Boek II.

Boek II.Bevattende eenige tooneelen van huwelijksgeluk in verschillende standen der maatschappij, alsmede verscheidene andere gebeurtenissen gedurende de twee eerste jaren van het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy.[Inhoud]Hoofdstuk I.Aantoonende welke soort van verhaal dit is; waarnaar het lijkt, en waar het niet naar lijkt.Hoewel wij, eigenaardig genoeg, dit ons werk „eene geschiedenis,” noemen, en geene „levensbeschrijving,”—of, wat nog meer in de mode is, eene „apologie,” is het evenwel ons voornemen daarin ons meer te voegen naar de methode van die schrijvers, die voorgeven de omwentelingen in een land te verklaren, dan om den lastigen en breedvoerigen geschiedschrijver na te volgen, die om de geregelde ontwikkeling der daadzaken te bewaren, zich verpligt acht even veel bladzijden te vullen met de uitvoerige beschrijving van maanden en jaren, die niets merkwaardigs bevatten, als hij bezigt voor die opmerkelijke tijdvakken, welke de grootste feiten opleveren, die ons op het tooneel der wereld voorgesteld zijn.Dergelijke geschiedenissen gelijken veel op een dagblad, dat altijd juist hetzelfde aantal letters bevat, of er nieuws is of niet. Ze kunnen ook vergeleken worden bij een postwagen, die altijd, leeg of vol, denzelfden weg aflegt.De schrijver schijnt zich inderdaad verpligt te rekenen, met den Tijd, wiens secretaris hij is, in den pas te loopen, en even als zijn meester, reist hij even langzaam door eeuwen van kloosterachtige verveling als door dien schitterenden en drukken tijd zoo schoon bezongen door den uitstekenden Latijnschen dichter:„Ad confligendum venientibus undique poenis,Omnia cum belli trepido concussa tumultuHorrida coutremuere sub altis aetheris auris:In dubioque fuit sub utrorum regna cadendumOmnibus humanis esset, terraque marique.”[47]Wat ongeveer zeggen wil:„Men rustte zich ten strijd door zucht naar wraak gedreven;Het vreeslijk krijgsrumoer deed de aarde siddren, bevenEn onder d’ hemelstrans verkeerde ’t al in rouw;Maar ’t was onzeker, wie de zegepraal gelukken,’t Ontstelde menschdom voor zijn schepter neêr doen bukkenEn over land en zee in ’t einde heerschen zou.”Het is echter ons doel in de volgende bladzijden de tegenovergestelde methode te volgen. Wanneer eenig treffend tooneel zich aanbiedt (wat, naar wij hopen, dikwijls het geval zal wezen) zullen wij moeite noch papier ontzien om het den lezer breedvoerig te beschrijven. Als echter geheele jaren voorbijgaan zonder iets op te leveren dat zijne aandacht waardig is, zullen wij niet bang zijn voor eene gaping in onze geschiedenis, maar ons haasten tot belangrijke zaken te komen en dergelijke tijdvakken geheel onbehandeld laten.Want deze tijdvakken zijn als de nieten in de loterij van den tijd. Wij dus, die de uitkomst dezer loterij opteekenen, zullen die wijze lieden navolgen, die het bestuur hebben over de staats-loterij en welke het publiek nooit vervelen met de vele nieten, welke getrokken worden; maar daarentegen, als er een hooge prijs valt, de couranten er dadelijk mede vullen, zoodat de wereld zeker verneemt in wiens collecte die verkocht werd:—want er zijn gewoonlijk twee of drie kantoren die er aanspraak op maken van hem verkocht te hebben, waardoor ik veronderstel, dat men den spelers te kennen wil geven, dat zekere handelaren in de geheimen der Fortuna ingewijd zijn en tot haar geheimen raad behooren.De lezer zal dus niet verwonderd zijn als hij sommige hoofdstukken in dit werk heel kort vindt en andere daartegen zeer lang; sommigen, die alleen het tijdvak van een enkelen dag behandelen en anderen dat van een geheel jaar;—met één woord, men zij er op voorbereid, dat mijne geschiedenis soms zal schijnen stil te staan en soms te vliegen. En wegens dit alles acht ik me aan geene recenserende wetgeving, van welken aard ook, verantwoording schuldig te zijn; want, daar ik, naar waarheid, de stichter ben van eene nieuwe soort van schrijftrant, staat het mij vrij dienaangaande[48]mij zelf de wetten te stellen. En deze wetten zijn mijne lezers, die ik als mijne onderdanen beschouw, verpligt te gelooven en te gehoorzamen, wat zij ook gereedelijk en gemakkelijk kunnen doen, daar ik hierbij de plegtige verzekering geef, dat ik daarbij voornamelijk hun nut en voordeel beoog; want ik ben geen dwingelandjure divino, die mij verbeeld dat zij mijne slaven zijn, of mijn eigendom. Ik werd inderdaad, alleen tot hun eigen nut over hen gesteld, en ben om hun voordeel,—en zij niet tot het mijne—geschapen. Ik twijfel ook niet, dat terwijl ik hun belang tot hoofddoel van mijn geschrijf neem, zij eenparig er toe bijdragen zullen om mijne waardigheid te handhaven, en mij alle eer te bewijzen, die ik verdien of begeer.[Inhoud]Hoofdstuk II.Godsdienstige bezwaren tegen het bewijzen van te veel goedheid aan natuurlijke kinderen, en eene groote ontdekking, gedaan door jufvrouw Deborah Wilkins.Acht maanden na het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy, eene jonge dame van groote verdiensten, schoonheid en vermogen, werd deze, ten gevolge van een plotselingen schrik, ontijdig verlost van een schoonen jongen. Het kind was inderdaad, naar allen schijn, voldragen; maar de vroedvrouw ontdekte dat het een maand te vroeg gekomen was.Hoewel de geboorte van een erfgenaam van zijne beminde zuster den heer Allworthy zeer verheugde, vervreemdde deze omstandigheid zijne liefde toch niet van den kleinen vondeling, van wien hij peet geworden was, en aan wien hij tevens zijn eigen naam, Thomas, geschonken had, terwijl hij zelden naliet hem ten minste eenmaal daags in de kinderkamer op te zoeken.Hij zeide zijner zuster, dat, als zij het goedvond, de nieuw geborene met den kleinen Thomas zamen zou opgevoed worden; waarin zij toestemde, hoewel met eenigen tegenzin; want zij was waarlijk zeer inschikkelijk jegens haren[49]broeder, en had daarom steeds meer liefde tot den vondeling aan den dag gelegd, dan streng deugdzame dames soms over zich verkrijgen kunnen te bewijzen aan die kinderen, die hoe onschuldig ook, met regt mogen genoemd worden, de levende gedenkteekens der onkuischheid.De kapitein kon er echter niet zoo gemakkelijk toe komen, om hetgeen hij een gebrek achtte in den heer Allworthy te dragen. Hij gaf hem veelvuldige wenken, dat hij de zonde aanmoedigde, door hare vruchten tot zich te nemen. Hij haalde vele teksten aan,—want hij was zeer belezen in de Heilige Schrift,—zoo als: „de zonden der vaderen zullen gewroken worden enz.” en „de vaderen hebben zure druiven gegeten en de tanden der kinderen,”—enz. En daarvan leidde hij af, dat het overeenkomstig de leer was, om de misdaad der ouders op het onwettige kind te wreken. Hij zeide, „dat hoewel de wet niet bepaaldelijk toeliet, dat men zulke kinderen vernietigde, hij ze toch hield voor de kinderen van niemand; dat de kerk ze ook als zoodanig beschouwde en dat zij, op zijn best, voor de laagste en verachtelijkste ambten in den staat moesten opgeleid worden.”De heer Allworthy antwoordde op het eenen ander hetwelk de kapitein aanvoerde omtrent dit onderwerp: „Dat hoe groot ook de schuld der ouders wezen mogt, de kinderen zeker onschuldig waren, en dat wat de teksten, welke hij aangehaald had, betrof, de eerste eene bijzondere strafbepaling was tegen de Joden, wegens de zonde van afgoderij en het verzaken en haten van hun hemelschen Koning, en dat de laatste slechts beeldspraak was, en meer ten doel had om de zekere en noodzakelijke gevolgen van de zonde aan te wijzen, dan om eenig beslissend vonnis te vellen. Maar dat het ook onbetamelijk, zoo niet godslasterlijk was, om den Almagtigen voortestellen als handelende tegen de allereerste grondbeginselen van natuurlijke regtvaardigheid, en tegen de oorspronkelijke begrippen van regt en onregt, door Hem zelven in ons hart geplant, waardoor wij niet slechts alle zaken beoordeelen moesten, die niet geopenbaard waren, maar zelfs de waarheid van de openbaring zelve.”Hij zeide te weten dat velen dezelfde begrippen aankleefden als de kapitein; maar hij zelf was volmaakt overtuigd[50]van het tegenovergestelde, en zou op dezelfde wijze voor dit arm schepseltje zorgen alsof een wettig kind het geluk had gehad op dezelfde plaats gevonden te worden. Terwijl de kapitein elke gelegenheid waarnam om redenen op te geven, waarom de kleine vondeling moest verwijderd worden uit het huis van den heer Allworthy,—op wiens ingenomenheid met het kind hij jaloersch begon te worden, had jufvrouw Deborah eene ontdekking gedaan, die in hare gevolgen veel noodlottiger voor den armen Tom dreigde te zijn, dan al de bewijsgronden van den kapitein.Of de onverzadiglijke nieuwsgierigheid der goede vrouw haar in deze zaak geprikkeld had, of wel dat zij het deed om zich te bevestigen in de gunst van mevrouw Blifil, die niettegenstaande haar uiterlijk gedrag jegens den vondeling, dikwijls het kind en haar broeder ook, wegens zijne ingenomenheid er mede, in stilte uitschold,—dit wil ik niet beslissen;—maar zij had nu,—gelijk zij begreep,—zeker den vader van den jongen ontdekt.Daar dit nu eene zeer belangrijke ontdekking was, zal het noodzakelijk zijn, ze tot de bron zelve na te sporen. Wij zullen dus de gebeurtenissen, die er toe voerden, zeer naauwkeurig beschrijven, en, tot dat einde, zullen wij verpligt zijn al de geheimen te openbaren van eene kleine familie, waarmede de lezer op dit oogenblik geheel onbekend is, en welker inrigting zoo vreemd en buitengewoon was, dat ik vreezen moet, dat ze menigen gehuwde ongeloofelijk zal schijnen.[Inhoud]Hoofdstuk III.Beschrijving van een huisselijk bestuur, op regels gegrond, in strijd met die van Aristoteles.De lezer gelieve zich te herinneren, dat hij vernomen heeft hoe Jenni Jones eenige jaren bij zekeren schoolmeester gewoond had, die, op haar ernstig verlangen, haar Latijn geleerd had, waarin zij, om haar regt te laten wedervaren,[51]zulke groote vorderingen gemaakt had, dat zij geleerder was geworden dan haar onderwijzer.Want, hoewel deze arme man een beroep gekozen had waarin men toestemmen moet, dat de geleerdheid een vereischte is, was deze toch juist de minste zijner gaven. Hij was een der goedhartigste menschen ter wereld, en terzelfder tijd was hij zoo aardig en vol luim, dat hij voor den geestigsten mensch in den omtrek gold, en al de heeren uit de buurt zoozeer naar zijn gezelschap verlangden, dat, daar hij nooit over zich kon verkrijgen om neen te zeggen, hij veel tijd in hunne huizen sleet, welken hij nuttiger in zijne school had kunnen doorbrengen.Men zal begrijpen, dat een man van dit karakter en deze neigingen, geen gevaar liep van een mededinger te worden van de scholen der zeergeleerde heeren te Eton en Westminster. Om duidelijker te spreken: hij had zijne leerlingen slechts in twee klassen gesplitst, in de bovenste van welke een jonge heer zat, de zoon van een landjonker uit de buurt, die op zeventienjarigen leeftijd pas tot de Syntaxis gekomen was, terwijl in de tweede klasse een jongere zoon zat van denzelfden heer, die tegelijk met zeven boerenjongens, lezen en schrijven leerde.De inkomsten hieruit voortvloeijende, zouden bezwaarlijk genoegzaam zijn geweest om den schoolmeester van al de weelde van het leven te voorzien, zoo hij ze niet vermeerderd had met die van het ambt van koster en barbier, terwijl de heer Allworthy het geheel verhoogde met eenjaargeld van tien pond, dat de arme man telkens met Kersmis ontving, en waardoor hij in staat werd gesteld zich gedurende dat heilige feest te goed te doen.Onder zijne overige schatten, bezat de onderwijzer eene vrouw, die hij genomen had uit de keuken van den heer Allworthy, om den wille van haar vermogen,—van twintig pond sterling, dat zij daar bijeengebragt had.Deze vrouw was niet zeer innemend van uiterlijk. Ik weet niet of zij gezeten had voor mijn vriend den schilder Hogarth of niet; maar zij geleek zeer op de jonge vrouw, die thee voor hare meesteresse schenkt in het derde tooneel van „den Levensloop eener ligtekooi.” Zij was bovendien eene verklaarde aanhangster van die edele sekte, van oudsher door[52]Xantippe gesticht, om welke reden zij in de school veel meer gevreesd werd dan haar man; want, het is maar al te waar, dat hij noch dáár, noch elders, in haar bijzijn, meester was.Hoewel hare gelaatstrekken niet veel aangeborene zachtaardigheid schenen aan te duiden, werd die welligt nog eenigzins verminderd door eene omstandigheid, welke over het algemeen het huwelijksgeluk verbittert;—want kinderen. worden zeer juist genoemd „panden der liefde,” en hoewel zij reeds negen jaren gehuwd waren, had haar man haar geen pand van dien aard geschonken; een gebrek waarvoor hij geene verontschuldiging had, wegens leeftijd of gezondheid, daar hij nog geen dertig jaar oud was, en bovendien, wat men noemt, een fiksche, flinke jongen.Hieruit ontstond eene andere ramp, die den armen schoolmeester niet weinig last veroorzaakte. Immers zijne vrouw was zoo onophoudelijk jaloersch, dat hij naauwelijks één woord durfde spreken met eenige vrouw in het dorp; want de minste beleefdheid, of zelfs omgang met eenig vrouwelijk wezen, was genoeg om hem den toorn zijner vrouw op den hals te halen.Ten einde zich te vrijwaren tegen huwelijksgrieven in haar eigen huis droeg zij zorg, daar zij slechts ééne meid hield, die steeds te kiezen uit die soort van vrouwen, wier gelaatstrekken doorgaan voor een waarborg harer deugd, en zoo als de lezer vernomen heeft, behoorde Jenni Jones onder dit getal.Daar het gelaat van dit meisje beschouwd mogt worden als eene tamelijk zekere waarborg van voornoemden aard, en omdat haar gedrag steeds zeer zedig was geweest,—wat bij eene vrouw een bepaald gevolg is van verstand te hebben,—had zij meer dan vier jaren bij jufvrouw Partridge (zoo heette namelijk de schoolmeester), doorgebragt, zonder de geringste verdenkingen bij hare meesteresse op te wekken. Ja, zij werd er zelfs met buitengewone vriendelijkheid behandeld, en de jufvrouw had den heer Partridge verlof gegeven haar in de reeds gemelde vakken te onderwijzen.Maar het is met de jaloezij even als met de jicht. Als er zulke ziekten in het bloed zijn, kan men nooit zeker zijn, dat ze niet eens uitbreken zullen,—en dat geschiedt ook dikwerf bij de minste aanleiding en zeer onverwacht.[53]Dit gebeurde ook bij jufvrouw Partridge, die vier jaren lang toegelaten had dat haar man dit meisje onderwees, en haar meer dan eens haar werk had laten verzuimen, ten einde zich aan de geleerdheid te wijden. Want toen zij op zekeren dag voorbij kwam, terwijl het meisje bezig was met lezen en haar meester over haar gebukt stond, schrikte Jenni plotseling, ik weet niet waarom, en vloog van den stoel op, en dit was de eerste keer, dat bij hare meesteresse eenige verdenking opkwam.Zij liet die echter niet dadelijk blijken, maar hield ze verborgen in haar hart, loerende als een geheime vijand, die op versterking wacht eer hij zich openlijktoont en tot den aanval overgaat; en hare vermoedens werden ook kort daarop versterkt, toen man en vrouw zamen aan tafel zaten en de meester tegen het meisje zeide: „Da mihi aliquid potum!” waarop de arme Jenni glimlachte, welligt over het ellendige Latijn, en bloosde zoodra hare meesteresse het oog op haar vestigde, mogelijk, over het bewustzijn dat zij om haren meester gelagchen had. Jufvrouw Partridge geraakte nu dadelijk in drift en smeet het bord, waarvan zij at, der arme Jenni naar het hoofd, met den uitroep:„Gij onbeschaamde feeks! Durft ge gekheid te maken met mijn man, hier in mijn bijzijn?” terzelfder tijd opstuivende van haar stoel met een mes in de hand, waarmede zij waarschijnlijk zich op eene zeer betreurenswaardige wijze gewroken zou hebben, als het meisje niet gebruik had gemaakt van de nabij zijnde deur, en door de vlugt aan de woede harer meesteresse ontsnapt ware;—want, wat den armen man betreft, hetzij de verrassing hem versteend had,—of wat even waarschijnlijk is, dat de vrees hem belette zich te verzetten, hij bleef starende en sidderende zitten en poogde niet eens zich te bewegen, of te spreken, tot zijne vrouw, van Jenni’s vervolging terugkeerende, hem noodzaakte eenige maatregelen tot zelfverdediging te nemen,—en hij, even als de meid, tot den aftogt gedwongen werd.Deze goede vrouw was echter evenmin als Othello geschikt om„—de jaloerschheid te dulden,Te vallen met het wislen van de maan, van arg- in argwaan.”[54]Bij haar luidde het even als bij hem:„—neen! één twijfeling,En alles is beslist!”Zij gaf dus Jenni bevel, omonmiddellijkhaar boeltje te pakken en op te trekken, daar zij besloten had, dat zij dien nacht niet meer onder haar dak zoude slapen. De heer Partridge had te veel door de ondervinding geleerd, om zich met iets van dezen aard te bemoeijen. Hij nam dus zijn toevlugt tot zijne gewone dosis geduld; want hoewel hij geen geleerde was in het Latijn, herinnerde hij zich heel goed en begreep best den raad in den volgenden regel bevat:„Leve fit, quod bene fertur onus.”hetgeen zeggen wil: „een last, dien men behoorlijk weet te dragen, valt niet zwaar.”Wat hij ook altijd in den mond had, en de waarheid waarvan hij, zonder twijfel, dikwijls in de gelegenheid was te ondervinden.Jenni wilde hare onschuld betuigen; maar zij was niet bestand tegen den storm. Zij ging dus aan het pakken, waartoe zij niets anders noodig had dan een vel grof papier, en haar armzalig loon ontvangen hebbende, keerde zij weder naar huis terug.De schoolmeester en zijne vrouw bragten geen aangenamen avond door; maar vóór den volgenden morgen was er het een of ander gebeurd, dat de woede van jufvrouw Partridge een weinig tot bedaren bragt, en zij liet eindelijk toe, dat haar man zich verontschuldigde, te meer geloof aan zijne woorden hechtende, daar hij, in plaats van te verlangen dat Jenni terug geroepen werd, zijne voldoening uitte over haar ontslag, en zeide, dat zij, als meid, van weinig nut meer was, daar zij al haar tijd met lezen doorbragt en bovendien onbeleefd en koppig was geworden; want zij had inderdaad, in den laatsten tijd, verschillende letterkundige twisten met haar meester gehad, waarin zij hem hare reeds vermelde meerderheid had doen gevoelen. Dit echter stemde hij nooit toe; en daar hij het koppigheid noemde, als zij gelijk had en dat volhield, begon hij haar met niet weinig verbittering te haten.[55][Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende een der bloedigste slagen, of liever, tweegevechten, ooit in de huisselijke geschiedenis vermeld.Om de reeds boven vermelde redenen, en enkele andere blijken van toegevendheid van haar man, welbekend aan gehuwde lieden, doch die, even als de geheimen der vrijmetselarij, aan niemand geopenbaard moeten worden, die geen lid is van het achtbare genootschap, was jufvrouw Partridge tamelijk overtuigd dat zij haar man zonder grond veroordeeld had en zij trachtte door vriendelijk gedrag hem vergoeding te verschaffen voor hare verkeerde vermoedens. Hare hartstogten, welke rigting zij ook volgden, waren inderdaad altijd even hevig; want, even als zij buitengewoon vertoornd kon zijn, kon zij ook buitengewoon liefderijk wezen.Maar, hoewel deze vlagen elkaar gewoonlijk binnen korten tijd opvolgden en naauwelijks vier en twintig uren ooit voorbij gingen, waarin de schoolmeester niet in eenige mate het voorwerp van beide werd; duurde evenwel, bij groote gelegenheden, als haar toorn zeer hevig geweest was, later de rust eveneens ook gewoonlijk wat langer, en dit was nu ook het geval; want na den afloop van dezen aanval van jaloerschheid, bleef zij langer vriendelijk dan ooit te voren, en met uitzondering van eenige van die kleine bestraffingen, waaraan al de volgelingen eener Xantippe zich onderwerpen moeten, zou de heer Partridge verscheidene maanden lang de meest volmaakte rust genoten hebben.Eene doodelijke windstilte op zee wordt door den ervaren zeeman steeds als de voorbode van den storm aangemerkt, en ik ken eenige personen, die zonder over het algemeen bijgeloovig te zijn, geneigd zijn te vreezen, dat groote en ongewone rust en vrede, juist door het tegenovergestelde gevolgd zullen worden. Om deze reden plagten de ouden bij zulke gelegenheden offers te brengen aan de godin Nemesis, die, naar men meende, met leede oogen het menschelijke geluk aanschouwde en niets liever deed dan het vernietigen.Daar wij er echter ver van af zijn, aan eenige heidensche godin van dien aard te gelooven, of eenig bijgeloof hoegenaamd[56]aan te moedigen, wenschen wij dat de heer Jan Fr.… of eenige andere wijsgeer, zich de moeite wilde geven om de ware oorzaak van dezen snellen overgang van geluk tot ongeluk op te sporen,—die zoo dikwerf opgemerkt is en waarvan wij nu een voorbeeld zullen geven; want het is onze taak om feiten te vermelden, terwijl wij de oorzaken aan grootere genieën overlaten.De menschen hebben er altijd groot behagen in geschept om de daden van anderen te leeren kennen en ze te bepraten. Van daar ook, dat er bij alle volkeren en in alle eeuwen, bijzondere vergaderplaatsen aangewezen werden, waar de nieuwsgierigen elkaar ontmoeten konden en hunne weetgierigheid voldoen. Onder deze plaatsen hebben de barbierswinkels altijd met regt den voorrang gehad. Onder de Grieken was het „barbiersnieuws” tot een spreekwoord geworden, en Horatius, in een zijnerEpistolae, vermeldt den Romeinschen barbier op dezelfde wijze, zeer eervol.Het is bekend dat die van Engeland niet onderdoen bij hunne Grieksche en Romeinsche voorgangers. Men hoort bij hen buitenlandsche zaken bespreken op een toon die weinig onderdoet voor dien der koffijhuizen, en huisselijke omstandigheden worden er veel breedvoeriger en vrijer behandeld. Maar dit is alleen ten behoeve der mannen. Daar echter de vrouwen van dit land, vooral die van de mindere klasse, meer dan die van andere volkeren, bij elkaar komen, zou onze staatsinrigting zeer gebrekkig zijn, als zij ook niet eenige bijzondere plaats hadden, waar zij aan hare nieuwsgierigheid kunnen bot vieren, aangezien zij in dit opzigt volstrekt niet onderdoen voor de andere helft van het menschelijke geslacht.Door een dergelijk vereenigingspunt te bezitten, moeten zich de Britsche schoonen gelukkiger achten dan hare zusters in het buitenland, daar ik me niet herinner ooit in de geschiedenis iets daarvan gelezen te hebben, of in eenige reisbeschrijving iets van dien aard gezien te hebben.Deze plaats is echter nergens anders te zoeken dan in den kruideniers-winkel, het bekende uitgangspunt van al het nieuws, of zoo als men het platweg noemt, van al het gebabbel in elke gemeente van Engeland.Jufvrouw Partridge dus, op zekeren dag in deze vergadering[57]van vrouwen zijnde, werd door een harer buren gevraagd, of zij in den laatsten tijd iets van Jenni Jones gehoord had? waarop zij een ontkennend antwoord gaf. Hierop hernam de andere, met een glimlach, dat het dorp veel verpligting aan haar had, omdat zij Jenni had weggejaagd.Jufvrouw Partridge, wier ijverzucht, zoo als de lezer weet, sedert lang genezen was, en die anders niets tegen hare dienstmaagd had, antwoordde stoutweg, dat zij niet begreep hoe zij het dorp op die wijze had kunnen verpligten, daar zij geloofde dat Jenni zeker haars gelijke niet achtergelaten had.„Neen,” hernam de andere, „ik hoop van neen! Hoewel ik me verbeeld dat er sletten genoeg hier zijn! Ge hebt dus niet gehoord, naar het schijnt, dat zij verlost is van twee onechte kinderen? Daar ze echter hier niet geboren zijn, zegt mijn man en de andere wijkmeester ook, dat ze onze gemeente niet ten laste zullen vallen.”„Twee onechte kinderen!” riep jufvrouw Partridge driftig; „wat ge zegt! Ik weet niet of ze ons ten laste kunnen komen, maar zeker is het dat de vader hier te huis behoort, want het is nog geen negen maanden geleden dat het meisje van hier weg is!”Niets is vlugger en plotselinger dan de werking van den geest, vooral als die opgewekt wordt door hoop, vrees of ijverzucht,—bij welke laatste vergeleken, de beide anderen slechts trage prikkelen zijn. Het schoot haar dadelijk te binnen, dat Jenni naauwelijks de deur uit geweest was zoo lang zij bij haar inwoonde. Het leunen over den stoel, het Latijn, de glimlach en allerlei andere dingen stonden haar op eens voor den geest.De voldoening, welke haar man aan den dag gelegd had over het vertrek van Jenni scheen haar nu slechts geveinsd te zijn,—dan weder opregt,—en dan weder (ter versterking van haar ijverzucht), alleen ontsproten te zijn uit verzadiging en honderderlei andere slechte bronnen. In één woord: zij gevoelde zich overtuigd van de schuld van haren echtgenoot en verliet de vergadering in de grootste ontsteltenis.Even als de schoone Poes,—die hoewel de jongste van[58]het kattengeslacht niet in wreedheid onderdoet voor de oudere takken van hare familie, en ofschoon minder in kracht, den edelen tijger zelven in woestheid evenaart,—even als de poes, wanneer het muisje, dat zij, lang spelende, gemarteld heeft, hare klaauwen ontsnapt, een tijdlang gromt, knort, raast en tiert, en zoodra de kist of koffer, waarachter het diertje schuilt, uit den weg geruimd is, pijlsnel op haar slagtoffer schiet, en het met verbitterde woede bijt, krabt, knaauwt en verscheurt,—zoo ook, en met geene mindere woestheid, vloog jufvrouw Partridge den armen schoolmeester aan.Met tong, tanden en handen viel zij hem tegelijk aan. Zijne pruik werd hem in een oogenblik van het hoofd gerukt; het hemd hem van het lijf,—en van zijn gelaat vloeiden vijf stroomen bloeds, het getal der klaauwen aanwijzende waarmede de natuur ongelukkig zijne vijandin gewapend had.De heer Partridge bepaalde zich een tijdlang tot de verdediging;—en deed slechts zijn best om met de handen zijn gezigt te beschermen; daar hij echter ondervond, dat de woede zijner vijandin niet verminderde, dacht hij ten minste haar te mogen ontwapenen, of liever hare armen vast te houden waarbij,in de worsteling, hare muts afviel, en haar hoofdhaar, te kort om op hare schouders te vallen, ten berge rees, terwijl haar keurslijf, dat slechts door één knoopje onderaan vastgemaakt was, open sprong, en hare borsten, die weelderiger waren dan haar hoofdsieraad, tot beneden haar midden afhingen;—haar gelaat was ook bevlekt met het bloed van haar man; zij knarste woedend op de tanden, en vonken, als van een smids vuur, vlogen uit hare oogen. Over het geheel dus had deze Amazone een veel heldhaftiger man dan den heer Partridge schrik en vrees kunnen aanjagen.Eindelijk had hij het geluk, hare armen vast te kunnen houden, en alzoo de wapenen, welke zij aan het einde der vingers had, onbruikbaar te maken, en zoodra zij dit bemerkte, kreeg de zwakheid, aan haar geslacht eigen, de bovenhand op hare woede, en zij barstte in tranen uit, en eindigde met het hevig op de zenuwen te krijgen.De weinige tegenwoordigheid van geest, welke de heer Partridge tot dus ver bewaard had, bij dit woedende tooneel,[59]welks oorzaak hem geheel onbekend was, liet hem nu in den steek. Hij liep de deur uit, op straat, roepende dat zijne vrouw stervende was, en de buren smeekende zich te haasten om hulp te verleenen. Verscheidene goede vrouwen gehoorzaamden aan zijn wensch, en kwamen bij hem binnen, en daar zij de gewone middelen gebruikten bij zulke gevallen, kwam jufvrouw Partridge eindelijk bij, tot groote vreugde van haar man.Zoodra zij weder tot besef gekomen was en door gebruik van een hartversterking iets bedaard was, begon zij het gezelschap bekend te maken met al hare grieven tegen haar man, die, zoo als zij beweerde, niet slechts zijn huwelijkstrouw geschonden had, maar ook, zoodra zij hem dat verweten had, haar met de meest mogelijke wreedheid behandeld, de muts en het haar van haar hoofd en het korset van haar lijf gerukt, en haar tevens een pak slagen gegeven had, waarvan zij de teekenen mede in het graf zou nemen.De arme man, die op het gelaat vele zigtbare sporen vertoonde van de woede zijner vrouw, stond in stomme verbazing bij deze beschuldiging, welke, zoo als de lezer getuigen kan, lang niet met de waarheid overeen kwam; want, inderdaad, had hij haar geen één slag toegebragt;—maar daar zijn stilzwijgen, door alle aanwezigen als een blijk zijner schuld aangemerkt werd, begonnen zij ook alle,una voce, hem te verwijten en te bekijven, steeds herhalende dat alleen een lafaard de hand kon opheffen tegen eene vrouw.De heer Partridge verdroeg dit alles met veel geduld; maar toen zijne vrouw wees op het bloed op haar aangezigt, om zijne wreedheid te bewijzen, kon hij niet laten zijne aanspraken te doen gelden op zijn eigen bloed, gelijk het wezenlijk was,—daar hij het voor zeer onnatuurlijk hield, dat het verschijnen zou (gelijk men ons leert dat het geval is met dat van een vermoorde), om wraak op hem te eischen.Hierop verwaardigden zich de vrouwen geen ander antwoord te geven, dan dat het jammer was, dat het niet van zijn hart, in plaats van zijn gezigt kwam, verklarende, allen tegelijk, dat alsharemannen de hand tegen haar ophieven, zij hun hartebloed zouden willen hebben.[60]Na vele verdere verwijtingen over het gebeurde, en veel goeden raad aan den heer Partridge omtrent zijn toekomstig gedrag, ging het gezelschap eindelijk uiteen, en liet man en vrouw alleen om de zaak onderling te bespreken, bij welke gelegenheid de heerPartridgede oorzaak zijner rampen vernam.[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende veel om verstand en oordeel van den lezer te scherpen.Het komt mij voor eene zeer juiste opmerking te zijn, dat slechts weinige geheimen het eigendom van één persoon blijven; zeker is het, dat men het haast als een wonder zou kunnen beschouwen, als een feit van dezen aard aan eene geheele gemeente kon bekend zijn, zonder verder verspreid te worden.En, inderdaad, slechts weinige dagen verliepen er eer iedereen in de omstreken, gelijk men platweg zegt, „vol was” van den schoolmeester van Klein-Baddington, die, zoo als men verzekerde, zijne vrouw op zulk eene wreede wijze mishandeld had. Ja, er werd zelfs op sommige plaatsen verzekerd, dat hij haar vermoord had;—elders, dat hij haar de armen,—en op andere plaatsen weder, dat hij haar de beenen gebroken had;—met één woord, er bestaat naauwelijks ééne verminking, welke een menschelijk wezen ondergaan kan, of het werd hier of daar verteld, dat jufvrouw Partridge die van haar man ondergaan had.Er bestond ook nog verschil in de opgaven omtrent de oorzaak van dezen twist: want terwijl sommigen verzekerden, dat jufvrouw Partridge haar echtgenoot in bed met de meid gevonden had, werden ook velerlei redenen van geheel anderen aard door anderen opgegeven. Ja, sommigen gingen zoo ver, dat zij de vrouw in plaats van den man beschuldigden, en de ijverzucht aan hem toeschreven.Jufvrouw Wilkins had lang geleden dezen twist vernomen; daar echter eene geheel andere aanleiding daartoe dan de wezenlijke hare ooren bereikt had, vond zij goed er niets[61]van te zeggen, te eerder, welligt, daar de heer Partridge algemeen de schuld kreeg, en omdat zijne vrouw, toen zij bij den heer Allworthy diende, op de eene of andere wijze mejufvrouw Wilkins, die niet zeer vergevensgezind was, beleedigd had.Maar jufvrouw Wilkins, die zeer goed op een afstand kon zien, en die ook even goed een paar jaren vooruit zag, had de groote waarschijnlijkheid ontdekt, dat de kapitein Blifil in lateren tijd haar heer zou worden, en daar zij duidelijk begreep, dat de kapitein den kleinen vondeling niet zeer genegen was, verbeeldde zij zich den heer Blifil eene gewenschte dienstte bewijzen, met eene ontdekking, welke strekken kon om de liefde, welke de heer Allworthy voor het kind scheen opgevat te hebben en die den kapitein blijkbaar hinderde, te doen verminderen;—daar, zelfs in het bijzijn van den heer Allworthy, de kapitein zijne ongerustheid hierover niet geheel verbergen kon, hoewel zijne vrouw, die hare rol, als er menschen bij waren veel beter volhield, hem herhaaldelijk vermaande om haar voorbeeld te volgen en de dwaasheid van haar broeder door de vingers te zien, welke zij, gelijk zij betuigde, ten minste even goed inzag en wraakte, als wie ook ter wereld.Toen dus jufvrouw Wilkins, bij toeval, de ware geschiedenis van den twist op het spoor kwam, hoewel lang nadat die afgeloopen was, rustte zij niet tot zij volkomen ingelicht was omtrent alle bijzonderheden,—waarop zij den kapitein berigtte, dat zij eindelijk den vader van den kleinen vondeling ontdekt had, om wiens wille het haar speet te zien, zeide zij, dat haar meester zooveel van zijn goeden naam opofferde.De kapitein berispte haar om dit laatste gezegde, als zijnde het eene zeer ongepaste aanmatiging van haar kant, om een oordeel te willen vellen over de handelingen van haar meester; want als zijn eergevoel en zijn verstand toegelaten hadden dat hij een bondgenootschap sloot met jufvrouw Wilkins, zou zijn hoogmoed dat nooit hebben willen toegeven. En, het is eene stellige waarheid, dat niets onstaatkundiger kan zijn, dan ooit een bondgenootschap te sluiten met de dienstboden van een vriend tegen hun heer; want juist hierdoor wordt men later de slaaf van deze dienaren, door wie men aanhoudend[62]gevaar loopt van verraden te worden. Het was welligt juist deze bedenking, welke belette dat de kapitein Blifil zich nader verklaarde aan jufvrouw Wilkins, of dat hij hare berisping van Allworthy’s gedrag aanmoedigde.Maar, ofschoon hij bij deze ontdekking geen blijk van voldoening gaf aan jufvrouw Wilkins, was hij, in zijn hart, er niet weinig blijde mede, en besloot er zooveel mogelijk nut van te trekken.Hij hield de zaak echter lang voor zich, in de hoop, dat de heer Allworthy ze van iemand anders vernemen zou; maar jufvrouw Wilkins, hetzij uit toorn over het gedrag van den kapitein, of dat zij het slagtoffer zijner meerdere sluwheid werd, en vreesde hem door de ontdekking te mishagen, liet zich geen woord meer omtrent de heele zaak ontvallen.Bij nader inzien, heb ik het wel eenigzins vreemd gevonden, dat de huishoudster mevrouw Blifil dit nieuws niet mededeelde, daar de vrouwen meer geneigd zijn allerlei nieuwtjes liever aan iemand van haar eigen, dan van ons geslacht te openbaren. De eenige wijze, dunkt me, om dit bezwaar op te lossen, is om alles toeteschrijven aan de verkoeling, die er nu heerschte tusschen de dame en de huishoudster;—die welligt voortsproot uit jaloerschheid bij mevrouw Blifil, omdat Wilkins den vondeling te veel eerbied bewees; want, terwijl zij haar best deed het kind te benadeelen, ten einde een wit voetje bij den kapitein te krijgen, roemde zij het dagelijks meer en meer bij Allworthy,—naarmate zijne ingenomenheid met den jongen vermeerderde. Niettegenstaande nu de zorg, welke zij droeg, om bij andere gelegenheden mevrouw Blifil van het tegendeel te overtuigen, beleedigde dit misschien die fijn gevoelige dame, die nu zeker jufvrouw Wilkins haatte; en hoewel zij bij geene mogelijkheid de gelegenheid kon bedenken om haar uit hare dienst te verwijderen, wist zij wel de middelen te vinden, om haar het leven zeer zuur te maken. Dit vertoornde eindelijk jufvrouw Wilkins in zulke mate, dat zij openlijk den meesten eerbied en liefde voor den kleinen Tom aan den dag legde,—alleen om zich tegen mevrouw Blifil te verzetten.Daar de kapitein dus begreep, dat de ontdekking gevaar[63]liep van in het vergeetboek te geraken, nam hij eindelijk de gelegenheid waar om ze zelf mede te deelen.Op zekeren dag was hij in een gesprek gewikkeld met den heer Allworthy over de liefdadigheid, en de kapitein bewees zeer geleerd aan den heer Allworthy, dat in de Heilige Schrift onder christelijke liefde nergens mildheid of weldadigheid verstaan wordt.„De christelijke godsdienst,” zeide hij, „was tot een edeler doel ingesteld, dan om ons eene les op te dringen, welke vele heidensche wijsgeeren ons reeds vroeger gegeven hadden, en die, hoewel men ze welligt eene zedelijke deugd kon noemen, weinig zweemde naar dien verheven christelijken gemoedsaard, dien verbazenden adel van denkwijze, die in hare zuiverheid de engelachtige volmaaktheid nabij kwam, en die alleen verkregen uitgedrukt, en gevoeld kon worden door middel der goddelijke genade.Diegenen,” zeide hij „begrepen beter hetgeen in de Heilige Schrift bedoeld wordt, die onder christelijke liefde de opregtheid begrepen; dat is, het vellen van een welwillend oordeel over onze broederen, en eene zachte beoordeeling hunner handelingen,—eene deugd, die veel verhevener en grootscher van aard was dan eene ellendige uitdeeling van aalmoezen, welke, hoezeer we ook onze eigene naastbestaanden daardoor benadeelden of zelfs te gronde rigtten, slechts zeer weinigen ten bate konden komen, terwijl de liefdadigheid in den anderen, waren zin, tot het geheele menschdom uitgestrekt kon worden.„Als men in aanmerking neemt,” voegde hij er bij, „wie de apostelen waren, dan zou het ongerijmd zijn te denken, dat hun de leer der mildheid, in den zin van aalmoezen geven, gepredikt werd. En daar wij ons niet goed voorstellen kunnen, dat deze leer door den goddelijken Verlosser aan menschen gepredikt zoude zijn, die ze niet beoefenen konden,—zoo ook moeten wij ons niet verbeelden, dat diegenen, die ze beoefenen kunnen en dit niet doen, ze verstaan.„Hoewel er nu,” vervolgde hij, „naar ik vrees, weinig goeds is in het betoonen van zulke weldaden,—zouden ze toch, dat beken ik, vergezeld zijn van eenig genot voor elk goed hart, zoo dat niet verminderd werd door ééne bedenking. Ik bedoel, dat wij onderhevig zijn aan het gevaar om ons bedrogen[64]te zien, en onze grootste gunsten dikwijls te bewijzen aan menschen, die ze niet verdienen,—zooals gij bekennen moet dat met u het geval was met dien nietswaardigen vent, dien Partridge;—want een stuk of wat voorbeelden van dien aard moeten de inwendige voldoening zeer verminderen, welke een braaf mensch anders door zijne weldadigheid zou ondervinden;—ja, hem zelfs schroomvallig maken in het geven, uit vrees van zich schuldig te maken aan het bevorderen der ondeugd en het aanmoedigen der boosheid,—eene zeer zware misdaad, voor welke het volstrekt geene verontschuldiging zou zijn te beweeren, dat men iets van dien aard volstrekt niet beoogde,—tenzij men uiterst voorzigtig zij geweest in de keuze der voorwerpen zijner mildheid. En ik twijfel niet, of deze bedenking heeft de mildheid van menigen waardigen en vromen man zeer getemperd.”De heer Allworthy gaf tot antwoord: „Dat hij op het punt van het Grieksch niet met den kapitein op dezelfde hoogte was, en daarom niets zeggen kon van de wezenlijke beteekenis van het woord, dat door liefde vertaald wordt, maar dat hij zich toch altijd verbeeld had, dat het begrip van handelen er noodzakelijk aan verbonden, en dus het geven van aalmoezen ten minste eene eigenschap van die deugd was.„Wat de verdienstelijkheid daarvan betrof,” zeide hij, „daaromtrent was hij het met den kapitein eens; want er was niets verdienstelijks in, dat men slechts zijn pligt deed, die, welken zin men ook verkoos te geven aan het woord christelijke liefde, toch duidelijk genoeg aangewezen werd door de geheele strekking van het Nieuwe Testament. En, even als hij het beschouwde als een pligt, die niet verwaarloosd mogt worden,—die aanbevolen werd door de christelijke leer en de wetten der natuur zelve, zoo was die ook tevens zoo aangenaam, dat als men zeggen kon, dat de vervulling van eenigen pligt ter wereld hare eigene belooning medebragt, en zich zelve voldoening schonk, het dan juist de beoefening van dezen pligt was.”„Om de waarheid te zeggen,” vervolgde hij, „er is één graad van mildheid,—of liefdadigheid, zou ik ze genoemd hebben,—die eenigen schijn van verdienste heeft, en dat[65]is, wanneer men uit grondbeginselen van welwillendheid en christelijke liefde iemand anders iets geeft, dat men zelf wezenlijk noodig heeft,—als wij, ten einde de rampen van anderen te lenigen, ons verwaardigen een gedeelte er van op onze eigene schouders te nemen, door hun dat te schenken, wat onze behoeften voor ons onmisbaar maken. Dit is, dunkt me, verdienstelijk; maar om onze broederen slechts met onzen overvloed te helpen; om liefdadig te zijn, ik moet dat woord gebruiken,—alleen ten koste van onze beurs, en niet van ons zelve,—om liever vele huisgezinnen uit de ellende te redden dan een zeldzaam schilderstuk in onze kamer op te hangen, of eenige andere, nietige, bespottelijke ijdelheid te voldoen, schijnt niets meer dan menschelijk te zijn. Ja, ik waag het zelfs verder te gaan, en te verklaren, dat het eenigermate op de handelwijze van een lekkerbek gelijkt; want, wat zou de grootste lekkerbek liever doen, dan met vele in plaats van met slechts één mond te eten, hetwelk, dunkt me, ongeveer het geval is met iemand, die weet dat velen door zijne mildheid gevoed worden?”„Wat de vrees betreft van zijne goedheid te verspillen aan diegenen, die ze welligt onwaardig zullen wezen, omdat reeds velen vroeger onwaardig geweest zijn; dit mag zeker een goed mensch niet afschrikken van mild te zijn. Ik geloof niet, dat eenige, of vele voorbeelden van ondankbaarheid het regtvaardigen kunnen, dat iemand zijn hart sluit tegen de rampen zijner medemenschen; ik geloof ook niet, dat zoo iets gebeuren kan, als men wezenlijk welwillend is. Niets dan de overtuiging van de algemeene bedorvenheid, kan een goed mensch geheel van het betoonen van liefdadigheid afschrikken, en eene dergelijke overtuiging moet hem of tot atheïsme of tot geestdrijverij leiden. Het is ook zeker onredelijk om tot de algemeene bedorvenheid te besluiten, omdat er enkele bedorvene menschen zijn, en ik verbeeld me ook niet, dat die ooit aangenomen wordt door iemand, die na rijp onderzoek in zijn eigen hart, ééne uitzondering op den algemeenen regel vond.”Hij eindigde met de vraag: „Wien hij toch bedoelde met dien Partridge, dien hij een schelm genoemd had?”„Ik bedoel,” zei de kapitein, „Partridge, den barbier,[66]den schoolmeester, of hoe ge hem heet? Partridge, den vader van het kindje, dat ge in uw bed vondt.”De heer Allworthy liet groote verwondering blijken bij deze woorden, en de kapitein scheen niet minder verbaasd over zijne onwetendheid; want hij zeide het meer dan eene maand lang geweten te hebben, en herinnerde zich eindelijk, met veel moeite, dat hij het van jufvrouw Wilkins gehoord had.Hierop werd Wilkins dadelijk geroepen, die hetgeen de kapitein gezegd had, bevestigd hebbende, door den heer Allworthy, op raad van den kapitein, naar Klein-Baddington gezonden werd, om de zaak te onderzoeken; want de kapitein toonde een grooten afkeer van overhaasting in alle criminele zaken en verklaarde dat hij niet hebben wilde dat de heer Allworthy eenig besluit nam tot nadeel van het kind of zijn vader, eer hij de overtuiging gekregen had, dat deze laatste schuldig was: want hoewel hij zelf overtuigd was door hetgeen hij vernomen had van een van Partridge’s buren, was hij veel te edelmoedig om zoo iets tot bewijs bij den heer Allworthy te doen strekken.[Inhoud]Hoofdstuk VI.De teregtstelling van Partridge, den schoolmeester, wegens oneerbaarheid; de getuigenis door zijne vrouw afgelegd; eene korte herinnering aan de wijsheid onzer wetten, met andere ernstige zaken, die hun het best bevallen zullen, welke ze het best verstaan.Men zal zich welligt verwonderen, dat een zoo welbekend verhaal, hetwelk zoo veel stof tot gesprek opgeleverd had, nooit was medegedeeld aan den heer Allworthy zelven, de eenige mensch welligt in den omtrek, die er nooit van gehoord had.Om dit eenigzins aan den lezer te verklaren, acht ik het noodig ter zijner kennis te brengen, dat er niemand in het geheele rijk was, die er minder belang bij had om de stelling aangaande de beteekenis van het woord „christelijke liefde”[67]te bestrijden, dan die goede man. Inderdaad kon hij in alle opzigten aanspraak op deze deugd maken; want even als er niemand was die gevoeliger kon zijn voor den nood van anderen, of meer gereed om in hunne behoeften te voorzien, zoo kon er ook niemand zijn, die kiescher was omtrent hun goeden naam en onwilliger om iets tot hun nadeel aan te hooren.De laster vond dus nooit ingang bij hem; want, even als lang geleden opgemerkt werd, dat men iemand naar zijn omgang beoordeelen kan, zoo waag ik ook te zeggen, dat men door te luisteren naar de gesprekken aan tafel van een groot man, inzigt kan krijgen in zijne godsdienst, zijne staatkunde, zijn smaak en, in één woord, in zijn geheel karakter; want, hoewel er eenige wonderlijke menschen zijn, die overal hunne eigene meeningen voor den dag brengen, zijn op verre na de meeste menschen hovelingen genoeg om hun gesprek in te rigten naar den zin en de neigingen van hunne meerderen.Maar om terug te komen op jufvrouw Wilkins: deze, haar boodschap met veel spoed verrigt hebbende, hoewel op een afstand van vijftien Engelsche mijlen, bragt zulk eene zekere bevestiging mede van de schuld van den schoolmeester, dat de heer Allworthy besloot den misdadiger te ontbieden, en hemviva vocete ondervragen.De heer Partridge werd dus gedagvaard om te verschijnen en zich te verdedigen (als hij dat kon), tegen de ingebragte beschuldiging.Op het bepaalde uur verschenen voor den heer Allworthy, ten huize het Paradijs genaamd voornoemde Partridge, met zijne wettige huisvrouw Anna, en de aanklaagster, jufvrouw Wilkins.En nu, de heer Allworthy in den regterstoel gezeten zijnde, werd Partridge vóór hem gebragt, die na de beschuldiging van jufvrouw Wilkins aangehoord te hebben, alles loochende, met vele hartstogtelijke betuigingen zijner onschuld.Daarop werd jufvrouw Partridge ondervraagd, die na eene zedige betuiging van haar leedwezen, dat zij tegen haar man toch de waarheid moest zeggen, alle omstandigheden vermeldde, waarmede de lezer reeds bekend is, en eindigde[68]met de verklaring, dat haar echtgenoot schuld bekend had.Ik wil niet wagen te beslissen of zij hem vergeven had of niet; maar het is zeker dat zij ongaarne getuigenis aflegde, en het is waarschijnlijk, om zekere andere redenen, dat zij nooit op die wijze zich verklaard zou hebben, zoo jufvrouw Wilkins niet op de meest listige wijze, in haar eigen huis, alles van haar uitgevischt had, en beloften gedaan, uit naam van den heer Allworthy, dat haar man op geenerlei wijze gestraft zou worden, die zijn huisgezin kon benadeelen.Partridge hield vol met zijne onschuld te betuigen, hoewel hij niet loochenen kon, dat hij de bekentenis afgelegd had, wat hij echter trachtte te verklaren door de verzekering dat ze hem afgeperst werd door de lastigheid zijner vrouw, die zwoer, dat, daar zij van zijne schuld overtuigd was, zij nooit uitscheiden zou met hem te plagen tot hij ze bekend had,—waartegen zij beloofde, van haar kant, hem nooit iets meer daarvan te zeggen. Om deze reden, zeide hij, was hij er toe gekomen, zich valschelijk te beschuldigen, hoewel hij geheel onschuldig was,—en hij geloofde, dat hij, met hetzelfde doel, ook een moord zou bekend hebben.Jufvrouw Partridge kon geen geduld vinden om dit alles aan te hooren, en daar zij, in dit geval, tot geen ander hulpmiddel dan de tranen hare toevlugt nemen kon, riep zij de hulp daarvan in, en zich tot den heer Allworthy wendende, zeide, of liever, snikte zij:„Met uw verlof, mijnheer, nooit werd eene vrouw zóó mishandeld als ik door dezen slechten man! Want dit is niet het eerste voorbeeld van zijn ontrouw! Neen, mijnheer! Met uwe permissie,—hij heeft menigmaal al de huwelijkssponde ontheiligd! Ik had zijn dronkenschap en het verwaarloozen zijner zaken kunnen verdragen, als hij niet de heilige geboden geschonden had! Daarenboven, als het buiten ’s huis geschied was, zou ik het me niet zóó aangetrokken hebben! Maar met mijne eigene dienstbode, in mijn eigen huis, onder mijn eigen dak, zóó mijn eigen kuisch bed te bezoedelen met zijne smerige meiden! Ja, gij schandaal dat hebt ge gedaan! En dan beschuldigt[69]ge mij, dat ik u gedwongen heb zoo iets te bekennen! Is dat nu waarschijnlijk, mijnheer, dat ik hem zou kunnen dwingen?—Ik kan nog de lidteekens op mijn ligchaam laten zien, die zijne wreedheid bewijzen! Als ge een man waart, schelm, dan zoudt ge u schamen, eene vrouw op die wijze te mishandelen! Maar ge zijt geen man:—dat weet ge wel!—Neen, ge zijt geen halve man voor mij geweest! En gij moest nog anderen naloopen! ’t is wat moois, terwijl ik zeker weet——. En nu dat hij me tergt, ben ik gereed, mijnheer, om een plegtigen eed te doen, dat ik hen zamen in bed vond! Hoe! Ge zult niet vergeten hebben, dat ge me sloegt tot ik een toeval kreeg en het bloed van mijn gezigt afstroomde, alleen omdat ik u, zoo beleefd mogelijk, uw ontrouw verweet! Maar de buren, die kunnen alles getuigen. Ge hebt me haast het hart gebroken! Ja, dat hebt ge gedaan!”Hier viel de heer Allworthy haar in de rede en smeekte haar te bedaren, haar belovende dat haar regt zou wedervaren; en zich daarop tot Partridge wendende, die verstomd stond, half door verbazing en half door vrees verbijsterd, zeide hij, dat het hem speet te vernemen, dat er zoo veel slechtheid in de wereld bestond. Hij verzekerde hem dat al zijne onopregtheid en heen en weer praten slechts strekken kon om zijne schuld zeer te vermeerderen, die hij alleen vergoeden kon door openhartige bekentenis en berouw. Hij vermaande hem dus te beginnen met het feit te bekennen, en niet vol te houden met datgene te loochenen, dat zoo duidelijk tegen hem bewezen werd door zijne eigene vrouw.Hier, lezer, moet ik u smeeken een oogenblik geduld te hebben, terwijl ik u en mij, met regt, geluk wensch met de groote billijkheid en wijsheid onzer wetgeving, die weigert het getuigenis eener vrouw vóór of tegen haar man aan te nemen. „Dit,” zegt zekere geleerde schrijver, die tot dus ver, naar ik meen, nooit anders dan in een regtsgeleerd werk aangehaald werd, „zou ook het middel wezen, om eeuwigdurende twisten tusschen hen te veroorzaken. Het zou inderdaad aanleiding geven tot vele meineeden, tot veelgegeessel, boeten, gevangenschap, deportatie en ophangen.”[70]Partridge bleef een tijdlang zwijgen, tot hem bevolen werd te spreken, en toen verklaarde hij reeds de waarheid gezegd te hebben, en riep den hemel tot getuige om zijne onschuld te openbaren, en eindelijk ook het meisje zelf, om wie hij den heer Allworthy smeekte dadelijk te zenden; want hij wist niet, of gaf voor niet te weten, dat zij die omstreken reeds verlaten had.De heer Allworthy wiens aangeborene liefde tot de regtvaardigheid, gevoegd bij zijne eigene bedaardheid, hem altijd tot een zeer geduldigen magistraat maakte, waar het gold het verhooren van alle getuigen, die een beschuldigde aanbrengen kon om zich te verdedigen, stemde er in toe de beslissing van de zaak uit te stellen tot de aankomst van Jenni, om wie hij dadelijk een bode zond. Daarop, na den vrede tusschen man en vrouw verder aanbevolen te hebben hoewel, hij zich op dit punt voornamelijk tot den verkeerden persoon wendde, bepaalde hij den derden dag na dien voor het tweede verhoor; want hij had Jenni eene geheele dagreis ver van zijn eigen huis gezonden.Op den bestemden tijd kwamen alle partijen weer zamen, toen de bode het berigt medebragt, dat Jenni niet te vinden was, daar zij een paar dagen te voren, hare woning verlaten had met een officier, die bezig was met rekruteren.De heer Allworthy verklaarde nu dat de getuigenis van zulk een slecht mensch als zij bleek te zijn, geen geloof zou verdiend hebben; maar zeide dat hij niet laten kon te gelooven, dat als zij tegenwoordig geweest ware en de waarheid had willen zeggen, zij ook datgene had moeten bevestigen, wat reeds genoegzaam bewezen scheen door zoo vele omstandigheden, door de bekentenis van Partridge zelven en door de verklaring der vrouw, dat zij haar echtgenoot op heeter daad betrapt had. Daarom, vermaande hij Partridge nogmaals ernstig tot bekentenis te komen;—daar deze echter nog steeds zijne onschuld volhield, verklaarde de heer Allworthy zich van zijne schuld overtuigd en dat hij een te slecht mensch was om verder eenige ondersteuning van hem te verdienen. Hij benam hem dus het jaargeld, dat hij van hem kreeg, en beval hem aan[71]berouw te toonen, om den wille van het leven hier namaals, en tevens den meesten vlijt aan den dag te leggen, ten einde in dit leven zich zelven en zijne vrouw te onderhouden.Er zijn welligt weinige ongelukkiger menschen dan die arme Partridge! Ten gevolge van de getuigenis zijner vrouw, had hij het grootste gedeelte van zijn inkomen verloren, en moest nog dagelijks het verwijt van haar hooren, dat hij haar van dit voordeel beroofd had, en zich aan dat onverdiend oordeel onderwerpen.Hoewel ik hem nu pas den armen Partridge genoemd heb, wenschte ik echter dat de lezer, dat woord toeschreef eerder aan mijn medelijdenden aard, dan dat hij het opvatte als eene verklaring zijner onschuld. Het zal welligt later blijken, of hij onschuldig was of niet; maar zoo de muze der geschiedenis mij eenig geheim heeft toevertrouwd, zal ik mij wachten het te verklappen eer zij het mij veroorloofd heeft.Voor het oogenblik moet de lezer dus zijne nieuwsgierigheid beteugelen. Zeker echter blijft het, dat hoe het ook met de waarheid stond, er meer dan voldoende bewijzen waren om hem in Allworthy’s oogen schuldig te doen schijnen;—inderdaad, men had nog met veel minder kunnen volstaan voor eene regtbank, bij eene kwestie van legitimiteit, en toch, niettegenstaande de zekerheid van jufvrouw Partridge, die een eed omtrent de zaak had willen afleggen, is het mogelijk dat de schoolmeester geheel onschuldig was; want hoewel het duidelijk bleek, uit de vergelijking van den tijd van Jenni’s vertrek uit Klein-Baddington, met dien harer verlossing, dat zij daar zwanger van het kind was geworden, behoefde het volstrekt niet als een zeker gevolg aangemerkt te worden, dat Partridge de vader moest zijn. Want, om van geene andere bijzonderheden melding te maken, was er in hetzelfde huis een jongen van bijna achttien jaar, tusschen wien en Jenni er gemeenzaamheid genoeg bestaan had, om er geene ongegronde vermoedens op te vestigen,—en toch, is de ijverzucht zoo blind, dat deze omstandigheid der verwoede vrouw nooit in het hoofd kwam.Het blijkt niet of Partridge den raad volgde van den[72]heer Allworthy en berouw toonde, of niet. Maar het is zeker dat zijne vrouw berouw kreeg over de getuigenis, welke zij tegen hem afgelegd had, vooral toen zij ontdekte, dat jufvrouw Deborah haar bedrogen had, en nu weigerde een goed woord voor haar te spreken bij den heer Allworthy. Zij was echter eenigzins voorspoediger bij mevrouw Blifil, die, zoo als de lezer opgemerkt zal hebben, eene veel goedaardiger vrouw was, en die zeer vriendelijk op zich nam haar broeder te verzoeken het jaargeld weder te geven. Hoewel nu hare goedheid eenig deel had in deze handelwijze, zal men in het volgende hoofdstuk eene veel krachtiger en natuurlijker beweegreden daartoe vinden.Haar verzoek bleef echter zonder gevolg; want hoewel de heer Allworthy zich niet verbeeldde, met sommige nieuwere schrijvers, dat de barmhartigheid zich alleen vertoont in het bestraffen der misdadigers, was hij er ook even ver van verwijderd, om het voor eene eigenschap van deze uitstekende deugd te houden, om zonder eenigen grond aan groote misdadigers willekeurig genade te schenken. Eenige twijfel, of verzachtende omstandigheid, werd nooit door hem over het hoofd gezien; maar het smeeken van den misdadiger, of de tusschenkomst van anderen bleven altijd zonder uitwerking op hem. Met één woord, hij schonk nooit vergiffenis, omdat de schuldige zelf, of diens vrienden, wenschten dat hij niet gestraft zou worden.Partridge en zijne vrouw moesten zich dus beide schikken in hun lot, dat inderdaad hard genoeg was; want verre van zijn vlijt te verdubbelen nadat zijn inkomen verminderd was, gaf hij zich in zekere mate aan de wanhoop over, en lui van aard zijnde, verergerde die ondeugd nu bij hem, zoodat zijne kleine school verliep en hij zelf, noch zijne vrouw, een stuk brood te eten zouden gehad hebben, als de mildheid van zeker goed christen niet tusschenbeide gekomen ware, om hen van het volstrekt noodzakelijke tot hun onderhoud te voorzien.Daar deze hulp hun door een onbekende verstrekt werd, verbeeldden zij zich, en dat zal zonder twijfel de lezer ook doen, dat de heer Allworthy hun geheime weldoener was, die, ofschoon hij niet in het openbaar de ondeugd aanmoedigen wilde, toch in stilte de ellende der misdadigers[73]zelve verzachten kon, als die te groot en te weinig geëvenredigd was aan hunne boosheid.Het noodlot zelf scheen nu hunne ellende uit dit oogpunt te beschouwen, en eindelijk medelijden te hebben met het ongelukkige paar, daar het de rampen van Partridge aanmerkelijk verzachtte, door hem van zijne vrouw te verlossen, die de kinderpokken kreeg en spoedig onder die ziekte bezweek.De regtvaardigheid, welke de heer Allworthy omtrent Partridge uitgeoefend had, vond aanvankelijk algemeene goedkeuring; maar zoodra de schoolmeester de gevolgen daarvan begon te ondervinden, begonnen ook zijne buren vermurwd te worden, medelijden met hem te gevoelen, en spoedig daarna, dat, wat zij pas regtvaardigheid genoemd hadden, als overdrevene strengheid af te keuren. Zij voeren er tegen uit, dat men in koelen bloede straffen konde, en prezen de deugden van genade en barmhartigheid hemelhoog.Dit geschreeuw vermeerderde zeer bij den dood van jufvrouw Partridge, welke ofschoon toeteschrijven aan bovengenoemde ziekte, die geen gevolg is van armoede en gebrek, door velen, zeer onbeschaamd, geweten werd aan de strengheid, of zooals zij het nu noemden, de wreedheid van den heer Allworthy.Daar Partridge nu zijne vrouw, zijne school en zijn inkomen verloren had, en ook de onbekende weldoener de boven vermelde ondersteuning verder naliet, besloot hij van tooneel te veranderen, en verliet de streek, waar hij gevaar liep van te verhongeren, in weerwil van het algemeene medelijden zijner naasten.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Eene korte schets van het geluk, dat een wijs gehuwd paar in den haat kan vinden; met eene verontschuldiging van die menschen, die de onvolmaaktheden hunner vrienden over het hoofd zien.Hoewel de kapitein den armen Partridge geheel te grond gerigt had, had hij er toch niet de voordeelen van ingeoogst,[74]welke hij gehoopt had, namelijk om den heer Allworthy den vondeling de deur uit te zien zetten.Integendeel, die heer werd bij den dag meer gehecht aan den kleinen Tom, alsof hij zijne strengheid tegen den vader door buitengewone liefde en goedheid voor den zoon wilde vergoeden.Dit verbitterde zeer het humeur van den kapitein, even als andere, dagelijksche voorbeelden van de mildheid van den heer Allworthy; want hij beschouwde alle dergelijke liefdadige uitgaven, als alleen strekkende om zijn eigen rijkdom te verminderen.Hierin, zooals wij gezegd hebben, was hij het niet met zijne vrouw eens,—evenmin als in iets anders; want hoewel vele wijze menschen aannemen, dat eene genegenheid die op het verstand berust, duurzamer is dan eene, die op de schoonheid gegrond is, bleek het tegenovergestelde waar te zijn in het onderhavige geval. Ja, het was het wederzijdsche verstand van dit paar, dat de hoofdbron van twist werd, en ééne der voornaamste oorzaken van de veelvuldige oneenigheden, welke, met der tijd, tusschen hen ontstonden; en die eindigden, van den kant der dame, met eene diepe minachting van haar man, terwijl de echtgenoot er toe kwam, zijne vrouw in alle opzigten te verfoeijen.Daar beide hunne gaven grootendeels besteed hadden aan de studie der godgeleerdheid, werd deze spoedig na hunne eerste kennismaking het hoofd-onderwerp hunner gesprekken. De kapitein, als beleefd man, had, vóór zijn huwelijk, altijd zijn gevoelen opgegeven, als het in strijd was met dat der dame, en dit geschiedde volstrekt niet naar de wijze van een lompen, onhandigen, verwaanden domkop, die, hoewel hij beleefdelijk zwicht voor een gegrond argument, toch begeert, dat men inzie, dat hij gelooft het regt aan zijne zijde te hebben. De kapitein, integendeel, hoewel een der hoogmoedigste menschen ter wereld, liet de overwinning zoo onbepaald aan zijne tegenpartij, dat zij, die in het minst niet twijfelde aan zijne opregtheid, altijd den twist ten einde zag loopen met de meeste bewondering van haar eigen verstand en zeer veel ingenomenheid met het zijne.Maar hoewel deze toegevendheid jegens iemand, die hij[75]diep verachtte, hem toen niet zoo moeijelijk viel, als het geval zou geweest zijn, wanneer hij om eenig vooruitzigt op bevordering genoodzaakt was geweest zich op dezelfde wijze te onderwerpen aan den Bisschop Hoadley, of eenigen anderen beroemden theologant, kostte ze hem toch te veel, om ze zonder eenige nevenbedoeling te dragen. Zoodra dus het huwelijk deze nevenbedoeling uit den weg geruimd had, verveelde hem zijne vriendelijkheid en hij begon de gevoelens zijner vrouw met dien hoogmoed en die onbeschoftheid te behandelen, welke alleen aan den dag gelegd worden door diegenen, die zelve eenige minachting verdienen, en die alleen kan verdragen worden door diegenen, welke geene minachting verdienen.Toen de eerste vlagen van teederheid voorbij waren,—en in de kalme en lange tusschenpoozen tusschen de aanvallen daarvan,—toen het gezond verstand der dame de oogen begon te openen, en zij deze verandering in het gedrag van den kapitein opmerkte, die al hare argumenten met „Boe!” en „Bah!” beantwoordde, was zij er ver van daan, deze beleediging met gelaten onderworpenheid te dragen. Integendeel, zij was er in het begin zoo hevig over vertoornd, dat de eene of andere tragische gebeurtenis er uit had kunnen ontstaan, indien haar gevoel geene meer onschuldige wending genomen had, door haar de meest mogelijke minachting voor het verstand van haar man in te boezemen, waardoor haar haat eenigzins gewijzigd werd, ofschoon zij ook hiervan meer dan genoeg koesterde.De kapitein haatte haar op eene meer onvermengde wijze: want, ten opzigte van gebrek aan kennis of verstand, verachtte hij haar niet meer dan hij had kunnen doen omdat zij geen zes voet lang was.In zijne gedachten omtrent het vrouwelijke geslacht, overtrof hij Aristoteles zelven in bitterheid. Hij beschouwde eene vrouw als een huisdier, van eenige meerdere waarde dan eene kat, daar hare diensten iets belangrijker van aard zijn; maar het onderscheid tusschen beide was, naar zijne schatting, zoo gering, dat het hem, in zijn huwelijk met de landerijen en onroerende goederen van den heer Allworthy, weinig had kunnen schelen, welke van beide hij op den koop toe mede had moeten nemen. En toch was zijn hoogmoed[76]zoo gevoelig van aard, dat de minachting welke zijn vrouw jegens hem liet blijken, hem kwetste, en dit, gevoegd bij de walging welke hij reeds voor hare liefde gekoesterd had, vervulde hem met afkeer en afschuw in eene mate die misschien zelden overtroffen is.In den huwelijken staat is er slechts één toestand, die van genoegen ontbloot is, en dat is de toestand van onverschilligheid; maar even als vele mijner lezers, naar ik hoop, het uitstekend genot kennen van een bemind wezen genoegen te doen, zoo zijn er ook, naar ik vrees, eenigen die de voldoening mogen gesmaakt hebben van het voorwerp van hun haat te plagen. Het is, dunkt me, om dit laatste genoegen te smaken, dat wij dikwijls beide partijen die rust in het huwelijk zien opofferen, die zij anders genieten konden, al ware hun levens-gezel hun ook nog zoo onaangenaam. Daarom is het dat de vrouw dikwijls vlagen van liefde en ijverzucht veinst, ja, zich zelve een genoegen weigert, om dat van haar echtgenoot te storen en te beletten, terwijl hij, van zijn kant, zich zelven dikwerf aan banden legt, en te huis blijft, in een gezelschap dat hem verveelt, alleen om zijne vrouw op dezelfde wijze te tergen. Van daar ook dikwijls die stortvloeden van tranen, welke soms de weduwe op de asch van een echtgenoot laat vallen, dien zij een leven van aanhoudende onrust en kwelling bezorgd heeft, en dien zij nu niet meer hopen kan te plagen.Als ooit echter eenig paar dit genot smaakte, werd het nu ten volle genoten door den kapitein en zijne vrouw. Het was altijd, voor beide, genoeg te weten dat de andere iets beweerde, om juist van het tegenovergestelde gevoelen te zijn. Als de een zekere tijdkorting voorstelde, was de andere er tegen; zij beminden, haatten, prezen of laakten nooit denzelfden persoon. En om deze reden was het dat, wijl de kapitein den kleinen vondeling met leede oogen aanschouwde, zijne vrouw hem bijna als haar eigen kind begon te liefkozen.De lezer zal gemakkelijk inzien, dat deze verhouding tusschen man en vrouw niet veel bijdragen kon om den heer Allworthy een rustig leven te verschaffen, even als het weinig bevorderlijk was aan dat kalme geluk, hetwelk hij zich, voor alle drie, uit dit huwelijk voorgespiegeld had. Het[77]blijft echter waar, dat, hoewel hij zich in zijne levendige verwachtingen eenigzins teleurgesteld zag, hij toch nog zeer onvolmaakt ingelicht was omtrent de heele zaak, want evenzeer als de kapitein, om zekere duidelijke redenen, genoodzaakt was in zijn bijzijn zeer op zijne hoede te wezen, zoo moest ook de dame, uit vrees voor haar broeders toorn, dezelfde gedragslijn volgen. Inderdaad, het is mogelijk dat een derde persoon lang zeer gemeenzaam kan wezen, of zelfs onder hetzelfde dak leven met een echtpaar, dat slechts tamelijk voorzigtig is, zonder zelfs de verbittering te vermoeden, welke tusschen beide heerscht; want, hoewel soms de heele dag te kort moge zijn voor den haat, even als voor de liefde, leveren de vele uren welke gehuwden in afzondering met elkaar doorbrengen, aan menschen die niet onmatig zijn, zoovele gelegenheden om beide driften bot te vieren, dat, als zij elkaar beminnen, zij eenige uren in het gezelschap van anderen kunnen zijn, zonder te vrijen, of als zij elkaar haten, zonder elkaar in het gezigt te spuwen.Het is echter mogelijk dat de heer Allworthy genoeg zag om zich een weinig te verontrusten; want wij moeten niet altijd gelooven, dat een wijs man zich niet bezeerd heeft, als hij niet hardop schreeuwt en klaagt, zoo als menschen doen, die kinderachtig of verwijfd van aard zijn.Het kan ook wezen, dat hij enkele gebreken in den kapitein zag, zonder eenige ongerustheid te gevoelen; want waarlijk wijze en goede menschen nemen de menschen en zaken zooals zij ze vinden, zonder over hunne onvolmaaktheden te klagen, of ze allen te willen verbeteren. Zij kunnen een gebrek in een vriend, een bloedverwant, of eene betrekking zien, zonder er ooit gewag van te maken tot die betrekkingen zelve, of iemand anders,—en dikwerf ook zonder eenige vermindering hunner genegenheid. En inderdaad, tenzij er veel scherpzin gepaard ga met deze toegevendheid, moesten wij alleen vriendschap sluiten met dwazen, die men foppen kan; want ik hoop dat mijne vrienden het me vergeven zullen, als ik verklaar dat ik geen onder hen ken, die zonder gebreken is, en het zou mij spijten als ik me verbeelden moest dat ik een vriend had, die de mijne niet zag. Vergiffenis van dezen aard geven en vragen wij wederkeerig. En dat is misschien niet een der onaangenaamste[78]pligten der vriendschap. En wij moeten deze vergiffenis schenken, zonder hoop op beterschap. Er is welligt niets dwazers te bedenken, dan de zucht om de aangeborene zwakheden van diegenen die wij liefhebben, te verbeteren. De fijnste zamenstelling der menschelijke natuur kan, even als het fijnste porselein, een barstje hebben dat niet te herstellen is, ofschoon in weerwil daarvan, de teekening er op hare zeer groote waarde behoudt.Over het algemeen dan, ontdekte de heer Allworthy, buiten kwestie, eenige gebreken in den kapitein; daar deze echter een zeer sluw mensch was, en altijd op zijne hoede in het bijzijn van zijn zwager, schenen ze hem niets anders toe dan kleine vlekjes in een goed karakter, die hij de goedheid had te vergeven, en de wijsheid om niet aan den kapitein zelven te ontdekken. Zijne meening zou zeer gewijzigd zijn geworden, indien hij alles geweten had, hetgeen welligt met den tijd het geval zou zijn geweest, als man en vrouw lang op denzelfden voet met elkaar geleefd hadden; maar het medelijdende noodlot beraamde de middelen om dit te voorkomen, en dwong den kapitein om iets te doen, waardoor hij weder dierbaar werd aan zijne vrouw, en al hare teederheid en liefde weder verwierf.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een onfeilbaar voorschrift, om, zelfs in de meest wanhopige gevallen, de verbeurde liefde eener echtgenoote terug te winnen.De kapitein vond ruime vergoeding voor de onaangename oogenblikken welke hij in het bijzijn zijner vrouw moest slijten,—en die zoo weinig in getal waren als hij ze maar maken kon,—in de aangename gedachten, welke hij in de eenzaamheid genoot.Deze gedachten liepen bij uitsluiting over het vermogen van den heer Allworthy; want eerst had hij veel werk, met in zijn hoofd, zoo goed hij kon, de juiste waarde van het geheel na te gaan,—welke berekeningen hij telkens, steeds in zijn eigen voordeel veranderde; en in de tweede plaats,[79]vermaakte hij zich hoofdzakelijk met voorgenomene veranderingen in het huis en de tuinen, en in het ontwerpen van vele andere plannen, zoowel ter verbetering van de bezittingen als om iets grootsch aan het geheel te geven. Tot dit einde, hield hij zich bezig met de studie van bouwkunde en van het aanleggen van buitenplaatsen, en las vele werken over beide onderwerpen; want deze wetenschappen namen zijn geheelen tijd in beslag en waren zijne eenige uitspanning. Eindelijk had hij een alleruitmuntendst ontwerp gereed, en het spijt mij zeer, dat ik niet bij magte ben het aan mijne lezers te laten zien, daar het, naar ik meen, zelfs bij al de weelde onzer dagen, naauwelijks zijns gelijken heeft. Het bevatte inderdaad in den hoogsten graad de twee voornaamste bestanddeelen, welke alle grootsche en edele ontwerpen van dezen aard ter aanbeveling strekken, namelijk, het eischte buitengewone uitgaven, en zeer veel tijd om het eenigzins tot volmaking te brengen. In de eerste dezer behoeften, zouden de onmetelijke rijkdommen, welke de kapitein veronderstelde dat in het bezit waren van den heer Allworthy,—en die hij zeker wachtte zelf van hem te erven,—best voorzien; en wat de tweede betrof, zijn gezond gestel en zijn leeftijd, die niet boven de middelbare was, benamen hem alle vrees dat hij niet lang genoeg leven zou om zijn wensch vervuld te zien.Niets ontbrak er dus aan deonmiddellijkeuitvoering zijner plannen dan de dood van den heer Allworthy, en in het berekenen daarvan had hij een groot gedeelte van zijne kennis der Algebra uitgeput, na alle bestaande boeken gekocht te hebben, die handelen over den duur van het menschelijk leven, de betrekkelijke waarde van verwachte erfenissen, enz. Uit dit alles maakte hij op, dat daar er elken dag kans bestond dat het gebeuren zou, het ook zeer waarschijnlijk was dat zijn zwager binnen weinige jaren sterven zou.Maar, terwijl de kapitein op zekeren dag meer dan gewoonlijk verdiept was in beschouwingen van dezen aard, werd hij overvallen door een der droevigste en ontijdigste gebeurtenissen mogelijk. Inderdaad, het kwaadaardigste noodlot had niets kunnen bedenken dat zoo wreed, zoomal-à-propos, zoo bepaaldelijk verpletterend was voor al zijne plannen. Met één woord, om den lezer niet lang in onzekerheid te[80]laten, juist op het oogenblik dat hij zich in zijn hart verheugde, in beschouwingen over het geluk dat hem te wachten stond bij den dood van den heer Allworthy,—stierf hij zelf aan eene beroerte.Deze overviel den kapitein ongelukkig op zijne avondwandeling, in de eenzaamheid, zoodat er niemand bij was, om hem hulp te verleenen,—gesteld zelfs dat eenige hulp hem had kunnen redden. Hij nam dus op deze wijze de maat van den grond, die nu groot genoeg zou zijn voor al zijne toekomstige behoeften en lag dood uitgestrekt, een groot (ofschoon geen levend) voorbeeld van de waarheid van hetgeen door Horatius opgemerkt is:„Tu secanda marmoraLocas sub ipsum funus: et sepulchriImmemor, struis domus.”Welk denkbeeld ik op deze wijze vertolk: „Gij schaft de prachtigste bouwstoffen aan, terwijl niet meer dan eene spade en een houweel noodig zijn, en ge bouwt huizen, vijfhonderd voet lang en honderd breed, vergetende de woning die maar zes voet lang en twee breed is.”[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het bewijs van de onfeilbaarheid van het reeds opgegeven voorschrift, in de klagten van de weduwe; tegelijk met andere gepaste attributen van den dood, zooals daar zijn: geneesheeren, enz. en een model-grafschrift.De heer Allworthy, zijne zuster en eene andere dame, waren op het gewone uur bijeengekomen in de eetzaal om het avondmaal te gebruiken, en na veel langer dan gewoonlijk gewacht te hebben, verklaarde de heer Allworthy het eerst, dat hij begon ongerust te worden over het uitblijven van den kapitein, (want deze was altijd zeer stipt op het etensuur) en beval met de schel te luiden in den tuin en vooral langs die paden, welke de kapitein gewoonlijk bezocht.[81]Daar al dit levenmaken vruchteloos bleek te zijn,—omdat de kapitein dezen avond, ongelukkig, een geheel nieuwen weg opgegaan was,—verklaarde nu ook mevrouw Blifil, dat zij zich ernstig ongerust maakte. Hierop deed de andere dame, eene harer meest vertrouwde vriendinnen,—die den waren toestand harer verhouding tot haren man kende,—haar best om haar tot bedaren te brengen,—met de verzekering, dat hoewel zij niet nalaten kon ongerust te zijn, zij toch het beste moest hopen. Welligt had de schoonheid van het weder den kapitein verleid om iets verder dan gewoonlijk zijne wandeling uit te strekken,—of, hij kon ook bij een buurman opgehouden zijn.Mevrouw Blifil zeide van neen! Zij was overtuigd dat het een of ander ongeluk hem overkomen was; want dat hij zeker niet uitblijven zou zonder haar te laten waarschuwen, daar hij wel wist hoe ligt zij zich ongerust maakte. De andere dame, die geene meerdere argumenten wist aan tevoeren, nam nu hare toevlugt tot de gebruikelijke smeekingen bij zulke gelegenheden en verzocht haar zich toch niet onnoodig ongerust te maken, daar zoo iets zeer nadeelig op hare gezondheid werken kon,—en een groot glas wijn inschenkende, ried zij haar,—en haalde haar eindelijk over,—om het leêg te drinken.De heer Allworthy trad nu weder in de kamer; want hij was er zelf op uit geweest om den kapitein te zoeken. Zijn gelaat teekende genoegzaam zijne vrees, welke hem inderdaad bijkans van de spraak beroofd had;—daar echter de smart op verschillende menschen verschillend werkt, verlevendigde de vrees, welke zijne stem onderdrukt had, de stem van mevrouw Blifil. Zij begon nu bitter te klagen, en stortvloeden van tranen vergezelden hare woorden, welke hare vriendin verklaarde dat volstrekt niet te berispen waren, terwijl zij haar echter terzelfder tijd den raad gaf er niet aan toe te geven, en den angst harer vriendin poogde te verminderen door wijsgeerige opmerkingen omtrent de vele rampen waaraan het menschelijke leven dagelijks blootgesteld is,—wat, zeide zij, genoeg was om ons sterkte te verleenen in alle omstandigheden, hoe onverwacht of verschrikkelijk ook. Zij verzocht haar ook geduld te leeren van haar broeder die, hoewel men niet veronderstellen kon, dat hij zich zóó[82]ongelukkig gevoelde als zij, toch, zonder twijfel, zich zeer ongerust maakte, ofschoon zijne onderwerping aan den goddelijken wil, zijne aandoeningen matigde.„Spreek me niet van mijn broeder!” riep mevrouw Blifil.„Ik alleen verdien medelijden! Wat is de ongerustheid der vriendschap, vergeleken bij de kwellingen eener vrouw in dergelijke gevallen? O! Hij is verloren! Iemand heeft hem vermoord—ik zal hem nooit weêr zien!”Hier had een nieuwe stortvloed van tranen dezelfde uitwerking bij haar als het onderdrukken er van op den heer Allworthy, en ook zij zweeg.Op dit oogenblik kwam een knecht, buiten adem, de kamer binnenloopen en riep uit: „De kapitein is gevonden,—” maar eer hij er iets bijvoegen kon, werd hij door twee anderen gevolgd, die het lijk droegen.Hier kan de oplettende lezer nog een ander verschil opmerken in de werking der smarte: want, even als de heer Allworthy tot dusver gezwegen had, om dezelfde reden welke zijne zuster luidruchtig had gemaakt, ontlokte hetgeen hij nu zag, tranen aan den heer, terwijl het die zijner zuster geheel opdroogde, die eerst een harden gil gaf en toen in zwijm viel.De kamer was weldra opgevuld met dienstboden, van welke sommigen zich bemoeiden, geholpen door hare vriendin, met de zorg voor de troostelooze weduwe, terwijl anderen, bijgestaan door den heer Allworthy, den kapitein in een warm bed legden, waar al het mogelijke beproefd werd om hem in het leven terug te roepen.En blijde zouden wij zijn als wij den lezer konden mededeelen, dat beide bewustelooze ligchamen met evenveel voorspoed verzorgd werden; want diegenen, die op zich genomen hadden de dame bijtestaan, slaagden zoo goed, dat, zoodra de flaauwte een betamelijken tijd geduurd had, zij tot hunne groote voldoening weer bijkwam. Maar wat den kapitein betrof, bleken alle proeven die men deed met aderlaten, wrijven, druppels enz. vergeefs te zijn. De Dood, die onwrikbare regter, had zijn vonnis geveld, en weigerde hem genade te schenken, hoewel twee geneesheeren, die aankwamen en beide daarvoor betaald werden, zijne zaak voor hem bepleitten.[83]Deze twee geneesheeren, die wij, om iedere kwaadwillige toepassing te voorkomen, Dr. Y. en Dr. Z. noemen zullen, na hem den pols gevoeld te hebben, namelijk Dr. Y. regts, en Dr. Z. links, werden het zamen eens, dat hij dood was; maar verschilden omtrent zijne kwaal en de oorzaak van zijn overlijden; daar Dr. Y. van gevoelen was, dat hij aan een apoplexie gestorven was, terwijl Dr. Z. volhield, dat het epilepsie was geweest.Hieruit ontstond een twist tusschen de beide geleerden, waarin beide hunne gevoelens met redenen omkleedden. En deze waren allen zoo krachtig, dat ze alleen daartoe dienden, om de beide dokters in hun eigen gevoelen te versterken, zonder den minsten indruk op de tegenpartij te maken.Om de waarheid te zeggen, heeft bijna iedere geneesheer zijne lievelingskwaal, waaraan hij alle zegepralen van den dood over de menschelijke natuur toeschrijft. Jicht, rheumatisme, de steen, het graveel en de tering, hebben alle hunne verschillende beschermheeren bij de fakulteit,—en geen een meer beschermers, dan „zenuwkoortsen.” En dit verklaart het verschil van meening omtrent de oorzaak van den dood van een zieke, dat dikwijls heerscht onder de meest geleerde mannen van het vak, en dat die menschen zeer verwonderd heeft, die de bijzonderheid, welke we pas vermeld hebben, niet kenden.Het zal den lezer welligt doen verbaasd staan, dat in plaats van te trachten den zieke te helpen, de geleerde heeren dadelijk een twist begonnen over de oorzaak van zijn dood; maar, werkelijk, alles was reeds vóór hunne komst beproefd; want de kapitein lag al in een warm bed, was ader gelaten, was gewreven, en allerlei sterke druppels waren in zijne neusgaten en tusschen zijne lippen gegoten.Daar de geneesheeren zich nu in alles voorkomen vonden, wat zij aanwenden wilden, werden zij verlegen hoe den behoorlijken tijd te slijten, dien zij doorbrengen moesten om op eene betamelijke wijze hun honorarium te verdienen, en zij moesten dus het eene of andere onderwerp tot een gesprek zoeken.—Wat kon zich dan natuurlijker aanbieden dan het voormelde?Onze dokters waren echter op het punt van afscheid te nemen,[84]toen de heer Allworthy, den kapitein opgegeven hebbende, met onderwerping aan den Goddelijken wil, naar zijne zuster begon te vragen, die hij hen verzocht voor hun vertrek te bezoeken.Deze dame was nu uit hare flaauwte bijgekomen, en om de gewone uitdrukking te bezigen, naar omstandigheden, redelijk welvarende.De dokters dus, na alle behoorlijke pligtplegingen, daar dit eene nieuwe patient was, gingen, gelijk verlangd werd, bij haar, en vatten beide eene harer handen, even als zij straks met het lijk gedaan hadden.Het geval van de dame was juist het tegenovergestelde van dat van haar man; want even als hij buiten het bereik was van alle geneeskundige hulp,—zoo had zij, werkelijk, geen bijstand noodig.Niets kan onbillijker zijn dan de algemeene meening, welke verkeerdelijk den geneesheer als een vriend van den dood voorstelt. Integendeel, ik geloof dat als het getal van diegenen welke met behulp der geneeskunde herstellen, vergeleken kon worden bij dat van de slagtoffers daarvan, het eerste getal eenigzins grooter zou zijn dan het laatste. Ja, sommige geneesheeren zijn zelfs zoo voorzigtig op dat punt, dat, om de mogelijkheid te voorkomen van ooit een patient te dooden, zij zich onthouden van alle pogingen om hem te genezen, en niets voorschrijven dan hetgeen goed noch kwaad kan. Ik heb enkele van dezen, met den meesten ernst, als een stelregel hooren verkondigen: „Dat men het aan de natuur overlaten moet om haar eigen werk te doen; en dat de geneesheer er bij staat, als het ware, om haar op den schouder te tikken en haar aan te moedigen als zij het goed doet.”Onze twee dokters schepten ook zoo weinig behagen in den dood, dat zij het lijk verlieten na de eerste visite; maar zij waren meer ingenomen met de levende zieke, omtrent wier behandeling zij het dadelijk eens waren en voor wie zij met den meesten ijver aan het voorschrijven gingen.Ik wil niet bepaaldelijk zeggen, dat even als de dame in het begin de geneesheeren wijs gemaakt had, dat zij ziek was, zij ook nu, van hun kant, haar dat deden gelooven: maar zij bleef toch eene geheele maand omgeven van al den schijn[85]der ziekte. Gedurende dezen tijd werd zij door geneesheeren bezocht, door ziekenbewaaksters opgepast, en ontving zij ook aanhoudend boodschappen van hare kennissen, om naar haren toestand te vernemen.Eindelijk, toen de betamelijke periode der ziekte en der onmatige treurigheid voorbij was, werden de geneesheeren ontslagen, en de dame begon menschen te ontvangen, alleen verschillende van hetgeen zij vroeger was door die sombere tinten, waarmede zij hare gestalte en hare gelaatstrekken getooid had.De kapitein was dus nu begraven en zou welligt al een heel eind ver geweest op den weg der vergetelheid, als de vriendschap van den heer Allworthy niet zorg gedragen had om zijne gedachtenis te bewaren, door het volgende grafschrift, hetwelk opgesteld is door een man, die evenzeer uitmunt door genie, als door eerlijkheid, en die den kapitein volmaakt goed kende:[86]Hier rust,In de hoop op een beter leven,Het sterfelijk omhulselvan denKapitein JAN BLIFIL.Londenhad de eer van zijne geboorte,Oxfordvan zijne opvoeding.Zijne gavenstrekten zijn beroep en zijn vaderlandtot roem.Zijn wandel verheerlijkte zijne Godsdiensten de menschelijke natuur.Hij was een gehoorzame Zoon,Een teedere Echtgenoot,Een liefderijke Vader,Een hartelijke Broeder,Een opregte Vriend,Een vroom Christen,En een goed Mensch.Zijne troostelooze weduweHeeft dezen zerk opgerigt,Tot gedenkteekenZijner Deugden,En harer Liefde.[87]

