Zevende hoofdstuk.

Zevende hoofdstuk.Kaukasus.Tolstoi’s mislukte pogingen op landhuishoudkundig gebied, de onmogelijkheid om in de gewenschte verhouding tot zijne lijfeigenen te komen, zijn hartstochtelijk, gevaarlijk, in alle opzichten verwilderd leven, brachten hem eindelijk tot het besef, dat het zoo niet blijven kon. Zijn leven was zóó verward, hij zelf was zóó gezonken, dat hij alles wel aan wilde grijpen om het te veranderen. Zijn zwager, toen nog de verloofde van zijne zuster, moest vóór zijn huwelijk nog eenige zaken in Siberië regelen. Hij had afscheid genomen en was reeds onderweg, toen plotseling Tolstoi bij hem in den reiswagen sprong, en wij gelooven dat het alleen aan de omstandigheid dat hij muts en pels vergeten had te danken is, dat hij niet met zijn’ zwager meeging.Eindelijk gebeurde er iets, dat hem in de gelegenheid stelde een ander leven te beginnen. Zijn oudste broer Nikolaas, die als officier in ’t leger diende, was met verlof uit den Kaukasus overgekomen. Tolstoi nam het besluit, en volvoerde dat ook, om met hem terug te keeren.Den 20enApril 1851 vertrokken zij van Jasjana Paljana naar Moskou, waar zij eenige weken vertoefden, en vanwaar hij den volgenden brief schreef:“Ik heb op de promenade van Sakolnik gewandeld, maar het was zulk een afschuwelijk weer, dat ik tot mijne spijt niet ééne dame uit onzen kring heb gezien. Gij beweert altijd, dat ik iemand ben die van proefnemingen houdt. Nu, ik heb me onder ’t plebs begeven, waar de Zigeuners hunne tenten opslaan. Gij kunt u levendig voorstellen welk een’ strijd ik daar moest strijden, maar ik ben overwinnaar gebleven, d.w.z. ik heb de vroolijke afstammelingen van de doorluchtige Pharao’s niets dan mijn’ zegen achtergelaten. Nikolaas vindt, dat ik een zeer aangename reisgenoot ben; alleen ergert hij zich dat ik, zooals hij zich uitdrukt, twaalf maal per dag mijn linnen verwissel. Ik vind hem ook aangenaam op reis, alleen niet zindelijk genoeg. Ik weet niet wie van ons beiden gelijk heeft.”1Van Moskou gingen zij naar Kazan, waar zij Joeschkoff, den man van hunne tante Pelageja, en ook nog eene vriendin van deze laatste, de origineele, verstandige Zagoskina, de directrice van het Kazansche vrouwen-instituut, opzochten.Bij deze Zagoskina kwamen zeer veel jongeluicomme il fautaan huis, o.a. de procureur Ogolin, met wien Tolstoi eene bijna vriendschappelijke betrekking aanknoopte. Samen gingen zij Joeschkoff op zijn landgoed een bezoek brengen, waarbij zich het volgende vermakelijke incident voordeed:“Gij kunt u nauwelijks,” zoo vertelt Tolstoi, “de verbazing voorstellen van mijn’ oom, toen hij Ogolin, den altijd keurigen, correcten, in uniform met kruis en lint gekleeden Ogolinonder de volgende omstandigheden bij zich zag. Wij waren voorgereden, en terwijl de knecht ons aandiende stelde ik Ogolin voor eens te probeeren, wie het vlugst in een der tegenover het huis staande berkeboomen kon klimmen. Het duurde lang voordat mijn oom, die daar juist op aan kwam, van zijne verbazing was bekomen.”Volgens Tolstoi’s eigen woorden was in dien tijd zijn oordeel over menschen en dingen nog zeer oppervlakkig en lichtzinnig, hetgeen zijn broer Nikolaas hem zoo nu en dan liet voelen. Zoo kwamen zij eens op eene wandeling een rijtuig tegen waarin een heer zat, die met zijne beide ongehandschoende handen op zijn stok leunde.“Wat een poen,” zei Tolstoi.“Waarom?” vroeg Nikolaas.“Hij heeft niet eens handschoenen aan!” “En denk je dat hij daarom een poen is?”, antwoordde Nikolaas met zijn fijn, nauwelijks zichtbaar glimlachje.Nikolaas dacht en handelde geheel anders dan andere menschen, en deed eenvoudig wat hij goed oordeelde. Zoo kwam hij op het denkbeeld niet de gewone reisroute te volgen, maar te paard tot Saratoff te gaan, vandaar per schuit langs de Wolga naar Astrakan, en dan met de postkoets naar de plaats hunner bestemming. Zoo geschiedde het. In Saratoff namen zij eene schuit, laadden daar den reiswagen op, en met behulp van een’ loods en twee roeiers zakten zij, soms zeilende, soms drijvende, dan weer roeiende, den stroom af. Na eene reis van een paar weken bereikten zij Astrakan, vanwaar Tolstoi zijne tante den volgenden brief stuurde:“Wij zijn nu in Astrakan en hebben nog wel een 400 K.M. voor den boeg. In Kazan heb ik het zoo prettig mogelijk gehad. Tot aan Saratoff was de reis onaangenaam, maar als vergoeding kregen wij het poëtische boottochtje tot Astrakan, bekoorlijk door de afwisseling en de eigenaardigemanier van reizen. Gisteren heb ik Maria een langen brief over mijn verblijf te Kazan geschreven. Om niet in herhalingen te vervallen, vertel ik er u niets van. Tot nu toe bevalt de reis me heel goed. Ik heb veel in mijn hoofd om over na te denken en de afwisseling op zich zelf is mij reeds aangenaam. In Moskou heb ik me geabonneerd, zoodat ik overvloed van lectuur heb. Ik lees veel, zelfs in den reiswagen. Verder draagt het gezelschap van Nikolaas, zooals ge wel kunt denken, veel tot mijn genoegen bij. Met mijne gedachten ben ik steeds bij u allen, en soms maak ik me er een verwijt van, het leven, dat uwe liefde mij zoo aangenaam maakte, te hebben verlaten; gelukkig is het maar tijdelijk en het weerzien zal des te prettiger zijn. Zoo ik meer tijd had gehad zou ik Sergius ook hebben geschreven; daar wacht ik nu liever mee, tot ik ter plaatse en meer op mijn gemak ben. Groet hem van mij en zeg hem, dat het mij zeer spijt dat er in den laatsten tijd eene verkoeling tusschen ons is ontstaan, waarvan alleen ik de schuld draag.”2Om den lezer een duidelijk begrip te geven van Tolstoi’s leven in, en van zijne vertellingen over den Kaukasus, laten wij hier met een paar woorden volgen, wat onder den Kaukasus moet worden verstaan.Het Russische rijk had zich inwendig versterkt, om in staat te zijn de Tartaarsche bevolking te beoorlogen. De Russen begonnen met de Tartaren naar het Zuid-Oosten terug te dringen en stootten, na het Kazansche en Astrakansche rijk te hebben overwonnen, op de wilde bergbewoners van het noordelijke deel van den Kaukasus. In het begin der 19deeeuw werd ter hunner bestrijding op den linkeroever van de Tjerek en op den rechter van de Koeban eene geheelelinie kozakken gestationeerd. Het meer zuidelijk gelegen Groezintische rijk, dat tot nu toe onafhankelijk was geweest, onder een eigen vorst, Gherakli II, werd door de Russen overwonnen. Om politieke redenen was het gewenscht de bergbewoners, zich ophoudende tusschen Groezië en Rusland, aan het Russisch gezag te onderwerpen, waardoor een strijd ontbrandde, die meer dan 50 jaren duurde. De Russen, gelegerd op de oevers van de Tjerek en de Koeban, schoven langzaam op naar de bergen, maar grootendeels beperkte de strijd zich tot plotselinge overrompelingen van de woonplaatsen der bergbewoners. Het vee werd meegenomen, de weiden vertrapt, zooveel mogelijk gevangenen werden gemaakt en dan trokken de Russen weer terug naar hun stanitza3. De bergbewoners van hun’ kant lieten zich ook niet onbetuigd: zij vervolgden den vijand en brachten hem groote verliezen toe. Zij verborgen zich achter wallen, in bosschen en spelonken van ’t gebergte, kwamen dan op het onverwachtst te voorschijn en drongen zelfs door in de stanitza, waar zij een groote slachting aanrichtten en veel gevangenen maakten, mannen zoowel als vrouwen. Er kwamen oogenblikken dat de strijd verflauwde, om daarna echter weer des te verwoeder los te breken onder den invloed van eenige fanatieke leiders, die de bergbewoners, onder voorwendsel dat zij een heiligen strijd tegen ongeloovigen streden, steeds opnieuw tot den oorlog aanvuurden. De allergrootste verliezen werden den Russen toegebracht door de Tschetschenskische bevolking, die zich ophield in de boschrijke vlakten gelegen aan de zijrivieren van de Tjerek en in de woeste bergen van Itschkerië.De aanvallen van den kant der Russen waren heftiger of zwakker, naarmate hunne aanvoerders meer of minder krachtige persoonlijkheden waren.In 1856 namen de zaken een anderen keer, door het optreden van den stadhouder van den Kaukasus, vorst Barjatjinski, die zeer veel invloed had op Keizer Alexander II. Hij verzamelde een leger van 200.000 man (meer dan daar ooit te zamen was geweest) en liet een groot gedeelte er van optrekken tegen Tschetschna, Itschkerië en Daghestan, streken die in handen waren van den bekenden Schamil. Deze Schamil, die door de bergbewoners om zijn moed, geestkracht en vastberadenheid als een god werd aangebeden, moest het onderspit delven voor de voor niets terugwijkende overmacht van het Russische leger onder Jewdokimoff. In het jaar 1857 viel Schamils residentie, en in 1859 moest hij zelf zich met zijne nieuwe vesting Daghestanskaja aan vorst Barjatjinski overgeven.In 1850 werd bovengenoemde vorst opperbevelhebber van den linkervleugel van het Kaukasische leger.De aankomst van Leo Tolstoi in den Kaukasus, viel voor in dezen tijd en daarop hebben ook de verhalenDe Overrompeling,De Kozakkenen andere betrekking.De beide broers reisden van Astrakan in eene postkoets over Kizljar naar Starogladowskaja, de plaats hunner bestemming, waar Tolstoi, die als particulier persoon in den Kaukasus aankwam, bij zijn’ broeder ging inwonen.De eerste indruk, dien hij van den Kaukasus kreeg, was niet schitterend. Spoedig na aankomst schreef hij zijne tante:“Einde Mei ben ik hier in het kamp aangekomen. Ik heb nu van nabij het leven gezien dat Nikolaas leidt en kennis gemaakt met de officieren van zijn’ kring. Dat leven trekt mij niet erg aan, evenmin als het land, dat ik me heel mooi had voorgesteld en het absoluut niet is. Daar de stanitza op een laag terrein ligt, hebben we in ’t geheel geen uitzicht; het logies is slecht en ontbloot van alle comfort.“Wat de officieren betreft, die zijn, zooals ge u kunt voorstellen, menschen zonder opvoeding maar dapper, en zij houden over ’t algemeen heel veel van Nikolaas.“Alexejeff, zijn chef, is een klein, rossig, goedig mannetje met snor en bakkebaarden en een doordringende stem; hij herinnert even aan A. S. Wolkoff, maar is niet zoo’n huichelaar. De jonge officier W.... is een kind, maar een goed kind, die aan Petroescha doet denken. Dan Bjelkowski, een oude kapitein der Kozakken uit den Oeral, een eenvoudige man, maar een dapper en braaf soldaat. Ik wil u wel eerlijk bekennen, dat er in ’t begin heel veel was in dit gezelschap dat mij niet aangenaam aandeed; nu ben ik er echter aan gewend, maar ik zal toch nooit intiem met die heeren worden.“Ik heb het middel gevonden—daarvoor behoef ik slechts Nikolaas’ voorbeeld te volgen—om noch te veel op een afstand, noch te familiaar met hen om te gaan.”4In Starogladowskaja bleef Tolstoi niet lang, daar hij zijn’ broer vergezelde, die ter dekking van de gewonden naar Stari-Joert werd gezonden, waar juist een warm-waterbron was ontdekt. Volgens Tolstoi’s verhalen is Stari-Joert een bijzonder mooi gelegen plaatsje, met ongeveer 1500 inwoners. Even hooger bevindt zich de staalbron, die, naar men gelooft, nog meer geneeskracht heeft dan de Pjatigorkische bronnen. De temperatuur van het water is zóó hoog, dat, toen de hond van Nikolaas Tolstoi er eens in viel, hij zulke hevige brandwonden kreeg dat hij er aan stierf.De bron verdeelt zich in eene menigte kleine beekjes, zóó ondiep dat men ze gemakkelijk kan afdammen. De inwoners gebruiken ze als drijfkracht voor hunne molens.De volgende brief, door Tolstoi aan zijne tante geschreven, zal ons daar meer van vertellen.“Nikolaas moest een week na aankomst weer verder, en ik ben met hem meegegaan. We zijn nu sedert drie weken hier, en wonen in eene tent, wat mij, daar het weer heel mooi is en ik reeds begin te gewennen, heel goed bevalt. Men heeft hier prachtige vergezichten van de bron uit.“’t Is een enorme, steenachtige berg; sommige rotsen liggen, een soort van grot vormend, los op elkaar, andere weer blijven op groote hoogte hangen. Zij zijn los gescheurd door den stroom warm water, die steeds met veel geraas neerstort. Een witte damp, die uit het warme water opstijgt, omringt voortdurend het hoogere gedeelte van den berg. Het water is zoo warm dat een ei in drie minuten gekookt is. Een schilderachtig effect maken drie eigenaardig geconstrueerde molens die, in ’t midden van het ravijn, in den hoofdstroom staan. De vrouwen van de Tartaren loopen den geheelen dag af en aan om daar hunne kleeren te wasschen. Verbeeld u, zij wasschen met hunne voeten. Het lijkt precies een groote mierenhoop. De vrouwen zijn over ’t algemeen mooi en goed gebouwd; hare Oostersche kleeding is armoedig maar sierlijk. De schilderachtige groepjes van deze vrouwen, gevoegd bij de wilde schoonheid van de natuur, levert werkelijk een prachtigen aanblik op. Soms zit ik uren het landschap te bewonderen. Boven op den berg is het uitzicht nog mooier en weer geheel anders, maar—ik vrees dat ik u met mijne beschrijvingen ga vervelen.“Ik vind het heel aangenaam dat ik bij de bronnen ben en profiteer er van, neem staalbaden en heb nu geen pijn meer in mijne voeten. Steeds had ik last van rheumatiek en ik geloof dat ik met ons watertochtje nog meer kou heb gevat. Zelden heb ik me zoo goed gevoeld als tegenwoordig en ondanks de groote hitte neem ik veel beweging.“Er zijn hier veel officieren, van ’t zelfde soort als die iku vroeger heb beschreven. Ik ken ze allen en sta op den zelfden voet met hen als met de anderen.”5Van uit Stari-Joert nam Tolstoi als vrijwilliger deel aan de strooptochten die tegen de bergbewoners werden ondernomen. Deze tijd schonk hem oogenblikken van poëtische verrukking; daarvan lezen wij in zijn dagboek:Stari-Joert, 11 Juni 1851.“Gisteren nacht heb ik geen oog dicht gedaan. Nadat ik mijn dagboek had bijgewerkt, deed ik mijn gebed. Het is mij niet mogelijk het zalige gevoel te beschrijven dat mij daarbij doortrilde. Ik begon met het Onze Vader en de andere gebeden, die ik gewoonlijk zeg, doch bleef daarna nog lang in gepeins verzonken. Indien men het gebed als een verzoek of eene dankzegging beschouwt, dan bad ik niet. Ik verlangde iets onzegbaar hoogs en verhevens, maar uiten kon ik het niet, hoewel het mij zelf heel duidelijk was wat ik wenschte; ik wilde gelijk worden aan een bovenaardsch wezen en smeekte God mij mijne zonden te vergeven; neen, dat vroeg ik niet, want ik voelde dat, waar mij deze zalige oogenblikken geschonken werden, mijne zonden reeds waren vergeven. Ik bad en tevens voelde ik dat ik niet behoefde te bidden, dat ik er niet toe in staat was en dat ik het niet kon. Ik dankte God, maar zwijgend, niet met woorden. Mijn ziel was één gebed, één dankzegging. Het gevoel van angst was geheel verdwenen. Geen Geloof, geen Hoop, geen Liefde maakte zich los van dit alles overheerschende gevoel. Stil,—dit was het gevoel, dat mij gisterenavond beheerschte: het was de liefde tot God, de liefde die alles wat goed is in zich heeft, die alles wat slecht is van zich verwijdert. Hoe vreeselijkwas het mij te blikken naar die lage, slechte zijde van het leven, en hoe onbegrijpelijk dat ik mij ooit door haar liet meesleepen! Hoe innig bad ik God, mij in zijne hoede te nemen. Ik voelde mij los worden van de aarde, ik was ... maar neen, het aardsche, het lage herkreeg reeds weer zijn macht over mij, en nauwelijks was er een uur verloopen of, bijna zoo duidelijk alsof ik haar hoorde, lokte de stem van het lage, de stem van de ijdelheid mij; ik wist waar die stem vandaan kwam, ik wist dat zij mijne zaligheid zou verwoesten, dat ik zou strijden, maar dat zij zou overwinnen. Ik sliep in en droomde van macht en van vrouwen; maar ik had geen schuld, ik kon niet anders.“De eeuwige zaligheid is hier op aarde niet te bereiken. Wij moeten lijden. Waarom? Ik weet het niet. En hoe durf ik zelfs zeggen: ik weet het niet. Hoe waagde ik het te denken dat ik de wegen der Voorzienigheid zou kunnen doorgronden. Zij is de bron van het verstand, en het verstand wil haar begrijpen.... Het verstand verdwaalt langs de afgronden van deze wijsheid en het gevoel vreest haar te beleedigen. Ik dank God voor dat oogenblik van zaligheid, waarin hij mij mijne grootheid en mijne kleinheid liet aanschouwen. Ik wil bidden maar ik kan niet. Ik wil begrijpen maar ik kan het niet. Heer, in Uwe handen beveel ik mijne ziel!“Waarom heb ik dit alles neergeschreven?“Hoe laag bij den grond, hoe zinneloos heb ik mijne gedachten uitgedrukt, en zij waren toch zoo hoog!”Deze vlagen van religieuse verrukking veranderden dikwijls in angst en apathie. Den 2denJuni, nog steeds in Stari-Joert, schreef hij in zijn dagboek:“Nu denk ik, wanneer ik mij al die droevige oogenblikken uit mijn leven te binnen breng, die mij als lood terneer drukken ... maar neen, er is reeds te weinig vreugde in het leven, veel te gemakkelijk te bereiken stelt de mensch zichhet geluk voor, veel te vaak—en waarom?—slaat ons het noodlot, weerklinkt smartelijk in ons de gevoeligste snaar, dan dat wij het leven nog lief konden hebben; en daarbij, er ligt iets zoets, iets verhevens in de onverschilligheid tegenover het leven, en ik geniet van die gevoelens. Hoe sterk voel ik mij tegenover de vaste overtuiging, dat ons niets meer wacht dan de dood; en dadelijk daarna herinner ik mij met blijdschap, dat mijn paard mij wacht, dat ik naar Tscherkesk zal rijden, de vrouwen zal naloopen, en het maakt me wanhopig, dat de eene punt van mijn snor hooger reikt dan de andere, en twee volle uren sta ik voor den spiegel om dit te veranderen.”Tolstoi veranderde verschillende malen van verblijfplaats, omdat zijn broer Nikolaas, wiens standplaats eigenlijk Starogladowskaja was, dikwijls naar Stari-Joert werd gezonden en hij hem dan steeds vergezelde.Door het feit, dat de schilderachtige beschrijvingen in Tolstoi’s eerste werken alle op Stari-Joert betrekking hebben, heeft dit plaatsje eene historische vermaardheid verkregen. De prachtige natuur van het noordelijk gedeelte van den Kaukasus, de bergen, de Tjerek, de onverschrokkenheid van de Kozakken, hunne primitieve leefwijze, alles werkte mee om zijn genie, steeds strijdende voor het ideaal der waarheid, den weg te wijzen. In zijn werkDe Kozakkenbeschrijft Tolstoi den overweldigenden indruk, dien de grootsche natuur op hem maakte.“Het was een klare, heldere morgen. Plotseling zag Oljenin, zooals hij eerst meende op nauwelijks twintig schreden afstand, de omtrekken van iets overweldigend groots, smetteloos wit, zich vaag, in grillige lijnen afteekenend tegen den ver verwijderden hemel. Maar toen hij begreep dat er een groote afstand was tusschen hem en de bergen en hij doordrongen werd van hun onuitsprekelijke schoonheid, toen washet hem alsof hij droomde. Hij stond op om geheel wakker te worden, en zie—de bergen bleven.“‘Wat, wat is dat?’ vroeg hij zijn’ begeleider.“‘Natuurlijk bergen,’ antwoordde de drijver.“‘Ik heb er ook reeds lang naar gekeken,’ zei Wanjoescha. ‘Wat zijn ze mooi! Thuis zouden zij het niet kunnen gelooven.’“Steeds verder en verder scheen de bergketen, waarvan de toppen door de morgenzon zacht rose werden getint, bij de snelle nadering van de troika terug te wijken. Eerst was het bewondering, toen verrukking die Oljenin aangreep op het gezicht van deze sneeuwbergen. En turende naar de blanke toppen der bergen, oprijzende uit de steppen, begon hij te begrijpen, werd hij geheel doordrongen van hunne grootsche schoonheid. En alles wat hij zag op den weg en alles wat hij dacht zag hij in het licht van die verheven bergen. Zij verdreven alles uit zijne herinnering, zijne dwalingen, zijne droomen, zijne schande en zijn berouw, alles was als weggevaagd. ‘Heden begint gij te leven,’ fluisterde eene geheimzinnige stem. En de weg en de kronkelende Tjerek en het kamp en het volk, alles kreeg een ander aanzien. Naar den hemel ziende zag hij de bergen. Hij keek naar zich zelf, hij keek naar Wanjoescha en dacht aan de bergen. Twee Kozakken op vlugge paardjes reden over den weg, maar de bergen.... Een lichte damp steeg op naar den hemel, de zon kwam op en begroette de bloemen langs den oever van de Tjerek, maar de bergen.... Uit het kamp kwam eene vrouw, zij was jong en schoon, maar de bergen.... De Abreken zwierven door de steppen, maar hij vreesde hen niet: hij was jong, hij was moedig, goed gewapend en hij droomde van de bergen.”In Augustus vinden wij Tolstoi weder in Starogladowskaja.Door de lezing van het boekDe Kozakken, dat een sterkautobiografisch karakter draagt, kunnen wij ons een juist denkbeeld vormen van de wijze waarop Tolstoi zijn tijd in de stanitza doorbracht. Zijne verhouding tot de Kozakken, zijne bewondering voor de grootsche natuur, de jacht en zijn zielestrijd, die hem nooit verliet, dat alles vinden wij in dit werk beschreven.Een klein fragment laten wij hier volgen.Oljenin, zittende in het groene bosch, komt op de volgende gedachte:“Waarom ben ik nu gelukkig en waarvoor heb ik vroeger geleefd? Wat eischte ik veel voor mij zelf en wat heb ik gewonnen? Niets dan zorg, niets dan verdriet. En zie, ik heb niets noodig om gelukkig te zijn.“Plotseling was het alsof er een nieuw licht voor hem opging. Het geluk, peinsde hij verder, bestaat klaarblijkelijk daarin, om voor anderen te leven. In iederen mensch bestaat de drang naar geluk, dat is een natuurlijke wensch. Wanneer hij het op eene egoïstische wijze gaat zoeken, d.w.z. wanneer hij voor zichzelf rijkdom, macht of liefde vraagt, dan zal het gebeuren, dat zijne wenschen onbevredigd blijven, want dat zijn geen natuurlijke maar onwettige begeerten en het verlangen naar zulk een geluk heeft geen recht van bestaan. Welke wenschen kunnen verwezenlijkt worden? Welke? De liefde en de zelfopoffering.“Deze, naar hij meende, nieuwe ontdekking maakte hem zoo gelukkig, dat hij plotseling opsprong en rondziende dacht: Voor wien kan ik mij opofferen, wien kan ik goed doen, wien liefhebben? Ik heb immers niets noodig voor mij zelf; waarom dus niet voor anderen te leven?”6De stem der liefde vond toen reeds weerklank in de zielvan den jongeling, die nog nauwelijks zijne intrede in de wereld had gedaan. Maar ook de uiterlijke omstandigheden kregen macht over dezen jongen, krachtigen man en sleepten hem mee op de wegen waar het dierlijk instinct ons voert.Het spreekt van zelf, dat het leven in de stanitza niet voorbij ging zonder dat Tolstoi, jong en hartstochtelijk als hij was, een’ roman beleefde. Hij vatte eene groote liefde op voor eene jonge Kozatschka.7De geschiedenis van deze liefde is in het werkDe Kozakkenbeschreven, maar nog duidelijker beeld kunnen wij er ons van vormen uit een’ brief, dien hij aan een’ vriend in Moskou schreef. In dezen brief zien wij Tolstoi’s groote liefde voor de natuur, zijn’ wensch om zich met haar te vereenzelvigen, en zijn verdriet als hij tot de erkenning komt, dat het niet mogelijk is; dat zijne ontwikkeling het verhindert; dat hij zich reeds zoover van haar heeft verwijderd, dat zich een afgrond heeft gevormd, die nooit meer is te dempen.“O, hoe beklaag ik je! Je hebt geen begrip van zulk een geluk en wat het leven is! Eerst moet je het leeren kennen in zijne volle schoonheid. Eerst moest je zien wat ik dagelijks voor mij zie: de eeuwige, ongerepte sneeuwbergen en de vrouw in haar verheven schoonheid,—zoo schoon als de eerste vrouw in ’t Paradijs moet zijn geweest,—en dán zal het je duidelijk worden wie van ons te gronde zal gaan, wie in de waarheid en wie in den leugen leeft, jij of ik! O, hoe beklaag ik je in je waan!“Als ik mij zelf terug denk, in plaats van met mijn huisje, mijn bosch en mijne liefde, in de salons gevuld met vrouwen met opgemaakte valsche haren, onnatuurlijke spraak, slechte en misvormde gestalten, leege salonpraatjes die moeten doorgaan voor een gesprek, dan walg ik van datalles. Wanneer ik mij die onbeteekenende gezichten voorstel, die rijke jonge meisjes, rondloopende alsof zij zeggen willen: ‘kom maar bij me, al ben ik ook rijk, gij kunt me krijgen’, het hier hangen en daar leunen, die onbeschaamde koppelarij, die eeuwige babbelpraatjes, die gekunsteldheid, de etiquette die voorschrijft wien men een hand moet geven, voor wien men moet buigen, met wien men een gesprek moet aanknoopen, en ten slotte die allesbeheerschende verveling, die overgaat van geslacht op geslacht, en dat alles in de overtuiging dat dát noodzakelijk is!“Begrijp en geloof. Begrijp wat waarheid en schoonheid is, dan zal alles wat gij voor geluk houdt, alles wat gij wenscht, voor mij, zoowel als voor u, vervliegen als kaf voor den wind. Het geluk is: leven met de natuur, haar zien, haar voelen. ‘Hij zal nog eens eene Kozatschka huwen, en geheel voor de maatschappij verloren gaan,’ hoor ik de menschen reeds medelijdend zeggen.“En ik, ik heb maar één wensch, geheel te gronde te gaan, zooals gij dat begrijpt, en eene eenvoudige Kozatschka te huwen, maar ik heb er geen moed toe, want het geluk zou te groot zijn.“Drie maanden zijn verloopen sedert ik voor het eerst Mariana zag. Nog kleefden mij alle vooroordeelen aan, die ik had meegebracht uit den kring dien ik juist had verlaten. Nooit had ik kunnen denken, dat ik voor deze vrouw liefde zou gevoelen! Ik bewonderde haar zooals ik de natuur, de bergen bewonderde, en ik kon niet anders, want haar schoonheid is aan hen gelijk.“Later, toen het mij duidelijk werd dat ik haar schoonheid niet meer kon ontberen, vroeg ik mij af of ik haar lief had, maar ik antwoordde ontkennend. Wat ik voelde kwam niet voort uit verveling, noch uit den wensch om te trouwen; het was geen platonische en geen zinnelijke liefde.“Ik moest haar zien, haar hooren, haar in mijne nabijheid weten; ik was niet wat men gelukkig noemt, maar ik was rustig.“Na een’ avond, dien ik in haar gezelschap had doorgebracht, nadat ik hare aanraking gevoeld had, begreep ik dat tusschen mij en die vrouw een band werd geweven, waartegen niet viel te strijden.“Toch heb ik mij verzet. Ik hield mij voor: kunt ge dan eene vrouw liefhebben, die nooit uw innerlijk leven zal kunnen begrijpen; kunt ge haar dan liefhebben, alleen om haar schoonheid, eenvoudig als een vrouwelijk beeld? Maar ik hield reeds van haar, hoewel ik het mij zelf niet wilde bekennen.“Na dat feestje, waarop ik voor ’t eerst met haar sprak, kwam er eene verandering in onze verhouding. Vroeger beschouwde ik haar als een vreemd, verheven voortbrengsel der natuur; nu werd zij een mensch voor mij. Ik begon haar gezelschap te zoeken, sprak met haar, bezocht haar vader soms op het werk en bracht geheele avonden in haren familiekring door.“En toen ik haar nader trad, bleef zij toch voor mij even rein, gesloten en verheven. Zij antwoordde mij steeds even rustig, uit de hoogte en kalm. Soms was zij vriendelijk, maar meestal drukte iedere blik, iedere beweging onverschilligheid uit, doch niet minachtend, altijd betooverend. Met een geveinsd lachje, maar met een inwendig hartstochtelijk verlangen, sprak ik met haar over onverschillige dingen en trachtte haar iederen dag nader te komen. Zij merkte dat ik huichelde, maar zag mij steeds eenvoudig en recht in de oogen. Ik kon het niet langer verdragen. Liegen wilde ik niet voor haar, ik wilde alles uitspreken wat ik voelde. Wij waren in den tuin. Ik was zeer opgewonden en verklaarde haar mijne liefde, met woorden waarvoor ik mij nu nog schaam, want zij stond zooveel hooger dan deze woorden, waarmee ik haar mijne liefdete kennen gaf. Toen zweeg ik, maar van dien dag af werd mijne positie onverdraaglijk.“Ik wilde mij niet voor haar vernederen en op den zelfden voet als vroeger met haar omgaan, en ik voelde dat ik niet in staat was gewoon met haar te zijn. Wanhopig vroeg ik mij af wat ik doen moest.“In mijne droomen zag ik haar als mijne geliefde, als mijne vrouw, en beide gedachten stootte ik vol afschuw van mij. De gedachte haar als eene deern te beschouwen was verschrikkelijk, stond gelijk met een moord, en haar tot eene barinja8te maken nog erger.“Als ik een Kozak kon worden als Loekaschka, paarden stelen, tschichir9drinken, lustig zingen, menschen dooden en ’s nachts dronken door het venster in haar kamer klimmen, zonder te bedenken wie ik ben en wat ik wil—dan konden wij elkaar begrijpen en dan kon ik gelukkig zijn!”Maar als Loekaschka worden kon hij niet en dus was dat geluk niet voor hem weggelegd.In September schreef hij zijne tante een’ brief, waaruit reeds duidelijk de toekomstige schrijver te herkennen is.Hier treft ons vooral de doordachte wijze waarop hij zich weet uit te drukken. Waarschijnlijk bestormden hem toen reeds tal van gedachten en deed hij zorgvuldig eene keuze voordat hij ze aan het papier toevertrouwde. Op de volgende wijze drukt hij zijne gevoelens uit:“Gij hebt mij verschillende malen verteld, dat gij uwe brieven nooit in klad schrijft. Ik heb uw voorbeeld gevolgd, maar ben er niet wel bij gevaren, want dikwijls overkomt het mij, dat ik bij overlezing alles weer verscheur. Dat gebeurt niet uit valsche schaamte, want eene spelfout, een klad of een verdraaide zin hinderen mij niet, maar omdatik het nog niet zoo ver heb gebracht, mijne pen en mijne gedachten de juiste richting te geven.10“Juist heb ik een’ brief verscheurd, omdat ik veel dingen gezegd had, die ik had willen zwijgen, en omgekeerd. Gij denkt misschien dat ik me nu anders toon dan ik ben en zult zeggen, dat dit niet goed is tegenover menschen waarvan wij houden en die wederkeerig veel om ons geven. Ik moet dat toestemmen, maar stem gij dan ook toe, dat wij wel alles aan een’ persoon die ons onverschillig is, vertellen, maar dat wij voor iemand, waar we veel van houden, vaak sommige dingen zouden willen verzwijgen.”In ’t bewustzijn van zijne jonge kracht ontwaakte in hem de drang om die te gebruiken, zoodat hij besloot in gezelschap van zijn’ vriend Jepischka (inDe Kozakkenbeschreven onder den naam Jeroschka) eene reis te gaan maken. Die reis nu leverde zeer veel gevaren op, omdat zij ieder oogenblik de kans liepen door de wilde bergbewoners te worden overvallen.Goed en wel weer teruggekomen ontmoette hij een familielid, een zekeren Ilija Tolstoi, die hem vroeg hem te vergezellen. Door dezen Ilija Tolstoi werd hij voorgesteld aan den opperbevelhebber, vorst Barjatjinski, met wien hij eenigszins op vertrouwelijken voet kwam en die hem zijne goedkeuring te kennen gaf over de ferme, flinke wijze waarop hij aan de gevechten deel nam. Tevens gaf hij hem den raad een verzoekschrift in te dienen om in het leger te worden opgenomen, daar hij nog steeds als volontair dienst deed.De vleiende woorden van den vorst en het aandringen zijner familie deden Tolstoi besluiten dien raad op te volgen.De maanden Augustus en September bracht hij door inStarogladowskaja. In September ging hij met zijn’ broer Nikolaas naar Tiflis. Deze vertrok echter na korten tijd, maar Tolstoi bleef er om zijn examen te doen en daarna in dienst te treden. Uit Tiflis schreef hij zijne tante:“Wij zijn inderdaad den 25envertrokken en na eene reis van zeven dagen, gedeeltelijk vervelend, omdat er op de wisselstations steeds gebrek aan paarden was, gedeeltelijk aangenaam door de schoonheid van het landschap, kwamen wij den 1envan deze maand op de plaats onzer bestemming.