Boek III.

Boek III.Bevattende de merkwaardigste gebeurtenissen in het huisgezin van den heer Allworthy, van het veertiende tot het negentiende jaar van het leven van Tom Jones. In dit boek kan de lezer eenige wenken vinden omtrent de opvoeding van kinderen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevat weinig of niets.De lezer zal de goedheid willen hebben zich te herinneren, dat wij hem bij het begin van het tweede boek van deze geschiedenis, een wenk gaven van ons voornemen om verschillende ruime tijdvakken met stilzwijgen voorbij te gaan, die niets opleverden dat waardig was in eene geschiedenis van dezen aard geboekt te worden.Door dit te doen, raadplegen we niet slechts onze eigene waardigheid en gemak, maar tevens het voordeel en het nut van den lezer, want, behalve dat wij hem op deze wijze beletten zijn tijd te verspillen met lektuur, die hem genoegen noch stichting oplevert, stellen wij hem ook bij zulke gelegenheden telkens in staat om dien verbazenden scherpzin te gebruiken, die hem eigen is, tot het invullen van dergelijke tijdvakken met zijne eigene conjecturen; waartoe wij zorg gedragen hebben hem in de vorige hoofdstukken te bekwamen.Bij voorbeeld, welke lezer beseft niet, dat de heer Allworthy, in het begin, bij het verlies van zijn vriend, die smartelijke gewaarwordingen ondervond, welke bij zulke gelegenheden ieder mensch ondervindt, wiens hart niet van steen en wiens hoofd niet uit even harde bestanddeelen zamengesteld is? Al verder: welke lezer weet niet dat de wijsbegeerte en de godsdienst met der tijd deze smart moesten lenigen en eindelijk uitwisschen? De wijsbegeerte leerde hoe dwaas en ijdel ze was; de godsdienst berispte ze als ongeoorloofd; terwijl zij ze tegelijk verzachtte, door die hoop en zekerheid voor de toekomst optewekken, die een krachtigen, godvruchtigen[88]mensch in staat stellen met bijna even veel onverschilligheid afscheid te nemen van een vriend op zijn sterfbed, alsof hij zich op reis begaf,—en inderdaad met weinig minder hoop van hem weder te zien.De verstandige lezer zal ook geen bezwaar hebben, om zich het gedrag van mevrouw Blifil voortestellen, die zoo lang men het leed te kennen geeft door uiterlijken tooi, ten strengste alle regels der betamelijkheid en welvoegelijkheid in acht nam, de veranderingen van haar gelaat schikkende naar de veranderingen van hare kleeding; want, naarmate de kap afgelegd werd, om alleen zwart te dragen, het zwart in grijs veranderde, het grijs in wit, zoo veranderde ook haar gelaat, van wanhopig tot ellendig, van ellendig tot droevig, van droevig tot ernstig,—tot de dag verscheen, toen zij hare vroegere kalmte weder aannemen kon.Wij hebben alleen deze beide gevallen aangevoerd als voorbeelden van hetgeen men van den meest dagelijkschen lezer kan eischen. Van de meer ervarenen in de kritiek kan men hoogere en moeijelijker bewijzen van hunne oordeelkunde vergen. Wij twijfelen niet dat door dezen vele belangrijke ontdekkingen gemaakt zullen worden, aangaande de gebeurtenissen in de familie van onzen waardigen vriend, gedurende de jaren, welke wij goedvonden met stilzwijgen voorbij te gaan;—want, hoewel er niets voorviel in dit tijdvak, dat eene plaats in deze geschiedenis verdiende, is er toch veel voorgevallen dat even belangrijk is als veel van hetgeen vermeld wordt door de dagelijksche en wekelijksche geschiedschrijvers van deze eeuw, in welke lektuur, naar ik vrees, zeer vele menschen een aanmerkelijk gedeelte van hun tijd verspillen, zonder veel gesticht te worden.Door de conjecturen echter, waartoe ik hier de gelegenheid aanbied kunnen sommige, der uitstekendste gaven van den geest geoefend worden, daar het een veel nuttiger vermogen is, in staat te zijn de handelingen der menschen te voorspellen uit hunne karakters, dan hunne karakters uit hunne handelingen te leeren beoordeelen. Ik beken dat het eerste den meesten scherpzin eischt; maar het is even doenlijk als het laatste, mits men waarlijk schrander zij. Daar wij overtuigd zijn, dat de meeste onzer lezers deze gave in hooge mate bezitten, hebben wij hun een tijdvak[89]van twaalf jaren gelaten om blijken daarvan te geven, en zullen nu onzen held, op omstreeks veertienjarigen leeftijd aan hen voorstellen, daar vele menschen, buiten twijfel, reeds lang wenschen kennis met hem te maken.[Inhoud]Hoofdstuk II.De held van deze geschiedenis treedt onder zeer slechte voorteekens op. Een klein verhaaltje, zoo gemeen van aard, dat sommige lezers het hunner onwaardig zullen achten. Een woord of wat aangaande een landjonker; meer over een jagtopziener en een schoolmeester.Daar wij het besluit namen, toen wij ons neerzetten om deze geschiedenis te schrijven, om geen mensch te vleijen, maar onze pen steeds door de waarheid zelve te laten besturen, zijn wij genoodzaakt onzen held op eene veel onvoordeeliger wijze ten tooneele te voeren, dan wij gewenscht zouden hebben, en eerlijk te verklaren, zelfs bij zijne eerste optreding, dat het gevoelen algemeen heerschte in de familie van den heer Allworthy, dat die jongen zeker voor de galg opgroeide.Het spijt me werkelijk te moeten bekennen, dat er maar al te veel grond scheen voor deze voorspelling. Want de jongen liet, van de teederste jeugd af, eene neiging blijken tot vele ondeugden, en vooral tot ééne, welke even regtstreeks als eenige andere, tot dat uiteinde leidt, hetwelk we pas opgemerkt hebben, dat aangaande hem geprofeteerd werd. Hij was reeds aan drie diefstallen schuldig bevonden, namelijk: hij had appelen gestolen uit een boomgaard; een eend geroofd van een boerenerf, en een bal uit den zak van den jongen heer Blifil.De ondeugden van dezen jongeling kwamen, daarenboven, des te meer uit, als zij tegenovergesteld werden aan de deugden van den jongen heer Blifil, zijn makker;—een jongen zoo verschillend van aard met den kleinen Jones, dat niet slechts de familie, maar tegelijk ook het heele dorp, van zijne loftuitingen weerklonk. Hij was inderdaad een[90]knaap van een zeer merkwaardig karakter: sober, bescheiden, vroom, boven zijne jaren;—hoedanigheden, die hem de liefde verwierven van iedereen, die hem kende, terwijl Tom Jones algemeen misviel, en velen hunne verwondering te kennen gaven, dat de heer Allworthy er in toestemmen kon, dat zulk een jongen met zijn neef opgevoed werd, wiens zeden ligt door zoo’n voorbeeld benadeeld konden worden. Eene gebeurtenis, welke omstreeks dezen tijd voorviel, zal het karakter van deze beide jongens beter verklaren voor den helderzienden lezer, dan de langste redenering zou kunnen doen.Tom Jones, die, hoe slecht ook, als held dezer geschiedenis moet optreden, had slechts één vriend onder al de dienstboden van de familie, want, jufvrouw Wilkins had hem al lang opgegeven en was geheel en al verzoend met mevrouw Blifil. Deze vriend was de jagtopziener, een losse vent van aard, die verdacht werd geene strengere begrippen omtrent hetmeumen hettuumte koesteren dan de jonge heer zelf. Vandaar dat deze vriendschap onder de dienstboden zelve, aanleiding gaf tot vele satirieke opmerkingen, van welke de meesten òf toen al tot de spreekwoorden behoorden, òf sedert dien tijd spreekwoorden zijn geworden, en welker strekking bevat is in het korte latijnsche gezegde: „noscitur a sociis,” hetwelk vertolkt kan worden: „Daar men meê verkeert, wordt men meê geëerd.”En werkelijk, iets van die verschrikkelijke slechtheid in Jones, waarvan wij drie staaltjes pas vermeld hebben, zou welligt kunnen toegeschreven worden aan de aanmoediging van dezen mensch, die in een paar gevallen geweest was, wat de regtsgeleerden noemen, „medepligtige aan de daad;” want de geheele eend en de meeste der appels dienden tot het gebruik van den jagtopziener en van zijn huisgezin. Daar echter Jones alleen ontdekt werd, droeg hij niet slechts de geheele straf, maar ook den ganschen blaam, welke beide hem weder ten deel vielen bij de volgende gelegenheid:Onmidellijkaan de landerijen van den heer Allworthy grensde de heerlijkheid van een van die heeren, die het wild zeer streng bewaren. Deze slag van menschen, te oordeelen naar de groote gestrengheid, waarmede zij het dooden van een haas of een patrijs straffen, zouden kunnen geacht worden[91]besmet te zijn met hetzelfde bijgeloof als zekere Indische stammen, die, zoo als men verhaalt, hun geheel leven toewijden aan het kweeken en koesteren van zekere dieren, ware het niet dat onze Engelsche Indianen, terwijl zij ze tegen andere vijanden verdedigen, onbarmhartig zelve geheele karrenvrachten daarvan slagten,—wat hen natuurlijk geheel vrij pleit van eenig heidensch bijgeloof hoegenaamd.Ik koester inderdaad eene veel gunstiger meening dan velen omtrent zulke menschen, daar ik het er voor houd, dat zij aan de natuur, en aan het doel hunner bestemming op eene veel volmaakter wijze weten te voldoen, dan vele anderen. Want, even als Horatius ons vertelt, dat er zekere menschelijke wezens zijn,„Fruges consumere nati,”„geboren om de vruchten der aarde te gebruiken,” zoo twijfel ik ook niet dat er anderen zijn,„Feras consumere nati,”„geboren om de wilde dieren,” of gelijk men gewoonlijk zegt, „het wild” op te eten, en niemand zal, denkelijk, ontkennen, dat dergelijke landjonkers deze hunne bestemming bereiken.De kleine Jones ging dan op zekeren dag met dezen jager er op uit,—en een vlugt patrijzen, die opvloog bij de grenzen van die bezittingen over welke het noodlot, om de wijze bedoelingen der natuur te vervullen, een dergelijken wild-etenden mensch gesteld had, ging weer liggen, gelijk men zegt, en zooals de twee jagers zagen, onder eenige boomstruiken, zoowat een paar honderd pas aan gene zijde van de grenzen der landerijen van den heer Allworthy.De heer Allworthy had zijn jager bevolen, op straf van ontslagen te worden, nooit bij iemand zijner buren te stroopen;—bij die welke minder streng waren op dat punt evenmin als bij den heer in kwestie. Ten opzigte van anderen werden deze voorschriften niet altijd zeer stipt opgevolgd; daar echter het karakter van den heer bij wien de vogels nu toevlugt gezocht hadden, wel bekend was, had de jager tot dusver nooit gewaagd diens gebied te betreden. Hij zou het ook nu wel gelaten hebben, als de jongere jager, die buitengewoon driftig was in het vervolgen van het wild, hem niet overgehaald had; daar echter Jones hem niet losliet,[92]gaf de andere, die zelf gaarne schieten wilde, aan zijne verzoeken gehoor, overschreed de grenzen en schoot een der vogels.De heer van de plaats, die zelf in de nabijheid te paard reed, hoorde het schot, ijldeonmiddellijknaar de plaats toe en ontdekte den armen Tom; want de jager was midden in de digtste struiken gesprongen, waar hij zich gelukkig wist te verbergen.De heer onderzocht den jongen, en de patrijs bij hem vindende, zwoer hij, dat hij zich wraak zou verschaffen en den heer Allworthy van de zaak kennis geven.Hij hield ookonmiddellijkwoord, want hij reed naar het huis en klaagde over dit stroopen op zijne jagt in even bittere woorden en even ernstig, alsof men in zijn huis ingebroken en de kostbaarste meubelen er uit gehaald had. Hij voegde er bij, dat de jongen iemand anders bij zich had moeten hebben, want dat hij twee schoten bijna op hetzelfde oogenblik gehoord had. „En,” voegde hij er bij, „ik heb slechts dezen éénen vogel gevonden, maar de hemel weet, hoeveel kwaad zij gedaan hebben!”Bij zijne tehuiskomst werd Tom dadelijk bij den heer Allworthy geroepen. Hij bekende het feit, en bragt geene andere verontschuldiging in, dan wat wezenlijk waar was, dat de patrijzen eerst op de jagt van den heer Allworthy zelven opgevlogen waren.Toen werd hem gevraagd, wien hij bij zich had gehad, wat de heer Allworthy verklaarde, stellig te willen weten, den beschuldigde opmerkzaam makende op de twee schoten, die gehoord werden én door den heer én door zijne beide bedienden; maar Tom hield vol met stoutweg te beweren, dat hij alleen was geweest; hoewel hij, om de waarheid te zeggen, in het begin aarzelde, wat de heer Allworthy in zijn geloof bevestigd zou hebben, als hij getwijfeld had aan hetgeen zijn buurman en de knechts verklaard hadden.Daar de jager een verdacht persoon was, zond men nu om hem, en ook hij werd ondervraagd; daar hij echter vast vertrouwde op Tom’s belofte om alle schuld op zich te nemen, loochende hij zeer standvastig, dat hij in gezelschap van den jongen heer geweest was, of dat hij hem zelfs dien namiddag gezien had.[93]De heer Allworthy, wiens gelaat buitengewoon toornig was, wendde zich nu tot Tom en vermaande hem alles te bekennen, daar hij besloten had alles te weten. De jongen echter bleef bij zijn besluit en werd door den hevig vertoornden Allworthy weggezonden, die hem zeide, dat hij zich bedenken kon tot den volgenden morgen, als wanneer hij door iemand anders en op eene geheel andere wijze ondervraagd zou worden.De arme Jones bragt een zeer droevigen nacht door,—te meer omdat hij zijn gewonen makker miste, daar de jonge heer Blifil met zijne moeder uit logeren was. Vrees voor de straf, die hem bedreigde, was zijne minste kwelling zijne hoofdzorg was de angst, dat zijne standvastigheid bezwijken mogt, en dat hij den jager verraden zou, die, gelijk hij wist, daardoor te grond gerigt zou worden.De jager bragt ook geen gelukkigen tijd door. Hij koesterde dezelfde vrees als de jongen, en vreesde meer diens woord van eer dan zijne beenderen te zien breken.Des morgens, toen Tom bij den eerwaarden heer Thwackum verscheen, den persoon aan wien de heer Allworthy de opvoeding der beide jongens toevertrouwd had, werden hem, door dien heer, dezelfde vragen gedaan als den vorigen avond, waarop hij ook dezelfde antwoorden gaf. Het gevolg was zulk eene strenge ligchamelijke kastijding, dat die welligt weinig onderdeed voor de folteringen, waaraan, in sommige landen, de beschuldigden onderworpen worden, om hen tot bekentenis te brengen.Tom droeg de straf met de meeste standvastigheid, en hoewel de meester hem met elken slag vroeg of hij nog niet bekennen wilde, verkoos hij liever zich levend te laten villen, dan zijn vriend te verraden, of zijn gegeven woord te breken.De jager was nu van zijn angst bevrijd en de heer Allworthy zelf begon wroeging te gevoelen over Tom’s lijden; want behalve dat de heer Thwackum, die zeer boos was, dat hij niet in staat was den jongen alles te laten zeggen, wat hem goed dunkte, veel strenger was geweest dan de goede Allworthy bedoeld had, begon deze nu te veronderstellen, dat zijn buurman zich vergist had, wat zijne groote drift en toorn niet onwaarschijnlijk maakte, en ten opzigte[94]van hetgeen de knechts gezegd hadden, om het berigt van hun meester te bevestigen, daar hechtte hij niet veel waarde aan.Omdat nu wreedheid en onregtvaardigheid twee denkbeelden waren, welke het den heer Allworthy onmogelijk viel zelfs voor één oogenblik te verdragen, zond hij om Tom en na vele zachte en liefderijke vermaningen, zeide hij: „Ik ben overtuigd, kindlief, dat ik u verkeerd verdacht hield;—het spijt me dus dat gij om deze zaak zoo streng gestraft wordt.”En hij eindigde met hem een hitje te schenken, ter vergoeding, met herhaling van zijn leedwezen over het gebeurde. Tom verweet zich nu zijne schuld veel heviger dan hij ooit zou gedaan hebben, na de grootste gestrengheid. Het was hem gemakkelijker gevallen de stokslagen van Thwackum dan de goedheid van Allworthy te verdragen. Hij barstte in tranen uit, wierp zich op de knieën en riep:„O, mijnheer! Gij zijt te goed voor mij! Wezenlijk! wezenlijk, ik verdien zoo iets niet!”En op dat oogenblik zou hij haast uit de volheid van zijn hart het geheim verklapt hebben, zoo de beschermgeest van den jager hem niet ingefluisterd had, welke gevolgen dat hebben kon voor dien armen mensch, en deze bedenkingen hem geen slot op de lippen gelegd hadden.Thwackum deed zijn best om Allworthy te beletten eenig medelijden of vriendelijkheid jegens den jongen aan den dag te leggen, zeggende: „Hij heeft eene onwaarheid vol gehouden,”—tegelijk met eenige wenken, dat eene tweede kastijding welligt de zaak aan het licht zou brengen.Maar de heer Allworthy weigerde bepaaldelijk tot deze proef overtegaan. Hij zeide dat de jongen reeds genoeg geleden had voor het verbergen der waarheid, zelfs als hij schuldig was, aangezien hij geene andere reden daartoe kon hebben dan een verkeerd begrip van eer.„Eer!” riep Thwackum, met eenige drift; „niets dan koppigheid en eigenwaan! kan de eer iemand er toe brengen een leugen te vertellen, of kan er eer bestaan zonder godsdienst?”Dit gesprek had plaats aan tafel, dadelijk na het eten, en in tegenwoordigheid van den heer Allworthy, den heer[95]Thwackum, en een derden heer, die nu deel aan het dispuut nam, en dien wij kortelings aan den lezer bekend willen maken eer wij verder gaan.[Inhoud]Hoofdstuk III.Het karakter van den wijsgeer Square en van den heer Thwackum, den godgeleerde, met een dispuut over—.De naam van dezen heer, die sedert eenigen tijd bij den heer Allworthy inwoonde, was Square. De gaven, welke hij van de natuur ontvangen had, waren niet zeer groot, maar hij had ze ontwikkeld door eene wetenschappelijke opvoeding. Hij was zeer belezen in de oude letterkunde, en vooral zeer op de hoogte van al de werken van Plato en Aristoteles, naar welke groote voorbeelden hij zich voornamelijk gevormd had,—soms de gevoelens van den een, en soms weder die van den andere volgende. In zijne zedeleer hield hij het met Plato; in de godsdienst helde hij tot de gevoelens van Aristoteles over.Maar hoewel hij, zooals gezegd is, zijne voorbeelden nam uit de Platonische school, was hij het volmaakt eens met het gevoelen van Aristoteles, als die een groot man eerder beschouwt als een wijsgeer, of speculatieven geest, dan als een wetgever. Dit gevoelen dreef hij zeer ver;—zelfs zoo ver, dat hij alle deugd slechts beschouwde als theorie. ’t Is waar, dat hij dit nooit tegen iemand beweerde, voor zoo ver ik weet, maar met een oog op zijn gedrag, kan ik niet nalaten te denken dat het zijn wezenlijk gevoelen was, waardoor ook eenige, anders schijnbare tegenstrijdigheden in zijn karakter best verklaard worden.Deze mijnheer en de heer Thwackum ontmoetten elkaar haast nooit zonder te twisten, daar hunne leerstellingen inderdaad lijnregt tegenover elkaar stonden. Square hield de menschelijke natuur voor de volmaaktheid der deugd, en beschouwde de ondeugd als eene afwijking van de natuur, te vergelijken bij ligchamelijke mismaaktheid. Thwackum integendeel, beweerde, dat de menschelijke geest, sedert[96]Adams val, niets was dan een vat vol boosheid, tot het gezuiverd en weder gered werd door de goddelijke genade. Slechts op één punt waren zij het eens, en dat was, nooit in hunne wijsgeerige gesprekken van „het goede” te spreken. De geliefkoosde spreekwijze van den eerste was: „de natuurlijke schoonheid der deugd;” van den laatste: „de goddelijke magt der genade.”De eene beoordeelde alle handelingen volgens de onveranderlijke wetten van het regt en de eeuwige orde der dingen; de andere besliste alles volgens „de autoriteiten;” maar hierin gebruikte hij steeds de schrift en hare uitleggers, even als een regtsgeleerde doet met zijne wetboeken, wanneer de commentarie beschouwd wordt niet minder gezag te hebben dan de tekst.Na deze korte inleiding, zal de lezer de goedheid hebben zich te herinneren, dat de geestelijke geëindigd was met de zegevierende vraag, welke, naar hij meende, geene tegenspraak te vreezen had:„Kan er eenige eer zijn, zonder godsdienst?”Hierop hernam Square, dat het onmogelijk was wijsgeerig over de woorden te praten, eer hunne juiste beteekenis bepaald was; dat er naauwelijks twee woorden bestonden, die meer onbepaald en onzeker van beteekenis waren dan de twee, welke hij pas gebruikt had, want dat er bijna evenveel begrippen van eer als van godsdienst bestonden.„Maar,” vervolgde hij, „als gij door eer de ware natuurlijke schoonheid der deugd verstaat, dan houd ik vol, dat die bestaan kan zonder eenige godsdienst hoegenaamd. Ja,” voegde hij er bij, „gij zult zelf bekennen, dat ze bestaan kan onafhankelijk van alle godsdiensten, op ééne na;—en dat zal eveneens de mohammedaan, de jood, en met één woord iedere volgeling van iedere sekte ter wereld doen.”Thwackum hernam dat dit redeneren was op de wijze van alle kwaadaardige vijanden van de eenige kerk. Hij zeide, er niet aan te twijfelen, dat alle ketters en heidenen ter wereld, de eer, als zij er maar kans toe zagen, beperken zouden tot hunne eigene bespottelijke dwalingen en verfoeijelijke bedriegerijen; „maar,” ging hij voort, „daarom is de eer niet veelsoortig, omdat zoo vele ongerijmde denkbeelden[97]daarvan bestaan; en de godsdienst kan toch maar één zijn, in weerwil van alle sekten en ketters ter wereld; als ik van godsdienst spreek, dan bedoel ik de christelijke godsdienst, en niet slechts de christelijke godsdienst, maar ook de protestantsche godsdienst, en niet slechts de protestantsche godsdienst, maar de kerk van Engeland. En als ik van eer spreek, bedoel ik die mate van goddelijke genade, die niet slechts bestaanbaar is met, maar die ook afhankelijk is van deze godsdienst, en geene andere eer. En te zeggen, dat die eer, welke ik bedoel, en die, naar ik meende, de eenige eer was, welke bedoeld kon worden, iemand veroorloven kan niet alleen eene onwaarheid te zeggen, maar hem dit zelfs tot pligt maakt, is eene ongerijmdheid, te stuitend om begrepen te worden.”„Ik vermeed voorbedachtelijk,” hernam Square, „eene gevolgtrekking te maken, die, naar het me toescheen, blijkbaar was uit hetgeen ik zeide; maar als gij die opgemerkt hebt, is het zeker, dat gij niet getracht hebt ze te weêrleggen. Maar, om de kwestie van godsdienst daar te laten, geloof ik, dat het duidelijk blijkt uit uwe woorden, dat wij verschillende begrippen omtrent de eer koesteren;—of hoe komt het dat wij het niet eens zijn in de verklaring daarvan? Ik heb beweerd, dat de ware eer en de ware deugd bijna synoniemen zijn, en dat beide gegrond zijn op de onveranderlijke wetten van het regt en van de eeuwige orde der dingen;—en daar eene onwaarheid bepaaldelijk daarmede tegenstrijdig en vijandig is, is het ook zeker, dat de ware eer geene onwaarheid goedkeuren kan. Hierin geloof ik dus dat wij het beide eens zijn; maar dat men zou willen volhouden, dat deze eer gegrond kan zijn op de godsdienst, hoewel zij ouder is dan deze, indien men door godsdienst eenige stellige wet bedoelt,—”„Ik het met u eens!” riep Thwackum, met veel drift, „en dat met iemand, die durft te beweren dat de eer ouder is dan de godsdienst!—mijnheer Allworthy, ik beroep me op u,—heb ik toegestemd—?”Hij wilde voortgaan, toen de heer Allworthy hem in de rede viel en zeer bedaard zeide, dat zij hem beide verkeerd begrepen hadden; want dat hij van waar eergevoel niet gesproken had.—Het is echter mogelijk dat hij de[98]twistenden niet gemakkelijk tot bedaren gebragt zou hebben, daar beide even driftig waren geworden, als er niet iets anders tusschenbeide gekomen ware, dat voor het oogenblik voor goed een einde maakte aan het gesprek.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende eene noodzakelijke verontschuldiging voor den schrijver en eene kinderachtige gebeurtenis, welke welligt ook eene verontschuldiging eischt.Eer ik verder ga, moet ik de vrijheid nemen elke verkeerde uitlegging te voorkomen, waartoe de ijver van sommige lezers hen welligt verleiden kon; want ik wenschte volstrekt niet wien ook te grieven,—vooral niet dezulken die voor de deugd of de godsdienst ijveren.Ik hoop dus dat niemand door een grof misverstand, of verkeerde opvatting mijner bedoeling, mij ten onregte beschuldigen zal van een streven om de grootste volmaaktheden waarvoor de menschelijke natuur vatbaar is, bespottelijk te maken;—daar juist die alleen in staat zijn het hart te zuiveren en te veredelen en den mensch boven het dier te verheffen. Neen, ik waag het, de verzekering aan den lezer te geven (en hoe beter mensch hij is, des te gemakkelijker zal hij mij kunnen gelooven), dat ik liever dan aan één dier heerlijke dingen afbreuk te doen, de gevoelens van de twee menschen in kwestie gaarne voor eeuwig aan de vergetelheid zou ten prijs gegeven hebben.Integendeel: het was met het oogmerk om deugd en godsdienst te bevorderen, dat ik op me nam het leven en de handelingen van twee harer valsche en gewaande voorvechters te beschrijven. Een verraderlijke vriend is de gevaarlijkste vijand; en ik vrees niet te verklaren, dat beide, godsdienst en deugd, wezenlijk meer benadeeld zijn door huichelaren, dan door de geestigste losbollen en ongeloovigen. Ja zelfs, even als deugd en godsdienst, als ze zuiver zijn, met regt genoemd worden de band der burgerlijke maatschappij, en inderdaad de grootste der zegeningen[99]zijn, zoo zijn ze ook, wanneer ze verpest of bedorven worden door bedrog schijn, en uitwendig vertoon, de ergste vloeken onzer zamenleving, die den mensch er toe gebragt hebben om zijn eigen geslacht op de wreedaardigste wijze, sedert onheugelijke tijden, te kwellen.Ik twijfel ook niet of men zal over het algemeen mijne satire wel begrijpen; mijne voornaamste vrees blijft echter, dat, daar er onder hetgeen die beide personen spraken, veel juists en waars was, men het een met het ander verwarren zal, en zich verbeelden dat ik alles tegelijk wilde bespotten. De lezer moge echter bedenken, dat daar deze twee mannen volstrekt niet dom waren, men ook niet veronderstellen kon, dat zij niets dan verkeerde grondbeginselen voorstonden, of niets dan ongerijmdheden uitten. Ik zou hen dus zeer onjuist voorgesteld hebben, als ik niets dan het slechte uit hunne gesprekken uitgezocht had,—terwijl hunne redeneringen ook verschrikkelijk ellendig en verminkt zouden geschenen hebben.Over het algemeen dus, worden noch godsdienst noch deugd, maar het gebrek aan beide ten toon gesteld. Als Thwackum de deugd en Square de godsdienst niet te zeer verwaarloosd had, ten einde hunne verschillende stelsels te schragen, en als beide niet heel en al alles wat aangeborene goedheid van harte genoemd mag worden verloochend hadden, dan zouden zij nooit bespot zijn geworden in de geschiedenis, waarmede ik nu voortga.De zaak dan, die een einde maakte aan het dispuut in het vorige hoofdstuk vermeld, was niets minder dan een twist tusschen den jongen heer Blifil en Tom Jones, waarvan het gevolg was dat de eerste een stomp kreeg, die hem den neus aan het bloeden bragt; want ofschoon de jonge heer Blifil, hoewel de jongere, toch de grootste van beide was, was Tom veel bedrevener dan hij in de edele box-kunst.Tom echter vermeed voorzigtig alle twisten met den anderen jongen, want in weerwil van zijne schelmen-streken, was hij wezenlijk een goedaardige jongen en hield werkelijk veel van Blifil, terwijl de gedachte ook dat deze den heer Thwackum altijd in den rug had, genoeg zou geweest zijn om hem tot den vrede te stemmen.Maar zekere schrijver heeft met regt gezegd, dat geen sterveling[100]ten allen tijde wijs is;—geen wonder dan dit ook het geval is met een jongen.Bij een verschil, dat onder het spelen tusschen de jongens ontstond, noemde de jonge heer Blifil Tom een bastaard, waarop deze, die eenigzins driftig van aard was,onmiddellijkden anderen, op de wijze welke wij reeds vermeld hebben, het gezigt teekende.De jonge heer Blifil nu, terwijl het bloed stroomde van zijn neus en de tranen uit zijne oogen het naliepen, verscheen voor zijn oom en den ontzagwekkenden Thwackum. Voor deze regtbank werd nu eene klagt ingediend wegens ligchamelijke beleediging en feitelijke mishandeling tegen Tom, die ter zijner verontschuldiging alleen de provocatie kon aanvoeren,—wat het eenige punt was dat de jonge heer Blifil in zijn verhaal van de zaak uitgelaten had.Het is echter mogelijk, dat deze omstandigheid door hem vergeten was; want in zijn antwoord hield hij stellig vol dat hij dien scheldnaam niet gebruikt had, er bijvoegende, „De Hemel verhoede, dat hij ooit gebruik zou maken van zulke ondeugende woorden.”Tom, hoewel zulks tegen alle vormen streed, repliceerde en betuigde de waarheid gezegd te hebben.Hierop riep de jonge heer Blifil uit, dat dit hem volstrekt niet verwonderde, „want iemand, die eens een leugen verteld heeft, zal wel tot een tweeden komen. Als ik mijn meester zoo voorgelogen had als gij, dan zou ik hem niet meer durven aanzien.”„Welke onwaarheid bedoelt ge, kind?” vroeg Thwackum, met eenige drift.„Wel! Hij vertelde u, dat er niemand met hem op de jagt was, toen hij die patrijs schoot; maar hij weet heel goed” (en hier barstte hij in tranen uit), „ja, hij weet best, want hij heeft het me zelf bekend, dat de Zwarte George, de jager, bij hem was! Ja, hij zeide zelfs,—ja, dat hebt ge gedaan!—dat kunt ge niet loochenen,—„dat ge de waarheid niet bekend zoudt hebben, al had men u dood geslagen!””Hier schoot het vuur uit Thwackum’s oogen en hij riep zegevierend uit:„O! Zie zoo! Dit heet dus een verkeerd begrip van eer![101]Dit is de jongen, die niet meer gekastijd mogt worden!”Maar de heer Allworthy wendde zich met meerdere vriendelijkheid tot den knaap en zeide:„Is dit waar, kind? Hoe kwaamt ge er toe zoo stijfhoofdig de onwaarheid vol te houden?”Tom zeide, „dat niemand meer dan hij een leugen verachtte; maar dat hij zich door de eer verpligt rekende te handelen zooals hij gedaan had; want hij had den armen jager beloofd diens schuld geheim te houden, waartoe,” voegde hij er bij, „hij zich te meer verpligt rekende, omdat de jager hem gesmeekt had de grenzen niet te overschrijden en eindelijk alleen bezweken was ten gevolge van Tom’s volhouden.” Hij betuigde dat dit de geheele waarheid was, en eindigde met den heer Allworthy zeer hartstogtelijk te smeeken, medelijden met den armen man en zijn huisgezin te hebben, vooral daar hij, Tom, de eenige schuldige was, en de andere slechts met de grootste moeite overgehaald was geworden om hetgeen hij gedaan had te begaan. „Inderdaad, mijnheer,” zeide hij, „men kan naauwelijks volhouden dat ik een leugen vertelde; want de arme man was geheel onschuldig in deze zaak. Zonder hem, zou ik alleen de vogels vervolgd hebben;—ja, ik ging zelf eerst alleen, en hij volgde slechts om grooter kwaad te voorkomen. Ik bid u, mijnheer, laat mij maar straffen; neem het hitje weer weg,—maar om alles ter wereld, mijnheer, schenk den armen George uwe vergiffenis!”De heer Allworthy aarzelde eenige oogenblikken en zond toen de jongens weg, met den raad, om verder maar vriendschappelijk en vreedzaam te leven.[Inhoud]Hoofdstuk V.De gevoelens van den godgeleerde en den wijsgeer omtrent de twee knapen; met eenige redenen voor hunne meeningen, en andere dingen daarbij.Het is mogelijk, dat de jonge Blifil door dit geheim te openbaren, dat hem in het stiptste vertrouwen medegedeeld was door zijn kameraad, dezen redde van een fiksch pak[102]slagen; want de stomp dien hij den anderen op den neus gegeven had, zoude reeds op zich zelven genoeg zijn geweest om Thwackum tot deze straf te doen overgaan; maar dit werd nu vergeten in de beschouwing van de meer gewigtige zaak, ten opzigte van welke de heer Allworthy in stilte verklaarde, dat, naar zijn gevoelen, de jongen eerder belooning dan straf verdiende; zoodat Thwackum’s hand weerhouden werd door de algemeene amnestie.Thwackum echter, wiens overpeinzingen meestal over de geesselroede liepen, voer hevig hiertegen uit, als eene zwakheid, welke hij, gelijk hij zeide, niet schroomde eene kwalijk geplaatste barmhartigheid te noemen. Hij beweerde, dat zulke misdaden niet te bestraffen, zoo goed was als ze aan te moedigen. Hij sprak zeer uitvoerig over de tucht der kinderen, en haalde vele spreuken aan van Salomo en anderen, welke reeds in zoo vele boeken te vinden zijn, dat zij in dit boek niet behoeven herhaald te worden. Daarop weidde hij uit over het liegen, omtrent welk punt hij evenveel geleerdheid uitte als omtrent het andere.Square zeide, dat hij zijn best gedaan had om het gedrag van Tom overeen te brengen met zijn denkbeeld van staatsburgerlijke deugd; maar dat hem niet gelukken wilde. Hij bekende, dat er iets was in zijne handelwijze, dat op het eerste gezigt naar standvastigheid zweemde; daar echter, deze eene deugd was, en de onwaarheid, eene ondeugd, kon hij ze volstrekt niet met elkaar rijmen. Hij voegde er bij, dat, door zoo iets, deugd en ondeugd met elkaar verward werden, en gaf hij den heer Thwackumin bedenking, of juist om die reden de straf niet te strenger moest wezen.Even als deze beide geleerde mannen het eens waren om Jones te berispen, zoo ook roemden zij eenparig den jongen heer Blifil. De geestelijke beweerde, dat het pligt was voor ieder godsdienstig mensch om de waarheid aan het licht te brengen; en de wijsgeer verklaarde, dat dit volmaakt overeenkomstig was met de wetten van het regt en de eeuwige en onveranderlijke orde der dingen.Dit alles woog echter niet zwaar bij den heer Allworthy. Men kon hem er niet toe overhalen het vonnis voor de executie van Jones te onderteekenen. Er was iets in zijn eigen hart, dat veel beter overeenstemde met de onwrikbare standvastigheid[103]van den jongen, dan met de godsdienst van Thwackum of de deugd van Square. Daarom beval hij streng den eerstgenoemde, om Tom niet ligchamelijk te straffen voor hetgeen gebeurd was. De onderwijzer was genoodzaakt aan deze bevelen te gehoorzamen, maar niet zonder grooten tegenzin en veel gemompel, dat de jongen stellig en zeker bedorven zou worden.Onze waardige vriend was veel strenger ten opzigte van den jager.Hij liet den armen kerel dadelijk bij zich roepen, en na vele bittere verwijten, gaf hij hem zijn loon en ontsloeg hem uit zijne dienst; want de heer Allworthy merkte te regt op, dat er een groot verschil bestond tusschen het zich schuldig maken aan eene onwaarheid, om zich zelven, of om iemand anders te redden. Hij gaf ook op, als de hoofdbeweegreden tot zijne groote strengheid in dit geval, dat de jager op eene schandelijke wijze toegelaten had, dat Tom Jones om zijnentwil zulk eene zware straf had ondergaan, welke hij had moeten voorkomen door zelf de waarheid aan het licht te brengen.Zoodra deze zaak publiek werd, verschilden vele menschen van Square en Thwackum in het beoordeelen van het gedrag der beide jongens. Men noemde den jongen heer Blifil over het algemeen een kruipenden schelm, een lagen ellendeling, met meer dergelijke bijnamen, terwijl Tom vereerd werd met den titel van „brave jongen,” „beste vent,” en „eerlijke kerel.”Vooral had zijne houding tegenover den Zwarten George hem genade doen vinden in de oogen van al de dienstboden; want hoewel de jager vroeger algemeen gehaat was, werd hij nu algemeen beklaagd zoodra hij zijn ontslag kreeg, terwijl de vriendschap en de moed van Tom Jones door allen ten hoogste geroemd werden, en de jonge heer Blifil zoo luide als men dit wagen durfde, zonder gevaar te loopen van zijne moeder te vertoornen, berispt werd.Om dit een en ander werd de arme Tom echter zwaar naar het ligchaam gestraft; want, ofschoon Thwackum verboden werd de hand opteheffen tegen hem, om die ééne zaak, is het toch, gelijk het spreekwoord zegt, gemakkelijk een stok te vinden, enz.—Het viel ook niet moeijelijk[104]eene roede te vinden, en inderdaad, de onmogelijkheid om er eene magtig te worden, was het eenige, dat Thwackum lang had kunnen weerhouden om den armen Jones te kastijden.Indien niets anders dan het genot dat hij in het straffen zelf vond den onderwijzer daartoe aangespoord had, is het waarschijnlijk dat de jonge heer Blifil ook zijn deel gekregen zou hebben; maar hoewel de heer Allworthy hem dikwijls aanbevolen had geen onderscheid tusschen hen te maken, bleef Thwackum steeds even zachtaardig en vriendelijk jegens dezen jongen, als hij hard, ja, zelfs barbaarsch was, tegen den anderen.Om de waarheid te bekennen, Blifil had in hooge mate de toegenegenheid van zijn leermeester verworven, gedeeltelijk door den diepen eerbied, welken hij dikwijls toonde voor zijn persoon, maar nog meer door den betamelijken ijver, waarmede hij zijne leerstellingen omhelsde; want hij had de spreekwijzen van zijn meester van buiten geleerd, en herhaalde ze dikwijls, en handhaafde al de godsdienstige grondbeginselen van zijn onderwijzer met een ijver, die verbazend was in iemand van zijn jeugdigen leeftijd, en die hem zeer dierbaar maakte aan zijn leeraar.Tom Jones, van den anderen kant, bleef niet slechts in gebreke in uiterlijke teekenen van eerbied,—maar lette in ’t geheel niet op de leer en de voorschriften van zijn onderwijzer. Hij was inderdaad een onnadenkende, ligtzinnige jongen, die zeer weinig bedaardheid liet blijken in zijn gedrag en nog minder op zijn gelaat,—en hij plagt dikwijls, op de meest onbetamelijke en onbeschofte wijze, zijn makker uit te lagchen over diens ernstige houding.De heer Square had dergelijke redenen ook om meer van Blifil te houden, want Jones toonde niet meer ontzag voor de geleerdheid, welke deze heer soms aan hem verspilde, dan voor de vermaningen van Thwackum. Hij waagde het zelfs eens te spotten over „de eeuwige wetten van het regt,” en zeide, bij eene andere gelegenheid, dat er geene wetten ter wereld bestonden, volgens welke zulk een man als zijn vader (want de heer Allworthy liet toe dat hij hem zoo noemde), geschapen kon worden.Daarentegen bezat de jonge heer Blifil op zestienjarigen leeftijd behendigheid genoeg om zich tegelijkertijd bij beide[105]partijen aan te bevelen. Bij den één was hij zuiver godsdienst; bij den andere zuiver deugd. En als beide tegenwoordig waren, bewaarde hij een diep stilzwijgen, dat beiden tot hun en zijn voordeel uitlegden.Blifil vergenoegde zich ook niet met deze beide heeren slechts in hun bijzijn te vleijen; hij zocht vele gelegenheden om hen achter hun rug bij Allworthy te roemen, tegen wien, als zij alleen waren, en zijn oom het een of ander godsdienstig of deugdzaam gevoelen prees,—waartoe hij dikwerf aanleiding gaf,—hij zelden naliet dit toe te schrijven aan de goede lessen van Thwackum en Square. Hij wist namelijk, dat zijn oom alle dergelijke complimenten overbragt aan diegenen voor wie ze bestemd waren, en hij leerde, door ondervinding, den grooten indruk kennen, welken zij maakten, beide op den wijsgeer en den theologant; want zeker is het, dat geene vleijerij zoo onweerstaanbaar is, als die, welke ons uit de derde hand bereikt.Daarenboven ontdekte weldra de jonge heer hoe buitengewoon aangenaam al deze lofspraken op zijne onderwijzers klonken in de ooren van den heer Allworthy zelven, daar ze het vreemde opvoedingstelsel schenen aantebevelen, hetwelk hij zelf aangenomen had. Want daar de waardige man de onvolmaaktheid der openbare scholen kende en de vele ondeugden, welke de jongens daar aanleeren konden, had hij besloten zijn neef, even als zijn aangenomen zoon, op eene wijze optevoeden, waarop hunne zeden minder gevaar liepen van bedorven te worden, dan op eene publieke school of akademie.Nadat hij zich dus voorgenomen had hen aan de zorgen van een gouverneur toe te vertrouwen, werd hem voor dit ambt de heer Thwackum aanbevolen, door een vertrouwden vriend, op wiens oordeel de heer Allworthy hoogen prijs stelde en op wiens eerlijkheid hij meende te kunnen rekenen.Deze Thwackum had op eene beurs gestudeerd aan eene der akademiën, waar hij bijna altijd woonde, waar hij gepromoveerd was, en grooten naam gemaakt had van wege zijne geleerdheid, godsdienstigheid en onberispelijken wandel. Het waren ook, zonder twijfel, al deze vereischten, welke den vriend van den heer Allworthy er toe bragten om[106]hem aan te bevelen; ofschoon inderdaad, deze vriend eenige verpligtingen had aan de familie van Thwackum, die tot de aanzienlijkste menschen behoorden in een plaatsje, waarvoor die heer zitting had in het parlement.Bij zijne aankomst maakte Thwackum zich zeer aangenaam, en beantwoordde werkelijk in het begin aan den goeden naam, welken hij medebragt. Bij nadere kennismaking echter, en in den loop van een meer vertrouwelijken omgang, ontdekte de waardige Allworthy zwakheden in den gouverneur, welke hij gaarne gemist zou hebben, hoewel, daar ze meer dan opgewogen schenen door zijne goede hoedanigheden, ze den heer Allworthy volstrekt niet geneigd maakten om hem weg te zenden. Ze zouden ook eene dergelijke handelwijze niet gewettigd hebben; want de lezer zou zich zeer vergissen als hij zich verbeeldde, dat de heer Thwackum zich aan den heer Allworthy vertoonde in hetzelfde licht als dat, waarin hem de lezer ziet in deze geschiedenis. Hij vergist zich evenzeer, als hij zich verbeeldt, dat de intiemste kennis met den geestelijke, hem die dingen zouden geopenbaard hebben, welke wij, door onze inspiratie, in staat zijn in te zien en bloot te leggen.Van lezers, die om zulke redenen, de wijsheid of de scherpzinnigheid van den heer Allworthy in twijfel trekken, schroom ik niet te zeggen, dat zij een zeer slecht en ondankbaar gebruik maken van de kennis, welke wij hun medegedeeld hebben.Deze blijkbare dwalingen in Thwackum’s leer dienden echter om de tegenovergestelde dwalingen in die van Square, welke onze waardige vriend ook inzag, te verzachten. Hij verbeeldde zich inderdaad, dat de uiteenloopende gebreken dezer heeren elkander onderling verbeteren zouden, en dat van beide, vooral met zijn behulp, de beide jongens genoegzame begrippen zouden krijgen van echte godsdienst en deugd. Zoo de uitslag zijne verwachtingen niet regtvaardigde, is dit waarschijnlijk toe te schrijven aan eenig gebrek in zijn stelsel zelf, hetwelk ik den lezer verlof geef zelf te ontdekken als hij dat kan; want het is ons voornemen niet, eenig onfeilbaar karakter in dit boek in te voeren, waarin wij hopen niets te laten zien, dat tot nog toe niet in de menschelijke natuur gevonden werd.[107]Maar, om tot de zaak terug te komen: de lezer zal nu, denkelijk, niet verwonderd staan, dat het verschillende gedrag van de beide jongens, de verschillende uitwerkingen had, van welke hij reeds één voorbeeld gezien heeft, en bovendien, bestond er nog eene reden voor de houding van den wijsgeer en den onderwijzer, die wij echter, als van groot belang, pas in het volgende hoofdstuk zullen openbaren.[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende eene nog betere reden voor de voormelde gevoelens.Men moet dan weten, dat de twee geleerden, die nu op het tooneel dezer geschiedenis zoo veel plaats beslaan, sedert hunne eerste opname onder het dak van den heer Allworthy zoo veel liefde opgevat hadden, de ééne voor zijne deugd, de andere voor zijne godsdienst, dat zij beiden verlangden zich zoo naauw mogelijk met hem te verbinden.Tot dit einde vestigden zij hunne blikken op die schoone weduwe, welke, ofschoon wij haar in den laatsten tijd niet vermeld hebben, naar wij hopen, nog niet vergeten is door den lezer. Mevrouw Blifil dan was inderdaad het voorwerp waarop beide hunne hoop vestigden.Het zal welligt opmerkelijk schijnen, dat van vier personen, die wij in het huis van den heer Allworthy vermeld hebben, er drie hunne liefde vestigden op eene dame, die nooit zeer beroemd was om hare schoonheid, en die nu, bovendien, zekeren leeftijd bereikt had; maar het is ontegenzeggelijk, dat boezemvrienden en intieme kennissen gemeenlijk eene zekere aangeborene neiging hebben voor sommige vrouwen in het huis van hunne vrienden, bijvoorbeeld voor hunne grootmoeder, moeder, zuster, dochter, tante, of nicht, als deze rijk is, en voor hunne vrouw, zuster, dochter, nicht, beminde, of dienstmeid, als die schoon zijn.Wij wenschten echter niet, dat de lezer zich verbeelde, dat menschen van het karakter van Thwackum en Square, iets van dien aard zouden ondernemen, dat sommige strenge zedepredikers afgekeurd hebben, eer zij het naauwkeurig[108]onderzocht en uitgemaakt hadden, of het eene gewetenszaak was of niet. Thwackum werd tot de onderneming aangespoord door zich te herinneren, dat het nergens verboden is, zijns naasten zuster te begeeren, en hij wist dat het een regel was in de uitlegging van alle wetten, dat „expressum facit cessare tacitum.” Hetgeen beteekent, dat, als een wetgever duidelijk zijne geheele bedoeling ontwikkelt, het ons niet vrij staat hem te laten zeggen wat ons goed dunkt. Daar dus sommige vrouwen vermeld worden in de goddelijke wet, die ons verbiedt datgene te begeeren wat onzen naaste toebehoort, en er niet van eene zuster gesproken wordt, beschouwde hij dat als voor hem voldoende. En wat Square betreft, die uiterlijk, wat men noemt een fiksche kerel was, hij bragt weldra zijne wenschen in overeenstemming met de eeuwige orde der dingen.Daar nu beide heeren ijverig elke gelegenheid waarnamen om zich bij de weduwe aan te bevelen, begrepen zij dat het één onfeilbaar middel zou zijn om hare gunst te verwerven, wanneer zij haren zoon aanhoudend de voorkeur schonken boven den anderen jongen, en daar zij inzagen, dat de goedheid en de liefde, welke de heer Allworthy dezen laatsten bewees haar hoogst onaangenaam moest wezen, twijfelden zij niet dat zij haar zeer behagen zouden door elke gelegenheid te haat te nemen om hem te vernederen en te verlagen,—omdat, daar zij den jongen haatte, zij natuurlijk al diegenen moest beminnen, die hem kwaad deden.Op dit punt was het voordeel aan Thwackum’s zijde; want terwijl Square slechts den goeden naam van den armen jongen schenden kon, had de andere het in zijne magt hem bijna levend te villen, en inderdaad, hij beschouwde elken slag, dien hij hem gaf als een compliment aan zijne beminde: zoodat hij, met het meeste regt, den ouden regel, „castigo te non quod odium habeam, sed quodAMEM,” op zich zelven toepassen kon:—Dat is, „ik straf u niet uit haat, maar uit liefde.” En deze woorden had hij ook werkelijk telkens in den mond.Het was dan voornamelijk om deze reden dat de beide heeren, zooals wij gezien hebben, overeenstemden in hunne meening omtrent de twee jongens;—en dit was, wezenlijk, bijna het eenige punt waaromtrent zij het ooit eens waren;[109]want behalve het verschil van grondbeginselen, waren zij beide reeds lang geleden begonnen elkanders voornemen te peilen, en haatten zij elkaar met niet weinig verbittering.Deze onderlinge vete werd niet weinig vermeerderd door de voordeelen beurtelings door beide behaald; want mevrouw Blifil begreep waar zij heen wilden lang eer zij zich dat verbeeldden, of het zelfs wenschten; want zij handelden met de meeste omzigtigheid, ten einde haar niet te beleedigen, waarna zij zeker den heer Allworthy de oogen daaromtrent zou kunnen openen. Maar zij hadden dit niet behoeven te vreezen; want eene liefde, waarvan zij zich vast voornam dat niemand dan zij zelve eenige vruchten zou plukken, mishaagde haar volstrekt niet. En de eenige vruchten, welke zij zich voorstelde, bestonden in vleijerij en vrijaadje; om welke reden zij beiden beurtelings streelde en een tijdlang in gelijke mate. Zij was inderdaad meer geneigd om de grondbeginselen van den geestelijke te begunstigen; maar Square’s uiterlijk beviel haar beter, want hij was een knap man,—terwijl de onderwijzer, wat zijne gelaatstrekken betreft, veel geleek op dien heer die, in Hogarth’s „leven van een ligtekooi,” de dames in de gevangenis de les leest.Hetzij mevrouw Blifil walgde van de zoete huwelijksvreugden, of afgeschrikt werd door het bittere daarvan, of om eenige andere oorzaak,—dat weet ik niet, maar zij kon er niet toe komen van eenig nieuw aanzoek te hooren. Evenwel, begon zij eindelijk op zulk een gemeenzamen voet met Square omtegaan, dat eerbiedwaardige menschen dingen van haar begonnen te fluisteren, waaraan wij, uit eerbied voor de dame (en omdat zij geheel en al in strijd waren met de wetten van het regt en de orde der dingen), geen geloof hechten en waarmede wij dus ons papier niet bezoedelen zullen. Zeker is het echter, dat de meester aan het ranselen bleef, zonder één stap vooruit te komen.Inderdaad, hij had eene groote dwaling begaan, welke Square veel eerder ontdekte dan hij. Mevrouw Blifil (zoo als de lezer welligt geraden zal hebben), was niet zeer ingenomen geweest met haar man,—ja, om eerlijk te zijn,—zij had hem bepaaldelijk gehaat, tot de dood haar eindelijk eenigzins met hem, in de herinnering, verzoende. Het zal dus niet veel verwondering baren, dat zij geene zeer hevige[110]liefde koesterde tot zijn kroost. En, inderdaad, zij gaf zoo weinig om haar zoon, dat zij hem in zijne kindschheid slechts zelden zag, of eenige notitie van hem nam; en om die reden, na eenig tegenstribbelen, stemde zij stilzwijgend in de gunsten toe, waarmede de heer Allworthy den vondeling overlaadde, dien de goede man zijn eigen zoon noemde en in alle opzigten op gelijken voet stelde met den jongen heer Blifil. Deze toegefelijkheid van den kant van mevrouw Blifil werd door de buren en de familie beschouwd als een blijk harer inschikkelijkheid jegens haren broeder; en alle menschen geloofden, even als Thwackum en Square, dat zij den vondeling haatte; ja zelfs, hoe meer beleefdheid zij hem bewees, hoe meer zij zich verbeeldden dat zij hem haatte, en hoe langer zoo gevaarlijker plannen smeedde om hem te grond te rigten: want, daar zij begrepen dat het in haar belang was hem te haten, viel het haar zeer zwaar te bewijzen dat zij dat niet deed.Thwackum werd te meer in dit gevoelen bevestigd, omdat zij hem meer dan eens Tom Jones had doen afrossen als de heer Allworthy, die een vijand van die ligchaamsoefening was, niet te huis was, zonder dat zij ooit eenig bevel van dien aard gegeven had ten opzigte van den jongen heer Blifil. En dit had Square ook gefopt.En geen wonder, want hoewel zij zeker haar eigen zoon haatte,—iets waarvan, hoe afschuwelijk dit ook zij, zij niet het eenige voorbeeld is,—scheen zij toch, in weerwil van allen uiterlijken schijn, in haar hart zeer ontevreden met de gunst door den heer Allworthy aan den vondeling bewezen. Hierover klaagde zij dikwerf achter den rug van haar broeder, tegen Thwackum en Square, ja, verweet het wel eens Allworthy zelven, als er soms een kleine twist, of woordenwisseling tusschen hen ontstond.Naarmate echter Tom opgroeide en blijken gaf van dien hoffelijken aard, welke de mannen zoo zeer bij de vrouwen aanbeveelt, verminderde langzamerhand de afkeer, welken zij voor hem als kind gekoesterd had, en zij toonde eindelijk zoo duidelijk dat hare liefde tot hem verre die, welke zij haar eigen zoon toedroeg, overtrof, dat het onmogelijk was zich verder daaromtrent te vergissen. Zij verlangde zoo dikwijls om hem te zien, en toonde zoo veel genoegen en voldoening[111]in zijn omgang, dat eer hij achttien jaren oud was hij een mededinger werd van Square en Thwackum, en wat nog erger is, alle buren even luide begonnen te spreken over hare neiging tot Tom als vroeger over die welke zij jegens Square aan den dag had gelegd, om welke reden deze den onverzoenlijksten haat koesterde voor onzen armen held.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de schrijver zelf het tooneel betreedt.Hoewel de heer Allworthy zelf niet spoedig de dingen in een slecht licht zag, en vreemd bleef aan de openbare geruchten, welke zelden het oor van een broeder of een echtgenoot bereiken, werkte toch de liefde, welke mevrouw Blifil jegens Tom aan den dag legde, en de voorkeur, welke zij hem blijkbaar boven haar eigen zoon schonk, zeer tot zijn nadeel.Want zoo groot was de mate van medelijden, welke den heer Allworthy bezielde, dat niets dan het staal der geregtigheid het ooit deed bezwijken. Op de eene of andere wijze ongelukkig te zijn (mits dat met geen ondeugd gepaard ging), was genoeg om de schaal van het medelijden in zijne hand te doen overslaan, en om zijne vriendschap en welwillendheid te verwerven.Zoodra hij dus duidelijk ontwaarde dat de jonge heer Blifil gehaat werd (en dat was het geval) door zijne eigene moeder, begon hij, alleen om die reden, hem met medelijden te beschouwen, en hoe het medelijden werkt op een goed en welwillend hart, behoef ik hier niet aan de meerderheid mijner lezers uitteleggen.Van dit oogenblik af zag hij elken schijn van deugd in dien jongen door een vergrootglas, en al zijne gebreken door een verkleinglas, zoodat ze naauwelijks zigtbaar werden. Dit mag welligt, wegens den beminnelijken aard van het medelijden, loffelijk wezen, maar de volgende stap is alleen te verontschuldigen door de zwakheid van de menschelijke natuur; want naauwelijks had hij ontdekt, dat mevrouw Blifil de voorkeur aan Tom schonk, of deze arme jongen (hoe[112]onschuldig ook) begon in zijne schatting te dalen, naarmate hij in de hare rees. Het is waar, dat dit alleen Jones niet ten eenemale uit zijn hart zijne plaats zou hebben doen verliezen, maar het benadeelde hem zeer, en bereidde den geest van den heer Allworthy voor op die indrukken, welke later die gewigtige gebeurtenissen veroorzaakten, die in deze geschiedenis herdacht zullen worden, en waartoe men bekennen moet, dat de ongelukkige jongen door zijne ligtzinnigheid, ongeregeldheid en gebrek aan voorzigtigheid, slechts al te veel bijdroeg.Door sommigen daarvan op te teekenen,—als men ons niet verkeerd begrijpt, zullen wij eene zeer nuttige les geven aan die jongelieden van goeden aanleg, die later ons werk zullen lezen; want zij zullen daaruit leeren, dat goedheid van harte en een open gemoed, hoewel zij veel inwendigen troost mogen opleveren, en zij gevoelen dat zij daar trotsch op mogen wezen, helaas volstrekt, niet geschikt zijn om hen in de wereld vooruit te helpen. Zelfs de beste menschen kunnen de voorzigtigheid en de bedaardheid niet missen. Deze zijn inderdaad, als het ware, de wachters der deugd, zonder welke zij nooit veilig is. Het is niet genoeg, dat uwe voornemens, of zelfs uwe daden, in zich zelve goed zijn;—gij moet ook zorg dragen dat zij dit schijnen. Laat het inwendige nog zoo schoon zijn, het uiterlijke moet ook schoon wezen. Hiervoor moet men aanhoudend zorg dragen, of de kwaadwilligheid en de nijd zullen zich beijveren alles zoodanig te bezwalken, dat de wijsheid en goedheid van een Allworthy niet in staat zullen zijn dat te doorzien en de inwendige schoonheden te ontdekken. Vergeet nooit, jeugdige lezer, den stelregel, dat geen mensch goed genoeg kan wezen om de voorschriften der voorzigtigheid te verwaarloozen, en dat de deugd zelve niet bekoorlijk schijnen zal, wanneer ze de uiterlijke versierselen der welvoegelijkheid en der betamelijkheid versmaadt. Ik geloof, mijne waarde discipelen, dat, als gij slechts met oplettendheid leest, gij de bevestiging dezer regels zult vinden op de volgende bladzijden van dit boek.Ik vraag vergiffenis, dat ik voor een oogenblik zelf, opgetreden ben, bij wijze van koor. Dat deed ik wezenlijk, om mijn eigen wil, opdat, terwijl ik de rotsen aantoon, waarop[113]de onschuld en de deugd dikwerf schipbreuk lijden, men niet denke, dat ik juist de middelen, waardoor zij te gronde zouden gaan, aanbeveel. Daar ik nu geen mijner persoonaadjes overhalen kon dit te zeggen, was ik genoodzaakt het zelf te verklaren.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een kinderachtig voorval, waaruit men echter het goedaardige karakter van Tom Jones zien kan.De lezer zal zich herinneren, dat de heer Allworthy Tom Jones een hit gegeven had, als eene soort van vergoeding voor de straf, welke deze schijnbaar onschuldig had moeten ondergaan.Deze hit had Tom meer dan een halfjaar gehad, toen hij naar eene naburige paardenmarkt reed en het dier daar verkocht.Bij zijne terugkomst werd hij door Thwackum ondervraagd over de wijze, waarop hij het geld dat hij voor het paard gekregen had, besteed had en verklaarde ronduit, dat hij het niet zeggen wilde.„O, ho!” riep Thwackum; „Ge wilt niet? Nu, dan zal ik het heel spoedig uit je —— slaan!”—zijnde deze de plaats waar hij altijd, als er eenige twijfel bestond, naar berigten zocht.Tom werd nu door een knecht op de schouders geheschen, en alles was voor de strafoefening gereed, toen de heer Allworthy in de kamer trad, den beschuldigde uitstel van executie schonk en hem met zich nam naar een ander vertrek, waar hij, met Tom alleen zijnde, hem dezelfde vraag deed als Thwackum.Tom hernam, dat het zijn pligt was hem niets te weigeren; maar wat dien tirannieken schurk betrof, hij hem alleen met een knuppel antwoorden zou, waarmede hij spoedig hoopte in staat te zijn hem al zijne wreedheden te betalen.De heer Allworthy verweet den jongen zeer streng deze onbetamelijke en oneerbiedige uitdrukkingen omtrent zijn leermeester; maar nog meer zijne aan den dag gelegde[114]wraakzucht. Hij dreigde hem met het geheele verlies zijner gunst, als hij ooit iets van dien aard weder van hem vernam; want hij verklaarde een aterling nooit te willen ondersteunen of beschermen.Door deze en dergelijke gezegden, wekte hij iets bij Tom op dat naar berouw zweemde, in welks uiting echter hij niet al te opregt was; want hij peinsde er wezenlijk over, hoe hij den onderwijzer de pijnlijke gunstbewijzen zou vergelden, waarmede deze hem overladen had. De heer Allworthy echter bragt hem er toe om eenig leedwezen te toonen over zijn wrok tegen Thwackum, en na eenige heilzame vermaningen, verzocht hij hem verder te vertellen; wat hij in de volgende woorden deed:„Inderdaad, waarde heer, ik bemin en eerbiedig u meer dan wien ook ter wereld:—ik besef mijne groote verpligtingen jegens u, en zou mijzelven haten, als ik me tot eenige ondankbaarheid in staat achtte. Als het hitje, dat gij me gaaft, spreken kon, zou het dier u zeker vertellen, hoe zeer ik ingenomen was met uw geschenk, want ik vond het nog prettiger het te voeden dan het te rijden. Wezenlijk, mijnheer, het ging me aan het hart om er van te scheiden, en ik zou het om alles ter wereld, zonder die eene reden, die me er toe overhaalde, niet verkocht hebben. Ik ben ook overtuigd, mijnheer, dat gij, in mijn geval, ook zoo zoudt gehandeld hebben;—want geen mensch is gevoeliger dan gij voor de rampen van anderen. En hoe zoudt gij u gevoelen, mijnheer, als gij dacht, dat gij het zelf veroorzaakt hadt?—Inderdaad, mijnheer, ongelukkiger menschen dan die—”„Dan wie, jongen?” vroeg de heer Allworthy. „Wat bedoelt ge?”„O, mijnheer,” hernam Tom; „de arme jager en zijn huisgezin, sedert ze door u weggejaagd zijn, vergaan van ellende, koude en honger. Ik kon echter deze ongelukkigen niet in lompen gehuld en in gebrek zien, en terzelfder tijd bedenken, dat ik de oorzaak was geweest van al hun lijden.—Dat kon ik niet verdragen!—mijnheer, dat kon ik, op mijn woord van eer niet doen!” (Hier biggelden hem de tranen langs de wangen en hij hervatte): „Het was om hen van den geheelen ondergang te redden, dat ik[115]scheidde van uw kostbaar geschenk, niettegenstaande mijne ingenomenheid daarmede:—ik verkocht het paard om hunnentwil en heb hun àl het geld, tot den laatsten duit toe, gegeven.”De heer Allworthy bleef eenige oogenblikken zwijgen, en eer hij sprak welden hem de tranen in de oogen. Eindelijk zond hij Tom met een zacht verwijt weg, terwijl hij hem den raad gaf in de toekomst, zich in gevallen van nood liever tot hem te wenden, dan tot zulke buitengewone hulpmiddelen zijn toevlugt te nemen.Deze zaak leverde stof tot velerlei twisten tusschen Thwackum en Square. Thwackum hield vol dat het verzet was tegen den heer Allworthy, wiens voornemen het was den jager voor zijne ongehoorzaamheid te straffen. Hij zeide, dat in sommige gevallen, hetgeen de wereld milddadigheid noemde, hem toescheen verzet te zijn tegen den wil van God, die eenige personen aangewezen had, die te gronde moesten gaan; en dat het ook tevens oppositie was tegen den heer Allworthy;—terwijl hij, op zijne gewone wijze—eindigde met eene toepassing der roede aan te bevelen.Square hield het tegenovergestelde vol; welligt om tegen Thwackum te opponeren, of uit toegefelijkheid jegens den heer Allworthy, die, hetgeen Jones gedaan had ten zeerste scheen goed te keuren. Wat aangaat hetgeen hij bij deze gelegenheid aanvoerde, daar ik overtuigd ben, dat de meeste mijner lezers, zelve nog de zaak van Jones beter bepleiten kunnen dan ik, is het onnoodig het hier te herhalen. Inderdaad, het viel niet moeijelijk eene daad, die van de wetten van het onregt niet afteleiden was, met die van het regt overeen te brengen.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende eene veel schandelijker gebeurtenis, met de aanmerkingen van Thwackum en Square.Het is door iemand aangemerkt, die een veel grooter naam heeft voor wijsheid dan ik, dat een ongeluk zelden alleen komt.[116]Ik geloof dat men hiervan een voorbeeld ziet in die heeren, die het ongeluk hebben eenige van hunne schelmenstreken te zien ontdekken; want de ontdekking wordt dan zelden gestuit tot alles aan het licht komt. Dit was ook het geval met den armen Tom, die pas vergiffenis verkregen had voor het verkoopen van het paard, toen het uitlekte dat hij korten tijd van te voren een schoonen bijbel verkocht had, hem door den heer Allworthy geschonken, en dat hij het geld daarvoor op dezelfde wijze besteed had. Deze bijbel was door den jongen heer Blifil aangekocht, hoewel hij zelf een dergelijk boek bezat, gedeeltelijk uit eerbied voor het werk zelf, gedeeltelijk uit vriendschap voor Tom, daar hij niet wilde dat de bijbel voor half geld in vreemde handen kwam. Hij gaf hem dus die som zelf; want het was een zeer voorzigtige jongen, die zoo goed op zijn geld paste, dat hij bijna elken stuiver oplegde van al hetgeen hij van den heer Allworthy kreeg.Men heeft wel eens opgemerkt, dat er sommige menschen zijn, die alleen in hun eigen boek kunnen lezen. Maar het tegendeel scheen het geval te zijn met den jongen heer Blifil; want zoodra hij Tom’s bijbel kreeg, gebruikte hij nooit een anderen. Ja, men zag hem er zelfs veel meer in lezen, dan hij ooit in zijn eigen boek gedaan had. Daar hij ook dikwijls Thwackum verzocht hem moeijelijke passages daarin uit te leggen, merkte die heer ongelukkig Tom’s naam op, hier en daar in het boek geschreven. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek, waardoor de jonge heer Blifil genoodzaakt was de geheele zaak te ontdekken.Thwackum besloot dat eene misdaad van dezen aard, die hij heiligschennis noemde, niet ongestraft zou blijven. Hij ging dus onmiddellijk tot de strafoefening over en daarmede niet voldaan, maakte hij den heer Allworthy bij hunne eerste ontmoeting daarna, met deze, naar het hem toescheen schandelijke misdaad bekend, te gelijker tijd in de hevigste bewoordingen Tom berispende, en hem vergelijkende bij de kooplieden, die uit den tempel gedreven werden.Square bekeek de zaak uit een geheel ander oogpunt. Hij zeide er geene zwaardere misdaad in te zien, of men het ééne boek of het andere verkocht. Het verkoopen van bijbels was geheel wettig,—volgens goddelijke en menschelijke[117]instellingen, en dus was er niets ongepast in. Hij vertelde aan Thwackum, dat diens groote toorn bij deze gelegenheid hem herinnerde aan het verhaal van de zeer vrome vrouw die uit zuiveren godsdienstzin Tillotson’s preken stal van eene dame, die zij kende.Dit verhaal deed al het bloed stroomen naar het gezigt van den geestelijke, dat op zich zelf nooit al te bleek was, en hij was op het punt van met groote drift en toorn te antwoorden, toen mevrouw Blifil, die bij dezen twist tegenwoordig was, tusschenbeide kwam. Die dame trok zeer bepaaldelijk partij voor Square. Zij redeneerde inderdaad zeer geleerd om zijn gevoelen te ondersteunen, en eindigde met te zeggen, dat zij bekennen moest dat haar eigen zoon even schuldig scheen; want dat zij geen onderscheid zien kon tusschen kooper en verkooper,—welke beide uit den tempel gedreven moesten worden.Daar mevrouw Blifil nu eenmaal haar gevoelen had geuit, was er een einde aan den twist. Square’s overwinning zou al zijne welsprekendheid gestuit hebben, als hij die noodig had gehad, en Thwackum, die om voormelde redenen het niet waagde de dame te mishagen, stikte bijna van verontwaardiging. Wat de heer Allworthy aangaat, hij zeide, dat daar de jongen reeds gestraft was, hij zijne meening omtrent de geheele zaak voor zich houden zou; en ik laat het aan den lezer zelven over te beslissen, of hij vertoornd was of niet op den jongen.Kort hierop werd de jager geregtelijk vervolgd door den heer Western,—den heer op wiens jagt de patrijs geschoten werd,—wegens meer dergelijke delicten. Dit was een zeer ongelukkig iets voor den armen vent, daar het niet slechts genoeg was op zich zelf om hem geheel te grond te rigten, maar ook wezenlijk belette, dat de heer Allworthy hem weder in zijne gunst opnam; want toen die heer op zekeren avond met den jongen heer Blifil en Tom Jones wandelde, wist deze laatste hem op eene listige wijze voorbij de woning van den Zwarten George te brengen, waar de familie van den armen man, namelijk zijne vrouw en kinderen, in al de ellende gevonden werden, welke koude, honger en gebrek aan kleeding den mensch doen uitstaan; want, wat het geld betreft, dat zij van Jones gekregen hadden, dat[118]was bijna geheel en al door oude schulden verslonden.Een dergelijk tooneel kon zijne uitwerking niet missen op het hart van den heer Allworthy. Hij schonk de moeder dadelijk een paar goudstukken en beval haar daarmede hare kinderen op nieuw te kleeden. De arme vrouw barstte in tranen uit over deze weldaad, en terwijl zij hem bedankte kon zij niet nalaten hare erkentelijkheid jegens Tom te uiten, die, gelijk zij zeide, haar en de haren zoo lang voor den hongerdood bewaard had.„Wij hebben,” zeide zij, „geen brok eten, en geen enkel kleedingstuk dat wij niet aan zijne goedheid te danken hebben.”En werkelijk, behalve het paard en den bijbel, had Tom nog een nachthemd en andere kleinigheden ten behoeve van het ongelukkige huisgezin opgeofferd.Bij hunne terugkomst, bezigde Tom al zijne welsprekendheid, om de ellende dezer menschen af te schilderen, alsmede het berouw van den Zwarten George zelven, en hierin slaagde hij zoo goed, dat de heer Allworthy zeide, dat hij zich verbeeldde dat de man genoeg gestraft was voor het verledene; dat hij hem nu vergeven zou en middelen beramen om hem en zijne familie verder te bezorgen.Jones was zoo verrukt over deze toezegging, dat hoewel het al donker was bij hunne tehuiskomst, hij in een regenbui terugdraafde, eene mijl ver, om de heugelijke tijding aan de arme vrouw over te brengen; maar even als andere overhaaste verspreiders van berigten, haalde hij zich slechts de moeite op den hals van het te moeten gaan tegenspreken, want het vijandige noodlot maakte juist gebruik van de afwezigheid van den vriend van den Zwarten George om alles weder in de war te brengen.[Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de jonge heer Blifil en Tom zich in een zeer verschillend licht doen zien.De jonge heer Blifil bezat, in veel minderen graad dan zijn makker, de beminnelijke hoedanigheid van het medelijden;[119]maar hij overtrof hem daarentegen evenzeer in eene andere, die veel verhevener van aard is, en waarin hij zoowel de leerstellingen als het voorbeeld van Square volgde; want hoewel beiden het woord medelijden dikwijls gebruikten, was het duidelijk dat in de werkelijkheid Square het beschouwde als onbestaanbaar met de wetten van het regt, terwijl Thwackum de geregtigheid wilde uitoefenen en de barmhartigheid aan den Hemel overlaten.Die twee mannen verschilden inderdaad zoo zeer in gevoelen omtrent de voorwerpen van deze verhevene deugd, dat Thwackum, op zijne wijze, waarschijnlijk de eene helft van het menschelijk geslacht en Square de andere helft vernietigd zou hebben.De jonge heer Blifil dan, hoewel hij zweeg in het bijzijn van Jones, kon toch, toen hij over de zaak nadacht, het denkbeeld niet verdragen, dat zijn oom den onwaardige met weldaden zou overladen. Om deze reden besloot hij dadelijk zijn oom bekend te maken met het feit, waarvan wij den lezer eventjes een wenk gegeven hebben. De toedragt er van was als volgt:De jager had, omstreeks een jaar na zijn ontslag uit de dienst van den heer Allworthy, en eer Tom het paard verkocht, en toen hij gebrek had aan brood voor zich zelven of zijn huisgezin, een zittenden haas ontdekt, terwijl hij door een veld ging dat den heer Western toebehoorde. Dit dier had hij op eene barbaarsche en laaghartige wijze met een knuppel doodgeslagen,—wat voorzeker zeer in strijd was met de wetten van het land en met die der jagt.De handelaar aan wien de haas verkocht werd, werd ongelukkig vele maanden later gesnapt met eene menigte gestroopt wild, en was om den heer van de plaats te verzoenen, genoodzaakt den een of anderen wilddief te verraden. Daartoe werd de Zwarte George door hem uitgezocht, als iemand, dien de heer Western reeds ongenegen was, en die ook in de omstreken reeds een slechten naam had. De handelaar kon bovendien zelf geen voordeeliger offer brengen, daar George hem in al dien tijd geen wild geleverd had, en aldus vond hij gelegenheid zijne beste leveranciers te redden; want daar de heer Western verrukt was de gelegenheid te hebben om den Zwarten George te straffen, dien[120]eene enkele overtreding geheel te gronde zou rigten, deed hij geen verder onderzoek.Als men dit feit onvergroot den heer Allworthy blootgelegd had, zou het waarschijnlijk den jager zeer weinig hebben benadeeld. Maar geen ijver is meer verblind, dan die welke ontstaat uit de zucht om den boosdoener te straffen. De jonge heer Blifil vergat hoe lang geleden alles gebeurd was. Hij veranderde ook eenigzins de zaak, en door het onvoorzigtige gebruik van het woordhazenin plaats vanhaas, maakte hij een groot verschil en beschuldigde George van strikken te leggen om hazen te vangen. Deze verandering had welligt kunnen verbeterd worden, als de jonge heer Blifil niet heel ongelukkig den heer Allworthy eene belofte van geheimhouding afgeperst had eer hij hem de zaak mededeelde;—maar nu werd de arme jager veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben om zich te regtvaardigen; want, daar het onbetwistbaar was dat hij één haas gedood had, en daarom geregtelijk vervolgd werd, twijfelde de heer Allworthy aan het overige van het verhaal niet.Zeer kort dan was de vreugde dezer arme menschen; want de heer Allworthy verklaarde den volgenden morgen, dat hij eene nieuwe reden had, die hij niet opgeven wilde, om vertoond op George te zijn, en hij gelastte Tom diens naam nooit meer te noemen; hoewel, wat zijn huisgezin betrof, hij zijn best beloofde te doen om te beletten dat dat van honger omkwam;—met den jager zelven wilde hij echter niet te doen hebben, maar zou hem aan de wetten overlaten, die hij voor geen geld ter wereld wilde schenden.Tom kon volstrekt niet gissen wat het was, dat de toorn van den heer Allworthy opgewekt had, want zijne verdenking viel niet op den jongen heer Blifil. Daar echter zijne vriendschap zich door niets liet afschrikken, besloot hij om een ander middel te baat te nemen om den armen man van den ondergang te redden.Jones was in den laatsten tijd zeer intiem geworden met den heer Western. Hij had zich zoodanig aan dien heer aanbevolen, door zijn stout rijden op de jagt en andere heldenfeiten van dien aard, dat die heer verklaarde dat Tom zeker nog eens een groot man zou worden als hij slechts aanmoediging vond. Hij wenschte dikwijls zelf zulk een[121]begaafden zoon te hebben, en verklaarde eens op eene drinkpartij dat hij er duizend pond onder verwedden wilde, dat geen jager in het geheele land zoo goed met de honden kon jagen als Tom.Deze had zich door die gaven zoodanig bemind gemaakt bij den landjonker, dat hij altijd een zeer gewenschte gast was aan zijne tafel en zijn lievelingsmakker op de jagt. Alles wat de landjonker het kostbaarste achtte; te weten: geweren, honden en paarden, waren nu ook even zeer tot Tom’s beschikking als of ze hem zelven toebehoorden. Hij besloot dus om gebruik te maken van deze gunst ten behoeve van zijn vriend den Zwarten George, dien hij in het huis van den heer Western hoopte te doen opnemen in dezelfde hoedanigheid als vroeger bij den heer Allworthy. Als de lezer bedenkt, dat deze mensch reeds zeer gehaat was bij den heer Western en verder in overweging neemt welke gewigtige zaak den toorn van dien heer had gaande gemaakt, zal hij misschien de onderneming van Tom als dwaas en wanhopig beschouwen; maar als hij den jongen Jones om die reden veroordeelt, zal hij het toch prijzenswaardig vinden, dat hij zich in deze moeijelijke taak trachtte te versterken door elk hulpmiddel, waarover hij beschikken kon, te baat te nemen.Tot dit einde dan wendde zich Tom tot de dochter van den heer Western, eene jonge dame van ongeveer zeventienjarigen leeftijd, die door haar vader (na de bovenvermelde onmisbare voorwerpen voor de jagt), boven alles ter wereld bemind en geschat werd. Terwijl zij dus eenigen invloed op haar vader bezat, bezat ook Tom eenigen invloed op haar. Daar deze dame echter de toekomstige heldin van dit boek wordt,—eene dame waarop wij zelf zeer verliefd zijn, en op wie waarschijnlijk vele onzer lezers verliefd zullen worden eer wij gedaan hebben, zou het niet gepast zijn haar aan het einde van een boek voor het eerst te doen optreden.[122]