Boek II.Bevattende eenige tooneelen van huwelijksgeluk in verschillende standen der maatschappij, alsmede verscheidene andere gebeurtenissen gedurende de twee eerste jaren van het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy.[Inhoud]Hoofdstuk I.Aantoonende welke soort van verhaal dit is; waarnaar het lijkt, en waar het niet naar lijkt.Hoewel wij, eigenaardig genoeg, dit ons werk „eene geschiedenis,” noemen, en geene „levensbeschrijving,”—of, wat nog meer in de mode is, eene „apologie,” is het evenwel ons voornemen daarin ons meer te voegen naar de methode van die schrijvers, die voorgeven de omwentelingen in een land te verklaren, dan om den lastigen en breedvoerigen geschiedschrijver na te volgen, die om de geregelde ontwikkeling der daadzaken te bewaren, zich verpligt acht even veel bladzijden te vullen met de uitvoerige beschrijving van maanden en jaren, die niets merkwaardigs bevatten, als hij bezigt voor die opmerkelijke tijdvakken, welke de grootste feiten opleveren, die ons op het tooneel der wereld voorgesteld zijn.Dergelijke geschiedenissen gelijken veel op een dagblad, dat altijd juist hetzelfde aantal letters bevat, of er nieuws is of niet. Ze kunnen ook vergeleken worden bij een postwagen, die altijd, leeg of vol, denzelfden weg aflegt.De schrijver schijnt zich inderdaad verpligt te rekenen, met den Tijd, wiens secretaris hij is, in den pas te loopen, en even als zijn meester, reist hij even langzaam door eeuwen van kloosterachtige verveling als door dien schitterenden en drukken tijd zoo schoon bezongen door den uitstekenden Latijnschen dichter:„Ad confligendum venientibus undique poenis,Omnia cum belli trepido concussa tumultuHorrida coutremuere sub altis aetheris auris:In dubioque fuit sub utrorum regna cadendumOmnibus humanis esset, terraque marique.”[47]Wat ongeveer zeggen wil:„Men rustte zich ten strijd door zucht naar wraak gedreven;Het vreeslijk krijgsrumoer deed de aarde siddren, bevenEn onder d’ hemelstrans verkeerde ’t al in rouw;Maar ’t was onzeker, wie de zegepraal gelukken,’t Ontstelde menschdom voor zijn schepter neêr doen bukkenEn over land en zee in ’t einde heerschen zou.”Het is echter ons doel in de volgende bladzijden de tegenovergestelde methode te volgen. Wanneer eenig treffend tooneel zich aanbiedt (wat, naar wij hopen, dikwijls het geval zal wezen) zullen wij moeite noch papier ontzien om het den lezer breedvoerig te beschrijven. Als echter geheele jaren voorbijgaan zonder iets op te leveren dat zijne aandacht waardig is, zullen wij niet bang zijn voor eene gaping in onze geschiedenis, maar ons haasten tot belangrijke zaken te komen en dergelijke tijdvakken geheel onbehandeld laten.Want deze tijdvakken zijn als de nieten in de loterij van den tijd. Wij dus, die de uitkomst dezer loterij opteekenen, zullen die wijze lieden navolgen, die het bestuur hebben over de staats-loterij en welke het publiek nooit vervelen met de vele nieten, welke getrokken worden; maar daarentegen, als er een hooge prijs valt, de couranten er dadelijk mede vullen, zoodat de wereld zeker verneemt in wiens collecte die verkocht werd:—want er zijn gewoonlijk twee of drie kantoren die er aanspraak op maken van hem verkocht te hebben, waardoor ik veronderstel, dat men den spelers te kennen wil geven, dat zekere handelaren in de geheimen der Fortuna ingewijd zijn en tot haar geheimen raad behooren.De lezer zal dus niet verwonderd zijn als hij sommige hoofdstukken in dit werk heel kort vindt en andere daartegen zeer lang; sommigen, die alleen het tijdvak van een enkelen dag behandelen en anderen dat van een geheel jaar;—met één woord, men zij er op voorbereid, dat mijne geschiedenis soms zal schijnen stil te staan en soms te vliegen. En wegens dit alles acht ik me aan geene recenserende wetgeving, van welken aard ook, verantwoording schuldig te zijn; want, daar ik, naar waarheid, de stichter ben van eene nieuwe soort van schrijftrant, staat het mij vrij dienaangaande[48]mij zelf de wetten te stellen. En deze wetten zijn mijne lezers, die ik als mijne onderdanen beschouw, verpligt te gelooven en te gehoorzamen, wat zij ook gereedelijk en gemakkelijk kunnen doen, daar ik hierbij de plegtige verzekering geef, dat ik daarbij voornamelijk hun nut en voordeel beoog; want ik ben geen dwingelandjure divino, die mij verbeeld dat zij mijne slaven zijn, of mijn eigendom. Ik werd inderdaad, alleen tot hun eigen nut over hen gesteld, en ben om hun voordeel,—en zij niet tot het mijne—geschapen. Ik twijfel ook niet, dat terwijl ik hun belang tot hoofddoel van mijn geschrijf neem, zij eenparig er toe bijdragen zullen om mijne waardigheid te handhaven, en mij alle eer te bewijzen, die ik verdien of begeer.[Inhoud]Hoofdstuk II.Godsdienstige bezwaren tegen het bewijzen van te veel goedheid aan natuurlijke kinderen, en eene groote ontdekking, gedaan door jufvrouw Deborah Wilkins.Acht maanden na het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy, eene jonge dame van groote verdiensten, schoonheid en vermogen, werd deze, ten gevolge van een plotselingen schrik, ontijdig verlost van een schoonen jongen. Het kind was inderdaad, naar allen schijn, voldragen; maar de vroedvrouw ontdekte dat het een maand te vroeg gekomen was.Hoewel de geboorte van een erfgenaam van zijne beminde zuster den heer Allworthy zeer verheugde, vervreemdde deze omstandigheid zijne liefde toch niet van den kleinen vondeling, van wien hij peet geworden was, en aan wien hij tevens zijn eigen naam, Thomas, geschonken had, terwijl hij zelden naliet hem ten minste eenmaal daags in de kinderkamer op te zoeken.Hij zeide zijner zuster, dat, als zij het goedvond, de nieuw geborene met den kleinen Thomas zamen zou opgevoed worden; waarin zij toestemde, hoewel met eenigen tegenzin; want zij was waarlijk zeer inschikkelijk jegens haren[49]broeder, en had daarom steeds meer liefde tot den vondeling aan den dag gelegd, dan streng deugdzame dames soms over zich verkrijgen kunnen te bewijzen aan die kinderen, die hoe onschuldig ook, met regt mogen genoemd worden, de levende gedenkteekens der onkuischheid.De kapitein kon er echter niet zoo gemakkelijk toe komen, om hetgeen hij een gebrek achtte in den heer Allworthy te dragen. Hij gaf hem veelvuldige wenken, dat hij de zonde aanmoedigde, door hare vruchten tot zich te nemen. Hij haalde vele teksten aan,—want hij was zeer belezen in de Heilige Schrift,—zoo als: „de zonden der vaderen zullen gewroken worden enz.” en „de vaderen hebben zure druiven gegeten en de tanden der kinderen,”—enz. En daarvan leidde hij af, dat het overeenkomstig de leer was, om de misdaad der ouders op het onwettige kind te wreken. Hij zeide, „dat hoewel de wet niet bepaaldelijk toeliet, dat men zulke kinderen vernietigde, hij ze toch hield voor de kinderen van niemand; dat de kerk ze ook als zoodanig beschouwde en dat zij, op zijn best, voor de laagste en verachtelijkste ambten in den staat moesten opgeleid worden.”De heer Allworthy antwoordde op het eenen ander hetwelk de kapitein aanvoerde omtrent dit onderwerp: „Dat hoe groot ook de schuld der ouders wezen mogt, de kinderen zeker onschuldig waren, en dat wat de teksten, welke hij aangehaald had, betrof, de eerste eene bijzondere strafbepaling was tegen de Joden, wegens de zonde van afgoderij en het verzaken en haten van hun hemelschen Koning, en dat de laatste slechts beeldspraak was, en meer ten doel had om de zekere en noodzakelijke gevolgen van de zonde aan te wijzen, dan om eenig beslissend vonnis te vellen. Maar dat het ook onbetamelijk, zoo niet godslasterlijk was, om den Almagtigen voortestellen als handelende tegen de allereerste grondbeginselen van natuurlijke regtvaardigheid, en tegen de oorspronkelijke begrippen van regt en onregt, door Hem zelven in ons hart geplant, waardoor wij niet slechts alle zaken beoordeelen moesten, die niet geopenbaard waren, maar zelfs de waarheid van de openbaring zelve.”Hij zeide te weten dat velen dezelfde begrippen aankleefden als de kapitein; maar hij zelf was volmaakt overtuigd[50]van het tegenovergestelde, en zou op dezelfde wijze voor dit arm schepseltje zorgen alsof een wettig kind het geluk had gehad op dezelfde plaats gevonden te worden. Terwijl de kapitein elke gelegenheid waarnam om redenen op te geven, waarom de kleine vondeling moest verwijderd worden uit het huis van den heer Allworthy,—op wiens ingenomenheid met het kind hij jaloersch begon te worden, had jufvrouw Deborah eene ontdekking gedaan, die in hare gevolgen veel noodlottiger voor den armen Tom dreigde te zijn, dan al de bewijsgronden van den kapitein.Of de onverzadiglijke nieuwsgierigheid der goede vrouw haar in deze zaak geprikkeld had, of wel dat zij het deed om zich te bevestigen in de gunst van mevrouw Blifil, die niettegenstaande haar uiterlijk gedrag jegens den vondeling, dikwijls het kind en haar broeder ook, wegens zijne ingenomenheid er mede, in stilte uitschold,—dit wil ik niet beslissen;—maar zij had nu,—gelijk zij begreep,—zeker den vader van den jongen ontdekt.Daar dit nu eene zeer belangrijke ontdekking was, zal het noodzakelijk zijn, ze tot de bron zelve na te sporen. Wij zullen dus de gebeurtenissen, die er toe voerden, zeer naauwkeurig beschrijven, en, tot dat einde, zullen wij verpligt zijn al de geheimen te openbaren van eene kleine familie, waarmede de lezer op dit oogenblik geheel onbekend is, en welker inrigting zoo vreemd en buitengewoon was, dat ik vreezen moet, dat ze menigen gehuwde ongeloofelijk zal schijnen.[Inhoud]Hoofdstuk III.Beschrijving van een huisselijk bestuur, op regels gegrond, in strijd met die van Aristoteles.De lezer gelieve zich te herinneren, dat hij vernomen heeft hoe Jenni Jones eenige jaren bij zekeren schoolmeester gewoond had, die, op haar ernstig verlangen, haar Latijn geleerd had, waarin zij, om haar regt te laten wedervaren,[51]zulke groote vorderingen gemaakt had, dat zij geleerder was geworden dan haar onderwijzer.Want, hoewel deze arme man een beroep gekozen had waarin men toestemmen moet, dat de geleerdheid een vereischte is, was deze toch juist de minste zijner gaven. Hij was een der goedhartigste menschen ter wereld, en terzelfder tijd was hij zoo aardig en vol luim, dat hij voor den geestigsten mensch in den omtrek gold, en al de heeren uit de buurt zoozeer naar zijn gezelschap verlangden, dat, daar hij nooit over zich kon verkrijgen om neen te zeggen, hij veel tijd in hunne huizen sleet, welken hij nuttiger in zijne school had kunnen doorbrengen.Men zal begrijpen, dat een man van dit karakter en deze neigingen, geen gevaar liep van een mededinger te worden van de scholen der zeergeleerde heeren te Eton en Westminster. Om duidelijker te spreken: hij had zijne leerlingen slechts in twee klassen gesplitst, in de bovenste van welke een jonge heer zat, de zoon van een landjonker uit de buurt, die op zeventienjarigen leeftijd pas tot de Syntaxis gekomen was, terwijl in de tweede klasse een jongere zoon zat van denzelfden heer, die tegelijk met zeven boerenjongens, lezen en schrijven leerde.De inkomsten hieruit voortvloeijende, zouden bezwaarlijk genoegzaam zijn geweest om den schoolmeester van al de weelde van het leven te voorzien, zoo hij ze niet vermeerderd had met die van het ambt van koster en barbier, terwijl de heer Allworthy het geheel verhoogde met eenjaargeld van tien pond, dat de arme man telkens met Kersmis ontving, en waardoor hij in staat werd gesteld zich gedurende dat heilige feest te goed te doen.Onder zijne overige schatten, bezat de onderwijzer eene vrouw, die hij genomen had uit de keuken van den heer Allworthy, om den wille van haar vermogen,—van twintig pond sterling, dat zij daar bijeengebragt had.Deze vrouw was niet zeer innemend van uiterlijk. Ik weet niet of zij gezeten had voor mijn vriend den schilder Hogarth of niet; maar zij geleek zeer op de jonge vrouw, die thee voor hare meesteresse schenkt in het derde tooneel van „den Levensloop eener ligtekooi.” Zij was bovendien eene verklaarde aanhangster van die edele sekte, van oudsher door[52]Xantippe gesticht, om welke reden zij in de school veel meer gevreesd werd dan haar man; want, het is maar al te waar, dat hij noch dáár, noch elders, in haar bijzijn, meester was.Hoewel hare gelaatstrekken niet veel aangeborene zachtaardigheid schenen aan te duiden, werd die welligt nog eenigzins verminderd door eene omstandigheid, welke over het algemeen het huwelijksgeluk verbittert;—want kinderen. worden zeer juist genoemd „panden der liefde,” en hoewel zij reeds negen jaren gehuwd waren, had haar man haar geen pand van dien aard geschonken; een gebrek waarvoor hij geene verontschuldiging had, wegens leeftijd of gezondheid, daar hij nog geen dertig jaar oud was, en bovendien, wat men noemt, een fiksche, flinke jongen.Hieruit ontstond eene andere ramp, die den armen schoolmeester niet weinig last veroorzaakte. Immers zijne vrouw was zoo onophoudelijk jaloersch, dat hij naauwelijks één woord durfde spreken met eenige vrouw in het dorp; want de minste beleefdheid, of zelfs omgang met eenig vrouwelijk wezen, was genoeg om hem den toorn zijner vrouw op den hals te halen.Ten einde zich te vrijwaren tegen huwelijksgrieven in haar eigen huis droeg zij zorg, daar zij slechts ééne meid hield, die steeds te kiezen uit die soort van vrouwen, wier gelaatstrekken doorgaan voor een waarborg harer deugd, en zoo als de lezer vernomen heeft, behoorde Jenni Jones onder dit getal.Daar het gelaat van dit meisje beschouwd mogt worden als eene tamelijk zekere waarborg van voornoemden aard, en omdat haar gedrag steeds zeer zedig was geweest,—wat bij eene vrouw een bepaald gevolg is van verstand te hebben,—had zij meer dan vier jaren bij jufvrouw Partridge (zoo heette namelijk de schoolmeester), doorgebragt, zonder de geringste verdenkingen bij hare meesteresse op te wekken. Ja, zij werd er zelfs met buitengewone vriendelijkheid behandeld, en de jufvrouw had den heer Partridge verlof gegeven haar in de reeds gemelde vakken te onderwijzen.Maar het is met de jaloezij even als met de jicht. Als er zulke ziekten in het bloed zijn, kan men nooit zeker zijn, dat ze niet eens uitbreken zullen,—en dat geschiedt ook dikwerf bij de minste aanleiding en zeer onverwacht.[53]Dit gebeurde ook bij jufvrouw Partridge, die vier jaren lang toegelaten had dat haar man dit meisje onderwees, en haar meer dan eens haar werk had laten verzuimen, ten einde zich aan de geleerdheid te wijden. Want toen zij op zekeren dag voorbij kwam, terwijl het meisje bezig was met lezen en haar meester over haar gebukt stond, schrikte Jenni plotseling, ik weet niet waarom, en vloog van den stoel op, en dit was de eerste keer, dat bij hare meesteresse eenige verdenking opkwam.Zij liet die echter niet dadelijk blijken, maar hield ze verborgen in haar hart, loerende als een geheime vijand, die op versterking wacht eer hij zich openlijktoont en tot den aanval overgaat; en hare vermoedens werden ook kort daarop versterkt, toen man en vrouw zamen aan tafel zaten en de meester tegen het meisje zeide: „Da mihi aliquid potum!” waarop de arme Jenni glimlachte, welligt over het ellendige Latijn, en bloosde zoodra hare meesteresse het oog op haar vestigde, mogelijk, over het bewustzijn dat zij om haren meester gelagchen had. Jufvrouw Partridge geraakte nu dadelijk in drift en smeet het bord, waarvan zij at, der arme Jenni naar het hoofd, met den uitroep:„Gij onbeschaamde feeks! Durft ge gekheid te maken met mijn man, hier in mijn bijzijn?” terzelfder tijd opstuivende van haar stoel met een mes in de hand, waarmede zij waarschijnlijk zich op eene zeer betreurenswaardige wijze gewroken zou hebben, als het meisje niet gebruik had gemaakt van de nabij zijnde deur, en door de vlugt aan de woede harer meesteresse ontsnapt ware;—want, wat den armen man betreft, hetzij de verrassing hem versteend had,—of wat even waarschijnlijk is, dat de vrees hem belette zich te verzetten, hij bleef starende en sidderende zitten en poogde niet eens zich te bewegen, of te spreken, tot zijne vrouw, van Jenni’s vervolging terugkeerende, hem noodzaakte eenige maatregelen tot zelfverdediging te nemen,—en hij, even als de meid, tot den aftogt gedwongen werd.Deze goede vrouw was echter evenmin als Othello geschikt om„—de jaloerschheid te dulden,Te vallen met het wislen van de maan, van arg- in argwaan.”[54]Bij haar luidde het even als bij hem:„—neen! één twijfeling,En alles is beslist!”Zij gaf dus Jenni bevel, omonmiddellijkhaar boeltje te pakken en op te trekken, daar zij besloten had, dat zij dien nacht niet meer onder haar dak zoude slapen. De heer Partridge had te veel door de ondervinding geleerd, om zich met iets van dezen aard te bemoeijen. Hij nam dus zijn toevlugt tot zijne gewone dosis geduld; want hoewel hij geen geleerde was in het Latijn, herinnerde hij zich heel goed en begreep best den raad in den volgenden regel bevat:„Leve fit, quod bene fertur onus.”hetgeen zeggen wil: „een last, dien men behoorlijk weet te dragen, valt niet zwaar.”Wat hij ook altijd in den mond had, en de waarheid waarvan hij, zonder twijfel, dikwijls in de gelegenheid was te ondervinden.Jenni wilde hare onschuld betuigen; maar zij was niet bestand tegen den storm. Zij ging dus aan het pakken, waartoe zij niets anders noodig had dan een vel grof papier, en haar armzalig loon ontvangen hebbende, keerde zij weder naar huis terug.De schoolmeester en zijne vrouw bragten geen aangenamen avond door; maar vóór den volgenden morgen was er het een of ander gebeurd, dat de woede van jufvrouw Partridge een weinig tot bedaren bragt, en zij liet eindelijk toe, dat haar man zich verontschuldigde, te meer geloof aan zijne woorden hechtende, daar hij, in plaats van te verlangen dat Jenni terug geroepen werd, zijne voldoening uitte over haar ontslag, en zeide, dat zij, als meid, van weinig nut meer was, daar zij al haar tijd met lezen doorbragt en bovendien onbeleefd en koppig was geworden; want zij had inderdaad, in den laatsten tijd, verschillende letterkundige twisten met haar meester gehad, waarin zij hem hare reeds vermelde meerderheid had doen gevoelen. Dit echter stemde hij nooit toe; en daar hij het koppigheid noemde, als zij gelijk had en dat volhield, begon hij haar met niet weinig verbittering te haten.[55][Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende een der bloedigste slagen, of liever, tweegevechten, ooit in de huisselijke geschiedenis vermeld.Om de reeds boven vermelde redenen, en enkele andere blijken van toegevendheid van haar man, welbekend aan gehuwde lieden, doch die, even als de geheimen der vrijmetselarij, aan niemand geopenbaard moeten worden, die geen lid is van het achtbare genootschap, was jufvrouw Partridge tamelijk overtuigd dat zij haar man zonder grond veroordeeld had en zij trachtte door vriendelijk gedrag hem vergoeding te verschaffen voor hare verkeerde vermoedens. Hare hartstogten, welke rigting zij ook volgden, waren inderdaad altijd even hevig; want, even als zij buitengewoon vertoornd kon zijn, kon zij ook buitengewoon liefderijk wezen.Maar, hoewel deze vlagen elkaar gewoonlijk binnen korten tijd opvolgden en naauwelijks vier en twintig uren ooit voorbij gingen, waarin de schoolmeester niet in eenige mate het voorwerp van beide werd; duurde evenwel, bij groote gelegenheden, als haar toorn zeer hevig geweest was, later de rust eveneens ook gewoonlijk wat langer, en dit was nu ook het geval; want na den afloop van dezen aanval van jaloerschheid, bleef zij langer vriendelijk dan ooit te voren, en met uitzondering van eenige van die kleine bestraffingen, waaraan al de volgelingen eener Xantippe zich onderwerpen moeten, zou de heer Partridge verscheidene maanden lang de meest volmaakte rust genoten hebben.Eene doodelijke windstilte op zee wordt door den ervaren zeeman steeds als de voorbode van den storm aangemerkt, en ik ken eenige personen, die zonder over het algemeen bijgeloovig te zijn, geneigd zijn te vreezen, dat groote en ongewone rust en vrede, juist door het tegenovergestelde gevolgd zullen worden. Om deze reden plagten de ouden bij zulke gelegenheden offers te brengen aan de godin Nemesis, die, naar men meende, met leede oogen het menschelijke geluk aanschouwde en niets liever deed dan het vernietigen.Daar wij er echter ver van af zijn, aan eenige heidensche godin van dien aard te gelooven, of eenig bijgeloof hoegenaamd[56]aan te moedigen, wenschen wij dat de heer Jan Fr.… of eenige andere wijsgeer, zich de moeite wilde geven om de ware oorzaak van dezen snellen overgang van geluk tot ongeluk op te sporen,—die zoo dikwerf opgemerkt is en waarvan wij nu een voorbeeld zullen geven; want het is onze taak om feiten te vermelden, terwijl wij de oorzaken aan grootere genieën overlaten.De menschen hebben er altijd groot behagen in geschept om de daden van anderen te leeren kennen en ze te bepraten. Van daar ook, dat er bij alle volkeren en in alle eeuwen, bijzondere vergaderplaatsen aangewezen werden, waar de nieuwsgierigen elkaar ontmoeten konden en hunne weetgierigheid voldoen. Onder deze plaatsen hebben de barbierswinkels altijd met regt den voorrang gehad. Onder de Grieken was het „barbiersnieuws” tot een spreekwoord geworden, en Horatius, in een zijnerEpistolae, vermeldt den Romeinschen barbier op dezelfde wijze, zeer eervol.Het is bekend dat die van Engeland niet onderdoen bij hunne Grieksche en Romeinsche voorgangers. Men hoort bij hen buitenlandsche zaken bespreken op een toon die weinig onderdoet voor dien der koffijhuizen, en huisselijke omstandigheden worden er veel breedvoeriger en vrijer behandeld. Maar dit is alleen ten behoeve der mannen. Daar echter de vrouwen van dit land, vooral die van de mindere klasse, meer dan die van andere volkeren, bij elkaar komen, zou onze staatsinrigting zeer gebrekkig zijn, als zij ook niet eenige bijzondere plaats hadden, waar zij aan hare nieuwsgierigheid kunnen bot vieren, aangezien zij in dit opzigt volstrekt niet onderdoen voor de andere helft van het menschelijke geslacht.Door een dergelijk vereenigingspunt te bezitten, moeten zich de Britsche schoonen gelukkiger achten dan hare zusters in het buitenland, daar ik me niet herinner ooit in de geschiedenis iets daarvan gelezen te hebben, of in eenige reisbeschrijving iets van dien aard gezien te hebben.Deze plaats is echter nergens anders te zoeken dan in den kruideniers-winkel, het bekende uitgangspunt van al het nieuws, of zoo als men het platweg noemt, van al het gebabbel in elke gemeente van Engeland.Jufvrouw Partridge dus, op zekeren dag in deze vergadering[57]van vrouwen zijnde, werd door een harer buren gevraagd, of zij in den laatsten tijd iets van Jenni Jones gehoord had? waarop zij een ontkennend antwoord gaf. Hierop hernam de andere, met een glimlach, dat het dorp veel verpligting aan haar had, omdat zij Jenni had weggejaagd.Jufvrouw Partridge, wier ijverzucht, zoo als de lezer weet, sedert lang genezen was, en die anders niets tegen hare dienstmaagd had, antwoordde stoutweg, dat zij niet begreep hoe zij het dorp op die wijze had kunnen verpligten, daar zij geloofde dat Jenni zeker haars gelijke niet achtergelaten had.„Neen,” hernam de andere, „ik hoop van neen! Hoewel ik me verbeeld dat er sletten genoeg hier zijn! Ge hebt dus niet gehoord, naar het schijnt, dat zij verlost is van twee onechte kinderen? Daar ze echter hier niet geboren zijn, zegt mijn man en de andere wijkmeester ook, dat ze onze gemeente niet ten laste zullen vallen.”„Twee onechte kinderen!” riep jufvrouw Partridge driftig; „wat ge zegt! Ik weet niet of ze ons ten laste kunnen komen, maar zeker is het dat de vader hier te huis behoort, want het is nog geen negen maanden geleden dat het meisje van hier weg is!”Niets is vlugger en plotselinger dan de werking van den geest, vooral als die opgewekt wordt door hoop, vrees of ijverzucht,—bij welke laatste vergeleken, de beide anderen slechts trage prikkelen zijn. Het schoot haar dadelijk te binnen, dat Jenni naauwelijks de deur uit geweest was zoo lang zij bij haar inwoonde. Het leunen over den stoel, het Latijn, de glimlach en allerlei andere dingen stonden haar op eens voor den geest.De voldoening, welke haar man aan den dag gelegd had over het vertrek van Jenni scheen haar nu slechts geveinsd te zijn,—dan weder opregt,—en dan weder (ter versterking van haar ijverzucht), alleen ontsproten te zijn uit verzadiging en honderderlei andere slechte bronnen. In één woord: zij gevoelde zich overtuigd van de schuld van haren echtgenoot en verliet de vergadering in de grootste ontsteltenis.Even als de schoone Poes,—die hoewel de jongste van[58]het kattengeslacht niet in wreedheid onderdoet voor de oudere takken van hare familie, en ofschoon minder in kracht, den edelen tijger zelven in woestheid evenaart,—even als de poes, wanneer het muisje, dat zij, lang spelende, gemarteld heeft, hare klaauwen ontsnapt, een tijdlang gromt, knort, raast en tiert, en zoodra de kist of koffer, waarachter het diertje schuilt, uit den weg geruimd is, pijlsnel op haar slagtoffer schiet, en het met verbitterde woede bijt, krabt, knaauwt en verscheurt,—zoo ook, en met geene mindere woestheid, vloog jufvrouw Partridge den armen schoolmeester aan.Met tong, tanden en handen viel zij hem tegelijk aan. Zijne pruik werd hem in een oogenblik van het hoofd gerukt; het hemd hem van het lijf,—en van zijn gelaat vloeiden vijf stroomen bloeds, het getal der klaauwen aanwijzende waarmede de natuur ongelukkig zijne vijandin gewapend had.De heer Partridge bepaalde zich een tijdlang tot de verdediging;—en deed slechts zijn best om met de handen zijn gezigt te beschermen; daar hij echter ondervond, dat de woede zijner vijandin niet verminderde, dacht hij ten minste haar te mogen ontwapenen, of liever hare armen vast te houden waarbij,in de worsteling, hare muts afviel, en haar hoofdhaar, te kort om op hare schouders te vallen, ten berge rees, terwijl haar keurslijf, dat slechts door één knoopje onderaan vastgemaakt was, open sprong, en hare borsten, die weelderiger waren dan haar hoofdsieraad, tot beneden haar midden afhingen;—haar gelaat was ook bevlekt met het bloed van haar man; zij knarste woedend op de tanden, en vonken, als van een smids vuur, vlogen uit hare oogen. Over het geheel dus had deze Amazone een veel heldhaftiger man dan den heer Partridge schrik en vrees kunnen aanjagen.Eindelijk had hij het geluk, hare armen vast te kunnen houden, en alzoo de wapenen, welke zij aan het einde der vingers had, onbruikbaar te maken, en zoodra zij dit bemerkte, kreeg de zwakheid, aan haar geslacht eigen, de bovenhand op hare woede, en zij barstte in tranen uit, en eindigde met het hevig op de zenuwen te krijgen.De weinige tegenwoordigheid van geest, welke de heer Partridge tot dus ver bewaard had, bij dit woedende tooneel,[59]welks oorzaak hem geheel onbekend was, liet hem nu in den steek. Hij liep de deur uit, op straat, roepende dat zijne vrouw stervende was, en de buren smeekende zich te haasten om hulp te verleenen. Verscheidene goede vrouwen gehoorzaamden aan zijn wensch, en kwamen bij hem binnen, en daar zij de gewone middelen gebruikten bij zulke gevallen, kwam jufvrouw Partridge eindelijk bij, tot groote vreugde van haar man.Zoodra zij weder tot besef gekomen was en door gebruik van een hartversterking iets bedaard was, begon zij het gezelschap bekend te maken met al hare grieven tegen haar man, die, zoo als zij beweerde, niet slechts zijn huwelijkstrouw geschonden had, maar ook, zoodra zij hem dat verweten had, haar met de meest mogelijke wreedheid behandeld, de muts en het haar van haar hoofd en het korset van haar lijf gerukt, en haar tevens een pak slagen gegeven had, waarvan zij de teekenen mede in het graf zou nemen.De arme man, die op het gelaat vele zigtbare sporen vertoonde van de woede zijner vrouw, stond in stomme verbazing bij deze beschuldiging, welke, zoo als de lezer getuigen kan, lang niet met de waarheid overeen kwam; want, inderdaad, had hij haar geen één slag toegebragt;—maar daar zijn stilzwijgen, door alle aanwezigen als een blijk zijner schuld aangemerkt werd, begonnen zij ook alle,una voce, hem te verwijten en te bekijven, steeds herhalende dat alleen een lafaard de hand kon opheffen tegen eene vrouw.De heer Partridge verdroeg dit alles met veel geduld; maar toen zijne vrouw wees op het bloed op haar aangezigt, om zijne wreedheid te bewijzen, kon hij niet laten zijne aanspraken te doen gelden op zijn eigen bloed, gelijk het wezenlijk was,—daar hij het voor zeer onnatuurlijk hield, dat het verschijnen zou (gelijk men ons leert dat het geval is met dat van een vermoorde), om wraak op hem te eischen.Hierop verwaardigden zich de vrouwen geen ander antwoord te geven, dan dat het jammer was, dat het niet van zijn hart, in plaats van zijn gezigt kwam, verklarende, allen tegelijk, dat alsharemannen de hand tegen haar ophieven, zij hun hartebloed zouden willen hebben.[60]Na vele verdere verwijtingen over het gebeurde, en veel goeden raad aan den heer Partridge omtrent zijn toekomstig gedrag, ging het gezelschap eindelijk uiteen, en liet man en vrouw alleen om de zaak onderling te bespreken, bij welke gelegenheid de heerPartridgede oorzaak zijner rampen vernam.[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende veel om verstand en oordeel van den lezer te scherpen.Het komt mij voor eene zeer juiste opmerking te zijn, dat slechts weinige geheimen het eigendom van één persoon blijven; zeker is het, dat men het haast als een wonder zou kunnen beschouwen, als een feit van dezen aard aan eene geheele gemeente kon bekend zijn, zonder verder verspreid te worden.En, inderdaad, slechts weinige dagen verliepen er eer iedereen in de omstreken, gelijk men platweg zegt, „vol was” van den schoolmeester van Klein-Baddington, die, zoo als men verzekerde, zijne vrouw op zulk eene wreede wijze mishandeld had. Ja, er werd zelfs op sommige plaatsen verzekerd, dat hij haar vermoord had;—elders, dat hij haar de armen,—en op andere plaatsen weder, dat hij haar de beenen gebroken had;—met één woord, er bestaat naauwelijks ééne verminking, welke een menschelijk wezen ondergaan kan, of het werd hier of daar verteld, dat jufvrouw Partridge die van haar man ondergaan had.Er bestond ook nog verschil in de opgaven omtrent de oorzaak van dezen twist: want terwijl sommigen verzekerden, dat jufvrouw Partridge haar echtgenoot in bed met de meid gevonden had, werden ook velerlei redenen van geheel anderen aard door anderen opgegeven. Ja, sommigen gingen zoo ver, dat zij de vrouw in plaats van den man beschuldigden, en de ijverzucht aan hem toeschreven.Jufvrouw Wilkins had lang geleden dezen twist vernomen; daar echter eene geheel andere aanleiding daartoe dan de wezenlijke hare ooren bereikt had, vond zij goed er niets[61]van te zeggen, te eerder, welligt, daar de heer Partridge algemeen de schuld kreeg, en omdat zijne vrouw, toen zij bij den heer Allworthy diende, op de eene of andere wijze mejufvrouw Wilkins, die niet zeer vergevensgezind was, beleedigd had.Maar jufvrouw Wilkins, die zeer goed op een afstand kon zien, en die ook even goed een paar jaren vooruit zag, had de groote waarschijnlijkheid ontdekt, dat de kapitein Blifil in lateren tijd haar heer zou worden, en daar zij duidelijk begreep, dat de kapitein den kleinen vondeling niet zeer genegen was, verbeeldde zij zich den heer Blifil eene gewenschte dienstte bewijzen, met eene ontdekking, welke strekken kon om de liefde, welke de heer Allworthy voor het kind scheen opgevat te hebben en die den kapitein blijkbaar hinderde, te doen verminderen;—daar, zelfs in het bijzijn van den heer Allworthy, de kapitein zijne ongerustheid hierover niet geheel verbergen kon, hoewel zijne vrouw, die hare rol, als er menschen bij waren veel beter volhield, hem herhaaldelijk vermaande om haar voorbeeld te volgen en de dwaasheid van haar broeder door de vingers te zien, welke zij, gelijk zij betuigde, ten minste even goed inzag en wraakte, als wie ook ter wereld.Toen dus jufvrouw Wilkins, bij toeval, de ware geschiedenis van den twist op het spoor kwam, hoewel lang nadat die afgeloopen was, rustte zij niet tot zij volkomen ingelicht was omtrent alle bijzonderheden,—waarop zij den kapitein berigtte, dat zij eindelijk den vader van den kleinen vondeling ontdekt had, om wiens wille het haar speet te zien, zeide zij, dat haar meester zooveel van zijn goeden naam opofferde.De kapitein berispte haar om dit laatste gezegde, als zijnde het eene zeer ongepaste aanmatiging van haar kant, om een oordeel te willen vellen over de handelingen van haar meester; want als zijn eergevoel en zijn verstand toegelaten hadden dat hij een bondgenootschap sloot met jufvrouw Wilkins, zou zijn hoogmoed dat nooit hebben willen toegeven. En, het is eene stellige waarheid, dat niets onstaatkundiger kan zijn, dan ooit een bondgenootschap te sluiten met de dienstboden van een vriend tegen hun heer; want juist hierdoor wordt men later de slaaf van deze dienaren, door wie men aanhoudend[62]gevaar loopt van verraden te worden. Het was welligt juist deze bedenking, welke belette dat de kapitein Blifil zich nader verklaarde aan jufvrouw Wilkins, of dat hij hare berisping van Allworthy’s gedrag aanmoedigde.Maar, ofschoon hij bij deze ontdekking geen blijk van voldoening gaf aan jufvrouw Wilkins, was hij, in zijn hart, er niet weinig blijde mede, en besloot er zooveel mogelijk nut van te trekken.Hij hield de zaak echter lang voor zich, in de hoop, dat de heer Allworthy ze van iemand anders vernemen zou; maar jufvrouw Wilkins, hetzij uit toorn over het gedrag van den kapitein, of dat zij het slagtoffer zijner meerdere sluwheid werd, en vreesde hem door de ontdekking te mishagen, liet zich geen woord meer omtrent de heele zaak ontvallen.Bij nader inzien, heb ik het wel eenigzins vreemd gevonden, dat de huishoudster mevrouw Blifil dit nieuws niet mededeelde, daar de vrouwen meer geneigd zijn allerlei nieuwtjes liever aan iemand van haar eigen, dan van ons geslacht te openbaren. De eenige wijze, dunkt me, om dit bezwaar op te lossen, is om alles toeteschrijven aan de verkoeling, die er nu heerschte tusschen de dame en de huishoudster;—die welligt voortsproot uit jaloerschheid bij mevrouw Blifil, omdat Wilkins den vondeling te veel eerbied bewees; want, terwijl zij haar best deed het kind te benadeelen, ten einde een wit voetje bij den kapitein te krijgen, roemde zij het dagelijks meer en meer bij Allworthy,—naarmate zijne ingenomenheid met den jongen vermeerderde. Niettegenstaande nu de zorg, welke zij droeg, om bij andere gelegenheden mevrouw Blifil van het tegendeel te overtuigen, beleedigde dit misschien die fijn gevoelige dame, die nu zeker jufvrouw Wilkins haatte; en hoewel zij bij geene mogelijkheid de gelegenheid kon bedenken om haar uit hare dienst te verwijderen, wist zij wel de middelen te vinden, om haar het leven zeer zuur te maken. Dit vertoornde eindelijk jufvrouw Wilkins in zulke mate, dat zij openlijk den meesten eerbied en liefde voor den kleinen Tom aan den dag legde,—alleen om zich tegen mevrouw Blifil te verzetten.Daar de kapitein dus begreep, dat de ontdekking gevaar[63]liep van in het vergeetboek te geraken, nam hij eindelijk de gelegenheid waar om ze zelf mede te deelen.Op zekeren dag was hij in een gesprek gewikkeld met den heer Allworthy over de liefdadigheid, en de kapitein bewees zeer geleerd aan den heer Allworthy, dat in de Heilige Schrift onder christelijke liefde nergens mildheid of weldadigheid verstaan wordt.„De christelijke godsdienst,” zeide hij, „was tot een edeler doel ingesteld, dan om ons eene les op te dringen, welke vele heidensche wijsgeeren ons reeds vroeger gegeven hadden, en die, hoewel men ze welligt eene zedelijke deugd kon noemen, weinig zweemde naar dien verheven christelijken gemoedsaard, dien verbazenden adel van denkwijze, die in hare zuiverheid de engelachtige volmaaktheid nabij kwam, en die alleen verkregen uitgedrukt, en gevoeld kon worden door middel der goddelijke genade.Diegenen,” zeide hij „begrepen beter hetgeen in de Heilige Schrift bedoeld wordt, die onder christelijke liefde de opregtheid begrepen; dat is, het vellen van een welwillend oordeel over onze broederen, en eene zachte beoordeeling hunner handelingen,—eene deugd, die veel verhevener en grootscher van aard was dan eene ellendige uitdeeling van aalmoezen, welke, hoezeer we ook onze eigene naastbestaanden daardoor benadeelden of zelfs te gronde rigtten, slechts zeer weinigen ten bate konden komen, terwijl de liefdadigheid in den anderen, waren zin, tot het geheele menschdom uitgestrekt kon worden.„Als men in aanmerking neemt,” voegde hij er bij, „wie de apostelen waren, dan zou het ongerijmd zijn te denken, dat hun de leer der mildheid, in den zin van aalmoezen geven, gepredikt werd. En daar wij ons niet goed voorstellen kunnen, dat deze leer door den goddelijken Verlosser aan menschen gepredikt zoude zijn, die ze niet beoefenen konden,—zoo ook moeten wij ons niet verbeelden, dat diegenen, die ze beoefenen kunnen en dit niet doen, ze verstaan.„Hoewel er nu,” vervolgde hij, „naar ik vrees, weinig goeds is in het betoonen van zulke weldaden,—zouden ze toch, dat beken ik, vergezeld zijn van eenig genot voor elk goed hart, zoo dat niet verminderd werd door ééne bedenking. Ik bedoel, dat wij onderhevig zijn aan het gevaar om ons bedrogen[64]te zien, en onze grootste gunsten dikwijls te bewijzen aan menschen, die ze niet verdienen,—zooals gij bekennen moet dat met u het geval was met dien nietswaardigen vent, dien Partridge;—want een stuk of wat voorbeelden van dien aard moeten de inwendige voldoening zeer verminderen, welke een braaf mensch anders door zijne weldadigheid zou ondervinden;—ja, hem zelfs schroomvallig maken in het geven, uit vrees van zich schuldig te maken aan het bevorderen der ondeugd en het aanmoedigen der boosheid,—eene zeer zware misdaad, voor welke het volstrekt geene verontschuldiging zou zijn te beweeren, dat men iets van dien aard volstrekt niet beoogde,—tenzij men uiterst voorzigtig zij geweest in de keuze der voorwerpen zijner mildheid. En ik twijfel niet, of deze bedenking heeft de mildheid van menigen waardigen en vromen man zeer getemperd.”De heer Allworthy gaf tot antwoord: „Dat hij op het punt van het Grieksch niet met den kapitein op dezelfde hoogte was, en daarom niets zeggen kon van de wezenlijke beteekenis van het woord, dat door liefde vertaald wordt, maar dat hij zich toch altijd verbeeld had, dat het begrip van handelen er noodzakelijk aan verbonden, en dus het geven van aalmoezen ten minste eene eigenschap van die deugd was.„Wat de verdienstelijkheid daarvan betrof,” zeide hij, „daaromtrent was hij het met den kapitein eens; want er was niets verdienstelijks in, dat men slechts zijn pligt deed, die, welken zin men ook verkoos te geven aan het woord christelijke liefde, toch duidelijk genoeg aangewezen werd door de geheele strekking van het Nieuwe Testament. En, even als hij het beschouwde als een pligt, die niet verwaarloosd mogt worden,—die aanbevolen werd door de christelijke leer en de wetten der natuur zelve, zoo was die ook tevens zoo aangenaam, dat als men zeggen kon, dat de vervulling van eenigen pligt ter wereld hare eigene belooning medebragt, en zich zelve voldoening schonk, het dan juist de beoefening van dezen pligt was.”„Om de waarheid te zeggen,” vervolgde hij, „er is één graad van mildheid,—of liefdadigheid, zou ik ze genoemd hebben,—die eenigen schijn van verdienste heeft, en dat[65]is, wanneer men uit grondbeginselen van welwillendheid en christelijke liefde iemand anders iets geeft, dat men zelf wezenlijk noodig heeft,—als wij, ten einde de rampen van anderen te lenigen, ons verwaardigen een gedeelte er van op onze eigene schouders te nemen, door hun dat te schenken, wat onze behoeften voor ons onmisbaar maken. Dit is, dunkt me, verdienstelijk; maar om onze broederen slechts met onzen overvloed te helpen; om liefdadig te zijn, ik moet dat woord gebruiken,—alleen ten koste van onze beurs, en niet van ons zelve,—om liever vele huisgezinnen uit de ellende te redden dan een zeldzaam schilderstuk in onze kamer op te hangen, of eenige andere, nietige, bespottelijke ijdelheid te voldoen, schijnt niets meer dan menschelijk te zijn. Ja, ik waag het zelfs verder te gaan, en te verklaren, dat het eenigermate op de handelwijze van een lekkerbek gelijkt; want, wat zou de grootste lekkerbek liever doen, dan met vele in plaats van met slechts één mond te eten, hetwelk, dunkt me, ongeveer het geval is met iemand, die weet dat velen door zijne mildheid gevoed worden?”„Wat de vrees betreft van zijne goedheid te verspillen aan diegenen, die ze welligt onwaardig zullen wezen, omdat reeds velen vroeger onwaardig geweest zijn; dit mag zeker een goed mensch niet afschrikken van mild te zijn. Ik geloof niet, dat eenige, of vele voorbeelden van ondankbaarheid het regtvaardigen kunnen, dat iemand zijn hart sluit tegen de rampen zijner medemenschen; ik geloof ook niet, dat zoo iets gebeuren kan, als men wezenlijk welwillend is. Niets dan de overtuiging van de algemeene bedorvenheid, kan een goed mensch geheel van het betoonen van liefdadigheid afschrikken, en eene dergelijke overtuiging moet hem of tot atheïsme of tot geestdrijverij leiden. Het is ook zeker onredelijk om tot de algemeene bedorvenheid te besluiten, omdat er enkele bedorvene menschen zijn, en ik verbeeld me ook niet, dat die ooit aangenomen wordt door iemand, die na rijp onderzoek in zijn eigen hart, ééne uitzondering op den algemeenen regel vond.”Hij eindigde met de vraag: „Wien hij toch bedoelde met dien Partridge, dien hij een schelm genoemd had?”„Ik bedoel,” zei de kapitein, „Partridge, den barbier,[66]den schoolmeester, of hoe ge hem heet? Partridge, den vader van het kindje, dat ge in uw bed vondt.”De heer Allworthy liet groote verwondering blijken bij deze woorden, en de kapitein scheen niet minder verbaasd over zijne onwetendheid; want hij zeide het meer dan eene maand lang geweten te hebben, en herinnerde zich eindelijk, met veel moeite, dat hij het van jufvrouw Wilkins gehoord had.Hierop werd Wilkins dadelijk geroepen, die hetgeen de kapitein gezegd had, bevestigd hebbende, door den heer Allworthy, op raad van den kapitein, naar Klein-Baddington gezonden werd, om de zaak te onderzoeken; want de kapitein toonde een grooten afkeer van overhaasting in alle criminele zaken en verklaarde dat hij niet hebben wilde dat de heer Allworthy eenig besluit nam tot nadeel van het kind of zijn vader, eer hij de overtuiging gekregen had, dat deze laatste schuldig was: want hoewel hij zelf overtuigd was door hetgeen hij vernomen had van een van Partridge’s buren, was hij veel te edelmoedig om zoo iets tot bewijs bij den heer Allworthy te doen strekken.[Inhoud]Hoofdstuk VI.De teregtstelling van Partridge, den schoolmeester, wegens oneerbaarheid; de getuigenis door zijne vrouw afgelegd; eene korte herinnering aan de wijsheid onzer wetten, met andere ernstige zaken, die hun het best bevallen zullen, welke ze het best verstaan.Men zal zich welligt verwonderen, dat een zoo welbekend verhaal, hetwelk zoo veel stof tot gesprek opgeleverd had, nooit was medegedeeld aan den heer Allworthy zelven, de eenige mensch welligt in den omtrek, die er nooit van gehoord had.Om dit eenigzins aan den lezer te verklaren, acht ik het noodig ter zijner kennis te brengen, dat er niemand in het geheele rijk was, die er minder belang bij had om de stelling aangaande de beteekenis van het woord „christelijke liefde”[67]te bestrijden, dan die goede man. Inderdaad kon hij in alle opzigten aanspraak op deze deugd maken; want even als er niemand was die gevoeliger kon zijn voor den nood van anderen, of meer gereed om in hunne behoeften te voorzien, zoo kon er ook niemand zijn, die kiescher was omtrent hun goeden naam en onwilliger om iets tot hun nadeel aan te hooren.De laster vond dus nooit ingang bij hem; want, even als lang geleden opgemerkt werd, dat men iemand naar zijn omgang beoordeelen kan, zoo waag ik ook te zeggen, dat men door te luisteren naar de gesprekken aan tafel van een groot man, inzigt kan krijgen in zijne godsdienst, zijne staatkunde, zijn smaak en, in één woord, in zijn geheel karakter; want, hoewel er eenige wonderlijke menschen zijn, die overal hunne eigene meeningen voor den dag brengen, zijn op verre na de meeste menschen hovelingen genoeg om hun gesprek in te rigten naar den zin en de neigingen van hunne meerderen.Maar om terug te komen op jufvrouw Wilkins: deze, haar boodschap met veel spoed verrigt hebbende, hoewel op een afstand van vijftien Engelsche mijlen, bragt zulk eene zekere bevestiging mede van de schuld van den schoolmeester, dat de heer Allworthy besloot den misdadiger te ontbieden, en hemviva vocete ondervragen.De heer Partridge werd dus gedagvaard om te verschijnen en zich te verdedigen (als hij dat kon), tegen de ingebragte beschuldiging.Op het bepaalde uur verschenen voor den heer Allworthy, ten huize het Paradijs genaamd voornoemde Partridge, met zijne wettige huisvrouw Anna, en de aanklaagster, jufvrouw Wilkins.En nu, de heer Allworthy in den regterstoel gezeten zijnde, werd Partridge vóór hem gebragt, die na de beschuldiging van jufvrouw Wilkins aangehoord te hebben, alles loochende, met vele hartstogtelijke betuigingen zijner onschuld.Daarop werd jufvrouw Partridge ondervraagd, die na eene zedige betuiging van haar leedwezen, dat zij tegen haar man toch de waarheid moest zeggen, alle omstandigheden vermeldde, waarmede de lezer reeds bekend is, en eindigde[68]met de verklaring, dat haar echtgenoot schuld bekend had.Ik wil niet wagen te beslissen of zij hem vergeven had of niet; maar het is zeker dat zij ongaarne getuigenis aflegde, en het is waarschijnlijk, om zekere andere redenen, dat zij nooit op die wijze zich verklaard zou hebben, zoo jufvrouw Wilkins niet op de meest listige wijze, in haar eigen huis, alles van haar uitgevischt had, en beloften gedaan, uit naam van den heer Allworthy, dat haar man op geenerlei wijze gestraft zou worden, die zijn huisgezin kon benadeelen.Partridge hield vol met zijne onschuld te betuigen, hoewel hij niet loochenen kon, dat hij de bekentenis afgelegd had, wat hij echter trachtte te verklaren door de verzekering dat ze hem afgeperst werd door de lastigheid zijner vrouw, die zwoer, dat, daar zij van zijne schuld overtuigd was, zij nooit uitscheiden zou met hem te plagen tot hij ze bekend had,—waartegen zij beloofde, van haar kant, hem nooit iets meer daarvan te zeggen. Om deze reden, zeide hij, was hij er toe gekomen, zich valschelijk te beschuldigen, hoewel hij geheel onschuldig was,—en hij geloofde, dat hij, met hetzelfde doel, ook een moord zou bekend hebben.Jufvrouw Partridge kon geen geduld vinden om dit alles aan te hooren, en daar zij, in dit geval, tot geen ander hulpmiddel dan de tranen hare toevlugt nemen kon, riep zij de hulp daarvan in, en zich tot den heer Allworthy wendende, zeide, of liever, snikte zij:„Met uw verlof, mijnheer, nooit werd eene vrouw zóó mishandeld als ik door dezen slechten man! Want dit is niet het eerste voorbeeld van zijn ontrouw! Neen, mijnheer! Met uwe permissie,—hij heeft menigmaal al de huwelijkssponde ontheiligd! Ik had zijn dronkenschap en het verwaarloozen zijner zaken kunnen verdragen, als hij niet de heilige geboden geschonden had! Daarenboven, als het buiten ’s huis geschied was, zou ik het me niet zóó aangetrokken hebben! Maar met mijne eigene dienstbode, in mijn eigen huis, onder mijn eigen dak, zóó mijn eigen kuisch bed te bezoedelen met zijne smerige meiden! Ja, gij schandaal dat hebt ge gedaan! En dan beschuldigt[69]ge mij, dat ik u gedwongen heb zoo iets te bekennen! Is dat nu waarschijnlijk, mijnheer, dat ik hem zou kunnen dwingen?—Ik kan nog de lidteekens op mijn ligchaam laten zien, die zijne wreedheid bewijzen! Als ge een man waart, schelm, dan zoudt ge u schamen, eene vrouw op die wijze te mishandelen! Maar ge zijt geen man:—dat weet ge wel!—Neen, ge zijt geen halve man voor mij geweest! En gij moest nog anderen naloopen! ’t is wat moois, terwijl ik zeker weet——. En nu dat hij me tergt, ben ik gereed, mijnheer, om een plegtigen eed te doen, dat ik hen zamen in bed vond! Hoe! Ge zult niet vergeten hebben, dat ge me sloegt tot ik een toeval kreeg en het bloed van mijn gezigt afstroomde, alleen omdat ik u, zoo beleefd mogelijk, uw ontrouw verweet! Maar de buren, die kunnen alles getuigen. Ge hebt me haast het hart gebroken! Ja, dat hebt ge gedaan!”Hier viel de heer Allworthy haar in de rede en smeekte haar te bedaren, haar belovende dat haar regt zou wedervaren; en zich daarop tot Partridge wendende, die verstomd stond, half door verbazing en half door vrees verbijsterd, zeide hij, dat het hem speet te vernemen, dat er zoo veel slechtheid in de wereld bestond. Hij verzekerde hem dat al zijne onopregtheid en heen en weer praten slechts strekken kon om zijne schuld zeer te vermeerderen, die hij alleen vergoeden kon door openhartige bekentenis en berouw. Hij vermaande hem dus te beginnen met het feit te bekennen, en niet vol te houden met datgene te loochenen, dat zoo duidelijk tegen hem bewezen werd door zijne eigene vrouw.Hier, lezer, moet ik u smeeken een oogenblik geduld te hebben, terwijl ik u en mij, met regt, geluk wensch met de groote billijkheid en wijsheid onzer wetgeving, die weigert het getuigenis eener vrouw vóór of tegen haar man aan te nemen. „Dit,” zegt zekere geleerde schrijver, die tot dus ver, naar ik meen, nooit anders dan in een regtsgeleerd werk aangehaald werd, „zou ook het middel wezen, om eeuwigdurende twisten tusschen hen te veroorzaken. Het zou inderdaad aanleiding geven tot vele meineeden, tot veelgegeessel, boeten, gevangenschap, deportatie en ophangen.”[70]Partridge bleef een tijdlang zwijgen, tot hem bevolen werd te spreken, en toen verklaarde hij reeds de waarheid gezegd te hebben, en riep den hemel tot getuige om zijne onschuld te openbaren, en eindelijk ook het meisje zelf, om wie hij den heer Allworthy smeekte dadelijk te zenden; want hij wist niet, of gaf voor niet te weten, dat zij die omstreken reeds verlaten had.De heer Allworthy wiens aangeborene liefde tot de regtvaardigheid, gevoegd bij zijne eigene bedaardheid, hem altijd tot een zeer geduldigen magistraat maakte, waar het gold het verhooren van alle getuigen, die een beschuldigde aanbrengen kon om zich te verdedigen, stemde er in toe de beslissing van de zaak uit te stellen tot de aankomst van Jenni, om wie hij dadelijk een bode zond. Daarop, na den vrede tusschen man en vrouw verder aanbevolen te hebben hoewel, hij zich op dit punt voornamelijk tot den verkeerden persoon wendde, bepaalde hij den derden dag na dien voor het tweede verhoor; want hij had Jenni eene geheele dagreis ver van zijn eigen huis gezonden.Op den bestemden tijd kwamen alle partijen weer zamen, toen de bode het berigt medebragt, dat Jenni niet te vinden was, daar zij een paar dagen te voren, hare woning verlaten had met een officier, die bezig was met rekruteren.De heer Allworthy verklaarde nu dat de getuigenis van zulk een slecht mensch als zij bleek te zijn, geen geloof zou verdiend hebben; maar zeide dat hij niet laten kon te gelooven, dat als zij tegenwoordig geweest ware en de waarheid had willen zeggen, zij ook datgene had moeten bevestigen, wat reeds genoegzaam bewezen scheen door zoo vele omstandigheden, door de bekentenis van Partridge zelven en door de verklaring der vrouw, dat zij haar echtgenoot op heeter daad betrapt had. Daarom, vermaande hij Partridge nogmaals ernstig tot bekentenis te komen;—daar deze echter nog steeds zijne onschuld volhield, verklaarde de heer Allworthy zich van zijne schuld overtuigd en dat hij een te slecht mensch was om verder eenige ondersteuning van hem te verdienen. Hij benam hem dus het jaargeld, dat hij van hem kreeg, en beval hem aan[71]berouw te toonen, om den wille van het leven hier namaals, en tevens den meesten vlijt aan den dag te leggen, ten einde in dit leven zich zelven en zijne vrouw te onderhouden.Er zijn welligt weinige ongelukkiger menschen dan die arme Partridge! Ten gevolge van de getuigenis zijner vrouw, had hij het grootste gedeelte van zijn inkomen verloren, en moest nog dagelijks het verwijt van haar hooren, dat hij haar van dit voordeel beroofd had, en zich aan dat onverdiend oordeel onderwerpen.Hoewel ik hem nu pas den armen Partridge genoemd heb, wenschte ik echter dat de lezer, dat woord toeschreef eerder aan mijn medelijdenden aard, dan dat hij het opvatte als eene verklaring zijner onschuld. Het zal welligt later blijken, of hij onschuldig was of niet; maar zoo de muze der geschiedenis mij eenig geheim heeft toevertrouwd, zal ik mij wachten het te verklappen eer zij het mij veroorloofd heeft.Voor het oogenblik moet de lezer dus zijne nieuwsgierigheid beteugelen. Zeker echter blijft het, dat hoe het ook met de waarheid stond, er meer dan voldoende bewijzen waren om hem in Allworthy’s oogen schuldig te doen schijnen;—inderdaad, men had nog met veel minder kunnen volstaan voor eene regtbank, bij eene kwestie van legitimiteit, en toch, niettegenstaande de zekerheid van jufvrouw Partridge, die een eed omtrent de zaak had willen afleggen, is het mogelijk dat de schoolmeester geheel onschuldig was; want hoewel het duidelijk bleek, uit de vergelijking van den tijd van Jenni’s vertrek uit Klein-Baddington, met dien harer verlossing, dat zij daar zwanger van het kind was geworden, behoefde het volstrekt niet als een zeker gevolg aangemerkt te worden, dat Partridge de vader moest zijn. Want, om van geene andere bijzonderheden melding te maken, was er in hetzelfde huis een jongen van bijna achttien jaar, tusschen wien en Jenni er gemeenzaamheid genoeg bestaan had, om er geene ongegronde vermoedens op te vestigen,—en toch, is de ijverzucht zoo blind, dat deze omstandigheid der verwoede vrouw nooit in het hoofd kwam.Het blijkt niet of Partridge den raad volgde van den[72]heer Allworthy en berouw toonde, of niet. Maar het is zeker dat zijne vrouw berouw kreeg over de getuigenis, welke zij tegen hem afgelegd had, vooral toen zij ontdekte, dat jufvrouw Deborah haar bedrogen had, en nu weigerde een goed woord voor haar te spreken bij den heer Allworthy. Zij was echter eenigzins voorspoediger bij mevrouw Blifil, die, zoo als de lezer opgemerkt zal hebben, eene veel goedaardiger vrouw was, en die zeer vriendelijk op zich nam haar broeder te verzoeken het jaargeld weder te geven. Hoewel nu hare goedheid eenig deel had in deze handelwijze, zal men in het volgende hoofdstuk eene veel krachtiger en natuurlijker beweegreden daartoe vinden.Haar verzoek bleef echter zonder gevolg; want hoewel de heer Allworthy zich niet verbeeldde, met sommige nieuwere schrijvers, dat de barmhartigheid zich alleen vertoont in het bestraffen der misdadigers, was hij er ook even ver van verwijderd, om het voor eene eigenschap van deze uitstekende deugd te houden, om zonder eenigen grond aan groote misdadigers willekeurig genade te schenken. Eenige twijfel, of verzachtende omstandigheid, werd nooit door hem over het hoofd gezien; maar het smeeken van den misdadiger, of de tusschenkomst van anderen bleven altijd zonder uitwerking op hem. Met één woord, hij schonk nooit vergiffenis, omdat de schuldige zelf, of diens vrienden, wenschten dat hij niet gestraft zou worden.Partridge en zijne vrouw moesten zich dus beide schikken in hun lot, dat inderdaad hard genoeg was; want verre van zijn vlijt te verdubbelen nadat zijn inkomen verminderd was, gaf hij zich in zekere mate aan de wanhoop over, en lui van aard zijnde, verergerde die ondeugd nu bij hem, zoodat zijne kleine school verliep en hij zelf, noch zijne vrouw, een stuk brood te eten zouden gehad hebben, als de mildheid van zeker goed christen niet tusschenbeide gekomen ware, om hen van het volstrekt noodzakelijke tot hun onderhoud te voorzien.Daar deze hulp hun door een onbekende verstrekt werd, verbeeldden zij zich, en dat zal zonder twijfel de lezer ook doen, dat de heer Allworthy hun geheime weldoener was, die, ofschoon hij niet in het openbaar de ondeugd aanmoedigen wilde, toch in stilte de ellende der misdadigers[73]zelve verzachten kon, als die te groot en te weinig geëvenredigd was aan hunne boosheid.Het noodlot zelf scheen nu hunne ellende uit dit oogpunt te beschouwen, en eindelijk medelijden te hebben met het ongelukkige paar, daar het de rampen van Partridge aanmerkelijk verzachtte, door hem van zijne vrouw te verlossen, die de kinderpokken kreeg en spoedig onder die ziekte bezweek.De regtvaardigheid, welke de heer Allworthy omtrent Partridge uitgeoefend had, vond aanvankelijk algemeene goedkeuring; maar zoodra de schoolmeester de gevolgen daarvan begon te ondervinden, begonnen ook zijne buren vermurwd te worden, medelijden met hem te gevoelen, en spoedig daarna, dat, wat zij pas regtvaardigheid genoemd hadden, als overdrevene strengheid af te keuren. Zij voeren er tegen uit, dat men in koelen bloede straffen konde, en prezen de deugden van genade en barmhartigheid hemelhoog.Dit geschreeuw vermeerderde zeer bij den dood van jufvrouw Partridge, welke ofschoon toeteschrijven aan bovengenoemde ziekte, die geen gevolg is van armoede en gebrek, door velen, zeer onbeschaamd, geweten werd aan de strengheid, of zooals zij het nu noemden, de wreedheid van den heer Allworthy.Daar Partridge nu zijne vrouw, zijne school en zijn inkomen verloren had, en ook de onbekende weldoener de boven vermelde ondersteuning verder naliet, besloot hij van tooneel te veranderen, en verliet de streek, waar hij gevaar liep van te verhongeren, in weerwil van het algemeene medelijden zijner naasten.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Eene korte schets van het geluk, dat een wijs gehuwd paar in den haat kan vinden; met eene verontschuldiging van die menschen, die de onvolmaaktheden hunner vrienden over het hoofd zien.Hoewel de kapitein den armen Partridge geheel te grond gerigt had, had hij er toch niet de voordeelen van ingeoogst,[74]welke hij gehoopt had, namelijk om den heer Allworthy den vondeling de deur uit te zien zetten.Integendeel, die heer werd bij den dag meer gehecht aan den kleinen Tom, alsof hij zijne strengheid tegen den vader door buitengewone liefde en goedheid voor den zoon wilde vergoeden.Dit verbitterde zeer het humeur van den kapitein, even als andere, dagelijksche voorbeelden van de mildheid van den heer Allworthy; want hij beschouwde alle dergelijke liefdadige uitgaven, als alleen strekkende om zijn eigen rijkdom te verminderen.Hierin, zooals wij gezegd hebben, was hij het niet met zijne vrouw eens,—evenmin als in iets anders; want hoewel vele wijze menschen aannemen, dat eene genegenheid die op het verstand berust, duurzamer is dan eene, die op de schoonheid gegrond is, bleek het tegenovergestelde waar te zijn in het onderhavige geval. Ja, het was het wederzijdsche verstand van dit paar, dat de hoofdbron van twist werd, en ééne der voornaamste oorzaken van de veelvuldige oneenigheden, welke, met der tijd, tusschen hen ontstonden; en die eindigden, van den kant der dame, met eene diepe minachting van haar man, terwijl de echtgenoot er toe kwam, zijne vrouw in alle opzigten te verfoeijen.Daar beide hunne gaven grootendeels besteed hadden aan de studie der godgeleerdheid, werd deze spoedig na hunne eerste kennismaking het hoofd-onderwerp hunner gesprekken. De kapitein, als beleefd man, had, vóór zijn huwelijk, altijd zijn gevoelen opgegeven, als het in strijd was met dat der dame, en dit geschiedde volstrekt niet naar de wijze van een lompen, onhandigen, verwaanden domkop, die, hoewel hij beleefdelijk zwicht voor een gegrond argument, toch begeert, dat men inzie, dat hij gelooft het regt aan zijne zijde te hebben. De kapitein, integendeel, hoewel een der hoogmoedigste menschen ter wereld, liet de overwinning zoo onbepaald aan zijne tegenpartij, dat zij, die in het minst niet twijfelde aan zijne opregtheid, altijd den twist ten einde zag loopen met de meeste bewondering van haar eigen verstand en zeer veel ingenomenheid met het zijne.Maar hoewel deze toegevendheid jegens iemand, die hij[75]diep verachtte, hem toen niet zoo moeijelijk viel, als het geval zou geweest zijn, wanneer hij om eenig vooruitzigt op bevordering genoodzaakt was geweest zich op dezelfde wijze te onderwerpen aan den Bisschop Hoadley, of eenigen anderen beroemden theologant, kostte ze hem toch te veel, om ze zonder eenige nevenbedoeling te dragen. Zoodra dus het huwelijk deze nevenbedoeling uit den weg geruimd had, verveelde hem zijne vriendelijkheid en hij begon de gevoelens zijner vrouw met dien hoogmoed en die onbeschoftheid te behandelen, welke alleen aan den dag gelegd worden door diegenen, die zelve eenige minachting verdienen, en die alleen kan verdragen worden door diegenen, welke geene minachting verdienen.Toen de eerste vlagen van teederheid voorbij waren,—en in de kalme en lange tusschenpoozen tusschen de aanvallen daarvan,—toen het gezond verstand der dame de oogen begon te openen, en zij deze verandering in het gedrag van den kapitein opmerkte, die al hare argumenten met „Boe!” en „Bah!” beantwoordde, was zij er ver van daan, deze beleediging met gelaten onderworpenheid te dragen. Integendeel, zij was er in het begin zoo hevig over vertoornd, dat de eene of andere tragische gebeurtenis er uit had kunnen ontstaan, indien haar gevoel geene meer onschuldige wending genomen had, door haar de meest mogelijke minachting voor het verstand van haar man in te boezemen, waardoor haar haat eenigzins gewijzigd werd, ofschoon zij ook hiervan meer dan genoeg koesterde.De kapitein haatte haar op eene meer onvermengde wijze: want, ten opzigte van gebrek aan kennis of verstand, verachtte hij haar niet meer dan hij had kunnen doen omdat zij geen zes voet lang was.In zijne gedachten omtrent het vrouwelijke geslacht, overtrof hij Aristoteles zelven in bitterheid. Hij beschouwde eene vrouw als een huisdier, van eenige meerdere waarde dan eene kat, daar hare diensten iets belangrijker van aard zijn; maar het onderscheid tusschen beide was, naar zijne schatting, zoo gering, dat het hem, in zijn huwelijk met de landerijen en onroerende goederen van den heer Allworthy, weinig had kunnen schelen, welke van beide hij op den koop toe mede had moeten nemen. En toch was zijn hoogmoed[76]zoo gevoelig van aard, dat de minachting welke zijn vrouw jegens hem liet blijken, hem kwetste, en dit, gevoegd bij de walging welke hij reeds voor hare liefde gekoesterd had, vervulde hem met afkeer en afschuw in eene mate die misschien zelden overtroffen is.In den huwelijken staat is er slechts één toestand, die van genoegen ontbloot is, en dat is de toestand van onverschilligheid; maar even als vele mijner lezers, naar ik hoop, het uitstekend genot kennen van een bemind wezen genoegen te doen, zoo zijn er ook, naar ik vrees, eenigen die de voldoening mogen gesmaakt hebben van het voorwerp van hun haat te plagen. Het is, dunkt me, om dit laatste genoegen te smaken, dat wij dikwijls beide partijen die rust in het huwelijk zien opofferen, die zij anders genieten konden, al ware hun levens-gezel hun ook nog zoo onaangenaam. Daarom is het dat de vrouw dikwijls vlagen van liefde en ijverzucht veinst, ja, zich zelve een genoegen weigert, om dat van haar echtgenoot te storen en te beletten, terwijl hij, van zijn kant, zich zelven dikwerf aan banden legt, en te huis blijft, in een gezelschap dat hem verveelt, alleen om zijne vrouw op dezelfde wijze te tergen. Van daar ook dikwijls die stortvloeden van tranen, welke soms de weduwe op de asch van een echtgenoot laat vallen, dien zij een leven van aanhoudende onrust en kwelling bezorgd heeft, en dien zij nu niet meer hopen kan te plagen.Als ooit echter eenig paar dit genot smaakte, werd het nu ten volle genoten door den kapitein en zijne vrouw. Het was altijd, voor beide, genoeg te weten dat de andere iets beweerde, om juist van het tegenovergestelde gevoelen te zijn. Als de een zekere tijdkorting voorstelde, was de andere er tegen; zij beminden, haatten, prezen of laakten nooit denzelfden persoon. En om deze reden was het dat, wijl de kapitein den kleinen vondeling met leede oogen aanschouwde, zijne vrouw hem bijna als haar eigen kind begon te liefkozen.De lezer zal gemakkelijk inzien, dat deze verhouding tusschen man en vrouw niet veel bijdragen kon om den heer Allworthy een rustig leven te verschaffen, even als het weinig bevorderlijk was aan dat kalme geluk, hetwelk hij zich, voor alle drie, uit dit huwelijk voorgespiegeld had. Het[77]blijft echter waar, dat, hoewel hij zich in zijne levendige verwachtingen eenigzins teleurgesteld zag, hij toch nog zeer onvolmaakt ingelicht was omtrent de heele zaak, want evenzeer als de kapitein, om zekere duidelijke redenen, genoodzaakt was in zijn bijzijn zeer op zijne hoede te wezen, zoo moest ook de dame, uit vrees voor haar broeders toorn, dezelfde gedragslijn volgen. Inderdaad, het is mogelijk dat een derde persoon lang zeer gemeenzaam kan wezen, of zelfs onder hetzelfde dak leven met een echtpaar, dat slechts tamelijk voorzigtig is, zonder zelfs de verbittering te vermoeden, welke tusschen beide heerscht; want, hoewel soms de heele dag te kort moge zijn voor den haat, even als voor de liefde, leveren de vele uren welke gehuwden in afzondering met elkaar doorbrengen, aan menschen die niet onmatig zijn, zoovele gelegenheden om beide driften bot te vieren, dat, als zij elkaar beminnen, zij eenige uren in het gezelschap van anderen kunnen zijn, zonder te vrijen, of als zij elkaar haten, zonder elkaar in het gezigt te spuwen.Het is echter mogelijk dat de heer Allworthy genoeg zag om zich een weinig te verontrusten; want wij moeten niet altijd gelooven, dat een wijs man zich niet bezeerd heeft, als hij niet hardop schreeuwt en klaagt, zoo als menschen doen, die kinderachtig of verwijfd van aard zijn.Het kan ook wezen, dat hij enkele gebreken in den kapitein zag, zonder eenige ongerustheid te gevoelen; want waarlijk wijze en goede menschen nemen de menschen en zaken zooals zij ze vinden, zonder over hunne onvolmaaktheden te klagen, of ze allen te willen verbeteren. Zij kunnen een gebrek in een vriend, een bloedverwant, of eene betrekking zien, zonder er ooit gewag van te maken tot die betrekkingen zelve, of iemand anders,—en dikwerf ook zonder eenige vermindering hunner genegenheid. En inderdaad, tenzij er veel scherpzin gepaard ga met deze toegevendheid, moesten wij alleen vriendschap sluiten met dwazen, die men foppen kan; want ik hoop dat mijne vrienden het me vergeven zullen, als ik verklaar dat ik geen onder hen ken, die zonder gebreken is, en het zou mij spijten als ik me verbeelden moest dat ik een vriend had, die de mijne niet zag. Vergiffenis van dezen aard geven en vragen wij wederkeerig. En dat is misschien niet een der onaangenaamste[78]pligten der vriendschap. En wij moeten deze vergiffenis schenken, zonder hoop op beterschap. Er is welligt niets dwazers te bedenken, dan de zucht om de aangeborene zwakheden van diegenen die wij liefhebben, te verbeteren. De fijnste zamenstelling der menschelijke natuur kan, even als het fijnste porselein, een barstje hebben dat niet te herstellen is, ofschoon in weerwil daarvan, de teekening er op hare zeer groote waarde behoudt.Over het algemeen dan, ontdekte de heer Allworthy, buiten kwestie, eenige gebreken in den kapitein; daar deze echter een zeer sluw mensch was, en altijd op zijne hoede in het bijzijn van zijn zwager, schenen ze hem niets anders toe dan kleine vlekjes in een goed karakter, die hij de goedheid had te vergeven, en de wijsheid om niet aan den kapitein zelven te ontdekken. Zijne meening zou zeer gewijzigd zijn geworden, indien hij alles geweten had, hetgeen welligt met den tijd het geval zou zijn geweest, als man en vrouw lang op denzelfden voet met elkaar geleefd hadden; maar het medelijdende noodlot beraamde de middelen om dit te voorkomen, en dwong den kapitein om iets te doen, waardoor hij weder dierbaar werd aan zijne vrouw, en al hare teederheid en liefde weder verwierf.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een onfeilbaar voorschrift, om, zelfs in de meest wanhopige gevallen, de verbeurde liefde eener echtgenoote terug te winnen.De kapitein vond ruime vergoeding voor de onaangename oogenblikken welke hij in het bijzijn zijner vrouw moest slijten,—en die zoo weinig in getal waren als hij ze maar maken kon,—in de aangename gedachten, welke hij in de eenzaamheid genoot.Deze gedachten liepen bij uitsluiting over het vermogen van den heer Allworthy; want eerst had hij veel werk, met in zijn hoofd, zoo goed hij kon, de juiste waarde van het geheel na te gaan,—welke berekeningen hij telkens, steeds in zijn eigen voordeel veranderde; en in de tweede plaats,[79]vermaakte hij zich hoofdzakelijk met voorgenomene veranderingen in het huis en de tuinen, en in het ontwerpen van vele andere plannen, zoowel ter verbetering van de bezittingen als om iets grootsch aan het geheel te geven. Tot dit einde, hield hij zich bezig met de studie van bouwkunde en van het aanleggen van buitenplaatsen, en las vele werken over beide onderwerpen; want deze wetenschappen namen zijn geheelen tijd in beslag en waren zijne eenige uitspanning. Eindelijk had hij een alleruitmuntendst ontwerp gereed, en het spijt mij zeer, dat ik niet bij magte ben het aan mijne lezers te laten zien, daar het, naar ik meen, zelfs bij al de weelde onzer dagen, naauwelijks zijns gelijken heeft. Het bevatte inderdaad in den hoogsten graad de twee voornaamste bestanddeelen, welke alle grootsche en edele ontwerpen van dezen aard ter aanbeveling strekken, namelijk, het eischte buitengewone uitgaven, en zeer veel tijd om het eenigzins tot volmaking te brengen. In de eerste dezer behoeften, zouden de onmetelijke rijkdommen, welke de kapitein veronderstelde dat in het bezit waren van den heer Allworthy,—en die hij zeker wachtte zelf van hem te erven,—best voorzien; en wat de tweede betrof, zijn gezond gestel en zijn leeftijd, die niet boven de middelbare was, benamen hem alle vrees dat hij niet lang genoeg leven zou om zijn wensch vervuld te zien.Niets ontbrak er dus aan deonmiddellijkeuitvoering zijner plannen dan de dood van den heer Allworthy, en in het berekenen daarvan had hij een groot gedeelte van zijne kennis der Algebra uitgeput, na alle bestaande boeken gekocht te hebben, die handelen over den duur van het menschelijk leven, de betrekkelijke waarde van verwachte erfenissen, enz. Uit dit alles maakte hij op, dat daar er elken dag kans bestond dat het gebeuren zou, het ook zeer waarschijnlijk was dat zijn zwager binnen weinige jaren sterven zou.Maar, terwijl de kapitein op zekeren dag meer dan gewoonlijk verdiept was in beschouwingen van dezen aard, werd hij overvallen door een der droevigste en ontijdigste gebeurtenissen mogelijk. Inderdaad, het kwaadaardigste noodlot had niets kunnen bedenken dat zoo wreed, zoomal-à-propos, zoo bepaaldelijk verpletterend was voor al zijne plannen. Met één woord, om den lezer niet lang in onzekerheid te[80]laten, juist op het oogenblik dat hij zich in zijn hart verheugde, in beschouwingen over het geluk dat hem te wachten stond bij den dood van den heer Allworthy,—stierf hij zelf aan eene beroerte.Deze overviel den kapitein ongelukkig op zijne avondwandeling, in de eenzaamheid, zoodat er niemand bij was, om hem hulp te verleenen,—gesteld zelfs dat eenige hulp hem had kunnen redden. Hij nam dus op deze wijze de maat van den grond, die nu groot genoeg zou zijn voor al zijne toekomstige behoeften en lag dood uitgestrekt, een groot (ofschoon geen levend) voorbeeld van de waarheid van hetgeen door Horatius opgemerkt is:„Tu secanda marmoraLocas sub ipsum funus: et sepulchriImmemor, struis domus.”Welk denkbeeld ik op deze wijze vertolk: „Gij schaft de prachtigste bouwstoffen aan, terwijl niet meer dan eene spade en een houweel noodig zijn, en ge bouwt huizen, vijfhonderd voet lang en honderd breed, vergetende de woning die maar zes voet lang en twee breed is.”[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het bewijs van de onfeilbaarheid van het reeds opgegeven voorschrift, in de klagten van de weduwe; tegelijk met andere gepaste attributen van den dood, zooals daar zijn: geneesheeren, enz. en een model-grafschrift.De heer Allworthy, zijne zuster en eene andere dame, waren op het gewone uur bijeengekomen in de eetzaal om het avondmaal te gebruiken, en na veel langer dan gewoonlijk gewacht te hebben, verklaarde de heer Allworthy het eerst, dat hij begon ongerust te worden over het uitblijven van den kapitein, (want deze was altijd zeer stipt op het etensuur) en beval met de schel te luiden in den tuin en vooral langs die paden, welke de kapitein gewoonlijk bezocht.[81]Daar al dit levenmaken vruchteloos bleek te zijn,—omdat de kapitein dezen avond, ongelukkig, een geheel nieuwen weg opgegaan was,—verklaarde nu ook mevrouw Blifil, dat zij zich ernstig ongerust maakte. Hierop deed de andere dame, eene harer meest vertrouwde vriendinnen,—die den waren toestand harer verhouding tot haren man kende,—haar best om haar tot bedaren te brengen,—met de verzekering, dat hoewel zij niet nalaten kon ongerust te zijn, zij toch het beste moest hopen. Welligt had de schoonheid van het weder den kapitein verleid om iets verder dan gewoonlijk zijne wandeling uit te strekken,—of, hij kon ook bij een buurman opgehouden zijn.Mevrouw Blifil zeide van neen! Zij was overtuigd dat het een of ander ongeluk hem overkomen was; want dat hij zeker niet uitblijven zou zonder haar te laten waarschuwen, daar hij wel wist hoe ligt zij zich ongerust maakte. De andere dame, die geene meerdere argumenten wist aan tevoeren, nam nu hare toevlugt tot de gebruikelijke smeekingen bij zulke gelegenheden en verzocht haar zich toch niet onnoodig ongerust te maken, daar zoo iets zeer nadeelig op hare gezondheid werken kon,—en een groot glas wijn inschenkende, ried zij haar,—en haalde haar eindelijk over,—om het leêg te drinken.De heer Allworthy trad nu weder in de kamer; want hij was er zelf op uit geweest om den kapitein te zoeken. Zijn gelaat teekende genoegzaam zijne vrees, welke hem inderdaad bijkans van de spraak beroofd had;—daar echter de smart op verschillende menschen verschillend werkt, verlevendigde de vrees, welke zijne stem onderdrukt had, de stem van mevrouw Blifil. Zij begon nu bitter te klagen, en stortvloeden van tranen vergezelden hare woorden, welke hare vriendin verklaarde dat volstrekt niet te berispen waren, terwijl zij haar echter terzelfder tijd den raad gaf er niet aan toe te geven, en den angst harer vriendin poogde te verminderen door wijsgeerige opmerkingen omtrent de vele rampen waaraan het menschelijke leven dagelijks blootgesteld is,—wat, zeide zij, genoeg was om ons sterkte te verleenen in alle omstandigheden, hoe onverwacht of verschrikkelijk ook. Zij verzocht haar ook geduld te leeren van haar broeder die, hoewel men niet veronderstellen kon, dat hij zich zóó[82]ongelukkig gevoelde als zij, toch, zonder twijfel, zich zeer ongerust maakte, ofschoon zijne onderwerping aan den goddelijken wil, zijne aandoeningen matigde.„Spreek me niet van mijn broeder!” riep mevrouw Blifil.„Ik alleen verdien medelijden! Wat is de ongerustheid der vriendschap, vergeleken bij de kwellingen eener vrouw in dergelijke gevallen? O! Hij is verloren! Iemand heeft hem vermoord—ik zal hem nooit weêr zien!”Hier had een nieuwe stortvloed van tranen dezelfde uitwerking bij haar als het onderdrukken er van op den heer Allworthy, en ook zij zweeg.Op dit oogenblik kwam een knecht, buiten adem, de kamer binnenloopen en riep uit: „De kapitein is gevonden,—” maar eer hij er iets bijvoegen kon, werd hij door twee anderen gevolgd, die het lijk droegen.Hier kan de oplettende lezer nog een ander verschil opmerken in de werking der smarte: want, even als de heer Allworthy tot dusver gezwegen had, om dezelfde reden welke zijne zuster luidruchtig had gemaakt, ontlokte hetgeen hij nu zag, tranen aan den heer, terwijl het die zijner zuster geheel opdroogde, die eerst een harden gil gaf en toen in zwijm viel.De kamer was weldra opgevuld met dienstboden, van welke sommigen zich bemoeiden, geholpen door hare vriendin, met de zorg voor de troostelooze weduwe, terwijl anderen, bijgestaan door den heer Allworthy, den kapitein in een warm bed legden, waar al het mogelijke beproefd werd om hem in het leven terug te roepen.En blijde zouden wij zijn als wij den lezer konden mededeelen, dat beide bewustelooze ligchamen met evenveel voorspoed verzorgd werden; want diegenen, die op zich genomen hadden de dame bijtestaan, slaagden zoo goed, dat, zoodra de flaauwte een betamelijken tijd geduurd had, zij tot hunne groote voldoening weer bijkwam. Maar wat den kapitein betrof, bleken alle proeven die men deed met aderlaten, wrijven, druppels enz. vergeefs te zijn. De Dood, die onwrikbare regter, had zijn vonnis geveld, en weigerde hem genade te schenken, hoewel twee geneesheeren, die aankwamen en beide daarvoor betaald werden, zijne zaak voor hem bepleitten.[83]Deze twee geneesheeren, die wij, om iedere kwaadwillige toepassing te voorkomen, Dr. Y. en Dr. Z. noemen zullen, na hem den pols gevoeld te hebben, namelijk Dr. Y. regts, en Dr. Z. links, werden het zamen eens, dat hij dood was; maar verschilden omtrent zijne kwaal en de oorzaak van zijn overlijden; daar Dr. Y. van gevoelen was, dat hij aan een apoplexie gestorven was, terwijl Dr. Z. volhield, dat het epilepsie was geweest.Hieruit ontstond een twist tusschen de beide geleerden, waarin beide hunne gevoelens met redenen omkleedden. En deze waren allen zoo krachtig, dat ze alleen daartoe dienden, om de beide dokters in hun eigen gevoelen te versterken, zonder den minsten indruk op de tegenpartij te maken.Om de waarheid te zeggen, heeft bijna iedere geneesheer zijne lievelingskwaal, waaraan hij alle zegepralen van den dood over de menschelijke natuur toeschrijft. Jicht, rheumatisme, de steen, het graveel en de tering, hebben alle hunne verschillende beschermheeren bij de fakulteit,—en geen een meer beschermers, dan „zenuwkoortsen.” En dit verklaart het verschil van meening omtrent de oorzaak van den dood van een zieke, dat dikwijls heerscht onder de meest geleerde mannen van het vak, en dat die menschen zeer verwonderd heeft, die de bijzonderheid, welke we pas vermeld hebben, niet kenden.Het zal den lezer welligt doen verbaasd staan, dat in plaats van te trachten den zieke te helpen, de geleerde heeren dadelijk een twist begonnen over de oorzaak van zijn dood; maar, werkelijk, alles was reeds vóór hunne komst beproefd; want de kapitein lag al in een warm bed, was ader gelaten, was gewreven, en allerlei sterke druppels waren in zijne neusgaten en tusschen zijne lippen gegoten.Daar de geneesheeren zich nu in alles voorkomen vonden, wat zij aanwenden wilden, werden zij verlegen hoe den behoorlijken tijd te slijten, dien zij doorbrengen moesten om op eene betamelijke wijze hun honorarium te verdienen, en zij moesten dus het eene of andere onderwerp tot een gesprek zoeken.—Wat kon zich dan natuurlijker aanbieden dan het voormelde?Onze dokters waren echter op het punt van afscheid te nemen,[84]toen de heer Allworthy, den kapitein opgegeven hebbende, met onderwerping aan den Goddelijken wil, naar zijne zuster begon te vragen, die hij hen verzocht voor hun vertrek te bezoeken.Deze dame was nu uit hare flaauwte bijgekomen, en om de gewone uitdrukking te bezigen, naar omstandigheden, redelijk welvarende.De dokters dus, na alle behoorlijke pligtplegingen, daar dit eene nieuwe patient was, gingen, gelijk verlangd werd, bij haar, en vatten beide eene harer handen, even als zij straks met het lijk gedaan hadden.Het geval van de dame was juist het tegenovergestelde van dat van haar man; want even als hij buiten het bereik was van alle geneeskundige hulp,—zoo had zij, werkelijk, geen bijstand noodig.Niets kan onbillijker zijn dan de algemeene meening, welke verkeerdelijk den geneesheer als een vriend van den dood voorstelt. Integendeel, ik geloof dat als het getal van diegenen welke met behulp der geneeskunde herstellen, vergeleken kon worden bij dat van de slagtoffers daarvan, het eerste getal eenigzins grooter zou zijn dan het laatste. Ja, sommige geneesheeren zijn zelfs zoo voorzigtig op dat punt, dat, om de mogelijkheid te voorkomen van ooit een patient te dooden, zij zich onthouden van alle pogingen om hem te genezen, en niets voorschrijven dan hetgeen goed noch kwaad kan. Ik heb enkele van dezen, met den meesten ernst, als een stelregel hooren verkondigen: „Dat men het aan de natuur overlaten moet om haar eigen werk te doen; en dat de geneesheer er bij staat, als het ware, om haar op den schouder te tikken en haar aan te moedigen als zij het goed doet.”Onze twee dokters schepten ook zoo weinig behagen in den dood, dat zij het lijk verlieten na de eerste visite; maar zij waren meer ingenomen met de levende zieke, omtrent wier behandeling zij het dadelijk eens waren en voor wie zij met den meesten ijver aan het voorschrijven gingen.Ik wil niet bepaaldelijk zeggen, dat even als de dame in het begin de geneesheeren wijs gemaakt had, dat zij ziek was, zij ook nu, van hun kant, haar dat deden gelooven: maar zij bleef toch eene geheele maand omgeven van al den schijn[85]der ziekte. Gedurende dezen tijd werd zij door geneesheeren bezocht, door ziekenbewaaksters opgepast, en ontving zij ook aanhoudend boodschappen van hare kennissen, om naar haren toestand te vernemen.Eindelijk, toen de betamelijke periode der ziekte en der onmatige treurigheid voorbij was, werden de geneesheeren ontslagen, en de dame begon menschen te ontvangen, alleen verschillende van hetgeen zij vroeger was door die sombere tinten, waarmede zij hare gestalte en hare gelaatstrekken getooid had.De kapitein was dus nu begraven en zou welligt al een heel eind ver geweest op den weg der vergetelheid, als de vriendschap van den heer Allworthy niet zorg gedragen had om zijne gedachtenis te bewaren, door het volgende grafschrift, hetwelk opgesteld is door een man, die evenzeer uitmunt door genie, als door eerlijkheid, en die den kapitein volmaakt goed kende:[86]Hier rust,In de hoop op een beter leven,Het sterfelijk omhulselvan denKapitein JAN BLIFIL.Londenhad de eer van zijne geboorte,Oxfordvan zijne opvoeding.Zijne gavenstrekten zijn beroep en zijn vaderlandtot roem.Zijn wandel verheerlijkte zijne Godsdiensten de menschelijke natuur.Hij was een gehoorzame Zoon,Een teedere Echtgenoot,Een liefderijke Vader,Een hartelijke Broeder,Een opregte Vriend,Een vroom Christen,En een goed Mensch.Zijne troostelooze weduweHeeft dezen zerk opgerigt,Tot gedenkteekenZijner Deugden,En harer Liefde.[87]

