder hadden ingezien, en nog op andere wijze gelukkig trachtten te worden, dan door van het oogenblik te genieten. Onder den invloed van die gedachte verwaarloosde ik mijne lessen en deed een paar dagen niets anders dan op mijn bed liggend eenige romans lezen en honingkoekjes eten, die ik voor mijn laatste geld gekocht had.“Eens teekende ik met krijt verschillende figuren op het bord. Plotseling trof mij de gedachte: ‘Waarom doet de symmetrie ons oog zoo aangenaam aan? Wat is eigenlijk symmetrie?’ en ik antwoordde mijzelf: ‘dat is iets dat ons is aangeboren’. ‘Waarop is zij gegrond? Is alles in de wereld symmetrisch?’ ‘Integendeed: dit is het leven,’ en ik teekende op het bord een groot ovaal figuur. ‘Na dit leven gaat de ziel de eeuwigheid in; hier is de eeuwigheid,’ en ik trok eene lijn van het ovale figuur af tot aan het uiterste eind van het bord. Waarom kan ik nu aan den anderen kant ook niet zoo’n lijn trekken en hoe is een eeuwigheid bestaanbaar die zich maar naar één kant uitstrekt? Wij hebben ongetwijfeld reeds bestaan vóór dit leven, al hebben wij ook de herinnering daaraan verloren.”“Geen van deze filosofische gedachten,” vervolgt Tolstoi, “heeft mij zoo meegesleept als het scepticisme, dat mij gedurende eenigen tijd in een toestand heeft gebracht, grenzende aan krankzinnigheid. Ik verbeeldde mij, dat er behalve ik zelf, niemand en niets op de wereld bestond, dat voorwerpen geen voorwerpen maar denkbeeldige dingen waren, die ik slechts zag als ik mijn opmerkzaamheid er op richtte, maar die weer verdwenen, zoodra er ik niet meer aan dacht. In één woord, ik deelde de overtuiging van Schelling, dat het niet de voorwerpen zijn die bestaan, maar onze betrekking tot hen. Er waren oogenblikken dat ik, half krankzinnig onder den invloed dier gedachten, mij plotseling omkeerde, in de hoop eene woestijn, het ‘néant’, te zien dàar waar ik zelf niet was.”7Het boekJongensjareneindigt met de beschrijving van de vriendschap tusschen Nikoljenka en Njechloedoff8en toont ons het ideaal, dat Tolstoi zijn geheele leven voor oogen heeft gehad en dat hem bij zal blijven tot aan het einde zijner dagen.“Het spreekt van zelf, dat ik onder Njechloedoffs invloed ook zijne principes was toegedaan, die hierin bestonden dat hij de deugd verafgoodde en overtuigd was, dat het de bestemming van den mensch is, steeds meer en meer naar het volmaakte te streven. Het leek ons zoo gemakkelijk het geheele menschdom te verbeteren en allen te bevrijden van ongeluk en ellende; zoo eenvoudig ons zélf te verbeteren, deugdzaam te worden en gelukkig te zijn.”9Het is zeker, dat deze neiging tot abstracte dingen, deze teruggetrokkenheid en schuchterheid, dit streven naar het ideale, eigenschappen, die den knaap reeds kenmerkten, den grondslag legden voor de vorming van de harmonische gedachten van den grootschen kunstenaar, die de kiem daarvan reeds bij zich droeg in het tijdperk van zijn jongensjaren.Leo Tolstoi werd opgevoed in een patriachaal-aristokratischen, op zijne wijze godsdienstigen, kring. Zijne gevoelige kinderziel nam altijd op wat hem het mooiste scheen en hij was oprecht godsdienstig.10Maar deze gewoonte-godsdienst vervloog bij de eerste kennismaking met het geloof der rede.In zijn werkBiechtvertelt Tolstoi het volgende van zijne godsdienstige opvoeding, toen hij nog een jongen was.“Ik werd gedoopt en opgevoed in de leer der rechtgeloovigen, maar toen ik achttien jaar was en mijn tweedestudiejaar inging, geloofde ik reeds niets meer van hetgeen men mij geleerd had.“Afgaande op mijne herinneringen heb ik eigenlijk nooit ernstig geloofd; ik had slechts vertrouwen in hetgeen de grooteren mij predikten, maar zelfs dat vertrouwen stond niet vast. Ik herinner mij nog—ik was toen elf jaar—dat op een Zondag Walodjenka M. bij ons kwam en ons als laatste nieuws een ontdekking, gedaan op het gymnasium, openbaarde, n.l. dat er geen God bestond en dat alles wat men ons daaromtrent leeraarde verzinsel was. Dit gebeurde in 1838.“Ik weet nog, dat het nieuws mijn oudere broers sterk interesseerde, dat zij mij ook aan de beraadslagingen lieten deelnemen en dat wij de conclusie trokken, dat het zeer opmerkelijk en zeer aannemelijk was.”Wij weten, dat deze rationalistische overwegingen de kern van zijn geloof niet raakten. Dit bleek bestand te zijn tegen de ruwste levensstormen en wees hem ten slotte den weg naar de waarheid.Het is voor ons niet onbelangrijk eens na te gaan welke schrijvers, volgens Tolstoi’s eigen opgave, invloed op hem hebben uitgeoefend in zijne jeugd, d.w.z. ongeveer tot zijn 14dejaar. Hier volgt de lijst:Namen der werken:Graad van invloed:De geschiedenis van Jozef uit den Bijbel.Buitengewoon groot.De verhalen van de Duizend-en-één nacht. (De veertig roovers en Prins Kameralzaman).GrootDe zwarte kip van Pogorjelski.Zeer grootRussische verhalen:Dobrinja Ninititsch—Ilija Moeromjetz—Aljescha Ispowitsch.Buitengewoon grootVolkssprookjes.Buitengewoon grootHet gedicht van Poeschkin: Napoleon.Groot.Nu zullen wij eenige voorvallen aanhalen uit Tolstoi’s jongensjaren, zooals wij die gehoord hebben van hem zelf en van zijne familie. Ook bezitten wij gegevens uit andere bronnen, die wij aan kritiek onderworpen en gebruikt hebben voorzoover wij ze geloofwaardig bevonden. Het is echter onmogelijk, deze verhalen in chronologische volgorde te plaatsen.“Ik herinner mij,” vertelde Tolstoi, “dat wij, toen vader nog leefde, in ’t begin van ons verblijf te Moskou, een paar prachtige vurige paarden hadden.“Mitka Kopiloff was onze koetsier en tevens vaders rijknecht. Hij was een flink ruiter en jager, een uitstekend koetsier en bovenal een onschatbare voorrijder, want bij onze vurige paarden was een jongen niet vertrouwd en een oude voorrijder staat niet mooi. Mitka nu bezat alle eigenschappen die een voorrijder moet hebben en die men zelden vereenigd ziet. Hij was licht gebouwd, niet te groot en behendig.“Eens had vader bevel gegeven de phaëton in te spannen. De deuren van de poort gingen open en de paarden sprongen wild naar buiten. Wij hoorden iemand roepen: ‘de paarden van den graaf gaan op hol!’ Paschenka viel flauw en tante liep vlug naar grootmoeder om haar gerust te stellen. Het bleek dat vader nog niet was ingestapt en Mitka, die de paarden weer meester was geworden, keerde naar den stal terug.“Toen wij onze uitgaven moesten verminderen moest Mitka worden weggedaan. Verschillende rijke kooplieden hadden hem, mooi als hij er uitzag in zijn zijden buis en fluweelen koetsiersjas, graag voor een groot loon willen hebben.“Nu trof het echter dat Mitka’s broer onder dienst moest en zijn oude vader hem noodig had voor het werk op het land van zijn’ heer. Hij ging naar huis en na verloop van een paar maanden veranderde die kleine, fatterige Mitka in een grauwen boer, die zaaide en ploegde op het land van zijn’ heer en over ’t algemeen het zware boerenleven leidde.“En deze omkeer geschiedde zonder morren, in het bewustzijn dat het zoo moest zijn en niet anders.”Voorvallen als deze bevorderden nog de liefde en achting, die Tolstoi van zijn jeugd af aan het volk heeft toegedragen.De volgende gebeurtenissen hebben, volgens Tolstoi’s eigen woorden, de zaden van ontevredenheid en twijfel in zijne ziel gestrooid, vooral van twijfel aan de oprechtheid der menschen, der “grooteren”, die hij vroeger onvoorwaardelijk geloofde.De kinderen Tolstoi waren, als verre bloedverwanten, gevraagd bij den kerstboom van de familie Pipoff. Zij hadden toen hun vader en grootmoeder reeds verloren en leefden onder de hoede van hunne tante in betrekkelijk armoedige omstandigheden, zoodat zij weinig aantrekkelijks voor de buitenwereld hadden.Hunne nichtjes, de kinderen van vorst Gortschakoff, den toenmaligen minister van oorlog, waren ook uitgenoodigd, en de Tolstoi’s moesten met bitterheid het onderscheid opmerken, dat er gemaakt werd tusschen hen en de meer welkome gasten. Zij werden afgescheept met goedkoope prullen, terwijl de andere kinderen het mooiste en kostbaarste speelgoed ontvingen.Het tweede voorval speelde ook in Moskou, op eene wandeling met hun Duitschen gouverneur. Bij de kinderen (Leo was ongeveer 10 jaar) bevond zich het dochtertje van de Fransche gouvernante van hun’ buurman Isljeneff. Het was een mooi, aantrekkelijk meisje. Zoo wandelende op de Bolschaja Bronnaja, kwamen zij voorbij een poortje van een’ tuin die bij het huis Paljak hoorde. De poort was niet gesloten en half angstig gingen zij er in, zelf niet wetend hoe het af zou loopen, maar de tuin leek hun zoo buitengewoon mooi. Er was een vijver met roeibootjes, vlaggen, bloemen, bruggetjes, kleine paadjes, prieeltjes, enz. Zij liepen als in een’ toovertuin.Eindelijk kwamen ze een’ heer tegen, die zeide dat hij de eigenaar was en Attascheff heette. Hij begroette hen vriendelijk en noodigde hen uit hunne wandeling voort te zetten, liet hen roeien en was in één woord zoo voorkomend, dat zij begonnen te gelooven, zeer welkome gasten te zijn. Daarom besloten de kinderen een paar dagen later er eens weer heen te gaan.Toen zij aan het poortje kwamen hield een oude man hen tegen en vroeg wat zij wilden. Zij noemden hun naam en lieten zich bij den eigenaar aanmelden. Joezjenka was nu niet bij hen. De man kwam terug met de boodschap, dat de tuin particulier eigendom was en niet toegankelijk voor het publiek. Zij gingen treurig weg en in hun jonge zieltjes rees de vraag, waarom toch het mooie gezichtje van hun vriendinnetje zoo’n grooten invloed kon hebben op hunne verhouding tot hunne medemenschen.Nu volgen eenige schetsjes, die de eigenaardigheid, of liever, de excentriciteit van Tolstoi’s karakter als jongen, in ’t licht stellen.“Wij zaten eens aan tafel,” vertelde mij Tolstoi’s zuster. ”’t Was nog in Moskou, bij ’t leven van grootmoeder, die zeer streng was op de etiquette. Allen moesten wij in de kamer zijn voordat zij verscheen. Wij waren er dan ook allemaal, behalve Leo, die maar niet kwam. Grootmoeder bemerkte het en vroeg den gouverneur St. Thomas, of hij ook wist waar Leo was. Deze antwoordde dat hij zeker bij het toiletmaken op zijne kamer was opgehouden, maar ieder oogenblik moest komen. Grootmoeder was gerustgesteld, maar onder ’t eten kwam de djadka11binnen en fluisterde St. Thomas iets in. Deze verbleekte, stond op en verliet de kamer. Dat was zoo’n ongewone inbreuk op onze strenge etiquette, dat wij allen begrepen dat er een ongeluk moest zijn gebeurd,en daar Leo maar steeds niet verscheen, moest hij er in zijn betrokken. Angstig zaten wij te wachten en kregen spoedig de volgende verklaring: Leo—wij wisten niet waarom (zooals hij nu zegt, alleen maar om iets bijzonders te doen, om gewichtig te schijnen)—had zich voorgenomen om uit het raam van de tweede verdieping te springen, en opdat niemand hem daarin zou kunnen verhinderen, was hij opzettelijk alleen in de kamer achtergebleven, toen de anderen aan tafel gingen. Hij klom in het open venster van de bovenverdieping en sprong in den hof. Toen Leo naar beneden stortte, stonden de kok en de keukenmeid juist voor het raam en begrepen eerst niet wat er gebeurde; zij stuurden den huisknecht om eens te gaan zien, en deze, buiten gekomen, zag Leo bewusteloos op den grond liggen. Gelukkig had hij niets gebroken en alles liep af met een lichte hersenschudding. De bewusteloosheid ging over in een diepen slaap, die zestien uren aanhield en waaruit hij geheel gezond ontwaakte. Gij kunt u onze schrik en ontsteltenis voorstellen bij deze onbezonnen daad van den kleinen zonderling.“Eens haalde hij het in zijn hoofd zijn wenkbrauwen af te scheren, waardoor hij zijn gezicht, dat toch al ver van mooi was, nog veel leelijker maakte en waarvan hij naderhand heel veel verdriet heeft gehad.”“Een andermaal,” vertelt Maria Nikolajewna, “zaten we in een troika en reden van Pirochoff naar Jasnaja. Er werd even halt gemaakt. Leo stapte uit en ging te voet verder. Toen wij verder zouden rijden was Leo nergens te vinden. De koetsier zag in de verte zijn gestalte, die zich meer en meer verwijderde. Wij reden verder, in de meening dat hij in zou stappen als wij hem hadden ingehaald. Maar zoo gebeurde het niet. Bij ’t naderen van de troika verhaastte hij zijne schreden, en toen deze hem op zij was zette hij het op een loopen en wilde blijkbaar niet instappen. De troika reedheel vlug en hij liep ongeveer drie wersten zoo hard als hij kon mee, totdat hij ten slotte geen kracht meer had en het opgaf. Nat van zweet, geheel buiten adem, nam men hem in de troika op, waar hij doodelijk vermoeid neerviel.”Tolstoi’s echtgenoote, gravin Sophie Andrejewna, heeft dikwijls gebeurtenissen uit het leven van haar echtgenoot, die zij van hem zelf of van zijne familie hoorde, opgeschreven en verzameld. Hoewel tot onzen spijt deze arbeid niet is voleindigd, heeft hij voor ons toch groote waarde. Met haar welwillende toestemming laten wij hier eenige uittreksels volgen.“Afgaande op de verhalen van eene bejaarde tante en van mijn’ grootvader Iljeneff, die zeer bevriend was met den vader van mijn man, was de kleine Leo een vreemd, zonderling kind. Hij kon b.v. de zaal binnen komen en de aanwezigen begroeten met een achterwaartsche buiging, met zijn hoofd achterover, terwijl zijn voeten over den grond knarsten.“Op de vraag of hij goed geleerd had, kreeg ik zoowel van hem als van anderen steeds ten antwoord: ‘neen’.”Tolstoi’s zwager S. A. Bjers vertelt in zijne herinneringen het volgende:“Volgens tante Pelageja kon men hem, toen hij nog een kind was, gerust een’ bengel noemen; als jongen was hij zeer eigenaardig en haalde de vreemdste dingen uit, maar was daarbij vroolijk en opgewekt en had een hart van goud.“Mijne tante, die nu overleden is, vertelde mij dat hij, inKinderjarenzijne eerste liefde beschrijvende, heeft verzwegen, dat hij eens het voorwerp van die liefde uit jalouzie van het balkon heeft gestooten. De bewuste was mijne moeder, die toen negen jaar oud was en, dank zij de buiteling, een langen tijd gebrekkig moest loopen. Hij had het gedaan omdat zij niet met hem, maar met een ander sprak. Later zeide zij dikwijls lachend: ‘Je hebt mij zeker van het balkon gestooten om met mijne dochter te kunnen trouwen.’“Zelf vertelde Tolstoi eens in zijn’ familiekring en in mijne tegenwoordigheid, dat hij, toen hij een jaar of zeven was, vurig wenschte te kunnen vliegen. Hij verbeeldde zich, dat hij het best zou kunnen door op zijn hurken te gaan zitten en dan met beide armen zijne knieën te omvatten. Hoe stijver hij vasthield, des te hooger zou hij kunnen vliegen.”Verschillende autobiografische vertellingen kunnen wij vinden in reeds vroeger verschenen boeken. Eenige zeer karakteristieke laten we hier volgen.In de vertellingHet oude Paardverhaalt hij, dat hij en zijne drie broers verlof hadden gekregen om te gaan rijden. Men gaf hun daarvoor het oude paard Woronok. Nadat de oudere broers er eerst van genoten en het arme dier voldoende geplaagd hadden, kreeg hij het.“Toen het mijn beurt was,” vertelde Tolstoi, “wilde ik mijn broers eens toonen, hoe goed ik wel kon rijden. Ik spoorde het paard aan, maar hoe ik mij ook inspande, het wou niet vooruit, en keerde naar den stal terug. Ik werd boos, sloeg het dier met mijne zweep en schopte het met mijne voeten in de zijden. Ik deed mijn best om het juist daar te raken, waar ik wist dat het het meest pijn deed. Mijn zweep brak ik er bij, toen sloeg ik met den knop. Woronok echter verwikte niet en wilde niet verder. Toen keerde ik terug en vroeg mijn’ djadka een nieuwe sterke zweep. Maar deze zeide:“‘Heer, gij hebt genoeg gereden, stijg nu af. Waarom het paard langer te kwellen?’“Beleedigd antwoordde ik:“‘Ik heb nog in ’t geheel niet gereden. Geef mij een nieuwe zweep, dan zult ge zien, hoe ik zal galoppeeren.’“Toen schudde hij zijn hoofd en zei:“‘Ach, heer, medelijden kent gij niet. Waarom wilt gij het paard tot spoed aanzetten? Men heeft het gekweld, het kangeen adem meer halen, het is oud, zoo oud als Pimjen Timofjeïtsch.12Als gij op dien gingt zitten en hem met de zweep zoudt aansporen, zoudt gij dan geen medelijden hebben?’Tolstoi’s woning te Jasnaja Paljana.—Blz. 56.Tolstoi’s woning te Jasnaja Paljana.—Blz.56.“Ik stelde mij den ouden Pimjen voor en gehoorzaamde den djadka. Ik steeg af en toen ik zag, hoe het arme paard hijgde en met zijn half uitgevallen staart heen en weer sloeg, begreep ik hoe slecht het er aan toe was. Ik kreeg zoo’n medelijden met Woronok, dat ik een kus op zijn bezweeten nek drukte en hem vergiffenis vroeg, omdat ik hem zoo had geslagen.”InHoe ik leerde paardrijdenvertelt Tolstoi, dat hij eens met zijn broers naar de manege ging om het te leeren. De eerste piqueur, die zich verbaasde over zijne kleine gestalte, maar zijne vastberadenheid zag, wilde hem zelf helpen, “Men bracht een klein bruin paardje voor met korten staart. Het heette Tscherwentschik. De piqueur zei lachend: ‘Nu kavalier, stijg maar op.’ Ik verheugde mij en werd bang, doch deed mijn best om dit niet te laten merken. Ik trachtte den stijgbeugel te pakken, maar kon het niet, want ik was te klein. Toen nam hij mij op, zette mij op het paard en zei: ‘gij zijt niet zwaar, heer, niet meer dan een paar pond.’ Hij hield mij vast, maar daar ik zag dat mijn broers los reden, wilde ik het niet meer hebben. ‘Zijt ge dan niet bang?’ vroeg hij. Ik was het wel, maar zei: ‘neen.’“Ik was vooral zoo bang omdat Tscherwontschik maar steeds zijne ooren heen en weer bewoog; ik dacht toen, dat hij boos op mij was. De piqueur liet mij los met de woorden: ‘Nu, pas maar op dat gij er niet af valt.’ In het begin ging het stapvoets, en hield ik mij recht op, maar het zadel begon zoo glad te worden en ik werd bang dat ik zou vallen. De piqueur vroeg: ‘zit ge reeds vast?’—‘Ja,’ zei ik.—‘Nu, dan indraf,’ en hij klapte met de tong. Tscherwontschik ging in een drafje over; ik begon op en neer te wippen, maar hield mij goed en trachtte niet op zij te vallen. De piqueur prees mij: ‘ei, zie dien ruiter eens aan, goed zoo!’ en ik was overgelukkig.“Op dat moment kwam een vriend van den piqueur en knoopte een gesprek met hem aan, waardoor hij niet meer op mij lette. Plotseling voelde ik, dat ik begon te glijden, ik wilde weer recht gaan zitten maar kon niet. Ik wilde den piqueur roepen maar bedacht, dat het niet goed zou staan. Ik keek naar hem om en wilde hem toch maar vragen mij te helpen, maar hij lette niet op mij, hoewel hij riep: ‘flink, flink, kavalier!’ Ik hing reeds geheel op één zij en werd bang, maar schreeuwen wilde ik niet om de schande. Mijn paardje wierp mij nog ééns omhoog, toen verloor ik mijn evenwicht en viel op den grond.“Tscherwontschik bleef staan. De piqueur draaide zich juist om, zag mij niet meer op het paard en zei: ‘daar hebben we het al, mijn ruiter is gevallen.’ Toen ik hem antwoordde, dat ik mij niet bezeerd had, zeide hij lachend: ‘een kinderlichaam geeft mee!’ en ik, ik had wel willen schreien, maar ik vroeg of hij mij weer op het paard wilde zetten, en ik viel er niet meer af.”En zoo werd het kind een knaap; nadenkend, schuchter, vatbaar voor indrukken, zijn jonge hartje vol aanhankelijke liefde en toch inwendig eenzaam, gescheiden van de zijnen door de hooge vlucht zijner gedachten, die geen weerklank vonden in den kring die hem omringde.1Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.2Eug. Schyler.Herinneringen aan Tolstoi.3Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.4Uit de volledige verzameling der werken van Tolstoi.5Ingevoegd door Tolstoi bij lezing van het handschrift.6Volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.7Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.8Het materiaal hiervoor verschafte mij de vriendschap met Djakoff in mijn eerste studiejaar. Noot van L. Tolstoi.9Volledige werken van L. Tolstoi.10Toelichtingen hieromtrent vindt men in zijn werkKinderjaren.11Een oppasser voor kinderen.12Een 90-jarige grijsaard, die op het goed woonde.