“Tiflis is een zeer beschaafde stad, die haar best doet P.... na te apen en daar vrij goed in slaagt. Men vindt er een uitgelezen, tamelijk uitgebreiden gezelschapskring, een Russisch tooneelgezelschap en eene Italiaansche opera, waarvan ik zooveel profiteer als mijne armzalige middelen mij toelaten. Ik heb mijn’ intrek genomen in het Duitsche kwartier; het is wel is waar eene voorstad, maar heeft voor mij een dubbel voordeel. Ten eerste is het er mooi; rondom zijn tuinen en wijnaanplantingen, zoodat men zich kan verbeelden buiten te zijn (’t is nog heerlijk weer; tot nu toe hebben we nog geen sneeuw of ijs gezien). Ten tweede betaal ik voor twee vrij zindelijke kamers vijf roebel per maand, terwijl ik voor eene dergelijke woning in de stad minstens veertig zou moeten geven; bovendien kan ik me gratis in het Duitsch spreken oefenen. Verder heb ik mijne boeken, mijne bezigheden en nog vrijen tijd, daar niemand mij komt storen, zoodat ik mij, alles bij elkaar genomen, niet verveel. Gij herinnert u nog wel, lieve tante, dat gij mij eens den raad hebt gegeven romans te gaan schrijven. Nu, ik heb dien opgevolgd en ben nu met een literairen arbeid begonnen. Ik weet niet of mijn werk ooit het licht zal zien, maar het houdt mij in ieder geval aangenaam bezig.”11Belangwekkend in dezen brief is, dat wij eruit zien hoe eenvoudig zich dat groote, zich nog onbewuste talent ontwikkelde. In dezen tijd werd Tolstoi ziek. Het duurde eenige maanden voordat hij geheel hersteld was. Die gedwongen rust gebruikte hij voor het schrijven van zijn eerste werk en om zijne aanstelling in het leger te verkrijgen, hetgeen veel bezwaren opleverde, daar zijne papieren niet geheel in orde waren.De volgende brief, geschreven 23 December 1851, aan zijn’ broer Sergius, geeft ons nog eenige bijzonderheden uit Tolstoi’s leven te Tiflis en in de stanitza.“Juist vandaag kreeg ik eindelijk de lang gewenschte aanstelling. Ik kom bij de 4debatterij te staan en zal het genoegen hebben front te mogen maken en met mijne oogen de voorbij rijdende officieren en generaals te volgen. Ja, zelfs vandaag, toen ik ging wandelen in mijn pelsjas en met mijn slappen hoed op (voor dien hoed heb ik hier nog al 10 roebel betaald), wilde ik, zonder aan de deftigheid van dit kleedingstuk te denken, gewend als ik reeds was om me spoedig in de grijze schinel te zien, mijn slappen hoed afrukken en op straat gooien. Als mijne wenschen in vervulling gaan, dan reis ik reeds den eersten dag van mijn in-dienst-treding naar Starogladowskaja, en ga dan dadelijk op marsch. Ik kleed me dan in een schaapspels, en zal met hart en ziel en met behulp van de kanonnen meewerken aan de uitroeiing van die roofzuchtige, lastige Aziatische bevolking.“Uit dit schrijven zie je dat ik op ’t oogenblik in Tiflis ben. Ik kwam hier 9 November aan, zoodat ik nog een enkelen keer met de honden die ik in Starogladowskaja heb gekocht op jacht kon gaan. Het jagen hier, d.w.z. in de stanitza, is heerlijk. Weiden, moerassen, waar eene menigte grijze hazen zitten, en eilanden, niet met bosschen, maar met een soort riet beplant, waar zich veel vossen ophouden. Negen malen ben ik met mijne twee honden, waarvan de eene goed, de andere slecht is, op jachtgeweest, op 15 werst afstand van de stanitza, en legde twee vossen en zestig hazen neer. Zoodra ik weer daarginds ben, ga ik eens op geiten jagen.“Ik heb ook eenige malen aan eene jacht met de buks op wilde zwijnen en herten deelgenomen, maar heb niets onder schot gekregen. Deze wijze van jagen is op zich zelf wel aardig, maar voor dengene die gewend is met honden te jagen is het niets. ’t Gaat er juist mee als met iemand die altijd Turksche tabak rookt; die houdt niet meer van Schoekoff, hoewel het altijd nog de vraag is, welke de beste is.“Ik ken je zwak, n.l. dat je graag wilt weten hoe het hier is, wie mijn kennissen zijn en hoe ik met hen sta. ’t Is overigens iets, dat mij hier heel weinig bezig houdt, maar ik zal je zooveel mogelijk tevreden stellen. Er zijn hier niet veel officieren; bij gevolg ken ik ze allen, hoewel zeer oppervlakkig. Ik sta met allen op een’ goeden voet, een gevolg van de wodka, wijn en zakoeska12, die Nikolaas en ik altijd voor de bezoekers gereed houden. Aan deze zelfde omstandigheid dankte ik ook mijne opname onder de officieren in Stari-Joert. Hoewel er heel geschikte lui onder de officieren zijn, wil ik, daar ik buitendien belangrijke bezigheden heb, niet intiem met hen worden. De onderbevelhebber Alexejeff, de commandant van de batterij waarbij ik sta, is een goed, maar ijdel mensch. Laatst had ik hem noodig, en ik moet bekennen, dat ik toen op die eigenschap gespekuleerd heb en hem een beetje honing om den mond heb gesmeerd. Ik deed het echter ongaarne, dat verzeker ik je. Wanneer ge met ijdele menschen omgaat, dan wordt ge het zelf ook.Berkenlaan leidende naar het huis te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Berkenlaan leidende naar het huis te Jasnaja Paljana.—Blz.57.“Hier in Tiflis heb ik drie kennissen; meer tot nu toe nog niet, ten eerste omdat ik het niet wensch en ten tweede omdat de gelegenheid tot verdere kennismaking zich nietheeft voorgedaan. De eerste is Bagration, een Petersburger, de tweede vorst Barjatjinski, onder wiens commando ik de strooptochten heb meegemaakt. Ik heb daarna met Ilija Tolstoi, dien ik hier ook ontmoette, een’ dag bij hem doorgebracht. Van deze vriendschap beleef ik niet veel plezier, want je zult wel begrijpen, in welk eene verhouding een Junker tot een generaal kan staan. De derde is een gedegradeerde apothekersbediende, een vermakelijk type. Ik veronderstel dat vorst Barjatjinski nooit had gedacht op één lijn met een hulp-apotheker te worden geplaatst en dat is hier toch het geval. Nikolaas is hier zeer gezien, zoowel bij zijne meerderen als bij zijne officieren-collega’s; iedereen heeft achting voor hem en houdt van hem, en daarbij geniet hij de reputatie van een dapper officier te zijn. Ik houd meer van hem dan van mij zelf, ben gelukkig in zijne nabijheid en verveel mij zonder hem.“Als je wilt pronken met berichten uit den Kaukasus, dan kun je vertellen, dat Chadzji-Moerat, de eerste persoon na Schamil, zich aan de Russen heeft overgegeven. Hij was de dapperste van allen, maar heeft nu eene laagheid begaan. Verder kun je nog met trots vertellen, dat vandaag de bekende, dappere, verstandige generaal Sljeppoff is gestorven; of hij er verdriet van heeft, dat zou ik je niet kunnen zeggen.”Den 6enJanuari schreef Tolstoi, steeds nog uit Tiflis, zijne tante een’ brief, waaruit de groote aanhankelijkheid en liefde sprak die hij haar toedroeg.“Uw’ brief van den 24enNovember heb ik zoo juist ontvangen en als naar gewoonte zal ik dien per omgaande beantwoorden. De vorige maal vertelde ik u, dat uwe woorden mij hadden doen weenen en ik schreef die zwakheid aan mijne ziekte toe. Ik vergiste mij. Al uwe brieven hebben sedert eenigen tijd diezelfde uitwerking op mij. Gijweet het wel, mijne tranen zaten altijd hoog. Eerst schaamde ik mij voor deze zwakheid, maar de tranen die ik stort, denkend aan u en aan uwe liefde voor ons, laat ik vloeien zonder de minste valsche schaamte. Uw brief is zoo vol droevige gedachten, dat hij mij ook treurig heeft gestemd. Gij hebt mij steeds goeden raad gegeven, waarnaar ik helaas maar zelden heb geluisterd. Ik zou mijn heele leven willen handelen volgens uwe aanwijzingen. Mag ik u nu den indruk, dien uw brief op mij gemaakt heeft, en de gedachten, die tijdens de lezing bij mij oprezen, mededeelen?“Vergeef mij, ter wille van de groote liefde die ik u toedraag, indien ik te openhartig met u spreek. Gij zegt, dat het nu uwe beurt is ons te verlaten, om weder vereenigd te worden met hen, die gij zoo zeer hebt liefgehad. Gij zegt, dat uw leven zoo troosteloos eenzaam is, dat gij God hebt gesmeekt er een einde aan te maken. Vergeef mij, lieve tante, maar ik geloof dat gij met zoo te spreken God en ook hen, die u zoo hartelijk liefhebben, beleedigt. Gij vraagt God om den dood, dus om het grootste ongeluk dat mij kan treffen. Dit zijn geen ijdele klanken, maar God is mijn getuige, dat de dood van u of van Nikolaas, de beide wezens die ik meer liefheb dan mij zelf, voor mij de grootste ramp zou zijn, die mij kon overkomen. Wat zou mij overblijven, zoo God uw’ wensch vervulde! Voor wie zou ik trachten mij te verbeteren, mij goede eigenschappen te verwerven en mijn best doen eene goede reputatie te verkrijgen? Wanneer ik plannen maak voor mijn toekomstig geluk, dan doe ik dat steeds met de gedachte, dat gij daarvan ook zult genieten. Wanneer ik eene goede daad verricht, dan ben ik tevreden over mij zelf, omdat ik weet, dat gij over mij tevreden zoudt zijn, en handel ik niet goed, dan is mijn grootste vrees u verdriet te doen. Uwe liefde is alles voor mij en gij vraagt God ons te willen scheiden! Ik kan het gevoel nietbeschrijven dat ik u toedraag, geen woorden kunnen het uitdrukken; ik vrees dat gij zult denken dat ik overdrijf, en toch ween ik heete tranen terwijl ik u dit schrijf. De gedachte aan die vreeselijke scheiding heeft mij geleerd welk eene vriendin ik in u bezit en hoeveel ik van u houd. Maar ik ben immers niet de eenige die u zoo genegen is, en gij, gij vraagt God te mogen sterven! Gij zegt dat gij zoo eenzaam zijt door onze scheiding! Maar als gij in mijne liefde gelooft, zal dat een tegenwicht zijn voor uw verdriet.“Wat mij betreft, ik zal nooit eenzaam zijn, zoolang ik mij bewust ben van uwe warme genegenheid voor mij.“Terwijl ik deze woorden schrijf weet ik dat het geen goede gewaarwording is, die ze mij in de pen geeft: ik gevoel mij gestreeld door uw verdriet.”13In denzelfden brief vertelt Tolstoi nog eene belangrijke gebeurtenis, belangwekkend ook uit een psychologisch oogpunt.“Vandaag is mij iets gebeurd, dat mij in God zou doen gelooven, zoo ik niet reeds sedert geruimen tijd een vast geloof bezat.“Van den zomer, in Stari-Joert, deden de officieren niet anders dan spelen en dan nog tamelijk grof. In het kamp is men gedwongen elkaar dikwijls te ontmoeten en heel vaak ben ik bij het spel tegenwoordig geweest. Ondanks hun aandringen ben ik een maand lang standvastig gebleven, maar eens, bij wijze van grap, heb ik eene kleinigheid gewaagd. Ik verloor, zette opnieuw in, en verloor opnieuw; het geluk was tegen mij. De hartstocht voor het spel leefde weer bij mij op en in twee dagen verloor ik niet alleen al mijn geld, maar ook dat van Nikolaas (hij gaf mij ongeveer 250 roebel); bovendiennog 500 roebel, waarvoor ik een’ wissel geteekend heb die in Januari betaald moet worden. Ik moet u nog vertellen dat dicht bij ons kamp een huisje staat, dat bewoond wordt door Tschetschenzen. Een van hen, Sado, kwam in het kamp en nam deel aan ’t spel, maar daar hij schrijven noch rekenen kon—reden waarom ik nooit met Sado wilde spelen—waren er schurken die hem bedrogen. Ik heb hem aangeraden zich daar niet meer aan bloot te stellen, terwijl ik hem aanbood per procuratie voor hem eene kans te wagen. Hij was me heel dankbaar en heeft mij eene beurs gegeven; daar bij zijn’ stam de gewoonte bestaat elkaar wederzijds iets te schenken, heb ik hem voor 8 roebel een prul van een geweer gekocht. Nu moet gij nog weten dat om ‘koenjak’, dat wil zeggen vrienden, te worden men elkaar niet alleen geschenken moet geven maar ook het middagmaal bij elkaar moet gebruiken. Daarna wordt men, volgens een oud gebruik van dat volk (dat bijna geheel is verdwenen), vrienden op leven en dood, hetgeen wil zeggen, dat als ik hem vraag om zijn vrouw, zijn geld, zijn wapens of het kostbaarste wat hij op de wereld bezit, hij mij dat moet afstaan, terwijl ik hem natuurlijk evenmin iets mag weigeren. Sado heeft mij gevraagd eens bij hem te willen komen en ik ben er heen gegaan. Na mij op hunne wijze onthaald te hebben, stelde hij mij voor, het mooiste uit te zoeken wat hij in zijn huis had: zijne wapens, zijn paard ... in één woord wat ik verlangde. Ik wilde het minst kostbare nemen en koos een paardentoom met zilveren beslag, maar hij zeide dat ik hem beleedigde en drong mij een sabel op, die minstens 100 roebel waard is.“Zijn vader is een rijk man, maar heeft zijn geld begraven en geeft geen cent aan zijn’ zoon, die daarom, als hij geld wil hebben, van den vijand een paard of eene koe gaat stelen. Hij zet soms twintig maal zijn leven op het spel om iets te stelen, dat nog geen tien roebel waard is. Hij steeltniet uit hebzucht maar om den naam. De grootste dief is bij hen zeer in aanzien, en ontvangt den eerenaam ‘malodjetz.’14Soms is Sado in ’t bezit van 1000 roebel, dan weer heeft hij geen cent. Eens gaf ik hem, na hem bezocht te hebben, het zilveren horloge van Nikolaas, en nu zijn we de grootste vrienden van de wereld. Meermalen heeft hij mij zijne toewijding getoond, door zich voor mij aan verschillende gevaren bloot te stellen, hetgeen voor hem echter niet veel te beteekenen heeft, daar hij eraan gewend is en het als een genoegen beschouwt.“Toen ik uit Stari-Joert vertrokken was, kwam hij iederen dag bij Nikolaas, zeggende niet te weten wat hij zonder mij moest beginnen, daar hij zich doodelijk verveelde. Ik had Nikolaas geschreven, dat mijn paard ziek was geworden, en hem tevens gevraagd in Stari-Joert een ander voor mij te koopen. Sado kwam het te weten en wist niet beter te doen dan dadelijk naar mij toe te komen om mij zijn paard te brengen, dat ik tegen wil en dank moest aannemen.“Na de domheid, die ik in Stari-Joert beging, heb ik geen kaart meer aangeraakt en hing ik voortdurend den zedemeester uit tegenover Sado, die ook een hartstochtelijk speler is, en hoewel hij er niets van kent, steeds geluk heeft. Gisteren avond heb ik mij met mijne geldelijke omstandigheden en mijne schulden bezig gehouden. Ik dacht er over na, hoe ik het aan moest leggen ze te betalen, en kwam tot het besluit dat, zoo ik niet te veel geld uitgeef, al mijne schulden mij niet in verlegenheid zullen brengen en langzamerhand, in twee of drie jaar, kunnen worden afgedaan; maar de som, die ik deze maand moet betalen, bracht mij tot wanhoop. Het was me onmogelijk te betalen en zij veroorzaakte mij meer zorgen dan vroeger de vierduizend, die ik Ogoreff schuldig was. Toenik mijn avondgebed deed smeekte ik God dringend mij uit deze netelige positie te redden. ‘Hoe zal ik die zaak tot een goed eind brengen?’ dacht ik bij ’t naar bed gaan. ‘Er kan niets gebeuren dat mij in staat stelt die schuld af te doen.’ Ik stelde mij reeds alle onaangenaamheden voor, die ik zou moeten verduren: dat men den wissel zou presenteeren, dat men mij van regeeringswege ter verantwoording zou roepen, waarom ik niet betaalde enz. enz. ‘Heer, help mij,’ bad ik, en sliep in.“Den volgenden morgen kreeg ik een’ brief van Nikolaas (de uwe was er bij ingesloten) waarin hij mij schreef:“‘Zoo juist is Sado bij mij geweest. Hij heeft de wissels die jij hebt onderteekend terug gewonnen en bracht ze mij. Hij was zoo overgelukkig en vroeg zóó dikwijls: ‘wat denk je, zal je broeder blij zijn?’ dat ik hem daarom lief heb gekregen. Die jonge man heeft een oprechte genegenheid voor je opgevat!’“Is het geen wonder dat mijn gebed reeds den volgenden morgen verhoord werd; d.w.z., is er iets dat meer verwondering kan baren dan Gods goedheid tegenover een wezen dat het zoo weinig verdient als ik? En is het geen sprekend bewijs voor Sado’s hartelijke toegenegenheid? Hij weet dat ik een’ broer heb die heel veel van paarden houdt; toen ik hem beloofde, hem mee naar Rusland te nemen, zei hij, dat hij het beste paard zou stelen dat er in de bergen te vinden was om het Sergius mee te brengen, al moest het hem honderdmaal het leven kosten.“Wilt gij zoo goed zijn, als het niet te duur is, in Toela een’ revolver en eene muziekdoos te laten koopen en mij die te zenden?“Dat zijn dingen, die Sado heel veel genoegen zullen verschaffen.”15Het bovenstaande is belangrijk voor ons, omdat het ons in de gelegenheid stelt Tolstoi’s geestelijke ontwikkeling op den voet te volgen, van zijn naief vertrouwen op een’ God, die zich met zijn kaartspel, met zijn dagelijksche bezigheden bemoeit, tot aan zijne tegenwoordige, geheel vrije opvatting van het geloof.Eindelijk keerde Tolstoi, na zijne dienstzaken te hebben geregeld, naar Starogladowskaja terug. Onderweg schreef hij van uit de stanitza Mozdok een langen brief aan zijne tante, als altijd vol betuigingen van zijne groote liefde voor haar en tevens met droomen en plannen voor toekomstig, eenvoudig huiselijk geluk.“Ik zal trachten u de gedachten mede te deelen die bij mij opkwamen, want zij betreffen ook u. Ik ben inwendig veel veranderd; dat gebeurde mij reeds dikwijls, en zal, naar ik vermoed, wel het lot van iedereen zijn. Hoe langer men leeft des te meer verandert men; gij die ondervinding hebt opgedaan, kunt mij zeggen of dit waar is. Ik denk dat onze gebreken en onze deugden—de grondslag van ons karakter—steeds gelijk blijven, maar onze blik op het leven en het geluk verandert met de jaren. Een jaar geleden zocht ik het geluk in vermaak, in beweging; tegenwoordig integendeel komt de moreele, zoowel als de physieke, rust mij het meest gewenscht voor. Maar die rust stel ik mij voor zonder verveling, gevuld met de stille genoegens van liefde en vriendschap; dat schijnt mij het toppunt van geluk. Men geniet echter eerst van deze rust nadat men zich vermoeid heeft, en van de liefde als men haar heeft moeten ontberen. Sedert eenigen tijd ben ik van beide beroofd en daarom verlang ik er zoo naar. Ik moet ze nog langer ontberen; voor hoe lang, dat weet God! Ik zou niet kunnen zeggen waarom, maar ik weet dat het moet. De godsdienst en de ondervinding, die ik in mijn leven (hoe kort ook) heb opgedaan, hebben mij geleerddat het leven eene beproeving is. Voor mij is het meer: het is bovendien de boetedoening voor mijne tekortkomingen.“Ik geloof, dat het schijnbaar zoo lichtvaardig opgekomen denkbeeld om naar den Kaukasus te gaan, mij door God is ingegeven. Het is Gods hand die mij leidt, waarvoor ik oneindig dankbaar ben. Ik voel, dat ik hier beter ben geworden (wat niet veel wil zeggen, want ik ben heel slecht geweest), en ik ben er vast van overtuigd dat alles wat mij kan overkomen slechts tot mijn bestwil zal zijn, omdat God het zoo heeft beschikt. Hoewel het misschien eene vermetele gedachte is, ben ik er toch stellig van overtuigd. Daarom draag ik de vermoeienissen en de physieke ontberingen waarvan ik spreek (het zijn eigenlijk geen physieke ontberingen; een jonge gezonde man van 23 jaren kent die niet) zonder ze te voelen, eerder met een soort genot, denkende aan het geluk, dat mij wacht.“Dat geluk stel ik mij op de volgende wijze voor.“Ik bevind mij na een onbepaald aantal jaren—ik ben dan niet jong meer, maar ook nog niet oud—te Jasnaja Paljana. Mijne zaken zijn in orde, ik heb geen zorgen en behoef mij niet te kwellen. Gij woont ook te Jasnaja Paljana. Gij zijt een beetje ouder geworden, maar ziet er nog goed uit en gevoelt u ook wel. Wij leiden een leven zooals vroeger, ik werk ’s morgens, en den geheelen dag zijn wij bij elkaar. Dan gaan wij dineeren. ’s Avonds lees ik u iets voor, dat u niet verveelt; dan praten we, ik vertel u van mijn leven in den Kaukasus, gij spreekt van uwe herinneringen, van mijn’ vader en mijne moeder; gij doet mij de ‘griezelige verhalen’ waarnaar wij vroeger met verschrikte oogen en open monden luisterden. Wij herdenken de personen, die ons dierbaar waren en die niet meer zijn; gij weent, mijne tranen vermengen zich met de uwe, maar bitter zijn zij niet. Wij spreken over de broers, die ons nu en dan komen bezoeken, en over onze lieve Maria,die met hare kinderen ieder jaar eenige maanden op Jasnaja, dat haar zoo dierbaar is, komt doorbrengen. Wij zullen geen kennissen hebben en niemand zal ons met beuzelpraat vervelen. Het is een schoone droom, maar het is nog niet eens alles wat ik waag te droomen. Ik ben getrouwd, ik heb eene zachte, goede, liefderijke vrouw; haar liefde voor u is even groot als de mijne. Wij hebben kinderen die u grootmoeder noemen. Gij bewoont boven in het groote huis grootmoeders vroegere kamers. Het huis is nog juist zoo als in den tijd van papa, en wij zullen hetzelfde leven leiden; alleen de rollen zijn verwisseld. Gij krijgt de rol van grootmoeder, maar gij vervult haar nog beter; ik die van papa, hoewel ik vrees haar nooit waardig te zullen zijn; mijne vrouw die van mama, de kinderen de onze. Maria krijgt de rol van de twee tantes, behalve de rampen die haar troffen, en zelfs Gascha speelt voor Praskowija Ilinischna.—Maar er ontbreekt ons één persoon, die de rol op zich kan nemen die gij vroeger in onze familie gespeeld hebt; nooit zullen we iemand vinden zóó goed, zóó beminnelijk als gij. Gij hebt geen opvolgster. Dan zullen er nog nieuwe acteurs van tijd tot tijd ten tooneele verschijnen: de drie broers, vooral Nikolaas, een oude vrijer, kaalhoofdig, niet meer in dienst, en altijd even goed en edel. Ik stel mij voor hoe hij zal zijn als hij oud is, hoe hij de kinderen sprookjes zal vertellen, hoe zij op zijne knieën zullen klimmen, hoe hij met hen zal spelen, hoe mijne vrouw haar best zal doen om zijn lievelingsgerecht klaar te maken, hoe wij herinneringen zullen ophalen aan lang vervlogen dagen, hoe gij op uwe gewone plaats zult zitten en met genoegen naar ons zult luisteren; hoe gij ons, dan reeds op leeftijd, met onze kindernamen—Ljewotschka, Nikoljenka—zult aanspreken, en hoe gij ons zult berispen, mij omdat ik met mijne vingers eet en hem omdat zijne handen niet schoon zijn.“Wanneer ik keizer van Rusland was, of als men mij Peru zou willen schenken, in één woord indien er eene toovergodin kwam, die mij toestond een’ wensch te doen, dan zou ik niets anders vragen, dan dezen droom werkelijkheid te laten worden. Ik weet het wel dat gij er niet van houdt den tijd vooruit te loopen, maar wat steekt er voor kwaad in? En het schenkt mij zoo’n groot genoegen. Ik vrees dat ik egoïstisch ben geweest en uw deel van ’t geluk te klein heb gemaakt. Ook dat de smart zoo diepe sporen in uw hart heeft achtergelaten, dat gij niet meer ten volle van de toekomst kunt genieten.“Zeg, lieve tante, zoudt gij niet gelukkig zijn? Het kan alles nog eens werkelijkheid worden en de hoop is zoo zoet. Mijne tranen beginnen weer te vloeien. Waarom toch is dit steeds zoo als ik aan u denk? Het zijn tranen van geluk die in mijn oogen dringen omdat ik u mag liefhebben. Al trof het grootste ongeluk mij ook, volkomen ongelukkig zou ik niet zijn, zoolang gij nog in leven zijt. Herinnert gij u het afscheid nog bij de kleine kapel van Uwerskaja, toen wij naar Kazan verhuisden? Toen, als door een ingeving, op het laatste oogenblik, begreep ik wat gij voor ons geweest waart, en hoewel ik nog een kind was, hebben mijne tranen en een paar gestamelde woorden u kenbaar gemaakt wat er in mij omging. Ik heb steeds van u gehouden, maar het gevoel dat mij bij de kleine kapel doordrong en mij ook nu beheerscht is geheel iets anders, het is sterker en hooger.“Nu moet ik u iets bekennen waarvoor ik mij diep schaam, maar ik moet het u vertellen om mijn geweten te ontlasten. Vroeger, bij ’t lezen van uwe brieven, dacht ik dat gij overdreeft in uwe uitingen van genegenheid voor mij, maar nu, terwijl ik ze herlees, begrijp ik uwe onbegrensde liefde en uwe verheven ziel. Ik ben er van overtuigd dat iedereen behalve gij, die de laatste twee brieven zou lezen, ook mijvan overdrijving zou beschuldigen. Van u vrees ik dat oordeel niet; gij kent mij te goed en weet dat mijne gevoeligheid misschien mijn eenige goede hoedanigheid is. Aan haar dank ik de schoonste oogenblikken van mijn leven. Maar in ieder geval is dit de laatste brief, waarin ik mij veroorloof mij zoo overdreven uit te drukken,—overdreven voor onverschilligen, maar niet voor u.“Sedert mijne reis en mijn verblijf in Tiflis is er geene verandering in mijne leefwijze gekomen. Ik tracht zoo weinig mogelijk kennissen te krijgen en word niet intiem met degenen die ik heb. Men heeft zich reeds aan mijne manieren gewend; niemand maakt het mij meer lastig en ik ben zeker dat men mij een’ zonderling en een’ trotschaard noemt.“Het is echter geen trots, het is geheel van zelf gekomen. Door mijne opvoeding, mijn voelen en denken verschil ik zooveel van de anderen, dat ik onmogelijk met genoegen in hun gezelschap kan zijn. Nikolaas verstaat de kunst, ondanks het groote onderscheid dat er tusschen hem en die heeren bestaat, zich met hen te amuseeren en zich bovendien nog bemind te maken. Het is waar dat mijne wijze van leven niet geschikt is om plezier te maken, maar daar denk ik ook sinds lang niet meer aan. Ik begin nu smaak te krijgen in het lezen van geschiedkundige werken; dit was steeds een punt van verschil tusschen u en mij, maar nu ben ik het geheel met u eens. Mijn letterkundige arbeid gaat ook een gangetje, maar voorloopig denk ik er nog niet aan iets te laten drukken.“Ik heb een geschrift, dat ik lang geleden ben begonnen, reeds driemaal omgewerkt en ik zal het, om het naar mijn’ zin te krijgen, nog eens voor de vierde maal veranderen.“Misschien gaat het er mee als met het werk van Penelope; daarom zal ik er echter geen’ tegenzin in krijgen: ik schrijf voor mijn nut en genoegen en niet uit eerzucht. Hoewel ik er dus vervan af ben mij te amuseeren, verveel ik mij ook niet. Ten eerste heb ik bezigheid, maar bovendien smaak ik een genot, veel beter en verhevener dan het gezelschapsleven mij ooit had kunnen schenken: ik leef in vrede met mijn geweten, ik begin mij zelf te kennen en goede en edele gevoelens ontwaken in mij.“Er was een tijd dat ik trotsch was op mijn verstand, mijne positie in de wereld en mijn’ naam, maar tegenwoordig weet en voel ik, dat, zoo er iets goeds in mij is en zoo er iets bestaat waarvoor ik de Voorzienigheid dankbaar moet zijn, het hierin bestaat, dat Zij mij een goed hart heeft geschonken en mij gevoelig maakte voor de liefde. Aan haar alleen dank ik de heerlijkste oogenblikken van mijn leven, die ik hier dikwijls geniet, ondanks alle afwezigheid van vermaak en gezelschap. Ik ben niet slechts tevreden, ik ben dikwijls gelukkig.”Na in Februari te hebben deelgenomen aan een’ veldtocht, waarbij hij in rang werd verhoogd, keerde Tolstoi in Maart weer naar Starogladowskaja terug.In dezen tijd kwam hij tot het besef dat er drie hartstochten waren die zich steeds tusschen hem en de verwezenlijking van zijn ideaal plaatsten: het spel, de wellust en de eerzucht waren zijne grootste vijanden. In zijn dagboek schreef hij:1. “Dehartstochtvoor het spel is een baatzuchtige hartstocht, die langzaam tot een gewoonte aangroeit. Hiertegen kan men strijden.2. “De wellust is eene physieke, eene lichamelijke behoefte, die door de verbeelding wordt opgezweept en sterker wordt wanneer men haar wil beheerschen. Het is zeer moeilijk hem te bestrijden. Het beste middel is arbeid en inspanning.3. “De eerzucht is een hartstocht, die minder schadelijk is voor een ander dan voor ons zelf.”Verder lezen wij de volgende bespiegeling:“Sedert eenigen tijd kwelt mij het berouw over het verloren gaan van de beste jaren van mijn leven. En van dat oogenblik af aan heb ik gevoeld, iets goeds tot stand te kunnen brengen. Het zou belangwekkend zijn, de geschiedenis van mijne moreele ontwikkeling neer te schrijven, maar niet alleen ontbreken mij daarvoor de woorden, zelfs mijne gedachten reiken niet zoo ver.“De grootsche gedachte kent geen perken, maar voor iederen schrijver komt een grens, die hij niet kan overschrijden. Er is iets in mij, dat mij zegt, dat ik voor iets anders ben geboren dan de groote menigte.”Deze woorden zijn de eerste vage aanwijzingen dat Tolstoi zich van zijn kunnen bewust werd. Ik moet hier opmerken dat zij zijn neergeschreven vóór de voltooiing van zijnKinderjaren, dus voordat hij wist dat zijn werk zoo goed geslaagd was. In dien tijd openbaarde zich in hem de geheimzinnige kracht, die hem verhief tot een der verheven dragers van het zedelijke ideaal der menschheid.In Mei kreeg hij verlof en reisde hij naar de bronnen van Pjatigorsk om genezing te zoeken voor de rheumatiek die hem voortdurend plaagde. Vandaar schreef hij een’ brief aan zijne tante, waarin hij zijn innigste zieleleven bloot legde en waaruit ons tevens blijkt, dat hij onophoudelijk werkte aan zijne innerlijke volmaking.In een’ brief aan zijn broer Sergius geeft hij eene karakteristieke schets van het leven te Pjatigorsk.“Wat zal ik je van mijn leven vertellen? Ik heb reeds drie brieven geschreven en in iederen brief hetzelfde. Ik zou je wel graag mijn innerlijk leven beschrijven maar dat is even moeilijk als een vreemdeling aan het verstand te brengen hoe Toela er uitziet, iets dat wij helaas maar al te goed weten. Pjatigorsk heeft iets van Toela, maar is toch weeranders, het is in den Kaukasus. Het familieleven en de publieke plaatsen spelen hier de hoofdrol. De conversatie bestaat hier uit de zoogenaamde landeigenaren (een naam die men hier allen nieuwelingen geeft), die met verachting op de beschaving der anderen neerzien, en uit de heeren officieren, die het uitgaan hier als de hoogste zaligheid beschouwen. Een van hen, hij staat bij onze batterij, kwam mij laatst bezoeken. Je hadt zijne verrukking en opgewondenheid eens moeten zien, toen wij naar de stad reden. Van te voren had hij al veel verteld van ’t genot dat ons te wachten stond: het flaneeren over den boulevard waar een muziekkorps speelde, en dan het gaan naar den confiseur, waar iedereen kwam en waar men verbazend gemakkelijk kennis aanknoopte, zelfs met families. Schouwburg, gezellige samenkomsten, ieder jaar trouwpartijen, duels... in één woord op en top ’t Parijsche leven. Nauwelijks waren we dan ook aangekomen of mijn officier ging, gekleed in nauwsluitenden pantalon, met épauletten op zijn schouders en rinkelende sporen aan zijn laarzen, onder de tonen der muziek wandelen op den boulevard. Vervolgens ging het naar den confiseur, den schouwburg enz. Maar voor zoover mij bekend is, bestond na eene geheele maand zijn kring van kennissen niet uit huwbare dochters van rijke landeigenaren of uit talrijke familie’s, die hare deuren voor hem openzetten, maar werd hij slechts in één huis ontvangen, en dan nog in een huis waar twee families in één kamer wonen en waar thee met klontjes wordt gedronken. Bovendien gaf deze officier in één maand twintig roebel uit voor port en bonbons en kocht hij zich een bronzen spiegel voor tafelversiering. Nu loopt hij in eene oude overjas, zonder épauletten, drinkt staalwater zooveel hij maar kan, alsof hij werkelijk de kuur meemaakt, en verwondert zich dat hij, hoewel hij toch iederen dag ging wandelen op den boulevard, den confiseur bezocht en geen geld spaarde voor rijtuigen, handschoenen,enz., maar niet in kennis is gekomen met de pic-nics en bals arrangeerende aristokratie.“Bijna alle officieren die hier heen komen ondergaan hetzelfde lot; zij doen alsof zij waarlijk voor de bronnen hier zijn, loopen moeilijk, dragen verbanden, drinken veel en vertellen wonderlijke geschiedenissen van de Tscherkessen. Teruggekeerd in het regiment zullen ze vertellen, dat zij in de beste gezelschappen toegang hadden, en ieder seizoen komen de menschen van alle kanten om zich hier te vermaken.”Zooals blijkt uit een’ brief aan zijne tante schreef Tolstoi zijne vertellingKinderjarengedeeltelijk te Pjatigorsk. Zijn gemoedstoestand bleef steeds dezelfde en altijd nog had hij een zwaren strijd met zich zelf te voeren.Den 29enJuni schreef hij in zijn dagboek de volgende gedachten neer die ons eene wereldbeschouwing doen kennen, waarmede zijne tegenwoordige ideeën nog geheel overeenstemmen.“De stem van het geweten is onze beste en vertrouwbaarste gids, maar hoe kunnen wij haar van de andere stemmen onderscheiden? De stem der eerzucht laat zich even luid hooren.“De mensch, die slechts zijn eigen geluk zoekt, is slecht; degene die zich richt naar de meening van anderen is zwak; hij die het geluk van anderen beoogt is deugdzaam; maar die zijn geluk zoekt in God is groot.”Ook deze gedachte vinden wij terug in al zijne werken van den lateren tijd:“Hoog staat de gerechtigheid, waarnaar iedereen moet streven; hooger het streven naar de volmaking, al het lagere is zonde.”Tolstoi beëindigde den 2enJuni zijn werkKinderjarenen zond het aan denSawremjennik.16Hij schreef onder de initialen L. N. T. en de redactie wist langen tijd niet wie zich daarachter verschool.