Boek III.Bevattende de merkwaardigste gebeurtenissen in het huisgezin van den heer Allworthy, van het veertiende tot het negentiende jaar van het leven van Tom Jones. In dit boek kan de lezer eenige wenken vinden omtrent de opvoeding van kinderen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevat weinig of niets.De lezer zal de goedheid willen hebben zich te herinneren, dat wij hem bij het begin van het tweede boek van deze geschiedenis, een wenk gaven van ons voornemen om verschillende ruime tijdvakken met stilzwijgen voorbij te gaan, die niets opleverden dat waardig was in eene geschiedenis van dezen aard geboekt te worden.Door dit te doen, raadplegen we niet slechts onze eigene waardigheid en gemak, maar tevens het voordeel en het nut van den lezer, want, behalve dat wij hem op deze wijze beletten zijn tijd te verspillen met lektuur, die hem genoegen noch stichting oplevert, stellen wij hem ook bij zulke gelegenheden telkens in staat om dien verbazenden scherpzin te gebruiken, die hem eigen is, tot het invullen van dergelijke tijdvakken met zijne eigene conjecturen; waartoe wij zorg gedragen hebben hem in de vorige hoofdstukken te bekwamen.Bij voorbeeld, welke lezer beseft niet, dat de heer Allworthy, in het begin, bij het verlies van zijn vriend, die smartelijke gewaarwordingen ondervond, welke bij zulke gelegenheden ieder mensch ondervindt, wiens hart niet van steen en wiens hoofd niet uit even harde bestanddeelen zamengesteld is? Al verder: welke lezer weet niet dat de wijsbegeerte en de godsdienst met der tijd deze smart moesten lenigen en eindelijk uitwisschen? De wijsbegeerte leerde hoe dwaas en ijdel ze was; de godsdienst berispte ze als ongeoorloofd; terwijl zij ze tegelijk verzachtte, door die hoop en zekerheid voor de toekomst optewekken, die een krachtigen, godvruchtigen[88]mensch in staat stellen met bijna even veel onverschilligheid afscheid te nemen van een vriend op zijn sterfbed, alsof hij zich op reis begaf,—en inderdaad met weinig minder hoop van hem weder te zien.De verstandige lezer zal ook geen bezwaar hebben, om zich het gedrag van mevrouw Blifil voortestellen, die zoo lang men het leed te kennen geeft door uiterlijken tooi, ten strengste alle regels der betamelijkheid en welvoegelijkheid in acht nam, de veranderingen van haar gelaat schikkende naar de veranderingen van hare kleeding; want, naarmate de kap afgelegd werd, om alleen zwart te dragen, het zwart in grijs veranderde, het grijs in wit, zoo veranderde ook haar gelaat, van wanhopig tot ellendig, van ellendig tot droevig, van droevig tot ernstig,—tot de dag verscheen, toen zij hare vroegere kalmte weder aannemen kon.Wij hebben alleen deze beide gevallen aangevoerd als voorbeelden van hetgeen men van den meest dagelijkschen lezer kan eischen. Van de meer ervarenen in de kritiek kan men hoogere en moeijelijker bewijzen van hunne oordeelkunde vergen. Wij twijfelen niet dat door dezen vele belangrijke ontdekkingen gemaakt zullen worden, aangaande de gebeurtenissen in de familie van onzen waardigen vriend, gedurende de jaren, welke wij goedvonden met stilzwijgen voorbij te gaan;—want, hoewel er niets voorviel in dit tijdvak, dat eene plaats in deze geschiedenis verdiende, is er toch veel voorgevallen dat even belangrijk is als veel van hetgeen vermeld wordt door de dagelijksche en wekelijksche geschiedschrijvers van deze eeuw, in welke lektuur, naar ik vrees, zeer vele menschen een aanmerkelijk gedeelte van hun tijd verspillen, zonder veel gesticht te worden.Door de conjecturen echter, waartoe ik hier de gelegenheid aanbied kunnen sommige, der uitstekendste gaven van den geest geoefend worden, daar het een veel nuttiger vermogen is, in staat te zijn de handelingen der menschen te voorspellen uit hunne karakters, dan hunne karakters uit hunne handelingen te leeren beoordeelen. Ik beken dat het eerste den meesten scherpzin eischt; maar het is even doenlijk als het laatste, mits men waarlijk schrander zij. Daar wij overtuigd zijn, dat de meeste onzer lezers deze gave in hooge mate bezitten, hebben wij hun een tijdvak[89]van twaalf jaren gelaten om blijken daarvan te geven, en zullen nu onzen held, op omstreeks veertienjarigen leeftijd aan hen voorstellen, daar vele menschen, buiten twijfel, reeds lang wenschen kennis met hem te maken.[Inhoud]Hoofdstuk II.De held van deze geschiedenis treedt onder zeer slechte voorteekens op. Een klein verhaaltje, zoo gemeen van aard, dat sommige lezers het hunner onwaardig zullen achten. Een woord of wat aangaande een landjonker; meer over een jagtopziener en een schoolmeester.Daar wij het besluit namen, toen wij ons neerzetten om deze geschiedenis te schrijven, om geen mensch te vleijen, maar onze pen steeds door de waarheid zelve te laten besturen, zijn wij genoodzaakt onzen held op eene veel onvoordeeliger wijze ten tooneele te voeren, dan wij gewenscht zouden hebben, en eerlijk te verklaren, zelfs bij zijne eerste optreding, dat het gevoelen algemeen heerschte in de familie van den heer Allworthy, dat die jongen zeker voor de galg opgroeide.Het spijt me werkelijk te moeten bekennen, dat er maar al te veel grond scheen voor deze voorspelling. Want de jongen liet, van de teederste jeugd af, eene neiging blijken tot vele ondeugden, en vooral tot ééne, welke even regtstreeks als eenige andere, tot dat uiteinde leidt, hetwelk we pas opgemerkt hebben, dat aangaande hem geprofeteerd werd. Hij was reeds aan drie diefstallen schuldig bevonden, namelijk: hij had appelen gestolen uit een boomgaard; een eend geroofd van een boerenerf, en een bal uit den zak van den jongen heer Blifil.De ondeugden van dezen jongeling kwamen, daarenboven, des te meer uit, als zij tegenovergesteld werden aan de deugden van den jongen heer Blifil, zijn makker;—een jongen zoo verschillend van aard met den kleinen Jones, dat niet slechts de familie, maar tegelijk ook het heele dorp, van zijne loftuitingen weerklonk. Hij was inderdaad een[90]knaap van een zeer merkwaardig karakter: sober, bescheiden, vroom, boven zijne jaren;—hoedanigheden, die hem de liefde verwierven van iedereen, die hem kende, terwijl Tom Jones algemeen misviel, en velen hunne verwondering te kennen gaven, dat de heer Allworthy er in toestemmen kon, dat zulk een jongen met zijn neef opgevoed werd, wiens zeden ligt door zoo’n voorbeeld benadeeld konden worden. Eene gebeurtenis, welke omstreeks dezen tijd voorviel, zal het karakter van deze beide jongens beter verklaren voor den helderzienden lezer, dan de langste redenering zou kunnen doen.Tom Jones, die, hoe slecht ook, als held dezer geschiedenis moet optreden, had slechts één vriend onder al de dienstboden van de familie, want, jufvrouw Wilkins had hem al lang opgegeven en was geheel en al verzoend met mevrouw Blifil. Deze vriend was de jagtopziener, een losse vent van aard, die verdacht werd geene strengere begrippen omtrent hetmeumen hettuumte koesteren dan de jonge heer zelf. Vandaar dat deze vriendschap onder de dienstboden zelve, aanleiding gaf tot vele satirieke opmerkingen, van welke de meesten òf toen al tot de spreekwoorden behoorden, òf sedert dien tijd spreekwoorden zijn geworden, en welker strekking bevat is in het korte latijnsche gezegde: „noscitur a sociis,” hetwelk vertolkt kan worden: „Daar men meê verkeert, wordt men meê geëerd.”En werkelijk, iets van die verschrikkelijke slechtheid in Jones, waarvan wij drie staaltjes pas vermeld hebben, zou welligt kunnen toegeschreven worden aan de aanmoediging van dezen mensch, die in een paar gevallen geweest was, wat de regtsgeleerden noemen, „medepligtige aan de daad;” want de geheele eend en de meeste der appels dienden tot het gebruik van den jagtopziener en van zijn huisgezin. Daar echter Jones alleen ontdekt werd, droeg hij niet slechts de geheele straf, maar ook den ganschen blaam, welke beide hem weder ten deel vielen bij de volgende gelegenheid:Onmidellijkaan de landerijen van den heer Allworthy grensde de heerlijkheid van een van die heeren, die het wild zeer streng bewaren. Deze slag van menschen, te oordeelen naar de groote gestrengheid, waarmede zij het dooden van een haas of een patrijs straffen, zouden kunnen geacht worden[91]besmet te zijn met hetzelfde bijgeloof als zekere Indische stammen, die, zoo als men verhaalt, hun geheel leven toewijden aan het kweeken en koesteren van zekere dieren, ware het niet dat onze Engelsche Indianen, terwijl zij ze tegen andere vijanden verdedigen, onbarmhartig zelve geheele karrenvrachten daarvan slagten,—wat hen natuurlijk geheel vrij pleit van eenig heidensch bijgeloof hoegenaamd.Ik koester inderdaad eene veel gunstiger meening dan velen omtrent zulke menschen, daar ik het er voor houd, dat zij aan de natuur, en aan het doel hunner bestemming op eene veel volmaakter wijze weten te voldoen, dan vele anderen. Want, even als Horatius ons vertelt, dat er zekere menschelijke wezens zijn,„Fruges consumere nati,”„geboren om de vruchten der aarde te gebruiken,” zoo twijfel ik ook niet dat er anderen zijn,„Feras consumere nati,”„geboren om de wilde dieren,” of gelijk men gewoonlijk zegt, „het wild” op te eten, en niemand zal, denkelijk, ontkennen, dat dergelijke landjonkers deze hunne bestemming bereiken.De kleine Jones ging dan op zekeren dag met dezen jager er op uit,—en een vlugt patrijzen, die opvloog bij de grenzen van die bezittingen over welke het noodlot, om de wijze bedoelingen der natuur te vervullen, een dergelijken wild-etenden mensch gesteld had, ging weer liggen, gelijk men zegt, en zooals de twee jagers zagen, onder eenige boomstruiken, zoowat een paar honderd pas aan gene zijde van de grenzen der landerijen van den heer Allworthy.De heer Allworthy had zijn jager bevolen, op straf van ontslagen te worden, nooit bij iemand zijner buren te stroopen;—bij die welke minder streng waren op dat punt evenmin als bij den heer in kwestie. Ten opzigte van anderen werden deze voorschriften niet altijd zeer stipt opgevolgd; daar echter het karakter van den heer bij wien de vogels nu toevlugt gezocht hadden, wel bekend was, had de jager tot dusver nooit gewaagd diens gebied te betreden. Hij zou het ook nu wel gelaten hebben, als de jongere jager, die buitengewoon driftig was in het vervolgen van het wild, hem niet overgehaald had; daar echter Jones hem niet losliet,[92]gaf de andere, die zelf gaarne schieten wilde, aan zijne verzoeken gehoor, overschreed de grenzen en schoot een der vogels.De heer van de plaats, die zelf in de nabijheid te paard reed, hoorde het schot, ijldeonmiddellijknaar de plaats toe en ontdekte den armen Tom; want de jager was midden in de digtste struiken gesprongen, waar hij zich gelukkig wist te verbergen.De heer onderzocht den jongen, en de patrijs bij hem vindende, zwoer hij, dat hij zich wraak zou verschaffen en den heer Allworthy van de zaak kennis geven.Hij hield ookonmiddellijkwoord, want hij reed naar het huis en klaagde over dit stroopen op zijne jagt in even bittere woorden en even ernstig, alsof men in zijn huis ingebroken en de kostbaarste meubelen er uit gehaald had. Hij voegde er bij, dat de jongen iemand anders bij zich had moeten hebben, want dat hij twee schoten bijna op hetzelfde oogenblik gehoord had. „En,” voegde hij er bij, „ik heb slechts dezen éénen vogel gevonden, maar de hemel weet, hoeveel kwaad zij gedaan hebben!”Bij zijne tehuiskomst werd Tom dadelijk bij den heer Allworthy geroepen. Hij bekende het feit, en bragt geene andere verontschuldiging in, dan wat wezenlijk waar was, dat de patrijzen eerst op de jagt van den heer Allworthy zelven opgevlogen waren.Toen werd hem gevraagd, wien hij bij zich had gehad, wat de heer Allworthy verklaarde, stellig te willen weten, den beschuldigde opmerkzaam makende op de twee schoten, die gehoord werden én door den heer én door zijne beide bedienden; maar Tom hield vol met stoutweg te beweren, dat hij alleen was geweest; hoewel hij, om de waarheid te zeggen, in het begin aarzelde, wat de heer Allworthy in zijn geloof bevestigd zou hebben, als hij getwijfeld had aan hetgeen zijn buurman en de knechts verklaard hadden.Daar de jager een verdacht persoon was, zond men nu om hem, en ook hij werd ondervraagd; daar hij echter vast vertrouwde op Tom’s belofte om alle schuld op zich te nemen, loochende hij zeer standvastig, dat hij in gezelschap van den jongen heer geweest was, of dat hij hem zelfs dien namiddag gezien had.[93]De heer Allworthy, wiens gelaat buitengewoon toornig was, wendde zich nu tot Tom en vermaande hem alles te bekennen, daar hij besloten had alles te weten. De jongen echter bleef bij zijn besluit en werd door den hevig vertoornden Allworthy weggezonden, die hem zeide, dat hij zich bedenken kon tot den volgenden morgen, als wanneer hij door iemand anders en op eene geheel andere wijze ondervraagd zou worden.De arme Jones bragt een zeer droevigen nacht door,—te meer omdat hij zijn gewonen makker miste, daar de jonge heer Blifil met zijne moeder uit logeren was. Vrees voor de straf, die hem bedreigde, was zijne minste kwelling zijne hoofdzorg was de angst, dat zijne standvastigheid bezwijken mogt, en dat hij den jager verraden zou, die, gelijk hij wist, daardoor te grond gerigt zou worden.De jager bragt ook geen gelukkigen tijd door. Hij koesterde dezelfde vrees als de jongen, en vreesde meer diens woord van eer dan zijne beenderen te zien breken.Des morgens, toen Tom bij den eerwaarden heer Thwackum verscheen, den persoon aan wien de heer Allworthy de opvoeding der beide jongens toevertrouwd had, werden hem, door dien heer, dezelfde vragen gedaan als den vorigen avond, waarop hij ook dezelfde antwoorden gaf. Het gevolg was zulk eene strenge ligchamelijke kastijding, dat die welligt weinig onderdeed voor de folteringen, waaraan, in sommige landen, de beschuldigden onderworpen worden, om hen tot bekentenis te brengen.Tom droeg de straf met de meeste standvastigheid, en hoewel de meester hem met elken slag vroeg of hij nog niet bekennen wilde, verkoos hij liever zich levend te laten villen, dan zijn vriend te verraden, of zijn gegeven woord te breken.De jager was nu van zijn angst bevrijd en de heer Allworthy zelf begon wroeging te gevoelen over Tom’s lijden; want behalve dat de heer Thwackum, die zeer boos was, dat hij niet in staat was den jongen alles te laten zeggen, wat hem goed dunkte, veel strenger was geweest dan de goede Allworthy bedoeld had, begon deze nu te veronderstellen, dat zijn buurman zich vergist had, wat zijne groote drift en toorn niet onwaarschijnlijk maakte, en ten opzigte[94]van hetgeen de knechts gezegd hadden, om het berigt van hun meester te bevestigen, daar hechtte hij niet veel waarde aan.Omdat nu wreedheid en onregtvaardigheid twee denkbeelden waren, welke het den heer Allworthy onmogelijk viel zelfs voor één oogenblik te verdragen, zond hij om Tom en na vele zachte en liefderijke vermaningen, zeide hij: „Ik ben overtuigd, kindlief, dat ik u verkeerd verdacht hield;—het spijt me dus dat gij om deze zaak zoo streng gestraft wordt.”En hij eindigde met hem een hitje te schenken, ter vergoeding, met herhaling van zijn leedwezen over het gebeurde. Tom verweet zich nu zijne schuld veel heviger dan hij ooit zou gedaan hebben, na de grootste gestrengheid. Het was hem gemakkelijker gevallen de stokslagen van Thwackum dan de goedheid van Allworthy te verdragen. Hij barstte in tranen uit, wierp zich op de knieën en riep:„O, mijnheer! Gij zijt te goed voor mij! Wezenlijk! wezenlijk, ik verdien zoo iets niet!”En op dat oogenblik zou hij haast uit de volheid van zijn hart het geheim verklapt hebben, zoo de beschermgeest van den jager hem niet ingefluisterd had, welke gevolgen dat hebben kon voor dien armen mensch, en deze bedenkingen hem geen slot op de lippen gelegd hadden.Thwackum deed zijn best om Allworthy te beletten eenig medelijden of vriendelijkheid jegens den jongen aan den dag te leggen, zeggende: „Hij heeft eene onwaarheid vol gehouden,”—tegelijk met eenige wenken, dat eene tweede kastijding welligt de zaak aan het licht zou brengen.Maar de heer Allworthy weigerde bepaaldelijk tot deze proef overtegaan. Hij zeide dat de jongen reeds genoeg geleden had voor het verbergen der waarheid, zelfs als hij schuldig was, aangezien hij geene andere reden daartoe kon hebben dan een verkeerd begrip van eer.„Eer!” riep Thwackum, met eenige drift; „niets dan koppigheid en eigenwaan! kan de eer iemand er toe brengen een leugen te vertellen, of kan er eer bestaan zonder godsdienst?”Dit gesprek had plaats aan tafel, dadelijk na het eten, en in tegenwoordigheid van den heer Allworthy, den heer[95]Thwackum, en een derden heer, die nu deel aan het dispuut nam, en dien wij kortelings aan den lezer bekend willen maken eer wij verder gaan.[Inhoud]Hoofdstuk III.Het karakter van den wijsgeer Square en van den heer Thwackum, den godgeleerde, met een dispuut over—.De naam van dezen heer, die sedert eenigen tijd bij den heer Allworthy inwoonde, was Square. De gaven, welke hij van de natuur ontvangen had, waren niet zeer groot, maar hij had ze ontwikkeld door eene wetenschappelijke opvoeding. Hij was zeer belezen in de oude letterkunde, en vooral zeer op de hoogte van al de werken van Plato en Aristoteles, naar welke groote voorbeelden hij zich voornamelijk gevormd had,—soms de gevoelens van den een, en soms weder die van den andere volgende. In zijne zedeleer hield hij het met Plato; in de godsdienst helde hij tot de gevoelens van Aristoteles over.Maar hoewel hij, zooals gezegd is, zijne voorbeelden nam uit de Platonische school, was hij het volmaakt eens met het gevoelen van Aristoteles, als die een groot man eerder beschouwt als een wijsgeer, of speculatieven geest, dan als een wetgever. Dit gevoelen dreef hij zeer ver;—zelfs zoo ver, dat hij alle deugd slechts beschouwde als theorie. ’t Is waar, dat hij dit nooit tegen iemand beweerde, voor zoo ver ik weet, maar met een oog op zijn gedrag, kan ik niet nalaten te denken dat het zijn wezenlijk gevoelen was, waardoor ook eenige, anders schijnbare tegenstrijdigheden in zijn karakter best verklaard worden.Deze mijnheer en de heer Thwackum ontmoetten elkaar haast nooit zonder te twisten, daar hunne leerstellingen inderdaad lijnregt tegenover elkaar stonden. Square hield de menschelijke natuur voor de volmaaktheid der deugd, en beschouwde de ondeugd als eene afwijking van de natuur, te vergelijken bij ligchamelijke mismaaktheid. Thwackum integendeel, beweerde, dat de menschelijke geest, sedert[96]Adams val, niets was dan een vat vol boosheid, tot het gezuiverd en weder gered werd door de goddelijke genade. Slechts op één punt waren zij het eens, en dat was, nooit in hunne wijsgeerige gesprekken van „het goede” te spreken. De geliefkoosde spreekwijze van den eerste was: „de natuurlijke schoonheid der deugd;” van den laatste: „de goddelijke magt der genade.”De eene beoordeelde alle handelingen volgens de onveranderlijke wetten van het regt en de eeuwige orde der dingen; de andere besliste alles volgens „de autoriteiten;” maar hierin gebruikte hij steeds de schrift en hare uitleggers, even als een regtsgeleerde doet met zijne wetboeken, wanneer de commentarie beschouwd wordt niet minder gezag te hebben dan de tekst.Na deze korte inleiding, zal de lezer de goedheid hebben zich te herinneren, dat de geestelijke geëindigd was met de zegevierende vraag, welke, naar hij meende, geene tegenspraak te vreezen had:„Kan er eenige eer zijn, zonder godsdienst?”Hierop hernam Square, dat het onmogelijk was wijsgeerig over de woorden te praten, eer hunne juiste beteekenis bepaald was; dat er naauwelijks twee woorden bestonden, die meer onbepaald en onzeker van beteekenis waren dan de twee, welke hij pas gebruikt had, want dat er bijna evenveel begrippen van eer als van godsdienst bestonden.„Maar,” vervolgde hij, „als gij door eer de ware natuurlijke schoonheid der deugd verstaat, dan houd ik vol, dat die bestaan kan zonder eenige godsdienst hoegenaamd. Ja,” voegde hij er bij, „gij zult zelf bekennen, dat ze bestaan kan onafhankelijk van alle godsdiensten, op ééne na;—en dat zal eveneens de mohammedaan, de jood, en met één woord iedere volgeling van iedere sekte ter wereld doen.”Thwackum hernam dat dit redeneren was op de wijze van alle kwaadaardige vijanden van de eenige kerk. Hij zeide, er niet aan te twijfelen, dat alle ketters en heidenen ter wereld, de eer, als zij er maar kans toe zagen, beperken zouden tot hunne eigene bespottelijke dwalingen en verfoeijelijke bedriegerijen; „maar,” ging hij voort, „daarom is de eer niet veelsoortig, omdat zoo vele ongerijmde denkbeelden[97]daarvan bestaan; en de godsdienst kan toch maar één zijn, in weerwil van alle sekten en ketters ter wereld; als ik van godsdienst spreek, dan bedoel ik de christelijke godsdienst, en niet slechts de christelijke godsdienst, maar ook de protestantsche godsdienst, en niet slechts de protestantsche godsdienst, maar de kerk van Engeland. En als ik van eer spreek, bedoel ik die mate van goddelijke genade, die niet slechts bestaanbaar is met, maar die ook afhankelijk is van deze godsdienst, en geene andere eer. En te zeggen, dat die eer, welke ik bedoel, en die, naar ik meende, de eenige eer was, welke bedoeld kon worden, iemand veroorloven kan niet alleen eene onwaarheid te zeggen, maar hem dit zelfs tot pligt maakt, is eene ongerijmdheid, te stuitend om begrepen te worden.”„Ik vermeed voorbedachtelijk,” hernam Square, „eene gevolgtrekking te maken, die, naar het me toescheen, blijkbaar was uit hetgeen ik zeide; maar als gij die opgemerkt hebt, is het zeker, dat gij niet getracht hebt ze te weêrleggen. Maar, om de kwestie van godsdienst daar te laten, geloof ik, dat het duidelijk blijkt uit uwe woorden, dat wij verschillende begrippen omtrent de eer koesteren;—of hoe komt het dat wij het niet eens zijn in de verklaring daarvan? Ik heb beweerd, dat de ware eer en de ware deugd bijna synoniemen zijn, en dat beide gegrond zijn op de onveranderlijke wetten van het regt en van de eeuwige orde der dingen;—en daar eene onwaarheid bepaaldelijk daarmede tegenstrijdig en vijandig is, is het ook zeker, dat de ware eer geene onwaarheid goedkeuren kan. Hierin geloof ik dus dat wij het beide eens zijn; maar dat men zou willen volhouden, dat deze eer gegrond kan zijn op de godsdienst, hoewel zij ouder is dan deze, indien men door godsdienst eenige stellige wet bedoelt,—”„Ik het met u eens!” riep Thwackum, met veel drift, „en dat met iemand, die durft te beweren dat de eer ouder is dan de godsdienst!—mijnheer Allworthy, ik beroep me op u,—heb ik toegestemd—?”Hij wilde voortgaan, toen de heer Allworthy hem in de rede viel en zeer bedaard zeide, dat zij hem beide verkeerd begrepen hadden; want dat hij van waar eergevoel niet gesproken had.—Het is echter mogelijk dat hij de[98]twistenden niet gemakkelijk tot bedaren gebragt zou hebben, daar beide even driftig waren geworden, als er niet iets anders tusschenbeide gekomen ware, dat voor het oogenblik voor goed een einde maakte aan het gesprek.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende eene noodzakelijke verontschuldiging voor den schrijver en eene kinderachtige gebeurtenis, welke welligt ook eene verontschuldiging eischt.Eer ik verder ga, moet ik de vrijheid nemen elke verkeerde uitlegging te voorkomen, waartoe de ijver van sommige lezers hen welligt verleiden kon; want ik wenschte volstrekt niet wien ook te grieven,—vooral niet dezulken die voor de deugd of de godsdienst ijveren.Ik hoop dus dat niemand door een grof misverstand, of verkeerde opvatting mijner bedoeling, mij ten onregte beschuldigen zal van een streven om de grootste volmaaktheden waarvoor de menschelijke natuur vatbaar is, bespottelijk te maken;—daar juist die alleen in staat zijn het hart te zuiveren en te veredelen en den mensch boven het dier te verheffen. Neen, ik waag het, de verzekering aan den lezer te geven (en hoe beter mensch hij is, des te gemakkelijker zal hij mij kunnen gelooven), dat ik liever dan aan één dier heerlijke dingen afbreuk te doen, de gevoelens van de twee menschen in kwestie gaarne voor eeuwig aan de vergetelheid zou ten prijs gegeven hebben.Integendeel: het was met het oogmerk om deugd en godsdienst te bevorderen, dat ik op me nam het leven en de handelingen van twee harer valsche en gewaande voorvechters te beschrijven. Een verraderlijke vriend is de gevaarlijkste vijand; en ik vrees niet te verklaren, dat beide, godsdienst en deugd, wezenlijk meer benadeeld zijn door huichelaren, dan door de geestigste losbollen en ongeloovigen. Ja zelfs, even als deugd en godsdienst, als ze zuiver zijn, met regt genoemd worden de band der burgerlijke maatschappij, en inderdaad de grootste der zegeningen[99]zijn, zoo zijn ze ook, wanneer ze verpest of bedorven worden door bedrog schijn, en uitwendig vertoon, de ergste vloeken onzer zamenleving, die den mensch er toe gebragt hebben om zijn eigen geslacht op de wreedaardigste wijze, sedert onheugelijke tijden, te kwellen.Ik twijfel ook niet of men zal over het algemeen mijne satire wel begrijpen; mijne voornaamste vrees blijft echter, dat, daar er onder hetgeen die beide personen spraken, veel juists en waars was, men het een met het ander verwarren zal, en zich verbeelden dat ik alles tegelijk wilde bespotten. De lezer moge echter bedenken, dat daar deze twee mannen volstrekt niet dom waren, men ook niet veronderstellen kon, dat zij niets dan verkeerde grondbeginselen voorstonden, of niets dan ongerijmdheden uitten. Ik zou hen dus zeer onjuist voorgesteld hebben, als ik niets dan het slechte uit hunne gesprekken uitgezocht had,—terwijl hunne redeneringen ook verschrikkelijk ellendig en verminkt zouden geschenen hebben.Over het algemeen dus, worden noch godsdienst noch deugd, maar het gebrek aan beide ten toon gesteld. Als Thwackum de deugd en Square de godsdienst niet te zeer verwaarloosd had, ten einde hunne verschillende stelsels te schragen, en als beide niet heel en al alles wat aangeborene goedheid van harte genoemd mag worden verloochend hadden, dan zouden zij nooit bespot zijn geworden in de geschiedenis, waarmede ik nu voortga.De zaak dan, die een einde maakte aan het dispuut in het vorige hoofdstuk vermeld, was niets minder dan een twist tusschen den jongen heer Blifil en Tom Jones, waarvan het gevolg was dat de eerste een stomp kreeg, die hem den neus aan het bloeden bragt; want ofschoon de jonge heer Blifil, hoewel de jongere, toch de grootste van beide was, was Tom veel bedrevener dan hij in de edele box-kunst.Tom echter vermeed voorzigtig alle twisten met den anderen jongen, want in weerwil van zijne schelmen-streken, was hij wezenlijk een goedaardige jongen en hield werkelijk veel van Blifil, terwijl de gedachte ook dat deze den heer Thwackum altijd in den rug had, genoeg zou geweest zijn om hem tot den vrede te stemmen.Maar zekere schrijver heeft met regt gezegd, dat geen sterveling[100]ten allen tijde wijs is;—geen wonder dan dit ook het geval is met een jongen.Bij een verschil, dat onder het spelen tusschen de jongens ontstond, noemde de jonge heer Blifil Tom een bastaard, waarop deze, die eenigzins driftig van aard was,onmiddellijkden anderen, op de wijze welke wij reeds vermeld hebben, het gezigt teekende.De jonge heer Blifil nu, terwijl het bloed stroomde van zijn neus en de tranen uit zijne oogen het naliepen, verscheen voor zijn oom en den ontzagwekkenden Thwackum. Voor deze regtbank werd nu eene klagt ingediend wegens ligchamelijke beleediging en feitelijke mishandeling tegen Tom, die ter zijner verontschuldiging alleen de provocatie kon aanvoeren,—wat het eenige punt was dat de jonge heer Blifil in zijn verhaal van de zaak uitgelaten had.Het is echter mogelijk, dat deze omstandigheid door hem vergeten was; want in zijn antwoord hield hij stellig vol dat hij dien scheldnaam niet gebruikt had, er bijvoegende, „De Hemel verhoede, dat hij ooit gebruik zou maken van zulke ondeugende woorden.”Tom, hoewel zulks tegen alle vormen streed, repliceerde en betuigde de waarheid gezegd te hebben.Hierop riep de jonge heer Blifil uit, dat dit hem volstrekt niet verwonderde, „want iemand, die eens een leugen verteld heeft, zal wel tot een tweeden komen. Als ik mijn meester zoo voorgelogen had als gij, dan zou ik hem niet meer durven aanzien.”„Welke onwaarheid bedoelt ge, kind?” vroeg Thwackum, met eenige drift.„Wel! Hij vertelde u, dat er niemand met hem op de jagt was, toen hij die patrijs schoot; maar hij weet heel goed” (en hier barstte hij in tranen uit), „ja, hij weet best, want hij heeft het me zelf bekend, dat de Zwarte George, de jager, bij hem was! Ja, hij zeide zelfs,—ja, dat hebt ge gedaan!—dat kunt ge niet loochenen,—„dat ge de waarheid niet bekend zoudt hebben, al had men u dood geslagen!””Hier schoot het vuur uit Thwackum’s oogen en hij riep zegevierend uit:„O! Zie zoo! Dit heet dus een verkeerd begrip van eer![101]Dit is de jongen, die niet meer gekastijd mogt worden!”Maar de heer Allworthy wendde zich met meerdere vriendelijkheid tot den knaap en zeide:„Is dit waar, kind? Hoe kwaamt ge er toe zoo stijfhoofdig de onwaarheid vol te houden?”Tom zeide, „dat niemand meer dan hij een leugen verachtte; maar dat hij zich door de eer verpligt rekende te handelen zooals hij gedaan had; want hij had den armen jager beloofd diens schuld geheim te houden, waartoe,” voegde hij er bij, „hij zich te meer verpligt rekende, omdat de jager hem gesmeekt had de grenzen niet te overschrijden en eindelijk alleen bezweken was ten gevolge van Tom’s volhouden.” Hij betuigde dat dit de geheele waarheid was, en eindigde met den heer Allworthy zeer hartstogtelijk te smeeken, medelijden met den armen man en zijn huisgezin te hebben, vooral daar hij, Tom, de eenige schuldige was, en de andere slechts met de grootste moeite overgehaald was geworden om hetgeen hij gedaan had te begaan. „Inderdaad, mijnheer,” zeide hij, „men kan naauwelijks volhouden dat ik een leugen vertelde; want de arme man was geheel onschuldig in deze zaak. Zonder hem, zou ik alleen de vogels vervolgd hebben;—ja, ik ging zelf eerst alleen, en hij volgde slechts om grooter kwaad te voorkomen. Ik bid u, mijnheer, laat mij maar straffen; neem het hitje weer weg,—maar om alles ter wereld, mijnheer, schenk den armen George uwe vergiffenis!”De heer Allworthy aarzelde eenige oogenblikken en zond toen de jongens weg, met den raad, om verder maar vriendschappelijk en vreedzaam te leven.[Inhoud]Hoofdstuk V.De gevoelens van den godgeleerde en den wijsgeer omtrent de twee knapen; met eenige redenen voor hunne meeningen, en andere dingen daarbij.Het is mogelijk, dat de jonge Blifil door dit geheim te openbaren, dat hem in het stiptste vertrouwen medegedeeld was door zijn kameraad, dezen redde van een fiksch pak[102]slagen; want de stomp dien hij den anderen op den neus gegeven had, zoude reeds op zich zelven genoeg zijn geweest om Thwackum tot deze straf te doen overgaan; maar dit werd nu vergeten in de beschouwing van de meer gewigtige zaak, ten opzigte van welke de heer Allworthy in stilte verklaarde, dat, naar zijn gevoelen, de jongen eerder belooning dan straf verdiende; zoodat Thwackum’s hand weerhouden werd door de algemeene amnestie.Thwackum echter, wiens overpeinzingen meestal over de geesselroede liepen, voer hevig hiertegen uit, als eene zwakheid, welke hij, gelijk hij zeide, niet schroomde eene kwalijk geplaatste barmhartigheid te noemen. Hij beweerde, dat zulke misdaden niet te bestraffen, zoo goed was als ze aan te moedigen. Hij sprak zeer uitvoerig over de tucht der kinderen, en haalde vele spreuken aan van Salomo en anderen, welke reeds in zoo vele boeken te vinden zijn, dat zij in dit boek niet behoeven herhaald te worden. Daarop weidde hij uit over het liegen, omtrent welk punt hij evenveel geleerdheid uitte als omtrent het andere.Square zeide, dat hij zijn best gedaan had om het gedrag van Tom overeen te brengen met zijn denkbeeld van staatsburgerlijke deugd; maar dat hem niet gelukken wilde. Hij bekende, dat er iets was in zijne handelwijze, dat op het eerste gezigt naar standvastigheid zweemde; daar echter, deze eene deugd was, en de onwaarheid, eene ondeugd, kon hij ze volstrekt niet met elkaar rijmen. Hij voegde er bij, dat, door zoo iets, deugd en ondeugd met elkaar verward werden, en gaf hij den heer Thwackumin bedenking, of juist om die reden de straf niet te strenger moest wezen.Even als deze beide geleerde mannen het eens waren om Jones te berispen, zoo ook roemden zij eenparig den jongen heer Blifil. De geestelijke beweerde, dat het pligt was voor ieder godsdienstig mensch om de waarheid aan het licht te brengen; en de wijsgeer verklaarde, dat dit volmaakt overeenkomstig was met de wetten van het regt en de eeuwige en onveranderlijke orde der dingen.Dit alles woog echter niet zwaar bij den heer Allworthy. Men kon hem er niet toe overhalen het vonnis voor de executie van Jones te onderteekenen. Er was iets in zijn eigen hart, dat veel beter overeenstemde met de onwrikbare standvastigheid[103]van den jongen, dan met de godsdienst van Thwackum of de deugd van Square. Daarom beval hij streng den eerstgenoemde, om Tom niet ligchamelijk te straffen voor hetgeen gebeurd was. De onderwijzer was genoodzaakt aan deze bevelen te gehoorzamen, maar niet zonder grooten tegenzin en veel gemompel, dat de jongen stellig en zeker bedorven zou worden.Onze waardige vriend was veel strenger ten opzigte van den jager.Hij liet den armen kerel dadelijk bij zich roepen, en na vele bittere verwijten, gaf hij hem zijn loon en ontsloeg hem uit zijne dienst; want de heer Allworthy merkte te regt op, dat er een groot verschil bestond tusschen het zich schuldig maken aan eene onwaarheid, om zich zelven, of om iemand anders te redden. Hij gaf ook op, als de hoofdbeweegreden tot zijne groote strengheid in dit geval, dat de jager op eene schandelijke wijze toegelaten had, dat Tom Jones om zijnentwil zulk eene zware straf had ondergaan, welke hij had moeten voorkomen door zelf de waarheid aan het licht te brengen.Zoodra deze zaak publiek werd, verschilden vele menschen van Square en Thwackum in het beoordeelen van het gedrag der beide jongens. Men noemde den jongen heer Blifil over het algemeen een kruipenden schelm, een lagen ellendeling, met meer dergelijke bijnamen, terwijl Tom vereerd werd met den titel van „brave jongen,” „beste vent,” en „eerlijke kerel.”Vooral had zijne houding tegenover den Zwarten George hem genade doen vinden in de oogen van al de dienstboden; want hoewel de jager vroeger algemeen gehaat was, werd hij nu algemeen beklaagd zoodra hij zijn ontslag kreeg, terwijl de vriendschap en de moed van Tom Jones door allen ten hoogste geroemd werden, en de jonge heer Blifil zoo luide als men dit wagen durfde, zonder gevaar te loopen van zijne moeder te vertoornen, berispt werd.Om dit een en ander werd de arme Tom echter zwaar naar het ligchaam gestraft; want, ofschoon Thwackum verboden werd de hand opteheffen tegen hem, om die ééne zaak, is het toch, gelijk het spreekwoord zegt, gemakkelijk een stok te vinden, enz.—Het viel ook niet moeijelijk[104]eene roede te vinden, en inderdaad, de onmogelijkheid om er eene magtig te worden, was het eenige, dat Thwackum lang had kunnen weerhouden om den armen Jones te kastijden.Indien niets anders dan het genot dat hij in het straffen zelf vond den onderwijzer daartoe aangespoord had, is het waarschijnlijk dat de jonge heer Blifil ook zijn deel gekregen zou hebben; maar hoewel de heer Allworthy hem dikwijls aanbevolen had geen onderscheid tusschen hen te maken, bleef Thwackum steeds even zachtaardig en vriendelijk jegens dezen jongen, als hij hard, ja, zelfs barbaarsch was, tegen den anderen.Om de waarheid te bekennen, Blifil had in hooge mate de toegenegenheid van zijn leermeester verworven, gedeeltelijk door den diepen eerbied, welken hij dikwijls toonde voor zijn persoon, maar nog meer door den betamelijken ijver, waarmede hij zijne leerstellingen omhelsde; want hij had de spreekwijzen van zijn meester van buiten geleerd, en herhaalde ze dikwijls, en handhaafde al de godsdienstige grondbeginselen van zijn onderwijzer met een ijver, die verbazend was in iemand van zijn jeugdigen leeftijd, en die hem zeer dierbaar maakte aan zijn leeraar.Tom Jones, van den anderen kant, bleef niet slechts in gebreke in uiterlijke teekenen van eerbied,—maar lette in ’t geheel niet op de leer en de voorschriften van zijn onderwijzer. Hij was inderdaad een onnadenkende, ligtzinnige jongen, die zeer weinig bedaardheid liet blijken in zijn gedrag en nog minder op zijn gelaat,—en hij plagt dikwijls, op de meest onbetamelijke en onbeschofte wijze, zijn makker uit te lagchen over diens ernstige houding.De heer Square had dergelijke redenen ook om meer van Blifil te houden, want Jones toonde niet meer ontzag voor de geleerdheid, welke deze heer soms aan hem verspilde, dan voor de vermaningen van Thwackum. Hij waagde het zelfs eens te spotten over „de eeuwige wetten van het regt,” en zeide, bij eene andere gelegenheid, dat er geene wetten ter wereld bestonden, volgens welke zulk een man als zijn vader (want de heer Allworthy liet toe dat hij hem zoo noemde), geschapen kon worden.Daarentegen bezat de jonge heer Blifil op zestienjarigen leeftijd behendigheid genoeg om zich tegelijkertijd bij beide[105]partijen aan te bevelen. Bij den één was hij zuiver godsdienst; bij den andere zuiver deugd. En als beide tegenwoordig waren, bewaarde hij een diep stilzwijgen, dat beiden tot hun en zijn voordeel uitlegden.Blifil vergenoegde zich ook niet met deze beide heeren slechts in hun bijzijn te vleijen; hij zocht vele gelegenheden om hen achter hun rug bij Allworthy te roemen, tegen wien, als zij alleen waren, en zijn oom het een of ander godsdienstig of deugdzaam gevoelen prees,—waartoe hij dikwerf aanleiding gaf,—hij zelden naliet dit toe te schrijven aan de goede lessen van Thwackum en Square. Hij wist namelijk, dat zijn oom alle dergelijke complimenten overbragt aan diegenen voor wie ze bestemd waren, en hij leerde, door ondervinding, den grooten indruk kennen, welken zij maakten, beide op den wijsgeer en den theologant; want zeker is het, dat geene vleijerij zoo onweerstaanbaar is, als die, welke ons uit de derde hand bereikt.Daarenboven ontdekte weldra de jonge heer hoe buitengewoon aangenaam al deze lofspraken op zijne onderwijzers klonken in de ooren van den heer Allworthy zelven, daar ze het vreemde opvoedingstelsel schenen aantebevelen, hetwelk hij zelf aangenomen had. Want daar de waardige man de onvolmaaktheid der openbare scholen kende en de vele ondeugden, welke de jongens daar aanleeren konden, had hij besloten zijn neef, even als zijn aangenomen zoon, op eene wijze optevoeden, waarop hunne zeden minder gevaar liepen van bedorven te worden, dan op eene publieke school of akademie.Nadat hij zich dus voorgenomen had hen aan de zorgen van een gouverneur toe te vertrouwen, werd hem voor dit ambt de heer Thwackum aanbevolen, door een vertrouwden vriend, op wiens oordeel de heer Allworthy hoogen prijs stelde en op wiens eerlijkheid hij meende te kunnen rekenen.Deze Thwackum had op eene beurs gestudeerd aan eene der akademiën, waar hij bijna altijd woonde, waar hij gepromoveerd was, en grooten naam gemaakt had van wege zijne geleerdheid, godsdienstigheid en onberispelijken wandel. Het waren ook, zonder twijfel, al deze vereischten, welke den vriend van den heer Allworthy er toe bragten om[106]hem aan te bevelen; ofschoon inderdaad, deze vriend eenige verpligtingen had aan de familie van Thwackum, die tot de aanzienlijkste menschen behoorden in een plaatsje, waarvoor die heer zitting had in het parlement.Bij zijne aankomst maakte Thwackum zich zeer aangenaam, en beantwoordde werkelijk in het begin aan den goeden naam, welken hij medebragt. Bij nadere kennismaking echter, en in den loop van een meer vertrouwelijken omgang, ontdekte de waardige Allworthy zwakheden in den gouverneur, welke hij gaarne gemist zou hebben, hoewel, daar ze meer dan opgewogen schenen door zijne goede hoedanigheden, ze den heer Allworthy volstrekt niet geneigd maakten om hem weg te zenden. Ze zouden ook eene dergelijke handelwijze niet gewettigd hebben; want de lezer zou zich zeer vergissen als hij zich verbeeldde, dat de heer Thwackum zich aan den heer Allworthy vertoonde in hetzelfde licht als dat, waarin hem de lezer ziet in deze geschiedenis. Hij vergist zich evenzeer, als hij zich verbeeldt, dat de intiemste kennis met den geestelijke, hem die dingen zouden geopenbaard hebben, welke wij, door onze inspiratie, in staat zijn in te zien en bloot te leggen.Van lezers, die om zulke redenen, de wijsheid of de scherpzinnigheid van den heer Allworthy in twijfel trekken, schroom ik niet te zeggen, dat zij een zeer slecht en ondankbaar gebruik maken van de kennis, welke wij hun medegedeeld hebben.Deze blijkbare dwalingen in Thwackum’s leer dienden echter om de tegenovergestelde dwalingen in die van Square, welke onze waardige vriend ook inzag, te verzachten. Hij verbeeldde zich inderdaad, dat de uiteenloopende gebreken dezer heeren elkander onderling verbeteren zouden, en dat van beide, vooral met zijn behulp, de beide jongens genoegzame begrippen zouden krijgen van echte godsdienst en deugd. Zoo de uitslag zijne verwachtingen niet regtvaardigde, is dit waarschijnlijk toe te schrijven aan eenig gebrek in zijn stelsel zelf, hetwelk ik den lezer verlof geef zelf te ontdekken als hij dat kan; want het is ons voornemen niet, eenig onfeilbaar karakter in dit boek in te voeren, waarin wij hopen niets te laten zien, dat tot nog toe niet in de menschelijke natuur gevonden werd.[107]Maar, om tot de zaak terug te komen: de lezer zal nu, denkelijk, niet verwonderd staan, dat het verschillende gedrag van de beide jongens, de verschillende uitwerkingen had, van welke hij reeds één voorbeeld gezien heeft, en bovendien, bestond er nog eene reden voor de houding van den wijsgeer en den onderwijzer, die wij echter, als van groot belang, pas in het volgende hoofdstuk zullen openbaren.[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende eene nog betere reden voor de voormelde gevoelens.Men moet dan weten, dat de twee geleerden, die nu op het tooneel dezer geschiedenis zoo veel plaats beslaan, sedert hunne eerste opname onder het dak van den heer Allworthy zoo veel liefde opgevat hadden, de ééne voor zijne deugd, de andere voor zijne godsdienst, dat zij beiden verlangden zich zoo naauw mogelijk met hem te verbinden.Tot dit einde vestigden zij hunne blikken op die schoone weduwe, welke, ofschoon wij haar in den laatsten tijd niet vermeld hebben, naar wij hopen, nog niet vergeten is door den lezer. Mevrouw Blifil dan was inderdaad het voorwerp waarop beide hunne hoop vestigden.Het zal welligt opmerkelijk schijnen, dat van vier personen, die wij in het huis van den heer Allworthy vermeld hebben, er drie hunne liefde vestigden op eene dame, die nooit zeer beroemd was om hare schoonheid, en die nu, bovendien, zekeren leeftijd bereikt had; maar het is ontegenzeggelijk, dat boezemvrienden en intieme kennissen gemeenlijk eene zekere aangeborene neiging hebben voor sommige vrouwen in het huis van hunne vrienden, bijvoorbeeld voor hunne grootmoeder, moeder, zuster, dochter, tante, of nicht, als deze rijk is, en voor hunne vrouw, zuster, dochter, nicht, beminde, of dienstmeid, als die schoon zijn.Wij wenschten echter niet, dat de lezer zich verbeelde, dat menschen van het karakter van Thwackum en Square, iets van dien aard zouden ondernemen, dat sommige strenge zedepredikers afgekeurd hebben, eer zij het naauwkeurig[108]onderzocht en uitgemaakt hadden, of het eene gewetenszaak was of niet. Thwackum werd tot de onderneming aangespoord door zich te herinneren, dat het nergens verboden is, zijns naasten zuster te begeeren, en hij wist dat het een regel was in de uitlegging van alle wetten, dat „expressum facit cessare tacitum.” Hetgeen beteekent, dat, als een wetgever duidelijk zijne geheele bedoeling ontwikkelt, het ons niet vrij staat hem te laten zeggen wat ons goed dunkt. Daar dus sommige vrouwen vermeld worden in de goddelijke wet, die ons verbiedt datgene te begeeren wat onzen naaste toebehoort, en er niet van eene zuster gesproken wordt, beschouwde hij dat als voor hem voldoende. En wat Square betreft, die uiterlijk, wat men noemt een fiksche kerel was, hij bragt weldra zijne wenschen in overeenstemming met de eeuwige orde der dingen.Daar nu beide heeren ijverig elke gelegenheid waarnamen om zich bij de weduwe aan te bevelen, begrepen zij dat het één onfeilbaar middel zou zijn om hare gunst te verwerven, wanneer zij haren zoon aanhoudend de voorkeur schonken boven den anderen jongen, en daar zij inzagen, dat de goedheid en de liefde, welke de heer Allworthy dezen laatsten bewees haar hoogst onaangenaam moest wezen, twijfelden zij niet dat zij haar zeer behagen zouden door elke gelegenheid te haat te nemen om hem te vernederen en te verlagen,—omdat, daar zij den jongen haatte, zij natuurlijk al diegenen moest beminnen, die hem kwaad deden.Op dit punt was het voordeel aan Thwackum’s zijde; want terwijl Square slechts den goeden naam van den armen jongen schenden kon, had de andere het in zijne magt hem bijna levend te villen, en inderdaad, hij beschouwde elken slag, dien hij hem gaf als een compliment aan zijne beminde: zoodat hij, met het meeste regt, den ouden regel, „castigo te non quod odium habeam, sed quodAMEM,” op zich zelven toepassen kon:—Dat is, „ik straf u niet uit haat, maar uit liefde.” En deze woorden had hij ook werkelijk telkens in den mond.Het was dan voornamelijk om deze reden dat de beide heeren, zooals wij gezien hebben, overeenstemden in hunne meening omtrent de twee jongens;—en dit was, wezenlijk, bijna het eenige punt waaromtrent zij het ooit eens waren;[109]want behalve het verschil van grondbeginselen, waren zij beide reeds lang geleden begonnen elkanders voornemen te peilen, en haatten zij elkaar met niet weinig verbittering.Deze onderlinge vete werd niet weinig vermeerderd door de voordeelen beurtelings door beide behaald; want mevrouw Blifil begreep waar zij heen wilden lang eer zij zich dat verbeeldden, of het zelfs wenschten; want zij handelden met de meeste omzigtigheid, ten einde haar niet te beleedigen, waarna zij zeker den heer Allworthy de oogen daaromtrent zou kunnen openen. Maar zij hadden dit niet behoeven te vreezen; want eene liefde, waarvan zij zich vast voornam dat niemand dan zij zelve eenige vruchten zou plukken, mishaagde haar volstrekt niet. En de eenige vruchten, welke zij zich voorstelde, bestonden in vleijerij en vrijaadje; om welke reden zij beiden beurtelings streelde en een tijdlang in gelijke mate. Zij was inderdaad meer geneigd om de grondbeginselen van den geestelijke te begunstigen; maar Square’s uiterlijk beviel haar beter, want hij was een knap man,—terwijl de onderwijzer, wat zijne gelaatstrekken betreft, veel geleek op dien heer die, in Hogarth’s „leven van een ligtekooi,” de dames in de gevangenis de les leest.Hetzij mevrouw Blifil walgde van de zoete huwelijksvreugden, of afgeschrikt werd door het bittere daarvan, of om eenige andere oorzaak,—dat weet ik niet, maar zij kon er niet toe komen van eenig nieuw aanzoek te hooren. Evenwel, begon zij eindelijk op zulk een gemeenzamen voet met Square omtegaan, dat eerbiedwaardige menschen dingen van haar begonnen te fluisteren, waaraan wij, uit eerbied voor de dame (en omdat zij geheel en al in strijd waren met de wetten van het regt en de orde der dingen), geen geloof hechten en waarmede wij dus ons papier niet bezoedelen zullen. Zeker is het echter, dat de meester aan het ranselen bleef, zonder één stap vooruit te komen.Inderdaad, hij had eene groote dwaling begaan, welke Square veel eerder ontdekte dan hij. Mevrouw Blifil (zoo als de lezer welligt geraden zal hebben), was niet zeer ingenomen geweest met haar man,—ja, om eerlijk te zijn,—zij had hem bepaaldelijk gehaat, tot de dood haar eindelijk eenigzins met hem, in de herinnering, verzoende. Het zal dus niet veel verwondering baren, dat zij geene zeer hevige[110]liefde koesterde tot zijn kroost. En, inderdaad, zij gaf zoo weinig om haar zoon, dat zij hem in zijne kindschheid slechts zelden zag, of eenige notitie van hem nam; en om die reden, na eenig tegenstribbelen, stemde zij stilzwijgend in de gunsten toe, waarmede de heer Allworthy den vondeling overlaadde, dien de goede man zijn eigen zoon noemde en in alle opzigten op gelijken voet stelde met den jongen heer Blifil. Deze toegefelijkheid van den kant van mevrouw Blifil werd door de buren en de familie beschouwd als een blijk harer inschikkelijkheid jegens haren broeder; en alle menschen geloofden, even als Thwackum en Square, dat zij den vondeling haatte; ja zelfs, hoe meer beleefdheid zij hem bewees, hoe meer zij zich verbeeldden dat zij hem haatte, en hoe langer zoo gevaarlijker plannen smeedde om hem te grond te rigten: want, daar zij begrepen dat het in haar belang was hem te haten, viel het haar zeer zwaar te bewijzen dat zij dat niet deed.Thwackum werd te meer in dit gevoelen bevestigd, omdat zij hem meer dan eens Tom Jones had doen afrossen als de heer Allworthy, die een vijand van die ligchaamsoefening was, niet te huis was, zonder dat zij ooit eenig bevel van dien aard gegeven had ten opzigte van den jongen heer Blifil. En dit had Square ook gefopt.En geen wonder, want hoewel zij zeker haar eigen zoon haatte,—iets waarvan, hoe afschuwelijk dit ook zij, zij niet het eenige voorbeeld is,—scheen zij toch, in weerwil van allen uiterlijken schijn, in haar hart zeer ontevreden met de gunst door den heer Allworthy aan den vondeling bewezen. Hierover klaagde zij dikwerf achter den rug van haar broeder, tegen Thwackum en Square, ja, verweet het wel eens Allworthy zelven, als er soms een kleine twist, of woordenwisseling tusschen hen ontstond.Naarmate echter Tom opgroeide en blijken gaf van dien hoffelijken aard, welke de mannen zoo zeer bij de vrouwen aanbeveelt, verminderde langzamerhand de afkeer, welken zij voor hem als kind gekoesterd had, en zij toonde eindelijk zoo duidelijk dat hare liefde tot hem verre die, welke zij haar eigen zoon toedroeg, overtrof, dat het onmogelijk was zich verder daaromtrent te vergissen. Zij verlangde zoo dikwijls om hem te zien, en toonde zoo veel genoegen en voldoening[111]in zijn omgang, dat eer hij achttien jaren oud was hij een mededinger werd van Square en Thwackum, en wat nog erger is, alle buren even luide begonnen te spreken over hare neiging tot Tom als vroeger over die welke zij jegens Square aan den dag had gelegd, om welke reden deze den onverzoenlijksten haat koesterde voor onzen armen held.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de schrijver zelf het tooneel betreedt.Hoewel de heer Allworthy zelf niet spoedig de dingen in een slecht licht zag, en vreemd bleef aan de openbare geruchten, welke zelden het oor van een broeder of een echtgenoot bereiken, werkte toch de liefde, welke mevrouw Blifil jegens Tom aan den dag legde, en de voorkeur, welke zij hem blijkbaar boven haar eigen zoon schonk, zeer tot zijn nadeel.Want zoo groot was de mate van medelijden, welke den heer Allworthy bezielde, dat niets dan het staal der geregtigheid het ooit deed bezwijken. Op de eene of andere wijze ongelukkig te zijn (mits dat met geen ondeugd gepaard ging), was genoeg om de schaal van het medelijden in zijne hand te doen overslaan, en om zijne vriendschap en welwillendheid te verwerven.Zoodra hij dus duidelijk ontwaarde dat de jonge heer Blifil gehaat werd (en dat was het geval) door zijne eigene moeder, begon hij, alleen om die reden, hem met medelijden te beschouwen, en hoe het medelijden werkt op een goed en welwillend hart, behoef ik hier niet aan de meerderheid mijner lezers uitteleggen.Van dit oogenblik af zag hij elken schijn van deugd in dien jongen door een vergrootglas, en al zijne gebreken door een verkleinglas, zoodat ze naauwelijks zigtbaar werden. Dit mag welligt, wegens den beminnelijken aard van het medelijden, loffelijk wezen, maar de volgende stap is alleen te verontschuldigen door de zwakheid van de menschelijke natuur; want naauwelijks had hij ontdekt, dat mevrouw Blifil de voorkeur aan Tom schonk, of deze arme jongen (hoe[112]onschuldig ook) begon in zijne schatting te dalen, naarmate hij in de hare rees. Het is waar, dat dit alleen Jones niet ten eenemale uit zijn hart zijne plaats zou hebben doen verliezen, maar het benadeelde hem zeer, en bereidde den geest van den heer Allworthy voor op die indrukken, welke later die gewigtige gebeurtenissen veroorzaakten, die in deze geschiedenis herdacht zullen worden, en waartoe men bekennen moet, dat de ongelukkige jongen door zijne ligtzinnigheid, ongeregeldheid en gebrek aan voorzigtigheid, slechts al te veel bijdroeg.Door sommigen daarvan op te teekenen,—als men ons niet verkeerd begrijpt, zullen wij eene zeer nuttige les geven aan die jongelieden van goeden aanleg, die later ons werk zullen lezen; want zij zullen daaruit leeren, dat goedheid van harte en een open gemoed, hoewel zij veel inwendigen troost mogen opleveren, en zij gevoelen dat zij daar trotsch op mogen wezen, helaas volstrekt, niet geschikt zijn om hen in de wereld vooruit te helpen. Zelfs de beste menschen kunnen de voorzigtigheid en de bedaardheid niet missen. Deze zijn inderdaad, als het ware, de wachters der deugd, zonder welke zij nooit veilig is. Het is niet genoeg, dat uwe voornemens, of zelfs uwe daden, in zich zelve goed zijn;—gij moet ook zorg dragen dat zij dit schijnen. Laat het inwendige nog zoo schoon zijn, het uiterlijke moet ook schoon wezen. Hiervoor moet men aanhoudend zorg dragen, of de kwaadwilligheid en de nijd zullen zich beijveren alles zoodanig te bezwalken, dat de wijsheid en goedheid van een Allworthy niet in staat zullen zijn dat te doorzien en de inwendige schoonheden te ontdekken. Vergeet nooit, jeugdige lezer, den stelregel, dat geen mensch goed genoeg kan wezen om de voorschriften der voorzigtigheid te verwaarloozen, en dat de deugd zelve niet bekoorlijk schijnen zal, wanneer ze de uiterlijke versierselen der welvoegelijkheid en der betamelijkheid versmaadt. Ik geloof, mijne waarde discipelen, dat, als gij slechts met oplettendheid leest, gij de bevestiging dezer regels zult vinden op de volgende bladzijden van dit boek.Ik vraag vergiffenis, dat ik voor een oogenblik zelf, opgetreden ben, bij wijze van koor. Dat deed ik wezenlijk, om mijn eigen wil, opdat, terwijl ik de rotsen aantoon, waarop[113]de onschuld en de deugd dikwerf schipbreuk lijden, men niet denke, dat ik juist de middelen, waardoor zij te gronde zouden gaan, aanbeveel. Daar ik nu geen mijner persoonaadjes overhalen kon dit te zeggen, was ik genoodzaakt het zelf te verklaren.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een kinderachtig voorval, waaruit men echter het goedaardige karakter van Tom Jones zien kan.De lezer zal zich herinneren, dat de heer Allworthy Tom Jones een hit gegeven had, als eene soort van vergoeding voor de straf, welke deze schijnbaar onschuldig had moeten ondergaan.Deze hit had Tom meer dan een halfjaar gehad, toen hij naar eene naburige paardenmarkt reed en het dier daar verkocht.Bij zijne terugkomst werd hij door Thwackum ondervraagd over de wijze, waarop hij het geld dat hij voor het paard gekregen had, besteed had en verklaarde ronduit, dat hij het niet zeggen wilde.„O, ho!” riep Thwackum; „Ge wilt niet? Nu, dan zal ik het heel spoedig uit je —— slaan!”—zijnde deze de plaats waar hij altijd, als er eenige twijfel bestond, naar berigten zocht.Tom werd nu door een knecht op de schouders geheschen, en alles was voor de strafoefening gereed, toen de heer Allworthy in de kamer trad, den beschuldigde uitstel van executie schonk en hem met zich nam naar een ander vertrek, waar hij, met Tom alleen zijnde, hem dezelfde vraag deed als Thwackum.Tom hernam, dat het zijn pligt was hem niets te weigeren; maar wat dien tirannieken schurk betrof, hij hem alleen met een knuppel antwoorden zou, waarmede hij spoedig hoopte in staat te zijn hem al zijne wreedheden te betalen.De heer Allworthy verweet den jongen zeer streng deze onbetamelijke en oneerbiedige uitdrukkingen omtrent zijn leermeester; maar nog meer zijne aan den dag gelegde[114]wraakzucht. Hij dreigde hem met het geheele verlies zijner gunst, als hij ooit iets van dien aard weder van hem vernam; want hij verklaarde een aterling nooit te willen ondersteunen of beschermen.Door deze en dergelijke gezegden, wekte hij iets bij Tom op dat naar berouw zweemde, in welks uiting echter hij niet al te opregt was; want hij peinsde er wezenlijk over, hoe hij den onderwijzer de pijnlijke gunstbewijzen zou vergelden, waarmede deze hem overladen had. De heer Allworthy echter bragt hem er toe om eenig leedwezen te toonen over zijn wrok tegen Thwackum, en na eenige heilzame vermaningen, verzocht hij hem verder te vertellen; wat hij in de volgende woorden deed:„Inderdaad, waarde heer, ik bemin en eerbiedig u meer dan wien ook ter wereld:—ik besef mijne groote verpligtingen jegens u, en zou mijzelven haten, als ik me tot eenige ondankbaarheid in staat achtte. Als het hitje, dat gij me gaaft, spreken kon, zou het dier u zeker vertellen, hoe zeer ik ingenomen was met uw geschenk, want ik vond het nog prettiger het te voeden dan het te rijden. Wezenlijk, mijnheer, het ging me aan het hart om er van te scheiden, en ik zou het om alles ter wereld, zonder die eene reden, die me er toe overhaalde, niet verkocht hebben. Ik ben ook overtuigd, mijnheer, dat gij, in mijn geval, ook zoo zoudt gehandeld hebben;—want geen mensch is gevoeliger dan gij voor de rampen van anderen. En hoe zoudt gij u gevoelen, mijnheer, als gij dacht, dat gij het zelf veroorzaakt hadt?—Inderdaad, mijnheer, ongelukkiger menschen dan die—”„Dan wie, jongen?” vroeg de heer Allworthy. „Wat bedoelt ge?”„O, mijnheer,” hernam Tom; „de arme jager en zijn huisgezin, sedert ze door u weggejaagd zijn, vergaan van ellende, koude en honger. Ik kon echter deze ongelukkigen niet in lompen gehuld en in gebrek zien, en terzelfder tijd bedenken, dat ik de oorzaak was geweest van al hun lijden.—Dat kon ik niet verdragen!—mijnheer, dat kon ik, op mijn woord van eer niet doen!” (Hier biggelden hem de tranen langs de wangen en hij hervatte): „Het was om hen van den geheelen ondergang te redden, dat ik[115]scheidde van uw kostbaar geschenk, niettegenstaande mijne ingenomenheid daarmede:—ik verkocht het paard om hunnentwil en heb hun àl het geld, tot den laatsten duit toe, gegeven.”De heer Allworthy bleef eenige oogenblikken zwijgen, en eer hij sprak welden hem de tranen in de oogen. Eindelijk zond hij Tom met een zacht verwijt weg, terwijl hij hem den raad gaf in de toekomst, zich in gevallen van nood liever tot hem te wenden, dan tot zulke buitengewone hulpmiddelen zijn toevlugt te nemen.Deze zaak leverde stof tot velerlei twisten tusschen Thwackum en Square. Thwackum hield vol dat het verzet was tegen den heer Allworthy, wiens voornemen het was den jager voor zijne ongehoorzaamheid te straffen. Hij zeide, dat in sommige gevallen, hetgeen de wereld milddadigheid noemde, hem toescheen verzet te zijn tegen den wil van God, die eenige personen aangewezen had, die te gronde moesten gaan; en dat het ook tevens oppositie was tegen den heer Allworthy;—terwijl hij, op zijne gewone wijze—eindigde met eene toepassing der roede aan te bevelen.Square hield het tegenovergestelde vol; welligt om tegen Thwackum te opponeren, of uit toegefelijkheid jegens den heer Allworthy, die, hetgeen Jones gedaan had ten zeerste scheen goed te keuren. Wat aangaat hetgeen hij bij deze gelegenheid aanvoerde, daar ik overtuigd ben, dat de meeste mijner lezers, zelve nog de zaak van Jones beter bepleiten kunnen dan ik, is het onnoodig het hier te herhalen. Inderdaad, het viel niet moeijelijk eene daad, die van de wetten van het onregt niet afteleiden was, met die van het regt overeen te brengen.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende eene veel schandelijker gebeurtenis, met de aanmerkingen van Thwackum en Square.Het is door iemand aangemerkt, die een veel grooter naam heeft voor wijsheid dan ik, dat een ongeluk zelden alleen komt.[116]Ik geloof dat men hiervan een voorbeeld ziet in die heeren, die het ongeluk hebben eenige van hunne schelmenstreken te zien ontdekken; want de ontdekking wordt dan zelden gestuit tot alles aan het licht komt. Dit was ook het geval met den armen Tom, die pas vergiffenis verkregen had voor het verkoopen van het paard, toen het uitlekte dat hij korten tijd van te voren een schoonen bijbel verkocht had, hem door den heer Allworthy geschonken, en dat hij het geld daarvoor op dezelfde wijze besteed had. Deze bijbel was door den jongen heer Blifil aangekocht, hoewel hij zelf een dergelijk boek bezat, gedeeltelijk uit eerbied voor het werk zelf, gedeeltelijk uit vriendschap voor Tom, daar hij niet wilde dat de bijbel voor half geld in vreemde handen kwam. Hij gaf hem dus die som zelf; want het was een zeer voorzigtige jongen, die zoo goed op zijn geld paste, dat hij bijna elken stuiver oplegde van al hetgeen hij van den heer Allworthy kreeg.Men heeft wel eens opgemerkt, dat er sommige menschen zijn, die alleen in hun eigen boek kunnen lezen. Maar het tegendeel scheen het geval te zijn met den jongen heer Blifil; want zoodra hij Tom’s bijbel kreeg, gebruikte hij nooit een anderen. Ja, men zag hem er zelfs veel meer in lezen, dan hij ooit in zijn eigen boek gedaan had. Daar hij ook dikwijls Thwackum verzocht hem moeijelijke passages daarin uit te leggen, merkte die heer ongelukkig Tom’s naam op, hier en daar in het boek geschreven. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek, waardoor de jonge heer Blifil genoodzaakt was de geheele zaak te ontdekken.Thwackum besloot dat eene misdaad van dezen aard, die hij heiligschennis noemde, niet ongestraft zou blijven. Hij ging dus onmiddellijk tot de strafoefening over en daarmede niet voldaan, maakte hij den heer Allworthy bij hunne eerste ontmoeting daarna, met deze, naar het hem toescheen schandelijke misdaad bekend, te gelijker tijd in de hevigste bewoordingen Tom berispende, en hem vergelijkende bij de kooplieden, die uit den tempel gedreven werden.Square bekeek de zaak uit een geheel ander oogpunt. Hij zeide er geene zwaardere misdaad in te zien, of men het ééne boek of het andere verkocht. Het verkoopen van bijbels was geheel wettig,—volgens goddelijke en menschelijke[117]instellingen, en dus was er niets ongepast in. Hij vertelde aan Thwackum, dat diens groote toorn bij deze gelegenheid hem herinnerde aan het verhaal van de zeer vrome vrouw die uit zuiveren godsdienstzin Tillotson’s preken stal van eene dame, die zij kende.Dit verhaal deed al het bloed stroomen naar het gezigt van den geestelijke, dat op zich zelf nooit al te bleek was, en hij was op het punt van met groote drift en toorn te antwoorden, toen mevrouw Blifil, die bij dezen twist tegenwoordig was, tusschenbeide kwam. Die dame trok zeer bepaaldelijk partij voor Square. Zij redeneerde inderdaad zeer geleerd om zijn gevoelen te ondersteunen, en eindigde met te zeggen, dat zij bekennen moest dat haar eigen zoon even schuldig scheen; want dat zij geen onderscheid zien kon tusschen kooper en verkooper,—welke beide uit den tempel gedreven moesten worden.Daar mevrouw Blifil nu eenmaal haar gevoelen had geuit, was er een einde aan den twist. Square’s overwinning zou al zijne welsprekendheid gestuit hebben, als hij die noodig had gehad, en Thwackum, die om voormelde redenen het niet waagde de dame te mishagen, stikte bijna van verontwaardiging. Wat de heer Allworthy aangaat, hij zeide, dat daar de jongen reeds gestraft was, hij zijne meening omtrent de geheele zaak voor zich houden zou; en ik laat het aan den lezer zelven over te beslissen, of hij vertoornd was of niet op den jongen.Kort hierop werd de jager geregtelijk vervolgd door den heer Western,—den heer op wiens jagt de patrijs geschoten werd,—wegens meer dergelijke delicten. Dit was een zeer ongelukkig iets voor den armen vent, daar het niet slechts genoeg was op zich zelf om hem geheel te grond te rigten, maar ook wezenlijk belette, dat de heer Allworthy hem weder in zijne gunst opnam; want toen die heer op zekeren avond met den jongen heer Blifil en Tom Jones wandelde, wist deze laatste hem op eene listige wijze voorbij de woning van den Zwarten George te brengen, waar de familie van den armen man, namelijk zijne vrouw en kinderen, in al de ellende gevonden werden, welke koude, honger en gebrek aan kleeding den mensch doen uitstaan; want, wat het geld betreft, dat zij van Jones gekregen hadden, dat[118]was bijna geheel en al door oude schulden verslonden.Een dergelijk tooneel kon zijne uitwerking niet missen op het hart van den heer Allworthy. Hij schonk de moeder dadelijk een paar goudstukken en beval haar daarmede hare kinderen op nieuw te kleeden. De arme vrouw barstte in tranen uit over deze weldaad, en terwijl zij hem bedankte kon zij niet nalaten hare erkentelijkheid jegens Tom te uiten, die, gelijk zij zeide, haar en de haren zoo lang voor den hongerdood bewaard had.„Wij hebben,” zeide zij, „geen brok eten, en geen enkel kleedingstuk dat wij niet aan zijne goedheid te danken hebben.”En werkelijk, behalve het paard en den bijbel, had Tom nog een nachthemd en andere kleinigheden ten behoeve van het ongelukkige huisgezin opgeofferd.Bij hunne terugkomst, bezigde Tom al zijne welsprekendheid, om de ellende dezer menschen af te schilderen, alsmede het berouw van den Zwarten George zelven, en hierin slaagde hij zoo goed, dat de heer Allworthy zeide, dat hij zich verbeeldde dat de man genoeg gestraft was voor het verledene; dat hij hem nu vergeven zou en middelen beramen om hem en zijne familie verder te bezorgen.Jones was zoo verrukt over deze toezegging, dat hoewel het al donker was bij hunne tehuiskomst, hij in een regenbui terugdraafde, eene mijl ver, om de heugelijke tijding aan de arme vrouw over te brengen; maar even als andere overhaaste verspreiders van berigten, haalde hij zich slechts de moeite op den hals van het te moeten gaan tegenspreken, want het vijandige noodlot maakte juist gebruik van de afwezigheid van den vriend van den Zwarten George om alles weder in de war te brengen.[Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de jonge heer Blifil en Tom zich in een zeer verschillend licht doen zien.De jonge heer Blifil bezat, in veel minderen graad dan zijn makker, de beminnelijke hoedanigheid van het medelijden;[119]maar hij overtrof hem daarentegen evenzeer in eene andere, die veel verhevener van aard is, en waarin hij zoowel de leerstellingen als het voorbeeld van Square volgde; want hoewel beiden het woord medelijden dikwijls gebruikten, was het duidelijk dat in de werkelijkheid Square het beschouwde als onbestaanbaar met de wetten van het regt, terwijl Thwackum de geregtigheid wilde uitoefenen en de barmhartigheid aan den Hemel overlaten.Die twee mannen verschilden inderdaad zoo zeer in gevoelen omtrent de voorwerpen van deze verhevene deugd, dat Thwackum, op zijne wijze, waarschijnlijk de eene helft van het menschelijk geslacht en Square de andere helft vernietigd zou hebben.De jonge heer Blifil dan, hoewel hij zweeg in het bijzijn van Jones, kon toch, toen hij over de zaak nadacht, het denkbeeld niet verdragen, dat zijn oom den onwaardige met weldaden zou overladen. Om deze reden besloot hij dadelijk zijn oom bekend te maken met het feit, waarvan wij den lezer eventjes een wenk gegeven hebben. De toedragt er van was als volgt:De jager had, omstreeks een jaar na zijn ontslag uit de dienst van den heer Allworthy, en eer Tom het paard verkocht, en toen hij gebrek had aan brood voor zich zelven of zijn huisgezin, een zittenden haas ontdekt, terwijl hij door een veld ging dat den heer Western toebehoorde. Dit dier had hij op eene barbaarsche en laaghartige wijze met een knuppel doodgeslagen,—wat voorzeker zeer in strijd was met de wetten van het land en met die der jagt.De handelaar aan wien de haas verkocht werd, werd ongelukkig vele maanden later gesnapt met eene menigte gestroopt wild, en was om den heer van de plaats te verzoenen, genoodzaakt den een of anderen wilddief te verraden. Daartoe werd de Zwarte George door hem uitgezocht, als iemand, dien de heer Western reeds ongenegen was, en die ook in de omstreken reeds een slechten naam had. De handelaar kon bovendien zelf geen voordeeliger offer brengen, daar George hem in al dien tijd geen wild geleverd had, en aldus vond hij gelegenheid zijne beste leveranciers te redden; want daar de heer Western verrukt was de gelegenheid te hebben om den Zwarten George te straffen, dien[120]eene enkele overtreding geheel te gronde zou rigten, deed hij geen verder onderzoek.Als men dit feit onvergroot den heer Allworthy blootgelegd had, zou het waarschijnlijk den jager zeer weinig hebben benadeeld. Maar geen ijver is meer verblind, dan die welke ontstaat uit de zucht om den boosdoener te straffen. De jonge heer Blifil vergat hoe lang geleden alles gebeurd was. Hij veranderde ook eenigzins de zaak, en door het onvoorzigtige gebruik van het woordhazenin plaats vanhaas, maakte hij een groot verschil en beschuldigde George van strikken te leggen om hazen te vangen. Deze verandering had welligt kunnen verbeterd worden, als de jonge heer Blifil niet heel ongelukkig den heer Allworthy eene belofte van geheimhouding afgeperst had eer hij hem de zaak mededeelde;—maar nu werd de arme jager veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben om zich te regtvaardigen; want, daar het onbetwistbaar was dat hij één haas gedood had, en daarom geregtelijk vervolgd werd, twijfelde de heer Allworthy aan het overige van het verhaal niet.Zeer kort dan was de vreugde dezer arme menschen; want de heer Allworthy verklaarde den volgenden morgen, dat hij eene nieuwe reden had, die hij niet opgeven wilde, om vertoond op George te zijn, en hij gelastte Tom diens naam nooit meer te noemen; hoewel, wat zijn huisgezin betrof, hij zijn best beloofde te doen om te beletten dat dat van honger omkwam;—met den jager zelven wilde hij echter niet te doen hebben, maar zou hem aan de wetten overlaten, die hij voor geen geld ter wereld wilde schenden.Tom kon volstrekt niet gissen wat het was, dat de toorn van den heer Allworthy opgewekt had, want zijne verdenking viel niet op den jongen heer Blifil. Daar echter zijne vriendschap zich door niets liet afschrikken, besloot hij om een ander middel te baat te nemen om den armen man van den ondergang te redden.Jones was in den laatsten tijd zeer intiem geworden met den heer Western. Hij had zich zoodanig aan dien heer aanbevolen, door zijn stout rijden op de jagt en andere heldenfeiten van dien aard, dat die heer verklaarde dat Tom zeker nog eens een groot man zou worden als hij slechts aanmoediging vond. Hij wenschte dikwijls zelf zulk een[121]begaafden zoon te hebben, en verklaarde eens op eene drinkpartij dat hij er duizend pond onder verwedden wilde, dat geen jager in het geheele land zoo goed met de honden kon jagen als Tom.Deze had zich door die gaven zoodanig bemind gemaakt bij den landjonker, dat hij altijd een zeer gewenschte gast was aan zijne tafel en zijn lievelingsmakker op de jagt. Alles wat de landjonker het kostbaarste achtte; te weten: geweren, honden en paarden, waren nu ook even zeer tot Tom’s beschikking als of ze hem zelven toebehoorden. Hij besloot dus om gebruik te maken van deze gunst ten behoeve van zijn vriend den Zwarten George, dien hij in het huis van den heer Western hoopte te doen opnemen in dezelfde hoedanigheid als vroeger bij den heer Allworthy. Als de lezer bedenkt, dat deze mensch reeds zeer gehaat was bij den heer Western en verder in overweging neemt welke gewigtige zaak den toorn van dien heer had gaande gemaakt, zal hij misschien de onderneming van Tom als dwaas en wanhopig beschouwen; maar als hij den jongen Jones om die reden veroordeelt, zal hij het toch prijzenswaardig vinden, dat hij zich in deze moeijelijke taak trachtte te versterken door elk hulpmiddel, waarover hij beschikken kon, te baat te nemen.Tot dit einde dan wendde zich Tom tot de dochter van den heer Western, eene jonge dame van ongeveer zeventienjarigen leeftijd, die door haar vader (na de bovenvermelde onmisbare voorwerpen voor de jagt), boven alles ter wereld bemind en geschat werd. Terwijl zij dus eenigen invloed op haar vader bezat, bezat ook Tom eenigen invloed op haar. Daar deze dame echter de toekomstige heldin van dit boek wordt,—eene dame waarop wij zelf zeer verliefd zijn, en op wie waarschijnlijk vele onzer lezers verliefd zullen worden eer wij gedaan hebben, zou het niet gepast zijn haar aan het einde van een boek voor het eerst te doen optreden.[122]