Vijfde hoofdstuk.Jongensjaren.Toen Tolstoi’s jongensjaren begonnen, kwam voor de oudere broers Nikolaas en Sergius de tijd van ernstige studie. In het jaar 1830 verhuisde de familie Tolstoi daarom naar Moskou, waar ze gingen wonen in het huis van Schtscherbatscheff. Dit huis bestaat nog en bevindt zich tegenover de kerk die den naam draagt Smoljenskaja Bozja Matjer, in een z.g. hof.De winters van 1836 en ’37 brachten zij hier door, en ook den zomer na den dood van hun’ vader.In dien zomer van 1837 ging Tolstoi’s vader eens voor zaken naar Toela. Op weg naar zijn’ vriend Tjemjeschoff werd hij plotseling door eene duizeling bevangen, wankelde en viel, door eene beroerte getroffen, dood neer.Anderen beweren, omdat er geld ontbrak, en ook papieren die nog in Moskou op een geheimzinnige wijze door eene vrouw terug werden gebracht, dat hij door een’ bediende zou zijn vergiftigd.Zijn lijk werd van Toela naar Jasnaja Paljana gebracht. De begrafenis werd bijgewoond door zijne zuster Alexandra Ilinitschna en zijn’ oudsten zoon Nikolaas.Het is de dood van zijn’ vader die wel den diepsten indruk heeft nagelaten in Tolstoi’s kinderherinneringen. Voor het eerst, zegt hij, ontwaakte in hem de godsdienstige vrees voor het vraagstuk van leven en dood. Doordat zijn vader niet in huis was gestorven, duurde het lang eer het tot hem doordrong,en als hij op straat soms bekenden zag, dan dacht hij, ja, hij wist het bijna zeker, dat hij zijn vader daar ook bij zou ontmoeten. En dit gevoel van hoop en niet gelooven in den dood verzachtte zijne smart.Na den dood van het hoofd der familie bleven de Tolstoi’s dien zomer in Moskou. Dat was de eerste en misschien ook wel de laatste maal, dat Leo Tolstoi een’ zomer in de stad doorbracht. Een sterken indruk behield hij van de uitstapjes die er gemaakt werden in wagens bespannen met vier paarden, niet naast maar voor elkaar, van de mooie omstreken van Koeznjetzoff en Neskoetschni, en van de afschuwelijke lucht der fabrieken rondom Moskou, die in dien tijd de omgeving bedierf.“Grootmoeder was door den dood van haar zoon als gebroken. Altijd weende zij en ’s avonds liet zijdikwijlsde deur van de naaste kamer open en beweerde, dat haar zoon daar was en dat zij met hem sprak. Soms vroeg zij angstig aan haar dochter: ‘Is het waar dat hij dood is?’—Na negen maanden stierf zij van verdriet.”De dood van zijne grootmoeder voerde Tolstoi’s gedachten, hoewel hij het zich toen niet bewust was, weer naar het vraagstuk van leven en dood.Zijne grootmoeder heeft lang moeten lijden. Tegen het eind van haar ziekte kreeg zij waterzucht. Nog kan Tolstoi zich den schrik herinneren, toen hij bij haar gebracht werd om afscheid te nemen en zij, geheel in ’t wit, op haar bed liggende, zich met moeite naar haar kleinzoons toekeerde en hun, bijna onbeweeglijk, haar witte hand toestak, een hand dik opgeloopen als een kussen.Maar zooals het altijd bij kinderen gaat, werden de schrik en angst voor den dood al spoedig verdrongen door kinderlijke spelen en onbezorgde vroolijkheid.Eens op een feestdag kwam, als gewoonlijk, Wladimir Miljoetin, een jongen van hun leeftijd, bij hen. Deze Wladimir is dezelfde, die hun later, toen ze op het gymnasium gingen, het ongewone nieuws verkondigde, dat er geen God bestond. ’t Was nog vóor het middageten en het ging in de kinderkamer vroolijk, ja zelfs wild en ruw toe; dat wil zeggen Sergius, Dmitri en Leo maakten zoo’n leven; Nikolaas en Miljoetin, die al verstandiger waren, deden niet mee. De pret bestond hierin, dat zij papier verbrandden in de schalen van een servies, die achter een kamerschut stonden. Waarom dat zoo prettig was, is moeilijk te begrijpen, maar dat ze het buitengewoon plezierig vonden is zeker. “Plotseling,” zoo vertelt Tolstoi, “weerklinken te midden van deze vroolijkheid, vlugge schreden en de jonge, blonde, energieke, gespierde, kleine gouverneur St. Thomas (inJongensjarenbeschreven als St. Jérôme) treedt bleek, met trillende lippen, binnen, en zonder acht te geven op onze bezigheid, zonder ons te beknorren, zegt hij ‘Votre grand’ mère est morte.’“Ik herinner mij,” gaat Tolstoi voort, “dat wij nieuwe zwarte jasjes kregen met wit tres gegarneerd. Vreeselijk om te zien waren de doodgravers die om ons huis drentelden, het brengen van de kist met glazen deksel, en grootmoeder, zooals zij, hoog op de tafel, in de kist lag, met strak gelaat, scherpen neus, witte muts, een witten doek om den hals. Treurig om te zien waren de tranen van de tantes en Paschenka, maar toch verheugden wij ons over onze nieuwe jasjes met tres en de medelijdende zorg, waarmee men ons omringde. Ik herinner mij niet, waarom men ons naar de bijgebouwen bracht gedurende de begrafenis, maar wèl, hoe prettig ik het vond, naar de gesprekken van een paar onbekende babbelaarsters te luisteren. ‘Arme, arme weezen, nauwelijks is hun vader gestorven en nu ook nog de grootmoeder!’”De Fransche gouverneur, zoo juist genoemd, liet bij Tolstoi eene herinnering achter van goed en kwaad dooreen gemengd.“Ik weet niet meer waarvoor,” vertelt Tolstoi, “maar zonder dat ik het verdiend had, sloot St. Thomas mij eens op en dreigde mij met de roe. Ik kreeg een razend gevoel van wrok en woede, en kwam in opstand, niet alleen tegen hem, maar vooral ook tegen de macht, die men tegen mij kon aanwenden. Misschien is deze gebeurtenis wel de oorzaak geweest van dien afkeer, dien ik mijn heele leven heb gehad van iedere machtsuitoefening.”Desniettemin wijdde St. Thomas al zijn aandacht aan de bijzondere begaafdheid van zijn kleinen kweekeling. Hij zag waarschijnlijk iets bijzonders in hem, want eens over Leo Tolstoi sprekende, zei hij: “Ce petit a une tête, c’est un petit prodige.”Tengevolge van de wanorde in zaken moesten, na den dood der grootmoeder, de uitgaven der familie verminderd worden. Daarom trok een gedeelte van hen,nl.de jongsten, Dmitri, Leo en Maria, met hunne tante Tatjana weer naar buiten. De onderwijzers wisselden elkaar af. Nu eens Duitsche gouverneurs, dan weer Russische seminaristen. Gravin Alexandra Ilinitschna werd tot voogdes over de kinderen benoemd.Van deze merkwaardige persoonlijkheid vertelt Tolstoi het volgende.“Mijne tante Alexandra Ilinitschna trouwde heel jong te St. Petersburg met den rijken, uit de Oostzee-provincie stammenden graaf Osten-Sacken.“Het scheen eene schitterende partij, maar het huwelijk liep treurig af voor mijne tante, hoewel misschien de gevolgen van deze verbintenis een zegen waren voor haar volgend leven.“Tante Aline, zooals zij door de familie genoemd werd,moet er, volgens een portret dat gemaakt is toen zij 16 jaar was, heel aantrekkelijk hebben uitgezien, met de groote duivenoogen in haar zacht, blank gelaat.“Kort na het huwelijk vertrok graaf Osten-Sacken met zijne jonge vrouw naar zijn landgoed in de Oostzee-provinciën. Daar openbaarden zich meer en meer de verschijnselen eener zielsziekte, die zich in den beginne uitte in eene ongemotiveerde jaloezie. In het eerste jaar van haar huwelijk, toen zij reeds zwanger was, nam die ziekte zoo toe, dat er oogenblikken van volslagen krankzinnigheid kwamen. Hij verbeeldde zich dan, dat hij omringd was door vijanden die hem zijne vrouw wilden ontnemen, en dat vluchten het eenige redmiddel voor hem was.“Eens op een zomermorgen stond hij op, wekte zijne vrouw, en zeide haar zich klaar te maken voor de vlucht. Hij zou bevel geven in te spannen om dadelijk weg te rijden. Inderdaad liet hij het rijtuig voorkomen, zette zijne vrouw er in en gaf order zoo veel mogelijk spoed te maken. Onderweg nam hij twee pistolen uit een kistje, gaf er een aan mijne tante en zei haar dat, zoo hun vlucht bekend werd, hunne vijanden hen zouden achtervolgen. Dat zou hun ondergang zijn, en er bleef dan niets anders over dan elkaar dood te schieten. Tante, doodelijk verschrikt, nam het pistool en trachtte haren man tot andere gedachten te brengen, maar hij luisterde niet eens, keek voortdurend achterom, of de vervolgers kwamen, en dreef den koetsier tot steeds grooter spoed aan. Tot hun ongeluk vertoonde zich op een’ zijweg van het dorp, die uitkwam op den grooten weg, een rijtuig. Hij riep uit dat alles verloren was, gebood haar zich dood te schieten en vuurde zelf ook op haar. Het schot trof haar in de borst. Hij moet toen zeker begrepen hebben wat hij had gedaan, en het rijtuig dat hem verschrikt had zal een anderen kant uit zijn gereden. Hoe het ook zij, hij liet stilhouden, droeg mijne gewonde tante bloedend uit het rijtuig, legde haar op den weg en joeg verder. Tot haar geluk kwamen er spoedig eenige boeren voorbij, die haar opnamen en naar den geestelijke droegen. Deze verbond haar zoo goed mogelijk en liet een’ dokter halen. De wond bevond zich aan de rechterzijde van de borst (tante heeft mij het litteeken eens laten zien), en was niet gevaarlijk.“Toen zij herstellende was, nog steeds zwanger, kwam haar man, en nadat hij den geestelijke de geschiedenis verteld had, hoe ongelukkig zij gewond was, vroeg hij haar te mogen zien.“Dat wederzien werd vreeselijk. Listig als alle krankzinnigen, deed hij alsof hij berouw had, en nadat hij vrij lang bij haar had gezeten en over allerlei onderwerpen had gesproken, maakte hij van een oogenblik dat zij alleen werden gelaten gebruik om zijn voornemen uit te voeren. Alsof hij bezorgd was voor hare gezondheid, vroeg hij of zij haar tong eens wilde uitsteken. Toen zij het deed, greep hij er naar met de eene hand, met de andere nam hij een scheermes, dat hij had meegenomen, en wilde haar de tong afsnijden. Zij verweerde zich wanhopig, wist zich los te rukken, schreeuwde om hulp, menschen kwamen aangeloopen, grepen hem en voerden hem weg.“Van dien tijd af was hij volslagen krankzinnig; hij moest van zijne vrouw worden verwijderd en naar een gesticht gebracht.“Kort na deze gebeurtenissen keerde mijn tante naar haar ouderlijk huis in Petersburg terug. Daar beviel zij van een dood kindje. Uit angst voor de gevolgen verzweeg men het haar en gaf haar het kind van de vrouw van hun kok, dat op dien zelfden dag geboren was. Dat meisje was Paschenka, die later bij ons woonde en al een groot meisje was toen zij in mijn’ gedachtenkring trad. Ik weet niet wanneer men het haar vertelde, maar toen ik haar leerde kennen, wist zij aldat zij geen dochter van mijne tante was. Tante Alexandra bleef eerst bij hare ouders, kwam toen bij ons, werd na den dood van vader onze voogdes en stierf toen ik twaalf jaar was in het klooster Optinaja Poestienja.“Mijne tante was eene oprecht godsdienstige vrouw. Het liefst hield zij zich bezig met het lezen van heiligenlevens, of sprak zij met pelgrims, joerodiewi’s, monniken en nonnen. Sommigen van deze lieden woonden altijd in ons huis, de anderen kwamen ons slechts nu en dan bezoeken. Maria Gherasimowna, die in haar jeugd, vermomd als joerodiewi, had rondgetrokken, de peet van mijne zuster Maria, was een dergenen die altijd bij ons woonden. Zij werd peettante van mijne zuster, omdat mijn moeder, die na haar vier jongens graag eene dochter wilde hebben, het haar beloofd had, indien het haar gelukte van God een meisje af te smeeken. De dochter kwam, zij werd peet en woonde daarna gedeeltelijk in het vrouwenklooster te Toela, gedeeltelijk bij ons.“Tante Alexandra was niet slechts godsdienstig voor het oog der wereld, hield niet slechts de vastendagen of trachtte in aanraking te komen met heilige menschen, zooals met den grijsaard Leonid in Optinaja Poestienja, maar zij leidde ook een oprecht christelijk leven. Zichzelf ontzegde zij alle weelde, geen’ dienst vorderde zij, maar anderen diende zij zooveel het in haar vermogen stond. Geld had zij nooit omdat zij alles wat zij bezat weggaf.“De kamenier Gascha, die na den dood van mijne grootmoeder bij tante Alexandra kwam, vertelde mij, dat tante, als zij ’s morgens naar de vroegmis ging, op de teenen langs haar heen sloop, om haar niet te wekken, en al die bezigheden zelf verrichtte, die gewoonlijk eene kamenier doet.“Wat kleeding en voeding betreft was zij nog eenvoudiger dan men zich kan voorstellen. Hoe onaangenaam het mij ookis, moet ik toch vertellen dat ik mij herinner, dat tante Alexandra steeds een zure lucht bij zich had, waarschijnlijk een gevolg van de onreinheid harer kleeding. En dat was nu die sierlijke, poëtische Aline, met haar mooie duivenoogen, die Fransche verzen las en overschreef, op de harp speelde en zeer in trek was op de voornaamste bals! Ik herinner mij, dat zij altijd even vriendelijk was, zoowel met de voornaamste heeren en dames als met monniken, pelgrims en nonnen. Haar zwager Joeschkoff plaagde haar altijd, en zond eens uit Kazan aan haar adres eene groote kist. In die kist bevond zich weer eene kist, en daarin weer een derde, en zoo ging het voort, totdat er een klein doosje overbleef, waarin, gepakt in watten, een kleine porseleinen monnik lag.“Ik herinner mij nog hoe hartelijk vader lachte toen hij haar het poppetje bracht, en het vriendelijk goedige lachje op haar stralend tevreden gezicht. Haar godsdienst verhief haar geest zoo boven al het bestaande, dat zij zich nooit boos maakte of treurig werd; immers, de wereldsche zaken hadden voor haar niet het gewicht dat anderen er aan hechten. Toen zij onze voogdes werd, zorgde zij voor ons, maar niet met hart en ziel. Alles moest achterstaan bij den dienst van den Heer, zooals zij dien dienst begreep.”1Zooals boven gezegd is, woonden de jongste kinderen, Dmitri, Leo en Maria, met hunne tante Tatjana op het land, terwijl de twee oudsten, Nikolaas en Sergius, met hunne voogdes Alexandra Ilinitschna, te Moskou waren gebleven. De geheele familie vereenigde zich in den zomer te Jasnaja Paljana. Zoo vergingen de jaren 1838 en 1839 en naderde 1840, het jaar van den hongersnood. De oogst was zóó slecht, dat de Tolstoi’s brood moesten koopen voor hunneboeren-lijfeigenen. De gelden daarvoor werden verkregen door den verkoop van het landgoed Njeroetsch, dat zij door erfenis hadden verkregen.Het rantsoen voor de paarden moest worden verminderd en haver kregen zij in ’t geheel niet meer. Tolstoi herinnert zich nog, dat zij, kinderen, het zoo jammer vonden voor hun lieve paardjes. Zij gingen daarom stil naar het land waar de haver stond en, geheel onbewust van het kwaad dat zij deden, rukten zij die uit den grond, namen handen vol mee naar huis en voerden er hunne paarden mee.In den herfst van ’t jaar ’40 trok de geheele familie naar Moskou, waar zij ook den winter van ’40/41 doorbrachten; maar ’s zomers begaven zij zich weer naar Jasnaja Paljana.In den herfst van dat jaar overleed hunne voogdes, gravin A. I. Osten-Sacken. Alexandra Ilinitschna stierf in het klooster Optinaja Poestienja. In den tijd dat zij daar was waren de kinderen met Tatjana Jergolskaja te Jasnaja Paljana. Toen het bericht kwam, dat tante Alexandra was overleden, reisde Tatjana er dadelijk heen. Den tijd, die nu kwam, zouden de kinderen niet licht vergeten. Zij bleven achter met hun’ onderwijzer, Feodor Iwanowitsch, de oude Maria, die eene halve Joerodiewi was, en een aardigen zwarten hond, waarmee zij altijd speelden. Zoo werd er eens een hooge troon gemaakt en de hond er opgezet, die er echter telkens afsprong. Midden in ’t spel begon hij op eens te huilen en kroop onder een’ stoel. Het bleek, dat hij een’ poot had gebroken. Hunne vertwijfeling was groot en zij begonnen allen jammerlijk te weenen. Deze indruk smolt naderhand te samen met de herinnering aan het eentonige lezen der psalmen door Maria Gherasimowna en het doodsbericht van hunne tante Alexandra Ilinitschna.Pelageja Ilinitschna, getrouwd met den landeigenaar W. J. Joeschkoff, reisde dadelijk na den dood van harezuster naar de kinderen op Jasnaja Paljana. De oudste broer, die toen juist één jaar student was, ontving haar met de woorden: “Ne nous abandonnez pas, chère tante, il ne nous reste que vous au monde.” Tante, tot tranen geroerd, besloot zich op te offeren. Wat zij onder dat woord verstond is niet heel duidelijk, maar zeker is het, dat zij dadelijk weer naar Kazan terugging, eenige schuiten bestelde en daar alles op laadde wat zij maar van Jasnaja Paljana weg kon sleepen. Zelfs de bedienden nam ze mee: den meubelmaker, schoenmaker, slotenmaker, kok, behanger, enz. Bovendien kregen de jonge Tolstoi’s ieder een’ lijfeigene, ongeveer van hun eigen leeftijd, voor hun specialen dienst.Wanjoescha, een van deze bedienden, volgde Tolstoi later naar den Kaukasus en leeft nu nog stil bij zijne dochter te Toela.Leo Tolstoi was ongeveer twaalf jaar toen het bovenstaande voorviel. Het was een leventje op zich zelf. Alles en allen werden in den herfst op groote wagens gepakt en verhuisden van Toela naar Kazan. Onderweg werd nu en dan op een weide of in een bosch halt gemaakt. Dan werden er bessen geplukt, men ging wandelen en baden.Het scheiden van tante Tatjana viel heel zwaar. Deze tante leefde niet op den besten voet met tante Pelageja, en wel omdat de man van deze laatste in zijne jeugd verliefd was geweest op Tatjana, haar ten huwelijk had gevraagd en was afgewezen. Tante Palageja kon het haar nog steeds niet vergeven, dat zij eens de liefde van Joeschkoff had bezeten. Voor ’t oog der wereld echter was de verstandhouding allerliefst.Van Wladimir Joeschkoff zegt men te Kazan, dat hij een ontwikkelde, verstandige man was, altijd vroolijk, goedhartig en steeds geneigd tot plagen en schertsen, eene eigenschap die hem tot zijn’ dood toe bijbleef.Het huis waarin Tolstoi in Jasnaja Paljana werd geboren.—Blz. 55.Het huis waarin Tolstoi in Jasnaja Paljana werd geboren.—Blz.55.Pelageja stond ook bekend als eene goede, maar niet alte verstandige vrouw. Zij was zeer godsdienstig en ging na den dood van haar’ man naar het klooster Optinaja Poestienja. Daarna woonde zij eenigen tijd in het vrouwen-klooster te Toela, kwam vervolgens naar Jasnaja Paljana, waar zij ziek werd en stierf.In den loop van haar lang leven volgde zij streng de voorschriften van de kerk der rechtgeloovigen. Op haar 80stejaar evenwel, bij ’t naderen van den dood, werd zij bang en wilde niets hooren van het ontvangen der Heilige Sacramenten en werd boos op iedereen die er op aandrong, daar zij niet aan den dood herinnerd wilde worden.De Amerikaansche schrijver E. Schyler, die Rusland bereisd heeft, bezocht Leo Tolstoi in het jaar 1868 en vertelt in zijne gedenkschriften het volgende van zijne kennismaking met de familie Joeschkoff.Schyler maakte kennis met Joeschkoff te Kazan. “Ik werd ontvangen,” vertelt hij, “in een mooi huis en gaf mijn kaartje en een’ aanbevelingsbrief aan een’ bediende, die zich ermee verwijderde. Terwijl ik wachtte zag ik, dat de nog ongeopende brief op een’ stoel werd gelegd. Eindelijk kwam de generaal binnen, een reeds oude, maar nog flinke man met een goed, sympathiek gelaat. Hij noodigde mij uit te gaan zitten, deed hetzelfde en zei na een paar onverschillige woorden:“Ik veronderstel, dat gij mij een’ brief hebt meegebracht van mijn’ neef Leo? Waar is die?”“Ik denk dat gij er op zit.” Hij stond op, vond den brief en reikte hem mij over met de woorden:“Wees zoo goed hem mij voor te lezen; ik ben volslagen blind.”“Het was een moeilijk geval, want de brief behelsde veel goeds van mij; maar ik kon er niets aan doen en sloeg toch nog een heel eindje over. Het spijt mij altijd nog dat ikden ouden heer dien brief terug heb gegeven. Ik had hem in mijn zak moeten steken om hem als een aandenken te bewaren. In eene andere kamer stonden twee piano’s. Op een vraag van mij antwoordde de generaal, dat hij vroeger een groot liefhebber van muziek was geweest. Al zijne kinderen had hij muziek laten leeren, maar nu hij oud en blind was geworden gingen zij den geheelen winter naar Petersburg en lieten hem alleen. Ik overreedde hem mij iets van Mozart en Beethoven uit het hoofd voor te spelen. Daarop gingen wij naar den tuin en in die twee uren, die ik bij hem doorbracht, vertelde hij mij veel interessante dingen, maar dat, wat ik wilde weten, vertelde hij mij niet.”Op Jasnaja Paljana maakte Schyler ook nog kennis met Pelageja Joeschkoff. Van haar vertelt hij:”Nadat ik Tolstoi ’s avonds mijne ontmoeting met Joeschkoff had verteld, werd ik den nacht daarop om 4 uur wakker door het geluid van voetstappen in de gang. Mijne deur ging open, en in de meening dat er iets gebeurd was en de knecht mij kwam wekken, riep ik: ‘Wat is er?’ De deur ging weer dicht en ik hoorde een stem in het Fransch zeggen: ‘Ah, un homme dans mon lit’. Nogmaals ging de deur open en een heer met eene kaars in de hand verscheen en vroeg: ‘Sergius, ben jij het?’—‘Neen,’ antwoordde ik, ik ben een gast hier in huis.’ Hij lachte, verontschuldigde zich en ging weg. Ik had een heel scherp gehoor en zoo hoorde ik hen overleggen, dat iemand niet in de logeerkamer, maar op den divan zou gaan slapen, zoolang de familie nog boven was. Ik begreep dadelijk, hoe de vork in den steel zat. Ik was uitgenoodigd ongeveer een week te blijven logeeren tot aan de terugkomst van mevrouw Joeschkoff, de tante van den graaf, en bewoonde nu hare kamer. Zij was vroeger dan het plan was en onaangemeld teruggekomen en had eene vriendin meegenomen. Daar de deuren in een Russisch huisbijna nooit ’s nachts gesloten zijn, waren zij binnengekomen zonder te kunnen vermoeden, dat ze een ander zouden wakker maken.“Van Iwan, die mij ’s morgens thee kwam brengen, hoorde ik, dat ik goed had geraden. Ik pakte daarom dadelijk mijn zaken bij elkaar om dienzelfden dag nog te kunnen vertrekken. Toen ik tegen elf uur beneden kwam voor de morgenkoffie, vond ik in het salon mevrouw Joeschkoff geheel alleen, zoodat ik mij zelf moest voorstellen. Waarschijnlijk had men haar de nachtelijke geschiedenis al opgehelderd, want zij zei lachend: ‘Dus u bent in ’t voorjaar in Kazan geweest en u hebt mijn man gezien, die u verteld heeft dat hij geheel blind is. Ik verzeker u evenwel dat daar geen woord van waar is. Hij ziet even goed als u en ik. Dat is een van zijn gewoonten om zich interessant te maken.’“Ik antwoordde, dat hij volgens mijn meening wel degelijk blind was, maar kon haar niet overtuigen. Graaf Tolstoi vertelde mij, dat zij gescheiden van haar man leefde en, hoewel ze hem in geen twee jaar had gezien, toch in eene vriendschappelijke verhouding tot hem stond”2.Tolstoi heeft in eenige zijner werken, die, volgens onze meening, een autobiographisch karakter dragen, den gang van zijne ontwikkeling als knaap beschreven.Eene eigenschap, die veel bij kinderen voorkomt, en blijkbaar bij Leo Tolstoi zeer sterk was ontwikkeld, was zijne met eigenliefde verbondene schuchterheid.De menschen scheiden dikwijls deze twee eigenschappen van elkaar, prijzen de eene, laken de andere, en daarbij vormen zij toch samen de twee zijden van één medaille. Zij zijn even onafscheidelijk als oorzaak en gevolg. Iemand is schuchteromdat hij eigenliefde bezit, en de schuchterheid op haar beurt versterkt deze weer. Zulke gevoelens komen meestal in den beginne voort uit weinig beteekenende oorzaken, b.v. uit het besef dat ons voorkomen niet zeer aantrekkelijk is. Tolstoi zegt hierover, zichzelf beschrijvende onder den naam van Nikoljenka:“Ik had een vreemd begrip van mooi, ik vond zelfs Karel Iwanowitsch een van de mooiste mannen van de wereld, maar dat verhinderde niet, dat ik heel goed wist, dat ik zélf leelijk was. Iedere aanmerking op mijn uiterlijk kwetste mij daarom ook.