Zevende hoofdstuk.Kaukasus.Tolstoi’s mislukte pogingen op landhuishoudkundig gebied, de onmogelijkheid om in de gewenschte verhouding tot zijne lijfeigenen te komen, zijn hartstochtelijk, gevaarlijk, in alle opzichten verwilderd leven, brachten hem eindelijk tot het besef, dat het zoo niet blijven kon. Zijn leven was zóó verward, hij zelf was zóó gezonken, dat hij alles wel aan wilde grijpen om het te veranderen. Zijn zwager, toen nog de verloofde van zijne zuster, moest vóór zijn huwelijk nog eenige zaken in Siberië regelen. Hij had afscheid genomen en was reeds onderweg, toen plotseling Tolstoi bij hem in den reiswagen sprong, en wij gelooven dat het alleen aan de omstandigheid dat hij muts en pels vergeten had te danken is, dat hij niet met zijn’ zwager meeging.Eindelijk gebeurde er iets, dat hem in de gelegenheid stelde een ander leven te beginnen. Zijn oudste broer Nikolaas, die als officier in ’t leger diende, was met verlof uit den Kaukasus overgekomen. Tolstoi nam het besluit, en volvoerde dat ook, om met hem terug te keeren.Den 20enApril 1851 vertrokken zij van Jasjana Paljana naar Moskou, waar zij eenige weken vertoefden, en vanwaar hij den volgenden brief schreef:“Ik heb op de promenade van Sakolnik gewandeld, maar het was zulk een afschuwelijk weer, dat ik tot mijne spijt niet ééne dame uit onzen kring heb gezien. Gij beweert altijd, dat ik iemand ben die van proefnemingen houdt. Nu, ik heb me onder ’t plebs begeven, waar de Zigeuners hunne tenten opslaan. Gij kunt u levendig voorstellen welk een’ strijd ik daar moest strijden, maar ik ben overwinnaar gebleven, d.w.z. ik heb de vroolijke afstammelingen van de doorluchtige Pharao’s niets dan mijn’ zegen achtergelaten. Nikolaas vindt, dat ik een zeer aangename reisgenoot ben; alleen ergert hij zich dat ik, zooals hij zich uitdrukt, twaalf maal per dag mijn linnen verwissel. Ik vind hem ook aangenaam op reis, alleen niet zindelijk genoeg. Ik weet niet wie van ons beiden gelijk heeft.”1Van Moskou gingen zij naar Kazan, waar zij Joeschkoff, den man van hunne tante Pelageja, en ook nog eene vriendin van deze laatste, de origineele, verstandige Zagoskina, de directrice van het Kazansche vrouwen-instituut, opzochten.Bij deze Zagoskina kwamen zeer veel jongeluicomme il fautaan huis, o.a. de procureur Ogolin, met wien Tolstoi eene bijna vriendschappelijke betrekking aanknoopte. Samen gingen zij Joeschkoff op zijn landgoed een bezoek brengen, waarbij zich het volgende vermakelijke incident voordeed:“Gij kunt u nauwelijks,” zoo vertelt Tolstoi, “de verbazing voorstellen van mijn’ oom, toen hij Ogolin, den altijd keurigen, correcten, in uniform met kruis en lint gekleeden Ogolinonder de volgende omstandigheden bij zich zag. Wij waren voorgereden, en terwijl de knecht ons aandiende stelde ik Ogolin voor eens te probeeren, wie het vlugst in een der tegenover het huis staande berkeboomen kon klimmen. Het duurde lang voordat mijn oom, die daar juist op aan kwam, van zijne verbazing was bekomen.”Volgens Tolstoi’s eigen woorden was in dien tijd zijn oordeel over menschen en dingen nog zeer oppervlakkig en lichtzinnig, hetgeen zijn broer Nikolaas hem zoo nu en dan liet voelen. Zoo kwamen zij eens op eene wandeling een rijtuig tegen waarin een heer zat, die met zijne beide ongehandschoende handen op zijn stok leunde.“Wat een poen,” zei Tolstoi.“Waarom?” vroeg Nikolaas.“Hij heeft niet eens handschoenen aan!” “En denk je dat hij daarom een poen is?”, antwoordde Nikolaas met zijn fijn, nauwelijks zichtbaar glimlachje.Nikolaas dacht en handelde geheel anders dan andere menschen, en deed eenvoudig wat hij goed oordeelde. Zoo kwam hij op het denkbeeld niet de gewone reisroute te volgen, maar te paard tot Saratoff te gaan, vandaar per schuit langs de Wolga naar Astrakan, en dan met de postkoets naar de plaats hunner bestemming. Zoo geschiedde het. In Saratoff namen zij eene schuit, laadden daar den reiswagen op, en met behulp van een’ loods en twee roeiers zakten zij, soms zeilende, soms drijvende, dan weer roeiende, den stroom af. Na eene reis van een paar weken bereikten zij Astrakan, vanwaar Tolstoi zijne tante den volgenden brief stuurde:“Wij zijn nu in Astrakan en hebben nog wel een 400 K.M. voor den boeg. In Kazan heb ik het zoo prettig mogelijk gehad. Tot aan Saratoff was de reis onaangenaam, maar als vergoeding kregen wij het poëtische boottochtje tot Astrakan, bekoorlijk door de afwisseling en de eigenaardigemanier van reizen. Gisteren heb ik Maria een langen brief over mijn verblijf te Kazan geschreven. Om niet in herhalingen te vervallen, vertel ik er u niets van. Tot nu toe bevalt de reis me heel goed. Ik heb veel in mijn hoofd om over na te denken en de afwisseling op zich zelf is mij reeds aangenaam. In Moskou heb ik me geabonneerd, zoodat ik overvloed van lectuur heb. Ik lees veel, zelfs in den reiswagen. Verder draagt het gezelschap van Nikolaas, zooals ge wel kunt denken, veel tot mijn genoegen bij. Met mijne gedachten ben ik steeds bij u allen, en soms maak ik me er een verwijt van, het leven, dat uwe liefde mij zoo aangenaam maakte, te hebben verlaten; gelukkig is het maar tijdelijk en het weerzien zal des te prettiger zijn. Zoo ik meer tijd had gehad zou ik Sergius ook hebben geschreven; daar wacht ik nu liever mee, tot ik ter plaatse en meer op mijn gemak ben. Groet hem van mij en zeg hem, dat het mij zeer spijt dat er in den laatsten tijd eene verkoeling tusschen ons is ontstaan, waarvan alleen ik de schuld draag.”2Om den lezer een duidelijk begrip te geven van Tolstoi’s leven in, en van zijne vertellingen over den Kaukasus, laten wij hier met een paar woorden volgen, wat onder den Kaukasus moet worden verstaan.Het Russische rijk had zich inwendig versterkt, om in staat te zijn de Tartaarsche bevolking te beoorlogen. De Russen begonnen met de Tartaren naar het Zuid-Oosten terug te dringen en stootten, na het Kazansche en Astrakansche rijk te hebben overwonnen, op de wilde bergbewoners van het noordelijke deel van den Kaukasus. In het begin der 19deeeuw werd ter hunner bestrijding op den linkeroever van de Tjerek en op den rechter van de Koeban eene geheelelinie kozakken gestationeerd. Het meer zuidelijk gelegen Groezintische rijk, dat tot nu toe onafhankelijk was geweest, onder een eigen vorst, Gherakli II, werd door de Russen overwonnen. Om politieke redenen was het gewenscht de bergbewoners, zich ophoudende tusschen Groezië en Rusland, aan het Russisch gezag te onderwerpen, waardoor een strijd ontbrandde, die meer dan 50 jaren duurde. De Russen, gelegerd op de oevers van de Tjerek en de Koeban, schoven langzaam op naar de bergen, maar grootendeels beperkte de strijd zich tot plotselinge overrompelingen van de woonplaatsen der bergbewoners. Het vee werd meegenomen, de weiden vertrapt, zooveel mogelijk gevangenen werden gemaakt en dan trokken de Russen weer terug naar hun stanitza3. De bergbewoners van hun’ kant lieten zich ook niet onbetuigd: zij vervolgden den vijand en brachten hem groote verliezen toe. Zij verborgen zich achter wallen, in bosschen en spelonken van ’t gebergte, kwamen dan op het onverwachtst te voorschijn en drongen zelfs door in de stanitza, waar zij een groote slachting aanrichtten en veel gevangenen maakten, mannen zoowel als vrouwen. Er kwamen oogenblikken dat de strijd verflauwde, om daarna echter weer des te verwoeder los te breken onder den invloed van eenige fanatieke leiders, die de bergbewoners, onder voorwendsel dat zij een heiligen strijd tegen ongeloovigen streden, steeds opnieuw tot den oorlog aanvuurden. De allergrootste verliezen werden den Russen toegebracht door de Tschetschenskische bevolking, die zich ophield in de boschrijke vlakten gelegen aan de zijrivieren van de Tjerek en in de woeste bergen van Itschkerië.De aanvallen van den kant der Russen waren heftiger of zwakker, naarmate hunne aanvoerders meer of minder krachtige persoonlijkheden waren.In 1856 namen de zaken een anderen keer, door het optreden van den stadhouder van den Kaukasus, vorst Barjatjinski, die zeer veel invloed had op Keizer Alexander II. Hij verzamelde een leger van 200.000 man (meer dan daar ooit te zamen was geweest) en liet een groot gedeelte er van optrekken tegen Tschetschna, Itschkerië en Daghestan, streken die in handen waren van den bekenden Schamil. Deze Schamil, die door de bergbewoners om zijn moed, geestkracht en vastberadenheid als een god werd aangebeden, moest het onderspit delven voor de voor niets terugwijkende overmacht van het Russische leger onder Jewdokimoff. In het jaar 1857 viel Schamils residentie, en in 1859 moest hij zelf zich met zijne nieuwe vesting Daghestanskaja aan vorst Barjatjinski overgeven.In 1850 werd bovengenoemde vorst opperbevelhebber van den linkervleugel van het Kaukasische leger.De aankomst van Leo Tolstoi in den Kaukasus, viel voor in dezen tijd en daarop hebben ook de verhalenDe Overrompeling,De Kozakkenen andere betrekking.De beide broers reisden van Astrakan in eene postkoets over Kizljar naar Starogladowskaja, de plaats hunner bestemming, waar Tolstoi, die als particulier persoon in den Kaukasus aankwam, bij zijn’ broeder ging inwonen.De eerste indruk, dien hij van den Kaukasus kreeg, was niet schitterend. Spoedig na aankomst schreef hij zijne tante:“Einde Mei ben ik hier in het kamp aangekomen. Ik heb nu van nabij het leven gezien dat Nikolaas leidt en kennis gemaakt met de officieren van zijn’ kring. Dat leven trekt mij niet erg aan, evenmin als het land, dat ik me heel mooi had voorgesteld en het absoluut niet is. Daar de stanitza op een laag terrein ligt, hebben we in ’t geheel geen uitzicht; het logies is slecht en ontbloot van alle comfort.“Wat de officieren betreft, die zijn, zooals ge u kunt voorstellen, menschen zonder opvoeding maar dapper, en zij houden over ’t algemeen heel veel van Nikolaas.“Alexejeff, zijn chef, is een klein, rossig, goedig mannetje met snor en bakkebaarden en een doordringende stem; hij herinnert even aan A. S. Wolkoff, maar is niet zoo’n huichelaar. De jonge officier W.... is een kind, maar een goed kind, die aan Petroescha doet denken. Dan Bjelkowski, een oude kapitein der Kozakken uit den Oeral, een eenvoudige man, maar een dapper en braaf soldaat. Ik wil u wel eerlijk bekennen, dat er in ’t begin heel veel was in dit gezelschap dat mij niet aangenaam aandeed; nu ben ik er echter aan gewend, maar ik zal toch nooit intiem met die heeren worden.“Ik heb het middel gevonden—daarvoor behoef ik slechts Nikolaas’ voorbeeld te volgen—om noch te veel op een afstand, noch te familiaar met hen om te gaan.”4In Starogladowskaja bleef Tolstoi niet lang, daar hij zijn’ broer vergezelde, die ter dekking van de gewonden naar Stari-Joert werd gezonden, waar juist een warm-waterbron was ontdekt. Volgens Tolstoi’s verhalen is Stari-Joert een bijzonder mooi gelegen plaatsje, met ongeveer 1500 inwoners. Even hooger bevindt zich de staalbron, die, naar men gelooft, nog meer geneeskracht heeft dan de Pjatigorkische bronnen. De temperatuur van het water is zóó hoog, dat, toen de hond van Nikolaas Tolstoi er eens in viel, hij zulke hevige brandwonden kreeg dat hij er aan stierf.De bron verdeelt zich in eene menigte kleine beekjes, zóó ondiep dat men ze gemakkelijk kan afdammen. De inwoners gebruiken ze als drijfkracht voor hunne molens.De volgende brief, door Tolstoi aan zijne tante geschreven, zal ons daar meer van vertellen.“Nikolaas moest een week na aankomst weer verder, en ik ben met hem meegegaan. We zijn nu sedert drie weken hier, en wonen in eene tent, wat mij, daar het weer heel mooi is en ik reeds begin te gewennen, heel goed bevalt. Men heeft hier prachtige vergezichten van de bron uit.“’t Is een enorme, steenachtige berg; sommige rotsen liggen, een soort van grot vormend, los op elkaar, andere weer blijven op groote hoogte hangen. Zij zijn los gescheurd door den stroom warm water, die steeds met veel geraas neerstort. Een witte damp, die uit het warme water opstijgt, omringt voortdurend het hoogere gedeelte van den berg. Het water is zoo warm dat een ei in drie minuten gekookt is. Een schilderachtig effect maken drie eigenaardig geconstrueerde molens die, in ’t midden van het ravijn, in den hoofdstroom staan. De vrouwen van de Tartaren loopen den geheelen dag af en aan om daar hunne kleeren te wasschen. Verbeeld u, zij wasschen met hunne voeten. Het lijkt precies een groote mierenhoop. De vrouwen zijn over ’t algemeen mooi en goed gebouwd; hare Oostersche kleeding is armoedig maar sierlijk. De schilderachtige groepjes van deze vrouwen, gevoegd bij de wilde schoonheid van de natuur, levert werkelijk een prachtigen aanblik op. Soms zit ik uren het landschap te bewonderen. Boven op den berg is het uitzicht nog mooier en weer geheel anders, maar—ik vrees dat ik u met mijne beschrijvingen ga vervelen.“Ik vind het heel aangenaam dat ik bij de bronnen ben en profiteer er van, neem staalbaden en heb nu geen pijn meer in mijne voeten. Steeds had ik last van rheumatiek en ik geloof dat ik met ons watertochtje nog meer kou heb gevat. Zelden heb ik me zoo goed gevoeld als tegenwoordig en ondanks de groote hitte neem ik veel beweging.“Er zijn hier veel officieren, van ’t zelfde soort als die iku vroeger heb beschreven. Ik ken ze allen en sta op den zelfden voet met hen als met de anderen.”5Van uit Stari-Joert nam Tolstoi als vrijwilliger deel aan de strooptochten die tegen de bergbewoners werden ondernomen. Deze tijd schonk hem oogenblikken van poëtische verrukking; daarvan lezen wij in zijn dagboek:Stari-Joert, 11 Juni 1851.“Gisteren nacht heb ik geen oog dicht gedaan. Nadat ik mijn dagboek had bijgewerkt, deed ik mijn gebed. Het is mij niet mogelijk het zalige gevoel te beschrijven dat mij daarbij doortrilde. Ik begon met het Onze Vader en de andere gebeden, die ik gewoonlijk zeg, doch bleef daarna nog lang in gepeins verzonken. Indien men het gebed als een verzoek of eene dankzegging beschouwt, dan bad ik niet. Ik verlangde iets onzegbaar hoogs en verhevens, maar uiten kon ik het niet, hoewel het mij zelf heel duidelijk was wat ik wenschte; ik wilde gelijk worden aan een bovenaardsch wezen en smeekte God mij mijne zonden te vergeven; neen, dat vroeg ik niet, want ik voelde dat, waar mij deze zalige oogenblikken geschonken werden, mijne zonden reeds waren vergeven. Ik bad en tevens voelde ik dat ik niet behoefde te bidden, dat ik er niet toe in staat was en dat ik het niet kon. Ik dankte God, maar zwijgend, niet met woorden. Mijn ziel was één gebed, één dankzegging. Het gevoel van angst was geheel verdwenen. Geen Geloof, geen Hoop, geen Liefde maakte zich los van dit alles overheerschende gevoel. Stil,—dit was het gevoel, dat mij gisterenavond beheerschte: het was de liefde tot God, de liefde die alles wat goed is in zich heeft, die alles wat slecht is van zich verwijdert. Hoe vreeselijkwas het mij te blikken naar die lage, slechte zijde van het leven, en hoe onbegrijpelijk dat ik mij ooit door haar liet meesleepen! Hoe innig bad ik God, mij in zijne hoede te nemen. Ik voelde mij los worden van de aarde, ik was ... maar neen, het aardsche, het lage herkreeg reeds weer zijn macht over mij, en nauwelijks was er een uur verloopen of, bijna zoo duidelijk alsof ik haar hoorde, lokte de stem van het lage, de stem van de ijdelheid mij; ik wist waar die stem vandaan kwam, ik wist dat zij mijne zaligheid zou verwoesten, dat ik zou strijden, maar dat zij zou overwinnen. Ik sliep in en droomde van macht en van vrouwen; maar ik had geen schuld, ik kon niet anders.“De eeuwige zaligheid is hier op aarde niet te bereiken. Wij moeten lijden. Waarom? Ik weet het niet. En hoe durf ik zelfs zeggen: ik weet het niet. Hoe waagde ik het te denken dat ik de wegen der Voorzienigheid zou kunnen doorgronden. Zij is de bron van het verstand, en het verstand wil haar begrijpen.... Het verstand verdwaalt langs de afgronden van deze wijsheid en het gevoel vreest haar te beleedigen. Ik dank God voor dat oogenblik van zaligheid, waarin hij mij mijne grootheid en mijne kleinheid liet aanschouwen. Ik wil bidden maar ik kan niet. Ik wil begrijpen maar ik kan het niet. Heer, in Uwe handen beveel ik mijne ziel!“Waarom heb ik dit alles neergeschreven?“Hoe laag bij den grond, hoe zinneloos heb ik mijne gedachten uitgedrukt, en zij waren toch zoo hoog!”Deze vlagen van religieuse verrukking veranderden dikwijls in angst en apathie. Den 2denJuni, nog steeds in Stari-Joert, schreef hij in zijn dagboek:“Nu denk ik, wanneer ik mij al die droevige oogenblikken uit mijn leven te binnen breng, die mij als lood terneer drukken ... maar neen, er is reeds te weinig vreugde in het leven, veel te gemakkelijk te bereiken stelt de mensch zichhet geluk voor, veel te vaak—en waarom?—slaat ons het noodlot, weerklinkt smartelijk in ons de gevoeligste snaar, dan dat wij het leven nog lief konden hebben; en daarbij, er ligt iets zoets, iets verhevens in de onverschilligheid tegenover het leven, en ik geniet van die gevoelens. Hoe sterk voel ik mij tegenover de vaste overtuiging, dat ons niets meer wacht dan de dood; en dadelijk daarna herinner ik mij met blijdschap, dat mijn paard mij wacht, dat ik naar Tscherkesk zal rijden, de vrouwen zal naloopen, en het maakt me wanhopig, dat de eene punt van mijn snor hooger reikt dan de andere, en twee volle uren sta ik voor den spiegel om dit te veranderen.”Tolstoi veranderde verschillende malen van verblijfplaats, omdat zijn broer Nikolaas, wiens standplaats eigenlijk Starogladowskaja was, dikwijls naar Stari-Joert werd gezonden en hij hem dan steeds vergezelde.Door het feit, dat de schilderachtige beschrijvingen in Tolstoi’s eerste werken alle op Stari-Joert betrekking hebben, heeft dit plaatsje eene historische vermaardheid verkregen. De prachtige natuur van het noordelijk gedeelte van den Kaukasus, de bergen, de Tjerek, de onverschrokkenheid van de Kozakken, hunne primitieve leefwijze, alles werkte mee om zijn genie, steeds strijdende voor het ideaal der waarheid, den weg te wijzen. In zijn werkDe Kozakkenbeschrijft Tolstoi den overweldigenden indruk, dien de grootsche natuur op hem maakte.“Het was een klare, heldere morgen. Plotseling zag Oljenin, zooals hij eerst meende op nauwelijks twintig schreden afstand, de omtrekken van iets overweldigend groots, smetteloos wit, zich vaag, in grillige lijnen afteekenend tegen den ver verwijderden hemel. Maar toen hij begreep dat er een groote afstand was tusschen hem en de bergen en hij doordrongen werd van hun onuitsprekelijke schoonheid, toen washet hem alsof hij droomde. Hij stond op om geheel wakker te worden, en zie—de bergen bleven.“‘Wat, wat is dat?’ vroeg hij zijn’ begeleider.“‘Natuurlijk bergen,’ antwoordde de drijver.“‘Ik heb er ook reeds lang naar gekeken,’ zei Wanjoescha. ‘Wat zijn ze mooi! Thuis zouden zij het niet kunnen gelooven.’“Steeds verder en verder scheen de bergketen, waarvan de toppen door de morgenzon zacht rose werden getint, bij de snelle nadering van de troika terug te wijken. Eerst was het bewondering, toen verrukking die Oljenin aangreep op het gezicht van deze sneeuwbergen. En turende naar de blanke toppen der bergen, oprijzende uit de steppen, begon hij te begrijpen, werd hij geheel doordrongen van hunne grootsche schoonheid. En alles wat hij zag op den weg en alles wat hij dacht zag hij in het licht van die verheven bergen. Zij verdreven alles uit zijne herinnering, zijne dwalingen, zijne droomen, zijne schande en zijn berouw, alles was als weggevaagd. ‘Heden begint gij te leven,’ fluisterde eene geheimzinnige stem. En de weg en de kronkelende Tjerek en het kamp en het volk, alles kreeg een ander aanzien. Naar den hemel ziende zag hij de bergen. Hij keek naar zich zelf, hij keek naar Wanjoescha en dacht aan de bergen. Twee Kozakken op vlugge paardjes reden over den weg, maar de bergen.... Een lichte damp steeg op naar den hemel, de zon kwam op en begroette de bloemen langs den oever van de Tjerek, maar de bergen.... Uit het kamp kwam eene vrouw, zij was jong en schoon, maar de bergen.... De Abreken zwierven door de steppen, maar hij vreesde hen niet: hij was jong, hij was moedig, goed gewapend en hij droomde van de bergen.”In Augustus vinden wij Tolstoi weder in Starogladowskaja.Door de lezing van het boekDe Kozakken, dat een sterkautobiografisch karakter draagt, kunnen wij ons een juist denkbeeld vormen van de wijze waarop Tolstoi zijn tijd in de stanitza doorbracht. Zijne verhouding tot de Kozakken, zijne bewondering voor de grootsche natuur, de jacht en zijn zielestrijd, die hem nooit verliet, dat alles vinden wij in dit werk beschreven.Een klein fragment laten wij hier volgen.Oljenin, zittende in het groene bosch, komt op de volgende gedachte:“Waarom ben ik nu gelukkig en waarvoor heb ik vroeger geleefd? Wat eischte ik veel voor mij zelf en wat heb ik gewonnen? Niets dan zorg, niets dan verdriet. En zie, ik heb niets noodig om gelukkig te zijn.“Plotseling was het alsof er een nieuw licht voor hem opging. Het geluk, peinsde hij verder, bestaat klaarblijkelijk daarin, om voor anderen te leven. In iederen mensch bestaat de drang naar geluk, dat is een natuurlijke wensch. Wanneer hij het op eene egoïstische wijze gaat zoeken, d.w.z. wanneer hij voor zichzelf rijkdom, macht of liefde vraagt, dan zal het gebeuren, dat zijne wenschen onbevredigd blijven, want dat zijn geen natuurlijke maar onwettige begeerten en het verlangen naar zulk een geluk heeft geen recht van bestaan. Welke wenschen kunnen verwezenlijkt worden? Welke? De liefde en de zelfopoffering.“Deze, naar hij meende, nieuwe ontdekking maakte hem zoo gelukkig, dat hij plotseling opsprong en rondziende dacht: Voor wien kan ik mij opofferen, wien kan ik goed doen, wien liefhebben? Ik heb immers niets noodig voor mij zelf; waarom dus niet voor anderen te leven?”6De stem der liefde vond toen reeds weerklank in de zielvan den jongeling, die nog nauwelijks zijne intrede in de wereld had gedaan. Maar ook de uiterlijke omstandigheden kregen macht over dezen jongen, krachtigen man en sleepten hem mee op de wegen waar het dierlijk instinct ons voert.Het spreekt van zelf, dat het leven in de stanitza niet voorbij ging zonder dat Tolstoi, jong en hartstochtelijk als hij was, een’ roman beleefde. Hij vatte eene groote liefde op voor eene jonge Kozatschka.7De geschiedenis van deze liefde is in het werkDe Kozakkenbeschreven, maar nog duidelijker beeld kunnen wij er ons van vormen uit een’ brief, dien hij aan een’ vriend in Moskou schreef. In dezen brief zien wij Tolstoi’s groote liefde voor de natuur, zijn’ wensch om zich met haar te vereenzelvigen, en zijn verdriet als hij tot de erkenning komt, dat het niet mogelijk is; dat zijne ontwikkeling het verhindert; dat hij zich reeds zoover van haar heeft verwijderd, dat zich een afgrond heeft gevormd, die nooit meer is te dempen.“O, hoe beklaag ik je! Je hebt geen begrip van zulk een geluk en wat het leven is! Eerst moet je het leeren kennen in zijne volle schoonheid. Eerst moest je zien wat ik dagelijks voor mij zie: de eeuwige, ongerepte sneeuwbergen en de vrouw in haar verheven schoonheid,—zoo schoon als de eerste vrouw in ’t Paradijs moet zijn geweest,—en dán zal het je duidelijk worden wie van ons te gronde zal gaan, wie in de waarheid en wie in den leugen leeft, jij of ik! O, hoe beklaag ik je in je waan!“Als ik mij zelf terug denk, in plaats van met mijn huisje, mijn bosch en mijne liefde, in de salons gevuld met vrouwen met opgemaakte valsche haren, onnatuurlijke spraak, slechte en misvormde gestalten, leege salonpraatjes die moeten doorgaan voor een gesprek, dan walg ik van datalles. Wanneer ik mij die onbeteekenende gezichten voorstel, die rijke jonge meisjes, rondloopende alsof zij zeggen willen: ‘kom maar bij me, al ben ik ook rijk, gij kunt me krijgen’, het hier hangen en daar leunen, die onbeschaamde koppelarij, die eeuwige babbelpraatjes, die gekunsteldheid, de etiquette die voorschrijft wien men een hand moet geven, voor wien men moet buigen, met wien men een gesprek moet aanknoopen, en ten slotte die allesbeheerschende verveling, die overgaat van geslacht op geslacht, en dat alles in de overtuiging dat dát noodzakelijk is!“Begrijp en geloof. Begrijp wat waarheid en schoonheid is, dan zal alles wat gij voor geluk houdt, alles wat gij wenscht, voor mij, zoowel als voor u, vervliegen als kaf voor den wind. Het geluk is: leven met de natuur, haar zien, haar voelen. ‘Hij zal nog eens eene Kozatschka huwen, en geheel voor de maatschappij verloren gaan,’ hoor ik de menschen reeds medelijdend zeggen.“En ik, ik heb maar één wensch, geheel te gronde te gaan, zooals gij dat begrijpt, en eene eenvoudige Kozatschka te huwen, maar ik heb er geen moed toe, want het geluk zou te groot zijn.“Drie maanden zijn verloopen sedert ik voor het eerst Mariana zag. Nog kleefden mij alle vooroordeelen aan, die ik had meegebracht uit den kring dien ik juist had verlaten. Nooit had ik kunnen denken, dat ik voor deze vrouw liefde zou gevoelen! Ik bewonderde haar zooals ik de natuur, de bergen bewonderde, en ik kon niet anders, want haar schoonheid is aan hen gelijk.“Later, toen het mij duidelijk werd dat ik haar schoonheid niet meer kon ontberen, vroeg ik mij af of ik haar lief had, maar ik antwoordde ontkennend. Wat ik voelde kwam niet voort uit verveling, noch uit den wensch om te trouwen; het was geen platonische en geen zinnelijke liefde.“Ik moest haar zien, haar hooren, haar in mijne nabijheid weten; ik was niet wat men gelukkig noemt, maar ik was rustig.“Na een’ avond, dien ik in haar gezelschap had doorgebracht, nadat ik hare aanraking gevoeld had, begreep ik dat tusschen mij en die vrouw een band werd geweven, waartegen niet viel te strijden.“Toch heb ik mij verzet. Ik hield mij voor: kunt ge dan eene vrouw liefhebben, die nooit uw innerlijk leven zal kunnen begrijpen; kunt ge haar dan liefhebben, alleen om haar schoonheid, eenvoudig als een vrouwelijk beeld? Maar ik hield reeds van haar, hoewel ik het mij zelf niet wilde bekennen.“Na dat feestje, waarop ik voor ’t eerst met haar sprak, kwam er eene verandering in onze verhouding. Vroeger beschouwde ik haar als een vreemd, verheven voortbrengsel der natuur; nu werd zij een mensch voor mij. Ik begon haar gezelschap te zoeken, sprak met haar, bezocht haar vader soms op het werk en bracht geheele avonden in haren familiekring door.“En toen ik haar nader trad, bleef zij toch voor mij even rein, gesloten en verheven. Zij antwoordde mij steeds even rustig, uit de hoogte en kalm. Soms was zij vriendelijk, maar meestal drukte iedere blik, iedere beweging onverschilligheid uit, doch niet minachtend, altijd betooverend. Met een geveinsd lachje, maar met een inwendig hartstochtelijk verlangen, sprak ik met haar over onverschillige dingen en trachtte haar iederen dag nader te komen. Zij merkte dat ik huichelde, maar zag mij steeds eenvoudig en recht in de oogen. Ik kon het niet langer verdragen. Liegen wilde ik niet voor haar, ik wilde alles uitspreken wat ik voelde. Wij waren in den tuin. Ik was zeer opgewonden en verklaarde haar mijne liefde, met woorden waarvoor ik mij nu nog schaam, want zij stond zooveel hooger dan deze woorden, waarmee ik haar mijne liefdete kennen gaf. Toen zweeg ik, maar van dien dag af werd mijne positie onverdraaglijk.“Ik wilde mij niet voor haar vernederen en op den zelfden voet als vroeger met haar omgaan, en ik voelde dat ik niet in staat was gewoon met haar te zijn. Wanhopig vroeg ik mij af wat ik doen moest.“In mijne droomen zag ik haar als mijne geliefde, als mijne vrouw, en beide gedachten stootte ik vol afschuw van mij. De gedachte haar als eene deern te beschouwen was verschrikkelijk, stond gelijk met een moord, en haar tot eene barinja8te maken nog erger.“Als ik een Kozak kon worden als Loekaschka, paarden stelen, tschichir9drinken, lustig zingen, menschen dooden en ’s nachts dronken door het venster in haar kamer klimmen, zonder te bedenken wie ik ben en wat ik wil—dan konden wij elkaar begrijpen en dan kon ik gelukkig zijn!”Maar als Loekaschka worden kon hij niet en dus was dat geluk niet voor hem weggelegd.In September schreef hij zijne tante een’ brief, waaruit reeds duidelijk de toekomstige schrijver te herkennen is.Hier treft ons vooral de doordachte wijze waarop hij zich weet uit te drukken. Waarschijnlijk bestormden hem toen reeds tal van gedachten en deed hij zorgvuldig eene keuze voordat hij ze aan het papier toevertrouwde. Op de volgende wijze drukt hij zijne gevoelens uit:“Gij hebt mij verschillende malen verteld, dat gij uwe brieven nooit in klad schrijft. Ik heb uw voorbeeld gevolgd, maar ben er niet wel bij gevaren, want dikwijls overkomt het mij, dat ik bij overlezing alles weer verscheur. Dat gebeurt niet uit valsche schaamte, want eene spelfout, een klad of een verdraaide zin hinderen mij niet, maar omdatik het nog niet zoo ver heb gebracht, mijne pen en mijne gedachten de juiste richting te geven.10“Juist heb ik een’ brief verscheurd, omdat ik veel dingen gezegd had, die ik had willen zwijgen, en omgekeerd. Gij denkt misschien dat ik me nu anders toon dan ik ben en zult zeggen, dat dit niet goed is tegenover menschen waarvan wij houden en die wederkeerig veel om ons geven. Ik moet dat toestemmen, maar stem gij dan ook toe, dat wij wel alles aan een’ persoon die ons onverschillig is, vertellen, maar dat wij voor iemand, waar we veel van houden, vaak sommige dingen zouden willen verzwijgen.”In ’t bewustzijn van zijne jonge kracht ontwaakte in hem de drang om die te gebruiken, zoodat hij besloot in gezelschap van zijn’ vriend Jepischka (inDe Kozakkenbeschreven onder den naam Jeroschka) eene reis te gaan maken. Die reis nu leverde zeer veel gevaren op, omdat zij ieder oogenblik de kans liepen door de wilde bergbewoners te worden overvallen.Goed en wel weer teruggekomen ontmoette hij een familielid, een zekeren Ilija Tolstoi, die hem vroeg hem te vergezellen. Door dezen Ilija Tolstoi werd hij voorgesteld aan den opperbevelhebber, vorst Barjatjinski, met wien hij eenigszins op vertrouwelijken voet kwam en die hem zijne goedkeuring te kennen gaf over de ferme, flinke wijze waarop hij aan de gevechten deel nam. Tevens gaf hij hem den raad een verzoekschrift in te dienen om in het leger te worden opgenomen, daar hij nog steeds als volontair dienst deed.De vleiende woorden van den vorst en het aandringen zijner familie deden Tolstoi besluiten dien raad op te volgen.De maanden Augustus en September bracht hij door inStarogladowskaja. In September ging hij met zijn’ broer Nikolaas naar Tiflis. Deze vertrok echter na korten tijd, maar Tolstoi bleef er om zijn examen te doen en daarna in dienst te treden. Uit Tiflis schreef hij zijne tante:“Wij zijn inderdaad den 25envertrokken en na eene reis van zeven dagen, gedeeltelijk vervelend, omdat er op de wisselstations steeds gebrek aan paarden was, gedeeltelijk aangenaam door de schoonheid van het landschap, kwamen wij den 1envan deze maand op de plaats onzer bestemming.