Boek II.Bevattende eenige tooneelen van huwelijksgeluk in verschillende standen der maatschappij, alsmede verscheidene andere gebeurtenissen gedurende de twee eerste jaren van het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy.[Inhoud]Hoofdstuk I.Aantoonende welke soort van verhaal dit is; waarnaar het lijkt, en waar het niet naar lijkt.Hoewel wij, eigenaardig genoeg, dit ons werk „eene geschiedenis,” noemen, en geene „levensbeschrijving,”—of, wat nog meer in de mode is, eene „apologie,” is het evenwel ons voornemen daarin ons meer te voegen naar de methode van die schrijvers, die voorgeven de omwentelingen in een land te verklaren, dan om den lastigen en breedvoerigen geschiedschrijver na te volgen, die om de geregelde ontwikkeling der daadzaken te bewaren, zich verpligt acht even veel bladzijden te vullen met de uitvoerige beschrijving van maanden en jaren, die niets merkwaardigs bevatten, als hij bezigt voor die opmerkelijke tijdvakken, welke de grootste feiten opleveren, die ons op het tooneel der wereld voorgesteld zijn.Dergelijke geschiedenissen gelijken veel op een dagblad, dat altijd juist hetzelfde aantal letters bevat, of er nieuws is of niet. Ze kunnen ook vergeleken worden bij een postwagen, die altijd, leeg of vol, denzelfden weg aflegt.De schrijver schijnt zich inderdaad verpligt te rekenen, met den Tijd, wiens secretaris hij is, in den pas te loopen, en even als zijn meester, reist hij even langzaam door eeuwen van kloosterachtige verveling als door dien schitterenden en drukken tijd zoo schoon bezongen door den uitstekenden Latijnschen dichter:„Ad confligendum venientibus undique poenis,Omnia cum belli trepido concussa tumultuHorrida coutremuere sub altis aetheris auris:In dubioque fuit sub utrorum regna cadendumOmnibus humanis esset, terraque marique.”[47]Wat ongeveer zeggen wil:„Men rustte zich ten strijd door zucht naar wraak gedreven;Het vreeslijk krijgsrumoer deed de aarde siddren, bevenEn onder d’ hemelstrans verkeerde ’t al in rouw;Maar ’t was onzeker, wie de zegepraal gelukken,’t Ontstelde menschdom voor zijn schepter neêr doen bukkenEn over land en zee in ’t einde heerschen zou.”Het is echter ons doel in de volgende bladzijden de tegenovergestelde methode te volgen. Wanneer eenig treffend tooneel zich aanbiedt (wat, naar wij hopen, dikwijls het geval zal wezen) zullen wij moeite noch papier ontzien om het den lezer breedvoerig te beschrijven. Als echter geheele jaren voorbijgaan zonder iets op te leveren dat zijne aandacht waardig is, zullen wij niet bang zijn voor eene gaping in onze geschiedenis, maar ons haasten tot belangrijke zaken te komen en dergelijke tijdvakken geheel onbehandeld laten.Want deze tijdvakken zijn als de nieten in de loterij van den tijd. Wij dus, die de uitkomst dezer loterij opteekenen, zullen die wijze lieden navolgen, die het bestuur hebben over de staats-loterij en welke het publiek nooit vervelen met de vele nieten, welke getrokken worden; maar daarentegen, als er een hooge prijs valt, de couranten er dadelijk mede vullen, zoodat de wereld zeker verneemt in wiens collecte die verkocht werd:—want er zijn gewoonlijk twee of drie kantoren die er aanspraak op maken van hem verkocht te hebben, waardoor ik veronderstel, dat men den spelers te kennen wil geven, dat zekere handelaren in de geheimen der Fortuna ingewijd zijn en tot haar geheimen raad behooren.De lezer zal dus niet verwonderd zijn als hij sommige hoofdstukken in dit werk heel kort vindt en andere daartegen zeer lang; sommigen, die alleen het tijdvak van een enkelen dag behandelen en anderen dat van een geheel jaar;—met één woord, men zij er op voorbereid, dat mijne geschiedenis soms zal schijnen stil te staan en soms te vliegen. En wegens dit alles acht ik me aan geene recenserende wetgeving, van welken aard ook, verantwoording schuldig te zijn; want, daar ik, naar waarheid, de stichter ben van eene nieuwe soort van schrijftrant, staat het mij vrij dienaangaande[48]mij zelf de wetten te stellen. En deze wetten zijn mijne lezers, die ik als mijne onderdanen beschouw, verpligt te gelooven en te gehoorzamen, wat zij ook gereedelijk en gemakkelijk kunnen doen, daar ik hierbij de plegtige verzekering geef, dat ik daarbij voornamelijk hun nut en voordeel beoog; want ik ben geen dwingelandjure divino, die mij verbeeld dat zij mijne slaven zijn, of mijn eigendom. Ik werd inderdaad, alleen tot hun eigen nut over hen gesteld, en ben om hun voordeel,—en zij niet tot het mijne—geschapen. Ik twijfel ook niet, dat terwijl ik hun belang tot hoofddoel van mijn geschrijf neem, zij eenparig er toe bijdragen zullen om mijne waardigheid te handhaven, en mij alle eer te bewijzen, die ik verdien of begeer.[Inhoud]Hoofdstuk II.Godsdienstige bezwaren tegen het bewijzen van te veel goedheid aan natuurlijke kinderen, en eene groote ontdekking, gedaan door jufvrouw Deborah Wilkins.Acht maanden na het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy, eene jonge dame van groote verdiensten, schoonheid en vermogen, werd deze, ten gevolge van een plotselingen schrik, ontijdig verlost van een schoonen jongen. Het kind was inderdaad, naar allen schijn, voldragen; maar de vroedvrouw ontdekte dat het een maand te vroeg gekomen was.Hoewel de geboorte van een erfgenaam van zijne beminde zuster den heer Allworthy zeer verheugde, vervreemdde deze omstandigheid zijne liefde toch niet van den kleinen vondeling, van wien hij peet geworden was, en aan wien hij tevens zijn eigen naam, Thomas, geschonken had, terwijl hij zelden naliet hem ten minste eenmaal daags in de kinderkamer op te zoeken.Hij zeide zijner zuster, dat, als zij het goedvond, de nieuw geborene met den kleinen Thomas zamen zou opgevoed worden; waarin zij toestemde, hoewel met eenigen tegenzin; want zij was waarlijk zeer inschikkelijk jegens haren[49]broeder, en had daarom steeds meer liefde tot den vondeling aan den dag gelegd, dan streng deugdzame dames soms over zich verkrijgen kunnen te bewijzen aan die kinderen, die hoe onschuldig ook, met regt mogen genoemd worden, de levende gedenkteekens der onkuischheid.De kapitein kon er echter niet zoo gemakkelijk toe komen, om hetgeen hij een gebrek achtte in den heer Allworthy te dragen. Hij gaf hem veelvuldige wenken, dat hij de zonde aanmoedigde, door hare vruchten tot zich te nemen. Hij haalde vele teksten aan,—want hij was zeer belezen in de Heilige Schrift,—zoo als: „de zonden der vaderen zullen gewroken worden enz.” en „de vaderen hebben zure druiven gegeten en de tanden der kinderen,”—enz. En daarvan leidde hij af, dat het overeenkomstig de leer was, om de misdaad der ouders op het onwettige kind te wreken. Hij zeide, „dat hoewel de wet niet bepaaldelijk toeliet, dat men zulke kinderen vernietigde, hij ze toch hield voor de kinderen van niemand; dat de kerk ze ook als zoodanig beschouwde en dat zij, op zijn best, voor de laagste en verachtelijkste ambten in den staat moesten opgeleid worden.”De heer Allworthy antwoordde op het eenen ander hetwelk de kapitein aanvoerde omtrent dit onderwerp: „Dat hoe groot ook de schuld der ouders wezen mogt, de kinderen zeker onschuldig waren, en dat wat de teksten, welke hij aangehaald had, betrof, de eerste eene bijzondere strafbepaling was tegen de Joden, wegens de zonde van afgoderij en het verzaken en haten van hun hemelschen Koning, en dat de laatste slechts beeldspraak was, en meer ten doel had om de zekere en noodzakelijke gevolgen van de zonde aan te wijzen, dan om eenig beslissend vonnis te vellen. Maar dat het ook onbetamelijk, zoo niet godslasterlijk was, om den Almagtigen voortestellen als handelende tegen de allereerste grondbeginselen van natuurlijke regtvaardigheid, en tegen de oorspronkelijke begrippen van regt en onregt, door Hem zelven in ons hart geplant, waardoor wij niet slechts alle zaken beoordeelen moesten, die niet geopenbaard waren, maar zelfs de waarheid van de openbaring zelve.”Hij zeide te weten dat velen dezelfde begrippen aankleefden als de kapitein; maar hij zelf was volmaakt overtuigd[50]van het tegenovergestelde, en zou op dezelfde wijze voor dit arm schepseltje zorgen alsof een wettig kind het geluk had gehad op dezelfde plaats gevonden te worden. Terwijl de kapitein elke gelegenheid waarnam om redenen op te geven, waarom de kleine vondeling moest verwijderd worden uit het huis van den heer Allworthy,—op wiens ingenomenheid met het kind hij jaloersch begon te worden, had jufvrouw Deborah eene ontdekking gedaan, die in hare gevolgen veel noodlottiger voor den armen Tom dreigde te zijn, dan al de bewijsgronden van den kapitein.Of de onverzadiglijke nieuwsgierigheid der goede vrouw haar in deze zaak geprikkeld had, of wel dat zij het deed om zich te bevestigen in de gunst van mevrouw Blifil, die niettegenstaande haar uiterlijk gedrag jegens den vondeling, dikwijls het kind en haar broeder ook, wegens zijne ingenomenheid er mede, in stilte uitschold,—dit wil ik niet beslissen;—maar zij had nu,—gelijk zij begreep,—zeker den vader van den jongen ontdekt.Daar dit nu eene zeer belangrijke ontdekking was, zal het noodzakelijk zijn, ze tot de bron zelve na te sporen. Wij zullen dus de gebeurtenissen, die er toe voerden, zeer naauwkeurig beschrijven, en, tot dat einde, zullen wij verpligt zijn al de geheimen te openbaren van eene kleine familie, waarmede de lezer op dit oogenblik geheel onbekend is, en welker inrigting zoo vreemd en buitengewoon was, dat ik vreezen moet, dat ze menigen gehuwde ongeloofelijk zal schijnen.[Inhoud]Hoofdstuk III.Beschrijving van een huisselijk bestuur, op regels gegrond, in strijd met die van Aristoteles.De lezer gelieve zich te herinneren, dat hij vernomen heeft hoe Jenni Jones eenige jaren bij zekeren schoolmeester gewoond had, die, op haar ernstig verlangen, haar Latijn geleerd had, waarin zij, om haar regt te laten wedervaren,[51]zulke groote vorderingen gemaakt had, dat zij geleerder was geworden dan haar onderwijzer.Want, hoewel deze arme man een beroep gekozen had waarin men toestemmen moet, dat de geleerdheid een vereischte is, was deze toch juist de minste zijner gaven. Hij was een der goedhartigste menschen ter wereld, en terzelfder tijd was hij zoo aardig en vol luim, dat hij voor den geestigsten mensch in den omtrek gold, en al de heeren uit de buurt zoozeer naar zijn gezelschap verlangden, dat, daar hij nooit over zich kon verkrijgen om neen te zeggen, hij veel tijd in hunne huizen sleet, welken hij nuttiger in zijne school had kunnen doorbrengen.Men zal begrijpen, dat een man van dit karakter en deze neigingen, geen gevaar liep van een mededinger te worden van de scholen der zeergeleerde heeren te Eton en Westminster. Om duidelijker te spreken: hij had zijne leerlingen slechts in twee klassen gesplitst, in de bovenste van welke een jonge heer zat, de zoon van een landjonker uit de buurt, die op zeventienjarigen leeftijd pas tot de Syntaxis gekomen was, terwijl in de tweede klasse een jongere zoon zat van denzelfden heer, die tegelijk met zeven boerenjongens, lezen en schrijven leerde.De inkomsten hieruit voortvloeijende, zouden bezwaarlijk genoegzaam zijn geweest om den schoolmeester van al de weelde van het leven te voorzien, zoo hij ze niet vermeerderd had met die van het ambt van koster en barbier, terwijl de heer Allworthy het geheel verhoogde met eenjaargeld van tien pond, dat de arme man telkens met Kersmis ontving, en waardoor hij in staat werd gesteld zich gedurende dat heilige feest te goed te doen.Onder zijne overige schatten, bezat de onderwijzer eene vrouw, die hij genomen had uit de keuken van den heer Allworthy, om den wille van haar vermogen,—van twintig pond sterling, dat zij daar bijeengebragt had.Deze vrouw was niet zeer innemend van uiterlijk. Ik weet niet of zij gezeten had voor mijn vriend den schilder Hogarth of niet; maar zij geleek zeer op de jonge vrouw, die thee voor hare meesteresse schenkt in het derde tooneel van „den Levensloop eener ligtekooi.” Zij was bovendien eene verklaarde aanhangster van die edele sekte, van oudsher door[52]Xantippe gesticht, om welke reden zij in de school veel meer gevreesd werd dan haar man; want, het is maar al te waar, dat hij noch dáár, noch elders, in haar bijzijn, meester was.Hoewel hare gelaatstrekken niet veel aangeborene zachtaardigheid schenen aan te duiden, werd die welligt nog eenigzins verminderd door eene omstandigheid, welke over het algemeen het huwelijksgeluk verbittert;—want kinderen. worden zeer juist genoemd „panden der liefde,” en hoewel zij reeds negen jaren gehuwd waren, had haar man haar geen pand van dien aard geschonken; een gebrek waarvoor hij geene verontschuldiging had, wegens leeftijd of gezondheid, daar hij nog geen dertig jaar oud was, en bovendien, wat men noemt, een fiksche, flinke jongen.Hieruit ontstond eene andere ramp, die den armen schoolmeester niet weinig last veroorzaakte. Immers zijne vrouw was zoo onophoudelijk jaloersch, dat hij naauwelijks één woord durfde spreken met eenige vrouw in het dorp; want de minste beleefdheid, of zelfs omgang met eenig vrouwelijk wezen, was genoeg om hem den toorn zijner vrouw op den hals te halen.Ten einde zich te vrijwaren tegen huwelijksgrieven in haar eigen huis droeg zij zorg, daar zij slechts ééne meid hield, die steeds te kiezen uit die soort van vrouwen, wier gelaatstrekken doorgaan voor een waarborg harer deugd, en zoo als de lezer vernomen heeft, behoorde Jenni Jones onder dit getal.Daar het gelaat van dit meisje beschouwd mogt worden als eene tamelijk zekere waarborg van voornoemden aard, en omdat haar gedrag steeds zeer zedig was geweest,—wat bij eene vrouw een bepaald gevolg is van verstand te hebben,—had zij meer dan vier jaren bij jufvrouw Partridge (zoo heette namelijk de schoolmeester), doorgebragt, zonder de geringste verdenkingen bij hare meesteresse op te wekken. Ja, zij werd er zelfs met buitengewone vriendelijkheid behandeld, en de jufvrouw had den heer Partridge verlof gegeven haar in de reeds gemelde vakken te onderwijzen.Maar het is met de jaloezij even als met de jicht. Als er zulke ziekten in het bloed zijn, kan men nooit zeker zijn, dat ze niet eens uitbreken zullen,—en dat geschiedt ook dikwerf bij de minste aanleiding en zeer onverwacht.[53]Dit gebeurde ook bij jufvrouw Partridge, die vier jaren lang toegelaten had dat haar man dit meisje onderwees, en haar meer dan eens haar werk had laten verzuimen, ten einde zich aan de geleerdheid te wijden. Want toen zij op zekeren dag voorbij kwam, terwijl het meisje bezig was met lezen en haar meester over haar gebukt stond, schrikte Jenni plotseling, ik weet niet waarom, en vloog van den stoel op, en dit was de eerste keer, dat bij hare meesteresse eenige verdenking opkwam.Zij liet die echter niet dadelijk blijken, maar hield ze verborgen in haar hart, loerende als een geheime vijand, die op versterking wacht eer hij zich openlijktoont en tot den aanval overgaat; en hare vermoedens werden ook kort daarop versterkt, toen man en vrouw zamen aan tafel zaten en de meester tegen het meisje zeide: „Da mihi aliquid potum!” waarop de arme Jenni glimlachte, welligt over het ellendige Latijn, en bloosde zoodra hare meesteresse het oog op haar vestigde, mogelijk, over het bewustzijn dat zij om haren meester gelagchen had. Jufvrouw Partridge geraakte nu dadelijk in drift en smeet het bord, waarvan zij at, der arme Jenni naar het hoofd, met den uitroep:„Gij onbeschaamde feeks! Durft ge gekheid te maken met mijn man, hier in mijn bijzijn?” terzelfder tijd opstuivende van haar stoel met een mes in de hand, waarmede zij waarschijnlijk zich op eene zeer betreurenswaardige wijze gewroken zou hebben, als het meisje niet gebruik had gemaakt van de nabij zijnde deur, en door de vlugt aan de woede harer meesteresse ontsnapt ware;—want, wat den armen man betreft, hetzij de verrassing hem versteend had,—of wat even waarschijnlijk is, dat de vrees hem belette zich te verzetten, hij bleef starende en sidderende zitten en poogde niet eens zich te bewegen, of te spreken, tot zijne vrouw, van Jenni’s vervolging terugkeerende, hem noodzaakte eenige maatregelen tot zelfverdediging te nemen,—en hij, even als de meid, tot den aftogt gedwongen werd.Deze goede vrouw was echter evenmin als Othello geschikt om„—de jaloerschheid te dulden,Te vallen met het wislen van de maan, van arg- in argwaan.”[54]Bij haar luidde het even als bij hem:„—neen! één twijfeling,En alles is beslist!”Zij gaf dus Jenni bevel, omonmiddellijkhaar boeltje te pakken en op te trekken, daar zij besloten had, dat zij dien nacht niet meer onder haar dak zoude slapen. De heer Partridge had te veel door de ondervinding geleerd, om zich met iets van dezen aard te bemoeijen. Hij nam dus zijn toevlugt tot zijne gewone dosis geduld; want hoewel hij geen geleerde was in het Latijn, herinnerde hij zich heel goed en begreep best den raad in den volgenden regel bevat:„Leve fit, quod bene fertur onus.”hetgeen zeggen wil: „een last, dien men behoorlijk weet te dragen, valt niet zwaar.”Wat hij ook altijd in den mond had, en de waarheid waarvan hij, zonder twijfel, dikwijls in de gelegenheid was te ondervinden.Jenni wilde hare onschuld betuigen; maar zij was niet bestand tegen den storm. Zij ging dus aan het pakken, waartoe zij niets anders noodig had dan een vel grof papier, en haar armzalig loon ontvangen hebbende, keerde zij weder naar huis terug.De schoolmeester en zijne vrouw bragten geen aangenamen avond door; maar vóór den volgenden morgen was er het een of ander gebeurd, dat de woede van jufvrouw Partridge een weinig tot bedaren bragt, en zij liet eindelijk toe, dat haar man zich verontschuldigde, te meer geloof aan zijne woorden hechtende, daar hij, in plaats van te verlangen dat Jenni terug geroepen werd, zijne voldoening uitte over haar ontslag, en zeide, dat zij, als meid, van weinig nut meer was, daar zij al haar tijd met lezen doorbragt en bovendien onbeleefd en koppig was geworden; want zij had inderdaad, in den laatsten tijd, verschillende letterkundige twisten met haar meester gehad, waarin zij hem hare reeds vermelde meerderheid had doen gevoelen. Dit echter stemde hij nooit toe; en daar hij het koppigheid noemde, als zij gelijk had en dat volhield, begon hij haar met niet weinig verbittering te haten.[55][Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende een der bloedigste slagen, of liever, tweegevechten, ooit in de huisselijke geschiedenis vermeld.Om de reeds boven vermelde redenen, en enkele andere blijken van toegevendheid van haar man, welbekend aan gehuwde lieden, doch die, even als de geheimen der vrijmetselarij, aan niemand geopenbaard moeten worden, die geen lid is van het achtbare genootschap, was jufvrouw Partridge tamelijk overtuigd dat zij haar man zonder grond veroordeeld had en zij trachtte door vriendelijk gedrag hem vergoeding te verschaffen voor hare verkeerde vermoedens. Hare hartstogten, welke rigting zij ook volgden, waren inderdaad altijd even hevig; want, even als zij buitengewoon vertoornd kon zijn, kon zij ook buitengewoon liefderijk wezen.Maar, hoewel deze vlagen elkaar gewoonlijk binnen korten tijd opvolgden en naauwelijks vier en twintig uren ooit voorbij gingen, waarin de schoolmeester niet in eenige mate het voorwerp van beide werd; duurde evenwel, bij groote gelegenheden, als haar toorn zeer hevig geweest was, later de rust eveneens ook gewoonlijk wat langer, en dit was nu ook het geval; want na den afloop van dezen aanval van jaloerschheid, bleef zij langer vriendelijk dan ooit te voren, en met uitzondering van eenige van die kleine bestraffingen, waaraan al de volgelingen eener Xantippe zich onderwerpen moeten, zou de heer Partridge verscheidene maanden lang de meest volmaakte rust genoten hebben.Eene doodelijke windstilte op zee wordt door den ervaren zeeman steeds als de voorbode van den storm aangemerkt, en ik ken eenige personen, die zonder over het algemeen bijgeloovig te zijn, geneigd zijn te vreezen, dat groote en ongewone rust en vrede, juist door het tegenovergestelde gevolgd zullen worden. Om deze reden plagten de ouden bij zulke gelegenheden offers te brengen aan de godin Nemesis, die, naar men meende, met leede oogen het menschelijke geluk aanschouwde en niets liever deed dan het vernietigen.Daar wij er echter ver van af zijn, aan eenige heidensche godin van dien aard te gelooven, of eenig bijgeloof hoegenaamd[56]aan te moedigen, wenschen wij dat de heer Jan Fr.… of eenige andere wijsgeer, zich de moeite wilde geven om de ware oorzaak van dezen snellen overgang van geluk tot ongeluk op te sporen,—die zoo dikwerf opgemerkt is en waarvan wij nu een voorbeeld zullen geven; want het is onze taak om feiten te vermelden, terwijl wij de oorzaken aan grootere genieën overlaten.De menschen hebben er altijd groot behagen in geschept om de daden van anderen te leeren kennen en ze te bepraten. Van daar ook, dat er bij alle volkeren en in alle eeuwen, bijzondere vergaderplaatsen aangewezen werden, waar de nieuwsgierigen elkaar ontmoeten konden en hunne weetgierigheid voldoen. Onder deze plaatsen hebben de barbierswinkels altijd met regt den voorrang gehad. Onder de Grieken was het „barbiersnieuws” tot een spreekwoord geworden, en Horatius, in een zijnerEpistolae, vermeldt den Romeinschen barbier op dezelfde wijze, zeer eervol.Het is bekend dat die van Engeland niet onderdoen bij hunne Grieksche en Romeinsche voorgangers. Men hoort bij hen buitenlandsche zaken bespreken op een toon die weinig onderdoet voor dien der koffijhuizen, en huisselijke omstandigheden worden er veel breedvoeriger en vrijer behandeld. Maar dit is alleen ten behoeve der mannen. Daar echter de vrouwen van dit land, vooral die van de mindere klasse, meer dan die van andere volkeren, bij elkaar komen, zou onze staatsinrigting zeer gebrekkig zijn, als zij ook niet eenige bijzondere plaats hadden, waar zij aan hare nieuwsgierigheid kunnen bot vieren, aangezien zij in dit opzigt volstrekt niet onderdoen voor de andere helft van het menschelijke geslacht.Door een dergelijk vereenigingspunt te bezitten, moeten zich de Britsche schoonen gelukkiger achten dan hare zusters in het buitenland, daar ik me niet herinner ooit in de geschiedenis iets daarvan gelezen te hebben, of in eenige reisbeschrijving iets van dien aard gezien te hebben.Deze plaats is echter nergens anders te zoeken dan in den kruideniers-winkel, het bekende uitgangspunt van al het nieuws, of zoo als men het platweg noemt, van al het gebabbel in elke gemeente van Engeland.Jufvrouw Partridge dus, op zekeren dag in deze vergadering[57]van vrouwen zijnde, werd door een harer buren gevraagd, of zij in den laatsten tijd iets van Jenni Jones gehoord had? waarop zij een ontkennend antwoord gaf. Hierop hernam de andere, met een glimlach, dat het dorp veel verpligting aan haar had, omdat zij Jenni had weggejaagd.Jufvrouw Partridge, wier ijverzucht, zoo als de lezer weet, sedert lang genezen was, en die anders niets tegen hare dienstmaagd had, antwoordde stoutweg, dat zij niet begreep hoe zij het dorp op die wijze had kunnen verpligten, daar zij geloofde dat Jenni zeker haars gelijke niet achtergelaten had.„Neen,” hernam de andere, „ik hoop van neen! Hoewel ik me verbeeld dat er sletten genoeg hier zijn! Ge hebt dus niet gehoord, naar het schijnt, dat zij verlost is van twee onechte kinderen? Daar ze echter hier niet geboren zijn, zegt mijn man en de andere wijkmeester ook, dat ze onze gemeente niet ten laste zullen vallen.”„Twee onechte kinderen!” riep jufvrouw Partridge driftig; „wat ge zegt! Ik weet niet of ze ons ten laste kunnen komen, maar zeker is het dat de vader hier te huis behoort, want het is nog geen negen maanden geleden dat het meisje van hier weg is!”Niets is vlugger en plotselinger dan de werking van den geest, vooral als die opgewekt wordt door hoop, vrees of ijverzucht,—bij welke laatste vergeleken, de beide anderen slechts trage prikkelen zijn. Het schoot haar dadelijk te binnen, dat Jenni naauwelijks de deur uit geweest was zoo lang zij bij haar inwoonde. Het leunen over den stoel, het Latijn, de glimlach en allerlei andere dingen stonden haar op eens voor den geest.De voldoening, welke haar man aan den dag gelegd had over het vertrek van Jenni scheen haar nu slechts geveinsd te zijn,—dan weder opregt,—en dan weder (ter versterking van haar ijverzucht), alleen ontsproten te zijn uit verzadiging en honderderlei andere slechte bronnen. In één woord: zij gevoelde zich overtuigd van de schuld van haren echtgenoot en verliet de vergadering in de grootste ontsteltenis.Even als de schoone Poes,—die hoewel de jongste van[58]het kattengeslacht niet in wreedheid onderdoet voor de oudere takken van hare familie, en ofschoon minder in kracht, den edelen tijger zelven in woestheid evenaart,—even als de poes, wanneer het muisje, dat zij, lang spelende, gemarteld heeft, hare klaauwen ontsnapt, een tijdlang gromt, knort, raast en tiert, en zoodra de kist of koffer, waarachter het diertje schuilt, uit den weg geruimd is, pijlsnel op haar slagtoffer schiet, en het met verbitterde woede bijt, krabt, knaauwt en verscheurt,—zoo ook, en met geene mindere woestheid, vloog jufvrouw Partridge den armen schoolmeester aan.Met tong, tanden en handen viel zij hem tegelijk aan. Zijne pruik werd hem in een oogenblik van het hoofd gerukt; het hemd hem van het lijf,—en van zijn gelaat vloeiden vijf stroomen bloeds, het getal der klaauwen aanwijzende waarmede de natuur ongelukkig zijne vijandin gewapend had.De heer Partridge bepaalde zich een tijdlang tot de verdediging;—en deed slechts zijn best om met de handen zijn gezigt te beschermen; daar hij echter ondervond, dat de woede zijner vijandin niet verminderde, dacht hij ten minste haar te mogen ontwapenen, of liever hare armen vast te houden waarbij,in de worsteling, hare muts afviel, en haar hoofdhaar, te kort om op hare schouders te vallen, ten berge rees, terwijl haar keurslijf, dat slechts door één knoopje onderaan vastgemaakt was, open sprong, en hare borsten, die weelderiger waren dan haar hoofdsieraad, tot beneden haar midden afhingen;—haar gelaat was ook bevlekt met het bloed van haar man; zij knarste woedend op de tanden, en vonken, als van een smids vuur, vlogen uit hare oogen. Over het geheel dus had deze Amazone een veel heldhaftiger man dan den heer Partridge schrik en vrees kunnen aanjagen.Eindelijk had hij het geluk, hare armen vast te kunnen houden, en alzoo de wapenen, welke zij aan het einde der vingers had, onbruikbaar te maken, en zoodra zij dit bemerkte, kreeg de zwakheid, aan haar geslacht eigen, de bovenhand op hare woede, en zij barstte in tranen uit, en eindigde met het hevig op de zenuwen te krijgen.De weinige tegenwoordigheid van geest, welke de heer Partridge tot dus ver bewaard had, bij dit woedende tooneel,[59]welks oorzaak hem geheel onbekend was, liet hem nu in den steek. Hij liep de deur uit, op straat, roepende dat zijne vrouw stervende was, en de buren smeekende zich te haasten om hulp te verleenen. Verscheidene goede vrouwen gehoorzaamden aan zijn wensch, en kwamen bij hem binnen, en daar zij de gewone middelen gebruikten bij zulke gevallen, kwam jufvrouw Partridge eindelijk bij, tot groote vreugde van haar man.Zoodra zij weder tot besef gekomen was en door gebruik van een hartversterking iets bedaard was, begon zij het gezelschap bekend te maken met al hare grieven tegen haar man, die, zoo als zij beweerde, niet slechts zijn huwelijkstrouw geschonden had, maar ook, zoodra zij hem dat verweten had, haar met de meest mogelijke wreedheid behandeld, de muts en het haar van haar hoofd en het korset van haar lijf gerukt, en haar tevens een pak slagen gegeven had, waarvan zij de teekenen mede in het graf zou nemen.De arme man, die op het gelaat vele zigtbare sporen vertoonde van de woede zijner vrouw, stond in stomme verbazing bij deze beschuldiging, welke, zoo als de lezer getuigen kan, lang niet met de waarheid overeen kwam; want, inderdaad, had hij haar geen één slag toegebragt;—maar daar zijn stilzwijgen, door alle aanwezigen als een blijk zijner schuld aangemerkt werd, begonnen zij ook alle,una voce, hem te verwijten en te bekijven, steeds herhalende dat alleen een lafaard de hand kon opheffen tegen eene vrouw.De heer Partridge verdroeg dit alles met veel geduld; maar toen zijne vrouw wees op het bloed op haar aangezigt, om zijne wreedheid te bewijzen, kon hij niet laten zijne aanspraken te doen gelden op zijn eigen bloed, gelijk het wezenlijk was,—daar hij het voor zeer onnatuurlijk hield, dat het verschijnen zou (gelijk men ons leert dat het geval is met dat van een vermoorde), om wraak op hem te eischen.Hierop verwaardigden zich de vrouwen geen ander antwoord te geven, dan dat het jammer was, dat het niet van zijn hart, in plaats van zijn gezigt kwam, verklarende, allen tegelijk, dat alsharemannen de hand tegen haar ophieven, zij hun hartebloed zouden willen hebben.[60]Na vele verdere verwijtingen over het gebeurde, en veel goeden raad aan den heer Partridge omtrent zijn toekomstig gedrag, ging het gezelschap eindelijk uiteen, en liet man en vrouw alleen om de zaak onderling te bespreken, bij welke gelegenheid de heerPartridgede oorzaak zijner rampen vernam.[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende veel om verstand en oordeel van den lezer te scherpen.Het komt mij voor eene zeer juiste opmerking te zijn, dat slechts weinige geheimen het eigendom van één persoon blijven; zeker is het, dat men het haast als een wonder zou kunnen beschouwen, als een feit van dezen aard aan eene geheele gemeente kon bekend zijn, zonder verder verspreid te worden.En, inderdaad, slechts weinige dagen verliepen er eer iedereen in de omstreken, gelijk men platweg zegt, „vol was” van den schoolmeester van Klein-Baddington, die, zoo als men verzekerde, zijne vrouw op zulk eene wreede wijze mishandeld had. Ja, er werd zelfs op sommige plaatsen verzekerd, dat hij haar vermoord had;—elders, dat hij haar de armen,—en op andere plaatsen weder, dat hij haar de beenen gebroken had;—met één woord, er bestaat naauwelijks ééne verminking, welke een menschelijk wezen ondergaan kan, of het werd hier of daar verteld, dat jufvrouw Partridge die van haar man ondergaan had.Er bestond ook nog verschil in de opgaven omtrent de oorzaak van dezen twist: want terwijl sommigen verzekerden, dat jufvrouw Partridge haar echtgenoot in bed met de meid gevonden had, werden ook velerlei redenen van geheel anderen aard door anderen opgegeven. Ja, sommigen gingen zoo ver, dat zij de vrouw in plaats van den man beschuldigden, en de ijverzucht aan hem toeschreven.Jufvrouw Wilkins had lang geleden dezen twist vernomen; daar echter eene geheel andere aanleiding daartoe dan de wezenlijke hare ooren bereikt had, vond zij goed er niets[61]van te zeggen, te eerder, welligt, daar de heer Partridge algemeen de schuld kreeg, en omdat zijne vrouw, toen zij bij den heer Allworthy diende, op de eene of andere wijze mejufvrouw Wilkins, die niet zeer vergevensgezind was, beleedigd had.Maar jufvrouw Wilkins, die zeer goed op een afstand kon zien, en die ook even goed een paar jaren vooruit zag, had de groote waarschijnlijkheid ontdekt, dat de kapitein Blifil in lateren tijd haar heer zou worden, en daar zij duidelijk begreep, dat de kapitein den kleinen vondeling niet zeer genegen was, verbeeldde zij zich den heer Blifil eene gewenschte dienstte bewijzen, met eene ontdekking, welke strekken kon om de liefde, welke de heer Allworthy voor het kind scheen opgevat te hebben en die den kapitein blijkbaar hinderde, te doen verminderen;—daar, zelfs in het bijzijn van den heer Allworthy, de kapitein zijne ongerustheid hierover niet geheel verbergen kon, hoewel zijne vrouw, die hare rol, als er menschen bij waren veel beter volhield, hem herhaaldelijk vermaande om haar voorbeeld te volgen en de dwaasheid van haar broeder door de vingers te zien, welke zij, gelijk zij betuigde, ten minste even goed inzag en wraakte, als wie ook ter wereld.Toen dus jufvrouw Wilkins, bij toeval, de ware geschiedenis van den twist op het spoor kwam, hoewel lang nadat die afgeloopen was, rustte zij niet tot zij volkomen ingelicht was omtrent alle bijzonderheden,—waarop zij den kapitein berigtte, dat zij eindelijk den vader van den kleinen vondeling ontdekt had, om wiens wille het haar speet te zien, zeide zij, dat haar meester zooveel van zijn goeden naam opofferde.De kapitein berispte haar om dit laatste gezegde, als zijnde het eene zeer ongepaste aanmatiging van haar kant, om een oordeel te willen vellen over de handelingen van haar meester; want als zijn eergevoel en zijn verstand toegelaten hadden dat hij een bondgenootschap sloot met jufvrouw Wilkins, zou zijn hoogmoed dat nooit hebben willen toegeven. En, het is eene stellige waarheid, dat niets onstaatkundiger kan zijn, dan ooit een bondgenootschap te sluiten met de dienstboden van een vriend tegen hun heer; want juist hierdoor wordt men later de slaaf van deze dienaren, door wie men aanhoudend[62]gevaar loopt van verraden te worden. Het was welligt juist deze bedenking, welke belette dat de kapitein Blifil zich nader verklaarde aan jufvrouw Wilkins, of dat hij hare berisping van Allworthy’s gedrag aanmoedigde.Maar, ofschoon hij bij deze ontdekking geen blijk van voldoening gaf aan jufvrouw Wilkins, was hij, in zijn hart, er niet weinig blijde mede, en besloot er zooveel mogelijk nut van te trekken.Hij hield de zaak echter lang voor zich, in de hoop, dat de heer Allworthy ze van iemand anders vernemen zou; maar jufvrouw Wilkins, hetzij uit toorn over het gedrag van den kapitein, of dat zij het slagtoffer zijner meerdere sluwheid werd, en vreesde hem door de ontdekking te mishagen, liet zich geen woord meer omtrent de heele zaak ontvallen.Bij nader inzien, heb ik het wel eenigzins vreemd gevonden, dat de huishoudster mevrouw Blifil dit nieuws niet mededeelde, daar de vrouwen meer geneigd zijn allerlei nieuwtjes liever aan iemand van haar eigen, dan van ons geslacht te openbaren. De eenige wijze, dunkt me, om dit bezwaar op te lossen, is om alles toeteschrijven aan de verkoeling, die er nu heerschte tusschen de dame en de huishoudster;—die welligt voortsproot uit jaloerschheid bij mevrouw Blifil, omdat Wilkins den vondeling te veel eerbied bewees; want, terwijl zij haar best deed het kind te benadeelen, ten einde een wit voetje bij den kapitein te krijgen, roemde zij het dagelijks meer en meer bij Allworthy,—naarmate zijne ingenomenheid met den jongen vermeerderde. Niettegenstaande nu de zorg, welke zij droeg, om bij andere gelegenheden mevrouw Blifil van het tegendeel te overtuigen, beleedigde dit misschien die fijn gevoelige dame, die nu zeker jufvrouw Wilkins haatte; en hoewel zij bij geene mogelijkheid de gelegenheid kon bedenken om haar uit hare dienst te verwijderen, wist zij wel de middelen te vinden, om haar het leven zeer zuur te maken. Dit vertoornde eindelijk jufvrouw Wilkins in zulke mate, dat zij openlijk den meesten eerbied en liefde voor den kleinen Tom aan den dag legde,—alleen om zich tegen mevrouw Blifil te verzetten.Daar de kapitein dus begreep, dat de ontdekking gevaar[63]liep van in het vergeetboek te geraken, nam hij eindelijk de gelegenheid waar om ze zelf mede te deelen.Op zekeren dag was hij in een gesprek gewikkeld met den heer Allworthy over de liefdadigheid, en de kapitein bewees zeer geleerd aan den heer Allworthy, dat in de Heilige Schrift onder christelijke liefde nergens mildheid of weldadigheid verstaan wordt.„De christelijke godsdienst,” zeide hij, „was tot een edeler doel ingesteld, dan om ons eene les op te dringen, welke vele heidensche wijsgeeren ons reeds vroeger gegeven hadden, en die, hoewel men ze welligt eene zedelijke deugd kon noemen, weinig zweemde naar dien verheven christelijken gemoedsaard, dien verbazenden adel van denkwijze, die in hare zuiverheid de engelachtige volmaaktheid nabij kwam, en die alleen verkregen uitgedrukt, en gevoeld kon worden door middel der goddelijke genade.Diegenen,” zeide hij „begrepen beter hetgeen in de Heilige Schrift bedoeld wordt, die onder christelijke liefde de opregtheid begrepen; dat is, het vellen van een welwillend oordeel over onze broederen, en eene zachte beoordeeling hunner handelingen,—eene deugd, die veel verhevener en grootscher van aard was dan eene ellendige uitdeeling van aalmoezen, welke, hoezeer we ook onze eigene naastbestaanden daardoor benadeelden of zelfs te gronde rigtten, slechts zeer weinigen ten bate konden komen, terwijl de liefdadigheid in den anderen, waren zin, tot het geheele menschdom uitgestrekt kon worden.„Als men in aanmerking neemt,” voegde hij er bij, „wie de apostelen waren, dan zou het ongerijmd zijn te denken, dat hun de leer der mildheid, in den zin van aalmoezen geven, gepredikt werd. En daar wij ons niet goed voorstellen kunnen, dat deze leer door den goddelijken Verlosser aan menschen gepredikt zoude zijn, die ze niet beoefenen konden,—zoo ook moeten wij ons niet verbeelden, dat diegenen, die ze beoefenen kunnen en dit niet doen, ze verstaan.„Hoewel er nu,” vervolgde hij, „naar ik vrees, weinig goeds is in het betoonen van zulke weldaden,—zouden ze toch, dat beken ik, vergezeld zijn van eenig genot voor elk goed hart, zoo dat niet verminderd werd door ééne bedenking. Ik bedoel, dat wij onderhevig zijn aan het gevaar om ons bedrogen[64]te zien, en onze grootste gunsten dikwijls te bewijzen aan menschen, die ze niet verdienen,—zooals gij bekennen moet dat met u het geval was met dien nietswaardigen vent, dien Partridge;—want een stuk of wat voorbeelden van dien aard moeten de inwendige voldoening zeer verminderen, welke een braaf mensch anders door zijne weldadigheid zou ondervinden;—ja, hem zelfs schroomvallig maken in het geven, uit vrees van zich schuldig te maken aan het bevorderen der ondeugd en het aanmoedigen der boosheid,—eene zeer zware misdaad, voor welke het volstrekt geene verontschuldiging zou zijn te beweeren, dat men iets van dien aard volstrekt niet beoogde,—tenzij men uiterst voorzigtig zij geweest in de keuze der voorwerpen zijner mildheid. En ik twijfel niet, of deze bedenking heeft de mildheid van menigen waardigen en vromen man zeer getemperd.”De heer Allworthy gaf tot antwoord: „Dat hij op het punt van het Grieksch niet met den kapitein op dezelfde hoogte was, en daarom niets zeggen kon van de wezenlijke beteekenis van het woord, dat door liefde vertaald wordt, maar dat hij zich toch altijd verbeeld had, dat het begrip van handelen er noodzakelijk aan verbonden, en dus het geven van aalmoezen ten minste eene eigenschap van die deugd was.„Wat de verdienstelijkheid daarvan betrof,” zeide hij, „daaromtrent was hij het met den kapitein eens; want er was niets verdienstelijks in, dat men slechts zijn pligt deed, die, welken zin men ook verkoos te geven aan het woord christelijke liefde, toch duidelijk genoeg aangewezen werd door de geheele strekking van het Nieuwe Testament. En, even als hij het beschouwde als een pligt, die niet verwaarloosd mogt worden,—die aanbevolen werd door de christelijke leer en de wetten der natuur zelve, zoo was die ook tevens zoo aangenaam, dat als men zeggen kon, dat de vervulling van eenigen pligt ter wereld hare eigene belooning medebragt, en zich zelve voldoening schonk, het dan juist de beoefening van dezen pligt was.”„Om de waarheid te zeggen,” vervolgde hij, „er is één graad van mildheid,—of liefdadigheid, zou ik ze genoemd hebben,—die eenigen schijn van verdienste heeft, en dat[65]is, wanneer men uit grondbeginselen van welwillendheid en christelijke liefde iemand anders iets geeft, dat men zelf wezenlijk noodig heeft,—als wij, ten einde de rampen van anderen te lenigen, ons verwaardigen een gedeelte er van op onze eigene schouders te nemen, door hun dat te schenken, wat onze behoeften voor ons onmisbaar maken. Dit is, dunkt me, verdienstelijk; maar om onze broederen slechts met onzen overvloed te helpen; om liefdadig te zijn, ik moet dat woord gebruiken,—alleen ten koste van onze beurs, en niet van ons zelve,—om liever vele huisgezinnen uit de ellende te redden dan een zeldzaam schilderstuk in onze kamer op te hangen, of eenige andere, nietige, bespottelijke ijdelheid te voldoen, schijnt niets meer dan menschelijk te zijn. Ja, ik waag het zelfs verder te gaan, en te verklaren, dat het eenigermate op de handelwijze van een lekkerbek gelijkt; want, wat zou de grootste lekkerbek liever doen, dan met vele in plaats van met slechts één mond te eten, hetwelk, dunkt me, ongeveer het geval is met iemand, die weet dat velen door zijne mildheid gevoed worden?”„Wat de vrees betreft van zijne goedheid te verspillen aan diegenen, die ze welligt onwaardig zullen wezen, omdat reeds velen vroeger onwaardig geweest zijn; dit mag zeker een goed mensch niet afschrikken van mild te zijn. Ik geloof niet, dat eenige, of vele voorbeelden van ondankbaarheid het regtvaardigen kunnen, dat iemand zijn hart sluit tegen de rampen zijner medemenschen; ik geloof ook niet, dat zoo iets gebeuren kan, als men wezenlijk welwillend is. Niets dan de overtuiging van de algemeene bedorvenheid, kan een goed mensch geheel van het betoonen van liefdadigheid afschrikken, en eene dergelijke overtuiging moet hem of tot atheïsme of tot geestdrijverij leiden. Het is ook zeker onredelijk om tot de algemeene bedorvenheid te besluiten, omdat er enkele bedorvene menschen zijn, en ik verbeeld me ook niet, dat die ooit aangenomen wordt door iemand, die na rijp onderzoek in zijn eigen hart, ééne uitzondering op den algemeenen regel vond.”Hij eindigde met de vraag: „Wien hij toch bedoelde met dien Partridge, dien hij een schelm genoemd had?”„Ik bedoel,” zei de kapitein, „Partridge, den barbier,[66]den schoolmeester, of hoe ge hem heet? Partridge, den vader van het kindje, dat ge in uw bed vondt.”De heer Allworthy liet groote verwondering blijken bij deze woorden, en de kapitein scheen niet minder verbaasd over zijne onwetendheid; want hij zeide het meer dan eene maand lang geweten te hebben, en herinnerde zich eindelijk, met veel moeite, dat hij het van jufvrouw Wilkins gehoord had.Hierop werd Wilkins dadelijk geroepen, die hetgeen de kapitein gezegd had, bevestigd hebbende, door den heer Allworthy, op raad van den kapitein, naar Klein-Baddington gezonden werd, om de zaak te onderzoeken; want de kapitein toonde een grooten afkeer van overhaasting in alle criminele zaken en verklaarde dat hij niet hebben wilde dat de heer Allworthy eenig besluit nam tot nadeel van het kind of zijn vader, eer hij de overtuiging gekregen had, dat deze laatste schuldig was: want hoewel hij zelf overtuigd was door hetgeen hij vernomen had van een van Partridge’s buren, was hij veel te edelmoedig om zoo iets tot bewijs bij den heer Allworthy te doen strekken.[Inhoud]Hoofdstuk VI.De teregtstelling van Partridge, den schoolmeester, wegens oneerbaarheid; de getuigenis door zijne vrouw afgelegd; eene korte herinnering aan de wijsheid onzer wetten, met andere ernstige zaken, die hun het best bevallen zullen, welke ze het best verstaan.Men zal zich welligt verwonderen, dat een zoo welbekend verhaal, hetwelk zoo veel stof tot gesprek opgeleverd had, nooit was medegedeeld aan den heer Allworthy zelven, de eenige mensch welligt in den omtrek, die er nooit van gehoord had.Om dit eenigzins aan den lezer te verklaren, acht ik het noodig ter zijner kennis te brengen, dat er niemand in het geheele rijk was, die er minder belang bij had om de stelling aangaande de beteekenis van het woord „christelijke liefde”[67]te bestrijden, dan die goede man. Inderdaad kon hij in alle opzigten aanspraak op deze deugd maken; want even als er niemand was die gevoeliger kon zijn voor den nood van anderen, of meer gereed om in hunne behoeften te voorzien, zoo kon er ook niemand zijn, die kiescher was omtrent hun goeden naam en onwilliger om iets tot hun nadeel aan te hooren.De laster vond dus nooit ingang bij hem; want, even als lang geleden opgemerkt werd, dat men iemand naar zijn omgang beoordeelen kan, zoo waag ik ook te zeggen, dat men door te luisteren naar de gesprekken aan tafel van een groot man, inzigt kan krijgen in zijne godsdienst, zijne staatkunde, zijn smaak en, in één woord, in zijn geheel karakter; want, hoewel er eenige wonderlijke menschen zijn, die overal hunne eigene meeningen voor den dag brengen, zijn op verre na de meeste menschen hovelingen genoeg om hun gesprek in te rigten naar den zin en de neigingen van hunne meerderen.Maar om terug te komen op jufvrouw Wilkins: deze, haar boodschap met veel spoed verrigt hebbende, hoewel op een afstand van vijftien Engelsche mijlen, bragt zulk eene zekere bevestiging mede van de schuld van den schoolmeester, dat de heer Allworthy besloot den misdadiger te ontbieden, en hemviva vocete ondervragen.De heer Partridge werd dus gedagvaard om te verschijnen en zich te verdedigen (als hij dat kon), tegen de ingebragte beschuldiging.Op het bepaalde uur verschenen voor den heer Allworthy, ten huize het Paradijs genaamd voornoemde Partridge, met zijne wettige huisvrouw Anna, en de aanklaagster, jufvrouw Wilkins.En nu, de heer Allworthy in den regterstoel gezeten zijnde, werd Partridge vóór hem gebragt, die na de beschuldiging van jufvrouw Wilkins aangehoord te hebben, alles loochende, met vele hartstogtelijke betuigingen zijner onschuld.Daarop werd jufvrouw Partridge ondervraagd, die na eene zedige betuiging van haar leedwezen, dat zij tegen haar man toch de waarheid moest zeggen, alle omstandigheden vermeldde, waarmede de lezer reeds bekend is, en eindigde[68]met de verklaring, dat haar echtgenoot schuld bekend had.Ik wil niet wagen te beslissen of zij hem vergeven had of niet; maar het is zeker dat zij ongaarne getuigenis aflegde, en het is waarschijnlijk, om zekere andere redenen, dat zij nooit op die wijze zich verklaard zou hebben, zoo jufvrouw Wilkins niet op de meest listige wijze, in haar eigen huis, alles van haar uitgevischt had, en beloften gedaan, uit naam van den heer Allworthy, dat haar man op geenerlei wijze gestraft zou worden, die zijn huisgezin kon benadeelen.Partridge hield vol met zijne onschuld te betuigen, hoewel hij niet loochenen kon, dat hij de bekentenis afgelegd had, wat hij echter trachtte te verklaren door de verzekering dat ze hem afgeperst werd door de lastigheid zijner vrouw, die zwoer, dat, daar zij van zijne schuld overtuigd was, zij nooit uitscheiden zou met hem te plagen tot hij ze bekend had,—waartegen zij beloofde, van haar kant, hem nooit iets meer daarvan te zeggen. Om deze reden, zeide hij, was hij er toe gekomen, zich valschelijk te beschuldigen, hoewel hij geheel onschuldig was,—en hij geloofde, dat hij, met hetzelfde doel, ook een moord zou bekend hebben.Jufvrouw Partridge kon geen geduld vinden om dit alles aan te hooren, en daar zij, in dit geval, tot geen ander hulpmiddel dan de tranen hare toevlugt nemen kon, riep zij de hulp daarvan in, en zich tot den heer Allworthy wendende, zeide, of liever, snikte zij:„Met uw verlof, mijnheer, nooit werd eene vrouw zóó mishandeld als ik door dezen slechten man! Want dit is niet het eerste voorbeeld van zijn ontrouw! Neen, mijnheer! Met uwe permissie,—hij heeft menigmaal al de huwelijkssponde ontheiligd! Ik had zijn dronkenschap en het verwaarloozen zijner zaken kunnen verdragen, als hij niet de heilige geboden geschonden had! Daarenboven, als het buiten ’s huis geschied was, zou ik het me niet zóó aangetrokken hebben! Maar met mijne eigene dienstbode, in mijn eigen huis, onder mijn eigen dak, zóó mijn eigen kuisch bed te bezoedelen met zijne smerige meiden! Ja, gij schandaal dat hebt ge gedaan! En dan beschuldigt[69]ge mij, dat ik u gedwongen heb zoo iets te bekennen! Is dat nu waarschijnlijk, mijnheer, dat ik hem zou kunnen dwingen?—Ik kan nog de lidteekens op mijn ligchaam laten zien, die zijne wreedheid bewijzen! Als ge een man waart, schelm, dan zoudt ge u schamen, eene vrouw op die wijze te mishandelen! Maar ge zijt geen man:—dat weet ge wel!—Neen, ge zijt geen halve man voor mij geweest! En gij moest nog anderen naloopen! ’t is wat moois, terwijl ik zeker weet——. En nu dat hij me tergt, ben ik gereed, mijnheer, om een plegtigen eed te doen, dat ik hen zamen in bed vond! Hoe! Ge zult niet vergeten hebben, dat ge me sloegt tot ik een toeval kreeg en het bloed van mijn gezigt afstroomde, alleen omdat ik u, zoo beleefd mogelijk, uw ontrouw verweet! Maar de buren, die kunnen alles getuigen. Ge hebt me haast het hart gebroken! Ja, dat hebt ge gedaan!”Hier viel de heer Allworthy haar in de rede en smeekte haar te bedaren, haar belovende dat haar regt zou wedervaren; en zich daarop tot Partridge wendende, die verstomd stond, half door verbazing en half door vrees verbijsterd, zeide hij, dat het hem speet te vernemen, dat er zoo veel slechtheid in de wereld bestond. Hij verzekerde hem dat al zijne onopregtheid en heen en weer praten slechts strekken kon om zijne schuld zeer te vermeerderen, die hij alleen vergoeden kon door openhartige bekentenis en berouw. Hij vermaande hem dus te beginnen met het feit te bekennen, en niet vol te houden met datgene te loochenen, dat zoo duidelijk tegen hem bewezen werd door zijne eigene vrouw.Hier, lezer, moet ik u smeeken een oogenblik geduld te hebben, terwijl ik u en mij, met regt, geluk wensch met de groote billijkheid en wijsheid onzer wetgeving, die weigert het getuigenis eener vrouw vóór of tegen haar man aan te nemen. „Dit,” zegt zekere geleerde schrijver, die tot dus ver, naar ik meen, nooit anders dan in een regtsgeleerd werk aangehaald werd, „zou ook het middel wezen, om eeuwigdurende twisten tusschen hen te veroorzaken. Het zou inderdaad aanleiding geven tot vele meineeden, tot veelgegeessel, boeten, gevangenschap, deportatie en ophangen.”[70]Partridge bleef een tijdlang zwijgen, tot hem bevolen werd te spreken, en toen verklaarde hij reeds de waarheid gezegd te hebben, en riep den hemel tot getuige om zijne onschuld te openbaren, en eindelijk ook het meisje zelf, om wie hij den heer Allworthy smeekte dadelijk te zenden; want hij wist niet, of gaf voor niet te weten, dat zij die omstreken reeds verlaten had.De heer Allworthy wiens aangeborene liefde tot de regtvaardigheid, gevoegd bij zijne eigene bedaardheid, hem altijd tot een zeer geduldigen magistraat maakte, waar het gold het verhooren van alle getuigen, die een beschuldigde aanbrengen kon om zich te verdedigen, stemde er in toe de beslissing van de zaak uit te stellen tot de aankomst van Jenni, om wie hij dadelijk een bode zond. Daarop, na den vrede tusschen man en vrouw verder aanbevolen te hebben hoewel, hij zich op dit punt voornamelijk tot den verkeerden persoon wendde, bepaalde hij den derden dag na dien voor het tweede verhoor; want hij had Jenni eene geheele dagreis ver van zijn eigen huis gezonden.Op den bestemden tijd kwamen alle partijen weer zamen, toen de bode het berigt medebragt, dat Jenni niet te vinden was, daar zij een paar dagen te voren, hare woning verlaten had met een officier, die bezig was met rekruteren.De heer Allworthy verklaarde nu dat de getuigenis van zulk een slecht mensch als zij bleek te zijn, geen geloof zou verdiend hebben; maar zeide dat hij niet laten kon te gelooven, dat als zij tegenwoordig geweest ware en de waarheid had willen zeggen, zij ook datgene had moeten bevestigen, wat reeds genoegzaam bewezen scheen door zoo vele omstandigheden, door de bekentenis van Partridge zelven en door de verklaring der vrouw, dat zij haar echtgenoot op heeter daad betrapt had. Daarom, vermaande hij Partridge nogmaals ernstig tot bekentenis te komen;—daar deze echter nog steeds zijne onschuld volhield, verklaarde de heer Allworthy zich van zijne schuld overtuigd en dat hij een te slecht mensch was om verder eenige ondersteuning van hem te verdienen. Hij benam hem dus het jaargeld, dat hij van hem kreeg, en beval hem aan[71]berouw te toonen, om den wille van het leven hier namaals, en tevens den meesten vlijt aan den dag te leggen, ten einde in dit leven zich zelven en zijne vrouw te onderhouden.Er zijn welligt weinige ongelukkiger menschen dan die arme Partridge! Ten gevolge van de getuigenis zijner vrouw, had hij het grootste gedeelte van zijn inkomen verloren, en moest nog dagelijks het verwijt van haar hooren, dat hij haar van dit voordeel beroofd had, en zich aan dat onverdiend oordeel onderwerpen.Hoewel ik hem nu pas den armen Partridge genoemd heb, wenschte ik echter dat de lezer, dat woord toeschreef eerder aan mijn medelijdenden aard, dan dat hij het opvatte als eene verklaring zijner onschuld. Het zal welligt later blijken, of hij onschuldig was of niet; maar zoo de muze der geschiedenis mij eenig geheim heeft toevertrouwd, zal ik mij wachten het te verklappen eer zij het mij veroorloofd heeft.Voor het oogenblik moet de lezer dus zijne nieuwsgierigheid beteugelen. Zeker echter blijft het, dat hoe het ook met de waarheid stond, er meer dan voldoende bewijzen waren om hem in Allworthy’s oogen schuldig te doen schijnen;—inderdaad, men had nog met veel minder kunnen volstaan voor eene regtbank, bij eene kwestie van legitimiteit, en toch, niettegenstaande de zekerheid van jufvrouw Partridge, die een eed omtrent de zaak had willen afleggen, is het mogelijk dat de schoolmeester geheel onschuldig was; want hoewel het duidelijk bleek, uit de vergelijking van den tijd van Jenni’s vertrek uit Klein-Baddington, met dien harer verlossing, dat zij daar zwanger van het kind was geworden, behoefde het volstrekt niet als een zeker gevolg aangemerkt te worden, dat Partridge de vader moest zijn. Want, om van geene andere bijzonderheden melding te maken, was er in hetzelfde huis een jongen van bijna achttien jaar, tusschen wien en Jenni er gemeenzaamheid genoeg bestaan had, om er geene ongegronde vermoedens op te vestigen,—en toch, is de ijverzucht zoo blind, dat deze omstandigheid der verwoede vrouw nooit in het hoofd kwam.Het blijkt niet of Partridge den raad volgde van den[72]heer Allworthy en berouw toonde, of niet. Maar het is zeker dat zijne vrouw berouw kreeg over de getuigenis, welke zij tegen hem afgelegd had, vooral toen zij ontdekte, dat jufvrouw Deborah haar bedrogen had, en nu weigerde een goed woord voor haar te spreken bij den heer Allworthy. Zij was echter eenigzins voorspoediger bij mevrouw Blifil, die, zoo als de lezer opgemerkt zal hebben, eene veel goedaardiger vrouw was, en die zeer vriendelijk op zich nam haar broeder te verzoeken het jaargeld weder te geven. Hoewel nu hare goedheid eenig deel had in deze handelwijze, zal men in het volgende hoofdstuk eene veel krachtiger en natuurlijker beweegreden daartoe vinden.Haar verzoek bleef echter zonder gevolg; want hoewel de heer Allworthy zich niet verbeeldde, met sommige nieuwere schrijvers, dat de barmhartigheid zich alleen vertoont in het bestraffen der misdadigers, was hij er ook even ver van verwijderd, om het voor eene eigenschap van deze uitstekende deugd te houden, om zonder eenigen grond aan groote misdadigers willekeurig genade te schenken. Eenige twijfel, of verzachtende omstandigheid, werd nooit door hem over het hoofd gezien; maar het smeeken van den misdadiger, of de tusschenkomst van anderen bleven altijd zonder uitwerking op hem. Met één woord, hij schonk nooit vergiffenis, omdat de schuldige zelf, of diens vrienden, wenschten dat hij niet gestraft zou worden.Partridge en zijne vrouw moesten zich dus beide schikken in hun lot, dat inderdaad hard genoeg was; want verre van zijn vlijt te verdubbelen nadat zijn inkomen verminderd was, gaf hij zich in zekere mate aan de wanhoop over, en lui van aard zijnde, verergerde die ondeugd nu bij hem, zoodat zijne kleine school verliep en hij zelf, noch zijne vrouw, een stuk brood te eten zouden gehad hebben, als de mildheid van zeker goed christen niet tusschenbeide gekomen ware, om hen van het volstrekt noodzakelijke tot hun onderhoud te voorzien.Daar deze hulp hun door een onbekende verstrekt werd, verbeeldden zij zich, en dat zal zonder twijfel de lezer ook doen, dat de heer Allworthy hun geheime weldoener was, die, ofschoon hij niet in het openbaar de ondeugd aanmoedigen wilde, toch in stilte de ellende der misdadigers[73]zelve verzachten kon, als die te groot en te weinig geëvenredigd was aan hunne boosheid.Het noodlot zelf scheen nu hunne ellende uit dit oogpunt te beschouwen, en eindelijk medelijden te hebben met het ongelukkige paar, daar het de rampen van Partridge aanmerkelijk verzachtte, door hem van zijne vrouw te verlossen, die de kinderpokken kreeg en spoedig onder die ziekte bezweek.De regtvaardigheid, welke de heer Allworthy omtrent Partridge uitgeoefend had, vond aanvankelijk algemeene goedkeuring; maar zoodra de schoolmeester de gevolgen daarvan begon te ondervinden, begonnen ook zijne buren vermurwd te worden, medelijden met hem te gevoelen, en spoedig daarna, dat, wat zij pas regtvaardigheid genoemd hadden, als overdrevene strengheid af te keuren. Zij voeren er tegen uit, dat men in koelen bloede straffen konde, en prezen de deugden van genade en barmhartigheid hemelhoog.Dit geschreeuw vermeerderde zeer bij den dood van jufvrouw Partridge, welke ofschoon toeteschrijven aan bovengenoemde ziekte, die geen gevolg is van armoede en gebrek, door velen, zeer onbeschaamd, geweten werd aan de strengheid, of zooals zij het nu noemden, de wreedheid van den heer Allworthy.Daar Partridge nu zijne vrouw, zijne school en zijn inkomen verloren had, en ook de onbekende weldoener de boven vermelde ondersteuning verder naliet, besloot hij van tooneel te veranderen, en verliet de streek, waar hij gevaar liep van te verhongeren, in weerwil van het algemeene medelijden zijner naasten.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Eene korte schets van het geluk, dat een wijs gehuwd paar in den haat kan vinden; met eene verontschuldiging van die menschen, die de onvolmaaktheden hunner vrienden over het hoofd zien.Hoewel de kapitein den armen Partridge geheel te grond gerigt had, had hij er toch niet de voordeelen van ingeoogst,[74]welke hij gehoopt had, namelijk om den heer Allworthy den vondeling de deur uit te zien zetten.Integendeel, die heer werd bij den dag meer gehecht aan den kleinen Tom, alsof hij zijne strengheid tegen den vader door buitengewone liefde en goedheid voor den zoon wilde vergoeden.Dit verbitterde zeer het humeur van den kapitein, even als andere, dagelijksche voorbeelden van de mildheid van den heer Allworthy; want hij beschouwde alle dergelijke liefdadige uitgaven, als alleen strekkende om zijn eigen rijkdom te verminderen.Hierin, zooals wij gezegd hebben, was hij het niet met zijne vrouw eens,—evenmin als in iets anders; want hoewel vele wijze menschen aannemen, dat eene genegenheid die op het verstand berust, duurzamer is dan eene, die op de schoonheid gegrond is, bleek het tegenovergestelde waar te zijn in het onderhavige geval. Ja, het was het wederzijdsche verstand van dit paar, dat de hoofdbron van twist werd, en ééne der voornaamste oorzaken van de veelvuldige oneenigheden, welke, met der tijd, tusschen hen ontstonden; en die eindigden, van den kant der dame, met eene diepe minachting van haar man, terwijl de echtgenoot er toe kwam, zijne vrouw in alle opzigten te verfoeijen.Daar beide hunne gaven grootendeels besteed hadden aan de studie der godgeleerdheid, werd deze spoedig na hunne eerste kennismaking het hoofd-onderwerp hunner gesprekken. De kapitein, als beleefd man, had, vóór zijn huwelijk, altijd zijn gevoelen opgegeven, als het in strijd was met dat der dame, en dit geschiedde volstrekt niet naar de wijze van een lompen, onhandigen, verwaanden domkop, die, hoewel hij beleefdelijk zwicht voor een gegrond argument, toch begeert, dat men inzie, dat hij gelooft het regt aan zijne zijde te hebben. De kapitein, integendeel, hoewel een der hoogmoedigste menschen ter wereld, liet de overwinning zoo onbepaald aan zijne tegenpartij, dat zij, die in het minst niet twijfelde aan zijne opregtheid, altijd den twist ten einde zag loopen met de meeste bewondering van haar eigen verstand en zeer veel ingenomenheid met het zijne.Maar hoewel deze toegevendheid jegens iemand, die hij[75]diep verachtte, hem toen niet zoo moeijelijk viel, als het geval zou geweest zijn, wanneer hij om eenig vooruitzigt op bevordering genoodzaakt was geweest zich op dezelfde wijze te onderwerpen aan den Bisschop Hoadley, of eenigen anderen beroemden theologant, kostte ze hem toch te veel, om ze zonder eenige nevenbedoeling te dragen. Zoodra dus het huwelijk deze nevenbedoeling uit den weg geruimd had, verveelde hem zijne vriendelijkheid en hij begon de gevoelens zijner vrouw met dien hoogmoed en die onbeschoftheid te behandelen, welke alleen aan den dag gelegd worden door diegenen, die zelve eenige minachting verdienen, en die alleen kan verdragen worden door diegenen, welke geene minachting verdienen.Toen de eerste vlagen van teederheid voorbij waren,—en in de kalme en lange tusschenpoozen tusschen de aanvallen daarvan,—toen het gezond verstand der dame de oogen begon te openen, en zij deze verandering in het gedrag van den kapitein opmerkte, die al hare argumenten met „Boe!” en „Bah!” beantwoordde, was zij er ver van daan, deze beleediging met gelaten onderworpenheid te dragen. Integendeel, zij was er in het begin zoo hevig over vertoornd, dat de eene of andere tragische gebeurtenis er uit had kunnen ontstaan, indien haar gevoel geene meer onschuldige wending genomen had, door haar de meest mogelijke minachting voor het verstand van haar man in te boezemen, waardoor haar haat eenigzins gewijzigd werd, ofschoon zij ook hiervan meer dan genoeg koesterde.De kapitein haatte haar op eene meer onvermengde wijze: want, ten opzigte van gebrek aan kennis of verstand, verachtte hij haar niet meer dan hij had kunnen doen omdat zij geen zes voet lang was.In zijne gedachten omtrent het vrouwelijke geslacht, overtrof hij Aristoteles zelven in bitterheid. Hij beschouwde eene vrouw als een huisdier, van eenige meerdere waarde dan eene kat, daar hare diensten iets belangrijker van aard zijn; maar het onderscheid tusschen beide was, naar zijne schatting, zoo gering, dat het hem, in zijn huwelijk met de landerijen en onroerende goederen van den heer Allworthy, weinig had kunnen schelen, welke van beide hij op den koop toe mede had moeten nemen. En toch was zijn hoogmoed[76]zoo gevoelig van aard, dat de minachting welke zijn vrouw jegens hem liet blijken, hem kwetste, en dit, gevoegd bij de walging welke hij reeds voor hare liefde gekoesterd had, vervulde hem met afkeer en afschuw in eene mate die misschien zelden overtroffen is.In den huwelijken staat is er slechts één toestand, die van genoegen ontbloot is, en dat is de toestand van onverschilligheid; maar even als vele mijner lezers, naar ik hoop, het uitstekend genot kennen van een bemind wezen genoegen te doen, zoo zijn er ook, naar ik vrees, eenigen die de voldoening mogen gesmaakt hebben van het voorwerp van hun haat te plagen. Het is, dunkt me, om dit laatste genoegen te smaken, dat wij dikwijls beide partijen die rust in het huwelijk zien opofferen, die zij anders genieten konden, al ware hun levens-gezel hun ook nog zoo onaangenaam. Daarom is het dat de vrouw dikwijls vlagen van liefde en ijverzucht veinst, ja, zich zelve een genoegen weigert, om dat van haar echtgenoot te storen en te beletten, terwijl hij, van zijn kant, zich zelven dikwerf aan banden legt, en te huis blijft, in een gezelschap dat hem verveelt, alleen om zijne vrouw op dezelfde wijze te tergen. Van daar ook dikwijls die stortvloeden van tranen, welke soms de weduwe op de asch van een echtgenoot laat vallen, dien zij een leven van aanhoudende onrust en kwelling bezorgd heeft, en dien zij nu niet meer hopen kan te plagen.Als ooit echter eenig paar dit genot smaakte, werd het nu ten volle genoten door den kapitein en zijne vrouw. Het was altijd, voor beide, genoeg te weten dat de andere iets beweerde, om juist van het tegenovergestelde gevoelen te zijn. Als de een zekere tijdkorting voorstelde, was de andere er tegen; zij beminden, haatten, prezen of laakten nooit denzelfden persoon. En om deze reden was het dat, wijl de kapitein den kleinen vondeling met leede oogen aanschouwde, zijne vrouw hem bijna als haar eigen kind begon te liefkozen.De lezer zal gemakkelijk inzien, dat deze verhouding tusschen man en vrouw niet veel bijdragen kon om den heer Allworthy een rustig leven te verschaffen, even als het weinig bevorderlijk was aan dat kalme geluk, hetwelk hij zich, voor alle drie, uit dit huwelijk voorgespiegeld had. Het[77]blijft echter waar, dat, hoewel hij zich in zijne levendige verwachtingen eenigzins teleurgesteld zag, hij toch nog zeer onvolmaakt ingelicht was omtrent de heele zaak, want evenzeer als de kapitein, om zekere duidelijke redenen, genoodzaakt was in zijn bijzijn zeer op zijne hoede te wezen, zoo moest ook de dame, uit vrees voor haar broeders toorn, dezelfde gedragslijn volgen. Inderdaad, het is mogelijk dat een derde persoon lang zeer gemeenzaam kan wezen, of zelfs onder hetzelfde dak leven met een echtpaar, dat slechts tamelijk voorzigtig is, zonder zelfs de verbittering te vermoeden, welke tusschen beide heerscht; want, hoewel soms de heele dag te kort moge zijn voor den haat, even als voor de liefde, leveren de vele uren welke gehuwden in afzondering met elkaar doorbrengen, aan menschen die niet onmatig zijn, zoovele gelegenheden om beide driften bot te vieren, dat, als zij elkaar beminnen, zij eenige uren in het gezelschap van anderen kunnen zijn, zonder te vrijen, of als zij elkaar haten, zonder elkaar in het gezigt te spuwen.Het is echter mogelijk dat de heer Allworthy genoeg zag om zich een weinig te verontrusten; want wij moeten niet altijd gelooven, dat een wijs man zich niet bezeerd heeft, als hij niet hardop schreeuwt en klaagt, zoo als menschen doen, die kinderachtig of verwijfd van aard zijn.Het kan ook wezen, dat hij enkele gebreken in den kapitein zag, zonder eenige ongerustheid te gevoelen; want waarlijk wijze en goede menschen nemen de menschen en zaken zooals zij ze vinden, zonder over hunne onvolmaaktheden te klagen, of ze allen te willen verbeteren. Zij kunnen een gebrek in een vriend, een bloedverwant, of eene betrekking zien, zonder er ooit gewag van te maken tot die betrekkingen zelve, of iemand anders,—en dikwerf ook zonder eenige vermindering hunner genegenheid. En inderdaad, tenzij er veel scherpzin gepaard ga met deze toegevendheid, moesten wij alleen vriendschap sluiten met dwazen, die men foppen kan; want ik hoop dat mijne vrienden het me vergeven zullen, als ik verklaar dat ik geen onder hen ken, die zonder gebreken is, en het zou mij spijten als ik me verbeelden moest dat ik een vriend had, die de mijne niet zag. Vergiffenis van dezen aard geven en vragen wij wederkeerig. En dat is misschien niet een der onaangenaamste[78]pligten der vriendschap. En wij moeten deze vergiffenis schenken, zonder hoop op beterschap. Er is welligt niets dwazers te bedenken, dan de zucht om de aangeborene zwakheden van diegenen die wij liefhebben, te verbeteren. De fijnste zamenstelling der menschelijke natuur kan, even als het fijnste porselein, een barstje hebben dat niet te herstellen is, ofschoon in weerwil daarvan, de teekening er op hare zeer groote waarde behoudt.Over het algemeen dan, ontdekte de heer Allworthy, buiten kwestie, eenige gebreken in den kapitein; daar deze echter een zeer sluw mensch was, en altijd op zijne hoede in het bijzijn van zijn zwager, schenen ze hem niets anders toe dan kleine vlekjes in een goed karakter, die hij de goedheid had te vergeven, en de wijsheid om niet aan den kapitein zelven te ontdekken. Zijne meening zou zeer gewijzigd zijn geworden, indien hij alles geweten had, hetgeen welligt met den tijd het geval zou zijn geweest, als man en vrouw lang op denzelfden voet met elkaar geleefd hadden; maar het medelijdende noodlot beraamde de middelen om dit te voorkomen, en dwong den kapitein om iets te doen, waardoor hij weder dierbaar werd aan zijne vrouw, en al hare teederheid en liefde weder verwierf.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een onfeilbaar voorschrift, om, zelfs in de meest wanhopige gevallen, de verbeurde liefde eener echtgenoote terug te winnen.De kapitein vond ruime vergoeding voor de onaangename oogenblikken welke hij in het bijzijn zijner vrouw moest slijten,—en die zoo weinig in getal waren als hij ze maar maken kon,—in de aangename gedachten, welke hij in de eenzaamheid genoot.Deze gedachten liepen bij uitsluiting over het vermogen van den heer Allworthy; want eerst had hij veel werk, met in zijn hoofd, zoo goed hij kon, de juiste waarde van het geheel na te gaan,—welke berekeningen hij telkens, steeds in zijn eigen voordeel veranderde; en in de tweede plaats,[79]vermaakte hij zich hoofdzakelijk met voorgenomene veranderingen in het huis en de tuinen, en in het ontwerpen van vele andere plannen, zoowel ter verbetering van de bezittingen als om iets grootsch aan het geheel te geven. Tot dit einde, hield hij zich bezig met de studie van bouwkunde en van het aanleggen van buitenplaatsen, en las vele werken over beide onderwerpen; want deze wetenschappen namen zijn geheelen tijd in beslag en waren zijne eenige uitspanning. Eindelijk had hij een alleruitmuntendst ontwerp gereed, en het spijt mij zeer, dat ik niet bij magte ben het aan mijne lezers te laten zien, daar het, naar ik meen, zelfs bij al de weelde onzer dagen, naauwelijks zijns gelijken heeft. Het bevatte inderdaad in den hoogsten graad de twee voornaamste bestanddeelen, welke alle grootsche en edele ontwerpen van dezen aard ter aanbeveling strekken, namelijk, het eischte buitengewone uitgaven, en zeer veel tijd om het eenigzins tot volmaking te brengen. In de eerste dezer behoeften, zouden de onmetelijke rijkdommen, welke de kapitein veronderstelde dat in het bezit waren van den heer Allworthy,—en die hij zeker wachtte zelf van hem te erven,—best voorzien; en wat de tweede betrof, zijn gezond gestel en zijn leeftijd, die niet boven de middelbare was, benamen hem alle vrees dat hij niet lang genoeg leven zou om zijn wensch vervuld te zien.Niets ontbrak er dus aan deonmiddellijkeuitvoering zijner plannen dan de dood van den heer Allworthy, en in het berekenen daarvan had hij een groot gedeelte van zijne kennis der Algebra uitgeput, na alle bestaande boeken gekocht te hebben, die handelen over den duur van het menschelijk leven, de betrekkelijke waarde van verwachte erfenissen, enz. Uit dit alles maakte hij op, dat daar er elken dag kans bestond dat het gebeuren zou, het ook zeer waarschijnlijk was dat zijn zwager binnen weinige jaren sterven zou.Maar, terwijl de kapitein op zekeren dag meer dan gewoonlijk verdiept was in beschouwingen van dezen aard, werd hij overvallen door een der droevigste en ontijdigste gebeurtenissen mogelijk. Inderdaad, het kwaadaardigste noodlot had niets kunnen bedenken dat zoo wreed, zoomal-à-propos, zoo bepaaldelijk verpletterend was voor al zijne plannen. Met één woord, om den lezer niet lang in onzekerheid te[80]laten, juist op het oogenblik dat hij zich in zijn hart verheugde, in beschouwingen over het geluk dat hem te wachten stond bij den dood van den heer Allworthy,—stierf hij zelf aan eene beroerte.Deze overviel den kapitein ongelukkig op zijne avondwandeling, in de eenzaamheid, zoodat er niemand bij was, om hem hulp te verleenen,—gesteld zelfs dat eenige hulp hem had kunnen redden. Hij nam dus op deze wijze de maat van den grond, die nu groot genoeg zou zijn voor al zijne toekomstige behoeften en lag dood uitgestrekt, een groot (ofschoon geen levend) voorbeeld van de waarheid van hetgeen door Horatius opgemerkt is:„Tu secanda marmoraLocas sub ipsum funus: et sepulchriImmemor, struis domus.”Welk denkbeeld ik op deze wijze vertolk: „Gij schaft de prachtigste bouwstoffen aan, terwijl niet meer dan eene spade en een houweel noodig zijn, en ge bouwt huizen, vijfhonderd voet lang en honderd breed, vergetende de woning die maar zes voet lang en twee breed is.”[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het bewijs van de onfeilbaarheid van het reeds opgegeven voorschrift, in de klagten van de weduwe; tegelijk met andere gepaste attributen van den dood, zooals daar zijn: geneesheeren, enz. en een model-grafschrift.De heer Allworthy, zijne zuster en eene andere dame, waren op het gewone uur bijeengekomen in de eetzaal om het avondmaal te gebruiken, en na veel langer dan gewoonlijk gewacht te hebben, verklaarde de heer Allworthy het eerst, dat hij begon ongerust te worden over het uitblijven van den kapitein, (want deze was altijd zeer stipt op het etensuur) en beval met de schel te luiden in den tuin en vooral langs die paden, welke de kapitein gewoonlijk bezocht.[81]Daar al dit levenmaken vruchteloos bleek te zijn,—omdat de kapitein dezen avond, ongelukkig, een geheel nieuwen weg opgegaan was,—verklaarde nu ook mevrouw Blifil, dat zij zich ernstig ongerust maakte. Hierop deed de andere dame, eene harer meest vertrouwde vriendinnen,—die den waren toestand harer verhouding tot haren man kende,—haar best om haar tot bedaren te brengen,—met de verzekering, dat hoewel zij niet nalaten kon ongerust te zijn, zij toch het beste moest hopen. Welligt had de schoonheid van het weder den kapitein verleid om iets verder dan gewoonlijk zijne wandeling uit te strekken,—of, hij kon ook bij een buurman opgehouden zijn.Mevrouw Blifil zeide van neen! Zij was overtuigd dat het een of ander ongeluk hem overkomen was; want dat hij zeker niet uitblijven zou zonder haar te laten waarschuwen, daar hij wel wist hoe ligt zij zich ongerust maakte. De andere dame, die geene meerdere argumenten wist aan tevoeren, nam nu hare toevlugt tot de gebruikelijke smeekingen bij zulke gelegenheden en verzocht haar zich toch niet onnoodig ongerust te maken, daar zoo iets zeer nadeelig op hare gezondheid werken kon,—en een groot glas wijn inschenkende, ried zij haar,—en haalde haar eindelijk over,—om het leêg te drinken.De heer Allworthy trad nu weder in de kamer; want hij was er zelf op uit geweest om den kapitein te zoeken. Zijn gelaat teekende genoegzaam zijne vrees, welke hem inderdaad bijkans van de spraak beroofd had;—daar echter de smart op verschillende menschen verschillend werkt, verlevendigde de vrees, welke zijne stem onderdrukt had, de stem van mevrouw Blifil. Zij begon nu bitter te klagen, en stortvloeden van tranen vergezelden hare woorden, welke hare vriendin verklaarde dat volstrekt niet te berispen waren, terwijl zij haar echter terzelfder tijd den raad gaf er niet aan toe te geven, en den angst harer vriendin poogde te verminderen door wijsgeerige opmerkingen omtrent de vele rampen waaraan het menschelijke leven dagelijks blootgesteld is,—wat, zeide zij, genoeg was om ons sterkte te verleenen in alle omstandigheden, hoe onverwacht of verschrikkelijk ook. Zij verzocht haar ook geduld te leeren van haar broeder die, hoewel men niet veronderstellen kon, dat hij zich zóó[82]ongelukkig gevoelde als zij, toch, zonder twijfel, zich zeer ongerust maakte, ofschoon zijne onderwerping aan den goddelijken wil, zijne aandoeningen matigde.„Spreek me niet van mijn broeder!” riep mevrouw Blifil.„Ik alleen verdien medelijden! Wat is de ongerustheid der vriendschap, vergeleken bij de kwellingen eener vrouw in dergelijke gevallen? O! Hij is verloren! Iemand heeft hem vermoord—ik zal hem nooit weêr zien!”Hier had een nieuwe stortvloed van tranen dezelfde uitwerking bij haar als het onderdrukken er van op den heer Allworthy, en ook zij zweeg.Op dit oogenblik kwam een knecht, buiten adem, de kamer binnenloopen en riep uit: „De kapitein is gevonden,—” maar eer hij er iets bijvoegen kon, werd hij door twee anderen gevolgd, die het lijk droegen.Hier kan de oplettende lezer nog een ander verschil opmerken in de werking der smarte: want, even als de heer Allworthy tot dusver gezwegen had, om dezelfde reden welke zijne zuster luidruchtig had gemaakt, ontlokte hetgeen hij nu zag, tranen aan den heer, terwijl het die zijner zuster geheel opdroogde, die eerst een harden gil gaf en toen in zwijm viel.De kamer was weldra opgevuld met dienstboden, van welke sommigen zich bemoeiden, geholpen door hare vriendin, met de zorg voor de troostelooze weduwe, terwijl anderen, bijgestaan door den heer Allworthy, den kapitein in een warm bed legden, waar al het mogelijke beproefd werd om hem in het leven terug te roepen.En blijde zouden wij zijn als wij den lezer konden mededeelen, dat beide bewustelooze ligchamen met evenveel voorspoed verzorgd werden; want diegenen, die op zich genomen hadden de dame bijtestaan, slaagden zoo goed, dat, zoodra de flaauwte een betamelijken tijd geduurd had, zij tot hunne groote voldoening weer bijkwam. Maar wat den kapitein betrof, bleken alle proeven die men deed met aderlaten, wrijven, druppels enz. vergeefs te zijn. De Dood, die onwrikbare regter, had zijn vonnis geveld, en weigerde hem genade te schenken, hoewel twee geneesheeren, die aankwamen en beide daarvoor betaald werden, zijne zaak voor hem bepleitten.[83]Deze twee geneesheeren, die wij, om iedere kwaadwillige toepassing te voorkomen, Dr. Y. en Dr. Z. noemen zullen, na hem den pols gevoeld te hebben, namelijk Dr. Y. regts, en Dr. Z. links, werden het zamen eens, dat hij dood was; maar verschilden omtrent zijne kwaal en de oorzaak van zijn overlijden; daar Dr. Y. van gevoelen was, dat hij aan een apoplexie gestorven was, terwijl Dr. Z. volhield, dat het epilepsie was geweest.Hieruit ontstond een twist tusschen de beide geleerden, waarin beide hunne gevoelens met redenen omkleedden. En deze waren allen zoo krachtig, dat ze alleen daartoe dienden, om de beide dokters in hun eigen gevoelen te versterken, zonder den minsten indruk op de tegenpartij te maken.Om de waarheid te zeggen, heeft bijna iedere geneesheer zijne lievelingskwaal, waaraan hij alle zegepralen van den dood over de menschelijke natuur toeschrijft. Jicht, rheumatisme, de steen, het graveel en de tering, hebben alle hunne verschillende beschermheeren bij de fakulteit,—en geen een meer beschermers, dan „zenuwkoortsen.” En dit verklaart het verschil van meening omtrent de oorzaak van den dood van een zieke, dat dikwijls heerscht onder de meest geleerde mannen van het vak, en dat die menschen zeer verwonderd heeft, die de bijzonderheid, welke we pas vermeld hebben, niet kenden.Het zal den lezer welligt doen verbaasd staan, dat in plaats van te trachten den zieke te helpen, de geleerde heeren dadelijk een twist begonnen over de oorzaak van zijn dood; maar, werkelijk, alles was reeds vóór hunne komst beproefd; want de kapitein lag al in een warm bed, was ader gelaten, was gewreven, en allerlei sterke druppels waren in zijne neusgaten en tusschen zijne lippen gegoten.Daar de geneesheeren zich nu in alles voorkomen vonden, wat zij aanwenden wilden, werden zij verlegen hoe den behoorlijken tijd te slijten, dien zij doorbrengen moesten om op eene betamelijke wijze hun honorarium te verdienen, en zij moesten dus het eene of andere onderwerp tot een gesprek zoeken.—Wat kon zich dan natuurlijker aanbieden dan het voormelde?Onze dokters waren echter op het punt van afscheid te nemen,[84]toen de heer Allworthy, den kapitein opgegeven hebbende, met onderwerping aan den Goddelijken wil, naar zijne zuster begon te vragen, die hij hen verzocht voor hun vertrek te bezoeken.Deze dame was nu uit hare flaauwte bijgekomen, en om de gewone uitdrukking te bezigen, naar omstandigheden, redelijk welvarende.De dokters dus, na alle behoorlijke pligtplegingen, daar dit eene nieuwe patient was, gingen, gelijk verlangd werd, bij haar, en vatten beide eene harer handen, even als zij straks met het lijk gedaan hadden.Het geval van de dame was juist het tegenovergestelde van dat van haar man; want even als hij buiten het bereik was van alle geneeskundige hulp,—zoo had zij, werkelijk, geen bijstand noodig.Niets kan onbillijker zijn dan de algemeene meening, welke verkeerdelijk den geneesheer als een vriend van den dood voorstelt. Integendeel, ik geloof dat als het getal van diegenen welke met behulp der geneeskunde herstellen, vergeleken kon worden bij dat van de slagtoffers daarvan, het eerste getal eenigzins grooter zou zijn dan het laatste. Ja, sommige geneesheeren zijn zelfs zoo voorzigtig op dat punt, dat, om de mogelijkheid te voorkomen van ooit een patient te dooden, zij zich onthouden van alle pogingen om hem te genezen, en niets voorschrijven dan hetgeen goed noch kwaad kan. Ik heb enkele van dezen, met den meesten ernst, als een stelregel hooren verkondigen: „Dat men het aan de natuur overlaten moet om haar eigen werk te doen; en dat de geneesheer er bij staat, als het ware, om haar op den schouder te tikken en haar aan te moedigen als zij het goed doet.”Onze twee dokters schepten ook zoo weinig behagen in den dood, dat zij het lijk verlieten na de eerste visite; maar zij waren meer ingenomen met de levende zieke, omtrent wier behandeling zij het dadelijk eens waren en voor wie zij met den meesten ijver aan het voorschrijven gingen.Ik wil niet bepaaldelijk zeggen, dat even als de dame in het begin de geneesheeren wijs gemaakt had, dat zij ziek was, zij ook nu, van hun kant, haar dat deden gelooven: maar zij bleef toch eene geheele maand omgeven van al den schijn[85]der ziekte. Gedurende dezen tijd werd zij door geneesheeren bezocht, door ziekenbewaaksters opgepast, en ontving zij ook aanhoudend boodschappen van hare kennissen, om naar haren toestand te vernemen.Eindelijk, toen de betamelijke periode der ziekte en der onmatige treurigheid voorbij was, werden de geneesheeren ontslagen, en de dame begon menschen te ontvangen, alleen verschillende van hetgeen zij vroeger was door die sombere tinten, waarmede zij hare gestalte en hare gelaatstrekken getooid had.De kapitein was dus nu begraven en zou welligt al een heel eind ver geweest op den weg der vergetelheid, als de vriendschap van den heer Allworthy niet zorg gedragen had om zijne gedachtenis te bewaren, door het volgende grafschrift, hetwelk opgesteld is door een man, die evenzeer uitmunt door genie, als door eerlijkheid, en die den kapitein volmaakt goed kende:[86]Hier rust,In de hoop op een beter leven,Het sterfelijk omhulselvan denKapitein JAN BLIFIL.Londenhad de eer van zijne geboorte,Oxfordvan zijne opvoeding.Zijne gavenstrekten zijn beroep en zijn vaderlandtot roem.Zijn wandel verheerlijkte zijne Godsdiensten de menschelijke natuur.Hij was een gehoorzame Zoon,Een teedere Echtgenoot,Een liefderijke Vader,Een hartelijke Broeder,Een opregte Vriend,Een vroom Christen,En een goed Mensch.Zijne troostelooze weduweHeeft dezen zerk opgerigt,Tot gedenkteekenZijner Deugden,En harer Liefde.[87]