“Dikwijls had ik oogenblikken van vertwijfeling; ik verbeeldde mij, dat er geen geluk bestaanbaar was voor iemand met zoo’n breeden neus, zulke dikke lippen en zulke kleine grijze oogen als ik. Alles wat ik bezat en alles wat ooit het mijne zou worden had ik willen geven om mooi te zijn.”3Zoodra de mensch den blik slaat op zich zelf, ontwaken in hem tegenstrijdige gevoelens. Is hij verstandig en zedelijk ontwikkeld, dan moet hij zijne tekortkomingen voelen en hieruit weer ontstaat de drang naar zelfvolmaking zoowel in- als uitwendig.Dezen strijd nu van het kind, den knaap en den jongeling heeft Tolstoi ons geschilderd in de persoon van Nikoljenka Istjeneff, waarmee hij ons tevens een blik laat slaan in zijn diep, rijk gevoelsleven.In een gesprek met een’ vriend vertelt Tolstoi dat hij, van knaap jongeling geworden, geheel onder den invloed stond van zijn’ broer Sergius, dien hij verafgoodde en in alles trachtte na te volgen. In het einde van zijn jongelingsjaren was het Nikolaas die grooten invloed op hem uitoefende, en van wien hij wel is waar niet zoo hartstochtelijk, maar beter hield.De liefde die Tolstoi zijn’ broeder Sergius toedroeg, heeft tot materiaal gediend voor de inKinderjarenvoorkomende beschrijving van een dergelijke verhouding tusschen Nikolenka Istjeneff en Sergius Iwin.Hier volgt hetgeen hij ons met zulke heldere kleuren schildert.“Hij trok mij onwederstaanbaar aan. Er was een tijd dat ik geen andere wenschen had, dan hem te zien, en zag ik hem dan was ik gelukkig. Als ik hem in een paar dagen niet ontmoette werd ik onrustig en treurig. Al mijn droomen gingen uit naar hem. Wanneer ik ging slapen, dan hoopte ik van hem te droomen, en ontwaakte ik, dan stond zijn beeld mij dadelijk weer voor oogen, en zelfs dit beeld liefkoosde ik in gedachten en aanbad het als een hooger wezen.“Over deze groote liefde sprak ik met niemand, daarvoor was zij mij te heilig.“Misschien verveelde het hem, altijd mijn onrustige oogen op zich gericht te zien; wellicht ook voelde hij eenvoudig geen sympathie voor mij, maar het is zeker dat hij veel liever met Walodja sprak en speelde, dan met mij. Hoe het ook zij, ik was tevreden, verlangde niets meer, vroeg niets meer en was ten allen tijde bereid mij voor hem op te offeren.”4“Onder den familienaam Iwin beschreef ik de zoontjes van graaf Poeschkin, van welke juist dezer dagen Alexander is gestorven. Hij was het, van wien ik in mijne jeugd zoo heel veel heb gehouden. Ons geliefkoosd spel was: soldaatje spelen.”5De overgang van kind tot knaap schildert Tolstoi ons op de volgende wijze: “Is het u wel eens gebeurd, lezer, dat gij op een zeker tijdstip van uw leven plotseling een geheel anderen blik op de dingen kreegt, alsof alles wat gij tot nutoe gezien hadt, zich aan u vertoonde van eene u geheel onbekende zijde? Iets dergelijks heb ik ondervonden gedurende mijne eerste reis. Van dien tijd af reken ik ook, dat mijn jongensjaren zijn begonnen.“Voor het eerst van mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat wij (d.w.z. onze familie) niet alleen op de wereld waren, dat er nog andere belangen bestonden dan de onze en dat er menschen leefden, die niet alleen niets met ons gemeen, maar die zelfs geen besef van ons bestaan hadden.“Natuurlijk heb ik dat alles vroeger ook geweten maar anders, onbewust, ik voelde het niet.”6Vroeg reeds openbaarden zich bij den knaap de filosofische gedachten, den weg voorbereidende waarlangs dat groote verstand zich zou ontwikkelen.“Men zal het nauwelijks gelooven,” zegt Tolstoi, onder den naam Nikoljenka, “welke mijne geliefkoosde overpeinzingen waren toen ik een jongen was, zoo weinig waren zij in overeenstemming met mijn leeftijd en omstandigheden. Volgens mijne meening echter is juist dit groote verschil tusschen de omstandigheden van den mensch en den gang zijner gedachten het grootste bewijs van de juistheid dezer laatste.“...Het geluk, zoo dacht ik eens, hangt niet af van de uiterlijke omstandigheden maar van de wijze waarop wij het beschouwen. Een mensch, die gewend is aan ongeluk, kan niet ongelukkig zijn, en om mij zelf van deze waarheid te overtuigen, dwong ik mij, ondanks de heftige pijn, eene zware dictionnaire vijf minuten in de uitgestrekte hand te houden of sloeg ik mij met een touw op den blooten rug tot de tranen mij in de oogen sprongen.“Een andermaal bedacht ik plotseling dat de dood mij ieder oogenblik kon overvallen. Ik begreep niet, dat alle menschendat niet eerder hadden ingezien, en nog op andere wijze gelukkig trachtten te worden, dan door van het oogenblik te genieten. Onder den invloed van die gedachte verwaarloosde ik mijne lessen en deed een paar dagen niets anders dan op mijn bed liggend eenige romans lezen en honingkoekjes eten, die ik voor mijn laatste geld gekocht had.“Eens teekende ik met krijt verschillende figuren op het bord. Plotseling trof mij de gedachte: ‘Waarom doet de symmetrie ons oog zoo aangenaam aan? Wat is eigenlijk symmetrie?’ en ik antwoordde mijzelf: ‘dat is iets dat ons is aangeboren’. ‘Waarop is zij gegrond? Is alles in de wereld symmetrisch?’ ‘Integendeed: dit is het leven,’ en ik teekende op het bord een groot ovaal figuur. ‘Na dit leven gaat de ziel de eeuwigheid in; hier is de eeuwigheid,’ en ik trok eene lijn van het ovale figuur af tot aan het uiterste eind van het bord. Waarom kan ik nu aan den anderen kant ook niet zoo’n lijn trekken en hoe is een eeuwigheid bestaanbaar die zich maar naar één kant uitstrekt? Wij hebben ongetwijfeld reeds bestaan vóór dit leven, al hebben wij ook de herinnering daaraan verloren.”“Geen van deze filosofische gedachten,” vervolgt Tolstoi, “heeft mij zoo meegesleept als het scepticisme, dat mij gedurende eenigen tijd in een toestand heeft gebracht, grenzende aan krankzinnigheid. Ik verbeeldde mij, dat er behalve ik zelf, niemand en niets op de wereld bestond, dat voorwerpen geen voorwerpen maar denkbeeldige dingen waren, die ik slechts zag als ik mijn opmerkzaamheid er op richtte, maar die weer verdwenen, zoodra er ik niet meer aan dacht. In één woord, ik deelde de overtuiging van Schelling, dat het niet de voorwerpen zijn die bestaan, maar onze betrekking tot hen. Er waren oogenblikken dat ik, half krankzinnig onder den invloed dier gedachten, mij plotseling omkeerde, in de hoop eene woestijn, het ‘néant’, te zien dàar waar ik zelf niet was.”7Het boekJongensjareneindigt met de beschrijving van de vriendschap tusschen Nikoljenka en Njechloedoff8en toont ons het ideaal, dat Tolstoi zijn geheele leven voor oogen heeft gehad en dat hem bij zal blijven tot aan het einde zijner dagen.“Het spreekt van zelf, dat ik onder Njechloedoffs invloed ook zijne principes was toegedaan, die hierin bestonden dat hij de deugd verafgoodde en overtuigd was, dat het de bestemming van den mensch is, steeds meer en meer naar het volmaakte te streven. Het leek ons zoo gemakkelijk het geheele menschdom te verbeteren en allen te bevrijden van ongeluk en ellende; zoo eenvoudig ons zélf te verbeteren, deugdzaam te worden en gelukkig te zijn.”9Het is zeker, dat deze neiging tot abstracte dingen, deze teruggetrokkenheid en schuchterheid, dit streven naar het ideale, eigenschappen, die den knaap reeds kenmerkten, den grondslag legden voor de vorming van de harmonische gedachten van den grootschen kunstenaar, die de kiem daarvan reeds bij zich droeg in het tijdperk van zijn jongensjaren.Leo Tolstoi werd opgevoed in een patriachaal-aristokratischen, op zijne wijze godsdienstigen, kring. Zijne gevoelige kinderziel nam altijd op wat hem het mooiste scheen en hij was oprecht godsdienstig.10Maar deze gewoonte-godsdienst vervloog bij de eerste kennismaking met het geloof der rede.In zijn werkBiechtvertelt Tolstoi het volgende van zijne godsdienstige opvoeding, toen hij nog een jongen was.“Ik werd gedoopt en opgevoed in de leer der rechtgeloovigen, maar toen ik achttien jaar was en mijn tweedestudiejaar inging, geloofde ik reeds niets meer van hetgeen men mij geleerd had.“Afgaande op mijne herinneringen heb ik eigenlijk nooit ernstig geloofd; ik had slechts vertrouwen in hetgeen de grooteren mij predikten, maar zelfs dat vertrouwen stond niet vast. Ik herinner mij nog—ik was toen elf jaar—dat op een Zondag Walodjenka M. bij ons kwam en ons als laatste nieuws een ontdekking, gedaan op het gymnasium, openbaarde, n.l. dat er geen God bestond en dat alles wat men ons daaromtrent leeraarde verzinsel was. Dit gebeurde in 1838.“Ik weet nog, dat het nieuws mijn oudere broers sterk interesseerde, dat zij mij ook aan de beraadslagingen lieten deelnemen en dat wij de conclusie trokken, dat het zeer opmerkelijk en zeer aannemelijk was.”Wij weten, dat deze rationalistische overwegingen de kern van zijn geloof niet raakten. Dit bleek bestand te zijn tegen de ruwste levensstormen en wees hem ten slotte den weg naar de waarheid.Het is voor ons niet onbelangrijk eens na te gaan welke schrijvers, volgens Tolstoi’s eigen opgave, invloed op hem hebben uitgeoefend in zijne jeugd, d.w.z. ongeveer tot zijn 14dejaar. Hier volgt de lijst:Namen der werken:Graad van invloed:De geschiedenis van Jozef uit den Bijbel.Buitengewoon groot.De verhalen van de Duizend-en-één nacht. (De veertig roovers en Prins Kameralzaman).GrootDe zwarte kip van Pogorjelski.Zeer grootRussische verhalen:Dobrinja Ninititsch—Ilija Moeromjetz—Aljescha Ispowitsch.Buitengewoon grootVolkssprookjes.Buitengewoon grootHet gedicht van Poeschkin: Napoleon.Groot.Nu zullen wij eenige voorvallen aanhalen uit Tolstoi’s jongensjaren, zooals wij die gehoord hebben van hem zelf en van zijne familie. Ook bezitten wij gegevens uit andere bronnen, die wij aan kritiek onderworpen en gebruikt hebben voorzoover wij ze geloofwaardig bevonden. Het is echter onmogelijk, deze verhalen in chronologische volgorde te plaatsen.“Ik herinner mij,” vertelde Tolstoi, “dat wij, toen vader nog leefde, in ’t begin van ons verblijf te Moskou, een paar prachtige vurige paarden hadden.“Mitka Kopiloff was onze koetsier en tevens vaders rijknecht. Hij was een flink ruiter en jager, een uitstekend koetsier en bovenal een onschatbare voorrijder, want bij onze vurige paarden was een jongen niet vertrouwd en een oude voorrijder staat niet mooi. Mitka nu bezat alle eigenschappen die een voorrijder moet hebben en die men zelden vereenigd ziet. Hij was licht gebouwd, niet te groot en behendig.“Eens had vader bevel gegeven de phaëton in te spannen. De deuren van de poort gingen open en de paarden sprongen wild naar buiten. Wij hoorden iemand roepen: ‘de paarden van den graaf gaan op hol!’ Paschenka viel flauw en tante liep vlug naar grootmoeder om haar gerust te stellen. Het bleek dat vader nog niet was ingestapt en Mitka, die de paarden weer meester was geworden, keerde naar den stal terug.“Toen wij onze uitgaven moesten verminderen moest Mitka worden weggedaan. Verschillende rijke kooplieden hadden hem, mooi als hij er uitzag in zijn zijden buis en fluweelen koetsiersjas, graag voor een groot loon willen hebben.“Nu trof het echter dat Mitka’s broer onder dienst moest en zijn oude vader hem noodig had voor het werk op het land van zijn’ heer. Hij ging naar huis en na verloop van een paar maanden veranderde die kleine, fatterige Mitka in een grauwen boer, die zaaide en ploegde op het land van zijn’ heer en over ’t algemeen het zware boerenleven leidde.“En deze omkeer geschiedde zonder morren, in het bewustzijn dat het zoo moest zijn en niet anders.”Voorvallen als deze bevorderden nog de liefde en achting, die Tolstoi van zijn jeugd af aan het volk heeft toegedragen.De volgende gebeurtenissen hebben, volgens Tolstoi’s eigen woorden, de zaden van ontevredenheid en twijfel in zijne ziel gestrooid, vooral van twijfel aan de oprechtheid der menschen, der “grooteren”, die hij vroeger onvoorwaardelijk geloofde.De kinderen Tolstoi waren, als verre bloedverwanten, gevraagd bij den kerstboom van de familie Pipoff. Zij hadden toen hun vader en grootmoeder reeds verloren en leefden onder de hoede van hunne tante in betrekkelijk armoedige omstandigheden, zoodat zij weinig aantrekkelijks voor de buitenwereld hadden.Hunne nichtjes, de kinderen van vorst Gortschakoff, den toenmaligen minister van oorlog, waren ook uitgenoodigd, en de Tolstoi’s moesten met bitterheid het onderscheid opmerken, dat er gemaakt werd tusschen hen en de meer welkome gasten. Zij werden afgescheept met goedkoope prullen, terwijl de andere kinderen het mooiste en kostbaarste speelgoed ontvingen.Het tweede voorval speelde ook in Moskou, op eene wandeling met hun Duitschen gouverneur. Bij de kinderen (Leo was ongeveer 10 jaar) bevond zich het dochtertje van de Fransche gouvernante van hun’ buurman Isljeneff. Het was een mooi, aantrekkelijk meisje. Zoo wandelende op de Bolschaja Bronnaja, kwamen zij voorbij een poortje van een’ tuin die bij het huis Paljak hoorde. De poort was niet gesloten en half angstig gingen zij er in, zelf niet wetend hoe het af zou loopen, maar de tuin leek hun zoo buitengewoon mooi. Er was een vijver met roeibootjes, vlaggen, bloemen, bruggetjes, kleine paadjes, prieeltjes, enz. Zij liepen als in een’ toovertuin.Eindelijk kwamen ze een’ heer tegen, die zeide dat hij de eigenaar was en Attascheff heette. Hij begroette hen vriendelijk en noodigde hen uit hunne wandeling voort te zetten, liet hen roeien en was in één woord zoo voorkomend, dat zij begonnen te gelooven, zeer welkome gasten te zijn. Daarom besloten de kinderen een paar dagen later er eens weer heen te gaan.Toen zij aan het poortje kwamen hield een oude man hen tegen en vroeg wat zij wilden. Zij noemden hun naam en lieten zich bij den eigenaar aanmelden. Joezjenka was nu niet bij hen. De man kwam terug met de boodschap, dat de tuin particulier eigendom was en niet toegankelijk voor het publiek. Zij gingen treurig weg en in hun jonge zieltjes rees de vraag, waarom toch het mooie gezichtje van hun vriendinnetje zoo’n grooten invloed kon hebben op hunne verhouding tot hunne medemenschen.Nu volgen eenige schetsjes, die de eigenaardigheid, of liever, de excentriciteit van Tolstoi’s karakter als jongen, in ’t licht stellen.“Wij zaten eens aan tafel,” vertelde mij Tolstoi’s zuster. ”’t Was nog in Moskou, bij ’t leven van grootmoeder, die zeer streng was op de etiquette. Allen moesten wij in de kamer zijn voordat zij verscheen. Wij waren er dan ook allemaal, behalve Leo, die maar niet kwam. Grootmoeder bemerkte het en vroeg den gouverneur St. Thomas, of hij ook wist waar Leo was. Deze antwoordde dat hij zeker bij het toiletmaken op zijne kamer was opgehouden, maar ieder oogenblik moest komen. Grootmoeder was gerustgesteld, maar onder ’t eten kwam de djadka11binnen en fluisterde St. Thomas iets in. Deze verbleekte, stond op en verliet de kamer. Dat was zoo’n ongewone inbreuk op onze strenge etiquette, dat wij allen begrepen dat er een ongeluk moest zijn gebeurd,en daar Leo maar steeds niet verscheen, moest hij er in zijn betrokken. Angstig zaten wij te wachten en kregen spoedig de volgende verklaring: Leo—wij wisten niet waarom (zooals hij nu zegt, alleen maar om iets bijzonders te doen, om gewichtig te schijnen)—had zich voorgenomen om uit het raam van de tweede verdieping te springen, en opdat niemand hem daarin zou kunnen verhinderen, was hij opzettelijk alleen in de kamer achtergebleven, toen de anderen aan tafel gingen. Hij klom in het open venster van de bovenverdieping en sprong in den hof. Toen Leo naar beneden stortte, stonden de kok en de keukenmeid juist voor het raam en begrepen eerst niet wat er gebeurde; zij stuurden den huisknecht om eens te gaan zien, en deze, buiten gekomen, zag Leo bewusteloos op den grond liggen. Gelukkig had hij niets gebroken en alles liep af met een lichte hersenschudding. De bewusteloosheid ging over in een diepen slaap, die zestien uren aanhield en waaruit hij geheel gezond ontwaakte. Gij kunt u onze schrik en ontsteltenis voorstellen bij deze onbezonnen daad van den kleinen zonderling.“Eens haalde hij het in zijn hoofd zijn wenkbrauwen af te scheren, waardoor hij zijn gezicht, dat toch al ver van mooi was, nog veel leelijker maakte en waarvan hij naderhand heel veel verdriet heeft gehad.”“Een andermaal,” vertelt Maria Nikolajewna, “zaten we in een troika en reden van Pirochoff naar Jasnaja. Er werd even halt gemaakt. Leo stapte uit en ging te voet verder. Toen wij verder zouden rijden was Leo nergens te vinden. De koetsier zag in de verte zijn gestalte, die zich meer en meer verwijderde. Wij reden verder, in de meening dat hij in zou stappen als wij hem hadden ingehaald. Maar zoo gebeurde het niet. Bij ’t naderen van de troika verhaastte hij zijne schreden, en toen deze hem op zij was zette hij het op een loopen en wilde blijkbaar niet instappen. De troika reedheel vlug en hij liep ongeveer drie wersten zoo hard als hij kon mee, totdat hij ten slotte geen kracht meer had en het opgaf. Nat van zweet, geheel buiten adem, nam men hem in de troika op, waar hij doodelijk vermoeid neerviel.”Tolstoi’s echtgenoote, gravin Sophie Andrejewna, heeft dikwijls gebeurtenissen uit het leven van haar echtgenoot, die zij van hem zelf of van zijne familie hoorde, opgeschreven en verzameld. Hoewel tot onzen spijt deze arbeid niet is voleindigd, heeft hij voor ons toch groote waarde. Met haar welwillende toestemming laten wij hier eenige uittreksels volgen.“Afgaande op de verhalen van eene bejaarde tante en van mijn’ grootvader Iljeneff, die zeer bevriend was met den vader van mijn man, was de kleine Leo een vreemd, zonderling kind. Hij kon b.v. de zaal binnen komen en de aanwezigen begroeten met een achterwaartsche buiging, met zijn hoofd achterover, terwijl zijn voeten over den grond knarsten.“Op de vraag of hij goed geleerd had, kreeg ik zoowel van hem als van anderen steeds ten antwoord: ‘neen’.”Tolstoi’s zwager S. A. Bjers vertelt in zijne herinneringen het volgende:“Volgens tante Pelageja kon men hem, toen hij nog een kind was, gerust een’ bengel noemen; als jongen was hij zeer eigenaardig en haalde de vreemdste dingen uit, maar was daarbij vroolijk en opgewekt en had een hart van goud.“Mijne tante, die nu overleden is, vertelde mij dat hij, inKinderjarenzijne eerste liefde beschrijvende, heeft verzwegen, dat hij eens het voorwerp van die liefde uit jalouzie van het balkon heeft gestooten. De bewuste was mijne moeder, die toen negen jaar oud was en, dank zij de buiteling, een langen tijd gebrekkig moest loopen. Hij had het gedaan omdat zij niet met hem, maar met een ander sprak. Later zeide zij dikwijls lachend: ‘Je hebt mij zeker van het balkon gestooten om met mijne dochter te kunnen trouwen.’“Zelf vertelde Tolstoi eens in zijn’ familiekring en in mijne tegenwoordigheid, dat hij, toen hij een jaar of zeven was, vurig wenschte te kunnen vliegen. Hij verbeeldde zich, dat hij het best zou kunnen door op zijn hurken te gaan zitten en dan met beide armen zijne knieën te omvatten. Hoe stijver hij vasthield, des te hooger zou hij kunnen vliegen.”Verschillende autobiografische vertellingen kunnen wij vinden in reeds vroeger verschenen boeken. Eenige zeer karakteristieke laten we hier volgen.In de vertellingHet oude Paardverhaalt hij, dat hij en zijne drie broers verlof hadden gekregen om te gaan rijden. Men gaf hun daarvoor het oude paard Woronok. Nadat de oudere broers er eerst van genoten en het arme dier voldoende geplaagd hadden, kreeg hij het.“Toen het mijn beurt was,” vertelde Tolstoi, “wilde ik mijn broers eens toonen, hoe goed ik wel kon rijden. Ik spoorde het paard aan, maar hoe ik mij ook inspande, het wou niet vooruit, en keerde naar den stal terug. Ik werd boos, sloeg het dier met mijne zweep en schopte het met mijne voeten in de zijden. Ik deed mijn best om het juist daar te raken, waar ik wist dat het het meest pijn deed. Mijn zweep brak ik er bij, toen sloeg ik met den knop. Woronok echter verwikte niet en wilde niet verder. Toen keerde ik terug en vroeg mijn’ djadka een nieuwe sterke zweep. Maar deze zeide:“‘Heer, gij hebt genoeg gereden, stijg nu af. Waarom het paard langer te kwellen?’“Beleedigd antwoordde ik:“‘Ik heb nog in ’t geheel niet gereden. Geef mij een nieuwe zweep, dan zult ge zien, hoe ik zal galoppeeren.’“Toen schudde hij zijn hoofd en zei:“‘Ach, heer, medelijden kent gij niet. Waarom wilt gij het paard tot spoed aanzetten? Men heeft het gekweld, het kangeen adem meer halen, het is oud, zoo oud als Pimjen Timofjeïtsch.12Als gij op dien gingt zitten en hem met de zweep zoudt aansporen, zoudt gij dan geen medelijden hebben?’Tolstoi’s woning te Jasnaja Paljana.—Blz. 56.Tolstoi’s woning te Jasnaja Paljana.—Blz.56.“Ik stelde mij den ouden Pimjen voor en gehoorzaamde den djadka. Ik steeg af en toen ik zag, hoe het arme paard hijgde en met zijn half uitgevallen staart heen en weer sloeg, begreep ik hoe slecht het er aan toe was. Ik kreeg zoo’n medelijden met Woronok, dat ik een kus op zijn bezweeten nek drukte en hem vergiffenis vroeg, omdat ik hem zoo had geslagen.”InHoe ik leerde paardrijdenvertelt Tolstoi, dat hij eens met zijn broers naar de manege ging om het te leeren. De eerste piqueur, die zich verbaasde over zijne kleine gestalte, maar zijne vastberadenheid zag, wilde hem zelf helpen, “Men bracht een klein bruin paardje voor met korten staart. Het heette Tscherwentschik. De piqueur zei lachend: ‘Nu kavalier, stijg maar op.’ Ik verheugde mij en werd bang, doch deed mijn best om dit niet te laten merken. Ik trachtte den stijgbeugel te pakken, maar kon het niet, want ik was te klein. Toen nam hij mij op, zette mij op het paard en zei: ‘gij zijt niet zwaar, heer, niet meer dan een paar pond.’ Hij hield mij vast, maar daar ik zag dat mijn broers los reden, wilde ik het niet meer hebben. ‘Zijt ge dan niet bang?’ vroeg hij. Ik was het wel, maar zei: ‘neen.’“Ik was vooral zoo bang omdat Tscherwontschik maar steeds zijne ooren heen en weer bewoog; ik dacht toen, dat hij boos op mij was. De piqueur liet mij los met de woorden: ‘Nu, pas maar op dat gij er niet af valt.’ In het begin ging het stapvoets, en hield ik mij recht op, maar het zadel begon zoo glad te worden en ik werd bang dat ik zou vallen. De piqueur vroeg: ‘zit ge reeds vast?’—‘Ja,’ zei ik.—‘Nu, dan indraf,’ en hij klapte met de tong. Tscherwontschik ging in een drafje over; ik begon op en neer te wippen, maar hield mij goed en trachtte niet op zij te vallen. De piqueur prees mij: ‘ei, zie dien ruiter eens aan, goed zoo!’ en ik was overgelukkig.“Op dat moment kwam een vriend van den piqueur en knoopte een gesprek met hem aan, waardoor hij niet meer op mij lette. Plotseling voelde ik, dat ik begon te glijden, ik wilde weer recht gaan zitten maar kon niet. Ik wilde den piqueur roepen maar bedacht, dat het niet goed zou staan. Ik keek naar hem om en wilde hem toch maar vragen mij te helpen, maar hij lette niet op mij, hoewel hij riep: ‘flink, flink, kavalier!’ Ik hing reeds geheel op één zij en werd bang, maar schreeuwen wilde ik niet om de schande. Mijn paardje wierp mij nog ééns omhoog, toen verloor ik mijn evenwicht en viel op den grond.“Tscherwontschik bleef staan. De piqueur draaide zich juist om, zag mij niet meer op het paard en zei: ‘daar hebben we het al, mijn ruiter is gevallen.’ Toen ik hem antwoordde, dat ik mij niet bezeerd had, zeide hij lachend: ‘een kinderlichaam geeft mee!’ en ik, ik had wel willen schreien, maar ik vroeg of hij mij weer op het paard wilde zetten, en ik viel er niet meer af.”En zoo werd het kind een knaap; nadenkend, schuchter, vatbaar voor indrukken, zijn jonge hartje vol aanhankelijke liefde en toch inwendig eenzaam, gescheiden van de zijnen door de hooge vlucht zijner gedachten, die geen weerklank vonden in den kring die hem omringde.1Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.2Eug. Schyler.Herinneringen aan Tolstoi.3Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.4Uit de volledige verzameling der werken van Tolstoi.5Ingevoegd door Tolstoi bij lezing van het handschrift.6Volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.7Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.8Het materiaal hiervoor verschafte mij de vriendschap met Djakoff in mijn eerste studiejaar. Noot van L. Tolstoi.9Volledige werken van L. Tolstoi.10Toelichtingen hieromtrent vindt men in zijn werkKinderjaren.11Een oppasser voor kinderen.12Een 90-jarige grijsaard, die op het goed woonde.