“Tiflis is een zeer beschaafde stad, die haar best doet P.... na te apen en daar vrij goed in slaagt. Men vindt er een uitgelezen, tamelijk uitgebreiden gezelschapskring, een Russisch tooneelgezelschap en eene Italiaansche opera, waarvan ik zooveel profiteer als mijne armzalige middelen mij toelaten. Ik heb mijn’ intrek genomen in het Duitsche kwartier; het is wel is waar eene voorstad, maar heeft voor mij een dubbel voordeel. Ten eerste is het er mooi; rondom zijn tuinen en wijnaanplantingen, zoodat men zich kan verbeelden buiten te zijn (’t is nog heerlijk weer; tot nu toe hebben we nog geen sneeuw of ijs gezien). Ten tweede betaal ik voor twee vrij zindelijke kamers vijf roebel per maand, terwijl ik voor eene dergelijke woning in de stad minstens veertig zou moeten geven; bovendien kan ik me gratis in het Duitsch spreken oefenen. Verder heb ik mijne boeken, mijne bezigheden en nog vrijen tijd, daar niemand mij komt storen, zoodat ik mij, alles bij elkaar genomen, niet verveel. Gij herinnert u nog wel, lieve tante, dat gij mij eens den raad hebt gegeven romans te gaan schrijven. Nu, ik heb dien opgevolgd en ben nu met een literairen arbeid begonnen. Ik weet niet of mijn werk ooit het licht zal zien, maar het houdt mij in ieder geval aangenaam bezig.”11Belangwekkend in dezen brief is, dat wij eruit zien hoe eenvoudig zich dat groote, zich nog onbewuste talent ontwikkelde. In dezen tijd werd Tolstoi ziek. Het duurde eenige maanden voordat hij geheel hersteld was. Die gedwongen rust gebruikte hij voor het schrijven van zijn eerste werk en om zijne aanstelling in het leger te verkrijgen, hetgeen veel bezwaren opleverde, daar zijne papieren niet geheel in orde waren.De volgende brief, geschreven 23 December 1851, aan zijn’ broer Sergius, geeft ons nog eenige bijzonderheden uit Tolstoi’s leven te Tiflis en in de stanitza.“Juist vandaag kreeg ik eindelijk de lang gewenschte aanstelling. Ik kom bij de 4debatterij te staan en zal het genoegen hebben front te mogen maken en met mijne oogen de voorbij rijdende officieren en generaals te volgen. Ja, zelfs vandaag, toen ik ging wandelen in mijn pelsjas en met mijn slappen hoed op (voor dien hoed heb ik hier nog al 10 roebel betaald), wilde ik, zonder aan de deftigheid van dit kleedingstuk te denken, gewend als ik reeds was om me spoedig in de grijze schinel te zien, mijn slappen hoed afrukken en op straat gooien. Als mijne wenschen in vervulling gaan, dan reis ik reeds den eersten dag van mijn in-dienst-treding naar Starogladowskaja, en ga dan dadelijk op marsch. Ik kleed me dan in een schaapspels, en zal met hart en ziel en met behulp van de kanonnen meewerken aan de uitroeiing van die roofzuchtige, lastige Aziatische bevolking.“Uit dit schrijven zie je dat ik op ’t oogenblik in Tiflis ben. Ik kwam hier 9 November aan, zoodat ik nog een enkelen keer met de honden die ik in Starogladowskaja heb gekocht op jacht kon gaan. Het jagen hier, d.w.z. in de stanitza, is heerlijk. Weiden, moerassen, waar eene menigte grijze hazen zitten, en eilanden, niet met bosschen, maar met een soort riet beplant, waar zich veel vossen ophouden. Negen malen ben ik met mijne twee honden, waarvan de eene goed, de andere slecht is, op jachtgeweest, op 15 werst afstand van de stanitza, en legde twee vossen en zestig hazen neer. Zoodra ik weer daarginds ben, ga ik eens op geiten jagen.“Ik heb ook eenige malen aan eene jacht met de buks op wilde zwijnen en herten deelgenomen, maar heb niets onder schot gekregen. Deze wijze van jagen is op zich zelf wel aardig, maar voor dengene die gewend is met honden te jagen is het niets. ’t Gaat er juist mee als met iemand die altijd Turksche tabak rookt; die houdt niet meer van Schoekoff, hoewel het altijd nog de vraag is, welke de beste is.“Ik ken je zwak, n.l. dat je graag wilt weten hoe het hier is, wie mijn kennissen zijn en hoe ik met hen sta. ’t Is overigens iets, dat mij hier heel weinig bezig houdt, maar ik zal je zooveel mogelijk tevreden stellen. Er zijn hier niet veel officieren; bij gevolg ken ik ze allen, hoewel zeer oppervlakkig. Ik sta met allen op een’ goeden voet, een gevolg van de wodka, wijn en zakoeska12, die Nikolaas en ik altijd voor de bezoekers gereed houden. Aan deze zelfde omstandigheid dankte ik ook mijne opname onder de officieren in Stari-Joert. Hoewel er heel geschikte lui onder de officieren zijn, wil ik, daar ik buitendien belangrijke bezigheden heb, niet intiem met hen worden. De onderbevelhebber Alexejeff, de commandant van de batterij waarbij ik sta, is een goed, maar ijdel mensch. Laatst had ik hem noodig, en ik moet bekennen, dat ik toen op die eigenschap gespekuleerd heb en hem een beetje honing om den mond heb gesmeerd. Ik deed het echter ongaarne, dat verzeker ik je. Wanneer ge met ijdele menschen omgaat, dan wordt ge het zelf ook.Berkenlaan leidende naar het huis te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Berkenlaan leidende naar het huis te Jasnaja Paljana.—Blz.57.“Hier in Tiflis heb ik drie kennissen; meer tot nu toe nog niet, ten eerste omdat ik het niet wensch en ten tweede omdat de gelegenheid tot verdere kennismaking zich nietheeft voorgedaan. De eerste is Bagration, een Petersburger, de tweede vorst Barjatjinski, onder wiens commando ik de strooptochten heb meegemaakt. Ik heb daarna met Ilija Tolstoi, dien ik hier ook ontmoette, een’ dag bij hem doorgebracht. Van deze vriendschap beleef ik niet veel plezier, want je zult wel begrijpen, in welk eene verhouding een Junker tot een generaal kan staan. De derde is een gedegradeerde apothekersbediende, een vermakelijk type. Ik veronderstel dat vorst Barjatjinski nooit had gedacht op één lijn met een hulp-apotheker te worden geplaatst en dat is hier toch het geval. Nikolaas is hier zeer gezien, zoowel bij zijne meerderen als bij zijne officieren-collega’s; iedereen heeft achting voor hem en houdt van hem, en daarbij geniet hij de reputatie van een dapper officier te zijn. Ik houd meer van hem dan van mij zelf, ben gelukkig in zijne nabijheid en verveel mij zonder hem.“Als je wilt pronken met berichten uit den Kaukasus, dan kun je vertellen, dat Chadzji-Moerat, de eerste persoon na Schamil, zich aan de Russen heeft overgegeven. Hij was de dapperste van allen, maar heeft nu eene laagheid begaan. Verder kun je nog met trots vertellen, dat vandaag de bekende, dappere, verstandige generaal Sljeppoff is gestorven; of hij er verdriet van heeft, dat zou ik je niet kunnen zeggen.”Den 6enJanuari schreef Tolstoi, steeds nog uit Tiflis, zijne tante een’ brief, waaruit de groote aanhankelijkheid en liefde sprak die hij haar toedroeg.“Uw’ brief van den 24enNovember heb ik zoo juist ontvangen en als naar gewoonte zal ik dien per omgaande beantwoorden. De vorige maal vertelde ik u, dat uwe woorden mij hadden doen weenen en ik schreef die zwakheid aan mijne ziekte toe. Ik vergiste mij. Al uwe brieven hebben sedert eenigen tijd diezelfde uitwerking op mij. Gijweet het wel, mijne tranen zaten altijd hoog. Eerst schaamde ik mij voor deze zwakheid, maar de tranen die ik stort, denkend aan u en aan uwe liefde voor ons, laat ik vloeien zonder de minste valsche schaamte. Uw brief is zoo vol droevige gedachten, dat hij mij ook treurig heeft gestemd. Gij hebt mij steeds goeden raad gegeven, waarnaar ik helaas maar zelden heb geluisterd. Ik zou mijn heele leven willen handelen volgens uwe aanwijzingen. Mag ik u nu den indruk, dien uw brief op mij gemaakt heeft, en de gedachten, die tijdens de lezing bij mij oprezen, mededeelen?“Vergeef mij, ter wille van de groote liefde die ik u toedraag, indien ik te openhartig met u spreek. Gij zegt, dat het nu uwe beurt is ons te verlaten, om weder vereenigd te worden met hen, die gij zoo zeer hebt liefgehad. Gij zegt, dat uw leven zoo troosteloos eenzaam is, dat gij God hebt gesmeekt er een einde aan te maken. Vergeef mij, lieve tante, maar ik geloof dat gij met zoo te spreken God en ook hen, die u zoo hartelijk liefhebben, beleedigt. Gij vraagt God om den dood, dus om het grootste ongeluk dat mij kan treffen. Dit zijn geen ijdele klanken, maar God is mijn getuige, dat de dood van u of van Nikolaas, de beide wezens die ik meer liefheb dan mij zelf, voor mij de grootste ramp zou zijn, die mij kon overkomen. Wat zou mij overblijven, zoo God uw’ wensch vervulde! Voor wie zou ik trachten mij te verbeteren, mij goede eigenschappen te verwerven en mijn best doen eene goede reputatie te verkrijgen? Wanneer ik plannen maak voor mijn toekomstig geluk, dan doe ik dat steeds met de gedachte, dat gij daarvan ook zult genieten. Wanneer ik eene goede daad verricht, dan ben ik tevreden over mij zelf, omdat ik weet, dat gij over mij tevreden zoudt zijn, en handel ik niet goed, dan is mijn grootste vrees u verdriet te doen. Uwe liefde is alles voor mij en gij vraagt God ons te willen scheiden! Ik kan het gevoel nietbeschrijven dat ik u toedraag, geen woorden kunnen het uitdrukken; ik vrees dat gij zult denken dat ik overdrijf, en toch ween ik heete tranen terwijl ik u dit schrijf. De gedachte aan die vreeselijke scheiding heeft mij geleerd welk eene vriendin ik in u bezit en hoeveel ik van u houd. Maar ik ben immers niet de eenige die u zoo genegen is, en gij, gij vraagt God te mogen sterven! Gij zegt dat gij zoo eenzaam zijt door onze scheiding! Maar als gij in mijne liefde gelooft, zal dat een tegenwicht zijn voor uw verdriet.“Wat mij betreft, ik zal nooit eenzaam zijn, zoolang ik mij bewust ben van uwe warme genegenheid voor mij.“Terwijl ik deze woorden schrijf weet ik dat het geen goede gewaarwording is, die ze mij in de pen geeft: ik gevoel mij gestreeld door uw verdriet.”13In denzelfden brief vertelt Tolstoi nog eene belangrijke gebeurtenis, belangwekkend ook uit een psychologisch oogpunt.“Vandaag is mij iets gebeurd, dat mij in God zou doen gelooven, zoo ik niet reeds sedert geruimen tijd een vast geloof bezat.“Van den zomer, in Stari-Joert, deden de officieren niet anders dan spelen en dan nog tamelijk grof. In het kamp is men gedwongen elkaar dikwijls te ontmoeten en heel vaak ben ik bij het spel tegenwoordig geweest. Ondanks hun aandringen ben ik een maand lang standvastig gebleven, maar eens, bij wijze van grap, heb ik eene kleinigheid gewaagd. Ik verloor, zette opnieuw in, en verloor opnieuw; het geluk was tegen mij. De hartstocht voor het spel leefde weer bij mij op en in twee dagen verloor ik niet alleen al mijn geld, maar ook dat van Nikolaas (hij gaf mij ongeveer 250 roebel); bovendiennog 500 roebel, waarvoor ik een’ wissel geteekend heb die in Januari betaald moet worden. Ik moet u nog vertellen dat dicht bij ons kamp een huisje staat, dat bewoond wordt door Tschetschenzen. Een van hen, Sado, kwam in het kamp en nam deel aan ’t spel, maar daar hij schrijven noch rekenen kon—reden waarom ik nooit met Sado wilde spelen—waren er schurken die hem bedrogen. Ik heb hem aangeraden zich daar niet meer aan bloot te stellen, terwijl ik hem aanbood per procuratie voor hem eene kans te wagen. Hij was me heel dankbaar en heeft mij eene beurs gegeven; daar bij zijn’ stam de gewoonte bestaat elkaar wederzijds iets te schenken, heb ik hem voor 8 roebel een prul van een geweer gekocht. Nu moet gij nog weten dat om ‘koenjak’, dat wil zeggen vrienden, te worden men elkaar niet alleen geschenken moet geven maar ook het middagmaal bij elkaar moet gebruiken. Daarna wordt men, volgens een oud gebruik van dat volk (dat bijna geheel is verdwenen), vrienden op leven en dood, hetgeen wil zeggen, dat als ik hem vraag om zijn vrouw, zijn geld, zijn wapens of het kostbaarste wat hij op de wereld bezit, hij mij dat moet afstaan, terwijl ik hem natuurlijk evenmin iets mag weigeren. Sado heeft mij gevraagd eens bij hem te willen komen en ik ben er heen gegaan. Na mij op hunne wijze onthaald te hebben, stelde hij mij voor, het mooiste uit te zoeken wat hij in zijn huis had: zijne wapens, zijn paard ... in één woord wat ik verlangde. Ik wilde het minst kostbare nemen en koos een paardentoom met zilveren beslag, maar hij zeide dat ik hem beleedigde en drong mij een sabel op, die minstens 100 roebel waard is.“Zijn vader is een rijk man, maar heeft zijn geld begraven en geeft geen cent aan zijn’ zoon, die daarom, als hij geld wil hebben, van den vijand een paard of eene koe gaat stelen. Hij zet soms twintig maal zijn leven op het spel om iets te stelen, dat nog geen tien roebel waard is. Hij steeltniet uit hebzucht maar om den naam. De grootste dief is bij hen zeer in aanzien, en ontvangt den eerenaam ‘malodjetz.’14Soms is Sado in ’t bezit van 1000 roebel, dan weer heeft hij geen cent. Eens gaf ik hem, na hem bezocht te hebben, het zilveren horloge van Nikolaas, en nu zijn we de grootste vrienden van de wereld. Meermalen heeft hij mij zijne toewijding getoond, door zich voor mij aan verschillende gevaren bloot te stellen, hetgeen voor hem echter niet veel te beteekenen heeft, daar hij eraan gewend is en het als een genoegen beschouwt.“Toen ik uit Stari-Joert vertrokken was, kwam hij iederen dag bij Nikolaas, zeggende niet te weten wat hij zonder mij moest beginnen, daar hij zich doodelijk verveelde. Ik had Nikolaas geschreven, dat mijn paard ziek was geworden, en hem tevens gevraagd in Stari-Joert een ander voor mij te koopen. Sado kwam het te weten en wist niet beter te doen dan dadelijk naar mij toe te komen om mij zijn paard te brengen, dat ik tegen wil en dank moest aannemen.“Na de domheid, die ik in Stari-Joert beging, heb ik geen kaart meer aangeraakt en hing ik voortdurend den zedemeester uit tegenover Sado, die ook een hartstochtelijk speler is, en hoewel hij er niets van kent, steeds geluk heeft. Gisteren avond heb ik mij met mijne geldelijke omstandigheden en mijne schulden bezig gehouden. Ik dacht er over na, hoe ik het aan moest leggen ze te betalen, en kwam tot het besluit dat, zoo ik niet te veel geld uitgeef, al mijne schulden mij niet in verlegenheid zullen brengen en langzamerhand, in twee of drie jaar, kunnen worden afgedaan; maar de som, die ik deze maand moet betalen, bracht mij tot wanhoop. Het was me onmogelijk te betalen en zij veroorzaakte mij meer zorgen dan vroeger de vierduizend, die ik Ogoreff schuldig was. Toenik mijn avondgebed deed smeekte ik God dringend mij uit deze netelige positie te redden. ‘Hoe zal ik die zaak tot een goed eind brengen?’ dacht ik bij ’t naar bed gaan. ‘Er kan niets gebeuren dat mij in staat stelt die schuld af te doen.’ Ik stelde mij reeds alle onaangenaamheden voor, die ik zou moeten verduren: dat men den wissel zou presenteeren, dat men mij van regeeringswege ter verantwoording zou roepen, waarom ik niet betaalde enz. enz. ‘Heer, help mij,’ bad ik, en sliep in.“Den volgenden morgen kreeg ik een’ brief van Nikolaas (de uwe was er bij ingesloten) waarin hij mij schreef:“‘Zoo juist is Sado bij mij geweest. Hij heeft de wissels die jij hebt onderteekend terug gewonnen en bracht ze mij. Hij was zoo overgelukkig en vroeg zóó dikwijls: ‘wat denk je, zal je broeder blij zijn?’ dat ik hem daarom lief heb gekregen. Die jonge man heeft een oprechte genegenheid voor je opgevat!’“Is het geen wonder dat mijn gebed reeds den volgenden morgen verhoord werd; d.w.z., is er iets dat meer verwondering kan baren dan Gods goedheid tegenover een wezen dat het zoo weinig verdient als ik? En is het geen sprekend bewijs voor Sado’s hartelijke toegenegenheid? Hij weet dat ik een’ broer heb die heel veel van paarden houdt; toen ik hem beloofde, hem mee naar Rusland te nemen, zei hij, dat hij het beste paard zou stelen dat er in de bergen te vinden was om het Sergius mee te brengen, al moest het hem honderdmaal het leven kosten.“Wilt gij zoo goed zijn, als het niet te duur is, in Toela een’ revolver en eene muziekdoos te laten koopen en mij die te zenden?“Dat zijn dingen, die Sado heel veel genoegen zullen verschaffen.”15Het bovenstaande is belangrijk voor ons, omdat het ons in de gelegenheid stelt Tolstoi’s geestelijke ontwikkeling op den voet te volgen, van zijn naief vertrouwen op een’ God, die zich met zijn kaartspel, met zijn dagelijksche bezigheden bemoeit, tot aan zijne tegenwoordige, geheel vrije opvatting van het geloof.Eindelijk keerde Tolstoi, na zijne dienstzaken te hebben geregeld, naar Starogladowskaja terug. Onderweg schreef hij van uit de stanitza Mozdok een langen brief aan zijne tante, als altijd vol betuigingen van zijne groote liefde voor haar en tevens met droomen en plannen voor toekomstig, eenvoudig huiselijk geluk.“Ik zal trachten u de gedachten mede te deelen die bij mij opkwamen, want zij betreffen ook u. Ik ben inwendig veel veranderd; dat gebeurde mij reeds dikwijls, en zal, naar ik vermoed, wel het lot van iedereen zijn. Hoe langer men leeft des te meer verandert men; gij die ondervinding hebt opgedaan, kunt mij zeggen of dit waar is. Ik denk dat onze gebreken en onze deugden—de grondslag van ons karakter—steeds gelijk blijven, maar onze blik op het leven en het geluk verandert met de jaren. Een jaar geleden zocht ik het geluk in vermaak, in beweging; tegenwoordig integendeel komt de moreele, zoowel als de physieke, rust mij het meest gewenscht voor. Maar die rust stel ik mij voor zonder verveling, gevuld met de stille genoegens van liefde en vriendschap; dat schijnt mij het toppunt van geluk. Men geniet echter eerst van deze rust nadat men zich vermoeid heeft, en van de liefde als men haar heeft moeten ontberen. Sedert eenigen tijd ben ik van beide beroofd en daarom verlang ik er zoo naar. Ik moet ze nog langer ontberen; voor hoe lang, dat weet God! Ik zou niet kunnen zeggen waarom, maar ik weet dat het moet. De godsdienst en de ondervinding, die ik in mijn leven (hoe kort ook) heb opgedaan, hebben mij geleerddat het leven eene beproeving is. Voor mij is het meer: het is bovendien de boetedoening voor mijne tekortkomingen.“Ik geloof, dat het schijnbaar zoo lichtvaardig opgekomen denkbeeld om naar den Kaukasus te gaan, mij door God is ingegeven. Het is Gods hand die mij leidt, waarvoor ik oneindig dankbaar ben. Ik voel, dat ik hier beter ben geworden (wat niet veel wil zeggen, want ik ben heel slecht geweest), en ik ben er vast van overtuigd dat alles wat mij kan overkomen slechts tot mijn bestwil zal zijn, omdat God het zoo heeft beschikt. Hoewel het misschien eene vermetele gedachte is, ben ik er toch stellig van overtuigd. Daarom draag ik de vermoeienissen en de physieke ontberingen waarvan ik spreek (het zijn eigenlijk geen physieke ontberingen; een jonge gezonde man van 23 jaren kent die niet) zonder ze te voelen, eerder met een soort genot, denkende aan het geluk, dat mij wacht.“Dat geluk stel ik mij op de volgende wijze voor.“Ik bevind mij na een onbepaald aantal jaren—ik ben dan niet jong meer, maar ook nog niet oud—te Jasnaja Paljana. Mijne zaken zijn in orde, ik heb geen zorgen en behoef mij niet te kwellen. Gij woont ook te Jasnaja Paljana. Gij zijt een beetje ouder geworden, maar ziet er nog goed uit en gevoelt u ook wel. Wij leiden een leven zooals vroeger, ik werk ’s morgens, en den geheelen dag zijn wij bij elkaar. Dan gaan wij dineeren. ’s Avonds lees ik u iets voor, dat u niet verveelt; dan praten we, ik vertel u van mijn leven in den Kaukasus, gij spreekt van uwe herinneringen, van mijn’ vader en mijne moeder; gij doet mij de ‘griezelige verhalen’ waarnaar wij vroeger met verschrikte oogen en open monden luisterden. Wij herdenken de personen, die ons dierbaar waren en die niet meer zijn; gij weent, mijne tranen vermengen zich met de uwe, maar bitter zijn zij niet. Wij spreken over de broers, die ons nu en dan komen bezoeken, en over onze lieve Maria,die met hare kinderen ieder jaar eenige maanden op Jasnaja, dat haar zoo dierbaar is, komt doorbrengen. Wij zullen geen kennissen hebben en niemand zal ons met beuzelpraat vervelen. Het is een schoone droom, maar het is nog niet eens alles wat ik waag te droomen. Ik ben getrouwd, ik heb eene zachte, goede, liefderijke vrouw; haar liefde voor u is even groot als de mijne. Wij hebben kinderen die u grootmoeder noemen. Gij bewoont boven in het groote huis grootmoeders vroegere kamers. Het huis is nog juist zoo als in den tijd van papa, en wij zullen hetzelfde leven leiden; alleen de rollen zijn verwisseld. Gij krijgt de rol van grootmoeder, maar gij vervult haar nog beter; ik die van papa, hoewel ik vrees haar nooit waardig te zullen zijn; mijne vrouw die van mama, de kinderen de onze. Maria krijgt de rol van de twee tantes, behalve de rampen die haar troffen, en zelfs Gascha speelt voor Praskowija Ilinischna.—Maar er ontbreekt ons één persoon, die de rol op zich kan nemen die gij vroeger in onze familie gespeeld hebt; nooit zullen we iemand vinden zóó goed, zóó beminnelijk als gij. Gij hebt geen opvolgster. Dan zullen er nog nieuwe acteurs van tijd tot tijd ten tooneele verschijnen: de drie broers, vooral Nikolaas, een oude vrijer, kaalhoofdig, niet meer in dienst, en altijd even goed en edel. Ik stel mij voor hoe hij zal zijn als hij oud is, hoe hij de kinderen sprookjes zal vertellen, hoe zij op zijne knieën zullen klimmen, hoe hij met hen zal spelen, hoe mijne vrouw haar best zal doen om zijn lievelingsgerecht klaar te maken, hoe wij herinneringen zullen ophalen aan lang vervlogen dagen, hoe gij op uwe gewone plaats zult zitten en met genoegen naar ons zult luisteren; hoe gij ons, dan reeds op leeftijd, met onze kindernamen—Ljewotschka, Nikoljenka—zult aanspreken, en hoe gij ons zult berispen, mij omdat ik met mijne vingers eet en hem omdat zijne handen niet schoon zijn.“Wanneer ik keizer van Rusland was, of als men mij Peru zou willen schenken, in één woord indien er eene toovergodin kwam, die mij toestond een’ wensch te doen, dan zou ik niets anders vragen, dan dezen droom werkelijkheid te laten worden. Ik weet het wel dat gij er niet van houdt den tijd vooruit te loopen, maar wat steekt er voor kwaad in? En het schenkt mij zoo’n groot genoegen. Ik vrees dat ik egoïstisch ben geweest en uw deel van ’t geluk te klein heb gemaakt. Ook dat de smart zoo diepe sporen in uw hart heeft achtergelaten, dat gij niet meer ten volle van de toekomst kunt genieten.“Zeg, lieve tante, zoudt gij niet gelukkig zijn? Het kan alles nog eens werkelijkheid worden en de hoop is zoo zoet. Mijne tranen beginnen weer te vloeien. Waarom toch is dit steeds zoo als ik aan u denk? Het zijn tranen van geluk die in mijn oogen dringen omdat ik u mag liefhebben. Al trof het grootste ongeluk mij ook, volkomen ongelukkig zou ik niet zijn, zoolang gij nog in leven zijt. Herinnert gij u het afscheid nog bij de kleine kapel van Uwerskaja, toen wij naar Kazan verhuisden? Toen, als door een ingeving, op het laatste oogenblik, begreep ik wat gij voor ons geweest waart, en hoewel ik nog een kind was, hebben mijne tranen en een paar gestamelde woorden u kenbaar gemaakt wat er in mij omging. Ik heb steeds van u gehouden, maar het gevoel dat mij bij de kleine kapel doordrong en mij ook nu beheerscht is geheel iets anders, het is sterker en hooger.“Nu moet ik u iets bekennen waarvoor ik mij diep schaam, maar ik moet het u vertellen om mijn geweten te ontlasten. Vroeger, bij ’t lezen van uwe brieven, dacht ik dat gij overdreeft in uwe uitingen van genegenheid voor mij, maar nu, terwijl ik ze herlees, begrijp ik uwe onbegrensde liefde en uwe verheven ziel. Ik ben er van overtuigd dat iedereen behalve gij, die de laatste twee brieven zou lezen, ook mijvan overdrijving zou beschuldigen. Van u vrees ik dat oordeel niet; gij kent mij te goed en weet dat mijne gevoeligheid misschien mijn eenige goede hoedanigheid is. Aan haar dank ik de schoonste oogenblikken van mijn leven. Maar in ieder geval is dit de laatste brief, waarin ik mij veroorloof mij zoo overdreven uit te drukken,—overdreven voor onverschilligen, maar niet voor u.“Sedert mijne reis en mijn verblijf in Tiflis is er geene verandering in mijne leefwijze gekomen. Ik tracht zoo weinig mogelijk kennissen te krijgen en word niet intiem met degenen die ik heb. Men heeft zich reeds aan mijne manieren gewend; niemand maakt het mij meer lastig en ik ben zeker dat men mij een’ zonderling en een’ trotschaard noemt.“Het is echter geen trots, het is geheel van zelf gekomen. Door mijne opvoeding, mijn voelen en denken verschil ik zooveel van de anderen, dat ik onmogelijk met genoegen in hun gezelschap kan zijn. Nikolaas verstaat de kunst, ondanks het groote onderscheid dat er tusschen hem en die heeren bestaat, zich met hen te amuseeren en zich bovendien nog bemind te maken. Het is waar dat mijne wijze van leven niet geschikt is om plezier te maken, maar daar denk ik ook sinds lang niet meer aan. Ik begin nu smaak te krijgen in het lezen van geschiedkundige werken; dit was steeds een punt van verschil tusschen u en mij, maar nu ben ik het geheel met u eens. Mijn letterkundige arbeid gaat ook een gangetje, maar voorloopig denk ik er nog niet aan iets te laten drukken.“Ik heb een geschrift, dat ik lang geleden ben begonnen, reeds driemaal omgewerkt en ik zal het, om het naar mijn’ zin te krijgen, nog eens voor de vierde maal veranderen.“Misschien gaat het er mee als met het werk van Penelope; daarom zal ik er echter geen’ tegenzin in krijgen: ik schrijf voor mijn nut en genoegen en niet uit eerzucht. Hoewel ik er dus vervan af ben mij te amuseeren, verveel ik mij ook niet. Ten eerste heb ik bezigheid, maar bovendien smaak ik een genot, veel beter en verhevener dan het gezelschapsleven mij ooit had kunnen schenken: ik leef in vrede met mijn geweten, ik begin mij zelf te kennen en goede en edele gevoelens ontwaken in mij.“Er was een tijd dat ik trotsch was op mijn verstand, mijne positie in de wereld en mijn’ naam, maar tegenwoordig weet en voel ik, dat, zoo er iets goeds in mij is en zoo er iets bestaat waarvoor ik de Voorzienigheid dankbaar moet zijn, het hierin bestaat, dat Zij mij een goed hart heeft geschonken en mij gevoelig maakte voor de liefde. Aan haar alleen dank ik de heerlijkste oogenblikken van mijn leven, die ik hier dikwijls geniet, ondanks alle afwezigheid van vermaak en gezelschap. Ik ben niet slechts tevreden, ik ben dikwijls gelukkig.”Na in Februari te hebben deelgenomen aan een’ veldtocht, waarbij hij in rang werd verhoogd, keerde Tolstoi in Maart weer naar Starogladowskaja terug.In dezen tijd kwam hij tot het besef dat er drie hartstochten waren die zich steeds tusschen hem en de verwezenlijking van zijn ideaal plaatsten: het spel, de wellust en de eerzucht waren zijne grootste vijanden. In zijn dagboek schreef hij:1. “Dehartstochtvoor het spel is een baatzuchtige hartstocht, die langzaam tot een gewoonte aangroeit. Hiertegen kan men strijden.2. “De wellust is eene physieke, eene lichamelijke behoefte, die door de verbeelding wordt opgezweept en sterker wordt wanneer men haar wil beheerschen. Het is zeer moeilijk hem te bestrijden. Het beste middel is arbeid en inspanning.3. “De eerzucht is een hartstocht, die minder schadelijk is voor een ander dan voor ons zelf.”Verder lezen wij de volgende bespiegeling:“Sedert eenigen tijd kwelt mij het berouw over het verloren gaan van de beste jaren van mijn leven. En van dat oogenblik af aan heb ik gevoeld, iets goeds tot stand te kunnen brengen. Het zou belangwekkend zijn, de geschiedenis van mijne moreele ontwikkeling neer te schrijven, maar niet alleen ontbreken mij daarvoor de woorden, zelfs mijne gedachten reiken niet zoo ver.“De grootsche gedachte kent geen perken, maar voor iederen schrijver komt een grens, die hij niet kan overschrijden. Er is iets in mij, dat mij zegt, dat ik voor iets anders ben geboren dan de groote menigte.”Deze woorden zijn de eerste vage aanwijzingen dat Tolstoi zich van zijn kunnen bewust werd. Ik moet hier opmerken dat zij zijn neergeschreven vóór de voltooiing van zijnKinderjaren, dus voordat hij wist dat zijn werk zoo goed geslaagd was. In dien tijd openbaarde zich in hem de geheimzinnige kracht, die hem verhief tot een der verheven dragers van het zedelijke ideaal der menschheid.In Mei kreeg hij verlof en reisde hij naar de bronnen van Pjatigorsk om genezing te zoeken voor de rheumatiek die hem voortdurend plaagde. Vandaar schreef hij een’ brief aan zijne tante, waarin hij zijn innigste zieleleven bloot legde en waaruit ons tevens blijkt, dat hij onophoudelijk werkte aan zijne innerlijke volmaking.In een’ brief aan zijn broer Sergius geeft hij eene karakteristieke schets van het leven te Pjatigorsk.“Wat zal ik je van mijn leven vertellen? Ik heb reeds drie brieven geschreven en in iederen brief hetzelfde. Ik zou je wel graag mijn innerlijk leven beschrijven maar dat is even moeilijk als een vreemdeling aan het verstand te brengen hoe Toela er uitziet, iets dat wij helaas maar al te goed weten. Pjatigorsk heeft iets van Toela, maar is toch weeranders, het is in den Kaukasus. Het familieleven en de publieke plaatsen spelen hier de hoofdrol. De conversatie bestaat hier uit de zoogenaamde landeigenaren (een naam die men hier allen nieuwelingen geeft), die met verachting op de beschaving der anderen neerzien, en uit de heeren officieren, die het uitgaan hier als de hoogste zaligheid beschouwen. Een van hen, hij staat bij onze batterij, kwam mij laatst bezoeken. Je hadt zijne verrukking en opgewondenheid eens moeten zien, toen wij naar de stad reden. Van te voren had hij al veel verteld van ’t genot dat ons te wachten stond: het flaneeren over den boulevard waar een muziekkorps speelde, en dan het gaan naar den confiseur, waar iedereen kwam en waar men verbazend gemakkelijk kennis aanknoopte, zelfs met families. Schouwburg, gezellige samenkomsten, ieder jaar trouwpartijen, duels... in één woord op en top ’t Parijsche leven. Nauwelijks waren we dan ook aangekomen of mijn officier ging, gekleed in nauwsluitenden pantalon, met épauletten op zijn schouders en rinkelende sporen aan zijn laarzen, onder de tonen der muziek wandelen op den boulevard. Vervolgens ging het naar den confiseur, den schouwburg enz. Maar voor zoover mij bekend is, bestond na eene geheele maand zijn kring van kennissen niet uit huwbare dochters van rijke landeigenaren of uit talrijke familie’s, die hare deuren voor hem openzetten, maar werd hij slechts in één huis ontvangen, en dan nog in een huis waar twee families in één kamer wonen en waar thee met klontjes wordt gedronken. Bovendien gaf deze officier in één maand twintig roebel uit voor port en bonbons en kocht hij zich een bronzen spiegel voor tafelversiering. Nu loopt hij in eene oude overjas, zonder épauletten, drinkt staalwater zooveel hij maar kan, alsof hij werkelijk de kuur meemaakt, en verwondert zich dat hij, hoewel hij toch iederen dag ging wandelen op den boulevard, den confiseur bezocht en geen geld spaarde voor rijtuigen, handschoenen,enz., maar niet in kennis is gekomen met de pic-nics en bals arrangeerende aristokratie.“Bijna alle officieren die hier heen komen ondergaan hetzelfde lot; zij doen alsof zij waarlijk voor de bronnen hier zijn, loopen moeilijk, dragen verbanden, drinken veel en vertellen wonderlijke geschiedenissen van de Tscherkessen. Teruggekeerd in het regiment zullen ze vertellen, dat zij in de beste gezelschappen toegang hadden, en ieder seizoen komen de menschen van alle kanten om zich hier te vermaken.”Zooals blijkt uit een’ brief aan zijne tante schreef Tolstoi zijne vertellingKinderjarengedeeltelijk te Pjatigorsk. Zijn gemoedstoestand bleef steeds dezelfde en altijd nog had hij een zwaren strijd met zich zelf te voeren.Den 29enJuni schreef hij in zijn dagboek de volgende gedachten neer die ons eene wereldbeschouwing doen kennen, waarmede zijne tegenwoordige ideeën nog geheel overeenstemmen.“De stem van het geweten is onze beste en vertrouwbaarste gids, maar hoe kunnen wij haar van de andere stemmen onderscheiden? De stem der eerzucht laat zich even luid hooren.“De mensch, die slechts zijn eigen geluk zoekt, is slecht; degene die zich richt naar de meening van anderen is zwak; hij die het geluk van anderen beoogt is deugdzaam; maar die zijn geluk zoekt in God is groot.”Ook deze gedachte vinden wij terug in al zijne werken van den lateren tijd:“Hoog staat de gerechtigheid, waarnaar iedereen moet streven; hooger het streven naar de volmaking, al het lagere is zonde.”Tolstoi beëindigde den 2enJuni zijn werkKinderjarenen zond het aan denSawremjennik.16Hij schreef onder de initialen L. N. T. en de redactie wist langen tijd niet wie zich daarachter verschool.