Boek II.Bevattende eenige tooneelen van huwelijksgeluk in verschillende standen der maatschappij, alsmede verscheidene andere gebeurtenissen gedurende de twee eerste jaren van het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy.[Inhoud]Hoofdstuk I.Aantoonende welke soort van verhaal dit is; waarnaar het lijkt, en waar het niet naar lijkt.Hoewel wij, eigenaardig genoeg, dit ons werk „eene geschiedenis,” noemen, en geene „levensbeschrijving,”—of, wat nog meer in de mode is, eene „apologie,” is het evenwel ons voornemen daarin ons meer te voegen naar de methode van die schrijvers, die voorgeven de omwentelingen in een land te verklaren, dan om den lastigen en breedvoerigen geschiedschrijver na te volgen, die om de geregelde ontwikkeling der daadzaken te bewaren, zich verpligt acht even veel bladzijden te vullen met de uitvoerige beschrijving van maanden en jaren, die niets merkwaardigs bevatten, als hij bezigt voor die opmerkelijke tijdvakken, welke de grootste feiten opleveren, die ons op het tooneel der wereld voorgesteld zijn.Dergelijke geschiedenissen gelijken veel op een dagblad, dat altijd juist hetzelfde aantal letters bevat, of er nieuws is of niet. Ze kunnen ook vergeleken worden bij een postwagen, die altijd, leeg of vol, denzelfden weg aflegt.De schrijver schijnt zich inderdaad verpligt te rekenen, met den Tijd, wiens secretaris hij is, in den pas te loopen, en even als zijn meester, reist hij even langzaam door eeuwen van kloosterachtige verveling als door dien schitterenden en drukken tijd zoo schoon bezongen door den uitstekenden Latijnschen dichter:„Ad confligendum venientibus undique poenis,Omnia cum belli trepido concussa tumultuHorrida coutremuere sub altis aetheris auris:In dubioque fuit sub utrorum regna cadendumOmnibus humanis esset, terraque marique.”[47]Wat ongeveer zeggen wil:„Men rustte zich ten strijd door zucht naar wraak gedreven;Het vreeslijk krijgsrumoer deed de aarde siddren, bevenEn onder d’ hemelstrans verkeerde ’t al in rouw;Maar ’t was onzeker, wie de zegepraal gelukken,’t Ontstelde menschdom voor zijn schepter neêr doen bukkenEn over land en zee in ’t einde heerschen zou.”Het is echter ons doel in de volgende bladzijden de tegenovergestelde methode te volgen. Wanneer eenig treffend tooneel zich aanbiedt (wat, naar wij hopen, dikwijls het geval zal wezen) zullen wij moeite noch papier ontzien om het den lezer breedvoerig te beschrijven. Als echter geheele jaren voorbijgaan zonder iets op te leveren dat zijne aandacht waardig is, zullen wij niet bang zijn voor eene gaping in onze geschiedenis, maar ons haasten tot belangrijke zaken te komen en dergelijke tijdvakken geheel onbehandeld laten.Want deze tijdvakken zijn als de nieten in de loterij van den tijd. Wij dus, die de uitkomst dezer loterij opteekenen, zullen die wijze lieden navolgen, die het bestuur hebben over de staats-loterij en welke het publiek nooit vervelen met de vele nieten, welke getrokken worden; maar daarentegen, als er een hooge prijs valt, de couranten er dadelijk mede vullen, zoodat de wereld zeker verneemt in wiens collecte die verkocht werd:—want er zijn gewoonlijk twee of drie kantoren die er aanspraak op maken van hem verkocht te hebben, waardoor ik veronderstel, dat men den spelers te kennen wil geven, dat zekere handelaren in de geheimen der Fortuna ingewijd zijn en tot haar geheimen raad behooren.De lezer zal dus niet verwonderd zijn als hij sommige hoofdstukken in dit werk heel kort vindt en andere daartegen zeer lang; sommigen, die alleen het tijdvak van een enkelen dag behandelen en anderen dat van een geheel jaar;—met één woord, men zij er op voorbereid, dat mijne geschiedenis soms zal schijnen stil te staan en soms te vliegen. En wegens dit alles acht ik me aan geene recenserende wetgeving, van welken aard ook, verantwoording schuldig te zijn; want, daar ik, naar waarheid, de stichter ben van eene nieuwe soort van schrijftrant, staat het mij vrij dienaangaande[48]mij zelf de wetten te stellen. En deze wetten zijn mijne lezers, die ik als mijne onderdanen beschouw, verpligt te gelooven en te gehoorzamen, wat zij ook gereedelijk en gemakkelijk kunnen doen, daar ik hierbij de plegtige verzekering geef, dat ik daarbij voornamelijk hun nut en voordeel beoog; want ik ben geen dwingelandjure divino, die mij verbeeld dat zij mijne slaven zijn, of mijn eigendom. Ik werd inderdaad, alleen tot hun eigen nut over hen gesteld, en ben om hun voordeel,—en zij niet tot het mijne—geschapen. Ik twijfel ook niet, dat terwijl ik hun belang tot hoofddoel van mijn geschrijf neem, zij eenparig er toe bijdragen zullen om mijne waardigheid te handhaven, en mij alle eer te bewijzen, die ik verdien of begeer.[Inhoud]Hoofdstuk II.Godsdienstige bezwaren tegen het bewijzen van te veel goedheid aan natuurlijke kinderen, en eene groote ontdekking, gedaan door jufvrouw Deborah Wilkins.Acht maanden na het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy, eene jonge dame van groote verdiensten, schoonheid en vermogen, werd deze, ten gevolge van een plotselingen schrik, ontijdig verlost van een schoonen jongen. Het kind was inderdaad, naar allen schijn, voldragen; maar de vroedvrouw ontdekte dat het een maand te vroeg gekomen was.Hoewel de geboorte van een erfgenaam van zijne beminde zuster den heer Allworthy zeer verheugde, vervreemdde deze omstandigheid zijne liefde toch niet van den kleinen vondeling, van wien hij peet geworden was, en aan wien hij tevens zijn eigen naam, Thomas, geschonken had, terwijl hij zelden naliet hem ten minste eenmaal daags in de kinderkamer op te zoeken.Hij zeide zijner zuster, dat, als zij het goedvond, de nieuw geborene met den kleinen Thomas zamen zou opgevoed worden; waarin zij toestemde, hoewel met eenigen tegenzin; want zij was waarlijk zeer inschikkelijk jegens haren[49]broeder, en had daarom steeds meer liefde tot den vondeling aan den dag gelegd, dan streng deugdzame dames soms over zich verkrijgen kunnen te bewijzen aan die kinderen, die hoe onschuldig ook, met regt mogen genoemd worden, de levende gedenkteekens der onkuischheid.De kapitein kon er echter niet zoo gemakkelijk toe komen, om hetgeen hij een gebrek achtte in den heer Allworthy te dragen. Hij gaf hem veelvuldige wenken, dat hij de zonde aanmoedigde, door hare vruchten tot zich te nemen. Hij haalde vele teksten aan,—want hij was zeer belezen in de Heilige Schrift,—zoo als: „de zonden der vaderen zullen gewroken worden enz.” en „de vaderen hebben zure druiven gegeten en de tanden der kinderen,”—enz. En daarvan leidde hij af, dat het overeenkomstig de leer was, om de misdaad der ouders op het onwettige kind te wreken. Hij zeide, „dat hoewel de wet niet bepaaldelijk toeliet, dat men zulke kinderen vernietigde, hij ze toch hield voor de kinderen van niemand; dat de kerk ze ook als zoodanig beschouwde en dat zij, op zijn best, voor de laagste en verachtelijkste ambten in den staat moesten opgeleid worden.”De heer Allworthy antwoordde op het eenen ander hetwelk de kapitein aanvoerde omtrent dit onderwerp: „Dat hoe groot ook de schuld der ouders wezen mogt, de kinderen zeker onschuldig waren, en dat wat de teksten, welke hij aangehaald had, betrof, de eerste eene bijzondere strafbepaling was tegen de Joden, wegens de zonde van afgoderij en het verzaken en haten van hun hemelschen Koning, en dat de laatste slechts beeldspraak was, en meer ten doel had om de zekere en noodzakelijke gevolgen van de zonde aan te wijzen, dan om eenig beslissend vonnis te vellen. Maar dat het ook onbetamelijk, zoo niet godslasterlijk was, om den Almagtigen voortestellen als handelende tegen de allereerste grondbeginselen van natuurlijke regtvaardigheid, en tegen de oorspronkelijke begrippen van regt en onregt, door Hem zelven in ons hart geplant, waardoor wij niet slechts alle zaken beoordeelen moesten, die niet geopenbaard waren, maar zelfs de waarheid van de openbaring zelve.”Hij zeide te weten dat velen dezelfde begrippen aankleefden als de kapitein; maar hij zelf was volmaakt overtuigd[50]van het tegenovergestelde, en zou op dezelfde wijze voor dit arm schepseltje zorgen alsof een wettig kind het geluk had gehad op dezelfde plaats gevonden te worden. Terwijl de kapitein elke gelegenheid waarnam om redenen op te geven, waarom de kleine vondeling moest verwijderd worden uit het huis van den heer Allworthy,—op wiens ingenomenheid met het kind hij jaloersch begon te worden, had jufvrouw Deborah eene ontdekking gedaan, die in hare gevolgen veel noodlottiger voor den armen Tom dreigde te zijn, dan al de bewijsgronden van den kapitein.Of de onverzadiglijke nieuwsgierigheid der goede vrouw haar in deze zaak geprikkeld had, of wel dat zij het deed om zich te bevestigen in de gunst van mevrouw Blifil, die niettegenstaande haar uiterlijk gedrag jegens den vondeling, dikwijls het kind en haar broeder ook, wegens zijne ingenomenheid er mede, in stilte uitschold,—dit wil ik niet beslissen;—maar zij had nu,—gelijk zij begreep,—zeker den vader van den jongen ontdekt.Daar dit nu eene zeer belangrijke ontdekking was, zal het noodzakelijk zijn, ze tot de bron zelve na te sporen. Wij zullen dus de gebeurtenissen, die er toe voerden, zeer naauwkeurig beschrijven, en, tot dat einde, zullen wij verpligt zijn al de geheimen te openbaren van eene kleine familie, waarmede de lezer op dit oogenblik geheel onbekend is, en welker inrigting zoo vreemd en buitengewoon was, dat ik vreezen moet, dat ze menigen gehuwde ongeloofelijk zal schijnen.[Inhoud]Hoofdstuk III.Beschrijving van een huisselijk bestuur, op regels gegrond, in strijd met die van Aristoteles.De lezer gelieve zich te herinneren, dat hij vernomen heeft hoe Jenni Jones eenige jaren bij zekeren schoolmeester gewoond had, die, op haar ernstig verlangen, haar Latijn geleerd had, waarin zij, om haar regt te laten wedervaren,[51]zulke groote vorderingen gemaakt had, dat zij geleerder was geworden dan haar onderwijzer.Want, hoewel deze arme man een beroep gekozen had waarin men toestemmen moet, dat de geleerdheid een vereischte is, was deze toch juist de minste zijner gaven. Hij was een der goedhartigste menschen ter wereld, en terzelfder tijd was hij zoo aardig en vol luim, dat hij voor den geestigsten mensch in den omtrek gold, en al de heeren uit de buurt zoozeer naar zijn gezelschap verlangden, dat, daar hij nooit over zich kon verkrijgen om neen te zeggen, hij veel tijd in hunne huizen sleet, welken hij nuttiger in zijne school had kunnen doorbrengen.Men zal begrijpen, dat een man van dit karakter en deze neigingen, geen gevaar liep van een mededinger te worden van de scholen der zeergeleerde heeren te Eton en Westminster. Om duidelijker te spreken: hij had zijne leerlingen slechts in twee klassen gesplitst, in de bovenste van welke een jonge heer zat, de zoon van een landjonker uit de buurt, die op zeventienjarigen leeftijd pas tot de Syntaxis gekomen was, terwijl in de tweede klasse een jongere zoon zat van denzelfden heer, die tegelijk met zeven boerenjongens, lezen en schrijven leerde.De inkomsten hieruit voortvloeijende, zouden bezwaarlijk genoegzaam zijn geweest om den schoolmeester van al de weelde van het leven te voorzien, zoo hij ze niet vermeerderd had met die van het ambt van koster en barbier, terwijl de heer Allworthy het geheel verhoogde met eenjaargeld van tien pond, dat de arme man telkens met Kersmis ontving, en waardoor hij in staat werd gesteld zich gedurende dat heilige feest te goed te doen.Onder zijne overige schatten, bezat de onderwijzer eene vrouw, die hij genomen had uit de keuken van den heer Allworthy, om den wille van haar vermogen,—van twintig pond sterling, dat zij daar bijeengebragt had.Deze vrouw was niet zeer innemend van uiterlijk. Ik weet niet of zij gezeten had voor mijn vriend den schilder Hogarth of niet; maar zij geleek zeer op de jonge vrouw, die thee voor hare meesteresse schenkt in het derde tooneel van „den Levensloop eener ligtekooi.” Zij was bovendien eene verklaarde aanhangster van die edele sekte, van oudsher door[52]Xantippe gesticht, om welke reden zij in de school veel meer gevreesd werd dan haar man; want, het is maar al te waar, dat hij noch dáár, noch elders, in haar bijzijn, meester was.Hoewel hare gelaatstrekken niet veel aangeborene zachtaardigheid schenen aan te duiden, werd die welligt nog eenigzins verminderd door eene omstandigheid, welke over het algemeen het huwelijksgeluk verbittert;—want kinderen. worden zeer juist genoemd „panden der liefde,” en hoewel zij reeds negen jaren gehuwd waren, had haar man haar geen pand van dien aard geschonken; een gebrek waarvoor hij geene verontschuldiging had, wegens leeftijd of gezondheid, daar hij nog geen dertig jaar oud was, en bovendien, wat men noemt, een fiksche, flinke jongen.Hieruit ontstond eene andere ramp, die den armen schoolmeester niet weinig last veroorzaakte. Immers zijne vrouw was zoo onophoudelijk jaloersch, dat hij naauwelijks één woord durfde spreken met eenige vrouw in het dorp; want de minste beleefdheid, of zelfs omgang met eenig vrouwelijk wezen, was genoeg om hem den toorn zijner vrouw op den hals te halen.Ten einde zich te vrijwaren tegen huwelijksgrieven in haar eigen huis droeg zij zorg, daar zij slechts ééne meid hield, die steeds te kiezen uit die soort van vrouwen, wier gelaatstrekken doorgaan voor een waarborg harer deugd, en zoo als de lezer vernomen heeft, behoorde Jenni Jones onder dit getal.Daar het gelaat van dit meisje beschouwd mogt worden als eene tamelijk zekere waarborg van voornoemden aard, en omdat haar gedrag steeds zeer zedig was geweest,—wat bij eene vrouw een bepaald gevolg is van verstand te hebben,—had zij meer dan vier jaren bij jufvrouw Partridge (zoo heette namelijk de schoolmeester), doorgebragt, zonder de geringste verdenkingen bij hare meesteresse op te wekken. Ja, zij werd er zelfs met buitengewone vriendelijkheid behandeld, en de jufvrouw had den heer Partridge verlof gegeven haar in de reeds gemelde vakken te onderwijzen.Maar het is met de jaloezij even als met de jicht. Als er zulke ziekten in het bloed zijn, kan men nooit zeker zijn, dat ze niet eens uitbreken zullen,—en dat geschiedt ook dikwerf bij de minste aanleiding en zeer onverwacht.[53]Dit gebeurde ook bij jufvrouw Partridge, die vier jaren lang toegelaten had dat haar man dit meisje onderwees, en haar meer dan eens haar werk had laten verzuimen, ten einde zich aan de geleerdheid te wijden. Want toen zij op zekeren dag voorbij kwam, terwijl het meisje bezig was met lezen en haar meester over haar gebukt stond, schrikte Jenni plotseling, ik weet niet waarom, en vloog van den stoel op, en dit was de eerste keer, dat bij hare meesteresse eenige verdenking opkwam.Zij liet die echter niet dadelijk blijken, maar hield ze verborgen in haar hart, loerende als een geheime vijand, die op versterking wacht eer hij zich openlijktoont en tot den aanval overgaat; en hare vermoedens werden ook kort daarop versterkt, toen man en vrouw zamen aan tafel zaten en de meester tegen het meisje zeide: „Da mihi aliquid potum!” waarop de arme Jenni glimlachte, welligt over het ellendige Latijn, en bloosde zoodra hare meesteresse het oog op haar vestigde, mogelijk, over het bewustzijn dat zij om haren meester gelagchen had. Jufvrouw Partridge geraakte nu dadelijk in drift en smeet het bord, waarvan zij at, der arme Jenni naar het hoofd, met den uitroep:„Gij onbeschaamde feeks! Durft ge gekheid te maken met mijn man, hier in mijn bijzijn?” terzelfder tijd opstuivende van haar stoel met een mes in de hand, waarmede zij waarschijnlijk zich op eene zeer betreurenswaardige wijze gewroken zou hebben, als het meisje niet gebruik had gemaakt van de nabij zijnde deur, en door de vlugt aan de woede harer meesteresse ontsnapt ware;—want, wat den armen man betreft, hetzij de verrassing hem versteend had,—of wat even waarschijnlijk is, dat de vrees hem belette zich te verzetten, hij bleef starende en sidderende zitten en poogde niet eens zich te bewegen, of te spreken, tot zijne vrouw, van Jenni’s vervolging terugkeerende, hem noodzaakte eenige maatregelen tot zelfverdediging te nemen,—en hij, even als de meid, tot den aftogt gedwongen werd.Deze goede vrouw was echter evenmin als Othello geschikt om„—de jaloerschheid te dulden,Te vallen met het wislen van de maan, van arg- in argwaan.”[54]Bij haar luidde het even als bij hem:„—neen! één twijfeling,En alles is beslist!”Zij gaf dus Jenni bevel, omonmiddellijkhaar boeltje te pakken en op te trekken, daar zij besloten had, dat zij dien nacht niet meer onder haar dak zoude slapen. De heer Partridge had te veel door de ondervinding geleerd, om zich met iets van dezen aard te bemoeijen. Hij nam dus zijn toevlugt tot zijne gewone dosis geduld; want hoewel hij geen geleerde was in het Latijn, herinnerde hij zich heel goed en begreep best den raad in den volgenden regel bevat:„Leve fit, quod bene fertur onus.”hetgeen zeggen wil: „een last, dien men behoorlijk weet te dragen, valt niet zwaar.”Wat hij ook altijd in den mond had, en de waarheid waarvan hij, zonder twijfel, dikwijls in de gelegenheid was te ondervinden.Jenni wilde hare onschuld betuigen; maar zij was niet bestand tegen den storm. Zij ging dus aan het pakken, waartoe zij niets anders noodig had dan een vel grof papier, en haar armzalig loon ontvangen hebbende, keerde zij weder naar huis terug.De schoolmeester en zijne vrouw bragten geen aangenamen avond door; maar vóór den volgenden morgen was er het een of ander gebeurd, dat de woede van jufvrouw Partridge een weinig tot bedaren bragt, en zij liet eindelijk toe, dat haar man zich verontschuldigde, te meer geloof aan zijne woorden hechtende, daar hij, in plaats van te verlangen dat Jenni terug geroepen werd, zijne voldoening uitte over haar ontslag, en zeide, dat zij, als meid, van weinig nut meer was, daar zij al haar tijd met lezen doorbragt en bovendien onbeleefd en koppig was geworden; want zij had inderdaad, in den laatsten tijd, verschillende letterkundige twisten met haar meester gehad, waarin zij hem hare reeds vermelde meerderheid had doen gevoelen. Dit echter stemde hij nooit toe; en daar hij het koppigheid noemde, als zij gelijk had en dat volhield, begon hij haar met niet weinig verbittering te haten.[55][Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende een der bloedigste slagen, of liever, tweegevechten, ooit in de huisselijke geschiedenis vermeld.Om de reeds boven vermelde redenen, en enkele andere blijken van toegevendheid van haar man, welbekend aan gehuwde lieden, doch die, even als de geheimen der vrijmetselarij, aan niemand geopenbaard moeten worden, die geen lid is van het achtbare genootschap, was jufvrouw Partridge tamelijk overtuigd dat zij haar man zonder grond veroordeeld had en zij trachtte door vriendelijk gedrag hem vergoeding te verschaffen voor hare verkeerde vermoedens. Hare hartstogten, welke rigting zij ook volgden, waren inderdaad altijd even hevig; want, even als zij buitengewoon vertoornd kon zijn, kon zij ook buitengewoon liefderijk wezen.Maar, hoewel deze vlagen elkaar gewoonlijk binnen korten tijd opvolgden en naauwelijks vier en twintig uren ooit voorbij gingen, waarin de schoolmeester niet in eenige mate het voorwerp van beide werd; duurde evenwel, bij groote gelegenheden, als haar toorn zeer hevig geweest was, later de rust eveneens ook gewoonlijk wat langer, en dit was nu ook het geval; want na den afloop van dezen aanval van jaloerschheid, bleef zij langer vriendelijk dan ooit te voren, en met uitzondering van eenige van die kleine bestraffingen, waaraan al de volgelingen eener Xantippe zich onderwerpen moeten, zou de heer Partridge verscheidene maanden lang de meest volmaakte rust genoten hebben.Eene doodelijke windstilte op zee wordt door den ervaren zeeman steeds als de voorbode van den storm aangemerkt, en ik ken eenige personen, die zonder over het algemeen bijgeloovig te zijn, geneigd zijn te vreezen, dat groote en ongewone rust en vrede, juist door het tegenovergestelde gevolgd zullen worden. Om deze reden plagten de ouden bij zulke gelegenheden offers te brengen aan de godin Nemesis, die, naar men meende, met leede oogen het menschelijke geluk aanschouwde en niets liever deed dan het vernietigen.Daar wij er echter ver van af zijn, aan eenige heidensche godin van dien aard te gelooven, of eenig bijgeloof hoegenaamd[56]aan te moedigen, wenschen wij dat de heer Jan Fr.… of eenige andere wijsgeer, zich de moeite wilde geven om de ware oorzaak van dezen snellen overgang van geluk tot ongeluk op te sporen,—die zoo dikwerf opgemerkt is en waarvan wij nu een voorbeeld zullen geven; want het is onze taak om feiten te vermelden, terwijl wij de oorzaken aan grootere genieën overlaten.De menschen hebben er altijd groot behagen in geschept om de daden van anderen te leeren kennen en ze te bepraten. Van daar ook, dat er bij alle volkeren en in alle eeuwen, bijzondere vergaderplaatsen aangewezen werden, waar de nieuwsgierigen elkaar ontmoeten konden en hunne weetgierigheid voldoen. Onder deze plaatsen hebben de barbierswinkels altijd met regt den voorrang gehad. Onder de Grieken was het „barbiersnieuws” tot een spreekwoord geworden, en Horatius, in een zijnerEpistolae, vermeldt den Romeinschen barbier op dezelfde wijze, zeer eervol.Het is bekend dat die van Engeland niet onderdoen bij hunne Grieksche en Romeinsche voorgangers. Men hoort bij hen buitenlandsche zaken bespreken op een toon die weinig onderdoet voor dien der koffijhuizen, en huisselijke omstandigheden worden er veel breedvoeriger en vrijer behandeld. Maar dit is alleen ten behoeve der mannen. Daar echter de vrouwen van dit land, vooral die van de mindere klasse, meer dan die van andere volkeren, bij elkaar komen, zou onze staatsinrigting zeer gebrekkig zijn, als zij ook niet eenige bijzondere plaats hadden, waar zij aan hare nieuwsgierigheid kunnen bot vieren, aangezien zij in dit opzigt volstrekt niet onderdoen voor de andere helft van het menschelijke geslacht.Door een dergelijk vereenigingspunt te bezitten, moeten zich de Britsche schoonen gelukkiger achten dan hare zusters in het buitenland, daar ik me niet herinner ooit in de geschiedenis iets daarvan gelezen te hebben, of in eenige reisbeschrijving iets van dien aard gezien te hebben.Deze plaats is echter nergens anders te zoeken dan in den kruideniers-winkel, het bekende uitgangspunt van al het nieuws, of zoo als men het platweg noemt, van al het gebabbel in elke gemeente van Engeland.Jufvrouw Partridge dus, op zekeren dag in deze vergadering[57]van vrouwen zijnde, werd door een harer buren gevraagd, of zij in den laatsten tijd iets van Jenni Jones gehoord had? waarop zij een ontkennend antwoord gaf. Hierop hernam de andere, met een glimlach, dat het dorp veel verpligting aan haar had, omdat zij Jenni had weggejaagd.Jufvrouw Partridge, wier ijverzucht, zoo als de lezer weet, sedert lang genezen was, en die anders niets tegen hare dienstmaagd had, antwoordde stoutweg, dat zij niet begreep hoe zij het dorp op die wijze had kunnen verpligten, daar zij geloofde dat Jenni zeker haars gelijke niet achtergelaten had.„Neen,” hernam de andere, „ik hoop van neen! Hoewel ik me verbeeld dat er sletten genoeg hier zijn! Ge hebt dus niet gehoord, naar het schijnt, dat zij verlost is van twee onechte kinderen? Daar ze echter hier niet geboren zijn, zegt mijn man en de andere wijkmeester ook, dat ze onze gemeente niet ten laste zullen vallen.”„Twee onechte kinderen!” riep jufvrouw Partridge driftig; „wat ge zegt! Ik weet niet of ze ons ten laste kunnen komen, maar zeker is het dat de vader hier te huis behoort, want het is nog geen negen maanden geleden dat het meisje van hier weg is!”Niets is vlugger en plotselinger dan de werking van den geest, vooral als die opgewekt wordt door hoop, vrees of ijverzucht,—bij welke laatste vergeleken, de beide anderen slechts trage prikkelen zijn. Het schoot haar dadelijk te binnen, dat Jenni naauwelijks de deur uit geweest was zoo lang zij bij haar inwoonde. Het leunen over den stoel, het Latijn, de glimlach en allerlei andere dingen stonden haar op eens voor den geest.De voldoening, welke haar man aan den dag gelegd had over het vertrek van Jenni scheen haar nu slechts geveinsd te zijn,—dan weder opregt,—en dan weder (ter versterking van haar ijverzucht), alleen ontsproten te zijn uit verzadiging en honderderlei andere slechte bronnen. In één woord: zij gevoelde zich overtuigd van de schuld van haren echtgenoot en verliet de vergadering in de grootste ontsteltenis.Even als de schoone Poes,—die hoewel de jongste van[58]het kattengeslacht niet in wreedheid onderdoet voor de oudere takken van hare familie, en ofschoon minder in kracht, den edelen tijger zelven in woestheid evenaart,—even als de poes, wanneer het muisje, dat zij, lang spelende, gemarteld heeft, hare klaauwen ontsnapt, een tijdlang gromt, knort, raast en tiert, en zoodra de kist of koffer, waarachter het diertje schuilt, uit den weg geruimd is, pijlsnel op haar slagtoffer schiet, en het met verbitterde woede bijt, krabt, knaauwt en verscheurt,—zoo ook, en met geene mindere woestheid, vloog jufvrouw Partridge den armen schoolmeester aan.Met tong, tanden en handen viel zij hem tegelijk aan. Zijne pruik werd hem in een oogenblik van het hoofd gerukt; het hemd hem van het lijf,—en van zijn gelaat vloeiden vijf stroomen bloeds, het getal der klaauwen aanwijzende waarmede de natuur ongelukkig zijne vijandin gewapend had.De heer Partridge bepaalde zich een tijdlang tot de verdediging;—en deed slechts zijn best om met de handen zijn gezigt te beschermen; daar hij echter ondervond, dat de woede zijner vijandin niet verminderde, dacht hij ten minste haar te mogen ontwapenen, of liever hare armen vast te houden waarbij,in de worsteling, hare muts afviel, en haar hoofdhaar, te kort om op hare schouders te vallen, ten berge rees, terwijl haar keurslijf, dat slechts door één knoopje onderaan vastgemaakt was, open sprong, en hare borsten, die weelderiger waren dan haar hoofdsieraad, tot beneden haar midden afhingen;—haar gelaat was ook bevlekt met het bloed van haar man; zij knarste woedend op de tanden, en vonken, als van een smids vuur, vlogen uit hare oogen. Over het geheel dus had deze Amazone een veel heldhaftiger man dan den heer Partridge schrik en vrees kunnen aanjagen.Eindelijk had hij het geluk, hare armen vast te kunnen houden, en alzoo de wapenen, welke zij aan het einde der vingers had, onbruikbaar te maken, en zoodra zij dit bemerkte, kreeg de zwakheid, aan haar geslacht eigen, de bovenhand op hare woede, en zij barstte in tranen uit, en eindigde met het hevig op de zenuwen te krijgen.De weinige tegenwoordigheid van geest, welke de heer Partridge tot dus ver bewaard had, bij dit woedende tooneel,[59]welks oorzaak hem geheel onbekend was, liet hem nu in den steek. Hij liep de deur uit, op straat, roepende dat zijne vrouw stervende was, en de buren smeekende zich te haasten om hulp te verleenen. Verscheidene goede vrouwen gehoorzaamden aan zijn wensch, en kwamen bij hem binnen, en daar zij de gewone middelen gebruikten bij zulke gevallen, kwam jufvrouw Partridge eindelijk bij, tot groote vreugde van haar man.Zoodra zij weder tot besef gekomen was en door gebruik van een hartversterking iets bedaard was, begon zij het gezelschap bekend te maken met al hare grieven tegen haar man, die, zoo als zij beweerde, niet slechts zijn huwelijkstrouw geschonden had, maar ook, zoodra zij hem dat verweten had, haar met de meest mogelijke wreedheid behandeld, de muts en het haar van haar hoofd en het korset van haar lijf gerukt, en haar tevens een pak slagen gegeven had, waarvan zij de teekenen mede in het graf zou nemen.De arme man, die op het gelaat vele zigtbare sporen vertoonde van de woede zijner vrouw, stond in stomme verbazing bij deze beschuldiging, welke, zoo als de lezer getuigen kan, lang niet met de waarheid overeen kwam; want, inderdaad, had hij haar geen één slag toegebragt;—maar daar zijn stilzwijgen, door alle aanwezigen als een blijk zijner schuld aangemerkt werd, begonnen zij ook alle,una voce, hem te verwijten en te bekijven, steeds herhalende dat alleen een lafaard de hand kon opheffen tegen eene vrouw.De heer Partridge verdroeg dit alles met veel geduld; maar toen zijne vrouw wees op het bloed op haar aangezigt, om zijne wreedheid te bewijzen, kon hij niet laten zijne aanspraken te doen gelden op zijn eigen bloed, gelijk het wezenlijk was,—daar hij het voor zeer onnatuurlijk hield, dat het verschijnen zou (gelijk men ons leert dat het geval is met dat van een vermoorde), om wraak op hem te eischen.Hierop verwaardigden zich de vrouwen geen ander antwoord te geven, dan dat het jammer was, dat het niet van zijn hart, in plaats van zijn gezigt kwam, verklarende, allen tegelijk, dat alsharemannen de hand tegen haar ophieven, zij hun hartebloed zouden willen hebben.[60]Na vele verdere verwijtingen over het gebeurde, en veel goeden raad aan den heer Partridge omtrent zijn toekomstig gedrag, ging het gezelschap eindelijk uiteen, en liet man en vrouw alleen om de zaak onderling te bespreken, bij welke gelegenheid de heerPartridgede oorzaak zijner rampen vernam.[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende veel om verstand en oordeel van den lezer te scherpen.Het komt mij voor eene zeer juiste opmerking te zijn, dat slechts weinige geheimen het eigendom van één persoon blijven; zeker is het, dat men het haast als een wonder zou kunnen beschouwen, als een feit van dezen aard aan eene geheele gemeente kon bekend zijn, zonder verder verspreid te worden.En, inderdaad, slechts weinige dagen verliepen er eer iedereen in de omstreken, gelijk men platweg zegt, „vol was” van den schoolmeester van Klein-Baddington, die, zoo als men verzekerde, zijne vrouw op zulk eene wreede wijze mishandeld had. Ja, er werd zelfs op sommige plaatsen verzekerd, dat hij haar vermoord had;—elders, dat hij haar de armen,—en op andere plaatsen weder, dat hij haar de beenen gebroken had;—met één woord, er bestaat naauwelijks ééne verminking, welke een menschelijk wezen ondergaan kan, of het werd hier of daar verteld, dat jufvrouw Partridge die van haar man ondergaan had.Er bestond ook nog verschil in de opgaven omtrent de oorzaak van dezen twist: want terwijl sommigen verzekerden, dat jufvrouw Partridge haar echtgenoot in bed met de meid gevonden had, werden ook velerlei redenen van geheel anderen aard door anderen opgegeven. Ja, sommigen gingen zoo ver, dat zij de vrouw in plaats van den man beschuldigden, en de ijverzucht aan hem toeschreven.Jufvrouw Wilkins had lang geleden dezen twist vernomen; daar echter eene geheel andere aanleiding daartoe dan de wezenlijke hare ooren bereikt had, vond zij goed er niets[61]van te zeggen, te eerder, welligt, daar de heer Partridge algemeen de schuld kreeg, en omdat zijne vrouw, toen zij bij den heer Allworthy diende, op de eene of andere wijze mejufvrouw Wilkins, die niet zeer vergevensgezind was, beleedigd had.Maar jufvrouw Wilkins, die zeer goed op een afstand kon zien, en die ook even goed een paar jaren vooruit zag, had de groote waarschijnlijkheid ontdekt, dat de kapitein Blifil in lateren tijd haar heer zou worden, en daar zij duidelijk begreep, dat de kapitein den kleinen vondeling niet zeer genegen was, verbeeldde zij zich den heer Blifil eene gewenschte dienstte bewijzen, met eene ontdekking, welke strekken kon om de liefde, welke de heer Allworthy voor het kind scheen opgevat te hebben en die den kapitein blijkbaar hinderde, te doen verminderen;—daar, zelfs in het bijzijn van den heer Allworthy, de kapitein zijne ongerustheid hierover niet geheel verbergen kon, hoewel zijne vrouw, die hare rol, als er menschen bij waren veel beter volhield, hem herhaaldelijk vermaande om haar voorbeeld te volgen en de dwaasheid van haar broeder door de vingers te zien, welke zij, gelijk zij betuigde, ten minste even goed inzag en wraakte, als wie ook ter wereld.Toen dus jufvrouw Wilkins, bij toeval, de ware geschiedenis van den twist op het spoor kwam, hoewel lang nadat die afgeloopen was, rustte zij niet tot zij volkomen ingelicht was omtrent alle bijzonderheden,—waarop zij den kapitein berigtte, dat zij eindelijk den vader van den kleinen vondeling ontdekt had, om wiens wille het haar speet te zien, zeide zij, dat haar meester zooveel van zijn goeden naam opofferde.De kapitein berispte haar om dit laatste gezegde, als zijnde het eene zeer ongepaste aanmatiging van haar kant, om een oordeel te willen vellen over de handelingen van haar meester; want als zijn eergevoel en zijn verstand toegelaten hadden dat hij een bondgenootschap sloot met jufvrouw Wilkins, zou zijn hoogmoed dat nooit hebben willen toegeven. En, het is eene stellige waarheid, dat niets onstaatkundiger kan zijn, dan ooit een bondgenootschap te sluiten met de dienstboden van een vriend tegen hun heer; want juist hierdoor wordt men later de slaaf van deze dienaren, door wie men aanhoudend[62]gevaar loopt van verraden te worden. Het was welligt juist deze bedenking, welke belette dat de kapitein Blifil zich nader verklaarde aan jufvrouw Wilkins, of dat hij hare berisping van Allworthy’s gedrag aanmoedigde.Maar, ofschoon hij bij deze ontdekking geen blijk van voldoening gaf aan jufvrouw Wilkins, was hij, in zijn hart, er niet weinig blijde mede, en besloot er zooveel mogelijk nut van te trekken.Hij hield de zaak echter lang voor zich, in de hoop, dat de heer Allworthy ze van iemand anders vernemen zou; maar jufvrouw Wilkins, hetzij uit toorn over het gedrag van den kapitein, of dat zij het slagtoffer zijner meerdere sluwheid werd, en vreesde hem door de ontdekking te mishagen, liet zich geen woord meer omtrent de heele zaak ontvallen.Bij nader inzien, heb ik het wel eenigzins vreemd gevonden, dat de huishoudster mevrouw Blifil dit nieuws niet mededeelde, daar de vrouwen meer geneigd zijn allerlei nieuwtjes liever aan iemand van haar eigen, dan van ons geslacht te openbaren. De eenige wijze, dunkt me, om dit bezwaar op te lossen, is om alles toeteschrijven aan de verkoeling, die er nu heerschte tusschen de dame en de huishoudster;—die welligt voortsproot uit jaloerschheid bij mevrouw Blifil, omdat Wilkins den vondeling te veel eerbied bewees; want, terwijl zij haar best deed het kind te benadeelen, ten einde een wit voetje bij den kapitein te krijgen, roemde zij het dagelijks meer en meer bij Allworthy,—naarmate zijne ingenomenheid met den jongen vermeerderde. Niettegenstaande nu de zorg, welke zij droeg, om bij andere gelegenheden mevrouw Blifil van het tegendeel te overtuigen, beleedigde dit misschien die fijn gevoelige dame, die nu zeker jufvrouw Wilkins haatte; en hoewel zij bij geene mogelijkheid de gelegenheid kon bedenken om haar uit hare dienst te verwijderen, wist zij wel de middelen te vinden, om haar het leven zeer zuur te maken. Dit vertoornde eindelijk jufvrouw Wilkins in zulke mate, dat zij openlijk den meesten eerbied en liefde voor den kleinen Tom aan den dag legde,—alleen om zich tegen mevrouw Blifil te verzetten.Daar de kapitein dus begreep, dat de ontdekking gevaar[63]liep van in het vergeetboek te geraken, nam hij eindelijk de gelegenheid waar om ze zelf mede te deelen.Op zekeren dag was hij in een gesprek gewikkeld met den heer Allworthy over de liefdadigheid, en de kapitein bewees zeer geleerd aan den heer Allworthy, dat in de Heilige Schrift onder christelijke liefde nergens mildheid of weldadigheid verstaan wordt.„De christelijke godsdienst,” zeide hij, „was tot een edeler doel ingesteld, dan om ons eene les op te dringen, welke vele heidensche wijsgeeren ons reeds vroeger gegeven hadden, en die, hoewel men ze welligt eene zedelijke deugd kon noemen, weinig zweemde naar dien verheven christelijken gemoedsaard, dien verbazenden adel van denkwijze, die in hare zuiverheid de engelachtige volmaaktheid nabij kwam, en die alleen verkregen uitgedrukt, en gevoeld kon worden door middel der goddelijke genade.Diegenen,” zeide hij „begrepen beter hetgeen in de Heilige Schrift bedoeld wordt, die onder christelijke liefde de opregtheid begrepen; dat is, het vellen van een welwillend oordeel over onze broederen, en eene zachte beoordeeling hunner handelingen,—eene deugd, die veel verhevener en grootscher van aard was dan eene ellendige uitdeeling van aalmoezen, welke, hoezeer we ook onze eigene naastbestaanden daardoor benadeelden of zelfs te gronde rigtten, slechts zeer weinigen ten bate konden komen, terwijl de liefdadigheid in den anderen, waren zin, tot het geheele menschdom uitgestrekt kon worden.„Als men in aanmerking neemt,” voegde hij er bij, „wie de apostelen waren, dan zou het ongerijmd zijn te denken, dat hun de leer der mildheid, in den zin van aalmoezen geven, gepredikt werd. En daar wij ons niet goed voorstellen kunnen, dat deze leer door den goddelijken Verlosser aan menschen gepredikt zoude zijn, die ze niet beoefenen konden,—zoo ook moeten wij ons niet verbeelden, dat diegenen, die ze beoefenen kunnen en dit niet doen, ze verstaan.„Hoewel er nu,” vervolgde hij, „naar ik vrees, weinig goeds is in het betoonen van zulke weldaden,—zouden ze toch, dat beken ik, vergezeld zijn van eenig genot voor elk goed hart, zoo dat niet verminderd werd door ééne bedenking. Ik bedoel, dat wij onderhevig zijn aan het gevaar om ons bedrogen[64]te zien, en onze grootste gunsten dikwijls te bewijzen aan menschen, die ze niet verdienen,—zooals gij bekennen moet dat met u het geval was met dien nietswaardigen vent, dien Partridge;—want een stuk of wat voorbeelden van dien aard moeten de inwendige voldoening zeer verminderen, welke een braaf mensch anders door zijne weldadigheid zou ondervinden;—ja, hem zelfs schroomvallig maken in het geven, uit vrees van zich schuldig te maken aan het bevorderen der ondeugd en het aanmoedigen der boosheid,—eene zeer zware misdaad, voor welke het volstrekt geene verontschuldiging zou zijn te beweeren, dat men iets van dien aard volstrekt niet beoogde,—tenzij men uiterst voorzigtig zij geweest in de keuze der voorwerpen zijner mildheid. En ik twijfel niet, of deze bedenking heeft de mildheid van menigen waardigen en vromen man zeer getemperd.”De heer Allworthy gaf tot antwoord: „Dat hij op het punt van het Grieksch niet met den kapitein op dezelfde hoogte was, en daarom niets zeggen kon van de wezenlijke beteekenis van het woord, dat door liefde vertaald wordt, maar dat hij zich toch altijd verbeeld had, dat het begrip van handelen er noodzakelijk aan verbonden, en dus het geven van aalmoezen ten minste eene eigenschap van die deugd was.„Wat de verdienstelijkheid daarvan betrof,” zeide hij, „daaromtrent was hij het met den kapitein eens; want er was niets verdienstelijks in, dat men slechts zijn pligt deed, die, welken zin men ook verkoos te geven aan het woord christelijke liefde, toch duidelijk genoeg aangewezen werd door de geheele strekking van het Nieuwe Testament. En, even als hij het beschouwde als een pligt, die niet verwaarloosd mogt worden,—die aanbevolen werd door de christelijke leer en de wetten der natuur zelve, zoo was die ook tevens zoo aangenaam, dat als men zeggen kon, dat de vervulling van eenigen pligt ter wereld hare eigene belooning medebragt, en zich zelve voldoening schonk, het dan juist de beoefening van dezen pligt was.”„Om de waarheid te zeggen,” vervolgde hij, „er is één graad van mildheid,—of liefdadigheid, zou ik ze genoemd hebben,—die eenigen schijn van verdienste heeft, en dat[65]is, wanneer men uit grondbeginselen van welwillendheid en christelijke liefde iemand anders iets geeft, dat men zelf wezenlijk noodig heeft,—als wij, ten einde de rampen van anderen te lenigen, ons verwaardigen een gedeelte er van op onze eigene schouders te nemen, door hun dat te schenken, wat onze behoeften voor ons onmisbaar maken. Dit is, dunkt me, verdienstelijk; maar om onze broederen slechts met onzen overvloed te helpen; om liefdadig te zijn, ik moet dat woord gebruiken,—alleen ten koste van onze beurs, en niet van ons zelve,—om liever vele huisgezinnen uit de ellende te redden dan een zeldzaam schilderstuk in onze kamer op te hangen, of eenige andere, nietige, bespottelijke ijdelheid te voldoen, schijnt niets meer dan menschelijk te zijn. Ja, ik waag het zelfs verder te gaan, en te verklaren, dat het eenigermate op de handelwijze van een lekkerbek gelijkt; want, wat zou de grootste lekkerbek liever doen, dan met vele in plaats van met slechts één mond te eten, hetwelk, dunkt me, ongeveer het geval is met iemand, die weet dat velen door zijne mildheid gevoed worden?”„Wat de vrees betreft van zijne goedheid te verspillen aan diegenen, die ze welligt onwaardig zullen wezen, omdat reeds velen vroeger onwaardig geweest zijn; dit mag zeker een goed mensch niet afschrikken van mild te zijn. Ik geloof niet, dat eenige, of vele voorbeelden van ondankbaarheid het regtvaardigen kunnen, dat iemand zijn hart sluit tegen de rampen zijner medemenschen; ik geloof ook niet, dat zoo iets gebeuren kan, als men wezenlijk welwillend is. Niets dan de overtuiging van de algemeene bedorvenheid, kan een goed mensch geheel van het betoonen van liefdadigheid afschrikken, en eene dergelijke overtuiging moet hem of tot atheïsme of tot geestdrijverij leiden. Het is ook zeker onredelijk om tot de algemeene bedorvenheid te besluiten, omdat er enkele bedorvene menschen zijn, en ik verbeeld me ook niet, dat die ooit aangenomen wordt door iemand, die na rijp onderzoek in zijn eigen hart, ééne uitzondering op den algemeenen regel vond.”Hij eindigde met de vraag: „Wien hij toch bedoelde met dien Partridge, dien hij een schelm genoemd had?”„Ik bedoel,” zei de kapitein, „Partridge, den barbier,[66]den schoolmeester, of hoe ge hem heet? Partridge, den vader van het kindje, dat ge in uw bed vondt.”De heer Allworthy liet groote verwondering blijken bij deze woorden, en de kapitein scheen niet minder verbaasd over zijne onwetendheid; want hij zeide het meer dan eene maand lang geweten te hebben, en herinnerde zich eindelijk, met veel moeite, dat hij het van jufvrouw Wilkins gehoord had.Hierop werd Wilkins dadelijk geroepen, die hetgeen de kapitein gezegd had, bevestigd hebbende, door den heer Allworthy, op raad van den kapitein, naar Klein-Baddington gezonden werd, om de zaak te onderzoeken; want de kapitein toonde een grooten afkeer van overhaasting in alle criminele zaken en verklaarde dat hij niet hebben wilde dat de heer Allworthy eenig besluit nam tot nadeel van het kind of zijn vader, eer hij de overtuiging gekregen had, dat deze laatste schuldig was: want hoewel hij zelf overtuigd was door hetgeen hij vernomen had van een van Partridge’s buren, was hij veel te edelmoedig om zoo iets tot bewijs bij den heer Allworthy te doen strekken.[Inhoud]Hoofdstuk VI.De teregtstelling van Partridge, den schoolmeester, wegens oneerbaarheid; de getuigenis door zijne vrouw afgelegd; eene korte herinnering aan de wijsheid onzer wetten, met andere ernstige zaken, die hun het best bevallen zullen, welke ze het best verstaan.Men zal zich welligt verwonderen, dat een zoo welbekend verhaal, hetwelk zoo veel stof tot gesprek opgeleverd had, nooit was medegedeeld aan den heer Allworthy zelven, de eenige mensch welligt in den omtrek, die er nooit van gehoord had.Om dit eenigzins aan den lezer te verklaren, acht ik het noodig ter zijner kennis te brengen, dat er niemand in het geheele rijk was, die er minder belang bij had om de stelling aangaande de beteekenis van het woord „christelijke liefde”[67]te bestrijden, dan die goede man. Inderdaad kon hij in alle opzigten aanspraak op deze deugd maken; want even als er niemand was die gevoeliger kon zijn voor den nood van anderen, of meer gereed om in hunne behoeften te voorzien, zoo kon er ook niemand zijn, die kiescher was omtrent hun goeden naam en onwilliger om iets tot hun nadeel aan te hooren.De laster vond dus nooit ingang bij hem; want, even als lang geleden opgemerkt werd, dat men iemand naar zijn omgang beoordeelen kan, zoo waag ik ook te zeggen, dat men door te luisteren naar de gesprekken aan tafel van een groot man, inzigt kan krijgen in zijne godsdienst, zijne staatkunde, zijn smaak en, in één woord, in zijn geheel karakter; want, hoewel er eenige wonderlijke menschen zijn, die overal hunne eigene meeningen voor den dag brengen, zijn op verre na de meeste menschen hovelingen genoeg om hun gesprek in te rigten naar den zin en de neigingen van hunne meerderen.Maar om terug te komen op jufvrouw Wilkins: deze, haar boodschap met veel spoed verrigt hebbende, hoewel op een afstand van vijftien Engelsche mijlen, bragt zulk eene zekere bevestiging mede van de schuld van den schoolmeester, dat de heer Allworthy besloot den misdadiger te ontbieden, en hemviva vocete ondervragen.De heer Partridge werd dus gedagvaard om te verschijnen en zich te verdedigen (als hij dat kon), tegen de ingebragte beschuldiging.Op het bepaalde uur verschenen voor den heer Allworthy, ten huize het Paradijs genaamd voornoemde Partridge, met zijne wettige huisvrouw Anna, en de aanklaagster, jufvrouw Wilkins.En nu, de heer Allworthy in den regterstoel gezeten zijnde, werd Partridge vóór hem gebragt, die na de beschuldiging van jufvrouw Wilkins aangehoord te hebben, alles loochende, met vele hartstogtelijke betuigingen zijner onschuld.Daarop werd jufvrouw Partridge ondervraagd, die na eene zedige betuiging van haar leedwezen, dat zij tegen haar man toch de waarheid moest zeggen, alle omstandigheden vermeldde, waarmede de lezer reeds bekend is, en eindigde[68]met de verklaring, dat haar echtgenoot schuld bekend had.Ik wil niet wagen te beslissen of zij hem vergeven had of niet; maar het is zeker dat zij ongaarne getuigenis aflegde, en het is waarschijnlijk, om zekere andere redenen, dat zij nooit op die wijze zich verklaard zou hebben, zoo jufvrouw Wilkins niet op de meest listige wijze, in haar eigen huis, alles van haar uitgevischt had, en beloften gedaan, uit naam van den heer Allworthy, dat haar man op geenerlei wijze gestraft zou worden, die zijn huisgezin kon benadeelen.Partridge hield vol met zijne onschuld te betuigen, hoewel hij niet loochenen kon, dat hij de bekentenis afgelegd had, wat hij echter trachtte te verklaren door de verzekering dat ze hem afgeperst werd door de lastigheid zijner vrouw, die zwoer, dat, daar zij van zijne schuld overtuigd was, zij nooit uitscheiden zou met hem te plagen tot hij ze bekend had,—waartegen zij beloofde, van haar kant, hem nooit iets meer daarvan te zeggen. Om deze reden, zeide hij, was hij er toe gekomen, zich valschelijk te beschuldigen, hoewel hij geheel onschuldig was,—en hij geloofde, dat hij, met hetzelfde doel, ook een moord zou bekend hebben.Jufvrouw Partridge kon geen geduld vinden om dit alles aan te hooren, en daar zij, in dit geval, tot geen ander hulpmiddel dan de tranen hare toevlugt nemen kon, riep zij de hulp daarvan in, en zich tot den heer Allworthy wendende, zeide, of liever, snikte zij:„Met uw verlof, mijnheer, nooit werd eene vrouw zóó mishandeld als ik door dezen slechten man! Want dit is niet het eerste voorbeeld van zijn ontrouw! Neen, mijnheer! Met uwe permissie,—hij heeft menigmaal al de huwelijkssponde ontheiligd! Ik had zijn dronkenschap en het verwaarloozen zijner zaken kunnen verdragen, als hij niet de heilige geboden geschonden had! Daarenboven, als het buiten ’s huis geschied was, zou ik het me niet zóó aangetrokken hebben! Maar met mijne eigene dienstbode, in mijn eigen huis, onder mijn eigen dak, zóó mijn eigen kuisch bed te bezoedelen met zijne smerige meiden! Ja, gij schandaal dat hebt ge gedaan! En dan beschuldigt[69]ge mij, dat ik u gedwongen heb zoo iets te bekennen! Is dat nu waarschijnlijk, mijnheer, dat ik hem zou kunnen dwingen?—Ik kan nog de lidteekens op mijn ligchaam laten zien, die zijne wreedheid bewijzen! Als ge een man waart, schelm, dan zoudt ge u schamen, eene vrouw op die wijze te mishandelen! Maar ge zijt geen man:—dat weet ge wel!—Neen, ge zijt geen halve man voor mij geweest! En gij moest nog anderen naloopen! ’t is wat moois, terwijl ik zeker weet——. En nu dat hij me tergt, ben ik gereed, mijnheer, om een plegtigen eed te doen, dat ik hen zamen in bed vond! Hoe! Ge zult niet vergeten hebben, dat ge me sloegt tot ik een toeval kreeg en het bloed van mijn gezigt afstroomde, alleen omdat ik u, zoo beleefd mogelijk, uw ontrouw verweet! Maar de buren, die kunnen alles getuigen. Ge hebt me haast het hart gebroken! Ja, dat hebt ge gedaan!”Hier viel de heer Allworthy haar in de rede en smeekte haar te bedaren, haar belovende dat haar regt zou wedervaren; en zich daarop tot Partridge wendende, die verstomd stond, half door verbazing en half door vrees verbijsterd, zeide hij, dat het hem speet te vernemen, dat er zoo veel slechtheid in de wereld bestond. Hij verzekerde hem dat al zijne onopregtheid en heen en weer praten slechts strekken kon om zijne schuld zeer te vermeerderen, die hij alleen vergoeden kon door openhartige bekentenis en berouw. Hij vermaande hem dus te beginnen met het feit te bekennen, en niet vol te houden met datgene te loochenen, dat zoo duidelijk tegen hem bewezen werd door zijne eigene vrouw.Hier, lezer, moet ik u smeeken een oogenblik geduld te hebben, terwijl ik u en mij, met regt, geluk wensch met de groote billijkheid en wijsheid onzer wetgeving, die weigert het getuigenis eener vrouw vóór of tegen haar man aan te nemen. „Dit,” zegt zekere geleerde schrijver, die tot dus ver, naar ik meen, nooit anders dan in een regtsgeleerd werk aangehaald werd, „zou ook het middel wezen, om eeuwigdurende twisten tusschen hen te veroorzaken. Het zou inderdaad aanleiding geven tot vele meineeden, tot veelgegeessel, boeten, gevangenschap, deportatie en ophangen.”[70]Partridge bleef een tijdlang zwijgen, tot hem bevolen werd te spreken, en toen verklaarde hij reeds de waarheid gezegd te hebben, en riep den hemel tot getuige om zijne onschuld te openbaren, en eindelijk ook het meisje zelf, om wie hij den heer Allworthy smeekte dadelijk te zenden; want hij wist niet, of gaf voor niet te weten, dat zij die omstreken reeds verlaten had.De heer Allworthy wiens aangeborene liefde tot de regtvaardigheid, gevoegd bij zijne eigene bedaardheid, hem altijd tot een zeer geduldigen magistraat maakte, waar het gold het verhooren van alle getuigen, die een beschuldigde aanbrengen kon om zich te verdedigen, stemde er in toe de beslissing van de zaak uit te stellen tot de aankomst van Jenni, om wie hij dadelijk een bode zond. Daarop, na den vrede tusschen man en vrouw verder aanbevolen te hebben hoewel, hij zich op dit punt voornamelijk tot den verkeerden persoon wendde, bepaalde hij den derden dag na dien voor het tweede verhoor; want hij had Jenni eene geheele dagreis ver van zijn eigen huis gezonden.Op den bestemden tijd kwamen alle partijen weer zamen, toen de bode het berigt medebragt, dat Jenni niet te vinden was, daar zij een paar dagen te voren, hare woning verlaten had met een officier, die bezig was met rekruteren.De heer Allworthy verklaarde nu dat de getuigenis van zulk een slecht mensch als zij bleek te zijn, geen geloof zou verdiend hebben; maar zeide dat hij niet laten kon te gelooven, dat als zij tegenwoordig geweest ware en de waarheid had willen zeggen, zij ook datgene had moeten bevestigen, wat reeds genoegzaam bewezen scheen door zoo vele omstandigheden, door de bekentenis van Partridge zelven en door de verklaring der vrouw, dat zij haar echtgenoot op heeter daad betrapt had. Daarom, vermaande hij Partridge nogmaals ernstig tot bekentenis te komen;—daar deze echter nog steeds zijne onschuld volhield, verklaarde de heer Allworthy zich van zijne schuld overtuigd en dat hij een te slecht mensch was om verder eenige ondersteuning van hem te verdienen. Hij benam hem dus het jaargeld, dat hij van hem kreeg, en beval hem aan[71]berouw te toonen, om den wille van het leven hier namaals, en tevens den meesten vlijt aan den dag te leggen, ten einde in dit leven zich zelven en zijne vrouw te onderhouden.Er zijn welligt weinige ongelukkiger menschen dan die arme Partridge! Ten gevolge van de getuigenis zijner vrouw, had hij het grootste gedeelte van zijn inkomen verloren, en moest nog dagelijks het verwijt van haar hooren, dat hij haar van dit voordeel beroofd had, en zich aan dat onverdiend oordeel onderwerpen.Hoewel ik hem nu pas den armen Partridge genoemd heb, wenschte ik echter dat de lezer, dat woord toeschreef eerder aan mijn medelijdenden aard, dan dat hij het opvatte als eene verklaring zijner onschuld. Het zal welligt later blijken, of hij onschuldig was of niet; maar zoo de muze der geschiedenis mij eenig geheim heeft toevertrouwd, zal ik mij wachten het te verklappen eer zij het mij veroorloofd heeft.Voor het oogenblik moet de lezer dus zijne nieuwsgierigheid beteugelen. Zeker echter blijft het, dat hoe het ook met de waarheid stond, er meer dan voldoende bewijzen waren om hem in Allworthy’s oogen schuldig te doen schijnen;—inderdaad, men had nog met veel minder kunnen volstaan voor eene regtbank, bij eene kwestie van legitimiteit, en toch, niettegenstaande de zekerheid van jufvrouw Partridge, die een eed omtrent de zaak had willen afleggen, is het mogelijk dat de schoolmeester geheel onschuldig was; want hoewel het duidelijk bleek, uit de vergelijking van den tijd van Jenni’s vertrek uit Klein-Baddington, met dien harer verlossing, dat zij daar zwanger van het kind was geworden, behoefde het volstrekt niet als een zeker gevolg aangemerkt te worden, dat Partridge de vader moest zijn. Want, om van geene andere bijzonderheden melding te maken, was er in hetzelfde huis een jongen van bijna achttien jaar, tusschen wien en Jenni er gemeenzaamheid genoeg bestaan had, om er geene ongegronde vermoedens op te vestigen,—en toch, is de ijverzucht zoo blind, dat deze omstandigheid der verwoede vrouw nooit in het hoofd kwam.Het blijkt niet of Partridge den raad volgde van den[72]heer Allworthy en berouw toonde, of niet. Maar het is zeker dat zijne vrouw berouw kreeg over de getuigenis, welke zij tegen hem afgelegd had, vooral toen zij ontdekte, dat jufvrouw Deborah haar bedrogen had, en nu weigerde een goed woord voor haar te spreken bij den heer Allworthy. Zij was echter eenigzins voorspoediger bij mevrouw Blifil, die, zoo als de lezer opgemerkt zal hebben, eene veel goedaardiger vrouw was, en die zeer vriendelijk op zich nam haar broeder te verzoeken het jaargeld weder te geven. Hoewel nu hare goedheid eenig deel had in deze handelwijze, zal men in het volgende hoofdstuk eene veel krachtiger en natuurlijker beweegreden daartoe vinden.Haar verzoek bleef echter zonder gevolg; want hoewel de heer Allworthy zich niet verbeeldde, met sommige nieuwere schrijvers, dat de barmhartigheid zich alleen vertoont in het bestraffen der misdadigers, was hij er ook even ver van verwijderd, om het voor eene eigenschap van deze uitstekende deugd te houden, om zonder eenigen grond aan groote misdadigers willekeurig genade te schenken. Eenige twijfel, of verzachtende omstandigheid, werd nooit door hem over het hoofd gezien; maar het smeeken van den misdadiger, of de tusschenkomst van anderen bleven altijd zonder uitwerking op hem. Met één woord, hij schonk nooit vergiffenis, omdat de schuldige zelf, of diens vrienden, wenschten dat hij niet gestraft zou worden.Partridge en zijne vrouw moesten zich dus beide schikken in hun lot, dat inderdaad hard genoeg was; want verre van zijn vlijt te verdubbelen nadat zijn inkomen verminderd was, gaf hij zich in zekere mate aan de wanhoop over, en lui van aard zijnde, verergerde die ondeugd nu bij hem, zoodat zijne kleine school verliep en hij zelf, noch zijne vrouw, een stuk brood te eten zouden gehad hebben, als de mildheid van zeker goed christen niet tusschenbeide gekomen ware, om hen van het volstrekt noodzakelijke tot hun onderhoud te voorzien.Daar deze hulp hun door een onbekende verstrekt werd, verbeeldden zij zich, en dat zal zonder twijfel de lezer ook doen, dat de heer Allworthy hun geheime weldoener was, die, ofschoon hij niet in het openbaar de ondeugd aanmoedigen wilde, toch in stilte de ellende der misdadigers[73]zelve verzachten kon, als die te groot en te weinig geëvenredigd was aan hunne boosheid.Het noodlot zelf scheen nu hunne ellende uit dit oogpunt te beschouwen, en eindelijk medelijden te hebben met het ongelukkige paar, daar het de rampen van Partridge aanmerkelijk verzachtte, door hem van zijne vrouw te verlossen, die de kinderpokken kreeg en spoedig onder die ziekte bezweek.De regtvaardigheid, welke de heer Allworthy omtrent Partridge uitgeoefend had, vond aanvankelijk algemeene goedkeuring; maar zoodra de schoolmeester de gevolgen daarvan begon te ondervinden, begonnen ook zijne buren vermurwd te worden, medelijden met hem te gevoelen, en spoedig daarna, dat, wat zij pas regtvaardigheid genoemd hadden, als overdrevene strengheid af te keuren. Zij voeren er tegen uit, dat men in koelen bloede straffen konde, en prezen de deugden van genade en barmhartigheid hemelhoog.Dit geschreeuw vermeerderde zeer bij den dood van jufvrouw Partridge, welke ofschoon toeteschrijven aan bovengenoemde ziekte, die geen gevolg is van armoede en gebrek, door velen, zeer onbeschaamd, geweten werd aan de strengheid, of zooals zij het nu noemden, de wreedheid van den heer Allworthy.Daar Partridge nu zijne vrouw, zijne school en zijn inkomen verloren had, en ook de onbekende weldoener de boven vermelde ondersteuning verder naliet, besloot hij van tooneel te veranderen, en verliet de streek, waar hij gevaar liep van te verhongeren, in weerwil van het algemeene medelijden zijner naasten.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Eene korte schets van het geluk, dat een wijs gehuwd paar in den haat kan vinden; met eene verontschuldiging van die menschen, die de onvolmaaktheden hunner vrienden over het hoofd zien.Hoewel de kapitein den armen Partridge geheel te grond gerigt had, had hij er toch niet de voordeelen van ingeoogst,[74]welke hij gehoopt had, namelijk om den heer Allworthy den vondeling de deur uit te zien zetten.Integendeel, die heer werd bij den dag meer gehecht aan den kleinen Tom, alsof hij zijne strengheid tegen den vader door buitengewone liefde en goedheid voor den zoon wilde vergoeden.Dit verbitterde zeer het humeur van den kapitein, even als andere, dagelijksche voorbeelden van de mildheid van den heer Allworthy; want hij beschouwde alle dergelijke liefdadige uitgaven, als alleen strekkende om zijn eigen rijkdom te verminderen.Hierin, zooals wij gezegd hebben, was hij het niet met zijne vrouw eens,—evenmin als in iets anders; want hoewel vele wijze menschen aannemen, dat eene genegenheid die op het verstand berust, duurzamer is dan eene, die op de schoonheid gegrond is, bleek het tegenovergestelde waar te zijn in het onderhavige geval. Ja, het was het wederzijdsche verstand van dit paar, dat de hoofdbron van twist werd, en ééne der voornaamste oorzaken van de veelvuldige oneenigheden, welke, met der tijd, tusschen hen ontstonden; en die eindigden, van den kant der dame, met eene diepe minachting van haar man, terwijl de echtgenoot er toe kwam, zijne vrouw in alle opzigten te verfoeijen.Daar beide hunne gaven grootendeels besteed hadden aan de studie der godgeleerdheid, werd deze spoedig na hunne eerste kennismaking het hoofd-onderwerp hunner gesprekken. De kapitein, als beleefd man, had, vóór zijn huwelijk, altijd zijn gevoelen opgegeven, als het in strijd was met dat der dame, en dit geschiedde volstrekt niet naar de wijze van een lompen, onhandigen, verwaanden domkop, die, hoewel hij beleefdelijk zwicht voor een gegrond argument, toch begeert, dat men inzie, dat hij gelooft het regt aan zijne zijde te hebben. De kapitein, integendeel, hoewel een der hoogmoedigste menschen ter wereld, liet de overwinning zoo onbepaald aan zijne tegenpartij, dat zij, die in het minst niet twijfelde aan zijne opregtheid, altijd den twist ten einde zag loopen met de meeste bewondering van haar eigen verstand en zeer veel ingenomenheid met het zijne.Maar hoewel deze toegevendheid jegens iemand, die hij[75]diep verachtte, hem toen niet zoo moeijelijk viel, als het geval zou geweest zijn, wanneer hij om eenig vooruitzigt op bevordering genoodzaakt was geweest zich op dezelfde wijze te onderwerpen aan den Bisschop Hoadley, of eenigen anderen beroemden theologant, kostte ze hem toch te veel, om ze zonder eenige nevenbedoeling te dragen. Zoodra dus het huwelijk deze nevenbedoeling uit den weg geruimd had, verveelde hem zijne vriendelijkheid en hij begon de gevoelens zijner vrouw met dien hoogmoed en die onbeschoftheid te behandelen, welke alleen aan den dag gelegd worden door diegenen, die zelve eenige minachting verdienen, en die alleen kan verdragen worden door diegenen, welke geene minachting verdienen.Toen de eerste vlagen van teederheid voorbij waren,—en in de kalme en lange tusschenpoozen tusschen de aanvallen daarvan,—toen het gezond verstand der dame de oogen begon te openen, en zij deze verandering in het gedrag van den kapitein opmerkte, die al hare argumenten met „Boe!” en „Bah!” beantwoordde, was zij er ver van daan, deze beleediging met gelaten onderworpenheid te dragen. Integendeel, zij was er in het begin zoo hevig over vertoornd, dat de eene of andere tragische gebeurtenis er uit had kunnen ontstaan, indien haar gevoel geene meer onschuldige wending genomen had, door haar de meest mogelijke minachting voor het verstand van haar man in te boezemen, waardoor haar haat eenigzins gewijzigd werd, ofschoon zij ook hiervan meer dan genoeg koesterde.De kapitein haatte haar op eene meer onvermengde wijze: want, ten opzigte van gebrek aan kennis of verstand, verachtte hij haar niet meer dan hij had kunnen doen omdat zij geen zes voet lang was.In zijne gedachten omtrent het vrouwelijke geslacht, overtrof hij Aristoteles zelven in bitterheid. Hij beschouwde eene vrouw als een huisdier, van eenige meerdere waarde dan eene kat, daar hare diensten iets belangrijker van aard zijn; maar het onderscheid tusschen beide was, naar zijne schatting, zoo gering, dat het hem, in zijn huwelijk met de landerijen en onroerende goederen van den heer Allworthy, weinig had kunnen schelen, welke van beide hij op den koop toe mede had moeten nemen. En toch was zijn hoogmoed[76]zoo gevoelig van aard, dat de minachting welke zijn vrouw jegens hem liet blijken, hem kwetste, en dit, gevoegd bij de walging welke hij reeds voor hare liefde gekoesterd had, vervulde hem met afkeer en afschuw in eene mate die misschien zelden overtroffen is.In den huwelijken staat is er slechts één toestand, die van genoegen ontbloot is, en dat is de toestand van onverschilligheid; maar even als vele mijner lezers, naar ik hoop, het uitstekend genot kennen van een bemind wezen genoegen te doen, zoo zijn er ook, naar ik vrees, eenigen die de voldoening mogen gesmaakt hebben van het voorwerp van hun haat te plagen. Het is, dunkt me, om dit laatste genoegen te smaken, dat wij dikwijls beide partijen die rust in het huwelijk zien opofferen, die zij anders genieten konden, al ware hun levens-gezel hun ook nog zoo onaangenaam. Daarom is het dat de vrouw dikwijls vlagen van liefde en ijverzucht veinst, ja, zich zelve een genoegen weigert, om dat van haar echtgenoot te storen en te beletten, terwijl hij, van zijn kant, zich zelven dikwerf aan banden legt, en te huis blijft, in een gezelschap dat hem verveelt, alleen om zijne vrouw op dezelfde wijze te tergen. Van daar ook dikwijls die stortvloeden van tranen, welke soms de weduwe op de asch van een echtgenoot laat vallen, dien zij een leven van aanhoudende onrust en kwelling bezorgd heeft, en dien zij nu niet meer hopen kan te plagen.Als ooit echter eenig paar dit genot smaakte, werd het nu ten volle genoten door den kapitein en zijne vrouw. Het was altijd, voor beide, genoeg te weten dat de andere iets beweerde, om juist van het tegenovergestelde gevoelen te zijn. Als de een zekere tijdkorting voorstelde, was de andere er tegen; zij beminden, haatten, prezen of laakten nooit denzelfden persoon. En om deze reden was het dat, wijl de kapitein den kleinen vondeling met leede oogen aanschouwde, zijne vrouw hem bijna als haar eigen kind begon te liefkozen.De lezer zal gemakkelijk inzien, dat deze verhouding tusschen man en vrouw niet veel bijdragen kon om den heer Allworthy een rustig leven te verschaffen, even als het weinig bevorderlijk was aan dat kalme geluk, hetwelk hij zich, voor alle drie, uit dit huwelijk voorgespiegeld had. Het[77]blijft echter waar, dat, hoewel hij zich in zijne levendige verwachtingen eenigzins teleurgesteld zag, hij toch nog zeer onvolmaakt ingelicht was omtrent de heele zaak, want evenzeer als de kapitein, om zekere duidelijke redenen, genoodzaakt was in zijn bijzijn zeer op zijne hoede te wezen, zoo moest ook de dame, uit vrees voor haar broeders toorn, dezelfde gedragslijn volgen. Inderdaad, het is mogelijk dat een derde persoon lang zeer gemeenzaam kan wezen, of zelfs onder hetzelfde dak leven met een echtpaar, dat slechts tamelijk voorzigtig is, zonder zelfs de verbittering te vermoeden, welke tusschen beide heerscht; want, hoewel soms de heele dag te kort moge zijn voor den haat, even als voor de liefde, leveren de vele uren welke gehuwden in afzondering met elkaar doorbrengen, aan menschen die niet onmatig zijn, zoovele gelegenheden om beide driften bot te vieren, dat, als zij elkaar beminnen, zij eenige uren in het gezelschap van anderen kunnen zijn, zonder te vrijen, of als zij elkaar haten, zonder elkaar in het gezigt te spuwen.Het is echter mogelijk dat de heer Allworthy genoeg zag om zich een weinig te verontrusten; want wij moeten niet altijd gelooven, dat een wijs man zich niet bezeerd heeft, als hij niet hardop schreeuwt en klaagt, zoo als menschen doen, die kinderachtig of verwijfd van aard zijn.Het kan ook wezen, dat hij enkele gebreken in den kapitein zag, zonder eenige ongerustheid te gevoelen; want waarlijk wijze en goede menschen nemen de menschen en zaken zooals zij ze vinden, zonder over hunne onvolmaaktheden te klagen, of ze allen te willen verbeteren. Zij kunnen een gebrek in een vriend, een bloedverwant, of eene betrekking zien, zonder er ooit gewag van te maken tot die betrekkingen zelve, of iemand anders,—en dikwerf ook zonder eenige vermindering hunner genegenheid. En inderdaad, tenzij er veel scherpzin gepaard ga met deze toegevendheid, moesten wij alleen vriendschap sluiten met dwazen, die men foppen kan; want ik hoop dat mijne vrienden het me vergeven zullen, als ik verklaar dat ik geen onder hen ken, die zonder gebreken is, en het zou mij spijten als ik me verbeelden moest dat ik een vriend had, die de mijne niet zag. Vergiffenis van dezen aard geven en vragen wij wederkeerig. En dat is misschien niet een der onaangenaamste[78]pligten der vriendschap. En wij moeten deze vergiffenis schenken, zonder hoop op beterschap. Er is welligt niets dwazers te bedenken, dan de zucht om de aangeborene zwakheden van diegenen die wij liefhebben, te verbeteren. De fijnste zamenstelling der menschelijke natuur kan, even als het fijnste porselein, een barstje hebben dat niet te herstellen is, ofschoon in weerwil daarvan, de teekening er op hare zeer groote waarde behoudt.Over het algemeen dan, ontdekte de heer Allworthy, buiten kwestie, eenige gebreken in den kapitein; daar deze echter een zeer sluw mensch was, en altijd op zijne hoede in het bijzijn van zijn zwager, schenen ze hem niets anders toe dan kleine vlekjes in een goed karakter, die hij de goedheid had te vergeven, en de wijsheid om niet aan den kapitein zelven te ontdekken. Zijne meening zou zeer gewijzigd zijn geworden, indien hij alles geweten had, hetgeen welligt met den tijd het geval zou zijn geweest, als man en vrouw lang op denzelfden voet met elkaar geleefd hadden; maar het medelijdende noodlot beraamde de middelen om dit te voorkomen, en dwong den kapitein om iets te doen, waardoor hij weder dierbaar werd aan zijne vrouw, en al hare teederheid en liefde weder verwierf.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een onfeilbaar voorschrift, om, zelfs in de meest wanhopige gevallen, de verbeurde liefde eener echtgenoote terug te winnen.De kapitein vond ruime vergoeding voor de onaangename oogenblikken welke hij in het bijzijn zijner vrouw moest slijten,—en die zoo weinig in getal waren als hij ze maar maken kon,—in de aangename gedachten, welke hij in de eenzaamheid genoot.Deze gedachten liepen bij uitsluiting over het vermogen van den heer Allworthy; want eerst had hij veel werk, met in zijn hoofd, zoo goed hij kon, de juiste waarde van het geheel na te gaan,—welke berekeningen hij telkens, steeds in zijn eigen voordeel veranderde; en in de tweede plaats,[79]vermaakte hij zich hoofdzakelijk met voorgenomene veranderingen in het huis en de tuinen, en in het ontwerpen van vele andere plannen, zoowel ter verbetering van de bezittingen als om iets grootsch aan het geheel te geven. Tot dit einde, hield hij zich bezig met de studie van bouwkunde en van het aanleggen van buitenplaatsen, en las vele werken over beide onderwerpen; want deze wetenschappen namen zijn geheelen tijd in beslag en waren zijne eenige uitspanning. Eindelijk had hij een alleruitmuntendst ontwerp gereed, en het spijt mij zeer, dat ik niet bij magte ben het aan mijne lezers te laten zien, daar het, naar ik meen, zelfs bij al de weelde onzer dagen, naauwelijks zijns gelijken heeft. Het bevatte inderdaad in den hoogsten graad de twee voornaamste bestanddeelen, welke alle grootsche en edele ontwerpen van dezen aard ter aanbeveling strekken, namelijk, het eischte buitengewone uitgaven, en zeer veel tijd om het eenigzins tot volmaking te brengen. In de eerste dezer behoeften, zouden de onmetelijke rijkdommen, welke de kapitein veronderstelde dat in het bezit waren van den heer Allworthy,—en die hij zeker wachtte zelf van hem te erven,—best voorzien; en wat de tweede betrof, zijn gezond gestel en zijn leeftijd, die niet boven de middelbare was, benamen hem alle vrees dat hij niet lang genoeg leven zou om zijn wensch vervuld te zien.Niets ontbrak er dus aan deonmiddellijkeuitvoering zijner plannen dan de dood van den heer Allworthy, en in het berekenen daarvan had hij een groot gedeelte van zijne kennis der Algebra uitgeput, na alle bestaande boeken gekocht te hebben, die handelen over den duur van het menschelijk leven, de betrekkelijke waarde van verwachte erfenissen, enz. Uit dit alles maakte hij op, dat daar er elken dag kans bestond dat het gebeuren zou, het ook zeer waarschijnlijk was dat zijn zwager binnen weinige jaren sterven zou.Maar, terwijl de kapitein op zekeren dag meer dan gewoonlijk verdiept was in beschouwingen van dezen aard, werd hij overvallen door een der droevigste en ontijdigste gebeurtenissen mogelijk. Inderdaad, het kwaadaardigste noodlot had niets kunnen bedenken dat zoo wreed, zoomal-à-propos, zoo bepaaldelijk verpletterend was voor al zijne plannen. Met één woord, om den lezer niet lang in onzekerheid te[80]laten, juist op het oogenblik dat hij zich in zijn hart verheugde, in beschouwingen over het geluk dat hem te wachten stond bij den dood van den heer Allworthy,—stierf hij zelf aan eene beroerte.Deze overviel den kapitein ongelukkig op zijne avondwandeling, in de eenzaamheid, zoodat er niemand bij was, om hem hulp te verleenen,—gesteld zelfs dat eenige hulp hem had kunnen redden. Hij nam dus op deze wijze de maat van den grond, die nu groot genoeg zou zijn voor al zijne toekomstige behoeften en lag dood uitgestrekt, een groot (ofschoon geen levend) voorbeeld van de waarheid van hetgeen door Horatius opgemerkt is:„Tu secanda marmoraLocas sub ipsum funus: et sepulchriImmemor, struis domus.”Welk denkbeeld ik op deze wijze vertolk: „Gij schaft de prachtigste bouwstoffen aan, terwijl niet meer dan eene spade en een houweel noodig zijn, en ge bouwt huizen, vijfhonderd voet lang en honderd breed, vergetende de woning die maar zes voet lang en twee breed is.”[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het bewijs van de onfeilbaarheid van het reeds opgegeven voorschrift, in de klagten van de weduwe; tegelijk met andere gepaste attributen van den dood, zooals daar zijn: geneesheeren, enz. en een model-grafschrift.De heer Allworthy, zijne zuster en eene andere dame, waren op het gewone uur bijeengekomen in de eetzaal om het avondmaal te gebruiken, en na veel langer dan gewoonlijk gewacht te hebben, verklaarde de heer Allworthy het eerst, dat hij begon ongerust te worden over het uitblijven van den kapitein, (want deze was altijd zeer stipt op het etensuur) en beval met de schel te luiden in den tuin en vooral langs die paden, welke de kapitein gewoonlijk bezocht.[81]Daar al dit levenmaken vruchteloos bleek te zijn,—omdat de kapitein dezen avond, ongelukkig, een geheel nieuwen weg opgegaan was,—verklaarde nu ook mevrouw Blifil, dat zij zich ernstig ongerust maakte. Hierop deed de andere dame, eene harer meest vertrouwde vriendinnen,—die den waren toestand harer verhouding tot haren man kende,—haar best om haar tot bedaren te brengen,—met de verzekering, dat hoewel zij niet nalaten kon ongerust te zijn, zij toch het beste moest hopen. Welligt had de schoonheid van het weder den kapitein verleid om iets verder dan gewoonlijk zijne wandeling uit te strekken,—of, hij kon ook bij een buurman opgehouden zijn.Mevrouw Blifil zeide van neen! Zij was overtuigd dat het een of ander ongeluk hem overkomen was; want dat hij zeker niet uitblijven zou zonder haar te laten waarschuwen, daar hij wel wist hoe ligt zij zich ongerust maakte. De andere dame, die geene meerdere argumenten wist aan tevoeren, nam nu hare toevlugt tot de gebruikelijke smeekingen bij zulke gelegenheden en verzocht haar zich toch niet onnoodig ongerust te maken, daar zoo iets zeer nadeelig op hare gezondheid werken kon,—en een groot glas wijn inschenkende, ried zij haar,—en haalde haar eindelijk over,—om het leêg te drinken.De heer Allworthy trad nu weder in de kamer; want hij was er zelf op uit geweest om den kapitein te zoeken. Zijn gelaat teekende genoegzaam zijne vrees, welke hem inderdaad bijkans van de spraak beroofd had;—daar echter de smart op verschillende menschen verschillend werkt, verlevendigde de vrees, welke zijne stem onderdrukt had, de stem van mevrouw Blifil. Zij begon nu bitter te klagen, en stortvloeden van tranen vergezelden hare woorden, welke hare vriendin verklaarde dat volstrekt niet te berispen waren, terwijl zij haar echter terzelfder tijd den raad gaf er niet aan toe te geven, en den angst harer vriendin poogde te verminderen door wijsgeerige opmerkingen omtrent de vele rampen waaraan het menschelijke leven dagelijks blootgesteld is,—wat, zeide zij, genoeg was om ons sterkte te verleenen in alle omstandigheden, hoe onverwacht of verschrikkelijk ook. Zij verzocht haar ook geduld te leeren van haar broeder die, hoewel men niet veronderstellen kon, dat hij zich zóó[82]ongelukkig gevoelde als zij, toch, zonder twijfel, zich zeer ongerust maakte, ofschoon zijne onderwerping aan den goddelijken wil, zijne aandoeningen matigde.„Spreek me niet van mijn broeder!” riep mevrouw Blifil.„Ik alleen verdien medelijden! Wat is de ongerustheid der vriendschap, vergeleken bij de kwellingen eener vrouw in dergelijke gevallen? O! Hij is verloren! Iemand heeft hem vermoord—ik zal hem nooit weêr zien!”Hier had een nieuwe stortvloed van tranen dezelfde uitwerking bij haar als het onderdrukken er van op den heer Allworthy, en ook zij zweeg.Op dit oogenblik kwam een knecht, buiten adem, de kamer binnenloopen en riep uit: „De kapitein is gevonden,—” maar eer hij er iets bijvoegen kon, werd hij door twee anderen gevolgd, die het lijk droegen.Hier kan de oplettende lezer nog een ander verschil opmerken in de werking der smarte: want, even als de heer Allworthy tot dusver gezwegen had, om dezelfde reden welke zijne zuster luidruchtig had gemaakt, ontlokte hetgeen hij nu zag, tranen aan den heer, terwijl het die zijner zuster geheel opdroogde, die eerst een harden gil gaf en toen in zwijm viel.De kamer was weldra opgevuld met dienstboden, van welke sommigen zich bemoeiden, geholpen door hare vriendin, met de zorg voor de troostelooze weduwe, terwijl anderen, bijgestaan door den heer Allworthy, den kapitein in een warm bed legden, waar al het mogelijke beproefd werd om hem in het leven terug te roepen.En blijde zouden wij zijn als wij den lezer konden mededeelen, dat beide bewustelooze ligchamen met evenveel voorspoed verzorgd werden; want diegenen, die op zich genomen hadden de dame bijtestaan, slaagden zoo goed, dat, zoodra de flaauwte een betamelijken tijd geduurd had, zij tot hunne groote voldoening weer bijkwam. Maar wat den kapitein betrof, bleken alle proeven die men deed met aderlaten, wrijven, druppels enz. vergeefs te zijn. De Dood, die onwrikbare regter, had zijn vonnis geveld, en weigerde hem genade te schenken, hoewel twee geneesheeren, die aankwamen en beide daarvoor betaald werden, zijne zaak voor hem bepleitten.[83]Deze twee geneesheeren, die wij, om iedere kwaadwillige toepassing te voorkomen, Dr. Y. en Dr. Z. noemen zullen, na hem den pols gevoeld te hebben, namelijk Dr. Y. regts, en Dr. Z. links, werden het zamen eens, dat hij dood was; maar verschilden omtrent zijne kwaal en de oorzaak van zijn overlijden; daar Dr. Y. van gevoelen was, dat hij aan een apoplexie gestorven was, terwijl Dr. Z. volhield, dat het epilepsie was geweest.Hieruit ontstond een twist tusschen de beide geleerden, waarin beide hunne gevoelens met redenen omkleedden. En deze waren allen zoo krachtig, dat ze alleen daartoe dienden, om de beide dokters in hun eigen gevoelen te versterken, zonder den minsten indruk op de tegenpartij te maken.Om de waarheid te zeggen, heeft bijna iedere geneesheer zijne lievelingskwaal, waaraan hij alle zegepralen van den dood over de menschelijke natuur toeschrijft. Jicht, rheumatisme, de steen, het graveel en de tering, hebben alle hunne verschillende beschermheeren bij de fakulteit,—en geen een meer beschermers, dan „zenuwkoortsen.” En dit verklaart het verschil van meening omtrent de oorzaak van den dood van een zieke, dat dikwijls heerscht onder de meest geleerde mannen van het vak, en dat die menschen zeer verwonderd heeft, die de bijzonderheid, welke we pas vermeld hebben, niet kenden.Het zal den lezer welligt doen verbaasd staan, dat in plaats van te trachten den zieke te helpen, de geleerde heeren dadelijk een twist begonnen over de oorzaak van zijn dood; maar, werkelijk, alles was reeds vóór hunne komst beproefd; want de kapitein lag al in een warm bed, was ader gelaten, was gewreven, en allerlei sterke druppels waren in zijne neusgaten en tusschen zijne lippen gegoten.Daar de geneesheeren zich nu in alles voorkomen vonden, wat zij aanwenden wilden, werden zij verlegen hoe den behoorlijken tijd te slijten, dien zij doorbrengen moesten om op eene betamelijke wijze hun honorarium te verdienen, en zij moesten dus het eene of andere onderwerp tot een gesprek zoeken.—Wat kon zich dan natuurlijker aanbieden dan het voormelde?Onze dokters waren echter op het punt van afscheid te nemen,[84]toen de heer Allworthy, den kapitein opgegeven hebbende, met onderwerping aan den Goddelijken wil, naar zijne zuster begon te vragen, die hij hen verzocht voor hun vertrek te bezoeken.Deze dame was nu uit hare flaauwte bijgekomen, en om de gewone uitdrukking te bezigen, naar omstandigheden, redelijk welvarende.De dokters dus, na alle behoorlijke pligtplegingen, daar dit eene nieuwe patient was, gingen, gelijk verlangd werd, bij haar, en vatten beide eene harer handen, even als zij straks met het lijk gedaan hadden.Het geval van de dame was juist het tegenovergestelde van dat van haar man; want even als hij buiten het bereik was van alle geneeskundige hulp,—zoo had zij, werkelijk, geen bijstand noodig.Niets kan onbillijker zijn dan de algemeene meening, welke verkeerdelijk den geneesheer als een vriend van den dood voorstelt. Integendeel, ik geloof dat als het getal van diegenen welke met behulp der geneeskunde herstellen, vergeleken kon worden bij dat van de slagtoffers daarvan, het eerste getal eenigzins grooter zou zijn dan het laatste. Ja, sommige geneesheeren zijn zelfs zoo voorzigtig op dat punt, dat, om de mogelijkheid te voorkomen van ooit een patient te dooden, zij zich onthouden van alle pogingen om hem te genezen, en niets voorschrijven dan hetgeen goed noch kwaad kan. Ik heb enkele van dezen, met den meesten ernst, als een stelregel hooren verkondigen: „Dat men het aan de natuur overlaten moet om haar eigen werk te doen; en dat de geneesheer er bij staat, als het ware, om haar op den schouder te tikken en haar aan te moedigen als zij het goed doet.”Onze twee dokters schepten ook zoo weinig behagen in den dood, dat zij het lijk verlieten na de eerste visite; maar zij waren meer ingenomen met de levende zieke, omtrent wier behandeling zij het dadelijk eens waren en voor wie zij met den meesten ijver aan het voorschrijven gingen.Ik wil niet bepaaldelijk zeggen, dat even als de dame in het begin de geneesheeren wijs gemaakt had, dat zij ziek was, zij ook nu, van hun kant, haar dat deden gelooven: maar zij bleef toch eene geheele maand omgeven van al den schijn[85]der ziekte. Gedurende dezen tijd werd zij door geneesheeren bezocht, door ziekenbewaaksters opgepast, en ontving zij ook aanhoudend boodschappen van hare kennissen, om naar haren toestand te vernemen.Eindelijk, toen de betamelijke periode der ziekte en der onmatige treurigheid voorbij was, werden de geneesheeren ontslagen, en de dame begon menschen te ontvangen, alleen verschillende van hetgeen zij vroeger was door die sombere tinten, waarmede zij hare gestalte en hare gelaatstrekken getooid had.De kapitein was dus nu begraven en zou welligt al een heel eind ver geweest op den weg der vergetelheid, als de vriendschap van den heer Allworthy niet zorg gedragen had om zijne gedachtenis te bewaren, door het volgende grafschrift, hetwelk opgesteld is door een man, die evenzeer uitmunt door genie, als door eerlijkheid, en die den kapitein volmaakt goed kende:[86]Hier rust,In de hoop op een beter leven,Het sterfelijk omhulselvan denKapitein JAN BLIFIL.Londenhad de eer van zijne geboorte,Oxfordvan zijne opvoeding.Zijne gavenstrekten zijn beroep en zijn vaderlandtot roem.Zijn wandel verheerlijkte zijne Godsdiensten de menschelijke natuur.Hij was een gehoorzame Zoon,Een teedere Echtgenoot,Een liefderijke Vader,Een hartelijke Broeder,Een opregte Vriend,Een vroom Christen,En een goed Mensch.Zijne troostelooze weduweHeeft dezen zerk opgerigt,Tot gedenkteekenZijner Deugden,En harer Liefde.[87]