Vijfde hoofdstuk.Jongensjaren.Toen Tolstoi’s jongensjaren begonnen, kwam voor de oudere broers Nikolaas en Sergius de tijd van ernstige studie. In het jaar 1830 verhuisde de familie Tolstoi daarom naar Moskou, waar ze gingen wonen in het huis van Schtscherbatscheff. Dit huis bestaat nog en bevindt zich tegenover de kerk die den naam draagt Smoljenskaja Bozja Matjer, in een z.g. hof.De winters van 1836 en ’37 brachten zij hier door, en ook den zomer na den dood van hun’ vader.In dien zomer van 1837 ging Tolstoi’s vader eens voor zaken naar Toela. Op weg naar zijn’ vriend Tjemjeschoff werd hij plotseling door eene duizeling bevangen, wankelde en viel, door eene beroerte getroffen, dood neer.Anderen beweren, omdat er geld ontbrak, en ook papieren die nog in Moskou op een geheimzinnige wijze door eene vrouw terug werden gebracht, dat hij door een’ bediende zou zijn vergiftigd.Zijn lijk werd van Toela naar Jasnaja Paljana gebracht. De begrafenis werd bijgewoond door zijne zuster Alexandra Ilinitschna en zijn’ oudsten zoon Nikolaas.Het is de dood van zijn’ vader die wel den diepsten indruk heeft nagelaten in Tolstoi’s kinderherinneringen. Voor het eerst, zegt hij, ontwaakte in hem de godsdienstige vrees voor het vraagstuk van leven en dood. Doordat zijn vader niet in huis was gestorven, duurde het lang eer het tot hem doordrong,en als hij op straat soms bekenden zag, dan dacht hij, ja, hij wist het bijna zeker, dat hij zijn vader daar ook bij zou ontmoeten. En dit gevoel van hoop en niet gelooven in den dood verzachtte zijne smart.Na den dood van het hoofd der familie bleven de Tolstoi’s dien zomer in Moskou. Dat was de eerste en misschien ook wel de laatste maal, dat Leo Tolstoi een’ zomer in de stad doorbracht. Een sterken indruk behield hij van de uitstapjes die er gemaakt werden in wagens bespannen met vier paarden, niet naast maar voor elkaar, van de mooie omstreken van Koeznjetzoff en Neskoetschni, en van de afschuwelijke lucht der fabrieken rondom Moskou, die in dien tijd de omgeving bedierf.“Grootmoeder was door den dood van haar zoon als gebroken. Altijd weende zij en ’s avonds liet zijdikwijlsde deur van de naaste kamer open en beweerde, dat haar zoon daar was en dat zij met hem sprak. Soms vroeg zij angstig aan haar dochter: ‘Is het waar dat hij dood is?’—Na negen maanden stierf zij van verdriet.”De dood van zijne grootmoeder voerde Tolstoi’s gedachten, hoewel hij het zich toen niet bewust was, weer naar het vraagstuk van leven en dood.Zijne grootmoeder heeft lang moeten lijden. Tegen het eind van haar ziekte kreeg zij waterzucht. Nog kan Tolstoi zich den schrik herinneren, toen hij bij haar gebracht werd om afscheid te nemen en zij, geheel in ’t wit, op haar bed liggende, zich met moeite naar haar kleinzoons toekeerde en hun, bijna onbeweeglijk, haar witte hand toestak, een hand dik opgeloopen als een kussen.Maar zooals het altijd bij kinderen gaat, werden de schrik en angst voor den dood al spoedig verdrongen door kinderlijke spelen en onbezorgde vroolijkheid.Eens op een feestdag kwam, als gewoonlijk, Wladimir Miljoetin, een jongen van hun leeftijd, bij hen. Deze Wladimir is dezelfde, die hun later, toen ze op het gymnasium gingen, het ongewone nieuws verkondigde, dat er geen God bestond. ’t Was nog vóor het middageten en het ging in de kinderkamer vroolijk, ja zelfs wild en ruw toe; dat wil zeggen Sergius, Dmitri en Leo maakten zoo’n leven; Nikolaas en Miljoetin, die al verstandiger waren, deden niet mee. De pret bestond hierin, dat zij papier verbrandden in de schalen van een servies, die achter een kamerschut stonden. Waarom dat zoo prettig was, is moeilijk te begrijpen, maar dat ze het buitengewoon plezierig vonden is zeker. “Plotseling,” zoo vertelt Tolstoi, “weerklinken te midden van deze vroolijkheid, vlugge schreden en de jonge, blonde, energieke, gespierde, kleine gouverneur St. Thomas (inJongensjarenbeschreven als St. Jérôme) treedt bleek, met trillende lippen, binnen, en zonder acht te geven op onze bezigheid, zonder ons te beknorren, zegt hij ‘Votre grand’ mère est morte.’“Ik herinner mij,” gaat Tolstoi voort, “dat wij nieuwe zwarte jasjes kregen met wit tres gegarneerd. Vreeselijk om te zien waren de doodgravers die om ons huis drentelden, het brengen van de kist met glazen deksel, en grootmoeder, zooals zij, hoog op de tafel, in de kist lag, met strak gelaat, scherpen neus, witte muts, een witten doek om den hals. Treurig om te zien waren de tranen van de tantes en Paschenka, maar toch verheugden wij ons over onze nieuwe jasjes met tres en de medelijdende zorg, waarmee men ons omringde. Ik herinner mij niet, waarom men ons naar de bijgebouwen bracht gedurende de begrafenis, maar wèl, hoe prettig ik het vond, naar de gesprekken van een paar onbekende babbelaarsters te luisteren. ‘Arme, arme weezen, nauwelijks is hun vader gestorven en nu ook nog de grootmoeder!’”De Fransche gouverneur, zoo juist genoemd, liet bij Tolstoi eene herinnering achter van goed en kwaad dooreen gemengd.“Ik weet niet meer waarvoor,” vertelt Tolstoi, “maar zonder dat ik het verdiend had, sloot St. Thomas mij eens op en dreigde mij met de roe. Ik kreeg een razend gevoel van wrok en woede, en kwam in opstand, niet alleen tegen hem, maar vooral ook tegen de macht, die men tegen mij kon aanwenden. Misschien is deze gebeurtenis wel de oorzaak geweest van dien afkeer, dien ik mijn heele leven heb gehad van iedere machtsuitoefening.”Desniettemin wijdde St. Thomas al zijn aandacht aan de bijzondere begaafdheid van zijn kleinen kweekeling. Hij zag waarschijnlijk iets bijzonders in hem, want eens over Leo Tolstoi sprekende, zei hij: “Ce petit a une tête, c’est un petit prodige.”Tengevolge van de wanorde in zaken moesten, na den dood der grootmoeder, de uitgaven der familie verminderd worden. Daarom trok een gedeelte van hen,nl.de jongsten, Dmitri, Leo en Maria, met hunne tante Tatjana weer naar buiten. De onderwijzers wisselden elkaar af. Nu eens Duitsche gouverneurs, dan weer Russische seminaristen. Gravin Alexandra Ilinitschna werd tot voogdes over de kinderen benoemd.Van deze merkwaardige persoonlijkheid vertelt Tolstoi het volgende.“Mijne tante Alexandra Ilinitschna trouwde heel jong te St. Petersburg met den rijken, uit de Oostzee-provincie stammenden graaf Osten-Sacken.“Het scheen eene schitterende partij, maar het huwelijk liep treurig af voor mijne tante, hoewel misschien de gevolgen van deze verbintenis een zegen waren voor haar volgend leven.“Tante Aline, zooals zij door de familie genoemd werd,moet er, volgens een portret dat gemaakt is toen zij 16 jaar was, heel aantrekkelijk hebben uitgezien, met de groote duivenoogen in haar zacht, blank gelaat.“Kort na het huwelijk vertrok graaf Osten-Sacken met zijne jonge vrouw naar zijn landgoed in de Oostzee-provinciën. Daar openbaarden zich meer en meer de verschijnselen eener zielsziekte, die zich in den beginne uitte in eene ongemotiveerde jaloezie. In het eerste jaar van haar huwelijk, toen zij reeds zwanger was, nam die ziekte zoo toe, dat er oogenblikken van volslagen krankzinnigheid kwamen. Hij verbeeldde zich dan, dat hij omringd was door vijanden die hem zijne vrouw wilden ontnemen, en dat vluchten het eenige redmiddel voor hem was.“Eens op een zomermorgen stond hij op, wekte zijne vrouw, en zeide haar zich klaar te maken voor de vlucht. Hij zou bevel geven in te spannen om dadelijk weg te rijden. Inderdaad liet hij het rijtuig voorkomen, zette zijne vrouw er in en gaf order zoo veel mogelijk spoed te maken. Onderweg nam hij twee pistolen uit een kistje, gaf er een aan mijne tante en zei haar dat, zoo hun vlucht bekend werd, hunne vijanden hen zouden achtervolgen. Dat zou hun ondergang zijn, en er bleef dan niets anders over dan elkaar dood te schieten. Tante, doodelijk verschrikt, nam het pistool en trachtte haren man tot andere gedachten te brengen, maar hij luisterde niet eens, keek voortdurend achterom, of de vervolgers kwamen, en dreef den koetsier tot steeds grooter spoed aan. Tot hun ongeluk vertoonde zich op een’ zijweg van het dorp, die uitkwam op den grooten weg, een rijtuig. Hij riep uit dat alles verloren was, gebood haar zich dood te schieten en vuurde zelf ook op haar. Het schot trof haar in de borst. Hij moet toen zeker begrepen hebben wat hij had gedaan, en het rijtuig dat hem verschrikt had zal een anderen kant uit zijn gereden. Hoe het ook zij, hij liet stilhouden, droeg mijne gewonde tante bloedend uit het rijtuig, legde haar op den weg en joeg verder. Tot haar geluk kwamen er spoedig eenige boeren voorbij, die haar opnamen en naar den geestelijke droegen. Deze verbond haar zoo goed mogelijk en liet een’ dokter halen. De wond bevond zich aan de rechterzijde van de borst (tante heeft mij het litteeken eens laten zien), en was niet gevaarlijk.“Toen zij herstellende was, nog steeds zwanger, kwam haar man, en nadat hij den geestelijke de geschiedenis verteld had, hoe ongelukkig zij gewond was, vroeg hij haar te mogen zien.“Dat wederzien werd vreeselijk. Listig als alle krankzinnigen, deed hij alsof hij berouw had, en nadat hij vrij lang bij haar had gezeten en over allerlei onderwerpen had gesproken, maakte hij van een oogenblik dat zij alleen werden gelaten gebruik om zijn voornemen uit te voeren. Alsof hij bezorgd was voor hare gezondheid, vroeg hij of zij haar tong eens wilde uitsteken. Toen zij het deed, greep hij er naar met de eene hand, met de andere nam hij een scheermes, dat hij had meegenomen, en wilde haar de tong afsnijden. Zij verweerde zich wanhopig, wist zich los te rukken, schreeuwde om hulp, menschen kwamen aangeloopen, grepen hem en voerden hem weg.“Van dien tijd af was hij volslagen krankzinnig; hij moest van zijne vrouw worden verwijderd en naar een gesticht gebracht.“Kort na deze gebeurtenissen keerde mijn tante naar haar ouderlijk huis in Petersburg terug. Daar beviel zij van een dood kindje. Uit angst voor de gevolgen verzweeg men het haar en gaf haar het kind van de vrouw van hun kok, dat op dien zelfden dag geboren was. Dat meisje was Paschenka, die later bij ons woonde en al een groot meisje was toen zij in mijn’ gedachtenkring trad. Ik weet niet wanneer men het haar vertelde, maar toen ik haar leerde kennen, wist zij aldat zij geen dochter van mijne tante was. Tante Alexandra bleef eerst bij hare ouders, kwam toen bij ons, werd na den dood van vader onze voogdes en stierf toen ik twaalf jaar was in het klooster Optinaja Poestienja.“Mijne tante was eene oprecht godsdienstige vrouw. Het liefst hield zij zich bezig met het lezen van heiligenlevens, of sprak zij met pelgrims, joerodiewi’s, monniken en nonnen. Sommigen van deze lieden woonden altijd in ons huis, de anderen kwamen ons slechts nu en dan bezoeken. Maria Gherasimowna, die in haar jeugd, vermomd als joerodiewi, had rondgetrokken, de peet van mijne zuster Maria, was een dergenen die altijd bij ons woonden. Zij werd peettante van mijne zuster, omdat mijn moeder, die na haar vier jongens graag eene dochter wilde hebben, het haar beloofd had, indien het haar gelukte van God een meisje af te smeeken. De dochter kwam, zij werd peet en woonde daarna gedeeltelijk in het vrouwenklooster te Toela, gedeeltelijk bij ons.“Tante Alexandra was niet slechts godsdienstig voor het oog der wereld, hield niet slechts de vastendagen of trachtte in aanraking te komen met heilige menschen, zooals met den grijsaard Leonid in Optinaja Poestienja, maar zij leidde ook een oprecht christelijk leven. Zichzelf ontzegde zij alle weelde, geen’ dienst vorderde zij, maar anderen diende zij zooveel het in haar vermogen stond. Geld had zij nooit omdat zij alles wat zij bezat weggaf.“De kamenier Gascha, die na den dood van mijne grootmoeder bij tante Alexandra kwam, vertelde mij, dat tante, als zij ’s morgens naar de vroegmis ging, op de teenen langs haar heen sloop, om haar niet te wekken, en al die bezigheden zelf verrichtte, die gewoonlijk eene kamenier doet.“Wat kleeding en voeding betreft was zij nog eenvoudiger dan men zich kan voorstellen. Hoe onaangenaam het mij ookis, moet ik toch vertellen dat ik mij herinner, dat tante Alexandra steeds een zure lucht bij zich had, waarschijnlijk een gevolg van de onreinheid harer kleeding. En dat was nu die sierlijke, poëtische Aline, met haar mooie duivenoogen, die Fransche verzen las en overschreef, op de harp speelde en zeer in trek was op de voornaamste bals! Ik herinner mij, dat zij altijd even vriendelijk was, zoowel met de voornaamste heeren en dames als met monniken, pelgrims en nonnen. Haar zwager Joeschkoff plaagde haar altijd, en zond eens uit Kazan aan haar adres eene groote kist. In die kist bevond zich weer eene kist, en daarin weer een derde, en zoo ging het voort, totdat er een klein doosje overbleef, waarin, gepakt in watten, een kleine porseleinen monnik lag.“Ik herinner mij nog hoe hartelijk vader lachte toen hij haar het poppetje bracht, en het vriendelijk goedige lachje op haar stralend tevreden gezicht. Haar godsdienst verhief haar geest zoo boven al het bestaande, dat zij zich nooit boos maakte of treurig werd; immers, de wereldsche zaken hadden voor haar niet het gewicht dat anderen er aan hechten. Toen zij onze voogdes werd, zorgde zij voor ons, maar niet met hart en ziel. Alles moest achterstaan bij den dienst van den Heer, zooals zij dien dienst begreep.”1Zooals boven gezegd is, woonden de jongste kinderen, Dmitri, Leo en Maria, met hunne tante Tatjana op het land, terwijl de twee oudsten, Nikolaas en Sergius, met hunne voogdes Alexandra Ilinitschna, te Moskou waren gebleven. De geheele familie vereenigde zich in den zomer te Jasnaja Paljana. Zoo vergingen de jaren 1838 en 1839 en naderde 1840, het jaar van den hongersnood. De oogst was zóó slecht, dat de Tolstoi’s brood moesten koopen voor hunneboeren-lijfeigenen. De gelden daarvoor werden verkregen door den verkoop van het landgoed Njeroetsch, dat zij door erfenis hadden verkregen.Het rantsoen voor de paarden moest worden verminderd en haver kregen zij in ’t geheel niet meer. Tolstoi herinnert zich nog, dat zij, kinderen, het zoo jammer vonden voor hun lieve paardjes. Zij gingen daarom stil naar het land waar de haver stond en, geheel onbewust van het kwaad dat zij deden, rukten zij die uit den grond, namen handen vol mee naar huis en voerden er hunne paarden mee.In den herfst van ’t jaar ’40 trok de geheele familie naar Moskou, waar zij ook den winter van ’40/41 doorbrachten; maar ’s zomers begaven zij zich weer naar Jasnaja Paljana.In den herfst van dat jaar overleed hunne voogdes, gravin A. I. Osten-Sacken. Alexandra Ilinitschna stierf in het klooster Optinaja Poestienja. In den tijd dat zij daar was waren de kinderen met Tatjana Jergolskaja te Jasnaja Paljana. Toen het bericht kwam, dat tante Alexandra was overleden, reisde Tatjana er dadelijk heen. Den tijd, die nu kwam, zouden de kinderen niet licht vergeten. Zij bleven achter met hun’ onderwijzer, Feodor Iwanowitsch, de oude Maria, die eene halve Joerodiewi was, en een aardigen zwarten hond, waarmee zij altijd speelden. Zoo werd er eens een hooge troon gemaakt en de hond er opgezet, die er echter telkens afsprong. Midden in ’t spel begon hij op eens te huilen en kroop onder een’ stoel. Het bleek, dat hij een’ poot had gebroken. Hunne vertwijfeling was groot en zij begonnen allen jammerlijk te weenen. Deze indruk smolt naderhand te samen met de herinnering aan het eentonige lezen der psalmen door Maria Gherasimowna en het doodsbericht van hunne tante Alexandra Ilinitschna.Pelageja Ilinitschna, getrouwd met den landeigenaar W. J. Joeschkoff, reisde dadelijk na den dood van harezuster naar de kinderen op Jasnaja Paljana. De oudste broer, die toen juist één jaar student was, ontving haar met de woorden: “Ne nous abandonnez pas, chère tante, il ne nous reste que vous au monde.” Tante, tot tranen geroerd, besloot zich op te offeren. Wat zij onder dat woord verstond is niet heel duidelijk, maar zeker is het, dat zij dadelijk weer naar Kazan terugging, eenige schuiten bestelde en daar alles op laadde wat zij maar van Jasnaja Paljana weg kon sleepen. Zelfs de bedienden nam ze mee: den meubelmaker, schoenmaker, slotenmaker, kok, behanger, enz. Bovendien kregen de jonge Tolstoi’s ieder een’ lijfeigene, ongeveer van hun eigen leeftijd, voor hun specialen dienst.Wanjoescha, een van deze bedienden, volgde Tolstoi later naar den Kaukasus en leeft nu nog stil bij zijne dochter te Toela.Leo Tolstoi was ongeveer twaalf jaar toen het bovenstaande voorviel. Het was een leventje op zich zelf. Alles en allen werden in den herfst op groote wagens gepakt en verhuisden van Toela naar Kazan. Onderweg werd nu en dan op een weide of in een bosch halt gemaakt. Dan werden er bessen geplukt, men ging wandelen en baden.Het scheiden van tante Tatjana viel heel zwaar. Deze tante leefde niet op den besten voet met tante Pelageja, en wel omdat de man van deze laatste in zijne jeugd verliefd was geweest op Tatjana, haar ten huwelijk had gevraagd en was afgewezen. Tante Palageja kon het haar nog steeds niet vergeven, dat zij eens de liefde van Joeschkoff had bezeten. Voor ’t oog der wereld echter was de verstandhouding allerliefst.Van Wladimir Joeschkoff zegt men te Kazan, dat hij een ontwikkelde, verstandige man was, altijd vroolijk, goedhartig en steeds geneigd tot plagen en schertsen, eene eigenschap die hem tot zijn’ dood toe bijbleef.Het huis waarin Tolstoi in Jasnaja Paljana werd geboren.—Blz. 55.Het huis waarin Tolstoi in Jasnaja Paljana werd geboren.—Blz.55.Pelageja stond ook bekend als eene goede, maar niet alte verstandige vrouw. Zij was zeer godsdienstig en ging na den dood van haar’ man naar het klooster Optinaja Poestienja. Daarna woonde zij eenigen tijd in het vrouwen-klooster te Toela, kwam vervolgens naar Jasnaja Paljana, waar zij ziek werd en stierf.In den loop van haar lang leven volgde zij streng de voorschriften van de kerk der rechtgeloovigen. Op haar 80stejaar evenwel, bij ’t naderen van den dood, werd zij bang en wilde niets hooren van het ontvangen der Heilige Sacramenten en werd boos op iedereen die er op aandrong, daar zij niet aan den dood herinnerd wilde worden.De Amerikaansche schrijver E. Schyler, die Rusland bereisd heeft, bezocht Leo Tolstoi in het jaar 1868 en vertelt in zijne gedenkschriften het volgende van zijne kennismaking met de familie Joeschkoff.Schyler maakte kennis met Joeschkoff te Kazan. “Ik werd ontvangen,” vertelt hij, “in een mooi huis en gaf mijn kaartje en een’ aanbevelingsbrief aan een’ bediende, die zich ermee verwijderde. Terwijl ik wachtte zag ik, dat de nog ongeopende brief op een’ stoel werd gelegd. Eindelijk kwam de generaal binnen, een reeds oude, maar nog flinke man met een goed, sympathiek gelaat. Hij noodigde mij uit te gaan zitten, deed hetzelfde en zei na een paar onverschillige woorden:“Ik veronderstel, dat gij mij een’ brief hebt meegebracht van mijn’ neef Leo? Waar is die?”“Ik denk dat gij er op zit.” Hij stond op, vond den brief en reikte hem mij over met de woorden:“Wees zoo goed hem mij voor te lezen; ik ben volslagen blind.”“Het was een moeilijk geval, want de brief behelsde veel goeds van mij; maar ik kon er niets aan doen en sloeg toch nog een heel eindje over. Het spijt mij altijd nog dat ikden ouden heer dien brief terug heb gegeven. Ik had hem in mijn zak moeten steken om hem als een aandenken te bewaren. In eene andere kamer stonden twee piano’s. Op een vraag van mij antwoordde de generaal, dat hij vroeger een groot liefhebber van muziek was geweest. Al zijne kinderen had hij muziek laten leeren, maar nu hij oud en blind was geworden gingen zij den geheelen winter naar Petersburg en lieten hem alleen. Ik overreedde hem mij iets van Mozart en Beethoven uit het hoofd voor te spelen. Daarop gingen wij naar den tuin en in die twee uren, die ik bij hem doorbracht, vertelde hij mij veel interessante dingen, maar dat, wat ik wilde weten, vertelde hij mij niet.”Op Jasnaja Paljana maakte Schyler ook nog kennis met Pelageja Joeschkoff. Van haar vertelt hij:”Nadat ik Tolstoi ’s avonds mijne ontmoeting met Joeschkoff had verteld, werd ik den nacht daarop om 4 uur wakker door het geluid van voetstappen in de gang. Mijne deur ging open, en in de meening dat er iets gebeurd was en de knecht mij kwam wekken, riep ik: ‘Wat is er?’ De deur ging weer dicht en ik hoorde een stem in het Fransch zeggen: ‘Ah, un homme dans mon lit’. Nogmaals ging de deur open en een heer met eene kaars in de hand verscheen en vroeg: ‘Sergius, ben jij het?’—‘Neen,’ antwoordde ik, ik ben een gast hier in huis.’ Hij lachte, verontschuldigde zich en ging weg. Ik had een heel scherp gehoor en zoo hoorde ik hen overleggen, dat iemand niet in de logeerkamer, maar op den divan zou gaan slapen, zoolang de familie nog boven was. Ik begreep dadelijk, hoe de vork in den steel zat. Ik was uitgenoodigd ongeveer een week te blijven logeeren tot aan de terugkomst van mevrouw Joeschkoff, de tante van den graaf, en bewoonde nu hare kamer. Zij was vroeger dan het plan was en onaangemeld teruggekomen en had eene vriendin meegenomen. Daar de deuren in een Russisch huisbijna nooit ’s nachts gesloten zijn, waren zij binnengekomen zonder te kunnen vermoeden, dat ze een ander zouden wakker maken.“Van Iwan, die mij ’s morgens thee kwam brengen, hoorde ik, dat ik goed had geraden. Ik pakte daarom dadelijk mijn zaken bij elkaar om dienzelfden dag nog te kunnen vertrekken. Toen ik tegen elf uur beneden kwam voor de morgenkoffie, vond ik in het salon mevrouw Joeschkoff geheel alleen, zoodat ik mij zelf moest voorstellen. Waarschijnlijk had men haar de nachtelijke geschiedenis al opgehelderd, want zij zei lachend: ‘Dus u bent in ’t voorjaar in Kazan geweest en u hebt mijn man gezien, die u verteld heeft dat hij geheel blind is. Ik verzeker u evenwel dat daar geen woord van waar is. Hij ziet even goed als u en ik. Dat is een van zijn gewoonten om zich interessant te maken.’“Ik antwoordde, dat hij volgens mijn meening wel degelijk blind was, maar kon haar niet overtuigen. Graaf Tolstoi vertelde mij, dat zij gescheiden van haar man leefde en, hoewel ze hem in geen twee jaar had gezien, toch in eene vriendschappelijke verhouding tot hem stond”2.Tolstoi heeft in eenige zijner werken, die, volgens onze meening, een autobiographisch karakter dragen, den gang van zijne ontwikkeling als knaap beschreven.Eene eigenschap, die veel bij kinderen voorkomt, en blijkbaar bij Leo Tolstoi zeer sterk was ontwikkeld, was zijne met eigenliefde verbondene schuchterheid.De menschen scheiden dikwijls deze twee eigenschappen van elkaar, prijzen de eene, laken de andere, en daarbij vormen zij toch samen de twee zijden van één medaille. Zij zijn even onafscheidelijk als oorzaak en gevolg. Iemand is schuchteromdat hij eigenliefde bezit, en de schuchterheid op haar beurt versterkt deze weer. Zulke gevoelens komen meestal in den beginne voort uit weinig beteekenende oorzaken, b.v. uit het besef dat ons voorkomen niet zeer aantrekkelijk is. Tolstoi zegt hierover, zichzelf beschrijvende onder den naam van Nikoljenka:“Ik had een vreemd begrip van mooi, ik vond zelfs Karel Iwanowitsch een van de mooiste mannen van de wereld, maar dat verhinderde niet, dat ik heel goed wist, dat ik zélf leelijk was. Iedere aanmerking op mijn uiterlijk kwetste mij daarom ook.