Zevende hoofdstuk.Kaukasus.Tolstoi’s mislukte pogingen op landhuishoudkundig gebied, de onmogelijkheid om in de gewenschte verhouding tot zijne lijfeigenen te komen, zijn hartstochtelijk, gevaarlijk, in alle opzichten verwilderd leven, brachten hem eindelijk tot het besef, dat het zoo niet blijven kon. Zijn leven was zóó verward, hij zelf was zóó gezonken, dat hij alles wel aan wilde grijpen om het te veranderen. Zijn zwager, toen nog de verloofde van zijne zuster, moest vóór zijn huwelijk nog eenige zaken in Siberië regelen. Hij had afscheid genomen en was reeds onderweg, toen plotseling Tolstoi bij hem in den reiswagen sprong, en wij gelooven dat het alleen aan de omstandigheid dat hij muts en pels vergeten had te danken is, dat hij niet met zijn’ zwager meeging.Eindelijk gebeurde er iets, dat hem in de gelegenheid stelde een ander leven te beginnen. Zijn oudste broer Nikolaas, die als officier in ’t leger diende, was met verlof uit den Kaukasus overgekomen. Tolstoi nam het besluit, en volvoerde dat ook, om met hem terug te keeren.Den 20enApril 1851 vertrokken zij van Jasjana Paljana naar Moskou, waar zij eenige weken vertoefden, en vanwaar hij den volgenden brief schreef:“Ik heb op de promenade van Sakolnik gewandeld, maar het was zulk een afschuwelijk weer, dat ik tot mijne spijt niet ééne dame uit onzen kring heb gezien. Gij beweert altijd, dat ik iemand ben die van proefnemingen houdt. Nu, ik heb me onder ’t plebs begeven, waar de Zigeuners hunne tenten opslaan. Gij kunt u levendig voorstellen welk een’ strijd ik daar moest strijden, maar ik ben overwinnaar gebleven, d.w.z. ik heb de vroolijke afstammelingen van de doorluchtige Pharao’s niets dan mijn’ zegen achtergelaten. Nikolaas vindt, dat ik een zeer aangename reisgenoot ben; alleen ergert hij zich dat ik, zooals hij zich uitdrukt, twaalf maal per dag mijn linnen verwissel. Ik vind hem ook aangenaam op reis, alleen niet zindelijk genoeg. Ik weet niet wie van ons beiden gelijk heeft.”1Van Moskou gingen zij naar Kazan, waar zij Joeschkoff, den man van hunne tante Pelageja, en ook nog eene vriendin van deze laatste, de origineele, verstandige Zagoskina, de directrice van het Kazansche vrouwen-instituut, opzochten.Bij deze Zagoskina kwamen zeer veel jongeluicomme il fautaan huis, o.a. de procureur Ogolin, met wien Tolstoi eene bijna vriendschappelijke betrekking aanknoopte. Samen gingen zij Joeschkoff op zijn landgoed een bezoek brengen, waarbij zich het volgende vermakelijke incident voordeed:“Gij kunt u nauwelijks,” zoo vertelt Tolstoi, “de verbazing voorstellen van mijn’ oom, toen hij Ogolin, den altijd keurigen, correcten, in uniform met kruis en lint gekleeden Ogolinonder de volgende omstandigheden bij zich zag. Wij waren voorgereden, en terwijl de knecht ons aandiende stelde ik Ogolin voor eens te probeeren, wie het vlugst in een der tegenover het huis staande berkeboomen kon klimmen. Het duurde lang voordat mijn oom, die daar juist op aan kwam, van zijne verbazing was bekomen.”Volgens Tolstoi’s eigen woorden was in dien tijd zijn oordeel over menschen en dingen nog zeer oppervlakkig en lichtzinnig, hetgeen zijn broer Nikolaas hem zoo nu en dan liet voelen. Zoo kwamen zij eens op eene wandeling een rijtuig tegen waarin een heer zat, die met zijne beide ongehandschoende handen op zijn stok leunde.“Wat een poen,” zei Tolstoi.“Waarom?” vroeg Nikolaas.“Hij heeft niet eens handschoenen aan!” “En denk je dat hij daarom een poen is?”, antwoordde Nikolaas met zijn fijn, nauwelijks zichtbaar glimlachje.Nikolaas dacht en handelde geheel anders dan andere menschen, en deed eenvoudig wat hij goed oordeelde. Zoo kwam hij op het denkbeeld niet de gewone reisroute te volgen, maar te paard tot Saratoff te gaan, vandaar per schuit langs de Wolga naar Astrakan, en dan met de postkoets naar de plaats hunner bestemming. Zoo geschiedde het. In Saratoff namen zij eene schuit, laadden daar den reiswagen op, en met behulp van een’ loods en twee roeiers zakten zij, soms zeilende, soms drijvende, dan weer roeiende, den stroom af. Na eene reis van een paar weken bereikten zij Astrakan, vanwaar Tolstoi zijne tante den volgenden brief stuurde:“Wij zijn nu in Astrakan en hebben nog wel een 400 K.M. voor den boeg. In Kazan heb ik het zoo prettig mogelijk gehad. Tot aan Saratoff was de reis onaangenaam, maar als vergoeding kregen wij het poëtische boottochtje tot Astrakan, bekoorlijk door de afwisseling en de eigenaardigemanier van reizen. Gisteren heb ik Maria een langen brief over mijn verblijf te Kazan geschreven. Om niet in herhalingen te vervallen, vertel ik er u niets van. Tot nu toe bevalt de reis me heel goed. Ik heb veel in mijn hoofd om over na te denken en de afwisseling op zich zelf is mij reeds aangenaam. In Moskou heb ik me geabonneerd, zoodat ik overvloed van lectuur heb. Ik lees veel, zelfs in den reiswagen. Verder draagt het gezelschap van Nikolaas, zooals ge wel kunt denken, veel tot mijn genoegen bij. Met mijne gedachten ben ik steeds bij u allen, en soms maak ik me er een verwijt van, het leven, dat uwe liefde mij zoo aangenaam maakte, te hebben verlaten; gelukkig is het maar tijdelijk en het weerzien zal des te prettiger zijn. Zoo ik meer tijd had gehad zou ik Sergius ook hebben geschreven; daar wacht ik nu liever mee, tot ik ter plaatse en meer op mijn gemak ben. Groet hem van mij en zeg hem, dat het mij zeer spijt dat er in den laatsten tijd eene verkoeling tusschen ons is ontstaan, waarvan alleen ik de schuld draag.”2Om den lezer een duidelijk begrip te geven van Tolstoi’s leven in, en van zijne vertellingen over den Kaukasus, laten wij hier met een paar woorden volgen, wat onder den Kaukasus moet worden verstaan.Het Russische rijk had zich inwendig versterkt, om in staat te zijn de Tartaarsche bevolking te beoorlogen. De Russen begonnen met de Tartaren naar het Zuid-Oosten terug te dringen en stootten, na het Kazansche en Astrakansche rijk te hebben overwonnen, op de wilde bergbewoners van het noordelijke deel van den Kaukasus. In het begin der 19deeeuw werd ter hunner bestrijding op den linkeroever van de Tjerek en op den rechter van de Koeban eene geheelelinie kozakken gestationeerd. Het meer zuidelijk gelegen Groezintische rijk, dat tot nu toe onafhankelijk was geweest, onder een eigen vorst, Gherakli II, werd door de Russen overwonnen. Om politieke redenen was het gewenscht de bergbewoners, zich ophoudende tusschen Groezië en Rusland, aan het Russisch gezag te onderwerpen, waardoor een strijd ontbrandde, die meer dan 50 jaren duurde. De Russen, gelegerd op de oevers van de Tjerek en de Koeban, schoven langzaam op naar de bergen, maar grootendeels beperkte de strijd zich tot plotselinge overrompelingen van de woonplaatsen der bergbewoners. Het vee werd meegenomen, de weiden vertrapt, zooveel mogelijk gevangenen werden gemaakt en dan trokken de Russen weer terug naar hun stanitza3. De bergbewoners van hun’ kant lieten zich ook niet onbetuigd: zij vervolgden den vijand en brachten hem groote verliezen toe. Zij verborgen zich achter wallen, in bosschen en spelonken van ’t gebergte, kwamen dan op het onverwachtst te voorschijn en drongen zelfs door in de stanitza, waar zij een groote slachting aanrichtten en veel gevangenen maakten, mannen zoowel als vrouwen. Er kwamen oogenblikken dat de strijd verflauwde, om daarna echter weer des te verwoeder los te breken onder den invloed van eenige fanatieke leiders, die de bergbewoners, onder voorwendsel dat zij een heiligen strijd tegen ongeloovigen streden, steeds opnieuw tot den oorlog aanvuurden. De allergrootste verliezen werden den Russen toegebracht door de Tschetschenskische bevolking, die zich ophield in de boschrijke vlakten gelegen aan de zijrivieren van de Tjerek en in de woeste bergen van Itschkerië.De aanvallen van den kant der Russen waren heftiger of zwakker, naarmate hunne aanvoerders meer of minder krachtige persoonlijkheden waren.In 1856 namen de zaken een anderen keer, door het optreden van den stadhouder van den Kaukasus, vorst Barjatjinski, die zeer veel invloed had op Keizer Alexander II. Hij verzamelde een leger van 200.000 man (meer dan daar ooit te zamen was geweest) en liet een groot gedeelte er van optrekken tegen Tschetschna, Itschkerië en Daghestan, streken die in handen waren van den bekenden Schamil. Deze Schamil, die door de bergbewoners om zijn moed, geestkracht en vastberadenheid als een god werd aangebeden, moest het onderspit delven voor de voor niets terugwijkende overmacht van het Russische leger onder Jewdokimoff. In het jaar 1857 viel Schamils residentie, en in 1859 moest hij zelf zich met zijne nieuwe vesting Daghestanskaja aan vorst Barjatjinski overgeven.In 1850 werd bovengenoemde vorst opperbevelhebber van den linkervleugel van het Kaukasische leger.De aankomst van Leo Tolstoi in den Kaukasus, viel voor in dezen tijd en daarop hebben ook de verhalenDe Overrompeling,De Kozakkenen andere betrekking.De beide broers reisden van Astrakan in eene postkoets over Kizljar naar Starogladowskaja, de plaats hunner bestemming, waar Tolstoi, die als particulier persoon in den Kaukasus aankwam, bij zijn’ broeder ging inwonen.De eerste indruk, dien hij van den Kaukasus kreeg, was niet schitterend. Spoedig na aankomst schreef hij zijne tante:“Einde Mei ben ik hier in het kamp aangekomen. Ik heb nu van nabij het leven gezien dat Nikolaas leidt en kennis gemaakt met de officieren van zijn’ kring. Dat leven trekt mij niet erg aan, evenmin als het land, dat ik me heel mooi had voorgesteld en het absoluut niet is. Daar de stanitza op een laag terrein ligt, hebben we in ’t geheel geen uitzicht; het logies is slecht en ontbloot van alle comfort.“Wat de officieren betreft, die zijn, zooals ge u kunt voorstellen, menschen zonder opvoeding maar dapper, en zij houden over ’t algemeen heel veel van Nikolaas.“Alexejeff, zijn chef, is een klein, rossig, goedig mannetje met snor en bakkebaarden en een doordringende stem; hij herinnert even aan A. S. Wolkoff, maar is niet zoo’n huichelaar. De jonge officier W.... is een kind, maar een goed kind, die aan Petroescha doet denken. Dan Bjelkowski, een oude kapitein der Kozakken uit den Oeral, een eenvoudige man, maar een dapper en braaf soldaat. Ik wil u wel eerlijk bekennen, dat er in ’t begin heel veel was in dit gezelschap dat mij niet aangenaam aandeed; nu ben ik er echter aan gewend, maar ik zal toch nooit intiem met die heeren worden.“Ik heb het middel gevonden—daarvoor behoef ik slechts Nikolaas’ voorbeeld te volgen—om noch te veel op een afstand, noch te familiaar met hen om te gaan.”4In Starogladowskaja bleef Tolstoi niet lang, daar hij zijn’ broer vergezelde, die ter dekking van de gewonden naar Stari-Joert werd gezonden, waar juist een warm-waterbron was ontdekt. Volgens Tolstoi’s verhalen is Stari-Joert een bijzonder mooi gelegen plaatsje, met ongeveer 1500 inwoners. Even hooger bevindt zich de staalbron, die, naar men gelooft, nog meer geneeskracht heeft dan de Pjatigorkische bronnen. De temperatuur van het water is zóó hoog, dat, toen de hond van Nikolaas Tolstoi er eens in viel, hij zulke hevige brandwonden kreeg dat hij er aan stierf.De bron verdeelt zich in eene menigte kleine beekjes, zóó ondiep dat men ze gemakkelijk kan afdammen. De inwoners gebruiken ze als drijfkracht voor hunne molens.De volgende brief, door Tolstoi aan zijne tante geschreven, zal ons daar meer van vertellen.“Nikolaas moest een week na aankomst weer verder, en ik ben met hem meegegaan. We zijn nu sedert drie weken hier, en wonen in eene tent, wat mij, daar het weer heel mooi is en ik reeds begin te gewennen, heel goed bevalt. Men heeft hier prachtige vergezichten van de bron uit.“’t Is een enorme, steenachtige berg; sommige rotsen liggen, een soort van grot vormend, los op elkaar, andere weer blijven op groote hoogte hangen. Zij zijn los gescheurd door den stroom warm water, die steeds met veel geraas neerstort. Een witte damp, die uit het warme water opstijgt, omringt voortdurend het hoogere gedeelte van den berg. Het water is zoo warm dat een ei in drie minuten gekookt is. Een schilderachtig effect maken drie eigenaardig geconstrueerde molens die, in ’t midden van het ravijn, in den hoofdstroom staan. De vrouwen van de Tartaren loopen den geheelen dag af en aan om daar hunne kleeren te wasschen. Verbeeld u, zij wasschen met hunne voeten. Het lijkt precies een groote mierenhoop. De vrouwen zijn over ’t algemeen mooi en goed gebouwd; hare Oostersche kleeding is armoedig maar sierlijk. De schilderachtige groepjes van deze vrouwen, gevoegd bij de wilde schoonheid van de natuur, levert werkelijk een prachtigen aanblik op. Soms zit ik uren het landschap te bewonderen. Boven op den berg is het uitzicht nog mooier en weer geheel anders, maar—ik vrees dat ik u met mijne beschrijvingen ga vervelen.“Ik vind het heel aangenaam dat ik bij de bronnen ben en profiteer er van, neem staalbaden en heb nu geen pijn meer in mijne voeten. Steeds had ik last van rheumatiek en ik geloof dat ik met ons watertochtje nog meer kou heb gevat. Zelden heb ik me zoo goed gevoeld als tegenwoordig en ondanks de groote hitte neem ik veel beweging.“Er zijn hier veel officieren, van ’t zelfde soort als die iku vroeger heb beschreven. Ik ken ze allen en sta op den zelfden voet met hen als met de anderen.”5Van uit Stari-Joert nam Tolstoi als vrijwilliger deel aan de strooptochten die tegen de bergbewoners werden ondernomen. Deze tijd schonk hem oogenblikken van poëtische verrukking; daarvan lezen wij in zijn dagboek:Stari-Joert, 11 Juni 1851.“Gisteren nacht heb ik geen oog dicht gedaan. Nadat ik mijn dagboek had bijgewerkt, deed ik mijn gebed. Het is mij niet mogelijk het zalige gevoel te beschrijven dat mij daarbij doortrilde. Ik begon met het Onze Vader en de andere gebeden, die ik gewoonlijk zeg, doch bleef daarna nog lang in gepeins verzonken. Indien men het gebed als een verzoek of eene dankzegging beschouwt, dan bad ik niet. Ik verlangde iets onzegbaar hoogs en verhevens, maar uiten kon ik het niet, hoewel het mij zelf heel duidelijk was wat ik wenschte; ik wilde gelijk worden aan een bovenaardsch wezen en smeekte God mij mijne zonden te vergeven; neen, dat vroeg ik niet, want ik voelde dat, waar mij deze zalige oogenblikken geschonken werden, mijne zonden reeds waren vergeven. Ik bad en tevens voelde ik dat ik niet behoefde te bidden, dat ik er niet toe in staat was en dat ik het niet kon. Ik dankte God, maar zwijgend, niet met woorden. Mijn ziel was één gebed, één dankzegging. Het gevoel van angst was geheel verdwenen. Geen Geloof, geen Hoop, geen Liefde maakte zich los van dit alles overheerschende gevoel. Stil,—dit was het gevoel, dat mij gisterenavond beheerschte: het was de liefde tot God, de liefde die alles wat goed is in zich heeft, die alles wat slecht is van zich verwijdert. Hoe vreeselijkwas het mij te blikken naar die lage, slechte zijde van het leven, en hoe onbegrijpelijk dat ik mij ooit door haar liet meesleepen! Hoe innig bad ik God, mij in zijne hoede te nemen. Ik voelde mij los worden van de aarde, ik was ... maar neen, het aardsche, het lage herkreeg reeds weer zijn macht over mij, en nauwelijks was er een uur verloopen of, bijna zoo duidelijk alsof ik haar hoorde, lokte de stem van het lage, de stem van de ijdelheid mij; ik wist waar die stem vandaan kwam, ik wist dat zij mijne zaligheid zou verwoesten, dat ik zou strijden, maar dat zij zou overwinnen. Ik sliep in en droomde van macht en van vrouwen; maar ik had geen schuld, ik kon niet anders.“De eeuwige zaligheid is hier op aarde niet te bereiken. Wij moeten lijden. Waarom? Ik weet het niet. En hoe durf ik zelfs zeggen: ik weet het niet. Hoe waagde ik het te denken dat ik de wegen der Voorzienigheid zou kunnen doorgronden. Zij is de bron van het verstand, en het verstand wil haar begrijpen.... Het verstand verdwaalt langs de afgronden van deze wijsheid en het gevoel vreest haar te beleedigen. Ik dank God voor dat oogenblik van zaligheid, waarin hij mij mijne grootheid en mijne kleinheid liet aanschouwen. Ik wil bidden maar ik kan niet. Ik wil begrijpen maar ik kan het niet. Heer, in Uwe handen beveel ik mijne ziel!“Waarom heb ik dit alles neergeschreven?“Hoe laag bij den grond, hoe zinneloos heb ik mijne gedachten uitgedrukt, en zij waren toch zoo hoog!”Deze vlagen van religieuse verrukking veranderden dikwijls in angst en apathie. Den 2denJuni, nog steeds in Stari-Joert, schreef hij in zijn dagboek:“Nu denk ik, wanneer ik mij al die droevige oogenblikken uit mijn leven te binnen breng, die mij als lood terneer drukken ... maar neen, er is reeds te weinig vreugde in het leven, veel te gemakkelijk te bereiken stelt de mensch zichhet geluk voor, veel te vaak—en waarom?—slaat ons het noodlot, weerklinkt smartelijk in ons de gevoeligste snaar, dan dat wij het leven nog lief konden hebben; en daarbij, er ligt iets zoets, iets verhevens in de onverschilligheid tegenover het leven, en ik geniet van die gevoelens. Hoe sterk voel ik mij tegenover de vaste overtuiging, dat ons niets meer wacht dan de dood; en dadelijk daarna herinner ik mij met blijdschap, dat mijn paard mij wacht, dat ik naar Tscherkesk zal rijden, de vrouwen zal naloopen, en het maakt me wanhopig, dat de eene punt van mijn snor hooger reikt dan de andere, en twee volle uren sta ik voor den spiegel om dit te veranderen.”Tolstoi veranderde verschillende malen van verblijfplaats, omdat zijn broer Nikolaas, wiens standplaats eigenlijk Starogladowskaja was, dikwijls naar Stari-Joert werd gezonden en hij hem dan steeds vergezelde.Door het feit, dat de schilderachtige beschrijvingen in Tolstoi’s eerste werken alle op Stari-Joert betrekking hebben, heeft dit plaatsje eene historische vermaardheid verkregen. De prachtige natuur van het noordelijk gedeelte van den Kaukasus, de bergen, de Tjerek, de onverschrokkenheid van de Kozakken, hunne primitieve leefwijze, alles werkte mee om zijn genie, steeds strijdende voor het ideaal der waarheid, den weg te wijzen. In zijn werkDe Kozakkenbeschrijft Tolstoi den overweldigenden indruk, dien de grootsche natuur op hem maakte.“Het was een klare, heldere morgen. Plotseling zag Oljenin, zooals hij eerst meende op nauwelijks twintig schreden afstand, de omtrekken van iets overweldigend groots, smetteloos wit, zich vaag, in grillige lijnen afteekenend tegen den ver verwijderden hemel. Maar toen hij begreep dat er een groote afstand was tusschen hem en de bergen en hij doordrongen werd van hun onuitsprekelijke schoonheid, toen washet hem alsof hij droomde. Hij stond op om geheel wakker te worden, en zie—de bergen bleven.“‘Wat, wat is dat?’ vroeg hij zijn’ begeleider.“‘Natuurlijk bergen,’ antwoordde de drijver.“‘Ik heb er ook reeds lang naar gekeken,’ zei Wanjoescha. ‘Wat zijn ze mooi! Thuis zouden zij het niet kunnen gelooven.’“Steeds verder en verder scheen de bergketen, waarvan de toppen door de morgenzon zacht rose werden getint, bij de snelle nadering van de troika terug te wijken. Eerst was het bewondering, toen verrukking die Oljenin aangreep op het gezicht van deze sneeuwbergen. En turende naar de blanke toppen der bergen, oprijzende uit de steppen, begon hij te begrijpen, werd hij geheel doordrongen van hunne grootsche schoonheid. En alles wat hij zag op den weg en alles wat hij dacht zag hij in het licht van die verheven bergen. Zij verdreven alles uit zijne herinnering, zijne dwalingen, zijne droomen, zijne schande en zijn berouw, alles was als weggevaagd. ‘Heden begint gij te leven,’ fluisterde eene geheimzinnige stem. En de weg en de kronkelende Tjerek en het kamp en het volk, alles kreeg een ander aanzien. Naar den hemel ziende zag hij de bergen. Hij keek naar zich zelf, hij keek naar Wanjoescha en dacht aan de bergen. Twee Kozakken op vlugge paardjes reden over den weg, maar de bergen.... Een lichte damp steeg op naar den hemel, de zon kwam op en begroette de bloemen langs den oever van de Tjerek, maar de bergen.... Uit het kamp kwam eene vrouw, zij was jong en schoon, maar de bergen.... De Abreken zwierven door de steppen, maar hij vreesde hen niet: hij was jong, hij was moedig, goed gewapend en hij droomde van de bergen.”In Augustus vinden wij Tolstoi weder in Starogladowskaja.Door de lezing van het boekDe Kozakken, dat een sterkautobiografisch karakter draagt, kunnen wij ons een juist denkbeeld vormen van de wijze waarop Tolstoi zijn tijd in de stanitza doorbracht. Zijne verhouding tot de Kozakken, zijne bewondering voor de grootsche natuur, de jacht en zijn zielestrijd, die hem nooit verliet, dat alles vinden wij in dit werk beschreven.Een klein fragment laten wij hier volgen.Oljenin, zittende in het groene bosch, komt op de volgende gedachte:“Waarom ben ik nu gelukkig en waarvoor heb ik vroeger geleefd? Wat eischte ik veel voor mij zelf en wat heb ik gewonnen? Niets dan zorg, niets dan verdriet. En zie, ik heb niets noodig om gelukkig te zijn.“Plotseling was het alsof er een nieuw licht voor hem opging. Het geluk, peinsde hij verder, bestaat klaarblijkelijk daarin, om voor anderen te leven. In iederen mensch bestaat de drang naar geluk, dat is een natuurlijke wensch. Wanneer hij het op eene egoïstische wijze gaat zoeken, d.w.z. wanneer hij voor zichzelf rijkdom, macht of liefde vraagt, dan zal het gebeuren, dat zijne wenschen onbevredigd blijven, want dat zijn geen natuurlijke maar onwettige begeerten en het verlangen naar zulk een geluk heeft geen recht van bestaan. Welke wenschen kunnen verwezenlijkt worden? Welke? De liefde en de zelfopoffering.“Deze, naar hij meende, nieuwe ontdekking maakte hem zoo gelukkig, dat hij plotseling opsprong en rondziende dacht: Voor wien kan ik mij opofferen, wien kan ik goed doen, wien liefhebben? Ik heb immers niets noodig voor mij zelf; waarom dus niet voor anderen te leven?”6De stem der liefde vond toen reeds weerklank in de zielvan den jongeling, die nog nauwelijks zijne intrede in de wereld had gedaan. Maar ook de uiterlijke omstandigheden kregen macht over dezen jongen, krachtigen man en sleepten hem mee op de wegen waar het dierlijk instinct ons voert.Het spreekt van zelf, dat het leven in de stanitza niet voorbij ging zonder dat Tolstoi, jong en hartstochtelijk als hij was, een’ roman beleefde. Hij vatte eene groote liefde op voor eene jonge Kozatschka.7De geschiedenis van deze liefde is in het werkDe Kozakkenbeschreven, maar nog duidelijker beeld kunnen wij er ons van vormen uit een’ brief, dien hij aan een’ vriend in Moskou schreef. In dezen brief zien wij Tolstoi’s groote liefde voor de natuur, zijn’ wensch om zich met haar te vereenzelvigen, en zijn verdriet als hij tot de erkenning komt, dat het niet mogelijk is; dat zijne ontwikkeling het verhindert; dat hij zich reeds zoover van haar heeft verwijderd, dat zich een afgrond heeft gevormd, die nooit meer is te dempen.“O, hoe beklaag ik je! Je hebt geen begrip van zulk een geluk en wat het leven is! Eerst moet je het leeren kennen in zijne volle schoonheid. Eerst moest je zien wat ik dagelijks voor mij zie: de eeuwige, ongerepte sneeuwbergen en de vrouw in haar verheven schoonheid,—zoo schoon als de eerste vrouw in ’t Paradijs moet zijn geweest,—en dán zal het je duidelijk worden wie van ons te gronde zal gaan, wie in de waarheid en wie in den leugen leeft, jij of ik! O, hoe beklaag ik je in je waan!“Als ik mij zelf terug denk, in plaats van met mijn huisje, mijn bosch en mijne liefde, in de salons gevuld met vrouwen met opgemaakte valsche haren, onnatuurlijke spraak, slechte en misvormde gestalten, leege salonpraatjes die moeten doorgaan voor een gesprek, dan walg ik van datalles. Wanneer ik mij die onbeteekenende gezichten voorstel, die rijke jonge meisjes, rondloopende alsof zij zeggen willen: ‘kom maar bij me, al ben ik ook rijk, gij kunt me krijgen’, het hier hangen en daar leunen, die onbeschaamde koppelarij, die eeuwige babbelpraatjes, die gekunsteldheid, de etiquette die voorschrijft wien men een hand moet geven, voor wien men moet buigen, met wien men een gesprek moet aanknoopen, en ten slotte die allesbeheerschende verveling, die overgaat van geslacht op geslacht, en dat alles in de overtuiging dat dát noodzakelijk is!“Begrijp en geloof. Begrijp wat waarheid en schoonheid is, dan zal alles wat gij voor geluk houdt, alles wat gij wenscht, voor mij, zoowel als voor u, vervliegen als kaf voor den wind. Het geluk is: leven met de natuur, haar zien, haar voelen. ‘Hij zal nog eens eene Kozatschka huwen, en geheel voor de maatschappij verloren gaan,’ hoor ik de menschen reeds medelijdend zeggen.“En ik, ik heb maar één wensch, geheel te gronde te gaan, zooals gij dat begrijpt, en eene eenvoudige Kozatschka te huwen, maar ik heb er geen moed toe, want het geluk zou te groot zijn.“Drie maanden zijn verloopen sedert ik voor het eerst Mariana zag. Nog kleefden mij alle vooroordeelen aan, die ik had meegebracht uit den kring dien ik juist had verlaten. Nooit had ik kunnen denken, dat ik voor deze vrouw liefde zou gevoelen! Ik bewonderde haar zooals ik de natuur, de bergen bewonderde, en ik kon niet anders, want haar schoonheid is aan hen gelijk.“Later, toen het mij duidelijk werd dat ik haar schoonheid niet meer kon ontberen, vroeg ik mij af of ik haar lief had, maar ik antwoordde ontkennend. Wat ik voelde kwam niet voort uit verveling, noch uit den wensch om te trouwen; het was geen platonische en geen zinnelijke liefde.“Ik moest haar zien, haar hooren, haar in mijne nabijheid weten; ik was niet wat men gelukkig noemt, maar ik was rustig.“Na een’ avond, dien ik in haar gezelschap had doorgebracht, nadat ik hare aanraking gevoeld had, begreep ik dat tusschen mij en die vrouw een band werd geweven, waartegen niet viel te strijden.“Toch heb ik mij verzet. Ik hield mij voor: kunt ge dan eene vrouw liefhebben, die nooit uw innerlijk leven zal kunnen begrijpen; kunt ge haar dan liefhebben, alleen om haar schoonheid, eenvoudig als een vrouwelijk beeld? Maar ik hield reeds van haar, hoewel ik het mij zelf niet wilde bekennen.“Na dat feestje, waarop ik voor ’t eerst met haar sprak, kwam er eene verandering in onze verhouding. Vroeger beschouwde ik haar als een vreemd, verheven voortbrengsel der natuur; nu werd zij een mensch voor mij. Ik begon haar gezelschap te zoeken, sprak met haar, bezocht haar vader soms op het werk en bracht geheele avonden in haren familiekring door.“En toen ik haar nader trad, bleef zij toch voor mij even rein, gesloten en verheven. Zij antwoordde mij steeds even rustig, uit de hoogte en kalm. Soms was zij vriendelijk, maar meestal drukte iedere blik, iedere beweging onverschilligheid uit, doch niet minachtend, altijd betooverend. Met een geveinsd lachje, maar met een inwendig hartstochtelijk verlangen, sprak ik met haar over onverschillige dingen en trachtte haar iederen dag nader te komen. Zij merkte dat ik huichelde, maar zag mij steeds eenvoudig en recht in de oogen. Ik kon het niet langer verdragen. Liegen wilde ik niet voor haar, ik wilde alles uitspreken wat ik voelde. Wij waren in den tuin. Ik was zeer opgewonden en verklaarde haar mijne liefde, met woorden waarvoor ik mij nu nog schaam, want zij stond zooveel hooger dan deze woorden, waarmee ik haar mijne liefdete kennen gaf. Toen zweeg ik, maar van dien dag af werd mijne positie onverdraaglijk.“Ik wilde mij niet voor haar vernederen en op den zelfden voet als vroeger met haar omgaan, en ik voelde dat ik niet in staat was gewoon met haar te zijn. Wanhopig vroeg ik mij af wat ik doen moest.“In mijne droomen zag ik haar als mijne geliefde, als mijne vrouw, en beide gedachten stootte ik vol afschuw van mij. De gedachte haar als eene deern te beschouwen was verschrikkelijk, stond gelijk met een moord, en haar tot eene barinja8te maken nog erger.“Als ik een Kozak kon worden als Loekaschka, paarden stelen, tschichir9drinken, lustig zingen, menschen dooden en ’s nachts dronken door het venster in haar kamer klimmen, zonder te bedenken wie ik ben en wat ik wil—dan konden wij elkaar begrijpen en dan kon ik gelukkig zijn!”Maar als Loekaschka worden kon hij niet en dus was dat geluk niet voor hem weggelegd.In September schreef hij zijne tante een’ brief, waaruit reeds duidelijk de toekomstige schrijver te herkennen is.Hier treft ons vooral de doordachte wijze waarop hij zich weet uit te drukken. Waarschijnlijk bestormden hem toen reeds tal van gedachten en deed hij zorgvuldig eene keuze voordat hij ze aan het papier toevertrouwde. Op de volgende wijze drukt hij zijne gevoelens uit:“Gij hebt mij verschillende malen verteld, dat gij uwe brieven nooit in klad schrijft. Ik heb uw voorbeeld gevolgd, maar ben er niet wel bij gevaren, want dikwijls overkomt het mij, dat ik bij overlezing alles weer verscheur. Dat gebeurt niet uit valsche schaamte, want eene spelfout, een klad of een verdraaide zin hinderen mij niet, maar omdatik het nog niet zoo ver heb gebracht, mijne pen en mijne gedachten de juiste richting te geven.10“Juist heb ik een’ brief verscheurd, omdat ik veel dingen gezegd had, die ik had willen zwijgen, en omgekeerd. Gij denkt misschien dat ik me nu anders toon dan ik ben en zult zeggen, dat dit niet goed is tegenover menschen waarvan wij houden en die wederkeerig veel om ons geven. Ik moet dat toestemmen, maar stem gij dan ook toe, dat wij wel alles aan een’ persoon die ons onverschillig is, vertellen, maar dat wij voor iemand, waar we veel van houden, vaak sommige dingen zouden willen verzwijgen.”In ’t bewustzijn van zijne jonge kracht ontwaakte in hem de drang om die te gebruiken, zoodat hij besloot in gezelschap van zijn’ vriend Jepischka (inDe Kozakkenbeschreven onder den naam Jeroschka) eene reis te gaan maken. Die reis nu leverde zeer veel gevaren op, omdat zij ieder oogenblik de kans liepen door de wilde bergbewoners te worden overvallen.Goed en wel weer teruggekomen ontmoette hij een familielid, een zekeren Ilija Tolstoi, die hem vroeg hem te vergezellen. Door dezen Ilija Tolstoi werd hij voorgesteld aan den opperbevelhebber, vorst Barjatjinski, met wien hij eenigszins op vertrouwelijken voet kwam en die hem zijne goedkeuring te kennen gaf over de ferme, flinke wijze waarop hij aan de gevechten deel nam. Tevens gaf hij hem den raad een verzoekschrift in te dienen om in het leger te worden opgenomen, daar hij nog steeds als volontair dienst deed.De vleiende woorden van den vorst en het aandringen zijner familie deden Tolstoi besluiten dien raad op te volgen.De maanden Augustus en September bracht hij door inStarogladowskaja. In September ging hij met zijn’ broer Nikolaas naar Tiflis. Deze vertrok echter na korten tijd, maar Tolstoi bleef er om zijn examen te doen en daarna in dienst te treden. Uit Tiflis schreef hij zijne tante:“Wij zijn inderdaad den 25envertrokken en na eene reis van zeven dagen, gedeeltelijk vervelend, omdat er op de wisselstations steeds gebrek aan paarden was, gedeeltelijk aangenaam door de schoonheid van het landschap, kwamen wij den 1envan deze maand op de plaats onzer bestemming.