Bevattende eenige tooneelen van huwelijksgeluk in verschillende standen der maatschappij, alsmede verscheidene andere gebeurtenissen gedurende de twee eerste jaren van het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy.

[Inhoud]Hoofdstuk I.Aantoonende welke soort van verhaal dit is; waarnaar het lijkt, en waar het niet naar lijkt.Hoewel wij, eigenaardig genoeg, dit ons werk „eene geschiedenis,” noemen, en geene „levensbeschrijving,”—of, wat nog meer in de mode is, eene „apologie,” is het evenwel ons voornemen daarin ons meer te voegen naar de methode van die schrijvers, die voorgeven de omwentelingen in een land te verklaren, dan om den lastigen en breedvoerigen geschiedschrijver na te volgen, die om de geregelde ontwikkeling der daadzaken te bewaren, zich verpligt acht even veel bladzijden te vullen met de uitvoerige beschrijving van maanden en jaren, die niets merkwaardigs bevatten, als hij bezigt voor die opmerkelijke tijdvakken, welke de grootste feiten opleveren, die ons op het tooneel der wereld voorgesteld zijn.Dergelijke geschiedenissen gelijken veel op een dagblad, dat altijd juist hetzelfde aantal letters bevat, of er nieuws is of niet. Ze kunnen ook vergeleken worden bij een postwagen, die altijd, leeg of vol, denzelfden weg aflegt.De schrijver schijnt zich inderdaad verpligt te rekenen, met den Tijd, wiens secretaris hij is, in den pas te loopen, en even als zijn meester, reist hij even langzaam door eeuwen van kloosterachtige verveling als door dien schitterenden en drukken tijd zoo schoon bezongen door den uitstekenden Latijnschen dichter:„Ad confligendum venientibus undique poenis,Omnia cum belli trepido concussa tumultuHorrida coutremuere sub altis aetheris auris:In dubioque fuit sub utrorum regna cadendumOmnibus humanis esset, terraque marique.”[47]Wat ongeveer zeggen wil:„Men rustte zich ten strijd door zucht naar wraak gedreven;Het vreeslijk krijgsrumoer deed de aarde siddren, bevenEn onder d’ hemelstrans verkeerde ’t al in rouw;Maar ’t was onzeker, wie de zegepraal gelukken,’t Ontstelde menschdom voor zijn schepter neêr doen bukkenEn over land en zee in ’t einde heerschen zou.”Het is echter ons doel in de volgende bladzijden de tegenovergestelde methode te volgen. Wanneer eenig treffend tooneel zich aanbiedt (wat, naar wij hopen, dikwijls het geval zal wezen) zullen wij moeite noch papier ontzien om het den lezer breedvoerig te beschrijven. Als echter geheele jaren voorbijgaan zonder iets op te leveren dat zijne aandacht waardig is, zullen wij niet bang zijn voor eene gaping in onze geschiedenis, maar ons haasten tot belangrijke zaken te komen en dergelijke tijdvakken geheel onbehandeld laten.Want deze tijdvakken zijn als de nieten in de loterij van den tijd. Wij dus, die de uitkomst dezer loterij opteekenen, zullen die wijze lieden navolgen, die het bestuur hebben over de staats-loterij en welke het publiek nooit vervelen met de vele nieten, welke getrokken worden; maar daarentegen, als er een hooge prijs valt, de couranten er dadelijk mede vullen, zoodat de wereld zeker verneemt in wiens collecte die verkocht werd:—want er zijn gewoonlijk twee of drie kantoren die er aanspraak op maken van hem verkocht te hebben, waardoor ik veronderstel, dat men den spelers te kennen wil geven, dat zekere handelaren in de geheimen der Fortuna ingewijd zijn en tot haar geheimen raad behooren.De lezer zal dus niet verwonderd zijn als hij sommige hoofdstukken in dit werk heel kort vindt en andere daartegen zeer lang; sommigen, die alleen het tijdvak van een enkelen dag behandelen en anderen dat van een geheel jaar;—met één woord, men zij er op voorbereid, dat mijne geschiedenis soms zal schijnen stil te staan en soms te vliegen. En wegens dit alles acht ik me aan geene recenserende wetgeving, van welken aard ook, verantwoording schuldig te zijn; want, daar ik, naar waarheid, de stichter ben van eene nieuwe soort van schrijftrant, staat het mij vrij dienaangaande[48]mij zelf de wetten te stellen. En deze wetten zijn mijne lezers, die ik als mijne onderdanen beschouw, verpligt te gelooven en te gehoorzamen, wat zij ook gereedelijk en gemakkelijk kunnen doen, daar ik hierbij de plegtige verzekering geef, dat ik daarbij voornamelijk hun nut en voordeel beoog; want ik ben geen dwingelandjure divino, die mij verbeeld dat zij mijne slaven zijn, of mijn eigendom. Ik werd inderdaad, alleen tot hun eigen nut over hen gesteld, en ben om hun voordeel,—en zij niet tot het mijne—geschapen. Ik twijfel ook niet, dat terwijl ik hun belang tot hoofddoel van mijn geschrijf neem, zij eenparig er toe bijdragen zullen om mijne waardigheid te handhaven, en mij alle eer te bewijzen, die ik verdien of begeer.

Hoofdstuk I.Aantoonende welke soort van verhaal dit is; waarnaar het lijkt, en waar het niet naar lijkt.

Hoewel wij, eigenaardig genoeg, dit ons werk „eene geschiedenis,” noemen, en geene „levensbeschrijving,”—of, wat nog meer in de mode is, eene „apologie,” is het evenwel ons voornemen daarin ons meer te voegen naar de methode van die schrijvers, die voorgeven de omwentelingen in een land te verklaren, dan om den lastigen en breedvoerigen geschiedschrijver na te volgen, die om de geregelde ontwikkeling der daadzaken te bewaren, zich verpligt acht even veel bladzijden te vullen met de uitvoerige beschrijving van maanden en jaren, die niets merkwaardigs bevatten, als hij bezigt voor die opmerkelijke tijdvakken, welke de grootste feiten opleveren, die ons op het tooneel der wereld voorgesteld zijn.Dergelijke geschiedenissen gelijken veel op een dagblad, dat altijd juist hetzelfde aantal letters bevat, of er nieuws is of niet. Ze kunnen ook vergeleken worden bij een postwagen, die altijd, leeg of vol, denzelfden weg aflegt.De schrijver schijnt zich inderdaad verpligt te rekenen, met den Tijd, wiens secretaris hij is, in den pas te loopen, en even als zijn meester, reist hij even langzaam door eeuwen van kloosterachtige verveling als door dien schitterenden en drukken tijd zoo schoon bezongen door den uitstekenden Latijnschen dichter:„Ad confligendum venientibus undique poenis,Omnia cum belli trepido concussa tumultuHorrida coutremuere sub altis aetheris auris:In dubioque fuit sub utrorum regna cadendumOmnibus humanis esset, terraque marique.”[47]Wat ongeveer zeggen wil:„Men rustte zich ten strijd door zucht naar wraak gedreven;Het vreeslijk krijgsrumoer deed de aarde siddren, bevenEn onder d’ hemelstrans verkeerde ’t al in rouw;Maar ’t was onzeker, wie de zegepraal gelukken,’t Ontstelde menschdom voor zijn schepter neêr doen bukkenEn over land en zee in ’t einde heerschen zou.”Het is echter ons doel in de volgende bladzijden de tegenovergestelde methode te volgen. Wanneer eenig treffend tooneel zich aanbiedt (wat, naar wij hopen, dikwijls het geval zal wezen) zullen wij moeite noch papier ontzien om het den lezer breedvoerig te beschrijven. Als echter geheele jaren voorbijgaan zonder iets op te leveren dat zijne aandacht waardig is, zullen wij niet bang zijn voor eene gaping in onze geschiedenis, maar ons haasten tot belangrijke zaken te komen en dergelijke tijdvakken geheel onbehandeld laten.Want deze tijdvakken zijn als de nieten in de loterij van den tijd. Wij dus, die de uitkomst dezer loterij opteekenen, zullen die wijze lieden navolgen, die het bestuur hebben over de staats-loterij en welke het publiek nooit vervelen met de vele nieten, welke getrokken worden; maar daarentegen, als er een hooge prijs valt, de couranten er dadelijk mede vullen, zoodat de wereld zeker verneemt in wiens collecte die verkocht werd:—want er zijn gewoonlijk twee of drie kantoren die er aanspraak op maken van hem verkocht te hebben, waardoor ik veronderstel, dat men den spelers te kennen wil geven, dat zekere handelaren in de geheimen der Fortuna ingewijd zijn en tot haar geheimen raad behooren.De lezer zal dus niet verwonderd zijn als hij sommige hoofdstukken in dit werk heel kort vindt en andere daartegen zeer lang; sommigen, die alleen het tijdvak van een enkelen dag behandelen en anderen dat van een geheel jaar;—met één woord, men zij er op voorbereid, dat mijne geschiedenis soms zal schijnen stil te staan en soms te vliegen. En wegens dit alles acht ik me aan geene recenserende wetgeving, van welken aard ook, verantwoording schuldig te zijn; want, daar ik, naar waarheid, de stichter ben van eene nieuwe soort van schrijftrant, staat het mij vrij dienaangaande[48]mij zelf de wetten te stellen. En deze wetten zijn mijne lezers, die ik als mijne onderdanen beschouw, verpligt te gelooven en te gehoorzamen, wat zij ook gereedelijk en gemakkelijk kunnen doen, daar ik hierbij de plegtige verzekering geef, dat ik daarbij voornamelijk hun nut en voordeel beoog; want ik ben geen dwingelandjure divino, die mij verbeeld dat zij mijne slaven zijn, of mijn eigendom. Ik werd inderdaad, alleen tot hun eigen nut over hen gesteld, en ben om hun voordeel,—en zij niet tot het mijne—geschapen. Ik twijfel ook niet, dat terwijl ik hun belang tot hoofddoel van mijn geschrijf neem, zij eenparig er toe bijdragen zullen om mijne waardigheid te handhaven, en mij alle eer te bewijzen, die ik verdien of begeer.

Hoewel wij, eigenaardig genoeg, dit ons werk „eene geschiedenis,” noemen, en geene „levensbeschrijving,”—of, wat nog meer in de mode is, eene „apologie,” is het evenwel ons voornemen daarin ons meer te voegen naar de methode van die schrijvers, die voorgeven de omwentelingen in een land te verklaren, dan om den lastigen en breedvoerigen geschiedschrijver na te volgen, die om de geregelde ontwikkeling der daadzaken te bewaren, zich verpligt acht even veel bladzijden te vullen met de uitvoerige beschrijving van maanden en jaren, die niets merkwaardigs bevatten, als hij bezigt voor die opmerkelijke tijdvakken, welke de grootste feiten opleveren, die ons op het tooneel der wereld voorgesteld zijn.

Dergelijke geschiedenissen gelijken veel op een dagblad, dat altijd juist hetzelfde aantal letters bevat, of er nieuws is of niet. Ze kunnen ook vergeleken worden bij een postwagen, die altijd, leeg of vol, denzelfden weg aflegt.

De schrijver schijnt zich inderdaad verpligt te rekenen, met den Tijd, wiens secretaris hij is, in den pas te loopen, en even als zijn meester, reist hij even langzaam door eeuwen van kloosterachtige verveling als door dien schitterenden en drukken tijd zoo schoon bezongen door den uitstekenden Latijnschen dichter:

„Ad confligendum venientibus undique poenis,Omnia cum belli trepido concussa tumultuHorrida coutremuere sub altis aetheris auris:In dubioque fuit sub utrorum regna cadendumOmnibus humanis esset, terraque marique.”

„Ad confligendum venientibus undique poenis,

Omnia cum belli trepido concussa tumultu

Horrida coutremuere sub altis aetheris auris:

In dubioque fuit sub utrorum regna cadendum

Omnibus humanis esset, terraque marique.”

[47]

Wat ongeveer zeggen wil:

„Men rustte zich ten strijd door zucht naar wraak gedreven;Het vreeslijk krijgsrumoer deed de aarde siddren, bevenEn onder d’ hemelstrans verkeerde ’t al in rouw;Maar ’t was onzeker, wie de zegepraal gelukken,’t Ontstelde menschdom voor zijn schepter neêr doen bukkenEn over land en zee in ’t einde heerschen zou.”

„Men rustte zich ten strijd door zucht naar wraak gedreven;

Het vreeslijk krijgsrumoer deed de aarde siddren, beven

En onder d’ hemelstrans verkeerde ’t al in rouw;

Maar ’t was onzeker, wie de zegepraal gelukken,

’t Ontstelde menschdom voor zijn schepter neêr doen bukken

En over land en zee in ’t einde heerschen zou.”

Het is echter ons doel in de volgende bladzijden de tegenovergestelde methode te volgen. Wanneer eenig treffend tooneel zich aanbiedt (wat, naar wij hopen, dikwijls het geval zal wezen) zullen wij moeite noch papier ontzien om het den lezer breedvoerig te beschrijven. Als echter geheele jaren voorbijgaan zonder iets op te leveren dat zijne aandacht waardig is, zullen wij niet bang zijn voor eene gaping in onze geschiedenis, maar ons haasten tot belangrijke zaken te komen en dergelijke tijdvakken geheel onbehandeld laten.

Want deze tijdvakken zijn als de nieten in de loterij van den tijd. Wij dus, die de uitkomst dezer loterij opteekenen, zullen die wijze lieden navolgen, die het bestuur hebben over de staats-loterij en welke het publiek nooit vervelen met de vele nieten, welke getrokken worden; maar daarentegen, als er een hooge prijs valt, de couranten er dadelijk mede vullen, zoodat de wereld zeker verneemt in wiens collecte die verkocht werd:—want er zijn gewoonlijk twee of drie kantoren die er aanspraak op maken van hem verkocht te hebben, waardoor ik veronderstel, dat men den spelers te kennen wil geven, dat zekere handelaren in de geheimen der Fortuna ingewijd zijn en tot haar geheimen raad behooren.

De lezer zal dus niet verwonderd zijn als hij sommige hoofdstukken in dit werk heel kort vindt en andere daartegen zeer lang; sommigen, die alleen het tijdvak van een enkelen dag behandelen en anderen dat van een geheel jaar;—met één woord, men zij er op voorbereid, dat mijne geschiedenis soms zal schijnen stil te staan en soms te vliegen. En wegens dit alles acht ik me aan geene recenserende wetgeving, van welken aard ook, verantwoording schuldig te zijn; want, daar ik, naar waarheid, de stichter ben van eene nieuwe soort van schrijftrant, staat het mij vrij dienaangaande[48]mij zelf de wetten te stellen. En deze wetten zijn mijne lezers, die ik als mijne onderdanen beschouw, verpligt te gelooven en te gehoorzamen, wat zij ook gereedelijk en gemakkelijk kunnen doen, daar ik hierbij de plegtige verzekering geef, dat ik daarbij voornamelijk hun nut en voordeel beoog; want ik ben geen dwingelandjure divino, die mij verbeeld dat zij mijne slaven zijn, of mijn eigendom. Ik werd inderdaad, alleen tot hun eigen nut over hen gesteld, en ben om hun voordeel,—en zij niet tot het mijne—geschapen. Ik twijfel ook niet, dat terwijl ik hun belang tot hoofddoel van mijn geschrijf neem, zij eenparig er toe bijdragen zullen om mijne waardigheid te handhaven, en mij alle eer te bewijzen, die ik verdien of begeer.

[Inhoud]Hoofdstuk II.Godsdienstige bezwaren tegen het bewijzen van te veel goedheid aan natuurlijke kinderen, en eene groote ontdekking, gedaan door jufvrouw Deborah Wilkins.Acht maanden na het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy, eene jonge dame van groote verdiensten, schoonheid en vermogen, werd deze, ten gevolge van een plotselingen schrik, ontijdig verlost van een schoonen jongen. Het kind was inderdaad, naar allen schijn, voldragen; maar de vroedvrouw ontdekte dat het een maand te vroeg gekomen was.Hoewel de geboorte van een erfgenaam van zijne beminde zuster den heer Allworthy zeer verheugde, vervreemdde deze omstandigheid zijne liefde toch niet van den kleinen vondeling, van wien hij peet geworden was, en aan wien hij tevens zijn eigen naam, Thomas, geschonken had, terwijl hij zelden naliet hem ten minste eenmaal daags in de kinderkamer op te zoeken.Hij zeide zijner zuster, dat, als zij het goedvond, de nieuw geborene met den kleinen Thomas zamen zou opgevoed worden; waarin zij toestemde, hoewel met eenigen tegenzin; want zij was waarlijk zeer inschikkelijk jegens haren[49]broeder, en had daarom steeds meer liefde tot den vondeling aan den dag gelegd, dan streng deugdzame dames soms over zich verkrijgen kunnen te bewijzen aan die kinderen, die hoe onschuldig ook, met regt mogen genoemd worden, de levende gedenkteekens der onkuischheid.De kapitein kon er echter niet zoo gemakkelijk toe komen, om hetgeen hij een gebrek achtte in den heer Allworthy te dragen. Hij gaf hem veelvuldige wenken, dat hij de zonde aanmoedigde, door hare vruchten tot zich te nemen. Hij haalde vele teksten aan,—want hij was zeer belezen in de Heilige Schrift,—zoo als: „de zonden der vaderen zullen gewroken worden enz.” en „de vaderen hebben zure druiven gegeten en de tanden der kinderen,”—enz. En daarvan leidde hij af, dat het overeenkomstig de leer was, om de misdaad der ouders op het onwettige kind te wreken. Hij zeide, „dat hoewel de wet niet bepaaldelijk toeliet, dat men zulke kinderen vernietigde, hij ze toch hield voor de kinderen van niemand; dat de kerk ze ook als zoodanig beschouwde en dat zij, op zijn best, voor de laagste en verachtelijkste ambten in den staat moesten opgeleid worden.”De heer Allworthy antwoordde op het eenen ander hetwelk de kapitein aanvoerde omtrent dit onderwerp: „Dat hoe groot ook de schuld der ouders wezen mogt, de kinderen zeker onschuldig waren, en dat wat de teksten, welke hij aangehaald had, betrof, de eerste eene bijzondere strafbepaling was tegen de Joden, wegens de zonde van afgoderij en het verzaken en haten van hun hemelschen Koning, en dat de laatste slechts beeldspraak was, en meer ten doel had om de zekere en noodzakelijke gevolgen van de zonde aan te wijzen, dan om eenig beslissend vonnis te vellen. Maar dat het ook onbetamelijk, zoo niet godslasterlijk was, om den Almagtigen voortestellen als handelende tegen de allereerste grondbeginselen van natuurlijke regtvaardigheid, en tegen de oorspronkelijke begrippen van regt en onregt, door Hem zelven in ons hart geplant, waardoor wij niet slechts alle zaken beoordeelen moesten, die niet geopenbaard waren, maar zelfs de waarheid van de openbaring zelve.”Hij zeide te weten dat velen dezelfde begrippen aankleefden als de kapitein; maar hij zelf was volmaakt overtuigd[50]van het tegenovergestelde, en zou op dezelfde wijze voor dit arm schepseltje zorgen alsof een wettig kind het geluk had gehad op dezelfde plaats gevonden te worden. Terwijl de kapitein elke gelegenheid waarnam om redenen op te geven, waarom de kleine vondeling moest verwijderd worden uit het huis van den heer Allworthy,—op wiens ingenomenheid met het kind hij jaloersch begon te worden, had jufvrouw Deborah eene ontdekking gedaan, die in hare gevolgen veel noodlottiger voor den armen Tom dreigde te zijn, dan al de bewijsgronden van den kapitein.Of de onverzadiglijke nieuwsgierigheid der goede vrouw haar in deze zaak geprikkeld had, of wel dat zij het deed om zich te bevestigen in de gunst van mevrouw Blifil, die niettegenstaande haar uiterlijk gedrag jegens den vondeling, dikwijls het kind en haar broeder ook, wegens zijne ingenomenheid er mede, in stilte uitschold,—dit wil ik niet beslissen;—maar zij had nu,—gelijk zij begreep,—zeker den vader van den jongen ontdekt.Daar dit nu eene zeer belangrijke ontdekking was, zal het noodzakelijk zijn, ze tot de bron zelve na te sporen. Wij zullen dus de gebeurtenissen, die er toe voerden, zeer naauwkeurig beschrijven, en, tot dat einde, zullen wij verpligt zijn al de geheimen te openbaren van eene kleine familie, waarmede de lezer op dit oogenblik geheel onbekend is, en welker inrigting zoo vreemd en buitengewoon was, dat ik vreezen moet, dat ze menigen gehuwde ongeloofelijk zal schijnen.

Hoofdstuk II.Godsdienstige bezwaren tegen het bewijzen van te veel goedheid aan natuurlijke kinderen, en eene groote ontdekking, gedaan door jufvrouw Deborah Wilkins.

Acht maanden na het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy, eene jonge dame van groote verdiensten, schoonheid en vermogen, werd deze, ten gevolge van een plotselingen schrik, ontijdig verlost van een schoonen jongen. Het kind was inderdaad, naar allen schijn, voldragen; maar de vroedvrouw ontdekte dat het een maand te vroeg gekomen was.Hoewel de geboorte van een erfgenaam van zijne beminde zuster den heer Allworthy zeer verheugde, vervreemdde deze omstandigheid zijne liefde toch niet van den kleinen vondeling, van wien hij peet geworden was, en aan wien hij tevens zijn eigen naam, Thomas, geschonken had, terwijl hij zelden naliet hem ten minste eenmaal daags in de kinderkamer op te zoeken.Hij zeide zijner zuster, dat, als zij het goedvond, de nieuw geborene met den kleinen Thomas zamen zou opgevoed worden; waarin zij toestemde, hoewel met eenigen tegenzin; want zij was waarlijk zeer inschikkelijk jegens haren[49]broeder, en had daarom steeds meer liefde tot den vondeling aan den dag gelegd, dan streng deugdzame dames soms over zich verkrijgen kunnen te bewijzen aan die kinderen, die hoe onschuldig ook, met regt mogen genoemd worden, de levende gedenkteekens der onkuischheid.De kapitein kon er echter niet zoo gemakkelijk toe komen, om hetgeen hij een gebrek achtte in den heer Allworthy te dragen. Hij gaf hem veelvuldige wenken, dat hij de zonde aanmoedigde, door hare vruchten tot zich te nemen. Hij haalde vele teksten aan,—want hij was zeer belezen in de Heilige Schrift,—zoo als: „de zonden der vaderen zullen gewroken worden enz.” en „de vaderen hebben zure druiven gegeten en de tanden der kinderen,”—enz. En daarvan leidde hij af, dat het overeenkomstig de leer was, om de misdaad der ouders op het onwettige kind te wreken. Hij zeide, „dat hoewel de wet niet bepaaldelijk toeliet, dat men zulke kinderen vernietigde, hij ze toch hield voor de kinderen van niemand; dat de kerk ze ook als zoodanig beschouwde en dat zij, op zijn best, voor de laagste en verachtelijkste ambten in den staat moesten opgeleid worden.”De heer Allworthy antwoordde op het eenen ander hetwelk de kapitein aanvoerde omtrent dit onderwerp: „Dat hoe groot ook de schuld der ouders wezen mogt, de kinderen zeker onschuldig waren, en dat wat de teksten, welke hij aangehaald had, betrof, de eerste eene bijzondere strafbepaling was tegen de Joden, wegens de zonde van afgoderij en het verzaken en haten van hun hemelschen Koning, en dat de laatste slechts beeldspraak was, en meer ten doel had om de zekere en noodzakelijke gevolgen van de zonde aan te wijzen, dan om eenig beslissend vonnis te vellen. Maar dat het ook onbetamelijk, zoo niet godslasterlijk was, om den Almagtigen voortestellen als handelende tegen de allereerste grondbeginselen van natuurlijke regtvaardigheid, en tegen de oorspronkelijke begrippen van regt en onregt, door Hem zelven in ons hart geplant, waardoor wij niet slechts alle zaken beoordeelen moesten, die niet geopenbaard waren, maar zelfs de waarheid van de openbaring zelve.”Hij zeide te weten dat velen dezelfde begrippen aankleefden als de kapitein; maar hij zelf was volmaakt overtuigd[50]van het tegenovergestelde, en zou op dezelfde wijze voor dit arm schepseltje zorgen alsof een wettig kind het geluk had gehad op dezelfde plaats gevonden te worden. Terwijl de kapitein elke gelegenheid waarnam om redenen op te geven, waarom de kleine vondeling moest verwijderd worden uit het huis van den heer Allworthy,—op wiens ingenomenheid met het kind hij jaloersch begon te worden, had jufvrouw Deborah eene ontdekking gedaan, die in hare gevolgen veel noodlottiger voor den armen Tom dreigde te zijn, dan al de bewijsgronden van den kapitein.Of de onverzadiglijke nieuwsgierigheid der goede vrouw haar in deze zaak geprikkeld had, of wel dat zij het deed om zich te bevestigen in de gunst van mevrouw Blifil, die niettegenstaande haar uiterlijk gedrag jegens den vondeling, dikwijls het kind en haar broeder ook, wegens zijne ingenomenheid er mede, in stilte uitschold,—dit wil ik niet beslissen;—maar zij had nu,—gelijk zij begreep,—zeker den vader van den jongen ontdekt.Daar dit nu eene zeer belangrijke ontdekking was, zal het noodzakelijk zijn, ze tot de bron zelve na te sporen. Wij zullen dus de gebeurtenissen, die er toe voerden, zeer naauwkeurig beschrijven, en, tot dat einde, zullen wij verpligt zijn al de geheimen te openbaren van eene kleine familie, waarmede de lezer op dit oogenblik geheel onbekend is, en welker inrigting zoo vreemd en buitengewoon was, dat ik vreezen moet, dat ze menigen gehuwde ongeloofelijk zal schijnen.

Acht maanden na het huwelijk van den Kapitein Blifil met mejufvrouw Brigitta Allworthy, eene jonge dame van groote verdiensten, schoonheid en vermogen, werd deze, ten gevolge van een plotselingen schrik, ontijdig verlost van een schoonen jongen. Het kind was inderdaad, naar allen schijn, voldragen; maar de vroedvrouw ontdekte dat het een maand te vroeg gekomen was.

Hoewel de geboorte van een erfgenaam van zijne beminde zuster den heer Allworthy zeer verheugde, vervreemdde deze omstandigheid zijne liefde toch niet van den kleinen vondeling, van wien hij peet geworden was, en aan wien hij tevens zijn eigen naam, Thomas, geschonken had, terwijl hij zelden naliet hem ten minste eenmaal daags in de kinderkamer op te zoeken.

Hij zeide zijner zuster, dat, als zij het goedvond, de nieuw geborene met den kleinen Thomas zamen zou opgevoed worden; waarin zij toestemde, hoewel met eenigen tegenzin; want zij was waarlijk zeer inschikkelijk jegens haren[49]broeder, en had daarom steeds meer liefde tot den vondeling aan den dag gelegd, dan streng deugdzame dames soms over zich verkrijgen kunnen te bewijzen aan die kinderen, die hoe onschuldig ook, met regt mogen genoemd worden, de levende gedenkteekens der onkuischheid.

De kapitein kon er echter niet zoo gemakkelijk toe komen, om hetgeen hij een gebrek achtte in den heer Allworthy te dragen. Hij gaf hem veelvuldige wenken, dat hij de zonde aanmoedigde, door hare vruchten tot zich te nemen. Hij haalde vele teksten aan,—want hij was zeer belezen in de Heilige Schrift,—zoo als: „de zonden der vaderen zullen gewroken worden enz.” en „de vaderen hebben zure druiven gegeten en de tanden der kinderen,”—enz. En daarvan leidde hij af, dat het overeenkomstig de leer was, om de misdaad der ouders op het onwettige kind te wreken. Hij zeide, „dat hoewel de wet niet bepaaldelijk toeliet, dat men zulke kinderen vernietigde, hij ze toch hield voor de kinderen van niemand; dat de kerk ze ook als zoodanig beschouwde en dat zij, op zijn best, voor de laagste en verachtelijkste ambten in den staat moesten opgeleid worden.”

De heer Allworthy antwoordde op het eenen ander hetwelk de kapitein aanvoerde omtrent dit onderwerp: „Dat hoe groot ook de schuld der ouders wezen mogt, de kinderen zeker onschuldig waren, en dat wat de teksten, welke hij aangehaald had, betrof, de eerste eene bijzondere strafbepaling was tegen de Joden, wegens de zonde van afgoderij en het verzaken en haten van hun hemelschen Koning, en dat de laatste slechts beeldspraak was, en meer ten doel had om de zekere en noodzakelijke gevolgen van de zonde aan te wijzen, dan om eenig beslissend vonnis te vellen. Maar dat het ook onbetamelijk, zoo niet godslasterlijk was, om den Almagtigen voortestellen als handelende tegen de allereerste grondbeginselen van natuurlijke regtvaardigheid, en tegen de oorspronkelijke begrippen van regt en onregt, door Hem zelven in ons hart geplant, waardoor wij niet slechts alle zaken beoordeelen moesten, die niet geopenbaard waren, maar zelfs de waarheid van de openbaring zelve.”

Hij zeide te weten dat velen dezelfde begrippen aankleefden als de kapitein; maar hij zelf was volmaakt overtuigd[50]van het tegenovergestelde, en zou op dezelfde wijze voor dit arm schepseltje zorgen alsof een wettig kind het geluk had gehad op dezelfde plaats gevonden te worden. Terwijl de kapitein elke gelegenheid waarnam om redenen op te geven, waarom de kleine vondeling moest verwijderd worden uit het huis van den heer Allworthy,—op wiens ingenomenheid met het kind hij jaloersch begon te worden, had jufvrouw Deborah eene ontdekking gedaan, die in hare gevolgen veel noodlottiger voor den armen Tom dreigde te zijn, dan al de bewijsgronden van den kapitein.

Of de onverzadiglijke nieuwsgierigheid der goede vrouw haar in deze zaak geprikkeld had, of wel dat zij het deed om zich te bevestigen in de gunst van mevrouw Blifil, die niettegenstaande haar uiterlijk gedrag jegens den vondeling, dikwijls het kind en haar broeder ook, wegens zijne ingenomenheid er mede, in stilte uitschold,—dit wil ik niet beslissen;—maar zij had nu,—gelijk zij begreep,—zeker den vader van den jongen ontdekt.

Daar dit nu eene zeer belangrijke ontdekking was, zal het noodzakelijk zijn, ze tot de bron zelve na te sporen. Wij zullen dus de gebeurtenissen, die er toe voerden, zeer naauwkeurig beschrijven, en, tot dat einde, zullen wij verpligt zijn al de geheimen te openbaren van eene kleine familie, waarmede de lezer op dit oogenblik geheel onbekend is, en welker inrigting zoo vreemd en buitengewoon was, dat ik vreezen moet, dat ze menigen gehuwde ongeloofelijk zal schijnen.