“Dikwijls had ik oogenblikken van vertwijfeling; ik verbeeldde mij, dat er geen geluk bestaanbaar was voor iemand met zoo’n breeden neus, zulke dikke lippen en zulke kleine grijze oogen als ik. Alles wat ik bezat en alles wat ooit het mijne zou worden had ik willen geven om mooi te zijn.”3Zoodra de mensch den blik slaat op zich zelf, ontwaken in hem tegenstrijdige gevoelens. Is hij verstandig en zedelijk ontwikkeld, dan moet hij zijne tekortkomingen voelen en hieruit weer ontstaat de drang naar zelfvolmaking zoowel in- als uitwendig.Dezen strijd nu van het kind, den knaap en den jongeling heeft Tolstoi ons geschilderd in de persoon van Nikoljenka Istjeneff, waarmee hij ons tevens een blik laat slaan in zijn diep, rijk gevoelsleven.In een gesprek met een’ vriend vertelt Tolstoi dat hij, van knaap jongeling geworden, geheel onder den invloed stond van zijn’ broer Sergius, dien hij verafgoodde en in alles trachtte na te volgen. In het einde van zijn jongelingsjaren was het Nikolaas die grooten invloed op hem uitoefende, en van wien hij wel is waar niet zoo hartstochtelijk, maar beter hield.De liefde die Tolstoi zijn’ broeder Sergius toedroeg, heeft tot materiaal gediend voor de inKinderjarenvoorkomende beschrijving van een dergelijke verhouding tusschen Nikolenka Istjeneff en Sergius Iwin.Hier volgt hetgeen hij ons met zulke heldere kleuren schildert.“Hij trok mij onwederstaanbaar aan. Er was een tijd dat ik geen andere wenschen had, dan hem te zien, en zag ik hem dan was ik gelukkig. Als ik hem in een paar dagen niet ontmoette werd ik onrustig en treurig. Al mijn droomen gingen uit naar hem. Wanneer ik ging slapen, dan hoopte ik van hem te droomen, en ontwaakte ik, dan stond zijn beeld mij dadelijk weer voor oogen, en zelfs dit beeld liefkoosde ik in gedachten en aanbad het als een hooger wezen.“Over deze groote liefde sprak ik met niemand, daarvoor was zij mij te heilig.“Misschien verveelde het hem, altijd mijn onrustige oogen op zich gericht te zien; wellicht ook voelde hij eenvoudig geen sympathie voor mij, maar het is zeker dat hij veel liever met Walodja sprak en speelde, dan met mij. Hoe het ook zij, ik was tevreden, verlangde niets meer, vroeg niets meer en was ten allen tijde bereid mij voor hem op te offeren.”4“Onder den familienaam Iwin beschreef ik de zoontjes van graaf Poeschkin, van welke juist dezer dagen Alexander is gestorven. Hij was het, van wien ik in mijne jeugd zoo heel veel heb gehouden. Ons geliefkoosd spel was: soldaatje spelen.”5De overgang van kind tot knaap schildert Tolstoi ons op de volgende wijze: “Is het u wel eens gebeurd, lezer, dat gij op een zeker tijdstip van uw leven plotseling een geheel anderen blik op de dingen kreegt, alsof alles wat gij tot nutoe gezien hadt, zich aan u vertoonde van eene u geheel onbekende zijde? Iets dergelijks heb ik ondervonden gedurende mijne eerste reis. Van dien tijd af reken ik ook, dat mijn jongensjaren zijn begonnen.“Voor het eerst van mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat wij (d.w.z. onze familie) niet alleen op de wereld waren, dat er nog andere belangen bestonden dan de onze en dat er menschen leefden, die niet alleen niets met ons gemeen, maar die zelfs geen besef van ons bestaan hadden.“Natuurlijk heb ik dat alles vroeger ook geweten maar anders, onbewust, ik voelde het niet.”6Vroeg reeds openbaarden zich bij den knaap de filosofische gedachten, den weg voorbereidende waarlangs dat groote verstand zich zou ontwikkelen.“Men zal het nauwelijks gelooven,” zegt Tolstoi, onder den naam Nikoljenka, “welke mijne geliefkoosde overpeinzingen waren toen ik een jongen was, zoo weinig waren zij in overeenstemming met mijn leeftijd en omstandigheden. Volgens mijne meening echter is juist dit groote verschil tusschen de omstandigheden van den mensch en den gang zijner gedachten het grootste bewijs van de juistheid dezer laatste.“...Het geluk, zoo dacht ik eens, hangt niet af van de uiterlijke omstandigheden maar van de wijze waarop wij het beschouwen. Een mensch, die gewend is aan ongeluk, kan niet ongelukkig zijn, en om mij zelf van deze waarheid te overtuigen, dwong ik mij, ondanks de heftige pijn, eene zware dictionnaire vijf minuten in de uitgestrekte hand te houden of sloeg ik mij met een touw op den blooten rug tot de tranen mij in de oogen sprongen.“Een andermaal bedacht ik plotseling dat de dood mij ieder oogenblik kon overvallen. Ik begreep niet, dat alle menschendat niet eerder hadden ingezien, en nog op andere wijze gelukkig trachtten te worden, dan door van het oogenblik te genieten. Onder den invloed van die gedachte verwaarloosde ik mijne lessen en deed een paar dagen niets anders dan op mijn bed liggend eenige romans lezen en honingkoekjes eten, die ik voor mijn laatste geld gekocht had.“Eens teekende ik met krijt verschillende figuren op het bord. Plotseling trof mij de gedachte: ‘Waarom doet de symmetrie ons oog zoo aangenaam aan? Wat is eigenlijk symmetrie?’ en ik antwoordde mijzelf: ‘dat is iets dat ons is aangeboren’. ‘Waarop is zij gegrond? Is alles in de wereld symmetrisch?’ ‘Integendeed: dit is het leven,’ en ik teekende op het bord een groot ovaal figuur. ‘Na dit leven gaat de ziel de eeuwigheid in; hier is de eeuwigheid,’ en ik trok eene lijn van het ovale figuur af tot aan het uiterste eind van het bord. Waarom kan ik nu aan den anderen kant ook niet zoo’n lijn trekken en hoe is een eeuwigheid bestaanbaar die zich maar naar één kant uitstrekt? Wij hebben ongetwijfeld reeds bestaan vóór dit leven, al hebben wij ook de herinnering daaraan verloren.”“Geen van deze filosofische gedachten,” vervolgt Tolstoi, “heeft mij zoo meegesleept als het scepticisme, dat mij gedurende eenigen tijd in een toestand heeft gebracht, grenzende aan krankzinnigheid. Ik verbeeldde mij, dat er behalve ik zelf, niemand en niets op de wereld bestond, dat voorwerpen geen voorwerpen maar denkbeeldige dingen waren, die ik slechts zag als ik mijn opmerkzaamheid er op richtte, maar die weer verdwenen, zoodra er ik niet meer aan dacht. In één woord, ik deelde de overtuiging van Schelling, dat het niet de voorwerpen zijn die bestaan, maar onze betrekking tot hen. Er waren oogenblikken dat ik, half krankzinnig onder den invloed dier gedachten, mij plotseling omkeerde, in de hoop eene woestijn, het ‘néant’, te zien dàar waar ik zelf niet was.”7Het boekJongensjareneindigt met de beschrijving van de vriendschap tusschen Nikoljenka en Njechloedoff8en toont ons het ideaal, dat Tolstoi zijn geheele leven voor oogen heeft gehad en dat hem bij zal blijven tot aan het einde zijner dagen.“Het spreekt van zelf, dat ik onder Njechloedoffs invloed ook zijne principes was toegedaan, die hierin bestonden dat hij de deugd verafgoodde en overtuigd was, dat het de bestemming van den mensch is, steeds meer en meer naar het volmaakte te streven. Het leek ons zoo gemakkelijk het geheele menschdom te verbeteren en allen te bevrijden van ongeluk en ellende; zoo eenvoudig ons zélf te verbeteren, deugdzaam te worden en gelukkig te zijn.”9Het is zeker, dat deze neiging tot abstracte dingen, deze teruggetrokkenheid en schuchterheid, dit streven naar het ideale, eigenschappen, die den knaap reeds kenmerkten, den grondslag legden voor de vorming van de harmonische gedachten van den grootschen kunstenaar, die de kiem daarvan reeds bij zich droeg in het tijdperk van zijn jongensjaren.Leo Tolstoi werd opgevoed in een patriachaal-aristokratischen, op zijne wijze godsdienstigen, kring. Zijne gevoelige kinderziel nam altijd op wat hem het mooiste scheen en hij was oprecht godsdienstig.10Maar deze gewoonte-godsdienst vervloog bij de eerste kennismaking met het geloof der rede.In zijn werkBiechtvertelt Tolstoi het volgende van zijne godsdienstige opvoeding, toen hij nog een jongen was.“Ik werd gedoopt en opgevoed in de leer der rechtgeloovigen, maar toen ik achttien jaar was en mijn tweedestudiejaar inging, geloofde ik reeds niets meer van hetgeen men mij geleerd had.“Afgaande op mijne herinneringen heb ik eigenlijk nooit ernstig geloofd; ik had slechts vertrouwen in hetgeen de grooteren mij predikten, maar zelfs dat vertrouwen stond niet vast. Ik herinner mij nog—ik was toen elf jaar—dat op een Zondag Walodjenka M. bij ons kwam en ons als laatste nieuws een ontdekking, gedaan op het gymnasium, openbaarde, n.l. dat er geen God bestond en dat alles wat men ons daaromtrent leeraarde verzinsel was. Dit gebeurde in 1838.“Ik weet nog, dat het nieuws mijn oudere broers sterk interesseerde, dat zij mij ook aan de beraadslagingen lieten deelnemen en dat wij de conclusie trokken, dat het zeer opmerkelijk en zeer aannemelijk was.”Wij weten, dat deze rationalistische overwegingen de kern van zijn geloof niet raakten. Dit bleek bestand te zijn tegen de ruwste levensstormen en wees hem ten slotte den weg naar de waarheid.Het is voor ons niet onbelangrijk eens na te gaan welke schrijvers, volgens Tolstoi’s eigen opgave, invloed op hem hebben uitgeoefend in zijne jeugd, d.w.z. ongeveer tot zijn 14dejaar. Hier volgt de lijst:Namen der werken:Graad van invloed:De geschiedenis van Jozef uit den Bijbel.Buitengewoon groot.De verhalen van de Duizend-en-één nacht. (De veertig roovers en Prins Kameralzaman).GrootDe zwarte kip van Pogorjelski.Zeer grootRussische verhalen:Dobrinja Ninititsch—Ilija Moeromjetz—Aljescha Ispowitsch.Buitengewoon grootVolkssprookjes.Buitengewoon grootHet gedicht van Poeschkin: Napoleon.Groot.Nu zullen wij eenige voorvallen aanhalen uit Tolstoi’s jongensjaren, zooals wij die gehoord hebben van hem zelf en van zijne familie. Ook bezitten wij gegevens uit andere bronnen, die wij aan kritiek onderworpen en gebruikt hebben voorzoover wij ze geloofwaardig bevonden. Het is echter onmogelijk, deze verhalen in chronologische volgorde te plaatsen.“Ik herinner mij,” vertelde Tolstoi, “dat wij, toen vader nog leefde, in ’t begin van ons verblijf te Moskou, een paar prachtige vurige paarden hadden.“Mitka Kopiloff was onze koetsier en tevens vaders rijknecht. Hij was een flink ruiter en jager, een uitstekend koetsier en bovenal een onschatbare voorrijder, want bij onze vurige paarden was een jongen niet vertrouwd en een oude voorrijder staat niet mooi. Mitka nu bezat alle eigenschappen die een voorrijder moet hebben en die men zelden vereenigd ziet. Hij was licht gebouwd, niet te groot en behendig.“Eens had vader bevel gegeven de phaëton in te spannen. De deuren van de poort gingen open en de paarden sprongen wild naar buiten. Wij hoorden iemand roepen: ‘de paarden van den graaf gaan op hol!’ Paschenka viel flauw en tante liep vlug naar grootmoeder om haar gerust te stellen. Het bleek dat vader nog niet was ingestapt en Mitka, die de paarden weer meester was geworden, keerde naar den stal terug.“Toen wij onze uitgaven moesten verminderen moest Mitka worden weggedaan. Verschillende rijke kooplieden hadden hem, mooi als hij er uitzag in zijn zijden buis en fluweelen koetsiersjas, graag voor een groot loon willen hebben.“Nu trof het echter dat Mitka’s broer onder dienst moest en zijn oude vader hem noodig had voor het werk op het land van zijn’ heer. Hij ging naar huis en na verloop van een paar maanden veranderde die kleine, fatterige Mitka in een grauwen boer, die zaaide en ploegde op het land van zijn’ heer en over ’t algemeen het zware boerenleven leidde.“En deze omkeer geschiedde zonder morren, in het bewustzijn dat het zoo moest zijn en niet anders.”Voorvallen als deze bevorderden nog de liefde en achting, die Tolstoi van zijn jeugd af aan het volk heeft toegedragen.De volgende gebeurtenissen hebben, volgens Tolstoi’s eigen woorden, de zaden van ontevredenheid en twijfel in zijne ziel gestrooid, vooral van twijfel aan de oprechtheid der menschen, der “grooteren”, die hij vroeger onvoorwaardelijk geloofde.De kinderen Tolstoi waren, als verre bloedverwanten, gevraagd bij den kerstboom van de familie Pipoff. Zij hadden toen hun vader en grootmoeder reeds verloren en leefden onder de hoede van hunne tante in betrekkelijk armoedige omstandigheden, zoodat zij weinig aantrekkelijks voor de buitenwereld hadden.Hunne nichtjes, de kinderen van vorst Gortschakoff, den toenmaligen minister van oorlog, waren ook uitgenoodigd, en de Tolstoi’s moesten met bitterheid het onderscheid opmerken, dat er gemaakt werd tusschen hen en de meer welkome gasten. Zij werden afgescheept met goedkoope prullen, terwijl de andere kinderen het mooiste en kostbaarste speelgoed ontvingen.Het tweede voorval speelde ook in Moskou, op eene wandeling met hun Duitschen gouverneur. Bij de kinderen (Leo was ongeveer 10 jaar) bevond zich het dochtertje van de Fransche gouvernante van hun’ buurman Isljeneff. Het was een mooi, aantrekkelijk meisje. Zoo wandelende op de Bolschaja Bronnaja, kwamen zij voorbij een poortje van een’ tuin die bij het huis Paljak hoorde. De poort was niet gesloten en half angstig gingen zij er in, zelf niet wetend hoe het af zou loopen, maar de tuin leek hun zoo buitengewoon mooi. Er was een vijver met roeibootjes, vlaggen, bloemen, bruggetjes, kleine paadjes, prieeltjes, enz. Zij liepen als in een’ toovertuin.Eindelijk kwamen ze een’ heer tegen, die zeide dat hij de eigenaar was en Attascheff heette. Hij begroette hen vriendelijk en noodigde hen uit hunne wandeling voort te zetten, liet hen roeien en was in één woord zoo voorkomend, dat zij begonnen te gelooven, zeer welkome gasten te zijn. Daarom besloten de kinderen een paar dagen later er eens weer heen te gaan.Toen zij aan het poortje kwamen hield een oude man hen tegen en vroeg wat zij wilden. Zij noemden hun naam en lieten zich bij den eigenaar aanmelden. Joezjenka was nu niet bij hen. De man kwam terug met de boodschap, dat de tuin particulier eigendom was en niet toegankelijk voor het publiek. Zij gingen treurig weg en in hun jonge zieltjes rees de vraag, waarom toch het mooie gezichtje van hun vriendinnetje zoo’n grooten invloed kon hebben op hunne verhouding tot hunne medemenschen.Nu volgen eenige schetsjes, die de eigenaardigheid, of liever, de excentriciteit van Tolstoi’s karakter als jongen, in ’t licht stellen.“Wij zaten eens aan tafel,” vertelde mij Tolstoi’s zuster. ”’t Was nog in Moskou, bij ’t leven van grootmoeder, die zeer streng was op de etiquette. Allen moesten wij in de kamer zijn voordat zij verscheen. Wij waren er dan ook allemaal, behalve Leo, die maar niet kwam. Grootmoeder bemerkte het en vroeg den gouverneur St. Thomas, of hij ook wist waar Leo was. Deze antwoordde dat hij zeker bij het toiletmaken op zijne kamer was opgehouden, maar ieder oogenblik moest komen. Grootmoeder was gerustgesteld, maar onder ’t eten kwam de djadka11binnen en fluisterde St. Thomas iets in. Deze verbleekte, stond op en verliet de kamer. Dat was zoo’n ongewone inbreuk op onze strenge etiquette, dat wij allen begrepen dat er een ongeluk moest zijn gebeurd,en daar Leo maar steeds niet verscheen, moest hij er in zijn betrokken. Angstig zaten wij te wachten en kregen spoedig de volgende verklaring: Leo—wij wisten niet waarom (zooals hij nu zegt, alleen maar om iets bijzonders te doen, om gewichtig te schijnen)—had zich voorgenomen om uit het raam van de tweede verdieping te springen, en opdat niemand hem daarin zou kunnen verhinderen, was hij opzettelijk alleen in de kamer achtergebleven, toen de anderen aan tafel gingen. Hij klom in het open venster van de bovenverdieping en sprong in den hof. Toen Leo naar beneden stortte, stonden de kok en de keukenmeid juist voor het raam en begrepen eerst niet wat er gebeurde; zij stuurden den huisknecht om eens te gaan zien, en deze, buiten gekomen, zag Leo bewusteloos op den grond liggen. Gelukkig had hij niets gebroken en alles liep af met een lichte hersenschudding. De bewusteloosheid ging over in een diepen slaap, die zestien uren aanhield en waaruit hij geheel gezond ontwaakte. Gij kunt u onze schrik en ontsteltenis voorstellen bij deze onbezonnen daad van den kleinen zonderling.“Eens haalde hij het in zijn hoofd zijn wenkbrauwen af te scheren, waardoor hij zijn gezicht, dat toch al ver van mooi was, nog veel leelijker maakte en waarvan hij naderhand heel veel verdriet heeft gehad.”“Een andermaal,” vertelt Maria Nikolajewna, “zaten we in een troika en reden van Pirochoff naar Jasnaja. Er werd even halt gemaakt. Leo stapte uit en ging te voet verder. Toen wij verder zouden rijden was Leo nergens te vinden. De koetsier zag in de verte zijn gestalte, die zich meer en meer verwijderde. Wij reden verder, in de meening dat hij in zou stappen als wij hem hadden ingehaald. Maar zoo gebeurde het niet. Bij ’t naderen van de troika verhaastte hij zijne schreden, en toen deze hem op zij was zette hij het op een loopen en wilde blijkbaar niet instappen. De troika reedheel vlug en hij liep ongeveer drie wersten zoo hard als hij kon mee, totdat hij ten slotte geen kracht meer had en het opgaf. Nat van zweet, geheel buiten adem, nam men hem in de troika op, waar hij doodelijk vermoeid neerviel.”Tolstoi’s echtgenoote, gravin Sophie Andrejewna, heeft dikwijls gebeurtenissen uit het leven van haar echtgenoot, die zij van hem zelf of van zijne familie hoorde, opgeschreven en verzameld. Hoewel tot onzen spijt deze arbeid niet is voleindigd, heeft hij voor ons toch groote waarde. Met haar welwillende toestemming laten wij hier eenige uittreksels volgen.“Afgaande op de verhalen van eene bejaarde tante en van mijn’ grootvader Iljeneff, die zeer bevriend was met den vader van mijn man, was de kleine Leo een vreemd, zonderling kind. Hij kon b.v. de zaal binnen komen en de aanwezigen begroeten met een achterwaartsche buiging, met zijn hoofd achterover, terwijl zijn voeten over den grond knarsten.“Op de vraag of hij goed geleerd had, kreeg ik zoowel van hem als van anderen steeds ten antwoord: ‘neen’.”Tolstoi’s zwager S. A. Bjers vertelt in zijne herinneringen het volgende:“Volgens tante Pelageja kon men hem, toen hij nog een kind was, gerust een’ bengel noemen; als jongen was hij zeer eigenaardig en haalde de vreemdste dingen uit, maar was daarbij vroolijk en opgewekt en had een hart van goud.“Mijne tante, die nu overleden is, vertelde mij dat hij, inKinderjarenzijne eerste liefde beschrijvende, heeft verzwegen, dat hij eens het voorwerp van die liefde uit jalouzie van het balkon heeft gestooten. De bewuste was mijne moeder, die toen negen jaar oud was en, dank zij de buiteling, een langen tijd gebrekkig moest loopen. Hij had het gedaan omdat zij niet met hem, maar met een ander sprak. Later zeide zij dikwijls lachend: ‘Je hebt mij zeker van het balkon gestooten om met mijne dochter te kunnen trouwen.’“Zelf vertelde Tolstoi eens in zijn’ familiekring en in mijne tegenwoordigheid, dat hij, toen hij een jaar of zeven was, vurig wenschte te kunnen vliegen. Hij verbeeldde zich, dat hij het best zou kunnen door op zijn hurken te gaan zitten en dan met beide armen zijne knieën te omvatten. Hoe stijver hij vasthield, des te hooger zou hij kunnen vliegen.”Verschillende autobiografische vertellingen kunnen wij vinden in reeds vroeger verschenen boeken. Eenige zeer karakteristieke laten we hier volgen.In de vertellingHet oude Paardverhaalt hij, dat hij en zijne drie broers verlof hadden gekregen om te gaan rijden. Men gaf hun daarvoor het oude paard Woronok. Nadat de oudere broers er eerst van genoten en het arme dier voldoende geplaagd hadden, kreeg hij het.“Toen het mijn beurt was,” vertelde Tolstoi, “wilde ik mijn broers eens toonen, hoe goed ik wel kon rijden. Ik spoorde het paard aan, maar hoe ik mij ook inspande, het wou niet vooruit, en keerde naar den stal terug. Ik werd boos, sloeg het dier met mijne zweep en schopte het met mijne voeten in de zijden. Ik deed mijn best om het juist daar te raken, waar ik wist dat het het meest pijn deed. Mijn zweep brak ik er bij, toen sloeg ik met den knop. Woronok echter verwikte niet en wilde niet verder. Toen keerde ik terug en vroeg mijn’ djadka een nieuwe sterke zweep. Maar deze zeide:“‘Heer, gij hebt genoeg gereden, stijg nu af. Waarom het paard langer te kwellen?’“Beleedigd antwoordde ik:“‘Ik heb nog in ’t geheel niet gereden. Geef mij een nieuwe zweep, dan zult ge zien, hoe ik zal galoppeeren.’“Toen schudde hij zijn hoofd en zei:“‘Ach, heer, medelijden kent gij niet. Waarom wilt gij het paard tot spoed aanzetten? Men heeft het gekweld, het kangeen adem meer halen, het is oud, zoo oud als Pimjen Timofjeïtsch.12Als gij op dien gingt zitten en hem met de zweep zoudt aansporen, zoudt gij dan geen medelijden hebben?’Tolstoi’s woning te Jasnaja Paljana.—Blz. 56.Tolstoi’s woning te Jasnaja Paljana.—Blz.56.“Ik stelde mij den ouden Pimjen voor en gehoorzaamde den djadka. Ik steeg af en toen ik zag, hoe het arme paard hijgde en met zijn half uitgevallen staart heen en weer sloeg, begreep ik hoe slecht het er aan toe was. Ik kreeg zoo’n medelijden met Woronok, dat ik een kus op zijn bezweeten nek drukte en hem vergiffenis vroeg, omdat ik hem zoo had geslagen.”InHoe ik leerde paardrijdenvertelt Tolstoi, dat hij eens met zijn broers naar de manege ging om het te leeren. De eerste piqueur, die zich verbaasde over zijne kleine gestalte, maar zijne vastberadenheid zag, wilde hem zelf helpen, “Men bracht een klein bruin paardje voor met korten staart. Het heette Tscherwentschik. De piqueur zei lachend: ‘Nu kavalier, stijg maar op.’ Ik verheugde mij en werd bang, doch deed mijn best om dit niet te laten merken. Ik trachtte den stijgbeugel te pakken, maar kon het niet, want ik was te klein. Toen nam hij mij op, zette mij op het paard en zei: ‘gij zijt niet zwaar, heer, niet meer dan een paar pond.’ Hij hield mij vast, maar daar ik zag dat mijn broers los reden, wilde ik het niet meer hebben. ‘Zijt ge dan niet bang?’ vroeg hij. Ik was het wel, maar zei: ‘neen.’“Ik was vooral zoo bang omdat Tscherwontschik maar steeds zijne ooren heen en weer bewoog; ik dacht toen, dat hij boos op mij was. De piqueur liet mij los met de woorden: ‘Nu, pas maar op dat gij er niet af valt.’ In het begin ging het stapvoets, en hield ik mij recht op, maar het zadel begon zoo glad te worden en ik werd bang dat ik zou vallen. De piqueur vroeg: ‘zit ge reeds vast?’—‘Ja,’ zei ik.—‘Nu, dan indraf,’ en hij klapte met de tong. Tscherwontschik ging in een drafje over; ik begon op en neer te wippen, maar hield mij goed en trachtte niet op zij te vallen. De piqueur prees mij: ‘ei, zie dien ruiter eens aan, goed zoo!’ en ik was overgelukkig.“Op dat moment kwam een vriend van den piqueur en knoopte een gesprek met hem aan, waardoor hij niet meer op mij lette. Plotseling voelde ik, dat ik begon te glijden, ik wilde weer recht gaan zitten maar kon niet. Ik wilde den piqueur roepen maar bedacht, dat het niet goed zou staan. Ik keek naar hem om en wilde hem toch maar vragen mij te helpen, maar hij lette niet op mij, hoewel hij riep: ‘flink, flink, kavalier!’ Ik hing reeds geheel op één zij en werd bang, maar schreeuwen wilde ik niet om de schande. Mijn paardje wierp mij nog ééns omhoog, toen verloor ik mijn evenwicht en viel op den grond.“Tscherwontschik bleef staan. De piqueur draaide zich juist om, zag mij niet meer op het paard en zei: ‘daar hebben we het al, mijn ruiter is gevallen.’ Toen ik hem antwoordde, dat ik mij niet bezeerd had, zeide hij lachend: ‘een kinderlichaam geeft mee!’ en ik, ik had wel willen schreien, maar ik vroeg of hij mij weer op het paard wilde zetten, en ik viel er niet meer af.”En zoo werd het kind een knaap; nadenkend, schuchter, vatbaar voor indrukken, zijn jonge hartje vol aanhankelijke liefde en toch inwendig eenzaam, gescheiden van de zijnen door de hooge vlucht zijner gedachten, die geen weerklank vonden in den kring die hem omringde.1Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.2Eug. Schyler.Herinneringen aan Tolstoi.3Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.4Uit de volledige verzameling der werken van Tolstoi.5Ingevoegd door Tolstoi bij lezing van het handschrift.6Volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.7Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.8Het materiaal hiervoor verschafte mij de vriendschap met Djakoff in mijn eerste studiejaar. Noot van L. Tolstoi.9Volledige werken van L. Tolstoi.10Toelichtingen hieromtrent vindt men in zijn werkKinderjaren.11Een oppasser voor kinderen.12Een 90-jarige grijsaard, die op het goed woonde.