“Tiflis is een zeer beschaafde stad, die haar best doet P.... na te apen en daar vrij goed in slaagt. Men vindt er een uitgelezen, tamelijk uitgebreiden gezelschapskring, een Russisch tooneelgezelschap en eene Italiaansche opera, waarvan ik zooveel profiteer als mijne armzalige middelen mij toelaten. Ik heb mijn’ intrek genomen in het Duitsche kwartier; het is wel is waar eene voorstad, maar heeft voor mij een dubbel voordeel. Ten eerste is het er mooi; rondom zijn tuinen en wijnaanplantingen, zoodat men zich kan verbeelden buiten te zijn (’t is nog heerlijk weer; tot nu toe hebben we nog geen sneeuw of ijs gezien). Ten tweede betaal ik voor twee vrij zindelijke kamers vijf roebel per maand, terwijl ik voor eene dergelijke woning in de stad minstens veertig zou moeten geven; bovendien kan ik me gratis in het Duitsch spreken oefenen. Verder heb ik mijne boeken, mijne bezigheden en nog vrijen tijd, daar niemand mij komt storen, zoodat ik mij, alles bij elkaar genomen, niet verveel. Gij herinnert u nog wel, lieve tante, dat gij mij eens den raad hebt gegeven romans te gaan schrijven. Nu, ik heb dien opgevolgd en ben nu met een literairen arbeid begonnen. Ik weet niet of mijn werk ooit het licht zal zien, maar het houdt mij in ieder geval aangenaam bezig.”11Belangwekkend in dezen brief is, dat wij eruit zien hoe eenvoudig zich dat groote, zich nog onbewuste talent ontwikkelde. In dezen tijd werd Tolstoi ziek. Het duurde eenige maanden voordat hij geheel hersteld was. Die gedwongen rust gebruikte hij voor het schrijven van zijn eerste werk en om zijne aanstelling in het leger te verkrijgen, hetgeen veel bezwaren opleverde, daar zijne papieren niet geheel in orde waren.De volgende brief, geschreven 23 December 1851, aan zijn’ broer Sergius, geeft ons nog eenige bijzonderheden uit Tolstoi’s leven te Tiflis en in de stanitza.“Juist vandaag kreeg ik eindelijk de lang gewenschte aanstelling. Ik kom bij de 4debatterij te staan en zal het genoegen hebben front te mogen maken en met mijne oogen de voorbij rijdende officieren en generaals te volgen. Ja, zelfs vandaag, toen ik ging wandelen in mijn pelsjas en met mijn slappen hoed op (voor dien hoed heb ik hier nog al 10 roebel betaald), wilde ik, zonder aan de deftigheid van dit kleedingstuk te denken, gewend als ik reeds was om me spoedig in de grijze schinel te zien, mijn slappen hoed afrukken en op straat gooien. Als mijne wenschen in vervulling gaan, dan reis ik reeds den eersten dag van mijn in-dienst-treding naar Starogladowskaja, en ga dan dadelijk op marsch. Ik kleed me dan in een schaapspels, en zal met hart en ziel en met behulp van de kanonnen meewerken aan de uitroeiing van die roofzuchtige, lastige Aziatische bevolking.“Uit dit schrijven zie je dat ik op ’t oogenblik in Tiflis ben. Ik kwam hier 9 November aan, zoodat ik nog een enkelen keer met de honden die ik in Starogladowskaja heb gekocht op jacht kon gaan. Het jagen hier, d.w.z. in de stanitza, is heerlijk. Weiden, moerassen, waar eene menigte grijze hazen zitten, en eilanden, niet met bosschen, maar met een soort riet beplant, waar zich veel vossen ophouden. Negen malen ben ik met mijne twee honden, waarvan de eene goed, de andere slecht is, op jachtgeweest, op 15 werst afstand van de stanitza, en legde twee vossen en zestig hazen neer. Zoodra ik weer daarginds ben, ga ik eens op geiten jagen.“Ik heb ook eenige malen aan eene jacht met de buks op wilde zwijnen en herten deelgenomen, maar heb niets onder schot gekregen. Deze wijze van jagen is op zich zelf wel aardig, maar voor dengene die gewend is met honden te jagen is het niets. ’t Gaat er juist mee als met iemand die altijd Turksche tabak rookt; die houdt niet meer van Schoekoff, hoewel het altijd nog de vraag is, welke de beste is.“Ik ken je zwak, n.l. dat je graag wilt weten hoe het hier is, wie mijn kennissen zijn en hoe ik met hen sta. ’t Is overigens iets, dat mij hier heel weinig bezig houdt, maar ik zal je zooveel mogelijk tevreden stellen. Er zijn hier niet veel officieren; bij gevolg ken ik ze allen, hoewel zeer oppervlakkig. Ik sta met allen op een’ goeden voet, een gevolg van de wodka, wijn en zakoeska12, die Nikolaas en ik altijd voor de bezoekers gereed houden. Aan deze zelfde omstandigheid dankte ik ook mijne opname onder de officieren in Stari-Joert. Hoewel er heel geschikte lui onder de officieren zijn, wil ik, daar ik buitendien belangrijke bezigheden heb, niet intiem met hen worden. De onderbevelhebber Alexejeff, de commandant van de batterij waarbij ik sta, is een goed, maar ijdel mensch. Laatst had ik hem noodig, en ik moet bekennen, dat ik toen op die eigenschap gespekuleerd heb en hem een beetje honing om den mond heb gesmeerd. Ik deed het echter ongaarne, dat verzeker ik je. Wanneer ge met ijdele menschen omgaat, dan wordt ge het zelf ook.Berkenlaan leidende naar het huis te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Berkenlaan leidende naar het huis te Jasnaja Paljana.—Blz.57.“Hier in Tiflis heb ik drie kennissen; meer tot nu toe nog niet, ten eerste omdat ik het niet wensch en ten tweede omdat de gelegenheid tot verdere kennismaking zich nietheeft voorgedaan. De eerste is Bagration, een Petersburger, de tweede vorst Barjatjinski, onder wiens commando ik de strooptochten heb meegemaakt. Ik heb daarna met Ilija Tolstoi, dien ik hier ook ontmoette, een’ dag bij hem doorgebracht. Van deze vriendschap beleef ik niet veel plezier, want je zult wel begrijpen, in welk eene verhouding een Junker tot een generaal kan staan. De derde is een gedegradeerde apothekersbediende, een vermakelijk type. Ik veronderstel dat vorst Barjatjinski nooit had gedacht op één lijn met een hulp-apotheker te worden geplaatst en dat is hier toch het geval. Nikolaas is hier zeer gezien, zoowel bij zijne meerderen als bij zijne officieren-collega’s; iedereen heeft achting voor hem en houdt van hem, en daarbij geniet hij de reputatie van een dapper officier te zijn. Ik houd meer van hem dan van mij zelf, ben gelukkig in zijne nabijheid en verveel mij zonder hem.“Als je wilt pronken met berichten uit den Kaukasus, dan kun je vertellen, dat Chadzji-Moerat, de eerste persoon na Schamil, zich aan de Russen heeft overgegeven. Hij was de dapperste van allen, maar heeft nu eene laagheid begaan. Verder kun je nog met trots vertellen, dat vandaag de bekende, dappere, verstandige generaal Sljeppoff is gestorven; of hij er verdriet van heeft, dat zou ik je niet kunnen zeggen.”Den 6enJanuari schreef Tolstoi, steeds nog uit Tiflis, zijne tante een’ brief, waaruit de groote aanhankelijkheid en liefde sprak die hij haar toedroeg.“Uw’ brief van den 24enNovember heb ik zoo juist ontvangen en als naar gewoonte zal ik dien per omgaande beantwoorden. De vorige maal vertelde ik u, dat uwe woorden mij hadden doen weenen en ik schreef die zwakheid aan mijne ziekte toe. Ik vergiste mij. Al uwe brieven hebben sedert eenigen tijd diezelfde uitwerking op mij. Gijweet het wel, mijne tranen zaten altijd hoog. Eerst schaamde ik mij voor deze zwakheid, maar de tranen die ik stort, denkend aan u en aan uwe liefde voor ons, laat ik vloeien zonder de minste valsche schaamte. Uw brief is zoo vol droevige gedachten, dat hij mij ook treurig heeft gestemd. Gij hebt mij steeds goeden raad gegeven, waarnaar ik helaas maar zelden heb geluisterd. Ik zou mijn heele leven willen handelen volgens uwe aanwijzingen. Mag ik u nu den indruk, dien uw brief op mij gemaakt heeft, en de gedachten, die tijdens de lezing bij mij oprezen, mededeelen?“Vergeef mij, ter wille van de groote liefde die ik u toedraag, indien ik te openhartig met u spreek. Gij zegt, dat het nu uwe beurt is ons te verlaten, om weder vereenigd te worden met hen, die gij zoo zeer hebt liefgehad. Gij zegt, dat uw leven zoo troosteloos eenzaam is, dat gij God hebt gesmeekt er een einde aan te maken. Vergeef mij, lieve tante, maar ik geloof dat gij met zoo te spreken God en ook hen, die u zoo hartelijk liefhebben, beleedigt. Gij vraagt God om den dood, dus om het grootste ongeluk dat mij kan treffen. Dit zijn geen ijdele klanken, maar God is mijn getuige, dat de dood van u of van Nikolaas, de beide wezens die ik meer liefheb dan mij zelf, voor mij de grootste ramp zou zijn, die mij kon overkomen. Wat zou mij overblijven, zoo God uw’ wensch vervulde! Voor wie zou ik trachten mij te verbeteren, mij goede eigenschappen te verwerven en mijn best doen eene goede reputatie te verkrijgen? Wanneer ik plannen maak voor mijn toekomstig geluk, dan doe ik dat steeds met de gedachte, dat gij daarvan ook zult genieten. Wanneer ik eene goede daad verricht, dan ben ik tevreden over mij zelf, omdat ik weet, dat gij over mij tevreden zoudt zijn, en handel ik niet goed, dan is mijn grootste vrees u verdriet te doen. Uwe liefde is alles voor mij en gij vraagt God ons te willen scheiden! Ik kan het gevoel nietbeschrijven dat ik u toedraag, geen woorden kunnen het uitdrukken; ik vrees dat gij zult denken dat ik overdrijf, en toch ween ik heete tranen terwijl ik u dit schrijf. De gedachte aan die vreeselijke scheiding heeft mij geleerd welk eene vriendin ik in u bezit en hoeveel ik van u houd. Maar ik ben immers niet de eenige die u zoo genegen is, en gij, gij vraagt God te mogen sterven! Gij zegt dat gij zoo eenzaam zijt door onze scheiding! Maar als gij in mijne liefde gelooft, zal dat een tegenwicht zijn voor uw verdriet.“Wat mij betreft, ik zal nooit eenzaam zijn, zoolang ik mij bewust ben van uwe warme genegenheid voor mij.“Terwijl ik deze woorden schrijf weet ik dat het geen goede gewaarwording is, die ze mij in de pen geeft: ik gevoel mij gestreeld door uw verdriet.”13In denzelfden brief vertelt Tolstoi nog eene belangrijke gebeurtenis, belangwekkend ook uit een psychologisch oogpunt.“Vandaag is mij iets gebeurd, dat mij in God zou doen gelooven, zoo ik niet reeds sedert geruimen tijd een vast geloof bezat.“Van den zomer, in Stari-Joert, deden de officieren niet anders dan spelen en dan nog tamelijk grof. In het kamp is men gedwongen elkaar dikwijls te ontmoeten en heel vaak ben ik bij het spel tegenwoordig geweest. Ondanks hun aandringen ben ik een maand lang standvastig gebleven, maar eens, bij wijze van grap, heb ik eene kleinigheid gewaagd. Ik verloor, zette opnieuw in, en verloor opnieuw; het geluk was tegen mij. De hartstocht voor het spel leefde weer bij mij op en in twee dagen verloor ik niet alleen al mijn geld, maar ook dat van Nikolaas (hij gaf mij ongeveer 250 roebel); bovendiennog 500 roebel, waarvoor ik een’ wissel geteekend heb die in Januari betaald moet worden. Ik moet u nog vertellen dat dicht bij ons kamp een huisje staat, dat bewoond wordt door Tschetschenzen. Een van hen, Sado, kwam in het kamp en nam deel aan ’t spel, maar daar hij schrijven noch rekenen kon—reden waarom ik nooit met Sado wilde spelen—waren er schurken die hem bedrogen. Ik heb hem aangeraden zich daar niet meer aan bloot te stellen, terwijl ik hem aanbood per procuratie voor hem eene kans te wagen. Hij was me heel dankbaar en heeft mij eene beurs gegeven; daar bij zijn’ stam de gewoonte bestaat elkaar wederzijds iets te schenken, heb ik hem voor 8 roebel een prul van een geweer gekocht. Nu moet gij nog weten dat om ‘koenjak’, dat wil zeggen vrienden, te worden men elkaar niet alleen geschenken moet geven maar ook het middagmaal bij elkaar moet gebruiken. Daarna wordt men, volgens een oud gebruik van dat volk (dat bijna geheel is verdwenen), vrienden op leven en dood, hetgeen wil zeggen, dat als ik hem vraag om zijn vrouw, zijn geld, zijn wapens of het kostbaarste wat hij op de wereld bezit, hij mij dat moet afstaan, terwijl ik hem natuurlijk evenmin iets mag weigeren. Sado heeft mij gevraagd eens bij hem te willen komen en ik ben er heen gegaan. Na mij op hunne wijze onthaald te hebben, stelde hij mij voor, het mooiste uit te zoeken wat hij in zijn huis had: zijne wapens, zijn paard ... in één woord wat ik verlangde. Ik wilde het minst kostbare nemen en koos een paardentoom met zilveren beslag, maar hij zeide dat ik hem beleedigde en drong mij een sabel op, die minstens 100 roebel waard is.“Zijn vader is een rijk man, maar heeft zijn geld begraven en geeft geen cent aan zijn’ zoon, die daarom, als hij geld wil hebben, van den vijand een paard of eene koe gaat stelen. Hij zet soms twintig maal zijn leven op het spel om iets te stelen, dat nog geen tien roebel waard is. Hij steeltniet uit hebzucht maar om den naam. De grootste dief is bij hen zeer in aanzien, en ontvangt den eerenaam ‘malodjetz.’14Soms is Sado in ’t bezit van 1000 roebel, dan weer heeft hij geen cent. Eens gaf ik hem, na hem bezocht te hebben, het zilveren horloge van Nikolaas, en nu zijn we de grootste vrienden van de wereld. Meermalen heeft hij mij zijne toewijding getoond, door zich voor mij aan verschillende gevaren bloot te stellen, hetgeen voor hem echter niet veel te beteekenen heeft, daar hij eraan gewend is en het als een genoegen beschouwt.“Toen ik uit Stari-Joert vertrokken was, kwam hij iederen dag bij Nikolaas, zeggende niet te weten wat hij zonder mij moest beginnen, daar hij zich doodelijk verveelde. Ik had Nikolaas geschreven, dat mijn paard ziek was geworden, en hem tevens gevraagd in Stari-Joert een ander voor mij te koopen. Sado kwam het te weten en wist niet beter te doen dan dadelijk naar mij toe te komen om mij zijn paard te brengen, dat ik tegen wil en dank moest aannemen.“Na de domheid, die ik in Stari-Joert beging, heb ik geen kaart meer aangeraakt en hing ik voortdurend den zedemeester uit tegenover Sado, die ook een hartstochtelijk speler is, en hoewel hij er niets van kent, steeds geluk heeft. Gisteren avond heb ik mij met mijne geldelijke omstandigheden en mijne schulden bezig gehouden. Ik dacht er over na, hoe ik het aan moest leggen ze te betalen, en kwam tot het besluit dat, zoo ik niet te veel geld uitgeef, al mijne schulden mij niet in verlegenheid zullen brengen en langzamerhand, in twee of drie jaar, kunnen worden afgedaan; maar de som, die ik deze maand moet betalen, bracht mij tot wanhoop. Het was me onmogelijk te betalen en zij veroorzaakte mij meer zorgen dan vroeger de vierduizend, die ik Ogoreff schuldig was. Toenik mijn avondgebed deed smeekte ik God dringend mij uit deze netelige positie te redden. ‘Hoe zal ik die zaak tot een goed eind brengen?’ dacht ik bij ’t naar bed gaan. ‘Er kan niets gebeuren dat mij in staat stelt die schuld af te doen.’ Ik stelde mij reeds alle onaangenaamheden voor, die ik zou moeten verduren: dat men den wissel zou presenteeren, dat men mij van regeeringswege ter verantwoording zou roepen, waarom ik niet betaalde enz. enz. ‘Heer, help mij,’ bad ik, en sliep in.“Den volgenden morgen kreeg ik een’ brief van Nikolaas (de uwe was er bij ingesloten) waarin hij mij schreef:“‘Zoo juist is Sado bij mij geweest. Hij heeft de wissels die jij hebt onderteekend terug gewonnen en bracht ze mij. Hij was zoo overgelukkig en vroeg zóó dikwijls: ‘wat denk je, zal je broeder blij zijn?’ dat ik hem daarom lief heb gekregen. Die jonge man heeft een oprechte genegenheid voor je opgevat!’“Is het geen wonder dat mijn gebed reeds den volgenden morgen verhoord werd; d.w.z., is er iets dat meer verwondering kan baren dan Gods goedheid tegenover een wezen dat het zoo weinig verdient als ik? En is het geen sprekend bewijs voor Sado’s hartelijke toegenegenheid? Hij weet dat ik een’ broer heb die heel veel van paarden houdt; toen ik hem beloofde, hem mee naar Rusland te nemen, zei hij, dat hij het beste paard zou stelen dat er in de bergen te vinden was om het Sergius mee te brengen, al moest het hem honderdmaal het leven kosten.“Wilt gij zoo goed zijn, als het niet te duur is, in Toela een’ revolver en eene muziekdoos te laten koopen en mij die te zenden?“Dat zijn dingen, die Sado heel veel genoegen zullen verschaffen.”15Het bovenstaande is belangrijk voor ons, omdat het ons in de gelegenheid stelt Tolstoi’s geestelijke ontwikkeling op den voet te volgen, van zijn naief vertrouwen op een’ God, die zich met zijn kaartspel, met zijn dagelijksche bezigheden bemoeit, tot aan zijne tegenwoordige, geheel vrije opvatting van het geloof.Eindelijk keerde Tolstoi, na zijne dienstzaken te hebben geregeld, naar Starogladowskaja terug. Onderweg schreef hij van uit de stanitza Mozdok een langen brief aan zijne tante, als altijd vol betuigingen van zijne groote liefde voor haar en tevens met droomen en plannen voor toekomstig, eenvoudig huiselijk geluk.“Ik zal trachten u de gedachten mede te deelen die bij mij opkwamen, want zij betreffen ook u. Ik ben inwendig veel veranderd; dat gebeurde mij reeds dikwijls, en zal, naar ik vermoed, wel het lot van iedereen zijn. Hoe langer men leeft des te meer verandert men; gij die ondervinding hebt opgedaan, kunt mij zeggen of dit waar is. Ik denk dat onze gebreken en onze deugden—de grondslag van ons karakter—steeds gelijk blijven, maar onze blik op het leven en het geluk verandert met de jaren. Een jaar geleden zocht ik het geluk in vermaak, in beweging; tegenwoordig integendeel komt de moreele, zoowel als de physieke, rust mij het meest gewenscht voor. Maar die rust stel ik mij voor zonder verveling, gevuld met de stille genoegens van liefde en vriendschap; dat schijnt mij het toppunt van geluk. Men geniet echter eerst van deze rust nadat men zich vermoeid heeft, en van de liefde als men haar heeft moeten ontberen. Sedert eenigen tijd ben ik van beide beroofd en daarom verlang ik er zoo naar. Ik moet ze nog langer ontberen; voor hoe lang, dat weet God! Ik zou niet kunnen zeggen waarom, maar ik weet dat het moet. De godsdienst en de ondervinding, die ik in mijn leven (hoe kort ook) heb opgedaan, hebben mij geleerddat het leven eene beproeving is. Voor mij is het meer: het is bovendien de boetedoening voor mijne tekortkomingen.“Ik geloof, dat het schijnbaar zoo lichtvaardig opgekomen denkbeeld om naar den Kaukasus te gaan, mij door God is ingegeven. Het is Gods hand die mij leidt, waarvoor ik oneindig dankbaar ben. Ik voel, dat ik hier beter ben geworden (wat niet veel wil zeggen, want ik ben heel slecht geweest), en ik ben er vast van overtuigd dat alles wat mij kan overkomen slechts tot mijn bestwil zal zijn, omdat God het zoo heeft beschikt. Hoewel het misschien eene vermetele gedachte is, ben ik er toch stellig van overtuigd. Daarom draag ik de vermoeienissen en de physieke ontberingen waarvan ik spreek (het zijn eigenlijk geen physieke ontberingen; een jonge gezonde man van 23 jaren kent die niet) zonder ze te voelen, eerder met een soort genot, denkende aan het geluk, dat mij wacht.“Dat geluk stel ik mij op de volgende wijze voor.“Ik bevind mij na een onbepaald aantal jaren—ik ben dan niet jong meer, maar ook nog niet oud—te Jasnaja Paljana. Mijne zaken zijn in orde, ik heb geen zorgen en behoef mij niet te kwellen. Gij woont ook te Jasnaja Paljana. Gij zijt een beetje ouder geworden, maar ziet er nog goed uit en gevoelt u ook wel. Wij leiden een leven zooals vroeger, ik werk ’s morgens, en den geheelen dag zijn wij bij elkaar. Dan gaan wij dineeren. ’s Avonds lees ik u iets voor, dat u niet verveelt; dan praten we, ik vertel u van mijn leven in den Kaukasus, gij spreekt van uwe herinneringen, van mijn’ vader en mijne moeder; gij doet mij de ‘griezelige verhalen’ waarnaar wij vroeger met verschrikte oogen en open monden luisterden. Wij herdenken de personen, die ons dierbaar waren en die niet meer zijn; gij weent, mijne tranen vermengen zich met de uwe, maar bitter zijn zij niet. Wij spreken over de broers, die ons nu en dan komen bezoeken, en over onze lieve Maria,die met hare kinderen ieder jaar eenige maanden op Jasnaja, dat haar zoo dierbaar is, komt doorbrengen. Wij zullen geen kennissen hebben en niemand zal ons met beuzelpraat vervelen. Het is een schoone droom, maar het is nog niet eens alles wat ik waag te droomen. Ik ben getrouwd, ik heb eene zachte, goede, liefderijke vrouw; haar liefde voor u is even groot als de mijne. Wij hebben kinderen die u grootmoeder noemen. Gij bewoont boven in het groote huis grootmoeders vroegere kamers. Het huis is nog juist zoo als in den tijd van papa, en wij zullen hetzelfde leven leiden; alleen de rollen zijn verwisseld. Gij krijgt de rol van grootmoeder, maar gij vervult haar nog beter; ik die van papa, hoewel ik vrees haar nooit waardig te zullen zijn; mijne vrouw die van mama, de kinderen de onze. Maria krijgt de rol van de twee tantes, behalve de rampen die haar troffen, en zelfs Gascha speelt voor Praskowija Ilinischna.—Maar er ontbreekt ons één persoon, die de rol op zich kan nemen die gij vroeger in onze familie gespeeld hebt; nooit zullen we iemand vinden zóó goed, zóó beminnelijk als gij. Gij hebt geen opvolgster. Dan zullen er nog nieuwe acteurs van tijd tot tijd ten tooneele verschijnen: de drie broers, vooral Nikolaas, een oude vrijer, kaalhoofdig, niet meer in dienst, en altijd even goed en edel. Ik stel mij voor hoe hij zal zijn als hij oud is, hoe hij de kinderen sprookjes zal vertellen, hoe zij op zijne knieën zullen klimmen, hoe hij met hen zal spelen, hoe mijne vrouw haar best zal doen om zijn lievelingsgerecht klaar te maken, hoe wij herinneringen zullen ophalen aan lang vervlogen dagen, hoe gij op uwe gewone plaats zult zitten en met genoegen naar ons zult luisteren; hoe gij ons, dan reeds op leeftijd, met onze kindernamen—Ljewotschka, Nikoljenka—zult aanspreken, en hoe gij ons zult berispen, mij omdat ik met mijne vingers eet en hem omdat zijne handen niet schoon zijn.“Wanneer ik keizer van Rusland was, of als men mij Peru zou willen schenken, in één woord indien er eene toovergodin kwam, die mij toestond een’ wensch te doen, dan zou ik niets anders vragen, dan dezen droom werkelijkheid te laten worden. Ik weet het wel dat gij er niet van houdt den tijd vooruit te loopen, maar wat steekt er voor kwaad in? En het schenkt mij zoo’n groot genoegen. Ik vrees dat ik egoïstisch ben geweest en uw deel van ’t geluk te klein heb gemaakt. Ook dat de smart zoo diepe sporen in uw hart heeft achtergelaten, dat gij niet meer ten volle van de toekomst kunt genieten.“Zeg, lieve tante, zoudt gij niet gelukkig zijn? Het kan alles nog eens werkelijkheid worden en de hoop is zoo zoet. Mijne tranen beginnen weer te vloeien. Waarom toch is dit steeds zoo als ik aan u denk? Het zijn tranen van geluk die in mijn oogen dringen omdat ik u mag liefhebben. Al trof het grootste ongeluk mij ook, volkomen ongelukkig zou ik niet zijn, zoolang gij nog in leven zijt. Herinnert gij u het afscheid nog bij de kleine kapel van Uwerskaja, toen wij naar Kazan verhuisden? Toen, als door een ingeving, op het laatste oogenblik, begreep ik wat gij voor ons geweest waart, en hoewel ik nog een kind was, hebben mijne tranen en een paar gestamelde woorden u kenbaar gemaakt wat er in mij omging. Ik heb steeds van u gehouden, maar het gevoel dat mij bij de kleine kapel doordrong en mij ook nu beheerscht is geheel iets anders, het is sterker en hooger.“Nu moet ik u iets bekennen waarvoor ik mij diep schaam, maar ik moet het u vertellen om mijn geweten te ontlasten. Vroeger, bij ’t lezen van uwe brieven, dacht ik dat gij overdreeft in uwe uitingen van genegenheid voor mij, maar nu, terwijl ik ze herlees, begrijp ik uwe onbegrensde liefde en uwe verheven ziel. Ik ben er van overtuigd dat iedereen behalve gij, die de laatste twee brieven zou lezen, ook mijvan overdrijving zou beschuldigen. Van u vrees ik dat oordeel niet; gij kent mij te goed en weet dat mijne gevoeligheid misschien mijn eenige goede hoedanigheid is. Aan haar dank ik de schoonste oogenblikken van mijn leven. Maar in ieder geval is dit de laatste brief, waarin ik mij veroorloof mij zoo overdreven uit te drukken,—overdreven voor onverschilligen, maar niet voor u.“Sedert mijne reis en mijn verblijf in Tiflis is er geene verandering in mijne leefwijze gekomen. Ik tracht zoo weinig mogelijk kennissen te krijgen en word niet intiem met degenen die ik heb. Men heeft zich reeds aan mijne manieren gewend; niemand maakt het mij meer lastig en ik ben zeker dat men mij een’ zonderling en een’ trotschaard noemt.“Het is echter geen trots, het is geheel van zelf gekomen. Door mijne opvoeding, mijn voelen en denken verschil ik zooveel van de anderen, dat ik onmogelijk met genoegen in hun gezelschap kan zijn. Nikolaas verstaat de kunst, ondanks het groote onderscheid dat er tusschen hem en die heeren bestaat, zich met hen te amuseeren en zich bovendien nog bemind te maken. Het is waar dat mijne wijze van leven niet geschikt is om plezier te maken, maar daar denk ik ook sinds lang niet meer aan. Ik begin nu smaak te krijgen in het lezen van geschiedkundige werken; dit was steeds een punt van verschil tusschen u en mij, maar nu ben ik het geheel met u eens. Mijn letterkundige arbeid gaat ook een gangetje, maar voorloopig denk ik er nog niet aan iets te laten drukken.“Ik heb een geschrift, dat ik lang geleden ben begonnen, reeds driemaal omgewerkt en ik zal het, om het naar mijn’ zin te krijgen, nog eens voor de vierde maal veranderen.“Misschien gaat het er mee als met het werk van Penelope; daarom zal ik er echter geen’ tegenzin in krijgen: ik schrijf voor mijn nut en genoegen en niet uit eerzucht. Hoewel ik er dus vervan af ben mij te amuseeren, verveel ik mij ook niet. Ten eerste heb ik bezigheid, maar bovendien smaak ik een genot, veel beter en verhevener dan het gezelschapsleven mij ooit had kunnen schenken: ik leef in vrede met mijn geweten, ik begin mij zelf te kennen en goede en edele gevoelens ontwaken in mij.“Er was een tijd dat ik trotsch was op mijn verstand, mijne positie in de wereld en mijn’ naam, maar tegenwoordig weet en voel ik, dat, zoo er iets goeds in mij is en zoo er iets bestaat waarvoor ik de Voorzienigheid dankbaar moet zijn, het hierin bestaat, dat Zij mij een goed hart heeft geschonken en mij gevoelig maakte voor de liefde. Aan haar alleen dank ik de heerlijkste oogenblikken van mijn leven, die ik hier dikwijls geniet, ondanks alle afwezigheid van vermaak en gezelschap. Ik ben niet slechts tevreden, ik ben dikwijls gelukkig.”Na in Februari te hebben deelgenomen aan een’ veldtocht, waarbij hij in rang werd verhoogd, keerde Tolstoi in Maart weer naar Starogladowskaja terug.In dezen tijd kwam hij tot het besef dat er drie hartstochten waren die zich steeds tusschen hem en de verwezenlijking van zijn ideaal plaatsten: het spel, de wellust en de eerzucht waren zijne grootste vijanden. In zijn dagboek schreef hij:1. “Dehartstochtvoor het spel is een baatzuchtige hartstocht, die langzaam tot een gewoonte aangroeit. Hiertegen kan men strijden.2. “De wellust is eene physieke, eene lichamelijke behoefte, die door de verbeelding wordt opgezweept en sterker wordt wanneer men haar wil beheerschen. Het is zeer moeilijk hem te bestrijden. Het beste middel is arbeid en inspanning.3. “De eerzucht is een hartstocht, die minder schadelijk is voor een ander dan voor ons zelf.”Verder lezen wij de volgende bespiegeling:“Sedert eenigen tijd kwelt mij het berouw over het verloren gaan van de beste jaren van mijn leven. En van dat oogenblik af aan heb ik gevoeld, iets goeds tot stand te kunnen brengen. Het zou belangwekkend zijn, de geschiedenis van mijne moreele ontwikkeling neer te schrijven, maar niet alleen ontbreken mij daarvoor de woorden, zelfs mijne gedachten reiken niet zoo ver.“De grootsche gedachte kent geen perken, maar voor iederen schrijver komt een grens, die hij niet kan overschrijden. Er is iets in mij, dat mij zegt, dat ik voor iets anders ben geboren dan de groote menigte.”Deze woorden zijn de eerste vage aanwijzingen dat Tolstoi zich van zijn kunnen bewust werd. Ik moet hier opmerken dat zij zijn neergeschreven vóór de voltooiing van zijnKinderjaren, dus voordat hij wist dat zijn werk zoo goed geslaagd was. In dien tijd openbaarde zich in hem de geheimzinnige kracht, die hem verhief tot een der verheven dragers van het zedelijke ideaal der menschheid.In Mei kreeg hij verlof en reisde hij naar de bronnen van Pjatigorsk om genezing te zoeken voor de rheumatiek die hem voortdurend plaagde. Vandaar schreef hij een’ brief aan zijne tante, waarin hij zijn innigste zieleleven bloot legde en waaruit ons tevens blijkt, dat hij onophoudelijk werkte aan zijne innerlijke volmaking.In een’ brief aan zijn broer Sergius geeft hij eene karakteristieke schets van het leven te Pjatigorsk.“Wat zal ik je van mijn leven vertellen? Ik heb reeds drie brieven geschreven en in iederen brief hetzelfde. Ik zou je wel graag mijn innerlijk leven beschrijven maar dat is even moeilijk als een vreemdeling aan het verstand te brengen hoe Toela er uitziet, iets dat wij helaas maar al te goed weten. Pjatigorsk heeft iets van Toela, maar is toch weeranders, het is in den Kaukasus. Het familieleven en de publieke plaatsen spelen hier de hoofdrol. De conversatie bestaat hier uit de zoogenaamde landeigenaren (een naam die men hier allen nieuwelingen geeft), die met verachting op de beschaving der anderen neerzien, en uit de heeren officieren, die het uitgaan hier als de hoogste zaligheid beschouwen. Een van hen, hij staat bij onze batterij, kwam mij laatst bezoeken. Je hadt zijne verrukking en opgewondenheid eens moeten zien, toen wij naar de stad reden. Van te voren had hij al veel verteld van ’t genot dat ons te wachten stond: het flaneeren over den boulevard waar een muziekkorps speelde, en dan het gaan naar den confiseur, waar iedereen kwam en waar men verbazend gemakkelijk kennis aanknoopte, zelfs met families. Schouwburg, gezellige samenkomsten, ieder jaar trouwpartijen, duels... in één woord op en top ’t Parijsche leven. Nauwelijks waren we dan ook aangekomen of mijn officier ging, gekleed in nauwsluitenden pantalon, met épauletten op zijn schouders en rinkelende sporen aan zijn laarzen, onder de tonen der muziek wandelen op den boulevard. Vervolgens ging het naar den confiseur, den schouwburg enz. Maar voor zoover mij bekend is, bestond na eene geheele maand zijn kring van kennissen niet uit huwbare dochters van rijke landeigenaren of uit talrijke familie’s, die hare deuren voor hem openzetten, maar werd hij slechts in één huis ontvangen, en dan nog in een huis waar twee families in één kamer wonen en waar thee met klontjes wordt gedronken. Bovendien gaf deze officier in één maand twintig roebel uit voor port en bonbons en kocht hij zich een bronzen spiegel voor tafelversiering. Nu loopt hij in eene oude overjas, zonder épauletten, drinkt staalwater zooveel hij maar kan, alsof hij werkelijk de kuur meemaakt, en verwondert zich dat hij, hoewel hij toch iederen dag ging wandelen op den boulevard, den confiseur bezocht en geen geld spaarde voor rijtuigen, handschoenen,enz., maar niet in kennis is gekomen met de pic-nics en bals arrangeerende aristokratie.“Bijna alle officieren die hier heen komen ondergaan hetzelfde lot; zij doen alsof zij waarlijk voor de bronnen hier zijn, loopen moeilijk, dragen verbanden, drinken veel en vertellen wonderlijke geschiedenissen van de Tscherkessen. Teruggekeerd in het regiment zullen ze vertellen, dat zij in de beste gezelschappen toegang hadden, en ieder seizoen komen de menschen van alle kanten om zich hier te vermaken.”Zooals blijkt uit een’ brief aan zijne tante schreef Tolstoi zijne vertellingKinderjarengedeeltelijk te Pjatigorsk. Zijn gemoedstoestand bleef steeds dezelfde en altijd nog had hij een zwaren strijd met zich zelf te voeren.Den 29enJuni schreef hij in zijn dagboek de volgende gedachten neer die ons eene wereldbeschouwing doen kennen, waarmede zijne tegenwoordige ideeën nog geheel overeenstemmen.“De stem van het geweten is onze beste en vertrouwbaarste gids, maar hoe kunnen wij haar van de andere stemmen onderscheiden? De stem der eerzucht laat zich even luid hooren.“De mensch, die slechts zijn eigen geluk zoekt, is slecht; degene die zich richt naar de meening van anderen is zwak; hij die het geluk van anderen beoogt is deugdzaam; maar die zijn geluk zoekt in God is groot.”Ook deze gedachte vinden wij terug in al zijne werken van den lateren tijd:“Hoog staat de gerechtigheid, waarnaar iedereen moet streven; hooger het streven naar de volmaking, al het lagere is zonde.”Tolstoi beëindigde den 2enJuni zijn werkKinderjarenen zond het aan denSawremjennik.16Hij schreef onder de initialen L. N. T. en de redactie wist langen tijd niet wie zich daarachter verschool.