[Inhoud]Hoofdstuk III.Beschrijving van een huisselijk bestuur, op regels gegrond, in strijd met die van Aristoteles.De lezer gelieve zich te herinneren, dat hij vernomen heeft hoe Jenni Jones eenige jaren bij zekeren schoolmeester gewoond had, die, op haar ernstig verlangen, haar Latijn geleerd had, waarin zij, om haar regt te laten wedervaren,[51]zulke groote vorderingen gemaakt had, dat zij geleerder was geworden dan haar onderwijzer.Want, hoewel deze arme man een beroep gekozen had waarin men toestemmen moet, dat de geleerdheid een vereischte is, was deze toch juist de minste zijner gaven. Hij was een der goedhartigste menschen ter wereld, en terzelfder tijd was hij zoo aardig en vol luim, dat hij voor den geestigsten mensch in den omtrek gold, en al de heeren uit de buurt zoozeer naar zijn gezelschap verlangden, dat, daar hij nooit over zich kon verkrijgen om neen te zeggen, hij veel tijd in hunne huizen sleet, welken hij nuttiger in zijne school had kunnen doorbrengen.Men zal begrijpen, dat een man van dit karakter en deze neigingen, geen gevaar liep van een mededinger te worden van de scholen der zeergeleerde heeren te Eton en Westminster. Om duidelijker te spreken: hij had zijne leerlingen slechts in twee klassen gesplitst, in de bovenste van welke een jonge heer zat, de zoon van een landjonker uit de buurt, die op zeventienjarigen leeftijd pas tot de Syntaxis gekomen was, terwijl in de tweede klasse een jongere zoon zat van denzelfden heer, die tegelijk met zeven boerenjongens, lezen en schrijven leerde.De inkomsten hieruit voortvloeijende, zouden bezwaarlijk genoegzaam zijn geweest om den schoolmeester van al de weelde van het leven te voorzien, zoo hij ze niet vermeerderd had met die van het ambt van koster en barbier, terwijl de heer Allworthy het geheel verhoogde met eenjaargeld van tien pond, dat de arme man telkens met Kersmis ontving, en waardoor hij in staat werd gesteld zich gedurende dat heilige feest te goed te doen.Onder zijne overige schatten, bezat de onderwijzer eene vrouw, die hij genomen had uit de keuken van den heer Allworthy, om den wille van haar vermogen,—van twintig pond sterling, dat zij daar bijeengebragt had.Deze vrouw was niet zeer innemend van uiterlijk. Ik weet niet of zij gezeten had voor mijn vriend den schilder Hogarth of niet; maar zij geleek zeer op de jonge vrouw, die thee voor hare meesteresse schenkt in het derde tooneel van „den Levensloop eener ligtekooi.” Zij was bovendien eene verklaarde aanhangster van die edele sekte, van oudsher door[52]Xantippe gesticht, om welke reden zij in de school veel meer gevreesd werd dan haar man; want, het is maar al te waar, dat hij noch dáár, noch elders, in haar bijzijn, meester was.Hoewel hare gelaatstrekken niet veel aangeborene zachtaardigheid schenen aan te duiden, werd die welligt nog eenigzins verminderd door eene omstandigheid, welke over het algemeen het huwelijksgeluk verbittert;—want kinderen. worden zeer juist genoemd „panden der liefde,” en hoewel zij reeds negen jaren gehuwd waren, had haar man haar geen pand van dien aard geschonken; een gebrek waarvoor hij geene verontschuldiging had, wegens leeftijd of gezondheid, daar hij nog geen dertig jaar oud was, en bovendien, wat men noemt, een fiksche, flinke jongen.Hieruit ontstond eene andere ramp, die den armen schoolmeester niet weinig last veroorzaakte. Immers zijne vrouw was zoo onophoudelijk jaloersch, dat hij naauwelijks één woord durfde spreken met eenige vrouw in het dorp; want de minste beleefdheid, of zelfs omgang met eenig vrouwelijk wezen, was genoeg om hem den toorn zijner vrouw op den hals te halen.Ten einde zich te vrijwaren tegen huwelijksgrieven in haar eigen huis droeg zij zorg, daar zij slechts ééne meid hield, die steeds te kiezen uit die soort van vrouwen, wier gelaatstrekken doorgaan voor een waarborg harer deugd, en zoo als de lezer vernomen heeft, behoorde Jenni Jones onder dit getal.Daar het gelaat van dit meisje beschouwd mogt worden als eene tamelijk zekere waarborg van voornoemden aard, en omdat haar gedrag steeds zeer zedig was geweest,—wat bij eene vrouw een bepaald gevolg is van verstand te hebben,—had zij meer dan vier jaren bij jufvrouw Partridge (zoo heette namelijk de schoolmeester), doorgebragt, zonder de geringste verdenkingen bij hare meesteresse op te wekken. Ja, zij werd er zelfs met buitengewone vriendelijkheid behandeld, en de jufvrouw had den heer Partridge verlof gegeven haar in de reeds gemelde vakken te onderwijzen.Maar het is met de jaloezij even als met de jicht. Als er zulke ziekten in het bloed zijn, kan men nooit zeker zijn, dat ze niet eens uitbreken zullen,—en dat geschiedt ook dikwerf bij de minste aanleiding en zeer onverwacht.[53]Dit gebeurde ook bij jufvrouw Partridge, die vier jaren lang toegelaten had dat haar man dit meisje onderwees, en haar meer dan eens haar werk had laten verzuimen, ten einde zich aan de geleerdheid te wijden. Want toen zij op zekeren dag voorbij kwam, terwijl het meisje bezig was met lezen en haar meester over haar gebukt stond, schrikte Jenni plotseling, ik weet niet waarom, en vloog van den stoel op, en dit was de eerste keer, dat bij hare meesteresse eenige verdenking opkwam.Zij liet die echter niet dadelijk blijken, maar hield ze verborgen in haar hart, loerende als een geheime vijand, die op versterking wacht eer hij zich openlijktoont en tot den aanval overgaat; en hare vermoedens werden ook kort daarop versterkt, toen man en vrouw zamen aan tafel zaten en de meester tegen het meisje zeide: „Da mihi aliquid potum!” waarop de arme Jenni glimlachte, welligt over het ellendige Latijn, en bloosde zoodra hare meesteresse het oog op haar vestigde, mogelijk, over het bewustzijn dat zij om haren meester gelagchen had. Jufvrouw Partridge geraakte nu dadelijk in drift en smeet het bord, waarvan zij at, der arme Jenni naar het hoofd, met den uitroep:„Gij onbeschaamde feeks! Durft ge gekheid te maken met mijn man, hier in mijn bijzijn?” terzelfder tijd opstuivende van haar stoel met een mes in de hand, waarmede zij waarschijnlijk zich op eene zeer betreurenswaardige wijze gewroken zou hebben, als het meisje niet gebruik had gemaakt van de nabij zijnde deur, en door de vlugt aan de woede harer meesteresse ontsnapt ware;—want, wat den armen man betreft, hetzij de verrassing hem versteend had,—of wat even waarschijnlijk is, dat de vrees hem belette zich te verzetten, hij bleef starende en sidderende zitten en poogde niet eens zich te bewegen, of te spreken, tot zijne vrouw, van Jenni’s vervolging terugkeerende, hem noodzaakte eenige maatregelen tot zelfverdediging te nemen,—en hij, even als de meid, tot den aftogt gedwongen werd.Deze goede vrouw was echter evenmin als Othello geschikt om„—de jaloerschheid te dulden,Te vallen met het wislen van de maan, van arg- in argwaan.”[54]Bij haar luidde het even als bij hem:„—neen! één twijfeling,En alles is beslist!”Zij gaf dus Jenni bevel, omonmiddellijkhaar boeltje te pakken en op te trekken, daar zij besloten had, dat zij dien nacht niet meer onder haar dak zoude slapen. De heer Partridge had te veel door de ondervinding geleerd, om zich met iets van dezen aard te bemoeijen. Hij nam dus zijn toevlugt tot zijne gewone dosis geduld; want hoewel hij geen geleerde was in het Latijn, herinnerde hij zich heel goed en begreep best den raad in den volgenden regel bevat:„Leve fit, quod bene fertur onus.”hetgeen zeggen wil: „een last, dien men behoorlijk weet te dragen, valt niet zwaar.”Wat hij ook altijd in den mond had, en de waarheid waarvan hij, zonder twijfel, dikwijls in de gelegenheid was te ondervinden.Jenni wilde hare onschuld betuigen; maar zij was niet bestand tegen den storm. Zij ging dus aan het pakken, waartoe zij niets anders noodig had dan een vel grof papier, en haar armzalig loon ontvangen hebbende, keerde zij weder naar huis terug.De schoolmeester en zijne vrouw bragten geen aangenamen avond door; maar vóór den volgenden morgen was er het een of ander gebeurd, dat de woede van jufvrouw Partridge een weinig tot bedaren bragt, en zij liet eindelijk toe, dat haar man zich verontschuldigde, te meer geloof aan zijne woorden hechtende, daar hij, in plaats van te verlangen dat Jenni terug geroepen werd, zijne voldoening uitte over haar ontslag, en zeide, dat zij, als meid, van weinig nut meer was, daar zij al haar tijd met lezen doorbragt en bovendien onbeleefd en koppig was geworden; want zij had inderdaad, in den laatsten tijd, verschillende letterkundige twisten met haar meester gehad, waarin zij hem hare reeds vermelde meerderheid had doen gevoelen. Dit echter stemde hij nooit toe; en daar hij het koppigheid noemde, als zij gelijk had en dat volhield, begon hij haar met niet weinig verbittering te haten.[55]

Hoofdstuk III.Beschrijving van een huisselijk bestuur, op regels gegrond, in strijd met die van Aristoteles.

De lezer gelieve zich te herinneren, dat hij vernomen heeft hoe Jenni Jones eenige jaren bij zekeren schoolmeester gewoond had, die, op haar ernstig verlangen, haar Latijn geleerd had, waarin zij, om haar regt te laten wedervaren,[51]zulke groote vorderingen gemaakt had, dat zij geleerder was geworden dan haar onderwijzer.Want, hoewel deze arme man een beroep gekozen had waarin men toestemmen moet, dat de geleerdheid een vereischte is, was deze toch juist de minste zijner gaven. Hij was een der goedhartigste menschen ter wereld, en terzelfder tijd was hij zoo aardig en vol luim, dat hij voor den geestigsten mensch in den omtrek gold, en al de heeren uit de buurt zoozeer naar zijn gezelschap verlangden, dat, daar hij nooit over zich kon verkrijgen om neen te zeggen, hij veel tijd in hunne huizen sleet, welken hij nuttiger in zijne school had kunnen doorbrengen.Men zal begrijpen, dat een man van dit karakter en deze neigingen, geen gevaar liep van een mededinger te worden van de scholen der zeergeleerde heeren te Eton en Westminster. Om duidelijker te spreken: hij had zijne leerlingen slechts in twee klassen gesplitst, in de bovenste van welke een jonge heer zat, de zoon van een landjonker uit de buurt, die op zeventienjarigen leeftijd pas tot de Syntaxis gekomen was, terwijl in de tweede klasse een jongere zoon zat van denzelfden heer, die tegelijk met zeven boerenjongens, lezen en schrijven leerde.De inkomsten hieruit voortvloeijende, zouden bezwaarlijk genoegzaam zijn geweest om den schoolmeester van al de weelde van het leven te voorzien, zoo hij ze niet vermeerderd had met die van het ambt van koster en barbier, terwijl de heer Allworthy het geheel verhoogde met eenjaargeld van tien pond, dat de arme man telkens met Kersmis ontving, en waardoor hij in staat werd gesteld zich gedurende dat heilige feest te goed te doen.Onder zijne overige schatten, bezat de onderwijzer eene vrouw, die hij genomen had uit de keuken van den heer Allworthy, om den wille van haar vermogen,—van twintig pond sterling, dat zij daar bijeengebragt had.Deze vrouw was niet zeer innemend van uiterlijk. Ik weet niet of zij gezeten had voor mijn vriend den schilder Hogarth of niet; maar zij geleek zeer op de jonge vrouw, die thee voor hare meesteresse schenkt in het derde tooneel van „den Levensloop eener ligtekooi.” Zij was bovendien eene verklaarde aanhangster van die edele sekte, van oudsher door[52]Xantippe gesticht, om welke reden zij in de school veel meer gevreesd werd dan haar man; want, het is maar al te waar, dat hij noch dáár, noch elders, in haar bijzijn, meester was.Hoewel hare gelaatstrekken niet veel aangeborene zachtaardigheid schenen aan te duiden, werd die welligt nog eenigzins verminderd door eene omstandigheid, welke over het algemeen het huwelijksgeluk verbittert;—want kinderen. worden zeer juist genoemd „panden der liefde,” en hoewel zij reeds negen jaren gehuwd waren, had haar man haar geen pand van dien aard geschonken; een gebrek waarvoor hij geene verontschuldiging had, wegens leeftijd of gezondheid, daar hij nog geen dertig jaar oud was, en bovendien, wat men noemt, een fiksche, flinke jongen.Hieruit ontstond eene andere ramp, die den armen schoolmeester niet weinig last veroorzaakte. Immers zijne vrouw was zoo onophoudelijk jaloersch, dat hij naauwelijks één woord durfde spreken met eenige vrouw in het dorp; want de minste beleefdheid, of zelfs omgang met eenig vrouwelijk wezen, was genoeg om hem den toorn zijner vrouw op den hals te halen.Ten einde zich te vrijwaren tegen huwelijksgrieven in haar eigen huis droeg zij zorg, daar zij slechts ééne meid hield, die steeds te kiezen uit die soort van vrouwen, wier gelaatstrekken doorgaan voor een waarborg harer deugd, en zoo als de lezer vernomen heeft, behoorde Jenni Jones onder dit getal.Daar het gelaat van dit meisje beschouwd mogt worden als eene tamelijk zekere waarborg van voornoemden aard, en omdat haar gedrag steeds zeer zedig was geweest,—wat bij eene vrouw een bepaald gevolg is van verstand te hebben,—had zij meer dan vier jaren bij jufvrouw Partridge (zoo heette namelijk de schoolmeester), doorgebragt, zonder de geringste verdenkingen bij hare meesteresse op te wekken. Ja, zij werd er zelfs met buitengewone vriendelijkheid behandeld, en de jufvrouw had den heer Partridge verlof gegeven haar in de reeds gemelde vakken te onderwijzen.Maar het is met de jaloezij even als met de jicht. Als er zulke ziekten in het bloed zijn, kan men nooit zeker zijn, dat ze niet eens uitbreken zullen,—en dat geschiedt ook dikwerf bij de minste aanleiding en zeer onverwacht.[53]Dit gebeurde ook bij jufvrouw Partridge, die vier jaren lang toegelaten had dat haar man dit meisje onderwees, en haar meer dan eens haar werk had laten verzuimen, ten einde zich aan de geleerdheid te wijden. Want toen zij op zekeren dag voorbij kwam, terwijl het meisje bezig was met lezen en haar meester over haar gebukt stond, schrikte Jenni plotseling, ik weet niet waarom, en vloog van den stoel op, en dit was de eerste keer, dat bij hare meesteresse eenige verdenking opkwam.Zij liet die echter niet dadelijk blijken, maar hield ze verborgen in haar hart, loerende als een geheime vijand, die op versterking wacht eer hij zich openlijktoont en tot den aanval overgaat; en hare vermoedens werden ook kort daarop versterkt, toen man en vrouw zamen aan tafel zaten en de meester tegen het meisje zeide: „Da mihi aliquid potum!” waarop de arme Jenni glimlachte, welligt over het ellendige Latijn, en bloosde zoodra hare meesteresse het oog op haar vestigde, mogelijk, over het bewustzijn dat zij om haren meester gelagchen had. Jufvrouw Partridge geraakte nu dadelijk in drift en smeet het bord, waarvan zij at, der arme Jenni naar het hoofd, met den uitroep:„Gij onbeschaamde feeks! Durft ge gekheid te maken met mijn man, hier in mijn bijzijn?” terzelfder tijd opstuivende van haar stoel met een mes in de hand, waarmede zij waarschijnlijk zich op eene zeer betreurenswaardige wijze gewroken zou hebben, als het meisje niet gebruik had gemaakt van de nabij zijnde deur, en door de vlugt aan de woede harer meesteresse ontsnapt ware;—want, wat den armen man betreft, hetzij de verrassing hem versteend had,—of wat even waarschijnlijk is, dat de vrees hem belette zich te verzetten, hij bleef starende en sidderende zitten en poogde niet eens zich te bewegen, of te spreken, tot zijne vrouw, van Jenni’s vervolging terugkeerende, hem noodzaakte eenige maatregelen tot zelfverdediging te nemen,—en hij, even als de meid, tot den aftogt gedwongen werd.Deze goede vrouw was echter evenmin als Othello geschikt om„—de jaloerschheid te dulden,Te vallen met het wislen van de maan, van arg- in argwaan.”[54]Bij haar luidde het even als bij hem:„—neen! één twijfeling,En alles is beslist!”Zij gaf dus Jenni bevel, omonmiddellijkhaar boeltje te pakken en op te trekken, daar zij besloten had, dat zij dien nacht niet meer onder haar dak zoude slapen. De heer Partridge had te veel door de ondervinding geleerd, om zich met iets van dezen aard te bemoeijen. Hij nam dus zijn toevlugt tot zijne gewone dosis geduld; want hoewel hij geen geleerde was in het Latijn, herinnerde hij zich heel goed en begreep best den raad in den volgenden regel bevat:„Leve fit, quod bene fertur onus.”hetgeen zeggen wil: „een last, dien men behoorlijk weet te dragen, valt niet zwaar.”Wat hij ook altijd in den mond had, en de waarheid waarvan hij, zonder twijfel, dikwijls in de gelegenheid was te ondervinden.Jenni wilde hare onschuld betuigen; maar zij was niet bestand tegen den storm. Zij ging dus aan het pakken, waartoe zij niets anders noodig had dan een vel grof papier, en haar armzalig loon ontvangen hebbende, keerde zij weder naar huis terug.De schoolmeester en zijne vrouw bragten geen aangenamen avond door; maar vóór den volgenden morgen was er het een of ander gebeurd, dat de woede van jufvrouw Partridge een weinig tot bedaren bragt, en zij liet eindelijk toe, dat haar man zich verontschuldigde, te meer geloof aan zijne woorden hechtende, daar hij, in plaats van te verlangen dat Jenni terug geroepen werd, zijne voldoening uitte over haar ontslag, en zeide, dat zij, als meid, van weinig nut meer was, daar zij al haar tijd met lezen doorbragt en bovendien onbeleefd en koppig was geworden; want zij had inderdaad, in den laatsten tijd, verschillende letterkundige twisten met haar meester gehad, waarin zij hem hare reeds vermelde meerderheid had doen gevoelen. Dit echter stemde hij nooit toe; en daar hij het koppigheid noemde, als zij gelijk had en dat volhield, begon hij haar met niet weinig verbittering te haten.[55]

De lezer gelieve zich te herinneren, dat hij vernomen heeft hoe Jenni Jones eenige jaren bij zekeren schoolmeester gewoond had, die, op haar ernstig verlangen, haar Latijn geleerd had, waarin zij, om haar regt te laten wedervaren,[51]zulke groote vorderingen gemaakt had, dat zij geleerder was geworden dan haar onderwijzer.

Want, hoewel deze arme man een beroep gekozen had waarin men toestemmen moet, dat de geleerdheid een vereischte is, was deze toch juist de minste zijner gaven. Hij was een der goedhartigste menschen ter wereld, en terzelfder tijd was hij zoo aardig en vol luim, dat hij voor den geestigsten mensch in den omtrek gold, en al de heeren uit de buurt zoozeer naar zijn gezelschap verlangden, dat, daar hij nooit over zich kon verkrijgen om neen te zeggen, hij veel tijd in hunne huizen sleet, welken hij nuttiger in zijne school had kunnen doorbrengen.

Men zal begrijpen, dat een man van dit karakter en deze neigingen, geen gevaar liep van een mededinger te worden van de scholen der zeergeleerde heeren te Eton en Westminster. Om duidelijker te spreken: hij had zijne leerlingen slechts in twee klassen gesplitst, in de bovenste van welke een jonge heer zat, de zoon van een landjonker uit de buurt, die op zeventienjarigen leeftijd pas tot de Syntaxis gekomen was, terwijl in de tweede klasse een jongere zoon zat van denzelfden heer, die tegelijk met zeven boerenjongens, lezen en schrijven leerde.

De inkomsten hieruit voortvloeijende, zouden bezwaarlijk genoegzaam zijn geweest om den schoolmeester van al de weelde van het leven te voorzien, zoo hij ze niet vermeerderd had met die van het ambt van koster en barbier, terwijl de heer Allworthy het geheel verhoogde met eenjaargeld van tien pond, dat de arme man telkens met Kersmis ontving, en waardoor hij in staat werd gesteld zich gedurende dat heilige feest te goed te doen.

Onder zijne overige schatten, bezat de onderwijzer eene vrouw, die hij genomen had uit de keuken van den heer Allworthy, om den wille van haar vermogen,—van twintig pond sterling, dat zij daar bijeengebragt had.

Deze vrouw was niet zeer innemend van uiterlijk. Ik weet niet of zij gezeten had voor mijn vriend den schilder Hogarth of niet; maar zij geleek zeer op de jonge vrouw, die thee voor hare meesteresse schenkt in het derde tooneel van „den Levensloop eener ligtekooi.” Zij was bovendien eene verklaarde aanhangster van die edele sekte, van oudsher door[52]Xantippe gesticht, om welke reden zij in de school veel meer gevreesd werd dan haar man; want, het is maar al te waar, dat hij noch dáár, noch elders, in haar bijzijn, meester was.

Hoewel hare gelaatstrekken niet veel aangeborene zachtaardigheid schenen aan te duiden, werd die welligt nog eenigzins verminderd door eene omstandigheid, welke over het algemeen het huwelijksgeluk verbittert;—want kinderen. worden zeer juist genoemd „panden der liefde,” en hoewel zij reeds negen jaren gehuwd waren, had haar man haar geen pand van dien aard geschonken; een gebrek waarvoor hij geene verontschuldiging had, wegens leeftijd of gezondheid, daar hij nog geen dertig jaar oud was, en bovendien, wat men noemt, een fiksche, flinke jongen.

Hieruit ontstond eene andere ramp, die den armen schoolmeester niet weinig last veroorzaakte. Immers zijne vrouw was zoo onophoudelijk jaloersch, dat hij naauwelijks één woord durfde spreken met eenige vrouw in het dorp; want de minste beleefdheid, of zelfs omgang met eenig vrouwelijk wezen, was genoeg om hem den toorn zijner vrouw op den hals te halen.

Ten einde zich te vrijwaren tegen huwelijksgrieven in haar eigen huis droeg zij zorg, daar zij slechts ééne meid hield, die steeds te kiezen uit die soort van vrouwen, wier gelaatstrekken doorgaan voor een waarborg harer deugd, en zoo als de lezer vernomen heeft, behoorde Jenni Jones onder dit getal.

Daar het gelaat van dit meisje beschouwd mogt worden als eene tamelijk zekere waarborg van voornoemden aard, en omdat haar gedrag steeds zeer zedig was geweest,—wat bij eene vrouw een bepaald gevolg is van verstand te hebben,—had zij meer dan vier jaren bij jufvrouw Partridge (zoo heette namelijk de schoolmeester), doorgebragt, zonder de geringste verdenkingen bij hare meesteresse op te wekken. Ja, zij werd er zelfs met buitengewone vriendelijkheid behandeld, en de jufvrouw had den heer Partridge verlof gegeven haar in de reeds gemelde vakken te onderwijzen.

Maar het is met de jaloezij even als met de jicht. Als er zulke ziekten in het bloed zijn, kan men nooit zeker zijn, dat ze niet eens uitbreken zullen,—en dat geschiedt ook dikwerf bij de minste aanleiding en zeer onverwacht.[53]

Dit gebeurde ook bij jufvrouw Partridge, die vier jaren lang toegelaten had dat haar man dit meisje onderwees, en haar meer dan eens haar werk had laten verzuimen, ten einde zich aan de geleerdheid te wijden. Want toen zij op zekeren dag voorbij kwam, terwijl het meisje bezig was met lezen en haar meester over haar gebukt stond, schrikte Jenni plotseling, ik weet niet waarom, en vloog van den stoel op, en dit was de eerste keer, dat bij hare meesteresse eenige verdenking opkwam.

Zij liet die echter niet dadelijk blijken, maar hield ze verborgen in haar hart, loerende als een geheime vijand, die op versterking wacht eer hij zich openlijktoont en tot den aanval overgaat; en hare vermoedens werden ook kort daarop versterkt, toen man en vrouw zamen aan tafel zaten en de meester tegen het meisje zeide: „Da mihi aliquid potum!” waarop de arme Jenni glimlachte, welligt over het ellendige Latijn, en bloosde zoodra hare meesteresse het oog op haar vestigde, mogelijk, over het bewustzijn dat zij om haren meester gelagchen had. Jufvrouw Partridge geraakte nu dadelijk in drift en smeet het bord, waarvan zij at, der arme Jenni naar het hoofd, met den uitroep:

„Gij onbeschaamde feeks! Durft ge gekheid te maken met mijn man, hier in mijn bijzijn?” terzelfder tijd opstuivende van haar stoel met een mes in de hand, waarmede zij waarschijnlijk zich op eene zeer betreurenswaardige wijze gewroken zou hebben, als het meisje niet gebruik had gemaakt van de nabij zijnde deur, en door de vlugt aan de woede harer meesteresse ontsnapt ware;—want, wat den armen man betreft, hetzij de verrassing hem versteend had,—of wat even waarschijnlijk is, dat de vrees hem belette zich te verzetten, hij bleef starende en sidderende zitten en poogde niet eens zich te bewegen, of te spreken, tot zijne vrouw, van Jenni’s vervolging terugkeerende, hem noodzaakte eenige maatregelen tot zelfverdediging te nemen,—en hij, even als de meid, tot den aftogt gedwongen werd.

Deze goede vrouw was echter evenmin als Othello geschikt om

„—de jaloerschheid te dulden,Te vallen met het wislen van de maan, van arg- in argwaan.”

„—de jaloerschheid te dulden,

Te vallen met het wislen van de maan, van arg- in argwaan.”

[54]

Bij haar luidde het even als bij hem:

„—neen! één twijfeling,En alles is beslist!”

„—neen! één twijfeling,

En alles is beslist!”

Zij gaf dus Jenni bevel, omonmiddellijkhaar boeltje te pakken en op te trekken, daar zij besloten had, dat zij dien nacht niet meer onder haar dak zoude slapen. De heer Partridge had te veel door de ondervinding geleerd, om zich met iets van dezen aard te bemoeijen. Hij nam dus zijn toevlugt tot zijne gewone dosis geduld; want hoewel hij geen geleerde was in het Latijn, herinnerde hij zich heel goed en begreep best den raad in den volgenden regel bevat:

„Leve fit, quod bene fertur onus.”

„Leve fit, quod bene fertur onus.”

hetgeen zeggen wil: „een last, dien men behoorlijk weet te dragen, valt niet zwaar.”

Wat hij ook altijd in den mond had, en de waarheid waarvan hij, zonder twijfel, dikwijls in de gelegenheid was te ondervinden.

Jenni wilde hare onschuld betuigen; maar zij was niet bestand tegen den storm. Zij ging dus aan het pakken, waartoe zij niets anders noodig had dan een vel grof papier, en haar armzalig loon ontvangen hebbende, keerde zij weder naar huis terug.

De schoolmeester en zijne vrouw bragten geen aangenamen avond door; maar vóór den volgenden morgen was er het een of ander gebeurd, dat de woede van jufvrouw Partridge een weinig tot bedaren bragt, en zij liet eindelijk toe, dat haar man zich verontschuldigde, te meer geloof aan zijne woorden hechtende, daar hij, in plaats van te verlangen dat Jenni terug geroepen werd, zijne voldoening uitte over haar ontslag, en zeide, dat zij, als meid, van weinig nut meer was, daar zij al haar tijd met lezen doorbragt en bovendien onbeleefd en koppig was geworden; want zij had inderdaad, in den laatsten tijd, verschillende letterkundige twisten met haar meester gehad, waarin zij hem hare reeds vermelde meerderheid had doen gevoelen. Dit echter stemde hij nooit toe; en daar hij het koppigheid noemde, als zij gelijk had en dat volhield, begon hij haar met niet weinig verbittering te haten.[55]

[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende een der bloedigste slagen, of liever, tweegevechten, ooit in de huisselijke geschiedenis vermeld.Om de reeds boven vermelde redenen, en enkele andere blijken van toegevendheid van haar man, welbekend aan gehuwde lieden, doch die, even als de geheimen der vrijmetselarij, aan niemand geopenbaard moeten worden, die geen lid is van het achtbare genootschap, was jufvrouw Partridge tamelijk overtuigd dat zij haar man zonder grond veroordeeld had en zij trachtte door vriendelijk gedrag hem vergoeding te verschaffen voor hare verkeerde vermoedens. Hare hartstogten, welke rigting zij ook volgden, waren inderdaad altijd even hevig; want, even als zij buitengewoon vertoornd kon zijn, kon zij ook buitengewoon liefderijk wezen.Maar, hoewel deze vlagen elkaar gewoonlijk binnen korten tijd opvolgden en naauwelijks vier en twintig uren ooit voorbij gingen, waarin de schoolmeester niet in eenige mate het voorwerp van beide werd; duurde evenwel, bij groote gelegenheden, als haar toorn zeer hevig geweest was, later de rust eveneens ook gewoonlijk wat langer, en dit was nu ook het geval; want na den afloop van dezen aanval van jaloerschheid, bleef zij langer vriendelijk dan ooit te voren, en met uitzondering van eenige van die kleine bestraffingen, waaraan al de volgelingen eener Xantippe zich onderwerpen moeten, zou de heer Partridge verscheidene maanden lang de meest volmaakte rust genoten hebben.Eene doodelijke windstilte op zee wordt door den ervaren zeeman steeds als de voorbode van den storm aangemerkt, en ik ken eenige personen, die zonder over het algemeen bijgeloovig te zijn, geneigd zijn te vreezen, dat groote en ongewone rust en vrede, juist door het tegenovergestelde gevolgd zullen worden. Om deze reden plagten de ouden bij zulke gelegenheden offers te brengen aan de godin Nemesis, die, naar men meende, met leede oogen het menschelijke geluk aanschouwde en niets liever deed dan het vernietigen.Daar wij er echter ver van af zijn, aan eenige heidensche godin van dien aard te gelooven, of eenig bijgeloof hoegenaamd[56]aan te moedigen, wenschen wij dat de heer Jan Fr.… of eenige andere wijsgeer, zich de moeite wilde geven om de ware oorzaak van dezen snellen overgang van geluk tot ongeluk op te sporen,—die zoo dikwerf opgemerkt is en waarvan wij nu een voorbeeld zullen geven; want het is onze taak om feiten te vermelden, terwijl wij de oorzaken aan grootere genieën overlaten.De menschen hebben er altijd groot behagen in geschept om de daden van anderen te leeren kennen en ze te bepraten. Van daar ook, dat er bij alle volkeren en in alle eeuwen, bijzondere vergaderplaatsen aangewezen werden, waar de nieuwsgierigen elkaar ontmoeten konden en hunne weetgierigheid voldoen. Onder deze plaatsen hebben de barbierswinkels altijd met regt den voorrang gehad. Onder de Grieken was het „barbiersnieuws” tot een spreekwoord geworden, en Horatius, in een zijnerEpistolae, vermeldt den Romeinschen barbier op dezelfde wijze, zeer eervol.Het is bekend dat die van Engeland niet onderdoen bij hunne Grieksche en Romeinsche voorgangers. Men hoort bij hen buitenlandsche zaken bespreken op een toon die weinig onderdoet voor dien der koffijhuizen, en huisselijke omstandigheden worden er veel breedvoeriger en vrijer behandeld. Maar dit is alleen ten behoeve der mannen. Daar echter de vrouwen van dit land, vooral die van de mindere klasse, meer dan die van andere volkeren, bij elkaar komen, zou onze staatsinrigting zeer gebrekkig zijn, als zij ook niet eenige bijzondere plaats hadden, waar zij aan hare nieuwsgierigheid kunnen bot vieren, aangezien zij in dit opzigt volstrekt niet onderdoen voor de andere helft van het menschelijke geslacht.Door een dergelijk vereenigingspunt te bezitten, moeten zich de Britsche schoonen gelukkiger achten dan hare zusters in het buitenland, daar ik me niet herinner ooit in de geschiedenis iets daarvan gelezen te hebben, of in eenige reisbeschrijving iets van dien aard gezien te hebben.Deze plaats is echter nergens anders te zoeken dan in den kruideniers-winkel, het bekende uitgangspunt van al het nieuws, of zoo als men het platweg noemt, van al het gebabbel in elke gemeente van Engeland.Jufvrouw Partridge dus, op zekeren dag in deze vergadering[57]van vrouwen zijnde, werd door een harer buren gevraagd, of zij in den laatsten tijd iets van Jenni Jones gehoord had? waarop zij een ontkennend antwoord gaf. Hierop hernam de andere, met een glimlach, dat het dorp veel verpligting aan haar had, omdat zij Jenni had weggejaagd.Jufvrouw Partridge, wier ijverzucht, zoo als de lezer weet, sedert lang genezen was, en die anders niets tegen hare dienstmaagd had, antwoordde stoutweg, dat zij niet begreep hoe zij het dorp op die wijze had kunnen verpligten, daar zij geloofde dat Jenni zeker haars gelijke niet achtergelaten had.„Neen,” hernam de andere, „ik hoop van neen! Hoewel ik me verbeeld dat er sletten genoeg hier zijn! Ge hebt dus niet gehoord, naar het schijnt, dat zij verlost is van twee onechte kinderen? Daar ze echter hier niet geboren zijn, zegt mijn man en de andere wijkmeester ook, dat ze onze gemeente niet ten laste zullen vallen.”„Twee onechte kinderen!” riep jufvrouw Partridge driftig; „wat ge zegt! Ik weet niet of ze ons ten laste kunnen komen, maar zeker is het dat de vader hier te huis behoort, want het is nog geen negen maanden geleden dat het meisje van hier weg is!”Niets is vlugger en plotselinger dan de werking van den geest, vooral als die opgewekt wordt door hoop, vrees of ijverzucht,—bij welke laatste vergeleken, de beide anderen slechts trage prikkelen zijn. Het schoot haar dadelijk te binnen, dat Jenni naauwelijks de deur uit geweest was zoo lang zij bij haar inwoonde. Het leunen over den stoel, het Latijn, de glimlach en allerlei andere dingen stonden haar op eens voor den geest.De voldoening, welke haar man aan den dag gelegd had over het vertrek van Jenni scheen haar nu slechts geveinsd te zijn,—dan weder opregt,—en dan weder (ter versterking van haar ijverzucht), alleen ontsproten te zijn uit verzadiging en honderderlei andere slechte bronnen. In één woord: zij gevoelde zich overtuigd van de schuld van haren echtgenoot en verliet de vergadering in de grootste ontsteltenis.Even als de schoone Poes,—die hoewel de jongste van[58]het kattengeslacht niet in wreedheid onderdoet voor de oudere takken van hare familie, en ofschoon minder in kracht, den edelen tijger zelven in woestheid evenaart,—even als de poes, wanneer het muisje, dat zij, lang spelende, gemarteld heeft, hare klaauwen ontsnapt, een tijdlang gromt, knort, raast en tiert, en zoodra de kist of koffer, waarachter het diertje schuilt, uit den weg geruimd is, pijlsnel op haar slagtoffer schiet, en het met verbitterde woede bijt, krabt, knaauwt en verscheurt,—zoo ook, en met geene mindere woestheid, vloog jufvrouw Partridge den armen schoolmeester aan.Met tong, tanden en handen viel zij hem tegelijk aan. Zijne pruik werd hem in een oogenblik van het hoofd gerukt; het hemd hem van het lijf,—en van zijn gelaat vloeiden vijf stroomen bloeds, het getal der klaauwen aanwijzende waarmede de natuur ongelukkig zijne vijandin gewapend had.De heer Partridge bepaalde zich een tijdlang tot de verdediging;—en deed slechts zijn best om met de handen zijn gezigt te beschermen; daar hij echter ondervond, dat de woede zijner vijandin niet verminderde, dacht hij ten minste haar te mogen ontwapenen, of liever hare armen vast te houden waarbij,in de worsteling, hare muts afviel, en haar hoofdhaar, te kort om op hare schouders te vallen, ten berge rees, terwijl haar keurslijf, dat slechts door één knoopje onderaan vastgemaakt was, open sprong, en hare borsten, die weelderiger waren dan haar hoofdsieraad, tot beneden haar midden afhingen;—haar gelaat was ook bevlekt met het bloed van haar man; zij knarste woedend op de tanden, en vonken, als van een smids vuur, vlogen uit hare oogen. Over het geheel dus had deze Amazone een veel heldhaftiger man dan den heer Partridge schrik en vrees kunnen aanjagen.Eindelijk had hij het geluk, hare armen vast te kunnen houden, en alzoo de wapenen, welke zij aan het einde der vingers had, onbruikbaar te maken, en zoodra zij dit bemerkte, kreeg de zwakheid, aan haar geslacht eigen, de bovenhand op hare woede, en zij barstte in tranen uit, en eindigde met het hevig op de zenuwen te krijgen.De weinige tegenwoordigheid van geest, welke de heer Partridge tot dus ver bewaard had, bij dit woedende tooneel,[59]welks oorzaak hem geheel onbekend was, liet hem nu in den steek. Hij liep de deur uit, op straat, roepende dat zijne vrouw stervende was, en de buren smeekende zich te haasten om hulp te verleenen. Verscheidene goede vrouwen gehoorzaamden aan zijn wensch, en kwamen bij hem binnen, en daar zij de gewone middelen gebruikten bij zulke gevallen, kwam jufvrouw Partridge eindelijk bij, tot groote vreugde van haar man.Zoodra zij weder tot besef gekomen was en door gebruik van een hartversterking iets bedaard was, begon zij het gezelschap bekend te maken met al hare grieven tegen haar man, die, zoo als zij beweerde, niet slechts zijn huwelijkstrouw geschonden had, maar ook, zoodra zij hem dat verweten had, haar met de meest mogelijke wreedheid behandeld, de muts en het haar van haar hoofd en het korset van haar lijf gerukt, en haar tevens een pak slagen gegeven had, waarvan zij de teekenen mede in het graf zou nemen.De arme man, die op het gelaat vele zigtbare sporen vertoonde van de woede zijner vrouw, stond in stomme verbazing bij deze beschuldiging, welke, zoo als de lezer getuigen kan, lang niet met de waarheid overeen kwam; want, inderdaad, had hij haar geen één slag toegebragt;—maar daar zijn stilzwijgen, door alle aanwezigen als een blijk zijner schuld aangemerkt werd, begonnen zij ook alle,una voce, hem te verwijten en te bekijven, steeds herhalende dat alleen een lafaard de hand kon opheffen tegen eene vrouw.De heer Partridge verdroeg dit alles met veel geduld; maar toen zijne vrouw wees op het bloed op haar aangezigt, om zijne wreedheid te bewijzen, kon hij niet laten zijne aanspraken te doen gelden op zijn eigen bloed, gelijk het wezenlijk was,—daar hij het voor zeer onnatuurlijk hield, dat het verschijnen zou (gelijk men ons leert dat het geval is met dat van een vermoorde), om wraak op hem te eischen.Hierop verwaardigden zich de vrouwen geen ander antwoord te geven, dan dat het jammer was, dat het niet van zijn hart, in plaats van zijn gezigt kwam, verklarende, allen tegelijk, dat alsharemannen de hand tegen haar ophieven, zij hun hartebloed zouden willen hebben.[60]Na vele verdere verwijtingen over het gebeurde, en veel goeden raad aan den heer Partridge omtrent zijn toekomstig gedrag, ging het gezelschap eindelijk uiteen, en liet man en vrouw alleen om de zaak onderling te bespreken, bij welke gelegenheid de heerPartridgede oorzaak zijner rampen vernam.

Hoofdstuk IV.Bevattende een der bloedigste slagen, of liever, tweegevechten, ooit in de huisselijke geschiedenis vermeld.

Om de reeds boven vermelde redenen, en enkele andere blijken van toegevendheid van haar man, welbekend aan gehuwde lieden, doch die, even als de geheimen der vrijmetselarij, aan niemand geopenbaard moeten worden, die geen lid is van het achtbare genootschap, was jufvrouw Partridge tamelijk overtuigd dat zij haar man zonder grond veroordeeld had en zij trachtte door vriendelijk gedrag hem vergoeding te verschaffen voor hare verkeerde vermoedens. Hare hartstogten, welke rigting zij ook volgden, waren inderdaad altijd even hevig; want, even als zij buitengewoon vertoornd kon zijn, kon zij ook buitengewoon liefderijk wezen.Maar, hoewel deze vlagen elkaar gewoonlijk binnen korten tijd opvolgden en naauwelijks vier en twintig uren ooit voorbij gingen, waarin de schoolmeester niet in eenige mate het voorwerp van beide werd; duurde evenwel, bij groote gelegenheden, als haar toorn zeer hevig geweest was, later de rust eveneens ook gewoonlijk wat langer, en dit was nu ook het geval; want na den afloop van dezen aanval van jaloerschheid, bleef zij langer vriendelijk dan ooit te voren, en met uitzondering van eenige van die kleine bestraffingen, waaraan al de volgelingen eener Xantippe zich onderwerpen moeten, zou de heer Partridge verscheidene maanden lang de meest volmaakte rust genoten hebben.Eene doodelijke windstilte op zee wordt door den ervaren zeeman steeds als de voorbode van den storm aangemerkt, en ik ken eenige personen, die zonder over het algemeen bijgeloovig te zijn, geneigd zijn te vreezen, dat groote en ongewone rust en vrede, juist door het tegenovergestelde gevolgd zullen worden. Om deze reden plagten de ouden bij zulke gelegenheden offers te brengen aan de godin Nemesis, die, naar men meende, met leede oogen het menschelijke geluk aanschouwde en niets liever deed dan het vernietigen.Daar wij er echter ver van af zijn, aan eenige heidensche godin van dien aard te gelooven, of eenig bijgeloof hoegenaamd[56]aan te moedigen, wenschen wij dat de heer Jan Fr.… of eenige andere wijsgeer, zich de moeite wilde geven om de ware oorzaak van dezen snellen overgang van geluk tot ongeluk op te sporen,—die zoo dikwerf opgemerkt is en waarvan wij nu een voorbeeld zullen geven; want het is onze taak om feiten te vermelden, terwijl wij de oorzaken aan grootere genieën overlaten.De menschen hebben er altijd groot behagen in geschept om de daden van anderen te leeren kennen en ze te bepraten. Van daar ook, dat er bij alle volkeren en in alle eeuwen, bijzondere vergaderplaatsen aangewezen werden, waar de nieuwsgierigen elkaar ontmoeten konden en hunne weetgierigheid voldoen. Onder deze plaatsen hebben de barbierswinkels altijd met regt den voorrang gehad. Onder de Grieken was het „barbiersnieuws” tot een spreekwoord geworden, en Horatius, in een zijnerEpistolae, vermeldt den Romeinschen barbier op dezelfde wijze, zeer eervol.Het is bekend dat die van Engeland niet onderdoen bij hunne Grieksche en Romeinsche voorgangers. Men hoort bij hen buitenlandsche zaken bespreken op een toon die weinig onderdoet voor dien der koffijhuizen, en huisselijke omstandigheden worden er veel breedvoeriger en vrijer behandeld. Maar dit is alleen ten behoeve der mannen. Daar echter de vrouwen van dit land, vooral die van de mindere klasse, meer dan die van andere volkeren, bij elkaar komen, zou onze staatsinrigting zeer gebrekkig zijn, als zij ook niet eenige bijzondere plaats hadden, waar zij aan hare nieuwsgierigheid kunnen bot vieren, aangezien zij in dit opzigt volstrekt niet onderdoen voor de andere helft van het menschelijke geslacht.Door een dergelijk vereenigingspunt te bezitten, moeten zich de Britsche schoonen gelukkiger achten dan hare zusters in het buitenland, daar ik me niet herinner ooit in de geschiedenis iets daarvan gelezen te hebben, of in eenige reisbeschrijving iets van dien aard gezien te hebben.Deze plaats is echter nergens anders te zoeken dan in den kruideniers-winkel, het bekende uitgangspunt van al het nieuws, of zoo als men het platweg noemt, van al het gebabbel in elke gemeente van Engeland.Jufvrouw Partridge dus, op zekeren dag in deze vergadering[57]van vrouwen zijnde, werd door een harer buren gevraagd, of zij in den laatsten tijd iets van Jenni Jones gehoord had? waarop zij een ontkennend antwoord gaf. Hierop hernam de andere, met een glimlach, dat het dorp veel verpligting aan haar had, omdat zij Jenni had weggejaagd.Jufvrouw Partridge, wier ijverzucht, zoo als de lezer weet, sedert lang genezen was, en die anders niets tegen hare dienstmaagd had, antwoordde stoutweg, dat zij niet begreep hoe zij het dorp op die wijze had kunnen verpligten, daar zij geloofde dat Jenni zeker haars gelijke niet achtergelaten had.„Neen,” hernam de andere, „ik hoop van neen! Hoewel ik me verbeeld dat er sletten genoeg hier zijn! Ge hebt dus niet gehoord, naar het schijnt, dat zij verlost is van twee onechte kinderen? Daar ze echter hier niet geboren zijn, zegt mijn man en de andere wijkmeester ook, dat ze onze gemeente niet ten laste zullen vallen.”„Twee onechte kinderen!” riep jufvrouw Partridge driftig; „wat ge zegt! Ik weet niet of ze ons ten laste kunnen komen, maar zeker is het dat de vader hier te huis behoort, want het is nog geen negen maanden geleden dat het meisje van hier weg is!”Niets is vlugger en plotselinger dan de werking van den geest, vooral als die opgewekt wordt door hoop, vrees of ijverzucht,—bij welke laatste vergeleken, de beide anderen slechts trage prikkelen zijn. Het schoot haar dadelijk te binnen, dat Jenni naauwelijks de deur uit geweest was zoo lang zij bij haar inwoonde. Het leunen over den stoel, het Latijn, de glimlach en allerlei andere dingen stonden haar op eens voor den geest.De voldoening, welke haar man aan den dag gelegd had over het vertrek van Jenni scheen haar nu slechts geveinsd te zijn,—dan weder opregt,—en dan weder (ter versterking van haar ijverzucht), alleen ontsproten te zijn uit verzadiging en honderderlei andere slechte bronnen. In één woord: zij gevoelde zich overtuigd van de schuld van haren echtgenoot en verliet de vergadering in de grootste ontsteltenis.Even als de schoone Poes,—die hoewel de jongste van[58]het kattengeslacht niet in wreedheid onderdoet voor de oudere takken van hare familie, en ofschoon minder in kracht, den edelen tijger zelven in woestheid evenaart,—even als de poes, wanneer het muisje, dat zij, lang spelende, gemarteld heeft, hare klaauwen ontsnapt, een tijdlang gromt, knort, raast en tiert, en zoodra de kist of koffer, waarachter het diertje schuilt, uit den weg geruimd is, pijlsnel op haar slagtoffer schiet, en het met verbitterde woede bijt, krabt, knaauwt en verscheurt,—zoo ook, en met geene mindere woestheid, vloog jufvrouw Partridge den armen schoolmeester aan.Met tong, tanden en handen viel zij hem tegelijk aan. Zijne pruik werd hem in een oogenblik van het hoofd gerukt; het hemd hem van het lijf,—en van zijn gelaat vloeiden vijf stroomen bloeds, het getal der klaauwen aanwijzende waarmede de natuur ongelukkig zijne vijandin gewapend had.De heer Partridge bepaalde zich een tijdlang tot de verdediging;—en deed slechts zijn best om met de handen zijn gezigt te beschermen; daar hij echter ondervond, dat de woede zijner vijandin niet verminderde, dacht hij ten minste haar te mogen ontwapenen, of liever hare armen vast te houden waarbij,in de worsteling, hare muts afviel, en haar hoofdhaar, te kort om op hare schouders te vallen, ten berge rees, terwijl haar keurslijf, dat slechts door één knoopje onderaan vastgemaakt was, open sprong, en hare borsten, die weelderiger waren dan haar hoofdsieraad, tot beneden haar midden afhingen;—haar gelaat was ook bevlekt met het bloed van haar man; zij knarste woedend op de tanden, en vonken, als van een smids vuur, vlogen uit hare oogen. Over het geheel dus had deze Amazone een veel heldhaftiger man dan den heer Partridge schrik en vrees kunnen aanjagen.Eindelijk had hij het geluk, hare armen vast te kunnen houden, en alzoo de wapenen, welke zij aan het einde der vingers had, onbruikbaar te maken, en zoodra zij dit bemerkte, kreeg de zwakheid, aan haar geslacht eigen, de bovenhand op hare woede, en zij barstte in tranen uit, en eindigde met het hevig op de zenuwen te krijgen.De weinige tegenwoordigheid van geest, welke de heer Partridge tot dus ver bewaard had, bij dit woedende tooneel,[59]welks oorzaak hem geheel onbekend was, liet hem nu in den steek. Hij liep de deur uit, op straat, roepende dat zijne vrouw stervende was, en de buren smeekende zich te haasten om hulp te verleenen. Verscheidene goede vrouwen gehoorzaamden aan zijn wensch, en kwamen bij hem binnen, en daar zij de gewone middelen gebruikten bij zulke gevallen, kwam jufvrouw Partridge eindelijk bij, tot groote vreugde van haar man.Zoodra zij weder tot besef gekomen was en door gebruik van een hartversterking iets bedaard was, begon zij het gezelschap bekend te maken met al hare grieven tegen haar man, die, zoo als zij beweerde, niet slechts zijn huwelijkstrouw geschonden had, maar ook, zoodra zij hem dat verweten had, haar met de meest mogelijke wreedheid behandeld, de muts en het haar van haar hoofd en het korset van haar lijf gerukt, en haar tevens een pak slagen gegeven had, waarvan zij de teekenen mede in het graf zou nemen.De arme man, die op het gelaat vele zigtbare sporen vertoonde van de woede zijner vrouw, stond in stomme verbazing bij deze beschuldiging, welke, zoo als de lezer getuigen kan, lang niet met de waarheid overeen kwam; want, inderdaad, had hij haar geen één slag toegebragt;—maar daar zijn stilzwijgen, door alle aanwezigen als een blijk zijner schuld aangemerkt werd, begonnen zij ook alle,una voce, hem te verwijten en te bekijven, steeds herhalende dat alleen een lafaard de hand kon opheffen tegen eene vrouw.De heer Partridge verdroeg dit alles met veel geduld; maar toen zijne vrouw wees op het bloed op haar aangezigt, om zijne wreedheid te bewijzen, kon hij niet laten zijne aanspraken te doen gelden op zijn eigen bloed, gelijk het wezenlijk was,—daar hij het voor zeer onnatuurlijk hield, dat het verschijnen zou (gelijk men ons leert dat het geval is met dat van een vermoorde), om wraak op hem te eischen.Hierop verwaardigden zich de vrouwen geen ander antwoord te geven, dan dat het jammer was, dat het niet van zijn hart, in plaats van zijn gezigt kwam, verklarende, allen tegelijk, dat alsharemannen de hand tegen haar ophieven, zij hun hartebloed zouden willen hebben.[60]Na vele verdere verwijtingen over het gebeurde, en veel goeden raad aan den heer Partridge omtrent zijn toekomstig gedrag, ging het gezelschap eindelijk uiteen, en liet man en vrouw alleen om de zaak onderling te bespreken, bij welke gelegenheid de heerPartridgede oorzaak zijner rampen vernam.

Om de reeds boven vermelde redenen, en enkele andere blijken van toegevendheid van haar man, welbekend aan gehuwde lieden, doch die, even als de geheimen der vrijmetselarij, aan niemand geopenbaard moeten worden, die geen lid is van het achtbare genootschap, was jufvrouw Partridge tamelijk overtuigd dat zij haar man zonder grond veroordeeld had en zij trachtte door vriendelijk gedrag hem vergoeding te verschaffen voor hare verkeerde vermoedens. Hare hartstogten, welke rigting zij ook volgden, waren inderdaad altijd even hevig; want, even als zij buitengewoon vertoornd kon zijn, kon zij ook buitengewoon liefderijk wezen.

Maar, hoewel deze vlagen elkaar gewoonlijk binnen korten tijd opvolgden en naauwelijks vier en twintig uren ooit voorbij gingen, waarin de schoolmeester niet in eenige mate het voorwerp van beide werd; duurde evenwel, bij groote gelegenheden, als haar toorn zeer hevig geweest was, later de rust eveneens ook gewoonlijk wat langer, en dit was nu ook het geval; want na den afloop van dezen aanval van jaloerschheid, bleef zij langer vriendelijk dan ooit te voren, en met uitzondering van eenige van die kleine bestraffingen, waaraan al de volgelingen eener Xantippe zich onderwerpen moeten, zou de heer Partridge verscheidene maanden lang de meest volmaakte rust genoten hebben.

Eene doodelijke windstilte op zee wordt door den ervaren zeeman steeds als de voorbode van den storm aangemerkt, en ik ken eenige personen, die zonder over het algemeen bijgeloovig te zijn, geneigd zijn te vreezen, dat groote en ongewone rust en vrede, juist door het tegenovergestelde gevolgd zullen worden. Om deze reden plagten de ouden bij zulke gelegenheden offers te brengen aan de godin Nemesis, die, naar men meende, met leede oogen het menschelijke geluk aanschouwde en niets liever deed dan het vernietigen.

Daar wij er echter ver van af zijn, aan eenige heidensche godin van dien aard te gelooven, of eenig bijgeloof hoegenaamd[56]aan te moedigen, wenschen wij dat de heer Jan Fr.… of eenige andere wijsgeer, zich de moeite wilde geven om de ware oorzaak van dezen snellen overgang van geluk tot ongeluk op te sporen,—die zoo dikwerf opgemerkt is en waarvan wij nu een voorbeeld zullen geven; want het is onze taak om feiten te vermelden, terwijl wij de oorzaken aan grootere genieën overlaten.

De menschen hebben er altijd groot behagen in geschept om de daden van anderen te leeren kennen en ze te bepraten. Van daar ook, dat er bij alle volkeren en in alle eeuwen, bijzondere vergaderplaatsen aangewezen werden, waar de nieuwsgierigen elkaar ontmoeten konden en hunne weetgierigheid voldoen. Onder deze plaatsen hebben de barbierswinkels altijd met regt den voorrang gehad. Onder de Grieken was het „barbiersnieuws” tot een spreekwoord geworden, en Horatius, in een zijnerEpistolae, vermeldt den Romeinschen barbier op dezelfde wijze, zeer eervol.

Het is bekend dat die van Engeland niet onderdoen bij hunne Grieksche en Romeinsche voorgangers. Men hoort bij hen buitenlandsche zaken bespreken op een toon die weinig onderdoet voor dien der koffijhuizen, en huisselijke omstandigheden worden er veel breedvoeriger en vrijer behandeld. Maar dit is alleen ten behoeve der mannen. Daar echter de vrouwen van dit land, vooral die van de mindere klasse, meer dan die van andere volkeren, bij elkaar komen, zou onze staatsinrigting zeer gebrekkig zijn, als zij ook niet eenige bijzondere plaats hadden, waar zij aan hare nieuwsgierigheid kunnen bot vieren, aangezien zij in dit opzigt volstrekt niet onderdoen voor de andere helft van het menschelijke geslacht.

Door een dergelijk vereenigingspunt te bezitten, moeten zich de Britsche schoonen gelukkiger achten dan hare zusters in het buitenland, daar ik me niet herinner ooit in de geschiedenis iets daarvan gelezen te hebben, of in eenige reisbeschrijving iets van dien aard gezien te hebben.

Deze plaats is echter nergens anders te zoeken dan in den kruideniers-winkel, het bekende uitgangspunt van al het nieuws, of zoo als men het platweg noemt, van al het gebabbel in elke gemeente van Engeland.

Jufvrouw Partridge dus, op zekeren dag in deze vergadering[57]van vrouwen zijnde, werd door een harer buren gevraagd, of zij in den laatsten tijd iets van Jenni Jones gehoord had? waarop zij een ontkennend antwoord gaf. Hierop hernam de andere, met een glimlach, dat het dorp veel verpligting aan haar had, omdat zij Jenni had weggejaagd.

Jufvrouw Partridge, wier ijverzucht, zoo als de lezer weet, sedert lang genezen was, en die anders niets tegen hare dienstmaagd had, antwoordde stoutweg, dat zij niet begreep hoe zij het dorp op die wijze had kunnen verpligten, daar zij geloofde dat Jenni zeker haars gelijke niet achtergelaten had.

„Neen,” hernam de andere, „ik hoop van neen! Hoewel ik me verbeeld dat er sletten genoeg hier zijn! Ge hebt dus niet gehoord, naar het schijnt, dat zij verlost is van twee onechte kinderen? Daar ze echter hier niet geboren zijn, zegt mijn man en de andere wijkmeester ook, dat ze onze gemeente niet ten laste zullen vallen.”

„Twee onechte kinderen!” riep jufvrouw Partridge driftig; „wat ge zegt! Ik weet niet of ze ons ten laste kunnen komen, maar zeker is het dat de vader hier te huis behoort, want het is nog geen negen maanden geleden dat het meisje van hier weg is!”

Niets is vlugger en plotselinger dan de werking van den geest, vooral als die opgewekt wordt door hoop, vrees of ijverzucht,—bij welke laatste vergeleken, de beide anderen slechts trage prikkelen zijn. Het schoot haar dadelijk te binnen, dat Jenni naauwelijks de deur uit geweest was zoo lang zij bij haar inwoonde. Het leunen over den stoel, het Latijn, de glimlach en allerlei andere dingen stonden haar op eens voor den geest.

De voldoening, welke haar man aan den dag gelegd had over het vertrek van Jenni scheen haar nu slechts geveinsd te zijn,—dan weder opregt,—en dan weder (ter versterking van haar ijverzucht), alleen ontsproten te zijn uit verzadiging en honderderlei andere slechte bronnen. In één woord: zij gevoelde zich overtuigd van de schuld van haren echtgenoot en verliet de vergadering in de grootste ontsteltenis.

Even als de schoone Poes,—die hoewel de jongste van[58]het kattengeslacht niet in wreedheid onderdoet voor de oudere takken van hare familie, en ofschoon minder in kracht, den edelen tijger zelven in woestheid evenaart,—even als de poes, wanneer het muisje, dat zij, lang spelende, gemarteld heeft, hare klaauwen ontsnapt, een tijdlang gromt, knort, raast en tiert, en zoodra de kist of koffer, waarachter het diertje schuilt, uit den weg geruimd is, pijlsnel op haar slagtoffer schiet, en het met verbitterde woede bijt, krabt, knaauwt en verscheurt,—zoo ook, en met geene mindere woestheid, vloog jufvrouw Partridge den armen schoolmeester aan.

Met tong, tanden en handen viel zij hem tegelijk aan. Zijne pruik werd hem in een oogenblik van het hoofd gerukt; het hemd hem van het lijf,—en van zijn gelaat vloeiden vijf stroomen bloeds, het getal der klaauwen aanwijzende waarmede de natuur ongelukkig zijne vijandin gewapend had.

De heer Partridge bepaalde zich een tijdlang tot de verdediging;—en deed slechts zijn best om met de handen zijn gezigt te beschermen; daar hij echter ondervond, dat de woede zijner vijandin niet verminderde, dacht hij ten minste haar te mogen ontwapenen, of liever hare armen vast te houden waarbij,in de worsteling, hare muts afviel, en haar hoofdhaar, te kort om op hare schouders te vallen, ten berge rees, terwijl haar keurslijf, dat slechts door één knoopje onderaan vastgemaakt was, open sprong, en hare borsten, die weelderiger waren dan haar hoofdsieraad, tot beneden haar midden afhingen;—haar gelaat was ook bevlekt met het bloed van haar man; zij knarste woedend op de tanden, en vonken, als van een smids vuur, vlogen uit hare oogen. Over het geheel dus had deze Amazone een veel heldhaftiger man dan den heer Partridge schrik en vrees kunnen aanjagen.

Eindelijk had hij het geluk, hare armen vast te kunnen houden, en alzoo de wapenen, welke zij aan het einde der vingers had, onbruikbaar te maken, en zoodra zij dit bemerkte, kreeg de zwakheid, aan haar geslacht eigen, de bovenhand op hare woede, en zij barstte in tranen uit, en eindigde met het hevig op de zenuwen te krijgen.

De weinige tegenwoordigheid van geest, welke de heer Partridge tot dus ver bewaard had, bij dit woedende tooneel,[59]welks oorzaak hem geheel onbekend was, liet hem nu in den steek. Hij liep de deur uit, op straat, roepende dat zijne vrouw stervende was, en de buren smeekende zich te haasten om hulp te verleenen. Verscheidene goede vrouwen gehoorzaamden aan zijn wensch, en kwamen bij hem binnen, en daar zij de gewone middelen gebruikten bij zulke gevallen, kwam jufvrouw Partridge eindelijk bij, tot groote vreugde van haar man.

Zoodra zij weder tot besef gekomen was en door gebruik van een hartversterking iets bedaard was, begon zij het gezelschap bekend te maken met al hare grieven tegen haar man, die, zoo als zij beweerde, niet slechts zijn huwelijkstrouw geschonden had, maar ook, zoodra zij hem dat verweten had, haar met de meest mogelijke wreedheid behandeld, de muts en het haar van haar hoofd en het korset van haar lijf gerukt, en haar tevens een pak slagen gegeven had, waarvan zij de teekenen mede in het graf zou nemen.

De arme man, die op het gelaat vele zigtbare sporen vertoonde van de woede zijner vrouw, stond in stomme verbazing bij deze beschuldiging, welke, zoo als de lezer getuigen kan, lang niet met de waarheid overeen kwam; want, inderdaad, had hij haar geen één slag toegebragt;—maar daar zijn stilzwijgen, door alle aanwezigen als een blijk zijner schuld aangemerkt werd, begonnen zij ook alle,una voce, hem te verwijten en te bekijven, steeds herhalende dat alleen een lafaard de hand kon opheffen tegen eene vrouw.

De heer Partridge verdroeg dit alles met veel geduld; maar toen zijne vrouw wees op het bloed op haar aangezigt, om zijne wreedheid te bewijzen, kon hij niet laten zijne aanspraken te doen gelden op zijn eigen bloed, gelijk het wezenlijk was,—daar hij het voor zeer onnatuurlijk hield, dat het verschijnen zou (gelijk men ons leert dat het geval is met dat van een vermoorde), om wraak op hem te eischen.

Hierop verwaardigden zich de vrouwen geen ander antwoord te geven, dan dat het jammer was, dat het niet van zijn hart, in plaats van zijn gezigt kwam, verklarende, allen tegelijk, dat alsharemannen de hand tegen haar ophieven, zij hun hartebloed zouden willen hebben.[60]

Na vele verdere verwijtingen over het gebeurde, en veel goeden raad aan den heer Partridge omtrent zijn toekomstig gedrag, ging het gezelschap eindelijk uiteen, en liet man en vrouw alleen om de zaak onderling te bespreken, bij welke gelegenheid de heerPartridgede oorzaak zijner rampen vernam.

[Inhoud]Hoofdstuk V.Bevattende veel om verstand en oordeel van den lezer te scherpen.Het komt mij voor eene zeer juiste opmerking te zijn, dat slechts weinige geheimen het eigendom van één persoon blijven; zeker is het, dat men het haast als een wonder zou kunnen beschouwen, als een feit van dezen aard aan eene geheele gemeente kon bekend zijn, zonder verder verspreid te worden.En, inderdaad, slechts weinige dagen verliepen er eer iedereen in de omstreken, gelijk men platweg zegt, „vol was” van den schoolmeester van Klein-Baddington, die, zoo als men verzekerde, zijne vrouw op zulk eene wreede wijze mishandeld had. Ja, er werd zelfs op sommige plaatsen verzekerd, dat hij haar vermoord had;—elders, dat hij haar de armen,—en op andere plaatsen weder, dat hij haar de beenen gebroken had;—met één woord, er bestaat naauwelijks ééne verminking, welke een menschelijk wezen ondergaan kan, of het werd hier of daar verteld, dat jufvrouw Partridge die van haar man ondergaan had.Er bestond ook nog verschil in de opgaven omtrent de oorzaak van dezen twist: want terwijl sommigen verzekerden, dat jufvrouw Partridge haar echtgenoot in bed met de meid gevonden had, werden ook velerlei redenen van geheel anderen aard door anderen opgegeven. Ja, sommigen gingen zoo ver, dat zij de vrouw in plaats van den man beschuldigden, en de ijverzucht aan hem toeschreven.Jufvrouw Wilkins had lang geleden dezen twist vernomen; daar echter eene geheel andere aanleiding daartoe dan de wezenlijke hare ooren bereikt had, vond zij goed er niets[61]van te zeggen, te eerder, welligt, daar de heer Partridge algemeen de schuld kreeg, en omdat zijne vrouw, toen zij bij den heer Allworthy diende, op de eene of andere wijze mejufvrouw Wilkins, die niet zeer vergevensgezind was, beleedigd had.Maar jufvrouw Wilkins, die zeer goed op een afstand kon zien, en die ook even goed een paar jaren vooruit zag, had de groote waarschijnlijkheid ontdekt, dat de kapitein Blifil in lateren tijd haar heer zou worden, en daar zij duidelijk begreep, dat de kapitein den kleinen vondeling niet zeer genegen was, verbeeldde zij zich den heer Blifil eene gewenschte dienstte bewijzen, met eene ontdekking, welke strekken kon om de liefde, welke de heer Allworthy voor het kind scheen opgevat te hebben en die den kapitein blijkbaar hinderde, te doen verminderen;—daar, zelfs in het bijzijn van den heer Allworthy, de kapitein zijne ongerustheid hierover niet geheel verbergen kon, hoewel zijne vrouw, die hare rol, als er menschen bij waren veel beter volhield, hem herhaaldelijk vermaande om haar voorbeeld te volgen en de dwaasheid van haar broeder door de vingers te zien, welke zij, gelijk zij betuigde, ten minste even goed inzag en wraakte, als wie ook ter wereld.Toen dus jufvrouw Wilkins, bij toeval, de ware geschiedenis van den twist op het spoor kwam, hoewel lang nadat die afgeloopen was, rustte zij niet tot zij volkomen ingelicht was omtrent alle bijzonderheden,—waarop zij den kapitein berigtte, dat zij eindelijk den vader van den kleinen vondeling ontdekt had, om wiens wille het haar speet te zien, zeide zij, dat haar meester zooveel van zijn goeden naam opofferde.De kapitein berispte haar om dit laatste gezegde, als zijnde het eene zeer ongepaste aanmatiging van haar kant, om een oordeel te willen vellen over de handelingen van haar meester; want als zijn eergevoel en zijn verstand toegelaten hadden dat hij een bondgenootschap sloot met jufvrouw Wilkins, zou zijn hoogmoed dat nooit hebben willen toegeven. En, het is eene stellige waarheid, dat niets onstaatkundiger kan zijn, dan ooit een bondgenootschap te sluiten met de dienstboden van een vriend tegen hun heer; want juist hierdoor wordt men later de slaaf van deze dienaren, door wie men aanhoudend[62]gevaar loopt van verraden te worden. Het was welligt juist deze bedenking, welke belette dat de kapitein Blifil zich nader verklaarde aan jufvrouw Wilkins, of dat hij hare berisping van Allworthy’s gedrag aanmoedigde.Maar, ofschoon hij bij deze ontdekking geen blijk van voldoening gaf aan jufvrouw Wilkins, was hij, in zijn hart, er niet weinig blijde mede, en besloot er zooveel mogelijk nut van te trekken.Hij hield de zaak echter lang voor zich, in de hoop, dat de heer Allworthy ze van iemand anders vernemen zou; maar jufvrouw Wilkins, hetzij uit toorn over het gedrag van den kapitein, of dat zij het slagtoffer zijner meerdere sluwheid werd, en vreesde hem door de ontdekking te mishagen, liet zich geen woord meer omtrent de heele zaak ontvallen.Bij nader inzien, heb ik het wel eenigzins vreemd gevonden, dat de huishoudster mevrouw Blifil dit nieuws niet mededeelde, daar de vrouwen meer geneigd zijn allerlei nieuwtjes liever aan iemand van haar eigen, dan van ons geslacht te openbaren. De eenige wijze, dunkt me, om dit bezwaar op te lossen, is om alles toeteschrijven aan de verkoeling, die er nu heerschte tusschen de dame en de huishoudster;—die welligt voortsproot uit jaloerschheid bij mevrouw Blifil, omdat Wilkins den vondeling te veel eerbied bewees; want, terwijl zij haar best deed het kind te benadeelen, ten einde een wit voetje bij den kapitein te krijgen, roemde zij het dagelijks meer en meer bij Allworthy,—naarmate zijne ingenomenheid met den jongen vermeerderde. Niettegenstaande nu de zorg, welke zij droeg, om bij andere gelegenheden mevrouw Blifil van het tegendeel te overtuigen, beleedigde dit misschien die fijn gevoelige dame, die nu zeker jufvrouw Wilkins haatte; en hoewel zij bij geene mogelijkheid de gelegenheid kon bedenken om haar uit hare dienst te verwijderen, wist zij wel de middelen te vinden, om haar het leven zeer zuur te maken. Dit vertoornde eindelijk jufvrouw Wilkins in zulke mate, dat zij openlijk den meesten eerbied en liefde voor den kleinen Tom aan den dag legde,—alleen om zich tegen mevrouw Blifil te verzetten.Daar de kapitein dus begreep, dat de ontdekking gevaar[63]liep van in het vergeetboek te geraken, nam hij eindelijk de gelegenheid waar om ze zelf mede te deelen.Op zekeren dag was hij in een gesprek gewikkeld met den heer Allworthy over de liefdadigheid, en de kapitein bewees zeer geleerd aan den heer Allworthy, dat in de Heilige Schrift onder christelijke liefde nergens mildheid of weldadigheid verstaan wordt.„De christelijke godsdienst,” zeide hij, „was tot een edeler doel ingesteld, dan om ons eene les op te dringen, welke vele heidensche wijsgeeren ons reeds vroeger gegeven hadden, en die, hoewel men ze welligt eene zedelijke deugd kon noemen, weinig zweemde naar dien verheven christelijken gemoedsaard, dien verbazenden adel van denkwijze, die in hare zuiverheid de engelachtige volmaaktheid nabij kwam, en die alleen verkregen uitgedrukt, en gevoeld kon worden door middel der goddelijke genade.Diegenen,” zeide hij „begrepen beter hetgeen in de Heilige Schrift bedoeld wordt, die onder christelijke liefde de opregtheid begrepen; dat is, het vellen van een welwillend oordeel over onze broederen, en eene zachte beoordeeling hunner handelingen,—eene deugd, die veel verhevener en grootscher van aard was dan eene ellendige uitdeeling van aalmoezen, welke, hoezeer we ook onze eigene naastbestaanden daardoor benadeelden of zelfs te gronde rigtten, slechts zeer weinigen ten bate konden komen, terwijl de liefdadigheid in den anderen, waren zin, tot het geheele menschdom uitgestrekt kon worden.„Als men in aanmerking neemt,” voegde hij er bij, „wie de apostelen waren, dan zou het ongerijmd zijn te denken, dat hun de leer der mildheid, in den zin van aalmoezen geven, gepredikt werd. En daar wij ons niet goed voorstellen kunnen, dat deze leer door den goddelijken Verlosser aan menschen gepredikt zoude zijn, die ze niet beoefenen konden,—zoo ook moeten wij ons niet verbeelden, dat diegenen, die ze beoefenen kunnen en dit niet doen, ze verstaan.„Hoewel er nu,” vervolgde hij, „naar ik vrees, weinig goeds is in het betoonen van zulke weldaden,—zouden ze toch, dat beken ik, vergezeld zijn van eenig genot voor elk goed hart, zoo dat niet verminderd werd door ééne bedenking. Ik bedoel, dat wij onderhevig zijn aan het gevaar om ons bedrogen[64]te zien, en onze grootste gunsten dikwijls te bewijzen aan menschen, die ze niet verdienen,—zooals gij bekennen moet dat met u het geval was met dien nietswaardigen vent, dien Partridge;—want een stuk of wat voorbeelden van dien aard moeten de inwendige voldoening zeer verminderen, welke een braaf mensch anders door zijne weldadigheid zou ondervinden;—ja, hem zelfs schroomvallig maken in het geven, uit vrees van zich schuldig te maken aan het bevorderen der ondeugd en het aanmoedigen der boosheid,—eene zeer zware misdaad, voor welke het volstrekt geene verontschuldiging zou zijn te beweeren, dat men iets van dien aard volstrekt niet beoogde,—tenzij men uiterst voorzigtig zij geweest in de keuze der voorwerpen zijner mildheid. En ik twijfel niet, of deze bedenking heeft de mildheid van menigen waardigen en vromen man zeer getemperd.”De heer Allworthy gaf tot antwoord: „Dat hij op het punt van het Grieksch niet met den kapitein op dezelfde hoogte was, en daarom niets zeggen kon van de wezenlijke beteekenis van het woord, dat door liefde vertaald wordt, maar dat hij zich toch altijd verbeeld had, dat het begrip van handelen er noodzakelijk aan verbonden, en dus het geven van aalmoezen ten minste eene eigenschap van die deugd was.„Wat de verdienstelijkheid daarvan betrof,” zeide hij, „daaromtrent was hij het met den kapitein eens; want er was niets verdienstelijks in, dat men slechts zijn pligt deed, die, welken zin men ook verkoos te geven aan het woord christelijke liefde, toch duidelijk genoeg aangewezen werd door de geheele strekking van het Nieuwe Testament. En, even als hij het beschouwde als een pligt, die niet verwaarloosd mogt worden,—die aanbevolen werd door de christelijke leer en de wetten der natuur zelve, zoo was die ook tevens zoo aangenaam, dat als men zeggen kon, dat de vervulling van eenigen pligt ter wereld hare eigene belooning medebragt, en zich zelve voldoening schonk, het dan juist de beoefening van dezen pligt was.”„Om de waarheid te zeggen,” vervolgde hij, „er is één graad van mildheid,—of liefdadigheid, zou ik ze genoemd hebben,—die eenigen schijn van verdienste heeft, en dat[65]is, wanneer men uit grondbeginselen van welwillendheid en christelijke liefde iemand anders iets geeft, dat men zelf wezenlijk noodig heeft,—als wij, ten einde de rampen van anderen te lenigen, ons verwaardigen een gedeelte er van op onze eigene schouders te nemen, door hun dat te schenken, wat onze behoeften voor ons onmisbaar maken. Dit is, dunkt me, verdienstelijk; maar om onze broederen slechts met onzen overvloed te helpen; om liefdadig te zijn, ik moet dat woord gebruiken,—alleen ten koste van onze beurs, en niet van ons zelve,—om liever vele huisgezinnen uit de ellende te redden dan een zeldzaam schilderstuk in onze kamer op te hangen, of eenige andere, nietige, bespottelijke ijdelheid te voldoen, schijnt niets meer dan menschelijk te zijn. Ja, ik waag het zelfs verder te gaan, en te verklaren, dat het eenigermate op de handelwijze van een lekkerbek gelijkt; want, wat zou de grootste lekkerbek liever doen, dan met vele in plaats van met slechts één mond te eten, hetwelk, dunkt me, ongeveer het geval is met iemand, die weet dat velen door zijne mildheid gevoed worden?”„Wat de vrees betreft van zijne goedheid te verspillen aan diegenen, die ze welligt onwaardig zullen wezen, omdat reeds velen vroeger onwaardig geweest zijn; dit mag zeker een goed mensch niet afschrikken van mild te zijn. Ik geloof niet, dat eenige, of vele voorbeelden van ondankbaarheid het regtvaardigen kunnen, dat iemand zijn hart sluit tegen de rampen zijner medemenschen; ik geloof ook niet, dat zoo iets gebeuren kan, als men wezenlijk welwillend is. Niets dan de overtuiging van de algemeene bedorvenheid, kan een goed mensch geheel van het betoonen van liefdadigheid afschrikken, en eene dergelijke overtuiging moet hem of tot atheïsme of tot geestdrijverij leiden. Het is ook zeker onredelijk om tot de algemeene bedorvenheid te besluiten, omdat er enkele bedorvene menschen zijn, en ik verbeeld me ook niet, dat die ooit aangenomen wordt door iemand, die na rijp onderzoek in zijn eigen hart, ééne uitzondering op den algemeenen regel vond.”Hij eindigde met de vraag: „Wien hij toch bedoelde met dien Partridge, dien hij een schelm genoemd had?”„Ik bedoel,” zei de kapitein, „Partridge, den barbier,[66]den schoolmeester, of hoe ge hem heet? Partridge, den vader van het kindje, dat ge in uw bed vondt.”De heer Allworthy liet groote verwondering blijken bij deze woorden, en de kapitein scheen niet minder verbaasd over zijne onwetendheid; want hij zeide het meer dan eene maand lang geweten te hebben, en herinnerde zich eindelijk, met veel moeite, dat hij het van jufvrouw Wilkins gehoord had.Hierop werd Wilkins dadelijk geroepen, die hetgeen de kapitein gezegd had, bevestigd hebbende, door den heer Allworthy, op raad van den kapitein, naar Klein-Baddington gezonden werd, om de zaak te onderzoeken; want de kapitein toonde een grooten afkeer van overhaasting in alle criminele zaken en verklaarde dat hij niet hebben wilde dat de heer Allworthy eenig besluit nam tot nadeel van het kind of zijn vader, eer hij de overtuiging gekregen had, dat deze laatste schuldig was: want hoewel hij zelf overtuigd was door hetgeen hij vernomen had van een van Partridge’s buren, was hij veel te edelmoedig om zoo iets tot bewijs bij den heer Allworthy te doen strekken.

Hoofdstuk V.Bevattende veel om verstand en oordeel van den lezer te scherpen.