Boek III.Bevattende de merkwaardigste gebeurtenissen in het huisgezin van den heer Allworthy, van het veertiende tot het negentiende jaar van het leven van Tom Jones. In dit boek kan de lezer eenige wenken vinden omtrent de opvoeding van kinderen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevat weinig of niets.De lezer zal de goedheid willen hebben zich te herinneren, dat wij hem bij het begin van het tweede boek van deze geschiedenis, een wenk gaven van ons voornemen om verschillende ruime tijdvakken met stilzwijgen voorbij te gaan, die niets opleverden dat waardig was in eene geschiedenis van dezen aard geboekt te worden.Door dit te doen, raadplegen we niet slechts onze eigene waardigheid en gemak, maar tevens het voordeel en het nut van den lezer, want, behalve dat wij hem op deze wijze beletten zijn tijd te verspillen met lektuur, die hem genoegen noch stichting oplevert, stellen wij hem ook bij zulke gelegenheden telkens in staat om dien verbazenden scherpzin te gebruiken, die hem eigen is, tot het invullen van dergelijke tijdvakken met zijne eigene conjecturen; waartoe wij zorg gedragen hebben hem in de vorige hoofdstukken te bekwamen.Bij voorbeeld, welke lezer beseft niet, dat de heer Allworthy, in het begin, bij het verlies van zijn vriend, die smartelijke gewaarwordingen ondervond, welke bij zulke gelegenheden ieder mensch ondervindt, wiens hart niet van steen en wiens hoofd niet uit even harde bestanddeelen zamengesteld is? Al verder: welke lezer weet niet dat de wijsbegeerte en de godsdienst met der tijd deze smart moesten lenigen en eindelijk uitwisschen? De wijsbegeerte leerde hoe dwaas en ijdel ze was; de godsdienst berispte ze als ongeoorloofd; terwijl zij ze tegelijk verzachtte, door die hoop en zekerheid voor de toekomst optewekken, die een krachtigen, godvruchtigen[88]mensch in staat stellen met bijna even veel onverschilligheid afscheid te nemen van een vriend op zijn sterfbed, alsof hij zich op reis begaf,—en inderdaad met weinig minder hoop van hem weder te zien.De verstandige lezer zal ook geen bezwaar hebben, om zich het gedrag van mevrouw Blifil voortestellen, die zoo lang men het leed te kennen geeft door uiterlijken tooi, ten strengste alle regels der betamelijkheid en welvoegelijkheid in acht nam, de veranderingen van haar gelaat schikkende naar de veranderingen van hare kleeding; want, naarmate de kap afgelegd werd, om alleen zwart te dragen, het zwart in grijs veranderde, het grijs in wit, zoo veranderde ook haar gelaat, van wanhopig tot ellendig, van ellendig tot droevig, van droevig tot ernstig,—tot de dag verscheen, toen zij hare vroegere kalmte weder aannemen kon.Wij hebben alleen deze beide gevallen aangevoerd als voorbeelden van hetgeen men van den meest dagelijkschen lezer kan eischen. Van de meer ervarenen in de kritiek kan men hoogere en moeijelijker bewijzen van hunne oordeelkunde vergen. Wij twijfelen niet dat door dezen vele belangrijke ontdekkingen gemaakt zullen worden, aangaande de gebeurtenissen in de familie van onzen waardigen vriend, gedurende de jaren, welke wij goedvonden met stilzwijgen voorbij te gaan;—want, hoewel er niets voorviel in dit tijdvak, dat eene plaats in deze geschiedenis verdiende, is er toch veel voorgevallen dat even belangrijk is als veel van hetgeen vermeld wordt door de dagelijksche en wekelijksche geschiedschrijvers van deze eeuw, in welke lektuur, naar ik vrees, zeer vele menschen een aanmerkelijk gedeelte van hun tijd verspillen, zonder veel gesticht te worden.Door de conjecturen echter, waartoe ik hier de gelegenheid aanbied kunnen sommige, der uitstekendste gaven van den geest geoefend worden, daar het een veel nuttiger vermogen is, in staat te zijn de handelingen der menschen te voorspellen uit hunne karakters, dan hunne karakters uit hunne handelingen te leeren beoordeelen. Ik beken dat het eerste den meesten scherpzin eischt; maar het is even doenlijk als het laatste, mits men waarlijk schrander zij. Daar wij overtuigd zijn, dat de meeste onzer lezers deze gave in hooge mate bezitten, hebben wij hun een tijdvak[89]van twaalf jaren gelaten om blijken daarvan te geven, en zullen nu onzen held, op omstreeks veertienjarigen leeftijd aan hen voorstellen, daar vele menschen, buiten twijfel, reeds lang wenschen kennis met hem te maken.[Inhoud]Hoofdstuk II.De held van deze geschiedenis treedt onder zeer slechte voorteekens op. Een klein verhaaltje, zoo gemeen van aard, dat sommige lezers het hunner onwaardig zullen achten. Een woord of wat aangaande een landjonker; meer over een jagtopziener en een schoolmeester.Daar wij het besluit namen, toen wij ons neerzetten om deze geschiedenis te schrijven, om geen mensch te vleijen, maar onze pen steeds door de waarheid zelve te laten besturen, zijn wij genoodzaakt onzen held op eene veel onvoordeeliger wijze ten tooneele te voeren, dan wij gewenscht zouden hebben, en eerlijk te verklaren, zelfs bij zijne eerste optreding, dat het gevoelen algemeen heerschte in de familie van den heer Allworthy, dat die jongen zeker voor de galg opgroeide.Het spijt me werkelijk te moeten bekennen, dat er maar al te veel grond scheen voor deze voorspelling. Want de jongen liet, van de teederste jeugd af, eene neiging blijken tot vele ondeugden, en vooral tot ééne, welke even regtstreeks als eenige andere, tot dat uiteinde leidt, hetwelk we pas opgemerkt hebben, dat aangaande hem geprofeteerd werd. Hij was reeds aan drie diefstallen schuldig bevonden, namelijk: hij had appelen gestolen uit een boomgaard; een eend geroofd van een boerenerf, en een bal uit den zak van den jongen heer Blifil.De ondeugden van dezen jongeling kwamen, daarenboven, des te meer uit, als zij tegenovergesteld werden aan de deugden van den jongen heer Blifil, zijn makker;—een jongen zoo verschillend van aard met den kleinen Jones, dat niet slechts de familie, maar tegelijk ook het heele dorp, van zijne loftuitingen weerklonk. Hij was inderdaad een[90]knaap van een zeer merkwaardig karakter: sober, bescheiden, vroom, boven zijne jaren;—hoedanigheden, die hem de liefde verwierven van iedereen, die hem kende, terwijl Tom Jones algemeen misviel, en velen hunne verwondering te kennen gaven, dat de heer Allworthy er in toestemmen kon, dat zulk een jongen met zijn neef opgevoed werd, wiens zeden ligt door zoo’n voorbeeld benadeeld konden worden. Eene gebeurtenis, welke omstreeks dezen tijd voorviel, zal het karakter van deze beide jongens beter verklaren voor den helderzienden lezer, dan de langste redenering zou kunnen doen.Tom Jones, die, hoe slecht ook, als held dezer geschiedenis moet optreden, had slechts één vriend onder al de dienstboden van de familie, want, jufvrouw Wilkins had hem al lang opgegeven en was geheel en al verzoend met mevrouw Blifil. Deze vriend was de jagtopziener, een losse vent van aard, die verdacht werd geene strengere begrippen omtrent hetmeumen hettuumte koesteren dan de jonge heer zelf. Vandaar dat deze vriendschap onder de dienstboden zelve, aanleiding gaf tot vele satirieke opmerkingen, van welke de meesten òf toen al tot de spreekwoorden behoorden, òf sedert dien tijd spreekwoorden zijn geworden, en welker strekking bevat is in het korte latijnsche gezegde: „noscitur a sociis,” hetwelk vertolkt kan worden: „Daar men meê verkeert, wordt men meê geëerd.”En werkelijk, iets van die verschrikkelijke slechtheid in Jones, waarvan wij drie staaltjes pas vermeld hebben, zou welligt kunnen toegeschreven worden aan de aanmoediging van dezen mensch, die in een paar gevallen geweest was, wat de regtsgeleerden noemen, „medepligtige aan de daad;” want de geheele eend en de meeste der appels dienden tot het gebruik van den jagtopziener en van zijn huisgezin. Daar echter Jones alleen ontdekt werd, droeg hij niet slechts de geheele straf, maar ook den ganschen blaam, welke beide hem weder ten deel vielen bij de volgende gelegenheid:Onmidellijkaan de landerijen van den heer Allworthy grensde de heerlijkheid van een van die heeren, die het wild zeer streng bewaren. Deze slag van menschen, te oordeelen naar de groote gestrengheid, waarmede zij het dooden van een haas of een patrijs straffen, zouden kunnen geacht worden[91]besmet te zijn met hetzelfde bijgeloof als zekere Indische stammen, die, zoo als men verhaalt, hun geheel leven toewijden aan het kweeken en koesteren van zekere dieren, ware het niet dat onze Engelsche Indianen, terwijl zij ze tegen andere vijanden verdedigen, onbarmhartig zelve geheele karrenvrachten daarvan slagten,—wat hen natuurlijk geheel vrij pleit van eenig heidensch bijgeloof hoegenaamd.Ik koester inderdaad eene veel gunstiger meening dan velen omtrent zulke menschen, daar ik het er voor houd, dat zij aan de natuur, en aan het doel hunner bestemming op eene veel volmaakter wijze weten te voldoen, dan vele anderen. Want, even als Horatius ons vertelt, dat er zekere menschelijke wezens zijn,„Fruges consumere nati,”„geboren om de vruchten der aarde te gebruiken,” zoo twijfel ik ook niet dat er anderen zijn,„Feras consumere nati,”„geboren om de wilde dieren,” of gelijk men gewoonlijk zegt, „het wild” op te eten, en niemand zal, denkelijk, ontkennen, dat dergelijke landjonkers deze hunne bestemming bereiken.De kleine Jones ging dan op zekeren dag met dezen jager er op uit,—en een vlugt patrijzen, die opvloog bij de grenzen van die bezittingen over welke het noodlot, om de wijze bedoelingen der natuur te vervullen, een dergelijken wild-etenden mensch gesteld had, ging weer liggen, gelijk men zegt, en zooals de twee jagers zagen, onder eenige boomstruiken, zoowat een paar honderd pas aan gene zijde van de grenzen der landerijen van den heer Allworthy.De heer Allworthy had zijn jager bevolen, op straf van ontslagen te worden, nooit bij iemand zijner buren te stroopen;—bij die welke minder streng waren op dat punt evenmin als bij den heer in kwestie. Ten opzigte van anderen werden deze voorschriften niet altijd zeer stipt opgevolgd; daar echter het karakter van den heer bij wien de vogels nu toevlugt gezocht hadden, wel bekend was, had de jager tot dusver nooit gewaagd diens gebied te betreden. Hij zou het ook nu wel gelaten hebben, als de jongere jager, die buitengewoon driftig was in het vervolgen van het wild, hem niet overgehaald had; daar echter Jones hem niet losliet,[92]gaf de andere, die zelf gaarne schieten wilde, aan zijne verzoeken gehoor, overschreed de grenzen en schoot een der vogels.De heer van de plaats, die zelf in de nabijheid te paard reed, hoorde het schot, ijldeonmiddellijknaar de plaats toe en ontdekte den armen Tom; want de jager was midden in de digtste struiken gesprongen, waar hij zich gelukkig wist te verbergen.De heer onderzocht den jongen, en de patrijs bij hem vindende, zwoer hij, dat hij zich wraak zou verschaffen en den heer Allworthy van de zaak kennis geven.Hij hield ookonmiddellijkwoord, want hij reed naar het huis en klaagde over dit stroopen op zijne jagt in even bittere woorden en even ernstig, alsof men in zijn huis ingebroken en de kostbaarste meubelen er uit gehaald had. Hij voegde er bij, dat de jongen iemand anders bij zich had moeten hebben, want dat hij twee schoten bijna op hetzelfde oogenblik gehoord had. „En,” voegde hij er bij, „ik heb slechts dezen éénen vogel gevonden, maar de hemel weet, hoeveel kwaad zij gedaan hebben!”Bij zijne tehuiskomst werd Tom dadelijk bij den heer Allworthy geroepen. Hij bekende het feit, en bragt geene andere verontschuldiging in, dan wat wezenlijk waar was, dat de patrijzen eerst op de jagt van den heer Allworthy zelven opgevlogen waren.Toen werd hem gevraagd, wien hij bij zich had gehad, wat de heer Allworthy verklaarde, stellig te willen weten, den beschuldigde opmerkzaam makende op de twee schoten, die gehoord werden én door den heer én door zijne beide bedienden; maar Tom hield vol met stoutweg te beweren, dat hij alleen was geweest; hoewel hij, om de waarheid te zeggen, in het begin aarzelde, wat de heer Allworthy in zijn geloof bevestigd zou hebben, als hij getwijfeld had aan hetgeen zijn buurman en de knechts verklaard hadden.Daar de jager een verdacht persoon was, zond men nu om hem, en ook hij werd ondervraagd; daar hij echter vast vertrouwde op Tom’s belofte om alle schuld op zich te nemen, loochende hij zeer standvastig, dat hij in gezelschap van den jongen heer geweest was, of dat hij hem zelfs dien namiddag gezien had.[93]De heer Allworthy, wiens gelaat buitengewoon toornig was, wendde zich nu tot Tom en vermaande hem alles te bekennen, daar hij besloten had alles te weten. De jongen echter bleef bij zijn besluit en werd door den hevig vertoornden Allworthy weggezonden, die hem zeide, dat hij zich bedenken kon tot den volgenden morgen, als wanneer hij door iemand anders en op eene geheel andere wijze ondervraagd zou worden.De arme Jones bragt een zeer droevigen nacht door,—te meer omdat hij zijn gewonen makker miste, daar de jonge heer Blifil met zijne moeder uit logeren was. Vrees voor de straf, die hem bedreigde, was zijne minste kwelling zijne hoofdzorg was de angst, dat zijne standvastigheid bezwijken mogt, en dat hij den jager verraden zou, die, gelijk hij wist, daardoor te grond gerigt zou worden.De jager bragt ook geen gelukkigen tijd door. Hij koesterde dezelfde vrees als de jongen, en vreesde meer diens woord van eer dan zijne beenderen te zien breken.Des morgens, toen Tom bij den eerwaarden heer Thwackum verscheen, den persoon aan wien de heer Allworthy de opvoeding der beide jongens toevertrouwd had, werden hem, door dien heer, dezelfde vragen gedaan als den vorigen avond, waarop hij ook dezelfde antwoorden gaf. Het gevolg was zulk eene strenge ligchamelijke kastijding, dat die welligt weinig onderdeed voor de folteringen, waaraan, in sommige landen, de beschuldigden onderworpen worden, om hen tot bekentenis te brengen.Tom droeg de straf met de meeste standvastigheid, en hoewel de meester hem met elken slag vroeg of hij nog niet bekennen wilde, verkoos hij liever zich levend te laten villen, dan zijn vriend te verraden, of zijn gegeven woord te breken.De jager was nu van zijn angst bevrijd en de heer Allworthy zelf begon wroeging te gevoelen over Tom’s lijden; want behalve dat de heer Thwackum, die zeer boos was, dat hij niet in staat was den jongen alles te laten zeggen, wat hem goed dunkte, veel strenger was geweest dan de goede Allworthy bedoeld had, begon deze nu te veronderstellen, dat zijn buurman zich vergist had, wat zijne groote drift en toorn niet onwaarschijnlijk maakte, en ten opzigte[94]van hetgeen de knechts gezegd hadden, om het berigt van hun meester te bevestigen, daar hechtte hij niet veel waarde aan.Omdat nu wreedheid en onregtvaardigheid twee denkbeelden waren, welke het den heer Allworthy onmogelijk viel zelfs voor één oogenblik te verdragen, zond hij om Tom en na vele zachte en liefderijke vermaningen, zeide hij: „Ik ben overtuigd, kindlief, dat ik u verkeerd verdacht hield;—het spijt me dus dat gij om deze zaak zoo streng gestraft wordt.”En hij eindigde met hem een hitje te schenken, ter vergoeding, met herhaling van zijn leedwezen over het gebeurde. Tom verweet zich nu zijne schuld veel heviger dan hij ooit zou gedaan hebben, na de grootste gestrengheid. Het was hem gemakkelijker gevallen de stokslagen van Thwackum dan de goedheid van Allworthy te verdragen. Hij barstte in tranen uit, wierp zich op de knieën en riep:„O, mijnheer! Gij zijt te goed voor mij! Wezenlijk! wezenlijk, ik verdien zoo iets niet!”En op dat oogenblik zou hij haast uit de volheid van zijn hart het geheim verklapt hebben, zoo de beschermgeest van den jager hem niet ingefluisterd had, welke gevolgen dat hebben kon voor dien armen mensch, en deze bedenkingen hem geen slot op de lippen gelegd hadden.Thwackum deed zijn best om Allworthy te beletten eenig medelijden of vriendelijkheid jegens den jongen aan den dag te leggen, zeggende: „Hij heeft eene onwaarheid vol gehouden,”—tegelijk met eenige wenken, dat eene tweede kastijding welligt de zaak aan het licht zou brengen.Maar de heer Allworthy weigerde bepaaldelijk tot deze proef overtegaan. Hij zeide dat de jongen reeds genoeg geleden had voor het verbergen der waarheid, zelfs als hij schuldig was, aangezien hij geene andere reden daartoe kon hebben dan een verkeerd begrip van eer.„Eer!” riep Thwackum, met eenige drift; „niets dan koppigheid en eigenwaan! kan de eer iemand er toe brengen een leugen te vertellen, of kan er eer bestaan zonder godsdienst?”Dit gesprek had plaats aan tafel, dadelijk na het eten, en in tegenwoordigheid van den heer Allworthy, den heer[95]Thwackum, en een derden heer, die nu deel aan het dispuut nam, en dien wij kortelings aan den lezer bekend willen maken eer wij verder gaan.[Inhoud]Hoofdstuk III.Het karakter van den wijsgeer Square en van den heer Thwackum, den godgeleerde, met een dispuut over—.De naam van dezen heer, die sedert eenigen tijd bij den heer Allworthy inwoonde, was Square. De gaven, welke hij van de natuur ontvangen had, waren niet zeer groot, maar hij had ze ontwikkeld door eene wetenschappelijke opvoeding. Hij was zeer belezen in de oude letterkunde, en vooral zeer op de hoogte van al de werken van Plato en Aristoteles, naar welke groote voorbeelden hij zich voornamelijk gevormd had,—soms de gevoelens van den een, en soms weder die van den andere volgende. In zijne zedeleer hield hij het met Plato; in de godsdienst helde hij tot de gevoelens van Aristoteles over.Maar hoewel hij, zooals gezegd is, zijne voorbeelden nam uit de Platonische school, was hij het volmaakt eens met het gevoelen van Aristoteles, als die een groot man eerder beschouwt als een wijsgeer, of speculatieven geest, dan als een wetgever. Dit gevoelen dreef hij zeer ver;—zelfs zoo ver, dat hij alle deugd slechts beschouwde als theorie. ’t Is waar, dat hij dit nooit tegen iemand beweerde, voor zoo ver ik weet, maar met een oog op zijn gedrag, kan ik niet nalaten te denken dat het zijn wezenlijk gevoelen was, waardoor ook eenige, anders schijnbare tegenstrijdigheden in zijn karakter best verklaard worden.Deze mijnheer en de heer Thwackum ontmoetten elkaar haast nooit zonder te twisten, daar hunne leerstellingen inderdaad lijnregt tegenover elkaar stonden. Square hield de menschelijke natuur voor de volmaaktheid der deugd, en beschouwde de ondeugd als eene afwijking van de natuur, te vergelijken bij ligchamelijke mismaaktheid. Thwackum integendeel, beweerde, dat de menschelijke geest, sedert[96]Adams val, niets was dan een vat vol boosheid, tot het gezuiverd en weder gered werd door de goddelijke genade. Slechts op één punt waren zij het eens, en dat was, nooit in hunne wijsgeerige gesprekken van „het goede” te spreken. De geliefkoosde spreekwijze van den eerste was: „de natuurlijke schoonheid der deugd;” van den laatste: „de goddelijke magt der genade.”De eene beoordeelde alle handelingen volgens de onveranderlijke wetten van het regt en de eeuwige orde der dingen; de andere besliste alles volgens „de autoriteiten;” maar hierin gebruikte hij steeds de schrift en hare uitleggers, even als een regtsgeleerde doet met zijne wetboeken, wanneer de commentarie beschouwd wordt niet minder gezag te hebben dan de tekst.Na deze korte inleiding, zal de lezer de goedheid hebben zich te herinneren, dat de geestelijke geëindigd was met de zegevierende vraag, welke, naar hij meende, geene tegenspraak te vreezen had:„Kan er eenige eer zijn, zonder godsdienst?”Hierop hernam Square, dat het onmogelijk was wijsgeerig over de woorden te praten, eer hunne juiste beteekenis bepaald was; dat er naauwelijks twee woorden bestonden, die meer onbepaald en onzeker van beteekenis waren dan de twee, welke hij pas gebruikt had, want dat er bijna evenveel begrippen van eer als van godsdienst bestonden.„Maar,” vervolgde hij, „als gij door eer de ware natuurlijke schoonheid der deugd verstaat, dan houd ik vol, dat die bestaan kan zonder eenige godsdienst hoegenaamd. Ja,” voegde hij er bij, „gij zult zelf bekennen, dat ze bestaan kan onafhankelijk van alle godsdiensten, op ééne na;—en dat zal eveneens de mohammedaan, de jood, en met één woord iedere volgeling van iedere sekte ter wereld doen.”Thwackum hernam dat dit redeneren was op de wijze van alle kwaadaardige vijanden van de eenige kerk. Hij zeide, er niet aan te twijfelen, dat alle ketters en heidenen ter wereld, de eer, als zij er maar kans toe zagen, beperken zouden tot hunne eigene bespottelijke dwalingen en verfoeijelijke bedriegerijen; „maar,” ging hij voort, „daarom is de eer niet veelsoortig, omdat zoo vele ongerijmde denkbeelden[97]daarvan bestaan; en de godsdienst kan toch maar één zijn, in weerwil van alle sekten en ketters ter wereld; als ik van godsdienst spreek, dan bedoel ik de christelijke godsdienst, en niet slechts de christelijke godsdienst, maar ook de protestantsche godsdienst, en niet slechts de protestantsche godsdienst, maar de kerk van Engeland. En als ik van eer spreek, bedoel ik die mate van goddelijke genade, die niet slechts bestaanbaar is met, maar die ook afhankelijk is van deze godsdienst, en geene andere eer. En te zeggen, dat die eer, welke ik bedoel, en die, naar ik meende, de eenige eer was, welke bedoeld kon worden, iemand veroorloven kan niet alleen eene onwaarheid te zeggen, maar hem dit zelfs tot pligt maakt, is eene ongerijmdheid, te stuitend om begrepen te worden.”„Ik vermeed voorbedachtelijk,” hernam Square, „eene gevolgtrekking te maken, die, naar het me toescheen, blijkbaar was uit hetgeen ik zeide; maar als gij die opgemerkt hebt, is het zeker, dat gij niet getracht hebt ze te weêrleggen. Maar, om de kwestie van godsdienst daar te laten, geloof ik, dat het duidelijk blijkt uit uwe woorden, dat wij verschillende begrippen omtrent de eer koesteren;—of hoe komt het dat wij het niet eens zijn in de verklaring daarvan? Ik heb beweerd, dat de ware eer en de ware deugd bijna synoniemen zijn, en dat beide gegrond zijn op de onveranderlijke wetten van het regt en van de eeuwige orde der dingen;—en daar eene onwaarheid bepaaldelijk daarmede tegenstrijdig en vijandig is, is het ook zeker, dat de ware eer geene onwaarheid goedkeuren kan. Hierin geloof ik dus dat wij het beide eens zijn; maar dat men zou willen volhouden, dat deze eer gegrond kan zijn op de godsdienst, hoewel zij ouder is dan deze, indien men door godsdienst eenige stellige wet bedoelt,—”„Ik het met u eens!” riep Thwackum, met veel drift, „en dat met iemand, die durft te beweren dat de eer ouder is dan de godsdienst!—mijnheer Allworthy, ik beroep me op u,—heb ik toegestemd—?”Hij wilde voortgaan, toen de heer Allworthy hem in de rede viel en zeer bedaard zeide, dat zij hem beide verkeerd begrepen hadden; want dat hij van waar eergevoel niet gesproken had.—Het is echter mogelijk dat hij de[98]twistenden niet gemakkelijk tot bedaren gebragt zou hebben, daar beide even driftig waren geworden, als er niet iets anders tusschenbeide gekomen ware, dat voor het oogenblik voor goed een einde maakte aan het gesprek.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende eene noodzakelijke verontschuldiging voor den schrijver en eene kinderachtige gebeurtenis, welke welligt ook eene verontschuldiging eischt.Eer ik verder ga, moet ik de vrijheid nemen elke verkeerde uitlegging te voorkomen, waartoe de ijver van sommige lezers hen welligt verleiden kon; want ik wenschte volstrekt niet wien ook te grieven,—vooral niet dezulken die voor de deugd of de godsdienst ijveren.Ik hoop dus dat niemand door een grof misverstand, of verkeerde opvatting mijner bedoeling, mij ten onregte beschuldigen zal van een streven om de grootste volmaaktheden waarvoor de menschelijke natuur vatbaar is, bespottelijk te maken;—daar juist die alleen in staat zijn het hart te zuiveren en te veredelen en den mensch boven het dier te verheffen. Neen, ik waag het, de verzekering aan den lezer te geven (en hoe beter mensch hij is, des te gemakkelijker zal hij mij kunnen gelooven), dat ik liever dan aan één dier heerlijke dingen afbreuk te doen, de gevoelens van de twee menschen in kwestie gaarne voor eeuwig aan de vergetelheid zou ten prijs gegeven hebben.Integendeel: het was met het oogmerk om deugd en godsdienst te bevorderen, dat ik op me nam het leven en de handelingen van twee harer valsche en gewaande voorvechters te beschrijven. Een verraderlijke vriend is de gevaarlijkste vijand; en ik vrees niet te verklaren, dat beide, godsdienst en deugd, wezenlijk meer benadeeld zijn door huichelaren, dan door de geestigste losbollen en ongeloovigen. Ja zelfs, even als deugd en godsdienst, als ze zuiver zijn, met regt genoemd worden de band der burgerlijke maatschappij, en inderdaad de grootste der zegeningen[99]zijn, zoo zijn ze ook, wanneer ze verpest of bedorven worden door bedrog schijn, en uitwendig vertoon, de ergste vloeken onzer zamenleving, die den mensch er toe gebragt hebben om zijn eigen geslacht op de wreedaardigste wijze, sedert onheugelijke tijden, te kwellen.Ik twijfel ook niet of men zal over het algemeen mijne satire wel begrijpen; mijne voornaamste vrees blijft echter, dat, daar er onder hetgeen die beide personen spraken, veel juists en waars was, men het een met het ander verwarren zal, en zich verbeelden dat ik alles tegelijk wilde bespotten. De lezer moge echter bedenken, dat daar deze twee mannen volstrekt niet dom waren, men ook niet veronderstellen kon, dat zij niets dan verkeerde grondbeginselen voorstonden, of niets dan ongerijmdheden uitten. Ik zou hen dus zeer onjuist voorgesteld hebben, als ik niets dan het slechte uit hunne gesprekken uitgezocht had,—terwijl hunne redeneringen ook verschrikkelijk ellendig en verminkt zouden geschenen hebben.Over het algemeen dus, worden noch godsdienst noch deugd, maar het gebrek aan beide ten toon gesteld. Als Thwackum de deugd en Square de godsdienst niet te zeer verwaarloosd had, ten einde hunne verschillende stelsels te schragen, en als beide niet heel en al alles wat aangeborene goedheid van harte genoemd mag worden verloochend hadden, dan zouden zij nooit bespot zijn geworden in de geschiedenis, waarmede ik nu voortga.De zaak dan, die een einde maakte aan het dispuut in het vorige hoofdstuk vermeld, was niets minder dan een twist tusschen den jongen heer Blifil en Tom Jones, waarvan het gevolg was dat de eerste een stomp kreeg, die hem den neus aan het bloeden bragt; want ofschoon de jonge heer Blifil, hoewel de jongere, toch de grootste van beide was, was Tom veel bedrevener dan hij in de edele box-kunst.Tom echter vermeed voorzigtig alle twisten met den anderen jongen, want in weerwil van zijne schelmen-streken, was hij wezenlijk een goedaardige jongen en hield werkelijk veel van Blifil, terwijl de gedachte ook dat deze den heer Thwackum altijd in den rug had, genoeg zou geweest zijn om hem tot den vrede te stemmen.Maar zekere schrijver heeft met regt gezegd, dat geen sterveling[100]ten allen tijde wijs is;—geen wonder dan dit ook het geval is met een jongen.Bij een verschil, dat onder het spelen tusschen de jongens ontstond, noemde de jonge heer Blifil Tom een bastaard, waarop deze, die eenigzins driftig van aard was,onmiddellijkden anderen, op de wijze welke wij reeds vermeld hebben, het gezigt teekende.De jonge heer Blifil nu, terwijl het bloed stroomde van zijn neus en de tranen uit zijne oogen het naliepen, verscheen voor zijn oom en den ontzagwekkenden Thwackum. Voor deze regtbank werd nu eene klagt ingediend wegens ligchamelijke beleediging en feitelijke mishandeling tegen Tom, die ter zijner verontschuldiging alleen de provocatie kon aanvoeren,—wat het eenige punt was dat de jonge heer Blifil in zijn verhaal van de zaak uitgelaten had.Het is echter mogelijk, dat deze omstandigheid door hem vergeten was; want in zijn antwoord hield hij stellig vol dat hij dien scheldnaam niet gebruikt had, er bijvoegende, „De Hemel verhoede, dat hij ooit gebruik zou maken van zulke ondeugende woorden.”Tom, hoewel zulks tegen alle vormen streed, repliceerde en betuigde de waarheid gezegd te hebben.Hierop riep de jonge heer Blifil uit, dat dit hem volstrekt niet verwonderde, „want iemand, die eens een leugen verteld heeft, zal wel tot een tweeden komen. Als ik mijn meester zoo voorgelogen had als gij, dan zou ik hem niet meer durven aanzien.”„Welke onwaarheid bedoelt ge, kind?” vroeg Thwackum, met eenige drift.„Wel! Hij vertelde u, dat er niemand met hem op de jagt was, toen hij die patrijs schoot; maar hij weet heel goed” (en hier barstte hij in tranen uit), „ja, hij weet best, want hij heeft het me zelf bekend, dat de Zwarte George, de jager, bij hem was! Ja, hij zeide zelfs,—ja, dat hebt ge gedaan!—dat kunt ge niet loochenen,—„dat ge de waarheid niet bekend zoudt hebben, al had men u dood geslagen!””Hier schoot het vuur uit Thwackum’s oogen en hij riep zegevierend uit:„O! Zie zoo! Dit heet dus een verkeerd begrip van eer![101]Dit is de jongen, die niet meer gekastijd mogt worden!”Maar de heer Allworthy wendde zich met meerdere vriendelijkheid tot den knaap en zeide:„Is dit waar, kind? Hoe kwaamt ge er toe zoo stijfhoofdig de onwaarheid vol te houden?”Tom zeide, „dat niemand meer dan hij een leugen verachtte; maar dat hij zich door de eer verpligt rekende te handelen zooals hij gedaan had; want hij had den armen jager beloofd diens schuld geheim te houden, waartoe,” voegde hij er bij, „hij zich te meer verpligt rekende, omdat de jager hem gesmeekt had de grenzen niet te overschrijden en eindelijk alleen bezweken was ten gevolge van Tom’s volhouden.” Hij betuigde dat dit de geheele waarheid was, en eindigde met den heer Allworthy zeer hartstogtelijk te smeeken, medelijden met den armen man en zijn huisgezin te hebben, vooral daar hij, Tom, de eenige schuldige was, en de andere slechts met de grootste moeite overgehaald was geworden om hetgeen hij gedaan had te begaan. „Inderdaad, mijnheer,” zeide hij, „men kan naauwelijks volhouden dat ik een leugen vertelde; want de arme man was geheel onschuldig in deze zaak. Zonder hem, zou ik alleen de vogels vervolgd hebben;—ja, ik ging zelf eerst alleen, en hij volgde slechts om grooter kwaad te voorkomen. Ik bid u, mijnheer, laat mij maar straffen; neem het hitje weer weg,—maar om alles ter wereld, mijnheer, schenk den armen George uwe vergiffenis!”De heer Allworthy aarzelde eenige oogenblikken en zond toen de jongens weg, met den raad, om verder maar vriendschappelijk en vreedzaam te leven.[Inhoud]Hoofdstuk V.De gevoelens van den godgeleerde en den wijsgeer omtrent de twee knapen; met eenige redenen voor hunne meeningen, en andere dingen daarbij.Het is mogelijk, dat de jonge Blifil door dit geheim te openbaren, dat hem in het stiptste vertrouwen medegedeeld was door zijn kameraad, dezen redde van een fiksch pak[102]slagen; want de stomp dien hij den anderen op den neus gegeven had, zoude reeds op zich zelven genoeg zijn geweest om Thwackum tot deze straf te doen overgaan; maar dit werd nu vergeten in de beschouwing van de meer gewigtige zaak, ten opzigte van welke de heer Allworthy in stilte verklaarde, dat, naar zijn gevoelen, de jongen eerder belooning dan straf verdiende; zoodat Thwackum’s hand weerhouden werd door de algemeene amnestie.Thwackum echter, wiens overpeinzingen meestal over de geesselroede liepen, voer hevig hiertegen uit, als eene zwakheid, welke hij, gelijk hij zeide, niet schroomde eene kwalijk geplaatste barmhartigheid te noemen. Hij beweerde, dat zulke misdaden niet te bestraffen, zoo goed was als ze aan te moedigen. Hij sprak zeer uitvoerig over de tucht der kinderen, en haalde vele spreuken aan van Salomo en anderen, welke reeds in zoo vele boeken te vinden zijn, dat zij in dit boek niet behoeven herhaald te worden. Daarop weidde hij uit over het liegen, omtrent welk punt hij evenveel geleerdheid uitte als omtrent het andere.Square zeide, dat hij zijn best gedaan had om het gedrag van Tom overeen te brengen met zijn denkbeeld van staatsburgerlijke deugd; maar dat hem niet gelukken wilde. Hij bekende, dat er iets was in zijne handelwijze, dat op het eerste gezigt naar standvastigheid zweemde; daar echter, deze eene deugd was, en de onwaarheid, eene ondeugd, kon hij ze volstrekt niet met elkaar rijmen. Hij voegde er bij, dat, door zoo iets, deugd en ondeugd met elkaar verward werden, en gaf hij den heer Thwackumin bedenking, of juist om die reden de straf niet te strenger moest wezen.Even als deze beide geleerde mannen het eens waren om Jones te berispen, zoo ook roemden zij eenparig den jongen heer Blifil. De geestelijke beweerde, dat het pligt was voor ieder godsdienstig mensch om de waarheid aan het licht te brengen; en de wijsgeer verklaarde, dat dit volmaakt overeenkomstig was met de wetten van het regt en de eeuwige en onveranderlijke orde der dingen.Dit alles woog echter niet zwaar bij den heer Allworthy. Men kon hem er niet toe overhalen het vonnis voor de executie van Jones te onderteekenen. Er was iets in zijn eigen hart, dat veel beter overeenstemde met de onwrikbare standvastigheid[103]van den jongen, dan met de godsdienst van Thwackum of de deugd van Square. Daarom beval hij streng den eerstgenoemde, om Tom niet ligchamelijk te straffen voor hetgeen gebeurd was. De onderwijzer was genoodzaakt aan deze bevelen te gehoorzamen, maar niet zonder grooten tegenzin en veel gemompel, dat de jongen stellig en zeker bedorven zou worden.Onze waardige vriend was veel strenger ten opzigte van den jager.Hij liet den armen kerel dadelijk bij zich roepen, en na vele bittere verwijten, gaf hij hem zijn loon en ontsloeg hem uit zijne dienst; want de heer Allworthy merkte te regt op, dat er een groot verschil bestond tusschen het zich schuldig maken aan eene onwaarheid, om zich zelven, of om iemand anders te redden. Hij gaf ook op, als de hoofdbeweegreden tot zijne groote strengheid in dit geval, dat de jager op eene schandelijke wijze toegelaten had, dat Tom Jones om zijnentwil zulk eene zware straf had ondergaan, welke hij had moeten voorkomen door zelf de waarheid aan het licht te brengen.Zoodra deze zaak publiek werd, verschilden vele menschen van Square en Thwackum in het beoordeelen van het gedrag der beide jongens. Men noemde den jongen heer Blifil over het algemeen een kruipenden schelm, een lagen ellendeling, met meer dergelijke bijnamen, terwijl Tom vereerd werd met den titel van „brave jongen,” „beste vent,” en „eerlijke kerel.”Vooral had zijne houding tegenover den Zwarten George hem genade doen vinden in de oogen van al de dienstboden; want hoewel de jager vroeger algemeen gehaat was, werd hij nu algemeen beklaagd zoodra hij zijn ontslag kreeg, terwijl de vriendschap en de moed van Tom Jones door allen ten hoogste geroemd werden, en de jonge heer Blifil zoo luide als men dit wagen durfde, zonder gevaar te loopen van zijne moeder te vertoornen, berispt werd.Om dit een en ander werd de arme Tom echter zwaar naar het ligchaam gestraft; want, ofschoon Thwackum verboden werd de hand opteheffen tegen hem, om die ééne zaak, is het toch, gelijk het spreekwoord zegt, gemakkelijk een stok te vinden, enz.—Het viel ook niet moeijelijk[104]eene roede te vinden, en inderdaad, de onmogelijkheid om er eene magtig te worden, was het eenige, dat Thwackum lang had kunnen weerhouden om den armen Jones te kastijden.Indien niets anders dan het genot dat hij in het straffen zelf vond den onderwijzer daartoe aangespoord had, is het waarschijnlijk dat de jonge heer Blifil ook zijn deel gekregen zou hebben; maar hoewel de heer Allworthy hem dikwijls aanbevolen had geen onderscheid tusschen hen te maken, bleef Thwackum steeds even zachtaardig en vriendelijk jegens dezen jongen, als hij hard, ja, zelfs barbaarsch was, tegen den anderen.Om de waarheid te bekennen, Blifil had in hooge mate de toegenegenheid van zijn leermeester verworven, gedeeltelijk door den diepen eerbied, welken hij dikwijls toonde voor zijn persoon, maar nog meer door den betamelijken ijver, waarmede hij zijne leerstellingen omhelsde; want hij had de spreekwijzen van zijn meester van buiten geleerd, en herhaalde ze dikwijls, en handhaafde al de godsdienstige grondbeginselen van zijn onderwijzer met een ijver, die verbazend was in iemand van zijn jeugdigen leeftijd, en die hem zeer dierbaar maakte aan zijn leeraar.Tom Jones, van den anderen kant, bleef niet slechts in gebreke in uiterlijke teekenen van eerbied,—maar lette in ’t geheel niet op de leer en de voorschriften van zijn onderwijzer. Hij was inderdaad een onnadenkende, ligtzinnige jongen, die zeer weinig bedaardheid liet blijken in zijn gedrag en nog minder op zijn gelaat,—en hij plagt dikwijls, op de meest onbetamelijke en onbeschofte wijze, zijn makker uit te lagchen over diens ernstige houding.De heer Square had dergelijke redenen ook om meer van Blifil te houden, want Jones toonde niet meer ontzag voor de geleerdheid, welke deze heer soms aan hem verspilde, dan voor de vermaningen van Thwackum. Hij waagde het zelfs eens te spotten over „de eeuwige wetten van het regt,” en zeide, bij eene andere gelegenheid, dat er geene wetten ter wereld bestonden, volgens welke zulk een man als zijn vader (want de heer Allworthy liet toe dat hij hem zoo noemde), geschapen kon worden.Daarentegen bezat de jonge heer Blifil op zestienjarigen leeftijd behendigheid genoeg om zich tegelijkertijd bij beide[105]partijen aan te bevelen. Bij den één was hij zuiver godsdienst; bij den andere zuiver deugd. En als beide tegenwoordig waren, bewaarde hij een diep stilzwijgen, dat beiden tot hun en zijn voordeel uitlegden.Blifil vergenoegde zich ook niet met deze beide heeren slechts in hun bijzijn te vleijen; hij zocht vele gelegenheden om hen achter hun rug bij Allworthy te roemen, tegen wien, als zij alleen waren, en zijn oom het een of ander godsdienstig of deugdzaam gevoelen prees,—waartoe hij dikwerf aanleiding gaf,—hij zelden naliet dit toe te schrijven aan de goede lessen van Thwackum en Square. Hij wist namelijk, dat zijn oom alle dergelijke complimenten overbragt aan diegenen voor wie ze bestemd waren, en hij leerde, door ondervinding, den grooten indruk kennen, welken zij maakten, beide op den wijsgeer en den theologant; want zeker is het, dat geene vleijerij zoo onweerstaanbaar is, als die, welke ons uit de derde hand bereikt.Daarenboven ontdekte weldra de jonge heer hoe buitengewoon aangenaam al deze lofspraken op zijne onderwijzers klonken in de ooren van den heer Allworthy zelven, daar ze het vreemde opvoedingstelsel schenen aantebevelen, hetwelk hij zelf aangenomen had. Want daar de waardige man de onvolmaaktheid der openbare scholen kende en de vele ondeugden, welke de jongens daar aanleeren konden, had hij besloten zijn neef, even als zijn aangenomen zoon, op eene wijze optevoeden, waarop hunne zeden minder gevaar liepen van bedorven te worden, dan op eene publieke school of akademie.Nadat hij zich dus voorgenomen had hen aan de zorgen van een gouverneur toe te vertrouwen, werd hem voor dit ambt de heer Thwackum aanbevolen, door een vertrouwden vriend, op wiens oordeel de heer Allworthy hoogen prijs stelde en op wiens eerlijkheid hij meende te kunnen rekenen.Deze Thwackum had op eene beurs gestudeerd aan eene der akademiën, waar hij bijna altijd woonde, waar hij gepromoveerd was, en grooten naam gemaakt had van wege zijne geleerdheid, godsdienstigheid en onberispelijken wandel. Het waren ook, zonder twijfel, al deze vereischten, welke den vriend van den heer Allworthy er toe bragten om[106]hem aan te bevelen; ofschoon inderdaad, deze vriend eenige verpligtingen had aan de familie van Thwackum, die tot de aanzienlijkste menschen behoorden in een plaatsje, waarvoor die heer zitting had in het parlement.Bij zijne aankomst maakte Thwackum zich zeer aangenaam, en beantwoordde werkelijk in het begin aan den goeden naam, welken hij medebragt. Bij nadere kennismaking echter, en in den loop van een meer vertrouwelijken omgang, ontdekte de waardige Allworthy zwakheden in den gouverneur, welke hij gaarne gemist zou hebben, hoewel, daar ze meer dan opgewogen schenen door zijne goede hoedanigheden, ze den heer Allworthy volstrekt niet geneigd maakten om hem weg te zenden. Ze zouden ook eene dergelijke handelwijze niet gewettigd hebben; want de lezer zou zich zeer vergissen als hij zich verbeeldde, dat de heer Thwackum zich aan den heer Allworthy vertoonde in hetzelfde licht als dat, waarin hem de lezer ziet in deze geschiedenis. Hij vergist zich evenzeer, als hij zich verbeeldt, dat de intiemste kennis met den geestelijke, hem die dingen zouden geopenbaard hebben, welke wij, door onze inspiratie, in staat zijn in te zien en bloot te leggen.Van lezers, die om zulke redenen, de wijsheid of de scherpzinnigheid van den heer Allworthy in twijfel trekken, schroom ik niet te zeggen, dat zij een zeer slecht en ondankbaar gebruik maken van de kennis, welke wij hun medegedeeld hebben.Deze blijkbare dwalingen in Thwackum’s leer dienden echter om de tegenovergestelde dwalingen in die van Square, welke onze waardige vriend ook inzag, te verzachten. Hij verbeeldde zich inderdaad, dat de uiteenloopende gebreken dezer heeren elkander onderling verbeteren zouden, en dat van beide, vooral met zijn behulp, de beide jongens genoegzame begrippen zouden krijgen van echte godsdienst en deugd. Zoo de uitslag zijne verwachtingen niet regtvaardigde, is dit waarschijnlijk toe te schrijven aan eenig gebrek in zijn stelsel zelf, hetwelk ik den lezer verlof geef zelf te ontdekken als hij dat kan; want het is ons voornemen niet, eenig onfeilbaar karakter in dit boek in te voeren, waarin wij hopen niets te laten zien, dat tot nog toe niet in de menschelijke natuur gevonden werd.[107]Maar, om tot de zaak terug te komen: de lezer zal nu, denkelijk, niet verwonderd staan, dat het verschillende gedrag van de beide jongens, de verschillende uitwerkingen had, van welke hij reeds één voorbeeld gezien heeft, en bovendien, bestond er nog eene reden voor de houding van den wijsgeer en den onderwijzer, die wij echter, als van groot belang, pas in het volgende hoofdstuk zullen openbaren.[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende eene nog betere reden voor de voormelde gevoelens.Men moet dan weten, dat de twee geleerden, die nu op het tooneel dezer geschiedenis zoo veel plaats beslaan, sedert hunne eerste opname onder het dak van den heer Allworthy zoo veel liefde opgevat hadden, de ééne voor zijne deugd, de andere voor zijne godsdienst, dat zij beiden verlangden zich zoo naauw mogelijk met hem te verbinden.Tot dit einde vestigden zij hunne blikken op die schoone weduwe, welke, ofschoon wij haar in den laatsten tijd niet vermeld hebben, naar wij hopen, nog niet vergeten is door den lezer. Mevrouw Blifil dan was inderdaad het voorwerp waarop beide hunne hoop vestigden.Het zal welligt opmerkelijk schijnen, dat van vier personen, die wij in het huis van den heer Allworthy vermeld hebben, er drie hunne liefde vestigden op eene dame, die nooit zeer beroemd was om hare schoonheid, en die nu, bovendien, zekeren leeftijd bereikt had; maar het is ontegenzeggelijk, dat boezemvrienden en intieme kennissen gemeenlijk eene zekere aangeborene neiging hebben voor sommige vrouwen in het huis van hunne vrienden, bijvoorbeeld voor hunne grootmoeder, moeder, zuster, dochter, tante, of nicht, als deze rijk is, en voor hunne vrouw, zuster, dochter, nicht, beminde, of dienstmeid, als die schoon zijn.Wij wenschten echter niet, dat de lezer zich verbeelde, dat menschen van het karakter van Thwackum en Square, iets van dien aard zouden ondernemen, dat sommige strenge zedepredikers afgekeurd hebben, eer zij het naauwkeurig[108]onderzocht en uitgemaakt hadden, of het eene gewetenszaak was of niet. Thwackum werd tot de onderneming aangespoord door zich te herinneren, dat het nergens verboden is, zijns naasten zuster te begeeren, en hij wist dat het een regel was in de uitlegging van alle wetten, dat „expressum facit cessare tacitum.” Hetgeen beteekent, dat, als een wetgever duidelijk zijne geheele bedoeling ontwikkelt, het ons niet vrij staat hem te laten zeggen wat ons goed dunkt. Daar dus sommige vrouwen vermeld worden in de goddelijke wet, die ons verbiedt datgene te begeeren wat onzen naaste toebehoort, en er niet van eene zuster gesproken wordt, beschouwde hij dat als voor hem voldoende. En wat Square betreft, die uiterlijk, wat men noemt een fiksche kerel was, hij bragt weldra zijne wenschen in overeenstemming met de eeuwige orde der dingen.Daar nu beide heeren ijverig elke gelegenheid waarnamen om zich bij de weduwe aan te bevelen, begrepen zij dat het één onfeilbaar middel zou zijn om hare gunst te verwerven, wanneer zij haren zoon aanhoudend de voorkeur schonken boven den anderen jongen, en daar zij inzagen, dat de goedheid en de liefde, welke de heer Allworthy dezen laatsten bewees haar hoogst onaangenaam moest wezen, twijfelden zij niet dat zij haar zeer behagen zouden door elke gelegenheid te haat te nemen om hem te vernederen en te verlagen,—omdat, daar zij den jongen haatte, zij natuurlijk al diegenen moest beminnen, die hem kwaad deden.Op dit punt was het voordeel aan Thwackum’s zijde; want terwijl Square slechts den goeden naam van den armen jongen schenden kon, had de andere het in zijne magt hem bijna levend te villen, en inderdaad, hij beschouwde elken slag, dien hij hem gaf als een compliment aan zijne beminde: zoodat hij, met het meeste regt, den ouden regel, „castigo te non quod odium habeam, sed quodAMEM,” op zich zelven toepassen kon:—Dat is, „ik straf u niet uit haat, maar uit liefde.” En deze woorden had hij ook werkelijk telkens in den mond.Het was dan voornamelijk om deze reden dat de beide heeren, zooals wij gezien hebben, overeenstemden in hunne meening omtrent de twee jongens;—en dit was, wezenlijk, bijna het eenige punt waaromtrent zij het ooit eens waren;[109]want behalve het verschil van grondbeginselen, waren zij beide reeds lang geleden begonnen elkanders voornemen te peilen, en haatten zij elkaar met niet weinig verbittering.Deze onderlinge vete werd niet weinig vermeerderd door de voordeelen beurtelings door beide behaald; want mevrouw Blifil begreep waar zij heen wilden lang eer zij zich dat verbeeldden, of het zelfs wenschten; want zij handelden met de meeste omzigtigheid, ten einde haar niet te beleedigen, waarna zij zeker den heer Allworthy de oogen daaromtrent zou kunnen openen. Maar zij hadden dit niet behoeven te vreezen; want eene liefde, waarvan zij zich vast voornam dat niemand dan zij zelve eenige vruchten zou plukken, mishaagde haar volstrekt niet. En de eenige vruchten, welke zij zich voorstelde, bestonden in vleijerij en vrijaadje; om welke reden zij beiden beurtelings streelde en een tijdlang in gelijke mate. Zij was inderdaad meer geneigd om de grondbeginselen van den geestelijke te begunstigen; maar Square’s uiterlijk beviel haar beter, want hij was een knap man,—terwijl de onderwijzer, wat zijne gelaatstrekken betreft, veel geleek op dien heer die, in Hogarth’s „leven van een ligtekooi,” de dames in de gevangenis de les leest.Hetzij mevrouw Blifil walgde van de zoete huwelijksvreugden, of afgeschrikt werd door het bittere daarvan, of om eenige andere oorzaak,—dat weet ik niet, maar zij kon er niet toe komen van eenig nieuw aanzoek te hooren. Evenwel, begon zij eindelijk op zulk een gemeenzamen voet met Square omtegaan, dat eerbiedwaardige menschen dingen van haar begonnen te fluisteren, waaraan wij, uit eerbied voor de dame (en omdat zij geheel en al in strijd waren met de wetten van het regt en de orde der dingen), geen geloof hechten en waarmede wij dus ons papier niet bezoedelen zullen. Zeker is het echter, dat de meester aan het ranselen bleef, zonder één stap vooruit te komen.Inderdaad, hij had eene groote dwaling begaan, welke Square veel eerder ontdekte dan hij. Mevrouw Blifil (zoo als de lezer welligt geraden zal hebben), was niet zeer ingenomen geweest met haar man,—ja, om eerlijk te zijn,—zij had hem bepaaldelijk gehaat, tot de dood haar eindelijk eenigzins met hem, in de herinnering, verzoende. Het zal dus niet veel verwondering baren, dat zij geene zeer hevige[110]liefde koesterde tot zijn kroost. En, inderdaad, zij gaf zoo weinig om haar zoon, dat zij hem in zijne kindschheid slechts zelden zag, of eenige notitie van hem nam; en om die reden, na eenig tegenstribbelen, stemde zij stilzwijgend in de gunsten toe, waarmede de heer Allworthy den vondeling overlaadde, dien de goede man zijn eigen zoon noemde en in alle opzigten op gelijken voet stelde met den jongen heer Blifil. Deze toegefelijkheid van den kant van mevrouw Blifil werd door de buren en de familie beschouwd als een blijk harer inschikkelijkheid jegens haren broeder; en alle menschen geloofden, even als Thwackum en Square, dat zij den vondeling haatte; ja zelfs, hoe meer beleefdheid zij hem bewees, hoe meer zij zich verbeeldden dat zij hem haatte, en hoe langer zoo gevaarlijker plannen smeedde om hem te grond te rigten: want, daar zij begrepen dat het in haar belang was hem te haten, viel het haar zeer zwaar te bewijzen dat zij dat niet deed.Thwackum werd te meer in dit gevoelen bevestigd, omdat zij hem meer dan eens Tom Jones had doen afrossen als de heer Allworthy, die een vijand van die ligchaamsoefening was, niet te huis was, zonder dat zij ooit eenig bevel van dien aard gegeven had ten opzigte van den jongen heer Blifil. En dit had Square ook gefopt.En geen wonder, want hoewel zij zeker haar eigen zoon haatte,—iets waarvan, hoe afschuwelijk dit ook zij, zij niet het eenige voorbeeld is,—scheen zij toch, in weerwil van allen uiterlijken schijn, in haar hart zeer ontevreden met de gunst door den heer Allworthy aan den vondeling bewezen. Hierover klaagde zij dikwerf achter den rug van haar broeder, tegen Thwackum en Square, ja, verweet het wel eens Allworthy zelven, als er soms een kleine twist, of woordenwisseling tusschen hen ontstond.Naarmate echter Tom opgroeide en blijken gaf van dien hoffelijken aard, welke de mannen zoo zeer bij de vrouwen aanbeveelt, verminderde langzamerhand de afkeer, welken zij voor hem als kind gekoesterd had, en zij toonde eindelijk zoo duidelijk dat hare liefde tot hem verre die, welke zij haar eigen zoon toedroeg, overtrof, dat het onmogelijk was zich verder daaromtrent te vergissen. Zij verlangde zoo dikwijls om hem te zien, en toonde zoo veel genoegen en voldoening[111]in zijn omgang, dat eer hij achttien jaren oud was hij een mededinger werd van Square en Thwackum, en wat nog erger is, alle buren even luide begonnen te spreken over hare neiging tot Tom als vroeger over die welke zij jegens Square aan den dag had gelegd, om welke reden deze den onverzoenlijksten haat koesterde voor onzen armen held.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de schrijver zelf het tooneel betreedt.Hoewel de heer Allworthy zelf niet spoedig de dingen in een slecht licht zag, en vreemd bleef aan de openbare geruchten, welke zelden het oor van een broeder of een echtgenoot bereiken, werkte toch de liefde, welke mevrouw Blifil jegens Tom aan den dag legde, en de voorkeur, welke zij hem blijkbaar boven haar eigen zoon schonk, zeer tot zijn nadeel.Want zoo groot was de mate van medelijden, welke den heer Allworthy bezielde, dat niets dan het staal der geregtigheid het ooit deed bezwijken. Op de eene of andere wijze ongelukkig te zijn (mits dat met geen ondeugd gepaard ging), was genoeg om de schaal van het medelijden in zijne hand te doen overslaan, en om zijne vriendschap en welwillendheid te verwerven.Zoodra hij dus duidelijk ontwaarde dat de jonge heer Blifil gehaat werd (en dat was het geval) door zijne eigene moeder, begon hij, alleen om die reden, hem met medelijden te beschouwen, en hoe het medelijden werkt op een goed en welwillend hart, behoef ik hier niet aan de meerderheid mijner lezers uitteleggen.Van dit oogenblik af zag hij elken schijn van deugd in dien jongen door een vergrootglas, en al zijne gebreken door een verkleinglas, zoodat ze naauwelijks zigtbaar werden. Dit mag welligt, wegens den beminnelijken aard van het medelijden, loffelijk wezen, maar de volgende stap is alleen te verontschuldigen door de zwakheid van de menschelijke natuur; want naauwelijks had hij ontdekt, dat mevrouw Blifil de voorkeur aan Tom schonk, of deze arme jongen (hoe[112]onschuldig ook) begon in zijne schatting te dalen, naarmate hij in de hare rees. Het is waar, dat dit alleen Jones niet ten eenemale uit zijn hart zijne plaats zou hebben doen verliezen, maar het benadeelde hem zeer, en bereidde den geest van den heer Allworthy voor op die indrukken, welke later die gewigtige gebeurtenissen veroorzaakten, die in deze geschiedenis herdacht zullen worden, en waartoe men bekennen moet, dat de ongelukkige jongen door zijne ligtzinnigheid, ongeregeldheid en gebrek aan voorzigtigheid, slechts al te veel bijdroeg.Door sommigen daarvan op te teekenen,—als men ons niet verkeerd begrijpt, zullen wij eene zeer nuttige les geven aan die jongelieden van goeden aanleg, die later ons werk zullen lezen; want zij zullen daaruit leeren, dat goedheid van harte en een open gemoed, hoewel zij veel inwendigen troost mogen opleveren, en zij gevoelen dat zij daar trotsch op mogen wezen, helaas volstrekt, niet geschikt zijn om hen in de wereld vooruit te helpen. Zelfs de beste menschen kunnen de voorzigtigheid en de bedaardheid niet missen. Deze zijn inderdaad, als het ware, de wachters der deugd, zonder welke zij nooit veilig is. Het is niet genoeg, dat uwe voornemens, of zelfs uwe daden, in zich zelve goed zijn;—gij moet ook zorg dragen dat zij dit schijnen. Laat het inwendige nog zoo schoon zijn, het uiterlijke moet ook schoon wezen. Hiervoor moet men aanhoudend zorg dragen, of de kwaadwilligheid en de nijd zullen zich beijveren alles zoodanig te bezwalken, dat de wijsheid en goedheid van een Allworthy niet in staat zullen zijn dat te doorzien en de inwendige schoonheden te ontdekken. Vergeet nooit, jeugdige lezer, den stelregel, dat geen mensch goed genoeg kan wezen om de voorschriften der voorzigtigheid te verwaarloozen, en dat de deugd zelve niet bekoorlijk schijnen zal, wanneer ze de uiterlijke versierselen der welvoegelijkheid en der betamelijkheid versmaadt. Ik geloof, mijne waarde discipelen, dat, als gij slechts met oplettendheid leest, gij de bevestiging dezer regels zult vinden op de volgende bladzijden van dit boek.Ik vraag vergiffenis, dat ik voor een oogenblik zelf, opgetreden ben, bij wijze van koor. Dat deed ik wezenlijk, om mijn eigen wil, opdat, terwijl ik de rotsen aantoon, waarop[113]de onschuld en de deugd dikwerf schipbreuk lijden, men niet denke, dat ik juist de middelen, waardoor zij te gronde zouden gaan, aanbeveel. Daar ik nu geen mijner persoonaadjes overhalen kon dit te zeggen, was ik genoodzaakt het zelf te verklaren.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een kinderachtig voorval, waaruit men echter het goedaardige karakter van Tom Jones zien kan.De lezer zal zich herinneren, dat de heer Allworthy Tom Jones een hit gegeven had, als eene soort van vergoeding voor de straf, welke deze schijnbaar onschuldig had moeten ondergaan.Deze hit had Tom meer dan een halfjaar gehad, toen hij naar eene naburige paardenmarkt reed en het dier daar verkocht.Bij zijne terugkomst werd hij door Thwackum ondervraagd over de wijze, waarop hij het geld dat hij voor het paard gekregen had, besteed had en verklaarde ronduit, dat hij het niet zeggen wilde.„O, ho!” riep Thwackum; „Ge wilt niet? Nu, dan zal ik het heel spoedig uit je —— slaan!”—zijnde deze de plaats waar hij altijd, als er eenige twijfel bestond, naar berigten zocht.Tom werd nu door een knecht op de schouders geheschen, en alles was voor de strafoefening gereed, toen de heer Allworthy in de kamer trad, den beschuldigde uitstel van executie schonk en hem met zich nam naar een ander vertrek, waar hij, met Tom alleen zijnde, hem dezelfde vraag deed als Thwackum.Tom hernam, dat het zijn pligt was hem niets te weigeren; maar wat dien tirannieken schurk betrof, hij hem alleen met een knuppel antwoorden zou, waarmede hij spoedig hoopte in staat te zijn hem al zijne wreedheden te betalen.De heer Allworthy verweet den jongen zeer streng deze onbetamelijke en oneerbiedige uitdrukkingen omtrent zijn leermeester; maar nog meer zijne aan den dag gelegde[114]wraakzucht. Hij dreigde hem met het geheele verlies zijner gunst, als hij ooit iets van dien aard weder van hem vernam; want hij verklaarde een aterling nooit te willen ondersteunen of beschermen.Door deze en dergelijke gezegden, wekte hij iets bij Tom op dat naar berouw zweemde, in welks uiting echter hij niet al te opregt was; want hij peinsde er wezenlijk over, hoe hij den onderwijzer de pijnlijke gunstbewijzen zou vergelden, waarmede deze hem overladen had. De heer Allworthy echter bragt hem er toe om eenig leedwezen te toonen over zijn wrok tegen Thwackum, en na eenige heilzame vermaningen, verzocht hij hem verder te vertellen; wat hij in de volgende woorden deed:„Inderdaad, waarde heer, ik bemin en eerbiedig u meer dan wien ook ter wereld:—ik besef mijne groote verpligtingen jegens u, en zou mijzelven haten, als ik me tot eenige ondankbaarheid in staat achtte. Als het hitje, dat gij me gaaft, spreken kon, zou het dier u zeker vertellen, hoe zeer ik ingenomen was met uw geschenk, want ik vond het nog prettiger het te voeden dan het te rijden. Wezenlijk, mijnheer, het ging me aan het hart om er van te scheiden, en ik zou het om alles ter wereld, zonder die eene reden, die me er toe overhaalde, niet verkocht hebben. Ik ben ook overtuigd, mijnheer, dat gij, in mijn geval, ook zoo zoudt gehandeld hebben;—want geen mensch is gevoeliger dan gij voor de rampen van anderen. En hoe zoudt gij u gevoelen, mijnheer, als gij dacht, dat gij het zelf veroorzaakt hadt?—Inderdaad, mijnheer, ongelukkiger menschen dan die—”„Dan wie, jongen?” vroeg de heer Allworthy. „Wat bedoelt ge?”„O, mijnheer,” hernam Tom; „de arme jager en zijn huisgezin, sedert ze door u weggejaagd zijn, vergaan van ellende, koude en honger. Ik kon echter deze ongelukkigen niet in lompen gehuld en in gebrek zien, en terzelfder tijd bedenken, dat ik de oorzaak was geweest van al hun lijden.—Dat kon ik niet verdragen!—mijnheer, dat kon ik, op mijn woord van eer niet doen!” (Hier biggelden hem de tranen langs de wangen en hij hervatte): „Het was om hen van den geheelen ondergang te redden, dat ik[115]scheidde van uw kostbaar geschenk, niettegenstaande mijne ingenomenheid daarmede:—ik verkocht het paard om hunnentwil en heb hun àl het geld, tot den laatsten duit toe, gegeven.”De heer Allworthy bleef eenige oogenblikken zwijgen, en eer hij sprak welden hem de tranen in de oogen. Eindelijk zond hij Tom met een zacht verwijt weg, terwijl hij hem den raad gaf in de toekomst, zich in gevallen van nood liever tot hem te wenden, dan tot zulke buitengewone hulpmiddelen zijn toevlugt te nemen.Deze zaak leverde stof tot velerlei twisten tusschen Thwackum en Square. Thwackum hield vol dat het verzet was tegen den heer Allworthy, wiens voornemen het was den jager voor zijne ongehoorzaamheid te straffen. Hij zeide, dat in sommige gevallen, hetgeen de wereld milddadigheid noemde, hem toescheen verzet te zijn tegen den wil van God, die eenige personen aangewezen had, die te gronde moesten gaan; en dat het ook tevens oppositie was tegen den heer Allworthy;—terwijl hij, op zijne gewone wijze—eindigde met eene toepassing der roede aan te bevelen.Square hield het tegenovergestelde vol; welligt om tegen Thwackum te opponeren, of uit toegefelijkheid jegens den heer Allworthy, die, hetgeen Jones gedaan had ten zeerste scheen goed te keuren. Wat aangaat hetgeen hij bij deze gelegenheid aanvoerde, daar ik overtuigd ben, dat de meeste mijner lezers, zelve nog de zaak van Jones beter bepleiten kunnen dan ik, is het onnoodig het hier te herhalen. Inderdaad, het viel niet moeijelijk eene daad, die van de wetten van het onregt niet afteleiden was, met die van het regt overeen te brengen.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende eene veel schandelijker gebeurtenis, met de aanmerkingen van Thwackum en Square.Het is door iemand aangemerkt, die een veel grooter naam heeft voor wijsheid dan ik, dat een ongeluk zelden alleen komt.[116]Ik geloof dat men hiervan een voorbeeld ziet in die heeren, die het ongeluk hebben eenige van hunne schelmenstreken te zien ontdekken; want de ontdekking wordt dan zelden gestuit tot alles aan het licht komt. Dit was ook het geval met den armen Tom, die pas vergiffenis verkregen had voor het verkoopen van het paard, toen het uitlekte dat hij korten tijd van te voren een schoonen bijbel verkocht had, hem door den heer Allworthy geschonken, en dat hij het geld daarvoor op dezelfde wijze besteed had. Deze bijbel was door den jongen heer Blifil aangekocht, hoewel hij zelf een dergelijk boek bezat, gedeeltelijk uit eerbied voor het werk zelf, gedeeltelijk uit vriendschap voor Tom, daar hij niet wilde dat de bijbel voor half geld in vreemde handen kwam. Hij gaf hem dus die som zelf; want het was een zeer voorzigtige jongen, die zoo goed op zijn geld paste, dat hij bijna elken stuiver oplegde van al hetgeen hij van den heer Allworthy kreeg.Men heeft wel eens opgemerkt, dat er sommige menschen zijn, die alleen in hun eigen boek kunnen lezen. Maar het tegendeel scheen het geval te zijn met den jongen heer Blifil; want zoodra hij Tom’s bijbel kreeg, gebruikte hij nooit een anderen. Ja, men zag hem er zelfs veel meer in lezen, dan hij ooit in zijn eigen boek gedaan had. Daar hij ook dikwijls Thwackum verzocht hem moeijelijke passages daarin uit te leggen, merkte die heer ongelukkig Tom’s naam op, hier en daar in het boek geschreven. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek, waardoor de jonge heer Blifil genoodzaakt was de geheele zaak te ontdekken.Thwackum besloot dat eene misdaad van dezen aard, die hij heiligschennis noemde, niet ongestraft zou blijven. Hij ging dus onmiddellijk tot de strafoefening over en daarmede niet voldaan, maakte hij den heer Allworthy bij hunne eerste ontmoeting daarna, met deze, naar het hem toescheen schandelijke misdaad bekend, te gelijker tijd in de hevigste bewoordingen Tom berispende, en hem vergelijkende bij de kooplieden, die uit den tempel gedreven werden.Square bekeek de zaak uit een geheel ander oogpunt. Hij zeide er geene zwaardere misdaad in te zien, of men het ééne boek of het andere verkocht. Het verkoopen van bijbels was geheel wettig,—volgens goddelijke en menschelijke[117]instellingen, en dus was er niets ongepast in. Hij vertelde aan Thwackum, dat diens groote toorn bij deze gelegenheid hem herinnerde aan het verhaal van de zeer vrome vrouw die uit zuiveren godsdienstzin Tillotson’s preken stal van eene dame, die zij kende.Dit verhaal deed al het bloed stroomen naar het gezigt van den geestelijke, dat op zich zelf nooit al te bleek was, en hij was op het punt van met groote drift en toorn te antwoorden, toen mevrouw Blifil, die bij dezen twist tegenwoordig was, tusschenbeide kwam. Die dame trok zeer bepaaldelijk partij voor Square. Zij redeneerde inderdaad zeer geleerd om zijn gevoelen te ondersteunen, en eindigde met te zeggen, dat zij bekennen moest dat haar eigen zoon even schuldig scheen; want dat zij geen onderscheid zien kon tusschen kooper en verkooper,—welke beide uit den tempel gedreven moesten worden.Daar mevrouw Blifil nu eenmaal haar gevoelen had geuit, was er een einde aan den twist. Square’s overwinning zou al zijne welsprekendheid gestuit hebben, als hij die noodig had gehad, en Thwackum, die om voormelde redenen het niet waagde de dame te mishagen, stikte bijna van verontwaardiging. Wat de heer Allworthy aangaat, hij zeide, dat daar de jongen reeds gestraft was, hij zijne meening omtrent de geheele zaak voor zich houden zou; en ik laat het aan den lezer zelven over te beslissen, of hij vertoornd was of niet op den jongen.Kort hierop werd de jager geregtelijk vervolgd door den heer Western,—den heer op wiens jagt de patrijs geschoten werd,—wegens meer dergelijke delicten. Dit was een zeer ongelukkig iets voor den armen vent, daar het niet slechts genoeg was op zich zelf om hem geheel te grond te rigten, maar ook wezenlijk belette, dat de heer Allworthy hem weder in zijne gunst opnam; want toen die heer op zekeren avond met den jongen heer Blifil en Tom Jones wandelde, wist deze laatste hem op eene listige wijze voorbij de woning van den Zwarten George te brengen, waar de familie van den armen man, namelijk zijne vrouw en kinderen, in al de ellende gevonden werden, welke koude, honger en gebrek aan kleeding den mensch doen uitstaan; want, wat het geld betreft, dat zij van Jones gekregen hadden, dat[118]was bijna geheel en al door oude schulden verslonden.Een dergelijk tooneel kon zijne uitwerking niet missen op het hart van den heer Allworthy. Hij schonk de moeder dadelijk een paar goudstukken en beval haar daarmede hare kinderen op nieuw te kleeden. De arme vrouw barstte in tranen uit over deze weldaad, en terwijl zij hem bedankte kon zij niet nalaten hare erkentelijkheid jegens Tom te uiten, die, gelijk zij zeide, haar en de haren zoo lang voor den hongerdood bewaard had.„Wij hebben,” zeide zij, „geen brok eten, en geen enkel kleedingstuk dat wij niet aan zijne goedheid te danken hebben.”En werkelijk, behalve het paard en den bijbel, had Tom nog een nachthemd en andere kleinigheden ten behoeve van het ongelukkige huisgezin opgeofferd.Bij hunne terugkomst, bezigde Tom al zijne welsprekendheid, om de ellende dezer menschen af te schilderen, alsmede het berouw van den Zwarten George zelven, en hierin slaagde hij zoo goed, dat de heer Allworthy zeide, dat hij zich verbeeldde dat de man genoeg gestraft was voor het verledene; dat hij hem nu vergeven zou en middelen beramen om hem en zijne familie verder te bezorgen.Jones was zoo verrukt over deze toezegging, dat hoewel het al donker was bij hunne tehuiskomst, hij in een regenbui terugdraafde, eene mijl ver, om de heugelijke tijding aan de arme vrouw over te brengen; maar even als andere overhaaste verspreiders van berigten, haalde hij zich slechts de moeite op den hals van het te moeten gaan tegenspreken, want het vijandige noodlot maakte juist gebruik van de afwezigheid van den vriend van den Zwarten George om alles weder in de war te brengen.[Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de jonge heer Blifil en Tom zich in een zeer verschillend licht doen zien.De jonge heer Blifil bezat, in veel minderen graad dan zijn makker, de beminnelijke hoedanigheid van het medelijden;[119]maar hij overtrof hem daarentegen evenzeer in eene andere, die veel verhevener van aard is, en waarin hij zoowel de leerstellingen als het voorbeeld van Square volgde; want hoewel beiden het woord medelijden dikwijls gebruikten, was het duidelijk dat in de werkelijkheid Square het beschouwde als onbestaanbaar met de wetten van het regt, terwijl Thwackum de geregtigheid wilde uitoefenen en de barmhartigheid aan den Hemel overlaten.Die twee mannen verschilden inderdaad zoo zeer in gevoelen omtrent de voorwerpen van deze verhevene deugd, dat Thwackum, op zijne wijze, waarschijnlijk de eene helft van het menschelijk geslacht en Square de andere helft vernietigd zou hebben.De jonge heer Blifil dan, hoewel hij zweeg in het bijzijn van Jones, kon toch, toen hij over de zaak nadacht, het denkbeeld niet verdragen, dat zijn oom den onwaardige met weldaden zou overladen. Om deze reden besloot hij dadelijk zijn oom bekend te maken met het feit, waarvan wij den lezer eventjes een wenk gegeven hebben. De toedragt er van was als volgt:De jager had, omstreeks een jaar na zijn ontslag uit de dienst van den heer Allworthy, en eer Tom het paard verkocht, en toen hij gebrek had aan brood voor zich zelven of zijn huisgezin, een zittenden haas ontdekt, terwijl hij door een veld ging dat den heer Western toebehoorde. Dit dier had hij op eene barbaarsche en laaghartige wijze met een knuppel doodgeslagen,—wat voorzeker zeer in strijd was met de wetten van het land en met die der jagt.De handelaar aan wien de haas verkocht werd, werd ongelukkig vele maanden later gesnapt met eene menigte gestroopt wild, en was om den heer van de plaats te verzoenen, genoodzaakt den een of anderen wilddief te verraden. Daartoe werd de Zwarte George door hem uitgezocht, als iemand, dien de heer Western reeds ongenegen was, en die ook in de omstreken reeds een slechten naam had. De handelaar kon bovendien zelf geen voordeeliger offer brengen, daar George hem in al dien tijd geen wild geleverd had, en aldus vond hij gelegenheid zijne beste leveranciers te redden; want daar de heer Western verrukt was de gelegenheid te hebben om den Zwarten George te straffen, dien[120]eene enkele overtreding geheel te gronde zou rigten, deed hij geen verder onderzoek.Als men dit feit onvergroot den heer Allworthy blootgelegd had, zou het waarschijnlijk den jager zeer weinig hebben benadeeld. Maar geen ijver is meer verblind, dan die welke ontstaat uit de zucht om den boosdoener te straffen. De jonge heer Blifil vergat hoe lang geleden alles gebeurd was. Hij veranderde ook eenigzins de zaak, en door het onvoorzigtige gebruik van het woordhazenin plaats vanhaas, maakte hij een groot verschil en beschuldigde George van strikken te leggen om hazen te vangen. Deze verandering had welligt kunnen verbeterd worden, als de jonge heer Blifil niet heel ongelukkig den heer Allworthy eene belofte van geheimhouding afgeperst had eer hij hem de zaak mededeelde;—maar nu werd de arme jager veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben om zich te regtvaardigen; want, daar het onbetwistbaar was dat hij één haas gedood had, en daarom geregtelijk vervolgd werd, twijfelde de heer Allworthy aan het overige van het verhaal niet.Zeer kort dan was de vreugde dezer arme menschen; want de heer Allworthy verklaarde den volgenden morgen, dat hij eene nieuwe reden had, die hij niet opgeven wilde, om vertoond op George te zijn, en hij gelastte Tom diens naam nooit meer te noemen; hoewel, wat zijn huisgezin betrof, hij zijn best beloofde te doen om te beletten dat dat van honger omkwam;—met den jager zelven wilde hij echter niet te doen hebben, maar zou hem aan de wetten overlaten, die hij voor geen geld ter wereld wilde schenden.Tom kon volstrekt niet gissen wat het was, dat de toorn van den heer Allworthy opgewekt had, want zijne verdenking viel niet op den jongen heer Blifil. Daar echter zijne vriendschap zich door niets liet afschrikken, besloot hij om een ander middel te baat te nemen om den armen man van den ondergang te redden.Jones was in den laatsten tijd zeer intiem geworden met den heer Western. Hij had zich zoodanig aan dien heer aanbevolen, door zijn stout rijden op de jagt en andere heldenfeiten van dien aard, dat die heer verklaarde dat Tom zeker nog eens een groot man zou worden als hij slechts aanmoediging vond. Hij wenschte dikwijls zelf zulk een[121]begaafden zoon te hebben, en verklaarde eens op eene drinkpartij dat hij er duizend pond onder verwedden wilde, dat geen jager in het geheele land zoo goed met de honden kon jagen als Tom.Deze had zich door die gaven zoodanig bemind gemaakt bij den landjonker, dat hij altijd een zeer gewenschte gast was aan zijne tafel en zijn lievelingsmakker op de jagt. Alles wat de landjonker het kostbaarste achtte; te weten: geweren, honden en paarden, waren nu ook even zeer tot Tom’s beschikking als of ze hem zelven toebehoorden. Hij besloot dus om gebruik te maken van deze gunst ten behoeve van zijn vriend den Zwarten George, dien hij in het huis van den heer Western hoopte te doen opnemen in dezelfde hoedanigheid als vroeger bij den heer Allworthy. Als de lezer bedenkt, dat deze mensch reeds zeer gehaat was bij den heer Western en verder in overweging neemt welke gewigtige zaak den toorn van dien heer had gaande gemaakt, zal hij misschien de onderneming van Tom als dwaas en wanhopig beschouwen; maar als hij den jongen Jones om die reden veroordeelt, zal hij het toch prijzenswaardig vinden, dat hij zich in deze moeijelijke taak trachtte te versterken door elk hulpmiddel, waarover hij beschikken kon, te baat te nemen.Tot dit einde dan wendde zich Tom tot de dochter van den heer Western, eene jonge dame van ongeveer zeventienjarigen leeftijd, die door haar vader (na de bovenvermelde onmisbare voorwerpen voor de jagt), boven alles ter wereld bemind en geschat werd. Terwijl zij dus eenigen invloed op haar vader bezat, bezat ook Tom eenigen invloed op haar. Daar deze dame echter de toekomstige heldin van dit boek wordt,—eene dame waarop wij zelf zeer verliefd zijn, en op wie waarschijnlijk vele onzer lezers verliefd zullen worden eer wij gedaan hebben, zou het niet gepast zijn haar aan het einde van een boek voor het eerst te doen optreden.[122]