Tolstoi’s mislukte pogingen op landhuishoudkundig gebied, de onmogelijkheid om in de gewenschte verhouding tot zijne lijfeigenen te komen, zijn hartstochtelijk, gevaarlijk, in alle opzichten verwilderd leven, brachten hem eindelijk tot het besef, dat het zoo niet blijven kon. Zijn leven was zóó verward, hij zelf was zóó gezonken, dat hij alles wel aan wilde grijpen om het te veranderen. Zijn zwager, toen nog de verloofde van zijne zuster, moest vóór zijn huwelijk nog eenige zaken in Siberië regelen. Hij had afscheid genomen en was reeds onderweg, toen plotseling Tolstoi bij hem in den reiswagen sprong, en wij gelooven dat het alleen aan de omstandigheid dat hij muts en pels vergeten had te danken is, dat hij niet met zijn’ zwager meeging.

Eindelijk gebeurde er iets, dat hem in de gelegenheid stelde een ander leven te beginnen. Zijn oudste broer Nikolaas, die als officier in ’t leger diende, was met verlof uit den Kaukasus overgekomen. Tolstoi nam het besluit, en volvoerde dat ook, om met hem terug te keeren.

Den 20enApril 1851 vertrokken zij van Jasjana Paljana naar Moskou, waar zij eenige weken vertoefden, en vanwaar hij den volgenden brief schreef:

“Ik heb op de promenade van Sakolnik gewandeld, maar het was zulk een afschuwelijk weer, dat ik tot mijne spijt niet ééne dame uit onzen kring heb gezien. Gij beweert altijd, dat ik iemand ben die van proefnemingen houdt. Nu, ik heb me onder ’t plebs begeven, waar de Zigeuners hunne tenten opslaan. Gij kunt u levendig voorstellen welk een’ strijd ik daar moest strijden, maar ik ben overwinnaar gebleven, d.w.z. ik heb de vroolijke afstammelingen van de doorluchtige Pharao’s niets dan mijn’ zegen achtergelaten. Nikolaas vindt, dat ik een zeer aangename reisgenoot ben; alleen ergert hij zich dat ik, zooals hij zich uitdrukt, twaalf maal per dag mijn linnen verwissel. Ik vind hem ook aangenaam op reis, alleen niet zindelijk genoeg. Ik weet niet wie van ons beiden gelijk heeft.”1

Van Moskou gingen zij naar Kazan, waar zij Joeschkoff, den man van hunne tante Pelageja, en ook nog eene vriendin van deze laatste, de origineele, verstandige Zagoskina, de directrice van het Kazansche vrouwen-instituut, opzochten.

Bij deze Zagoskina kwamen zeer veel jongeluicomme il fautaan huis, o.a. de procureur Ogolin, met wien Tolstoi eene bijna vriendschappelijke betrekking aanknoopte. Samen gingen zij Joeschkoff op zijn landgoed een bezoek brengen, waarbij zich het volgende vermakelijke incident voordeed:

“Gij kunt u nauwelijks,” zoo vertelt Tolstoi, “de verbazing voorstellen van mijn’ oom, toen hij Ogolin, den altijd keurigen, correcten, in uniform met kruis en lint gekleeden Ogolinonder de volgende omstandigheden bij zich zag. Wij waren voorgereden, en terwijl de knecht ons aandiende stelde ik Ogolin voor eens te probeeren, wie het vlugst in een der tegenover het huis staande berkeboomen kon klimmen. Het duurde lang voordat mijn oom, die daar juist op aan kwam, van zijne verbazing was bekomen.”

Volgens Tolstoi’s eigen woorden was in dien tijd zijn oordeel over menschen en dingen nog zeer oppervlakkig en lichtzinnig, hetgeen zijn broer Nikolaas hem zoo nu en dan liet voelen. Zoo kwamen zij eens op eene wandeling een rijtuig tegen waarin een heer zat, die met zijne beide ongehandschoende handen op zijn stok leunde.

“Wat een poen,” zei Tolstoi.

“Waarom?” vroeg Nikolaas.

“Hij heeft niet eens handschoenen aan!” “En denk je dat hij daarom een poen is?”, antwoordde Nikolaas met zijn fijn, nauwelijks zichtbaar glimlachje.

Nikolaas dacht en handelde geheel anders dan andere menschen, en deed eenvoudig wat hij goed oordeelde. Zoo kwam hij op het denkbeeld niet de gewone reisroute te volgen, maar te paard tot Saratoff te gaan, vandaar per schuit langs de Wolga naar Astrakan, en dan met de postkoets naar de plaats hunner bestemming. Zoo geschiedde het. In Saratoff namen zij eene schuit, laadden daar den reiswagen op, en met behulp van een’ loods en twee roeiers zakten zij, soms zeilende, soms drijvende, dan weer roeiende, den stroom af. Na eene reis van een paar weken bereikten zij Astrakan, vanwaar Tolstoi zijne tante den volgenden brief stuurde:

“Wij zijn nu in Astrakan en hebben nog wel een 400 K.M. voor den boeg. In Kazan heb ik het zoo prettig mogelijk gehad. Tot aan Saratoff was de reis onaangenaam, maar als vergoeding kregen wij het poëtische boottochtje tot Astrakan, bekoorlijk door de afwisseling en de eigenaardigemanier van reizen. Gisteren heb ik Maria een langen brief over mijn verblijf te Kazan geschreven. Om niet in herhalingen te vervallen, vertel ik er u niets van. Tot nu toe bevalt de reis me heel goed. Ik heb veel in mijn hoofd om over na te denken en de afwisseling op zich zelf is mij reeds aangenaam. In Moskou heb ik me geabonneerd, zoodat ik overvloed van lectuur heb. Ik lees veel, zelfs in den reiswagen. Verder draagt het gezelschap van Nikolaas, zooals ge wel kunt denken, veel tot mijn genoegen bij. Met mijne gedachten ben ik steeds bij u allen, en soms maak ik me er een verwijt van, het leven, dat uwe liefde mij zoo aangenaam maakte, te hebben verlaten; gelukkig is het maar tijdelijk en het weerzien zal des te prettiger zijn. Zoo ik meer tijd had gehad zou ik Sergius ook hebben geschreven; daar wacht ik nu liever mee, tot ik ter plaatse en meer op mijn gemak ben. Groet hem van mij en zeg hem, dat het mij zeer spijt dat er in den laatsten tijd eene verkoeling tusschen ons is ontstaan, waarvan alleen ik de schuld draag.”2

Om den lezer een duidelijk begrip te geven van Tolstoi’s leven in, en van zijne vertellingen over den Kaukasus, laten wij hier met een paar woorden volgen, wat onder den Kaukasus moet worden verstaan.

Het Russische rijk had zich inwendig versterkt, om in staat te zijn de Tartaarsche bevolking te beoorlogen. De Russen begonnen met de Tartaren naar het Zuid-Oosten terug te dringen en stootten, na het Kazansche en Astrakansche rijk te hebben overwonnen, op de wilde bergbewoners van het noordelijke deel van den Kaukasus. In het begin der 19deeeuw werd ter hunner bestrijding op den linkeroever van de Tjerek en op den rechter van de Koeban eene geheelelinie kozakken gestationeerd. Het meer zuidelijk gelegen Groezintische rijk, dat tot nu toe onafhankelijk was geweest, onder een eigen vorst, Gherakli II, werd door de Russen overwonnen. Om politieke redenen was het gewenscht de bergbewoners, zich ophoudende tusschen Groezië en Rusland, aan het Russisch gezag te onderwerpen, waardoor een strijd ontbrandde, die meer dan 50 jaren duurde. De Russen, gelegerd op de oevers van de Tjerek en de Koeban, schoven langzaam op naar de bergen, maar grootendeels beperkte de strijd zich tot plotselinge overrompelingen van de woonplaatsen der bergbewoners. Het vee werd meegenomen, de weiden vertrapt, zooveel mogelijk gevangenen werden gemaakt en dan trokken de Russen weer terug naar hun stanitza3. De bergbewoners van hun’ kant lieten zich ook niet onbetuigd: zij vervolgden den vijand en brachten hem groote verliezen toe. Zij verborgen zich achter wallen, in bosschen en spelonken van ’t gebergte, kwamen dan op het onverwachtst te voorschijn en drongen zelfs door in de stanitza, waar zij een groote slachting aanrichtten en veel gevangenen maakten, mannen zoowel als vrouwen. Er kwamen oogenblikken dat de strijd verflauwde, om daarna echter weer des te verwoeder los te breken onder den invloed van eenige fanatieke leiders, die de bergbewoners, onder voorwendsel dat zij een heiligen strijd tegen ongeloovigen streden, steeds opnieuw tot den oorlog aanvuurden. De allergrootste verliezen werden den Russen toegebracht door de Tschetschenskische bevolking, die zich ophield in de boschrijke vlakten gelegen aan de zijrivieren van de Tjerek en in de woeste bergen van Itschkerië.

De aanvallen van den kant der Russen waren heftiger of zwakker, naarmate hunne aanvoerders meer of minder krachtige persoonlijkheden waren.

In 1856 namen de zaken een anderen keer, door het optreden van den stadhouder van den Kaukasus, vorst Barjatjinski, die zeer veel invloed had op Keizer Alexander II. Hij verzamelde een leger van 200.000 man (meer dan daar ooit te zamen was geweest) en liet een groot gedeelte er van optrekken tegen Tschetschna, Itschkerië en Daghestan, streken die in handen waren van den bekenden Schamil. Deze Schamil, die door de bergbewoners om zijn moed, geestkracht en vastberadenheid als een god werd aangebeden, moest het onderspit delven voor de voor niets terugwijkende overmacht van het Russische leger onder Jewdokimoff. In het jaar 1857 viel Schamils residentie, en in 1859 moest hij zelf zich met zijne nieuwe vesting Daghestanskaja aan vorst Barjatjinski overgeven.

In 1850 werd bovengenoemde vorst opperbevelhebber van den linkervleugel van het Kaukasische leger.

De aankomst van Leo Tolstoi in den Kaukasus, viel voor in dezen tijd en daarop hebben ook de verhalenDe Overrompeling,De Kozakkenen andere betrekking.

De beide broers reisden van Astrakan in eene postkoets over Kizljar naar Starogladowskaja, de plaats hunner bestemming, waar Tolstoi, die als particulier persoon in den Kaukasus aankwam, bij zijn’ broeder ging inwonen.

De eerste indruk, dien hij van den Kaukasus kreeg, was niet schitterend. Spoedig na aankomst schreef hij zijne tante:

“Einde Mei ben ik hier in het kamp aangekomen. Ik heb nu van nabij het leven gezien dat Nikolaas leidt en kennis gemaakt met de officieren van zijn’ kring. Dat leven trekt mij niet erg aan, evenmin als het land, dat ik me heel mooi had voorgesteld en het absoluut niet is. Daar de stanitza op een laag terrein ligt, hebben we in ’t geheel geen uitzicht; het logies is slecht en ontbloot van alle comfort.

“Wat de officieren betreft, die zijn, zooals ge u kunt voorstellen, menschen zonder opvoeding maar dapper, en zij houden over ’t algemeen heel veel van Nikolaas.

“Alexejeff, zijn chef, is een klein, rossig, goedig mannetje met snor en bakkebaarden en een doordringende stem; hij herinnert even aan A. S. Wolkoff, maar is niet zoo’n huichelaar. De jonge officier W.... is een kind, maar een goed kind, die aan Petroescha doet denken. Dan Bjelkowski, een oude kapitein der Kozakken uit den Oeral, een eenvoudige man, maar een dapper en braaf soldaat. Ik wil u wel eerlijk bekennen, dat er in ’t begin heel veel was in dit gezelschap dat mij niet aangenaam aandeed; nu ben ik er echter aan gewend, maar ik zal toch nooit intiem met die heeren worden.

“Ik heb het middel gevonden—daarvoor behoef ik slechts Nikolaas’ voorbeeld te volgen—om noch te veel op een afstand, noch te familiaar met hen om te gaan.”4

In Starogladowskaja bleef Tolstoi niet lang, daar hij zijn’ broer vergezelde, die ter dekking van de gewonden naar Stari-Joert werd gezonden, waar juist een warm-waterbron was ontdekt. Volgens Tolstoi’s verhalen is Stari-Joert een bijzonder mooi gelegen plaatsje, met ongeveer 1500 inwoners. Even hooger bevindt zich de staalbron, die, naar men gelooft, nog meer geneeskracht heeft dan de Pjatigorkische bronnen. De temperatuur van het water is zóó hoog, dat, toen de hond van Nikolaas Tolstoi er eens in viel, hij zulke hevige brandwonden kreeg dat hij er aan stierf.

De bron verdeelt zich in eene menigte kleine beekjes, zóó ondiep dat men ze gemakkelijk kan afdammen. De inwoners gebruiken ze als drijfkracht voor hunne molens.

De volgende brief, door Tolstoi aan zijne tante geschreven, zal ons daar meer van vertellen.

“Nikolaas moest een week na aankomst weer verder, en ik ben met hem meegegaan. We zijn nu sedert drie weken hier, en wonen in eene tent, wat mij, daar het weer heel mooi is en ik reeds begin te gewennen, heel goed bevalt. Men heeft hier prachtige vergezichten van de bron uit.

“’t Is een enorme, steenachtige berg; sommige rotsen liggen, een soort van grot vormend, los op elkaar, andere weer blijven op groote hoogte hangen. Zij zijn los gescheurd door den stroom warm water, die steeds met veel geraas neerstort. Een witte damp, die uit het warme water opstijgt, omringt voortdurend het hoogere gedeelte van den berg. Het water is zoo warm dat een ei in drie minuten gekookt is. Een schilderachtig effect maken drie eigenaardig geconstrueerde molens die, in ’t midden van het ravijn, in den hoofdstroom staan. De vrouwen van de Tartaren loopen den geheelen dag af en aan om daar hunne kleeren te wasschen. Verbeeld u, zij wasschen met hunne voeten. Het lijkt precies een groote mierenhoop. De vrouwen zijn over ’t algemeen mooi en goed gebouwd; hare Oostersche kleeding is armoedig maar sierlijk. De schilderachtige groepjes van deze vrouwen, gevoegd bij de wilde schoonheid van de natuur, levert werkelijk een prachtigen aanblik op. Soms zit ik uren het landschap te bewonderen. Boven op den berg is het uitzicht nog mooier en weer geheel anders, maar—ik vrees dat ik u met mijne beschrijvingen ga vervelen.

“Ik vind het heel aangenaam dat ik bij de bronnen ben en profiteer er van, neem staalbaden en heb nu geen pijn meer in mijne voeten. Steeds had ik last van rheumatiek en ik geloof dat ik met ons watertochtje nog meer kou heb gevat. Zelden heb ik me zoo goed gevoeld als tegenwoordig en ondanks de groote hitte neem ik veel beweging.

“Er zijn hier veel officieren, van ’t zelfde soort als die iku vroeger heb beschreven. Ik ken ze allen en sta op den zelfden voet met hen als met de anderen.”5

Van uit Stari-Joert nam Tolstoi als vrijwilliger deel aan de strooptochten die tegen de bergbewoners werden ondernomen. Deze tijd schonk hem oogenblikken van poëtische verrukking; daarvan lezen wij in zijn dagboek:

Stari-Joert, 11 Juni 1851.

“Gisteren nacht heb ik geen oog dicht gedaan. Nadat ik mijn dagboek had bijgewerkt, deed ik mijn gebed. Het is mij niet mogelijk het zalige gevoel te beschrijven dat mij daarbij doortrilde. Ik begon met het Onze Vader en de andere gebeden, die ik gewoonlijk zeg, doch bleef daarna nog lang in gepeins verzonken. Indien men het gebed als een verzoek of eene dankzegging beschouwt, dan bad ik niet. Ik verlangde iets onzegbaar hoogs en verhevens, maar uiten kon ik het niet, hoewel het mij zelf heel duidelijk was wat ik wenschte; ik wilde gelijk worden aan een bovenaardsch wezen en smeekte God mij mijne zonden te vergeven; neen, dat vroeg ik niet, want ik voelde dat, waar mij deze zalige oogenblikken geschonken werden, mijne zonden reeds waren vergeven. Ik bad en tevens voelde ik dat ik niet behoefde te bidden, dat ik er niet toe in staat was en dat ik het niet kon. Ik dankte God, maar zwijgend, niet met woorden. Mijn ziel was één gebed, één dankzegging. Het gevoel van angst was geheel verdwenen. Geen Geloof, geen Hoop, geen Liefde maakte zich los van dit alles overheerschende gevoel. Stil,—dit was het gevoel, dat mij gisterenavond beheerschte: het was de liefde tot God, de liefde die alles wat goed is in zich heeft, die alles wat slecht is van zich verwijdert. Hoe vreeselijkwas het mij te blikken naar die lage, slechte zijde van het leven, en hoe onbegrijpelijk dat ik mij ooit door haar liet meesleepen! Hoe innig bad ik God, mij in zijne hoede te nemen. Ik voelde mij los worden van de aarde, ik was ... maar neen, het aardsche, het lage herkreeg reeds weer zijn macht over mij, en nauwelijks was er een uur verloopen of, bijna zoo duidelijk alsof ik haar hoorde, lokte de stem van het lage, de stem van de ijdelheid mij; ik wist waar die stem vandaan kwam, ik wist dat zij mijne zaligheid zou verwoesten, dat ik zou strijden, maar dat zij zou overwinnen. Ik sliep in en droomde van macht en van vrouwen; maar ik had geen schuld, ik kon niet anders.

“De eeuwige zaligheid is hier op aarde niet te bereiken. Wij moeten lijden. Waarom? Ik weet het niet. En hoe durf ik zelfs zeggen: ik weet het niet. Hoe waagde ik het te denken dat ik de wegen der Voorzienigheid zou kunnen doorgronden. Zij is de bron van het verstand, en het verstand wil haar begrijpen.... Het verstand verdwaalt langs de afgronden van deze wijsheid en het gevoel vreest haar te beleedigen. Ik dank God voor dat oogenblik van zaligheid, waarin hij mij mijne grootheid en mijne kleinheid liet aanschouwen. Ik wil bidden maar ik kan niet. Ik wil begrijpen maar ik kan het niet. Heer, in Uwe handen beveel ik mijne ziel!

“Waarom heb ik dit alles neergeschreven?

“Hoe laag bij den grond, hoe zinneloos heb ik mijne gedachten uitgedrukt, en zij waren toch zoo hoog!”

Deze vlagen van religieuse verrukking veranderden dikwijls in angst en apathie. Den 2denJuni, nog steeds in Stari-Joert, schreef hij in zijn dagboek:

“Nu denk ik, wanneer ik mij al die droevige oogenblikken uit mijn leven te binnen breng, die mij als lood terneer drukken ... maar neen, er is reeds te weinig vreugde in het leven, veel te gemakkelijk te bereiken stelt de mensch zichhet geluk voor, veel te vaak—en waarom?—slaat ons het noodlot, weerklinkt smartelijk in ons de gevoeligste snaar, dan dat wij het leven nog lief konden hebben; en daarbij, er ligt iets zoets, iets verhevens in de onverschilligheid tegenover het leven, en ik geniet van die gevoelens. Hoe sterk voel ik mij tegenover de vaste overtuiging, dat ons niets meer wacht dan de dood; en dadelijk daarna herinner ik mij met blijdschap, dat mijn paard mij wacht, dat ik naar Tscherkesk zal rijden, de vrouwen zal naloopen, en het maakt me wanhopig, dat de eene punt van mijn snor hooger reikt dan de andere, en twee volle uren sta ik voor den spiegel om dit te veranderen.”

Tolstoi veranderde verschillende malen van verblijfplaats, omdat zijn broer Nikolaas, wiens standplaats eigenlijk Starogladowskaja was, dikwijls naar Stari-Joert werd gezonden en hij hem dan steeds vergezelde.

Door het feit, dat de schilderachtige beschrijvingen in Tolstoi’s eerste werken alle op Stari-Joert betrekking hebben, heeft dit plaatsje eene historische vermaardheid verkregen. De prachtige natuur van het noordelijk gedeelte van den Kaukasus, de bergen, de Tjerek, de onverschrokkenheid van de Kozakken, hunne primitieve leefwijze, alles werkte mee om zijn genie, steeds strijdende voor het ideaal der waarheid, den weg te wijzen. In zijn werkDe Kozakkenbeschrijft Tolstoi den overweldigenden indruk, dien de grootsche natuur op hem maakte.

“Het was een klare, heldere morgen. Plotseling zag Oljenin, zooals hij eerst meende op nauwelijks twintig schreden afstand, de omtrekken van iets overweldigend groots, smetteloos wit, zich vaag, in grillige lijnen afteekenend tegen den ver verwijderden hemel. Maar toen hij begreep dat er een groote afstand was tusschen hem en de bergen en hij doordrongen werd van hun onuitsprekelijke schoonheid, toen washet hem alsof hij droomde. Hij stond op om geheel wakker te worden, en zie—de bergen bleven.

“‘Wat, wat is dat?’ vroeg hij zijn’ begeleider.

“‘Natuurlijk bergen,’ antwoordde de drijver.

“‘Ik heb er ook reeds lang naar gekeken,’ zei Wanjoescha. ‘Wat zijn ze mooi! Thuis zouden zij het niet kunnen gelooven.’

“Steeds verder en verder scheen de bergketen, waarvan de toppen door de morgenzon zacht rose werden getint, bij de snelle nadering van de troika terug te wijken. Eerst was het bewondering, toen verrukking die Oljenin aangreep op het gezicht van deze sneeuwbergen. En turende naar de blanke toppen der bergen, oprijzende uit de steppen, begon hij te begrijpen, werd hij geheel doordrongen van hunne grootsche schoonheid. En alles wat hij zag op den weg en alles wat hij dacht zag hij in het licht van die verheven bergen. Zij verdreven alles uit zijne herinnering, zijne dwalingen, zijne droomen, zijne schande en zijn berouw, alles was als weggevaagd. ‘Heden begint gij te leven,’ fluisterde eene geheimzinnige stem. En de weg en de kronkelende Tjerek en het kamp en het volk, alles kreeg een ander aanzien. Naar den hemel ziende zag hij de bergen. Hij keek naar zich zelf, hij keek naar Wanjoescha en dacht aan de bergen. Twee Kozakken op vlugge paardjes reden over den weg, maar de bergen.... Een lichte damp steeg op naar den hemel, de zon kwam op en begroette de bloemen langs den oever van de Tjerek, maar de bergen.... Uit het kamp kwam eene vrouw, zij was jong en schoon, maar de bergen.... De Abreken zwierven door de steppen, maar hij vreesde hen niet: hij was jong, hij was moedig, goed gewapend en hij droomde van de bergen.”

In Augustus vinden wij Tolstoi weder in Starogladowskaja.

Door de lezing van het boekDe Kozakken, dat een sterkautobiografisch karakter draagt, kunnen wij ons een juist denkbeeld vormen van de wijze waarop Tolstoi zijn tijd in de stanitza doorbracht. Zijne verhouding tot de Kozakken, zijne bewondering voor de grootsche natuur, de jacht en zijn zielestrijd, die hem nooit verliet, dat alles vinden wij in dit werk beschreven.

Een klein fragment laten wij hier volgen.

Oljenin, zittende in het groene bosch, komt op de volgende gedachte:

“Waarom ben ik nu gelukkig en waarvoor heb ik vroeger geleefd? Wat eischte ik veel voor mij zelf en wat heb ik gewonnen? Niets dan zorg, niets dan verdriet. En zie, ik heb niets noodig om gelukkig te zijn.

“Plotseling was het alsof er een nieuw licht voor hem opging. Het geluk, peinsde hij verder, bestaat klaarblijkelijk daarin, om voor anderen te leven. In iederen mensch bestaat de drang naar geluk, dat is een natuurlijke wensch. Wanneer hij het op eene egoïstische wijze gaat zoeken, d.w.z. wanneer hij voor zichzelf rijkdom, macht of liefde vraagt, dan zal het gebeuren, dat zijne wenschen onbevredigd blijven, want dat zijn geen natuurlijke maar onwettige begeerten en het verlangen naar zulk een geluk heeft geen recht van bestaan. Welke wenschen kunnen verwezenlijkt worden? Welke? De liefde en de zelfopoffering.

“Deze, naar hij meende, nieuwe ontdekking maakte hem zoo gelukkig, dat hij plotseling opsprong en rondziende dacht: Voor wien kan ik mij opofferen, wien kan ik goed doen, wien liefhebben? Ik heb immers niets noodig voor mij zelf; waarom dus niet voor anderen te leven?”6

De stem der liefde vond toen reeds weerklank in de zielvan den jongeling, die nog nauwelijks zijne intrede in de wereld had gedaan. Maar ook de uiterlijke omstandigheden kregen macht over dezen jongen, krachtigen man en sleepten hem mee op de wegen waar het dierlijk instinct ons voert.

Het spreekt van zelf, dat het leven in de stanitza niet voorbij ging zonder dat Tolstoi, jong en hartstochtelijk als hij was, een’ roman beleefde. Hij vatte eene groote liefde op voor eene jonge Kozatschka.7De geschiedenis van deze liefde is in het werkDe Kozakkenbeschreven, maar nog duidelijker beeld kunnen wij er ons van vormen uit een’ brief, dien hij aan een’ vriend in Moskou schreef. In dezen brief zien wij Tolstoi’s groote liefde voor de natuur, zijn’ wensch om zich met haar te vereenzelvigen, en zijn verdriet als hij tot de erkenning komt, dat het niet mogelijk is; dat zijne ontwikkeling het verhindert; dat hij zich reeds zoover van haar heeft verwijderd, dat zich een afgrond heeft gevormd, die nooit meer is te dempen.

“O, hoe beklaag ik je! Je hebt geen begrip van zulk een geluk en wat het leven is! Eerst moet je het leeren kennen in zijne volle schoonheid. Eerst moest je zien wat ik dagelijks voor mij zie: de eeuwige, ongerepte sneeuwbergen en de vrouw in haar verheven schoonheid,—zoo schoon als de eerste vrouw in ’t Paradijs moet zijn geweest,—en dán zal het je duidelijk worden wie van ons te gronde zal gaan, wie in de waarheid en wie in den leugen leeft, jij of ik! O, hoe beklaag ik je in je waan!

“Als ik mij zelf terug denk, in plaats van met mijn huisje, mijn bosch en mijne liefde, in de salons gevuld met vrouwen met opgemaakte valsche haren, onnatuurlijke spraak, slechte en misvormde gestalten, leege salonpraatjes die moeten doorgaan voor een gesprek, dan walg ik van datalles. Wanneer ik mij die onbeteekenende gezichten voorstel, die rijke jonge meisjes, rondloopende alsof zij zeggen willen: ‘kom maar bij me, al ben ik ook rijk, gij kunt me krijgen’, het hier hangen en daar leunen, die onbeschaamde koppelarij, die eeuwige babbelpraatjes, die gekunsteldheid, de etiquette die voorschrijft wien men een hand moet geven, voor wien men moet buigen, met wien men een gesprek moet aanknoopen, en ten slotte die allesbeheerschende verveling, die overgaat van geslacht op geslacht, en dat alles in de overtuiging dat dát noodzakelijk is!

“Begrijp en geloof. Begrijp wat waarheid en schoonheid is, dan zal alles wat gij voor geluk houdt, alles wat gij wenscht, voor mij, zoowel als voor u, vervliegen als kaf voor den wind. Het geluk is: leven met de natuur, haar zien, haar voelen. ‘Hij zal nog eens eene Kozatschka huwen, en geheel voor de maatschappij verloren gaan,’ hoor ik de menschen reeds medelijdend zeggen.

“En ik, ik heb maar één wensch, geheel te gronde te gaan, zooals gij dat begrijpt, en eene eenvoudige Kozatschka te huwen, maar ik heb er geen moed toe, want het geluk zou te groot zijn.

“Drie maanden zijn verloopen sedert ik voor het eerst Mariana zag. Nog kleefden mij alle vooroordeelen aan, die ik had meegebracht uit den kring dien ik juist had verlaten. Nooit had ik kunnen denken, dat ik voor deze vrouw liefde zou gevoelen! Ik bewonderde haar zooals ik de natuur, de bergen bewonderde, en ik kon niet anders, want haar schoonheid is aan hen gelijk.

“Later, toen het mij duidelijk werd dat ik haar schoonheid niet meer kon ontberen, vroeg ik mij af of ik haar lief had, maar ik antwoordde ontkennend. Wat ik voelde kwam niet voort uit verveling, noch uit den wensch om te trouwen; het was geen platonische en geen zinnelijke liefde.

“Ik moest haar zien, haar hooren, haar in mijne nabijheid weten; ik was niet wat men gelukkig noemt, maar ik was rustig.

“Na een’ avond, dien ik in haar gezelschap had doorgebracht, nadat ik hare aanraking gevoeld had, begreep ik dat tusschen mij en die vrouw een band werd geweven, waartegen niet viel te strijden.

“Toch heb ik mij verzet. Ik hield mij voor: kunt ge dan eene vrouw liefhebben, die nooit uw innerlijk leven zal kunnen begrijpen; kunt ge haar dan liefhebben, alleen om haar schoonheid, eenvoudig als een vrouwelijk beeld? Maar ik hield reeds van haar, hoewel ik het mij zelf niet wilde bekennen.

“Na dat feestje, waarop ik voor ’t eerst met haar sprak, kwam er eene verandering in onze verhouding. Vroeger beschouwde ik haar als een vreemd, verheven voortbrengsel der natuur; nu werd zij een mensch voor mij. Ik begon haar gezelschap te zoeken, sprak met haar, bezocht haar vader soms op het werk en bracht geheele avonden in haren familiekring door.

“En toen ik haar nader trad, bleef zij toch voor mij even rein, gesloten en verheven. Zij antwoordde mij steeds even rustig, uit de hoogte en kalm. Soms was zij vriendelijk, maar meestal drukte iedere blik, iedere beweging onverschilligheid uit, doch niet minachtend, altijd betooverend. Met een geveinsd lachje, maar met een inwendig hartstochtelijk verlangen, sprak ik met haar over onverschillige dingen en trachtte haar iederen dag nader te komen. Zij merkte dat ik huichelde, maar zag mij steeds eenvoudig en recht in de oogen. Ik kon het niet langer verdragen. Liegen wilde ik niet voor haar, ik wilde alles uitspreken wat ik voelde. Wij waren in den tuin. Ik was zeer opgewonden en verklaarde haar mijne liefde, met woorden waarvoor ik mij nu nog schaam, want zij stond zooveel hooger dan deze woorden, waarmee ik haar mijne liefdete kennen gaf. Toen zweeg ik, maar van dien dag af werd mijne positie onverdraaglijk.

“Ik wilde mij niet voor haar vernederen en op den zelfden voet als vroeger met haar omgaan, en ik voelde dat ik niet in staat was gewoon met haar te zijn. Wanhopig vroeg ik mij af wat ik doen moest.

“In mijne droomen zag ik haar als mijne geliefde, als mijne vrouw, en beide gedachten stootte ik vol afschuw van mij. De gedachte haar als eene deern te beschouwen was verschrikkelijk, stond gelijk met een moord, en haar tot eene barinja8te maken nog erger.

“Als ik een Kozak kon worden als Loekaschka, paarden stelen, tschichir9drinken, lustig zingen, menschen dooden en ’s nachts dronken door het venster in haar kamer klimmen, zonder te bedenken wie ik ben en wat ik wil—dan konden wij elkaar begrijpen en dan kon ik gelukkig zijn!”

Maar als Loekaschka worden kon hij niet en dus was dat geluk niet voor hem weggelegd.

In September schreef hij zijne tante een’ brief, waaruit reeds duidelijk de toekomstige schrijver te herkennen is.

Hier treft ons vooral de doordachte wijze waarop hij zich weet uit te drukken. Waarschijnlijk bestormden hem toen reeds tal van gedachten en deed hij zorgvuldig eene keuze voordat hij ze aan het papier toevertrouwde. Op de volgende wijze drukt hij zijne gevoelens uit:

“Gij hebt mij verschillende malen verteld, dat gij uwe brieven nooit in klad schrijft. Ik heb uw voorbeeld gevolgd, maar ben er niet wel bij gevaren, want dikwijls overkomt het mij, dat ik bij overlezing alles weer verscheur. Dat gebeurt niet uit valsche schaamte, want eene spelfout, een klad of een verdraaide zin hinderen mij niet, maar omdatik het nog niet zoo ver heb gebracht, mijne pen en mijne gedachten de juiste richting te geven.10

“Juist heb ik een’ brief verscheurd, omdat ik veel dingen gezegd had, die ik had willen zwijgen, en omgekeerd. Gij denkt misschien dat ik me nu anders toon dan ik ben en zult zeggen, dat dit niet goed is tegenover menschen waarvan wij houden en die wederkeerig veel om ons geven. Ik moet dat toestemmen, maar stem gij dan ook toe, dat wij wel alles aan een’ persoon die ons onverschillig is, vertellen, maar dat wij voor iemand, waar we veel van houden, vaak sommige dingen zouden willen verzwijgen.”

In ’t bewustzijn van zijne jonge kracht ontwaakte in hem de drang om die te gebruiken, zoodat hij besloot in gezelschap van zijn’ vriend Jepischka (inDe Kozakkenbeschreven onder den naam Jeroschka) eene reis te gaan maken. Die reis nu leverde zeer veel gevaren op, omdat zij ieder oogenblik de kans liepen door de wilde bergbewoners te worden overvallen.

Goed en wel weer teruggekomen ontmoette hij een familielid, een zekeren Ilija Tolstoi, die hem vroeg hem te vergezellen. Door dezen Ilija Tolstoi werd hij voorgesteld aan den opperbevelhebber, vorst Barjatjinski, met wien hij eenigszins op vertrouwelijken voet kwam en die hem zijne goedkeuring te kennen gaf over de ferme, flinke wijze waarop hij aan de gevechten deel nam. Tevens gaf hij hem den raad een verzoekschrift in te dienen om in het leger te worden opgenomen, daar hij nog steeds als volontair dienst deed.

De vleiende woorden van den vorst en het aandringen zijner familie deden Tolstoi besluiten dien raad op te volgen.

De maanden Augustus en September bracht hij door inStarogladowskaja. In September ging hij met zijn’ broer Nikolaas naar Tiflis. Deze vertrok echter na korten tijd, maar Tolstoi bleef er om zijn examen te doen en daarna in dienst te treden. Uit Tiflis schreef hij zijne tante:

“Wij zijn inderdaad den 25envertrokken en na eene reis van zeven dagen, gedeeltelijk vervelend, omdat er op de wisselstations steeds gebrek aan paarden was, gedeeltelijk aangenaam door de schoonheid van het landschap, kwamen wij den 1envan deze maand op de plaats onzer bestemming.