Het komt mij voor eene zeer juiste opmerking te zijn, dat slechts weinige geheimen het eigendom van één persoon blijven; zeker is het, dat men het haast als een wonder zou kunnen beschouwen, als een feit van dezen aard aan eene geheele gemeente kon bekend zijn, zonder verder verspreid te worden.En, inderdaad, slechts weinige dagen verliepen er eer iedereen in de omstreken, gelijk men platweg zegt, „vol was” van den schoolmeester van Klein-Baddington, die, zoo als men verzekerde, zijne vrouw op zulk eene wreede wijze mishandeld had. Ja, er werd zelfs op sommige plaatsen verzekerd, dat hij haar vermoord had;—elders, dat hij haar de armen,—en op andere plaatsen weder, dat hij haar de beenen gebroken had;—met één woord, er bestaat naauwelijks ééne verminking, welke een menschelijk wezen ondergaan kan, of het werd hier of daar verteld, dat jufvrouw Partridge die van haar man ondergaan had.Er bestond ook nog verschil in de opgaven omtrent de oorzaak van dezen twist: want terwijl sommigen verzekerden, dat jufvrouw Partridge haar echtgenoot in bed met de meid gevonden had, werden ook velerlei redenen van geheel anderen aard door anderen opgegeven. Ja, sommigen gingen zoo ver, dat zij de vrouw in plaats van den man beschuldigden, en de ijverzucht aan hem toeschreven.Jufvrouw Wilkins had lang geleden dezen twist vernomen; daar echter eene geheel andere aanleiding daartoe dan de wezenlijke hare ooren bereikt had, vond zij goed er niets[61]van te zeggen, te eerder, welligt, daar de heer Partridge algemeen de schuld kreeg, en omdat zijne vrouw, toen zij bij den heer Allworthy diende, op de eene of andere wijze mejufvrouw Wilkins, die niet zeer vergevensgezind was, beleedigd had.Maar jufvrouw Wilkins, die zeer goed op een afstand kon zien, en die ook even goed een paar jaren vooruit zag, had de groote waarschijnlijkheid ontdekt, dat de kapitein Blifil in lateren tijd haar heer zou worden, en daar zij duidelijk begreep, dat de kapitein den kleinen vondeling niet zeer genegen was, verbeeldde zij zich den heer Blifil eene gewenschte dienstte bewijzen, met eene ontdekking, welke strekken kon om de liefde, welke de heer Allworthy voor het kind scheen opgevat te hebben en die den kapitein blijkbaar hinderde, te doen verminderen;—daar, zelfs in het bijzijn van den heer Allworthy, de kapitein zijne ongerustheid hierover niet geheel verbergen kon, hoewel zijne vrouw, die hare rol, als er menschen bij waren veel beter volhield, hem herhaaldelijk vermaande om haar voorbeeld te volgen en de dwaasheid van haar broeder door de vingers te zien, welke zij, gelijk zij betuigde, ten minste even goed inzag en wraakte, als wie ook ter wereld.Toen dus jufvrouw Wilkins, bij toeval, de ware geschiedenis van den twist op het spoor kwam, hoewel lang nadat die afgeloopen was, rustte zij niet tot zij volkomen ingelicht was omtrent alle bijzonderheden,—waarop zij den kapitein berigtte, dat zij eindelijk den vader van den kleinen vondeling ontdekt had, om wiens wille het haar speet te zien, zeide zij, dat haar meester zooveel van zijn goeden naam opofferde.De kapitein berispte haar om dit laatste gezegde, als zijnde het eene zeer ongepaste aanmatiging van haar kant, om een oordeel te willen vellen over de handelingen van haar meester; want als zijn eergevoel en zijn verstand toegelaten hadden dat hij een bondgenootschap sloot met jufvrouw Wilkins, zou zijn hoogmoed dat nooit hebben willen toegeven. En, het is eene stellige waarheid, dat niets onstaatkundiger kan zijn, dan ooit een bondgenootschap te sluiten met de dienstboden van een vriend tegen hun heer; want juist hierdoor wordt men later de slaaf van deze dienaren, door wie men aanhoudend[62]gevaar loopt van verraden te worden. Het was welligt juist deze bedenking, welke belette dat de kapitein Blifil zich nader verklaarde aan jufvrouw Wilkins, of dat hij hare berisping van Allworthy’s gedrag aanmoedigde.Maar, ofschoon hij bij deze ontdekking geen blijk van voldoening gaf aan jufvrouw Wilkins, was hij, in zijn hart, er niet weinig blijde mede, en besloot er zooveel mogelijk nut van te trekken.Hij hield de zaak echter lang voor zich, in de hoop, dat de heer Allworthy ze van iemand anders vernemen zou; maar jufvrouw Wilkins, hetzij uit toorn over het gedrag van den kapitein, of dat zij het slagtoffer zijner meerdere sluwheid werd, en vreesde hem door de ontdekking te mishagen, liet zich geen woord meer omtrent de heele zaak ontvallen.Bij nader inzien, heb ik het wel eenigzins vreemd gevonden, dat de huishoudster mevrouw Blifil dit nieuws niet mededeelde, daar de vrouwen meer geneigd zijn allerlei nieuwtjes liever aan iemand van haar eigen, dan van ons geslacht te openbaren. De eenige wijze, dunkt me, om dit bezwaar op te lossen, is om alles toeteschrijven aan de verkoeling, die er nu heerschte tusschen de dame en de huishoudster;—die welligt voortsproot uit jaloerschheid bij mevrouw Blifil, omdat Wilkins den vondeling te veel eerbied bewees; want, terwijl zij haar best deed het kind te benadeelen, ten einde een wit voetje bij den kapitein te krijgen, roemde zij het dagelijks meer en meer bij Allworthy,—naarmate zijne ingenomenheid met den jongen vermeerderde. Niettegenstaande nu de zorg, welke zij droeg, om bij andere gelegenheden mevrouw Blifil van het tegendeel te overtuigen, beleedigde dit misschien die fijn gevoelige dame, die nu zeker jufvrouw Wilkins haatte; en hoewel zij bij geene mogelijkheid de gelegenheid kon bedenken om haar uit hare dienst te verwijderen, wist zij wel de middelen te vinden, om haar het leven zeer zuur te maken. Dit vertoornde eindelijk jufvrouw Wilkins in zulke mate, dat zij openlijk den meesten eerbied en liefde voor den kleinen Tom aan den dag legde,—alleen om zich tegen mevrouw Blifil te verzetten.Daar de kapitein dus begreep, dat de ontdekking gevaar[63]liep van in het vergeetboek te geraken, nam hij eindelijk de gelegenheid waar om ze zelf mede te deelen.Op zekeren dag was hij in een gesprek gewikkeld met den heer Allworthy over de liefdadigheid, en de kapitein bewees zeer geleerd aan den heer Allworthy, dat in de Heilige Schrift onder christelijke liefde nergens mildheid of weldadigheid verstaan wordt.„De christelijke godsdienst,” zeide hij, „was tot een edeler doel ingesteld, dan om ons eene les op te dringen, welke vele heidensche wijsgeeren ons reeds vroeger gegeven hadden, en die, hoewel men ze welligt eene zedelijke deugd kon noemen, weinig zweemde naar dien verheven christelijken gemoedsaard, dien verbazenden adel van denkwijze, die in hare zuiverheid de engelachtige volmaaktheid nabij kwam, en die alleen verkregen uitgedrukt, en gevoeld kon worden door middel der goddelijke genade.Diegenen,” zeide hij „begrepen beter hetgeen in de Heilige Schrift bedoeld wordt, die onder christelijke liefde de opregtheid begrepen; dat is, het vellen van een welwillend oordeel over onze broederen, en eene zachte beoordeeling hunner handelingen,—eene deugd, die veel verhevener en grootscher van aard was dan eene ellendige uitdeeling van aalmoezen, welke, hoezeer we ook onze eigene naastbestaanden daardoor benadeelden of zelfs te gronde rigtten, slechts zeer weinigen ten bate konden komen, terwijl de liefdadigheid in den anderen, waren zin, tot het geheele menschdom uitgestrekt kon worden.„Als men in aanmerking neemt,” voegde hij er bij, „wie de apostelen waren, dan zou het ongerijmd zijn te denken, dat hun de leer der mildheid, in den zin van aalmoezen geven, gepredikt werd. En daar wij ons niet goed voorstellen kunnen, dat deze leer door den goddelijken Verlosser aan menschen gepredikt zoude zijn, die ze niet beoefenen konden,—zoo ook moeten wij ons niet verbeelden, dat diegenen, die ze beoefenen kunnen en dit niet doen, ze verstaan.„Hoewel er nu,” vervolgde hij, „naar ik vrees, weinig goeds is in het betoonen van zulke weldaden,—zouden ze toch, dat beken ik, vergezeld zijn van eenig genot voor elk goed hart, zoo dat niet verminderd werd door ééne bedenking. Ik bedoel, dat wij onderhevig zijn aan het gevaar om ons bedrogen[64]te zien, en onze grootste gunsten dikwijls te bewijzen aan menschen, die ze niet verdienen,—zooals gij bekennen moet dat met u het geval was met dien nietswaardigen vent, dien Partridge;—want een stuk of wat voorbeelden van dien aard moeten de inwendige voldoening zeer verminderen, welke een braaf mensch anders door zijne weldadigheid zou ondervinden;—ja, hem zelfs schroomvallig maken in het geven, uit vrees van zich schuldig te maken aan het bevorderen der ondeugd en het aanmoedigen der boosheid,—eene zeer zware misdaad, voor welke het volstrekt geene verontschuldiging zou zijn te beweeren, dat men iets van dien aard volstrekt niet beoogde,—tenzij men uiterst voorzigtig zij geweest in de keuze der voorwerpen zijner mildheid. En ik twijfel niet, of deze bedenking heeft de mildheid van menigen waardigen en vromen man zeer getemperd.”De heer Allworthy gaf tot antwoord: „Dat hij op het punt van het Grieksch niet met den kapitein op dezelfde hoogte was, en daarom niets zeggen kon van de wezenlijke beteekenis van het woord, dat door liefde vertaald wordt, maar dat hij zich toch altijd verbeeld had, dat het begrip van handelen er noodzakelijk aan verbonden, en dus het geven van aalmoezen ten minste eene eigenschap van die deugd was.„Wat de verdienstelijkheid daarvan betrof,” zeide hij, „daaromtrent was hij het met den kapitein eens; want er was niets verdienstelijks in, dat men slechts zijn pligt deed, die, welken zin men ook verkoos te geven aan het woord christelijke liefde, toch duidelijk genoeg aangewezen werd door de geheele strekking van het Nieuwe Testament. En, even als hij het beschouwde als een pligt, die niet verwaarloosd mogt worden,—die aanbevolen werd door de christelijke leer en de wetten der natuur zelve, zoo was die ook tevens zoo aangenaam, dat als men zeggen kon, dat de vervulling van eenigen pligt ter wereld hare eigene belooning medebragt, en zich zelve voldoening schonk, het dan juist de beoefening van dezen pligt was.”„Om de waarheid te zeggen,” vervolgde hij, „er is één graad van mildheid,—of liefdadigheid, zou ik ze genoemd hebben,—die eenigen schijn van verdienste heeft, en dat[65]is, wanneer men uit grondbeginselen van welwillendheid en christelijke liefde iemand anders iets geeft, dat men zelf wezenlijk noodig heeft,—als wij, ten einde de rampen van anderen te lenigen, ons verwaardigen een gedeelte er van op onze eigene schouders te nemen, door hun dat te schenken, wat onze behoeften voor ons onmisbaar maken. Dit is, dunkt me, verdienstelijk; maar om onze broederen slechts met onzen overvloed te helpen; om liefdadig te zijn, ik moet dat woord gebruiken,—alleen ten koste van onze beurs, en niet van ons zelve,—om liever vele huisgezinnen uit de ellende te redden dan een zeldzaam schilderstuk in onze kamer op te hangen, of eenige andere, nietige, bespottelijke ijdelheid te voldoen, schijnt niets meer dan menschelijk te zijn. Ja, ik waag het zelfs verder te gaan, en te verklaren, dat het eenigermate op de handelwijze van een lekkerbek gelijkt; want, wat zou de grootste lekkerbek liever doen, dan met vele in plaats van met slechts één mond te eten, hetwelk, dunkt me, ongeveer het geval is met iemand, die weet dat velen door zijne mildheid gevoed worden?”„Wat de vrees betreft van zijne goedheid te verspillen aan diegenen, die ze welligt onwaardig zullen wezen, omdat reeds velen vroeger onwaardig geweest zijn; dit mag zeker een goed mensch niet afschrikken van mild te zijn. Ik geloof niet, dat eenige, of vele voorbeelden van ondankbaarheid het regtvaardigen kunnen, dat iemand zijn hart sluit tegen de rampen zijner medemenschen; ik geloof ook niet, dat zoo iets gebeuren kan, als men wezenlijk welwillend is. Niets dan de overtuiging van de algemeene bedorvenheid, kan een goed mensch geheel van het betoonen van liefdadigheid afschrikken, en eene dergelijke overtuiging moet hem of tot atheïsme of tot geestdrijverij leiden. Het is ook zeker onredelijk om tot de algemeene bedorvenheid te besluiten, omdat er enkele bedorvene menschen zijn, en ik verbeeld me ook niet, dat die ooit aangenomen wordt door iemand, die na rijp onderzoek in zijn eigen hart, ééne uitzondering op den algemeenen regel vond.”Hij eindigde met de vraag: „Wien hij toch bedoelde met dien Partridge, dien hij een schelm genoemd had?”„Ik bedoel,” zei de kapitein, „Partridge, den barbier,[66]den schoolmeester, of hoe ge hem heet? Partridge, den vader van het kindje, dat ge in uw bed vondt.”De heer Allworthy liet groote verwondering blijken bij deze woorden, en de kapitein scheen niet minder verbaasd over zijne onwetendheid; want hij zeide het meer dan eene maand lang geweten te hebben, en herinnerde zich eindelijk, met veel moeite, dat hij het van jufvrouw Wilkins gehoord had.Hierop werd Wilkins dadelijk geroepen, die hetgeen de kapitein gezegd had, bevestigd hebbende, door den heer Allworthy, op raad van den kapitein, naar Klein-Baddington gezonden werd, om de zaak te onderzoeken; want de kapitein toonde een grooten afkeer van overhaasting in alle criminele zaken en verklaarde dat hij niet hebben wilde dat de heer Allworthy eenig besluit nam tot nadeel van het kind of zijn vader, eer hij de overtuiging gekregen had, dat deze laatste schuldig was: want hoewel hij zelf overtuigd was door hetgeen hij vernomen had van een van Partridge’s buren, was hij veel te edelmoedig om zoo iets tot bewijs bij den heer Allworthy te doen strekken.

Het komt mij voor eene zeer juiste opmerking te zijn, dat slechts weinige geheimen het eigendom van één persoon blijven; zeker is het, dat men het haast als een wonder zou kunnen beschouwen, als een feit van dezen aard aan eene geheele gemeente kon bekend zijn, zonder verder verspreid te worden.

En, inderdaad, slechts weinige dagen verliepen er eer iedereen in de omstreken, gelijk men platweg zegt, „vol was” van den schoolmeester van Klein-Baddington, die, zoo als men verzekerde, zijne vrouw op zulk eene wreede wijze mishandeld had. Ja, er werd zelfs op sommige plaatsen verzekerd, dat hij haar vermoord had;—elders, dat hij haar de armen,—en op andere plaatsen weder, dat hij haar de beenen gebroken had;—met één woord, er bestaat naauwelijks ééne verminking, welke een menschelijk wezen ondergaan kan, of het werd hier of daar verteld, dat jufvrouw Partridge die van haar man ondergaan had.

Er bestond ook nog verschil in de opgaven omtrent de oorzaak van dezen twist: want terwijl sommigen verzekerden, dat jufvrouw Partridge haar echtgenoot in bed met de meid gevonden had, werden ook velerlei redenen van geheel anderen aard door anderen opgegeven. Ja, sommigen gingen zoo ver, dat zij de vrouw in plaats van den man beschuldigden, en de ijverzucht aan hem toeschreven.

Jufvrouw Wilkins had lang geleden dezen twist vernomen; daar echter eene geheel andere aanleiding daartoe dan de wezenlijke hare ooren bereikt had, vond zij goed er niets[61]van te zeggen, te eerder, welligt, daar de heer Partridge algemeen de schuld kreeg, en omdat zijne vrouw, toen zij bij den heer Allworthy diende, op de eene of andere wijze mejufvrouw Wilkins, die niet zeer vergevensgezind was, beleedigd had.

Maar jufvrouw Wilkins, die zeer goed op een afstand kon zien, en die ook even goed een paar jaren vooruit zag, had de groote waarschijnlijkheid ontdekt, dat de kapitein Blifil in lateren tijd haar heer zou worden, en daar zij duidelijk begreep, dat de kapitein den kleinen vondeling niet zeer genegen was, verbeeldde zij zich den heer Blifil eene gewenschte dienstte bewijzen, met eene ontdekking, welke strekken kon om de liefde, welke de heer Allworthy voor het kind scheen opgevat te hebben en die den kapitein blijkbaar hinderde, te doen verminderen;—daar, zelfs in het bijzijn van den heer Allworthy, de kapitein zijne ongerustheid hierover niet geheel verbergen kon, hoewel zijne vrouw, die hare rol, als er menschen bij waren veel beter volhield, hem herhaaldelijk vermaande om haar voorbeeld te volgen en de dwaasheid van haar broeder door de vingers te zien, welke zij, gelijk zij betuigde, ten minste even goed inzag en wraakte, als wie ook ter wereld.

Toen dus jufvrouw Wilkins, bij toeval, de ware geschiedenis van den twist op het spoor kwam, hoewel lang nadat die afgeloopen was, rustte zij niet tot zij volkomen ingelicht was omtrent alle bijzonderheden,—waarop zij den kapitein berigtte, dat zij eindelijk den vader van den kleinen vondeling ontdekt had, om wiens wille het haar speet te zien, zeide zij, dat haar meester zooveel van zijn goeden naam opofferde.

De kapitein berispte haar om dit laatste gezegde, als zijnde het eene zeer ongepaste aanmatiging van haar kant, om een oordeel te willen vellen over de handelingen van haar meester; want als zijn eergevoel en zijn verstand toegelaten hadden dat hij een bondgenootschap sloot met jufvrouw Wilkins, zou zijn hoogmoed dat nooit hebben willen toegeven. En, het is eene stellige waarheid, dat niets onstaatkundiger kan zijn, dan ooit een bondgenootschap te sluiten met de dienstboden van een vriend tegen hun heer; want juist hierdoor wordt men later de slaaf van deze dienaren, door wie men aanhoudend[62]gevaar loopt van verraden te worden. Het was welligt juist deze bedenking, welke belette dat de kapitein Blifil zich nader verklaarde aan jufvrouw Wilkins, of dat hij hare berisping van Allworthy’s gedrag aanmoedigde.

Maar, ofschoon hij bij deze ontdekking geen blijk van voldoening gaf aan jufvrouw Wilkins, was hij, in zijn hart, er niet weinig blijde mede, en besloot er zooveel mogelijk nut van te trekken.

Hij hield de zaak echter lang voor zich, in de hoop, dat de heer Allworthy ze van iemand anders vernemen zou; maar jufvrouw Wilkins, hetzij uit toorn over het gedrag van den kapitein, of dat zij het slagtoffer zijner meerdere sluwheid werd, en vreesde hem door de ontdekking te mishagen, liet zich geen woord meer omtrent de heele zaak ontvallen.

Bij nader inzien, heb ik het wel eenigzins vreemd gevonden, dat de huishoudster mevrouw Blifil dit nieuws niet mededeelde, daar de vrouwen meer geneigd zijn allerlei nieuwtjes liever aan iemand van haar eigen, dan van ons geslacht te openbaren. De eenige wijze, dunkt me, om dit bezwaar op te lossen, is om alles toeteschrijven aan de verkoeling, die er nu heerschte tusschen de dame en de huishoudster;—die welligt voortsproot uit jaloerschheid bij mevrouw Blifil, omdat Wilkins den vondeling te veel eerbied bewees; want, terwijl zij haar best deed het kind te benadeelen, ten einde een wit voetje bij den kapitein te krijgen, roemde zij het dagelijks meer en meer bij Allworthy,—naarmate zijne ingenomenheid met den jongen vermeerderde. Niettegenstaande nu de zorg, welke zij droeg, om bij andere gelegenheden mevrouw Blifil van het tegendeel te overtuigen, beleedigde dit misschien die fijn gevoelige dame, die nu zeker jufvrouw Wilkins haatte; en hoewel zij bij geene mogelijkheid de gelegenheid kon bedenken om haar uit hare dienst te verwijderen, wist zij wel de middelen te vinden, om haar het leven zeer zuur te maken. Dit vertoornde eindelijk jufvrouw Wilkins in zulke mate, dat zij openlijk den meesten eerbied en liefde voor den kleinen Tom aan den dag legde,—alleen om zich tegen mevrouw Blifil te verzetten.

Daar de kapitein dus begreep, dat de ontdekking gevaar[63]liep van in het vergeetboek te geraken, nam hij eindelijk de gelegenheid waar om ze zelf mede te deelen.

Op zekeren dag was hij in een gesprek gewikkeld met den heer Allworthy over de liefdadigheid, en de kapitein bewees zeer geleerd aan den heer Allworthy, dat in de Heilige Schrift onder christelijke liefde nergens mildheid of weldadigheid verstaan wordt.

„De christelijke godsdienst,” zeide hij, „was tot een edeler doel ingesteld, dan om ons eene les op te dringen, welke vele heidensche wijsgeeren ons reeds vroeger gegeven hadden, en die, hoewel men ze welligt eene zedelijke deugd kon noemen, weinig zweemde naar dien verheven christelijken gemoedsaard, dien verbazenden adel van denkwijze, die in hare zuiverheid de engelachtige volmaaktheid nabij kwam, en die alleen verkregen uitgedrukt, en gevoeld kon worden door middel der goddelijke genade.Diegenen,” zeide hij „begrepen beter hetgeen in de Heilige Schrift bedoeld wordt, die onder christelijke liefde de opregtheid begrepen; dat is, het vellen van een welwillend oordeel over onze broederen, en eene zachte beoordeeling hunner handelingen,—eene deugd, die veel verhevener en grootscher van aard was dan eene ellendige uitdeeling van aalmoezen, welke, hoezeer we ook onze eigene naastbestaanden daardoor benadeelden of zelfs te gronde rigtten, slechts zeer weinigen ten bate konden komen, terwijl de liefdadigheid in den anderen, waren zin, tot het geheele menschdom uitgestrekt kon worden.

„Als men in aanmerking neemt,” voegde hij er bij, „wie de apostelen waren, dan zou het ongerijmd zijn te denken, dat hun de leer der mildheid, in den zin van aalmoezen geven, gepredikt werd. En daar wij ons niet goed voorstellen kunnen, dat deze leer door den goddelijken Verlosser aan menschen gepredikt zoude zijn, die ze niet beoefenen konden,—zoo ook moeten wij ons niet verbeelden, dat diegenen, die ze beoefenen kunnen en dit niet doen, ze verstaan.

„Hoewel er nu,” vervolgde hij, „naar ik vrees, weinig goeds is in het betoonen van zulke weldaden,—zouden ze toch, dat beken ik, vergezeld zijn van eenig genot voor elk goed hart, zoo dat niet verminderd werd door ééne bedenking. Ik bedoel, dat wij onderhevig zijn aan het gevaar om ons bedrogen[64]te zien, en onze grootste gunsten dikwijls te bewijzen aan menschen, die ze niet verdienen,—zooals gij bekennen moet dat met u het geval was met dien nietswaardigen vent, dien Partridge;—want een stuk of wat voorbeelden van dien aard moeten de inwendige voldoening zeer verminderen, welke een braaf mensch anders door zijne weldadigheid zou ondervinden;—ja, hem zelfs schroomvallig maken in het geven, uit vrees van zich schuldig te maken aan het bevorderen der ondeugd en het aanmoedigen der boosheid,—eene zeer zware misdaad, voor welke het volstrekt geene verontschuldiging zou zijn te beweeren, dat men iets van dien aard volstrekt niet beoogde,—tenzij men uiterst voorzigtig zij geweest in de keuze der voorwerpen zijner mildheid. En ik twijfel niet, of deze bedenking heeft de mildheid van menigen waardigen en vromen man zeer getemperd.”

De heer Allworthy gaf tot antwoord: „Dat hij op het punt van het Grieksch niet met den kapitein op dezelfde hoogte was, en daarom niets zeggen kon van de wezenlijke beteekenis van het woord, dat door liefde vertaald wordt, maar dat hij zich toch altijd verbeeld had, dat het begrip van handelen er noodzakelijk aan verbonden, en dus het geven van aalmoezen ten minste eene eigenschap van die deugd was.

„Wat de verdienstelijkheid daarvan betrof,” zeide hij, „daaromtrent was hij het met den kapitein eens; want er was niets verdienstelijks in, dat men slechts zijn pligt deed, die, welken zin men ook verkoos te geven aan het woord christelijke liefde, toch duidelijk genoeg aangewezen werd door de geheele strekking van het Nieuwe Testament. En, even als hij het beschouwde als een pligt, die niet verwaarloosd mogt worden,—die aanbevolen werd door de christelijke leer en de wetten der natuur zelve, zoo was die ook tevens zoo aangenaam, dat als men zeggen kon, dat de vervulling van eenigen pligt ter wereld hare eigene belooning medebragt, en zich zelve voldoening schonk, het dan juist de beoefening van dezen pligt was.”

„Om de waarheid te zeggen,” vervolgde hij, „er is één graad van mildheid,—of liefdadigheid, zou ik ze genoemd hebben,—die eenigen schijn van verdienste heeft, en dat[65]is, wanneer men uit grondbeginselen van welwillendheid en christelijke liefde iemand anders iets geeft, dat men zelf wezenlijk noodig heeft,—als wij, ten einde de rampen van anderen te lenigen, ons verwaardigen een gedeelte er van op onze eigene schouders te nemen, door hun dat te schenken, wat onze behoeften voor ons onmisbaar maken. Dit is, dunkt me, verdienstelijk; maar om onze broederen slechts met onzen overvloed te helpen; om liefdadig te zijn, ik moet dat woord gebruiken,—alleen ten koste van onze beurs, en niet van ons zelve,—om liever vele huisgezinnen uit de ellende te redden dan een zeldzaam schilderstuk in onze kamer op te hangen, of eenige andere, nietige, bespottelijke ijdelheid te voldoen, schijnt niets meer dan menschelijk te zijn. Ja, ik waag het zelfs verder te gaan, en te verklaren, dat het eenigermate op de handelwijze van een lekkerbek gelijkt; want, wat zou de grootste lekkerbek liever doen, dan met vele in plaats van met slechts één mond te eten, hetwelk, dunkt me, ongeveer het geval is met iemand, die weet dat velen door zijne mildheid gevoed worden?”

„Wat de vrees betreft van zijne goedheid te verspillen aan diegenen, die ze welligt onwaardig zullen wezen, omdat reeds velen vroeger onwaardig geweest zijn; dit mag zeker een goed mensch niet afschrikken van mild te zijn. Ik geloof niet, dat eenige, of vele voorbeelden van ondankbaarheid het regtvaardigen kunnen, dat iemand zijn hart sluit tegen de rampen zijner medemenschen; ik geloof ook niet, dat zoo iets gebeuren kan, als men wezenlijk welwillend is. Niets dan de overtuiging van de algemeene bedorvenheid, kan een goed mensch geheel van het betoonen van liefdadigheid afschrikken, en eene dergelijke overtuiging moet hem of tot atheïsme of tot geestdrijverij leiden. Het is ook zeker onredelijk om tot de algemeene bedorvenheid te besluiten, omdat er enkele bedorvene menschen zijn, en ik verbeeld me ook niet, dat die ooit aangenomen wordt door iemand, die na rijp onderzoek in zijn eigen hart, ééne uitzondering op den algemeenen regel vond.”

Hij eindigde met de vraag: „Wien hij toch bedoelde met dien Partridge, dien hij een schelm genoemd had?”

„Ik bedoel,” zei de kapitein, „Partridge, den barbier,[66]den schoolmeester, of hoe ge hem heet? Partridge, den vader van het kindje, dat ge in uw bed vondt.”

De heer Allworthy liet groote verwondering blijken bij deze woorden, en de kapitein scheen niet minder verbaasd over zijne onwetendheid; want hij zeide het meer dan eene maand lang geweten te hebben, en herinnerde zich eindelijk, met veel moeite, dat hij het van jufvrouw Wilkins gehoord had.

Hierop werd Wilkins dadelijk geroepen, die hetgeen de kapitein gezegd had, bevestigd hebbende, door den heer Allworthy, op raad van den kapitein, naar Klein-Baddington gezonden werd, om de zaak te onderzoeken; want de kapitein toonde een grooten afkeer van overhaasting in alle criminele zaken en verklaarde dat hij niet hebben wilde dat de heer Allworthy eenig besluit nam tot nadeel van het kind of zijn vader, eer hij de overtuiging gekregen had, dat deze laatste schuldig was: want hoewel hij zelf overtuigd was door hetgeen hij vernomen had van een van Partridge’s buren, was hij veel te edelmoedig om zoo iets tot bewijs bij den heer Allworthy te doen strekken.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.De teregtstelling van Partridge, den schoolmeester, wegens oneerbaarheid; de getuigenis door zijne vrouw afgelegd; eene korte herinnering aan de wijsheid onzer wetten, met andere ernstige zaken, die hun het best bevallen zullen, welke ze het best verstaan.Men zal zich welligt verwonderen, dat een zoo welbekend verhaal, hetwelk zoo veel stof tot gesprek opgeleverd had, nooit was medegedeeld aan den heer Allworthy zelven, de eenige mensch welligt in den omtrek, die er nooit van gehoord had.Om dit eenigzins aan den lezer te verklaren, acht ik het noodig ter zijner kennis te brengen, dat er niemand in het geheele rijk was, die er minder belang bij had om de stelling aangaande de beteekenis van het woord „christelijke liefde”[67]te bestrijden, dan die goede man. Inderdaad kon hij in alle opzigten aanspraak op deze deugd maken; want even als er niemand was die gevoeliger kon zijn voor den nood van anderen, of meer gereed om in hunne behoeften te voorzien, zoo kon er ook niemand zijn, die kiescher was omtrent hun goeden naam en onwilliger om iets tot hun nadeel aan te hooren.De laster vond dus nooit ingang bij hem; want, even als lang geleden opgemerkt werd, dat men iemand naar zijn omgang beoordeelen kan, zoo waag ik ook te zeggen, dat men door te luisteren naar de gesprekken aan tafel van een groot man, inzigt kan krijgen in zijne godsdienst, zijne staatkunde, zijn smaak en, in één woord, in zijn geheel karakter; want, hoewel er eenige wonderlijke menschen zijn, die overal hunne eigene meeningen voor den dag brengen, zijn op verre na de meeste menschen hovelingen genoeg om hun gesprek in te rigten naar den zin en de neigingen van hunne meerderen.Maar om terug te komen op jufvrouw Wilkins: deze, haar boodschap met veel spoed verrigt hebbende, hoewel op een afstand van vijftien Engelsche mijlen, bragt zulk eene zekere bevestiging mede van de schuld van den schoolmeester, dat de heer Allworthy besloot den misdadiger te ontbieden, en hemviva vocete ondervragen.De heer Partridge werd dus gedagvaard om te verschijnen en zich te verdedigen (als hij dat kon), tegen de ingebragte beschuldiging.Op het bepaalde uur verschenen voor den heer Allworthy, ten huize het Paradijs genaamd voornoemde Partridge, met zijne wettige huisvrouw Anna, en de aanklaagster, jufvrouw Wilkins.En nu, de heer Allworthy in den regterstoel gezeten zijnde, werd Partridge vóór hem gebragt, die na de beschuldiging van jufvrouw Wilkins aangehoord te hebben, alles loochende, met vele hartstogtelijke betuigingen zijner onschuld.Daarop werd jufvrouw Partridge ondervraagd, die na eene zedige betuiging van haar leedwezen, dat zij tegen haar man toch de waarheid moest zeggen, alle omstandigheden vermeldde, waarmede de lezer reeds bekend is, en eindigde[68]met de verklaring, dat haar echtgenoot schuld bekend had.Ik wil niet wagen te beslissen of zij hem vergeven had of niet; maar het is zeker dat zij ongaarne getuigenis aflegde, en het is waarschijnlijk, om zekere andere redenen, dat zij nooit op die wijze zich verklaard zou hebben, zoo jufvrouw Wilkins niet op de meest listige wijze, in haar eigen huis, alles van haar uitgevischt had, en beloften gedaan, uit naam van den heer Allworthy, dat haar man op geenerlei wijze gestraft zou worden, die zijn huisgezin kon benadeelen.Partridge hield vol met zijne onschuld te betuigen, hoewel hij niet loochenen kon, dat hij de bekentenis afgelegd had, wat hij echter trachtte te verklaren door de verzekering dat ze hem afgeperst werd door de lastigheid zijner vrouw, die zwoer, dat, daar zij van zijne schuld overtuigd was, zij nooit uitscheiden zou met hem te plagen tot hij ze bekend had,—waartegen zij beloofde, van haar kant, hem nooit iets meer daarvan te zeggen. Om deze reden, zeide hij, was hij er toe gekomen, zich valschelijk te beschuldigen, hoewel hij geheel onschuldig was,—en hij geloofde, dat hij, met hetzelfde doel, ook een moord zou bekend hebben.Jufvrouw Partridge kon geen geduld vinden om dit alles aan te hooren, en daar zij, in dit geval, tot geen ander hulpmiddel dan de tranen hare toevlugt nemen kon, riep zij de hulp daarvan in, en zich tot den heer Allworthy wendende, zeide, of liever, snikte zij:„Met uw verlof, mijnheer, nooit werd eene vrouw zóó mishandeld als ik door dezen slechten man! Want dit is niet het eerste voorbeeld van zijn ontrouw! Neen, mijnheer! Met uwe permissie,—hij heeft menigmaal al de huwelijkssponde ontheiligd! Ik had zijn dronkenschap en het verwaarloozen zijner zaken kunnen verdragen, als hij niet de heilige geboden geschonden had! Daarenboven, als het buiten ’s huis geschied was, zou ik het me niet zóó aangetrokken hebben! Maar met mijne eigene dienstbode, in mijn eigen huis, onder mijn eigen dak, zóó mijn eigen kuisch bed te bezoedelen met zijne smerige meiden! Ja, gij schandaal dat hebt ge gedaan! En dan beschuldigt[69]ge mij, dat ik u gedwongen heb zoo iets te bekennen! Is dat nu waarschijnlijk, mijnheer, dat ik hem zou kunnen dwingen?—Ik kan nog de lidteekens op mijn ligchaam laten zien, die zijne wreedheid bewijzen! Als ge een man waart, schelm, dan zoudt ge u schamen, eene vrouw op die wijze te mishandelen! Maar ge zijt geen man:—dat weet ge wel!—Neen, ge zijt geen halve man voor mij geweest! En gij moest nog anderen naloopen! ’t is wat moois, terwijl ik zeker weet——. En nu dat hij me tergt, ben ik gereed, mijnheer, om een plegtigen eed te doen, dat ik hen zamen in bed vond! Hoe! Ge zult niet vergeten hebben, dat ge me sloegt tot ik een toeval kreeg en het bloed van mijn gezigt afstroomde, alleen omdat ik u, zoo beleefd mogelijk, uw ontrouw verweet! Maar de buren, die kunnen alles getuigen. Ge hebt me haast het hart gebroken! Ja, dat hebt ge gedaan!”Hier viel de heer Allworthy haar in de rede en smeekte haar te bedaren, haar belovende dat haar regt zou wedervaren; en zich daarop tot Partridge wendende, die verstomd stond, half door verbazing en half door vrees verbijsterd, zeide hij, dat het hem speet te vernemen, dat er zoo veel slechtheid in de wereld bestond. Hij verzekerde hem dat al zijne onopregtheid en heen en weer praten slechts strekken kon om zijne schuld zeer te vermeerderen, die hij alleen vergoeden kon door openhartige bekentenis en berouw. Hij vermaande hem dus te beginnen met het feit te bekennen, en niet vol te houden met datgene te loochenen, dat zoo duidelijk tegen hem bewezen werd door zijne eigene vrouw.Hier, lezer, moet ik u smeeken een oogenblik geduld te hebben, terwijl ik u en mij, met regt, geluk wensch met de groote billijkheid en wijsheid onzer wetgeving, die weigert het getuigenis eener vrouw vóór of tegen haar man aan te nemen. „Dit,” zegt zekere geleerde schrijver, die tot dus ver, naar ik meen, nooit anders dan in een regtsgeleerd werk aangehaald werd, „zou ook het middel wezen, om eeuwigdurende twisten tusschen hen te veroorzaken. Het zou inderdaad aanleiding geven tot vele meineeden, tot veelgegeessel, boeten, gevangenschap, deportatie en ophangen.”[70]Partridge bleef een tijdlang zwijgen, tot hem bevolen werd te spreken, en toen verklaarde hij reeds de waarheid gezegd te hebben, en riep den hemel tot getuige om zijne onschuld te openbaren, en eindelijk ook het meisje zelf, om wie hij den heer Allworthy smeekte dadelijk te zenden; want hij wist niet, of gaf voor niet te weten, dat zij die omstreken reeds verlaten had.De heer Allworthy wiens aangeborene liefde tot de regtvaardigheid, gevoegd bij zijne eigene bedaardheid, hem altijd tot een zeer geduldigen magistraat maakte, waar het gold het verhooren van alle getuigen, die een beschuldigde aanbrengen kon om zich te verdedigen, stemde er in toe de beslissing van de zaak uit te stellen tot de aankomst van Jenni, om wie hij dadelijk een bode zond. Daarop, na den vrede tusschen man en vrouw verder aanbevolen te hebben hoewel, hij zich op dit punt voornamelijk tot den verkeerden persoon wendde, bepaalde hij den derden dag na dien voor het tweede verhoor; want hij had Jenni eene geheele dagreis ver van zijn eigen huis gezonden.Op den bestemden tijd kwamen alle partijen weer zamen, toen de bode het berigt medebragt, dat Jenni niet te vinden was, daar zij een paar dagen te voren, hare woning verlaten had met een officier, die bezig was met rekruteren.De heer Allworthy verklaarde nu dat de getuigenis van zulk een slecht mensch als zij bleek te zijn, geen geloof zou verdiend hebben; maar zeide dat hij niet laten kon te gelooven, dat als zij tegenwoordig geweest ware en de waarheid had willen zeggen, zij ook datgene had moeten bevestigen, wat reeds genoegzaam bewezen scheen door zoo vele omstandigheden, door de bekentenis van Partridge zelven en door de verklaring der vrouw, dat zij haar echtgenoot op heeter daad betrapt had. Daarom, vermaande hij Partridge nogmaals ernstig tot bekentenis te komen;—daar deze echter nog steeds zijne onschuld volhield, verklaarde de heer Allworthy zich van zijne schuld overtuigd en dat hij een te slecht mensch was om verder eenige ondersteuning van hem te verdienen. Hij benam hem dus het jaargeld, dat hij van hem kreeg, en beval hem aan[71]berouw te toonen, om den wille van het leven hier namaals, en tevens den meesten vlijt aan den dag te leggen, ten einde in dit leven zich zelven en zijne vrouw te onderhouden.Er zijn welligt weinige ongelukkiger menschen dan die arme Partridge! Ten gevolge van de getuigenis zijner vrouw, had hij het grootste gedeelte van zijn inkomen verloren, en moest nog dagelijks het verwijt van haar hooren, dat hij haar van dit voordeel beroofd had, en zich aan dat onverdiend oordeel onderwerpen.Hoewel ik hem nu pas den armen Partridge genoemd heb, wenschte ik echter dat de lezer, dat woord toeschreef eerder aan mijn medelijdenden aard, dan dat hij het opvatte als eene verklaring zijner onschuld. Het zal welligt later blijken, of hij onschuldig was of niet; maar zoo de muze der geschiedenis mij eenig geheim heeft toevertrouwd, zal ik mij wachten het te verklappen eer zij het mij veroorloofd heeft.Voor het oogenblik moet de lezer dus zijne nieuwsgierigheid beteugelen. Zeker echter blijft het, dat hoe het ook met de waarheid stond, er meer dan voldoende bewijzen waren om hem in Allworthy’s oogen schuldig te doen schijnen;—inderdaad, men had nog met veel minder kunnen volstaan voor eene regtbank, bij eene kwestie van legitimiteit, en toch, niettegenstaande de zekerheid van jufvrouw Partridge, die een eed omtrent de zaak had willen afleggen, is het mogelijk dat de schoolmeester geheel onschuldig was; want hoewel het duidelijk bleek, uit de vergelijking van den tijd van Jenni’s vertrek uit Klein-Baddington, met dien harer verlossing, dat zij daar zwanger van het kind was geworden, behoefde het volstrekt niet als een zeker gevolg aangemerkt te worden, dat Partridge de vader moest zijn. Want, om van geene andere bijzonderheden melding te maken, was er in hetzelfde huis een jongen van bijna achttien jaar, tusschen wien en Jenni er gemeenzaamheid genoeg bestaan had, om er geene ongegronde vermoedens op te vestigen,—en toch, is de ijverzucht zoo blind, dat deze omstandigheid der verwoede vrouw nooit in het hoofd kwam.Het blijkt niet of Partridge den raad volgde van den[72]heer Allworthy en berouw toonde, of niet. Maar het is zeker dat zijne vrouw berouw kreeg over de getuigenis, welke zij tegen hem afgelegd had, vooral toen zij ontdekte, dat jufvrouw Deborah haar bedrogen had, en nu weigerde een goed woord voor haar te spreken bij den heer Allworthy. Zij was echter eenigzins voorspoediger bij mevrouw Blifil, die, zoo als de lezer opgemerkt zal hebben, eene veel goedaardiger vrouw was, en die zeer vriendelijk op zich nam haar broeder te verzoeken het jaargeld weder te geven. Hoewel nu hare goedheid eenig deel had in deze handelwijze, zal men in het volgende hoofdstuk eene veel krachtiger en natuurlijker beweegreden daartoe vinden.Haar verzoek bleef echter zonder gevolg; want hoewel de heer Allworthy zich niet verbeeldde, met sommige nieuwere schrijvers, dat de barmhartigheid zich alleen vertoont in het bestraffen der misdadigers, was hij er ook even ver van verwijderd, om het voor eene eigenschap van deze uitstekende deugd te houden, om zonder eenigen grond aan groote misdadigers willekeurig genade te schenken. Eenige twijfel, of verzachtende omstandigheid, werd nooit door hem over het hoofd gezien; maar het smeeken van den misdadiger, of de tusschenkomst van anderen bleven altijd zonder uitwerking op hem. Met één woord, hij schonk nooit vergiffenis, omdat de schuldige zelf, of diens vrienden, wenschten dat hij niet gestraft zou worden.Partridge en zijne vrouw moesten zich dus beide schikken in hun lot, dat inderdaad hard genoeg was; want verre van zijn vlijt te verdubbelen nadat zijn inkomen verminderd was, gaf hij zich in zekere mate aan de wanhoop over, en lui van aard zijnde, verergerde die ondeugd nu bij hem, zoodat zijne kleine school verliep en hij zelf, noch zijne vrouw, een stuk brood te eten zouden gehad hebben, als de mildheid van zeker goed christen niet tusschenbeide gekomen ware, om hen van het volstrekt noodzakelijke tot hun onderhoud te voorzien.Daar deze hulp hun door een onbekende verstrekt werd, verbeeldden zij zich, en dat zal zonder twijfel de lezer ook doen, dat de heer Allworthy hun geheime weldoener was, die, ofschoon hij niet in het openbaar de ondeugd aanmoedigen wilde, toch in stilte de ellende der misdadigers[73]zelve verzachten kon, als die te groot en te weinig geëvenredigd was aan hunne boosheid.Het noodlot zelf scheen nu hunne ellende uit dit oogpunt te beschouwen, en eindelijk medelijden te hebben met het ongelukkige paar, daar het de rampen van Partridge aanmerkelijk verzachtte, door hem van zijne vrouw te verlossen, die de kinderpokken kreeg en spoedig onder die ziekte bezweek.De regtvaardigheid, welke de heer Allworthy omtrent Partridge uitgeoefend had, vond aanvankelijk algemeene goedkeuring; maar zoodra de schoolmeester de gevolgen daarvan begon te ondervinden, begonnen ook zijne buren vermurwd te worden, medelijden met hem te gevoelen, en spoedig daarna, dat, wat zij pas regtvaardigheid genoemd hadden, als overdrevene strengheid af te keuren. Zij voeren er tegen uit, dat men in koelen bloede straffen konde, en prezen de deugden van genade en barmhartigheid hemelhoog.Dit geschreeuw vermeerderde zeer bij den dood van jufvrouw Partridge, welke ofschoon toeteschrijven aan bovengenoemde ziekte, die geen gevolg is van armoede en gebrek, door velen, zeer onbeschaamd, geweten werd aan de strengheid, of zooals zij het nu noemden, de wreedheid van den heer Allworthy.Daar Partridge nu zijne vrouw, zijne school en zijn inkomen verloren had, en ook de onbekende weldoener de boven vermelde ondersteuning verder naliet, besloot hij van tooneel te veranderen, en verliet de streek, waar hij gevaar liep van te verhongeren, in weerwil van het algemeene medelijden zijner naasten.

Hoofdstuk VI.De teregtstelling van Partridge, den schoolmeester, wegens oneerbaarheid; de getuigenis door zijne vrouw afgelegd; eene korte herinnering aan de wijsheid onzer wetten, met andere ernstige zaken, die hun het best bevallen zullen, welke ze het best verstaan.

Men zal zich welligt verwonderen, dat een zoo welbekend verhaal, hetwelk zoo veel stof tot gesprek opgeleverd had, nooit was medegedeeld aan den heer Allworthy zelven, de eenige mensch welligt in den omtrek, die er nooit van gehoord had.Om dit eenigzins aan den lezer te verklaren, acht ik het noodig ter zijner kennis te brengen, dat er niemand in het geheele rijk was, die er minder belang bij had om de stelling aangaande de beteekenis van het woord „christelijke liefde”[67]te bestrijden, dan die goede man. Inderdaad kon hij in alle opzigten aanspraak op deze deugd maken; want even als er niemand was die gevoeliger kon zijn voor den nood van anderen, of meer gereed om in hunne behoeften te voorzien, zoo kon er ook niemand zijn, die kiescher was omtrent hun goeden naam en onwilliger om iets tot hun nadeel aan te hooren.De laster vond dus nooit ingang bij hem; want, even als lang geleden opgemerkt werd, dat men iemand naar zijn omgang beoordeelen kan, zoo waag ik ook te zeggen, dat men door te luisteren naar de gesprekken aan tafel van een groot man, inzigt kan krijgen in zijne godsdienst, zijne staatkunde, zijn smaak en, in één woord, in zijn geheel karakter; want, hoewel er eenige wonderlijke menschen zijn, die overal hunne eigene meeningen voor den dag brengen, zijn op verre na de meeste menschen hovelingen genoeg om hun gesprek in te rigten naar den zin en de neigingen van hunne meerderen.Maar om terug te komen op jufvrouw Wilkins: deze, haar boodschap met veel spoed verrigt hebbende, hoewel op een afstand van vijftien Engelsche mijlen, bragt zulk eene zekere bevestiging mede van de schuld van den schoolmeester, dat de heer Allworthy besloot den misdadiger te ontbieden, en hemviva vocete ondervragen.De heer Partridge werd dus gedagvaard om te verschijnen en zich te verdedigen (als hij dat kon), tegen de ingebragte beschuldiging.Op het bepaalde uur verschenen voor den heer Allworthy, ten huize het Paradijs genaamd voornoemde Partridge, met zijne wettige huisvrouw Anna, en de aanklaagster, jufvrouw Wilkins.En nu, de heer Allworthy in den regterstoel gezeten zijnde, werd Partridge vóór hem gebragt, die na de beschuldiging van jufvrouw Wilkins aangehoord te hebben, alles loochende, met vele hartstogtelijke betuigingen zijner onschuld.Daarop werd jufvrouw Partridge ondervraagd, die na eene zedige betuiging van haar leedwezen, dat zij tegen haar man toch de waarheid moest zeggen, alle omstandigheden vermeldde, waarmede de lezer reeds bekend is, en eindigde[68]met de verklaring, dat haar echtgenoot schuld bekend had.Ik wil niet wagen te beslissen of zij hem vergeven had of niet; maar het is zeker dat zij ongaarne getuigenis aflegde, en het is waarschijnlijk, om zekere andere redenen, dat zij nooit op die wijze zich verklaard zou hebben, zoo jufvrouw Wilkins niet op de meest listige wijze, in haar eigen huis, alles van haar uitgevischt had, en beloften gedaan, uit naam van den heer Allworthy, dat haar man op geenerlei wijze gestraft zou worden, die zijn huisgezin kon benadeelen.Partridge hield vol met zijne onschuld te betuigen, hoewel hij niet loochenen kon, dat hij de bekentenis afgelegd had, wat hij echter trachtte te verklaren door de verzekering dat ze hem afgeperst werd door de lastigheid zijner vrouw, die zwoer, dat, daar zij van zijne schuld overtuigd was, zij nooit uitscheiden zou met hem te plagen tot hij ze bekend had,—waartegen zij beloofde, van haar kant, hem nooit iets meer daarvan te zeggen. Om deze reden, zeide hij, was hij er toe gekomen, zich valschelijk te beschuldigen, hoewel hij geheel onschuldig was,—en hij geloofde, dat hij, met hetzelfde doel, ook een moord zou bekend hebben.Jufvrouw Partridge kon geen geduld vinden om dit alles aan te hooren, en daar zij, in dit geval, tot geen ander hulpmiddel dan de tranen hare toevlugt nemen kon, riep zij de hulp daarvan in, en zich tot den heer Allworthy wendende, zeide, of liever, snikte zij:„Met uw verlof, mijnheer, nooit werd eene vrouw zóó mishandeld als ik door dezen slechten man! Want dit is niet het eerste voorbeeld van zijn ontrouw! Neen, mijnheer! Met uwe permissie,—hij heeft menigmaal al de huwelijkssponde ontheiligd! Ik had zijn dronkenschap en het verwaarloozen zijner zaken kunnen verdragen, als hij niet de heilige geboden geschonden had! Daarenboven, als het buiten ’s huis geschied was, zou ik het me niet zóó aangetrokken hebben! Maar met mijne eigene dienstbode, in mijn eigen huis, onder mijn eigen dak, zóó mijn eigen kuisch bed te bezoedelen met zijne smerige meiden! Ja, gij schandaal dat hebt ge gedaan! En dan beschuldigt[69]ge mij, dat ik u gedwongen heb zoo iets te bekennen! Is dat nu waarschijnlijk, mijnheer, dat ik hem zou kunnen dwingen?—Ik kan nog de lidteekens op mijn ligchaam laten zien, die zijne wreedheid bewijzen! Als ge een man waart, schelm, dan zoudt ge u schamen, eene vrouw op die wijze te mishandelen! Maar ge zijt geen man:—dat weet ge wel!—Neen, ge zijt geen halve man voor mij geweest! En gij moest nog anderen naloopen! ’t is wat moois, terwijl ik zeker weet——. En nu dat hij me tergt, ben ik gereed, mijnheer, om een plegtigen eed te doen, dat ik hen zamen in bed vond! Hoe! Ge zult niet vergeten hebben, dat ge me sloegt tot ik een toeval kreeg en het bloed van mijn gezigt afstroomde, alleen omdat ik u, zoo beleefd mogelijk, uw ontrouw verweet! Maar de buren, die kunnen alles getuigen. Ge hebt me haast het hart gebroken! Ja, dat hebt ge gedaan!”Hier viel de heer Allworthy haar in de rede en smeekte haar te bedaren, haar belovende dat haar regt zou wedervaren; en zich daarop tot Partridge wendende, die verstomd stond, half door verbazing en half door vrees verbijsterd, zeide hij, dat het hem speet te vernemen, dat er zoo veel slechtheid in de wereld bestond. Hij verzekerde hem dat al zijne onopregtheid en heen en weer praten slechts strekken kon om zijne schuld zeer te vermeerderen, die hij alleen vergoeden kon door openhartige bekentenis en berouw. Hij vermaande hem dus te beginnen met het feit te bekennen, en niet vol te houden met datgene te loochenen, dat zoo duidelijk tegen hem bewezen werd door zijne eigene vrouw.Hier, lezer, moet ik u smeeken een oogenblik geduld te hebben, terwijl ik u en mij, met regt, geluk wensch met de groote billijkheid en wijsheid onzer wetgeving, die weigert het getuigenis eener vrouw vóór of tegen haar man aan te nemen. „Dit,” zegt zekere geleerde schrijver, die tot dus ver, naar ik meen, nooit anders dan in een regtsgeleerd werk aangehaald werd, „zou ook het middel wezen, om eeuwigdurende twisten tusschen hen te veroorzaken. Het zou inderdaad aanleiding geven tot vele meineeden, tot veelgegeessel, boeten, gevangenschap, deportatie en ophangen.”[70]Partridge bleef een tijdlang zwijgen, tot hem bevolen werd te spreken, en toen verklaarde hij reeds de waarheid gezegd te hebben, en riep den hemel tot getuige om zijne onschuld te openbaren, en eindelijk ook het meisje zelf, om wie hij den heer Allworthy smeekte dadelijk te zenden; want hij wist niet, of gaf voor niet te weten, dat zij die omstreken reeds verlaten had.De heer Allworthy wiens aangeborene liefde tot de regtvaardigheid, gevoegd bij zijne eigene bedaardheid, hem altijd tot een zeer geduldigen magistraat maakte, waar het gold het verhooren van alle getuigen, die een beschuldigde aanbrengen kon om zich te verdedigen, stemde er in toe de beslissing van de zaak uit te stellen tot de aankomst van Jenni, om wie hij dadelijk een bode zond. Daarop, na den vrede tusschen man en vrouw verder aanbevolen te hebben hoewel, hij zich op dit punt voornamelijk tot den verkeerden persoon wendde, bepaalde hij den derden dag na dien voor het tweede verhoor; want hij had Jenni eene geheele dagreis ver van zijn eigen huis gezonden.Op den bestemden tijd kwamen alle partijen weer zamen, toen de bode het berigt medebragt, dat Jenni niet te vinden was, daar zij een paar dagen te voren, hare woning verlaten had met een officier, die bezig was met rekruteren.De heer Allworthy verklaarde nu dat de getuigenis van zulk een slecht mensch als zij bleek te zijn, geen geloof zou verdiend hebben; maar zeide dat hij niet laten kon te gelooven, dat als zij tegenwoordig geweest ware en de waarheid had willen zeggen, zij ook datgene had moeten bevestigen, wat reeds genoegzaam bewezen scheen door zoo vele omstandigheden, door de bekentenis van Partridge zelven en door de verklaring der vrouw, dat zij haar echtgenoot op heeter daad betrapt had. Daarom, vermaande hij Partridge nogmaals ernstig tot bekentenis te komen;—daar deze echter nog steeds zijne onschuld volhield, verklaarde de heer Allworthy zich van zijne schuld overtuigd en dat hij een te slecht mensch was om verder eenige ondersteuning van hem te verdienen. Hij benam hem dus het jaargeld, dat hij van hem kreeg, en beval hem aan[71]berouw te toonen, om den wille van het leven hier namaals, en tevens den meesten vlijt aan den dag te leggen, ten einde in dit leven zich zelven en zijne vrouw te onderhouden.Er zijn welligt weinige ongelukkiger menschen dan die arme Partridge! Ten gevolge van de getuigenis zijner vrouw, had hij het grootste gedeelte van zijn inkomen verloren, en moest nog dagelijks het verwijt van haar hooren, dat hij haar van dit voordeel beroofd had, en zich aan dat onverdiend oordeel onderwerpen.Hoewel ik hem nu pas den armen Partridge genoemd heb, wenschte ik echter dat de lezer, dat woord toeschreef eerder aan mijn medelijdenden aard, dan dat hij het opvatte als eene verklaring zijner onschuld. Het zal welligt later blijken, of hij onschuldig was of niet; maar zoo de muze der geschiedenis mij eenig geheim heeft toevertrouwd, zal ik mij wachten het te verklappen eer zij het mij veroorloofd heeft.Voor het oogenblik moet de lezer dus zijne nieuwsgierigheid beteugelen. Zeker echter blijft het, dat hoe het ook met de waarheid stond, er meer dan voldoende bewijzen waren om hem in Allworthy’s oogen schuldig te doen schijnen;—inderdaad, men had nog met veel minder kunnen volstaan voor eene regtbank, bij eene kwestie van legitimiteit, en toch, niettegenstaande de zekerheid van jufvrouw Partridge, die een eed omtrent de zaak had willen afleggen, is het mogelijk dat de schoolmeester geheel onschuldig was; want hoewel het duidelijk bleek, uit de vergelijking van den tijd van Jenni’s vertrek uit Klein-Baddington, met dien harer verlossing, dat zij daar zwanger van het kind was geworden, behoefde het volstrekt niet als een zeker gevolg aangemerkt te worden, dat Partridge de vader moest zijn. Want, om van geene andere bijzonderheden melding te maken, was er in hetzelfde huis een jongen van bijna achttien jaar, tusschen wien en Jenni er gemeenzaamheid genoeg bestaan had, om er geene ongegronde vermoedens op te vestigen,—en toch, is de ijverzucht zoo blind, dat deze omstandigheid der verwoede vrouw nooit in het hoofd kwam.Het blijkt niet of Partridge den raad volgde van den[72]heer Allworthy en berouw toonde, of niet. Maar het is zeker dat zijne vrouw berouw kreeg over de getuigenis, welke zij tegen hem afgelegd had, vooral toen zij ontdekte, dat jufvrouw Deborah haar bedrogen had, en nu weigerde een goed woord voor haar te spreken bij den heer Allworthy. Zij was echter eenigzins voorspoediger bij mevrouw Blifil, die, zoo als de lezer opgemerkt zal hebben, eene veel goedaardiger vrouw was, en die zeer vriendelijk op zich nam haar broeder te verzoeken het jaargeld weder te geven. Hoewel nu hare goedheid eenig deel had in deze handelwijze, zal men in het volgende hoofdstuk eene veel krachtiger en natuurlijker beweegreden daartoe vinden.Haar verzoek bleef echter zonder gevolg; want hoewel de heer Allworthy zich niet verbeeldde, met sommige nieuwere schrijvers, dat de barmhartigheid zich alleen vertoont in het bestraffen der misdadigers, was hij er ook even ver van verwijderd, om het voor eene eigenschap van deze uitstekende deugd te houden, om zonder eenigen grond aan groote misdadigers willekeurig genade te schenken. Eenige twijfel, of verzachtende omstandigheid, werd nooit door hem over het hoofd gezien; maar het smeeken van den misdadiger, of de tusschenkomst van anderen bleven altijd zonder uitwerking op hem. Met één woord, hij schonk nooit vergiffenis, omdat de schuldige zelf, of diens vrienden, wenschten dat hij niet gestraft zou worden.Partridge en zijne vrouw moesten zich dus beide schikken in hun lot, dat inderdaad hard genoeg was; want verre van zijn vlijt te verdubbelen nadat zijn inkomen verminderd was, gaf hij zich in zekere mate aan de wanhoop over, en lui van aard zijnde, verergerde die ondeugd nu bij hem, zoodat zijne kleine school verliep en hij zelf, noch zijne vrouw, een stuk brood te eten zouden gehad hebben, als de mildheid van zeker goed christen niet tusschenbeide gekomen ware, om hen van het volstrekt noodzakelijke tot hun onderhoud te voorzien.Daar deze hulp hun door een onbekende verstrekt werd, verbeeldden zij zich, en dat zal zonder twijfel de lezer ook doen, dat de heer Allworthy hun geheime weldoener was, die, ofschoon hij niet in het openbaar de ondeugd aanmoedigen wilde, toch in stilte de ellende der misdadigers[73]zelve verzachten kon, als die te groot en te weinig geëvenredigd was aan hunne boosheid.Het noodlot zelf scheen nu hunne ellende uit dit oogpunt te beschouwen, en eindelijk medelijden te hebben met het ongelukkige paar, daar het de rampen van Partridge aanmerkelijk verzachtte, door hem van zijne vrouw te verlossen, die de kinderpokken kreeg en spoedig onder die ziekte bezweek.De regtvaardigheid, welke de heer Allworthy omtrent Partridge uitgeoefend had, vond aanvankelijk algemeene goedkeuring; maar zoodra de schoolmeester de gevolgen daarvan begon te ondervinden, begonnen ook zijne buren vermurwd te worden, medelijden met hem te gevoelen, en spoedig daarna, dat, wat zij pas regtvaardigheid genoemd hadden, als overdrevene strengheid af te keuren. Zij voeren er tegen uit, dat men in koelen bloede straffen konde, en prezen de deugden van genade en barmhartigheid hemelhoog.Dit geschreeuw vermeerderde zeer bij den dood van jufvrouw Partridge, welke ofschoon toeteschrijven aan bovengenoemde ziekte, die geen gevolg is van armoede en gebrek, door velen, zeer onbeschaamd, geweten werd aan de strengheid, of zooals zij het nu noemden, de wreedheid van den heer Allworthy.Daar Partridge nu zijne vrouw, zijne school en zijn inkomen verloren had, en ook de onbekende weldoener de boven vermelde ondersteuning verder naliet, besloot hij van tooneel te veranderen, en verliet de streek, waar hij gevaar liep van te verhongeren, in weerwil van het algemeene medelijden zijner naasten.

Men zal zich welligt verwonderen, dat een zoo welbekend verhaal, hetwelk zoo veel stof tot gesprek opgeleverd had, nooit was medegedeeld aan den heer Allworthy zelven, de eenige mensch welligt in den omtrek, die er nooit van gehoord had.

Om dit eenigzins aan den lezer te verklaren, acht ik het noodig ter zijner kennis te brengen, dat er niemand in het geheele rijk was, die er minder belang bij had om de stelling aangaande de beteekenis van het woord „christelijke liefde”[67]te bestrijden, dan die goede man. Inderdaad kon hij in alle opzigten aanspraak op deze deugd maken; want even als er niemand was die gevoeliger kon zijn voor den nood van anderen, of meer gereed om in hunne behoeften te voorzien, zoo kon er ook niemand zijn, die kiescher was omtrent hun goeden naam en onwilliger om iets tot hun nadeel aan te hooren.

De laster vond dus nooit ingang bij hem; want, even als lang geleden opgemerkt werd, dat men iemand naar zijn omgang beoordeelen kan, zoo waag ik ook te zeggen, dat men door te luisteren naar de gesprekken aan tafel van een groot man, inzigt kan krijgen in zijne godsdienst, zijne staatkunde, zijn smaak en, in één woord, in zijn geheel karakter; want, hoewel er eenige wonderlijke menschen zijn, die overal hunne eigene meeningen voor den dag brengen, zijn op verre na de meeste menschen hovelingen genoeg om hun gesprek in te rigten naar den zin en de neigingen van hunne meerderen.

Maar om terug te komen op jufvrouw Wilkins: deze, haar boodschap met veel spoed verrigt hebbende, hoewel op een afstand van vijftien Engelsche mijlen, bragt zulk eene zekere bevestiging mede van de schuld van den schoolmeester, dat de heer Allworthy besloot den misdadiger te ontbieden, en hemviva vocete ondervragen.

De heer Partridge werd dus gedagvaard om te verschijnen en zich te verdedigen (als hij dat kon), tegen de ingebragte beschuldiging.

Op het bepaalde uur verschenen voor den heer Allworthy, ten huize het Paradijs genaamd voornoemde Partridge, met zijne wettige huisvrouw Anna, en de aanklaagster, jufvrouw Wilkins.

En nu, de heer Allworthy in den regterstoel gezeten zijnde, werd Partridge vóór hem gebragt, die na de beschuldiging van jufvrouw Wilkins aangehoord te hebben, alles loochende, met vele hartstogtelijke betuigingen zijner onschuld.

Daarop werd jufvrouw Partridge ondervraagd, die na eene zedige betuiging van haar leedwezen, dat zij tegen haar man toch de waarheid moest zeggen, alle omstandigheden vermeldde, waarmede de lezer reeds bekend is, en eindigde[68]met de verklaring, dat haar echtgenoot schuld bekend had.

Ik wil niet wagen te beslissen of zij hem vergeven had of niet; maar het is zeker dat zij ongaarne getuigenis aflegde, en het is waarschijnlijk, om zekere andere redenen, dat zij nooit op die wijze zich verklaard zou hebben, zoo jufvrouw Wilkins niet op de meest listige wijze, in haar eigen huis, alles van haar uitgevischt had, en beloften gedaan, uit naam van den heer Allworthy, dat haar man op geenerlei wijze gestraft zou worden, die zijn huisgezin kon benadeelen.

Partridge hield vol met zijne onschuld te betuigen, hoewel hij niet loochenen kon, dat hij de bekentenis afgelegd had, wat hij echter trachtte te verklaren door de verzekering dat ze hem afgeperst werd door de lastigheid zijner vrouw, die zwoer, dat, daar zij van zijne schuld overtuigd was, zij nooit uitscheiden zou met hem te plagen tot hij ze bekend had,—waartegen zij beloofde, van haar kant, hem nooit iets meer daarvan te zeggen. Om deze reden, zeide hij, was hij er toe gekomen, zich valschelijk te beschuldigen, hoewel hij geheel onschuldig was,—en hij geloofde, dat hij, met hetzelfde doel, ook een moord zou bekend hebben.

Jufvrouw Partridge kon geen geduld vinden om dit alles aan te hooren, en daar zij, in dit geval, tot geen ander hulpmiddel dan de tranen hare toevlugt nemen kon, riep zij de hulp daarvan in, en zich tot den heer Allworthy wendende, zeide, of liever, snikte zij:

„Met uw verlof, mijnheer, nooit werd eene vrouw zóó mishandeld als ik door dezen slechten man! Want dit is niet het eerste voorbeeld van zijn ontrouw! Neen, mijnheer! Met uwe permissie,—hij heeft menigmaal al de huwelijkssponde ontheiligd! Ik had zijn dronkenschap en het verwaarloozen zijner zaken kunnen verdragen, als hij niet de heilige geboden geschonden had! Daarenboven, als het buiten ’s huis geschied was, zou ik het me niet zóó aangetrokken hebben! Maar met mijne eigene dienstbode, in mijn eigen huis, onder mijn eigen dak, zóó mijn eigen kuisch bed te bezoedelen met zijne smerige meiden! Ja, gij schandaal dat hebt ge gedaan! En dan beschuldigt[69]ge mij, dat ik u gedwongen heb zoo iets te bekennen! Is dat nu waarschijnlijk, mijnheer, dat ik hem zou kunnen dwingen?—Ik kan nog de lidteekens op mijn ligchaam laten zien, die zijne wreedheid bewijzen! Als ge een man waart, schelm, dan zoudt ge u schamen, eene vrouw op die wijze te mishandelen! Maar ge zijt geen man:—dat weet ge wel!—Neen, ge zijt geen halve man voor mij geweest! En gij moest nog anderen naloopen! ’t is wat moois, terwijl ik zeker weet——. En nu dat hij me tergt, ben ik gereed, mijnheer, om een plegtigen eed te doen, dat ik hen zamen in bed vond! Hoe! Ge zult niet vergeten hebben, dat ge me sloegt tot ik een toeval kreeg en het bloed van mijn gezigt afstroomde, alleen omdat ik u, zoo beleefd mogelijk, uw ontrouw verweet! Maar de buren, die kunnen alles getuigen. Ge hebt me haast het hart gebroken! Ja, dat hebt ge gedaan!”

Hier viel de heer Allworthy haar in de rede en smeekte haar te bedaren, haar belovende dat haar regt zou wedervaren; en zich daarop tot Partridge wendende, die verstomd stond, half door verbazing en half door vrees verbijsterd, zeide hij, dat het hem speet te vernemen, dat er zoo veel slechtheid in de wereld bestond. Hij verzekerde hem dat al zijne onopregtheid en heen en weer praten slechts strekken kon om zijne schuld zeer te vermeerderen, die hij alleen vergoeden kon door openhartige bekentenis en berouw. Hij vermaande hem dus te beginnen met het feit te bekennen, en niet vol te houden met datgene te loochenen, dat zoo duidelijk tegen hem bewezen werd door zijne eigene vrouw.

Hier, lezer, moet ik u smeeken een oogenblik geduld te hebben, terwijl ik u en mij, met regt, geluk wensch met de groote billijkheid en wijsheid onzer wetgeving, die weigert het getuigenis eener vrouw vóór of tegen haar man aan te nemen. „Dit,” zegt zekere geleerde schrijver, die tot dus ver, naar ik meen, nooit anders dan in een regtsgeleerd werk aangehaald werd, „zou ook het middel wezen, om eeuwigdurende twisten tusschen hen te veroorzaken. Het zou inderdaad aanleiding geven tot vele meineeden, tot veelgegeessel, boeten, gevangenschap, deportatie en ophangen.”[70]

Partridge bleef een tijdlang zwijgen, tot hem bevolen werd te spreken, en toen verklaarde hij reeds de waarheid gezegd te hebben, en riep den hemel tot getuige om zijne onschuld te openbaren, en eindelijk ook het meisje zelf, om wie hij den heer Allworthy smeekte dadelijk te zenden; want hij wist niet, of gaf voor niet te weten, dat zij die omstreken reeds verlaten had.

De heer Allworthy wiens aangeborene liefde tot de regtvaardigheid, gevoegd bij zijne eigene bedaardheid, hem altijd tot een zeer geduldigen magistraat maakte, waar het gold het verhooren van alle getuigen, die een beschuldigde aanbrengen kon om zich te verdedigen, stemde er in toe de beslissing van de zaak uit te stellen tot de aankomst van Jenni, om wie hij dadelijk een bode zond. Daarop, na den vrede tusschen man en vrouw verder aanbevolen te hebben hoewel, hij zich op dit punt voornamelijk tot den verkeerden persoon wendde, bepaalde hij den derden dag na dien voor het tweede verhoor; want hij had Jenni eene geheele dagreis ver van zijn eigen huis gezonden.

Op den bestemden tijd kwamen alle partijen weer zamen, toen de bode het berigt medebragt, dat Jenni niet te vinden was, daar zij een paar dagen te voren, hare woning verlaten had met een officier, die bezig was met rekruteren.

De heer Allworthy verklaarde nu dat de getuigenis van zulk een slecht mensch als zij bleek te zijn, geen geloof zou verdiend hebben; maar zeide dat hij niet laten kon te gelooven, dat als zij tegenwoordig geweest ware en de waarheid had willen zeggen, zij ook datgene had moeten bevestigen, wat reeds genoegzaam bewezen scheen door zoo vele omstandigheden, door de bekentenis van Partridge zelven en door de verklaring der vrouw, dat zij haar echtgenoot op heeter daad betrapt had. Daarom, vermaande hij Partridge nogmaals ernstig tot bekentenis te komen;—daar deze echter nog steeds zijne onschuld volhield, verklaarde de heer Allworthy zich van zijne schuld overtuigd en dat hij een te slecht mensch was om verder eenige ondersteuning van hem te verdienen. Hij benam hem dus het jaargeld, dat hij van hem kreeg, en beval hem aan[71]berouw te toonen, om den wille van het leven hier namaals, en tevens den meesten vlijt aan den dag te leggen, ten einde in dit leven zich zelven en zijne vrouw te onderhouden.

Er zijn welligt weinige ongelukkiger menschen dan die arme Partridge! Ten gevolge van de getuigenis zijner vrouw, had hij het grootste gedeelte van zijn inkomen verloren, en moest nog dagelijks het verwijt van haar hooren, dat hij haar van dit voordeel beroofd had, en zich aan dat onverdiend oordeel onderwerpen.

Hoewel ik hem nu pas den armen Partridge genoemd heb, wenschte ik echter dat de lezer, dat woord toeschreef eerder aan mijn medelijdenden aard, dan dat hij het opvatte als eene verklaring zijner onschuld. Het zal welligt later blijken, of hij onschuldig was of niet; maar zoo de muze der geschiedenis mij eenig geheim heeft toevertrouwd, zal ik mij wachten het te verklappen eer zij het mij veroorloofd heeft.

Voor het oogenblik moet de lezer dus zijne nieuwsgierigheid beteugelen. Zeker echter blijft het, dat hoe het ook met de waarheid stond, er meer dan voldoende bewijzen waren om hem in Allworthy’s oogen schuldig te doen schijnen;—inderdaad, men had nog met veel minder kunnen volstaan voor eene regtbank, bij eene kwestie van legitimiteit, en toch, niettegenstaande de zekerheid van jufvrouw Partridge, die een eed omtrent de zaak had willen afleggen, is het mogelijk dat de schoolmeester geheel onschuldig was; want hoewel het duidelijk bleek, uit de vergelijking van den tijd van Jenni’s vertrek uit Klein-Baddington, met dien harer verlossing, dat zij daar zwanger van het kind was geworden, behoefde het volstrekt niet als een zeker gevolg aangemerkt te worden, dat Partridge de vader moest zijn. Want, om van geene andere bijzonderheden melding te maken, was er in hetzelfde huis een jongen van bijna achttien jaar, tusschen wien en Jenni er gemeenzaamheid genoeg bestaan had, om er geene ongegronde vermoedens op te vestigen,—en toch, is de ijverzucht zoo blind, dat deze omstandigheid der verwoede vrouw nooit in het hoofd kwam.

Het blijkt niet of Partridge den raad volgde van den[72]heer Allworthy en berouw toonde, of niet. Maar het is zeker dat zijne vrouw berouw kreeg over de getuigenis, welke zij tegen hem afgelegd had, vooral toen zij ontdekte, dat jufvrouw Deborah haar bedrogen had, en nu weigerde een goed woord voor haar te spreken bij den heer Allworthy. Zij was echter eenigzins voorspoediger bij mevrouw Blifil, die, zoo als de lezer opgemerkt zal hebben, eene veel goedaardiger vrouw was, en die zeer vriendelijk op zich nam haar broeder te verzoeken het jaargeld weder te geven. Hoewel nu hare goedheid eenig deel had in deze handelwijze, zal men in het volgende hoofdstuk eene veel krachtiger en natuurlijker beweegreden daartoe vinden.

Haar verzoek bleef echter zonder gevolg; want hoewel de heer Allworthy zich niet verbeeldde, met sommige nieuwere schrijvers, dat de barmhartigheid zich alleen vertoont in het bestraffen der misdadigers, was hij er ook even ver van verwijderd, om het voor eene eigenschap van deze uitstekende deugd te houden, om zonder eenigen grond aan groote misdadigers willekeurig genade te schenken. Eenige twijfel, of verzachtende omstandigheid, werd nooit door hem over het hoofd gezien; maar het smeeken van den misdadiger, of de tusschenkomst van anderen bleven altijd zonder uitwerking op hem. Met één woord, hij schonk nooit vergiffenis, omdat de schuldige zelf, of diens vrienden, wenschten dat hij niet gestraft zou worden.

Partridge en zijne vrouw moesten zich dus beide schikken in hun lot, dat inderdaad hard genoeg was; want verre van zijn vlijt te verdubbelen nadat zijn inkomen verminderd was, gaf hij zich in zekere mate aan de wanhoop over, en lui van aard zijnde, verergerde die ondeugd nu bij hem, zoodat zijne kleine school verliep en hij zelf, noch zijne vrouw, een stuk brood te eten zouden gehad hebben, als de mildheid van zeker goed christen niet tusschenbeide gekomen ware, om hen van het volstrekt noodzakelijke tot hun onderhoud te voorzien.

Daar deze hulp hun door een onbekende verstrekt werd, verbeeldden zij zich, en dat zal zonder twijfel de lezer ook doen, dat de heer Allworthy hun geheime weldoener was, die, ofschoon hij niet in het openbaar de ondeugd aanmoedigen wilde, toch in stilte de ellende der misdadigers[73]zelve verzachten kon, als die te groot en te weinig geëvenredigd was aan hunne boosheid.

Het noodlot zelf scheen nu hunne ellende uit dit oogpunt te beschouwen, en eindelijk medelijden te hebben met het ongelukkige paar, daar het de rampen van Partridge aanmerkelijk verzachtte, door hem van zijne vrouw te verlossen, die de kinderpokken kreeg en spoedig onder die ziekte bezweek.

De regtvaardigheid, welke de heer Allworthy omtrent Partridge uitgeoefend had, vond aanvankelijk algemeene goedkeuring; maar zoodra de schoolmeester de gevolgen daarvan begon te ondervinden, begonnen ook zijne buren vermurwd te worden, medelijden met hem te gevoelen, en spoedig daarna, dat, wat zij pas regtvaardigheid genoemd hadden, als overdrevene strengheid af te keuren. Zij voeren er tegen uit, dat men in koelen bloede straffen konde, en prezen de deugden van genade en barmhartigheid hemelhoog.

Dit geschreeuw vermeerderde zeer bij den dood van jufvrouw Partridge, welke ofschoon toeteschrijven aan bovengenoemde ziekte, die geen gevolg is van armoede en gebrek, door velen, zeer onbeschaamd, geweten werd aan de strengheid, of zooals zij het nu noemden, de wreedheid van den heer Allworthy.