Boek III.Bevattende de merkwaardigste gebeurtenissen in het huisgezin van den heer Allworthy, van het veertiende tot het negentiende jaar van het leven van Tom Jones. In dit boek kan de lezer eenige wenken vinden omtrent de opvoeding van kinderen.[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevat weinig of niets.De lezer zal de goedheid willen hebben zich te herinneren, dat wij hem bij het begin van het tweede boek van deze geschiedenis, een wenk gaven van ons voornemen om verschillende ruime tijdvakken met stilzwijgen voorbij te gaan, die niets opleverden dat waardig was in eene geschiedenis van dezen aard geboekt te worden.Door dit te doen, raadplegen we niet slechts onze eigene waardigheid en gemak, maar tevens het voordeel en het nut van den lezer, want, behalve dat wij hem op deze wijze beletten zijn tijd te verspillen met lektuur, die hem genoegen noch stichting oplevert, stellen wij hem ook bij zulke gelegenheden telkens in staat om dien verbazenden scherpzin te gebruiken, die hem eigen is, tot het invullen van dergelijke tijdvakken met zijne eigene conjecturen; waartoe wij zorg gedragen hebben hem in de vorige hoofdstukken te bekwamen.Bij voorbeeld, welke lezer beseft niet, dat de heer Allworthy, in het begin, bij het verlies van zijn vriend, die smartelijke gewaarwordingen ondervond, welke bij zulke gelegenheden ieder mensch ondervindt, wiens hart niet van steen en wiens hoofd niet uit even harde bestanddeelen zamengesteld is? Al verder: welke lezer weet niet dat de wijsbegeerte en de godsdienst met der tijd deze smart moesten lenigen en eindelijk uitwisschen? De wijsbegeerte leerde hoe dwaas en ijdel ze was; de godsdienst berispte ze als ongeoorloofd; terwijl zij ze tegelijk verzachtte, door die hoop en zekerheid voor de toekomst optewekken, die een krachtigen, godvruchtigen[88]mensch in staat stellen met bijna even veel onverschilligheid afscheid te nemen van een vriend op zijn sterfbed, alsof hij zich op reis begaf,—en inderdaad met weinig minder hoop van hem weder te zien.De verstandige lezer zal ook geen bezwaar hebben, om zich het gedrag van mevrouw Blifil voortestellen, die zoo lang men het leed te kennen geeft door uiterlijken tooi, ten strengste alle regels der betamelijkheid en welvoegelijkheid in acht nam, de veranderingen van haar gelaat schikkende naar de veranderingen van hare kleeding; want, naarmate de kap afgelegd werd, om alleen zwart te dragen, het zwart in grijs veranderde, het grijs in wit, zoo veranderde ook haar gelaat, van wanhopig tot ellendig, van ellendig tot droevig, van droevig tot ernstig,—tot de dag verscheen, toen zij hare vroegere kalmte weder aannemen kon.Wij hebben alleen deze beide gevallen aangevoerd als voorbeelden van hetgeen men van den meest dagelijkschen lezer kan eischen. Van de meer ervarenen in de kritiek kan men hoogere en moeijelijker bewijzen van hunne oordeelkunde vergen. Wij twijfelen niet dat door dezen vele belangrijke ontdekkingen gemaakt zullen worden, aangaande de gebeurtenissen in de familie van onzen waardigen vriend, gedurende de jaren, welke wij goedvonden met stilzwijgen voorbij te gaan;—want, hoewel er niets voorviel in dit tijdvak, dat eene plaats in deze geschiedenis verdiende, is er toch veel voorgevallen dat even belangrijk is als veel van hetgeen vermeld wordt door de dagelijksche en wekelijksche geschiedschrijvers van deze eeuw, in welke lektuur, naar ik vrees, zeer vele menschen een aanmerkelijk gedeelte van hun tijd verspillen, zonder veel gesticht te worden.Door de conjecturen echter, waartoe ik hier de gelegenheid aanbied kunnen sommige, der uitstekendste gaven van den geest geoefend worden, daar het een veel nuttiger vermogen is, in staat te zijn de handelingen der menschen te voorspellen uit hunne karakters, dan hunne karakters uit hunne handelingen te leeren beoordeelen. Ik beken dat het eerste den meesten scherpzin eischt; maar het is even doenlijk als het laatste, mits men waarlijk schrander zij. Daar wij overtuigd zijn, dat de meeste onzer lezers deze gave in hooge mate bezitten, hebben wij hun een tijdvak[89]van twaalf jaren gelaten om blijken daarvan te geven, en zullen nu onzen held, op omstreeks veertienjarigen leeftijd aan hen voorstellen, daar vele menschen, buiten twijfel, reeds lang wenschen kennis met hem te maken.[Inhoud]Hoofdstuk II.De held van deze geschiedenis treedt onder zeer slechte voorteekens op. Een klein verhaaltje, zoo gemeen van aard, dat sommige lezers het hunner onwaardig zullen achten. Een woord of wat aangaande een landjonker; meer over een jagtopziener en een schoolmeester.Daar wij het besluit namen, toen wij ons neerzetten om deze geschiedenis te schrijven, om geen mensch te vleijen, maar onze pen steeds door de waarheid zelve te laten besturen, zijn wij genoodzaakt onzen held op eene veel onvoordeeliger wijze ten tooneele te voeren, dan wij gewenscht zouden hebben, en eerlijk te verklaren, zelfs bij zijne eerste optreding, dat het gevoelen algemeen heerschte in de familie van den heer Allworthy, dat die jongen zeker voor de galg opgroeide.Het spijt me werkelijk te moeten bekennen, dat er maar al te veel grond scheen voor deze voorspelling. Want de jongen liet, van de teederste jeugd af, eene neiging blijken tot vele ondeugden, en vooral tot ééne, welke even regtstreeks als eenige andere, tot dat uiteinde leidt, hetwelk we pas opgemerkt hebben, dat aangaande hem geprofeteerd werd. Hij was reeds aan drie diefstallen schuldig bevonden, namelijk: hij had appelen gestolen uit een boomgaard; een eend geroofd van een boerenerf, en een bal uit den zak van den jongen heer Blifil.De ondeugden van dezen jongeling kwamen, daarenboven, des te meer uit, als zij tegenovergesteld werden aan de deugden van den jongen heer Blifil, zijn makker;—een jongen zoo verschillend van aard met den kleinen Jones, dat niet slechts de familie, maar tegelijk ook het heele dorp, van zijne loftuitingen weerklonk. Hij was inderdaad een[90]knaap van een zeer merkwaardig karakter: sober, bescheiden, vroom, boven zijne jaren;—hoedanigheden, die hem de liefde verwierven van iedereen, die hem kende, terwijl Tom Jones algemeen misviel, en velen hunne verwondering te kennen gaven, dat de heer Allworthy er in toestemmen kon, dat zulk een jongen met zijn neef opgevoed werd, wiens zeden ligt door zoo’n voorbeeld benadeeld konden worden. Eene gebeurtenis, welke omstreeks dezen tijd voorviel, zal het karakter van deze beide jongens beter verklaren voor den helderzienden lezer, dan de langste redenering zou kunnen doen.Tom Jones, die, hoe slecht ook, als held dezer geschiedenis moet optreden, had slechts één vriend onder al de dienstboden van de familie, want, jufvrouw Wilkins had hem al lang opgegeven en was geheel en al verzoend met mevrouw Blifil. Deze vriend was de jagtopziener, een losse vent van aard, die verdacht werd geene strengere begrippen omtrent hetmeumen hettuumte koesteren dan de jonge heer zelf. Vandaar dat deze vriendschap onder de dienstboden zelve, aanleiding gaf tot vele satirieke opmerkingen, van welke de meesten òf toen al tot de spreekwoorden behoorden, òf sedert dien tijd spreekwoorden zijn geworden, en welker strekking bevat is in het korte latijnsche gezegde: „noscitur a sociis,” hetwelk vertolkt kan worden: „Daar men meê verkeert, wordt men meê geëerd.”En werkelijk, iets van die verschrikkelijke slechtheid in Jones, waarvan wij drie staaltjes pas vermeld hebben, zou welligt kunnen toegeschreven worden aan de aanmoediging van dezen mensch, die in een paar gevallen geweest was, wat de regtsgeleerden noemen, „medepligtige aan de daad;” want de geheele eend en de meeste der appels dienden tot het gebruik van den jagtopziener en van zijn huisgezin. Daar echter Jones alleen ontdekt werd, droeg hij niet slechts de geheele straf, maar ook den ganschen blaam, welke beide hem weder ten deel vielen bij de volgende gelegenheid:Onmidellijkaan de landerijen van den heer Allworthy grensde de heerlijkheid van een van die heeren, die het wild zeer streng bewaren. Deze slag van menschen, te oordeelen naar de groote gestrengheid, waarmede zij het dooden van een haas of een patrijs straffen, zouden kunnen geacht worden[91]besmet te zijn met hetzelfde bijgeloof als zekere Indische stammen, die, zoo als men verhaalt, hun geheel leven toewijden aan het kweeken en koesteren van zekere dieren, ware het niet dat onze Engelsche Indianen, terwijl zij ze tegen andere vijanden verdedigen, onbarmhartig zelve geheele karrenvrachten daarvan slagten,—wat hen natuurlijk geheel vrij pleit van eenig heidensch bijgeloof hoegenaamd.Ik koester inderdaad eene veel gunstiger meening dan velen omtrent zulke menschen, daar ik het er voor houd, dat zij aan de natuur, en aan het doel hunner bestemming op eene veel volmaakter wijze weten te voldoen, dan vele anderen. Want, even als Horatius ons vertelt, dat er zekere menschelijke wezens zijn,„Fruges consumere nati,”„geboren om de vruchten der aarde te gebruiken,” zoo twijfel ik ook niet dat er anderen zijn,„Feras consumere nati,”„geboren om de wilde dieren,” of gelijk men gewoonlijk zegt, „het wild” op te eten, en niemand zal, denkelijk, ontkennen, dat dergelijke landjonkers deze hunne bestemming bereiken.De kleine Jones ging dan op zekeren dag met dezen jager er op uit,—en een vlugt patrijzen, die opvloog bij de grenzen van die bezittingen over welke het noodlot, om de wijze bedoelingen der natuur te vervullen, een dergelijken wild-etenden mensch gesteld had, ging weer liggen, gelijk men zegt, en zooals de twee jagers zagen, onder eenige boomstruiken, zoowat een paar honderd pas aan gene zijde van de grenzen der landerijen van den heer Allworthy.De heer Allworthy had zijn jager bevolen, op straf van ontslagen te worden, nooit bij iemand zijner buren te stroopen;—bij die welke minder streng waren op dat punt evenmin als bij den heer in kwestie. Ten opzigte van anderen werden deze voorschriften niet altijd zeer stipt opgevolgd; daar echter het karakter van den heer bij wien de vogels nu toevlugt gezocht hadden, wel bekend was, had de jager tot dusver nooit gewaagd diens gebied te betreden. Hij zou het ook nu wel gelaten hebben, als de jongere jager, die buitengewoon driftig was in het vervolgen van het wild, hem niet overgehaald had; daar echter Jones hem niet losliet,[92]gaf de andere, die zelf gaarne schieten wilde, aan zijne verzoeken gehoor, overschreed de grenzen en schoot een der vogels.De heer van de plaats, die zelf in de nabijheid te paard reed, hoorde het schot, ijldeonmiddellijknaar de plaats toe en ontdekte den armen Tom; want de jager was midden in de digtste struiken gesprongen, waar hij zich gelukkig wist te verbergen.De heer onderzocht den jongen, en de patrijs bij hem vindende, zwoer hij, dat hij zich wraak zou verschaffen en den heer Allworthy van de zaak kennis geven.Hij hield ookonmiddellijkwoord, want hij reed naar het huis en klaagde over dit stroopen op zijne jagt in even bittere woorden en even ernstig, alsof men in zijn huis ingebroken en de kostbaarste meubelen er uit gehaald had. Hij voegde er bij, dat de jongen iemand anders bij zich had moeten hebben, want dat hij twee schoten bijna op hetzelfde oogenblik gehoord had. „En,” voegde hij er bij, „ik heb slechts dezen éénen vogel gevonden, maar de hemel weet, hoeveel kwaad zij gedaan hebben!”Bij zijne tehuiskomst werd Tom dadelijk bij den heer Allworthy geroepen. Hij bekende het feit, en bragt geene andere verontschuldiging in, dan wat wezenlijk waar was, dat de patrijzen eerst op de jagt van den heer Allworthy zelven opgevlogen waren.Toen werd hem gevraagd, wien hij bij zich had gehad, wat de heer Allworthy verklaarde, stellig te willen weten, den beschuldigde opmerkzaam makende op de twee schoten, die gehoord werden én door den heer én door zijne beide bedienden; maar Tom hield vol met stoutweg te beweren, dat hij alleen was geweest; hoewel hij, om de waarheid te zeggen, in het begin aarzelde, wat de heer Allworthy in zijn geloof bevestigd zou hebben, als hij getwijfeld had aan hetgeen zijn buurman en de knechts verklaard hadden.Daar de jager een verdacht persoon was, zond men nu om hem, en ook hij werd ondervraagd; daar hij echter vast vertrouwde op Tom’s belofte om alle schuld op zich te nemen, loochende hij zeer standvastig, dat hij in gezelschap van den jongen heer geweest was, of dat hij hem zelfs dien namiddag gezien had.[93]De heer Allworthy, wiens gelaat buitengewoon toornig was, wendde zich nu tot Tom en vermaande hem alles te bekennen, daar hij besloten had alles te weten. De jongen echter bleef bij zijn besluit en werd door den hevig vertoornden Allworthy weggezonden, die hem zeide, dat hij zich bedenken kon tot den volgenden morgen, als wanneer hij door iemand anders en op eene geheel andere wijze ondervraagd zou worden.De arme Jones bragt een zeer droevigen nacht door,—te meer omdat hij zijn gewonen makker miste, daar de jonge heer Blifil met zijne moeder uit logeren was. Vrees voor de straf, die hem bedreigde, was zijne minste kwelling zijne hoofdzorg was de angst, dat zijne standvastigheid bezwijken mogt, en dat hij den jager verraden zou, die, gelijk hij wist, daardoor te grond gerigt zou worden.De jager bragt ook geen gelukkigen tijd door. Hij koesterde dezelfde vrees als de jongen, en vreesde meer diens woord van eer dan zijne beenderen te zien breken.Des morgens, toen Tom bij den eerwaarden heer Thwackum verscheen, den persoon aan wien de heer Allworthy de opvoeding der beide jongens toevertrouwd had, werden hem, door dien heer, dezelfde vragen gedaan als den vorigen avond, waarop hij ook dezelfde antwoorden gaf. Het gevolg was zulk eene strenge ligchamelijke kastijding, dat die welligt weinig onderdeed voor de folteringen, waaraan, in sommige landen, de beschuldigden onderworpen worden, om hen tot bekentenis te brengen.Tom droeg de straf met de meeste standvastigheid, en hoewel de meester hem met elken slag vroeg of hij nog niet bekennen wilde, verkoos hij liever zich levend te laten villen, dan zijn vriend te verraden, of zijn gegeven woord te breken.De jager was nu van zijn angst bevrijd en de heer Allworthy zelf begon wroeging te gevoelen over Tom’s lijden; want behalve dat de heer Thwackum, die zeer boos was, dat hij niet in staat was den jongen alles te laten zeggen, wat hem goed dunkte, veel strenger was geweest dan de goede Allworthy bedoeld had, begon deze nu te veronderstellen, dat zijn buurman zich vergist had, wat zijne groote drift en toorn niet onwaarschijnlijk maakte, en ten opzigte[94]van hetgeen de knechts gezegd hadden, om het berigt van hun meester te bevestigen, daar hechtte hij niet veel waarde aan.Omdat nu wreedheid en onregtvaardigheid twee denkbeelden waren, welke het den heer Allworthy onmogelijk viel zelfs voor één oogenblik te verdragen, zond hij om Tom en na vele zachte en liefderijke vermaningen, zeide hij: „Ik ben overtuigd, kindlief, dat ik u verkeerd verdacht hield;—het spijt me dus dat gij om deze zaak zoo streng gestraft wordt.”En hij eindigde met hem een hitje te schenken, ter vergoeding, met herhaling van zijn leedwezen over het gebeurde. Tom verweet zich nu zijne schuld veel heviger dan hij ooit zou gedaan hebben, na de grootste gestrengheid. Het was hem gemakkelijker gevallen de stokslagen van Thwackum dan de goedheid van Allworthy te verdragen. Hij barstte in tranen uit, wierp zich op de knieën en riep:„O, mijnheer! Gij zijt te goed voor mij! Wezenlijk! wezenlijk, ik verdien zoo iets niet!”En op dat oogenblik zou hij haast uit de volheid van zijn hart het geheim verklapt hebben, zoo de beschermgeest van den jager hem niet ingefluisterd had, welke gevolgen dat hebben kon voor dien armen mensch, en deze bedenkingen hem geen slot op de lippen gelegd hadden.Thwackum deed zijn best om Allworthy te beletten eenig medelijden of vriendelijkheid jegens den jongen aan den dag te leggen, zeggende: „Hij heeft eene onwaarheid vol gehouden,”—tegelijk met eenige wenken, dat eene tweede kastijding welligt de zaak aan het licht zou brengen.Maar de heer Allworthy weigerde bepaaldelijk tot deze proef overtegaan. Hij zeide dat de jongen reeds genoeg geleden had voor het verbergen der waarheid, zelfs als hij schuldig was, aangezien hij geene andere reden daartoe kon hebben dan een verkeerd begrip van eer.„Eer!” riep Thwackum, met eenige drift; „niets dan koppigheid en eigenwaan! kan de eer iemand er toe brengen een leugen te vertellen, of kan er eer bestaan zonder godsdienst?”Dit gesprek had plaats aan tafel, dadelijk na het eten, en in tegenwoordigheid van den heer Allworthy, den heer[95]Thwackum, en een derden heer, die nu deel aan het dispuut nam, en dien wij kortelings aan den lezer bekend willen maken eer wij verder gaan.[Inhoud]Hoofdstuk III.Het karakter van den wijsgeer Square en van den heer Thwackum, den godgeleerde, met een dispuut over—.De naam van dezen heer, die sedert eenigen tijd bij den heer Allworthy inwoonde, was Square. De gaven, welke hij van de natuur ontvangen had, waren niet zeer groot, maar hij had ze ontwikkeld door eene wetenschappelijke opvoeding. Hij was zeer belezen in de oude letterkunde, en vooral zeer op de hoogte van al de werken van Plato en Aristoteles, naar welke groote voorbeelden hij zich voornamelijk gevormd had,—soms de gevoelens van den een, en soms weder die van den andere volgende. In zijne zedeleer hield hij het met Plato; in de godsdienst helde hij tot de gevoelens van Aristoteles over.Maar hoewel hij, zooals gezegd is, zijne voorbeelden nam uit de Platonische school, was hij het volmaakt eens met het gevoelen van Aristoteles, als die een groot man eerder beschouwt als een wijsgeer, of speculatieven geest, dan als een wetgever. Dit gevoelen dreef hij zeer ver;—zelfs zoo ver, dat hij alle deugd slechts beschouwde als theorie. ’t Is waar, dat hij dit nooit tegen iemand beweerde, voor zoo ver ik weet, maar met een oog op zijn gedrag, kan ik niet nalaten te denken dat het zijn wezenlijk gevoelen was, waardoor ook eenige, anders schijnbare tegenstrijdigheden in zijn karakter best verklaard worden.Deze mijnheer en de heer Thwackum ontmoetten elkaar haast nooit zonder te twisten, daar hunne leerstellingen inderdaad lijnregt tegenover elkaar stonden. Square hield de menschelijke natuur voor de volmaaktheid der deugd, en beschouwde de ondeugd als eene afwijking van de natuur, te vergelijken bij ligchamelijke mismaaktheid. Thwackum integendeel, beweerde, dat de menschelijke geest, sedert[96]Adams val, niets was dan een vat vol boosheid, tot het gezuiverd en weder gered werd door de goddelijke genade. Slechts op één punt waren zij het eens, en dat was, nooit in hunne wijsgeerige gesprekken van „het goede” te spreken. De geliefkoosde spreekwijze van den eerste was: „de natuurlijke schoonheid der deugd;” van den laatste: „de goddelijke magt der genade.”De eene beoordeelde alle handelingen volgens de onveranderlijke wetten van het regt en de eeuwige orde der dingen; de andere besliste alles volgens „de autoriteiten;” maar hierin gebruikte hij steeds de schrift en hare uitleggers, even als een regtsgeleerde doet met zijne wetboeken, wanneer de commentarie beschouwd wordt niet minder gezag te hebben dan de tekst.Na deze korte inleiding, zal de lezer de goedheid hebben zich te herinneren, dat de geestelijke geëindigd was met de zegevierende vraag, welke, naar hij meende, geene tegenspraak te vreezen had:„Kan er eenige eer zijn, zonder godsdienst?”Hierop hernam Square, dat het onmogelijk was wijsgeerig over de woorden te praten, eer hunne juiste beteekenis bepaald was; dat er naauwelijks twee woorden bestonden, die meer onbepaald en onzeker van beteekenis waren dan de twee, welke hij pas gebruikt had, want dat er bijna evenveel begrippen van eer als van godsdienst bestonden.„Maar,” vervolgde hij, „als gij door eer de ware natuurlijke schoonheid der deugd verstaat, dan houd ik vol, dat die bestaan kan zonder eenige godsdienst hoegenaamd. Ja,” voegde hij er bij, „gij zult zelf bekennen, dat ze bestaan kan onafhankelijk van alle godsdiensten, op ééne na;—en dat zal eveneens de mohammedaan, de jood, en met één woord iedere volgeling van iedere sekte ter wereld doen.”Thwackum hernam dat dit redeneren was op de wijze van alle kwaadaardige vijanden van de eenige kerk. Hij zeide, er niet aan te twijfelen, dat alle ketters en heidenen ter wereld, de eer, als zij er maar kans toe zagen, beperken zouden tot hunne eigene bespottelijke dwalingen en verfoeijelijke bedriegerijen; „maar,” ging hij voort, „daarom is de eer niet veelsoortig, omdat zoo vele ongerijmde denkbeelden[97]daarvan bestaan; en de godsdienst kan toch maar één zijn, in weerwil van alle sekten en ketters ter wereld; als ik van godsdienst spreek, dan bedoel ik de christelijke godsdienst, en niet slechts de christelijke godsdienst, maar ook de protestantsche godsdienst, en niet slechts de protestantsche godsdienst, maar de kerk van Engeland. En als ik van eer spreek, bedoel ik die mate van goddelijke genade, die niet slechts bestaanbaar is met, maar die ook afhankelijk is van deze godsdienst, en geene andere eer. En te zeggen, dat die eer, welke ik bedoel, en die, naar ik meende, de eenige eer was, welke bedoeld kon worden, iemand veroorloven kan niet alleen eene onwaarheid te zeggen, maar hem dit zelfs tot pligt maakt, is eene ongerijmdheid, te stuitend om begrepen te worden.”„Ik vermeed voorbedachtelijk,” hernam Square, „eene gevolgtrekking te maken, die, naar het me toescheen, blijkbaar was uit hetgeen ik zeide; maar als gij die opgemerkt hebt, is het zeker, dat gij niet getracht hebt ze te weêrleggen. Maar, om de kwestie van godsdienst daar te laten, geloof ik, dat het duidelijk blijkt uit uwe woorden, dat wij verschillende begrippen omtrent de eer koesteren;—of hoe komt het dat wij het niet eens zijn in de verklaring daarvan? Ik heb beweerd, dat de ware eer en de ware deugd bijna synoniemen zijn, en dat beide gegrond zijn op de onveranderlijke wetten van het regt en van de eeuwige orde der dingen;—en daar eene onwaarheid bepaaldelijk daarmede tegenstrijdig en vijandig is, is het ook zeker, dat de ware eer geene onwaarheid goedkeuren kan. Hierin geloof ik dus dat wij het beide eens zijn; maar dat men zou willen volhouden, dat deze eer gegrond kan zijn op de godsdienst, hoewel zij ouder is dan deze, indien men door godsdienst eenige stellige wet bedoelt,—”„Ik het met u eens!” riep Thwackum, met veel drift, „en dat met iemand, die durft te beweren dat de eer ouder is dan de godsdienst!—mijnheer Allworthy, ik beroep me op u,—heb ik toegestemd—?”Hij wilde voortgaan, toen de heer Allworthy hem in de rede viel en zeer bedaard zeide, dat zij hem beide verkeerd begrepen hadden; want dat hij van waar eergevoel niet gesproken had.—Het is echter mogelijk dat hij de[98]twistenden niet gemakkelijk tot bedaren gebragt zou hebben, daar beide even driftig waren geworden, als er niet iets anders tusschenbeide gekomen ware, dat voor het oogenblik voor goed een einde maakte aan het gesprek.[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende eene noodzakelijke verontschuldiging voor den schrijver en eene kinderachtige gebeurtenis, welke welligt ook eene verontschuldiging eischt.Eer ik verder ga, moet ik de vrijheid nemen elke verkeerde uitlegging te voorkomen, waartoe de ijver van sommige lezers hen welligt verleiden kon; want ik wenschte volstrekt niet wien ook te grieven,—vooral niet dezulken die voor de deugd of de godsdienst ijveren.Ik hoop dus dat niemand door een grof misverstand, of verkeerde opvatting mijner bedoeling, mij ten onregte beschuldigen zal van een streven om de grootste volmaaktheden waarvoor de menschelijke natuur vatbaar is, bespottelijk te maken;—daar juist die alleen in staat zijn het hart te zuiveren en te veredelen en den mensch boven het dier te verheffen. Neen, ik waag het, de verzekering aan den lezer te geven (en hoe beter mensch hij is, des te gemakkelijker zal hij mij kunnen gelooven), dat ik liever dan aan één dier heerlijke dingen afbreuk te doen, de gevoelens van de twee menschen in kwestie gaarne voor eeuwig aan de vergetelheid zou ten prijs gegeven hebben.Integendeel: het was met het oogmerk om deugd en godsdienst te bevorderen, dat ik op me nam het leven en de handelingen van twee harer valsche en gewaande voorvechters te beschrijven. Een verraderlijke vriend is de gevaarlijkste vijand; en ik vrees niet te verklaren, dat beide, godsdienst en deugd, wezenlijk meer benadeeld zijn door huichelaren, dan door de geestigste losbollen en ongeloovigen. Ja zelfs, even als deugd en godsdienst, als ze zuiver zijn, met regt genoemd worden de band der burgerlijke maatschappij, en inderdaad de grootste der zegeningen[99]zijn, zoo zijn ze ook, wanneer ze verpest of bedorven worden door bedrog schijn, en uitwendig vertoon, de ergste vloeken onzer zamenleving, die den mensch er toe gebragt hebben om zijn eigen geslacht op de wreedaardigste wijze, sedert onheugelijke tijden, te kwellen.Ik twijfel ook niet of men zal over het algemeen mijne satire wel begrijpen; mijne voornaamste vrees blijft echter, dat, daar er onder hetgeen die beide personen spraken, veel juists en waars was, men het een met het ander verwarren zal, en zich verbeelden dat ik alles tegelijk wilde bespotten. De lezer moge echter bedenken, dat daar deze twee mannen volstrekt niet dom waren, men ook niet veronderstellen kon, dat zij niets dan verkeerde grondbeginselen voorstonden, of niets dan ongerijmdheden uitten. Ik zou hen dus zeer onjuist voorgesteld hebben, als ik niets dan het slechte uit hunne gesprekken uitgezocht had,—terwijl hunne redeneringen ook verschrikkelijk ellendig en verminkt zouden geschenen hebben.Over het algemeen dus, worden noch godsdienst noch deugd, maar het gebrek aan beide ten toon gesteld. Als Thwackum de deugd en Square de godsdienst niet te zeer verwaarloosd had, ten einde hunne verschillende stelsels te schragen, en als beide niet heel en al alles wat aangeborene goedheid van harte genoemd mag worden verloochend hadden, dan zouden zij nooit bespot zijn geworden in de geschiedenis, waarmede ik nu voortga.De zaak dan, die een einde maakte aan het dispuut in het vorige hoofdstuk vermeld, was niets minder dan een twist tusschen den jongen heer Blifil en Tom Jones, waarvan het gevolg was dat de eerste een stomp kreeg, die hem den neus aan het bloeden bragt; want ofschoon de jonge heer Blifil, hoewel de jongere, toch de grootste van beide was, was Tom veel bedrevener dan hij in de edele box-kunst.Tom echter vermeed voorzigtig alle twisten met den anderen jongen, want in weerwil van zijne schelmen-streken, was hij wezenlijk een goedaardige jongen en hield werkelijk veel van Blifil, terwijl de gedachte ook dat deze den heer Thwackum altijd in den rug had, genoeg zou geweest zijn om hem tot den vrede te stemmen.Maar zekere schrijver heeft met regt gezegd, dat geen sterveling[100]ten allen tijde wijs is;—geen wonder dan dit ook het geval is met een jongen.Bij een verschil, dat onder het spelen tusschen de jongens ontstond, noemde de jonge heer Blifil Tom een bastaard, waarop deze, die eenigzins driftig van aard was,onmiddellijkden anderen, op de wijze welke wij reeds vermeld hebben, het gezigt teekende.De jonge heer Blifil nu, terwijl het bloed stroomde van zijn neus en de tranen uit zijne oogen het naliepen, verscheen voor zijn oom en den ontzagwekkenden Thwackum. Voor deze regtbank werd nu eene klagt ingediend wegens ligchamelijke beleediging en feitelijke mishandeling tegen Tom, die ter zijner verontschuldiging alleen de provocatie kon aanvoeren,—wat het eenige punt was dat de jonge heer Blifil in zijn verhaal van de zaak uitgelaten had.Het is echter mogelijk, dat deze omstandigheid door hem vergeten was; want in zijn antwoord hield hij stellig vol dat hij dien scheldnaam niet gebruikt had, er bijvoegende, „De Hemel verhoede, dat hij ooit gebruik zou maken van zulke ondeugende woorden.”Tom, hoewel zulks tegen alle vormen streed, repliceerde en betuigde de waarheid gezegd te hebben.Hierop riep de jonge heer Blifil uit, dat dit hem volstrekt niet verwonderde, „want iemand, die eens een leugen verteld heeft, zal wel tot een tweeden komen. Als ik mijn meester zoo voorgelogen had als gij, dan zou ik hem niet meer durven aanzien.”„Welke onwaarheid bedoelt ge, kind?” vroeg Thwackum, met eenige drift.„Wel! Hij vertelde u, dat er niemand met hem op de jagt was, toen hij die patrijs schoot; maar hij weet heel goed” (en hier barstte hij in tranen uit), „ja, hij weet best, want hij heeft het me zelf bekend, dat de Zwarte George, de jager, bij hem was! Ja, hij zeide zelfs,—ja, dat hebt ge gedaan!—dat kunt ge niet loochenen,—„dat ge de waarheid niet bekend zoudt hebben, al had men u dood geslagen!””Hier schoot het vuur uit Thwackum’s oogen en hij riep zegevierend uit:„O! Zie zoo! Dit heet dus een verkeerd begrip van eer![101]Dit is de jongen, die niet meer gekastijd mogt worden!”Maar de heer Allworthy wendde zich met meerdere vriendelijkheid tot den knaap en zeide:„Is dit waar, kind? Hoe kwaamt ge er toe zoo stijfhoofdig de onwaarheid vol te houden?”Tom zeide, „dat niemand meer dan hij een leugen verachtte; maar dat hij zich door de eer verpligt rekende te handelen zooals hij gedaan had; want hij had den armen jager beloofd diens schuld geheim te houden, waartoe,” voegde hij er bij, „hij zich te meer verpligt rekende, omdat de jager hem gesmeekt had de grenzen niet te overschrijden en eindelijk alleen bezweken was ten gevolge van Tom’s volhouden.” Hij betuigde dat dit de geheele waarheid was, en eindigde met den heer Allworthy zeer hartstogtelijk te smeeken, medelijden met den armen man en zijn huisgezin te hebben, vooral daar hij, Tom, de eenige schuldige was, en de andere slechts met de grootste moeite overgehaald was geworden om hetgeen hij gedaan had te begaan. „Inderdaad, mijnheer,” zeide hij, „men kan naauwelijks volhouden dat ik een leugen vertelde; want de arme man was geheel onschuldig in deze zaak. Zonder hem, zou ik alleen de vogels vervolgd hebben;—ja, ik ging zelf eerst alleen, en hij volgde slechts om grooter kwaad te voorkomen. Ik bid u, mijnheer, laat mij maar straffen; neem het hitje weer weg,—maar om alles ter wereld, mijnheer, schenk den armen George uwe vergiffenis!”De heer Allworthy aarzelde eenige oogenblikken en zond toen de jongens weg, met den raad, om verder maar vriendschappelijk en vreedzaam te leven.[Inhoud]Hoofdstuk V.De gevoelens van den godgeleerde en den wijsgeer omtrent de twee knapen; met eenige redenen voor hunne meeningen, en andere dingen daarbij.Het is mogelijk, dat de jonge Blifil door dit geheim te openbaren, dat hem in het stiptste vertrouwen medegedeeld was door zijn kameraad, dezen redde van een fiksch pak[102]slagen; want de stomp dien hij den anderen op den neus gegeven had, zoude reeds op zich zelven genoeg zijn geweest om Thwackum tot deze straf te doen overgaan; maar dit werd nu vergeten in de beschouwing van de meer gewigtige zaak, ten opzigte van welke de heer Allworthy in stilte verklaarde, dat, naar zijn gevoelen, de jongen eerder belooning dan straf verdiende; zoodat Thwackum’s hand weerhouden werd door de algemeene amnestie.Thwackum echter, wiens overpeinzingen meestal over de geesselroede liepen, voer hevig hiertegen uit, als eene zwakheid, welke hij, gelijk hij zeide, niet schroomde eene kwalijk geplaatste barmhartigheid te noemen. Hij beweerde, dat zulke misdaden niet te bestraffen, zoo goed was als ze aan te moedigen. Hij sprak zeer uitvoerig over de tucht der kinderen, en haalde vele spreuken aan van Salomo en anderen, welke reeds in zoo vele boeken te vinden zijn, dat zij in dit boek niet behoeven herhaald te worden. Daarop weidde hij uit over het liegen, omtrent welk punt hij evenveel geleerdheid uitte als omtrent het andere.Square zeide, dat hij zijn best gedaan had om het gedrag van Tom overeen te brengen met zijn denkbeeld van staatsburgerlijke deugd; maar dat hem niet gelukken wilde. Hij bekende, dat er iets was in zijne handelwijze, dat op het eerste gezigt naar standvastigheid zweemde; daar echter, deze eene deugd was, en de onwaarheid, eene ondeugd, kon hij ze volstrekt niet met elkaar rijmen. Hij voegde er bij, dat, door zoo iets, deugd en ondeugd met elkaar verward werden, en gaf hij den heer Thwackumin bedenking, of juist om die reden de straf niet te strenger moest wezen.Even als deze beide geleerde mannen het eens waren om Jones te berispen, zoo ook roemden zij eenparig den jongen heer Blifil. De geestelijke beweerde, dat het pligt was voor ieder godsdienstig mensch om de waarheid aan het licht te brengen; en de wijsgeer verklaarde, dat dit volmaakt overeenkomstig was met de wetten van het regt en de eeuwige en onveranderlijke orde der dingen.Dit alles woog echter niet zwaar bij den heer Allworthy. Men kon hem er niet toe overhalen het vonnis voor de executie van Jones te onderteekenen. Er was iets in zijn eigen hart, dat veel beter overeenstemde met de onwrikbare standvastigheid[103]van den jongen, dan met de godsdienst van Thwackum of de deugd van Square. Daarom beval hij streng den eerstgenoemde, om Tom niet ligchamelijk te straffen voor hetgeen gebeurd was. De onderwijzer was genoodzaakt aan deze bevelen te gehoorzamen, maar niet zonder grooten tegenzin en veel gemompel, dat de jongen stellig en zeker bedorven zou worden.Onze waardige vriend was veel strenger ten opzigte van den jager.Hij liet den armen kerel dadelijk bij zich roepen, en na vele bittere verwijten, gaf hij hem zijn loon en ontsloeg hem uit zijne dienst; want de heer Allworthy merkte te regt op, dat er een groot verschil bestond tusschen het zich schuldig maken aan eene onwaarheid, om zich zelven, of om iemand anders te redden. Hij gaf ook op, als de hoofdbeweegreden tot zijne groote strengheid in dit geval, dat de jager op eene schandelijke wijze toegelaten had, dat Tom Jones om zijnentwil zulk eene zware straf had ondergaan, welke hij had moeten voorkomen door zelf de waarheid aan het licht te brengen.Zoodra deze zaak publiek werd, verschilden vele menschen van Square en Thwackum in het beoordeelen van het gedrag der beide jongens. Men noemde den jongen heer Blifil over het algemeen een kruipenden schelm, een lagen ellendeling, met meer dergelijke bijnamen, terwijl Tom vereerd werd met den titel van „brave jongen,” „beste vent,” en „eerlijke kerel.”Vooral had zijne houding tegenover den Zwarten George hem genade doen vinden in de oogen van al de dienstboden; want hoewel de jager vroeger algemeen gehaat was, werd hij nu algemeen beklaagd zoodra hij zijn ontslag kreeg, terwijl de vriendschap en de moed van Tom Jones door allen ten hoogste geroemd werden, en de jonge heer Blifil zoo luide als men dit wagen durfde, zonder gevaar te loopen van zijne moeder te vertoornen, berispt werd.Om dit een en ander werd de arme Tom echter zwaar naar het ligchaam gestraft; want, ofschoon Thwackum verboden werd de hand opteheffen tegen hem, om die ééne zaak, is het toch, gelijk het spreekwoord zegt, gemakkelijk een stok te vinden, enz.—Het viel ook niet moeijelijk[104]eene roede te vinden, en inderdaad, de onmogelijkheid om er eene magtig te worden, was het eenige, dat Thwackum lang had kunnen weerhouden om den armen Jones te kastijden.Indien niets anders dan het genot dat hij in het straffen zelf vond den onderwijzer daartoe aangespoord had, is het waarschijnlijk dat de jonge heer Blifil ook zijn deel gekregen zou hebben; maar hoewel de heer Allworthy hem dikwijls aanbevolen had geen onderscheid tusschen hen te maken, bleef Thwackum steeds even zachtaardig en vriendelijk jegens dezen jongen, als hij hard, ja, zelfs barbaarsch was, tegen den anderen.Om de waarheid te bekennen, Blifil had in hooge mate de toegenegenheid van zijn leermeester verworven, gedeeltelijk door den diepen eerbied, welken hij dikwijls toonde voor zijn persoon, maar nog meer door den betamelijken ijver, waarmede hij zijne leerstellingen omhelsde; want hij had de spreekwijzen van zijn meester van buiten geleerd, en herhaalde ze dikwijls, en handhaafde al de godsdienstige grondbeginselen van zijn onderwijzer met een ijver, die verbazend was in iemand van zijn jeugdigen leeftijd, en die hem zeer dierbaar maakte aan zijn leeraar.Tom Jones, van den anderen kant, bleef niet slechts in gebreke in uiterlijke teekenen van eerbied,—maar lette in ’t geheel niet op de leer en de voorschriften van zijn onderwijzer. Hij was inderdaad een onnadenkende, ligtzinnige jongen, die zeer weinig bedaardheid liet blijken in zijn gedrag en nog minder op zijn gelaat,—en hij plagt dikwijls, op de meest onbetamelijke en onbeschofte wijze, zijn makker uit te lagchen over diens ernstige houding.De heer Square had dergelijke redenen ook om meer van Blifil te houden, want Jones toonde niet meer ontzag voor de geleerdheid, welke deze heer soms aan hem verspilde, dan voor de vermaningen van Thwackum. Hij waagde het zelfs eens te spotten over „de eeuwige wetten van het regt,” en zeide, bij eene andere gelegenheid, dat er geene wetten ter wereld bestonden, volgens welke zulk een man als zijn vader (want de heer Allworthy liet toe dat hij hem zoo noemde), geschapen kon worden.Daarentegen bezat de jonge heer Blifil op zestienjarigen leeftijd behendigheid genoeg om zich tegelijkertijd bij beide[105]partijen aan te bevelen. Bij den één was hij zuiver godsdienst; bij den andere zuiver deugd. En als beide tegenwoordig waren, bewaarde hij een diep stilzwijgen, dat beiden tot hun en zijn voordeel uitlegden.Blifil vergenoegde zich ook niet met deze beide heeren slechts in hun bijzijn te vleijen; hij zocht vele gelegenheden om hen achter hun rug bij Allworthy te roemen, tegen wien, als zij alleen waren, en zijn oom het een of ander godsdienstig of deugdzaam gevoelen prees,—waartoe hij dikwerf aanleiding gaf,—hij zelden naliet dit toe te schrijven aan de goede lessen van Thwackum en Square. Hij wist namelijk, dat zijn oom alle dergelijke complimenten overbragt aan diegenen voor wie ze bestemd waren, en hij leerde, door ondervinding, den grooten indruk kennen, welken zij maakten, beide op den wijsgeer en den theologant; want zeker is het, dat geene vleijerij zoo onweerstaanbaar is, als die, welke ons uit de derde hand bereikt.Daarenboven ontdekte weldra de jonge heer hoe buitengewoon aangenaam al deze lofspraken op zijne onderwijzers klonken in de ooren van den heer Allworthy zelven, daar ze het vreemde opvoedingstelsel schenen aantebevelen, hetwelk hij zelf aangenomen had. Want daar de waardige man de onvolmaaktheid der openbare scholen kende en de vele ondeugden, welke de jongens daar aanleeren konden, had hij besloten zijn neef, even als zijn aangenomen zoon, op eene wijze optevoeden, waarop hunne zeden minder gevaar liepen van bedorven te worden, dan op eene publieke school of akademie.Nadat hij zich dus voorgenomen had hen aan de zorgen van een gouverneur toe te vertrouwen, werd hem voor dit ambt de heer Thwackum aanbevolen, door een vertrouwden vriend, op wiens oordeel de heer Allworthy hoogen prijs stelde en op wiens eerlijkheid hij meende te kunnen rekenen.Deze Thwackum had op eene beurs gestudeerd aan eene der akademiën, waar hij bijna altijd woonde, waar hij gepromoveerd was, en grooten naam gemaakt had van wege zijne geleerdheid, godsdienstigheid en onberispelijken wandel. Het waren ook, zonder twijfel, al deze vereischten, welke den vriend van den heer Allworthy er toe bragten om[106]hem aan te bevelen; ofschoon inderdaad, deze vriend eenige verpligtingen had aan de familie van Thwackum, die tot de aanzienlijkste menschen behoorden in een plaatsje, waarvoor die heer zitting had in het parlement.Bij zijne aankomst maakte Thwackum zich zeer aangenaam, en beantwoordde werkelijk in het begin aan den goeden naam, welken hij medebragt. Bij nadere kennismaking echter, en in den loop van een meer vertrouwelijken omgang, ontdekte de waardige Allworthy zwakheden in den gouverneur, welke hij gaarne gemist zou hebben, hoewel, daar ze meer dan opgewogen schenen door zijne goede hoedanigheden, ze den heer Allworthy volstrekt niet geneigd maakten om hem weg te zenden. Ze zouden ook eene dergelijke handelwijze niet gewettigd hebben; want de lezer zou zich zeer vergissen als hij zich verbeeldde, dat de heer Thwackum zich aan den heer Allworthy vertoonde in hetzelfde licht als dat, waarin hem de lezer ziet in deze geschiedenis. Hij vergist zich evenzeer, als hij zich verbeeldt, dat de intiemste kennis met den geestelijke, hem die dingen zouden geopenbaard hebben, welke wij, door onze inspiratie, in staat zijn in te zien en bloot te leggen.Van lezers, die om zulke redenen, de wijsheid of de scherpzinnigheid van den heer Allworthy in twijfel trekken, schroom ik niet te zeggen, dat zij een zeer slecht en ondankbaar gebruik maken van de kennis, welke wij hun medegedeeld hebben.Deze blijkbare dwalingen in Thwackum’s leer dienden echter om de tegenovergestelde dwalingen in die van Square, welke onze waardige vriend ook inzag, te verzachten. Hij verbeeldde zich inderdaad, dat de uiteenloopende gebreken dezer heeren elkander onderling verbeteren zouden, en dat van beide, vooral met zijn behulp, de beide jongens genoegzame begrippen zouden krijgen van echte godsdienst en deugd. Zoo de uitslag zijne verwachtingen niet regtvaardigde, is dit waarschijnlijk toe te schrijven aan eenig gebrek in zijn stelsel zelf, hetwelk ik den lezer verlof geef zelf te ontdekken als hij dat kan; want het is ons voornemen niet, eenig onfeilbaar karakter in dit boek in te voeren, waarin wij hopen niets te laten zien, dat tot nog toe niet in de menschelijke natuur gevonden werd.[107]Maar, om tot de zaak terug te komen: de lezer zal nu, denkelijk, niet verwonderd staan, dat het verschillende gedrag van de beide jongens, de verschillende uitwerkingen had, van welke hij reeds één voorbeeld gezien heeft, en bovendien, bestond er nog eene reden voor de houding van den wijsgeer en den onderwijzer, die wij echter, als van groot belang, pas in het volgende hoofdstuk zullen openbaren.[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende eene nog betere reden voor de voormelde gevoelens.Men moet dan weten, dat de twee geleerden, die nu op het tooneel dezer geschiedenis zoo veel plaats beslaan, sedert hunne eerste opname onder het dak van den heer Allworthy zoo veel liefde opgevat hadden, de ééne voor zijne deugd, de andere voor zijne godsdienst, dat zij beiden verlangden zich zoo naauw mogelijk met hem te verbinden.Tot dit einde vestigden zij hunne blikken op die schoone weduwe, welke, ofschoon wij haar in den laatsten tijd niet vermeld hebben, naar wij hopen, nog niet vergeten is door den lezer. Mevrouw Blifil dan was inderdaad het voorwerp waarop beide hunne hoop vestigden.Het zal welligt opmerkelijk schijnen, dat van vier personen, die wij in het huis van den heer Allworthy vermeld hebben, er drie hunne liefde vestigden op eene dame, die nooit zeer beroemd was om hare schoonheid, en die nu, bovendien, zekeren leeftijd bereikt had; maar het is ontegenzeggelijk, dat boezemvrienden en intieme kennissen gemeenlijk eene zekere aangeborene neiging hebben voor sommige vrouwen in het huis van hunne vrienden, bijvoorbeeld voor hunne grootmoeder, moeder, zuster, dochter, tante, of nicht, als deze rijk is, en voor hunne vrouw, zuster, dochter, nicht, beminde, of dienstmeid, als die schoon zijn.Wij wenschten echter niet, dat de lezer zich verbeelde, dat menschen van het karakter van Thwackum en Square, iets van dien aard zouden ondernemen, dat sommige strenge zedepredikers afgekeurd hebben, eer zij het naauwkeurig[108]onderzocht en uitgemaakt hadden, of het eene gewetenszaak was of niet. Thwackum werd tot de onderneming aangespoord door zich te herinneren, dat het nergens verboden is, zijns naasten zuster te begeeren, en hij wist dat het een regel was in de uitlegging van alle wetten, dat „expressum facit cessare tacitum.” Hetgeen beteekent, dat, als een wetgever duidelijk zijne geheele bedoeling ontwikkelt, het ons niet vrij staat hem te laten zeggen wat ons goed dunkt. Daar dus sommige vrouwen vermeld worden in de goddelijke wet, die ons verbiedt datgene te begeeren wat onzen naaste toebehoort, en er niet van eene zuster gesproken wordt, beschouwde hij dat als voor hem voldoende. En wat Square betreft, die uiterlijk, wat men noemt een fiksche kerel was, hij bragt weldra zijne wenschen in overeenstemming met de eeuwige orde der dingen.Daar nu beide heeren ijverig elke gelegenheid waarnamen om zich bij de weduwe aan te bevelen, begrepen zij dat het één onfeilbaar middel zou zijn om hare gunst te verwerven, wanneer zij haren zoon aanhoudend de voorkeur schonken boven den anderen jongen, en daar zij inzagen, dat de goedheid en de liefde, welke de heer Allworthy dezen laatsten bewees haar hoogst onaangenaam moest wezen, twijfelden zij niet dat zij haar zeer behagen zouden door elke gelegenheid te haat te nemen om hem te vernederen en te verlagen,—omdat, daar zij den jongen haatte, zij natuurlijk al diegenen moest beminnen, die hem kwaad deden.Op dit punt was het voordeel aan Thwackum’s zijde; want terwijl Square slechts den goeden naam van den armen jongen schenden kon, had de andere het in zijne magt hem bijna levend te villen, en inderdaad, hij beschouwde elken slag, dien hij hem gaf als een compliment aan zijne beminde: zoodat hij, met het meeste regt, den ouden regel, „castigo te non quod odium habeam, sed quodAMEM,” op zich zelven toepassen kon:—Dat is, „ik straf u niet uit haat, maar uit liefde.” En deze woorden had hij ook werkelijk telkens in den mond.Het was dan voornamelijk om deze reden dat de beide heeren, zooals wij gezien hebben, overeenstemden in hunne meening omtrent de twee jongens;—en dit was, wezenlijk, bijna het eenige punt waaromtrent zij het ooit eens waren;[109]want behalve het verschil van grondbeginselen, waren zij beide reeds lang geleden begonnen elkanders voornemen te peilen, en haatten zij elkaar met niet weinig verbittering.Deze onderlinge vete werd niet weinig vermeerderd door de voordeelen beurtelings door beide behaald; want mevrouw Blifil begreep waar zij heen wilden lang eer zij zich dat verbeeldden, of het zelfs wenschten; want zij handelden met de meeste omzigtigheid, ten einde haar niet te beleedigen, waarna zij zeker den heer Allworthy de oogen daaromtrent zou kunnen openen. Maar zij hadden dit niet behoeven te vreezen; want eene liefde, waarvan zij zich vast voornam dat niemand dan zij zelve eenige vruchten zou plukken, mishaagde haar volstrekt niet. En de eenige vruchten, welke zij zich voorstelde, bestonden in vleijerij en vrijaadje; om welke reden zij beiden beurtelings streelde en een tijdlang in gelijke mate. Zij was inderdaad meer geneigd om de grondbeginselen van den geestelijke te begunstigen; maar Square’s uiterlijk beviel haar beter, want hij was een knap man,—terwijl de onderwijzer, wat zijne gelaatstrekken betreft, veel geleek op dien heer die, in Hogarth’s „leven van een ligtekooi,” de dames in de gevangenis de les leest.Hetzij mevrouw Blifil walgde van de zoete huwelijksvreugden, of afgeschrikt werd door het bittere daarvan, of om eenige andere oorzaak,—dat weet ik niet, maar zij kon er niet toe komen van eenig nieuw aanzoek te hooren. Evenwel, begon zij eindelijk op zulk een gemeenzamen voet met Square omtegaan, dat eerbiedwaardige menschen dingen van haar begonnen te fluisteren, waaraan wij, uit eerbied voor de dame (en omdat zij geheel en al in strijd waren met de wetten van het regt en de orde der dingen), geen geloof hechten en waarmede wij dus ons papier niet bezoedelen zullen. Zeker is het echter, dat de meester aan het ranselen bleef, zonder één stap vooruit te komen.Inderdaad, hij had eene groote dwaling begaan, welke Square veel eerder ontdekte dan hij. Mevrouw Blifil (zoo als de lezer welligt geraden zal hebben), was niet zeer ingenomen geweest met haar man,—ja, om eerlijk te zijn,—zij had hem bepaaldelijk gehaat, tot de dood haar eindelijk eenigzins met hem, in de herinnering, verzoende. Het zal dus niet veel verwondering baren, dat zij geene zeer hevige[110]liefde koesterde tot zijn kroost. En, inderdaad, zij gaf zoo weinig om haar zoon, dat zij hem in zijne kindschheid slechts zelden zag, of eenige notitie van hem nam; en om die reden, na eenig tegenstribbelen, stemde zij stilzwijgend in de gunsten toe, waarmede de heer Allworthy den vondeling overlaadde, dien de goede man zijn eigen zoon noemde en in alle opzigten op gelijken voet stelde met den jongen heer Blifil. Deze toegefelijkheid van den kant van mevrouw Blifil werd door de buren en de familie beschouwd als een blijk harer inschikkelijkheid jegens haren broeder; en alle menschen geloofden, even als Thwackum en Square, dat zij den vondeling haatte; ja zelfs, hoe meer beleefdheid zij hem bewees, hoe meer zij zich verbeeldden dat zij hem haatte, en hoe langer zoo gevaarlijker plannen smeedde om hem te grond te rigten: want, daar zij begrepen dat het in haar belang was hem te haten, viel het haar zeer zwaar te bewijzen dat zij dat niet deed.Thwackum werd te meer in dit gevoelen bevestigd, omdat zij hem meer dan eens Tom Jones had doen afrossen als de heer Allworthy, die een vijand van die ligchaamsoefening was, niet te huis was, zonder dat zij ooit eenig bevel van dien aard gegeven had ten opzigte van den jongen heer Blifil. En dit had Square ook gefopt.En geen wonder, want hoewel zij zeker haar eigen zoon haatte,—iets waarvan, hoe afschuwelijk dit ook zij, zij niet het eenige voorbeeld is,—scheen zij toch, in weerwil van allen uiterlijken schijn, in haar hart zeer ontevreden met de gunst door den heer Allworthy aan den vondeling bewezen. Hierover klaagde zij dikwerf achter den rug van haar broeder, tegen Thwackum en Square, ja, verweet het wel eens Allworthy zelven, als er soms een kleine twist, of woordenwisseling tusschen hen ontstond.Naarmate echter Tom opgroeide en blijken gaf van dien hoffelijken aard, welke de mannen zoo zeer bij de vrouwen aanbeveelt, verminderde langzamerhand de afkeer, welken zij voor hem als kind gekoesterd had, en zij toonde eindelijk zoo duidelijk dat hare liefde tot hem verre die, welke zij haar eigen zoon toedroeg, overtrof, dat het onmogelijk was zich verder daaromtrent te vergissen. Zij verlangde zoo dikwijls om hem te zien, en toonde zoo veel genoegen en voldoening[111]in zijn omgang, dat eer hij achttien jaren oud was hij een mededinger werd van Square en Thwackum, en wat nog erger is, alle buren even luide begonnen te spreken over hare neiging tot Tom als vroeger over die welke zij jegens Square aan den dag had gelegd, om welke reden deze den onverzoenlijksten haat koesterde voor onzen armen held.[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de schrijver zelf het tooneel betreedt.Hoewel de heer Allworthy zelf niet spoedig de dingen in een slecht licht zag, en vreemd bleef aan de openbare geruchten, welke zelden het oor van een broeder of een echtgenoot bereiken, werkte toch de liefde, welke mevrouw Blifil jegens Tom aan den dag legde, en de voorkeur, welke zij hem blijkbaar boven haar eigen zoon schonk, zeer tot zijn nadeel.Want zoo groot was de mate van medelijden, welke den heer Allworthy bezielde, dat niets dan het staal der geregtigheid het ooit deed bezwijken. Op de eene of andere wijze ongelukkig te zijn (mits dat met geen ondeugd gepaard ging), was genoeg om de schaal van het medelijden in zijne hand te doen overslaan, en om zijne vriendschap en welwillendheid te verwerven.Zoodra hij dus duidelijk ontwaarde dat de jonge heer Blifil gehaat werd (en dat was het geval) door zijne eigene moeder, begon hij, alleen om die reden, hem met medelijden te beschouwen, en hoe het medelijden werkt op een goed en welwillend hart, behoef ik hier niet aan de meerderheid mijner lezers uitteleggen.Van dit oogenblik af zag hij elken schijn van deugd in dien jongen door een vergrootglas, en al zijne gebreken door een verkleinglas, zoodat ze naauwelijks zigtbaar werden. Dit mag welligt, wegens den beminnelijken aard van het medelijden, loffelijk wezen, maar de volgende stap is alleen te verontschuldigen door de zwakheid van de menschelijke natuur; want naauwelijks had hij ontdekt, dat mevrouw Blifil de voorkeur aan Tom schonk, of deze arme jongen (hoe[112]onschuldig ook) begon in zijne schatting te dalen, naarmate hij in de hare rees. Het is waar, dat dit alleen Jones niet ten eenemale uit zijn hart zijne plaats zou hebben doen verliezen, maar het benadeelde hem zeer, en bereidde den geest van den heer Allworthy voor op die indrukken, welke later die gewigtige gebeurtenissen veroorzaakten, die in deze geschiedenis herdacht zullen worden, en waartoe men bekennen moet, dat de ongelukkige jongen door zijne ligtzinnigheid, ongeregeldheid en gebrek aan voorzigtigheid, slechts al te veel bijdroeg.Door sommigen daarvan op te teekenen,—als men ons niet verkeerd begrijpt, zullen wij eene zeer nuttige les geven aan die jongelieden van goeden aanleg, die later ons werk zullen lezen; want zij zullen daaruit leeren, dat goedheid van harte en een open gemoed, hoewel zij veel inwendigen troost mogen opleveren, en zij gevoelen dat zij daar trotsch op mogen wezen, helaas volstrekt, niet geschikt zijn om hen in de wereld vooruit te helpen. Zelfs de beste menschen kunnen de voorzigtigheid en de bedaardheid niet missen. Deze zijn inderdaad, als het ware, de wachters der deugd, zonder welke zij nooit veilig is. Het is niet genoeg, dat uwe voornemens, of zelfs uwe daden, in zich zelve goed zijn;—gij moet ook zorg dragen dat zij dit schijnen. Laat het inwendige nog zoo schoon zijn, het uiterlijke moet ook schoon wezen. Hiervoor moet men aanhoudend zorg dragen, of de kwaadwilligheid en de nijd zullen zich beijveren alles zoodanig te bezwalken, dat de wijsheid en goedheid van een Allworthy niet in staat zullen zijn dat te doorzien en de inwendige schoonheden te ontdekken. Vergeet nooit, jeugdige lezer, den stelregel, dat geen mensch goed genoeg kan wezen om de voorschriften der voorzigtigheid te verwaarloozen, en dat de deugd zelve niet bekoorlijk schijnen zal, wanneer ze de uiterlijke versierselen der welvoegelijkheid en der betamelijkheid versmaadt. Ik geloof, mijne waarde discipelen, dat, als gij slechts met oplettendheid leest, gij de bevestiging dezer regels zult vinden op de volgende bladzijden van dit boek.Ik vraag vergiffenis, dat ik voor een oogenblik zelf, opgetreden ben, bij wijze van koor. Dat deed ik wezenlijk, om mijn eigen wil, opdat, terwijl ik de rotsen aantoon, waarop[113]de onschuld en de deugd dikwerf schipbreuk lijden, men niet denke, dat ik juist de middelen, waardoor zij te gronde zouden gaan, aanbeveel. Daar ik nu geen mijner persoonaadjes overhalen kon dit te zeggen, was ik genoodzaakt het zelf te verklaren.[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een kinderachtig voorval, waaruit men echter het goedaardige karakter van Tom Jones zien kan.De lezer zal zich herinneren, dat de heer Allworthy Tom Jones een hit gegeven had, als eene soort van vergoeding voor de straf, welke deze schijnbaar onschuldig had moeten ondergaan.Deze hit had Tom meer dan een halfjaar gehad, toen hij naar eene naburige paardenmarkt reed en het dier daar verkocht.Bij zijne terugkomst werd hij door Thwackum ondervraagd over de wijze, waarop hij het geld dat hij voor het paard gekregen had, besteed had en verklaarde ronduit, dat hij het niet zeggen wilde.„O, ho!” riep Thwackum; „Ge wilt niet? Nu, dan zal ik het heel spoedig uit je —— slaan!”—zijnde deze de plaats waar hij altijd, als er eenige twijfel bestond, naar berigten zocht.Tom werd nu door een knecht op de schouders geheschen, en alles was voor de strafoefening gereed, toen de heer Allworthy in de kamer trad, den beschuldigde uitstel van executie schonk en hem met zich nam naar een ander vertrek, waar hij, met Tom alleen zijnde, hem dezelfde vraag deed als Thwackum.Tom hernam, dat het zijn pligt was hem niets te weigeren; maar wat dien tirannieken schurk betrof, hij hem alleen met een knuppel antwoorden zou, waarmede hij spoedig hoopte in staat te zijn hem al zijne wreedheden te betalen.De heer Allworthy verweet den jongen zeer streng deze onbetamelijke en oneerbiedige uitdrukkingen omtrent zijn leermeester; maar nog meer zijne aan den dag gelegde[114]wraakzucht. Hij dreigde hem met het geheele verlies zijner gunst, als hij ooit iets van dien aard weder van hem vernam; want hij verklaarde een aterling nooit te willen ondersteunen of beschermen.Door deze en dergelijke gezegden, wekte hij iets bij Tom op dat naar berouw zweemde, in welks uiting echter hij niet al te opregt was; want hij peinsde er wezenlijk over, hoe hij den onderwijzer de pijnlijke gunstbewijzen zou vergelden, waarmede deze hem overladen had. De heer Allworthy echter bragt hem er toe om eenig leedwezen te toonen over zijn wrok tegen Thwackum, en na eenige heilzame vermaningen, verzocht hij hem verder te vertellen; wat hij in de volgende woorden deed:„Inderdaad, waarde heer, ik bemin en eerbiedig u meer dan wien ook ter wereld:—ik besef mijne groote verpligtingen jegens u, en zou mijzelven haten, als ik me tot eenige ondankbaarheid in staat achtte. Als het hitje, dat gij me gaaft, spreken kon, zou het dier u zeker vertellen, hoe zeer ik ingenomen was met uw geschenk, want ik vond het nog prettiger het te voeden dan het te rijden. Wezenlijk, mijnheer, het ging me aan het hart om er van te scheiden, en ik zou het om alles ter wereld, zonder die eene reden, die me er toe overhaalde, niet verkocht hebben. Ik ben ook overtuigd, mijnheer, dat gij, in mijn geval, ook zoo zoudt gehandeld hebben;—want geen mensch is gevoeliger dan gij voor de rampen van anderen. En hoe zoudt gij u gevoelen, mijnheer, als gij dacht, dat gij het zelf veroorzaakt hadt?—Inderdaad, mijnheer, ongelukkiger menschen dan die—”„Dan wie, jongen?” vroeg de heer Allworthy. „Wat bedoelt ge?”„O, mijnheer,” hernam Tom; „de arme jager en zijn huisgezin, sedert ze door u weggejaagd zijn, vergaan van ellende, koude en honger. Ik kon echter deze ongelukkigen niet in lompen gehuld en in gebrek zien, en terzelfder tijd bedenken, dat ik de oorzaak was geweest van al hun lijden.—Dat kon ik niet verdragen!—mijnheer, dat kon ik, op mijn woord van eer niet doen!” (Hier biggelden hem de tranen langs de wangen en hij hervatte): „Het was om hen van den geheelen ondergang te redden, dat ik[115]scheidde van uw kostbaar geschenk, niettegenstaande mijne ingenomenheid daarmede:—ik verkocht het paard om hunnentwil en heb hun àl het geld, tot den laatsten duit toe, gegeven.”De heer Allworthy bleef eenige oogenblikken zwijgen, en eer hij sprak welden hem de tranen in de oogen. Eindelijk zond hij Tom met een zacht verwijt weg, terwijl hij hem den raad gaf in de toekomst, zich in gevallen van nood liever tot hem te wenden, dan tot zulke buitengewone hulpmiddelen zijn toevlugt te nemen.Deze zaak leverde stof tot velerlei twisten tusschen Thwackum en Square. Thwackum hield vol dat het verzet was tegen den heer Allworthy, wiens voornemen het was den jager voor zijne ongehoorzaamheid te straffen. Hij zeide, dat in sommige gevallen, hetgeen de wereld milddadigheid noemde, hem toescheen verzet te zijn tegen den wil van God, die eenige personen aangewezen had, die te gronde moesten gaan; en dat het ook tevens oppositie was tegen den heer Allworthy;—terwijl hij, op zijne gewone wijze—eindigde met eene toepassing der roede aan te bevelen.Square hield het tegenovergestelde vol; welligt om tegen Thwackum te opponeren, of uit toegefelijkheid jegens den heer Allworthy, die, hetgeen Jones gedaan had ten zeerste scheen goed te keuren. Wat aangaat hetgeen hij bij deze gelegenheid aanvoerde, daar ik overtuigd ben, dat de meeste mijner lezers, zelve nog de zaak van Jones beter bepleiten kunnen dan ik, is het onnoodig het hier te herhalen. Inderdaad, het viel niet moeijelijk eene daad, die van de wetten van het onregt niet afteleiden was, met die van het regt overeen te brengen.[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende eene veel schandelijker gebeurtenis, met de aanmerkingen van Thwackum en Square.Het is door iemand aangemerkt, die een veel grooter naam heeft voor wijsheid dan ik, dat een ongeluk zelden alleen komt.[116]Ik geloof dat men hiervan een voorbeeld ziet in die heeren, die het ongeluk hebben eenige van hunne schelmenstreken te zien ontdekken; want de ontdekking wordt dan zelden gestuit tot alles aan het licht komt. Dit was ook het geval met den armen Tom, die pas vergiffenis verkregen had voor het verkoopen van het paard, toen het uitlekte dat hij korten tijd van te voren een schoonen bijbel verkocht had, hem door den heer Allworthy geschonken, en dat hij het geld daarvoor op dezelfde wijze besteed had. Deze bijbel was door den jongen heer Blifil aangekocht, hoewel hij zelf een dergelijk boek bezat, gedeeltelijk uit eerbied voor het werk zelf, gedeeltelijk uit vriendschap voor Tom, daar hij niet wilde dat de bijbel voor half geld in vreemde handen kwam. Hij gaf hem dus die som zelf; want het was een zeer voorzigtige jongen, die zoo goed op zijn geld paste, dat hij bijna elken stuiver oplegde van al hetgeen hij van den heer Allworthy kreeg.Men heeft wel eens opgemerkt, dat er sommige menschen zijn, die alleen in hun eigen boek kunnen lezen. Maar het tegendeel scheen het geval te zijn met den jongen heer Blifil; want zoodra hij Tom’s bijbel kreeg, gebruikte hij nooit een anderen. Ja, men zag hem er zelfs veel meer in lezen, dan hij ooit in zijn eigen boek gedaan had. Daar hij ook dikwijls Thwackum verzocht hem moeijelijke passages daarin uit te leggen, merkte die heer ongelukkig Tom’s naam op, hier en daar in het boek geschreven. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek, waardoor de jonge heer Blifil genoodzaakt was de geheele zaak te ontdekken.Thwackum besloot dat eene misdaad van dezen aard, die hij heiligschennis noemde, niet ongestraft zou blijven. Hij ging dus onmiddellijk tot de strafoefening over en daarmede niet voldaan, maakte hij den heer Allworthy bij hunne eerste ontmoeting daarna, met deze, naar het hem toescheen schandelijke misdaad bekend, te gelijker tijd in de hevigste bewoordingen Tom berispende, en hem vergelijkende bij de kooplieden, die uit den tempel gedreven werden.Square bekeek de zaak uit een geheel ander oogpunt. Hij zeide er geene zwaardere misdaad in te zien, of men het ééne boek of het andere verkocht. Het verkoopen van bijbels was geheel wettig,—volgens goddelijke en menschelijke[117]instellingen, en dus was er niets ongepast in. Hij vertelde aan Thwackum, dat diens groote toorn bij deze gelegenheid hem herinnerde aan het verhaal van de zeer vrome vrouw die uit zuiveren godsdienstzin Tillotson’s preken stal van eene dame, die zij kende.Dit verhaal deed al het bloed stroomen naar het gezigt van den geestelijke, dat op zich zelf nooit al te bleek was, en hij was op het punt van met groote drift en toorn te antwoorden, toen mevrouw Blifil, die bij dezen twist tegenwoordig was, tusschenbeide kwam. Die dame trok zeer bepaaldelijk partij voor Square. Zij redeneerde inderdaad zeer geleerd om zijn gevoelen te ondersteunen, en eindigde met te zeggen, dat zij bekennen moest dat haar eigen zoon even schuldig scheen; want dat zij geen onderscheid zien kon tusschen kooper en verkooper,—welke beide uit den tempel gedreven moesten worden.Daar mevrouw Blifil nu eenmaal haar gevoelen had geuit, was er een einde aan den twist. Square’s overwinning zou al zijne welsprekendheid gestuit hebben, als hij die noodig had gehad, en Thwackum, die om voormelde redenen het niet waagde de dame te mishagen, stikte bijna van verontwaardiging. Wat de heer Allworthy aangaat, hij zeide, dat daar de jongen reeds gestraft was, hij zijne meening omtrent de geheele zaak voor zich houden zou; en ik laat het aan den lezer zelven over te beslissen, of hij vertoornd was of niet op den jongen.Kort hierop werd de jager geregtelijk vervolgd door den heer Western,—den heer op wiens jagt de patrijs geschoten werd,—wegens meer dergelijke delicten. Dit was een zeer ongelukkig iets voor den armen vent, daar het niet slechts genoeg was op zich zelf om hem geheel te grond te rigten, maar ook wezenlijk belette, dat de heer Allworthy hem weder in zijne gunst opnam; want toen die heer op zekeren avond met den jongen heer Blifil en Tom Jones wandelde, wist deze laatste hem op eene listige wijze voorbij de woning van den Zwarten George te brengen, waar de familie van den armen man, namelijk zijne vrouw en kinderen, in al de ellende gevonden werden, welke koude, honger en gebrek aan kleeding den mensch doen uitstaan; want, wat het geld betreft, dat zij van Jones gekregen hadden, dat[118]was bijna geheel en al door oude schulden verslonden.Een dergelijk tooneel kon zijne uitwerking niet missen op het hart van den heer Allworthy. Hij schonk de moeder dadelijk een paar goudstukken en beval haar daarmede hare kinderen op nieuw te kleeden. De arme vrouw barstte in tranen uit over deze weldaad, en terwijl zij hem bedankte kon zij niet nalaten hare erkentelijkheid jegens Tom te uiten, die, gelijk zij zeide, haar en de haren zoo lang voor den hongerdood bewaard had.„Wij hebben,” zeide zij, „geen brok eten, en geen enkel kleedingstuk dat wij niet aan zijne goedheid te danken hebben.”En werkelijk, behalve het paard en den bijbel, had Tom nog een nachthemd en andere kleinigheden ten behoeve van het ongelukkige huisgezin opgeofferd.Bij hunne terugkomst, bezigde Tom al zijne welsprekendheid, om de ellende dezer menschen af te schilderen, alsmede het berouw van den Zwarten George zelven, en hierin slaagde hij zoo goed, dat de heer Allworthy zeide, dat hij zich verbeeldde dat de man genoeg gestraft was voor het verledene; dat hij hem nu vergeven zou en middelen beramen om hem en zijne familie verder te bezorgen.Jones was zoo verrukt over deze toezegging, dat hoewel het al donker was bij hunne tehuiskomst, hij in een regenbui terugdraafde, eene mijl ver, om de heugelijke tijding aan de arme vrouw over te brengen; maar even als andere overhaaste verspreiders van berigten, haalde hij zich slechts de moeite op den hals van het te moeten gaan tegenspreken, want het vijandige noodlot maakte juist gebruik van de afwezigheid van den vriend van den Zwarten George om alles weder in de war te brengen.[Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de jonge heer Blifil en Tom zich in een zeer verschillend licht doen zien.De jonge heer Blifil bezat, in veel minderen graad dan zijn makker, de beminnelijke hoedanigheid van het medelijden;[119]maar hij overtrof hem daarentegen evenzeer in eene andere, die veel verhevener van aard is, en waarin hij zoowel de leerstellingen als het voorbeeld van Square volgde; want hoewel beiden het woord medelijden dikwijls gebruikten, was het duidelijk dat in de werkelijkheid Square het beschouwde als onbestaanbaar met de wetten van het regt, terwijl Thwackum de geregtigheid wilde uitoefenen en de barmhartigheid aan den Hemel overlaten.Die twee mannen verschilden inderdaad zoo zeer in gevoelen omtrent de voorwerpen van deze verhevene deugd, dat Thwackum, op zijne wijze, waarschijnlijk de eene helft van het menschelijk geslacht en Square de andere helft vernietigd zou hebben.De jonge heer Blifil dan, hoewel hij zweeg in het bijzijn van Jones, kon toch, toen hij over de zaak nadacht, het denkbeeld niet verdragen, dat zijn oom den onwaardige met weldaden zou overladen. Om deze reden besloot hij dadelijk zijn oom bekend te maken met het feit, waarvan wij den lezer eventjes een wenk gegeven hebben. De toedragt er van was als volgt:De jager had, omstreeks een jaar na zijn ontslag uit de dienst van den heer Allworthy, en eer Tom het paard verkocht, en toen hij gebrek had aan brood voor zich zelven of zijn huisgezin, een zittenden haas ontdekt, terwijl hij door een veld ging dat den heer Western toebehoorde. Dit dier had hij op eene barbaarsche en laaghartige wijze met een knuppel doodgeslagen,—wat voorzeker zeer in strijd was met de wetten van het land en met die der jagt.De handelaar aan wien de haas verkocht werd, werd ongelukkig vele maanden later gesnapt met eene menigte gestroopt wild, en was om den heer van de plaats te verzoenen, genoodzaakt den een of anderen wilddief te verraden. Daartoe werd de Zwarte George door hem uitgezocht, als iemand, dien de heer Western reeds ongenegen was, en die ook in de omstreken reeds een slechten naam had. De handelaar kon bovendien zelf geen voordeeliger offer brengen, daar George hem in al dien tijd geen wild geleverd had, en aldus vond hij gelegenheid zijne beste leveranciers te redden; want daar de heer Western verrukt was de gelegenheid te hebben om den Zwarten George te straffen, dien[120]eene enkele overtreding geheel te gronde zou rigten, deed hij geen verder onderzoek.Als men dit feit onvergroot den heer Allworthy blootgelegd had, zou het waarschijnlijk den jager zeer weinig hebben benadeeld. Maar geen ijver is meer verblind, dan die welke ontstaat uit de zucht om den boosdoener te straffen. De jonge heer Blifil vergat hoe lang geleden alles gebeurd was. Hij veranderde ook eenigzins de zaak, en door het onvoorzigtige gebruik van het woordhazenin plaats vanhaas, maakte hij een groot verschil en beschuldigde George van strikken te leggen om hazen te vangen. Deze verandering had welligt kunnen verbeterd worden, als de jonge heer Blifil niet heel ongelukkig den heer Allworthy eene belofte van geheimhouding afgeperst had eer hij hem de zaak mededeelde;—maar nu werd de arme jager veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben om zich te regtvaardigen; want, daar het onbetwistbaar was dat hij één haas gedood had, en daarom geregtelijk vervolgd werd, twijfelde de heer Allworthy aan het overige van het verhaal niet.Zeer kort dan was de vreugde dezer arme menschen; want de heer Allworthy verklaarde den volgenden morgen, dat hij eene nieuwe reden had, die hij niet opgeven wilde, om vertoond op George te zijn, en hij gelastte Tom diens naam nooit meer te noemen; hoewel, wat zijn huisgezin betrof, hij zijn best beloofde te doen om te beletten dat dat van honger omkwam;—met den jager zelven wilde hij echter niet te doen hebben, maar zou hem aan de wetten overlaten, die hij voor geen geld ter wereld wilde schenden.Tom kon volstrekt niet gissen wat het was, dat de toorn van den heer Allworthy opgewekt had, want zijne verdenking viel niet op den jongen heer Blifil. Daar echter zijne vriendschap zich door niets liet afschrikken, besloot hij om een ander middel te baat te nemen om den armen man van den ondergang te redden.Jones was in den laatsten tijd zeer intiem geworden met den heer Western. Hij had zich zoodanig aan dien heer aanbevolen, door zijn stout rijden op de jagt en andere heldenfeiten van dien aard, dat die heer verklaarde dat Tom zeker nog eens een groot man zou worden als hij slechts aanmoediging vond. Hij wenschte dikwijls zelf zulk een[121]begaafden zoon te hebben, en verklaarde eens op eene drinkpartij dat hij er duizend pond onder verwedden wilde, dat geen jager in het geheele land zoo goed met de honden kon jagen als Tom.Deze had zich door die gaven zoodanig bemind gemaakt bij den landjonker, dat hij altijd een zeer gewenschte gast was aan zijne tafel en zijn lievelingsmakker op de jagt. Alles wat de landjonker het kostbaarste achtte; te weten: geweren, honden en paarden, waren nu ook even zeer tot Tom’s beschikking als of ze hem zelven toebehoorden. Hij besloot dus om gebruik te maken van deze gunst ten behoeve van zijn vriend den Zwarten George, dien hij in het huis van den heer Western hoopte te doen opnemen in dezelfde hoedanigheid als vroeger bij den heer Allworthy. Als de lezer bedenkt, dat deze mensch reeds zeer gehaat was bij den heer Western en verder in overweging neemt welke gewigtige zaak den toorn van dien heer had gaande gemaakt, zal hij misschien de onderneming van Tom als dwaas en wanhopig beschouwen; maar als hij den jongen Jones om die reden veroordeelt, zal hij het toch prijzenswaardig vinden, dat hij zich in deze moeijelijke taak trachtte te versterken door elk hulpmiddel, waarover hij beschikken kon, te baat te nemen.Tot dit einde dan wendde zich Tom tot de dochter van den heer Western, eene jonge dame van ongeveer zeventienjarigen leeftijd, die door haar vader (na de bovenvermelde onmisbare voorwerpen voor de jagt), boven alles ter wereld bemind en geschat werd. Terwijl zij dus eenigen invloed op haar vader bezat, bezat ook Tom eenigen invloed op haar. Daar deze dame echter de toekomstige heldin van dit boek wordt,—eene dame waarop wij zelf zeer verliefd zijn, en op wie waarschijnlijk vele onzer lezers verliefd zullen worden eer wij gedaan hebben, zou het niet gepast zijn haar aan het einde van een boek voor het eerst te doen optreden.[122]