Toen Tolstoi’s jongensjaren begonnen, kwam voor de oudere broers Nikolaas en Sergius de tijd van ernstige studie. In het jaar 1830 verhuisde de familie Tolstoi daarom naar Moskou, waar ze gingen wonen in het huis van Schtscherbatscheff. Dit huis bestaat nog en bevindt zich tegenover de kerk die den naam draagt Smoljenskaja Bozja Matjer, in een z.g. hof.

De winters van 1836 en ’37 brachten zij hier door, en ook den zomer na den dood van hun’ vader.

In dien zomer van 1837 ging Tolstoi’s vader eens voor zaken naar Toela. Op weg naar zijn’ vriend Tjemjeschoff werd hij plotseling door eene duizeling bevangen, wankelde en viel, door eene beroerte getroffen, dood neer.

Anderen beweren, omdat er geld ontbrak, en ook papieren die nog in Moskou op een geheimzinnige wijze door eene vrouw terug werden gebracht, dat hij door een’ bediende zou zijn vergiftigd.

Zijn lijk werd van Toela naar Jasnaja Paljana gebracht. De begrafenis werd bijgewoond door zijne zuster Alexandra Ilinitschna en zijn’ oudsten zoon Nikolaas.

Het is de dood van zijn’ vader die wel den diepsten indruk heeft nagelaten in Tolstoi’s kinderherinneringen. Voor het eerst, zegt hij, ontwaakte in hem de godsdienstige vrees voor het vraagstuk van leven en dood. Doordat zijn vader niet in huis was gestorven, duurde het lang eer het tot hem doordrong,en als hij op straat soms bekenden zag, dan dacht hij, ja, hij wist het bijna zeker, dat hij zijn vader daar ook bij zou ontmoeten. En dit gevoel van hoop en niet gelooven in den dood verzachtte zijne smart.

Na den dood van het hoofd der familie bleven de Tolstoi’s dien zomer in Moskou. Dat was de eerste en misschien ook wel de laatste maal, dat Leo Tolstoi een’ zomer in de stad doorbracht. Een sterken indruk behield hij van de uitstapjes die er gemaakt werden in wagens bespannen met vier paarden, niet naast maar voor elkaar, van de mooie omstreken van Koeznjetzoff en Neskoetschni, en van de afschuwelijke lucht der fabrieken rondom Moskou, die in dien tijd de omgeving bedierf.

“Grootmoeder was door den dood van haar zoon als gebroken. Altijd weende zij en ’s avonds liet zijdikwijlsde deur van de naaste kamer open en beweerde, dat haar zoon daar was en dat zij met hem sprak. Soms vroeg zij angstig aan haar dochter: ‘Is het waar dat hij dood is?’—Na negen maanden stierf zij van verdriet.”

De dood van zijne grootmoeder voerde Tolstoi’s gedachten, hoewel hij het zich toen niet bewust was, weer naar het vraagstuk van leven en dood.

Zijne grootmoeder heeft lang moeten lijden. Tegen het eind van haar ziekte kreeg zij waterzucht. Nog kan Tolstoi zich den schrik herinneren, toen hij bij haar gebracht werd om afscheid te nemen en zij, geheel in ’t wit, op haar bed liggende, zich met moeite naar haar kleinzoons toekeerde en hun, bijna onbeweeglijk, haar witte hand toestak, een hand dik opgeloopen als een kussen.

Maar zooals het altijd bij kinderen gaat, werden de schrik en angst voor den dood al spoedig verdrongen door kinderlijke spelen en onbezorgde vroolijkheid.

Eens op een feestdag kwam, als gewoonlijk, Wladimir Miljoetin, een jongen van hun leeftijd, bij hen. Deze Wladimir is dezelfde, die hun later, toen ze op het gymnasium gingen, het ongewone nieuws verkondigde, dat er geen God bestond. ’t Was nog vóor het middageten en het ging in de kinderkamer vroolijk, ja zelfs wild en ruw toe; dat wil zeggen Sergius, Dmitri en Leo maakten zoo’n leven; Nikolaas en Miljoetin, die al verstandiger waren, deden niet mee. De pret bestond hierin, dat zij papier verbrandden in de schalen van een servies, die achter een kamerschut stonden. Waarom dat zoo prettig was, is moeilijk te begrijpen, maar dat ze het buitengewoon plezierig vonden is zeker. “Plotseling,” zoo vertelt Tolstoi, “weerklinken te midden van deze vroolijkheid, vlugge schreden en de jonge, blonde, energieke, gespierde, kleine gouverneur St. Thomas (inJongensjarenbeschreven als St. Jérôme) treedt bleek, met trillende lippen, binnen, en zonder acht te geven op onze bezigheid, zonder ons te beknorren, zegt hij ‘Votre grand’ mère est morte.’

“Ik herinner mij,” gaat Tolstoi voort, “dat wij nieuwe zwarte jasjes kregen met wit tres gegarneerd. Vreeselijk om te zien waren de doodgravers die om ons huis drentelden, het brengen van de kist met glazen deksel, en grootmoeder, zooals zij, hoog op de tafel, in de kist lag, met strak gelaat, scherpen neus, witte muts, een witten doek om den hals. Treurig om te zien waren de tranen van de tantes en Paschenka, maar toch verheugden wij ons over onze nieuwe jasjes met tres en de medelijdende zorg, waarmee men ons omringde. Ik herinner mij niet, waarom men ons naar de bijgebouwen bracht gedurende de begrafenis, maar wèl, hoe prettig ik het vond, naar de gesprekken van een paar onbekende babbelaarsters te luisteren. ‘Arme, arme weezen, nauwelijks is hun vader gestorven en nu ook nog de grootmoeder!’”

De Fransche gouverneur, zoo juist genoemd, liet bij Tolstoi eene herinnering achter van goed en kwaad dooreen gemengd.

“Ik weet niet meer waarvoor,” vertelt Tolstoi, “maar zonder dat ik het verdiend had, sloot St. Thomas mij eens op en dreigde mij met de roe. Ik kreeg een razend gevoel van wrok en woede, en kwam in opstand, niet alleen tegen hem, maar vooral ook tegen de macht, die men tegen mij kon aanwenden. Misschien is deze gebeurtenis wel de oorzaak geweest van dien afkeer, dien ik mijn heele leven heb gehad van iedere machtsuitoefening.”

Desniettemin wijdde St. Thomas al zijn aandacht aan de bijzondere begaafdheid van zijn kleinen kweekeling. Hij zag waarschijnlijk iets bijzonders in hem, want eens over Leo Tolstoi sprekende, zei hij: “Ce petit a une tête, c’est un petit prodige.”

Tengevolge van de wanorde in zaken moesten, na den dood der grootmoeder, de uitgaven der familie verminderd worden. Daarom trok een gedeelte van hen,nl.de jongsten, Dmitri, Leo en Maria, met hunne tante Tatjana weer naar buiten. De onderwijzers wisselden elkaar af. Nu eens Duitsche gouverneurs, dan weer Russische seminaristen. Gravin Alexandra Ilinitschna werd tot voogdes over de kinderen benoemd.

Van deze merkwaardige persoonlijkheid vertelt Tolstoi het volgende.

“Mijne tante Alexandra Ilinitschna trouwde heel jong te St. Petersburg met den rijken, uit de Oostzee-provincie stammenden graaf Osten-Sacken.

“Het scheen eene schitterende partij, maar het huwelijk liep treurig af voor mijne tante, hoewel misschien de gevolgen van deze verbintenis een zegen waren voor haar volgend leven.

“Tante Aline, zooals zij door de familie genoemd werd,moet er, volgens een portret dat gemaakt is toen zij 16 jaar was, heel aantrekkelijk hebben uitgezien, met de groote duivenoogen in haar zacht, blank gelaat.

“Kort na het huwelijk vertrok graaf Osten-Sacken met zijne jonge vrouw naar zijn landgoed in de Oostzee-provinciën. Daar openbaarden zich meer en meer de verschijnselen eener zielsziekte, die zich in den beginne uitte in eene ongemotiveerde jaloezie. In het eerste jaar van haar huwelijk, toen zij reeds zwanger was, nam die ziekte zoo toe, dat er oogenblikken van volslagen krankzinnigheid kwamen. Hij verbeeldde zich dan, dat hij omringd was door vijanden die hem zijne vrouw wilden ontnemen, en dat vluchten het eenige redmiddel voor hem was.