Daar Partridge nu zijne vrouw, zijne school en zijn inkomen verloren had, en ook de onbekende weldoener de boven vermelde ondersteuning verder naliet, besloot hij van tooneel te veranderen, en verliet de streek, waar hij gevaar liep van te verhongeren, in weerwil van het algemeene medelijden zijner naasten.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Eene korte schets van het geluk, dat een wijs gehuwd paar in den haat kan vinden; met eene verontschuldiging van die menschen, die de onvolmaaktheden hunner vrienden over het hoofd zien.Hoewel de kapitein den armen Partridge geheel te grond gerigt had, had hij er toch niet de voordeelen van ingeoogst,[74]welke hij gehoopt had, namelijk om den heer Allworthy den vondeling de deur uit te zien zetten.Integendeel, die heer werd bij den dag meer gehecht aan den kleinen Tom, alsof hij zijne strengheid tegen den vader door buitengewone liefde en goedheid voor den zoon wilde vergoeden.Dit verbitterde zeer het humeur van den kapitein, even als andere, dagelijksche voorbeelden van de mildheid van den heer Allworthy; want hij beschouwde alle dergelijke liefdadige uitgaven, als alleen strekkende om zijn eigen rijkdom te verminderen.Hierin, zooals wij gezegd hebben, was hij het niet met zijne vrouw eens,—evenmin als in iets anders; want hoewel vele wijze menschen aannemen, dat eene genegenheid die op het verstand berust, duurzamer is dan eene, die op de schoonheid gegrond is, bleek het tegenovergestelde waar te zijn in het onderhavige geval. Ja, het was het wederzijdsche verstand van dit paar, dat de hoofdbron van twist werd, en ééne der voornaamste oorzaken van de veelvuldige oneenigheden, welke, met der tijd, tusschen hen ontstonden; en die eindigden, van den kant der dame, met eene diepe minachting van haar man, terwijl de echtgenoot er toe kwam, zijne vrouw in alle opzigten te verfoeijen.Daar beide hunne gaven grootendeels besteed hadden aan de studie der godgeleerdheid, werd deze spoedig na hunne eerste kennismaking het hoofd-onderwerp hunner gesprekken. De kapitein, als beleefd man, had, vóór zijn huwelijk, altijd zijn gevoelen opgegeven, als het in strijd was met dat der dame, en dit geschiedde volstrekt niet naar de wijze van een lompen, onhandigen, verwaanden domkop, die, hoewel hij beleefdelijk zwicht voor een gegrond argument, toch begeert, dat men inzie, dat hij gelooft het regt aan zijne zijde te hebben. De kapitein, integendeel, hoewel een der hoogmoedigste menschen ter wereld, liet de overwinning zoo onbepaald aan zijne tegenpartij, dat zij, die in het minst niet twijfelde aan zijne opregtheid, altijd den twist ten einde zag loopen met de meeste bewondering van haar eigen verstand en zeer veel ingenomenheid met het zijne.Maar hoewel deze toegevendheid jegens iemand, die hij[75]diep verachtte, hem toen niet zoo moeijelijk viel, als het geval zou geweest zijn, wanneer hij om eenig vooruitzigt op bevordering genoodzaakt was geweest zich op dezelfde wijze te onderwerpen aan den Bisschop Hoadley, of eenigen anderen beroemden theologant, kostte ze hem toch te veel, om ze zonder eenige nevenbedoeling te dragen. Zoodra dus het huwelijk deze nevenbedoeling uit den weg geruimd had, verveelde hem zijne vriendelijkheid en hij begon de gevoelens zijner vrouw met dien hoogmoed en die onbeschoftheid te behandelen, welke alleen aan den dag gelegd worden door diegenen, die zelve eenige minachting verdienen, en die alleen kan verdragen worden door diegenen, welke geene minachting verdienen.Toen de eerste vlagen van teederheid voorbij waren,—en in de kalme en lange tusschenpoozen tusschen de aanvallen daarvan,—toen het gezond verstand der dame de oogen begon te openen, en zij deze verandering in het gedrag van den kapitein opmerkte, die al hare argumenten met „Boe!” en „Bah!” beantwoordde, was zij er ver van daan, deze beleediging met gelaten onderworpenheid te dragen. Integendeel, zij was er in het begin zoo hevig over vertoornd, dat de eene of andere tragische gebeurtenis er uit had kunnen ontstaan, indien haar gevoel geene meer onschuldige wending genomen had, door haar de meest mogelijke minachting voor het verstand van haar man in te boezemen, waardoor haar haat eenigzins gewijzigd werd, ofschoon zij ook hiervan meer dan genoeg koesterde.De kapitein haatte haar op eene meer onvermengde wijze: want, ten opzigte van gebrek aan kennis of verstand, verachtte hij haar niet meer dan hij had kunnen doen omdat zij geen zes voet lang was.In zijne gedachten omtrent het vrouwelijke geslacht, overtrof hij Aristoteles zelven in bitterheid. Hij beschouwde eene vrouw als een huisdier, van eenige meerdere waarde dan eene kat, daar hare diensten iets belangrijker van aard zijn; maar het onderscheid tusschen beide was, naar zijne schatting, zoo gering, dat het hem, in zijn huwelijk met de landerijen en onroerende goederen van den heer Allworthy, weinig had kunnen schelen, welke van beide hij op den koop toe mede had moeten nemen. En toch was zijn hoogmoed[76]zoo gevoelig van aard, dat de minachting welke zijn vrouw jegens hem liet blijken, hem kwetste, en dit, gevoegd bij de walging welke hij reeds voor hare liefde gekoesterd had, vervulde hem met afkeer en afschuw in eene mate die misschien zelden overtroffen is.In den huwelijken staat is er slechts één toestand, die van genoegen ontbloot is, en dat is de toestand van onverschilligheid; maar even als vele mijner lezers, naar ik hoop, het uitstekend genot kennen van een bemind wezen genoegen te doen, zoo zijn er ook, naar ik vrees, eenigen die de voldoening mogen gesmaakt hebben van het voorwerp van hun haat te plagen. Het is, dunkt me, om dit laatste genoegen te smaken, dat wij dikwijls beide partijen die rust in het huwelijk zien opofferen, die zij anders genieten konden, al ware hun levens-gezel hun ook nog zoo onaangenaam. Daarom is het dat de vrouw dikwijls vlagen van liefde en ijverzucht veinst, ja, zich zelve een genoegen weigert, om dat van haar echtgenoot te storen en te beletten, terwijl hij, van zijn kant, zich zelven dikwerf aan banden legt, en te huis blijft, in een gezelschap dat hem verveelt, alleen om zijne vrouw op dezelfde wijze te tergen. Van daar ook dikwijls die stortvloeden van tranen, welke soms de weduwe op de asch van een echtgenoot laat vallen, dien zij een leven van aanhoudende onrust en kwelling bezorgd heeft, en dien zij nu niet meer hopen kan te plagen.Als ooit echter eenig paar dit genot smaakte, werd het nu ten volle genoten door den kapitein en zijne vrouw. Het was altijd, voor beide, genoeg te weten dat de andere iets beweerde, om juist van het tegenovergestelde gevoelen te zijn. Als de een zekere tijdkorting voorstelde, was de andere er tegen; zij beminden, haatten, prezen of laakten nooit denzelfden persoon. En om deze reden was het dat, wijl de kapitein den kleinen vondeling met leede oogen aanschouwde, zijne vrouw hem bijna als haar eigen kind begon te liefkozen.De lezer zal gemakkelijk inzien, dat deze verhouding tusschen man en vrouw niet veel bijdragen kon om den heer Allworthy een rustig leven te verschaffen, even als het weinig bevorderlijk was aan dat kalme geluk, hetwelk hij zich, voor alle drie, uit dit huwelijk voorgespiegeld had. Het[77]blijft echter waar, dat, hoewel hij zich in zijne levendige verwachtingen eenigzins teleurgesteld zag, hij toch nog zeer onvolmaakt ingelicht was omtrent de heele zaak, want evenzeer als de kapitein, om zekere duidelijke redenen, genoodzaakt was in zijn bijzijn zeer op zijne hoede te wezen, zoo moest ook de dame, uit vrees voor haar broeders toorn, dezelfde gedragslijn volgen. Inderdaad, het is mogelijk dat een derde persoon lang zeer gemeenzaam kan wezen, of zelfs onder hetzelfde dak leven met een echtpaar, dat slechts tamelijk voorzigtig is, zonder zelfs de verbittering te vermoeden, welke tusschen beide heerscht; want, hoewel soms de heele dag te kort moge zijn voor den haat, even als voor de liefde, leveren de vele uren welke gehuwden in afzondering met elkaar doorbrengen, aan menschen die niet onmatig zijn, zoovele gelegenheden om beide driften bot te vieren, dat, als zij elkaar beminnen, zij eenige uren in het gezelschap van anderen kunnen zijn, zonder te vrijen, of als zij elkaar haten, zonder elkaar in het gezigt te spuwen.Het is echter mogelijk dat de heer Allworthy genoeg zag om zich een weinig te verontrusten; want wij moeten niet altijd gelooven, dat een wijs man zich niet bezeerd heeft, als hij niet hardop schreeuwt en klaagt, zoo als menschen doen, die kinderachtig of verwijfd van aard zijn.Het kan ook wezen, dat hij enkele gebreken in den kapitein zag, zonder eenige ongerustheid te gevoelen; want waarlijk wijze en goede menschen nemen de menschen en zaken zooals zij ze vinden, zonder over hunne onvolmaaktheden te klagen, of ze allen te willen verbeteren. Zij kunnen een gebrek in een vriend, een bloedverwant, of eene betrekking zien, zonder er ooit gewag van te maken tot die betrekkingen zelve, of iemand anders,—en dikwerf ook zonder eenige vermindering hunner genegenheid. En inderdaad, tenzij er veel scherpzin gepaard ga met deze toegevendheid, moesten wij alleen vriendschap sluiten met dwazen, die men foppen kan; want ik hoop dat mijne vrienden het me vergeven zullen, als ik verklaar dat ik geen onder hen ken, die zonder gebreken is, en het zou mij spijten als ik me verbeelden moest dat ik een vriend had, die de mijne niet zag. Vergiffenis van dezen aard geven en vragen wij wederkeerig. En dat is misschien niet een der onaangenaamste[78]pligten der vriendschap. En wij moeten deze vergiffenis schenken, zonder hoop op beterschap. Er is welligt niets dwazers te bedenken, dan de zucht om de aangeborene zwakheden van diegenen die wij liefhebben, te verbeteren. De fijnste zamenstelling der menschelijke natuur kan, even als het fijnste porselein, een barstje hebben dat niet te herstellen is, ofschoon in weerwil daarvan, de teekening er op hare zeer groote waarde behoudt.Over het algemeen dan, ontdekte de heer Allworthy, buiten kwestie, eenige gebreken in den kapitein; daar deze echter een zeer sluw mensch was, en altijd op zijne hoede in het bijzijn van zijn zwager, schenen ze hem niets anders toe dan kleine vlekjes in een goed karakter, die hij de goedheid had te vergeven, en de wijsheid om niet aan den kapitein zelven te ontdekken. Zijne meening zou zeer gewijzigd zijn geworden, indien hij alles geweten had, hetgeen welligt met den tijd het geval zou zijn geweest, als man en vrouw lang op denzelfden voet met elkaar geleefd hadden; maar het medelijdende noodlot beraamde de middelen om dit te voorkomen, en dwong den kapitein om iets te doen, waardoor hij weder dierbaar werd aan zijne vrouw, en al hare teederheid en liefde weder verwierf.

Hoofdstuk VII.Eene korte schets van het geluk, dat een wijs gehuwd paar in den haat kan vinden; met eene verontschuldiging van die menschen, die de onvolmaaktheden hunner vrienden over het hoofd zien.

Hoewel de kapitein den armen Partridge geheel te grond gerigt had, had hij er toch niet de voordeelen van ingeoogst,[74]welke hij gehoopt had, namelijk om den heer Allworthy den vondeling de deur uit te zien zetten.Integendeel, die heer werd bij den dag meer gehecht aan den kleinen Tom, alsof hij zijne strengheid tegen den vader door buitengewone liefde en goedheid voor den zoon wilde vergoeden.Dit verbitterde zeer het humeur van den kapitein, even als andere, dagelijksche voorbeelden van de mildheid van den heer Allworthy; want hij beschouwde alle dergelijke liefdadige uitgaven, als alleen strekkende om zijn eigen rijkdom te verminderen.Hierin, zooals wij gezegd hebben, was hij het niet met zijne vrouw eens,—evenmin als in iets anders; want hoewel vele wijze menschen aannemen, dat eene genegenheid die op het verstand berust, duurzamer is dan eene, die op de schoonheid gegrond is, bleek het tegenovergestelde waar te zijn in het onderhavige geval. Ja, het was het wederzijdsche verstand van dit paar, dat de hoofdbron van twist werd, en ééne der voornaamste oorzaken van de veelvuldige oneenigheden, welke, met der tijd, tusschen hen ontstonden; en die eindigden, van den kant der dame, met eene diepe minachting van haar man, terwijl de echtgenoot er toe kwam, zijne vrouw in alle opzigten te verfoeijen.Daar beide hunne gaven grootendeels besteed hadden aan de studie der godgeleerdheid, werd deze spoedig na hunne eerste kennismaking het hoofd-onderwerp hunner gesprekken. De kapitein, als beleefd man, had, vóór zijn huwelijk, altijd zijn gevoelen opgegeven, als het in strijd was met dat der dame, en dit geschiedde volstrekt niet naar de wijze van een lompen, onhandigen, verwaanden domkop, die, hoewel hij beleefdelijk zwicht voor een gegrond argument, toch begeert, dat men inzie, dat hij gelooft het regt aan zijne zijde te hebben. De kapitein, integendeel, hoewel een der hoogmoedigste menschen ter wereld, liet de overwinning zoo onbepaald aan zijne tegenpartij, dat zij, die in het minst niet twijfelde aan zijne opregtheid, altijd den twist ten einde zag loopen met de meeste bewondering van haar eigen verstand en zeer veel ingenomenheid met het zijne.Maar hoewel deze toegevendheid jegens iemand, die hij[75]diep verachtte, hem toen niet zoo moeijelijk viel, als het geval zou geweest zijn, wanneer hij om eenig vooruitzigt op bevordering genoodzaakt was geweest zich op dezelfde wijze te onderwerpen aan den Bisschop Hoadley, of eenigen anderen beroemden theologant, kostte ze hem toch te veel, om ze zonder eenige nevenbedoeling te dragen. Zoodra dus het huwelijk deze nevenbedoeling uit den weg geruimd had, verveelde hem zijne vriendelijkheid en hij begon de gevoelens zijner vrouw met dien hoogmoed en die onbeschoftheid te behandelen, welke alleen aan den dag gelegd worden door diegenen, die zelve eenige minachting verdienen, en die alleen kan verdragen worden door diegenen, welke geene minachting verdienen.Toen de eerste vlagen van teederheid voorbij waren,—en in de kalme en lange tusschenpoozen tusschen de aanvallen daarvan,—toen het gezond verstand der dame de oogen begon te openen, en zij deze verandering in het gedrag van den kapitein opmerkte, die al hare argumenten met „Boe!” en „Bah!” beantwoordde, was zij er ver van daan, deze beleediging met gelaten onderworpenheid te dragen. Integendeel, zij was er in het begin zoo hevig over vertoornd, dat de eene of andere tragische gebeurtenis er uit had kunnen ontstaan, indien haar gevoel geene meer onschuldige wending genomen had, door haar de meest mogelijke minachting voor het verstand van haar man in te boezemen, waardoor haar haat eenigzins gewijzigd werd, ofschoon zij ook hiervan meer dan genoeg koesterde.De kapitein haatte haar op eene meer onvermengde wijze: want, ten opzigte van gebrek aan kennis of verstand, verachtte hij haar niet meer dan hij had kunnen doen omdat zij geen zes voet lang was.In zijne gedachten omtrent het vrouwelijke geslacht, overtrof hij Aristoteles zelven in bitterheid. Hij beschouwde eene vrouw als een huisdier, van eenige meerdere waarde dan eene kat, daar hare diensten iets belangrijker van aard zijn; maar het onderscheid tusschen beide was, naar zijne schatting, zoo gering, dat het hem, in zijn huwelijk met de landerijen en onroerende goederen van den heer Allworthy, weinig had kunnen schelen, welke van beide hij op den koop toe mede had moeten nemen. En toch was zijn hoogmoed[76]zoo gevoelig van aard, dat de minachting welke zijn vrouw jegens hem liet blijken, hem kwetste, en dit, gevoegd bij de walging welke hij reeds voor hare liefde gekoesterd had, vervulde hem met afkeer en afschuw in eene mate die misschien zelden overtroffen is.In den huwelijken staat is er slechts één toestand, die van genoegen ontbloot is, en dat is de toestand van onverschilligheid; maar even als vele mijner lezers, naar ik hoop, het uitstekend genot kennen van een bemind wezen genoegen te doen, zoo zijn er ook, naar ik vrees, eenigen die de voldoening mogen gesmaakt hebben van het voorwerp van hun haat te plagen. Het is, dunkt me, om dit laatste genoegen te smaken, dat wij dikwijls beide partijen die rust in het huwelijk zien opofferen, die zij anders genieten konden, al ware hun levens-gezel hun ook nog zoo onaangenaam. Daarom is het dat de vrouw dikwijls vlagen van liefde en ijverzucht veinst, ja, zich zelve een genoegen weigert, om dat van haar echtgenoot te storen en te beletten, terwijl hij, van zijn kant, zich zelven dikwerf aan banden legt, en te huis blijft, in een gezelschap dat hem verveelt, alleen om zijne vrouw op dezelfde wijze te tergen. Van daar ook dikwijls die stortvloeden van tranen, welke soms de weduwe op de asch van een echtgenoot laat vallen, dien zij een leven van aanhoudende onrust en kwelling bezorgd heeft, en dien zij nu niet meer hopen kan te plagen.Als ooit echter eenig paar dit genot smaakte, werd het nu ten volle genoten door den kapitein en zijne vrouw. Het was altijd, voor beide, genoeg te weten dat de andere iets beweerde, om juist van het tegenovergestelde gevoelen te zijn. Als de een zekere tijdkorting voorstelde, was de andere er tegen; zij beminden, haatten, prezen of laakten nooit denzelfden persoon. En om deze reden was het dat, wijl de kapitein den kleinen vondeling met leede oogen aanschouwde, zijne vrouw hem bijna als haar eigen kind begon te liefkozen.De lezer zal gemakkelijk inzien, dat deze verhouding tusschen man en vrouw niet veel bijdragen kon om den heer Allworthy een rustig leven te verschaffen, even als het weinig bevorderlijk was aan dat kalme geluk, hetwelk hij zich, voor alle drie, uit dit huwelijk voorgespiegeld had. Het[77]blijft echter waar, dat, hoewel hij zich in zijne levendige verwachtingen eenigzins teleurgesteld zag, hij toch nog zeer onvolmaakt ingelicht was omtrent de heele zaak, want evenzeer als de kapitein, om zekere duidelijke redenen, genoodzaakt was in zijn bijzijn zeer op zijne hoede te wezen, zoo moest ook de dame, uit vrees voor haar broeders toorn, dezelfde gedragslijn volgen. Inderdaad, het is mogelijk dat een derde persoon lang zeer gemeenzaam kan wezen, of zelfs onder hetzelfde dak leven met een echtpaar, dat slechts tamelijk voorzigtig is, zonder zelfs de verbittering te vermoeden, welke tusschen beide heerscht; want, hoewel soms de heele dag te kort moge zijn voor den haat, even als voor de liefde, leveren de vele uren welke gehuwden in afzondering met elkaar doorbrengen, aan menschen die niet onmatig zijn, zoovele gelegenheden om beide driften bot te vieren, dat, als zij elkaar beminnen, zij eenige uren in het gezelschap van anderen kunnen zijn, zonder te vrijen, of als zij elkaar haten, zonder elkaar in het gezigt te spuwen.Het is echter mogelijk dat de heer Allworthy genoeg zag om zich een weinig te verontrusten; want wij moeten niet altijd gelooven, dat een wijs man zich niet bezeerd heeft, als hij niet hardop schreeuwt en klaagt, zoo als menschen doen, die kinderachtig of verwijfd van aard zijn.Het kan ook wezen, dat hij enkele gebreken in den kapitein zag, zonder eenige ongerustheid te gevoelen; want waarlijk wijze en goede menschen nemen de menschen en zaken zooals zij ze vinden, zonder over hunne onvolmaaktheden te klagen, of ze allen te willen verbeteren. Zij kunnen een gebrek in een vriend, een bloedverwant, of eene betrekking zien, zonder er ooit gewag van te maken tot die betrekkingen zelve, of iemand anders,—en dikwerf ook zonder eenige vermindering hunner genegenheid. En inderdaad, tenzij er veel scherpzin gepaard ga met deze toegevendheid, moesten wij alleen vriendschap sluiten met dwazen, die men foppen kan; want ik hoop dat mijne vrienden het me vergeven zullen, als ik verklaar dat ik geen onder hen ken, die zonder gebreken is, en het zou mij spijten als ik me verbeelden moest dat ik een vriend had, die de mijne niet zag. Vergiffenis van dezen aard geven en vragen wij wederkeerig. En dat is misschien niet een der onaangenaamste[78]pligten der vriendschap. En wij moeten deze vergiffenis schenken, zonder hoop op beterschap. Er is welligt niets dwazers te bedenken, dan de zucht om de aangeborene zwakheden van diegenen die wij liefhebben, te verbeteren. De fijnste zamenstelling der menschelijke natuur kan, even als het fijnste porselein, een barstje hebben dat niet te herstellen is, ofschoon in weerwil daarvan, de teekening er op hare zeer groote waarde behoudt.Over het algemeen dan, ontdekte de heer Allworthy, buiten kwestie, eenige gebreken in den kapitein; daar deze echter een zeer sluw mensch was, en altijd op zijne hoede in het bijzijn van zijn zwager, schenen ze hem niets anders toe dan kleine vlekjes in een goed karakter, die hij de goedheid had te vergeven, en de wijsheid om niet aan den kapitein zelven te ontdekken. Zijne meening zou zeer gewijzigd zijn geworden, indien hij alles geweten had, hetgeen welligt met den tijd het geval zou zijn geweest, als man en vrouw lang op denzelfden voet met elkaar geleefd hadden; maar het medelijdende noodlot beraamde de middelen om dit te voorkomen, en dwong den kapitein om iets te doen, waardoor hij weder dierbaar werd aan zijne vrouw, en al hare teederheid en liefde weder verwierf.

Hoewel de kapitein den armen Partridge geheel te grond gerigt had, had hij er toch niet de voordeelen van ingeoogst,[74]welke hij gehoopt had, namelijk om den heer Allworthy den vondeling de deur uit te zien zetten.

Integendeel, die heer werd bij den dag meer gehecht aan den kleinen Tom, alsof hij zijne strengheid tegen den vader door buitengewone liefde en goedheid voor den zoon wilde vergoeden.

Dit verbitterde zeer het humeur van den kapitein, even als andere, dagelijksche voorbeelden van de mildheid van den heer Allworthy; want hij beschouwde alle dergelijke liefdadige uitgaven, als alleen strekkende om zijn eigen rijkdom te verminderen.

Hierin, zooals wij gezegd hebben, was hij het niet met zijne vrouw eens,—evenmin als in iets anders; want hoewel vele wijze menschen aannemen, dat eene genegenheid die op het verstand berust, duurzamer is dan eene, die op de schoonheid gegrond is, bleek het tegenovergestelde waar te zijn in het onderhavige geval. Ja, het was het wederzijdsche verstand van dit paar, dat de hoofdbron van twist werd, en ééne der voornaamste oorzaken van de veelvuldige oneenigheden, welke, met der tijd, tusschen hen ontstonden; en die eindigden, van den kant der dame, met eene diepe minachting van haar man, terwijl de echtgenoot er toe kwam, zijne vrouw in alle opzigten te verfoeijen.

Daar beide hunne gaven grootendeels besteed hadden aan de studie der godgeleerdheid, werd deze spoedig na hunne eerste kennismaking het hoofd-onderwerp hunner gesprekken. De kapitein, als beleefd man, had, vóór zijn huwelijk, altijd zijn gevoelen opgegeven, als het in strijd was met dat der dame, en dit geschiedde volstrekt niet naar de wijze van een lompen, onhandigen, verwaanden domkop, die, hoewel hij beleefdelijk zwicht voor een gegrond argument, toch begeert, dat men inzie, dat hij gelooft het regt aan zijne zijde te hebben. De kapitein, integendeel, hoewel een der hoogmoedigste menschen ter wereld, liet de overwinning zoo onbepaald aan zijne tegenpartij, dat zij, die in het minst niet twijfelde aan zijne opregtheid, altijd den twist ten einde zag loopen met de meeste bewondering van haar eigen verstand en zeer veel ingenomenheid met het zijne.

Maar hoewel deze toegevendheid jegens iemand, die hij[75]diep verachtte, hem toen niet zoo moeijelijk viel, als het geval zou geweest zijn, wanneer hij om eenig vooruitzigt op bevordering genoodzaakt was geweest zich op dezelfde wijze te onderwerpen aan den Bisschop Hoadley, of eenigen anderen beroemden theologant, kostte ze hem toch te veel, om ze zonder eenige nevenbedoeling te dragen. Zoodra dus het huwelijk deze nevenbedoeling uit den weg geruimd had, verveelde hem zijne vriendelijkheid en hij begon de gevoelens zijner vrouw met dien hoogmoed en die onbeschoftheid te behandelen, welke alleen aan den dag gelegd worden door diegenen, die zelve eenige minachting verdienen, en die alleen kan verdragen worden door diegenen, welke geene minachting verdienen.

Toen de eerste vlagen van teederheid voorbij waren,—en in de kalme en lange tusschenpoozen tusschen de aanvallen daarvan,—toen het gezond verstand der dame de oogen begon te openen, en zij deze verandering in het gedrag van den kapitein opmerkte, die al hare argumenten met „Boe!” en „Bah!” beantwoordde, was zij er ver van daan, deze beleediging met gelaten onderworpenheid te dragen. Integendeel, zij was er in het begin zoo hevig over vertoornd, dat de eene of andere tragische gebeurtenis er uit had kunnen ontstaan, indien haar gevoel geene meer onschuldige wending genomen had, door haar de meest mogelijke minachting voor het verstand van haar man in te boezemen, waardoor haar haat eenigzins gewijzigd werd, ofschoon zij ook hiervan meer dan genoeg koesterde.

De kapitein haatte haar op eene meer onvermengde wijze: want, ten opzigte van gebrek aan kennis of verstand, verachtte hij haar niet meer dan hij had kunnen doen omdat zij geen zes voet lang was.

In zijne gedachten omtrent het vrouwelijke geslacht, overtrof hij Aristoteles zelven in bitterheid. Hij beschouwde eene vrouw als een huisdier, van eenige meerdere waarde dan eene kat, daar hare diensten iets belangrijker van aard zijn; maar het onderscheid tusschen beide was, naar zijne schatting, zoo gering, dat het hem, in zijn huwelijk met de landerijen en onroerende goederen van den heer Allworthy, weinig had kunnen schelen, welke van beide hij op den koop toe mede had moeten nemen. En toch was zijn hoogmoed[76]zoo gevoelig van aard, dat de minachting welke zijn vrouw jegens hem liet blijken, hem kwetste, en dit, gevoegd bij de walging welke hij reeds voor hare liefde gekoesterd had, vervulde hem met afkeer en afschuw in eene mate die misschien zelden overtroffen is.

In den huwelijken staat is er slechts één toestand, die van genoegen ontbloot is, en dat is de toestand van onverschilligheid; maar even als vele mijner lezers, naar ik hoop, het uitstekend genot kennen van een bemind wezen genoegen te doen, zoo zijn er ook, naar ik vrees, eenigen die de voldoening mogen gesmaakt hebben van het voorwerp van hun haat te plagen. Het is, dunkt me, om dit laatste genoegen te smaken, dat wij dikwijls beide partijen die rust in het huwelijk zien opofferen, die zij anders genieten konden, al ware hun levens-gezel hun ook nog zoo onaangenaam. Daarom is het dat de vrouw dikwijls vlagen van liefde en ijverzucht veinst, ja, zich zelve een genoegen weigert, om dat van haar echtgenoot te storen en te beletten, terwijl hij, van zijn kant, zich zelven dikwerf aan banden legt, en te huis blijft, in een gezelschap dat hem verveelt, alleen om zijne vrouw op dezelfde wijze te tergen. Van daar ook dikwijls die stortvloeden van tranen, welke soms de weduwe op de asch van een echtgenoot laat vallen, dien zij een leven van aanhoudende onrust en kwelling bezorgd heeft, en dien zij nu niet meer hopen kan te plagen.

Als ooit echter eenig paar dit genot smaakte, werd het nu ten volle genoten door den kapitein en zijne vrouw. Het was altijd, voor beide, genoeg te weten dat de andere iets beweerde, om juist van het tegenovergestelde gevoelen te zijn. Als de een zekere tijdkorting voorstelde, was de andere er tegen; zij beminden, haatten, prezen of laakten nooit denzelfden persoon. En om deze reden was het dat, wijl de kapitein den kleinen vondeling met leede oogen aanschouwde, zijne vrouw hem bijna als haar eigen kind begon te liefkozen.

De lezer zal gemakkelijk inzien, dat deze verhouding tusschen man en vrouw niet veel bijdragen kon om den heer Allworthy een rustig leven te verschaffen, even als het weinig bevorderlijk was aan dat kalme geluk, hetwelk hij zich, voor alle drie, uit dit huwelijk voorgespiegeld had. Het[77]blijft echter waar, dat, hoewel hij zich in zijne levendige verwachtingen eenigzins teleurgesteld zag, hij toch nog zeer onvolmaakt ingelicht was omtrent de heele zaak, want evenzeer als de kapitein, om zekere duidelijke redenen, genoodzaakt was in zijn bijzijn zeer op zijne hoede te wezen, zoo moest ook de dame, uit vrees voor haar broeders toorn, dezelfde gedragslijn volgen. Inderdaad, het is mogelijk dat een derde persoon lang zeer gemeenzaam kan wezen, of zelfs onder hetzelfde dak leven met een echtpaar, dat slechts tamelijk voorzigtig is, zonder zelfs de verbittering te vermoeden, welke tusschen beide heerscht; want, hoewel soms de heele dag te kort moge zijn voor den haat, even als voor de liefde, leveren de vele uren welke gehuwden in afzondering met elkaar doorbrengen, aan menschen die niet onmatig zijn, zoovele gelegenheden om beide driften bot te vieren, dat, als zij elkaar beminnen, zij eenige uren in het gezelschap van anderen kunnen zijn, zonder te vrijen, of als zij elkaar haten, zonder elkaar in het gezigt te spuwen.

Het is echter mogelijk dat de heer Allworthy genoeg zag om zich een weinig te verontrusten; want wij moeten niet altijd gelooven, dat een wijs man zich niet bezeerd heeft, als hij niet hardop schreeuwt en klaagt, zoo als menschen doen, die kinderachtig of verwijfd van aard zijn.

Het kan ook wezen, dat hij enkele gebreken in den kapitein zag, zonder eenige ongerustheid te gevoelen; want waarlijk wijze en goede menschen nemen de menschen en zaken zooals zij ze vinden, zonder over hunne onvolmaaktheden te klagen, of ze allen te willen verbeteren. Zij kunnen een gebrek in een vriend, een bloedverwant, of eene betrekking zien, zonder er ooit gewag van te maken tot die betrekkingen zelve, of iemand anders,—en dikwerf ook zonder eenige vermindering hunner genegenheid. En inderdaad, tenzij er veel scherpzin gepaard ga met deze toegevendheid, moesten wij alleen vriendschap sluiten met dwazen, die men foppen kan; want ik hoop dat mijne vrienden het me vergeven zullen, als ik verklaar dat ik geen onder hen ken, die zonder gebreken is, en het zou mij spijten als ik me verbeelden moest dat ik een vriend had, die de mijne niet zag. Vergiffenis van dezen aard geven en vragen wij wederkeerig. En dat is misschien niet een der onaangenaamste[78]pligten der vriendschap. En wij moeten deze vergiffenis schenken, zonder hoop op beterschap. Er is welligt niets dwazers te bedenken, dan de zucht om de aangeborene zwakheden van diegenen die wij liefhebben, te verbeteren. De fijnste zamenstelling der menschelijke natuur kan, even als het fijnste porselein, een barstje hebben dat niet te herstellen is, ofschoon in weerwil daarvan, de teekening er op hare zeer groote waarde behoudt.

Over het algemeen dan, ontdekte de heer Allworthy, buiten kwestie, eenige gebreken in den kapitein; daar deze echter een zeer sluw mensch was, en altijd op zijne hoede in het bijzijn van zijn zwager, schenen ze hem niets anders toe dan kleine vlekjes in een goed karakter, die hij de goedheid had te vergeven, en de wijsheid om niet aan den kapitein zelven te ontdekken. Zijne meening zou zeer gewijzigd zijn geworden, indien hij alles geweten had, hetgeen welligt met den tijd het geval zou zijn geweest, als man en vrouw lang op denzelfden voet met elkaar geleefd hadden; maar het medelijdende noodlot beraamde de middelen om dit te voorkomen, en dwong den kapitein om iets te doen, waardoor hij weder dierbaar werd aan zijne vrouw, en al hare teederheid en liefde weder verwierf.

[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een onfeilbaar voorschrift, om, zelfs in de meest wanhopige gevallen, de verbeurde liefde eener echtgenoote terug te winnen.De kapitein vond ruime vergoeding voor de onaangename oogenblikken welke hij in het bijzijn zijner vrouw moest slijten,—en die zoo weinig in getal waren als hij ze maar maken kon,—in de aangename gedachten, welke hij in de eenzaamheid genoot.Deze gedachten liepen bij uitsluiting over het vermogen van den heer Allworthy; want eerst had hij veel werk, met in zijn hoofd, zoo goed hij kon, de juiste waarde van het geheel na te gaan,—welke berekeningen hij telkens, steeds in zijn eigen voordeel veranderde; en in de tweede plaats,[79]vermaakte hij zich hoofdzakelijk met voorgenomene veranderingen in het huis en de tuinen, en in het ontwerpen van vele andere plannen, zoowel ter verbetering van de bezittingen als om iets grootsch aan het geheel te geven. Tot dit einde, hield hij zich bezig met de studie van bouwkunde en van het aanleggen van buitenplaatsen, en las vele werken over beide onderwerpen; want deze wetenschappen namen zijn geheelen tijd in beslag en waren zijne eenige uitspanning. Eindelijk had hij een alleruitmuntendst ontwerp gereed, en het spijt mij zeer, dat ik niet bij magte ben het aan mijne lezers te laten zien, daar het, naar ik meen, zelfs bij al de weelde onzer dagen, naauwelijks zijns gelijken heeft. Het bevatte inderdaad in den hoogsten graad de twee voornaamste bestanddeelen, welke alle grootsche en edele ontwerpen van dezen aard ter aanbeveling strekken, namelijk, het eischte buitengewone uitgaven, en zeer veel tijd om het eenigzins tot volmaking te brengen. In de eerste dezer behoeften, zouden de onmetelijke rijkdommen, welke de kapitein veronderstelde dat in het bezit waren van den heer Allworthy,—en die hij zeker wachtte zelf van hem te erven,—best voorzien; en wat de tweede betrof, zijn gezond gestel en zijn leeftijd, die niet boven de middelbare was, benamen hem alle vrees dat hij niet lang genoeg leven zou om zijn wensch vervuld te zien.Niets ontbrak er dus aan deonmiddellijkeuitvoering zijner plannen dan de dood van den heer Allworthy, en in het berekenen daarvan had hij een groot gedeelte van zijne kennis der Algebra uitgeput, na alle bestaande boeken gekocht te hebben, die handelen over den duur van het menschelijk leven, de betrekkelijke waarde van verwachte erfenissen, enz. Uit dit alles maakte hij op, dat daar er elken dag kans bestond dat het gebeuren zou, het ook zeer waarschijnlijk was dat zijn zwager binnen weinige jaren sterven zou.Maar, terwijl de kapitein op zekeren dag meer dan gewoonlijk verdiept was in beschouwingen van dezen aard, werd hij overvallen door een der droevigste en ontijdigste gebeurtenissen mogelijk. Inderdaad, het kwaadaardigste noodlot had niets kunnen bedenken dat zoo wreed, zoomal-à-propos, zoo bepaaldelijk verpletterend was voor al zijne plannen. Met één woord, om den lezer niet lang in onzekerheid te[80]laten, juist op het oogenblik dat hij zich in zijn hart verheugde, in beschouwingen over het geluk dat hem te wachten stond bij den dood van den heer Allworthy,—stierf hij zelf aan eene beroerte.Deze overviel den kapitein ongelukkig op zijne avondwandeling, in de eenzaamheid, zoodat er niemand bij was, om hem hulp te verleenen,—gesteld zelfs dat eenige hulp hem had kunnen redden. Hij nam dus op deze wijze de maat van den grond, die nu groot genoeg zou zijn voor al zijne toekomstige behoeften en lag dood uitgestrekt, een groot (ofschoon geen levend) voorbeeld van de waarheid van hetgeen door Horatius opgemerkt is:„Tu secanda marmoraLocas sub ipsum funus: et sepulchriImmemor, struis domus.”Welk denkbeeld ik op deze wijze vertolk: „Gij schaft de prachtigste bouwstoffen aan, terwijl niet meer dan eene spade en een houweel noodig zijn, en ge bouwt huizen, vijfhonderd voet lang en honderd breed, vergetende de woning die maar zes voet lang en twee breed is.”

Hoofdstuk VIII.Een onfeilbaar voorschrift, om, zelfs in de meest wanhopige gevallen, de verbeurde liefde eener echtgenoote terug te winnen.

De kapitein vond ruime vergoeding voor de onaangename oogenblikken welke hij in het bijzijn zijner vrouw moest slijten,—en die zoo weinig in getal waren als hij ze maar maken kon,—in de aangename gedachten, welke hij in de eenzaamheid genoot.Deze gedachten liepen bij uitsluiting over het vermogen van den heer Allworthy; want eerst had hij veel werk, met in zijn hoofd, zoo goed hij kon, de juiste waarde van het geheel na te gaan,—welke berekeningen hij telkens, steeds in zijn eigen voordeel veranderde; en in de tweede plaats,[79]vermaakte hij zich hoofdzakelijk met voorgenomene veranderingen in het huis en de tuinen, en in het ontwerpen van vele andere plannen, zoowel ter verbetering van de bezittingen als om iets grootsch aan het geheel te geven. Tot dit einde, hield hij zich bezig met de studie van bouwkunde en van het aanleggen van buitenplaatsen, en las vele werken over beide onderwerpen; want deze wetenschappen namen zijn geheelen tijd in beslag en waren zijne eenige uitspanning. Eindelijk had hij een alleruitmuntendst ontwerp gereed, en het spijt mij zeer, dat ik niet bij magte ben het aan mijne lezers te laten zien, daar het, naar ik meen, zelfs bij al de weelde onzer dagen, naauwelijks zijns gelijken heeft. Het bevatte inderdaad in den hoogsten graad de twee voornaamste bestanddeelen, welke alle grootsche en edele ontwerpen van dezen aard ter aanbeveling strekken, namelijk, het eischte buitengewone uitgaven, en zeer veel tijd om het eenigzins tot volmaking te brengen. In de eerste dezer behoeften, zouden de onmetelijke rijkdommen, welke de kapitein veronderstelde dat in het bezit waren van den heer Allworthy,—en die hij zeker wachtte zelf van hem te erven,—best voorzien; en wat de tweede betrof, zijn gezond gestel en zijn leeftijd, die niet boven de middelbare was, benamen hem alle vrees dat hij niet lang genoeg leven zou om zijn wensch vervuld te zien.Niets ontbrak er dus aan deonmiddellijkeuitvoering zijner plannen dan de dood van den heer Allworthy, en in het berekenen daarvan had hij een groot gedeelte van zijne kennis der Algebra uitgeput, na alle bestaande boeken gekocht te hebben, die handelen over den duur van het menschelijk leven, de betrekkelijke waarde van verwachte erfenissen, enz. Uit dit alles maakte hij op, dat daar er elken dag kans bestond dat het gebeuren zou, het ook zeer waarschijnlijk was dat zijn zwager binnen weinige jaren sterven zou.Maar, terwijl de kapitein op zekeren dag meer dan gewoonlijk verdiept was in beschouwingen van dezen aard, werd hij overvallen door een der droevigste en ontijdigste gebeurtenissen mogelijk. Inderdaad, het kwaadaardigste noodlot had niets kunnen bedenken dat zoo wreed, zoomal-à-propos, zoo bepaaldelijk verpletterend was voor al zijne plannen. Met één woord, om den lezer niet lang in onzekerheid te[80]laten, juist op het oogenblik dat hij zich in zijn hart verheugde, in beschouwingen over het geluk dat hem te wachten stond bij den dood van den heer Allworthy,—stierf hij zelf aan eene beroerte.Deze overviel den kapitein ongelukkig op zijne avondwandeling, in de eenzaamheid, zoodat er niemand bij was, om hem hulp te verleenen,—gesteld zelfs dat eenige hulp hem had kunnen redden. Hij nam dus op deze wijze de maat van den grond, die nu groot genoeg zou zijn voor al zijne toekomstige behoeften en lag dood uitgestrekt, een groot (ofschoon geen levend) voorbeeld van de waarheid van hetgeen door Horatius opgemerkt is:„Tu secanda marmoraLocas sub ipsum funus: et sepulchriImmemor, struis domus.”Welk denkbeeld ik op deze wijze vertolk: „Gij schaft de prachtigste bouwstoffen aan, terwijl niet meer dan eene spade en een houweel noodig zijn, en ge bouwt huizen, vijfhonderd voet lang en honderd breed, vergetende de woning die maar zes voet lang en twee breed is.”

De kapitein vond ruime vergoeding voor de onaangename oogenblikken welke hij in het bijzijn zijner vrouw moest slijten,—en die zoo weinig in getal waren als hij ze maar maken kon,—in de aangename gedachten, welke hij in de eenzaamheid genoot.

Deze gedachten liepen bij uitsluiting over het vermogen van den heer Allworthy; want eerst had hij veel werk, met in zijn hoofd, zoo goed hij kon, de juiste waarde van het geheel na te gaan,—welke berekeningen hij telkens, steeds in zijn eigen voordeel veranderde; en in de tweede plaats,[79]vermaakte hij zich hoofdzakelijk met voorgenomene veranderingen in het huis en de tuinen, en in het ontwerpen van vele andere plannen, zoowel ter verbetering van de bezittingen als om iets grootsch aan het geheel te geven. Tot dit einde, hield hij zich bezig met de studie van bouwkunde en van het aanleggen van buitenplaatsen, en las vele werken over beide onderwerpen; want deze wetenschappen namen zijn geheelen tijd in beslag en waren zijne eenige uitspanning. Eindelijk had hij een alleruitmuntendst ontwerp gereed, en het spijt mij zeer, dat ik niet bij magte ben het aan mijne lezers te laten zien, daar het, naar ik meen, zelfs bij al de weelde onzer dagen, naauwelijks zijns gelijken heeft. Het bevatte inderdaad in den hoogsten graad de twee voornaamste bestanddeelen, welke alle grootsche en edele ontwerpen van dezen aard ter aanbeveling strekken, namelijk, het eischte buitengewone uitgaven, en zeer veel tijd om het eenigzins tot volmaking te brengen. In de eerste dezer behoeften, zouden de onmetelijke rijkdommen, welke de kapitein veronderstelde dat in het bezit waren van den heer Allworthy,—en die hij zeker wachtte zelf van hem te erven,—best voorzien; en wat de tweede betrof, zijn gezond gestel en zijn leeftijd, die niet boven de middelbare was, benamen hem alle vrees dat hij niet lang genoeg leven zou om zijn wensch vervuld te zien.

Niets ontbrak er dus aan deonmiddellijkeuitvoering zijner plannen dan de dood van den heer Allworthy, en in het berekenen daarvan had hij een groot gedeelte van zijne kennis der Algebra uitgeput, na alle bestaande boeken gekocht te hebben, die handelen over den duur van het menschelijk leven, de betrekkelijke waarde van verwachte erfenissen, enz. Uit dit alles maakte hij op, dat daar er elken dag kans bestond dat het gebeuren zou, het ook zeer waarschijnlijk was dat zijn zwager binnen weinige jaren sterven zou.

Maar, terwijl de kapitein op zekeren dag meer dan gewoonlijk verdiept was in beschouwingen van dezen aard, werd hij overvallen door een der droevigste en ontijdigste gebeurtenissen mogelijk. Inderdaad, het kwaadaardigste noodlot had niets kunnen bedenken dat zoo wreed, zoomal-à-propos, zoo bepaaldelijk verpletterend was voor al zijne plannen. Met één woord, om den lezer niet lang in onzekerheid te[80]laten, juist op het oogenblik dat hij zich in zijn hart verheugde, in beschouwingen over het geluk dat hem te wachten stond bij den dood van den heer Allworthy,—stierf hij zelf aan eene beroerte.

Deze overviel den kapitein ongelukkig op zijne avondwandeling, in de eenzaamheid, zoodat er niemand bij was, om hem hulp te verleenen,—gesteld zelfs dat eenige hulp hem had kunnen redden. Hij nam dus op deze wijze de maat van den grond, die nu groot genoeg zou zijn voor al zijne toekomstige behoeften en lag dood uitgestrekt, een groot (ofschoon geen levend) voorbeeld van de waarheid van hetgeen door Horatius opgemerkt is:

„Tu secanda marmoraLocas sub ipsum funus: et sepulchriImmemor, struis domus.”

„Tu secanda marmora

Locas sub ipsum funus: et sepulchri

Immemor, struis domus.”

Welk denkbeeld ik op deze wijze vertolk: „Gij schaft de prachtigste bouwstoffen aan, terwijl niet meer dan eene spade en een houweel noodig zijn, en ge bouwt huizen, vijfhonderd voet lang en honderd breed, vergetende de woning die maar zes voet lang en twee breed is.”

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Het bewijs van de onfeilbaarheid van het reeds opgegeven voorschrift, in de klagten van de weduwe; tegelijk met andere gepaste attributen van den dood, zooals daar zijn: geneesheeren, enz. en een model-grafschrift.De heer Allworthy, zijne zuster en eene andere dame, waren op het gewone uur bijeengekomen in de eetzaal om het avondmaal te gebruiken, en na veel langer dan gewoonlijk gewacht te hebben, verklaarde de heer Allworthy het eerst, dat hij begon ongerust te worden over het uitblijven van den kapitein, (want deze was altijd zeer stipt op het etensuur) en beval met de schel te luiden in den tuin en vooral langs die paden, welke de kapitein gewoonlijk bezocht.[81]Daar al dit levenmaken vruchteloos bleek te zijn,—omdat de kapitein dezen avond, ongelukkig, een geheel nieuwen weg opgegaan was,—verklaarde nu ook mevrouw Blifil, dat zij zich ernstig ongerust maakte. Hierop deed de andere dame, eene harer meest vertrouwde vriendinnen,—die den waren toestand harer verhouding tot haren man kende,—haar best om haar tot bedaren te brengen,—met de verzekering, dat hoewel zij niet nalaten kon ongerust te zijn, zij toch het beste moest hopen. Welligt had de schoonheid van het weder den kapitein verleid om iets verder dan gewoonlijk zijne wandeling uit te strekken,—of, hij kon ook bij een buurman opgehouden zijn.Mevrouw Blifil zeide van neen! Zij was overtuigd dat het een of ander ongeluk hem overkomen was; want dat hij zeker niet uitblijven zou zonder haar te laten waarschuwen, daar hij wel wist hoe ligt zij zich ongerust maakte. De andere dame, die geene meerdere argumenten wist aan tevoeren, nam nu hare toevlugt tot de gebruikelijke smeekingen bij zulke gelegenheden en verzocht haar zich toch niet onnoodig ongerust te maken, daar zoo iets zeer nadeelig op hare gezondheid werken kon,—en een groot glas wijn inschenkende, ried zij haar,—en haalde haar eindelijk over,—om het leêg te drinken.De heer Allworthy trad nu weder in de kamer; want hij was er zelf op uit geweest om den kapitein te zoeken. Zijn gelaat teekende genoegzaam zijne vrees, welke hem inderdaad bijkans van de spraak beroofd had;—daar echter de smart op verschillende menschen verschillend werkt, verlevendigde de vrees, welke zijne stem onderdrukt had, de stem van mevrouw Blifil. Zij begon nu bitter te klagen, en stortvloeden van tranen vergezelden hare woorden, welke hare vriendin verklaarde dat volstrekt niet te berispen waren, terwijl zij haar echter terzelfder tijd den raad gaf er niet aan toe te geven, en den angst harer vriendin poogde te verminderen door wijsgeerige opmerkingen omtrent de vele rampen waaraan het menschelijke leven dagelijks blootgesteld is,—wat, zeide zij, genoeg was om ons sterkte te verleenen in alle omstandigheden, hoe onverwacht of verschrikkelijk ook. Zij verzocht haar ook geduld te leeren van haar broeder die, hoewel men niet veronderstellen kon, dat hij zich zóó[82]ongelukkig gevoelde als zij, toch, zonder twijfel, zich zeer ongerust maakte, ofschoon zijne onderwerping aan den goddelijken wil, zijne aandoeningen matigde.„Spreek me niet van mijn broeder!” riep mevrouw Blifil.„Ik alleen verdien medelijden! Wat is de ongerustheid der vriendschap, vergeleken bij de kwellingen eener vrouw in dergelijke gevallen? O! Hij is verloren! Iemand heeft hem vermoord—ik zal hem nooit weêr zien!”Hier had een nieuwe stortvloed van tranen dezelfde uitwerking bij haar als het onderdrukken er van op den heer Allworthy, en ook zij zweeg.Op dit oogenblik kwam een knecht, buiten adem, de kamer binnenloopen en riep uit: „De kapitein is gevonden,—” maar eer hij er iets bijvoegen kon, werd hij door twee anderen gevolgd, die het lijk droegen.Hier kan de oplettende lezer nog een ander verschil opmerken in de werking der smarte: want, even als de heer Allworthy tot dusver gezwegen had, om dezelfde reden welke zijne zuster luidruchtig had gemaakt, ontlokte hetgeen hij nu zag, tranen aan den heer, terwijl het die zijner zuster geheel opdroogde, die eerst een harden gil gaf en toen in zwijm viel.De kamer was weldra opgevuld met dienstboden, van welke sommigen zich bemoeiden, geholpen door hare vriendin, met de zorg voor de troostelooze weduwe, terwijl anderen, bijgestaan door den heer Allworthy, den kapitein in een warm bed legden, waar al het mogelijke beproefd werd om hem in het leven terug te roepen.En blijde zouden wij zijn als wij den lezer konden mededeelen, dat beide bewustelooze ligchamen met evenveel voorspoed verzorgd werden; want diegenen, die op zich genomen hadden de dame bijtestaan, slaagden zoo goed, dat, zoodra de flaauwte een betamelijken tijd geduurd had, zij tot hunne groote voldoening weer bijkwam. Maar wat den kapitein betrof, bleken alle proeven die men deed met aderlaten, wrijven, druppels enz. vergeefs te zijn. De Dood, die onwrikbare regter, had zijn vonnis geveld, en weigerde hem genade te schenken, hoewel twee geneesheeren, die aankwamen en beide daarvoor betaald werden, zijne zaak voor hem bepleitten.[83]Deze twee geneesheeren, die wij, om iedere kwaadwillige toepassing te voorkomen, Dr. Y. en Dr. Z. noemen zullen, na hem den pols gevoeld te hebben, namelijk Dr. Y. regts, en Dr. Z. links, werden het zamen eens, dat hij dood was; maar verschilden omtrent zijne kwaal en de oorzaak van zijn overlijden; daar Dr. Y. van gevoelen was, dat hij aan een apoplexie gestorven was, terwijl Dr. Z. volhield, dat het epilepsie was geweest.Hieruit ontstond een twist tusschen de beide geleerden, waarin beide hunne gevoelens met redenen omkleedden. En deze waren allen zoo krachtig, dat ze alleen daartoe dienden, om de beide dokters in hun eigen gevoelen te versterken, zonder den minsten indruk op de tegenpartij te maken.Om de waarheid te zeggen, heeft bijna iedere geneesheer zijne lievelingskwaal, waaraan hij alle zegepralen van den dood over de menschelijke natuur toeschrijft. Jicht, rheumatisme, de steen, het graveel en de tering, hebben alle hunne verschillende beschermheeren bij de fakulteit,—en geen een meer beschermers, dan „zenuwkoortsen.” En dit verklaart het verschil van meening omtrent de oorzaak van den dood van een zieke, dat dikwijls heerscht onder de meest geleerde mannen van het vak, en dat die menschen zeer verwonderd heeft, die de bijzonderheid, welke we pas vermeld hebben, niet kenden.Het zal den lezer welligt doen verbaasd staan, dat in plaats van te trachten den zieke te helpen, de geleerde heeren dadelijk een twist begonnen over de oorzaak van zijn dood; maar, werkelijk, alles was reeds vóór hunne komst beproefd; want de kapitein lag al in een warm bed, was ader gelaten, was gewreven, en allerlei sterke druppels waren in zijne neusgaten en tusschen zijne lippen gegoten.Daar de geneesheeren zich nu in alles voorkomen vonden, wat zij aanwenden wilden, werden zij verlegen hoe den behoorlijken tijd te slijten, dien zij doorbrengen moesten om op eene betamelijke wijze hun honorarium te verdienen, en zij moesten dus het eene of andere onderwerp tot een gesprek zoeken.—Wat kon zich dan natuurlijker aanbieden dan het voormelde?Onze dokters waren echter op het punt van afscheid te nemen,[84]toen de heer Allworthy, den kapitein opgegeven hebbende, met onderwerping aan den Goddelijken wil, naar zijne zuster begon te vragen, die hij hen verzocht voor hun vertrek te bezoeken.Deze dame was nu uit hare flaauwte bijgekomen, en om de gewone uitdrukking te bezigen, naar omstandigheden, redelijk welvarende.De dokters dus, na alle behoorlijke pligtplegingen, daar dit eene nieuwe patient was, gingen, gelijk verlangd werd, bij haar, en vatten beide eene harer handen, even als zij straks met het lijk gedaan hadden.Het geval van de dame was juist het tegenovergestelde van dat van haar man; want even als hij buiten het bereik was van alle geneeskundige hulp,—zoo had zij, werkelijk, geen bijstand noodig.Niets kan onbillijker zijn dan de algemeene meening, welke verkeerdelijk den geneesheer als een vriend van den dood voorstelt. Integendeel, ik geloof dat als het getal van diegenen welke met behulp der geneeskunde herstellen, vergeleken kon worden bij dat van de slagtoffers daarvan, het eerste getal eenigzins grooter zou zijn dan het laatste. Ja, sommige geneesheeren zijn zelfs zoo voorzigtig op dat punt, dat, om de mogelijkheid te voorkomen van ooit een patient te dooden, zij zich onthouden van alle pogingen om hem te genezen, en niets voorschrijven dan hetgeen goed noch kwaad kan. Ik heb enkele van dezen, met den meesten ernst, als een stelregel hooren verkondigen: „Dat men het aan de natuur overlaten moet om haar eigen werk te doen; en dat de geneesheer er bij staat, als het ware, om haar op den schouder te tikken en haar aan te moedigen als zij het goed doet.”Onze twee dokters schepten ook zoo weinig behagen in den dood, dat zij het lijk verlieten na de eerste visite; maar zij waren meer ingenomen met de levende zieke, omtrent wier behandeling zij het dadelijk eens waren en voor wie zij met den meesten ijver aan het voorschrijven gingen.Ik wil niet bepaaldelijk zeggen, dat even als de dame in het begin de geneesheeren wijs gemaakt had, dat zij ziek was, zij ook nu, van hun kant, haar dat deden gelooven: maar zij bleef toch eene geheele maand omgeven van al den schijn[85]der ziekte. Gedurende dezen tijd werd zij door geneesheeren bezocht, door ziekenbewaaksters opgepast, en ontving zij ook aanhoudend boodschappen van hare kennissen, om naar haren toestand te vernemen.Eindelijk, toen de betamelijke periode der ziekte en der onmatige treurigheid voorbij was, werden de geneesheeren ontslagen, en de dame begon menschen te ontvangen, alleen verschillende van hetgeen zij vroeger was door die sombere tinten, waarmede zij hare gestalte en hare gelaatstrekken getooid had.De kapitein was dus nu begraven en zou welligt al een heel eind ver geweest op den weg der vergetelheid, als de vriendschap van den heer Allworthy niet zorg gedragen had om zijne gedachtenis te bewaren, door het volgende grafschrift, hetwelk opgesteld is door een man, die evenzeer uitmunt door genie, als door eerlijkheid, en die den kapitein volmaakt goed kende:[86]Hier rust,In de hoop op een beter leven,Het sterfelijk omhulselvan denKapitein JAN BLIFIL.Londenhad de eer van zijne geboorte,Oxfordvan zijne opvoeding.Zijne gavenstrekten zijn beroep en zijn vaderlandtot roem.Zijn wandel verheerlijkte zijne Godsdiensten de menschelijke natuur.Hij was een gehoorzame Zoon,Een teedere Echtgenoot,Een liefderijke Vader,Een hartelijke Broeder,Een opregte Vriend,Een vroom Christen,En een goed Mensch.Zijne troostelooze weduweHeeft dezen zerk opgerigt,Tot gedenkteekenZijner Deugden,En harer Liefde.[87]

Hoofdstuk IX.Het bewijs van de onfeilbaarheid van het reeds opgegeven voorschrift, in de klagten van de weduwe; tegelijk met andere gepaste attributen van den dood, zooals daar zijn: geneesheeren, enz. en een model-grafschrift.

De heer Allworthy, zijne zuster en eene andere dame, waren op het gewone uur bijeengekomen in de eetzaal om het avondmaal te gebruiken, en na veel langer dan gewoonlijk gewacht te hebben, verklaarde de heer Allworthy het eerst, dat hij begon ongerust te worden over het uitblijven van den kapitein, (want deze was altijd zeer stipt op het etensuur) en beval met de schel te luiden in den tuin en vooral langs die paden, welke de kapitein gewoonlijk bezocht.[81]Daar al dit levenmaken vruchteloos bleek te zijn,—omdat de kapitein dezen avond, ongelukkig, een geheel nieuwen weg opgegaan was,—verklaarde nu ook mevrouw Blifil, dat zij zich ernstig ongerust maakte. Hierop deed de andere dame, eene harer meest vertrouwde vriendinnen,—die den waren toestand harer verhouding tot haren man kende,—haar best om haar tot bedaren te brengen,—met de verzekering, dat hoewel zij niet nalaten kon ongerust te zijn, zij toch het beste moest hopen. Welligt had de schoonheid van het weder den kapitein verleid om iets verder dan gewoonlijk zijne wandeling uit te strekken,—of, hij kon ook bij een buurman opgehouden zijn.Mevrouw Blifil zeide van neen! Zij was overtuigd dat het een of ander ongeluk hem overkomen was; want dat hij zeker niet uitblijven zou zonder haar te laten waarschuwen, daar hij wel wist hoe ligt zij zich ongerust maakte. De andere dame, die geene meerdere argumenten wist aan tevoeren, nam nu hare toevlugt tot de gebruikelijke smeekingen bij zulke gelegenheden en verzocht haar zich toch niet onnoodig ongerust te maken, daar zoo iets zeer nadeelig op hare gezondheid werken kon,—en een groot glas wijn inschenkende, ried zij haar,—en haalde haar eindelijk over,—om het leêg te drinken.De heer Allworthy trad nu weder in de kamer; want hij was er zelf op uit geweest om den kapitein te zoeken. Zijn gelaat teekende genoegzaam zijne vrees, welke hem inderdaad bijkans van de spraak beroofd had;—daar echter de smart op verschillende menschen verschillend werkt, verlevendigde de vrees, welke zijne stem onderdrukt had, de stem van mevrouw Blifil. Zij begon nu bitter te klagen, en stortvloeden van tranen vergezelden hare woorden, welke hare vriendin verklaarde dat volstrekt niet te berispen waren, terwijl zij haar echter terzelfder tijd den raad gaf er niet aan toe te geven, en den angst harer vriendin poogde te verminderen door wijsgeerige opmerkingen omtrent de vele rampen waaraan het menschelijke leven dagelijks blootgesteld is,—wat, zeide zij, genoeg was om ons sterkte te verleenen in alle omstandigheden, hoe onverwacht of verschrikkelijk ook. Zij verzocht haar ook geduld te leeren van haar broeder die, hoewel men niet veronderstellen kon, dat hij zich zóó[82]ongelukkig gevoelde als zij, toch, zonder twijfel, zich zeer ongerust maakte, ofschoon zijne onderwerping aan den goddelijken wil, zijne aandoeningen matigde.„Spreek me niet van mijn broeder!” riep mevrouw Blifil.„Ik alleen verdien medelijden! Wat is de ongerustheid der vriendschap, vergeleken bij de kwellingen eener vrouw in dergelijke gevallen? O! Hij is verloren! Iemand heeft hem vermoord—ik zal hem nooit weêr zien!”Hier had een nieuwe stortvloed van tranen dezelfde uitwerking bij haar als het onderdrukken er van op den heer Allworthy, en ook zij zweeg.Op dit oogenblik kwam een knecht, buiten adem, de kamer binnenloopen en riep uit: „De kapitein is gevonden,—” maar eer hij er iets bijvoegen kon, werd hij door twee anderen gevolgd, die het lijk droegen.Hier kan de oplettende lezer nog een ander verschil opmerken in de werking der smarte: want, even als de heer Allworthy tot dusver gezwegen had, om dezelfde reden welke zijne zuster luidruchtig had gemaakt, ontlokte hetgeen hij nu zag, tranen aan den heer, terwijl het die zijner zuster geheel opdroogde, die eerst een harden gil gaf en toen in zwijm viel.De kamer was weldra opgevuld met dienstboden, van welke sommigen zich bemoeiden, geholpen door hare vriendin, met de zorg voor de troostelooze weduwe, terwijl anderen, bijgestaan door den heer Allworthy, den kapitein in een warm bed legden, waar al het mogelijke beproefd werd om hem in het leven terug te roepen.En blijde zouden wij zijn als wij den lezer konden mededeelen, dat beide bewustelooze ligchamen met evenveel voorspoed verzorgd werden; want diegenen, die op zich genomen hadden de dame bijtestaan, slaagden zoo goed, dat, zoodra de flaauwte een betamelijken tijd geduurd had, zij tot hunne groote voldoening weer bijkwam. Maar wat den kapitein betrof, bleken alle proeven die men deed met aderlaten, wrijven, druppels enz. vergeefs te zijn. De Dood, die onwrikbare regter, had zijn vonnis geveld, en weigerde hem genade te schenken, hoewel twee geneesheeren, die aankwamen en beide daarvoor betaald werden, zijne zaak voor hem bepleitten.[83]Deze twee geneesheeren, die wij, om iedere kwaadwillige toepassing te voorkomen, Dr. Y. en Dr. Z. noemen zullen, na hem den pols gevoeld te hebben, namelijk Dr. Y. regts, en Dr. Z. links, werden het zamen eens, dat hij dood was; maar verschilden omtrent zijne kwaal en de oorzaak van zijn overlijden; daar Dr. Y. van gevoelen was, dat hij aan een apoplexie gestorven was, terwijl Dr. Z. volhield, dat het epilepsie was geweest.Hieruit ontstond een twist tusschen de beide geleerden, waarin beide hunne gevoelens met redenen omkleedden. En deze waren allen zoo krachtig, dat ze alleen daartoe dienden, om de beide dokters in hun eigen gevoelen te versterken, zonder den minsten indruk op de tegenpartij te maken.Om de waarheid te zeggen, heeft bijna iedere geneesheer zijne lievelingskwaal, waaraan hij alle zegepralen van den dood over de menschelijke natuur toeschrijft. Jicht, rheumatisme, de steen, het graveel en de tering, hebben alle hunne verschillende beschermheeren bij de fakulteit,—en geen een meer beschermers, dan „zenuwkoortsen.” En dit verklaart het verschil van meening omtrent de oorzaak van den dood van een zieke, dat dikwijls heerscht onder de meest geleerde mannen van het vak, en dat die menschen zeer verwonderd heeft, die de bijzonderheid, welke we pas vermeld hebben, niet kenden.Het zal den lezer welligt doen verbaasd staan, dat in plaats van te trachten den zieke te helpen, de geleerde heeren dadelijk een twist begonnen over de oorzaak van zijn dood; maar, werkelijk, alles was reeds vóór hunne komst beproefd; want de kapitein lag al in een warm bed, was ader gelaten, was gewreven, en allerlei sterke druppels waren in zijne neusgaten en tusschen zijne lippen gegoten.Daar de geneesheeren zich nu in alles voorkomen vonden, wat zij aanwenden wilden, werden zij verlegen hoe den behoorlijken tijd te slijten, dien zij doorbrengen moesten om op eene betamelijke wijze hun honorarium te verdienen, en zij moesten dus het eene of andere onderwerp tot een gesprek zoeken.—Wat kon zich dan natuurlijker aanbieden dan het voormelde?Onze dokters waren echter op het punt van afscheid te nemen,[84]toen de heer Allworthy, den kapitein opgegeven hebbende, met onderwerping aan den Goddelijken wil, naar zijne zuster begon te vragen, die hij hen verzocht voor hun vertrek te bezoeken.Deze dame was nu uit hare flaauwte bijgekomen, en om de gewone uitdrukking te bezigen, naar omstandigheden, redelijk welvarende.De dokters dus, na alle behoorlijke pligtplegingen, daar dit eene nieuwe patient was, gingen, gelijk verlangd werd, bij haar, en vatten beide eene harer handen, even als zij straks met het lijk gedaan hadden.Het geval van de dame was juist het tegenovergestelde van dat van haar man; want even als hij buiten het bereik was van alle geneeskundige hulp,—zoo had zij, werkelijk, geen bijstand noodig.Niets kan onbillijker zijn dan de algemeene meening, welke verkeerdelijk den geneesheer als een vriend van den dood voorstelt. Integendeel, ik geloof dat als het getal van diegenen welke met behulp der geneeskunde herstellen, vergeleken kon worden bij dat van de slagtoffers daarvan, het eerste getal eenigzins grooter zou zijn dan het laatste. Ja, sommige geneesheeren zijn zelfs zoo voorzigtig op dat punt, dat, om de mogelijkheid te voorkomen van ooit een patient te dooden, zij zich onthouden van alle pogingen om hem te genezen, en niets voorschrijven dan hetgeen goed noch kwaad kan. Ik heb enkele van dezen, met den meesten ernst, als een stelregel hooren verkondigen: „Dat men het aan de natuur overlaten moet om haar eigen werk te doen; en dat de geneesheer er bij staat, als het ware, om haar op den schouder te tikken en haar aan te moedigen als zij het goed doet.”Onze twee dokters schepten ook zoo weinig behagen in den dood, dat zij het lijk verlieten na de eerste visite; maar zij waren meer ingenomen met de levende zieke, omtrent wier behandeling zij het dadelijk eens waren en voor wie zij met den meesten ijver aan het voorschrijven gingen.Ik wil niet bepaaldelijk zeggen, dat even als de dame in het begin de geneesheeren wijs gemaakt had, dat zij ziek was, zij ook nu, van hun kant, haar dat deden gelooven: maar zij bleef toch eene geheele maand omgeven van al den schijn[85]der ziekte. Gedurende dezen tijd werd zij door geneesheeren bezocht, door ziekenbewaaksters opgepast, en ontving zij ook aanhoudend boodschappen van hare kennissen, om naar haren toestand te vernemen.Eindelijk, toen de betamelijke periode der ziekte en der onmatige treurigheid voorbij was, werden de geneesheeren ontslagen, en de dame begon menschen te ontvangen, alleen verschillende van hetgeen zij vroeger was door die sombere tinten, waarmede zij hare gestalte en hare gelaatstrekken getooid had.De kapitein was dus nu begraven en zou welligt al een heel eind ver geweest op den weg der vergetelheid, als de vriendschap van den heer Allworthy niet zorg gedragen had om zijne gedachtenis te bewaren, door het volgende grafschrift, hetwelk opgesteld is door een man, die evenzeer uitmunt door genie, als door eerlijkheid, en die den kapitein volmaakt goed kende:[86]Hier rust,In de hoop op een beter leven,Het sterfelijk omhulselvan denKapitein JAN BLIFIL.Londenhad de eer van zijne geboorte,Oxfordvan zijne opvoeding.Zijne gavenstrekten zijn beroep en zijn vaderlandtot roem.Zijn wandel verheerlijkte zijne Godsdiensten de menschelijke natuur.Hij was een gehoorzame Zoon,Een teedere Echtgenoot,Een liefderijke Vader,Een hartelijke Broeder,Een opregte Vriend,Een vroom Christen,En een goed Mensch.Zijne troostelooze weduweHeeft dezen zerk opgerigt,Tot gedenkteekenZijner Deugden,En harer Liefde.[87]

De heer Allworthy, zijne zuster en eene andere dame, waren op het gewone uur bijeengekomen in de eetzaal om het avondmaal te gebruiken, en na veel langer dan gewoonlijk gewacht te hebben, verklaarde de heer Allworthy het eerst, dat hij begon ongerust te worden over het uitblijven van den kapitein, (want deze was altijd zeer stipt op het etensuur) en beval met de schel te luiden in den tuin en vooral langs die paden, welke de kapitein gewoonlijk bezocht.[81]

Daar al dit levenmaken vruchteloos bleek te zijn,—omdat de kapitein dezen avond, ongelukkig, een geheel nieuwen weg opgegaan was,—verklaarde nu ook mevrouw Blifil, dat zij zich ernstig ongerust maakte. Hierop deed de andere dame, eene harer meest vertrouwde vriendinnen,—die den waren toestand harer verhouding tot haren man kende,—haar best om haar tot bedaren te brengen,—met de verzekering, dat hoewel zij niet nalaten kon ongerust te zijn, zij toch het beste moest hopen. Welligt had de schoonheid van het weder den kapitein verleid om iets verder dan gewoonlijk zijne wandeling uit te strekken,—of, hij kon ook bij een buurman opgehouden zijn.

Mevrouw Blifil zeide van neen! Zij was overtuigd dat het een of ander ongeluk hem overkomen was; want dat hij zeker niet uitblijven zou zonder haar te laten waarschuwen, daar hij wel wist hoe ligt zij zich ongerust maakte. De andere dame, die geene meerdere argumenten wist aan tevoeren, nam nu hare toevlugt tot de gebruikelijke smeekingen bij zulke gelegenheden en verzocht haar zich toch niet onnoodig ongerust te maken, daar zoo iets zeer nadeelig op hare gezondheid werken kon,—en een groot glas wijn inschenkende, ried zij haar,—en haalde haar eindelijk over,—om het leêg te drinken.

De heer Allworthy trad nu weder in de kamer; want hij was er zelf op uit geweest om den kapitein te zoeken. Zijn gelaat teekende genoegzaam zijne vrees, welke hem inderdaad bijkans van de spraak beroofd had;—daar echter de smart op verschillende menschen verschillend werkt, verlevendigde de vrees, welke zijne stem onderdrukt had, de stem van mevrouw Blifil. Zij begon nu bitter te klagen, en stortvloeden van tranen vergezelden hare woorden, welke hare vriendin verklaarde dat volstrekt niet te berispen waren, terwijl zij haar echter terzelfder tijd den raad gaf er niet aan toe te geven, en den angst harer vriendin poogde te verminderen door wijsgeerige opmerkingen omtrent de vele rampen waaraan het menschelijke leven dagelijks blootgesteld is,—wat, zeide zij, genoeg was om ons sterkte te verleenen in alle omstandigheden, hoe onverwacht of verschrikkelijk ook. Zij verzocht haar ook geduld te leeren van haar broeder die, hoewel men niet veronderstellen kon, dat hij zich zóó[82]ongelukkig gevoelde als zij, toch, zonder twijfel, zich zeer ongerust maakte, ofschoon zijne onderwerping aan den goddelijken wil, zijne aandoeningen matigde.

„Spreek me niet van mijn broeder!” riep mevrouw Blifil.

„Ik alleen verdien medelijden! Wat is de ongerustheid der vriendschap, vergeleken bij de kwellingen eener vrouw in dergelijke gevallen? O! Hij is verloren! Iemand heeft hem vermoord—ik zal hem nooit weêr zien!”

Hier had een nieuwe stortvloed van tranen dezelfde uitwerking bij haar als het onderdrukken er van op den heer Allworthy, en ook zij zweeg.

Op dit oogenblik kwam een knecht, buiten adem, de kamer binnenloopen en riep uit: „De kapitein is gevonden,—” maar eer hij er iets bijvoegen kon, werd hij door twee anderen gevolgd, die het lijk droegen.

Hier kan de oplettende lezer nog een ander verschil opmerken in de werking der smarte: want, even als de heer Allworthy tot dusver gezwegen had, om dezelfde reden welke zijne zuster luidruchtig had gemaakt, ontlokte hetgeen hij nu zag, tranen aan den heer, terwijl het die zijner zuster geheel opdroogde, die eerst een harden gil gaf en toen in zwijm viel.

De kamer was weldra opgevuld met dienstboden, van welke sommigen zich bemoeiden, geholpen door hare vriendin, met de zorg voor de troostelooze weduwe, terwijl anderen, bijgestaan door den heer Allworthy, den kapitein in een warm bed legden, waar al het mogelijke beproefd werd om hem in het leven terug te roepen.

En blijde zouden wij zijn als wij den lezer konden mededeelen, dat beide bewustelooze ligchamen met evenveel voorspoed verzorgd werden; want diegenen, die op zich genomen hadden de dame bijtestaan, slaagden zoo goed, dat, zoodra de flaauwte een betamelijken tijd geduurd had, zij tot hunne groote voldoening weer bijkwam. Maar wat den kapitein betrof, bleken alle proeven die men deed met aderlaten, wrijven, druppels enz. vergeefs te zijn. De Dood, die onwrikbare regter, had zijn vonnis geveld, en weigerde hem genade te schenken, hoewel twee geneesheeren, die aankwamen en beide daarvoor betaald werden, zijne zaak voor hem bepleitten.[83]

Deze twee geneesheeren, die wij, om iedere kwaadwillige toepassing te voorkomen, Dr. Y. en Dr. Z. noemen zullen, na hem den pols gevoeld te hebben, namelijk Dr. Y. regts, en Dr. Z. links, werden het zamen eens, dat hij dood was; maar verschilden omtrent zijne kwaal en de oorzaak van zijn overlijden; daar Dr. Y. van gevoelen was, dat hij aan een apoplexie gestorven was, terwijl Dr. Z. volhield, dat het epilepsie was geweest.

Hieruit ontstond een twist tusschen de beide geleerden, waarin beide hunne gevoelens met redenen omkleedden. En deze waren allen zoo krachtig, dat ze alleen daartoe dienden, om de beide dokters in hun eigen gevoelen te versterken, zonder den minsten indruk op de tegenpartij te maken.

Om de waarheid te zeggen, heeft bijna iedere geneesheer zijne lievelingskwaal, waaraan hij alle zegepralen van den dood over de menschelijke natuur toeschrijft. Jicht, rheumatisme, de steen, het graveel en de tering, hebben alle hunne verschillende beschermheeren bij de fakulteit,—en geen een meer beschermers, dan „zenuwkoortsen.” En dit verklaart het verschil van meening omtrent de oorzaak van den dood van een zieke, dat dikwijls heerscht onder de meest geleerde mannen van het vak, en dat die menschen zeer verwonderd heeft, die de bijzonderheid, welke we pas vermeld hebben, niet kenden.

Het zal den lezer welligt doen verbaasd staan, dat in plaats van te trachten den zieke te helpen, de geleerde heeren dadelijk een twist begonnen over de oorzaak van zijn dood; maar, werkelijk, alles was reeds vóór hunne komst beproefd; want de kapitein lag al in een warm bed, was ader gelaten, was gewreven, en allerlei sterke druppels waren in zijne neusgaten en tusschen zijne lippen gegoten.

Daar de geneesheeren zich nu in alles voorkomen vonden, wat zij aanwenden wilden, werden zij verlegen hoe den behoorlijken tijd te slijten, dien zij doorbrengen moesten om op eene betamelijke wijze hun honorarium te verdienen, en zij moesten dus het eene of andere onderwerp tot een gesprek zoeken.—Wat kon zich dan natuurlijker aanbieden dan het voormelde?

Onze dokters waren echter op het punt van afscheid te nemen,[84]toen de heer Allworthy, den kapitein opgegeven hebbende, met onderwerping aan den Goddelijken wil, naar zijne zuster begon te vragen, die hij hen verzocht voor hun vertrek te bezoeken.

Deze dame was nu uit hare flaauwte bijgekomen, en om de gewone uitdrukking te bezigen, naar omstandigheden, redelijk welvarende.

De dokters dus, na alle behoorlijke pligtplegingen, daar dit eene nieuwe patient was, gingen, gelijk verlangd werd, bij haar, en vatten beide eene harer handen, even als zij straks met het lijk gedaan hadden.

Het geval van de dame was juist het tegenovergestelde van dat van haar man; want even als hij buiten het bereik was van alle geneeskundige hulp,—zoo had zij, werkelijk, geen bijstand noodig.

Niets kan onbillijker zijn dan de algemeene meening, welke verkeerdelijk den geneesheer als een vriend van den dood voorstelt. Integendeel, ik geloof dat als het getal van diegenen welke met behulp der geneeskunde herstellen, vergeleken kon worden bij dat van de slagtoffers daarvan, het eerste getal eenigzins grooter zou zijn dan het laatste. Ja, sommige geneesheeren zijn zelfs zoo voorzigtig op dat punt, dat, om de mogelijkheid te voorkomen van ooit een patient te dooden, zij zich onthouden van alle pogingen om hem te genezen, en niets voorschrijven dan hetgeen goed noch kwaad kan. Ik heb enkele van dezen, met den meesten ernst, als een stelregel hooren verkondigen: „Dat men het aan de natuur overlaten moet om haar eigen werk te doen; en dat de geneesheer er bij staat, als het ware, om haar op den schouder te tikken en haar aan te moedigen als zij het goed doet.”

Onze twee dokters schepten ook zoo weinig behagen in den dood, dat zij het lijk verlieten na de eerste visite; maar zij waren meer ingenomen met de levende zieke, omtrent wier behandeling zij het dadelijk eens waren en voor wie zij met den meesten ijver aan het voorschrijven gingen.

Ik wil niet bepaaldelijk zeggen, dat even als de dame in het begin de geneesheeren wijs gemaakt had, dat zij ziek was, zij ook nu, van hun kant, haar dat deden gelooven: maar zij bleef toch eene geheele maand omgeven van al den schijn[85]der ziekte. Gedurende dezen tijd werd zij door geneesheeren bezocht, door ziekenbewaaksters opgepast, en ontving zij ook aanhoudend boodschappen van hare kennissen, om naar haren toestand te vernemen.

Eindelijk, toen de betamelijke periode der ziekte en der onmatige treurigheid voorbij was, werden de geneesheeren ontslagen, en de dame begon menschen te ontvangen, alleen verschillende van hetgeen zij vroeger was door die sombere tinten, waarmede zij hare gestalte en hare gelaatstrekken getooid had.

De kapitein was dus nu begraven en zou welligt al een heel eind ver geweest op den weg der vergetelheid, als de vriendschap van den heer Allworthy niet zorg gedragen had om zijne gedachtenis te bewaren, door het volgende grafschrift, hetwelk opgesteld is door een man, die evenzeer uitmunt door genie, als door eerlijkheid, en die den kapitein volmaakt goed kende:[86]

Hier rust,In de hoop op een beter leven,Het sterfelijk omhulselvan denKapitein JAN BLIFIL.Londenhad de eer van zijne geboorte,Oxfordvan zijne opvoeding.Zijne gavenstrekten zijn beroep en zijn vaderlandtot roem.Zijn wandel verheerlijkte zijne Godsdiensten de menschelijke natuur.Hij was een gehoorzame Zoon,Een teedere Echtgenoot,Een liefderijke Vader,Een hartelijke Broeder,Een opregte Vriend,Een vroom Christen,En een goed Mensch.Zijne troostelooze weduweHeeft dezen zerk opgerigt,Tot gedenkteekenZijner Deugden,En harer Liefde.[87]


Back to IndexNext