Bevattende de merkwaardigste gebeurtenissen in het huisgezin van den heer Allworthy, van het veertiende tot het negentiende jaar van het leven van Tom Jones. In dit boek kan de lezer eenige wenken vinden omtrent de opvoeding van kinderen.

[Inhoud]Hoofdstuk I.Bevat weinig of niets.De lezer zal de goedheid willen hebben zich te herinneren, dat wij hem bij het begin van het tweede boek van deze geschiedenis, een wenk gaven van ons voornemen om verschillende ruime tijdvakken met stilzwijgen voorbij te gaan, die niets opleverden dat waardig was in eene geschiedenis van dezen aard geboekt te worden.Door dit te doen, raadplegen we niet slechts onze eigene waardigheid en gemak, maar tevens het voordeel en het nut van den lezer, want, behalve dat wij hem op deze wijze beletten zijn tijd te verspillen met lektuur, die hem genoegen noch stichting oplevert, stellen wij hem ook bij zulke gelegenheden telkens in staat om dien verbazenden scherpzin te gebruiken, die hem eigen is, tot het invullen van dergelijke tijdvakken met zijne eigene conjecturen; waartoe wij zorg gedragen hebben hem in de vorige hoofdstukken te bekwamen.Bij voorbeeld, welke lezer beseft niet, dat de heer Allworthy, in het begin, bij het verlies van zijn vriend, die smartelijke gewaarwordingen ondervond, welke bij zulke gelegenheden ieder mensch ondervindt, wiens hart niet van steen en wiens hoofd niet uit even harde bestanddeelen zamengesteld is? Al verder: welke lezer weet niet dat de wijsbegeerte en de godsdienst met der tijd deze smart moesten lenigen en eindelijk uitwisschen? De wijsbegeerte leerde hoe dwaas en ijdel ze was; de godsdienst berispte ze als ongeoorloofd; terwijl zij ze tegelijk verzachtte, door die hoop en zekerheid voor de toekomst optewekken, die een krachtigen, godvruchtigen[88]mensch in staat stellen met bijna even veel onverschilligheid afscheid te nemen van een vriend op zijn sterfbed, alsof hij zich op reis begaf,—en inderdaad met weinig minder hoop van hem weder te zien.De verstandige lezer zal ook geen bezwaar hebben, om zich het gedrag van mevrouw Blifil voortestellen, die zoo lang men het leed te kennen geeft door uiterlijken tooi, ten strengste alle regels der betamelijkheid en welvoegelijkheid in acht nam, de veranderingen van haar gelaat schikkende naar de veranderingen van hare kleeding; want, naarmate de kap afgelegd werd, om alleen zwart te dragen, het zwart in grijs veranderde, het grijs in wit, zoo veranderde ook haar gelaat, van wanhopig tot ellendig, van ellendig tot droevig, van droevig tot ernstig,—tot de dag verscheen, toen zij hare vroegere kalmte weder aannemen kon.Wij hebben alleen deze beide gevallen aangevoerd als voorbeelden van hetgeen men van den meest dagelijkschen lezer kan eischen. Van de meer ervarenen in de kritiek kan men hoogere en moeijelijker bewijzen van hunne oordeelkunde vergen. Wij twijfelen niet dat door dezen vele belangrijke ontdekkingen gemaakt zullen worden, aangaande de gebeurtenissen in de familie van onzen waardigen vriend, gedurende de jaren, welke wij goedvonden met stilzwijgen voorbij te gaan;—want, hoewel er niets voorviel in dit tijdvak, dat eene plaats in deze geschiedenis verdiende, is er toch veel voorgevallen dat even belangrijk is als veel van hetgeen vermeld wordt door de dagelijksche en wekelijksche geschiedschrijvers van deze eeuw, in welke lektuur, naar ik vrees, zeer vele menschen een aanmerkelijk gedeelte van hun tijd verspillen, zonder veel gesticht te worden.Door de conjecturen echter, waartoe ik hier de gelegenheid aanbied kunnen sommige, der uitstekendste gaven van den geest geoefend worden, daar het een veel nuttiger vermogen is, in staat te zijn de handelingen der menschen te voorspellen uit hunne karakters, dan hunne karakters uit hunne handelingen te leeren beoordeelen. Ik beken dat het eerste den meesten scherpzin eischt; maar het is even doenlijk als het laatste, mits men waarlijk schrander zij. Daar wij overtuigd zijn, dat de meeste onzer lezers deze gave in hooge mate bezitten, hebben wij hun een tijdvak[89]van twaalf jaren gelaten om blijken daarvan te geven, en zullen nu onzen held, op omstreeks veertienjarigen leeftijd aan hen voorstellen, daar vele menschen, buiten twijfel, reeds lang wenschen kennis met hem te maken.

Hoofdstuk I.Bevat weinig of niets.

De lezer zal de goedheid willen hebben zich te herinneren, dat wij hem bij het begin van het tweede boek van deze geschiedenis, een wenk gaven van ons voornemen om verschillende ruime tijdvakken met stilzwijgen voorbij te gaan, die niets opleverden dat waardig was in eene geschiedenis van dezen aard geboekt te worden.Door dit te doen, raadplegen we niet slechts onze eigene waardigheid en gemak, maar tevens het voordeel en het nut van den lezer, want, behalve dat wij hem op deze wijze beletten zijn tijd te verspillen met lektuur, die hem genoegen noch stichting oplevert, stellen wij hem ook bij zulke gelegenheden telkens in staat om dien verbazenden scherpzin te gebruiken, die hem eigen is, tot het invullen van dergelijke tijdvakken met zijne eigene conjecturen; waartoe wij zorg gedragen hebben hem in de vorige hoofdstukken te bekwamen.Bij voorbeeld, welke lezer beseft niet, dat de heer Allworthy, in het begin, bij het verlies van zijn vriend, die smartelijke gewaarwordingen ondervond, welke bij zulke gelegenheden ieder mensch ondervindt, wiens hart niet van steen en wiens hoofd niet uit even harde bestanddeelen zamengesteld is? Al verder: welke lezer weet niet dat de wijsbegeerte en de godsdienst met der tijd deze smart moesten lenigen en eindelijk uitwisschen? De wijsbegeerte leerde hoe dwaas en ijdel ze was; de godsdienst berispte ze als ongeoorloofd; terwijl zij ze tegelijk verzachtte, door die hoop en zekerheid voor de toekomst optewekken, die een krachtigen, godvruchtigen[88]mensch in staat stellen met bijna even veel onverschilligheid afscheid te nemen van een vriend op zijn sterfbed, alsof hij zich op reis begaf,—en inderdaad met weinig minder hoop van hem weder te zien.De verstandige lezer zal ook geen bezwaar hebben, om zich het gedrag van mevrouw Blifil voortestellen, die zoo lang men het leed te kennen geeft door uiterlijken tooi, ten strengste alle regels der betamelijkheid en welvoegelijkheid in acht nam, de veranderingen van haar gelaat schikkende naar de veranderingen van hare kleeding; want, naarmate de kap afgelegd werd, om alleen zwart te dragen, het zwart in grijs veranderde, het grijs in wit, zoo veranderde ook haar gelaat, van wanhopig tot ellendig, van ellendig tot droevig, van droevig tot ernstig,—tot de dag verscheen, toen zij hare vroegere kalmte weder aannemen kon.Wij hebben alleen deze beide gevallen aangevoerd als voorbeelden van hetgeen men van den meest dagelijkschen lezer kan eischen. Van de meer ervarenen in de kritiek kan men hoogere en moeijelijker bewijzen van hunne oordeelkunde vergen. Wij twijfelen niet dat door dezen vele belangrijke ontdekkingen gemaakt zullen worden, aangaande de gebeurtenissen in de familie van onzen waardigen vriend, gedurende de jaren, welke wij goedvonden met stilzwijgen voorbij te gaan;—want, hoewel er niets voorviel in dit tijdvak, dat eene plaats in deze geschiedenis verdiende, is er toch veel voorgevallen dat even belangrijk is als veel van hetgeen vermeld wordt door de dagelijksche en wekelijksche geschiedschrijvers van deze eeuw, in welke lektuur, naar ik vrees, zeer vele menschen een aanmerkelijk gedeelte van hun tijd verspillen, zonder veel gesticht te worden.Door de conjecturen echter, waartoe ik hier de gelegenheid aanbied kunnen sommige, der uitstekendste gaven van den geest geoefend worden, daar het een veel nuttiger vermogen is, in staat te zijn de handelingen der menschen te voorspellen uit hunne karakters, dan hunne karakters uit hunne handelingen te leeren beoordeelen. Ik beken dat het eerste den meesten scherpzin eischt; maar het is even doenlijk als het laatste, mits men waarlijk schrander zij. Daar wij overtuigd zijn, dat de meeste onzer lezers deze gave in hooge mate bezitten, hebben wij hun een tijdvak[89]van twaalf jaren gelaten om blijken daarvan te geven, en zullen nu onzen held, op omstreeks veertienjarigen leeftijd aan hen voorstellen, daar vele menschen, buiten twijfel, reeds lang wenschen kennis met hem te maken.

De lezer zal de goedheid willen hebben zich te herinneren, dat wij hem bij het begin van het tweede boek van deze geschiedenis, een wenk gaven van ons voornemen om verschillende ruime tijdvakken met stilzwijgen voorbij te gaan, die niets opleverden dat waardig was in eene geschiedenis van dezen aard geboekt te worden.

Door dit te doen, raadplegen we niet slechts onze eigene waardigheid en gemak, maar tevens het voordeel en het nut van den lezer, want, behalve dat wij hem op deze wijze beletten zijn tijd te verspillen met lektuur, die hem genoegen noch stichting oplevert, stellen wij hem ook bij zulke gelegenheden telkens in staat om dien verbazenden scherpzin te gebruiken, die hem eigen is, tot het invullen van dergelijke tijdvakken met zijne eigene conjecturen; waartoe wij zorg gedragen hebben hem in de vorige hoofdstukken te bekwamen.

Bij voorbeeld, welke lezer beseft niet, dat de heer Allworthy, in het begin, bij het verlies van zijn vriend, die smartelijke gewaarwordingen ondervond, welke bij zulke gelegenheden ieder mensch ondervindt, wiens hart niet van steen en wiens hoofd niet uit even harde bestanddeelen zamengesteld is? Al verder: welke lezer weet niet dat de wijsbegeerte en de godsdienst met der tijd deze smart moesten lenigen en eindelijk uitwisschen? De wijsbegeerte leerde hoe dwaas en ijdel ze was; de godsdienst berispte ze als ongeoorloofd; terwijl zij ze tegelijk verzachtte, door die hoop en zekerheid voor de toekomst optewekken, die een krachtigen, godvruchtigen[88]mensch in staat stellen met bijna even veel onverschilligheid afscheid te nemen van een vriend op zijn sterfbed, alsof hij zich op reis begaf,—en inderdaad met weinig minder hoop van hem weder te zien.

De verstandige lezer zal ook geen bezwaar hebben, om zich het gedrag van mevrouw Blifil voortestellen, die zoo lang men het leed te kennen geeft door uiterlijken tooi, ten strengste alle regels der betamelijkheid en welvoegelijkheid in acht nam, de veranderingen van haar gelaat schikkende naar de veranderingen van hare kleeding; want, naarmate de kap afgelegd werd, om alleen zwart te dragen, het zwart in grijs veranderde, het grijs in wit, zoo veranderde ook haar gelaat, van wanhopig tot ellendig, van ellendig tot droevig, van droevig tot ernstig,—tot de dag verscheen, toen zij hare vroegere kalmte weder aannemen kon.

Wij hebben alleen deze beide gevallen aangevoerd als voorbeelden van hetgeen men van den meest dagelijkschen lezer kan eischen. Van de meer ervarenen in de kritiek kan men hoogere en moeijelijker bewijzen van hunne oordeelkunde vergen. Wij twijfelen niet dat door dezen vele belangrijke ontdekkingen gemaakt zullen worden, aangaande de gebeurtenissen in de familie van onzen waardigen vriend, gedurende de jaren, welke wij goedvonden met stilzwijgen voorbij te gaan;—want, hoewel er niets voorviel in dit tijdvak, dat eene plaats in deze geschiedenis verdiende, is er toch veel voorgevallen dat even belangrijk is als veel van hetgeen vermeld wordt door de dagelijksche en wekelijksche geschiedschrijvers van deze eeuw, in welke lektuur, naar ik vrees, zeer vele menschen een aanmerkelijk gedeelte van hun tijd verspillen, zonder veel gesticht te worden.

Door de conjecturen echter, waartoe ik hier de gelegenheid aanbied kunnen sommige, der uitstekendste gaven van den geest geoefend worden, daar het een veel nuttiger vermogen is, in staat te zijn de handelingen der menschen te voorspellen uit hunne karakters, dan hunne karakters uit hunne handelingen te leeren beoordeelen. Ik beken dat het eerste den meesten scherpzin eischt; maar het is even doenlijk als het laatste, mits men waarlijk schrander zij. Daar wij overtuigd zijn, dat de meeste onzer lezers deze gave in hooge mate bezitten, hebben wij hun een tijdvak[89]van twaalf jaren gelaten om blijken daarvan te geven, en zullen nu onzen held, op omstreeks veertienjarigen leeftijd aan hen voorstellen, daar vele menschen, buiten twijfel, reeds lang wenschen kennis met hem te maken.

[Inhoud]Hoofdstuk II.De held van deze geschiedenis treedt onder zeer slechte voorteekens op. Een klein verhaaltje, zoo gemeen van aard, dat sommige lezers het hunner onwaardig zullen achten. Een woord of wat aangaande een landjonker; meer over een jagtopziener en een schoolmeester.Daar wij het besluit namen, toen wij ons neerzetten om deze geschiedenis te schrijven, om geen mensch te vleijen, maar onze pen steeds door de waarheid zelve te laten besturen, zijn wij genoodzaakt onzen held op eene veel onvoordeeliger wijze ten tooneele te voeren, dan wij gewenscht zouden hebben, en eerlijk te verklaren, zelfs bij zijne eerste optreding, dat het gevoelen algemeen heerschte in de familie van den heer Allworthy, dat die jongen zeker voor de galg opgroeide.Het spijt me werkelijk te moeten bekennen, dat er maar al te veel grond scheen voor deze voorspelling. Want de jongen liet, van de teederste jeugd af, eene neiging blijken tot vele ondeugden, en vooral tot ééne, welke even regtstreeks als eenige andere, tot dat uiteinde leidt, hetwelk we pas opgemerkt hebben, dat aangaande hem geprofeteerd werd. Hij was reeds aan drie diefstallen schuldig bevonden, namelijk: hij had appelen gestolen uit een boomgaard; een eend geroofd van een boerenerf, en een bal uit den zak van den jongen heer Blifil.De ondeugden van dezen jongeling kwamen, daarenboven, des te meer uit, als zij tegenovergesteld werden aan de deugden van den jongen heer Blifil, zijn makker;—een jongen zoo verschillend van aard met den kleinen Jones, dat niet slechts de familie, maar tegelijk ook het heele dorp, van zijne loftuitingen weerklonk. Hij was inderdaad een[90]knaap van een zeer merkwaardig karakter: sober, bescheiden, vroom, boven zijne jaren;—hoedanigheden, die hem de liefde verwierven van iedereen, die hem kende, terwijl Tom Jones algemeen misviel, en velen hunne verwondering te kennen gaven, dat de heer Allworthy er in toestemmen kon, dat zulk een jongen met zijn neef opgevoed werd, wiens zeden ligt door zoo’n voorbeeld benadeeld konden worden. Eene gebeurtenis, welke omstreeks dezen tijd voorviel, zal het karakter van deze beide jongens beter verklaren voor den helderzienden lezer, dan de langste redenering zou kunnen doen.Tom Jones, die, hoe slecht ook, als held dezer geschiedenis moet optreden, had slechts één vriend onder al de dienstboden van de familie, want, jufvrouw Wilkins had hem al lang opgegeven en was geheel en al verzoend met mevrouw Blifil. Deze vriend was de jagtopziener, een losse vent van aard, die verdacht werd geene strengere begrippen omtrent hetmeumen hettuumte koesteren dan de jonge heer zelf. Vandaar dat deze vriendschap onder de dienstboden zelve, aanleiding gaf tot vele satirieke opmerkingen, van welke de meesten òf toen al tot de spreekwoorden behoorden, òf sedert dien tijd spreekwoorden zijn geworden, en welker strekking bevat is in het korte latijnsche gezegde: „noscitur a sociis,” hetwelk vertolkt kan worden: „Daar men meê verkeert, wordt men meê geëerd.”En werkelijk, iets van die verschrikkelijke slechtheid in Jones, waarvan wij drie staaltjes pas vermeld hebben, zou welligt kunnen toegeschreven worden aan de aanmoediging van dezen mensch, die in een paar gevallen geweest was, wat de regtsgeleerden noemen, „medepligtige aan de daad;” want de geheele eend en de meeste der appels dienden tot het gebruik van den jagtopziener en van zijn huisgezin. Daar echter Jones alleen ontdekt werd, droeg hij niet slechts de geheele straf, maar ook den ganschen blaam, welke beide hem weder ten deel vielen bij de volgende gelegenheid:Onmidellijkaan de landerijen van den heer Allworthy grensde de heerlijkheid van een van die heeren, die het wild zeer streng bewaren. Deze slag van menschen, te oordeelen naar de groote gestrengheid, waarmede zij het dooden van een haas of een patrijs straffen, zouden kunnen geacht worden[91]besmet te zijn met hetzelfde bijgeloof als zekere Indische stammen, die, zoo als men verhaalt, hun geheel leven toewijden aan het kweeken en koesteren van zekere dieren, ware het niet dat onze Engelsche Indianen, terwijl zij ze tegen andere vijanden verdedigen, onbarmhartig zelve geheele karrenvrachten daarvan slagten,—wat hen natuurlijk geheel vrij pleit van eenig heidensch bijgeloof hoegenaamd.Ik koester inderdaad eene veel gunstiger meening dan velen omtrent zulke menschen, daar ik het er voor houd, dat zij aan de natuur, en aan het doel hunner bestemming op eene veel volmaakter wijze weten te voldoen, dan vele anderen. Want, even als Horatius ons vertelt, dat er zekere menschelijke wezens zijn,„Fruges consumere nati,”„geboren om de vruchten der aarde te gebruiken,” zoo twijfel ik ook niet dat er anderen zijn,„Feras consumere nati,”„geboren om de wilde dieren,” of gelijk men gewoonlijk zegt, „het wild” op te eten, en niemand zal, denkelijk, ontkennen, dat dergelijke landjonkers deze hunne bestemming bereiken.De kleine Jones ging dan op zekeren dag met dezen jager er op uit,—en een vlugt patrijzen, die opvloog bij de grenzen van die bezittingen over welke het noodlot, om de wijze bedoelingen der natuur te vervullen, een dergelijken wild-etenden mensch gesteld had, ging weer liggen, gelijk men zegt, en zooals de twee jagers zagen, onder eenige boomstruiken, zoowat een paar honderd pas aan gene zijde van de grenzen der landerijen van den heer Allworthy.De heer Allworthy had zijn jager bevolen, op straf van ontslagen te worden, nooit bij iemand zijner buren te stroopen;—bij die welke minder streng waren op dat punt evenmin als bij den heer in kwestie. Ten opzigte van anderen werden deze voorschriften niet altijd zeer stipt opgevolgd; daar echter het karakter van den heer bij wien de vogels nu toevlugt gezocht hadden, wel bekend was, had de jager tot dusver nooit gewaagd diens gebied te betreden. Hij zou het ook nu wel gelaten hebben, als de jongere jager, die buitengewoon driftig was in het vervolgen van het wild, hem niet overgehaald had; daar echter Jones hem niet losliet,[92]gaf de andere, die zelf gaarne schieten wilde, aan zijne verzoeken gehoor, overschreed de grenzen en schoot een der vogels.De heer van de plaats, die zelf in de nabijheid te paard reed, hoorde het schot, ijldeonmiddellijknaar de plaats toe en ontdekte den armen Tom; want de jager was midden in de digtste struiken gesprongen, waar hij zich gelukkig wist te verbergen.De heer onderzocht den jongen, en de patrijs bij hem vindende, zwoer hij, dat hij zich wraak zou verschaffen en den heer Allworthy van de zaak kennis geven.Hij hield ookonmiddellijkwoord, want hij reed naar het huis en klaagde over dit stroopen op zijne jagt in even bittere woorden en even ernstig, alsof men in zijn huis ingebroken en de kostbaarste meubelen er uit gehaald had. Hij voegde er bij, dat de jongen iemand anders bij zich had moeten hebben, want dat hij twee schoten bijna op hetzelfde oogenblik gehoord had. „En,” voegde hij er bij, „ik heb slechts dezen éénen vogel gevonden, maar de hemel weet, hoeveel kwaad zij gedaan hebben!”Bij zijne tehuiskomst werd Tom dadelijk bij den heer Allworthy geroepen. Hij bekende het feit, en bragt geene andere verontschuldiging in, dan wat wezenlijk waar was, dat de patrijzen eerst op de jagt van den heer Allworthy zelven opgevlogen waren.Toen werd hem gevraagd, wien hij bij zich had gehad, wat de heer Allworthy verklaarde, stellig te willen weten, den beschuldigde opmerkzaam makende op de twee schoten, die gehoord werden én door den heer én door zijne beide bedienden; maar Tom hield vol met stoutweg te beweren, dat hij alleen was geweest; hoewel hij, om de waarheid te zeggen, in het begin aarzelde, wat de heer Allworthy in zijn geloof bevestigd zou hebben, als hij getwijfeld had aan hetgeen zijn buurman en de knechts verklaard hadden.Daar de jager een verdacht persoon was, zond men nu om hem, en ook hij werd ondervraagd; daar hij echter vast vertrouwde op Tom’s belofte om alle schuld op zich te nemen, loochende hij zeer standvastig, dat hij in gezelschap van den jongen heer geweest was, of dat hij hem zelfs dien namiddag gezien had.[93]De heer Allworthy, wiens gelaat buitengewoon toornig was, wendde zich nu tot Tom en vermaande hem alles te bekennen, daar hij besloten had alles te weten. De jongen echter bleef bij zijn besluit en werd door den hevig vertoornden Allworthy weggezonden, die hem zeide, dat hij zich bedenken kon tot den volgenden morgen, als wanneer hij door iemand anders en op eene geheel andere wijze ondervraagd zou worden.De arme Jones bragt een zeer droevigen nacht door,—te meer omdat hij zijn gewonen makker miste, daar de jonge heer Blifil met zijne moeder uit logeren was. Vrees voor de straf, die hem bedreigde, was zijne minste kwelling zijne hoofdzorg was de angst, dat zijne standvastigheid bezwijken mogt, en dat hij den jager verraden zou, die, gelijk hij wist, daardoor te grond gerigt zou worden.De jager bragt ook geen gelukkigen tijd door. Hij koesterde dezelfde vrees als de jongen, en vreesde meer diens woord van eer dan zijne beenderen te zien breken.Des morgens, toen Tom bij den eerwaarden heer Thwackum verscheen, den persoon aan wien de heer Allworthy de opvoeding der beide jongens toevertrouwd had, werden hem, door dien heer, dezelfde vragen gedaan als den vorigen avond, waarop hij ook dezelfde antwoorden gaf. Het gevolg was zulk eene strenge ligchamelijke kastijding, dat die welligt weinig onderdeed voor de folteringen, waaraan, in sommige landen, de beschuldigden onderworpen worden, om hen tot bekentenis te brengen.Tom droeg de straf met de meeste standvastigheid, en hoewel de meester hem met elken slag vroeg of hij nog niet bekennen wilde, verkoos hij liever zich levend te laten villen, dan zijn vriend te verraden, of zijn gegeven woord te breken.De jager was nu van zijn angst bevrijd en de heer Allworthy zelf begon wroeging te gevoelen over Tom’s lijden; want behalve dat de heer Thwackum, die zeer boos was, dat hij niet in staat was den jongen alles te laten zeggen, wat hem goed dunkte, veel strenger was geweest dan de goede Allworthy bedoeld had, begon deze nu te veronderstellen, dat zijn buurman zich vergist had, wat zijne groote drift en toorn niet onwaarschijnlijk maakte, en ten opzigte[94]van hetgeen de knechts gezegd hadden, om het berigt van hun meester te bevestigen, daar hechtte hij niet veel waarde aan.Omdat nu wreedheid en onregtvaardigheid twee denkbeelden waren, welke het den heer Allworthy onmogelijk viel zelfs voor één oogenblik te verdragen, zond hij om Tom en na vele zachte en liefderijke vermaningen, zeide hij: „Ik ben overtuigd, kindlief, dat ik u verkeerd verdacht hield;—het spijt me dus dat gij om deze zaak zoo streng gestraft wordt.”En hij eindigde met hem een hitje te schenken, ter vergoeding, met herhaling van zijn leedwezen over het gebeurde. Tom verweet zich nu zijne schuld veel heviger dan hij ooit zou gedaan hebben, na de grootste gestrengheid. Het was hem gemakkelijker gevallen de stokslagen van Thwackum dan de goedheid van Allworthy te verdragen. Hij barstte in tranen uit, wierp zich op de knieën en riep:„O, mijnheer! Gij zijt te goed voor mij! Wezenlijk! wezenlijk, ik verdien zoo iets niet!”En op dat oogenblik zou hij haast uit de volheid van zijn hart het geheim verklapt hebben, zoo de beschermgeest van den jager hem niet ingefluisterd had, welke gevolgen dat hebben kon voor dien armen mensch, en deze bedenkingen hem geen slot op de lippen gelegd hadden.Thwackum deed zijn best om Allworthy te beletten eenig medelijden of vriendelijkheid jegens den jongen aan den dag te leggen, zeggende: „Hij heeft eene onwaarheid vol gehouden,”—tegelijk met eenige wenken, dat eene tweede kastijding welligt de zaak aan het licht zou brengen.Maar de heer Allworthy weigerde bepaaldelijk tot deze proef overtegaan. Hij zeide dat de jongen reeds genoeg geleden had voor het verbergen der waarheid, zelfs als hij schuldig was, aangezien hij geene andere reden daartoe kon hebben dan een verkeerd begrip van eer.„Eer!” riep Thwackum, met eenige drift; „niets dan koppigheid en eigenwaan! kan de eer iemand er toe brengen een leugen te vertellen, of kan er eer bestaan zonder godsdienst?”Dit gesprek had plaats aan tafel, dadelijk na het eten, en in tegenwoordigheid van den heer Allworthy, den heer[95]Thwackum, en een derden heer, die nu deel aan het dispuut nam, en dien wij kortelings aan den lezer bekend willen maken eer wij verder gaan.

Hoofdstuk II.De held van deze geschiedenis treedt onder zeer slechte voorteekens op. Een klein verhaaltje, zoo gemeen van aard, dat sommige lezers het hunner onwaardig zullen achten. Een woord of wat aangaande een landjonker; meer over een jagtopziener en een schoolmeester.