“Eens op een zomermorgen stond hij op, wekte zijne vrouw, en zeide haar zich klaar te maken voor de vlucht. Hij zou bevel geven in te spannen om dadelijk weg te rijden. Inderdaad liet hij het rijtuig voorkomen, zette zijne vrouw er in en gaf order zoo veel mogelijk spoed te maken. Onderweg nam hij twee pistolen uit een kistje, gaf er een aan mijne tante en zei haar dat, zoo hun vlucht bekend werd, hunne vijanden hen zouden achtervolgen. Dat zou hun ondergang zijn, en er bleef dan niets anders over dan elkaar dood te schieten. Tante, doodelijk verschrikt, nam het pistool en trachtte haren man tot andere gedachten te brengen, maar hij luisterde niet eens, keek voortdurend achterom, of de vervolgers kwamen, en dreef den koetsier tot steeds grooter spoed aan. Tot hun ongeluk vertoonde zich op een’ zijweg van het dorp, die uitkwam op den grooten weg, een rijtuig. Hij riep uit dat alles verloren was, gebood haar zich dood te schieten en vuurde zelf ook op haar. Het schot trof haar in de borst. Hij moet toen zeker begrepen hebben wat hij had gedaan, en het rijtuig dat hem verschrikt had zal een anderen kant uit zijn gereden. Hoe het ook zij, hij liet stilhouden, droeg mijne gewonde tante bloedend uit het rijtuig, legde haar op den weg en joeg verder. Tot haar geluk kwamen er spoedig eenige boeren voorbij, die haar opnamen en naar den geestelijke droegen. Deze verbond haar zoo goed mogelijk en liet een’ dokter halen. De wond bevond zich aan de rechterzijde van de borst (tante heeft mij het litteeken eens laten zien), en was niet gevaarlijk.

“Toen zij herstellende was, nog steeds zwanger, kwam haar man, en nadat hij den geestelijke de geschiedenis verteld had, hoe ongelukkig zij gewond was, vroeg hij haar te mogen zien.

“Dat wederzien werd vreeselijk. Listig als alle krankzinnigen, deed hij alsof hij berouw had, en nadat hij vrij lang bij haar had gezeten en over allerlei onderwerpen had gesproken, maakte hij van een oogenblik dat zij alleen werden gelaten gebruik om zijn voornemen uit te voeren. Alsof hij bezorgd was voor hare gezondheid, vroeg hij of zij haar tong eens wilde uitsteken. Toen zij het deed, greep hij er naar met de eene hand, met de andere nam hij een scheermes, dat hij had meegenomen, en wilde haar de tong afsnijden. Zij verweerde zich wanhopig, wist zich los te rukken, schreeuwde om hulp, menschen kwamen aangeloopen, grepen hem en voerden hem weg.

“Van dien tijd af was hij volslagen krankzinnig; hij moest van zijne vrouw worden verwijderd en naar een gesticht gebracht.

“Kort na deze gebeurtenissen keerde mijn tante naar haar ouderlijk huis in Petersburg terug. Daar beviel zij van een dood kindje. Uit angst voor de gevolgen verzweeg men het haar en gaf haar het kind van de vrouw van hun kok, dat op dien zelfden dag geboren was. Dat meisje was Paschenka, die later bij ons woonde en al een groot meisje was toen zij in mijn’ gedachtenkring trad. Ik weet niet wanneer men het haar vertelde, maar toen ik haar leerde kennen, wist zij aldat zij geen dochter van mijne tante was. Tante Alexandra bleef eerst bij hare ouders, kwam toen bij ons, werd na den dood van vader onze voogdes en stierf toen ik twaalf jaar was in het klooster Optinaja Poestienja.

“Mijne tante was eene oprecht godsdienstige vrouw. Het liefst hield zij zich bezig met het lezen van heiligenlevens, of sprak zij met pelgrims, joerodiewi’s, monniken en nonnen. Sommigen van deze lieden woonden altijd in ons huis, de anderen kwamen ons slechts nu en dan bezoeken. Maria Gherasimowna, die in haar jeugd, vermomd als joerodiewi, had rondgetrokken, de peet van mijne zuster Maria, was een dergenen die altijd bij ons woonden. Zij werd peettante van mijne zuster, omdat mijn moeder, die na haar vier jongens graag eene dochter wilde hebben, het haar beloofd had, indien het haar gelukte van God een meisje af te smeeken. De dochter kwam, zij werd peet en woonde daarna gedeeltelijk in het vrouwenklooster te Toela, gedeeltelijk bij ons.

“Tante Alexandra was niet slechts godsdienstig voor het oog der wereld, hield niet slechts de vastendagen of trachtte in aanraking te komen met heilige menschen, zooals met den grijsaard Leonid in Optinaja Poestienja, maar zij leidde ook een oprecht christelijk leven. Zichzelf ontzegde zij alle weelde, geen’ dienst vorderde zij, maar anderen diende zij zooveel het in haar vermogen stond. Geld had zij nooit omdat zij alles wat zij bezat weggaf.

“De kamenier Gascha, die na den dood van mijne grootmoeder bij tante Alexandra kwam, vertelde mij, dat tante, als zij ’s morgens naar de vroegmis ging, op de teenen langs haar heen sloop, om haar niet te wekken, en al die bezigheden zelf verrichtte, die gewoonlijk eene kamenier doet.

“Wat kleeding en voeding betreft was zij nog eenvoudiger dan men zich kan voorstellen. Hoe onaangenaam het mij ookis, moet ik toch vertellen dat ik mij herinner, dat tante Alexandra steeds een zure lucht bij zich had, waarschijnlijk een gevolg van de onreinheid harer kleeding. En dat was nu die sierlijke, poëtische Aline, met haar mooie duivenoogen, die Fransche verzen las en overschreef, op de harp speelde en zeer in trek was op de voornaamste bals! Ik herinner mij, dat zij altijd even vriendelijk was, zoowel met de voornaamste heeren en dames als met monniken, pelgrims en nonnen. Haar zwager Joeschkoff plaagde haar altijd, en zond eens uit Kazan aan haar adres eene groote kist. In die kist bevond zich weer eene kist, en daarin weer een derde, en zoo ging het voort, totdat er een klein doosje overbleef, waarin, gepakt in watten, een kleine porseleinen monnik lag.

“Ik herinner mij nog hoe hartelijk vader lachte toen hij haar het poppetje bracht, en het vriendelijk goedige lachje op haar stralend tevreden gezicht. Haar godsdienst verhief haar geest zoo boven al het bestaande, dat zij zich nooit boos maakte of treurig werd; immers, de wereldsche zaken hadden voor haar niet het gewicht dat anderen er aan hechten. Toen zij onze voogdes werd, zorgde zij voor ons, maar niet met hart en ziel. Alles moest achterstaan bij den dienst van den Heer, zooals zij dien dienst begreep.”1

Zooals boven gezegd is, woonden de jongste kinderen, Dmitri, Leo en Maria, met hunne tante Tatjana op het land, terwijl de twee oudsten, Nikolaas en Sergius, met hunne voogdes Alexandra Ilinitschna, te Moskou waren gebleven. De geheele familie vereenigde zich in den zomer te Jasnaja Paljana. Zoo vergingen de jaren 1838 en 1839 en naderde 1840, het jaar van den hongersnood. De oogst was zóó slecht, dat de Tolstoi’s brood moesten koopen voor hunneboeren-lijfeigenen. De gelden daarvoor werden verkregen door den verkoop van het landgoed Njeroetsch, dat zij door erfenis hadden verkregen.

Het rantsoen voor de paarden moest worden verminderd en haver kregen zij in ’t geheel niet meer. Tolstoi herinnert zich nog, dat zij, kinderen, het zoo jammer vonden voor hun lieve paardjes. Zij gingen daarom stil naar het land waar de haver stond en, geheel onbewust van het kwaad dat zij deden, rukten zij die uit den grond, namen handen vol mee naar huis en voerden er hunne paarden mee.

In den herfst van ’t jaar ’40 trok de geheele familie naar Moskou, waar zij ook den winter van ’40/41 doorbrachten; maar ’s zomers begaven zij zich weer naar Jasnaja Paljana.

In den herfst van dat jaar overleed hunne voogdes, gravin A. I. Osten-Sacken. Alexandra Ilinitschna stierf in het klooster Optinaja Poestienja. In den tijd dat zij daar was waren de kinderen met Tatjana Jergolskaja te Jasnaja Paljana. Toen het bericht kwam, dat tante Alexandra was overleden, reisde Tatjana er dadelijk heen. Den tijd, die nu kwam, zouden de kinderen niet licht vergeten. Zij bleven achter met hun’ onderwijzer, Feodor Iwanowitsch, de oude Maria, die eene halve Joerodiewi was, en een aardigen zwarten hond, waarmee zij altijd speelden. Zoo werd er eens een hooge troon gemaakt en de hond er opgezet, die er echter telkens afsprong. Midden in ’t spel begon hij op eens te huilen en kroop onder een’ stoel. Het bleek, dat hij een’ poot had gebroken. Hunne vertwijfeling was groot en zij begonnen allen jammerlijk te weenen. Deze indruk smolt naderhand te samen met de herinnering aan het eentonige lezen der psalmen door Maria Gherasimowna en het doodsbericht van hunne tante Alexandra Ilinitschna.

Pelageja Ilinitschna, getrouwd met den landeigenaar W. J. Joeschkoff, reisde dadelijk na den dood van harezuster naar de kinderen op Jasnaja Paljana. De oudste broer, die toen juist één jaar student was, ontving haar met de woorden: “Ne nous abandonnez pas, chère tante, il ne nous reste que vous au monde.” Tante, tot tranen geroerd, besloot zich op te offeren. Wat zij onder dat woord verstond is niet heel duidelijk, maar zeker is het, dat zij dadelijk weer naar Kazan terugging, eenige schuiten bestelde en daar alles op laadde wat zij maar van Jasnaja Paljana weg kon sleepen. Zelfs de bedienden nam ze mee: den meubelmaker, schoenmaker, slotenmaker, kok, behanger, enz. Bovendien kregen de jonge Tolstoi’s ieder een’ lijfeigene, ongeveer van hun eigen leeftijd, voor hun specialen dienst.

Wanjoescha, een van deze bedienden, volgde Tolstoi later naar den Kaukasus en leeft nu nog stil bij zijne dochter te Toela.

Leo Tolstoi was ongeveer twaalf jaar toen het bovenstaande voorviel. Het was een leventje op zich zelf. Alles en allen werden in den herfst op groote wagens gepakt en verhuisden van Toela naar Kazan. Onderweg werd nu en dan op een weide of in een bosch halt gemaakt. Dan werden er bessen geplukt, men ging wandelen en baden.

Het scheiden van tante Tatjana viel heel zwaar. Deze tante leefde niet op den besten voet met tante Pelageja, en wel omdat de man van deze laatste in zijne jeugd verliefd was geweest op Tatjana, haar ten huwelijk had gevraagd en was afgewezen. Tante Palageja kon het haar nog steeds niet vergeven, dat zij eens de liefde van Joeschkoff had bezeten. Voor ’t oog der wereld echter was de verstandhouding allerliefst.

Van Wladimir Joeschkoff zegt men te Kazan, dat hij een ontwikkelde, verstandige man was, altijd vroolijk, goedhartig en steeds geneigd tot plagen en schertsen, eene eigenschap die hem tot zijn’ dood toe bijbleef.

Het huis waarin Tolstoi in Jasnaja Paljana werd geboren.—Blz. 55.Het huis waarin Tolstoi in Jasnaja Paljana werd geboren.—Blz.55.

Het huis waarin Tolstoi in Jasnaja Paljana werd geboren.—Blz.55.

Pelageja stond ook bekend als eene goede, maar niet alte verstandige vrouw. Zij was zeer godsdienstig en ging na den dood van haar’ man naar het klooster Optinaja Poestienja. Daarna woonde zij eenigen tijd in het vrouwen-klooster te Toela, kwam vervolgens naar Jasnaja Paljana, waar zij ziek werd en stierf.

In den loop van haar lang leven volgde zij streng de voorschriften van de kerk der rechtgeloovigen. Op haar 80stejaar evenwel, bij ’t naderen van den dood, werd zij bang en wilde niets hooren van het ontvangen der Heilige Sacramenten en werd boos op iedereen die er op aandrong, daar zij niet aan den dood herinnerd wilde worden.

De Amerikaansche schrijver E. Schyler, die Rusland bereisd heeft, bezocht Leo Tolstoi in het jaar 1868 en vertelt in zijne gedenkschriften het volgende van zijne kennismaking met de familie Joeschkoff.

Schyler maakte kennis met Joeschkoff te Kazan. “Ik werd ontvangen,” vertelt hij, “in een mooi huis en gaf mijn kaartje en een’ aanbevelingsbrief aan een’ bediende, die zich ermee verwijderde. Terwijl ik wachtte zag ik, dat de nog ongeopende brief op een’ stoel werd gelegd. Eindelijk kwam de generaal binnen, een reeds oude, maar nog flinke man met een goed, sympathiek gelaat. Hij noodigde mij uit te gaan zitten, deed hetzelfde en zei na een paar onverschillige woorden:

“Ik veronderstel, dat gij mij een’ brief hebt meegebracht van mijn’ neef Leo? Waar is die?”

“Ik denk dat gij er op zit.” Hij stond op, vond den brief en reikte hem mij over met de woorden:

“Wees zoo goed hem mij voor te lezen; ik ben volslagen blind.”

“Het was een moeilijk geval, want de brief behelsde veel goeds van mij; maar ik kon er niets aan doen en sloeg toch nog een heel eindje over. Het spijt mij altijd nog dat ikden ouden heer dien brief terug heb gegeven. Ik had hem in mijn zak moeten steken om hem als een aandenken te bewaren. In eene andere kamer stonden twee piano’s. Op een vraag van mij antwoordde de generaal, dat hij vroeger een groot liefhebber van muziek was geweest. Al zijne kinderen had hij muziek laten leeren, maar nu hij oud en blind was geworden gingen zij den geheelen winter naar Petersburg en lieten hem alleen. Ik overreedde hem mij iets van Mozart en Beethoven uit het hoofd voor te spelen. Daarop gingen wij naar den tuin en in die twee uren, die ik bij hem doorbracht, vertelde hij mij veel interessante dingen, maar dat, wat ik wilde weten, vertelde hij mij niet.”

Op Jasnaja Paljana maakte Schyler ook nog kennis met Pelageja Joeschkoff. Van haar vertelt hij:

”Nadat ik Tolstoi ’s avonds mijne ontmoeting met Joeschkoff had verteld, werd ik den nacht daarop om 4 uur wakker door het geluid van voetstappen in de gang. Mijne deur ging open, en in de meening dat er iets gebeurd was en de knecht mij kwam wekken, riep ik: ‘Wat is er?’ De deur ging weer dicht en ik hoorde een stem in het Fransch zeggen: ‘Ah, un homme dans mon lit’. Nogmaals ging de deur open en een heer met eene kaars in de hand verscheen en vroeg: ‘Sergius, ben jij het?’—‘Neen,’ antwoordde ik, ik ben een gast hier in huis.’ Hij lachte, verontschuldigde zich en ging weg. Ik had een heel scherp gehoor en zoo hoorde ik hen overleggen, dat iemand niet in de logeerkamer, maar op den divan zou gaan slapen, zoolang de familie nog boven was. Ik begreep dadelijk, hoe de vork in den steel zat. Ik was uitgenoodigd ongeveer een week te blijven logeeren tot aan de terugkomst van mevrouw Joeschkoff, de tante van den graaf, en bewoonde nu hare kamer. Zij was vroeger dan het plan was en onaangemeld teruggekomen en had eene vriendin meegenomen. Daar de deuren in een Russisch huisbijna nooit ’s nachts gesloten zijn, waren zij binnengekomen zonder te kunnen vermoeden, dat ze een ander zouden wakker maken.

“Van Iwan, die mij ’s morgens thee kwam brengen, hoorde ik, dat ik goed had geraden. Ik pakte daarom dadelijk mijn zaken bij elkaar om dienzelfden dag nog te kunnen vertrekken. Toen ik tegen elf uur beneden kwam voor de morgenkoffie, vond ik in het salon mevrouw Joeschkoff geheel alleen, zoodat ik mij zelf moest voorstellen. Waarschijnlijk had men haar de nachtelijke geschiedenis al opgehelderd, want zij zei lachend: ‘Dus u bent in ’t voorjaar in Kazan geweest en u hebt mijn man gezien, die u verteld heeft dat hij geheel blind is. Ik verzeker u evenwel dat daar geen woord van waar is. Hij ziet even goed als u en ik. Dat is een van zijn gewoonten om zich interessant te maken.’

“Ik antwoordde, dat hij volgens mijn meening wel degelijk blind was, maar kon haar niet overtuigen. Graaf Tolstoi vertelde mij, dat zij gescheiden van haar man leefde en, hoewel ze hem in geen twee jaar had gezien, toch in eene vriendschappelijke verhouding tot hem stond”2.

Tolstoi heeft in eenige zijner werken, die, volgens onze meening, een autobiographisch karakter dragen, den gang van zijne ontwikkeling als knaap beschreven.

Eene eigenschap, die veel bij kinderen voorkomt, en blijkbaar bij Leo Tolstoi zeer sterk was ontwikkeld, was zijne met eigenliefde verbondene schuchterheid.

De menschen scheiden dikwijls deze twee eigenschappen van elkaar, prijzen de eene, laken de andere, en daarbij vormen zij toch samen de twee zijden van één medaille. Zij zijn even onafscheidelijk als oorzaak en gevolg. Iemand is schuchteromdat hij eigenliefde bezit, en de schuchterheid op haar beurt versterkt deze weer. Zulke gevoelens komen meestal in den beginne voort uit weinig beteekenende oorzaken, b.v. uit het besef dat ons voorkomen niet zeer aantrekkelijk is. Tolstoi zegt hierover, zichzelf beschrijvende onder den naam van Nikoljenka:

“Ik had een vreemd begrip van mooi, ik vond zelfs Karel Iwanowitsch een van de mooiste mannen van de wereld, maar dat verhinderde niet, dat ik heel goed wist, dat ik zélf leelijk was. Iedere aanmerking op mijn uiterlijk kwetste mij daarom ook.

“Dikwijls had ik oogenblikken van vertwijfeling; ik verbeeldde mij, dat er geen geluk bestaanbaar was voor iemand met zoo’n breeden neus, zulke dikke lippen en zulke kleine grijze oogen als ik. Alles wat ik bezat en alles wat ooit het mijne zou worden had ik willen geven om mooi te zijn.”3

Zoodra de mensch den blik slaat op zich zelf, ontwaken in hem tegenstrijdige gevoelens. Is hij verstandig en zedelijk ontwikkeld, dan moet hij zijne tekortkomingen voelen en hieruit weer ontstaat de drang naar zelfvolmaking zoowel in- als uitwendig.

Dezen strijd nu van het kind, den knaap en den jongeling heeft Tolstoi ons geschilderd in de persoon van Nikoljenka Istjeneff, waarmee hij ons tevens een blik laat slaan in zijn diep, rijk gevoelsleven.

In een gesprek met een’ vriend vertelt Tolstoi dat hij, van knaap jongeling geworden, geheel onder den invloed stond van zijn’ broer Sergius, dien hij verafgoodde en in alles trachtte na te volgen. In het einde van zijn jongelingsjaren was het Nikolaas die grooten invloed op hem uitoefende, en van wien hij wel is waar niet zoo hartstochtelijk, maar beter hield.

De liefde die Tolstoi zijn’ broeder Sergius toedroeg, heeft tot materiaal gediend voor de inKinderjarenvoorkomende beschrijving van een dergelijke verhouding tusschen Nikolenka Istjeneff en Sergius Iwin.

Hier volgt hetgeen hij ons met zulke heldere kleuren schildert.

“Hij trok mij onwederstaanbaar aan. Er was een tijd dat ik geen andere wenschen had, dan hem te zien, en zag ik hem dan was ik gelukkig. Als ik hem in een paar dagen niet ontmoette werd ik onrustig en treurig. Al mijn droomen gingen uit naar hem. Wanneer ik ging slapen, dan hoopte ik van hem te droomen, en ontwaakte ik, dan stond zijn beeld mij dadelijk weer voor oogen, en zelfs dit beeld liefkoosde ik in gedachten en aanbad het als een hooger wezen.

“Over deze groote liefde sprak ik met niemand, daarvoor was zij mij te heilig.

“Misschien verveelde het hem, altijd mijn onrustige oogen op zich gericht te zien; wellicht ook voelde hij eenvoudig geen sympathie voor mij, maar het is zeker dat hij veel liever met Walodja sprak en speelde, dan met mij. Hoe het ook zij, ik was tevreden, verlangde niets meer, vroeg niets meer en was ten allen tijde bereid mij voor hem op te offeren.”4

“Onder den familienaam Iwin beschreef ik de zoontjes van graaf Poeschkin, van welke juist dezer dagen Alexander is gestorven. Hij was het, van wien ik in mijne jeugd zoo heel veel heb gehouden. Ons geliefkoosd spel was: soldaatje spelen.”5

De overgang van kind tot knaap schildert Tolstoi ons op de volgende wijze: “Is het u wel eens gebeurd, lezer, dat gij op een zeker tijdstip van uw leven plotseling een geheel anderen blik op de dingen kreegt, alsof alles wat gij tot nutoe gezien hadt, zich aan u vertoonde van eene u geheel onbekende zijde? Iets dergelijks heb ik ondervonden gedurende mijne eerste reis. Van dien tijd af reken ik ook, dat mijn jongensjaren zijn begonnen.

“Voor het eerst van mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat wij (d.w.z. onze familie) niet alleen op de wereld waren, dat er nog andere belangen bestonden dan de onze en dat er menschen leefden, die niet alleen niets met ons gemeen, maar die zelfs geen besef van ons bestaan hadden.

“Natuurlijk heb ik dat alles vroeger ook geweten maar anders, onbewust, ik voelde het niet.”6

Vroeg reeds openbaarden zich bij den knaap de filosofische gedachten, den weg voorbereidende waarlangs dat groote verstand zich zou ontwikkelen.

“Men zal het nauwelijks gelooven,” zegt Tolstoi, onder den naam Nikoljenka, “welke mijne geliefkoosde overpeinzingen waren toen ik een jongen was, zoo weinig waren zij in overeenstemming met mijn leeftijd en omstandigheden. Volgens mijne meening echter is juist dit groote verschil tusschen de omstandigheden van den mensch en den gang zijner gedachten het grootste bewijs van de juistheid dezer laatste.

“...Het geluk, zoo dacht ik eens, hangt niet af van de uiterlijke omstandigheden maar van de wijze waarop wij het beschouwen. Een mensch, die gewend is aan ongeluk, kan niet ongelukkig zijn, en om mij zelf van deze waarheid te overtuigen, dwong ik mij, ondanks de heftige pijn, eene zware dictionnaire vijf minuten in de uitgestrekte hand te houden of sloeg ik mij met een touw op den blooten rug tot de tranen mij in de oogen sprongen.

“Een andermaal bedacht ik plotseling dat de dood mij ieder oogenblik kon overvallen. Ik begreep niet, dat alle menschendat niet eerder hadden ingezien, en nog op andere wijze gelukkig trachtten te worden, dan door van het oogenblik te genieten. Onder den invloed van die gedachte verwaarloosde ik mijne lessen en deed een paar dagen niets anders dan op mijn bed liggend eenige romans lezen en honingkoekjes eten, die ik voor mijn laatste geld gekocht had.