“Tiflis is een zeer beschaafde stad, die haar best doet P.... na te apen en daar vrij goed in slaagt. Men vindt er een uitgelezen, tamelijk uitgebreiden gezelschapskring, een Russisch tooneelgezelschap en eene Italiaansche opera, waarvan ik zooveel profiteer als mijne armzalige middelen mij toelaten. Ik heb mijn’ intrek genomen in het Duitsche kwartier; het is wel is waar eene voorstad, maar heeft voor mij een dubbel voordeel. Ten eerste is het er mooi; rondom zijn tuinen en wijnaanplantingen, zoodat men zich kan verbeelden buiten te zijn (’t is nog heerlijk weer; tot nu toe hebben we nog geen sneeuw of ijs gezien). Ten tweede betaal ik voor twee vrij zindelijke kamers vijf roebel per maand, terwijl ik voor eene dergelijke woning in de stad minstens veertig zou moeten geven; bovendien kan ik me gratis in het Duitsch spreken oefenen. Verder heb ik mijne boeken, mijne bezigheden en nog vrijen tijd, daar niemand mij komt storen, zoodat ik mij, alles bij elkaar genomen, niet verveel. Gij herinnert u nog wel, lieve tante, dat gij mij eens den raad hebt gegeven romans te gaan schrijven. Nu, ik heb dien opgevolgd en ben nu met een literairen arbeid begonnen. Ik weet niet of mijn werk ooit het licht zal zien, maar het houdt mij in ieder geval aangenaam bezig.”11

Belangwekkend in dezen brief is, dat wij eruit zien hoe eenvoudig zich dat groote, zich nog onbewuste talent ontwikkelde. In dezen tijd werd Tolstoi ziek. Het duurde eenige maanden voordat hij geheel hersteld was. Die gedwongen rust gebruikte hij voor het schrijven van zijn eerste werk en om zijne aanstelling in het leger te verkrijgen, hetgeen veel bezwaren opleverde, daar zijne papieren niet geheel in orde waren.

De volgende brief, geschreven 23 December 1851, aan zijn’ broer Sergius, geeft ons nog eenige bijzonderheden uit Tolstoi’s leven te Tiflis en in de stanitza.

“Juist vandaag kreeg ik eindelijk de lang gewenschte aanstelling. Ik kom bij de 4debatterij te staan en zal het genoegen hebben front te mogen maken en met mijne oogen de voorbij rijdende officieren en generaals te volgen. Ja, zelfs vandaag, toen ik ging wandelen in mijn pelsjas en met mijn slappen hoed op (voor dien hoed heb ik hier nog al 10 roebel betaald), wilde ik, zonder aan de deftigheid van dit kleedingstuk te denken, gewend als ik reeds was om me spoedig in de grijze schinel te zien, mijn slappen hoed afrukken en op straat gooien. Als mijne wenschen in vervulling gaan, dan reis ik reeds den eersten dag van mijn in-dienst-treding naar Starogladowskaja, en ga dan dadelijk op marsch. Ik kleed me dan in een schaapspels, en zal met hart en ziel en met behulp van de kanonnen meewerken aan de uitroeiing van die roofzuchtige, lastige Aziatische bevolking.

“Uit dit schrijven zie je dat ik op ’t oogenblik in Tiflis ben. Ik kwam hier 9 November aan, zoodat ik nog een enkelen keer met de honden die ik in Starogladowskaja heb gekocht op jacht kon gaan. Het jagen hier, d.w.z. in de stanitza, is heerlijk. Weiden, moerassen, waar eene menigte grijze hazen zitten, en eilanden, niet met bosschen, maar met een soort riet beplant, waar zich veel vossen ophouden. Negen malen ben ik met mijne twee honden, waarvan de eene goed, de andere slecht is, op jachtgeweest, op 15 werst afstand van de stanitza, en legde twee vossen en zestig hazen neer. Zoodra ik weer daarginds ben, ga ik eens op geiten jagen.

“Ik heb ook eenige malen aan eene jacht met de buks op wilde zwijnen en herten deelgenomen, maar heb niets onder schot gekregen. Deze wijze van jagen is op zich zelf wel aardig, maar voor dengene die gewend is met honden te jagen is het niets. ’t Gaat er juist mee als met iemand die altijd Turksche tabak rookt; die houdt niet meer van Schoekoff, hoewel het altijd nog de vraag is, welke de beste is.

“Ik ken je zwak, n.l. dat je graag wilt weten hoe het hier is, wie mijn kennissen zijn en hoe ik met hen sta. ’t Is overigens iets, dat mij hier heel weinig bezig houdt, maar ik zal je zooveel mogelijk tevreden stellen. Er zijn hier niet veel officieren; bij gevolg ken ik ze allen, hoewel zeer oppervlakkig. Ik sta met allen op een’ goeden voet, een gevolg van de wodka, wijn en zakoeska12, die Nikolaas en ik altijd voor de bezoekers gereed houden. Aan deze zelfde omstandigheid dankte ik ook mijne opname onder de officieren in Stari-Joert. Hoewel er heel geschikte lui onder de officieren zijn, wil ik, daar ik buitendien belangrijke bezigheden heb, niet intiem met hen worden. De onderbevelhebber Alexejeff, de commandant van de batterij waarbij ik sta, is een goed, maar ijdel mensch. Laatst had ik hem noodig, en ik moet bekennen, dat ik toen op die eigenschap gespekuleerd heb en hem een beetje honing om den mond heb gesmeerd. Ik deed het echter ongaarne, dat verzeker ik je. Wanneer ge met ijdele menschen omgaat, dan wordt ge het zelf ook.

Berkenlaan leidende naar het huis te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.Berkenlaan leidende naar het huis te Jasnaja Paljana.—Blz.57.

Berkenlaan leidende naar het huis te Jasnaja Paljana.—Blz.57.

“Hier in Tiflis heb ik drie kennissen; meer tot nu toe nog niet, ten eerste omdat ik het niet wensch en ten tweede omdat de gelegenheid tot verdere kennismaking zich nietheeft voorgedaan. De eerste is Bagration, een Petersburger, de tweede vorst Barjatjinski, onder wiens commando ik de strooptochten heb meegemaakt. Ik heb daarna met Ilija Tolstoi, dien ik hier ook ontmoette, een’ dag bij hem doorgebracht. Van deze vriendschap beleef ik niet veel plezier, want je zult wel begrijpen, in welk eene verhouding een Junker tot een generaal kan staan. De derde is een gedegradeerde apothekersbediende, een vermakelijk type. Ik veronderstel dat vorst Barjatjinski nooit had gedacht op één lijn met een hulp-apotheker te worden geplaatst en dat is hier toch het geval. Nikolaas is hier zeer gezien, zoowel bij zijne meerderen als bij zijne officieren-collega’s; iedereen heeft achting voor hem en houdt van hem, en daarbij geniet hij de reputatie van een dapper officier te zijn. Ik houd meer van hem dan van mij zelf, ben gelukkig in zijne nabijheid en verveel mij zonder hem.

“Als je wilt pronken met berichten uit den Kaukasus, dan kun je vertellen, dat Chadzji-Moerat, de eerste persoon na Schamil, zich aan de Russen heeft overgegeven. Hij was de dapperste van allen, maar heeft nu eene laagheid begaan. Verder kun je nog met trots vertellen, dat vandaag de bekende, dappere, verstandige generaal Sljeppoff is gestorven; of hij er verdriet van heeft, dat zou ik je niet kunnen zeggen.”

Den 6enJanuari schreef Tolstoi, steeds nog uit Tiflis, zijne tante een’ brief, waaruit de groote aanhankelijkheid en liefde sprak die hij haar toedroeg.

“Uw’ brief van den 24enNovember heb ik zoo juist ontvangen en als naar gewoonte zal ik dien per omgaande beantwoorden. De vorige maal vertelde ik u, dat uwe woorden mij hadden doen weenen en ik schreef die zwakheid aan mijne ziekte toe. Ik vergiste mij. Al uwe brieven hebben sedert eenigen tijd diezelfde uitwerking op mij. Gijweet het wel, mijne tranen zaten altijd hoog. Eerst schaamde ik mij voor deze zwakheid, maar de tranen die ik stort, denkend aan u en aan uwe liefde voor ons, laat ik vloeien zonder de minste valsche schaamte. Uw brief is zoo vol droevige gedachten, dat hij mij ook treurig heeft gestemd. Gij hebt mij steeds goeden raad gegeven, waarnaar ik helaas maar zelden heb geluisterd. Ik zou mijn heele leven willen handelen volgens uwe aanwijzingen. Mag ik u nu den indruk, dien uw brief op mij gemaakt heeft, en de gedachten, die tijdens de lezing bij mij oprezen, mededeelen?

“Vergeef mij, ter wille van de groote liefde die ik u toedraag, indien ik te openhartig met u spreek. Gij zegt, dat het nu uwe beurt is ons te verlaten, om weder vereenigd te worden met hen, die gij zoo zeer hebt liefgehad. Gij zegt, dat uw leven zoo troosteloos eenzaam is, dat gij God hebt gesmeekt er een einde aan te maken. Vergeef mij, lieve tante, maar ik geloof dat gij met zoo te spreken God en ook hen, die u zoo hartelijk liefhebben, beleedigt. Gij vraagt God om den dood, dus om het grootste ongeluk dat mij kan treffen. Dit zijn geen ijdele klanken, maar God is mijn getuige, dat de dood van u of van Nikolaas, de beide wezens die ik meer liefheb dan mij zelf, voor mij de grootste ramp zou zijn, die mij kon overkomen. Wat zou mij overblijven, zoo God uw’ wensch vervulde! Voor wie zou ik trachten mij te verbeteren, mij goede eigenschappen te verwerven en mijn best doen eene goede reputatie te verkrijgen? Wanneer ik plannen maak voor mijn toekomstig geluk, dan doe ik dat steeds met de gedachte, dat gij daarvan ook zult genieten. Wanneer ik eene goede daad verricht, dan ben ik tevreden over mij zelf, omdat ik weet, dat gij over mij tevreden zoudt zijn, en handel ik niet goed, dan is mijn grootste vrees u verdriet te doen. Uwe liefde is alles voor mij en gij vraagt God ons te willen scheiden! Ik kan het gevoel nietbeschrijven dat ik u toedraag, geen woorden kunnen het uitdrukken; ik vrees dat gij zult denken dat ik overdrijf, en toch ween ik heete tranen terwijl ik u dit schrijf. De gedachte aan die vreeselijke scheiding heeft mij geleerd welk eene vriendin ik in u bezit en hoeveel ik van u houd. Maar ik ben immers niet de eenige die u zoo genegen is, en gij, gij vraagt God te mogen sterven! Gij zegt dat gij zoo eenzaam zijt door onze scheiding! Maar als gij in mijne liefde gelooft, zal dat een tegenwicht zijn voor uw verdriet.

“Wat mij betreft, ik zal nooit eenzaam zijn, zoolang ik mij bewust ben van uwe warme genegenheid voor mij.

“Terwijl ik deze woorden schrijf weet ik dat het geen goede gewaarwording is, die ze mij in de pen geeft: ik gevoel mij gestreeld door uw verdriet.”13

In denzelfden brief vertelt Tolstoi nog eene belangrijke gebeurtenis, belangwekkend ook uit een psychologisch oogpunt.

“Vandaag is mij iets gebeurd, dat mij in God zou doen gelooven, zoo ik niet reeds sedert geruimen tijd een vast geloof bezat.

“Van den zomer, in Stari-Joert, deden de officieren niet anders dan spelen en dan nog tamelijk grof. In het kamp is men gedwongen elkaar dikwijls te ontmoeten en heel vaak ben ik bij het spel tegenwoordig geweest. Ondanks hun aandringen ben ik een maand lang standvastig gebleven, maar eens, bij wijze van grap, heb ik eene kleinigheid gewaagd. Ik verloor, zette opnieuw in, en verloor opnieuw; het geluk was tegen mij. De hartstocht voor het spel leefde weer bij mij op en in twee dagen verloor ik niet alleen al mijn geld, maar ook dat van Nikolaas (hij gaf mij ongeveer 250 roebel); bovendiennog 500 roebel, waarvoor ik een’ wissel geteekend heb die in Januari betaald moet worden. Ik moet u nog vertellen dat dicht bij ons kamp een huisje staat, dat bewoond wordt door Tschetschenzen. Een van hen, Sado, kwam in het kamp en nam deel aan ’t spel, maar daar hij schrijven noch rekenen kon—reden waarom ik nooit met Sado wilde spelen—waren er schurken die hem bedrogen. Ik heb hem aangeraden zich daar niet meer aan bloot te stellen, terwijl ik hem aanbood per procuratie voor hem eene kans te wagen. Hij was me heel dankbaar en heeft mij eene beurs gegeven; daar bij zijn’ stam de gewoonte bestaat elkaar wederzijds iets te schenken, heb ik hem voor 8 roebel een prul van een geweer gekocht. Nu moet gij nog weten dat om ‘koenjak’, dat wil zeggen vrienden, te worden men elkaar niet alleen geschenken moet geven maar ook het middagmaal bij elkaar moet gebruiken. Daarna wordt men, volgens een oud gebruik van dat volk (dat bijna geheel is verdwenen), vrienden op leven en dood, hetgeen wil zeggen, dat als ik hem vraag om zijn vrouw, zijn geld, zijn wapens of het kostbaarste wat hij op de wereld bezit, hij mij dat moet afstaan, terwijl ik hem natuurlijk evenmin iets mag weigeren. Sado heeft mij gevraagd eens bij hem te willen komen en ik ben er heen gegaan. Na mij op hunne wijze onthaald te hebben, stelde hij mij voor, het mooiste uit te zoeken wat hij in zijn huis had: zijne wapens, zijn paard ... in één woord wat ik verlangde. Ik wilde het minst kostbare nemen en koos een paardentoom met zilveren beslag, maar hij zeide dat ik hem beleedigde en drong mij een sabel op, die minstens 100 roebel waard is.

“Zijn vader is een rijk man, maar heeft zijn geld begraven en geeft geen cent aan zijn’ zoon, die daarom, als hij geld wil hebben, van den vijand een paard of eene koe gaat stelen. Hij zet soms twintig maal zijn leven op het spel om iets te stelen, dat nog geen tien roebel waard is. Hij steeltniet uit hebzucht maar om den naam. De grootste dief is bij hen zeer in aanzien, en ontvangt den eerenaam ‘malodjetz.’14Soms is Sado in ’t bezit van 1000 roebel, dan weer heeft hij geen cent. Eens gaf ik hem, na hem bezocht te hebben, het zilveren horloge van Nikolaas, en nu zijn we de grootste vrienden van de wereld. Meermalen heeft hij mij zijne toewijding getoond, door zich voor mij aan verschillende gevaren bloot te stellen, hetgeen voor hem echter niet veel te beteekenen heeft, daar hij eraan gewend is en het als een genoegen beschouwt.

“Toen ik uit Stari-Joert vertrokken was, kwam hij iederen dag bij Nikolaas, zeggende niet te weten wat hij zonder mij moest beginnen, daar hij zich doodelijk verveelde. Ik had Nikolaas geschreven, dat mijn paard ziek was geworden, en hem tevens gevraagd in Stari-Joert een ander voor mij te koopen. Sado kwam het te weten en wist niet beter te doen dan dadelijk naar mij toe te komen om mij zijn paard te brengen, dat ik tegen wil en dank moest aannemen.

“Na de domheid, die ik in Stari-Joert beging, heb ik geen kaart meer aangeraakt en hing ik voortdurend den zedemeester uit tegenover Sado, die ook een hartstochtelijk speler is, en hoewel hij er niets van kent, steeds geluk heeft. Gisteren avond heb ik mij met mijne geldelijke omstandigheden en mijne schulden bezig gehouden. Ik dacht er over na, hoe ik het aan moest leggen ze te betalen, en kwam tot het besluit dat, zoo ik niet te veel geld uitgeef, al mijne schulden mij niet in verlegenheid zullen brengen en langzamerhand, in twee of drie jaar, kunnen worden afgedaan; maar de som, die ik deze maand moet betalen, bracht mij tot wanhoop. Het was me onmogelijk te betalen en zij veroorzaakte mij meer zorgen dan vroeger de vierduizend, die ik Ogoreff schuldig was. Toenik mijn avondgebed deed smeekte ik God dringend mij uit deze netelige positie te redden. ‘Hoe zal ik die zaak tot een goed eind brengen?’ dacht ik bij ’t naar bed gaan. ‘Er kan niets gebeuren dat mij in staat stelt die schuld af te doen.’ Ik stelde mij reeds alle onaangenaamheden voor, die ik zou moeten verduren: dat men den wissel zou presenteeren, dat men mij van regeeringswege ter verantwoording zou roepen, waarom ik niet betaalde enz. enz. ‘Heer, help mij,’ bad ik, en sliep in.

“Den volgenden morgen kreeg ik een’ brief van Nikolaas (de uwe was er bij ingesloten) waarin hij mij schreef:

“‘Zoo juist is Sado bij mij geweest. Hij heeft de wissels die jij hebt onderteekend terug gewonnen en bracht ze mij. Hij was zoo overgelukkig en vroeg zóó dikwijls: ‘wat denk je, zal je broeder blij zijn?’ dat ik hem daarom lief heb gekregen. Die jonge man heeft een oprechte genegenheid voor je opgevat!’

“Is het geen wonder dat mijn gebed reeds den volgenden morgen verhoord werd; d.w.z., is er iets dat meer verwondering kan baren dan Gods goedheid tegenover een wezen dat het zoo weinig verdient als ik? En is het geen sprekend bewijs voor Sado’s hartelijke toegenegenheid? Hij weet dat ik een’ broer heb die heel veel van paarden houdt; toen ik hem beloofde, hem mee naar Rusland te nemen, zei hij, dat hij het beste paard zou stelen dat er in de bergen te vinden was om het Sergius mee te brengen, al moest het hem honderdmaal het leven kosten.

“Wilt gij zoo goed zijn, als het niet te duur is, in Toela een’ revolver en eene muziekdoos te laten koopen en mij die te zenden?

“Dat zijn dingen, die Sado heel veel genoegen zullen verschaffen.”15

Het bovenstaande is belangrijk voor ons, omdat het ons in de gelegenheid stelt Tolstoi’s geestelijke ontwikkeling op den voet te volgen, van zijn naief vertrouwen op een’ God, die zich met zijn kaartspel, met zijn dagelijksche bezigheden bemoeit, tot aan zijne tegenwoordige, geheel vrije opvatting van het geloof.

Eindelijk keerde Tolstoi, na zijne dienstzaken te hebben geregeld, naar Starogladowskaja terug. Onderweg schreef hij van uit de stanitza Mozdok een langen brief aan zijne tante, als altijd vol betuigingen van zijne groote liefde voor haar en tevens met droomen en plannen voor toekomstig, eenvoudig huiselijk geluk.

“Ik zal trachten u de gedachten mede te deelen die bij mij opkwamen, want zij betreffen ook u. Ik ben inwendig veel veranderd; dat gebeurde mij reeds dikwijls, en zal, naar ik vermoed, wel het lot van iedereen zijn. Hoe langer men leeft des te meer verandert men; gij die ondervinding hebt opgedaan, kunt mij zeggen of dit waar is. Ik denk dat onze gebreken en onze deugden—de grondslag van ons karakter—steeds gelijk blijven, maar onze blik op het leven en het geluk verandert met de jaren. Een jaar geleden zocht ik het geluk in vermaak, in beweging; tegenwoordig integendeel komt de moreele, zoowel als de physieke, rust mij het meest gewenscht voor. Maar die rust stel ik mij voor zonder verveling, gevuld met de stille genoegens van liefde en vriendschap; dat schijnt mij het toppunt van geluk. Men geniet echter eerst van deze rust nadat men zich vermoeid heeft, en van de liefde als men haar heeft moeten ontberen. Sedert eenigen tijd ben ik van beide beroofd en daarom verlang ik er zoo naar. Ik moet ze nog langer ontberen; voor hoe lang, dat weet God! Ik zou niet kunnen zeggen waarom, maar ik weet dat het moet. De godsdienst en de ondervinding, die ik in mijn leven (hoe kort ook) heb opgedaan, hebben mij geleerddat het leven eene beproeving is. Voor mij is het meer: het is bovendien de boetedoening voor mijne tekortkomingen.

“Ik geloof, dat het schijnbaar zoo lichtvaardig opgekomen denkbeeld om naar den Kaukasus te gaan, mij door God is ingegeven. Het is Gods hand die mij leidt, waarvoor ik oneindig dankbaar ben. Ik voel, dat ik hier beter ben geworden (wat niet veel wil zeggen, want ik ben heel slecht geweest), en ik ben er vast van overtuigd dat alles wat mij kan overkomen slechts tot mijn bestwil zal zijn, omdat God het zoo heeft beschikt. Hoewel het misschien eene vermetele gedachte is, ben ik er toch stellig van overtuigd. Daarom draag ik de vermoeienissen en de physieke ontberingen waarvan ik spreek (het zijn eigenlijk geen physieke ontberingen; een jonge gezonde man van 23 jaren kent die niet) zonder ze te voelen, eerder met een soort genot, denkende aan het geluk, dat mij wacht.

“Dat geluk stel ik mij op de volgende wijze voor.

“Ik bevind mij na een onbepaald aantal jaren—ik ben dan niet jong meer, maar ook nog niet oud—te Jasnaja Paljana. Mijne zaken zijn in orde, ik heb geen zorgen en behoef mij niet te kwellen. Gij woont ook te Jasnaja Paljana. Gij zijt een beetje ouder geworden, maar ziet er nog goed uit en gevoelt u ook wel. Wij leiden een leven zooals vroeger, ik werk ’s morgens, en den geheelen dag zijn wij bij elkaar. Dan gaan wij dineeren. ’s Avonds lees ik u iets voor, dat u niet verveelt; dan praten we, ik vertel u van mijn leven in den Kaukasus, gij spreekt van uwe herinneringen, van mijn’ vader en mijne moeder; gij doet mij de ‘griezelige verhalen’ waarnaar wij vroeger met verschrikte oogen en open monden luisterden. Wij herdenken de personen, die ons dierbaar waren en die niet meer zijn; gij weent, mijne tranen vermengen zich met de uwe, maar bitter zijn zij niet. Wij spreken over de broers, die ons nu en dan komen bezoeken, en over onze lieve Maria,die met hare kinderen ieder jaar eenige maanden op Jasnaja, dat haar zoo dierbaar is, komt doorbrengen. Wij zullen geen kennissen hebben en niemand zal ons met beuzelpraat vervelen. Het is een schoone droom, maar het is nog niet eens alles wat ik waag te droomen. Ik ben getrouwd, ik heb eene zachte, goede, liefderijke vrouw; haar liefde voor u is even groot als de mijne. Wij hebben kinderen die u grootmoeder noemen. Gij bewoont boven in het groote huis grootmoeders vroegere kamers. Het huis is nog juist zoo als in den tijd van papa, en wij zullen hetzelfde leven leiden; alleen de rollen zijn verwisseld. Gij krijgt de rol van grootmoeder, maar gij vervult haar nog beter; ik die van papa, hoewel ik vrees haar nooit waardig te zullen zijn; mijne vrouw die van mama, de kinderen de onze. Maria krijgt de rol van de twee tantes, behalve de rampen die haar troffen, en zelfs Gascha speelt voor Praskowija Ilinischna.—Maar er ontbreekt ons één persoon, die de rol op zich kan nemen die gij vroeger in onze familie gespeeld hebt; nooit zullen we iemand vinden zóó goed, zóó beminnelijk als gij. Gij hebt geen opvolgster. Dan zullen er nog nieuwe acteurs van tijd tot tijd ten tooneele verschijnen: de drie broers, vooral Nikolaas, een oude vrijer, kaalhoofdig, niet meer in dienst, en altijd even goed en edel. Ik stel mij voor hoe hij zal zijn als hij oud is, hoe hij de kinderen sprookjes zal vertellen, hoe zij op zijne knieën zullen klimmen, hoe hij met hen zal spelen, hoe mijne vrouw haar best zal doen om zijn lievelingsgerecht klaar te maken, hoe wij herinneringen zullen ophalen aan lang vervlogen dagen, hoe gij op uwe gewone plaats zult zitten en met genoegen naar ons zult luisteren; hoe gij ons, dan reeds op leeftijd, met onze kindernamen—Ljewotschka, Nikoljenka—zult aanspreken, en hoe gij ons zult berispen, mij omdat ik met mijne vingers eet en hem omdat zijne handen niet schoon zijn.

“Wanneer ik keizer van Rusland was, of als men mij Peru zou willen schenken, in één woord indien er eene toovergodin kwam, die mij toestond een’ wensch te doen, dan zou ik niets anders vragen, dan dezen droom werkelijkheid te laten worden. Ik weet het wel dat gij er niet van houdt den tijd vooruit te loopen, maar wat steekt er voor kwaad in? En het schenkt mij zoo’n groot genoegen. Ik vrees dat ik egoïstisch ben geweest en uw deel van ’t geluk te klein heb gemaakt. Ook dat de smart zoo diepe sporen in uw hart heeft achtergelaten, dat gij niet meer ten volle van de toekomst kunt genieten.

“Zeg, lieve tante, zoudt gij niet gelukkig zijn? Het kan alles nog eens werkelijkheid worden en de hoop is zoo zoet. Mijne tranen beginnen weer te vloeien. Waarom toch is dit steeds zoo als ik aan u denk? Het zijn tranen van geluk die in mijn oogen dringen omdat ik u mag liefhebben. Al trof het grootste ongeluk mij ook, volkomen ongelukkig zou ik niet zijn, zoolang gij nog in leven zijt. Herinnert gij u het afscheid nog bij de kleine kapel van Uwerskaja, toen wij naar Kazan verhuisden? Toen, als door een ingeving, op het laatste oogenblik, begreep ik wat gij voor ons geweest waart, en hoewel ik nog een kind was, hebben mijne tranen en een paar gestamelde woorden u kenbaar gemaakt wat er in mij omging. Ik heb steeds van u gehouden, maar het gevoel dat mij bij de kleine kapel doordrong en mij ook nu beheerscht is geheel iets anders, het is sterker en hooger.

“Nu moet ik u iets bekennen waarvoor ik mij diep schaam, maar ik moet het u vertellen om mijn geweten te ontlasten. Vroeger, bij ’t lezen van uwe brieven, dacht ik dat gij overdreeft in uwe uitingen van genegenheid voor mij, maar nu, terwijl ik ze herlees, begrijp ik uwe onbegrensde liefde en uwe verheven ziel. Ik ben er van overtuigd dat iedereen behalve gij, die de laatste twee brieven zou lezen, ook mijvan overdrijving zou beschuldigen. Van u vrees ik dat oordeel niet; gij kent mij te goed en weet dat mijne gevoeligheid misschien mijn eenige goede hoedanigheid is. Aan haar dank ik de schoonste oogenblikken van mijn leven. Maar in ieder geval is dit de laatste brief, waarin ik mij veroorloof mij zoo overdreven uit te drukken,—overdreven voor onverschilligen, maar niet voor u.

“Sedert mijne reis en mijn verblijf in Tiflis is er geene verandering in mijne leefwijze gekomen. Ik tracht zoo weinig mogelijk kennissen te krijgen en word niet intiem met degenen die ik heb. Men heeft zich reeds aan mijne manieren gewend; niemand maakt het mij meer lastig en ik ben zeker dat men mij een’ zonderling en een’ trotschaard noemt.

“Het is echter geen trots, het is geheel van zelf gekomen. Door mijne opvoeding, mijn voelen en denken verschil ik zooveel van de anderen, dat ik onmogelijk met genoegen in hun gezelschap kan zijn. Nikolaas verstaat de kunst, ondanks het groote onderscheid dat er tusschen hem en die heeren bestaat, zich met hen te amuseeren en zich bovendien nog bemind te maken. Het is waar dat mijne wijze van leven niet geschikt is om plezier te maken, maar daar denk ik ook sinds lang niet meer aan. Ik begin nu smaak te krijgen in het lezen van geschiedkundige werken; dit was steeds een punt van verschil tusschen u en mij, maar nu ben ik het geheel met u eens. Mijn letterkundige arbeid gaat ook een gangetje, maar voorloopig denk ik er nog niet aan iets te laten drukken.

“Ik heb een geschrift, dat ik lang geleden ben begonnen, reeds driemaal omgewerkt en ik zal het, om het naar mijn’ zin te krijgen, nog eens voor de vierde maal veranderen.

“Misschien gaat het er mee als met het werk van Penelope; daarom zal ik er echter geen’ tegenzin in krijgen: ik schrijf voor mijn nut en genoegen en niet uit eerzucht. Hoewel ik er dus vervan af ben mij te amuseeren, verveel ik mij ook niet. Ten eerste heb ik bezigheid, maar bovendien smaak ik een genot, veel beter en verhevener dan het gezelschapsleven mij ooit had kunnen schenken: ik leef in vrede met mijn geweten, ik begin mij zelf te kennen en goede en edele gevoelens ontwaken in mij.

“Er was een tijd dat ik trotsch was op mijn verstand, mijne positie in de wereld en mijn’ naam, maar tegenwoordig weet en voel ik, dat, zoo er iets goeds in mij is en zoo er iets bestaat waarvoor ik de Voorzienigheid dankbaar moet zijn, het hierin bestaat, dat Zij mij een goed hart heeft geschonken en mij gevoelig maakte voor de liefde. Aan haar alleen dank ik de heerlijkste oogenblikken van mijn leven, die ik hier dikwijls geniet, ondanks alle afwezigheid van vermaak en gezelschap. Ik ben niet slechts tevreden, ik ben dikwijls gelukkig.”

Na in Februari te hebben deelgenomen aan een’ veldtocht, waarbij hij in rang werd verhoogd, keerde Tolstoi in Maart weer naar Starogladowskaja terug.

In dezen tijd kwam hij tot het besef dat er drie hartstochten waren die zich steeds tusschen hem en de verwezenlijking van zijn ideaal plaatsten: het spel, de wellust en de eerzucht waren zijne grootste vijanden. In zijn dagboek schreef hij:

Verder lezen wij de volgende bespiegeling:

“Sedert eenigen tijd kwelt mij het berouw over het verloren gaan van de beste jaren van mijn leven. En van dat oogenblik af aan heb ik gevoeld, iets goeds tot stand te kunnen brengen. Het zou belangwekkend zijn, de geschiedenis van mijne moreele ontwikkeling neer te schrijven, maar niet alleen ontbreken mij daarvoor de woorden, zelfs mijne gedachten reiken niet zoo ver.

“De grootsche gedachte kent geen perken, maar voor iederen schrijver komt een grens, die hij niet kan overschrijden. Er is iets in mij, dat mij zegt, dat ik voor iets anders ben geboren dan de groote menigte.”

Deze woorden zijn de eerste vage aanwijzingen dat Tolstoi zich van zijn kunnen bewust werd. Ik moet hier opmerken dat zij zijn neergeschreven vóór de voltooiing van zijnKinderjaren, dus voordat hij wist dat zijn werk zoo goed geslaagd was. In dien tijd openbaarde zich in hem de geheimzinnige kracht, die hem verhief tot een der verheven dragers van het zedelijke ideaal der menschheid.

In Mei kreeg hij verlof en reisde hij naar de bronnen van Pjatigorsk om genezing te zoeken voor de rheumatiek die hem voortdurend plaagde. Vandaar schreef hij een’ brief aan zijne tante, waarin hij zijn innigste zieleleven bloot legde en waaruit ons tevens blijkt, dat hij onophoudelijk werkte aan zijne innerlijke volmaking.

In een’ brief aan zijn broer Sergius geeft hij eene karakteristieke schets van het leven te Pjatigorsk.

“Wat zal ik je van mijn leven vertellen? Ik heb reeds drie brieven geschreven en in iederen brief hetzelfde. Ik zou je wel graag mijn innerlijk leven beschrijven maar dat is even moeilijk als een vreemdeling aan het verstand te brengen hoe Toela er uitziet, iets dat wij helaas maar al te goed weten. Pjatigorsk heeft iets van Toela, maar is toch weeranders, het is in den Kaukasus. Het familieleven en de publieke plaatsen spelen hier de hoofdrol. De conversatie bestaat hier uit de zoogenaamde landeigenaren (een naam die men hier allen nieuwelingen geeft), die met verachting op de beschaving der anderen neerzien, en uit de heeren officieren, die het uitgaan hier als de hoogste zaligheid beschouwen. Een van hen, hij staat bij onze batterij, kwam mij laatst bezoeken. Je hadt zijne verrukking en opgewondenheid eens moeten zien, toen wij naar de stad reden. Van te voren had hij al veel verteld van ’t genot dat ons te wachten stond: het flaneeren over den boulevard waar een muziekkorps speelde, en dan het gaan naar den confiseur, waar iedereen kwam en waar men verbazend gemakkelijk kennis aanknoopte, zelfs met families. Schouwburg, gezellige samenkomsten, ieder jaar trouwpartijen, duels... in één woord op en top ’t Parijsche leven. Nauwelijks waren we dan ook aangekomen of mijn officier ging, gekleed in nauwsluitenden pantalon, met épauletten op zijn schouders en rinkelende sporen aan zijn laarzen, onder de tonen der muziek wandelen op den boulevard. Vervolgens ging het naar den confiseur, den schouwburg enz. Maar voor zoover mij bekend is, bestond na eene geheele maand zijn kring van kennissen niet uit huwbare dochters van rijke landeigenaren of uit talrijke familie’s, die hare deuren voor hem openzetten, maar werd hij slechts in één huis ontvangen, en dan nog in een huis waar twee families in één kamer wonen en waar thee met klontjes wordt gedronken. Bovendien gaf deze officier in één maand twintig roebel uit voor port en bonbons en kocht hij zich een bronzen spiegel voor tafelversiering. Nu loopt hij in eene oude overjas, zonder épauletten, drinkt staalwater zooveel hij maar kan, alsof hij werkelijk de kuur meemaakt, en verwondert zich dat hij, hoewel hij toch iederen dag ging wandelen op den boulevard, den confiseur bezocht en geen geld spaarde voor rijtuigen, handschoenen,enz., maar niet in kennis is gekomen met de pic-nics en bals arrangeerende aristokratie.

“Bijna alle officieren die hier heen komen ondergaan hetzelfde lot; zij doen alsof zij waarlijk voor de bronnen hier zijn, loopen moeilijk, dragen verbanden, drinken veel en vertellen wonderlijke geschiedenissen van de Tscherkessen. Teruggekeerd in het regiment zullen ze vertellen, dat zij in de beste gezelschappen toegang hadden, en ieder seizoen komen de menschen van alle kanten om zich hier te vermaken.”

Zooals blijkt uit een’ brief aan zijne tante schreef Tolstoi zijne vertellingKinderjarengedeeltelijk te Pjatigorsk. Zijn gemoedstoestand bleef steeds dezelfde en altijd nog had hij een zwaren strijd met zich zelf te voeren.

Den 29enJuni schreef hij in zijn dagboek de volgende gedachten neer die ons eene wereldbeschouwing doen kennen, waarmede zijne tegenwoordige ideeën nog geheel overeenstemmen.

“De stem van het geweten is onze beste en vertrouwbaarste gids, maar hoe kunnen wij haar van de andere stemmen onderscheiden? De stem der eerzucht laat zich even luid hooren.

“De mensch, die slechts zijn eigen geluk zoekt, is slecht; degene die zich richt naar de meening van anderen is zwak; hij die het geluk van anderen beoogt is deugdzaam; maar die zijn geluk zoekt in God is groot.”

Ook deze gedachte vinden wij terug in al zijne werken van den lateren tijd:

“Hoog staat de gerechtigheid, waarnaar iedereen moet streven; hooger het streven naar de volmaking, al het lagere is zonde.”

Tolstoi beëindigde den 2enJuni zijn werkKinderjarenen zond het aan denSawremjennik.16Hij schreef onder de initialen L. N. T. en de redactie wist langen tijd niet wie zich daarachter verschool.


Back to IndexNext