Daar wij het besluit namen, toen wij ons neerzetten om deze geschiedenis te schrijven, om geen mensch te vleijen, maar onze pen steeds door de waarheid zelve te laten besturen, zijn wij genoodzaakt onzen held op eene veel onvoordeeliger wijze ten tooneele te voeren, dan wij gewenscht zouden hebben, en eerlijk te verklaren, zelfs bij zijne eerste optreding, dat het gevoelen algemeen heerschte in de familie van den heer Allworthy, dat die jongen zeker voor de galg opgroeide.Het spijt me werkelijk te moeten bekennen, dat er maar al te veel grond scheen voor deze voorspelling. Want de jongen liet, van de teederste jeugd af, eene neiging blijken tot vele ondeugden, en vooral tot ééne, welke even regtstreeks als eenige andere, tot dat uiteinde leidt, hetwelk we pas opgemerkt hebben, dat aangaande hem geprofeteerd werd. Hij was reeds aan drie diefstallen schuldig bevonden, namelijk: hij had appelen gestolen uit een boomgaard; een eend geroofd van een boerenerf, en een bal uit den zak van den jongen heer Blifil.De ondeugden van dezen jongeling kwamen, daarenboven, des te meer uit, als zij tegenovergesteld werden aan de deugden van den jongen heer Blifil, zijn makker;—een jongen zoo verschillend van aard met den kleinen Jones, dat niet slechts de familie, maar tegelijk ook het heele dorp, van zijne loftuitingen weerklonk. Hij was inderdaad een[90]knaap van een zeer merkwaardig karakter: sober, bescheiden, vroom, boven zijne jaren;—hoedanigheden, die hem de liefde verwierven van iedereen, die hem kende, terwijl Tom Jones algemeen misviel, en velen hunne verwondering te kennen gaven, dat de heer Allworthy er in toestemmen kon, dat zulk een jongen met zijn neef opgevoed werd, wiens zeden ligt door zoo’n voorbeeld benadeeld konden worden. Eene gebeurtenis, welke omstreeks dezen tijd voorviel, zal het karakter van deze beide jongens beter verklaren voor den helderzienden lezer, dan de langste redenering zou kunnen doen.Tom Jones, die, hoe slecht ook, als held dezer geschiedenis moet optreden, had slechts één vriend onder al de dienstboden van de familie, want, jufvrouw Wilkins had hem al lang opgegeven en was geheel en al verzoend met mevrouw Blifil. Deze vriend was de jagtopziener, een losse vent van aard, die verdacht werd geene strengere begrippen omtrent hetmeumen hettuumte koesteren dan de jonge heer zelf. Vandaar dat deze vriendschap onder de dienstboden zelve, aanleiding gaf tot vele satirieke opmerkingen, van welke de meesten òf toen al tot de spreekwoorden behoorden, òf sedert dien tijd spreekwoorden zijn geworden, en welker strekking bevat is in het korte latijnsche gezegde: „noscitur a sociis,” hetwelk vertolkt kan worden: „Daar men meê verkeert, wordt men meê geëerd.”En werkelijk, iets van die verschrikkelijke slechtheid in Jones, waarvan wij drie staaltjes pas vermeld hebben, zou welligt kunnen toegeschreven worden aan de aanmoediging van dezen mensch, die in een paar gevallen geweest was, wat de regtsgeleerden noemen, „medepligtige aan de daad;” want de geheele eend en de meeste der appels dienden tot het gebruik van den jagtopziener en van zijn huisgezin. Daar echter Jones alleen ontdekt werd, droeg hij niet slechts de geheele straf, maar ook den ganschen blaam, welke beide hem weder ten deel vielen bij de volgende gelegenheid:Onmidellijkaan de landerijen van den heer Allworthy grensde de heerlijkheid van een van die heeren, die het wild zeer streng bewaren. Deze slag van menschen, te oordeelen naar de groote gestrengheid, waarmede zij het dooden van een haas of een patrijs straffen, zouden kunnen geacht worden[91]besmet te zijn met hetzelfde bijgeloof als zekere Indische stammen, die, zoo als men verhaalt, hun geheel leven toewijden aan het kweeken en koesteren van zekere dieren, ware het niet dat onze Engelsche Indianen, terwijl zij ze tegen andere vijanden verdedigen, onbarmhartig zelve geheele karrenvrachten daarvan slagten,—wat hen natuurlijk geheel vrij pleit van eenig heidensch bijgeloof hoegenaamd.Ik koester inderdaad eene veel gunstiger meening dan velen omtrent zulke menschen, daar ik het er voor houd, dat zij aan de natuur, en aan het doel hunner bestemming op eene veel volmaakter wijze weten te voldoen, dan vele anderen. Want, even als Horatius ons vertelt, dat er zekere menschelijke wezens zijn,„Fruges consumere nati,”„geboren om de vruchten der aarde te gebruiken,” zoo twijfel ik ook niet dat er anderen zijn,„Feras consumere nati,”„geboren om de wilde dieren,” of gelijk men gewoonlijk zegt, „het wild” op te eten, en niemand zal, denkelijk, ontkennen, dat dergelijke landjonkers deze hunne bestemming bereiken.De kleine Jones ging dan op zekeren dag met dezen jager er op uit,—en een vlugt patrijzen, die opvloog bij de grenzen van die bezittingen over welke het noodlot, om de wijze bedoelingen der natuur te vervullen, een dergelijken wild-etenden mensch gesteld had, ging weer liggen, gelijk men zegt, en zooals de twee jagers zagen, onder eenige boomstruiken, zoowat een paar honderd pas aan gene zijde van de grenzen der landerijen van den heer Allworthy.De heer Allworthy had zijn jager bevolen, op straf van ontslagen te worden, nooit bij iemand zijner buren te stroopen;—bij die welke minder streng waren op dat punt evenmin als bij den heer in kwestie. Ten opzigte van anderen werden deze voorschriften niet altijd zeer stipt opgevolgd; daar echter het karakter van den heer bij wien de vogels nu toevlugt gezocht hadden, wel bekend was, had de jager tot dusver nooit gewaagd diens gebied te betreden. Hij zou het ook nu wel gelaten hebben, als de jongere jager, die buitengewoon driftig was in het vervolgen van het wild, hem niet overgehaald had; daar echter Jones hem niet losliet,[92]gaf de andere, die zelf gaarne schieten wilde, aan zijne verzoeken gehoor, overschreed de grenzen en schoot een der vogels.De heer van de plaats, die zelf in de nabijheid te paard reed, hoorde het schot, ijldeonmiddellijknaar de plaats toe en ontdekte den armen Tom; want de jager was midden in de digtste struiken gesprongen, waar hij zich gelukkig wist te verbergen.De heer onderzocht den jongen, en de patrijs bij hem vindende, zwoer hij, dat hij zich wraak zou verschaffen en den heer Allworthy van de zaak kennis geven.Hij hield ookonmiddellijkwoord, want hij reed naar het huis en klaagde over dit stroopen op zijne jagt in even bittere woorden en even ernstig, alsof men in zijn huis ingebroken en de kostbaarste meubelen er uit gehaald had. Hij voegde er bij, dat de jongen iemand anders bij zich had moeten hebben, want dat hij twee schoten bijna op hetzelfde oogenblik gehoord had. „En,” voegde hij er bij, „ik heb slechts dezen éénen vogel gevonden, maar de hemel weet, hoeveel kwaad zij gedaan hebben!”Bij zijne tehuiskomst werd Tom dadelijk bij den heer Allworthy geroepen. Hij bekende het feit, en bragt geene andere verontschuldiging in, dan wat wezenlijk waar was, dat de patrijzen eerst op de jagt van den heer Allworthy zelven opgevlogen waren.Toen werd hem gevraagd, wien hij bij zich had gehad, wat de heer Allworthy verklaarde, stellig te willen weten, den beschuldigde opmerkzaam makende op de twee schoten, die gehoord werden én door den heer én door zijne beide bedienden; maar Tom hield vol met stoutweg te beweren, dat hij alleen was geweest; hoewel hij, om de waarheid te zeggen, in het begin aarzelde, wat de heer Allworthy in zijn geloof bevestigd zou hebben, als hij getwijfeld had aan hetgeen zijn buurman en de knechts verklaard hadden.Daar de jager een verdacht persoon was, zond men nu om hem, en ook hij werd ondervraagd; daar hij echter vast vertrouwde op Tom’s belofte om alle schuld op zich te nemen, loochende hij zeer standvastig, dat hij in gezelschap van den jongen heer geweest was, of dat hij hem zelfs dien namiddag gezien had.[93]De heer Allworthy, wiens gelaat buitengewoon toornig was, wendde zich nu tot Tom en vermaande hem alles te bekennen, daar hij besloten had alles te weten. De jongen echter bleef bij zijn besluit en werd door den hevig vertoornden Allworthy weggezonden, die hem zeide, dat hij zich bedenken kon tot den volgenden morgen, als wanneer hij door iemand anders en op eene geheel andere wijze ondervraagd zou worden.De arme Jones bragt een zeer droevigen nacht door,—te meer omdat hij zijn gewonen makker miste, daar de jonge heer Blifil met zijne moeder uit logeren was. Vrees voor de straf, die hem bedreigde, was zijne minste kwelling zijne hoofdzorg was de angst, dat zijne standvastigheid bezwijken mogt, en dat hij den jager verraden zou, die, gelijk hij wist, daardoor te grond gerigt zou worden.De jager bragt ook geen gelukkigen tijd door. Hij koesterde dezelfde vrees als de jongen, en vreesde meer diens woord van eer dan zijne beenderen te zien breken.Des morgens, toen Tom bij den eerwaarden heer Thwackum verscheen, den persoon aan wien de heer Allworthy de opvoeding der beide jongens toevertrouwd had, werden hem, door dien heer, dezelfde vragen gedaan als den vorigen avond, waarop hij ook dezelfde antwoorden gaf. Het gevolg was zulk eene strenge ligchamelijke kastijding, dat die welligt weinig onderdeed voor de folteringen, waaraan, in sommige landen, de beschuldigden onderworpen worden, om hen tot bekentenis te brengen.Tom droeg de straf met de meeste standvastigheid, en hoewel de meester hem met elken slag vroeg of hij nog niet bekennen wilde, verkoos hij liever zich levend te laten villen, dan zijn vriend te verraden, of zijn gegeven woord te breken.De jager was nu van zijn angst bevrijd en de heer Allworthy zelf begon wroeging te gevoelen over Tom’s lijden; want behalve dat de heer Thwackum, die zeer boos was, dat hij niet in staat was den jongen alles te laten zeggen, wat hem goed dunkte, veel strenger was geweest dan de goede Allworthy bedoeld had, begon deze nu te veronderstellen, dat zijn buurman zich vergist had, wat zijne groote drift en toorn niet onwaarschijnlijk maakte, en ten opzigte[94]van hetgeen de knechts gezegd hadden, om het berigt van hun meester te bevestigen, daar hechtte hij niet veel waarde aan.Omdat nu wreedheid en onregtvaardigheid twee denkbeelden waren, welke het den heer Allworthy onmogelijk viel zelfs voor één oogenblik te verdragen, zond hij om Tom en na vele zachte en liefderijke vermaningen, zeide hij: „Ik ben overtuigd, kindlief, dat ik u verkeerd verdacht hield;—het spijt me dus dat gij om deze zaak zoo streng gestraft wordt.”En hij eindigde met hem een hitje te schenken, ter vergoeding, met herhaling van zijn leedwezen over het gebeurde. Tom verweet zich nu zijne schuld veel heviger dan hij ooit zou gedaan hebben, na de grootste gestrengheid. Het was hem gemakkelijker gevallen de stokslagen van Thwackum dan de goedheid van Allworthy te verdragen. Hij barstte in tranen uit, wierp zich op de knieën en riep:„O, mijnheer! Gij zijt te goed voor mij! Wezenlijk! wezenlijk, ik verdien zoo iets niet!”En op dat oogenblik zou hij haast uit de volheid van zijn hart het geheim verklapt hebben, zoo de beschermgeest van den jager hem niet ingefluisterd had, welke gevolgen dat hebben kon voor dien armen mensch, en deze bedenkingen hem geen slot op de lippen gelegd hadden.Thwackum deed zijn best om Allworthy te beletten eenig medelijden of vriendelijkheid jegens den jongen aan den dag te leggen, zeggende: „Hij heeft eene onwaarheid vol gehouden,”—tegelijk met eenige wenken, dat eene tweede kastijding welligt de zaak aan het licht zou brengen.Maar de heer Allworthy weigerde bepaaldelijk tot deze proef overtegaan. Hij zeide dat de jongen reeds genoeg geleden had voor het verbergen der waarheid, zelfs als hij schuldig was, aangezien hij geene andere reden daartoe kon hebben dan een verkeerd begrip van eer.„Eer!” riep Thwackum, met eenige drift; „niets dan koppigheid en eigenwaan! kan de eer iemand er toe brengen een leugen te vertellen, of kan er eer bestaan zonder godsdienst?”Dit gesprek had plaats aan tafel, dadelijk na het eten, en in tegenwoordigheid van den heer Allworthy, den heer[95]Thwackum, en een derden heer, die nu deel aan het dispuut nam, en dien wij kortelings aan den lezer bekend willen maken eer wij verder gaan.

Daar wij het besluit namen, toen wij ons neerzetten om deze geschiedenis te schrijven, om geen mensch te vleijen, maar onze pen steeds door de waarheid zelve te laten besturen, zijn wij genoodzaakt onzen held op eene veel onvoordeeliger wijze ten tooneele te voeren, dan wij gewenscht zouden hebben, en eerlijk te verklaren, zelfs bij zijne eerste optreding, dat het gevoelen algemeen heerschte in de familie van den heer Allworthy, dat die jongen zeker voor de galg opgroeide.

Het spijt me werkelijk te moeten bekennen, dat er maar al te veel grond scheen voor deze voorspelling. Want de jongen liet, van de teederste jeugd af, eene neiging blijken tot vele ondeugden, en vooral tot ééne, welke even regtstreeks als eenige andere, tot dat uiteinde leidt, hetwelk we pas opgemerkt hebben, dat aangaande hem geprofeteerd werd. Hij was reeds aan drie diefstallen schuldig bevonden, namelijk: hij had appelen gestolen uit een boomgaard; een eend geroofd van een boerenerf, en een bal uit den zak van den jongen heer Blifil.

De ondeugden van dezen jongeling kwamen, daarenboven, des te meer uit, als zij tegenovergesteld werden aan de deugden van den jongen heer Blifil, zijn makker;—een jongen zoo verschillend van aard met den kleinen Jones, dat niet slechts de familie, maar tegelijk ook het heele dorp, van zijne loftuitingen weerklonk. Hij was inderdaad een[90]knaap van een zeer merkwaardig karakter: sober, bescheiden, vroom, boven zijne jaren;—hoedanigheden, die hem de liefde verwierven van iedereen, die hem kende, terwijl Tom Jones algemeen misviel, en velen hunne verwondering te kennen gaven, dat de heer Allworthy er in toestemmen kon, dat zulk een jongen met zijn neef opgevoed werd, wiens zeden ligt door zoo’n voorbeeld benadeeld konden worden. Eene gebeurtenis, welke omstreeks dezen tijd voorviel, zal het karakter van deze beide jongens beter verklaren voor den helderzienden lezer, dan de langste redenering zou kunnen doen.

Tom Jones, die, hoe slecht ook, als held dezer geschiedenis moet optreden, had slechts één vriend onder al de dienstboden van de familie, want, jufvrouw Wilkins had hem al lang opgegeven en was geheel en al verzoend met mevrouw Blifil. Deze vriend was de jagtopziener, een losse vent van aard, die verdacht werd geene strengere begrippen omtrent hetmeumen hettuumte koesteren dan de jonge heer zelf. Vandaar dat deze vriendschap onder de dienstboden zelve, aanleiding gaf tot vele satirieke opmerkingen, van welke de meesten òf toen al tot de spreekwoorden behoorden, òf sedert dien tijd spreekwoorden zijn geworden, en welker strekking bevat is in het korte latijnsche gezegde: „noscitur a sociis,” hetwelk vertolkt kan worden: „Daar men meê verkeert, wordt men meê geëerd.”

En werkelijk, iets van die verschrikkelijke slechtheid in Jones, waarvan wij drie staaltjes pas vermeld hebben, zou welligt kunnen toegeschreven worden aan de aanmoediging van dezen mensch, die in een paar gevallen geweest was, wat de regtsgeleerden noemen, „medepligtige aan de daad;” want de geheele eend en de meeste der appels dienden tot het gebruik van den jagtopziener en van zijn huisgezin. Daar echter Jones alleen ontdekt werd, droeg hij niet slechts de geheele straf, maar ook den ganschen blaam, welke beide hem weder ten deel vielen bij de volgende gelegenheid:

Onmidellijkaan de landerijen van den heer Allworthy grensde de heerlijkheid van een van die heeren, die het wild zeer streng bewaren. Deze slag van menschen, te oordeelen naar de groote gestrengheid, waarmede zij het dooden van een haas of een patrijs straffen, zouden kunnen geacht worden[91]besmet te zijn met hetzelfde bijgeloof als zekere Indische stammen, die, zoo als men verhaalt, hun geheel leven toewijden aan het kweeken en koesteren van zekere dieren, ware het niet dat onze Engelsche Indianen, terwijl zij ze tegen andere vijanden verdedigen, onbarmhartig zelve geheele karrenvrachten daarvan slagten,—wat hen natuurlijk geheel vrij pleit van eenig heidensch bijgeloof hoegenaamd.

Ik koester inderdaad eene veel gunstiger meening dan velen omtrent zulke menschen, daar ik het er voor houd, dat zij aan de natuur, en aan het doel hunner bestemming op eene veel volmaakter wijze weten te voldoen, dan vele anderen. Want, even als Horatius ons vertelt, dat er zekere menschelijke wezens zijn,

„Fruges consumere nati,”

„geboren om de vruchten der aarde te gebruiken,” zoo twijfel ik ook niet dat er anderen zijn,

„Feras consumere nati,”

„geboren om de wilde dieren,” of gelijk men gewoonlijk zegt, „het wild” op te eten, en niemand zal, denkelijk, ontkennen, dat dergelijke landjonkers deze hunne bestemming bereiken.

De kleine Jones ging dan op zekeren dag met dezen jager er op uit,—en een vlugt patrijzen, die opvloog bij de grenzen van die bezittingen over welke het noodlot, om de wijze bedoelingen der natuur te vervullen, een dergelijken wild-etenden mensch gesteld had, ging weer liggen, gelijk men zegt, en zooals de twee jagers zagen, onder eenige boomstruiken, zoowat een paar honderd pas aan gene zijde van de grenzen der landerijen van den heer Allworthy.

De heer Allworthy had zijn jager bevolen, op straf van ontslagen te worden, nooit bij iemand zijner buren te stroopen;—bij die welke minder streng waren op dat punt evenmin als bij den heer in kwestie. Ten opzigte van anderen werden deze voorschriften niet altijd zeer stipt opgevolgd; daar echter het karakter van den heer bij wien de vogels nu toevlugt gezocht hadden, wel bekend was, had de jager tot dusver nooit gewaagd diens gebied te betreden. Hij zou het ook nu wel gelaten hebben, als de jongere jager, die buitengewoon driftig was in het vervolgen van het wild, hem niet overgehaald had; daar echter Jones hem niet losliet,[92]gaf de andere, die zelf gaarne schieten wilde, aan zijne verzoeken gehoor, overschreed de grenzen en schoot een der vogels.

De heer van de plaats, die zelf in de nabijheid te paard reed, hoorde het schot, ijldeonmiddellijknaar de plaats toe en ontdekte den armen Tom; want de jager was midden in de digtste struiken gesprongen, waar hij zich gelukkig wist te verbergen.

De heer onderzocht den jongen, en de patrijs bij hem vindende, zwoer hij, dat hij zich wraak zou verschaffen en den heer Allworthy van de zaak kennis geven.

Hij hield ookonmiddellijkwoord, want hij reed naar het huis en klaagde over dit stroopen op zijne jagt in even bittere woorden en even ernstig, alsof men in zijn huis ingebroken en de kostbaarste meubelen er uit gehaald had. Hij voegde er bij, dat de jongen iemand anders bij zich had moeten hebben, want dat hij twee schoten bijna op hetzelfde oogenblik gehoord had. „En,” voegde hij er bij, „ik heb slechts dezen éénen vogel gevonden, maar de hemel weet, hoeveel kwaad zij gedaan hebben!”

Bij zijne tehuiskomst werd Tom dadelijk bij den heer Allworthy geroepen. Hij bekende het feit, en bragt geene andere verontschuldiging in, dan wat wezenlijk waar was, dat de patrijzen eerst op de jagt van den heer Allworthy zelven opgevlogen waren.

Toen werd hem gevraagd, wien hij bij zich had gehad, wat de heer Allworthy verklaarde, stellig te willen weten, den beschuldigde opmerkzaam makende op de twee schoten, die gehoord werden én door den heer én door zijne beide bedienden; maar Tom hield vol met stoutweg te beweren, dat hij alleen was geweest; hoewel hij, om de waarheid te zeggen, in het begin aarzelde, wat de heer Allworthy in zijn geloof bevestigd zou hebben, als hij getwijfeld had aan hetgeen zijn buurman en de knechts verklaard hadden.

Daar de jager een verdacht persoon was, zond men nu om hem, en ook hij werd ondervraagd; daar hij echter vast vertrouwde op Tom’s belofte om alle schuld op zich te nemen, loochende hij zeer standvastig, dat hij in gezelschap van den jongen heer geweest was, of dat hij hem zelfs dien namiddag gezien had.[93]

De heer Allworthy, wiens gelaat buitengewoon toornig was, wendde zich nu tot Tom en vermaande hem alles te bekennen, daar hij besloten had alles te weten. De jongen echter bleef bij zijn besluit en werd door den hevig vertoornden Allworthy weggezonden, die hem zeide, dat hij zich bedenken kon tot den volgenden morgen, als wanneer hij door iemand anders en op eene geheel andere wijze ondervraagd zou worden.

De arme Jones bragt een zeer droevigen nacht door,—te meer omdat hij zijn gewonen makker miste, daar de jonge heer Blifil met zijne moeder uit logeren was. Vrees voor de straf, die hem bedreigde, was zijne minste kwelling zijne hoofdzorg was de angst, dat zijne standvastigheid bezwijken mogt, en dat hij den jager verraden zou, die, gelijk hij wist, daardoor te grond gerigt zou worden.

De jager bragt ook geen gelukkigen tijd door. Hij koesterde dezelfde vrees als de jongen, en vreesde meer diens woord van eer dan zijne beenderen te zien breken.

Des morgens, toen Tom bij den eerwaarden heer Thwackum verscheen, den persoon aan wien de heer Allworthy de opvoeding der beide jongens toevertrouwd had, werden hem, door dien heer, dezelfde vragen gedaan als den vorigen avond, waarop hij ook dezelfde antwoorden gaf. Het gevolg was zulk eene strenge ligchamelijke kastijding, dat die welligt weinig onderdeed voor de folteringen, waaraan, in sommige landen, de beschuldigden onderworpen worden, om hen tot bekentenis te brengen.

Tom droeg de straf met de meeste standvastigheid, en hoewel de meester hem met elken slag vroeg of hij nog niet bekennen wilde, verkoos hij liever zich levend te laten villen, dan zijn vriend te verraden, of zijn gegeven woord te breken.

De jager was nu van zijn angst bevrijd en de heer Allworthy zelf begon wroeging te gevoelen over Tom’s lijden; want behalve dat de heer Thwackum, die zeer boos was, dat hij niet in staat was den jongen alles te laten zeggen, wat hem goed dunkte, veel strenger was geweest dan de goede Allworthy bedoeld had, begon deze nu te veronderstellen, dat zijn buurman zich vergist had, wat zijne groote drift en toorn niet onwaarschijnlijk maakte, en ten opzigte[94]van hetgeen de knechts gezegd hadden, om het berigt van hun meester te bevestigen, daar hechtte hij niet veel waarde aan.

Omdat nu wreedheid en onregtvaardigheid twee denkbeelden waren, welke het den heer Allworthy onmogelijk viel zelfs voor één oogenblik te verdragen, zond hij om Tom en na vele zachte en liefderijke vermaningen, zeide hij: „Ik ben overtuigd, kindlief, dat ik u verkeerd verdacht hield;—het spijt me dus dat gij om deze zaak zoo streng gestraft wordt.”

En hij eindigde met hem een hitje te schenken, ter vergoeding, met herhaling van zijn leedwezen over het gebeurde. Tom verweet zich nu zijne schuld veel heviger dan hij ooit zou gedaan hebben, na de grootste gestrengheid. Het was hem gemakkelijker gevallen de stokslagen van Thwackum dan de goedheid van Allworthy te verdragen. Hij barstte in tranen uit, wierp zich op de knieën en riep:

„O, mijnheer! Gij zijt te goed voor mij! Wezenlijk! wezenlijk, ik verdien zoo iets niet!”

En op dat oogenblik zou hij haast uit de volheid van zijn hart het geheim verklapt hebben, zoo de beschermgeest van den jager hem niet ingefluisterd had, welke gevolgen dat hebben kon voor dien armen mensch, en deze bedenkingen hem geen slot op de lippen gelegd hadden.

Thwackum deed zijn best om Allworthy te beletten eenig medelijden of vriendelijkheid jegens den jongen aan den dag te leggen, zeggende: „Hij heeft eene onwaarheid vol gehouden,”—tegelijk met eenige wenken, dat eene tweede kastijding welligt de zaak aan het licht zou brengen.

Maar de heer Allworthy weigerde bepaaldelijk tot deze proef overtegaan. Hij zeide dat de jongen reeds genoeg geleden had voor het verbergen der waarheid, zelfs als hij schuldig was, aangezien hij geene andere reden daartoe kon hebben dan een verkeerd begrip van eer.

„Eer!” riep Thwackum, met eenige drift; „niets dan koppigheid en eigenwaan! kan de eer iemand er toe brengen een leugen te vertellen, of kan er eer bestaan zonder godsdienst?”

Dit gesprek had plaats aan tafel, dadelijk na het eten, en in tegenwoordigheid van den heer Allworthy, den heer[95]Thwackum, en een derden heer, die nu deel aan het dispuut nam, en dien wij kortelings aan den lezer bekend willen maken eer wij verder gaan.

[Inhoud]Hoofdstuk III.Het karakter van den wijsgeer Square en van den heer Thwackum, den godgeleerde, met een dispuut over—.De naam van dezen heer, die sedert eenigen tijd bij den heer Allworthy inwoonde, was Square. De gaven, welke hij van de natuur ontvangen had, waren niet zeer groot, maar hij had ze ontwikkeld door eene wetenschappelijke opvoeding. Hij was zeer belezen in de oude letterkunde, en vooral zeer op de hoogte van al de werken van Plato en Aristoteles, naar welke groote voorbeelden hij zich voornamelijk gevormd had,—soms de gevoelens van den een, en soms weder die van den andere volgende. In zijne zedeleer hield hij het met Plato; in de godsdienst helde hij tot de gevoelens van Aristoteles over.Maar hoewel hij, zooals gezegd is, zijne voorbeelden nam uit de Platonische school, was hij het volmaakt eens met het gevoelen van Aristoteles, als die een groot man eerder beschouwt als een wijsgeer, of speculatieven geest, dan als een wetgever. Dit gevoelen dreef hij zeer ver;—zelfs zoo ver, dat hij alle deugd slechts beschouwde als theorie. ’t Is waar, dat hij dit nooit tegen iemand beweerde, voor zoo ver ik weet, maar met een oog op zijn gedrag, kan ik niet nalaten te denken dat het zijn wezenlijk gevoelen was, waardoor ook eenige, anders schijnbare tegenstrijdigheden in zijn karakter best verklaard worden.Deze mijnheer en de heer Thwackum ontmoetten elkaar haast nooit zonder te twisten, daar hunne leerstellingen inderdaad lijnregt tegenover elkaar stonden. Square hield de menschelijke natuur voor de volmaaktheid der deugd, en beschouwde de ondeugd als eene afwijking van de natuur, te vergelijken bij ligchamelijke mismaaktheid. Thwackum integendeel, beweerde, dat de menschelijke geest, sedert[96]Adams val, niets was dan een vat vol boosheid, tot het gezuiverd en weder gered werd door de goddelijke genade. Slechts op één punt waren zij het eens, en dat was, nooit in hunne wijsgeerige gesprekken van „het goede” te spreken. De geliefkoosde spreekwijze van den eerste was: „de natuurlijke schoonheid der deugd;” van den laatste: „de goddelijke magt der genade.”De eene beoordeelde alle handelingen volgens de onveranderlijke wetten van het regt en de eeuwige orde der dingen; de andere besliste alles volgens „de autoriteiten;” maar hierin gebruikte hij steeds de schrift en hare uitleggers, even als een regtsgeleerde doet met zijne wetboeken, wanneer de commentarie beschouwd wordt niet minder gezag te hebben dan de tekst.Na deze korte inleiding, zal de lezer de goedheid hebben zich te herinneren, dat de geestelijke geëindigd was met de zegevierende vraag, welke, naar hij meende, geene tegenspraak te vreezen had:„Kan er eenige eer zijn, zonder godsdienst?”Hierop hernam Square, dat het onmogelijk was wijsgeerig over de woorden te praten, eer hunne juiste beteekenis bepaald was; dat er naauwelijks twee woorden bestonden, die meer onbepaald en onzeker van beteekenis waren dan de twee, welke hij pas gebruikt had, want dat er bijna evenveel begrippen van eer als van godsdienst bestonden.„Maar,” vervolgde hij, „als gij door eer de ware natuurlijke schoonheid der deugd verstaat, dan houd ik vol, dat die bestaan kan zonder eenige godsdienst hoegenaamd. Ja,” voegde hij er bij, „gij zult zelf bekennen, dat ze bestaan kan onafhankelijk van alle godsdiensten, op ééne na;—en dat zal eveneens de mohammedaan, de jood, en met één woord iedere volgeling van iedere sekte ter wereld doen.”Thwackum hernam dat dit redeneren was op de wijze van alle kwaadaardige vijanden van de eenige kerk. Hij zeide, er niet aan te twijfelen, dat alle ketters en heidenen ter wereld, de eer, als zij er maar kans toe zagen, beperken zouden tot hunne eigene bespottelijke dwalingen en verfoeijelijke bedriegerijen; „maar,” ging hij voort, „daarom is de eer niet veelsoortig, omdat zoo vele ongerijmde denkbeelden[97]daarvan bestaan; en de godsdienst kan toch maar één zijn, in weerwil van alle sekten en ketters ter wereld; als ik van godsdienst spreek, dan bedoel ik de christelijke godsdienst, en niet slechts de christelijke godsdienst, maar ook de protestantsche godsdienst, en niet slechts de protestantsche godsdienst, maar de kerk van Engeland. En als ik van eer spreek, bedoel ik die mate van goddelijke genade, die niet slechts bestaanbaar is met, maar die ook afhankelijk is van deze godsdienst, en geene andere eer. En te zeggen, dat die eer, welke ik bedoel, en die, naar ik meende, de eenige eer was, welke bedoeld kon worden, iemand veroorloven kan niet alleen eene onwaarheid te zeggen, maar hem dit zelfs tot pligt maakt, is eene ongerijmdheid, te stuitend om begrepen te worden.”„Ik vermeed voorbedachtelijk,” hernam Square, „eene gevolgtrekking te maken, die, naar het me toescheen, blijkbaar was uit hetgeen ik zeide; maar als gij die opgemerkt hebt, is het zeker, dat gij niet getracht hebt ze te weêrleggen. Maar, om de kwestie van godsdienst daar te laten, geloof ik, dat het duidelijk blijkt uit uwe woorden, dat wij verschillende begrippen omtrent de eer koesteren;—of hoe komt het dat wij het niet eens zijn in de verklaring daarvan? Ik heb beweerd, dat de ware eer en de ware deugd bijna synoniemen zijn, en dat beide gegrond zijn op de onveranderlijke wetten van het regt en van de eeuwige orde der dingen;—en daar eene onwaarheid bepaaldelijk daarmede tegenstrijdig en vijandig is, is het ook zeker, dat de ware eer geene onwaarheid goedkeuren kan. Hierin geloof ik dus dat wij het beide eens zijn; maar dat men zou willen volhouden, dat deze eer gegrond kan zijn op de godsdienst, hoewel zij ouder is dan deze, indien men door godsdienst eenige stellige wet bedoelt,—”„Ik het met u eens!” riep Thwackum, met veel drift, „en dat met iemand, die durft te beweren dat de eer ouder is dan de godsdienst!—mijnheer Allworthy, ik beroep me op u,—heb ik toegestemd—?”Hij wilde voortgaan, toen de heer Allworthy hem in de rede viel en zeer bedaard zeide, dat zij hem beide verkeerd begrepen hadden; want dat hij van waar eergevoel niet gesproken had.—Het is echter mogelijk dat hij de[98]twistenden niet gemakkelijk tot bedaren gebragt zou hebben, daar beide even driftig waren geworden, als er niet iets anders tusschenbeide gekomen ware, dat voor het oogenblik voor goed een einde maakte aan het gesprek.

Hoofdstuk III.Het karakter van den wijsgeer Square en van den heer Thwackum, den godgeleerde, met een dispuut over—.

De naam van dezen heer, die sedert eenigen tijd bij den heer Allworthy inwoonde, was Square. De gaven, welke hij van de natuur ontvangen had, waren niet zeer groot, maar hij had ze ontwikkeld door eene wetenschappelijke opvoeding. Hij was zeer belezen in de oude letterkunde, en vooral zeer op de hoogte van al de werken van Plato en Aristoteles, naar welke groote voorbeelden hij zich voornamelijk gevormd had,—soms de gevoelens van den een, en soms weder die van den andere volgende. In zijne zedeleer hield hij het met Plato; in de godsdienst helde hij tot de gevoelens van Aristoteles over.Maar hoewel hij, zooals gezegd is, zijne voorbeelden nam uit de Platonische school, was hij het volmaakt eens met het gevoelen van Aristoteles, als die een groot man eerder beschouwt als een wijsgeer, of speculatieven geest, dan als een wetgever. Dit gevoelen dreef hij zeer ver;—zelfs zoo ver, dat hij alle deugd slechts beschouwde als theorie. ’t Is waar, dat hij dit nooit tegen iemand beweerde, voor zoo ver ik weet, maar met een oog op zijn gedrag, kan ik niet nalaten te denken dat het zijn wezenlijk gevoelen was, waardoor ook eenige, anders schijnbare tegenstrijdigheden in zijn karakter best verklaard worden.Deze mijnheer en de heer Thwackum ontmoetten elkaar haast nooit zonder te twisten, daar hunne leerstellingen inderdaad lijnregt tegenover elkaar stonden. Square hield de menschelijke natuur voor de volmaaktheid der deugd, en beschouwde de ondeugd als eene afwijking van de natuur, te vergelijken bij ligchamelijke mismaaktheid. Thwackum integendeel, beweerde, dat de menschelijke geest, sedert[96]Adams val, niets was dan een vat vol boosheid, tot het gezuiverd en weder gered werd door de goddelijke genade. Slechts op één punt waren zij het eens, en dat was, nooit in hunne wijsgeerige gesprekken van „het goede” te spreken. De geliefkoosde spreekwijze van den eerste was: „de natuurlijke schoonheid der deugd;” van den laatste: „de goddelijke magt der genade.”De eene beoordeelde alle handelingen volgens de onveranderlijke wetten van het regt en de eeuwige orde der dingen; de andere besliste alles volgens „de autoriteiten;” maar hierin gebruikte hij steeds de schrift en hare uitleggers, even als een regtsgeleerde doet met zijne wetboeken, wanneer de commentarie beschouwd wordt niet minder gezag te hebben dan de tekst.Na deze korte inleiding, zal de lezer de goedheid hebben zich te herinneren, dat de geestelijke geëindigd was met de zegevierende vraag, welke, naar hij meende, geene tegenspraak te vreezen had:„Kan er eenige eer zijn, zonder godsdienst?”Hierop hernam Square, dat het onmogelijk was wijsgeerig over de woorden te praten, eer hunne juiste beteekenis bepaald was; dat er naauwelijks twee woorden bestonden, die meer onbepaald en onzeker van beteekenis waren dan de twee, welke hij pas gebruikt had, want dat er bijna evenveel begrippen van eer als van godsdienst bestonden.„Maar,” vervolgde hij, „als gij door eer de ware natuurlijke schoonheid der deugd verstaat, dan houd ik vol, dat die bestaan kan zonder eenige godsdienst hoegenaamd. Ja,” voegde hij er bij, „gij zult zelf bekennen, dat ze bestaan kan onafhankelijk van alle godsdiensten, op ééne na;—en dat zal eveneens de mohammedaan, de jood, en met één woord iedere volgeling van iedere sekte ter wereld doen.”Thwackum hernam dat dit redeneren was op de wijze van alle kwaadaardige vijanden van de eenige kerk. Hij zeide, er niet aan te twijfelen, dat alle ketters en heidenen ter wereld, de eer, als zij er maar kans toe zagen, beperken zouden tot hunne eigene bespottelijke dwalingen en verfoeijelijke bedriegerijen; „maar,” ging hij voort, „daarom is de eer niet veelsoortig, omdat zoo vele ongerijmde denkbeelden[97]daarvan bestaan; en de godsdienst kan toch maar één zijn, in weerwil van alle sekten en ketters ter wereld; als ik van godsdienst spreek, dan bedoel ik de christelijke godsdienst, en niet slechts de christelijke godsdienst, maar ook de protestantsche godsdienst, en niet slechts de protestantsche godsdienst, maar de kerk van Engeland. En als ik van eer spreek, bedoel ik die mate van goddelijke genade, die niet slechts bestaanbaar is met, maar die ook afhankelijk is van deze godsdienst, en geene andere eer. En te zeggen, dat die eer, welke ik bedoel, en die, naar ik meende, de eenige eer was, welke bedoeld kon worden, iemand veroorloven kan niet alleen eene onwaarheid te zeggen, maar hem dit zelfs tot pligt maakt, is eene ongerijmdheid, te stuitend om begrepen te worden.”„Ik vermeed voorbedachtelijk,” hernam Square, „eene gevolgtrekking te maken, die, naar het me toescheen, blijkbaar was uit hetgeen ik zeide; maar als gij die opgemerkt hebt, is het zeker, dat gij niet getracht hebt ze te weêrleggen. Maar, om de kwestie van godsdienst daar te laten, geloof ik, dat het duidelijk blijkt uit uwe woorden, dat wij verschillende begrippen omtrent de eer koesteren;—of hoe komt het dat wij het niet eens zijn in de verklaring daarvan? Ik heb beweerd, dat de ware eer en de ware deugd bijna synoniemen zijn, en dat beide gegrond zijn op de onveranderlijke wetten van het regt en van de eeuwige orde der dingen;—en daar eene onwaarheid bepaaldelijk daarmede tegenstrijdig en vijandig is, is het ook zeker, dat de ware eer geene onwaarheid goedkeuren kan. Hierin geloof ik dus dat wij het beide eens zijn; maar dat men zou willen volhouden, dat deze eer gegrond kan zijn op de godsdienst, hoewel zij ouder is dan deze, indien men door godsdienst eenige stellige wet bedoelt,—”„Ik het met u eens!” riep Thwackum, met veel drift, „en dat met iemand, die durft te beweren dat de eer ouder is dan de godsdienst!—mijnheer Allworthy, ik beroep me op u,—heb ik toegestemd—?”Hij wilde voortgaan, toen de heer Allworthy hem in de rede viel en zeer bedaard zeide, dat zij hem beide verkeerd begrepen hadden; want dat hij van waar eergevoel niet gesproken had.—Het is echter mogelijk dat hij de[98]twistenden niet gemakkelijk tot bedaren gebragt zou hebben, daar beide even driftig waren geworden, als er niet iets anders tusschenbeide gekomen ware, dat voor het oogenblik voor goed een einde maakte aan het gesprek.

De naam van dezen heer, die sedert eenigen tijd bij den heer Allworthy inwoonde, was Square. De gaven, welke hij van de natuur ontvangen had, waren niet zeer groot, maar hij had ze ontwikkeld door eene wetenschappelijke opvoeding. Hij was zeer belezen in de oude letterkunde, en vooral zeer op de hoogte van al de werken van Plato en Aristoteles, naar welke groote voorbeelden hij zich voornamelijk gevormd had,—soms de gevoelens van den een, en soms weder die van den andere volgende. In zijne zedeleer hield hij het met Plato; in de godsdienst helde hij tot de gevoelens van Aristoteles over.

Maar hoewel hij, zooals gezegd is, zijne voorbeelden nam uit de Platonische school, was hij het volmaakt eens met het gevoelen van Aristoteles, als die een groot man eerder beschouwt als een wijsgeer, of speculatieven geest, dan als een wetgever. Dit gevoelen dreef hij zeer ver;—zelfs zoo ver, dat hij alle deugd slechts beschouwde als theorie. ’t Is waar, dat hij dit nooit tegen iemand beweerde, voor zoo ver ik weet, maar met een oog op zijn gedrag, kan ik niet nalaten te denken dat het zijn wezenlijk gevoelen was, waardoor ook eenige, anders schijnbare tegenstrijdigheden in zijn karakter best verklaard worden.

Deze mijnheer en de heer Thwackum ontmoetten elkaar haast nooit zonder te twisten, daar hunne leerstellingen inderdaad lijnregt tegenover elkaar stonden. Square hield de menschelijke natuur voor de volmaaktheid der deugd, en beschouwde de ondeugd als eene afwijking van de natuur, te vergelijken bij ligchamelijke mismaaktheid. Thwackum integendeel, beweerde, dat de menschelijke geest, sedert[96]Adams val, niets was dan een vat vol boosheid, tot het gezuiverd en weder gered werd door de goddelijke genade. Slechts op één punt waren zij het eens, en dat was, nooit in hunne wijsgeerige gesprekken van „het goede” te spreken. De geliefkoosde spreekwijze van den eerste was: „de natuurlijke schoonheid der deugd;” van den laatste: „de goddelijke magt der genade.”

De eene beoordeelde alle handelingen volgens de onveranderlijke wetten van het regt en de eeuwige orde der dingen; de andere besliste alles volgens „de autoriteiten;” maar hierin gebruikte hij steeds de schrift en hare uitleggers, even als een regtsgeleerde doet met zijne wetboeken, wanneer de commentarie beschouwd wordt niet minder gezag te hebben dan de tekst.

Na deze korte inleiding, zal de lezer de goedheid hebben zich te herinneren, dat de geestelijke geëindigd was met de zegevierende vraag, welke, naar hij meende, geene tegenspraak te vreezen had:

„Kan er eenige eer zijn, zonder godsdienst?”

Hierop hernam Square, dat het onmogelijk was wijsgeerig over de woorden te praten, eer hunne juiste beteekenis bepaald was; dat er naauwelijks twee woorden bestonden, die meer onbepaald en onzeker van beteekenis waren dan de twee, welke hij pas gebruikt had, want dat er bijna evenveel begrippen van eer als van godsdienst bestonden.

„Maar,” vervolgde hij, „als gij door eer de ware natuurlijke schoonheid der deugd verstaat, dan houd ik vol, dat die bestaan kan zonder eenige godsdienst hoegenaamd. Ja,” voegde hij er bij, „gij zult zelf bekennen, dat ze bestaan kan onafhankelijk van alle godsdiensten, op ééne na;—en dat zal eveneens de mohammedaan, de jood, en met één woord iedere volgeling van iedere sekte ter wereld doen.”

Thwackum hernam dat dit redeneren was op de wijze van alle kwaadaardige vijanden van de eenige kerk. Hij zeide, er niet aan te twijfelen, dat alle ketters en heidenen ter wereld, de eer, als zij er maar kans toe zagen, beperken zouden tot hunne eigene bespottelijke dwalingen en verfoeijelijke bedriegerijen; „maar,” ging hij voort, „daarom is de eer niet veelsoortig, omdat zoo vele ongerijmde denkbeelden[97]daarvan bestaan; en de godsdienst kan toch maar één zijn, in weerwil van alle sekten en ketters ter wereld; als ik van godsdienst spreek, dan bedoel ik de christelijke godsdienst, en niet slechts de christelijke godsdienst, maar ook de protestantsche godsdienst, en niet slechts de protestantsche godsdienst, maar de kerk van Engeland. En als ik van eer spreek, bedoel ik die mate van goddelijke genade, die niet slechts bestaanbaar is met, maar die ook afhankelijk is van deze godsdienst, en geene andere eer. En te zeggen, dat die eer, welke ik bedoel, en die, naar ik meende, de eenige eer was, welke bedoeld kon worden, iemand veroorloven kan niet alleen eene onwaarheid te zeggen, maar hem dit zelfs tot pligt maakt, is eene ongerijmdheid, te stuitend om begrepen te worden.”

„Ik vermeed voorbedachtelijk,” hernam Square, „eene gevolgtrekking te maken, die, naar het me toescheen, blijkbaar was uit hetgeen ik zeide; maar als gij die opgemerkt hebt, is het zeker, dat gij niet getracht hebt ze te weêrleggen. Maar, om de kwestie van godsdienst daar te laten, geloof ik, dat het duidelijk blijkt uit uwe woorden, dat wij verschillende begrippen omtrent de eer koesteren;—of hoe komt het dat wij het niet eens zijn in de verklaring daarvan? Ik heb beweerd, dat de ware eer en de ware deugd bijna synoniemen zijn, en dat beide gegrond zijn op de onveranderlijke wetten van het regt en van de eeuwige orde der dingen;—en daar eene onwaarheid bepaaldelijk daarmede tegenstrijdig en vijandig is, is het ook zeker, dat de ware eer geene onwaarheid goedkeuren kan. Hierin geloof ik dus dat wij het beide eens zijn; maar dat men zou willen volhouden, dat deze eer gegrond kan zijn op de godsdienst, hoewel zij ouder is dan deze, indien men door godsdienst eenige stellige wet bedoelt,—”

„Ik het met u eens!” riep Thwackum, met veel drift, „en dat met iemand, die durft te beweren dat de eer ouder is dan de godsdienst!—mijnheer Allworthy, ik beroep me op u,—heb ik toegestemd—?”

Hij wilde voortgaan, toen de heer Allworthy hem in de rede viel en zeer bedaard zeide, dat zij hem beide verkeerd begrepen hadden; want dat hij van waar eergevoel niet gesproken had.—Het is echter mogelijk dat hij de[98]twistenden niet gemakkelijk tot bedaren gebragt zou hebben, daar beide even driftig waren geworden, als er niet iets anders tusschenbeide gekomen ware, dat voor het oogenblik voor goed een einde maakte aan het gesprek.

[Inhoud]Hoofdstuk IV.Bevattende eene noodzakelijke verontschuldiging voor den schrijver en eene kinderachtige gebeurtenis, welke welligt ook eene verontschuldiging eischt.Eer ik verder ga, moet ik de vrijheid nemen elke verkeerde uitlegging te voorkomen, waartoe de ijver van sommige lezers hen welligt verleiden kon; want ik wenschte volstrekt niet wien ook te grieven,—vooral niet dezulken die voor de deugd of de godsdienst ijveren.Ik hoop dus dat niemand door een grof misverstand, of verkeerde opvatting mijner bedoeling, mij ten onregte beschuldigen zal van een streven om de grootste volmaaktheden waarvoor de menschelijke natuur vatbaar is, bespottelijk te maken;—daar juist die alleen in staat zijn het hart te zuiveren en te veredelen en den mensch boven het dier te verheffen. Neen, ik waag het, de verzekering aan den lezer te geven (en hoe beter mensch hij is, des te gemakkelijker zal hij mij kunnen gelooven), dat ik liever dan aan één dier heerlijke dingen afbreuk te doen, de gevoelens van de twee menschen in kwestie gaarne voor eeuwig aan de vergetelheid zou ten prijs gegeven hebben.Integendeel: het was met het oogmerk om deugd en godsdienst te bevorderen, dat ik op me nam het leven en de handelingen van twee harer valsche en gewaande voorvechters te beschrijven. Een verraderlijke vriend is de gevaarlijkste vijand; en ik vrees niet te verklaren, dat beide, godsdienst en deugd, wezenlijk meer benadeeld zijn door huichelaren, dan door de geestigste losbollen en ongeloovigen. Ja zelfs, even als deugd en godsdienst, als ze zuiver zijn, met regt genoemd worden de band der burgerlijke maatschappij, en inderdaad de grootste der zegeningen[99]zijn, zoo zijn ze ook, wanneer ze verpest of bedorven worden door bedrog schijn, en uitwendig vertoon, de ergste vloeken onzer zamenleving, die den mensch er toe gebragt hebben om zijn eigen geslacht op de wreedaardigste wijze, sedert onheugelijke tijden, te kwellen.Ik twijfel ook niet of men zal over het algemeen mijne satire wel begrijpen; mijne voornaamste vrees blijft echter, dat, daar er onder hetgeen die beide personen spraken, veel juists en waars was, men het een met het ander verwarren zal, en zich verbeelden dat ik alles tegelijk wilde bespotten. De lezer moge echter bedenken, dat daar deze twee mannen volstrekt niet dom waren, men ook niet veronderstellen kon, dat zij niets dan verkeerde grondbeginselen voorstonden, of niets dan ongerijmdheden uitten. Ik zou hen dus zeer onjuist voorgesteld hebben, als ik niets dan het slechte uit hunne gesprekken uitgezocht had,—terwijl hunne redeneringen ook verschrikkelijk ellendig en verminkt zouden geschenen hebben.Over het algemeen dus, worden noch godsdienst noch deugd, maar het gebrek aan beide ten toon gesteld. Als Thwackum de deugd en Square de godsdienst niet te zeer verwaarloosd had, ten einde hunne verschillende stelsels te schragen, en als beide niet heel en al alles wat aangeborene goedheid van harte genoemd mag worden verloochend hadden, dan zouden zij nooit bespot zijn geworden in de geschiedenis, waarmede ik nu voortga.De zaak dan, die een einde maakte aan het dispuut in het vorige hoofdstuk vermeld, was niets minder dan een twist tusschen den jongen heer Blifil en Tom Jones, waarvan het gevolg was dat de eerste een stomp kreeg, die hem den neus aan het bloeden bragt; want ofschoon de jonge heer Blifil, hoewel de jongere, toch de grootste van beide was, was Tom veel bedrevener dan hij in de edele box-kunst.Tom echter vermeed voorzigtig alle twisten met den anderen jongen, want in weerwil van zijne schelmen-streken, was hij wezenlijk een goedaardige jongen en hield werkelijk veel van Blifil, terwijl de gedachte ook dat deze den heer Thwackum altijd in den rug had, genoeg zou geweest zijn om hem tot den vrede te stemmen.Maar zekere schrijver heeft met regt gezegd, dat geen sterveling[100]ten allen tijde wijs is;—geen wonder dan dit ook het geval is met een jongen.Bij een verschil, dat onder het spelen tusschen de jongens ontstond, noemde de jonge heer Blifil Tom een bastaard, waarop deze, die eenigzins driftig van aard was,onmiddellijkden anderen, op de wijze welke wij reeds vermeld hebben, het gezigt teekende.De jonge heer Blifil nu, terwijl het bloed stroomde van zijn neus en de tranen uit zijne oogen het naliepen, verscheen voor zijn oom en den ontzagwekkenden Thwackum. Voor deze regtbank werd nu eene klagt ingediend wegens ligchamelijke beleediging en feitelijke mishandeling tegen Tom, die ter zijner verontschuldiging alleen de provocatie kon aanvoeren,—wat het eenige punt was dat de jonge heer Blifil in zijn verhaal van de zaak uitgelaten had.Het is echter mogelijk, dat deze omstandigheid door hem vergeten was; want in zijn antwoord hield hij stellig vol dat hij dien scheldnaam niet gebruikt had, er bijvoegende, „De Hemel verhoede, dat hij ooit gebruik zou maken van zulke ondeugende woorden.”Tom, hoewel zulks tegen alle vormen streed, repliceerde en betuigde de waarheid gezegd te hebben.Hierop riep de jonge heer Blifil uit, dat dit hem volstrekt niet verwonderde, „want iemand, die eens een leugen verteld heeft, zal wel tot een tweeden komen. Als ik mijn meester zoo voorgelogen had als gij, dan zou ik hem niet meer durven aanzien.”„Welke onwaarheid bedoelt ge, kind?” vroeg Thwackum, met eenige drift.„Wel! Hij vertelde u, dat er niemand met hem op de jagt was, toen hij die patrijs schoot; maar hij weet heel goed” (en hier barstte hij in tranen uit), „ja, hij weet best, want hij heeft het me zelf bekend, dat de Zwarte George, de jager, bij hem was! Ja, hij zeide zelfs,—ja, dat hebt ge gedaan!—dat kunt ge niet loochenen,—„dat ge de waarheid niet bekend zoudt hebben, al had men u dood geslagen!””Hier schoot het vuur uit Thwackum’s oogen en hij riep zegevierend uit:„O! Zie zoo! Dit heet dus een verkeerd begrip van eer![101]Dit is de jongen, die niet meer gekastijd mogt worden!”Maar de heer Allworthy wendde zich met meerdere vriendelijkheid tot den knaap en zeide:„Is dit waar, kind? Hoe kwaamt ge er toe zoo stijfhoofdig de onwaarheid vol te houden?”Tom zeide, „dat niemand meer dan hij een leugen verachtte; maar dat hij zich door de eer verpligt rekende te handelen zooals hij gedaan had; want hij had den armen jager beloofd diens schuld geheim te houden, waartoe,” voegde hij er bij, „hij zich te meer verpligt rekende, omdat de jager hem gesmeekt had de grenzen niet te overschrijden en eindelijk alleen bezweken was ten gevolge van Tom’s volhouden.” Hij betuigde dat dit de geheele waarheid was, en eindigde met den heer Allworthy zeer hartstogtelijk te smeeken, medelijden met den armen man en zijn huisgezin te hebben, vooral daar hij, Tom, de eenige schuldige was, en de andere slechts met de grootste moeite overgehaald was geworden om hetgeen hij gedaan had te begaan. „Inderdaad, mijnheer,” zeide hij, „men kan naauwelijks volhouden dat ik een leugen vertelde; want de arme man was geheel onschuldig in deze zaak. Zonder hem, zou ik alleen de vogels vervolgd hebben;—ja, ik ging zelf eerst alleen, en hij volgde slechts om grooter kwaad te voorkomen. Ik bid u, mijnheer, laat mij maar straffen; neem het hitje weer weg,—maar om alles ter wereld, mijnheer, schenk den armen George uwe vergiffenis!”De heer Allworthy aarzelde eenige oogenblikken en zond toen de jongens weg, met den raad, om verder maar vriendschappelijk en vreedzaam te leven.

Hoofdstuk IV.Bevattende eene noodzakelijke verontschuldiging voor den schrijver en eene kinderachtige gebeurtenis, welke welligt ook eene verontschuldiging eischt.

Eer ik verder ga, moet ik de vrijheid nemen elke verkeerde uitlegging te voorkomen, waartoe de ijver van sommige lezers hen welligt verleiden kon; want ik wenschte volstrekt niet wien ook te grieven,—vooral niet dezulken die voor de deugd of de godsdienst ijveren.Ik hoop dus dat niemand door een grof misverstand, of verkeerde opvatting mijner bedoeling, mij ten onregte beschuldigen zal van een streven om de grootste volmaaktheden waarvoor de menschelijke natuur vatbaar is, bespottelijk te maken;—daar juist die alleen in staat zijn het hart te zuiveren en te veredelen en den mensch boven het dier te verheffen. Neen, ik waag het, de verzekering aan den lezer te geven (en hoe beter mensch hij is, des te gemakkelijker zal hij mij kunnen gelooven), dat ik liever dan aan één dier heerlijke dingen afbreuk te doen, de gevoelens van de twee menschen in kwestie gaarne voor eeuwig aan de vergetelheid zou ten prijs gegeven hebben.Integendeel: het was met het oogmerk om deugd en godsdienst te bevorderen, dat ik op me nam het leven en de handelingen van twee harer valsche en gewaande voorvechters te beschrijven. Een verraderlijke vriend is de gevaarlijkste vijand; en ik vrees niet te verklaren, dat beide, godsdienst en deugd, wezenlijk meer benadeeld zijn door huichelaren, dan door de geestigste losbollen en ongeloovigen. Ja zelfs, even als deugd en godsdienst, als ze zuiver zijn, met regt genoemd worden de band der burgerlijke maatschappij, en inderdaad de grootste der zegeningen[99]zijn, zoo zijn ze ook, wanneer ze verpest of bedorven worden door bedrog schijn, en uitwendig vertoon, de ergste vloeken onzer zamenleving, die den mensch er toe gebragt hebben om zijn eigen geslacht op de wreedaardigste wijze, sedert onheugelijke tijden, te kwellen.Ik twijfel ook niet of men zal over het algemeen mijne satire wel begrijpen; mijne voornaamste vrees blijft echter, dat, daar er onder hetgeen die beide personen spraken, veel juists en waars was, men het een met het ander verwarren zal, en zich verbeelden dat ik alles tegelijk wilde bespotten. De lezer moge echter bedenken, dat daar deze twee mannen volstrekt niet dom waren, men ook niet veronderstellen kon, dat zij niets dan verkeerde grondbeginselen voorstonden, of niets dan ongerijmdheden uitten. Ik zou hen dus zeer onjuist voorgesteld hebben, als ik niets dan het slechte uit hunne gesprekken uitgezocht had,—terwijl hunne redeneringen ook verschrikkelijk ellendig en verminkt zouden geschenen hebben.Over het algemeen dus, worden noch godsdienst noch deugd, maar het gebrek aan beide ten toon gesteld. Als Thwackum de deugd en Square de godsdienst niet te zeer verwaarloosd had, ten einde hunne verschillende stelsels te schragen, en als beide niet heel en al alles wat aangeborene goedheid van harte genoemd mag worden verloochend hadden, dan zouden zij nooit bespot zijn geworden in de geschiedenis, waarmede ik nu voortga.De zaak dan, die een einde maakte aan het dispuut in het vorige hoofdstuk vermeld, was niets minder dan een twist tusschen den jongen heer Blifil en Tom Jones, waarvan het gevolg was dat de eerste een stomp kreeg, die hem den neus aan het bloeden bragt; want ofschoon de jonge heer Blifil, hoewel de jongere, toch de grootste van beide was, was Tom veel bedrevener dan hij in de edele box-kunst.Tom echter vermeed voorzigtig alle twisten met den anderen jongen, want in weerwil van zijne schelmen-streken, was hij wezenlijk een goedaardige jongen en hield werkelijk veel van Blifil, terwijl de gedachte ook dat deze den heer Thwackum altijd in den rug had, genoeg zou geweest zijn om hem tot den vrede te stemmen.Maar zekere schrijver heeft met regt gezegd, dat geen sterveling[100]ten allen tijde wijs is;—geen wonder dan dit ook het geval is met een jongen.Bij een verschil, dat onder het spelen tusschen de jongens ontstond, noemde de jonge heer Blifil Tom een bastaard, waarop deze, die eenigzins driftig van aard was,onmiddellijkden anderen, op de wijze welke wij reeds vermeld hebben, het gezigt teekende.De jonge heer Blifil nu, terwijl het bloed stroomde van zijn neus en de tranen uit zijne oogen het naliepen, verscheen voor zijn oom en den ontzagwekkenden Thwackum. Voor deze regtbank werd nu eene klagt ingediend wegens ligchamelijke beleediging en feitelijke mishandeling tegen Tom, die ter zijner verontschuldiging alleen de provocatie kon aanvoeren,—wat het eenige punt was dat de jonge heer Blifil in zijn verhaal van de zaak uitgelaten had.Het is echter mogelijk, dat deze omstandigheid door hem vergeten was; want in zijn antwoord hield hij stellig vol dat hij dien scheldnaam niet gebruikt had, er bijvoegende, „De Hemel verhoede, dat hij ooit gebruik zou maken van zulke ondeugende woorden.”Tom, hoewel zulks tegen alle vormen streed, repliceerde en betuigde de waarheid gezegd te hebben.Hierop riep de jonge heer Blifil uit, dat dit hem volstrekt niet verwonderde, „want iemand, die eens een leugen verteld heeft, zal wel tot een tweeden komen. Als ik mijn meester zoo voorgelogen had als gij, dan zou ik hem niet meer durven aanzien.”„Welke onwaarheid bedoelt ge, kind?” vroeg Thwackum, met eenige drift.„Wel! Hij vertelde u, dat er niemand met hem op de jagt was, toen hij die patrijs schoot; maar hij weet heel goed” (en hier barstte hij in tranen uit), „ja, hij weet best, want hij heeft het me zelf bekend, dat de Zwarte George, de jager, bij hem was! Ja, hij zeide zelfs,—ja, dat hebt ge gedaan!—dat kunt ge niet loochenen,—„dat ge de waarheid niet bekend zoudt hebben, al had men u dood geslagen!””Hier schoot het vuur uit Thwackum’s oogen en hij riep zegevierend uit:„O! Zie zoo! Dit heet dus een verkeerd begrip van eer![101]Dit is de jongen, die niet meer gekastijd mogt worden!”Maar de heer Allworthy wendde zich met meerdere vriendelijkheid tot den knaap en zeide:„Is dit waar, kind? Hoe kwaamt ge er toe zoo stijfhoofdig de onwaarheid vol te houden?”Tom zeide, „dat niemand meer dan hij een leugen verachtte; maar dat hij zich door de eer verpligt rekende te handelen zooals hij gedaan had; want hij had den armen jager beloofd diens schuld geheim te houden, waartoe,” voegde hij er bij, „hij zich te meer verpligt rekende, omdat de jager hem gesmeekt had de grenzen niet te overschrijden en eindelijk alleen bezweken was ten gevolge van Tom’s volhouden.” Hij betuigde dat dit de geheele waarheid was, en eindigde met den heer Allworthy zeer hartstogtelijk te smeeken, medelijden met den armen man en zijn huisgezin te hebben, vooral daar hij, Tom, de eenige schuldige was, en de andere slechts met de grootste moeite overgehaald was geworden om hetgeen hij gedaan had te begaan. „Inderdaad, mijnheer,” zeide hij, „men kan naauwelijks volhouden dat ik een leugen vertelde; want de arme man was geheel onschuldig in deze zaak. Zonder hem, zou ik alleen de vogels vervolgd hebben;—ja, ik ging zelf eerst alleen, en hij volgde slechts om grooter kwaad te voorkomen. Ik bid u, mijnheer, laat mij maar straffen; neem het hitje weer weg,—maar om alles ter wereld, mijnheer, schenk den armen George uwe vergiffenis!”De heer Allworthy aarzelde eenige oogenblikken en zond toen de jongens weg, met den raad, om verder maar vriendschappelijk en vreedzaam te leven.

Eer ik verder ga, moet ik de vrijheid nemen elke verkeerde uitlegging te voorkomen, waartoe de ijver van sommige lezers hen welligt verleiden kon; want ik wenschte volstrekt niet wien ook te grieven,—vooral niet dezulken die voor de deugd of de godsdienst ijveren.

Ik hoop dus dat niemand door een grof misverstand, of verkeerde opvatting mijner bedoeling, mij ten onregte beschuldigen zal van een streven om de grootste volmaaktheden waarvoor de menschelijke natuur vatbaar is, bespottelijk te maken;—daar juist die alleen in staat zijn het hart te zuiveren en te veredelen en den mensch boven het dier te verheffen. Neen, ik waag het, de verzekering aan den lezer te geven (en hoe beter mensch hij is, des te gemakkelijker zal hij mij kunnen gelooven), dat ik liever dan aan één dier heerlijke dingen afbreuk te doen, de gevoelens van de twee menschen in kwestie gaarne voor eeuwig aan de vergetelheid zou ten prijs gegeven hebben.

Integendeel: het was met het oogmerk om deugd en godsdienst te bevorderen, dat ik op me nam het leven en de handelingen van twee harer valsche en gewaande voorvechters te beschrijven. Een verraderlijke vriend is de gevaarlijkste vijand; en ik vrees niet te verklaren, dat beide, godsdienst en deugd, wezenlijk meer benadeeld zijn door huichelaren, dan door de geestigste losbollen en ongeloovigen. Ja zelfs, even als deugd en godsdienst, als ze zuiver zijn, met regt genoemd worden de band der burgerlijke maatschappij, en inderdaad de grootste der zegeningen[99]zijn, zoo zijn ze ook, wanneer ze verpest of bedorven worden door bedrog schijn, en uitwendig vertoon, de ergste vloeken onzer zamenleving, die den mensch er toe gebragt hebben om zijn eigen geslacht op de wreedaardigste wijze, sedert onheugelijke tijden, te kwellen.

Ik twijfel ook niet of men zal over het algemeen mijne satire wel begrijpen; mijne voornaamste vrees blijft echter, dat, daar er onder hetgeen die beide personen spraken, veel juists en waars was, men het een met het ander verwarren zal, en zich verbeelden dat ik alles tegelijk wilde bespotten. De lezer moge echter bedenken, dat daar deze twee mannen volstrekt niet dom waren, men ook niet veronderstellen kon, dat zij niets dan verkeerde grondbeginselen voorstonden, of niets dan ongerijmdheden uitten. Ik zou hen dus zeer onjuist voorgesteld hebben, als ik niets dan het slechte uit hunne gesprekken uitgezocht had,—terwijl hunne redeneringen ook verschrikkelijk ellendig en verminkt zouden geschenen hebben.

Over het algemeen dus, worden noch godsdienst noch deugd, maar het gebrek aan beide ten toon gesteld. Als Thwackum de deugd en Square de godsdienst niet te zeer verwaarloosd had, ten einde hunne verschillende stelsels te schragen, en als beide niet heel en al alles wat aangeborene goedheid van harte genoemd mag worden verloochend hadden, dan zouden zij nooit bespot zijn geworden in de geschiedenis, waarmede ik nu voortga.

De zaak dan, die een einde maakte aan het dispuut in het vorige hoofdstuk vermeld, was niets minder dan een twist tusschen den jongen heer Blifil en Tom Jones, waarvan het gevolg was dat de eerste een stomp kreeg, die hem den neus aan het bloeden bragt; want ofschoon de jonge heer Blifil, hoewel de jongere, toch de grootste van beide was, was Tom veel bedrevener dan hij in de edele box-kunst.

Tom echter vermeed voorzigtig alle twisten met den anderen jongen, want in weerwil van zijne schelmen-streken, was hij wezenlijk een goedaardige jongen en hield werkelijk veel van Blifil, terwijl de gedachte ook dat deze den heer Thwackum altijd in den rug had, genoeg zou geweest zijn om hem tot den vrede te stemmen.

Maar zekere schrijver heeft met regt gezegd, dat geen sterveling[100]ten allen tijde wijs is;—geen wonder dan dit ook het geval is met een jongen.

Bij een verschil, dat onder het spelen tusschen de jongens ontstond, noemde de jonge heer Blifil Tom een bastaard, waarop deze, die eenigzins driftig van aard was,onmiddellijkden anderen, op de wijze welke wij reeds vermeld hebben, het gezigt teekende.

De jonge heer Blifil nu, terwijl het bloed stroomde van zijn neus en de tranen uit zijne oogen het naliepen, verscheen voor zijn oom en den ontzagwekkenden Thwackum. Voor deze regtbank werd nu eene klagt ingediend wegens ligchamelijke beleediging en feitelijke mishandeling tegen Tom, die ter zijner verontschuldiging alleen de provocatie kon aanvoeren,—wat het eenige punt was dat de jonge heer Blifil in zijn verhaal van de zaak uitgelaten had.

Het is echter mogelijk, dat deze omstandigheid door hem vergeten was; want in zijn antwoord hield hij stellig vol dat hij dien scheldnaam niet gebruikt had, er bijvoegende, „De Hemel verhoede, dat hij ooit gebruik zou maken van zulke ondeugende woorden.”

Tom, hoewel zulks tegen alle vormen streed, repliceerde en betuigde de waarheid gezegd te hebben.

Hierop riep de jonge heer Blifil uit, dat dit hem volstrekt niet verwonderde, „want iemand, die eens een leugen verteld heeft, zal wel tot een tweeden komen. Als ik mijn meester zoo voorgelogen had als gij, dan zou ik hem niet meer durven aanzien.”

„Welke onwaarheid bedoelt ge, kind?” vroeg Thwackum, met eenige drift.

„Wel! Hij vertelde u, dat er niemand met hem op de jagt was, toen hij die patrijs schoot; maar hij weet heel goed” (en hier barstte hij in tranen uit), „ja, hij weet best, want hij heeft het me zelf bekend, dat de Zwarte George, de jager, bij hem was! Ja, hij zeide zelfs,—ja, dat hebt ge gedaan!—dat kunt ge niet loochenen,—„dat ge de waarheid niet bekend zoudt hebben, al had men u dood geslagen!””

Hier schoot het vuur uit Thwackum’s oogen en hij riep zegevierend uit:

„O! Zie zoo! Dit heet dus een verkeerd begrip van eer![101]Dit is de jongen, die niet meer gekastijd mogt worden!”

Maar de heer Allworthy wendde zich met meerdere vriendelijkheid tot den knaap en zeide:

„Is dit waar, kind? Hoe kwaamt ge er toe zoo stijfhoofdig de onwaarheid vol te houden?”

Tom zeide, „dat niemand meer dan hij een leugen verachtte; maar dat hij zich door de eer verpligt rekende te handelen zooals hij gedaan had; want hij had den armen jager beloofd diens schuld geheim te houden, waartoe,” voegde hij er bij, „hij zich te meer verpligt rekende, omdat de jager hem gesmeekt had de grenzen niet te overschrijden en eindelijk alleen bezweken was ten gevolge van Tom’s volhouden.” Hij betuigde dat dit de geheele waarheid was, en eindigde met den heer Allworthy zeer hartstogtelijk te smeeken, medelijden met den armen man en zijn huisgezin te hebben, vooral daar hij, Tom, de eenige schuldige was, en de andere slechts met de grootste moeite overgehaald was geworden om hetgeen hij gedaan had te begaan. „Inderdaad, mijnheer,” zeide hij, „men kan naauwelijks volhouden dat ik een leugen vertelde; want de arme man was geheel onschuldig in deze zaak. Zonder hem, zou ik alleen de vogels vervolgd hebben;—ja, ik ging zelf eerst alleen, en hij volgde slechts om grooter kwaad te voorkomen. Ik bid u, mijnheer, laat mij maar straffen; neem het hitje weer weg,—maar om alles ter wereld, mijnheer, schenk den armen George uwe vergiffenis!”