“Eens teekende ik met krijt verschillende figuren op het bord. Plotseling trof mij de gedachte: ‘Waarom doet de symmetrie ons oog zoo aangenaam aan? Wat is eigenlijk symmetrie?’ en ik antwoordde mijzelf: ‘dat is iets dat ons is aangeboren’. ‘Waarop is zij gegrond? Is alles in de wereld symmetrisch?’ ‘Integendeed: dit is het leven,’ en ik teekende op het bord een groot ovaal figuur. ‘Na dit leven gaat de ziel de eeuwigheid in; hier is de eeuwigheid,’ en ik trok eene lijn van het ovale figuur af tot aan het uiterste eind van het bord. Waarom kan ik nu aan den anderen kant ook niet zoo’n lijn trekken en hoe is een eeuwigheid bestaanbaar die zich maar naar één kant uitstrekt? Wij hebben ongetwijfeld reeds bestaan vóór dit leven, al hebben wij ook de herinnering daaraan verloren.”

“Geen van deze filosofische gedachten,” vervolgt Tolstoi, “heeft mij zoo meegesleept als het scepticisme, dat mij gedurende eenigen tijd in een toestand heeft gebracht, grenzende aan krankzinnigheid. Ik verbeeldde mij, dat er behalve ik zelf, niemand en niets op de wereld bestond, dat voorwerpen geen voorwerpen maar denkbeeldige dingen waren, die ik slechts zag als ik mijn opmerkzaamheid er op richtte, maar die weer verdwenen, zoodra er ik niet meer aan dacht. In één woord, ik deelde de overtuiging van Schelling, dat het niet de voorwerpen zijn die bestaan, maar onze betrekking tot hen. Er waren oogenblikken dat ik, half krankzinnig onder den invloed dier gedachten, mij plotseling omkeerde, in de hoop eene woestijn, het ‘néant’, te zien dàar waar ik zelf niet was.”7

Het boekJongensjareneindigt met de beschrijving van de vriendschap tusschen Nikoljenka en Njechloedoff8en toont ons het ideaal, dat Tolstoi zijn geheele leven voor oogen heeft gehad en dat hem bij zal blijven tot aan het einde zijner dagen.

“Het spreekt van zelf, dat ik onder Njechloedoffs invloed ook zijne principes was toegedaan, die hierin bestonden dat hij de deugd verafgoodde en overtuigd was, dat het de bestemming van den mensch is, steeds meer en meer naar het volmaakte te streven. Het leek ons zoo gemakkelijk het geheele menschdom te verbeteren en allen te bevrijden van ongeluk en ellende; zoo eenvoudig ons zélf te verbeteren, deugdzaam te worden en gelukkig te zijn.”9

Het is zeker, dat deze neiging tot abstracte dingen, deze teruggetrokkenheid en schuchterheid, dit streven naar het ideale, eigenschappen, die den knaap reeds kenmerkten, den grondslag legden voor de vorming van de harmonische gedachten van den grootschen kunstenaar, die de kiem daarvan reeds bij zich droeg in het tijdperk van zijn jongensjaren.

Leo Tolstoi werd opgevoed in een patriachaal-aristokratischen, op zijne wijze godsdienstigen, kring. Zijne gevoelige kinderziel nam altijd op wat hem het mooiste scheen en hij was oprecht godsdienstig.10Maar deze gewoonte-godsdienst vervloog bij de eerste kennismaking met het geloof der rede.

In zijn werkBiechtvertelt Tolstoi het volgende van zijne godsdienstige opvoeding, toen hij nog een jongen was.

“Ik werd gedoopt en opgevoed in de leer der rechtgeloovigen, maar toen ik achttien jaar was en mijn tweedestudiejaar inging, geloofde ik reeds niets meer van hetgeen men mij geleerd had.

“Afgaande op mijne herinneringen heb ik eigenlijk nooit ernstig geloofd; ik had slechts vertrouwen in hetgeen de grooteren mij predikten, maar zelfs dat vertrouwen stond niet vast. Ik herinner mij nog—ik was toen elf jaar—dat op een Zondag Walodjenka M. bij ons kwam en ons als laatste nieuws een ontdekking, gedaan op het gymnasium, openbaarde, n.l. dat er geen God bestond en dat alles wat men ons daaromtrent leeraarde verzinsel was. Dit gebeurde in 1838.

“Ik weet nog, dat het nieuws mijn oudere broers sterk interesseerde, dat zij mij ook aan de beraadslagingen lieten deelnemen en dat wij de conclusie trokken, dat het zeer opmerkelijk en zeer aannemelijk was.”

Wij weten, dat deze rationalistische overwegingen de kern van zijn geloof niet raakten. Dit bleek bestand te zijn tegen de ruwste levensstormen en wees hem ten slotte den weg naar de waarheid.

Het is voor ons niet onbelangrijk eens na te gaan welke schrijvers, volgens Tolstoi’s eigen opgave, invloed op hem hebben uitgeoefend in zijne jeugd, d.w.z. ongeveer tot zijn 14dejaar. Hier volgt de lijst:

Namen der werken:Graad van invloed:De geschiedenis van Jozef uit den Bijbel.Buitengewoon groot.De verhalen van de Duizend-en-één nacht. (De veertig roovers en Prins Kameralzaman).GrootDe zwarte kip van Pogorjelski.Zeer grootRussische verhalen:Dobrinja Ninititsch—Ilija Moeromjetz—Aljescha Ispowitsch.Buitengewoon grootVolkssprookjes.Buitengewoon grootHet gedicht van Poeschkin: Napoleon.Groot.

Nu zullen wij eenige voorvallen aanhalen uit Tolstoi’s jongensjaren, zooals wij die gehoord hebben van hem zelf en van zijne familie. Ook bezitten wij gegevens uit andere bronnen, die wij aan kritiek onderworpen en gebruikt hebben voorzoover wij ze geloofwaardig bevonden. Het is echter onmogelijk, deze verhalen in chronologische volgorde te plaatsen.

“Ik herinner mij,” vertelde Tolstoi, “dat wij, toen vader nog leefde, in ’t begin van ons verblijf te Moskou, een paar prachtige vurige paarden hadden.

“Mitka Kopiloff was onze koetsier en tevens vaders rijknecht. Hij was een flink ruiter en jager, een uitstekend koetsier en bovenal een onschatbare voorrijder, want bij onze vurige paarden was een jongen niet vertrouwd en een oude voorrijder staat niet mooi. Mitka nu bezat alle eigenschappen die een voorrijder moet hebben en die men zelden vereenigd ziet. Hij was licht gebouwd, niet te groot en behendig.

“Eens had vader bevel gegeven de phaëton in te spannen. De deuren van de poort gingen open en de paarden sprongen wild naar buiten. Wij hoorden iemand roepen: ‘de paarden van den graaf gaan op hol!’ Paschenka viel flauw en tante liep vlug naar grootmoeder om haar gerust te stellen. Het bleek dat vader nog niet was ingestapt en Mitka, die de paarden weer meester was geworden, keerde naar den stal terug.

“Toen wij onze uitgaven moesten verminderen moest Mitka worden weggedaan. Verschillende rijke kooplieden hadden hem, mooi als hij er uitzag in zijn zijden buis en fluweelen koetsiersjas, graag voor een groot loon willen hebben.

“Nu trof het echter dat Mitka’s broer onder dienst moest en zijn oude vader hem noodig had voor het werk op het land van zijn’ heer. Hij ging naar huis en na verloop van een paar maanden veranderde die kleine, fatterige Mitka in een grauwen boer, die zaaide en ploegde op het land van zijn’ heer en over ’t algemeen het zware boerenleven leidde.

“En deze omkeer geschiedde zonder morren, in het bewustzijn dat het zoo moest zijn en niet anders.”

Voorvallen als deze bevorderden nog de liefde en achting, die Tolstoi van zijn jeugd af aan het volk heeft toegedragen.

De volgende gebeurtenissen hebben, volgens Tolstoi’s eigen woorden, de zaden van ontevredenheid en twijfel in zijne ziel gestrooid, vooral van twijfel aan de oprechtheid der menschen, der “grooteren”, die hij vroeger onvoorwaardelijk geloofde.

De kinderen Tolstoi waren, als verre bloedverwanten, gevraagd bij den kerstboom van de familie Pipoff. Zij hadden toen hun vader en grootmoeder reeds verloren en leefden onder de hoede van hunne tante in betrekkelijk armoedige omstandigheden, zoodat zij weinig aantrekkelijks voor de buitenwereld hadden.

Hunne nichtjes, de kinderen van vorst Gortschakoff, den toenmaligen minister van oorlog, waren ook uitgenoodigd, en de Tolstoi’s moesten met bitterheid het onderscheid opmerken, dat er gemaakt werd tusschen hen en de meer welkome gasten. Zij werden afgescheept met goedkoope prullen, terwijl de andere kinderen het mooiste en kostbaarste speelgoed ontvingen.

Het tweede voorval speelde ook in Moskou, op eene wandeling met hun Duitschen gouverneur. Bij de kinderen (Leo was ongeveer 10 jaar) bevond zich het dochtertje van de Fransche gouvernante van hun’ buurman Isljeneff. Het was een mooi, aantrekkelijk meisje. Zoo wandelende op de Bolschaja Bronnaja, kwamen zij voorbij een poortje van een’ tuin die bij het huis Paljak hoorde. De poort was niet gesloten en half angstig gingen zij er in, zelf niet wetend hoe het af zou loopen, maar de tuin leek hun zoo buitengewoon mooi. Er was een vijver met roeibootjes, vlaggen, bloemen, bruggetjes, kleine paadjes, prieeltjes, enz. Zij liepen als in een’ toovertuin.

Eindelijk kwamen ze een’ heer tegen, die zeide dat hij de eigenaar was en Attascheff heette. Hij begroette hen vriendelijk en noodigde hen uit hunne wandeling voort te zetten, liet hen roeien en was in één woord zoo voorkomend, dat zij begonnen te gelooven, zeer welkome gasten te zijn. Daarom besloten de kinderen een paar dagen later er eens weer heen te gaan.

Toen zij aan het poortje kwamen hield een oude man hen tegen en vroeg wat zij wilden. Zij noemden hun naam en lieten zich bij den eigenaar aanmelden. Joezjenka was nu niet bij hen. De man kwam terug met de boodschap, dat de tuin particulier eigendom was en niet toegankelijk voor het publiek. Zij gingen treurig weg en in hun jonge zieltjes rees de vraag, waarom toch het mooie gezichtje van hun vriendinnetje zoo’n grooten invloed kon hebben op hunne verhouding tot hunne medemenschen.

Nu volgen eenige schetsjes, die de eigenaardigheid, of liever, de excentriciteit van Tolstoi’s karakter als jongen, in ’t licht stellen.

“Wij zaten eens aan tafel,” vertelde mij Tolstoi’s zuster. ”’t Was nog in Moskou, bij ’t leven van grootmoeder, die zeer streng was op de etiquette. Allen moesten wij in de kamer zijn voordat zij verscheen. Wij waren er dan ook allemaal, behalve Leo, die maar niet kwam. Grootmoeder bemerkte het en vroeg den gouverneur St. Thomas, of hij ook wist waar Leo was. Deze antwoordde dat hij zeker bij het toiletmaken op zijne kamer was opgehouden, maar ieder oogenblik moest komen. Grootmoeder was gerustgesteld, maar onder ’t eten kwam de djadka11binnen en fluisterde St. Thomas iets in. Deze verbleekte, stond op en verliet de kamer. Dat was zoo’n ongewone inbreuk op onze strenge etiquette, dat wij allen begrepen dat er een ongeluk moest zijn gebeurd,en daar Leo maar steeds niet verscheen, moest hij er in zijn betrokken. Angstig zaten wij te wachten en kregen spoedig de volgende verklaring: Leo—wij wisten niet waarom (zooals hij nu zegt, alleen maar om iets bijzonders te doen, om gewichtig te schijnen)—had zich voorgenomen om uit het raam van de tweede verdieping te springen, en opdat niemand hem daarin zou kunnen verhinderen, was hij opzettelijk alleen in de kamer achtergebleven, toen de anderen aan tafel gingen. Hij klom in het open venster van de bovenverdieping en sprong in den hof. Toen Leo naar beneden stortte, stonden de kok en de keukenmeid juist voor het raam en begrepen eerst niet wat er gebeurde; zij stuurden den huisknecht om eens te gaan zien, en deze, buiten gekomen, zag Leo bewusteloos op den grond liggen. Gelukkig had hij niets gebroken en alles liep af met een lichte hersenschudding. De bewusteloosheid ging over in een diepen slaap, die zestien uren aanhield en waaruit hij geheel gezond ontwaakte. Gij kunt u onze schrik en ontsteltenis voorstellen bij deze onbezonnen daad van den kleinen zonderling.

“Eens haalde hij het in zijn hoofd zijn wenkbrauwen af te scheren, waardoor hij zijn gezicht, dat toch al ver van mooi was, nog veel leelijker maakte en waarvan hij naderhand heel veel verdriet heeft gehad.”

“Een andermaal,” vertelt Maria Nikolajewna, “zaten we in een troika en reden van Pirochoff naar Jasnaja. Er werd even halt gemaakt. Leo stapte uit en ging te voet verder. Toen wij verder zouden rijden was Leo nergens te vinden. De koetsier zag in de verte zijn gestalte, die zich meer en meer verwijderde. Wij reden verder, in de meening dat hij in zou stappen als wij hem hadden ingehaald. Maar zoo gebeurde het niet. Bij ’t naderen van de troika verhaastte hij zijne schreden, en toen deze hem op zij was zette hij het op een loopen en wilde blijkbaar niet instappen. De troika reedheel vlug en hij liep ongeveer drie wersten zoo hard als hij kon mee, totdat hij ten slotte geen kracht meer had en het opgaf. Nat van zweet, geheel buiten adem, nam men hem in de troika op, waar hij doodelijk vermoeid neerviel.”

Tolstoi’s echtgenoote, gravin Sophie Andrejewna, heeft dikwijls gebeurtenissen uit het leven van haar echtgenoot, die zij van hem zelf of van zijne familie hoorde, opgeschreven en verzameld. Hoewel tot onzen spijt deze arbeid niet is voleindigd, heeft hij voor ons toch groote waarde. Met haar welwillende toestemming laten wij hier eenige uittreksels volgen.

“Afgaande op de verhalen van eene bejaarde tante en van mijn’ grootvader Iljeneff, die zeer bevriend was met den vader van mijn man, was de kleine Leo een vreemd, zonderling kind. Hij kon b.v. de zaal binnen komen en de aanwezigen begroeten met een achterwaartsche buiging, met zijn hoofd achterover, terwijl zijn voeten over den grond knarsten.

“Op de vraag of hij goed geleerd had, kreeg ik zoowel van hem als van anderen steeds ten antwoord: ‘neen’.”

Tolstoi’s zwager S. A. Bjers vertelt in zijne herinneringen het volgende:

“Volgens tante Pelageja kon men hem, toen hij nog een kind was, gerust een’ bengel noemen; als jongen was hij zeer eigenaardig en haalde de vreemdste dingen uit, maar was daarbij vroolijk en opgewekt en had een hart van goud.

“Mijne tante, die nu overleden is, vertelde mij dat hij, inKinderjarenzijne eerste liefde beschrijvende, heeft verzwegen, dat hij eens het voorwerp van die liefde uit jalouzie van het balkon heeft gestooten. De bewuste was mijne moeder, die toen negen jaar oud was en, dank zij de buiteling, een langen tijd gebrekkig moest loopen. Hij had het gedaan omdat zij niet met hem, maar met een ander sprak. Later zeide zij dikwijls lachend: ‘Je hebt mij zeker van het balkon gestooten om met mijne dochter te kunnen trouwen.’

“Zelf vertelde Tolstoi eens in zijn’ familiekring en in mijne tegenwoordigheid, dat hij, toen hij een jaar of zeven was, vurig wenschte te kunnen vliegen. Hij verbeeldde zich, dat hij het best zou kunnen door op zijn hurken te gaan zitten en dan met beide armen zijne knieën te omvatten. Hoe stijver hij vasthield, des te hooger zou hij kunnen vliegen.”

Verschillende autobiografische vertellingen kunnen wij vinden in reeds vroeger verschenen boeken. Eenige zeer karakteristieke laten we hier volgen.

In de vertellingHet oude Paardverhaalt hij, dat hij en zijne drie broers verlof hadden gekregen om te gaan rijden. Men gaf hun daarvoor het oude paard Woronok. Nadat de oudere broers er eerst van genoten en het arme dier voldoende geplaagd hadden, kreeg hij het.

“Toen het mijn beurt was,” vertelde Tolstoi, “wilde ik mijn broers eens toonen, hoe goed ik wel kon rijden. Ik spoorde het paard aan, maar hoe ik mij ook inspande, het wou niet vooruit, en keerde naar den stal terug. Ik werd boos, sloeg het dier met mijne zweep en schopte het met mijne voeten in de zijden. Ik deed mijn best om het juist daar te raken, waar ik wist dat het het meest pijn deed. Mijn zweep brak ik er bij, toen sloeg ik met den knop. Woronok echter verwikte niet en wilde niet verder. Toen keerde ik terug en vroeg mijn’ djadka een nieuwe sterke zweep. Maar deze zeide:

“‘Heer, gij hebt genoeg gereden, stijg nu af. Waarom het paard langer te kwellen?’

“Beleedigd antwoordde ik:

“‘Ik heb nog in ’t geheel niet gereden. Geef mij een nieuwe zweep, dan zult ge zien, hoe ik zal galoppeeren.’

“Toen schudde hij zijn hoofd en zei:

“‘Ach, heer, medelijden kent gij niet. Waarom wilt gij het paard tot spoed aanzetten? Men heeft het gekweld, het kangeen adem meer halen, het is oud, zoo oud als Pimjen Timofjeïtsch.12Als gij op dien gingt zitten en hem met de zweep zoudt aansporen, zoudt gij dan geen medelijden hebben?’

Tolstoi’s woning te Jasnaja Paljana.—Blz. 56.Tolstoi’s woning te Jasnaja Paljana.—Blz.56.

Tolstoi’s woning te Jasnaja Paljana.—Blz.56.

“Ik stelde mij den ouden Pimjen voor en gehoorzaamde den djadka. Ik steeg af en toen ik zag, hoe het arme paard hijgde en met zijn half uitgevallen staart heen en weer sloeg, begreep ik hoe slecht het er aan toe was. Ik kreeg zoo’n medelijden met Woronok, dat ik een kus op zijn bezweeten nek drukte en hem vergiffenis vroeg, omdat ik hem zoo had geslagen.”

InHoe ik leerde paardrijdenvertelt Tolstoi, dat hij eens met zijn broers naar de manege ging om het te leeren. De eerste piqueur, die zich verbaasde over zijne kleine gestalte, maar zijne vastberadenheid zag, wilde hem zelf helpen, “Men bracht een klein bruin paardje voor met korten staart. Het heette Tscherwentschik. De piqueur zei lachend: ‘Nu kavalier, stijg maar op.’ Ik verheugde mij en werd bang, doch deed mijn best om dit niet te laten merken. Ik trachtte den stijgbeugel te pakken, maar kon het niet, want ik was te klein. Toen nam hij mij op, zette mij op het paard en zei: ‘gij zijt niet zwaar, heer, niet meer dan een paar pond.’ Hij hield mij vast, maar daar ik zag dat mijn broers los reden, wilde ik het niet meer hebben. ‘Zijt ge dan niet bang?’ vroeg hij. Ik was het wel, maar zei: ‘neen.’

“Ik was vooral zoo bang omdat Tscherwontschik maar steeds zijne ooren heen en weer bewoog; ik dacht toen, dat hij boos op mij was. De piqueur liet mij los met de woorden: ‘Nu, pas maar op dat gij er niet af valt.’ In het begin ging het stapvoets, en hield ik mij recht op, maar het zadel begon zoo glad te worden en ik werd bang dat ik zou vallen. De piqueur vroeg: ‘zit ge reeds vast?’—‘Ja,’ zei ik.—‘Nu, dan indraf,’ en hij klapte met de tong. Tscherwontschik ging in een drafje over; ik begon op en neer te wippen, maar hield mij goed en trachtte niet op zij te vallen. De piqueur prees mij: ‘ei, zie dien ruiter eens aan, goed zoo!’ en ik was overgelukkig.

“Op dat moment kwam een vriend van den piqueur en knoopte een gesprek met hem aan, waardoor hij niet meer op mij lette. Plotseling voelde ik, dat ik begon te glijden, ik wilde weer recht gaan zitten maar kon niet. Ik wilde den piqueur roepen maar bedacht, dat het niet goed zou staan. Ik keek naar hem om en wilde hem toch maar vragen mij te helpen, maar hij lette niet op mij, hoewel hij riep: ‘flink, flink, kavalier!’ Ik hing reeds geheel op één zij en werd bang, maar schreeuwen wilde ik niet om de schande. Mijn paardje wierp mij nog ééns omhoog, toen verloor ik mijn evenwicht en viel op den grond.

“Tscherwontschik bleef staan. De piqueur draaide zich juist om, zag mij niet meer op het paard en zei: ‘daar hebben we het al, mijn ruiter is gevallen.’ Toen ik hem antwoordde, dat ik mij niet bezeerd had, zeide hij lachend: ‘een kinderlichaam geeft mee!’ en ik, ik had wel willen schreien, maar ik vroeg of hij mij weer op het paard wilde zetten, en ik viel er niet meer af.”

En zoo werd het kind een knaap; nadenkend, schuchter, vatbaar voor indrukken, zijn jonge hartje vol aanhankelijke liefde en toch inwendig eenzaam, gescheiden van de zijnen door de hooge vlucht zijner gedachten, die geen weerklank vonden in den kring die hem omringde.

1Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.2Eug. Schyler.Herinneringen aan Tolstoi.3Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.4Uit de volledige verzameling der werken van Tolstoi.5Ingevoegd door Tolstoi bij lezing van het handschrift.6Volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.7Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.8Het materiaal hiervoor verschafte mij de vriendschap met Djakoff in mijn eerste studiejaar. Noot van L. Tolstoi.9Volledige werken van L. Tolstoi.10Toelichtingen hieromtrent vindt men in zijn werkKinderjaren.11Een oppasser voor kinderen.12Een 90-jarige grijsaard, die op het goed woonde.

1Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.

2Eug. Schyler.Herinneringen aan Tolstoi.

3Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.

4Uit de volledige verzameling der werken van Tolstoi.

5Ingevoegd door Tolstoi bij lezing van het handschrift.

6Volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.

7Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.

8Het materiaal hiervoor verschafte mij de vriendschap met Djakoff in mijn eerste studiejaar. Noot van L. Tolstoi.

9Volledige werken van L. Tolstoi.

10Toelichtingen hieromtrent vindt men in zijn werkKinderjaren.

11Een oppasser voor kinderen.

12Een 90-jarige grijsaard, die op het goed woonde.


Back to IndexNext