De heer Allworthy aarzelde eenige oogenblikken en zond toen de jongens weg, met den raad, om verder maar vriendschappelijk en vreedzaam te leven.

[Inhoud]Hoofdstuk V.De gevoelens van den godgeleerde en den wijsgeer omtrent de twee knapen; met eenige redenen voor hunne meeningen, en andere dingen daarbij.Het is mogelijk, dat de jonge Blifil door dit geheim te openbaren, dat hem in het stiptste vertrouwen medegedeeld was door zijn kameraad, dezen redde van een fiksch pak[102]slagen; want de stomp dien hij den anderen op den neus gegeven had, zoude reeds op zich zelven genoeg zijn geweest om Thwackum tot deze straf te doen overgaan; maar dit werd nu vergeten in de beschouwing van de meer gewigtige zaak, ten opzigte van welke de heer Allworthy in stilte verklaarde, dat, naar zijn gevoelen, de jongen eerder belooning dan straf verdiende; zoodat Thwackum’s hand weerhouden werd door de algemeene amnestie.Thwackum echter, wiens overpeinzingen meestal over de geesselroede liepen, voer hevig hiertegen uit, als eene zwakheid, welke hij, gelijk hij zeide, niet schroomde eene kwalijk geplaatste barmhartigheid te noemen. Hij beweerde, dat zulke misdaden niet te bestraffen, zoo goed was als ze aan te moedigen. Hij sprak zeer uitvoerig over de tucht der kinderen, en haalde vele spreuken aan van Salomo en anderen, welke reeds in zoo vele boeken te vinden zijn, dat zij in dit boek niet behoeven herhaald te worden. Daarop weidde hij uit over het liegen, omtrent welk punt hij evenveel geleerdheid uitte als omtrent het andere.Square zeide, dat hij zijn best gedaan had om het gedrag van Tom overeen te brengen met zijn denkbeeld van staatsburgerlijke deugd; maar dat hem niet gelukken wilde. Hij bekende, dat er iets was in zijne handelwijze, dat op het eerste gezigt naar standvastigheid zweemde; daar echter, deze eene deugd was, en de onwaarheid, eene ondeugd, kon hij ze volstrekt niet met elkaar rijmen. Hij voegde er bij, dat, door zoo iets, deugd en ondeugd met elkaar verward werden, en gaf hij den heer Thwackumin bedenking, of juist om die reden de straf niet te strenger moest wezen.Even als deze beide geleerde mannen het eens waren om Jones te berispen, zoo ook roemden zij eenparig den jongen heer Blifil. De geestelijke beweerde, dat het pligt was voor ieder godsdienstig mensch om de waarheid aan het licht te brengen; en de wijsgeer verklaarde, dat dit volmaakt overeenkomstig was met de wetten van het regt en de eeuwige en onveranderlijke orde der dingen.Dit alles woog echter niet zwaar bij den heer Allworthy. Men kon hem er niet toe overhalen het vonnis voor de executie van Jones te onderteekenen. Er was iets in zijn eigen hart, dat veel beter overeenstemde met de onwrikbare standvastigheid[103]van den jongen, dan met de godsdienst van Thwackum of de deugd van Square. Daarom beval hij streng den eerstgenoemde, om Tom niet ligchamelijk te straffen voor hetgeen gebeurd was. De onderwijzer was genoodzaakt aan deze bevelen te gehoorzamen, maar niet zonder grooten tegenzin en veel gemompel, dat de jongen stellig en zeker bedorven zou worden.Onze waardige vriend was veel strenger ten opzigte van den jager.Hij liet den armen kerel dadelijk bij zich roepen, en na vele bittere verwijten, gaf hij hem zijn loon en ontsloeg hem uit zijne dienst; want de heer Allworthy merkte te regt op, dat er een groot verschil bestond tusschen het zich schuldig maken aan eene onwaarheid, om zich zelven, of om iemand anders te redden. Hij gaf ook op, als de hoofdbeweegreden tot zijne groote strengheid in dit geval, dat de jager op eene schandelijke wijze toegelaten had, dat Tom Jones om zijnentwil zulk eene zware straf had ondergaan, welke hij had moeten voorkomen door zelf de waarheid aan het licht te brengen.Zoodra deze zaak publiek werd, verschilden vele menschen van Square en Thwackum in het beoordeelen van het gedrag der beide jongens. Men noemde den jongen heer Blifil over het algemeen een kruipenden schelm, een lagen ellendeling, met meer dergelijke bijnamen, terwijl Tom vereerd werd met den titel van „brave jongen,” „beste vent,” en „eerlijke kerel.”Vooral had zijne houding tegenover den Zwarten George hem genade doen vinden in de oogen van al de dienstboden; want hoewel de jager vroeger algemeen gehaat was, werd hij nu algemeen beklaagd zoodra hij zijn ontslag kreeg, terwijl de vriendschap en de moed van Tom Jones door allen ten hoogste geroemd werden, en de jonge heer Blifil zoo luide als men dit wagen durfde, zonder gevaar te loopen van zijne moeder te vertoornen, berispt werd.Om dit een en ander werd de arme Tom echter zwaar naar het ligchaam gestraft; want, ofschoon Thwackum verboden werd de hand opteheffen tegen hem, om die ééne zaak, is het toch, gelijk het spreekwoord zegt, gemakkelijk een stok te vinden, enz.—Het viel ook niet moeijelijk[104]eene roede te vinden, en inderdaad, de onmogelijkheid om er eene magtig te worden, was het eenige, dat Thwackum lang had kunnen weerhouden om den armen Jones te kastijden.Indien niets anders dan het genot dat hij in het straffen zelf vond den onderwijzer daartoe aangespoord had, is het waarschijnlijk dat de jonge heer Blifil ook zijn deel gekregen zou hebben; maar hoewel de heer Allworthy hem dikwijls aanbevolen had geen onderscheid tusschen hen te maken, bleef Thwackum steeds even zachtaardig en vriendelijk jegens dezen jongen, als hij hard, ja, zelfs barbaarsch was, tegen den anderen.Om de waarheid te bekennen, Blifil had in hooge mate de toegenegenheid van zijn leermeester verworven, gedeeltelijk door den diepen eerbied, welken hij dikwijls toonde voor zijn persoon, maar nog meer door den betamelijken ijver, waarmede hij zijne leerstellingen omhelsde; want hij had de spreekwijzen van zijn meester van buiten geleerd, en herhaalde ze dikwijls, en handhaafde al de godsdienstige grondbeginselen van zijn onderwijzer met een ijver, die verbazend was in iemand van zijn jeugdigen leeftijd, en die hem zeer dierbaar maakte aan zijn leeraar.Tom Jones, van den anderen kant, bleef niet slechts in gebreke in uiterlijke teekenen van eerbied,—maar lette in ’t geheel niet op de leer en de voorschriften van zijn onderwijzer. Hij was inderdaad een onnadenkende, ligtzinnige jongen, die zeer weinig bedaardheid liet blijken in zijn gedrag en nog minder op zijn gelaat,—en hij plagt dikwijls, op de meest onbetamelijke en onbeschofte wijze, zijn makker uit te lagchen over diens ernstige houding.De heer Square had dergelijke redenen ook om meer van Blifil te houden, want Jones toonde niet meer ontzag voor de geleerdheid, welke deze heer soms aan hem verspilde, dan voor de vermaningen van Thwackum. Hij waagde het zelfs eens te spotten over „de eeuwige wetten van het regt,” en zeide, bij eene andere gelegenheid, dat er geene wetten ter wereld bestonden, volgens welke zulk een man als zijn vader (want de heer Allworthy liet toe dat hij hem zoo noemde), geschapen kon worden.Daarentegen bezat de jonge heer Blifil op zestienjarigen leeftijd behendigheid genoeg om zich tegelijkertijd bij beide[105]partijen aan te bevelen. Bij den één was hij zuiver godsdienst; bij den andere zuiver deugd. En als beide tegenwoordig waren, bewaarde hij een diep stilzwijgen, dat beiden tot hun en zijn voordeel uitlegden.Blifil vergenoegde zich ook niet met deze beide heeren slechts in hun bijzijn te vleijen; hij zocht vele gelegenheden om hen achter hun rug bij Allworthy te roemen, tegen wien, als zij alleen waren, en zijn oom het een of ander godsdienstig of deugdzaam gevoelen prees,—waartoe hij dikwerf aanleiding gaf,—hij zelden naliet dit toe te schrijven aan de goede lessen van Thwackum en Square. Hij wist namelijk, dat zijn oom alle dergelijke complimenten overbragt aan diegenen voor wie ze bestemd waren, en hij leerde, door ondervinding, den grooten indruk kennen, welken zij maakten, beide op den wijsgeer en den theologant; want zeker is het, dat geene vleijerij zoo onweerstaanbaar is, als die, welke ons uit de derde hand bereikt.Daarenboven ontdekte weldra de jonge heer hoe buitengewoon aangenaam al deze lofspraken op zijne onderwijzers klonken in de ooren van den heer Allworthy zelven, daar ze het vreemde opvoedingstelsel schenen aantebevelen, hetwelk hij zelf aangenomen had. Want daar de waardige man de onvolmaaktheid der openbare scholen kende en de vele ondeugden, welke de jongens daar aanleeren konden, had hij besloten zijn neef, even als zijn aangenomen zoon, op eene wijze optevoeden, waarop hunne zeden minder gevaar liepen van bedorven te worden, dan op eene publieke school of akademie.Nadat hij zich dus voorgenomen had hen aan de zorgen van een gouverneur toe te vertrouwen, werd hem voor dit ambt de heer Thwackum aanbevolen, door een vertrouwden vriend, op wiens oordeel de heer Allworthy hoogen prijs stelde en op wiens eerlijkheid hij meende te kunnen rekenen.Deze Thwackum had op eene beurs gestudeerd aan eene der akademiën, waar hij bijna altijd woonde, waar hij gepromoveerd was, en grooten naam gemaakt had van wege zijne geleerdheid, godsdienstigheid en onberispelijken wandel. Het waren ook, zonder twijfel, al deze vereischten, welke den vriend van den heer Allworthy er toe bragten om[106]hem aan te bevelen; ofschoon inderdaad, deze vriend eenige verpligtingen had aan de familie van Thwackum, die tot de aanzienlijkste menschen behoorden in een plaatsje, waarvoor die heer zitting had in het parlement.Bij zijne aankomst maakte Thwackum zich zeer aangenaam, en beantwoordde werkelijk in het begin aan den goeden naam, welken hij medebragt. Bij nadere kennismaking echter, en in den loop van een meer vertrouwelijken omgang, ontdekte de waardige Allworthy zwakheden in den gouverneur, welke hij gaarne gemist zou hebben, hoewel, daar ze meer dan opgewogen schenen door zijne goede hoedanigheden, ze den heer Allworthy volstrekt niet geneigd maakten om hem weg te zenden. Ze zouden ook eene dergelijke handelwijze niet gewettigd hebben; want de lezer zou zich zeer vergissen als hij zich verbeeldde, dat de heer Thwackum zich aan den heer Allworthy vertoonde in hetzelfde licht als dat, waarin hem de lezer ziet in deze geschiedenis. Hij vergist zich evenzeer, als hij zich verbeeldt, dat de intiemste kennis met den geestelijke, hem die dingen zouden geopenbaard hebben, welke wij, door onze inspiratie, in staat zijn in te zien en bloot te leggen.Van lezers, die om zulke redenen, de wijsheid of de scherpzinnigheid van den heer Allworthy in twijfel trekken, schroom ik niet te zeggen, dat zij een zeer slecht en ondankbaar gebruik maken van de kennis, welke wij hun medegedeeld hebben.Deze blijkbare dwalingen in Thwackum’s leer dienden echter om de tegenovergestelde dwalingen in die van Square, welke onze waardige vriend ook inzag, te verzachten. Hij verbeeldde zich inderdaad, dat de uiteenloopende gebreken dezer heeren elkander onderling verbeteren zouden, en dat van beide, vooral met zijn behulp, de beide jongens genoegzame begrippen zouden krijgen van echte godsdienst en deugd. Zoo de uitslag zijne verwachtingen niet regtvaardigde, is dit waarschijnlijk toe te schrijven aan eenig gebrek in zijn stelsel zelf, hetwelk ik den lezer verlof geef zelf te ontdekken als hij dat kan; want het is ons voornemen niet, eenig onfeilbaar karakter in dit boek in te voeren, waarin wij hopen niets te laten zien, dat tot nog toe niet in de menschelijke natuur gevonden werd.[107]Maar, om tot de zaak terug te komen: de lezer zal nu, denkelijk, niet verwonderd staan, dat het verschillende gedrag van de beide jongens, de verschillende uitwerkingen had, van welke hij reeds één voorbeeld gezien heeft, en bovendien, bestond er nog eene reden voor de houding van den wijsgeer en den onderwijzer, die wij echter, als van groot belang, pas in het volgende hoofdstuk zullen openbaren.

Hoofdstuk V.De gevoelens van den godgeleerde en den wijsgeer omtrent de twee knapen; met eenige redenen voor hunne meeningen, en andere dingen daarbij.

Het is mogelijk, dat de jonge Blifil door dit geheim te openbaren, dat hem in het stiptste vertrouwen medegedeeld was door zijn kameraad, dezen redde van een fiksch pak[102]slagen; want de stomp dien hij den anderen op den neus gegeven had, zoude reeds op zich zelven genoeg zijn geweest om Thwackum tot deze straf te doen overgaan; maar dit werd nu vergeten in de beschouwing van de meer gewigtige zaak, ten opzigte van welke de heer Allworthy in stilte verklaarde, dat, naar zijn gevoelen, de jongen eerder belooning dan straf verdiende; zoodat Thwackum’s hand weerhouden werd door de algemeene amnestie.Thwackum echter, wiens overpeinzingen meestal over de geesselroede liepen, voer hevig hiertegen uit, als eene zwakheid, welke hij, gelijk hij zeide, niet schroomde eene kwalijk geplaatste barmhartigheid te noemen. Hij beweerde, dat zulke misdaden niet te bestraffen, zoo goed was als ze aan te moedigen. Hij sprak zeer uitvoerig over de tucht der kinderen, en haalde vele spreuken aan van Salomo en anderen, welke reeds in zoo vele boeken te vinden zijn, dat zij in dit boek niet behoeven herhaald te worden. Daarop weidde hij uit over het liegen, omtrent welk punt hij evenveel geleerdheid uitte als omtrent het andere.Square zeide, dat hij zijn best gedaan had om het gedrag van Tom overeen te brengen met zijn denkbeeld van staatsburgerlijke deugd; maar dat hem niet gelukken wilde. Hij bekende, dat er iets was in zijne handelwijze, dat op het eerste gezigt naar standvastigheid zweemde; daar echter, deze eene deugd was, en de onwaarheid, eene ondeugd, kon hij ze volstrekt niet met elkaar rijmen. Hij voegde er bij, dat, door zoo iets, deugd en ondeugd met elkaar verward werden, en gaf hij den heer Thwackumin bedenking, of juist om die reden de straf niet te strenger moest wezen.Even als deze beide geleerde mannen het eens waren om Jones te berispen, zoo ook roemden zij eenparig den jongen heer Blifil. De geestelijke beweerde, dat het pligt was voor ieder godsdienstig mensch om de waarheid aan het licht te brengen; en de wijsgeer verklaarde, dat dit volmaakt overeenkomstig was met de wetten van het regt en de eeuwige en onveranderlijke orde der dingen.Dit alles woog echter niet zwaar bij den heer Allworthy. Men kon hem er niet toe overhalen het vonnis voor de executie van Jones te onderteekenen. Er was iets in zijn eigen hart, dat veel beter overeenstemde met de onwrikbare standvastigheid[103]van den jongen, dan met de godsdienst van Thwackum of de deugd van Square. Daarom beval hij streng den eerstgenoemde, om Tom niet ligchamelijk te straffen voor hetgeen gebeurd was. De onderwijzer was genoodzaakt aan deze bevelen te gehoorzamen, maar niet zonder grooten tegenzin en veel gemompel, dat de jongen stellig en zeker bedorven zou worden.Onze waardige vriend was veel strenger ten opzigte van den jager.Hij liet den armen kerel dadelijk bij zich roepen, en na vele bittere verwijten, gaf hij hem zijn loon en ontsloeg hem uit zijne dienst; want de heer Allworthy merkte te regt op, dat er een groot verschil bestond tusschen het zich schuldig maken aan eene onwaarheid, om zich zelven, of om iemand anders te redden. Hij gaf ook op, als de hoofdbeweegreden tot zijne groote strengheid in dit geval, dat de jager op eene schandelijke wijze toegelaten had, dat Tom Jones om zijnentwil zulk eene zware straf had ondergaan, welke hij had moeten voorkomen door zelf de waarheid aan het licht te brengen.Zoodra deze zaak publiek werd, verschilden vele menschen van Square en Thwackum in het beoordeelen van het gedrag der beide jongens. Men noemde den jongen heer Blifil over het algemeen een kruipenden schelm, een lagen ellendeling, met meer dergelijke bijnamen, terwijl Tom vereerd werd met den titel van „brave jongen,” „beste vent,” en „eerlijke kerel.”Vooral had zijne houding tegenover den Zwarten George hem genade doen vinden in de oogen van al de dienstboden; want hoewel de jager vroeger algemeen gehaat was, werd hij nu algemeen beklaagd zoodra hij zijn ontslag kreeg, terwijl de vriendschap en de moed van Tom Jones door allen ten hoogste geroemd werden, en de jonge heer Blifil zoo luide als men dit wagen durfde, zonder gevaar te loopen van zijne moeder te vertoornen, berispt werd.Om dit een en ander werd de arme Tom echter zwaar naar het ligchaam gestraft; want, ofschoon Thwackum verboden werd de hand opteheffen tegen hem, om die ééne zaak, is het toch, gelijk het spreekwoord zegt, gemakkelijk een stok te vinden, enz.—Het viel ook niet moeijelijk[104]eene roede te vinden, en inderdaad, de onmogelijkheid om er eene magtig te worden, was het eenige, dat Thwackum lang had kunnen weerhouden om den armen Jones te kastijden.Indien niets anders dan het genot dat hij in het straffen zelf vond den onderwijzer daartoe aangespoord had, is het waarschijnlijk dat de jonge heer Blifil ook zijn deel gekregen zou hebben; maar hoewel de heer Allworthy hem dikwijls aanbevolen had geen onderscheid tusschen hen te maken, bleef Thwackum steeds even zachtaardig en vriendelijk jegens dezen jongen, als hij hard, ja, zelfs barbaarsch was, tegen den anderen.Om de waarheid te bekennen, Blifil had in hooge mate de toegenegenheid van zijn leermeester verworven, gedeeltelijk door den diepen eerbied, welken hij dikwijls toonde voor zijn persoon, maar nog meer door den betamelijken ijver, waarmede hij zijne leerstellingen omhelsde; want hij had de spreekwijzen van zijn meester van buiten geleerd, en herhaalde ze dikwijls, en handhaafde al de godsdienstige grondbeginselen van zijn onderwijzer met een ijver, die verbazend was in iemand van zijn jeugdigen leeftijd, en die hem zeer dierbaar maakte aan zijn leeraar.Tom Jones, van den anderen kant, bleef niet slechts in gebreke in uiterlijke teekenen van eerbied,—maar lette in ’t geheel niet op de leer en de voorschriften van zijn onderwijzer. Hij was inderdaad een onnadenkende, ligtzinnige jongen, die zeer weinig bedaardheid liet blijken in zijn gedrag en nog minder op zijn gelaat,—en hij plagt dikwijls, op de meest onbetamelijke en onbeschofte wijze, zijn makker uit te lagchen over diens ernstige houding.De heer Square had dergelijke redenen ook om meer van Blifil te houden, want Jones toonde niet meer ontzag voor de geleerdheid, welke deze heer soms aan hem verspilde, dan voor de vermaningen van Thwackum. Hij waagde het zelfs eens te spotten over „de eeuwige wetten van het regt,” en zeide, bij eene andere gelegenheid, dat er geene wetten ter wereld bestonden, volgens welke zulk een man als zijn vader (want de heer Allworthy liet toe dat hij hem zoo noemde), geschapen kon worden.Daarentegen bezat de jonge heer Blifil op zestienjarigen leeftijd behendigheid genoeg om zich tegelijkertijd bij beide[105]partijen aan te bevelen. Bij den één was hij zuiver godsdienst; bij den andere zuiver deugd. En als beide tegenwoordig waren, bewaarde hij een diep stilzwijgen, dat beiden tot hun en zijn voordeel uitlegden.Blifil vergenoegde zich ook niet met deze beide heeren slechts in hun bijzijn te vleijen; hij zocht vele gelegenheden om hen achter hun rug bij Allworthy te roemen, tegen wien, als zij alleen waren, en zijn oom het een of ander godsdienstig of deugdzaam gevoelen prees,—waartoe hij dikwerf aanleiding gaf,—hij zelden naliet dit toe te schrijven aan de goede lessen van Thwackum en Square. Hij wist namelijk, dat zijn oom alle dergelijke complimenten overbragt aan diegenen voor wie ze bestemd waren, en hij leerde, door ondervinding, den grooten indruk kennen, welken zij maakten, beide op den wijsgeer en den theologant; want zeker is het, dat geene vleijerij zoo onweerstaanbaar is, als die, welke ons uit de derde hand bereikt.Daarenboven ontdekte weldra de jonge heer hoe buitengewoon aangenaam al deze lofspraken op zijne onderwijzers klonken in de ooren van den heer Allworthy zelven, daar ze het vreemde opvoedingstelsel schenen aantebevelen, hetwelk hij zelf aangenomen had. Want daar de waardige man de onvolmaaktheid der openbare scholen kende en de vele ondeugden, welke de jongens daar aanleeren konden, had hij besloten zijn neef, even als zijn aangenomen zoon, op eene wijze optevoeden, waarop hunne zeden minder gevaar liepen van bedorven te worden, dan op eene publieke school of akademie.Nadat hij zich dus voorgenomen had hen aan de zorgen van een gouverneur toe te vertrouwen, werd hem voor dit ambt de heer Thwackum aanbevolen, door een vertrouwden vriend, op wiens oordeel de heer Allworthy hoogen prijs stelde en op wiens eerlijkheid hij meende te kunnen rekenen.Deze Thwackum had op eene beurs gestudeerd aan eene der akademiën, waar hij bijna altijd woonde, waar hij gepromoveerd was, en grooten naam gemaakt had van wege zijne geleerdheid, godsdienstigheid en onberispelijken wandel. Het waren ook, zonder twijfel, al deze vereischten, welke den vriend van den heer Allworthy er toe bragten om[106]hem aan te bevelen; ofschoon inderdaad, deze vriend eenige verpligtingen had aan de familie van Thwackum, die tot de aanzienlijkste menschen behoorden in een plaatsje, waarvoor die heer zitting had in het parlement.Bij zijne aankomst maakte Thwackum zich zeer aangenaam, en beantwoordde werkelijk in het begin aan den goeden naam, welken hij medebragt. Bij nadere kennismaking echter, en in den loop van een meer vertrouwelijken omgang, ontdekte de waardige Allworthy zwakheden in den gouverneur, welke hij gaarne gemist zou hebben, hoewel, daar ze meer dan opgewogen schenen door zijne goede hoedanigheden, ze den heer Allworthy volstrekt niet geneigd maakten om hem weg te zenden. Ze zouden ook eene dergelijke handelwijze niet gewettigd hebben; want de lezer zou zich zeer vergissen als hij zich verbeeldde, dat de heer Thwackum zich aan den heer Allworthy vertoonde in hetzelfde licht als dat, waarin hem de lezer ziet in deze geschiedenis. Hij vergist zich evenzeer, als hij zich verbeeldt, dat de intiemste kennis met den geestelijke, hem die dingen zouden geopenbaard hebben, welke wij, door onze inspiratie, in staat zijn in te zien en bloot te leggen.Van lezers, die om zulke redenen, de wijsheid of de scherpzinnigheid van den heer Allworthy in twijfel trekken, schroom ik niet te zeggen, dat zij een zeer slecht en ondankbaar gebruik maken van de kennis, welke wij hun medegedeeld hebben.Deze blijkbare dwalingen in Thwackum’s leer dienden echter om de tegenovergestelde dwalingen in die van Square, welke onze waardige vriend ook inzag, te verzachten. Hij verbeeldde zich inderdaad, dat de uiteenloopende gebreken dezer heeren elkander onderling verbeteren zouden, en dat van beide, vooral met zijn behulp, de beide jongens genoegzame begrippen zouden krijgen van echte godsdienst en deugd. Zoo de uitslag zijne verwachtingen niet regtvaardigde, is dit waarschijnlijk toe te schrijven aan eenig gebrek in zijn stelsel zelf, hetwelk ik den lezer verlof geef zelf te ontdekken als hij dat kan; want het is ons voornemen niet, eenig onfeilbaar karakter in dit boek in te voeren, waarin wij hopen niets te laten zien, dat tot nog toe niet in de menschelijke natuur gevonden werd.[107]Maar, om tot de zaak terug te komen: de lezer zal nu, denkelijk, niet verwonderd staan, dat het verschillende gedrag van de beide jongens, de verschillende uitwerkingen had, van welke hij reeds één voorbeeld gezien heeft, en bovendien, bestond er nog eene reden voor de houding van den wijsgeer en den onderwijzer, die wij echter, als van groot belang, pas in het volgende hoofdstuk zullen openbaren.

Het is mogelijk, dat de jonge Blifil door dit geheim te openbaren, dat hem in het stiptste vertrouwen medegedeeld was door zijn kameraad, dezen redde van een fiksch pak[102]slagen; want de stomp dien hij den anderen op den neus gegeven had, zoude reeds op zich zelven genoeg zijn geweest om Thwackum tot deze straf te doen overgaan; maar dit werd nu vergeten in de beschouwing van de meer gewigtige zaak, ten opzigte van welke de heer Allworthy in stilte verklaarde, dat, naar zijn gevoelen, de jongen eerder belooning dan straf verdiende; zoodat Thwackum’s hand weerhouden werd door de algemeene amnestie.

Thwackum echter, wiens overpeinzingen meestal over de geesselroede liepen, voer hevig hiertegen uit, als eene zwakheid, welke hij, gelijk hij zeide, niet schroomde eene kwalijk geplaatste barmhartigheid te noemen. Hij beweerde, dat zulke misdaden niet te bestraffen, zoo goed was als ze aan te moedigen. Hij sprak zeer uitvoerig over de tucht der kinderen, en haalde vele spreuken aan van Salomo en anderen, welke reeds in zoo vele boeken te vinden zijn, dat zij in dit boek niet behoeven herhaald te worden. Daarop weidde hij uit over het liegen, omtrent welk punt hij evenveel geleerdheid uitte als omtrent het andere.

Square zeide, dat hij zijn best gedaan had om het gedrag van Tom overeen te brengen met zijn denkbeeld van staatsburgerlijke deugd; maar dat hem niet gelukken wilde. Hij bekende, dat er iets was in zijne handelwijze, dat op het eerste gezigt naar standvastigheid zweemde; daar echter, deze eene deugd was, en de onwaarheid, eene ondeugd, kon hij ze volstrekt niet met elkaar rijmen. Hij voegde er bij, dat, door zoo iets, deugd en ondeugd met elkaar verward werden, en gaf hij den heer Thwackumin bedenking, of juist om die reden de straf niet te strenger moest wezen.

Even als deze beide geleerde mannen het eens waren om Jones te berispen, zoo ook roemden zij eenparig den jongen heer Blifil. De geestelijke beweerde, dat het pligt was voor ieder godsdienstig mensch om de waarheid aan het licht te brengen; en de wijsgeer verklaarde, dat dit volmaakt overeenkomstig was met de wetten van het regt en de eeuwige en onveranderlijke orde der dingen.

Dit alles woog echter niet zwaar bij den heer Allworthy. Men kon hem er niet toe overhalen het vonnis voor de executie van Jones te onderteekenen. Er was iets in zijn eigen hart, dat veel beter overeenstemde met de onwrikbare standvastigheid[103]van den jongen, dan met de godsdienst van Thwackum of de deugd van Square. Daarom beval hij streng den eerstgenoemde, om Tom niet ligchamelijk te straffen voor hetgeen gebeurd was. De onderwijzer was genoodzaakt aan deze bevelen te gehoorzamen, maar niet zonder grooten tegenzin en veel gemompel, dat de jongen stellig en zeker bedorven zou worden.

Onze waardige vriend was veel strenger ten opzigte van den jager.

Hij liet den armen kerel dadelijk bij zich roepen, en na vele bittere verwijten, gaf hij hem zijn loon en ontsloeg hem uit zijne dienst; want de heer Allworthy merkte te regt op, dat er een groot verschil bestond tusschen het zich schuldig maken aan eene onwaarheid, om zich zelven, of om iemand anders te redden. Hij gaf ook op, als de hoofdbeweegreden tot zijne groote strengheid in dit geval, dat de jager op eene schandelijke wijze toegelaten had, dat Tom Jones om zijnentwil zulk eene zware straf had ondergaan, welke hij had moeten voorkomen door zelf de waarheid aan het licht te brengen.

Zoodra deze zaak publiek werd, verschilden vele menschen van Square en Thwackum in het beoordeelen van het gedrag der beide jongens. Men noemde den jongen heer Blifil over het algemeen een kruipenden schelm, een lagen ellendeling, met meer dergelijke bijnamen, terwijl Tom vereerd werd met den titel van „brave jongen,” „beste vent,” en „eerlijke kerel.”

Vooral had zijne houding tegenover den Zwarten George hem genade doen vinden in de oogen van al de dienstboden; want hoewel de jager vroeger algemeen gehaat was, werd hij nu algemeen beklaagd zoodra hij zijn ontslag kreeg, terwijl de vriendschap en de moed van Tom Jones door allen ten hoogste geroemd werden, en de jonge heer Blifil zoo luide als men dit wagen durfde, zonder gevaar te loopen van zijne moeder te vertoornen, berispt werd.

Om dit een en ander werd de arme Tom echter zwaar naar het ligchaam gestraft; want, ofschoon Thwackum verboden werd de hand opteheffen tegen hem, om die ééne zaak, is het toch, gelijk het spreekwoord zegt, gemakkelijk een stok te vinden, enz.—Het viel ook niet moeijelijk[104]eene roede te vinden, en inderdaad, de onmogelijkheid om er eene magtig te worden, was het eenige, dat Thwackum lang had kunnen weerhouden om den armen Jones te kastijden.

Indien niets anders dan het genot dat hij in het straffen zelf vond den onderwijzer daartoe aangespoord had, is het waarschijnlijk dat de jonge heer Blifil ook zijn deel gekregen zou hebben; maar hoewel de heer Allworthy hem dikwijls aanbevolen had geen onderscheid tusschen hen te maken, bleef Thwackum steeds even zachtaardig en vriendelijk jegens dezen jongen, als hij hard, ja, zelfs barbaarsch was, tegen den anderen.

Om de waarheid te bekennen, Blifil had in hooge mate de toegenegenheid van zijn leermeester verworven, gedeeltelijk door den diepen eerbied, welken hij dikwijls toonde voor zijn persoon, maar nog meer door den betamelijken ijver, waarmede hij zijne leerstellingen omhelsde; want hij had de spreekwijzen van zijn meester van buiten geleerd, en herhaalde ze dikwijls, en handhaafde al de godsdienstige grondbeginselen van zijn onderwijzer met een ijver, die verbazend was in iemand van zijn jeugdigen leeftijd, en die hem zeer dierbaar maakte aan zijn leeraar.

Tom Jones, van den anderen kant, bleef niet slechts in gebreke in uiterlijke teekenen van eerbied,—maar lette in ’t geheel niet op de leer en de voorschriften van zijn onderwijzer. Hij was inderdaad een onnadenkende, ligtzinnige jongen, die zeer weinig bedaardheid liet blijken in zijn gedrag en nog minder op zijn gelaat,—en hij plagt dikwijls, op de meest onbetamelijke en onbeschofte wijze, zijn makker uit te lagchen over diens ernstige houding.

De heer Square had dergelijke redenen ook om meer van Blifil te houden, want Jones toonde niet meer ontzag voor de geleerdheid, welke deze heer soms aan hem verspilde, dan voor de vermaningen van Thwackum. Hij waagde het zelfs eens te spotten over „de eeuwige wetten van het regt,” en zeide, bij eene andere gelegenheid, dat er geene wetten ter wereld bestonden, volgens welke zulk een man als zijn vader (want de heer Allworthy liet toe dat hij hem zoo noemde), geschapen kon worden.

Daarentegen bezat de jonge heer Blifil op zestienjarigen leeftijd behendigheid genoeg om zich tegelijkertijd bij beide[105]partijen aan te bevelen. Bij den één was hij zuiver godsdienst; bij den andere zuiver deugd. En als beide tegenwoordig waren, bewaarde hij een diep stilzwijgen, dat beiden tot hun en zijn voordeel uitlegden.

Blifil vergenoegde zich ook niet met deze beide heeren slechts in hun bijzijn te vleijen; hij zocht vele gelegenheden om hen achter hun rug bij Allworthy te roemen, tegen wien, als zij alleen waren, en zijn oom het een of ander godsdienstig of deugdzaam gevoelen prees,—waartoe hij dikwerf aanleiding gaf,—hij zelden naliet dit toe te schrijven aan de goede lessen van Thwackum en Square. Hij wist namelijk, dat zijn oom alle dergelijke complimenten overbragt aan diegenen voor wie ze bestemd waren, en hij leerde, door ondervinding, den grooten indruk kennen, welken zij maakten, beide op den wijsgeer en den theologant; want zeker is het, dat geene vleijerij zoo onweerstaanbaar is, als die, welke ons uit de derde hand bereikt.

Daarenboven ontdekte weldra de jonge heer hoe buitengewoon aangenaam al deze lofspraken op zijne onderwijzers klonken in de ooren van den heer Allworthy zelven, daar ze het vreemde opvoedingstelsel schenen aantebevelen, hetwelk hij zelf aangenomen had. Want daar de waardige man de onvolmaaktheid der openbare scholen kende en de vele ondeugden, welke de jongens daar aanleeren konden, had hij besloten zijn neef, even als zijn aangenomen zoon, op eene wijze optevoeden, waarop hunne zeden minder gevaar liepen van bedorven te worden, dan op eene publieke school of akademie.

Nadat hij zich dus voorgenomen had hen aan de zorgen van een gouverneur toe te vertrouwen, werd hem voor dit ambt de heer Thwackum aanbevolen, door een vertrouwden vriend, op wiens oordeel de heer Allworthy hoogen prijs stelde en op wiens eerlijkheid hij meende te kunnen rekenen.

Deze Thwackum had op eene beurs gestudeerd aan eene der akademiën, waar hij bijna altijd woonde, waar hij gepromoveerd was, en grooten naam gemaakt had van wege zijne geleerdheid, godsdienstigheid en onberispelijken wandel. Het waren ook, zonder twijfel, al deze vereischten, welke den vriend van den heer Allworthy er toe bragten om[106]hem aan te bevelen; ofschoon inderdaad, deze vriend eenige verpligtingen had aan de familie van Thwackum, die tot de aanzienlijkste menschen behoorden in een plaatsje, waarvoor die heer zitting had in het parlement.

Bij zijne aankomst maakte Thwackum zich zeer aangenaam, en beantwoordde werkelijk in het begin aan den goeden naam, welken hij medebragt. Bij nadere kennismaking echter, en in den loop van een meer vertrouwelijken omgang, ontdekte de waardige Allworthy zwakheden in den gouverneur, welke hij gaarne gemist zou hebben, hoewel, daar ze meer dan opgewogen schenen door zijne goede hoedanigheden, ze den heer Allworthy volstrekt niet geneigd maakten om hem weg te zenden. Ze zouden ook eene dergelijke handelwijze niet gewettigd hebben; want de lezer zou zich zeer vergissen als hij zich verbeeldde, dat de heer Thwackum zich aan den heer Allworthy vertoonde in hetzelfde licht als dat, waarin hem de lezer ziet in deze geschiedenis. Hij vergist zich evenzeer, als hij zich verbeeldt, dat de intiemste kennis met den geestelijke, hem die dingen zouden geopenbaard hebben, welke wij, door onze inspiratie, in staat zijn in te zien en bloot te leggen.

Van lezers, die om zulke redenen, de wijsheid of de scherpzinnigheid van den heer Allworthy in twijfel trekken, schroom ik niet te zeggen, dat zij een zeer slecht en ondankbaar gebruik maken van de kennis, welke wij hun medegedeeld hebben.

Deze blijkbare dwalingen in Thwackum’s leer dienden echter om de tegenovergestelde dwalingen in die van Square, welke onze waardige vriend ook inzag, te verzachten. Hij verbeeldde zich inderdaad, dat de uiteenloopende gebreken dezer heeren elkander onderling verbeteren zouden, en dat van beide, vooral met zijn behulp, de beide jongens genoegzame begrippen zouden krijgen van echte godsdienst en deugd. Zoo de uitslag zijne verwachtingen niet regtvaardigde, is dit waarschijnlijk toe te schrijven aan eenig gebrek in zijn stelsel zelf, hetwelk ik den lezer verlof geef zelf te ontdekken als hij dat kan; want het is ons voornemen niet, eenig onfeilbaar karakter in dit boek in te voeren, waarin wij hopen niets te laten zien, dat tot nog toe niet in de menschelijke natuur gevonden werd.[107]

Maar, om tot de zaak terug te komen: de lezer zal nu, denkelijk, niet verwonderd staan, dat het verschillende gedrag van de beide jongens, de verschillende uitwerkingen had, van welke hij reeds één voorbeeld gezien heeft, en bovendien, bestond er nog eene reden voor de houding van den wijsgeer en den onderwijzer, die wij echter, als van groot belang, pas in het volgende hoofdstuk zullen openbaren.

[Inhoud]Hoofdstuk VI.Bevattende eene nog betere reden voor de voormelde gevoelens.Men moet dan weten, dat de twee geleerden, die nu op het tooneel dezer geschiedenis zoo veel plaats beslaan, sedert hunne eerste opname onder het dak van den heer Allworthy zoo veel liefde opgevat hadden, de ééne voor zijne deugd, de andere voor zijne godsdienst, dat zij beiden verlangden zich zoo naauw mogelijk met hem te verbinden.Tot dit einde vestigden zij hunne blikken op die schoone weduwe, welke, ofschoon wij haar in den laatsten tijd niet vermeld hebben, naar wij hopen, nog niet vergeten is door den lezer. Mevrouw Blifil dan was inderdaad het voorwerp waarop beide hunne hoop vestigden.Het zal welligt opmerkelijk schijnen, dat van vier personen, die wij in het huis van den heer Allworthy vermeld hebben, er drie hunne liefde vestigden op eene dame, die nooit zeer beroemd was om hare schoonheid, en die nu, bovendien, zekeren leeftijd bereikt had; maar het is ontegenzeggelijk, dat boezemvrienden en intieme kennissen gemeenlijk eene zekere aangeborene neiging hebben voor sommige vrouwen in het huis van hunne vrienden, bijvoorbeeld voor hunne grootmoeder, moeder, zuster, dochter, tante, of nicht, als deze rijk is, en voor hunne vrouw, zuster, dochter, nicht, beminde, of dienstmeid, als die schoon zijn.Wij wenschten echter niet, dat de lezer zich verbeelde, dat menschen van het karakter van Thwackum en Square, iets van dien aard zouden ondernemen, dat sommige strenge zedepredikers afgekeurd hebben, eer zij het naauwkeurig[108]onderzocht en uitgemaakt hadden, of het eene gewetenszaak was of niet. Thwackum werd tot de onderneming aangespoord door zich te herinneren, dat het nergens verboden is, zijns naasten zuster te begeeren, en hij wist dat het een regel was in de uitlegging van alle wetten, dat „expressum facit cessare tacitum.” Hetgeen beteekent, dat, als een wetgever duidelijk zijne geheele bedoeling ontwikkelt, het ons niet vrij staat hem te laten zeggen wat ons goed dunkt. Daar dus sommige vrouwen vermeld worden in de goddelijke wet, die ons verbiedt datgene te begeeren wat onzen naaste toebehoort, en er niet van eene zuster gesproken wordt, beschouwde hij dat als voor hem voldoende. En wat Square betreft, die uiterlijk, wat men noemt een fiksche kerel was, hij bragt weldra zijne wenschen in overeenstemming met de eeuwige orde der dingen.Daar nu beide heeren ijverig elke gelegenheid waarnamen om zich bij de weduwe aan te bevelen, begrepen zij dat het één onfeilbaar middel zou zijn om hare gunst te verwerven, wanneer zij haren zoon aanhoudend de voorkeur schonken boven den anderen jongen, en daar zij inzagen, dat de goedheid en de liefde, welke de heer Allworthy dezen laatsten bewees haar hoogst onaangenaam moest wezen, twijfelden zij niet dat zij haar zeer behagen zouden door elke gelegenheid te haat te nemen om hem te vernederen en te verlagen,—omdat, daar zij den jongen haatte, zij natuurlijk al diegenen moest beminnen, die hem kwaad deden.Op dit punt was het voordeel aan Thwackum’s zijde; want terwijl Square slechts den goeden naam van den armen jongen schenden kon, had de andere het in zijne magt hem bijna levend te villen, en inderdaad, hij beschouwde elken slag, dien hij hem gaf als een compliment aan zijne beminde: zoodat hij, met het meeste regt, den ouden regel, „castigo te non quod odium habeam, sed quodAMEM,” op zich zelven toepassen kon:—Dat is, „ik straf u niet uit haat, maar uit liefde.” En deze woorden had hij ook werkelijk telkens in den mond.Het was dan voornamelijk om deze reden dat de beide heeren, zooals wij gezien hebben, overeenstemden in hunne meening omtrent de twee jongens;—en dit was, wezenlijk, bijna het eenige punt waaromtrent zij het ooit eens waren;[109]want behalve het verschil van grondbeginselen, waren zij beide reeds lang geleden begonnen elkanders voornemen te peilen, en haatten zij elkaar met niet weinig verbittering.Deze onderlinge vete werd niet weinig vermeerderd door de voordeelen beurtelings door beide behaald; want mevrouw Blifil begreep waar zij heen wilden lang eer zij zich dat verbeeldden, of het zelfs wenschten; want zij handelden met de meeste omzigtigheid, ten einde haar niet te beleedigen, waarna zij zeker den heer Allworthy de oogen daaromtrent zou kunnen openen. Maar zij hadden dit niet behoeven te vreezen; want eene liefde, waarvan zij zich vast voornam dat niemand dan zij zelve eenige vruchten zou plukken, mishaagde haar volstrekt niet. En de eenige vruchten, welke zij zich voorstelde, bestonden in vleijerij en vrijaadje; om welke reden zij beiden beurtelings streelde en een tijdlang in gelijke mate. Zij was inderdaad meer geneigd om de grondbeginselen van den geestelijke te begunstigen; maar Square’s uiterlijk beviel haar beter, want hij was een knap man,—terwijl de onderwijzer, wat zijne gelaatstrekken betreft, veel geleek op dien heer die, in Hogarth’s „leven van een ligtekooi,” de dames in de gevangenis de les leest.Hetzij mevrouw Blifil walgde van de zoete huwelijksvreugden, of afgeschrikt werd door het bittere daarvan, of om eenige andere oorzaak,—dat weet ik niet, maar zij kon er niet toe komen van eenig nieuw aanzoek te hooren. Evenwel, begon zij eindelijk op zulk een gemeenzamen voet met Square omtegaan, dat eerbiedwaardige menschen dingen van haar begonnen te fluisteren, waaraan wij, uit eerbied voor de dame (en omdat zij geheel en al in strijd waren met de wetten van het regt en de orde der dingen), geen geloof hechten en waarmede wij dus ons papier niet bezoedelen zullen. Zeker is het echter, dat de meester aan het ranselen bleef, zonder één stap vooruit te komen.Inderdaad, hij had eene groote dwaling begaan, welke Square veel eerder ontdekte dan hij. Mevrouw Blifil (zoo als de lezer welligt geraden zal hebben), was niet zeer ingenomen geweest met haar man,—ja, om eerlijk te zijn,—zij had hem bepaaldelijk gehaat, tot de dood haar eindelijk eenigzins met hem, in de herinnering, verzoende. Het zal dus niet veel verwondering baren, dat zij geene zeer hevige[110]liefde koesterde tot zijn kroost. En, inderdaad, zij gaf zoo weinig om haar zoon, dat zij hem in zijne kindschheid slechts zelden zag, of eenige notitie van hem nam; en om die reden, na eenig tegenstribbelen, stemde zij stilzwijgend in de gunsten toe, waarmede de heer Allworthy den vondeling overlaadde, dien de goede man zijn eigen zoon noemde en in alle opzigten op gelijken voet stelde met den jongen heer Blifil. Deze toegefelijkheid van den kant van mevrouw Blifil werd door de buren en de familie beschouwd als een blijk harer inschikkelijkheid jegens haren broeder; en alle menschen geloofden, even als Thwackum en Square, dat zij den vondeling haatte; ja zelfs, hoe meer beleefdheid zij hem bewees, hoe meer zij zich verbeeldden dat zij hem haatte, en hoe langer zoo gevaarlijker plannen smeedde om hem te grond te rigten: want, daar zij begrepen dat het in haar belang was hem te haten, viel het haar zeer zwaar te bewijzen dat zij dat niet deed.Thwackum werd te meer in dit gevoelen bevestigd, omdat zij hem meer dan eens Tom Jones had doen afrossen als de heer Allworthy, die een vijand van die ligchaamsoefening was, niet te huis was, zonder dat zij ooit eenig bevel van dien aard gegeven had ten opzigte van den jongen heer Blifil. En dit had Square ook gefopt.En geen wonder, want hoewel zij zeker haar eigen zoon haatte,—iets waarvan, hoe afschuwelijk dit ook zij, zij niet het eenige voorbeeld is,—scheen zij toch, in weerwil van allen uiterlijken schijn, in haar hart zeer ontevreden met de gunst door den heer Allworthy aan den vondeling bewezen. Hierover klaagde zij dikwerf achter den rug van haar broeder, tegen Thwackum en Square, ja, verweet het wel eens Allworthy zelven, als er soms een kleine twist, of woordenwisseling tusschen hen ontstond.Naarmate echter Tom opgroeide en blijken gaf van dien hoffelijken aard, welke de mannen zoo zeer bij de vrouwen aanbeveelt, verminderde langzamerhand de afkeer, welken zij voor hem als kind gekoesterd had, en zij toonde eindelijk zoo duidelijk dat hare liefde tot hem verre die, welke zij haar eigen zoon toedroeg, overtrof, dat het onmogelijk was zich verder daaromtrent te vergissen. Zij verlangde zoo dikwijls om hem te zien, en toonde zoo veel genoegen en voldoening[111]in zijn omgang, dat eer hij achttien jaren oud was hij een mededinger werd van Square en Thwackum, en wat nog erger is, alle buren even luide begonnen te spreken over hare neiging tot Tom als vroeger over die welke zij jegens Square aan den dag had gelegd, om welke reden deze den onverzoenlijksten haat koesterde voor onzen armen held.

Hoofdstuk VI.Bevattende eene nog betere reden voor de voormelde gevoelens.

Men moet dan weten, dat de twee geleerden, die nu op het tooneel dezer geschiedenis zoo veel plaats beslaan, sedert hunne eerste opname onder het dak van den heer Allworthy zoo veel liefde opgevat hadden, de ééne voor zijne deugd, de andere voor zijne godsdienst, dat zij beiden verlangden zich zoo naauw mogelijk met hem te verbinden.Tot dit einde vestigden zij hunne blikken op die schoone weduwe, welke, ofschoon wij haar in den laatsten tijd niet vermeld hebben, naar wij hopen, nog niet vergeten is door den lezer. Mevrouw Blifil dan was inderdaad het voorwerp waarop beide hunne hoop vestigden.Het zal welligt opmerkelijk schijnen, dat van vier personen, die wij in het huis van den heer Allworthy vermeld hebben, er drie hunne liefde vestigden op eene dame, die nooit zeer beroemd was om hare schoonheid, en die nu, bovendien, zekeren leeftijd bereikt had; maar het is ontegenzeggelijk, dat boezemvrienden en intieme kennissen gemeenlijk eene zekere aangeborene neiging hebben voor sommige vrouwen in het huis van hunne vrienden, bijvoorbeeld voor hunne grootmoeder, moeder, zuster, dochter, tante, of nicht, als deze rijk is, en voor hunne vrouw, zuster, dochter, nicht, beminde, of dienstmeid, als die schoon zijn.Wij wenschten echter niet, dat de lezer zich verbeelde, dat menschen van het karakter van Thwackum en Square, iets van dien aard zouden ondernemen, dat sommige strenge zedepredikers afgekeurd hebben, eer zij het naauwkeurig[108]onderzocht en uitgemaakt hadden, of het eene gewetenszaak was of niet. Thwackum werd tot de onderneming aangespoord door zich te herinneren, dat het nergens verboden is, zijns naasten zuster te begeeren, en hij wist dat het een regel was in de uitlegging van alle wetten, dat „expressum facit cessare tacitum.” Hetgeen beteekent, dat, als een wetgever duidelijk zijne geheele bedoeling ontwikkelt, het ons niet vrij staat hem te laten zeggen wat ons goed dunkt. Daar dus sommige vrouwen vermeld worden in de goddelijke wet, die ons verbiedt datgene te begeeren wat onzen naaste toebehoort, en er niet van eene zuster gesproken wordt, beschouwde hij dat als voor hem voldoende. En wat Square betreft, die uiterlijk, wat men noemt een fiksche kerel was, hij bragt weldra zijne wenschen in overeenstemming met de eeuwige orde der dingen.Daar nu beide heeren ijverig elke gelegenheid waarnamen om zich bij de weduwe aan te bevelen, begrepen zij dat het één onfeilbaar middel zou zijn om hare gunst te verwerven, wanneer zij haren zoon aanhoudend de voorkeur schonken boven den anderen jongen, en daar zij inzagen, dat de goedheid en de liefde, welke de heer Allworthy dezen laatsten bewees haar hoogst onaangenaam moest wezen, twijfelden zij niet dat zij haar zeer behagen zouden door elke gelegenheid te haat te nemen om hem te vernederen en te verlagen,—omdat, daar zij den jongen haatte, zij natuurlijk al diegenen moest beminnen, die hem kwaad deden.Op dit punt was het voordeel aan Thwackum’s zijde; want terwijl Square slechts den goeden naam van den armen jongen schenden kon, had de andere het in zijne magt hem bijna levend te villen, en inderdaad, hij beschouwde elken slag, dien hij hem gaf als een compliment aan zijne beminde: zoodat hij, met het meeste regt, den ouden regel, „castigo te non quod odium habeam, sed quodAMEM,” op zich zelven toepassen kon:—Dat is, „ik straf u niet uit haat, maar uit liefde.” En deze woorden had hij ook werkelijk telkens in den mond.Het was dan voornamelijk om deze reden dat de beide heeren, zooals wij gezien hebben, overeenstemden in hunne meening omtrent de twee jongens;—en dit was, wezenlijk, bijna het eenige punt waaromtrent zij het ooit eens waren;[109]want behalve het verschil van grondbeginselen, waren zij beide reeds lang geleden begonnen elkanders voornemen te peilen, en haatten zij elkaar met niet weinig verbittering.Deze onderlinge vete werd niet weinig vermeerderd door de voordeelen beurtelings door beide behaald; want mevrouw Blifil begreep waar zij heen wilden lang eer zij zich dat verbeeldden, of het zelfs wenschten; want zij handelden met de meeste omzigtigheid, ten einde haar niet te beleedigen, waarna zij zeker den heer Allworthy de oogen daaromtrent zou kunnen openen. Maar zij hadden dit niet behoeven te vreezen; want eene liefde, waarvan zij zich vast voornam dat niemand dan zij zelve eenige vruchten zou plukken, mishaagde haar volstrekt niet. En de eenige vruchten, welke zij zich voorstelde, bestonden in vleijerij en vrijaadje; om welke reden zij beiden beurtelings streelde en een tijdlang in gelijke mate. Zij was inderdaad meer geneigd om de grondbeginselen van den geestelijke te begunstigen; maar Square’s uiterlijk beviel haar beter, want hij was een knap man,—terwijl de onderwijzer, wat zijne gelaatstrekken betreft, veel geleek op dien heer die, in Hogarth’s „leven van een ligtekooi,” de dames in de gevangenis de les leest.Hetzij mevrouw Blifil walgde van de zoete huwelijksvreugden, of afgeschrikt werd door het bittere daarvan, of om eenige andere oorzaak,—dat weet ik niet, maar zij kon er niet toe komen van eenig nieuw aanzoek te hooren. Evenwel, begon zij eindelijk op zulk een gemeenzamen voet met Square omtegaan, dat eerbiedwaardige menschen dingen van haar begonnen te fluisteren, waaraan wij, uit eerbied voor de dame (en omdat zij geheel en al in strijd waren met de wetten van het regt en de orde der dingen), geen geloof hechten en waarmede wij dus ons papier niet bezoedelen zullen. Zeker is het echter, dat de meester aan het ranselen bleef, zonder één stap vooruit te komen.Inderdaad, hij had eene groote dwaling begaan, welke Square veel eerder ontdekte dan hij. Mevrouw Blifil (zoo als de lezer welligt geraden zal hebben), was niet zeer ingenomen geweest met haar man,—ja, om eerlijk te zijn,—zij had hem bepaaldelijk gehaat, tot de dood haar eindelijk eenigzins met hem, in de herinnering, verzoende. Het zal dus niet veel verwondering baren, dat zij geene zeer hevige[110]liefde koesterde tot zijn kroost. En, inderdaad, zij gaf zoo weinig om haar zoon, dat zij hem in zijne kindschheid slechts zelden zag, of eenige notitie van hem nam; en om die reden, na eenig tegenstribbelen, stemde zij stilzwijgend in de gunsten toe, waarmede de heer Allworthy den vondeling overlaadde, dien de goede man zijn eigen zoon noemde en in alle opzigten op gelijken voet stelde met den jongen heer Blifil. Deze toegefelijkheid van den kant van mevrouw Blifil werd door de buren en de familie beschouwd als een blijk harer inschikkelijkheid jegens haren broeder; en alle menschen geloofden, even als Thwackum en Square, dat zij den vondeling haatte; ja zelfs, hoe meer beleefdheid zij hem bewees, hoe meer zij zich verbeeldden dat zij hem haatte, en hoe langer zoo gevaarlijker plannen smeedde om hem te grond te rigten: want, daar zij begrepen dat het in haar belang was hem te haten, viel het haar zeer zwaar te bewijzen dat zij dat niet deed.Thwackum werd te meer in dit gevoelen bevestigd, omdat zij hem meer dan eens Tom Jones had doen afrossen als de heer Allworthy, die een vijand van die ligchaamsoefening was, niet te huis was, zonder dat zij ooit eenig bevel van dien aard gegeven had ten opzigte van den jongen heer Blifil. En dit had Square ook gefopt.En geen wonder, want hoewel zij zeker haar eigen zoon haatte,—iets waarvan, hoe afschuwelijk dit ook zij, zij niet het eenige voorbeeld is,—scheen zij toch, in weerwil van allen uiterlijken schijn, in haar hart zeer ontevreden met de gunst door den heer Allworthy aan den vondeling bewezen. Hierover klaagde zij dikwerf achter den rug van haar broeder, tegen Thwackum en Square, ja, verweet het wel eens Allworthy zelven, als er soms een kleine twist, of woordenwisseling tusschen hen ontstond.Naarmate echter Tom opgroeide en blijken gaf van dien hoffelijken aard, welke de mannen zoo zeer bij de vrouwen aanbeveelt, verminderde langzamerhand de afkeer, welken zij voor hem als kind gekoesterd had, en zij toonde eindelijk zoo duidelijk dat hare liefde tot hem verre die, welke zij haar eigen zoon toedroeg, overtrof, dat het onmogelijk was zich verder daaromtrent te vergissen. Zij verlangde zoo dikwijls om hem te zien, en toonde zoo veel genoegen en voldoening[111]in zijn omgang, dat eer hij achttien jaren oud was hij een mededinger werd van Square en Thwackum, en wat nog erger is, alle buren even luide begonnen te spreken over hare neiging tot Tom als vroeger over die welke zij jegens Square aan den dag had gelegd, om welke reden deze den onverzoenlijksten haat koesterde voor onzen armen held.

Men moet dan weten, dat de twee geleerden, die nu op het tooneel dezer geschiedenis zoo veel plaats beslaan, sedert hunne eerste opname onder het dak van den heer Allworthy zoo veel liefde opgevat hadden, de ééne voor zijne deugd, de andere voor zijne godsdienst, dat zij beiden verlangden zich zoo naauw mogelijk met hem te verbinden.

Tot dit einde vestigden zij hunne blikken op die schoone weduwe, welke, ofschoon wij haar in den laatsten tijd niet vermeld hebben, naar wij hopen, nog niet vergeten is door den lezer. Mevrouw Blifil dan was inderdaad het voorwerp waarop beide hunne hoop vestigden.

Het zal welligt opmerkelijk schijnen, dat van vier personen, die wij in het huis van den heer Allworthy vermeld hebben, er drie hunne liefde vestigden op eene dame, die nooit zeer beroemd was om hare schoonheid, en die nu, bovendien, zekeren leeftijd bereikt had; maar het is ontegenzeggelijk, dat boezemvrienden en intieme kennissen gemeenlijk eene zekere aangeborene neiging hebben voor sommige vrouwen in het huis van hunne vrienden, bijvoorbeeld voor hunne grootmoeder, moeder, zuster, dochter, tante, of nicht, als deze rijk is, en voor hunne vrouw, zuster, dochter, nicht, beminde, of dienstmeid, als die schoon zijn.

Wij wenschten echter niet, dat de lezer zich verbeelde, dat menschen van het karakter van Thwackum en Square, iets van dien aard zouden ondernemen, dat sommige strenge zedepredikers afgekeurd hebben, eer zij het naauwkeurig[108]onderzocht en uitgemaakt hadden, of het eene gewetenszaak was of niet. Thwackum werd tot de onderneming aangespoord door zich te herinneren, dat het nergens verboden is, zijns naasten zuster te begeeren, en hij wist dat het een regel was in de uitlegging van alle wetten, dat „expressum facit cessare tacitum.” Hetgeen beteekent, dat, als een wetgever duidelijk zijne geheele bedoeling ontwikkelt, het ons niet vrij staat hem te laten zeggen wat ons goed dunkt. Daar dus sommige vrouwen vermeld worden in de goddelijke wet, die ons verbiedt datgene te begeeren wat onzen naaste toebehoort, en er niet van eene zuster gesproken wordt, beschouwde hij dat als voor hem voldoende. En wat Square betreft, die uiterlijk, wat men noemt een fiksche kerel was, hij bragt weldra zijne wenschen in overeenstemming met de eeuwige orde der dingen.

Daar nu beide heeren ijverig elke gelegenheid waarnamen om zich bij de weduwe aan te bevelen, begrepen zij dat het één onfeilbaar middel zou zijn om hare gunst te verwerven, wanneer zij haren zoon aanhoudend de voorkeur schonken boven den anderen jongen, en daar zij inzagen, dat de goedheid en de liefde, welke de heer Allworthy dezen laatsten bewees haar hoogst onaangenaam moest wezen, twijfelden zij niet dat zij haar zeer behagen zouden door elke gelegenheid te haat te nemen om hem te vernederen en te verlagen,—omdat, daar zij den jongen haatte, zij natuurlijk al diegenen moest beminnen, die hem kwaad deden.

Op dit punt was het voordeel aan Thwackum’s zijde; want terwijl Square slechts den goeden naam van den armen jongen schenden kon, had de andere het in zijne magt hem bijna levend te villen, en inderdaad, hij beschouwde elken slag, dien hij hem gaf als een compliment aan zijne beminde: zoodat hij, met het meeste regt, den ouden regel, „castigo te non quod odium habeam, sed quodAMEM,” op zich zelven toepassen kon:—Dat is, „ik straf u niet uit haat, maar uit liefde.” En deze woorden had hij ook werkelijk telkens in den mond.

Het was dan voornamelijk om deze reden dat de beide heeren, zooals wij gezien hebben, overeenstemden in hunne meening omtrent de twee jongens;—en dit was, wezenlijk, bijna het eenige punt waaromtrent zij het ooit eens waren;[109]want behalve het verschil van grondbeginselen, waren zij beide reeds lang geleden begonnen elkanders voornemen te peilen, en haatten zij elkaar met niet weinig verbittering.

Deze onderlinge vete werd niet weinig vermeerderd door de voordeelen beurtelings door beide behaald; want mevrouw Blifil begreep waar zij heen wilden lang eer zij zich dat verbeeldden, of het zelfs wenschten; want zij handelden met de meeste omzigtigheid, ten einde haar niet te beleedigen, waarna zij zeker den heer Allworthy de oogen daaromtrent zou kunnen openen. Maar zij hadden dit niet behoeven te vreezen; want eene liefde, waarvan zij zich vast voornam dat niemand dan zij zelve eenige vruchten zou plukken, mishaagde haar volstrekt niet. En de eenige vruchten, welke zij zich voorstelde, bestonden in vleijerij en vrijaadje; om welke reden zij beiden beurtelings streelde en een tijdlang in gelijke mate. Zij was inderdaad meer geneigd om de grondbeginselen van den geestelijke te begunstigen; maar Square’s uiterlijk beviel haar beter, want hij was een knap man,—terwijl de onderwijzer, wat zijne gelaatstrekken betreft, veel geleek op dien heer die, in Hogarth’s „leven van een ligtekooi,” de dames in de gevangenis de les leest.

Hetzij mevrouw Blifil walgde van de zoete huwelijksvreugden, of afgeschrikt werd door het bittere daarvan, of om eenige andere oorzaak,—dat weet ik niet, maar zij kon er niet toe komen van eenig nieuw aanzoek te hooren. Evenwel, begon zij eindelijk op zulk een gemeenzamen voet met Square omtegaan, dat eerbiedwaardige menschen dingen van haar begonnen te fluisteren, waaraan wij, uit eerbied voor de dame (en omdat zij geheel en al in strijd waren met de wetten van het regt en de orde der dingen), geen geloof hechten en waarmede wij dus ons papier niet bezoedelen zullen. Zeker is het echter, dat de meester aan het ranselen bleef, zonder één stap vooruit te komen.

Inderdaad, hij had eene groote dwaling begaan, welke Square veel eerder ontdekte dan hij. Mevrouw Blifil (zoo als de lezer welligt geraden zal hebben), was niet zeer ingenomen geweest met haar man,—ja, om eerlijk te zijn,—zij had hem bepaaldelijk gehaat, tot de dood haar eindelijk eenigzins met hem, in de herinnering, verzoende. Het zal dus niet veel verwondering baren, dat zij geene zeer hevige[110]liefde koesterde tot zijn kroost. En, inderdaad, zij gaf zoo weinig om haar zoon, dat zij hem in zijne kindschheid slechts zelden zag, of eenige notitie van hem nam; en om die reden, na eenig tegenstribbelen, stemde zij stilzwijgend in de gunsten toe, waarmede de heer Allworthy den vondeling overlaadde, dien de goede man zijn eigen zoon noemde en in alle opzigten op gelijken voet stelde met den jongen heer Blifil. Deze toegefelijkheid van den kant van mevrouw Blifil werd door de buren en de familie beschouwd als een blijk harer inschikkelijkheid jegens haren broeder; en alle menschen geloofden, even als Thwackum en Square, dat zij den vondeling haatte; ja zelfs, hoe meer beleefdheid zij hem bewees, hoe meer zij zich verbeeldden dat zij hem haatte, en hoe langer zoo gevaarlijker plannen smeedde om hem te grond te rigten: want, daar zij begrepen dat het in haar belang was hem te haten, viel het haar zeer zwaar te bewijzen dat zij dat niet deed.

Thwackum werd te meer in dit gevoelen bevestigd, omdat zij hem meer dan eens Tom Jones had doen afrossen als de heer Allworthy, die een vijand van die ligchaamsoefening was, niet te huis was, zonder dat zij ooit eenig bevel van dien aard gegeven had ten opzigte van den jongen heer Blifil. En dit had Square ook gefopt.

En geen wonder, want hoewel zij zeker haar eigen zoon haatte,—iets waarvan, hoe afschuwelijk dit ook zij, zij niet het eenige voorbeeld is,—scheen zij toch, in weerwil van allen uiterlijken schijn, in haar hart zeer ontevreden met de gunst door den heer Allworthy aan den vondeling bewezen. Hierover klaagde zij dikwerf achter den rug van haar broeder, tegen Thwackum en Square, ja, verweet het wel eens Allworthy zelven, als er soms een kleine twist, of woordenwisseling tusschen hen ontstond.

Naarmate echter Tom opgroeide en blijken gaf van dien hoffelijken aard, welke de mannen zoo zeer bij de vrouwen aanbeveelt, verminderde langzamerhand de afkeer, welken zij voor hem als kind gekoesterd had, en zij toonde eindelijk zoo duidelijk dat hare liefde tot hem verre die, welke zij haar eigen zoon toedroeg, overtrof, dat het onmogelijk was zich verder daaromtrent te vergissen. Zij verlangde zoo dikwijls om hem te zien, en toonde zoo veel genoegen en voldoening[111]in zijn omgang, dat eer hij achttien jaren oud was hij een mededinger werd van Square en Thwackum, en wat nog erger is, alle buren even luide begonnen te spreken over hare neiging tot Tom als vroeger over die welke zij jegens Square aan den dag had gelegd, om welke reden deze den onverzoenlijksten haat koesterde voor onzen armen held.

[Inhoud]Hoofdstuk VII.Waarin de schrijver zelf het tooneel betreedt.Hoewel de heer Allworthy zelf niet spoedig de dingen in een slecht licht zag, en vreemd bleef aan de openbare geruchten, welke zelden het oor van een broeder of een echtgenoot bereiken, werkte toch de liefde, welke mevrouw Blifil jegens Tom aan den dag legde, en de voorkeur, welke zij hem blijkbaar boven haar eigen zoon schonk, zeer tot zijn nadeel.Want zoo groot was de mate van medelijden, welke den heer Allworthy bezielde, dat niets dan het staal der geregtigheid het ooit deed bezwijken. Op de eene of andere wijze ongelukkig te zijn (mits dat met geen ondeugd gepaard ging), was genoeg om de schaal van het medelijden in zijne hand te doen overslaan, en om zijne vriendschap en welwillendheid te verwerven.Zoodra hij dus duidelijk ontwaarde dat de jonge heer Blifil gehaat werd (en dat was het geval) door zijne eigene moeder, begon hij, alleen om die reden, hem met medelijden te beschouwen, en hoe het medelijden werkt op een goed en welwillend hart, behoef ik hier niet aan de meerderheid mijner lezers uitteleggen.Van dit oogenblik af zag hij elken schijn van deugd in dien jongen door een vergrootglas, en al zijne gebreken door een verkleinglas, zoodat ze naauwelijks zigtbaar werden. Dit mag welligt, wegens den beminnelijken aard van het medelijden, loffelijk wezen, maar de volgende stap is alleen te verontschuldigen door de zwakheid van de menschelijke natuur; want naauwelijks had hij ontdekt, dat mevrouw Blifil de voorkeur aan Tom schonk, of deze arme jongen (hoe[112]onschuldig ook) begon in zijne schatting te dalen, naarmate hij in de hare rees. Het is waar, dat dit alleen Jones niet ten eenemale uit zijn hart zijne plaats zou hebben doen verliezen, maar het benadeelde hem zeer, en bereidde den geest van den heer Allworthy voor op die indrukken, welke later die gewigtige gebeurtenissen veroorzaakten, die in deze geschiedenis herdacht zullen worden, en waartoe men bekennen moet, dat de ongelukkige jongen door zijne ligtzinnigheid, ongeregeldheid en gebrek aan voorzigtigheid, slechts al te veel bijdroeg.Door sommigen daarvan op te teekenen,—als men ons niet verkeerd begrijpt, zullen wij eene zeer nuttige les geven aan die jongelieden van goeden aanleg, die later ons werk zullen lezen; want zij zullen daaruit leeren, dat goedheid van harte en een open gemoed, hoewel zij veel inwendigen troost mogen opleveren, en zij gevoelen dat zij daar trotsch op mogen wezen, helaas volstrekt, niet geschikt zijn om hen in de wereld vooruit te helpen. Zelfs de beste menschen kunnen de voorzigtigheid en de bedaardheid niet missen. Deze zijn inderdaad, als het ware, de wachters der deugd, zonder welke zij nooit veilig is. Het is niet genoeg, dat uwe voornemens, of zelfs uwe daden, in zich zelve goed zijn;—gij moet ook zorg dragen dat zij dit schijnen. Laat het inwendige nog zoo schoon zijn, het uiterlijke moet ook schoon wezen. Hiervoor moet men aanhoudend zorg dragen, of de kwaadwilligheid en de nijd zullen zich beijveren alles zoodanig te bezwalken, dat de wijsheid en goedheid van een Allworthy niet in staat zullen zijn dat te doorzien en de inwendige schoonheden te ontdekken. Vergeet nooit, jeugdige lezer, den stelregel, dat geen mensch goed genoeg kan wezen om de voorschriften der voorzigtigheid te verwaarloozen, en dat de deugd zelve niet bekoorlijk schijnen zal, wanneer ze de uiterlijke versierselen der welvoegelijkheid en der betamelijkheid versmaadt. Ik geloof, mijne waarde discipelen, dat, als gij slechts met oplettendheid leest, gij de bevestiging dezer regels zult vinden op de volgende bladzijden van dit boek.Ik vraag vergiffenis, dat ik voor een oogenblik zelf, opgetreden ben, bij wijze van koor. Dat deed ik wezenlijk, om mijn eigen wil, opdat, terwijl ik de rotsen aantoon, waarop[113]de onschuld en de deugd dikwerf schipbreuk lijden, men niet denke, dat ik juist de middelen, waardoor zij te gronde zouden gaan, aanbeveel. Daar ik nu geen mijner persoonaadjes overhalen kon dit te zeggen, was ik genoodzaakt het zelf te verklaren.

Hoofdstuk VII.Waarin de schrijver zelf het tooneel betreedt.

Hoewel de heer Allworthy zelf niet spoedig de dingen in een slecht licht zag, en vreemd bleef aan de openbare geruchten, welke zelden het oor van een broeder of een echtgenoot bereiken, werkte toch de liefde, welke mevrouw Blifil jegens Tom aan den dag legde, en de voorkeur, welke zij hem blijkbaar boven haar eigen zoon schonk, zeer tot zijn nadeel.Want zoo groot was de mate van medelijden, welke den heer Allworthy bezielde, dat niets dan het staal der geregtigheid het ooit deed bezwijken. Op de eene of andere wijze ongelukkig te zijn (mits dat met geen ondeugd gepaard ging), was genoeg om de schaal van het medelijden in zijne hand te doen overslaan, en om zijne vriendschap en welwillendheid te verwerven.Zoodra hij dus duidelijk ontwaarde dat de jonge heer Blifil gehaat werd (en dat was het geval) door zijne eigene moeder, begon hij, alleen om die reden, hem met medelijden te beschouwen, en hoe het medelijden werkt op een goed en welwillend hart, behoef ik hier niet aan de meerderheid mijner lezers uitteleggen.Van dit oogenblik af zag hij elken schijn van deugd in dien jongen door een vergrootglas, en al zijne gebreken door een verkleinglas, zoodat ze naauwelijks zigtbaar werden. Dit mag welligt, wegens den beminnelijken aard van het medelijden, loffelijk wezen, maar de volgende stap is alleen te verontschuldigen door de zwakheid van de menschelijke natuur; want naauwelijks had hij ontdekt, dat mevrouw Blifil de voorkeur aan Tom schonk, of deze arme jongen (hoe[112]onschuldig ook) begon in zijne schatting te dalen, naarmate hij in de hare rees. Het is waar, dat dit alleen Jones niet ten eenemale uit zijn hart zijne plaats zou hebben doen verliezen, maar het benadeelde hem zeer, en bereidde den geest van den heer Allworthy voor op die indrukken, welke later die gewigtige gebeurtenissen veroorzaakten, die in deze geschiedenis herdacht zullen worden, en waartoe men bekennen moet, dat de ongelukkige jongen door zijne ligtzinnigheid, ongeregeldheid en gebrek aan voorzigtigheid, slechts al te veel bijdroeg.Door sommigen daarvan op te teekenen,—als men ons niet verkeerd begrijpt, zullen wij eene zeer nuttige les geven aan die jongelieden van goeden aanleg, die later ons werk zullen lezen; want zij zullen daaruit leeren, dat goedheid van harte en een open gemoed, hoewel zij veel inwendigen troost mogen opleveren, en zij gevoelen dat zij daar trotsch op mogen wezen, helaas volstrekt, niet geschikt zijn om hen in de wereld vooruit te helpen. Zelfs de beste menschen kunnen de voorzigtigheid en de bedaardheid niet missen. Deze zijn inderdaad, als het ware, de wachters der deugd, zonder welke zij nooit veilig is. Het is niet genoeg, dat uwe voornemens, of zelfs uwe daden, in zich zelve goed zijn;—gij moet ook zorg dragen dat zij dit schijnen. Laat het inwendige nog zoo schoon zijn, het uiterlijke moet ook schoon wezen. Hiervoor moet men aanhoudend zorg dragen, of de kwaadwilligheid en de nijd zullen zich beijveren alles zoodanig te bezwalken, dat de wijsheid en goedheid van een Allworthy niet in staat zullen zijn dat te doorzien en de inwendige schoonheden te ontdekken. Vergeet nooit, jeugdige lezer, den stelregel, dat geen mensch goed genoeg kan wezen om de voorschriften der voorzigtigheid te verwaarloozen, en dat de deugd zelve niet bekoorlijk schijnen zal, wanneer ze de uiterlijke versierselen der welvoegelijkheid en der betamelijkheid versmaadt. Ik geloof, mijne waarde discipelen, dat, als gij slechts met oplettendheid leest, gij de bevestiging dezer regels zult vinden op de volgende bladzijden van dit boek.Ik vraag vergiffenis, dat ik voor een oogenblik zelf, opgetreden ben, bij wijze van koor. Dat deed ik wezenlijk, om mijn eigen wil, opdat, terwijl ik de rotsen aantoon, waarop[113]de onschuld en de deugd dikwerf schipbreuk lijden, men niet denke, dat ik juist de middelen, waardoor zij te gronde zouden gaan, aanbeveel. Daar ik nu geen mijner persoonaadjes overhalen kon dit te zeggen, was ik genoodzaakt het zelf te verklaren.

Hoewel de heer Allworthy zelf niet spoedig de dingen in een slecht licht zag, en vreemd bleef aan de openbare geruchten, welke zelden het oor van een broeder of een echtgenoot bereiken, werkte toch de liefde, welke mevrouw Blifil jegens Tom aan den dag legde, en de voorkeur, welke zij hem blijkbaar boven haar eigen zoon schonk, zeer tot zijn nadeel.

Want zoo groot was de mate van medelijden, welke den heer Allworthy bezielde, dat niets dan het staal der geregtigheid het ooit deed bezwijken. Op de eene of andere wijze ongelukkig te zijn (mits dat met geen ondeugd gepaard ging), was genoeg om de schaal van het medelijden in zijne hand te doen overslaan, en om zijne vriendschap en welwillendheid te verwerven.

Zoodra hij dus duidelijk ontwaarde dat de jonge heer Blifil gehaat werd (en dat was het geval) door zijne eigene moeder, begon hij, alleen om die reden, hem met medelijden te beschouwen, en hoe het medelijden werkt op een goed en welwillend hart, behoef ik hier niet aan de meerderheid mijner lezers uitteleggen.

Van dit oogenblik af zag hij elken schijn van deugd in dien jongen door een vergrootglas, en al zijne gebreken door een verkleinglas, zoodat ze naauwelijks zigtbaar werden. Dit mag welligt, wegens den beminnelijken aard van het medelijden, loffelijk wezen, maar de volgende stap is alleen te verontschuldigen door de zwakheid van de menschelijke natuur; want naauwelijks had hij ontdekt, dat mevrouw Blifil de voorkeur aan Tom schonk, of deze arme jongen (hoe[112]onschuldig ook) begon in zijne schatting te dalen, naarmate hij in de hare rees. Het is waar, dat dit alleen Jones niet ten eenemale uit zijn hart zijne plaats zou hebben doen verliezen, maar het benadeelde hem zeer, en bereidde den geest van den heer Allworthy voor op die indrukken, welke later die gewigtige gebeurtenissen veroorzaakten, die in deze geschiedenis herdacht zullen worden, en waartoe men bekennen moet, dat de ongelukkige jongen door zijne ligtzinnigheid, ongeregeldheid en gebrek aan voorzigtigheid, slechts al te veel bijdroeg.

Door sommigen daarvan op te teekenen,—als men ons niet verkeerd begrijpt, zullen wij eene zeer nuttige les geven aan die jongelieden van goeden aanleg, die later ons werk zullen lezen; want zij zullen daaruit leeren, dat goedheid van harte en een open gemoed, hoewel zij veel inwendigen troost mogen opleveren, en zij gevoelen dat zij daar trotsch op mogen wezen, helaas volstrekt, niet geschikt zijn om hen in de wereld vooruit te helpen. Zelfs de beste menschen kunnen de voorzigtigheid en de bedaardheid niet missen. Deze zijn inderdaad, als het ware, de wachters der deugd, zonder welke zij nooit veilig is. Het is niet genoeg, dat uwe voornemens, of zelfs uwe daden, in zich zelve goed zijn;—gij moet ook zorg dragen dat zij dit schijnen. Laat het inwendige nog zoo schoon zijn, het uiterlijke moet ook schoon wezen. Hiervoor moet men aanhoudend zorg dragen, of de kwaadwilligheid en de nijd zullen zich beijveren alles zoodanig te bezwalken, dat de wijsheid en goedheid van een Allworthy niet in staat zullen zijn dat te doorzien en de inwendige schoonheden te ontdekken. Vergeet nooit, jeugdige lezer, den stelregel, dat geen mensch goed genoeg kan wezen om de voorschriften der voorzigtigheid te verwaarloozen, en dat de deugd zelve niet bekoorlijk schijnen zal, wanneer ze de uiterlijke versierselen der welvoegelijkheid en der betamelijkheid versmaadt. Ik geloof, mijne waarde discipelen, dat, als gij slechts met oplettendheid leest, gij de bevestiging dezer regels zult vinden op de volgende bladzijden van dit boek.

Ik vraag vergiffenis, dat ik voor een oogenblik zelf, opgetreden ben, bij wijze van koor. Dat deed ik wezenlijk, om mijn eigen wil, opdat, terwijl ik de rotsen aantoon, waarop[113]de onschuld en de deugd dikwerf schipbreuk lijden, men niet denke, dat ik juist de middelen, waardoor zij te gronde zouden gaan, aanbeveel. Daar ik nu geen mijner persoonaadjes overhalen kon dit te zeggen, was ik genoodzaakt het zelf te verklaren.

[Inhoud]Hoofdstuk VIII.Een kinderachtig voorval, waaruit men echter het goedaardige karakter van Tom Jones zien kan.De lezer zal zich herinneren, dat de heer Allworthy Tom Jones een hit gegeven had, als eene soort van vergoeding voor de straf, welke deze schijnbaar onschuldig had moeten ondergaan.Deze hit had Tom meer dan een halfjaar gehad, toen hij naar eene naburige paardenmarkt reed en het dier daar verkocht.Bij zijne terugkomst werd hij door Thwackum ondervraagd over de wijze, waarop hij het geld dat hij voor het paard gekregen had, besteed had en verklaarde ronduit, dat hij het niet zeggen wilde.„O, ho!” riep Thwackum; „Ge wilt niet? Nu, dan zal ik het heel spoedig uit je —— slaan!”—zijnde deze de plaats waar hij altijd, als er eenige twijfel bestond, naar berigten zocht.Tom werd nu door een knecht op de schouders geheschen, en alles was voor de strafoefening gereed, toen de heer Allworthy in de kamer trad, den beschuldigde uitstel van executie schonk en hem met zich nam naar een ander vertrek, waar hij, met Tom alleen zijnde, hem dezelfde vraag deed als Thwackum.Tom hernam, dat het zijn pligt was hem niets te weigeren; maar wat dien tirannieken schurk betrof, hij hem alleen met een knuppel antwoorden zou, waarmede hij spoedig hoopte in staat te zijn hem al zijne wreedheden te betalen.De heer Allworthy verweet den jongen zeer streng deze onbetamelijke en oneerbiedige uitdrukkingen omtrent zijn leermeester; maar nog meer zijne aan den dag gelegde[114]wraakzucht. Hij dreigde hem met het geheele verlies zijner gunst, als hij ooit iets van dien aard weder van hem vernam; want hij verklaarde een aterling nooit te willen ondersteunen of beschermen.Door deze en dergelijke gezegden, wekte hij iets bij Tom op dat naar berouw zweemde, in welks uiting echter hij niet al te opregt was; want hij peinsde er wezenlijk over, hoe hij den onderwijzer de pijnlijke gunstbewijzen zou vergelden, waarmede deze hem overladen had. De heer Allworthy echter bragt hem er toe om eenig leedwezen te toonen over zijn wrok tegen Thwackum, en na eenige heilzame vermaningen, verzocht hij hem verder te vertellen; wat hij in de volgende woorden deed:„Inderdaad, waarde heer, ik bemin en eerbiedig u meer dan wien ook ter wereld:—ik besef mijne groote verpligtingen jegens u, en zou mijzelven haten, als ik me tot eenige ondankbaarheid in staat achtte. Als het hitje, dat gij me gaaft, spreken kon, zou het dier u zeker vertellen, hoe zeer ik ingenomen was met uw geschenk, want ik vond het nog prettiger het te voeden dan het te rijden. Wezenlijk, mijnheer, het ging me aan het hart om er van te scheiden, en ik zou het om alles ter wereld, zonder die eene reden, die me er toe overhaalde, niet verkocht hebben. Ik ben ook overtuigd, mijnheer, dat gij, in mijn geval, ook zoo zoudt gehandeld hebben;—want geen mensch is gevoeliger dan gij voor de rampen van anderen. En hoe zoudt gij u gevoelen, mijnheer, als gij dacht, dat gij het zelf veroorzaakt hadt?—Inderdaad, mijnheer, ongelukkiger menschen dan die—”„Dan wie, jongen?” vroeg de heer Allworthy. „Wat bedoelt ge?”„O, mijnheer,” hernam Tom; „de arme jager en zijn huisgezin, sedert ze door u weggejaagd zijn, vergaan van ellende, koude en honger. Ik kon echter deze ongelukkigen niet in lompen gehuld en in gebrek zien, en terzelfder tijd bedenken, dat ik de oorzaak was geweest van al hun lijden.—Dat kon ik niet verdragen!—mijnheer, dat kon ik, op mijn woord van eer niet doen!” (Hier biggelden hem de tranen langs de wangen en hij hervatte): „Het was om hen van den geheelen ondergang te redden, dat ik[115]scheidde van uw kostbaar geschenk, niettegenstaande mijne ingenomenheid daarmede:—ik verkocht het paard om hunnentwil en heb hun àl het geld, tot den laatsten duit toe, gegeven.”De heer Allworthy bleef eenige oogenblikken zwijgen, en eer hij sprak welden hem de tranen in de oogen. Eindelijk zond hij Tom met een zacht verwijt weg, terwijl hij hem den raad gaf in de toekomst, zich in gevallen van nood liever tot hem te wenden, dan tot zulke buitengewone hulpmiddelen zijn toevlugt te nemen.Deze zaak leverde stof tot velerlei twisten tusschen Thwackum en Square. Thwackum hield vol dat het verzet was tegen den heer Allworthy, wiens voornemen het was den jager voor zijne ongehoorzaamheid te straffen. Hij zeide, dat in sommige gevallen, hetgeen de wereld milddadigheid noemde, hem toescheen verzet te zijn tegen den wil van God, die eenige personen aangewezen had, die te gronde moesten gaan; en dat het ook tevens oppositie was tegen den heer Allworthy;—terwijl hij, op zijne gewone wijze—eindigde met eene toepassing der roede aan te bevelen.Square hield het tegenovergestelde vol; welligt om tegen Thwackum te opponeren, of uit toegefelijkheid jegens den heer Allworthy, die, hetgeen Jones gedaan had ten zeerste scheen goed te keuren. Wat aangaat hetgeen hij bij deze gelegenheid aanvoerde, daar ik overtuigd ben, dat de meeste mijner lezers, zelve nog de zaak van Jones beter bepleiten kunnen dan ik, is het onnoodig het hier te herhalen. Inderdaad, het viel niet moeijelijk eene daad, die van de wetten van het onregt niet afteleiden was, met die van het regt overeen te brengen.

Hoofdstuk VIII.Een kinderachtig voorval, waaruit men echter het goedaardige karakter van Tom Jones zien kan.

De lezer zal zich herinneren, dat de heer Allworthy Tom Jones een hit gegeven had, als eene soort van vergoeding voor de straf, welke deze schijnbaar onschuldig had moeten ondergaan.Deze hit had Tom meer dan een halfjaar gehad, toen hij naar eene naburige paardenmarkt reed en het dier daar verkocht.Bij zijne terugkomst werd hij door Thwackum ondervraagd over de wijze, waarop hij het geld dat hij voor het paard gekregen had, besteed had en verklaarde ronduit, dat hij het niet zeggen wilde.„O, ho!” riep Thwackum; „Ge wilt niet? Nu, dan zal ik het heel spoedig uit je —— slaan!”—zijnde deze de plaats waar hij altijd, als er eenige twijfel bestond, naar berigten zocht.Tom werd nu door een knecht op de schouders geheschen, en alles was voor de strafoefening gereed, toen de heer Allworthy in de kamer trad, den beschuldigde uitstel van executie schonk en hem met zich nam naar een ander vertrek, waar hij, met Tom alleen zijnde, hem dezelfde vraag deed als Thwackum.Tom hernam, dat het zijn pligt was hem niets te weigeren; maar wat dien tirannieken schurk betrof, hij hem alleen met een knuppel antwoorden zou, waarmede hij spoedig hoopte in staat te zijn hem al zijne wreedheden te betalen.De heer Allworthy verweet den jongen zeer streng deze onbetamelijke en oneerbiedige uitdrukkingen omtrent zijn leermeester; maar nog meer zijne aan den dag gelegde[114]wraakzucht. Hij dreigde hem met het geheele verlies zijner gunst, als hij ooit iets van dien aard weder van hem vernam; want hij verklaarde een aterling nooit te willen ondersteunen of beschermen.Door deze en dergelijke gezegden, wekte hij iets bij Tom op dat naar berouw zweemde, in welks uiting echter hij niet al te opregt was; want hij peinsde er wezenlijk over, hoe hij den onderwijzer de pijnlijke gunstbewijzen zou vergelden, waarmede deze hem overladen had. De heer Allworthy echter bragt hem er toe om eenig leedwezen te toonen over zijn wrok tegen Thwackum, en na eenige heilzame vermaningen, verzocht hij hem verder te vertellen; wat hij in de volgende woorden deed:„Inderdaad, waarde heer, ik bemin en eerbiedig u meer dan wien ook ter wereld:—ik besef mijne groote verpligtingen jegens u, en zou mijzelven haten, als ik me tot eenige ondankbaarheid in staat achtte. Als het hitje, dat gij me gaaft, spreken kon, zou het dier u zeker vertellen, hoe zeer ik ingenomen was met uw geschenk, want ik vond het nog prettiger het te voeden dan het te rijden. Wezenlijk, mijnheer, het ging me aan het hart om er van te scheiden, en ik zou het om alles ter wereld, zonder die eene reden, die me er toe overhaalde, niet verkocht hebben. Ik ben ook overtuigd, mijnheer, dat gij, in mijn geval, ook zoo zoudt gehandeld hebben;—want geen mensch is gevoeliger dan gij voor de rampen van anderen. En hoe zoudt gij u gevoelen, mijnheer, als gij dacht, dat gij het zelf veroorzaakt hadt?—Inderdaad, mijnheer, ongelukkiger menschen dan die—”„Dan wie, jongen?” vroeg de heer Allworthy. „Wat bedoelt ge?”„O, mijnheer,” hernam Tom; „de arme jager en zijn huisgezin, sedert ze door u weggejaagd zijn, vergaan van ellende, koude en honger. Ik kon echter deze ongelukkigen niet in lompen gehuld en in gebrek zien, en terzelfder tijd bedenken, dat ik de oorzaak was geweest van al hun lijden.—Dat kon ik niet verdragen!—mijnheer, dat kon ik, op mijn woord van eer niet doen!” (Hier biggelden hem de tranen langs de wangen en hij hervatte): „Het was om hen van den geheelen ondergang te redden, dat ik[115]scheidde van uw kostbaar geschenk, niettegenstaande mijne ingenomenheid daarmede:—ik verkocht het paard om hunnentwil en heb hun àl het geld, tot den laatsten duit toe, gegeven.”De heer Allworthy bleef eenige oogenblikken zwijgen, en eer hij sprak welden hem de tranen in de oogen. Eindelijk zond hij Tom met een zacht verwijt weg, terwijl hij hem den raad gaf in de toekomst, zich in gevallen van nood liever tot hem te wenden, dan tot zulke buitengewone hulpmiddelen zijn toevlugt te nemen.Deze zaak leverde stof tot velerlei twisten tusschen Thwackum en Square. Thwackum hield vol dat het verzet was tegen den heer Allworthy, wiens voornemen het was den jager voor zijne ongehoorzaamheid te straffen. Hij zeide, dat in sommige gevallen, hetgeen de wereld milddadigheid noemde, hem toescheen verzet te zijn tegen den wil van God, die eenige personen aangewezen had, die te gronde moesten gaan; en dat het ook tevens oppositie was tegen den heer Allworthy;—terwijl hij, op zijne gewone wijze—eindigde met eene toepassing der roede aan te bevelen.Square hield het tegenovergestelde vol; welligt om tegen Thwackum te opponeren, of uit toegefelijkheid jegens den heer Allworthy, die, hetgeen Jones gedaan had ten zeerste scheen goed te keuren. Wat aangaat hetgeen hij bij deze gelegenheid aanvoerde, daar ik overtuigd ben, dat de meeste mijner lezers, zelve nog de zaak van Jones beter bepleiten kunnen dan ik, is het onnoodig het hier te herhalen. Inderdaad, het viel niet moeijelijk eene daad, die van de wetten van het onregt niet afteleiden was, met die van het regt overeen te brengen.

De lezer zal zich herinneren, dat de heer Allworthy Tom Jones een hit gegeven had, als eene soort van vergoeding voor de straf, welke deze schijnbaar onschuldig had moeten ondergaan.

Deze hit had Tom meer dan een halfjaar gehad, toen hij naar eene naburige paardenmarkt reed en het dier daar verkocht.

Bij zijne terugkomst werd hij door Thwackum ondervraagd over de wijze, waarop hij het geld dat hij voor het paard gekregen had, besteed had en verklaarde ronduit, dat hij het niet zeggen wilde.

„O, ho!” riep Thwackum; „Ge wilt niet? Nu, dan zal ik het heel spoedig uit je —— slaan!”—zijnde deze de plaats waar hij altijd, als er eenige twijfel bestond, naar berigten zocht.

Tom werd nu door een knecht op de schouders geheschen, en alles was voor de strafoefening gereed, toen de heer Allworthy in de kamer trad, den beschuldigde uitstel van executie schonk en hem met zich nam naar een ander vertrek, waar hij, met Tom alleen zijnde, hem dezelfde vraag deed als Thwackum.

Tom hernam, dat het zijn pligt was hem niets te weigeren; maar wat dien tirannieken schurk betrof, hij hem alleen met een knuppel antwoorden zou, waarmede hij spoedig hoopte in staat te zijn hem al zijne wreedheden te betalen.

De heer Allworthy verweet den jongen zeer streng deze onbetamelijke en oneerbiedige uitdrukkingen omtrent zijn leermeester; maar nog meer zijne aan den dag gelegde[114]wraakzucht. Hij dreigde hem met het geheele verlies zijner gunst, als hij ooit iets van dien aard weder van hem vernam; want hij verklaarde een aterling nooit te willen ondersteunen of beschermen.

Door deze en dergelijke gezegden, wekte hij iets bij Tom op dat naar berouw zweemde, in welks uiting echter hij niet al te opregt was; want hij peinsde er wezenlijk over, hoe hij den onderwijzer de pijnlijke gunstbewijzen zou vergelden, waarmede deze hem overladen had. De heer Allworthy echter bragt hem er toe om eenig leedwezen te toonen over zijn wrok tegen Thwackum, en na eenige heilzame vermaningen, verzocht hij hem verder te vertellen; wat hij in de volgende woorden deed:

„Inderdaad, waarde heer, ik bemin en eerbiedig u meer dan wien ook ter wereld:—ik besef mijne groote verpligtingen jegens u, en zou mijzelven haten, als ik me tot eenige ondankbaarheid in staat achtte. Als het hitje, dat gij me gaaft, spreken kon, zou het dier u zeker vertellen, hoe zeer ik ingenomen was met uw geschenk, want ik vond het nog prettiger het te voeden dan het te rijden. Wezenlijk, mijnheer, het ging me aan het hart om er van te scheiden, en ik zou het om alles ter wereld, zonder die eene reden, die me er toe overhaalde, niet verkocht hebben. Ik ben ook overtuigd, mijnheer, dat gij, in mijn geval, ook zoo zoudt gehandeld hebben;—want geen mensch is gevoeliger dan gij voor de rampen van anderen. En hoe zoudt gij u gevoelen, mijnheer, als gij dacht, dat gij het zelf veroorzaakt hadt?—Inderdaad, mijnheer, ongelukkiger menschen dan die—”

„Dan wie, jongen?” vroeg de heer Allworthy. „Wat bedoelt ge?”

„O, mijnheer,” hernam Tom; „de arme jager en zijn huisgezin, sedert ze door u weggejaagd zijn, vergaan van ellende, koude en honger. Ik kon echter deze ongelukkigen niet in lompen gehuld en in gebrek zien, en terzelfder tijd bedenken, dat ik de oorzaak was geweest van al hun lijden.—Dat kon ik niet verdragen!—mijnheer, dat kon ik, op mijn woord van eer niet doen!” (Hier biggelden hem de tranen langs de wangen en hij hervatte): „Het was om hen van den geheelen ondergang te redden, dat ik[115]scheidde van uw kostbaar geschenk, niettegenstaande mijne ingenomenheid daarmede:—ik verkocht het paard om hunnentwil en heb hun àl het geld, tot den laatsten duit toe, gegeven.”

De heer Allworthy bleef eenige oogenblikken zwijgen, en eer hij sprak welden hem de tranen in de oogen. Eindelijk zond hij Tom met een zacht verwijt weg, terwijl hij hem den raad gaf in de toekomst, zich in gevallen van nood liever tot hem te wenden, dan tot zulke buitengewone hulpmiddelen zijn toevlugt te nemen.

Deze zaak leverde stof tot velerlei twisten tusschen Thwackum en Square. Thwackum hield vol dat het verzet was tegen den heer Allworthy, wiens voornemen het was den jager voor zijne ongehoorzaamheid te straffen. Hij zeide, dat in sommige gevallen, hetgeen de wereld milddadigheid noemde, hem toescheen verzet te zijn tegen den wil van God, die eenige personen aangewezen had, die te gronde moesten gaan; en dat het ook tevens oppositie was tegen den heer Allworthy;—terwijl hij, op zijne gewone wijze—eindigde met eene toepassing der roede aan te bevelen.

Square hield het tegenovergestelde vol; welligt om tegen Thwackum te opponeren, of uit toegefelijkheid jegens den heer Allworthy, die, hetgeen Jones gedaan had ten zeerste scheen goed te keuren. Wat aangaat hetgeen hij bij deze gelegenheid aanvoerde, daar ik overtuigd ben, dat de meeste mijner lezers, zelve nog de zaak van Jones beter bepleiten kunnen dan ik, is het onnoodig het hier te herhalen. Inderdaad, het viel niet moeijelijk eene daad, die van de wetten van het onregt niet afteleiden was, met die van het regt overeen te brengen.

[Inhoud]Hoofdstuk IX.Bevattende eene veel schandelijker gebeurtenis, met de aanmerkingen van Thwackum en Square.Het is door iemand aangemerkt, die een veel grooter naam heeft voor wijsheid dan ik, dat een ongeluk zelden alleen komt.[116]Ik geloof dat men hiervan een voorbeeld ziet in die heeren, die het ongeluk hebben eenige van hunne schelmenstreken te zien ontdekken; want de ontdekking wordt dan zelden gestuit tot alles aan het licht komt. Dit was ook het geval met den armen Tom, die pas vergiffenis verkregen had voor het verkoopen van het paard, toen het uitlekte dat hij korten tijd van te voren een schoonen bijbel verkocht had, hem door den heer Allworthy geschonken, en dat hij het geld daarvoor op dezelfde wijze besteed had. Deze bijbel was door den jongen heer Blifil aangekocht, hoewel hij zelf een dergelijk boek bezat, gedeeltelijk uit eerbied voor het werk zelf, gedeeltelijk uit vriendschap voor Tom, daar hij niet wilde dat de bijbel voor half geld in vreemde handen kwam. Hij gaf hem dus die som zelf; want het was een zeer voorzigtige jongen, die zoo goed op zijn geld paste, dat hij bijna elken stuiver oplegde van al hetgeen hij van den heer Allworthy kreeg.Men heeft wel eens opgemerkt, dat er sommige menschen zijn, die alleen in hun eigen boek kunnen lezen. Maar het tegendeel scheen het geval te zijn met den jongen heer Blifil; want zoodra hij Tom’s bijbel kreeg, gebruikte hij nooit een anderen. Ja, men zag hem er zelfs veel meer in lezen, dan hij ooit in zijn eigen boek gedaan had. Daar hij ook dikwijls Thwackum verzocht hem moeijelijke passages daarin uit te leggen, merkte die heer ongelukkig Tom’s naam op, hier en daar in het boek geschreven. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek, waardoor de jonge heer Blifil genoodzaakt was de geheele zaak te ontdekken.Thwackum besloot dat eene misdaad van dezen aard, die hij heiligschennis noemde, niet ongestraft zou blijven. Hij ging dus onmiddellijk tot de strafoefening over en daarmede niet voldaan, maakte hij den heer Allworthy bij hunne eerste ontmoeting daarna, met deze, naar het hem toescheen schandelijke misdaad bekend, te gelijker tijd in de hevigste bewoordingen Tom berispende, en hem vergelijkende bij de kooplieden, die uit den tempel gedreven werden.Square bekeek de zaak uit een geheel ander oogpunt. Hij zeide er geene zwaardere misdaad in te zien, of men het ééne boek of het andere verkocht. Het verkoopen van bijbels was geheel wettig,—volgens goddelijke en menschelijke[117]instellingen, en dus was er niets ongepast in. Hij vertelde aan Thwackum, dat diens groote toorn bij deze gelegenheid hem herinnerde aan het verhaal van de zeer vrome vrouw die uit zuiveren godsdienstzin Tillotson’s preken stal van eene dame, die zij kende.Dit verhaal deed al het bloed stroomen naar het gezigt van den geestelijke, dat op zich zelf nooit al te bleek was, en hij was op het punt van met groote drift en toorn te antwoorden, toen mevrouw Blifil, die bij dezen twist tegenwoordig was, tusschenbeide kwam. Die dame trok zeer bepaaldelijk partij voor Square. Zij redeneerde inderdaad zeer geleerd om zijn gevoelen te ondersteunen, en eindigde met te zeggen, dat zij bekennen moest dat haar eigen zoon even schuldig scheen; want dat zij geen onderscheid zien kon tusschen kooper en verkooper,—welke beide uit den tempel gedreven moesten worden.Daar mevrouw Blifil nu eenmaal haar gevoelen had geuit, was er een einde aan den twist. Square’s overwinning zou al zijne welsprekendheid gestuit hebben, als hij die noodig had gehad, en Thwackum, die om voormelde redenen het niet waagde de dame te mishagen, stikte bijna van verontwaardiging. Wat de heer Allworthy aangaat, hij zeide, dat daar de jongen reeds gestraft was, hij zijne meening omtrent de geheele zaak voor zich houden zou; en ik laat het aan den lezer zelven over te beslissen, of hij vertoornd was of niet op den jongen.Kort hierop werd de jager geregtelijk vervolgd door den heer Western,—den heer op wiens jagt de patrijs geschoten werd,—wegens meer dergelijke delicten. Dit was een zeer ongelukkig iets voor den armen vent, daar het niet slechts genoeg was op zich zelf om hem geheel te grond te rigten, maar ook wezenlijk belette, dat de heer Allworthy hem weder in zijne gunst opnam; want toen die heer op zekeren avond met den jongen heer Blifil en Tom Jones wandelde, wist deze laatste hem op eene listige wijze voorbij de woning van den Zwarten George te brengen, waar de familie van den armen man, namelijk zijne vrouw en kinderen, in al de ellende gevonden werden, welke koude, honger en gebrek aan kleeding den mensch doen uitstaan; want, wat het geld betreft, dat zij van Jones gekregen hadden, dat[118]was bijna geheel en al door oude schulden verslonden.Een dergelijk tooneel kon zijne uitwerking niet missen op het hart van den heer Allworthy. Hij schonk de moeder dadelijk een paar goudstukken en beval haar daarmede hare kinderen op nieuw te kleeden. De arme vrouw barstte in tranen uit over deze weldaad, en terwijl zij hem bedankte kon zij niet nalaten hare erkentelijkheid jegens Tom te uiten, die, gelijk zij zeide, haar en de haren zoo lang voor den hongerdood bewaard had.„Wij hebben,” zeide zij, „geen brok eten, en geen enkel kleedingstuk dat wij niet aan zijne goedheid te danken hebben.”En werkelijk, behalve het paard en den bijbel, had Tom nog een nachthemd en andere kleinigheden ten behoeve van het ongelukkige huisgezin opgeofferd.Bij hunne terugkomst, bezigde Tom al zijne welsprekendheid, om de ellende dezer menschen af te schilderen, alsmede het berouw van den Zwarten George zelven, en hierin slaagde hij zoo goed, dat de heer Allworthy zeide, dat hij zich verbeeldde dat de man genoeg gestraft was voor het verledene; dat hij hem nu vergeven zou en middelen beramen om hem en zijne familie verder te bezorgen.Jones was zoo verrukt over deze toezegging, dat hoewel het al donker was bij hunne tehuiskomst, hij in een regenbui terugdraafde, eene mijl ver, om de heugelijke tijding aan de arme vrouw over te brengen; maar even als andere overhaaste verspreiders van berigten, haalde hij zich slechts de moeite op den hals van het te moeten gaan tegenspreken, want het vijandige noodlot maakte juist gebruik van de afwezigheid van den vriend van den Zwarten George om alles weder in de war te brengen.

Hoofdstuk IX.Bevattende eene veel schandelijker gebeurtenis, met de aanmerkingen van Thwackum en Square.

Het is door iemand aangemerkt, die een veel grooter naam heeft voor wijsheid dan ik, dat een ongeluk zelden alleen komt.[116]Ik geloof dat men hiervan een voorbeeld ziet in die heeren, die het ongeluk hebben eenige van hunne schelmenstreken te zien ontdekken; want de ontdekking wordt dan zelden gestuit tot alles aan het licht komt. Dit was ook het geval met den armen Tom, die pas vergiffenis verkregen had voor het verkoopen van het paard, toen het uitlekte dat hij korten tijd van te voren een schoonen bijbel verkocht had, hem door den heer Allworthy geschonken, en dat hij het geld daarvoor op dezelfde wijze besteed had. Deze bijbel was door den jongen heer Blifil aangekocht, hoewel hij zelf een dergelijk boek bezat, gedeeltelijk uit eerbied voor het werk zelf, gedeeltelijk uit vriendschap voor Tom, daar hij niet wilde dat de bijbel voor half geld in vreemde handen kwam. Hij gaf hem dus die som zelf; want het was een zeer voorzigtige jongen, die zoo goed op zijn geld paste, dat hij bijna elken stuiver oplegde van al hetgeen hij van den heer Allworthy kreeg.Men heeft wel eens opgemerkt, dat er sommige menschen zijn, die alleen in hun eigen boek kunnen lezen. Maar het tegendeel scheen het geval te zijn met den jongen heer Blifil; want zoodra hij Tom’s bijbel kreeg, gebruikte hij nooit een anderen. Ja, men zag hem er zelfs veel meer in lezen, dan hij ooit in zijn eigen boek gedaan had. Daar hij ook dikwijls Thwackum verzocht hem moeijelijke passages daarin uit te leggen, merkte die heer ongelukkig Tom’s naam op, hier en daar in het boek geschreven. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek, waardoor de jonge heer Blifil genoodzaakt was de geheele zaak te ontdekken.Thwackum besloot dat eene misdaad van dezen aard, die hij heiligschennis noemde, niet ongestraft zou blijven. Hij ging dus onmiddellijk tot de strafoefening over en daarmede niet voldaan, maakte hij den heer Allworthy bij hunne eerste ontmoeting daarna, met deze, naar het hem toescheen schandelijke misdaad bekend, te gelijker tijd in de hevigste bewoordingen Tom berispende, en hem vergelijkende bij de kooplieden, die uit den tempel gedreven werden.Square bekeek de zaak uit een geheel ander oogpunt. Hij zeide er geene zwaardere misdaad in te zien, of men het ééne boek of het andere verkocht. Het verkoopen van bijbels was geheel wettig,—volgens goddelijke en menschelijke[117]instellingen, en dus was er niets ongepast in. Hij vertelde aan Thwackum, dat diens groote toorn bij deze gelegenheid hem herinnerde aan het verhaal van de zeer vrome vrouw die uit zuiveren godsdienstzin Tillotson’s preken stal van eene dame, die zij kende.Dit verhaal deed al het bloed stroomen naar het gezigt van den geestelijke, dat op zich zelf nooit al te bleek was, en hij was op het punt van met groote drift en toorn te antwoorden, toen mevrouw Blifil, die bij dezen twist tegenwoordig was, tusschenbeide kwam. Die dame trok zeer bepaaldelijk partij voor Square. Zij redeneerde inderdaad zeer geleerd om zijn gevoelen te ondersteunen, en eindigde met te zeggen, dat zij bekennen moest dat haar eigen zoon even schuldig scheen; want dat zij geen onderscheid zien kon tusschen kooper en verkooper,—welke beide uit den tempel gedreven moesten worden.Daar mevrouw Blifil nu eenmaal haar gevoelen had geuit, was er een einde aan den twist. Square’s overwinning zou al zijne welsprekendheid gestuit hebben, als hij die noodig had gehad, en Thwackum, die om voormelde redenen het niet waagde de dame te mishagen, stikte bijna van verontwaardiging. Wat de heer Allworthy aangaat, hij zeide, dat daar de jongen reeds gestraft was, hij zijne meening omtrent de geheele zaak voor zich houden zou; en ik laat het aan den lezer zelven over te beslissen, of hij vertoornd was of niet op den jongen.Kort hierop werd de jager geregtelijk vervolgd door den heer Western,—den heer op wiens jagt de patrijs geschoten werd,—wegens meer dergelijke delicten. Dit was een zeer ongelukkig iets voor den armen vent, daar het niet slechts genoeg was op zich zelf om hem geheel te grond te rigten, maar ook wezenlijk belette, dat de heer Allworthy hem weder in zijne gunst opnam; want toen die heer op zekeren avond met den jongen heer Blifil en Tom Jones wandelde, wist deze laatste hem op eene listige wijze voorbij de woning van den Zwarten George te brengen, waar de familie van den armen man, namelijk zijne vrouw en kinderen, in al de ellende gevonden werden, welke koude, honger en gebrek aan kleeding den mensch doen uitstaan; want, wat het geld betreft, dat zij van Jones gekregen hadden, dat[118]was bijna geheel en al door oude schulden verslonden.Een dergelijk tooneel kon zijne uitwerking niet missen op het hart van den heer Allworthy. Hij schonk de moeder dadelijk een paar goudstukken en beval haar daarmede hare kinderen op nieuw te kleeden. De arme vrouw barstte in tranen uit over deze weldaad, en terwijl zij hem bedankte kon zij niet nalaten hare erkentelijkheid jegens Tom te uiten, die, gelijk zij zeide, haar en de haren zoo lang voor den hongerdood bewaard had.„Wij hebben,” zeide zij, „geen brok eten, en geen enkel kleedingstuk dat wij niet aan zijne goedheid te danken hebben.”En werkelijk, behalve het paard en den bijbel, had Tom nog een nachthemd en andere kleinigheden ten behoeve van het ongelukkige huisgezin opgeofferd.Bij hunne terugkomst, bezigde Tom al zijne welsprekendheid, om de ellende dezer menschen af te schilderen, alsmede het berouw van den Zwarten George zelven, en hierin slaagde hij zoo goed, dat de heer Allworthy zeide, dat hij zich verbeeldde dat de man genoeg gestraft was voor het verledene; dat hij hem nu vergeven zou en middelen beramen om hem en zijne familie verder te bezorgen.Jones was zoo verrukt over deze toezegging, dat hoewel het al donker was bij hunne tehuiskomst, hij in een regenbui terugdraafde, eene mijl ver, om de heugelijke tijding aan de arme vrouw over te brengen; maar even als andere overhaaste verspreiders van berigten, haalde hij zich slechts de moeite op den hals van het te moeten gaan tegenspreken, want het vijandige noodlot maakte juist gebruik van de afwezigheid van den vriend van den Zwarten George om alles weder in de war te brengen.

Het is door iemand aangemerkt, die een veel grooter naam heeft voor wijsheid dan ik, dat een ongeluk zelden alleen komt.[116]

Ik geloof dat men hiervan een voorbeeld ziet in die heeren, die het ongeluk hebben eenige van hunne schelmenstreken te zien ontdekken; want de ontdekking wordt dan zelden gestuit tot alles aan het licht komt. Dit was ook het geval met den armen Tom, die pas vergiffenis verkregen had voor het verkoopen van het paard, toen het uitlekte dat hij korten tijd van te voren een schoonen bijbel verkocht had, hem door den heer Allworthy geschonken, en dat hij het geld daarvoor op dezelfde wijze besteed had. Deze bijbel was door den jongen heer Blifil aangekocht, hoewel hij zelf een dergelijk boek bezat, gedeeltelijk uit eerbied voor het werk zelf, gedeeltelijk uit vriendschap voor Tom, daar hij niet wilde dat de bijbel voor half geld in vreemde handen kwam. Hij gaf hem dus die som zelf; want het was een zeer voorzigtige jongen, die zoo goed op zijn geld paste, dat hij bijna elken stuiver oplegde van al hetgeen hij van den heer Allworthy kreeg.

Men heeft wel eens opgemerkt, dat er sommige menschen zijn, die alleen in hun eigen boek kunnen lezen. Maar het tegendeel scheen het geval te zijn met den jongen heer Blifil; want zoodra hij Tom’s bijbel kreeg, gebruikte hij nooit een anderen. Ja, men zag hem er zelfs veel meer in lezen, dan hij ooit in zijn eigen boek gedaan had. Daar hij ook dikwijls Thwackum verzocht hem moeijelijke passages daarin uit te leggen, merkte die heer ongelukkig Tom’s naam op, hier en daar in het boek geschreven. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek, waardoor de jonge heer Blifil genoodzaakt was de geheele zaak te ontdekken.

Thwackum besloot dat eene misdaad van dezen aard, die hij heiligschennis noemde, niet ongestraft zou blijven. Hij ging dus onmiddellijk tot de strafoefening over en daarmede niet voldaan, maakte hij den heer Allworthy bij hunne eerste ontmoeting daarna, met deze, naar het hem toescheen schandelijke misdaad bekend, te gelijker tijd in de hevigste bewoordingen Tom berispende, en hem vergelijkende bij de kooplieden, die uit den tempel gedreven werden.

Square bekeek de zaak uit een geheel ander oogpunt. Hij zeide er geene zwaardere misdaad in te zien, of men het ééne boek of het andere verkocht. Het verkoopen van bijbels was geheel wettig,—volgens goddelijke en menschelijke[117]instellingen, en dus was er niets ongepast in. Hij vertelde aan Thwackum, dat diens groote toorn bij deze gelegenheid hem herinnerde aan het verhaal van de zeer vrome vrouw die uit zuiveren godsdienstzin Tillotson’s preken stal van eene dame, die zij kende.

Dit verhaal deed al het bloed stroomen naar het gezigt van den geestelijke, dat op zich zelf nooit al te bleek was, en hij was op het punt van met groote drift en toorn te antwoorden, toen mevrouw Blifil, die bij dezen twist tegenwoordig was, tusschenbeide kwam. Die dame trok zeer bepaaldelijk partij voor Square. Zij redeneerde inderdaad zeer geleerd om zijn gevoelen te ondersteunen, en eindigde met te zeggen, dat zij bekennen moest dat haar eigen zoon even schuldig scheen; want dat zij geen onderscheid zien kon tusschen kooper en verkooper,—welke beide uit den tempel gedreven moesten worden.

Daar mevrouw Blifil nu eenmaal haar gevoelen had geuit, was er een einde aan den twist. Square’s overwinning zou al zijne welsprekendheid gestuit hebben, als hij die noodig had gehad, en Thwackum, die om voormelde redenen het niet waagde de dame te mishagen, stikte bijna van verontwaardiging. Wat de heer Allworthy aangaat, hij zeide, dat daar de jongen reeds gestraft was, hij zijne meening omtrent de geheele zaak voor zich houden zou; en ik laat het aan den lezer zelven over te beslissen, of hij vertoornd was of niet op den jongen.

Kort hierop werd de jager geregtelijk vervolgd door den heer Western,—den heer op wiens jagt de patrijs geschoten werd,—wegens meer dergelijke delicten. Dit was een zeer ongelukkig iets voor den armen vent, daar het niet slechts genoeg was op zich zelf om hem geheel te grond te rigten, maar ook wezenlijk belette, dat de heer Allworthy hem weder in zijne gunst opnam; want toen die heer op zekeren avond met den jongen heer Blifil en Tom Jones wandelde, wist deze laatste hem op eene listige wijze voorbij de woning van den Zwarten George te brengen, waar de familie van den armen man, namelijk zijne vrouw en kinderen, in al de ellende gevonden werden, welke koude, honger en gebrek aan kleeding den mensch doen uitstaan; want, wat het geld betreft, dat zij van Jones gekregen hadden, dat[118]was bijna geheel en al door oude schulden verslonden.

Een dergelijk tooneel kon zijne uitwerking niet missen op het hart van den heer Allworthy. Hij schonk de moeder dadelijk een paar goudstukken en beval haar daarmede hare kinderen op nieuw te kleeden. De arme vrouw barstte in tranen uit over deze weldaad, en terwijl zij hem bedankte kon zij niet nalaten hare erkentelijkheid jegens Tom te uiten, die, gelijk zij zeide, haar en de haren zoo lang voor den hongerdood bewaard had.

„Wij hebben,” zeide zij, „geen brok eten, en geen enkel kleedingstuk dat wij niet aan zijne goedheid te danken hebben.”

En werkelijk, behalve het paard en den bijbel, had Tom nog een nachthemd en andere kleinigheden ten behoeve van het ongelukkige huisgezin opgeofferd.

Bij hunne terugkomst, bezigde Tom al zijne welsprekendheid, om de ellende dezer menschen af te schilderen, alsmede het berouw van den Zwarten George zelven, en hierin slaagde hij zoo goed, dat de heer Allworthy zeide, dat hij zich verbeeldde dat de man genoeg gestraft was voor het verledene; dat hij hem nu vergeven zou en middelen beramen om hem en zijne familie verder te bezorgen.

Jones was zoo verrukt over deze toezegging, dat hoewel het al donker was bij hunne tehuiskomst, hij in een regenbui terugdraafde, eene mijl ver, om de heugelijke tijding aan de arme vrouw over te brengen; maar even als andere overhaaste verspreiders van berigten, haalde hij zich slechts de moeite op den hals van het te moeten gaan tegenspreken, want het vijandige noodlot maakte juist gebruik van de afwezigheid van den vriend van den Zwarten George om alles weder in de war te brengen.

[Inhoud]Hoofdstuk X.Waarin de jonge heer Blifil en Tom zich in een zeer verschillend licht doen zien.De jonge heer Blifil bezat, in veel minderen graad dan zijn makker, de beminnelijke hoedanigheid van het medelijden;[119]maar hij overtrof hem daarentegen evenzeer in eene andere, die veel verhevener van aard is, en waarin hij zoowel de leerstellingen als het voorbeeld van Square volgde; want hoewel beiden het woord medelijden dikwijls gebruikten, was het duidelijk dat in de werkelijkheid Square het beschouwde als onbestaanbaar met de wetten van het regt, terwijl Thwackum de geregtigheid wilde uitoefenen en de barmhartigheid aan den Hemel overlaten.Die twee mannen verschilden inderdaad zoo zeer in gevoelen omtrent de voorwerpen van deze verhevene deugd, dat Thwackum, op zijne wijze, waarschijnlijk de eene helft van het menschelijk geslacht en Square de andere helft vernietigd zou hebben.De jonge heer Blifil dan, hoewel hij zweeg in het bijzijn van Jones, kon toch, toen hij over de zaak nadacht, het denkbeeld niet verdragen, dat zijn oom den onwaardige met weldaden zou overladen. Om deze reden besloot hij dadelijk zijn oom bekend te maken met het feit, waarvan wij den lezer eventjes een wenk gegeven hebben. De toedragt er van was als volgt:De jager had, omstreeks een jaar na zijn ontslag uit de dienst van den heer Allworthy, en eer Tom het paard verkocht, en toen hij gebrek had aan brood voor zich zelven of zijn huisgezin, een zittenden haas ontdekt, terwijl hij door een veld ging dat den heer Western toebehoorde. Dit dier had hij op eene barbaarsche en laaghartige wijze met een knuppel doodgeslagen,—wat voorzeker zeer in strijd was met de wetten van het land en met die der jagt.De handelaar aan wien de haas verkocht werd, werd ongelukkig vele maanden later gesnapt met eene menigte gestroopt wild, en was om den heer van de plaats te verzoenen, genoodzaakt den een of anderen wilddief te verraden. Daartoe werd de Zwarte George door hem uitgezocht, als iemand, dien de heer Western reeds ongenegen was, en die ook in de omstreken reeds een slechten naam had. De handelaar kon bovendien zelf geen voordeeliger offer brengen, daar George hem in al dien tijd geen wild geleverd had, en aldus vond hij gelegenheid zijne beste leveranciers te redden; want daar de heer Western verrukt was de gelegenheid te hebben om den Zwarten George te straffen, dien[120]eene enkele overtreding geheel te gronde zou rigten, deed hij geen verder onderzoek.Als men dit feit onvergroot den heer Allworthy blootgelegd had, zou het waarschijnlijk den jager zeer weinig hebben benadeeld. Maar geen ijver is meer verblind, dan die welke ontstaat uit de zucht om den boosdoener te straffen. De jonge heer Blifil vergat hoe lang geleden alles gebeurd was. Hij veranderde ook eenigzins de zaak, en door het onvoorzigtige gebruik van het woordhazenin plaats vanhaas, maakte hij een groot verschil en beschuldigde George van strikken te leggen om hazen te vangen. Deze verandering had welligt kunnen verbeterd worden, als de jonge heer Blifil niet heel ongelukkig den heer Allworthy eene belofte van geheimhouding afgeperst had eer hij hem de zaak mededeelde;—maar nu werd de arme jager veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben om zich te regtvaardigen; want, daar het onbetwistbaar was dat hij één haas gedood had, en daarom geregtelijk vervolgd werd, twijfelde de heer Allworthy aan het overige van het verhaal niet.Zeer kort dan was de vreugde dezer arme menschen; want de heer Allworthy verklaarde den volgenden morgen, dat hij eene nieuwe reden had, die hij niet opgeven wilde, om vertoond op George te zijn, en hij gelastte Tom diens naam nooit meer te noemen; hoewel, wat zijn huisgezin betrof, hij zijn best beloofde te doen om te beletten dat dat van honger omkwam;—met den jager zelven wilde hij echter niet te doen hebben, maar zou hem aan de wetten overlaten, die hij voor geen geld ter wereld wilde schenden.Tom kon volstrekt niet gissen wat het was, dat de toorn van den heer Allworthy opgewekt had, want zijne verdenking viel niet op den jongen heer Blifil. Daar echter zijne vriendschap zich door niets liet afschrikken, besloot hij om een ander middel te baat te nemen om den armen man van den ondergang te redden.Jones was in den laatsten tijd zeer intiem geworden met den heer Western. Hij had zich zoodanig aan dien heer aanbevolen, door zijn stout rijden op de jagt en andere heldenfeiten van dien aard, dat die heer verklaarde dat Tom zeker nog eens een groot man zou worden als hij slechts aanmoediging vond. Hij wenschte dikwijls zelf zulk een[121]begaafden zoon te hebben, en verklaarde eens op eene drinkpartij dat hij er duizend pond onder verwedden wilde, dat geen jager in het geheele land zoo goed met de honden kon jagen als Tom.Deze had zich door die gaven zoodanig bemind gemaakt bij den landjonker, dat hij altijd een zeer gewenschte gast was aan zijne tafel en zijn lievelingsmakker op de jagt. Alles wat de landjonker het kostbaarste achtte; te weten: geweren, honden en paarden, waren nu ook even zeer tot Tom’s beschikking als of ze hem zelven toebehoorden. Hij besloot dus om gebruik te maken van deze gunst ten behoeve van zijn vriend den Zwarten George, dien hij in het huis van den heer Western hoopte te doen opnemen in dezelfde hoedanigheid als vroeger bij den heer Allworthy. Als de lezer bedenkt, dat deze mensch reeds zeer gehaat was bij den heer Western en verder in overweging neemt welke gewigtige zaak den toorn van dien heer had gaande gemaakt, zal hij misschien de onderneming van Tom als dwaas en wanhopig beschouwen; maar als hij den jongen Jones om die reden veroordeelt, zal hij het toch prijzenswaardig vinden, dat hij zich in deze moeijelijke taak trachtte te versterken door elk hulpmiddel, waarover hij beschikken kon, te baat te nemen.Tot dit einde dan wendde zich Tom tot de dochter van den heer Western, eene jonge dame van ongeveer zeventienjarigen leeftijd, die door haar vader (na de bovenvermelde onmisbare voorwerpen voor de jagt), boven alles ter wereld bemind en geschat werd. Terwijl zij dus eenigen invloed op haar vader bezat, bezat ook Tom eenigen invloed op haar. Daar deze dame echter de toekomstige heldin van dit boek wordt,—eene dame waarop wij zelf zeer verliefd zijn, en op wie waarschijnlijk vele onzer lezers verliefd zullen worden eer wij gedaan hebben, zou het niet gepast zijn haar aan het einde van een boek voor het eerst te doen optreden.[122]

Hoofdstuk X.Waarin de jonge heer Blifil en Tom zich in een zeer verschillend licht doen zien.

De jonge heer Blifil bezat, in veel minderen graad dan zijn makker, de beminnelijke hoedanigheid van het medelijden;[119]maar hij overtrof hem daarentegen evenzeer in eene andere, die veel verhevener van aard is, en waarin hij zoowel de leerstellingen als het voorbeeld van Square volgde; want hoewel beiden het woord medelijden dikwijls gebruikten, was het duidelijk dat in de werkelijkheid Square het beschouwde als onbestaanbaar met de wetten van het regt, terwijl Thwackum de geregtigheid wilde uitoefenen en de barmhartigheid aan den Hemel overlaten.Die twee mannen verschilden inderdaad zoo zeer in gevoelen omtrent de voorwerpen van deze verhevene deugd, dat Thwackum, op zijne wijze, waarschijnlijk de eene helft van het menschelijk geslacht en Square de andere helft vernietigd zou hebben.De jonge heer Blifil dan, hoewel hij zweeg in het bijzijn van Jones, kon toch, toen hij over de zaak nadacht, het denkbeeld niet verdragen, dat zijn oom den onwaardige met weldaden zou overladen. Om deze reden besloot hij dadelijk zijn oom bekend te maken met het feit, waarvan wij den lezer eventjes een wenk gegeven hebben. De toedragt er van was als volgt:De jager had, omstreeks een jaar na zijn ontslag uit de dienst van den heer Allworthy, en eer Tom het paard verkocht, en toen hij gebrek had aan brood voor zich zelven of zijn huisgezin, een zittenden haas ontdekt, terwijl hij door een veld ging dat den heer Western toebehoorde. Dit dier had hij op eene barbaarsche en laaghartige wijze met een knuppel doodgeslagen,—wat voorzeker zeer in strijd was met de wetten van het land en met die der jagt.De handelaar aan wien de haas verkocht werd, werd ongelukkig vele maanden later gesnapt met eene menigte gestroopt wild, en was om den heer van de plaats te verzoenen, genoodzaakt den een of anderen wilddief te verraden. Daartoe werd de Zwarte George door hem uitgezocht, als iemand, dien de heer Western reeds ongenegen was, en die ook in de omstreken reeds een slechten naam had. De handelaar kon bovendien zelf geen voordeeliger offer brengen, daar George hem in al dien tijd geen wild geleverd had, en aldus vond hij gelegenheid zijne beste leveranciers te redden; want daar de heer Western verrukt was de gelegenheid te hebben om den Zwarten George te straffen, dien[120]eene enkele overtreding geheel te gronde zou rigten, deed hij geen verder onderzoek.Als men dit feit onvergroot den heer Allworthy blootgelegd had, zou het waarschijnlijk den jager zeer weinig hebben benadeeld. Maar geen ijver is meer verblind, dan die welke ontstaat uit de zucht om den boosdoener te straffen. De jonge heer Blifil vergat hoe lang geleden alles gebeurd was. Hij veranderde ook eenigzins de zaak, en door het onvoorzigtige gebruik van het woordhazenin plaats vanhaas, maakte hij een groot verschil en beschuldigde George van strikken te leggen om hazen te vangen. Deze verandering had welligt kunnen verbeterd worden, als de jonge heer Blifil niet heel ongelukkig den heer Allworthy eene belofte van geheimhouding afgeperst had eer hij hem de zaak mededeelde;—maar nu werd de arme jager veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben om zich te regtvaardigen; want, daar het onbetwistbaar was dat hij één haas gedood had, en daarom geregtelijk vervolgd werd, twijfelde de heer Allworthy aan het overige van het verhaal niet.Zeer kort dan was de vreugde dezer arme menschen; want de heer Allworthy verklaarde den volgenden morgen, dat hij eene nieuwe reden had, die hij niet opgeven wilde, om vertoond op George te zijn, en hij gelastte Tom diens naam nooit meer te noemen; hoewel, wat zijn huisgezin betrof, hij zijn best beloofde te doen om te beletten dat dat van honger omkwam;—met den jager zelven wilde hij echter niet te doen hebben, maar zou hem aan de wetten overlaten, die hij voor geen geld ter wereld wilde schenden.Tom kon volstrekt niet gissen wat het was, dat de toorn van den heer Allworthy opgewekt had, want zijne verdenking viel niet op den jongen heer Blifil. Daar echter zijne vriendschap zich door niets liet afschrikken, besloot hij om een ander middel te baat te nemen om den armen man van den ondergang te redden.Jones was in den laatsten tijd zeer intiem geworden met den heer Western. Hij had zich zoodanig aan dien heer aanbevolen, door zijn stout rijden op de jagt en andere heldenfeiten van dien aard, dat die heer verklaarde dat Tom zeker nog eens een groot man zou worden als hij slechts aanmoediging vond. Hij wenschte dikwijls zelf zulk een[121]begaafden zoon te hebben, en verklaarde eens op eene drinkpartij dat hij er duizend pond onder verwedden wilde, dat geen jager in het geheele land zoo goed met de honden kon jagen als Tom.Deze had zich door die gaven zoodanig bemind gemaakt bij den landjonker, dat hij altijd een zeer gewenschte gast was aan zijne tafel en zijn lievelingsmakker op de jagt. Alles wat de landjonker het kostbaarste achtte; te weten: geweren, honden en paarden, waren nu ook even zeer tot Tom’s beschikking als of ze hem zelven toebehoorden. Hij besloot dus om gebruik te maken van deze gunst ten behoeve van zijn vriend den Zwarten George, dien hij in het huis van den heer Western hoopte te doen opnemen in dezelfde hoedanigheid als vroeger bij den heer Allworthy. Als de lezer bedenkt, dat deze mensch reeds zeer gehaat was bij den heer Western en verder in overweging neemt welke gewigtige zaak den toorn van dien heer had gaande gemaakt, zal hij misschien de onderneming van Tom als dwaas en wanhopig beschouwen; maar als hij den jongen Jones om die reden veroordeelt, zal hij het toch prijzenswaardig vinden, dat hij zich in deze moeijelijke taak trachtte te versterken door elk hulpmiddel, waarover hij beschikken kon, te baat te nemen.Tot dit einde dan wendde zich Tom tot de dochter van den heer Western, eene jonge dame van ongeveer zeventienjarigen leeftijd, die door haar vader (na de bovenvermelde onmisbare voorwerpen voor de jagt), boven alles ter wereld bemind en geschat werd. Terwijl zij dus eenigen invloed op haar vader bezat, bezat ook Tom eenigen invloed op haar. Daar deze dame echter de toekomstige heldin van dit boek wordt,—eene dame waarop wij zelf zeer verliefd zijn, en op wie waarschijnlijk vele onzer lezers verliefd zullen worden eer wij gedaan hebben, zou het niet gepast zijn haar aan het einde van een boek voor het eerst te doen optreden.[122]

De jonge heer Blifil bezat, in veel minderen graad dan zijn makker, de beminnelijke hoedanigheid van het medelijden;[119]maar hij overtrof hem daarentegen evenzeer in eene andere, die veel verhevener van aard is, en waarin hij zoowel de leerstellingen als het voorbeeld van Square volgde; want hoewel beiden het woord medelijden dikwijls gebruikten, was het duidelijk dat in de werkelijkheid Square het beschouwde als onbestaanbaar met de wetten van het regt, terwijl Thwackum de geregtigheid wilde uitoefenen en de barmhartigheid aan den Hemel overlaten.

Die twee mannen verschilden inderdaad zoo zeer in gevoelen omtrent de voorwerpen van deze verhevene deugd, dat Thwackum, op zijne wijze, waarschijnlijk de eene helft van het menschelijk geslacht en Square de andere helft vernietigd zou hebben.

De jonge heer Blifil dan, hoewel hij zweeg in het bijzijn van Jones, kon toch, toen hij over de zaak nadacht, het denkbeeld niet verdragen, dat zijn oom den onwaardige met weldaden zou overladen. Om deze reden besloot hij dadelijk zijn oom bekend te maken met het feit, waarvan wij den lezer eventjes een wenk gegeven hebben. De toedragt er van was als volgt:

De jager had, omstreeks een jaar na zijn ontslag uit de dienst van den heer Allworthy, en eer Tom het paard verkocht, en toen hij gebrek had aan brood voor zich zelven of zijn huisgezin, een zittenden haas ontdekt, terwijl hij door een veld ging dat den heer Western toebehoorde. Dit dier had hij op eene barbaarsche en laaghartige wijze met een knuppel doodgeslagen,—wat voorzeker zeer in strijd was met de wetten van het land en met die der jagt.

De handelaar aan wien de haas verkocht werd, werd ongelukkig vele maanden later gesnapt met eene menigte gestroopt wild, en was om den heer van de plaats te verzoenen, genoodzaakt den een of anderen wilddief te verraden. Daartoe werd de Zwarte George door hem uitgezocht, als iemand, dien de heer Western reeds ongenegen was, en die ook in de omstreken reeds een slechten naam had. De handelaar kon bovendien zelf geen voordeeliger offer brengen, daar George hem in al dien tijd geen wild geleverd had, en aldus vond hij gelegenheid zijne beste leveranciers te redden; want daar de heer Western verrukt was de gelegenheid te hebben om den Zwarten George te straffen, dien[120]eene enkele overtreding geheel te gronde zou rigten, deed hij geen verder onderzoek.

Als men dit feit onvergroot den heer Allworthy blootgelegd had, zou het waarschijnlijk den jager zeer weinig hebben benadeeld. Maar geen ijver is meer verblind, dan die welke ontstaat uit de zucht om den boosdoener te straffen. De jonge heer Blifil vergat hoe lang geleden alles gebeurd was. Hij veranderde ook eenigzins de zaak, en door het onvoorzigtige gebruik van het woordhazenin plaats vanhaas, maakte hij een groot verschil en beschuldigde George van strikken te leggen om hazen te vangen. Deze verandering had welligt kunnen verbeterd worden, als de jonge heer Blifil niet heel ongelukkig den heer Allworthy eene belofte van geheimhouding afgeperst had eer hij hem de zaak mededeelde;—maar nu werd de arme jager veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben om zich te regtvaardigen; want, daar het onbetwistbaar was dat hij één haas gedood had, en daarom geregtelijk vervolgd werd, twijfelde de heer Allworthy aan het overige van het verhaal niet.

Zeer kort dan was de vreugde dezer arme menschen; want de heer Allworthy verklaarde den volgenden morgen, dat hij eene nieuwe reden had, die hij niet opgeven wilde, om vertoond op George te zijn, en hij gelastte Tom diens naam nooit meer te noemen; hoewel, wat zijn huisgezin betrof, hij zijn best beloofde te doen om te beletten dat dat van honger omkwam;—met den jager zelven wilde hij echter niet te doen hebben, maar zou hem aan de wetten overlaten, die hij voor geen geld ter wereld wilde schenden.

Tom kon volstrekt niet gissen wat het was, dat de toorn van den heer Allworthy opgewekt had, want zijne verdenking viel niet op den jongen heer Blifil. Daar echter zijne vriendschap zich door niets liet afschrikken, besloot hij om een ander middel te baat te nemen om den armen man van den ondergang te redden.

Jones was in den laatsten tijd zeer intiem geworden met den heer Western. Hij had zich zoodanig aan dien heer aanbevolen, door zijn stout rijden op de jagt en andere heldenfeiten van dien aard, dat die heer verklaarde dat Tom zeker nog eens een groot man zou worden als hij slechts aanmoediging vond. Hij wenschte dikwijls zelf zulk een[121]begaafden zoon te hebben, en verklaarde eens op eene drinkpartij dat hij er duizend pond onder verwedden wilde, dat geen jager in het geheele land zoo goed met de honden kon jagen als Tom.

Deze had zich door die gaven zoodanig bemind gemaakt bij den landjonker, dat hij altijd een zeer gewenschte gast was aan zijne tafel en zijn lievelingsmakker op de jagt. Alles wat de landjonker het kostbaarste achtte; te weten: geweren, honden en paarden, waren nu ook even zeer tot Tom’s beschikking als of ze hem zelven toebehoorden. Hij besloot dus om gebruik te maken van deze gunst ten behoeve van zijn vriend den Zwarten George, dien hij in het huis van den heer Western hoopte te doen opnemen in dezelfde hoedanigheid als vroeger bij den heer Allworthy. Als de lezer bedenkt, dat deze mensch reeds zeer gehaat was bij den heer Western en verder in overweging neemt welke gewigtige zaak den toorn van dien heer had gaande gemaakt, zal hij misschien de onderneming van Tom als dwaas en wanhopig beschouwen; maar als hij den jongen Jones om die reden veroordeelt, zal hij het toch prijzenswaardig vinden, dat hij zich in deze moeijelijke taak trachtte te versterken door elk hulpmiddel, waarover hij beschikken kon, te baat te nemen.

Tot dit einde dan wendde zich Tom tot de dochter van den heer Western, eene jonge dame van ongeveer zeventienjarigen leeftijd, die door haar vader (na de bovenvermelde onmisbare voorwerpen voor de jagt), boven alles ter wereld bemind en geschat werd. Terwijl zij dus eenigen invloed op haar vader bezat, bezat ook Tom eenigen invloed op haar. Daar deze dame echter de toekomstige heldin van dit boek wordt,—eene dame waarop wij zelf zeer verliefd zijn, en op wie waarschijnlijk vele onzer lezers verliefd zullen worden eer wij gedaan hebben, zou het niet gepast zijn haar aan het einde van een boek voor het eerst te doen optreden.[122]


Back to IndexNext